Categorie archief: Rudolf Steiner

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-6)

.

Artikel in opbouw

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

6. GEZICHTSZIN

Blz. 134  vert. 131/133

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.
Daß man es beim Sehen und der Wärme nicht so empfindet, hat eben seine besonderen Gründe.

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.
Dat men dat niet ervaart bij het zien en bij de warmtezin heeft speciale oorzaken. 

Daß der Sehsinn auch Gefühlssinn ist, dahinter kommen die Menschen deshalb nicht, weil sie nicht solche Betrachtungen anstellen wie sie in Goethes Farbenlehre zu finden sind. Dort haben Sie alles Verwandte der Farben mit dem Gefühl, was zuletzt dann sogar zu Willensimpulsen führt, deutlich ausgesprochen. 

Dat ook de gezichtszin een gevoelszintuig is, ontdekt men niet omdat men niet de onderzoekingen doet zoals ze in Goethes kleurenleer zijn te vinden. Daar vindt u duidelijk de verwantschap van de kleuren met het gevoel* beschreven, die tenslotte zelfs tot wilsimpulsen leidt. 

*verwantschap van de kleuren met het gevoel: Vgl. Goethe, Kleurenleer, Zeist 1991, het hoofdstuk ‘De werking van de kleuren op de menselijke psyche’.

Aber warum merkt dann der Mensch so wenig, daß beim Sehsinn hauptsächlich eigentlich ein Fühlen vorhanden ist?

Maar waarom merkt men eigenlijk zo weinig op, dat bij het zien voornamelijk sprake is van voelen?

De volgende uiteenzetting levert belangrijke aanwijzingen op waarmee we rekening zouden moeten houden bij het (vorm)tekenen!

Wir sehen ja im Grunde genommen die Dinge fast immer so, daß sie uns, indem sie uns die Farben zuordnen, auch die Grenzen der Farben zeigen: Linien, Formen. Wir werden aber gewöhnlich nicht darauf aufmerksam, wie wir da eigentlich wahrnehmen, wenn wir zugleich Farbiges und Formen wahrnehmen. Wenn der Mensch einen farbigen Kreis wahrnimmt, sagt er grob: Ich sehe die Farbe, ich sehe auch die Rundung des Kreises, die Kreisform.

Dat komt hierdoor: wanneer we voorwerpen bekijken, dan zien we de kleuren bijna altijd begrensd door lijnen of vormen. Gewoonlijk letten we er niet op hoe we eigenlijk waarnemen wanneer we tegelijkertijd kleur en vorm waarnemen. Wanneer de mens een gekleurde cirkel waarneemt, zegt hij grofweg: ik zie de kleur, ik zie ook de ronding van de gebogen lijn, de vorm van de cirkel.

Da werden aber doch zwei ganz verschiedene Dinge durcheinandergeworfen.

Maar hier worden twee totaal verschillende dingen door elkaar gehaald.

Blz. 135 v ert. 132

Durch die eigentliche Tätigkeit des Auges, durch die abgesonderte Tätigkeit des Auges sehen Sie zunächst überhaupt nur die Farbe. Die Kreisform sehen Sie, indem Sie sich in Ihrem Unterbewußtsein des Bewegungssinnes bedienen und unbewußt im Ätherleib, im astralischen Leibe eine Kreiswindung ausführen und dies dann in die Erkenntnis hinaufheben. Und indem der Kreis, den Sie durch Ihren Bewegungssinn aufgenommen haben, in die Erkenntnis heraufkommt, verbindet sich der erkannte Kreis erst mit der wahrgenommenen Farbe. Sie holen also die Form aus Ihrem ganzen Leibe heraus, indem Sie appellieren an den über den ganzen Leib ausgebreiteten Bewegungssinn.

Door de specifieke functie van het oog ziet u in eerste instantie slechts kleur. De vorm van de cirkel ziet u doordat u in uw onderbewuste uw bewegingszin inschakelt en onbewust, in het ether- en astrale lichaam, een cirkelvormige beweging maakt en u deze tot bewustzijn brengt. En pas doordat de cirkel, die via uw bewegingszin tot u is doorgedrongen, onderkend wordt, worden de herkende cirkel en de waargenomen kleur met elkaar verbonden. U haalt dus de vorm uit uw gehele lichaam, doordat u appelleert aan de zich over het gehele lichaam uitstrekkende bewegingszin.

Steiner wijst dan naar de 3e voordracht:

Das kleiden Sie in etwas, was ich schon auseinandergesetzt habe, wo ich
sagte: Der Mensch vollzieht eigentlich die Formen der Geometrie im Kosmos und hebt sie dann in die Erkenntnis hinauf.

Dat kleedt u in iets wat ik al behandeld heb toen ik het had over de mens die eigenlijk de geometrische vormen* in de kosmos uitvoert en zich deze dan bewust maakt.

*geometrische vormen: Zie ook de derde voordracht.

In dit artikel [3-8-1] is e.e.a. nader uitgewerkt.

Hoewel er geen concrete woorden over bestaan, wijst voor het vormtekenen van geometrische vormen alles in de richting dat je deze voor het laten beleven van deze vormen, staand staand laat tekenen.
Dat geldt niety voor de vormtekeningen als voorbereiding op het schrijven of de therapeutische oefeningen voor de temperamenten. 

Blz. 136 vert. 132

Denn wie soll man erziehen zum Sehen, wenn man nicht weiß, daß in den Sehakt hinein der ganze Mensch mit seinem Wesen auf dem Umwege durch den Bewegungssinn sich ergießt?

Want hoe moet men kinderen leren zien wanneer men zelf niet weet dat het gehele wezen van de mens zich via de bewegingszin uit in het zien?

Aber jetzt kommt etwas anderes zum Vorschein. Sie betrachten den Sehakt, indem Sie farbige Formen wahrnehmen. Es ist ein komplizierter Akt, dieser Sehakt, das Wahrnehmen farbiger Formen. Aber indem Sie ein einheitlicher Mensch sind, können Sie das, was Sie auf den zwei Umwegen wahrnehmen, auf dem Wege durch das Auge und auf dem Wege durch den Bewegungssinn, wieder in sich vereinigen. Sie würden stumpf hinschauen auf einen roten Kreis, wenn Sie nicht auf einem ganz anderen Wege das Rote und auf einem ganz anderen Wege das Kreisförmige wahrnehmen würden. Aber Sie schauen nicht stumpf hin, weil Sie von zwei Seiten her – die Farbe durch das Auge, die Form mit Hilfe des Bewegungssinnes – wahrnehmen und im Leben innerlich genötigt sind, diese beiden Dinge zusammenzufügen. Da urteilen Sie. Und jetzt begreifen Sie das Urteilen als einen lebendigen Vorgang in Ihrem eigenen Leibe, der dadurch zustande kommt, daß die Sinne Ihnen die Welt analysiert in Gliedern entgegenbringen. In zwölf verschiedenen Gliedern bringt Ihnen die Welt das entgegen, was Sie erleben, und in Ihrem Urteilen fügen Sie die Dinge zu- sammen, weil das einzelne nicht bestehen will als Einzelnes. 

Nu komt ook iets anders te voorschijn. Onderwerpt u het zien van gekleurde vormen aan een beschouwing, dan weet u dus dat het een complex proces is, deze activiteit van het zien, dit waarnemen van gekleurde vormen. Maar doordat u als mens een eenheid bent, kunt u dat wat u via twee omwegen, namelijk via het oog en via de bewegingszin, waarneemt weer in uzelf verenigen. U zou wezenloos naar een rode cirkel staren wanneer u niet het rood en het cirkelvormige via twee geheel verschillende wegen zou waarnemen. Maar u staart er niet wezenloos naar, omdat u van twee kanten uit waarneemt – de kleur via het oog, de vorm via de bewegingszin – en u zich in het leven innerlijk genoodzaakt ziet deze beide elementen samen te voegen.

Oordelen

Steiner roert het hier maar even aan; waarnemen en denken vormen samen de mogelijkheid tot waarheid. En de waarheid weergeven is toch wat we beogen als we oordelen. In GA 4Filosofie van de vrijheid (hfdst. 4 en 5) – behandelt Steiner dit uitvoerig.

Die Kreisform läßt es sich zunächst nicht gefallen, bloß Kreisform zu sein nach der Art, wie sie in den Bewegungssinn gekommen ist; die Farbe läßt es sich nicht gefallen, bloß Farbe zu sein, wie sie im Auge wahrgenommen wird. Die Dinge zwingen Sie innerlich, sie zu verbinden, und Sie erklären sich innerlich  
bereit, sie zu verbinden. Da wird die Urteilsfunktion zu einer Äußerung Ihres ganzen Menschen

Op zo’n moment vormt u zich een oordeel. En nu begrijpt u dat het oordelen een levend proces in uw eigen lichaam is, dat tot stand komt doordat de zintuigen de wereld geanalyseerd in afzonderlijke elementen naar u toe brengen. In twaalf verschillende elementen draagt de wereld u tegemoet wat u beleeft, en doordat u oordeelt, voegt u ze samen, omdat de afzonderlijke elementen niet afgezonderd willen blijven. De cirkelvorm wenst niet alleen de cirkelvorm te zijn zoals hij met de bewegingszin opgenomen is; het bevalt de kleur niet alleen de kleur te zijn zoals ze met het oog wordt waargenomen. De dingen dwingen u ze in uw innerlijk te verbinden en u verklaart zich innerlijk bereid om ze te verbinden. Daarmee wordt het oordelen een uiting van de gehele mens in u.

.

GA 293             vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2200-2067

.

.

.

.

,

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-7)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 131 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

7. SMAAKZIN

Blz. 134  vert. 131

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2199-2066

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-8)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 131 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

8. REUKZIN

Blz. 134  vert. 131

Die nächsten Sinne: Geruchssinn, Geschmackssinn, Sehsinn, Wärmesinn, sind hauptsächlich Gefühlssinne.

Ten tweede zijn er de reukzin, de smaakzin, de gezichtszin en de warmtezin. Dat zijn voornamelijk gevoelszintuigen.

bLz. 135  vert. 131

Das naive Bewußtsein empfindet ja ganz besonders beim Riechen und Schmecken die Verwandtschaft mit dem Fühlen.

Bij een naïeve beschouwingswijze ervaart men vooral bij het ruiken en proeven de verwantschap met het voelen.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2198-2065

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-11)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

11. LEVENSZIN

Blz. 133/134  vert. 130

Wir haben also neben dem Gleichgewichtssinn einen Bewegungssinn, und wir haben außerdem noch für die Wahrnehmung des Gestimmtseins unseres Leibes im weitesten Sinne den Lebenssinn. Von diesem Lebenssinn sind sogar sehr viele Menschen sehr abhängig. Sie nehmen wahr, ob sie zuviel oder zuwenig gegessen haben, und dadurch fühlen sie sich behaglich oder unbehaglich, oder sie nehmen wahr, ob sie ermüdet sind oder nicht, und dadurch fühlen sie sich behaglich oder unbehaglich. Kurz, die Wahrnehmung der Zustände des eigenen Leibes spiegelt sich im Lebenssinn

We hebben bovendien nog de levenszin, het zintuig waarmee men waarneemt hoe het in de ruimste zin gesteld is met het lichaam. Veel mensen zijn zelfs zeer afhankelijk van deze levenszin. Ze nemen waar of ze te veel of te weinig gegeten hebben en voelen zich daardoor prettig of onprettig, of ze nemen waar of ze vermoeid zijn of niet en voelen zich daardoor prettig of niet. Samengevat: de waarneming van de toestand, de gesteldheid van het eigen lichaam wordt door de levenszin gespiegeld.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Blz. 134  vert. 131

In den Lebenssinn wirkt der Wille ja sehr stark hinein,

In de levenszin werkt de wil heel sterk.     In de drift bijv. [4-3-2]

Blz. 134  vert. 131

 Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2197-2064

.

.

.

.

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-10)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

10. (EIGEN)BEWEGINGSZIN

Blz. 133  vert. 130

Und so wie wir für die Wahrnehmung des Gleichgewichtes einen Sinn haben, so haben wir auch einen Sinn für die eigene Bewegung, durch den wir unterscheiden, ob wir in Ruhe oder in Bewegung sind, ob unsere Muskeln gebeugt sind oder nicht. Wir haben also neben dem Gleichgewichtssinn einen Bewegungssinn,

En zoals we een waarnemingszintuig hebben voor het evenwicht, hebben we ook een zintuig voor het waarnemen van onze eigen beweging, een zintuig waardoor we kunnen onderscheiden of we ons in rust bevinden of in beweging zijn, of onze spieren gespannen zijn of niet. Naast de evenwichtszin hebben we dus een bewegingszin.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Fühlen Sie doch, wie in das Wahrnehmen von Bewegungen, selbst wenn Sie diese Bewegungen im Stehen ausführen, der Wille hineinwirkt! 

Voelt u maar eens hoe in het waarnemen van bewegingen de wil werkt – zelfs wanneer u stilstaand beweegt.

Blz. 134  vert. 131

Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskundezintuigen [8-4]

Algemene menskundevoordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2196-2063

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-9)

.

Artikel in opbouw

Enige opmerkingen bij blz. 130 vert.

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

9. EVENWICHTSZIN

Blz. . 133  vert. 130

Dann den Gleichgewichtssinn. Wir haben ein sinnlich geartetes Bewußtsein davon, daß wir im Gleichgewicht sind. Ein solches Bewußtsein haben wir. Wir wissen durch ein gewisses innerliches sinnliches Wahrnehmen, wie wir uns zu rechts und links, zu vorn und rückwärts verhalten, wie wir uns im Gleichgewicht verhalten, damit wir nicht umfallen. Und wenn das Organ unseres Gleichgewichtsinnes zerstört wird, fallen wir um; dann können wir uns nicht ins Gleichgewicht setzen, wie wir uns zu den Farben nicht in Beziehung bringen können, wenn das Auge zerstört ist. 

En de evenwichtszin. We hebben een op de zintuigen gebaseerd bewustzijn dat we in evenwicht zijn. Zo’n bewustzijn hebben we. We weten door een zekere innerlijke zintuiglijke waarneming hoe onze positie is ten opzichte van rechts en links, voor en achter, hoe we ons evenwicht bewaren opdat we niet omvallen. Wanneer het orgaan van onze evenwichtszin niet meer functioneert, vallen we om. Dan kunnen we niet het evenwicht opzoeken, zoals we zonder functionerende ogen geen kleurbeleving kunnen hebben.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Der ruhende Wille wirkt auch in die Wahrnehmung Ihres Gleichgewichtes hinein.

De wil in toestand van rust werkt ook door in de waarneming van uw evenwicht.

Blz. 134  vert. 131

Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

M.n. bijv. aan de evenwichtszin kun je beleven dat deze veel meer ‘wil’ is dan ‘kennis’. Bij de ‘gedachte-zin’, de ‘woordzin’ wordt een andere wakkerheid zichtbaar dan wanneer we ons evenwicht verliezen – dat we onmiddellijk – nog vóór we het echt verliezen, weer herstellen: daar komt geen denken aan te pas, maar een grote wilsactiviteit: een werkzaamheid, daad, van binnenuit om ons ‘overeind’ te houden. Je zou kunnen zeggen: wij herstellen ons evenwicht niet: het wordt hersteld – als wakkere mens staan we er eigenlijk buiten; dat is met het ervaren van het andere Ik of met het doorgronden van de gedachten van anderen, heel anders.
.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2194-2061

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 311)

.

Zie de inleiding

GA 311

Blz.  29/30      vert. 29/30

Und so muß man den Übergang im Zahnwechsel beobachtend er­leben. Man wird dann finden, daß das Kind vor allen Dingen die symbolisierende Gabe, die Phantasiegabe herausentwickelt aus dem, daß es vorher ganz Sinnesorgan ist, und darauf muß man rechnen, auch schon im Spiel. Unsere materialistische Zeit sündigt furchtbar dagegen. So bekommt man heute zum Beispiel überall sogenannte schöne Puppen für die Kinder. Oh, die haben ein so schön geformtes Gesicht, wunderbar gestrichene Wangen, sogar Augen, mit denen sie schlafen können, wenn man sie hinlegt, echte Haare, und was nicht alles! Aber damit wird die Phantasie des Kindes totgemacht. Es kann selber nichts mehr in der Phantasie aus dieser Gestalt ma­chen. Das Kind erlebt auch nicht so viel Freude daran. Dagegen macht man selbst eine Puppe aus einer Serviette oder einem Taschen­tuch, mit zwei Tintenklecksen die Augen, mit einem Tintenklecks einen Mund, man kann auch irgendwie Arme formen, dann kann das Kind mit der Phantasie sehr viel dazusetzen. Das ist für das Kind ganz besonders gut, möglichst viel dazusetzen zu können, die Phan­tasie, die symbolisierende Tätigkeit entwickeln zu können Das ist dasjenige, was man für sie suchen muß; möglichst wenig Fertiges, Schönes, wie man es nennt, geben. Denn das Schöne solch einer Puppe, wie ich sie vorhin beschrieben habe, mit echten Haaren und so weiter, ist nur konventionell schön; in Wahrheit ist diese Puppe ja scheußlich, weil sie unkünstlerisch ist.

En op deze manier moet je de overgang bij het tandenwisselen observerend meebeleven. Dan zul je ontdekken dat het kind bovenal de symboliserende gave, de gave van de fantasie ontwikkelt, uit, dat het daarvóór een en al zintuig is en daar moet je rekenen, mee houden, ook bij het spel. Daar zondigt onze materialistische tijd vreselijk tegen. Zo heb je tegenwoordig bv. overal de zogenaamde mooie poppen voor de kinderen. O, die hebben een mooi gevormd gezicht, wonderbaarlijk gladde wangetjes, zelfs ogen waarmee ze kunnen slapen als je ze neerlegt, echte haren en wat dies meer zij! Maar daarmee wordt de fantasie van het kind doodgemaakt. Het kan zelf niets meer in zijn fantasie uit dit ding maken. Het kind beleeft er ook niet zo veel plezier aan. Daarentegen kun je zelf een pop maken van een servet of een zakdoek, met twee inktvlekken als oog, met een inktvlek als mond; je kunt ook op de een of andere manier armen vormen, dan kan het kind er met zijn fantasie zeer veel aan toevoegen. Het is voor een kind heel goed er veel aan toe te kunnen voegen; om de fantasie, de symboliserende activiteit, te kunnen ontwikkelen. Dat moet je voor hem opzoeken; zo min mogelijk geven wat af en mooi is, zoals men dat noemt. Want het mooie van zo’n pop die ik net beschreven heb, met echte haren enz., is alleen maar conventioneel mooi; in waarheid is deze pop afzichtelijk, omdat die onkunstzinnig is.

GA 311/29    Op deze blog vertaald/29

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden.

.

2193-2060

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-1)

.

DE TWAALF ZINTUIGEN

[1] DE IK-ZIN

GA 293 [1]  blz. 124/125 (pdf)  vert. 126/127

( ) weil man einfach nicht beachtet, daß der Mensch ein ähnliches Verhältnis zu seiner Umwelt hat, wenn er das Ich eines anderen Menschen
wahrnimmt, wie er es hat, wenn er eine Farbe wahrnimmt durch den
Sehsinn. (  )

Wanneer de mens het ik van een ander mens waarneemt, heeft hij eenzelfde soort relatie tot de wereld om hem heen als wanneer hij een kleur waarneemt met zijn gezichtsvermogen.

Wenn einer an die Ich-Vorstellung denkt, so denkt er zunächst an seine
eigene Seelenwesenheit; dann ist er gewöhnlich zufrieden. Fast machen
es die Psychologen auch so. Sie bedenken gar nicht, daß es etwas völlig
Verschiedenes ist, ob ich durch das Zusammennehmen dessen, was ich
an mir selbst erlebe, zuletzt die Summe dieses Erlebens als «Ich» bezeichne oder ob ich einem Menschen gegenübertrete und durch die
Art, wie ich mich zu ihm in Beziehung setze, auch diesen Menschen als
ein «Ich» bezeichne. Das sind zwei ganz verschiedene geistig-seelische Tätigkeiten. Das eine Mal, wenn ich meine Lebenstätigkeiten in der
umfassenden Synthesis «Ich» zusammenfasse, habe ich etwas rein Innerliches; das andere Mal, wenn ich dem anderen Menschen gegenübertrete und durch meine Beziehung zu ihm zum Ausdruck bringe, daß
er auch so etwas ist wie mein Ich, habe ich eine Tätigkeit vor mir, die
im Wechselspiel zwischen mir und dem anderen Menschen verfließt.
Daher muß ich sagen: Die Wahrnehmung meines eigenen Ich in meinem Inneren ist etwas anderes, als wenn ich den anderen Menschen als
ein Ich erkenne. Die Wahrnehmung des anderen Ich beruht auf dem
Ich-Sinn, so wie die Wahrnehmung der Farbe auf dem Sehsinn, die
des Tones auf dem Hörsinn beruht. Die Natur macht es dem Menschen
nicht so leicht, beim «Ichen» das Organ des Wahrnehmens so offen zu
sehen wie beim Sehen. Aber man könnte gut das Wort «Ichen» gebrauchen für das Wahrnehmen anderer Iche, wie man das Wort Sehen gebraucht beim Wahrnehmen der Farbe. Das Organ der Farbenwahrnehmung ist außen am Menschen; das Organ der Wahrnehmung der Iche
ist über den ganzen Menschen ausgebreitet und besteht in einer sehr
feinen Substantialität, und daher reden die Menschen nicht vom IchWahrnehmungsorgan. Dieses Ich-Wahrnehmungsorgan ist etwas anderes als das, was bewirkt, daß ich mein eigenes Ich erlebe. Es ist sogar ein gewaltiger Unterschied zwischen dem Erleben des eigenen Ich
und dem Wahrnehmen des Ich bei einem anderen. Denn das Wahrnehmen des Ich bei einem anderen ist im wesentlichen ein Erkenntnisvorgang, wenigstens ein der Erkenntnis ähnlicher Vorgang; das Erleben des eigenen Ich dagegen ist ein Willensvorgang.

Denkt iemand aan de ik-voorstelling, dan denkt hij het eerst aan zijn eigen zielewezen; dan is hij meestal al tevreden.
Maar er is sprake
van twee totaal verschillende dingen, wanneer ik alles wat ik van mezelf ervaar onder één noemer breng en het totaal daarvan ‘ik’ noem, en wanneer ik tegenover iemand anders sta en door de wijze waarop ik me met de ander verbind ook die ander een ‘ik’ kan noemen. Dat zijn twee totaal verschillende activiteiten van geest en ziel.
Wanneer ik al mijn doen en laten samenvat in de alomvattende synthese ‘ik’, dan is dat een louter innerlijk proces. Wanneer ik tegenover een ander sta en door mijn relatie tot de ander tot uitdrukking breng dat ook hij iets dergelijks is als mijn ik, dan is dat een activiteit die zich in de wisselwerking tussen mij en de ander afspeelt.
Ik moet dus zeggen dat het waarnemen van mijn eigen ik in mijn innerlijk iets anders is dan het inzien dat een ander mens ook een ik is. De waarneming van het ik van een ander berust op de ik-zin, zoals de waarneming van kleur berust op de gezichtszin en de waarneming van klank op het gehoor. De natuur maakt het de mens niet zo gemakkelijk om het waarnemingsorgaan voor het ik net zo duidelijk te zien als dat van het zien. Maar men zou heel goed het woord ‘ikken’ kunnen gebruiken voor het waarnemen van het ik van anderen, zoals men het woord ‘zien’ gebruikt voor het waarnemen van kleur. Het waarnemingsorgaan voor kleur zit aan de buitenkant van de mens; het orgaan dat het ik waarneemt, is over de gehele mens uitgestrekt en bestaat uit een zeer fijne substantie; daarom merken de mensen het niet op. Dit waarnemingorgaan voor het ik is iets anders dan dat wat bewerkstelligt dat ik mijn eigen ik ervaar. Er is zelfs een geweldig groot verschil tussen het ervaren van het eigen ik en het waarnemen van het ik van een ander. Het laatste is in essentie een kenproces, althans een proces dat met het kennen verwant is; het eerste is een wilsproces.

Deze Ik-zin begrijpen lijkt op het eerste gezicht niet zo moeilijk.
Want als je er over nadenkt en nog niet alles gelezen wat er nog meer bijkomt. kom je makkelijk tot deze conclusie, waarvan Steiner weet dat vele mensen die trekken:
.
Eigentlich sieht man vom äußeren Menschen seine Gestalt, man hört seine Töne, und dann weiß man, daß man selbst so menschlich ausschaut wie der andere Mensch, daß man drinnen in sich ein Wesen hat, das denkt und fühlt und will, das also auch seelisch-geistig ein Mensch ist. – Und so schließt man durch Analogie: Wie in mir selbst ein denkendes, fühlendes, wollendes Wesen ist, so ist es auch beim anderen. – Ein Analogieschluß von mir selbst auf
den anderen wird vollzogen.

Je ziet eigenlijk de gestalte van een mensenlichaam, je hoort wat voor klanken de ander produceert en je weet dat je er zelf ook zo als een mens uitziet en dat je in jezelf een wezen hebt dat denkt, voelt en wil en dat de mens dus ook ziel en geest heeft. En analoog daaraan concludeer je: zoals in mijzelf een denkend, voelend en willend wezen bestaat, zo is dat ook bij die ander. -Dat is een conclusie naar analogie, waarbij je redeneert van jezelf naar de ander. 

Toen ik voor het eerst met deze inzichten kennis maakte, heb ik dat ook gedacht. Zo meende ik het te moeten begrijpen.
Niet wetende dat ik me daarmee onder de ‘abstractelingen’ schaarde ‘die een dwaasheid begaan’.
Dat heeft mij niet weerhouden te proberen minder abstract te zijn, maar dat valt tot op heden niet mee.
Want er gebeurt tussen de twee mensen-Ikken iets heel anders: 

Das Wechselverhältnis zwischen dem einen Menschen
und dem anderen schließt etwas ganz anderes in sich. Stehen Sie einem Menschen gegenüber, dann verläuft das folgendermaßen: Sie nehmen den Menschen wahr eine kurze Zeit; da macht er auf Sie einen
Eindruck. Dieser Eindruck stört Sie im Inneren: Sie fühlen, daß der
Mensch, der eigentlich ein gleiches Wesen ist wie Sie, auf Sie einen
Eindruck macht wie eine Attacke. Die Folge davon ist, daß Sie sich
innerlich wehren, daß Sie sich dieser Attacke widersetzen, daß Sie
gegen ihn innerlich aggressiv werden. Sie erlahmen im Aggressiven, das
Aggressive hört wieder auf; daher kann er nun auf Sie wieder einen
Eindruck machen. Dadurch haben Sie Zeit, Ihre Aggressivkraft wieder
zu erhöhen, und Sie führen nun wieder eine Aggression aus. Sie erlahmen darin wieder, der andere macht wiederum einen Eindruck auf
Sie und so weiter. Das ist das Verhältnis, das besteht, wenn ein Mensch
dem anderen, das Ich wahrnehmend, gegenübersteht: Hingabe an den
Menschen – innerliches Wehren; Hingabe an den anderen – innerliches
Wehren; Sympathie – Antipathie; Sympathie – Antipathie. Ich rede
jetzt nicht von dem gefühlsmäßigen Leben, sondern nur von dem wahrnehmenden Gegenüberstehen. Da vibriert die Seele; es vibrieren: Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie, Sympathie – Antipathie.

De wisselwerking tussen twee mensen behelst nog iets heel anders. Staat u tegenover iemand dan gaat het als volgt. U neemt de ander gedurende korte tijd waar; hij werkt op u in, maakt een indruk op u. Deze indruk stoort u in uw innerlijk: u voelt dat de ander, die eigenlijk eenzelfde wezen is als u, een indruk maakt als van een aanval. Het gevolg is dat u zich innerlijk teweerstelt, dat u zich verzet tegen deze aanval, dat u innerlijk agressief tegen hem wordt. Uw agressie neemt weer af en houdt op; daardoor kan de ander weer op u inwerken. Daardoor heeft u de tijd uw agressie weer te versterken en dan maakt u innerlijk weer een agressieve beweging. Die agressie neemt weer af, de ander kan weer een indruk op u maken enzovoort. Dat is de relatie tussen twee mensen, wanneer de een het ik van de ander waarneemt: overgave aan de ander — innerlijke afweer; overgave — afweer; sympathie — antipathie; sympathie — antipathie. Ik heb het nu niet over het gevoelsleven, maar alleen over het waarnemen van de ander tegenover je. Daarbij vibreert de ziel in sympathie — antipathie, sympathie – antipathie, sympathie – antipathie. [2]

Nu zou er ook nog iets anders gebeuren. Ik weet (nog) niet of dat te maken heeft met een eervaring die ik heb – en die anderen ook hebben – dat het moeilijk is om wanneer je tegenover de ander zit of staat en met hem spreekt, steeds naar de ogen te kijken, je wendt je blik steeds af om weer terug te keren enz.’of je kijkt niet meer naar de ogen, maar naar de mond, ook niet zo lang; in de aandacht lijkt dat wel op ‘meer’, ‘minder’, alsof er iets is van ‘wakkerder’ en ‘minder wakker’. 

Blz. 126 (pdf) vert. 128/129

Aber es ist noch etwas anderes der Fall. Indem die Sympathie sich
entwickelt, schlafen Sie in den anderen Menschen hinein; indem die
Antipathie sich entwickelt, wachen Sie auf und so weiter. Das ist ein
sehr kurz dauerndes Abwechseln zwischen Wachen und Schlafen in
Vibrationen, wenn wir dem anderen Menschen gegenüberstehen. Daß
es ausgeführt werden kann, verdanken wir dem Organ des Ich-Sinnes.Dieses Organ des Ich-Sinnes ist also so organisiert, daß es nicht in seinem wachenden, sondern in einem schlafenden Willen das Ich des anderen erkundet – und dann rasch diese Erkundung, die schlafend vollzogen wird, in die Erkenntnis hinüberleitet, das heißt, in das Nervensystem hinüberleitet. So ist, wenn man die Sache richtig betrachtet,
die Hauptsache beim Wahrnehmen des anderen doch der Wille, aber
eben gerade der Wille, wie er sich nicht wachend, sondern schlafend
entwickelt; denn wir spinnen fortwährend schlafende Augenblicke in
den Wahrnehmungsakt des anderen Ich ein. Und was dazwischen liegt,
ist schon Erkenntnis; das wird rasch abgeschoben in die Gegend, wo
das Nervensystem haust, so daß ich nennen kann die Wahrnehmung
des anderen wirklich einen Erkenntnisvorgang, aber wissen muß, daß
dieser Erkenntnisvorgang nur eine Metamorphose eines schlafenden
Willensvorganges ist. So ist also auch dieser Sinnesvorgang ein Willensvorgang, nur erkennen wir ihn nicht als solchen. Wir leben nicht bewußt alles Erkennen, das wir im Schlafe erleben.

Bij de ontwikkeling van sympathie geeft u zich slapend over aan de ander;0 bij de antipathie wordt u wakker enzovoort. Wanneer we tegenover een ander staan wisselen waken en slapen elkaar in zeer kortstondige trillingen af. Dat dit mogelijk is, hebben we te danken aan het orgaan van de ik-zin. Dit orgaan is dus zo opgebouwd dat het niet in de wakkere wil, maar in een slapende wil het ik van de ander waarneemt en dan snel deze slapend voltrokken waarneming tot kennis brengt, dat wil zeggen, in het zenuwstelsel brengt. Wanneer men de zaak dus precies bekijkt, dan is de hoofdzaak bij het waarnemen van de ander toch de wil en wel niet de wakkere, maar de slapend verlopende wil. Bij het waarnemen van een ander ik vallen we voortdurend kort in slaap. En wat daartussen ligt, behoort al tot het gebied van het kennen. Dat wordt fluks doorgeschoven naar het gebied van de zenuwen. Daarom kan ik de waarneming van een ander inderdaad een kenproces noemen, maar ik moet dan wel voor ogen houden dat dit kenproces slechts een metamorfose is van een slapend wilsproces. Zo is ook dit zintuigproces een wilsproces, alleen herkennen we het niet als zodanig. We zijn ons niet van elk kennen bewust dat we slapend doormaken.

Op blz. 137  vert. 133

voegt Steiner hierover nog toe:

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.

.

[1] GA 293   vertaald
[2] Steiner verwijst hier naar GA 4, Filosofie van de vrijheid/v.a. b;z.212

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2191-2058

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4)

.

de twaalf zintuigen
.

ALGEMEEN

Op blz. 120 (vert) begint Steiner – zij het nog beknopt – met ‘de zintuigen’.
Hij is zeer stellig:

Blz. 124   vert. 120

Der Mensch hat im ganzen zwölf Sinne.

De mens heeft in totaal twaalf zintuigen.

Zeker in de tijd waarin Steiner dit beweerde – zo vanaf 1909 – was dat = letterlijk = ongehoord – er werd over vijf zintuigen gesproken, soms zes of zeven, en dat is jaren zo gebleven. Inmiddels worden er wel meer dan vijf onderscheiden, maar tot twaalf is men ook meer dan honderd jaar later niet gekomen.

Steiners zintuigleer is niet te begrijpen zonder ‘geest – ziel – lichaam’.
En omdat ‘geest’ in 869 al werd afgeschaft, ligt het voor de hand dat de ‘geestelijke’ zintuigen voor de huidige manier van denken, nauwelijks toegankelijk zijn.

De twaalf zintuigen in schema:

Zintuigen van de geest:

1. Ik-zin                                                
2.Gedachte-zin
3.Woord-zin
4.Gehoors-zin

Zintuigen van de ziel

5. Warmte-zin                                                                           
6. Gezichts-zin
7. Smaak-zin
8.Reuk-zin

Zintuigen van het lichaam:

  9. Evenwichts-zin
10.(Eigen)beweging-zin
11.Levens-zin
12.Tast-zin                                           

Vaak wordt ook begonnen met de tastzin als nr. 1

Uiteraard is de ‘Algemene menskunde’ niet de enige plaats waar Steiner over de zintuigen spreekt. En telkens wordt er wel weer een nieuw aspect belicht of worden andere woorden gekozen.

Zo tot aan blz. 125 maakt hij wat losse opmerkingen over verschillende zintuigen.
Deze heb ik opgenomen bij de betreffende zintuigen, zie schema hierboven.

Met: So bekommen Sie die Tafel der Sinne als zwölf Sinne. Tatsächlich hat der Mensch zwölf solcher Sinne.

Zo krijgt u een scala van twaalf zintuigen. De mens heeft inderdaad twaalf zintuigen.
GA 293/128
Vertaald/125

lijkt er al een einde te komen aan de beschouwingen over de zintuigen.

ZINTUIGEN IN RELATIE TOT DENKEN, VOELEN, WILLEN

Op blz. 120 (vert) gaat Steiner even terug naar voordracht 7 [7-7-3][<1> waarin uiteengezet werd dat de zintuigprocessen voornamelijk wilsprocessen zijn en zich in een gevoels/wilssfeer afspelen. Hij constateert zijn eigen ‘tegenspraak’ wanneer hij over de ik-zin zegt dat deze meer een kenproces is. 
Op blz. 122 (vert) constateert hij dat hiermeede mogelijkheid tot pedante bezwaren tegen het kennisachtige van e n k e l e  zintuigen is weggenomen, doordat we hebben gezien hoe dit kennisachtige toch, verhuld, berust op de wil.

Het is goed om in de gaten te houden dat het bespreken van de zintuigen in deze 8e voordracht uitgaat van denken, voelen en willen en dat het verschijnsel ‘kennis (wakker) – wil (slaap) hoort bij het standpunt van de ‘bewustzijnstoestanden’.
We zien hier iets terug van ‘indelen’, dat enerzijds noodzakelijk is om tot kennen te komen, anderzijds tegelijk het gevaar inhoudt te dogmatisch vast te houden aan de (scherpe) indeling.
De zintuigen zijn dus in hoofdzaak wilsmatig, maar er zijn ook ‘gevoels- en kenniselementen’ aanwezig. 

Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin worden voornamelijk (! voornamelijk) doordrongen door wilsactiviteit.
GA 293/128
Vertaald/125

Ich habe noch hinzuzufügen, daß Ich-Sinn, Gedankensinn, Hörsinn und Sprachsinn mehr Erkenntnisse sind, weil der Wille darin eben der schlafende Wille ist, der wirklich schlafende Wille, der in seinen Äußerungen vibriert mit einer Erkenntnistätigkeit. So lebt schon in der Ich-Zone des Menschen Wille, Gefühl und Erkenntnis, und sie leben mit Hilfe von Wachen und Schlafen.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de ik-zin, de gedachtezin, de gehoorzin en de taalzin meer kenniszintuigen zijn, omdat de wil daarin slaapt, werkelijk slaapt en in zijn uitingen meetrilt met een ken-activiteit. Zo leven zelfs in de zone van het ik van de mens willen, voelen en kennen, en wel met behulp van waken en slapen.
GA 293/132
Vertaald/128

Nachdem wir nun die Möglichkeit hinweggeräumt haben, pedantisch Einwendungen zu machen gegen das Erkenntnisgemäße mancher Sinne, weil wir ja erkannt haben, daß dieses Erkenntnisgemäße doch in geheimer Weise auf dem Willen beruht, können wir jetzt die Sinne weiter gliedern. 

Nu de mogelijkheid tot pedante bezwaren tegen het kennisachtige van enkele zintuigen is weggenomen, doordat we hebben gezien hoe dit kennisachtige toch, verhuld, berust op de wil, kunnen we nu de zintuigen verder onderverdelen.
GA 293/128
Vertaald/125

Steiner past hier veelvuldig zijn methode toe, wil je tot in zicht komen, door tegenstellingen op te zoeken. Dat is verhelderend. Tegelijkertijd staan de opmerkingen over één zintuig dan verspreid. In de artikelen over de zintuigen ‘een voor een’ heb ik geprobeerd deze karakteristieken bij elkaar te zetten.

Na de gezichtszin in samenhang met de evenwichtszin te hebben besproken, uitmondend in wat oordelen is, merkt Steiner op:

Sie sehen jetzt hinein in den tieferen Sinn unseres Verhältnisses zur Welt.

U werpt hiermee een blik op de diepere zin van onze relatie tot de wereld.
GA 293/131
Vertaald/127

RELATIE TOT DE WERELD

En dat is toch iets wat je als vrijeschool(leerkracht) tot stand wil brengen: dat de kinderen een ‘relatie tot de wereld’ hebben.

Dat streef je al na met de inhoud van de leerstof zoals duidelijk blijkt uit – om  maar enkele vakken te noemen – plant- en dierkunde, natuur- en scheikunde. Met ‘de zintuigen’ komt daar een aspect bij.

Blz. 131  vert. 127

Hätten wir nicht zwölf Sinne,  würden wir wie Stumpflinge auf unsere Umgebung hinschauen, würden nicht innerlich das Urteilen erleben können. Da wir aber zwölf Sinne haben, so haben wir damit eine ziemlich große Anzahl von Möglichkeiten, das Getrennte zu verbinden.

Hadden we niet twaalf zintuigen, dan zouden we als stompzinnigen naar onze omgeving staren, dan zouden we niet tot een innerlijk oordelen kunnen komen. Maar aangezien we twaalf zintuigen hebben, hebben we daardoor een tamelijk groot scala aan mogelijkheden om de afzonderlijke delen met elkaar te verbinden.

Wat hierboven zo schematisch wordt weergegeven, komt uiteraard in het leven zo gescheiden niet voor. Dat werd duidelijk aan de gezichts- en evenwichtszin. Wat de wilszintuigen betreft zullen we nauwelijks in staat zijn, deze bewust met elkaar te verbinden, maar met de bewustzijnszintuigen gaat dat natuurlijk makkelijker, al verwacht je door deze opmerking anders:

Was der Ichsinn erlebt, können wir mit den elf anderen Sinnen verbinden, und das gilt so für jeden Sinn. Wir bekommen dadurch eine große Anzahl von Permutationen für die Zusammenhänge der Sinne.

Wat de ik-zin ervaart, kunnen we met de elf andere zintuigen verbinden en dat geldt voor ieder ander zintuig. Daardoor krijgen we een groot aantal permutaties in de samenhang van de zintuigen.

Ook algeldt dit voor ieder zintuigSteiner geeft alleen een voorbeeld met de ‘bewustzijnszintuigen’:

Aber außerdem bekommen wir auch noch eine große Anzahl von Möglichkeiten in dieser Beziehung, indem wir zum Beispiel den Ich-Sinn mit dem Gedankensinn und dem Sprachsinn zusammen verbinden und so weiter.

Maar bovendien hebben we ook nog een groot aantal mogelijke relaties, door bijvoorbeeld de ik-zin te verbinden met de gedachtezin en taalzin samen enzovoort.
GA 293/131
Vertaald/127

HET WEZENLIJKE VAN DE ZINTUIGEN

Da sehen wir, in wie geheimnisvoller Weise der Mensch mit der Welt verbunden ist. 

We zien hoe de mens op wonderbaarlijke wijze met de wereld is verbonden.

Durch seine zwölf Sinne zerlegen sich die Dinge in ihre Bestandteile, und der Mensch muß in die Lage kommen können, daß er sich die Dinge aus den Bestandteilen wieder zusammensetzt. Dadurch nimmt er teil an dem inneren Leben der Dinge.

Door de twaalf zintuigen worden de dingen geanalyseerd in hun bestanddelen en de mens moet in staat zijn deze bestanddelen weer samen te voegen tot de dingen. Daardoor neemt hij deel aan het innerlijk leven van de dingen.

VOOR DE OPVOEDING

Daher werden Sie begreifen, wie unendlich wichtig es ist, daß der Mensch so erzogen werde, daß vieles in gleichmäßiger Pflege in dem einen Sinn entwickelt wird wie in dem anderen Sinn, da dann ganz bewußt systematisch, die Beziehungen zwischen den Sinnen, den Wahrnehmungen, aufgesucht werden.

U zult dus begrijpen hoe uitermate belangrijk het is dat de mens een opvoeding krijgt waarbij alle zintuigen gelijkelijk worden verzorgd en ontwikkeld, zodat bewust en systematisch de relaties tussen de zintuigen, tussen de waarnemingen worden gezocht.
GA 293/131
Vertaald/128

Met de hieronder weergegeven link naar ‘zintuigen alle artikelen’ kom je bij allerlei artikelen waaronder een aantal waarin ‘het oefenen van de zintuigen’ vanuit praktische voorbeelden beschreven wordt.

.

GA 293   vertaald

Zintuigenalle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2190-2057

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 8 (8-4-12)

Artikel in opbouw

.
DE TWAALF ZINTUIGEN

12. TASTZIN

Blz.. 124 (pdf)     vert. blz. 126:

[ ] wobei es sogar noch vorkommt, daß der Wärmesinn und der Tastsinn in eins zusammengeschoben werden, was ungefähr so wäre, wie wenn man bei der äußeren Beobachtung der Dinge «Rauch» und «Staub» in eins zusammenzählte,
weil es äußerlich nämlich gleich ausschaut. Daß Wärmesinn und Tastsinn zwei durchaus verschiedene Arten des Menschen sind, sich mit
der Welt in Beziehung zu setzen, sollte man nicht mehr zu erwähnen
brauchen.

Het komt voor dat men warmtezin en tastzin samenneemt. Dit is ongeveer hetzelfde als wanneer men de verschijnselen ‘rook’ en ‘stof’ waarneemt en ze als één beschouwt omdat ze er uiterlijk hetzelfde uitzien. Dat warmtezin en tastzin bepaald wel twee verschillende manieren zijn waarop de mens verbinding legt met de wereld zou eigenlijk niet meer gezegd hoeven te worden.

Blz. 134  vert. 130

Da haben wir zunächst vier Sinne: Tastsinn, Lebenssinn, Bewegungssinn, Gleichgewichtssinn. Diese Sinne sind hauptsächlich durchdrungen von Willenstätigkeit. Der Wille wirkt hinein in das Wahrnehmen durch diese Sinne.

De tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden voornamelijk doordrongen door wilsactiviteit. De wil werkt door in het waarnemen door deze zintuigen.

Blz. 134  vert. 131

( ) in das Tasten wirkt er auch hinein: denn wenn Sie irgend etwas betasten, so ist das im Grunde genommen eine Auseinandersetzung zwischen Ihrem Willen und der Umgebung. Kurz, Sie können sagen: Gleichgewichtssinn, Bewegungssinn, Lebenssinn und Tastsinn sind Willenssinne im engeren Sinne. Beim TastSinn sieht der Mensch äußerlich, daß er zum Beispiel seine Hand bewegt, wenn er etwas betastet: daher ist es für ihn offenbar, daß dieser Sinn für ihn vorhanden ist. Beim Lebenssinn, Bewegungssinn und Gleichgewichtssinn ist es nicht so offenbar, daß diese Sinne vorhanden sind. Da sie aber im besonderen Sinne Willenssinne sind, so verschläft der Mensch diese Sinne, weil er ja im Willen schläft. 

Ook in het tasten is de wil werkzaam. Want wanneer u iets betast dan is dat in feite een ontmoeting van uw wil met de omgeving. Met andere woorden: evenwichtszin, bewegingszin, levenszin en tastzin zijn wilszintuigen in engere zin.
Bij de tastzin ziet de mens van buitenaf dat hij bijvoorbeeld zijn hand beweegt wanneer hij iets betast. Daardoor blijkt duidelijk dat dit zintuig bestaat. Bij de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin treedt dat niet zo duidelijk aan de dag. Omdat ze namelijk in het bijzonder wilszintuigen zijn ‘verslaapt’ de mens deze zintuigen; hij slaapt immers in de wil.

Blz. 135  vert. 131

Beim Wärmesinn beachtet man nicht, daß er mit dem Gefühl sehr nahe verwandt ist, sondern wirft ihn mit dem Tastsinn zusammen. Man konfundiert zugleich unrichtig und unterscheidet zugleich unrichtig. Der Tastsinn ist in Wahrheit viel mehr willensmäßig, während der Wärmesinn nur gefühlsmäßig ist

Dat men dat niet ervaart bij het zien en bij de warmtezin heeft speciale oorzaken. Bij de warmtezin onderkent men de nauwe verwantschap met het gevoel niet, maar men gooit hem op één hoop met de tastzin. Men voegt onjuist samen en men onderscheidt onjuist. De tastzin is in werkelijkheid veel wilsmatiger, terwijl de warmtezin louter gevoelsmatig is.
.

GA 293   vertaald

Zintuigen: alle artikelen

Algemene menskunde: zintuigen [8-4]

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2189-2056

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 8 (8-3)

.

*GA 293         Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

.

VAN HET GEHEEL NAAR DE DELEN EN TERUG

Wanneer Steiner in zijn karakterisering van de mens vanuit verschillende gezichtspunten deze in delen verdeelt: twee-drie-vier-zeven-negenledig, zal hij meestal meteen daarbij aangeven, dat zo’n indeling eigenlijk niet juist is.

Als de indeling hoofd-romp-ledematen wordt gegeven als vorm, met de bijbehorende functies denken-voelen-willen, dan is het niet zo dat bv. de wil strikt beperkt blijft tot de ledematen, of de zintuigen tot het hoofd.

Het gaat altijd om ‘voornamelijk’, ‘in hoofdzaak’; we kunnen onderscheiden, maar niet scheiden.

Blz.  123/124    vert. 119/120

Sie sehen gerade aus dem, was ich auseinandergesetzt habe, wie in der Welt und insbesondere in der menschlichen Welt alles in einem gewissen Sinne getrennt ist, wie aber das Getrennte auch wieder zusammenwirkt. Wir können den Menschen in bezug auf sein Seelisches nicht begreifen, wenn wir nicht das Seelische trennen, gliedern nach Denken oder denkendem Erkennen, Fühlen und Wollen. Aber nirgends ist denkendes Erkennen, Fühlen und Wollen rein vorhanden, immer wirken die drei ineinander zu einer Einheit, verweben sich.
Und so ist es in der ganzen menschlichen Wesenheit bis in das Leibliche hinein.

Uit deze uiteenzetting kunt u opmaken dat alles in de wereld, en met name in de wereld van de mens, in zekere zin gescheiden is, en dat hetgeen gescheiden is ook weer samenwerkt. We kunnen de ziel van de mens niet begrijpen wanneer we de verschillende gebieden van de ziel niet scheiden en onderverdelen in denken of denkend kennen, voelen en willen. Maar nergens bestaan denken, voelen en willen in hun zuivere vorm; ze werken alle drie in elkaar door en zijn met elkaar tot een eenheid verweven. En zo is het met het gehele wezen van de mens, tot in het lichamelijke toe.

Ich habe Ihnen angedeutet, daß der Mensch hauptsächlich Kopf ist im Kopfteil, daß er aber eigentlich ganz Kopf ist. Er ist hauptsächlich Brust als Brustmensch, aber eigentlich ist er ganz Brustmensch, denn auch der Kopf hat Anteil an der Brustnatur und ebenso auch der Gliedmaßenmensch. Und auch der Gliedmaßenmensch ist hauptsächlich Gliedmaßenmensch, aber eigentlich ist der ganze Mensch Gliedmaßenmensch, aber auch die Gliedmaßen haben Anteil an der Kopfnatur und ebenso an der Brustnatur; sie nehmen zum Beispiel auch an der Hautatmung teil und so weiter.

Ik heb u geschetst dat de mens in zijn hoofd voornamelijk hoofd is, maar dat hij eigenlijk overal hoofd is. Men is voornamelijk borst als borstmens, maar eigenlijk is men overal borstmens, want ook het hoofd heeft deel aan de aard van de borst; hetzelfde geldt voor de ledematenmens. Ook de ledematenmens is voornamelijk ledemaat, maar eigenlijk is de gehele mens ledematenmens; evenzo hebben de ledematen deel aan de aard van het hoofd en de aard van de borst; de ledematen hebben bijvoorbeeld ook deel aan het ademen van de huid enzovoort.

Dan geeft Steiner ons nog een stukje wijsheid mee, zo je wil: filosofisch/psychologisch inzicht:

Man kann sagen: Will man sich der Wirklichkeit nähern, insbesondere der Wirklichkeit der Menschennatur, dann muß man sich klar sein, daß alle Gliederung vorgenommen wird in einem Einheitlichen; würde man nur auf das abstrakt Einheitliche gehen, so würde man überhaupt nichts kennenlernen. Würde man niemals gliedern, so bliebe die Welt immer in einem Unbestimmten, wie in der Nacht alle Katzen grau sind. Menschen, die daher alles in abstrakten Einheiten erfassen wollen, sehen die Welt grau in grau. Und würde man nur gliedern, nur trennen, alles auseinanderhalten, so würde man niemals zu einer wirklichen Erkenntnis kommen, denn dann würde man nur Verschiedenes erfassen, und die Erkenntnis bliebe aus.

Wil men de werkelijkheid benaderen, met name de werkelijkheid van de menselijke natuur, dan moet het duidelijk zijn dat iedere onderverdeling een onderverdeling is van een eenheid. Zou men zich alleen richten op die abstracte eenheid, dan zou men niets leren kennen. Zou men nooit indelen, dan zou de wereld altijd in het vage blijven, zoals in de nacht alle katten grauw zijn. Mensen die alles in abstracte eenheden willen begrijpen, zien de wereld alleen in grijzen. En zou men alleen maar indelen, alleen maar scheiden en alles los van elkaar zien, dan zou men nooit tot werkelijk inzicht komen, want dan zou men slechts verschillende elementen zien en het inzicht zou achterwege blijven.

Dus:

So ist alles, was im Menschen ist, zum Teil erkennender, zum Teil fühlender, zum Teil wollender Natur. Und was erkennend ist, das ist hauptsächlich erkennend, aber auch gefühlsmäßig und willensmäßig; was fühlend ist, das ist hauptsächlich fühlend, aber auch erkennend und willensmäßig, und ebenso ist es mit dem Wollenden.

Zo is alles in de mens deels kennend, deels voelend, deels willend van aard. Wat kennend is, dat is hoofdzakelijk kennend maar ook gevoelsmatig en wilsmatig; wat voelend is, is hoofdzakelijk voelend, maar ook kennend en willend, en zo is het ook met het willen.
GA 293/
Vertaald

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je kennend op de werkelijkheid in wil gaan, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar plaatsen, maar je moet goed weten dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden, dat ergens iets als het meest opvallende eruit springt, dat echter de andere delen van de werkelijkheid daarin zitten en dat alom, wat anders op de achtergrond blijft, op een andere plek van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond blijft.
GA 202/58
Voor een deel vertaald

Wenn wir unser seelisches Leben ins Auge fassen, so können wir sagen, daß nach dem einen Pol hin in diesem Seelenleben das gedankliche Element, das Denken liegt, nach dem andern Pol hin das Willenselement, zwischen beiden das Gefühlselement, dasjenige, was wir im gewöhnlichen Leben das Fühlen, den Inhalt des Gemütes und so weiter nennen. Im wirk­lichen seelischen Leben, so wie es sich in uns abspielt in unserem Wachzustande, ist natürlich niemals einseitig bloß das Denken vorhanden oder der Wille, sondern sie sind immer in Verbindung miteinander, sie spielen ineinander.

Wanneer we ons gevoelsleven bekijken, kunnen we dus zeggen dat aan de ene pool van ons zielenleven het gedachte-element ligt, het denken, aan de andere pool het element van de wil, daartussen het gevoelselement, dat we in het dagelijks leven het voelen, de inhoud van ons gemoed enz. noemen. In het echte zielsleven, zoals zich dat afspeelt in de toestand dat we wakker zijn, is natuurlijk nooit eenzijdig alleen maar het denken aanwezig, of de wil, maar die staan altijd met elkaar in verbinding, die werken op elkaar in.
GA 205/189
Niet vertaald

Dat kijken vanuit verschillende standpunten is voor een totaalblik nodig, want eenzijdigheid kan niet – het woord zegt het al – alle zijden, kanten van een zaak belichten en blijft derhalve achter in de beschrijving van de werkelijkheid, die – half, of deels beschreven – ook geen waarheid kan zijn.

Dat bepaalde gezichtspunten elkaar kunnen tegenspreken, ligt dan voor de hand.
Die tegenstrijdigheden moeten we onder ogen zien:

Blz. 123   vert. 120

Dies können wir nun schon auf das anwenden, was wir gestern als die Sinnessphäre charakterisiert haben. Sie müssen, indem Sie ein solches Kapitel wie das, was ich jetzt bringen werde, begreifen wollen, wirklich, ich möchte sagen, alles Pedantentum ablegen, sonst werden Sie den krassesten Widerspruch vielleicht gerade mit dem finden, was ich im gestrigen Vortrag gesagt habe. Aber aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

Dit kunnen we nu ook toepassen op de sfeer van de zintuigen zoals we die gisteren hebben gekarakteriseerd. Wilt u het nu volgende hoofdstuk [bedoeld is een onderdeel van deze voordracht, zie [8-4] ] begrijpen, dan moet u werkelijk iedere vorm van pedanterie afleggen, anders zult u de grootste tegenstrijdigheden vinden, misschien wel juist met wat ik gisteren heb gezegd. Maar de werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/123
Vertaald/120 

Dit ‘in tegenspraak’ zijn van de feiten is geen kwestie van inconsequent zijn.

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA 293/113
Vertaald/111

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/124
Vertaald/120

Blz. 148  vert. 143

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Je moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/148
Vertaald/143

Blz.  170/171  vert. 163

in der wirklichen Welt alles in gegenseitiger Beziehung ist. Und wir lernen diese gegenseitigen Beziehungen nur kennen, wenn wir uns auch ein bißchen anbequemen mit unserer Auffassungsgabe diesen gegenseitigen Beziehungen. Das heißt, wenn wir diese Auffassungsgahe nicht so gebrauchen, daß wir alles
richtig definieren wollen, sondern daß wir diese Auffassung selbst beweglich machen, so daß sie das, was sie erkannt hat, auch wiederumandern kann, innerlich, begrifflich ändern kann.

( ) in werkelijkheid houdt alles met alles verband. En we leren deze onderlinge verbanden alleen kennen wanneer we onze opmerkingsgave ook een beetje aanpassen aan die verbanden, dat wil zeggen: wanneer we deze opmerkingsgave niet gebruiken om van alles een precieze definitie te krijgen, maar wanneer we deze opmerkingsgave zelf beweeglijk maken, zodat ze de opgedane inzichten zelf, innerlijk, ook weer kan veranderen, zodat de begrippen beweeglijk zijn.
GA 293/170
Vertaald/163

Man muß alles im Zusammenhang denken.

Je moet alles met alles in verband zien.
GA 293/194
Vertaald/185

Es handelt sich darum, daß man den ganzen Organismus des Menschen ja nicht begreifen kann aus seinen einzelnen Teilen, sondern daß man die Betrachtung des Ganzen zugrunde legen und dann von dem Ganzen aus die einzelnen Teile
betrachten muß.

Het gaat erom dat je de mens als totaliteit niet kan begrijpen door de losse delen, maar dat je de totaliteit als uitgangspunt neemt en dan van het geheel uit naar de aparte delen kijkt.
GA 201/69

GA 201/70

( ) man tut sehr unrecht, wenn man aus einem Ganzen einen Teil herausnimmt und für sich betrachtet.

Je bent erg verkeerd bezig wanneer je uit een geheel een deel neemt en dat gaat bekijken als iets wat op zich staat.
GA 201/70

Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander beziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42
Op deze blog  vertaald 42

GA 306/85  Op deze blog  vertaald/85 

In der Lebenspraxis müssen die Dinge eben immer von den verschiedensten Seiten angegriffen werden.

En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.
GA 306/85
Op deze blog  vertaald/85 

Aber das Leben besteht nicht in Begründung und Widerlegung, sondern das Leben besteht in lebendiger Bewegung, in Transformation, in lebendiger Metamorphose.

Het leven bestaat niet uit bewijzen en weerleggen, leven bestaat uit beweging, uit verandering, uit metamorfose.
GA 306/86
Op deze blog vertaald/86

Man muß immer die Sache von allen möglichen Seiten kennenlernen wollen und niemals einverstanden damit sein, daß man sie nur von einer Seite kennengelernt hat.

Je moet altijd een zaak van alle mogelijke kanten willen leren kennen en het er nooit mee eens zijn dat je die maar van één kant hebt leren kennen.
GA 306/167
Op deze blog  vertaald/164

Bovenstaande uitspraken vormen een deel van wat ik samenvatte onderRudolf Steiner wegwijzers’

Voor de didactiek werkt Steiner dit ‘van het geheel naar de delen’ voor verschillende vakken uitvoerig uit.
Voor het vak rekenen doet hij bv. in GA 307 zeer aanschouwelijk voor de kinderen. In Rudolf Steiner over rekenen vind je in de inhoudsopgave meer verwijzingen.
Verrassend is zijn gezichtspunt over wat het geheel is bij een optel- en aftreksom, bij een vermenigvuldiging en een deling [zie GA 295 werkbespreking 4] Nog verrassender is de samenhang die er bestaat met het vormtekenen voor de temperamenten:

[]) Temperament en rekenen (1) 
optellen “flegmatisch en cholerisch”

[2] Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen “sanguinisch en melancholisch”

[3] Temperament en rekenen (3)
delen “cholerisch en flegmatisch”

[4] Temperament en rekenen (4)
aftrekken “melancholisch en sanguinisch”

Bij het leren lezen gaat Steiner allereerst uit van het analyseren van een heel woord.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]
GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 8 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2186-2053
.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 310)

.

Zie de inleiding

GA 310

Blz.  59 /60      vert. 62/63

 Man muß dar­auf Wert legen, wie das Kind innerlich in anderes hineinwächst, wenn fortwährend seine Seelenbetätigung angeregt wird. Es wächst nicht hinein, wenn es gestoßen wird, so daß es fortwährend in fremde Ver­hältnisse zur Umgebung hineinkommt. Daß man auf das Innere des Kindes wirkt, darauf kommt es an.
Was ist denn heute Prinzip? Es ist zwar heute schon wieder etwas überholt, aber es liegt noch nicht weit zurück, da gab man den Mäd­chen «schöne» Puppen, mit richtigen Haaren und so weiter, schließlich sogar solche, die, wenn man sie hinlegte, die Augen schließen konnten, Puppen mit schönen Gesichtern und so weiter. Sie sind natürlich trotz­dem scheußlich, weil sie unkünstlerisch sind, aber die Zivilisation nennt sie schön.

Men moet er waarde aan hechten hoe het kind innerlijk in iets anders ingroeit wanneer hij psychisch voortdurend wordt gestimuleerd. En dat gebeurt niet met het kind als hij geduwd, gestompt of geschopt wordt, waardoor hij voortdurend in vreem­de verhouding tot zijn omgeving verkeert. Op het innerlijk van het kind werken, daarom gaat het. Van welk principe gaat men tegenwoordig uit? Vandaag de dag is het al weer enigszins achterhaald, maar het is nog niet zo lang geleden dat men meisjes ‘mooie’ poppen gaf, met echt haar en dergelijke, en uiteindelijk zelfs poppen die, als je ze neerlegde, hun oogjes sloten; poppen met mooie gezichten enzovoort. Natuurlijk zijn ze gewoon afschuwelijk, omdat ze onkunstzinnig zijn; alleen de huidige beschaving noemt ze mooi.

Aber was sind das für Puppen? Es sind solche, an denen sich die Phantasie des Kindes gar nicht mehr betätigen kann. Nun mache man die Sache anders. Man binde ein Taschentuch so zusammen, daß eine Figur mit Armen und Beinen entsteht, dann mache man mit Tinten­klecksen Augen, mit roter Tinte vielleicht auch noch einen Mund; dann hat das Kind daran seine Phantasie zu entfalten, wenn es dies sich als einen Menschen vorstellen soll. So etwas wirkt ungeheuer lebendig auf das Kind, weil es ihm die Möglichkeit bietet, seine Phantasie in Schwung zu bringen. Man muß es natürlich erst selber machen. Aber diese Mög­lichkeit muß man dem Kinde verschaffen, und dies ist schon im Spielalter zu machen. Daher sind alle die Dinge, die nicht die Phantasie des Kindes in Schwung bringen, als Spielzeuge verderblich. – Ich sagte, heute ist man schon wieder über die schönen Puppen hinaus; denn heute gibt man dem Kinde Affen oder Bären. Da kann sich die Phantasie allerdings nicht in menschlicher Weise daran erbauen. Aber gerade solche Erscheinungen, wenn einem die Kinder entgegenkommen und man ihnen einen Bären gibt, den sie so hätscheln können, das zeigt, wie fern unsere Zivilisation demjenigen steht, was Hineinschauen in das Innere der menschlichen Natur ist. Und es ist ganz merkwürdig, wie Kinder dieses Innere der Menschennatur auf selbstverständlich künst­lerische Weise ausgestalten konnen

Maar wat zijn dat voor poppen? Het zijn poppen waarbij de fantasie van het kind helemaal niet meer werkzaam kan zijn. Doe het nu eens anders: bind een zakdoek zo bijeen dat er een figuur met armen en benen ontstaat, vervolgens maak je met inktvlek­ken oogjes, met rode verf misschien ook nog een mond; het kind moet daarbij zijn fantasie ontplooien, wil hij zich dit als een mens voorstellen. Zoiets werkt geweldig levendig op het kind in, want het biedt hem de mogelijkheid om zijn fantasie in gang te zetten. Je moet dit natuurlijk eerst zelf maken. Maar deze mogelijkheid moeten we het kind bieden, en dat kunnen we al doen op de speelleeftijd. Daarom zijn alle dingen die de fantasie van het kind niet in gang zetten, als speelgoed verderfelijk. – Ik zei dat men tegenwoordig al weer over de mooie poppen heen is; want vandaag de dag geeft men het kind apen of beren. Daaraan kan de fantasie zich in ieder geval niet op een menselijke manier opbouwen. Maar kijk eens naar zulke zaken als wanneer de kinderen naar je toe komen en je ze een beer geeft die ze zo kunnen knuffelen, dan zie je hoe ver onze beschaving af staat van het kijken in het innerlijk van de menselijke natuur. En het is heel merkwaardig hoe de kinderen dit innerlijk van de menselijke natuur op een vanzelfsprekend kunstzinnige manier kunnen ont­wikkelen.

bron
bron

GA 310/59
vertaald/62

.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden.

.

2185-2052

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-5-2)

.

*GA 293 Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Steiner over geheugen, vergeten en herinneren

Opmerkingen uit ander werk.

Steiner heeft veel aandacht besteed aan dit onderwerp. In zijn boeken bv. in GA 9 en 13; maar ook in vele voordrachten. 

Uiteraard – zijn principe van het karakteriseren volgend – vanuit verschillende invalshoeken, gezichtspunten, bekeken.

Het is goed je daarbij steeds af te vragen: vanuit welk standpunt beschrijft hij het nu: vanuit de ziel, de geest of het lichaam.

In deze voordracht 7 is het gezichtspunt de geest, waar de karakteristiek van wakker, slapen, dromen bij hoort.

In GA 9 benadert hij het vanuit het drieledige mensbeeld. Dat is al uitgebreid aan de orde gekomen in voordracht 1. Vanaf [1-7-2/1]
Zoals fysiek de borst met de ritmische organen hart en longen zich tussen hoofd, als denkorgaan en de ledematen als wilsorganen bevindt, zo ligt ook het voelen – de ziel – tussen denken en willen.
Als je deze regels leest, ben je wakker en je maakt a.h.w. je eigen activiteit mee. Op dit ogenblik – in deze tegenwoordige tijd. Nu!

Het woordje ‘nu’

Het woordje nu is als tijdsbepaling een bijzonder woordje.
Vandaag is een afgegrensde hoeveelheid tijd. Dat kun je van ‘nu’ niet zo zeggen.
Nu, is deze tel, dit ogenblik; na deze tel is het geen ‘nu’ meer en tegelijk ook weer wel, wanneer we het ‘ogenblik’ groter denken: deze minuut, dit uur, deze morgen, middag, avond, deze dag.
Het is allemaal als ‘nu’ te bestempelen.
Ook de nacht, maar die kunnen we niet zelf als ‘nu’ benoemen, omdat we slapen; dat zal iemand moeten doen die wakker is.
De andere dag is het weer ‘nu’ en terugkijkend is ‘gisteren’ ook nog nu, wanneer ik het in de week plaats; in de maand, in het jaar enz. Zelfs je hele leven, van geboorte tot dood, kun je als een ‘nu’ zien.
Hield het ‘nu’ aan het eind van de dag op, dan moesten we de volgende dag weer opnieuw 
met alles beginnen, te leren en te ervaren.
In deze GA 9 zegt Steiner over de ziel dat het een vermogen is de buitenwereld tot binnenwereld te maken. En het vermogen om de binnenwereld naar buiten te brengen – te uiten.
Wanneer wij naar iets kijken, is dat in het heden, het nu.
Als Marsman de brede Hollandse rivieren ziet, maakt dat een indruk op hem.
Als hij later aan Holland denkt, ziet hij die brede rivieren nog of weer, alsof hij er nu (nog) naar staat te kijken. Hij beleeft het a.h.w. na in het nu.
Op deze manier staat de ziel tussen heden en verleden. 

GA 9  blz. 38   vert. 53

Zwischen Gegenwart und Dauer ist die Seele gestellt, in dem sie die Mitte hält zwischen Leib und Geist.

De ziel is geplaatst tussen het tijdelijk aanwezige en het blijvende, waardoor ze zich tussen lichaam en geest bevindt.

Aber sie vermittelt auch Gegenwart und Dauer. Sie bewahrt das Gegenwärtige für die Erinnerung. Dadurch entreißt sie es der Vergänglichkeit und nimmt es in die Dauer ihres Geistigen. Auf. Auch prägt sie das Dauernde dem Zeitlichvergänglichen ein, indem sie in ihrem Leben sich nicht nur den vorübergehenden Reizen hingibt, sondern von sich aus die Dinge bestimmt, ihnen ihr Wesen in den Handlungen einverleibt, die sie verrichtet. Durch die Erinnerung bewahrt die Seele das Gestern; durch die Handlung bereitet sie das Morgen vor.

Maar ze heeft ook een verbindende taak tussen het tijdelijke en het blijvende, want de ziel behoudt het tegenwoordige voor de herinnering. Daardoor onttrekt ze dit aan de vergankelijkheid en doet het opnemen in het blijvende, wat de geest kenmerkt. Anderzijds brengt de ziel de invloed van het blijvende over op dat wat tijdelijk en vergankelijk is doordat zij zich niet slechts met indrukken van voorbijgaande aard bezighoudt, maar van zichzelf uit de dingen bepaalt, daarbij haar handelingen letterlijk bezielend. Door de herinnering bewaart de ziel het verleden, door de handeling wordt de toekomst voorbereid.

Meine Seele müßte das Rot der Rose immer von neuem wahrnehmen, um es im Bewußtsein zu haben, wenn sie es nicht durch die Erinnerung behalten könnte.Das, was nach dem äuβeren Eindrücke zurückbleibt, was von der Seele behalten werden kann, kann unabhängig von dem äuβeren Eindruck wieder Vorstellung werden. Durch diese Gabe macht die Seele die Aussenwelt so zu ihrer eigenen Innenwelt, daβ sie diese dann durch das Gedächtnis-für die Erinnerung-behalten und unabhängig von den gewonnenen Eindrücken mit ihr weiter ein eigenes Leben führen kann.

Mijn ziel zou de rode kleur van de roos, om er zich bewust van te worden, steeds opnieuw moeten waarnemen indien de herinnering haar daarbij niet ten dienste stond. Wat na het ontstaan van de uiterlijke indruk achterblijft en door de ziel kan worden bewaard, kan onafhankelijk van nieuwe uiterlijke indrukken weer tot voorstelling worden. Door deze eigenschap maakt de ziel de haar omringende wereld tot haar eigen innerlijke wereld, zodanig dat zij die dan door het geheugen voor de herinnering kan behouden en het mogelijk wordt, onafhankelijk van de opgedane indrukken ermede verder te leven.

Blz. 39  vert. 54

( ) Die Eindrücke von gestern werden duch das Gedächtnis dauernd für meine Seele.

De indrukken van gisteren worden voor mijn ziel door het geheugen blijvend.

Blz. 40    vert. 56

Die Leiblichkeit würde alle Eindrücke immer wieder in Nichts zurücksinken lassen, wenn nicht, indem durch den Wahrnehmungsakt die gegenwärtige Vorstellung sich bildet, zugleich in dem Verhältnisse zwischen Aussenwelt und Seele sich etwas abspielte, was in dem Menschen eine solche Folge hat, daβ es später durch Vorgänge in sich wieder eine Vorstellung von dem haben kann, was früher eine Vorstellung von aussen her bewirkt hat.

Het fysieke lichaam op zichzelf zou alle opgedane indrukken weer in het niet laten verzinken, als niet op het moment waarop door de waarneming de tegenwoordige voorstelling wordt gevormd, tegelijkertijd in de verhoudingen tussen omringende wereld en ziel zich iets afspeelde wat ten gevolge heeft, dat de mens later via interne processen zich weer een voorstelling kan vormen van datgene wat vroeger door oorzaken van buiten af tot stand kwam.

Wanneer we weer voor ons zien, wat we ooit hebben waargenomen, dus de voorstelling oproepen, zijn we geneigd te denken dat het om het bewaarde beeld gaat. Dat ligt volgens Steiner net iets anders. Hij beroept zich hier op zijn eigen niveau van waarnemen:

Wer sich Übung für seelisches Beobachten erworben hat, wird finden können, daß der Ausdruck ganz schief ist, der von der Meinung ausgeht: man habe heute eine Vorstellung und morgen trete durch das Gedächtnis diese Vorstellung wieder auf, nachdem sie sich inzwischen irgendwo im Menschen aufgehalten hat. Nein, die Vorstellung, die ich jetzt habe, ist eine Erscheinung, die mit dem «jetzt» vorübergeht. Die durch die Erinnerung hervorgerufene Vorstellung ist eine neue und nicht die aufbewahrte alte.

Degene die zich heeft leren oefenen in het waarnemen van de ziel, zal tot de conclusie kunnen komen dat het niet juist is om te menen dat men b.v. vandaag een voorstelling van iets heeft, en dat morgen door de herinnering deze voorstelling weer zou verschijnen, nadat ze in die tussentijd zich ergens binnen de mens zou hebben opgehouden. Neen, de voorstelling welke ik op dit ogenblik heb, is een fenomeen dat mét dat ogenblik verloren gaat. Wanneer de herinnering optreedt, dan vindt er in mijzelf iets plaats wat het gevolg is van datgene wat buiten het optreden van de voorstelling op dit moment, heeft plaats gevonden in de verhouding tussen mijn omgeving en mijzelf. De door de herinnering opgeroepen voorstelling is nieuw, en niet de ergens bewaarde oude.

Erinnerung besteht darin, daβ wieder vorgestellt werden kann, nicht daβ eine Vorstellung wieder aufleben kann. Was wieder eintritt, ist etwas anderes als die Vorstellung selbst.

Herinneren komt er op neer, dat nog eens een voorstelling kan worden gevormd, niet dat een bepaalde voorstelling opnieuw tot leven kan komen. Wat opnieuw optreedt, betreft iets anders dan de voorstelling zelf. 

Indrukken

Op blz. 41  vert. 56  licht Steiner dit nog iets nader toe, waarbij we dan voor het eerst iets horen over ‘indrukken’:

Ich erinnere mich, das heiβt: ich erlebe etwas, was selbst nicht mehr da ist. Ich verbinde ein vergangenes Erlebnis mit meinem gegenwärtigen Leben. Es ist so bei jeder Erinnerung..

Ik herinner mij, betekent dat ik iets beleef wat er zelf niet meer is. Ik verbind een belevenis uit het verleden met mijn leven op dit moment. Bij iedere herinnering is dit het geval.

Voor de pedagoog is dit een belangrijke aanwijzing: wat laat ik de kinderen met de lesstof beleven; kunnen zij zich ermee verbinden.

Laatst wachtte ik op een bus en toen die er was, stapten er wat ongeveer 12-jarige jongens uit. ‘Fijn naar school, jongens?’ zei ik. ‘School’, antwoordden ze, ‘saaaaai’. Dan is er, denk ik, van een heel andere beleving en verbinding sprake.

Man nehme an, ich treffe einen Menschen und erkenne ihn wieder, weil ich ihn gestern getroffen habe. Er wäre für mich ein völlig Unbekannter, wenn ich nicht das Bild, das ich mir gestern durch die Wahrnehmung gemacht habe, mit meinem heutigen Eindruck von ihm verbinden könnte. Das heutige Bild gibt mir die Wahrnehmung, das heißt meine Sinnesorganisation.

Stel: ik ontmoet iemand en herken hem, omdat ik hem gisteren ook ontmoet heb. Hij zou voor mij een totaal onbekende zijn, indien ik niet het beeld dat ik mij gisteren gevormd heb toen ik hem waarnam, kon verbinden met de indruk die hij vandaag op mij maakt. Die laatste ontvang ik van mijn waarnemingsvermogen, dat wil zeggen van mijn zintuigen,

Wer aber zaubert das gestrige in meine Seele hinein? Es ist dasselbe Wesen in mir, das gestern bei meinem Erlebnis dabei war und das auch bei dem heutigen dabei ist. Seele ist es. Ohne diese treue Bewahrerin des Vergangenen wäre jeder äuβere Eindruck für den Menschen immer wieder neu. Gewiß ist, daß die Seele den Vorgang, durch welchen etwas Erinnerung wird, dem Leibe wie durch ein Zeichen einprägt; doch muß eben die Seele diese Einprägung machen und dann ihre eigene Einprägung wahrnehmen, wie sie etwas Äußeres wahrnimmt. So ist sie die Bewahrerin der Erinnerung.

Maar wie roept in mijn ziel datgene op wat gisteren gebeurd is? Dat is hetzelfde wezen in mij, dat gisteren tegenwoordig was toen ik de betreffende belevenis had, en dat ook bij die van vandaag aanwezig is. Dat wezen werd in de voorafgaande beschouwingen de ziel genoemd. Zonder deze trouwe bewaarster van het verleden zou iedere indruk van buiten af voor de mens steeds weer nieuw zijn. Het staat vast dat de ziel de gebeurtenis, waardoor iets tot herinnering wordt, als het ware in het lichaam afdrukt, maar ook moet zij daarnaast de door haarzelf gemaakte afdruk kunnen waarnemen zoals ze iets uitwendigs waarneemt. Op die manier is zij de bewaarster van de herinnering.

In het lichaam afdrukt – wat in de vertaling niet benadrukt wordt: als een ‘teken‘ afdrukt, Duits heeft ‘Einprägung’, vertaald met afdruk; eerder zou je hier denken aan ‘indruk’. En in onze taal: het heeft indruk gemaakt – het gevolg is dat je het jaren later nog weet. 

En dan wijst Steiner hier nog op iets wat buitengewoon belangrijk is: in wezen vormt ons dit door het leven heen. Niet alleen door opvoeding en onderwijs, maar door alles wat we in het leven ervaren. Zowel negatief als positief.

Uiteraard is het met het oog op de pedagogie ook iets waarvan we doordrongen moeten zijn.
De opgedane indrukken zijn er niet alleen zo dat ze slechts indruk blijven. 
Als we bv. leren schrijven, zullen er allerlei schrijfindrukken door ons worden beleefd. Die werken verder: op den duur kunnen we schrijven en van lieverlee vergeten we al die moeizame oefenuren. Een vermogen om te kunnen schrijven blijft bestaan. Dat ‘verleer’ je niet meer.
De a.h.w. tijdelijke uren, zijn een blijvend bezit geworden.

In voordracht 1 zagen we dat bv. de gewaarwordingsziel [1-7-2/3] invloed uitoefent op de verstands-gemoedsziel [1-7-2/5] en [1-7-2/6] en deze weer op de bewustzijnsziel. [1-7-2/7]
Van deze bewustzijnsziel kon gezegd worden dat deze voor een deel met het geestzelf [1-7-2/8] samenvalt. Vandaar:

Blz. 42 vert. 57

Als Bewahrerin des Vergangenen sammelt die Seele fortwährend Schätze für den Geist auf.

Als bewaarster van het verleden verzamelt de ziel voortdurend schatten voor de geest.

De pedagogische kant is dan ook: welke schatten geven we de kinderen tijdens het onderwijs.

Blz. 42  vert. 57

Der Geist in mir ist nicht allein auf die Eindrücke der Gegenwart beschränkt; die Seele erweitert seinen Gesichtskreis über die Vergangenheit hin. Und je mehr sie aus der Vergangenheit zu ihm hinzufügen vermag, desto reicher macht sie ihn. Und je mehr sie aus der Vergangenheit zu ihm hinzuzufügen vermag, desto reicher macht sie ihn. So gibt die Seele an den Geist weiter, was sie vom Leibe erhalten hat. – Der Geist des Menschen trägt dadurch in jedem Augenblicke seines Lebens zweierlei in sich. Erstens die ewigen Gesetze des Wahren und Guten und zweitens die Erinnerung an die Erlebnisse der Vergangenheit. Was er tut, das vollbringt er unter dem Einflusse dieser beiden Faktoren. Wollen wir einen Menschengeist verstehen, so müssen wir deshalb auch zweierlei von ihm wissen: erstens, wieviel von dem Ewigen sich ihm offenbart hat, und zweitens, wieviel Schätze aus der Vergangenheit in ihm liegen.
Diese Schätze bleiben dem Geiste keineswegs in unveränderter Gestalt. Die Eindrücke, die der Mensch aus den Erlebnissen gewinnt, schwinden dem Gedächtnisse allmählich dahin. Nicht aber ihre Früchte. Man erinnert sich nicht aller Erlebnisse, die man in der Kindheit durchgemacht hat, während man sich die Kunst des Lesens und des Schreibens angeeignet hat. Aber man könnte nicht lesen und schreiben, wenn man diese Erlebnisse nicht gehabt hätte und ihre Früchte nicht bewahrt geblieben wären in Form von Fähigkeiten. Und das ist die Umwandlung, die der Geist mit den Gedächtnisschätzen vornimmt. Er überläßt, was zu Bildern der einzelnen Erlebnisse führen kann, seinem Schicksale und entnimmt ihm nur die Kraft zu einer Erhöhung seiner Fähigkeiten. So geht gewiß kein Erlebnis ungenützt vorüber: die Seele bewahrt es als Erinnerung, und der Geist saugt aus ihm dasjenige, was seine Fähigkeiten, seinen Lebensgehalt bereichern kann. Der Menschengeist wächst durch die verarbeiteten Erlebnisse. – Kann man also auch die vergangenen Erlebnisse im Geiste nicht wie in einer Sammelkammer aufbewahrt finden, man findet ihre Wirkungen in den Fähigkeiten, die sich der Mensch erworben hat.

De geest in mij beperkt zich niet alleen tot de indrukken van het heden: de ziel verruimt zijn gezichtsveld, over het verleden heen. En hoe meer ze uit het verleden aan de geest vermag over te dragen, des te rijker maakt ze hem.
Op deze manier draagt de ziel aan de geest datgene over, wat ze zelf van het lichaam heeft ontvangen. De menselijke geest heeft daardoor op ieder ogenblik van het leven een tweeledige inhoud: in de eerste plaats de eeuwige wetten van het ware en goede, en ten tweede de herinneringen aan datgene wat in het verleden werd beleefd. Alles wat hij doet, volbrengt hij onder invloed van deze twee factoren. Indien wij de menselijke geest willen begrijpen, dan is het voor ons noodzakelijk om twee dingen van hem te weten: ten eerste, hoeveel van het eeuwige zich aan hem heeft geopenbaard, en daarnaast, hoeveel schatten uit het verleden in hem bewaard zijn gebleven.

Deze schatten blijven bepaald niet in ongewijzigde vorm in de geest bestaan. De indrukken, welke een mens uit ondervonden belevenissen verkrijgt, verdwijnen geleidelijk uit zijn geheugen, echter niet de vruchten ervan. Men behoudt geen herinnering aan alle ervaringen die men als kind heeft gehad bij het leren lezen en schrijven. Maar men zou in het geheel niet kunnen lezen en schrijven indien men deze ervaringen niet zou hebben gehad en indien haar resultaten niet behouden zouden zijn gebleven in de vorm van bekwaamheden. En dat is de omvorming welke de geest met de schatten van het geheugen bewerkstelligt. Hij laat alles wat kan leiden tot het vormen van beelden van op zichzelf staande gebeurtenissen aan zijn eigen lot over en put er slechts de kracht uit om zijn bekwaamheden te vergroten. Daarom is het zeker dat geen enkele belevenis onbenut voorbijgaat: de ziel behoudt de herinnering er aan en de geest onttrekt er datgene aan, wat kan dienen om zijn capaciteiten te vergroten, zijn levensinhoud te verrijken. De menselijke geest groeit door het verwerken van hetgeen beleefd wordt.

Al kan men dus de ervaringen uit het verleden in de geest niet, gelijk in een schatkamer, terugvinden, men bespeurt hun uitwerking in de vermogens welke een mens zich heeft eigen gemaakt.
GA 9/38-42
Vertaald/53-57

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]
GA 295 Praktijk van het lesgeven

 

[GA 9] Theosofie
Vertaald

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen

Rudolf Steiner over het geheugen: alle artikelen

Geheugenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2183-2050

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 8 (8-2)

.

*GA 293 Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

.
Blz.  120/123     vert. 117/119

Verder over vergeten en herinneren

Voor de pedagogie en dan nu vooral voor het vraagstuk: hoe zorgen we ervoor dat onze leerlingen ‘zich de dingen die we willen aanleren’ goed kunnen herinneren. Ze zich zo – letterlijk – eigen maken, dat ze niet verdwijnen, m.a.w. niet vergeten worden.

Daarbij springt al één ding duidelijk in het oog: er moet wakkerheid zijn, m.a.w. je moet er met je Ik ‘bij’ zijn. 

Je kan natuurlijk niet voortdurend ‘wakker’ zijn; ook overdag neemt onze wakkerheid af en wordt weer sterker, vlakt weer af, enz.
Dat is zeker ook zo bij kinderen. De ‘wakkerheidsboog’ kan niet de hele dag gespannen zijn.
Dat roept de vraag op of we die ogenblikken van wakkerheid moeten ‘organiseren’ en hoe dan en wanneer dan.
(Die wordt hier nog niet beantwoord. Steiner deelde de dag zo in dat ’s morgens eerst het periodeonderwijs werd gegeven, na de pauze de andere talen en in de middag de kunstzinnige vakken.)

Eerst gaan we terug naar dit stukje dat in [8-1] al aan de orde kwam.:

Blz. 120/121    vert. 117/118

Es gibt ja sehr viele Menschen – und diese Anlage zeigt sich auch schon in früher Kindheit , die duseln so durch das Leben dahin. Äußeres macht auf sie Eindruck, sie geben sich den Eindrücken hin, sie verfolgen aber die Eindrücke nicht ordentlich, sondern lassen sie so vorüberhuschen; sie verbinden sich gewissermaßen nicht ordentlich durch ihr Ich mit den Eindrücken.

U kent allemaal wel van die mensen die zo’n beetje doezelend door het leven gaan. Deze aanleg is ook al in de kindertijd zichtbaar. Dingen van buitenaf maken indruk op hen, ze geven zich over aan die indrukken, maar ze zijn er met hun aandacht niet voldoende bij, nee, ze laten de indrukken zó voorbijfladderen. Ze verbinden zich als het ware door hun ik niet goed met de indrukken.

Dann aber duseln sie auch wieder in den frei aufsteigenden Vorstellungen, wenn sie nicht richtig dem äußeren Leben hingegeben sind. Sie suchen nicht durch Willkür den Schatz ihrer Vorstellungen bei irgendeiner Veranlassung zu heben, den sie nötig haben, um dies oder jenes gut zu verstehen, sondern sie lassen die Vorstellungen, die aus dem Inneren aufsteigen wollen, von selbst aufsteigen. Da kommt bald diese, bald jene Vorstellung; da hat die Willkür keinen besonderen Einfluß darauf. Man kann schon sagen, daß in vieler Beziehung dies der Seelenzustand für viele Menschen ist, der insbesondere beim kindlichen Alter in dieser Art hervortritt.

En dan doezelen ze ook weer verder in de voorstellingen die vrijelijk in hen opkomen, wanneer ze zich niet goed aan het leven van de buitenwereld hebben overgegeven. Ze proberen niet de schat van hun voorstellingen in de hand te hebben en die gericht op te graven wanneer ze die naar aanleiding van het een of ander nodig hebben om iets te begrijpen, nee, ze laten de voorstellingen die in hun innerlijk willen opstijgen vrijelijk opkomen. Nu eens komt er die voorstelling, dan weer een andere; ze hebben er met hun wil niet echt vat op. Men kan wel zeggen dat in veel gevallen voor veel mensen de toestand van de ziel zo is. Vooral op jeugdige leeftijd komt dit op deze wijze naar voren.

TEMPERAMENTEN

Vooral op ‘jeugdige leeftijd’ komt dit op deze wijze naar voren.
Je zou in de verleiding kunnen komen, te zeggen, dat dit op ‘het kind’ van toepassing is. 

Maar wie ook de bijbehorende voordrachten GA 294 en 295 bestudeert, zal zien dat Steiner veel genuanceerder over ‘de jeugdige leeftijd’ spreekt. In andere voordrachten noemt hij het kind ‘een raadsel dat de pedagoog moet zien op te lossen’. [Rudolf Steiner – wegwijzers 180, 247, 287] Voor die ‘oplossing’ reikt hij wel een aantal ‘sleutels’ aan.
In GA 295 direct vanuit de praktijk: hoe de kinderen zich aan ons, in hun natuurlijke doen en laten, vertonen.

Ondanks vele individuele verschillen is er toch een patroon te ontdekken en Steiner versimpelt e.e.a. om het hanteerbaar te maken.
Zijn karakteristiek is blijven bestaan onder de naam ‘temperamenten’.
Voor deze tijd zou het wenselijker geweest zijn, als Steiner niet de oude temperamentsnamen gebruikt zou hebben, maar andere. Dat hij dit niet heeft gedaan, is waarschijnlijk terug te voeren op het feit dat het in die tijd gewoon was over temperamenten te spreken: ze vormden een onderdeel van de psychologie. (En de beginnende leerkrachten zullen ze als zodanig wel gekend hebben).
In onze tijd heeft de psychologie de temperamenten volledig terzijde geschoven en wanneer de vrijeschoolpedagoog ze als benaming toch gebruikt, roept dat vragen op, verwijten zelfs, dat ‘men zich nog baseert op een leer die al 2000 jaar oud is.’
De Griek Hippocrates noemt ze voor het eerst in verband met de ‘humores’ de lichaamssappen.
Steiner noemt ze in samenhang met de vier wezensdelen.

Maar ondanks de antieke benaming en de meer theoretische achtergrond van de wezensdelen, gaat hij uit van wat je aan kinderen kan beleven.

Hij ziet eigenlijk – om het hanteerbaar te maken – twee eigenschappen die bij kinderen horen: de Duitse begrippen zijn ‘Stärke’ en ‘Erregbarkeit’. Ongeveer: hoe sterk ben je van binnen in je belevingen; en hoe open sta je voor prikkels van buitenaf.

Steiner tekent dit schema:

GA 295   blz. 15     vert.  16

Hieruit blijkt dat wat Steiner in de 8e voordracht zegt over ‘de jeugd’, in wezen het sanguinische kind betreft.
Dat strookt met zijn andere karakteristiek dat de basisschoolleeftijd als ‘sanguinisch’ mag  gelden.

Interesse

En het kan niet uitblijven dat wanneer het om het ‘erbij zijn met je Ik’ gaat, het om interesse gaat, wat het woord in zijn betekenis ook uitdrukt: interesse, letterlijk: er met je wezen tussen zijn.

De pedagogoog moet interesse ‘wekken’, dat is dus in deze beschouwingen letterlijk het ‘wakker maken van het wezen zodat het erbij kan zijn.’

Met de wetenschap van voordracht 7, dat bij het kind gevoel en wil nog sterker met elkaar zijn verbonden dan gevoel en denken en dit nu samengebracht met het feit dat het de wil is die de voorstellingen wakker maakt ‘in de hand van het Ik’, is voor de basisschoolleeftijd de richting aangegeven: gevoel en

 moeten worden aangesproken.

De vrijeschoolpedagogie is er bijna een voorbeeld van, hoe dit kan gebeuren. Bij alle vakken probeert Steiner de weg aan te geven waarlangs je gevoel en wil bereikt – de interesse wekt.

Hijzelf neemt hier ‘dierkunde’:

Blz. 122  vert. 119

Nehmen wir an, wir erwecken durch besondere Behandlungsarten in dem Kinde ein lebendiges Interesse zum Beispiel für die Tierwelt. Dieses Interesse für die Tierwelt werden wir naturlich nicht in einem Tage entwickeln können. Wir werden den ganzen Unterricht so zu veranlagen haben, daß allmählich das Interesse für die Tierwelt immer mehr und mehr sich einstellt und erwacht. 

Laten we eens aannemen dat we door een specifieke aanpak in een kind een levendige interesse wekken voor bijvoorbeeld de dierenwereld. Deze interesse voor de dierenwereld kunnen we natuurlijk niet in één dag ontwikkelen. We zullen het hele onderwijs zo dienen in te richten dat deze interesse voor de dierenwereld geleidelijk aan ontstaat en gewekt wordt.

Die ‘specifieke aanpak’ wordt hier niet nader uitgewerkt. Dat is al een keer gebeurd in GA 294, 3e en 7e voordracht bv. en in GA 295, in de 3e voordracht.
[Rudolf Steiner over dierkunde] Steiner had de opdracht gegeven voor een flegmatisch en een cholerisch kind ‘dierkunde’ te geven.

In de karakteristiek is het ‘flegmatische’ dat het kind in kwestie weinig ‘kracht’ laat zien en ook nauwelijks reageert op prikkels van buiten.

Steiner:    GA 295 blz. 37   vert. 37

Die Phlegmatischen werden wenig leicht erfaßbar sein. Und es wird das nicht leicht haften, was Sie mit ihnen durchnehmen über ein bekanntes Tier. Sie haben das Pferd oft gesehen, haben daher nur wenig Interesse dafür. Solche Dinge sollen aber haf­ten. Da würde ich zu den phlegmatischen Kindern sagen: «Seht ein­mal, wie unterscheidet ihr euch denn eigentlich von einem Pferde? Wir wollen nur kleine Unterschiede nehmen. Nicht wahr, ihr habt alle einen solchen Fuß: Da sind die Zehen, da ist die Ferse, da ist der Mittelfuß. Das ist euer Fuß.
Jetzt seht euch einmal den Pferdefuß an: Das ist der Hinterfuß vom Pferde. Wo sind die Zehen? Wo ist die Ferse und wo ist der Mittelfuß? Bei euch ist dann weiter herauf das Knie. Wo ist das Knie beim Pferde? Da seht einmal: Da sind die Zehen, die Ferse ist da ganz oben, das Knie ist da noch weiter oben. Da ist das ganz anders. Nun stellt euch einmal vor, wie anders so ein Pferdefuß aussieht als euer Fuß!» Das wird das phlegmatische Kind in Spannung versetzen, und es wird das schon behalten.

De flegmatici zal men niet zo gemakkelijk ‘pakken’. En wat u met hen doorneemt over een bekend dier zal niet gemakkelijk blijven hangen. Ze hebben al vaak een paard gezien, daarom hebben ze er maar weinig interesse voor. Maar zulke dingen moeten nu eenmaal beklijven. Daarom zou ik tegen de flegmatische kinderen zeggen: ‘Vertel eens, wat is eigenlijk het verschil tussen jullie en een paard? Ik wil alleen maar kleine verschillen horen. Jullie hebben allemaal voeten, niet waar, die zien er zo uit: daar zitten de tenen, daar is de hiel, daar is het midden van de voet. Zo ziet je voet eruit.Maar kijk nu eens naar de voet van een paard: dat is de achtervoet van het paard. Waar zijn de tenen? Waar is de hiel en waar is het midden van de voet? Iets verder naar boven hebben jullie dan een knie. Waar zit de knie bij een paard? Kijk eens: daar zijn de tenen, de hiel zit daar helemaal boven en de knie zit nog verder naar boven. Dat ziet er heel anders uit. Stel je toch eens voor hoe anders zo’n paardenvoet er uitziet dan jullie voet!’ Dat zal het flegmatische kind in spanning brengen en het zal dat vast wel onthouden.

Zoals al opgemerkt: bij vrijwel alle vakken probeert Steiner een band te creëren tussen het kind en de leerstof.
In deze voordracht de leerstof die zó gebracht wordt dat die interesse wekt met als gevolg dat het zich herinneren van die leerstof makkelijker gaat.

Maar hij geeft in dit kader meteeen ook aan dat het niet alleen om geheugen gaat, maar om iets nog veel belangrijkers:

GA 295 blz. 38   vert. 38

Wir müssen uns klar sein, daß wir den Unterrichtsstoff hauptsächlich dazu verwenden, um die Willens-, Gemüts- und Denkfähigkeiten des Kindes zu ergreifen, daß es uns viel weniger darauf ankommt, was das Kind gedächtnismäßig behält, als daß das Kind seine seelischen Fähigkeiten ausgestaltet.

Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt.

En tegen de achtergrond van deze 8e voordracht zou een kwaliteit van de ziel genoemd kunnen worden een vermogen [blz. 118 vert.] ‘steeds meer greep te krijgen op herinneren en vergeten.’
Even hoger op de bladzij constateert Steiner dat ‘veel mensen niet in staat zijn om willekeurig het vergeten en herinneren te reguleren. Ze proberen niet de schat van hun voorstellingen in de hand te hebben en die gericht op te graven wanneer ze die naar aanleiding van het een of ander nodig hebben om iets te begrijpen, nee, ze laten de voorstellingen die in hun innerlijk willen opstijgen vrijelijk opkomen. Nu eens komt er die voorstelling, dan weer een andere; ze hebben er met hun wil niet echt vat op.’ [blz. 118 vert.]

Steiner gaat er dus vanuit dat je ‘willekeurig’, dus met je wil, vergeten en herinneren in de hand hebt. En wanneer dat niet lukt, dat je er met je wil geen vat op hebt.
Vanuit die optiek komt de nadruk dus te liggen op de wil. Die eerst. En als gevolg van een sterkere wil, een groter vermogen tot herinneren en vergeten.

We weten inmiddels dat de wil ‘slaapt’ [voordracht 7] en dus:

Blz. 122  vert. 119

Nun ist aber der Wille gerade schlafend und Sie können daher nicht unmittelbar im Kinde bewirken, daß es lerne, seinen Willen zu gebrauchen. Denn wenn Sie im Kinde bewirken wollten, daß es seinen Willen gebrauche, so wäre das gerade so, als wenn Sie den Menschen ermahnen wollten, er solle im Schlafe nur recht brav sein, damit er sich diese Bravheit ins Leben mitbringe, wenn er morgens aufwacht. Man kann also auch diesem schlafenden Teil, der im Willen schläft, nicht zumuten, daß er sich unmittelbar im Einzelakt aufraffe, um die Erinnerung zu regeln. Was ist da zu tun? Nun, das kann man natürlich dem Menschen nicht zumuten, daß er sich im Einzelakt aufraffe, um die Erinnerung zu regeln, aber man kann den ganzen Menschen so erziehen, daß er seelische, leibliche und geistige Lebensgewohnheiten entwickelt, die zu einem solchen Aufraffen des Willens im Einzelfalle führen.

Maar nu slaapt de wil en daarom kunt u niet direct in het kind bewerkstelligen dat het leert zijn wil te gebruiken. Als u dat zou willen, dan zou dat hetzelfde zijn als wanneer u iemand ertoe wilt aanzetten in zijn slaap heel braaf te zijn opdat hij deze braafheid als hij wakker wordt ook nog heeft voor overdag. Men kan ook van dit slapende gedeelte dat slaapt in de wil, niet verwachten dat het zich elke keer direct inzet om de herinnering te regelen. Wat moeten we dan doen? Welnu, we kunnen natuurlijk niet van iemand verwachten dat hij zich er iedere keer apart toe zet om de herinnering te reguleren, maar men kan de gehele mens zo opvoeden dat hij die levensgewoonten ontwikkelt in zijn ziel, lichaam en geest, die ervoor zorgen dat de wil in het concrete geval actief wordt.

Op deze blz. volgt dan het voorbeeld van de dierkunde.

Wir werden den ganzen Unterricht so zu veranlagen haben, daß allmählich das Interesse für die Tierwelt immer mehr und mehr sich einstellt und erwacht.

We zullen het hele onderwijs zo dienen in te richten dat deze interesse voor de dierenwereld geleidelijk aan ontstaat en gewekt wordt.

En volgens mij mag je zeker ook zeggen:

We zullen het hele onderwijs zo dienen in te richten dat deze interesse voor de wereld geleidelijk aan ontstaat en gewekt wordt.

Ist ein Kind durch einen solchen Unterricht durchgegangen, dann geht dieser Unterricht, je lebendigere Interessen er erweckt, um so mehr über auf den Willen, und dieser Wille bekommt dann im allgemeinen die Eigenschaft, wenn in einem geordneten Leben für die Erinnerung Tiervorstellungen gebraucht werden, diese aus dem Unterbewußtsein, aus der Vergessenheit heraufzuholen. 

Wanneer een kind dergelijk onderwijs geniet, dan werkt dit onderwijs op de wil; hoe levendiger de gewekte interesses zijn, des te meer werkt dat op de wil. En deze wil krijgt in het algemeen dan de eigenschap om voorstellingen van dieren [de wereld] uit het onderbewuste, uit de vergetelheid, op te roepen wanneer deze in een geordend leven voor de herinnering nodig zijn.

In één adem noemt Steiner hier ook het werken aan ‘gewoontevorming’. Dat lijkt iets anders te zijn dan een interessante les over dieren. 
Maar erover nadenkend kom je er toch achter dat alles wat je als gewoonte ontwikkelt, vóór het gewoonte is, letterlijk -daad-werkelijk, dus met inzet van de wil, gedaan moet worden. Vrijwel alle gewoontes, dus wat je gewend bent te doen, herinner je je iedere keer weer, je weet het, anders ging je het niet doen. Maar het is geen ‘wakker’ weten. Je doet het ‘gewoon’. Het komt uit een andere laag: het is de wil die bij het uitvoeren, actief wordt. 

Nur dadurch, daß Sie auf das Habitueile des Menschen, auf das Gewohnheitsmäßige wirken, bringen Sie seinen Willen und damit auch seine Erinnerungskraft in ordnung.

Alleen door op het gewoonteleven van de mens, op zijn gewoonten te werken ordent u de wil en daarmee het herinneringsvermogen.

Het ‘ritueel’ van het vaste (dag/week)programma in de kleuterklas is in dit opzicht ook wilsvorming.
En vanaf de 1e klas is het belangrijk – nu kan het nog – om allerlei gewoontes voor in het klassenleven te ontwikkelen: bij het schilderen: de vaste volgorde van uitdelen van de spullen; nog te gebruiken papier niet zomaar in de prullenbak; aan het eind van de dag de spullen in de kastjes geordend enz., enz. (Waarbij het voorbeeld van de leerkracht nog zeer belangrijk is)

Das heißt mit anderen Worten: Sie müssen auf diese Art durchschauen, warum alles, was beim Kinde ein intensives Interesse erweckt, auch dazu beiträgt, sein Gedächtnis tatkräftig zu stärken.

Met andere woorden: u moet nu doorzien waarom alles wat bij een kind een intensieve interesse wekt, er ook toe bijdraagt zijn geheugen daadwerkelijk te versterken. Want het geheugen moet men versterken vanuit het gevoel en de wil en niet door bijvoorbeeld pure intellectuele geheugentraining.

Daar nogmaals bijgenomen:

Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt.

Dan mag m.i. de conclusie worden getrokken dat de ontwikkeling van het geheugen een ‘logisch’ gevolg is van het – op de vrijeschoolmanier – inwerken op wil, gevoel en denken.

In Steiners aanpak van de vakken zal je dit ‘werken op’ overal tegenkomen.

Een prachtig voorbeeld is m.i. ‘rekenen en temperamenten‘.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3]
GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 8: alle artikelen 

Geheugenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2182-2049

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 309)

.

Zie de inleiding

GA 309

Blz37        vert. 37

So handelt es sich darum, daß wir allmählich lernen, nicht nur Dinge an das Kind heranzubringen, die wir nach unserem abstrakten Ver­stande als Stäbchenlegen und allerlei solche Arbeiten ausdenken, daß das Kind es machen könne: das Kind tut es nicht von sich aus. Es muß seine eigene Seelenkraft erregt werden; dann ahmt es die Dinge nach, die es bei den Erwachsenen sieht.Es spielt mit der Puppe, weil es die Mutter das Kind pflegen sieht. Im Kinde lebt ganz und gar das­jenige, was bei den Erwachsenen ist, als Tendenz zur Nachahmung. Dieser Tendenz muß Rechnung getragen werden bei der Erziehung des Kindes bis zum Zahnwechsel. Nur ist all das, was da heranerzogen werden soll, einer Veränderung unterworfen im kindlichen Organis­mus, der alles lebendiger macht, beseelter macht, als es beim erwach­senen Menschen durchgeführt wird, weil das Kind noch eine Einheit ist von Leib, Seele und Geist. Beim erwachsenen Menschen ist der Kör­per emanzipiert vom Seelisch-Geistigen; das Seelisch-Geistige ist eman­zipiert vom Körperlichen. Körper, Seele und Geist stehen vereinzelt da. Nur beim Kinde ist eine strenge Einheit im Körperlich-Seelisch-­Geistigen. Bis in das Denken hinein ist diese Einheit da. Dies kann man leicht bemerken, wenn man dem Kinde zum Beispiel, bevor es den Zahnwechsel durchgemacht hat, eine recht schöne Puppe gibt, die

Het gaat erom dat we langzaam maar zeker leren het kind niet alleen dingen te geven die wij met ons abstracte verstand uitdenken, als staafjes leggen en al dat soort werkjes zodat het kind het maar zal doen: van zich uit doet een kind dat niet. Zijn eigen zielenkracht moet aangevuurd worden; dan doet het de dingen na, die het bij de volwassene ziet. Het speelt met een pop, omdat het moeder ziet die het kind verzorgt. In een kind leeft helemaal de tendens tot nabootsing van wat er bij de volwassenen is. In de opvoeding van het kind moet met deze tendens rekening worden gehouden tot de tandenwisseling. Maar alles wat er aan opvoeding gedaan moet worden, is in het kind aan een verandering onderhevig die alles levendiger maakt, bezielder maakt dan bij de volwassene gebeurt, omdat het kind nog een eenheid is van lichaam, ziel en geest. Bij de volwassen mens is het lichaam vrij geworden van ziel en geest en deze van het lichaam. Lichaam, ziel en geest staan ieder op zich. Alleen bij het kind bestaat er een sterke eenheid van lichaam, ziel en geest. Tot in het denken toe is er deze eenheid. Dit zie je gauw genoeg wanneer je het kind bv. voor het de tanden is gaan wisselen, een echt mooie pop geeft, die

blz. 38   vert. 38

wunderbar bemalt ist, menschenähnlich ist, sogar gläserne Augen hat. Es gibt solche Puppen: wenn man sie niederlegt, verdrehen sie die Augen und schlafen; wenn man sie aufhebt, schaut das Ding. Viele andere Vorrichtungen gibt es da, wodurch solch kleine Ungetüme ent­stehen, die man dem Kinde in die Hand gibt als «schöne Puppen». Ja, scheußlich sind diese Dinge schon vom künstlerischen Gesichtspunkt aus, aber darauf möchte ich nicht eingehen. Aber betrachten Sie ein­mal den Unterschied, der mit dem Kinde selber vorgeht, wenn Sie dem Kinde eine schöne Puppe geben, die sogar die Augen verdrehen kann. Zuerst wird es natürlich Freude haben, weil das Ding eine Sensation ist; aber nach und nach vergeht dies. Vergleichen Sie das, was mit dem Kinde vorgeht, wenn Sie einfach ein Wischtuch nehmen, oben einen Kopf daraus formen, indem Sie es zusammenziehen, zwei Punkte ma­chen als Augen, vielleicht auch noch eine große Nase. Da hat das Kind Gelegenheit, in seiner Phantasie, in seinem Seelisch-Geistigen, das mit dem Körperlichen verbunden ist, das andere dazu zu phantasieren. Da lebt das Kind jedesmal, wenn es die Puppe vorstellen soll, innerlich auf, da bleibt es lebendig. Macht man diese Versuche, so wird man sehen, wie es etwas ganz anderes bedeutet, der Phantasie, der Seelen­tätigkeit beim kindlichen Spiel möglichst viel zu überlassen, oder das Spielzeug so zu formen, daß es nichts mehr für die innere Regsamkeit übrig läßt.

prachtig geschminkt is, op een mens lijkt, zelfs glazen ogen heeft. Er zijn van die poppen: wanneer je ze neerlegt, draaien ze hun ogen en slapen; wanneer je het oppakt, kijkt het ding, Er zitten nog veel meer dingen aan, waardoor die monstertjes ontstaan die men de kinderen geeft als ‘mooie pop’. Van kunstzinnig standpunt uit zijn ze echt verschrikkelijk, maar daarop ga ik nu niet in. Maar kijk eens naar het verschil, met wat er met het kind gebeurt, wanneer je het kind een mooie pop geeft, die zelfs met haar ogen kan draaien. Eerst beleeft het er natuurlijk plezier aan, omdat het ding een sensatie is, maar dat gaat langzamerhand over. Vergelijk dat eens met wat er met een kind gebeurt, wanneer je eenvoudigweg een stofdoek neemt, er vanboven een hoofd van maakt wanneer je het wat naar elkaar trekt, twee punten maakt als de ogen, misschien ook nog een grote neus. Nu krijgt het kind de kans, in zijn fantasie, in zijn ziel-geest die met het lichaam verbonden zijn, het andere erbij te fantaseren. Dan veert het kind iedere keer wanneer het zich de pop voorstelt, innerlijk op, dan blijft het levendig. Wanneer je deze experimenten doet, zal je zien, hoe het iets heel anders betekent wanneer je veel aan de fantasie, de activiteit van de ziel bij het kinderlijke spel over laat of het speelgoed zo vorm geeft dat er niets meer voor de innerlijke activiteit overblijft.

Daher ist es von allergrößtem Nutzen für das Kind, wenn wir die Kinderhandarbeiten so einrichten, daß sie möglichst nur andeu­tend sind, wenn noch viel der Phantasietätigkeit übrigbleibt. Fertig ge­staltete Tätigkeit, die so bleiben kann, wie sie ist, ist nicht anregend, weil die Phantasie nicht hinausgehen kann über das, was sinnlich vorliegt.

Daarom is het van het allergrootste nut voor het kind, wanneer we het kinderspeelgoed zo vormgeven dat het zo veel mogelijk slechts dingen aanduidt; wanneer er nog veel overblijft voor de fantasie. Kant-en-klaar dat zo blijven kan als het is, is niet stimulerend, omdat de fantasie niet naar buiten kan komen naar wat daar concreet is.
GA 309/37     Op deze blog vertaald/37
.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden.

.

2179-2046

.

.

.

.