Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (35)

.

Daan Rot, Antroposofie Magazine maart 2020 nr. 17

.

Aswoensdag, Pasen en Hemelvaart zijn een eenheid.
Hemelvaart is het afsluitende feest van de paascyclus

.

in de wolken met met Hemelvaart

Hemelvaart is die vrije donderdag die lekker uitloopt in een lang weekend. Een perfecte dag om aan de slag te gaan in de tuin, met heel veel anderen een bezoek te brengen aan de geel met blauwe meubelwinkel en een klusdag bij uitstek.

De bomen zijn weer lekker frisgroen, bloemen fleuren de wereld op, de vogeltjes zijn druk in de weer en zelfs de zwaluwen zijn weer in het land. Het is langer licht en we genieten van de ‘met zonder jas’-dagen.

Maar waarom zijn we vrij en wat vieren we eigenlijk? Ik schets even een tijdslijn om Hemelvaart goed te plaatsen in de christelijke feesten; tussen Aswoensdag [de eerste dag van de vastentijd] en Pasen zitten veertig dagen, tussen Pasen en Hemelvaart zitten ook veertig dagen. Omdat Pasen altijd op een zondag is, is Hemelvaart altijd op een donderdag. Aswoensdag, Pasen en Hemelvaart vormen samen een eenheid. Hemelvaart is het afsluitende feest van de paascyclus. Tien dagen na Hemelvaart is het Pinksteren. Ik leerde de kinderen ‘AsPaHePi’ als ezelsbruggetje! As(woensdag]Pa[sen]He[melvaart] Pi[nksteren] Ze weten nu precies welke feesten wanneer zijn en de bijbehorende verhalen worden vanaf nu op volgorde verteld. AsPaHePi is ons nieuwe jaarfeestenwoord.

Met Pasen herdenken we dat Jezus is gestorven en uit de dood is opgestaan. Hij verschijnt in de periode tussen Pasen en Hemelvaart aan zijn leerlingen om hen te onderwijzen. Op Hemelvaart toont Jezus zich voor de laatste keer aan zijn discipelen. Hij zegent hen, geeft hen de opdracht om op zendingspad te gaan en stelt hen gerust door de Heilige Geest aan te kondigen die altijd bij hen zal zijn en hen zal bijstaan. De discipelen zien hoe een wolk hem opneemt en Jezus zich bij zijn Hemelse Vader voegt. Met Pinksteren daalt de Heilige Geest uit de wolken neer.

Dauwtrappen

In de wolken zijn, een hemels gevoel, blij on gelukkig zijn… dan zie ik al snel een dansend kind op blote vue ten in het gras. Een oud gebruik op Hemelvaart is dan ook het dauwtrappen. Oorspronkelijk een onderdeel van het meifeest in de voorchristelijk tijd waarbij de Germanen de wederopbloei van de natuur vierden. Dat gebeurde niet bij het krieken van de dag. Al om drie uur ’s nachts stond je op om op blote voeten in de Heilige Wouden te wandelen, te dansen en te zingen om de voorvaderen te eren. Dit zou een magische en helende werking hebben. Dit gebruik houdt weer verbond met de latere processies van de Katholieke kerk.

In de negentiende eeuw trok men in Amsterdam de stad uit en de velden in met lekkers voor onderweg: rozijnen, vijgen, krakelingen en een strafte borrel. Het was een vroege wandeling, want men zat om negen uur weer keurig in de kerk voor de mis. In Rotterdam moesten de langslapers trakteren op hemelvvaartbollen.

Wij doen niet ieder jaar aan een potje dauwtrappen, de kinderen zijn inmiddels langslapers. Er worden genoeg natuurexcursies en wandelingen georganiseerd, mom we gaan er liever gewoon met ons zessen en de hond op uit voor een tocht door het bos, over het stand of we trekken de polder in. We gaan op zoek nam paardenbloemen om de pluizenbollen weg te blozen en Ik steek een bellenblaas in mijn zak. De bellen maken een symbolische hemelvaart en we worden vanzelf stil Het dauwtrapontbijt is dan meestal een dauwtrap-brunch geworden. En bij ons als heuse Rotterdamse langslapers, kunnen de Rotterdamse hemelvaartbollen niet ontbreken. We maken een extra portie van het deeg om traditioneel ook wat bollen uit te delen.

Ingrediënten voor ongeveer 9 bollen

40 gram verse gist of 2 zakjes droge gist
• 4 eetlepels lauwe melk plus 2 dl melk
• 500 gram bloem (eventueel 2/3 tarwe en 1/3 roggebloem]
• 10 gram zout
• 20 gram basterdsuiker
• 50 gram boter
• 300 gram rozijnen
• 100 gram krenten
• Theelepel kaneel
• Ei

Werkwijze

* Meng 40 gram verse gist [of 2 zakjes droge gist] met 4 eetlepels lauwe melk.
* Neem 500 gram bloem (eventueel 2/3 tarwe en 1/3 roggebloem] en meng deze met 10 gram zout en 20 gram basterdsuiker.
* Maak een kuiltje in de bloem. Smelt 50 gram boter en voeg dit toe samen met de aangemaakte gist en doe er geleidelijk 2 dl melk bij. Kneed het gistdeeg goed door tot het een soepel geheel is geworden.
* Laat het deeg afgedekt op een warme plaats een half uur rijzen.
* Was 300 gram rozijnen en 100 gram krenten en laat ze goed uitlekken. Kneed het deeg opnieuw door. Doe er een theelepel kaneel bij en kneed de rozijnen en de krenten goed door het deeg.
* Laat het deeg nogmaals een kwartiertje afgedekt, op een warme plaats rijzen.
* Maak bolletjes van ongeveer 125-150 gram. Beboter een bakblik, verdeel er een beetje bloem in en klop de losse bloem eruit. Leg de de bollen op het bakblik. Druk ze een klein beetje plat.
* Laat de bollen nog een kwartiertje narijzen.
* Bestrijk de bollen met het losgeklopte ei en zet het bakblik in een een zeer hete oven [240°C]
* Bak de hemelvaartbollen in 15 minuten bruin en gaar.
* Eet ze met boter en stroop!

.

Hemelvaart: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3209-3021

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (12)

.
Over de folklore van Palmzondag en de palmpaasstok

palmzondag
.

Van de Palmzondag is de palmpaas het typische folkloristische verschijnsel. Hij is een meiboom in miniatuur, voorbode van het feest van de lente. Aan deze meiboom herinnert de ring- of spiraalvormige afschilling van de palmpaasstok, later merendeels gewijzigd in een stokversiering van kleurig papier, liefst in rood, wit en blauw.

 Meiboom. Kopergravure van T. Matham, naar tekening van A. van der Venne, omstreeks 1630.

Ook de meiboom die hier en daarin Zuid-Limburg bij het vogelschieten wordt gezet, is spiraalsgewijze rood, wit en blauw geschilderd. Men schilde de stam van de meiboom af wegens het vroeger algemeen verbreide en nog wel bestaande volksgeloof, dat zich onder de bast boze geesten verborgen hielden. De spiraalvormige afschilling van de stok gebeurt nog altijd* te Cromvoirt door de jongens, die met zo’n stok van es- of van hondshout en een mand bij de boeren eieren ophalen in de week vóór Pasen.

Bovenop de meiboom prijkt een levende vogel: een haan, kip, duif of eend, symbool van vruchtbaarheid en mogelijk eenmaal aan de geesten van de vruchtbaarheid geofferd. Bij de verzachting van de zeden werd de vogel door een nabootsend offer in brood vervangen; men vergelijke hierbij de bordpapieren vogel op de Zweedse ‘Meistang’. Dit verklaart het broodvogeltje op de kop van de palmpaas. Gewoonlijk noemt men dit een zwaantje, maar ook wel haantje, eendje, gansje, duifje of kloek.

Ook de groene kransen die, in horizontale of verticale stand, de meiboom versierden vindt men terug broodkransen bij de palmpaas. De benaming rad of wiel herinnert aan hun oorspronkelijke bestemming: blijkbaar zijn deze kransen nabootsingen van het zonnerad, in de lente rondgedragen om de zon bij haar nieuwe omloop weer op gang te helpen. Met hetzelfde doel rolden de oude Scandinaviërs in het wintersolstitium het joelrad bergopwaarts. Het rad stelt niet zozeer de zon voor als wel de beweging van de zon.

Ook de verdere opsiering van de palmpaas met bonte papieren, vlaggetjes, uitgeblazen eieren, slingers van rozijnen, pruimen en aangeregen suikergoed, herinnert aan de mei-boomtooi van bonte doeken en linten, gebak en eetwaren, waaronder eieren, symbool van vruchtbaarheid. Anderzijds herinnert de palmpaas, door benaming en tijdstip, aan haar kerkelijke oorsprong. Vroeger moet algemeen in Nederland op Palmzondag een palmprocessie zijn gehouden ter herdenking van Jezus’ glorierijke intocht in Jeruzalem. Het eerst werd deze te Jeruzalem zelf uitgebeeld. De gelovigen kwamen in de kerk op de Olijfberg samen en geleidden vandaar de bisschop, die Christus verbeeldde, naar de stad. Allen droegen hierbij palm- of olijftakken in de hand. Van Jeruzalem uit werd deze palmzondagprocessie over het Westen verbreid; elke stad hield in de Middeleeuwen één gezamenlijke palmprocessie.
Mogelijk trok deze in kleinere plaatsen met één kerk de stadspoort binnen, maar in de grotere met meer kerken ging men binnen de muren van de stad van de ene kerk naar de andere, o.a. te Utrecht van de Pieterskerk naar de Dom. Een eigenaardig element bij deze palmprocessie was de ‘palmezel’.

Palmezel uit het begin van de I7e eeuw, nog* in gebruik te Hoegaarde (Belgisch Brabant).

Palmezel uit de 12e eeuw (Landesmuseum Zürich).

Eerst is dit een levende ezel geweest, waarvan men in de praktijk waarschijnlijk de bezwaren heeft ondervonden, want spoedig werd hij vervangen door een gepolychromeerde houten palmezel. Ook zijn berijder, de Christus, aanvankelijk door een hoge of lage geestelijke voorgesteld, werd al vroeg in hout weergegeven. Het bijna levensgrote beeld, eveneens beschilderd of met kleren omhangen, stond gewoonlijk op een plank, die op een baar werd gedragen of, van vier rollen of raderen voorzien, aan een touw werd voortgetrokken. Deze laatste taak was te Utrecht toebedeeld aan de Jeruzalemvaarders, merendeels voorname personen, die het Heilige Graf en andere plaatsen in het Heilige Land hadden bezocht. In de vrije hand droegen zij hierbij de uit Palestina meegebrachte ‘Jeruzalemveren’. waaronder men geprepareerde palmbladen heeft te verstaan. Men zie het schilderij ‘Jeruzalemvaarders’ van Jan van Scorel (1525) in het Centraal Museum te Utrecht. In hun zondagse, met het gouden of roodlakense kruis versierde, kledij liepen zij aan het hoofd van de stoet. Achter de ezel schaarden zich de latere leden van de Jeruzalembroederschap, die niet te Jeruzalem waren geweest, en talrijke burgers.

Het trekken van de palmezel gold als hoogst eervol en bovendien als bevorderlijk voor het zieleheil: men meende hierdoor aflaat te verdienen. Rijke burgers hadden voor de waarneming grote sommen over, ook namen de priesters zelf deze taak op zich. Doch waar een Jeruzalembroederschap was, genoten deze pelgrims de voorrang. Als beloning voor hun diensten schonk de stad bij de maaltijd die de broederschap na de processie placht te houden, enige kannen wijn, ‘omme daer-mede met malcanderen vrolijck te weesen’.

In de 16e eeuw werd de palmezel ook wel getrokken door het genootschap der twaalf of dertien apostelen. Dit waren arme oude mannen, die voor deze gelegenheid in kleurige tabbaarden als apostelen werden uitgedost en tot hun beloning een drinkgeld kregen. Men trof deze apostelen o.a. aan bij de Palmprocessie te Amsterdam. Hier trokken aanvankelijk de Jeruzalemvaarders de ezel van hun bij de Zeedijk gelegen kapel Jeruzalem (na de inrichting voor de hervormde godsdienst Oudezijdskapel geheten) naar de naburige Oude Kerk. Maar na de stichting van de Nieuwe Kerk, in 1417 voltooid, wenste ook deze haar aandeel in de palmprocessie. In 1498 trof de magistraat een vergelijk en bepaalde, ‘dat men eewiglyk geduurende, ’teenjaar ons Heere God op den ezel halen zal metter Processie eerliken bekleed uit Jerusalem, ende brengen in de Oude Kerk, en ’t ander jaar uiter Heiliger Stede in de Nieuwe Kerk’.

De Heilige Stede, aldus geheten naar het mirakel dat hier in 1345 plaatsvond (later ook Nieuwezijdskapel genoemd) stond in de Kalverstraat tegenover het Burgerweeshuis en besloeg de plek tussen de tegenwoordige Kleine en Grote Kapelsteeg. Naast het Burgerweeshuis stond destijds het Oude Mannen- en Vrouwengasthuis, dat in 1601 werd ontruimd en in 1632 bij het Burgerweeshuis getrokken. Uit dit gasthuis sloten twaalf oude mannen zich bij de processie aan. Aanvankelijk liepen zij achter de ezel, maar later moest zij die trekken, wat voor deze oude lieden wel geen voorrecht zal zijn geweest. De Jeruzalemvaarders sloten zich toen achter de ezel aan; zij waren waarschijnlijk destijds de eer van het trekken reeds moe! Door de toegevoegde groepen van Jeruzalemvaarders en apostelen is de oude zinrijke palmprocessie meer en meer in een kijkspel ontaard en ontstonden er ongeregeldheden, waaraan de hervorming een einde maakte. De palmezels werden bij de ‘zuivering’ van katholieke kapellen en kerken zo grondig opgeruimd, dat in Nederland geen middeleeuws exemplaar aanwezig is. De palmezel, die het Centraal Museum te Utrecht in bruikleen heeft van Huize Bergh te ’s-Heerenberg, stamt pas uit de 18e eeuw en is vermoedelijk Duits.

Des te meer moeten wij daarom waarderen, dat op Zuidnederlandse bodem een palmezel, zij het uit het begin van de 17e eeuw, is bewaard gebleven, die zelfs nog jaarlijks in de palmprocessie, de ezelsprocessie, dienst doet, zeker al sinds 12 maart 1631. In het stille Zuidbrabantse Hoegaarden (bij Tienen) kan men nog op Palmzondag de twaalf apostelen in hun bonte lakense rokken statig en devotelijk zien schrijden achter de berrie, waarop vier discipelen de palmezel en het glimlachende Christusbeeld dragen. Uit de machtige, hooggelegen kerk van Sint-Gorgonius daalt de processie het hellende marktplein af en houdt een korte ommegang door de naburige straten. Bij de hoogmis, die na de terugkeer in de kerk wordt gevierd, staat de palmezel, naar de gelovigen gewend, in het koor op een voetstuk opgesteld. Als de priester met het lijdensverhaal begint, verlaten de apostelen het koor, om zich naar de sacristie te begeven. Hiermee willen zij de vlucht der apostelen verbeelden, die allen er vandoor gingen, nadat Judas Jezus had verraden en de Romeinen hem kwamen arresteren. Kort daarna echter nemen zij hun plaats op het koor weer in en wachten er het einde van de mis af. Na afloop gebruiken de apostelen in een herberg een eenvoudig ontbijt; ’s middags houden zij een gezamenlijke maaltijd. Deze processie, die de beste kenmerken van het middeleeuwse ceremonieel heeft bewaard, draagt tevens het kenmerk van de nieuwe tijd door de rol die de blijde, luidruchtige kinderen daarin spelen. Achter de geestelijken volgen hier niet langer volwassenen, maar uitsluitend kinderen, al de kinderen van Hoegaarden, die zwaaien met hun op stokken gebonden palmbossen.

Oude gebruiken plegen, met het groeien van de cultuur, uit de wereld van de volwassenen in de kinderwereld over te gaan. Zo ging het ook met de rituele palmprocessie. In Zuid-Duitsland bootsten de kinderen reeks omstreeks 1550 in de namiddag de palmprocessie na, die zij ’s ochtends hadden aanschouwd. Zij sleepten de ezel over de straat onder het zingen van de overbekende gezangen en haalden hiervoor langs de huizen geld, brood en eieren op. Zo ongeveer moet het ook zijn toegegaan in de Nederlandse gewesten, waar de palmprocessies in 1580 hun einde beleefden. Bijzonderheden, hoe deze overgingen in de kinderlijke palmpaasommegang, zijn niet tot ons gekomen.

Het is te begrijpen, dat bij een ommegang van kinderen men iets lekkers voegde bij de palmen, d.w.z. de groene twijgen, die zij in de hand droegen. De bukspalm (buxus sempervirens) leverde het traditionele groen voor de palmpaas, deed misschien reeds dienst bij de palmprocessie. Ontbrak zij en behielp men zich met sparregroen, hulst of gagel, dan is men toch blijven spreken van palm. Bij de versiering van de palmtak zal de meiboom, die ongeveer in dezelfde tijd viel, tot voorbeeld hebben gediend.

Ommegangen van kinderen met groenende takken, die de lentezegen brengen, worden in alle Europese landen aangetroffen. Deze kinderommegang werd nu door de invloed van de palmprocessie ook verbonden aan de palmzondag. Aan de kerkelijke band herinnert nog het Limburgse gebruik, dat de kinderen tot in het begin van deze eeuw met hun palmpaas naar de kerk gingen om die te laten zegenen. Wegens de luidruchtigheid die daarmee gepaard ging, is dit afgeschaft. Overigens komt de palmpaas evenzeer in protestantse kringen voor als in katholieke, ja zelfs meer in de eerste. In Vlaanderen is hij niet gangbaar, ook niet bij wijze van ‘neofolklore’.

Zo’n palmpaasoptocht, waaraan in de stad honderden kinderen deelnamen, was vroeger een grote feestelijkheid. De jongens kregen nieuwe pakjes aan, de meisjes, weer of geen weer, gingen in het wit; de hele stad was in feesttooi. De kinderen liepen twee aan twee en droegen een palmpaas met beide handen voor zich uit, zoals een vaandeldrager zijn vaandel draagt. Onafgebroken zongen allen blij het palmpaasliedje:

Palm, palm-pasen,
Eikoerei,
Over enen zondag,
Dan hebben wij een ei.
Eén ei is geen ei,
Twee ei is een half ei,
Drie ei is een Paasei!

Het refrein ‘Eikoerei’ dagtekent misschien nog van de palmprocessie en zou een verbastering kunnen zijn van het Griekse ‘Kyrie eleison’ (Heer, erbarm u) van de boetepsalmen, die bij de palmprocessie werden gezongen. De slotregel doelt op de drie eieren die men vroeger algemeen op Pasen aan elkaar placht te schenken. Ook deed men dit op palmzondag en Goede Vrijdag, maar dan in de kerkelijke kleuren van die dagen: paars en zwart. Men schonk ze ter ere van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Deze gezamenlijke optocht met Palmpasen, ruim een eeuw geleden nog vrij algemeen, kwam in het begin van deze eeuw nog slechts op enkele plaatsen van Gelderland, Overijssel en Drenthe voor. Nu* lopen de kinderen algemeen in kleine groepjes en moet men naar het zuidoosten van Drenthe gaan, naar de zogenaamde Zandhoek, om de oude gebruiken van het palmpaasfeest te aanschouwen. In de gemeenten Zweeloo en Oosterhesselen verenigen alle kinderen zich met die van de omliggende buurtschappen tot één groep, die zingend langs de huizen gaat en overal wordt getrakteerd. Ook Valthe houdt* palmzondag in hoge ere. Hier vormen alle kinderen van vier tot dertien jaar oud een stoet, die met omhoog geheven palmpaasstokken het hele dorp doortrekt onder het zingen van:

Hoantien op ’n stokkien,
Mit zien roodbont rokkien,
Hoantien mit zien linkerpoot,
Vanoavend is mien hoantien dood.

Hier heerst nog* de oude zede, dat vader of oudere broer een dennetak uit het bos haalt, moeder of zuster die versiert. Ook in de Gelderse en Twentse Achterhoek is dit hier en daar nog gebruikelijk. In het westen van Nederland kende men daarentegen reeds vóór 1800 de gekochte palmpasen, door mannen en vrouwen uit het volk vervaardigd en op bruggen en markten te koop aangeboden.

Ziet, Vader kogt een klein Palmpaasje
Voor ’t Dochtertje, dit hy bemint,
Hoe vrolyk is daar meê het Kind!
aar Mietjes Broêr kogt haar een Baasje.
Een groote met een Klatervlag,
En dubble Haantjes, op het topje,
Gelyk ook met een Ei in ’t dopje,
Banket en Koek, dit zy wel mag.

Intusschen is het zo gelegen,
Dat het Gebruik het hart der Jeugd
Kan strekken tot vermaak en vreugd,
Die zy al speelende mag pleegen.
Der Kindren hand is rasch gevuld,
Een klein Geschenkje doet hen leeren,
En nutte Lessen wel waardeercn.
Dus zet men hen daar toe in schuld.

Wilt wakker dan uw Pligt betrachten,
O Kindren! zo wordt gy beloond
Met voordeel, dat uw yver kroont,
Zo moogt ge eens ieders gunst verwachten:
Zo strekt ge uwe Ouderen tot vreugd,
Ja zelfs tot roem in ryper Jaaren:
Zo zult gy al het goede ervaaren,
Gehecht aan Vlyt, Verstand en Deugd,

Te Amsterdam, by de ERFGEN. van de Wed. C. Stichter, Boekverkopers in de Warmoesstraat, het derde huis van de Papenbrugsteeg.

Dat het palmpaasgebruik jaarlijks afneemt en nu nog slechts in een honderdtal plaatsen van ons land voorkomt (aldus Catharina van de Graft in 1947!), is vooral te betreuren, omdat onze palmpasen in vorm, en vooral in kleur, vaak prachtige voorwerpen van zuivere volkskunst zijn.

Hoe mooi steken de oranje sinaasappelen en het goudgele broodrad af tegen de achtergrond van zachtglanzend sparregroen bij onze oostelijke palmpasen. Wat een lust voor het oog was de jongenspalmpaas van Meppel, de grote haan. stevig bevestigd op een dwarslat, waarvan de bonte sitspapieren waaiertjes, de papieren netjes met noten, de trosjes rozijnen vrolijk afbengelden. Hoe spreekt het aangeboren kleurgevoel uit de aardige palmpaas van Gees met haar tooi van witte, rode en gele papieren roosjes, uit de ranke, zilverige palmpaas van Vries, uit het, helaas verdwenen, blanke palmpaasje van Grouw, dat in zijn symmetrische versiering op een Romeins veldteken geleek. Het lijkt wel, hoe noordelijker men in ons land komt, hoe mooier de palmpasen worden.

En wat een rijke verscheidenheid van vormen! Naast het eenvoudige palmpaasje, het kleine broodvogeltje met een paar palmtakjes geprikt in kop en staart, dat in ons hele palmpaasgebied op een stokje wordt rondgedragen, maar soms tot een reuzenvogel is uitgegroeid, zou men van twee hoofdtypen kunnen spreken:

1. De Friese palmpaas met lange, spits toelopende stok, waaraan van boven af allerlei lekkers wordt gestoken: sinaasappels (de zwaarste onderaan), dikke vijgen, stukjes peperkoek, krentenbroodjes, uitgeblazen eieren: bovenop komt de vogel. Dit type treft men aan in Friesland en het vroegere Friese gebied: Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. De Alkmaarse palmpaas draagt zelfs twee van elkander afgewende zwanen.

2. De ‘Saksische’ palmpaas met grote broodkrans, meestal in vlechtvorm. Hierbij onderscheidt men de palmpasen met horizontaal en met verticaal gedragen krans. De eerste rust op twee horizontaal gekruiste latten, die bovenop een lange stok zijn bevestigd en aan de uiteinden voorzien zijn van verticale pinnen; op deze vier pinnen drukt men de krans. De verticaal gedragen broodkrans wordt tegen een grote dennen- of sparrentak bevestigd.

Naast deze hoofdtypen zijn er nog allerlei afwijkende vormen. Ook bieden de hoofdtypen nog velerlei verscheidenheid wat de afwerking betreft. Elke plaats heeft haar traditionele palmpaas, die zich door een kleinigheid, een andere rangschikking, kleur, versiering of lekkernij, van die van de naburige plaatsen onderscheidt.

*Bepaalde gewoonten kunnen zijn verdwenen, het artikel is minstens 50 jaar oud.

.

Palmpasen en Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten     jaartafels

.

3178-2990

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten- Palmpasen

.

Daan Rot, Antroposofisch magazine maart 2018 nr.9
.

Met palmpasen komt het leven terug
.

Een groene tak in de lente
.

In Nederland was het in katholieke streken lang de gewoonte om een palmpaasstok te versieren. De lente begon pas als vrolijke kinderstemmen palmpaasliedjes zongen: Pallem pallempasen, ei koerei! Over enen zondag krijgen wij een ei! Eén ei is geen ei, twee ei is een hallef ei, drie-ei is een paasei! Ook op vrijescholen wordt de eeuwenoude traditie van de ‘pallempaas’ in ere gehouden.

Meestal zijn de sneeuwklokjes het eerste groen dat boven de aarde komt. Dat eerste groen roept een vaag euforische stemming op: het leven komt terug! Het is er nog! Toen mensen nog direct van de aarde afhankelijk waren, was de komst van de lente zo belangrijk voor hen dat ze er met allerlei magische rituelen een handje bij wilden helpen. Zo ontstonden al die lentegebruiken die tussen februari en juni een vaste plek hebben. Een ervan was het versieren van een groene tak met lentesymbolen.

Palmpasen

Bij de natuurreligies werd eind maart of begin april een lentefeest gevierd om de goddelijke machten te danken die de aarde na haar winterse doodsslaap opnieuw vruchtbaar hadden gemaakt. Het christelijke Pasen is een heel ander soort lentefeest. Het gaat daarbij niet om de groei van het frisse groene leven dat in de herfst weer sterven moet, maar om de definitieve overwinning op de dood die Christus voor de mensen behaalde. Dat paasverhaal van dood en opstanding was en is voor de meeste mensen nauwelijks na te voelen, en is voor kinderen totaal onbegrijpelijk. De komst van de lente is echter een natuurlijk gebeuren waar je vanzelf vrolijk van wordt. In de eerste eeuwen van het christendom verbood de kerk veel lentegebruiken. Maar het vieren van het oude lentefeest was niet tegen te houden. Daarom werd het verchristelijkt tot Palmpasen, dat het oude lentefeest verbond met een gebeurtenis uit het leven van Christus: de intocht in Jeruzalem. De lijdensweek die aan Pasen voorafgaat, begint op Palmzondag. De mensen juichen Christus hosannah toe, alsof hij een aardse koning is, ze zwaaien met groene palmtakken en spreiden kleden voor hem uit. Aan het begin van de lijdensweek kon de kerk de gelovigen voorhouden: kijk, dat is nu allemaal vergankelijke aardse glorie, net als jullie vreugde om de lente. En dan mochten de gelovigen die aardse glorie toch eventjes uitleven, bijvoorbeeld door een groene tak te versieren – een ritueel waarmee ooit om vruchtbaarheid voor de aarde werd gevraagd.

Symboliek van de palmpaasstok

Die eenvoudige groene tak uit de lentefeesten onderging wel een metamorfose. Het werd de palmpaasstok waarvan de grondvorm toch verwijst naar het kruis dat het onvergankelijke leven schenkt: de palmpaasstok bestaat uit twee takken, een grote en een kleinere, die in kruisvorm op elkaar worden vastgezet. De kinderen wikkelen om beide takken lichtgroen crêpepapier, en hangen aan de horizontale tak papieren linten in lichte lentekleuren. Vervolgens rijgen ze kettingen van rozijnen die er als slingers in worden gehangen. De rozijnen staan zowel voor het dorre zaad als voor de overvloed die eruit ontkiemt. Ook uitgeblazen eieren mogen niet ontbreken. Het ei is immers hét symbool van opstanding: uit die dode kalkstenen schaal komt een levend kuikentje! Ten slotte kroon je de palmpaasstok met een haantje van brood dat in een nest van groene buxustakjes zit. In het lijdensverhaal heeft de haan geen goede naam. Door zijn gekraai beseft Petrus dat hij Christus heeft verloochend. Maar als in het normale leven de haan kraait, gaat vlak daarna … de zon op. De haan kraait niet alleen in de lente, maar élke ochtend het licht tevoorschijn, en dus ook het leven en de vruchtbaarheid. Daarom staat hij in top en wordt hij toegezongen: Haantje op een stokje… bedelt om een brokje…

Geef ‘m gauw een stukje brood, anders gaat mijn haantje dood …

Op katholieke scholen maakten alleen de oudere kinderen een palmpaasstok en liep de palmpaasoptocht van school naar kerk. Je hield de ‘pallempaas’ nooit zelf, je mocht hem op Palmzondag naar iemand brengen die ziek, oud of eenzaam was. Ook die gewoonte wortelt in een oeroud levensgevoel: met je groene tak vraag je de aarde om haar gaven, maar wat de aarde schenkt, is voor iedereen. Je mag die gaven nooit voor jezelf houden. Als je dat wel doet, zouden de goddelijke machten zich weleens van je kunnen afkeren.

De opvatting dat het delen van de eigen overvloed met iedereen die het minder heeft door de goden of door God gewenst wordt, is universeel menselijk. Als de deugd die gastvrijheid heet, wordt ze geprezen in mythen uit de Oudheid en de Germaanse en Keltische tijd, evenals in verhalen uit jodendom, christendom en islam. Door de eeuwen heen hebben mensen het als de morele plicht van de samenleving gevoeld om te geven aan de zieke en misdeelde, en aan de vreemdeling die om bescherming vraagt. Dat vormt de grondslag van onze joods-christelijk-humanistische cultuur. 

.

Palmpasen-Pasen: Alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3176-2988

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningen (23-2)

.

FOLKLORE
.

Het grote huiselijke feest van de winter was in vroeger eeuwen Driekoningen, want Sint-Nikolaas werd toen nog bijna uitsluitend door kinderen gevierd. Zelfs op het barre Nova Zembla vierde Willem Barentsz met zijn mannen het Driekoningenfeest!
In het evangelie van Mattheus gaat het echter niet om drie ‘koningen’ maar om wijzen, die Herodes inlichtten omtrent het tijdstip van de geboorte van Jezus (de joodse schriftgeleerden wisten de plaats). Later zijn zij ‘koningen’ genoemd en van namen voorzien (Caspar, Melchior en Balthasar), vanwege psalm 72: ‘De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken brengen – en de koningen van Sheba en Saba zullen hem dienen’, hetgeen men van toepassing achtte op het Nieuwe Testament.
Ook Jesaja 60,6 is van belang: ‘Zij allen uit Sheba zullen komen; goud en wierook zullen zij brengen’.
Men brengt het Kindeke ‘gout als een coninc, wijroeck als den warachtigen Godt, mirre als die sijnre begravinghe toe be-hoerde’, aldus een gebedenboek uit de vijftiende eeuw. Worden deze symbolische geschenken in de Bijbel vermeld, niet schriftuurlijk zijn de os en de ezel, die eerbiedig toekijken en zelfs neerknielen, zoals zij voorkomen op schilderijen en in liederen:

Die os ende ooc dat eselkijn,
Die aenbeden dat suete kindekijn.

Uitgangspunt voor deze voorstelling is Jesaja 1, 3: ‘Een os kent zijn bezitter en een ezel de krib zijns heren’, welke tekst reeds in de eerste helft van de derde eeuw door Origines op de geboortekrib werd betrokken. Een foutieve vertaling van Habakuk 3, 2 (‘In het midden van twee dieren zult gij gekend worden’), die echter niet in de Vulgaat overgenomen werd, ondersteunde deze opvatting.

Evenals nu met Sinterklaas gaf men elkaar op Driekoningen geschenken. De bakkers zonden aan hun klanten, vrienden en bloedverwanten aan elkaar, een mooi rond ‘coninxbrood’; ieder kreeg van zijn peetje het ‘coninxgelt’; ook de armen en zelfs de gevangenen, werden ruim bedacht.

Alom vierde men op Dertienavond (vgl. het Engelse ‘Twelfth Night’ voor Driekoningenavond), d.i. op de avond van 5 januari, feest, koos men een koning door middel van het koningsbrood of de koningsbrief. De magistraat deed dit in een feestlokaal, waarbij de stad op wijn trakteerde, de kloosterlingen en schoolkinderen kregen een volle dag recreatie ‘om den coninck te kiesen’.
Dan grabbelde men naar een briefje van de konings- of trekbrief, een volksprent, verdeeld in een aantal, gewoonlijk zestien, kleine prentjes, die de koning, de koningin en de hofbeambten voorstelden, elk met een toepasselijk rijmpje als onderschrift:

Koningsbrief, tot in de 20e eeuw in Amsterdam gedrukt.

Zo kon men onder de afbeelding van de koning lezen:

Mits ik heden ben uw Koning,
Lieve vrienden in dees woning,
Het is mijn wil en mijn bevel,
Dat gij hier drinkt en sneukelt wel.       sneukelt (Vlaams) = snoept

Bij de medicijnmeester:

Mijne beste medecijnen
Tegen de ziekten en pijnen,
Medecijnen naar den dank,
Zijn gezonde kost en drank.

Bij de zot:

Ik ben de zot voor dese reijs;   (reijs = keer)
Al is ’t dat ik ben selden wijs,
Men vint’ er meer van al dit lot,
Al zijn sij niet in ’t sotte-cot.

Men knipte de zestien prentjes met hun rijmpjes uit en gebruikte er zoveel als er gasten waren. De uitgeknipte prentjes werden opgevouwen en gingen in een hoed, elk trok hierop het ambt, dat hij op Driekoningenavond zou hebben te vervullen. De vrouwelijke leden van het gezelschap deden in de Noordelijke Nederlanden niet, als in Vlaanderen, mee aan het trekken. Wél speelde de koningin mee en dikwijls een zottin, die door de zot werd gekozen. Na de trekking speldde ieder zijn prentje op de borst, op muts of hoed, opdat zijn rol aan ieder lid van het gezelschap kenbaar zou zijn.
Op de doeken van Jan Steen, die zoveel aardige bijzonderheden van het Driekoningenfeest heeft afgebeeld, kunnen wij ze nog onderscheiden. Ook werd de koning getrokken door middel van een koningsbrood of bonenkoek. Een gewichtig ogenblik brak aan, wanneer aan de gezellige dis van bloedverwanten en vrienden op Driekoningenavond de bonenkoek werd aangesneden en rondgedeeld: wie in zijn stuk de ‘coninckxbone’ of‘heilige bone’ trof, was koning van het feest.

Het mag zijn, dat ons ‘Hij is ook geen heilig boontje’ (waar Stoett en Ter Laan, in hun spreekwoordenboeken, andere verklaringen voor hebben) aan dit eens zo populaire volksfeest herinnert.

Aanstonds werd de gelukkige gehuldigd door hem met zetel en al in de hoogte te heffen en werd hij tot koning gekroond. Soms gebeurde dit met een eenvoudige puntige kroon van verguld bordpapier, gewoonlijk echter met een band van houtsneefiguren, al dan niet gekleurd in grillige kleurvlekken van wijnrood en diepblauw, hardgroen en okergeel; ook deze bedrukte rand werd op verguld bordpapier geplakt:

Konings- en Koninginnekroon. Museum voor Folklore,

Door uitgevers in de handel gebracht, werden ze langs de straten gevent:

Koningsbrieven en kroon, en kroon
Koningsbrieven en kroon.

Wij hebben een kostelijke afbeelding van zo’n straatventer uit de 17e eeuw, die een mand vol prenten aan de arm draagt en een stok met fladderende kronen in de hand houdt. Men zie Des Werelds Proefsteen van Antonius Burgundia (1673). Was de koning door de bonenkoek verkozen, dan mocht hij zichzelf een koningin kiezen.
Jan Steen heeft afgebeeld, hoe de koning de koningin uitverkiest door de boon aan te bieden. Waren de rollen verdeeld, dan gaf de koning de schenker het teken om de glazen te vullen en aan de hofmeester om de versnaperingen aan te bieden. Andermaal werd de koning daarna onder gezang in de hoogte geheven, en het spel kon beginnen.
De raadsman had steeds goede raad te geven, de kamerling kreeg de kamersleutel en moest de gasten binnenleiden, de kok de spijzen opdragen, de speelman muziek maken, de zot het gezelschap door zijn snakerijen vermaken. Bracht hij zijn glas aan de mond, dan moest het hele gezelschap uitroepen: ‘De koning drinkt!’, opstaan en zelf ook drinken; evenzo als de koningin dronk. Daarna riepen allen: ‘De koning en de koningin hebben gedronken’. Wie hierbij in gebreke bleef, kreeg van de zot een roetstreep in het gezicht. Bovendien moest de nalatige pand verbeuren, en de grootste pret begon als de panden werden ingelost. Zo vermaakten zich onze voorouders met dezelfde kunstjes als in later eeuwen de jeugd zou doen — ook in de Camera Obscura is het pandverbeuren nog een vermaak van volwassenen.

Al is het eten van de bonenkoek nog hier en daar volksgebruik (aldus koningt men nog wel in Limburg bijvoorbeeld), de grote glorie van het feest vindt men in de Gouden Eeuw, toen ook prins Willem III de rol van ‘koning’ ten deel viel (1668), ‘in het wecken’ (van de koningsbrief).

Hoe hoog toen de feestvreugde steeg, kunnen wij zien op de schilderijen van Jan Steen en nog meer bij Jordaens: hier is louter geschreeuw, geschater, eten en drinken, tot onmatigheid toe.
Terwijl de volwassenen van de tafelvreugde genoten, vermaakten de kinderen zich met springen over de drie kaarsjes, die in halve mangelwortels of aardappels gestoken, op de vloer stonden.

Kaarsies, kaarsies, drie aaneen,
Springen wij er over heen,
Al wie daar niet over kan,
Die en weet er nou niemendal van.

Buiten klonk het lied van de sterrenzangers over de donkers straten. Aan de deuren stonden zij stil om een gift te ontvangen, gehuld in een wit hemd, met verguldpapieren kronen op het hoofd. Deze drie elementen der Driekoningenviering zijn door Jan Steen op één doek vastgelegd. De sterrezangers staan er met hun grote verlichte ster aan de open voordeür Zo dadelijk zullen zij worden binnengelaten om hun deel te krijgen van de wafels en pannekoeken, waarom zij ook vragen:

Sterrenzangers. Uit: Jac. Buys, De twaalf maanden met voorstellingen uit het stadsleven, 1771-1773

Wij komen je Dertienavond bezoeken,
Heb je geen wafels of pannekoeken, ’
Een, twee, drie in ’t beuterpateel?  (pateel = platte schotel)
Mensen, geeft ons ons aandeel!

Dit feestgebak ontbreekt op geen Driekoningentafereel. Bij Jan Steen zien wij meermalen de dienstmaagd een tinnen schaal vol wafels op het hoofd binnendragen.

Huiselijke Driekoningenviering. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.

De eersten die in het openbaar de sterrenzangen zongen, waren waarschijnlijk de scholieren of koorknapen, die voor de geestelijke stand werden opgeleid. Het meest verspreide lied was:

Hier treden wij, Here, met onze sterre;
Wij zoeken Heer Jezus, wij hadden hem gerre.
Wij kloppen al aan Herodes zijn deur:
Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
Hij sprak er al met een vals hart:
Hoe ziet er de jongste van drieën zo zwart?
Al ziet hij zo zwart, hij is er bekend:
Hij is er de Koning van Oriënt.
Wij kwamen de hoge berg opgegaan,
Daar bleef er de sterre stille staan.
O sterre, gij moet er zo stille niet staan,
Gij moet er met ons naar Bethlehem gaan,
Naar Bethlehem, in die schone stad,
Waar Maria met haar kindeke zat.
Hoe kleinder kind en hoe groter God,
Daar al de joden mee hebben gespot.
Wij offeren mirre, wierook en goud
En loven het kindeke menigvoud.

Ter beloning kregen de koorknapen aan de huizen een geldstukje, waarvan zij een vrolijke Driekoningenavond vierden. Doch reeds in de 17e eeuw werden zij meer en meer verdrongen door ‘het gemene volk’, dat met sterrenzingen geld zocht op te halen om dat in de herbergen te verteren. Mogelijk was het witte hemd, dat zij daarbij over hun kleren aantrokken, een nabootsing van het koorkleed van de scholieren. In elk geval zal hun vermomming het bedrijven van baldadigheid in de hand hebben gewerkt. Deze sterrenzangers hadden weinig eerbied voor het lied, vrijmoedig sprongen zij met de tekst om en maakten er zonderlinge refreinen bij, zoals in het Amsterdamse liederenboekje De Marsdrager of de nieuwe toverlantaarn (1754):

Wij komen getreden met onze starre,
Lauwerier de Cransio,
Wij zoeken heer Jezus, wij hadden hem gaarne.
Lauwerier de knier
Wij zijn Karel konings kinderen,
Pater bonne Franselijn.
Jeremie

Of zij zongen ronduit:

Wij zijn driekoningen, wij zoeken geen kind,
Maar een teugsken Lovens, dat ons beter dient,
Kaves of Lovens bier,
En daarom komen wij hier.

Een dergelijk lied werd te Antwerpen gezongen.

Driekoningen, volgens Cornelis Troost (1697-1750). Naar J. ter Gouw, De Volksvermaken (1871).

Deze rumoerige feestuitingen zijn weinig in overeenstemming met de eerbied verschuldigd aan de Heilige Koningen uit het Oosten. Deze hadden er ook feitelijk niet mee te maken: men had hen slechts tot beschermheren gemaakt van de luidruchtige pret.

Wij zagen reeds dat Driekoningen een Nieuwjaarsdag is, evenals 1 januari, die we als Nieuwjaarsdag van de Romeinen overnamen. De heerschappij van de Romeinen heeft in deze streken geduurd tot het einde van de 4e eeuw: onze voorouders waren dus ruimschoots in de gelegenheid de Romeinse Nieuwjaarsgebruiken te leren kennen. Deze Romeinse Nieuwjaarsdag van 1 januari kan weer gebruiken in zich hebben opgenomen van het grote Romeinse winterfeest der Saturnaliën, dat in de tweede helft van december werd gevierd en was gewijd aan Saturnus, de god van de akkerbouw. Dan werd een overvloedige maaltijd gehouden, waaraan de slaven aanzaten met hun heren en zelfs door dezen werden bediend. Door middel van een bonenkoek koos men de ‘rex bibendi’, de drink-koning of ceremoniemeester. Tijdens de Saturnaliën deelde men algemeen geschenken uit, vooral kaarsen, lichtbronnen bij het lichtfeest. In het Romeinse leger werd van deze viering veel werk gemaakt, terwijl Oosterse soldaten in Romeinse dienst, die gewoon waren om een Oudbabylonisch feest met narrenkoning te vieren, waarschijnlijk nog elementen van vermomming daarin brachten. Meermalen gaan gebruiken van de ene feestdag op de andere over; aldus zijn waarschijnlijk ook de Romeinse feestvormen van bonenkoning en kaarsverlichting verbonden geworden aan de Germaanse Driekoningenviering. Doch uitsluitend de vormen, de inhoud had zich gewijzigd: het godsdienstig ritueel werd tot vermaak, de vroegere drinkkoning tot narrenkoning, omringd door een troep komedianten. Aanvankelijk zullen volwassenen hebben gesprongen over de kaarsen, die de Germaanse wintervuren vervingen, waardoor men sprong om voorspoed te verkrijgen; later werd dit een kinderspel.

Zoals reeds de Romeinse kerkvaders hadden geijverd tegen de woeste feestviering der Saturnaliën, zo deden het de calvinistische predikanten in de 17e en 18e eeuw tegen de Driekoningenviering. Door hun drijven trad ook de Overheid streng op: het regende plakkaten tegen de sterrezanger, de koningsprenten, het branden van kaarsen, zelfs tegen de huiselijke viering.

In Brabant, waar de sterrenzangers zeer populair waren, dreigde de magistraat van ’s-Hertogenbosch hen in 1745 met een boete van drie gulden. Zelfs zouden sterrendragers van buiten de stad acht dagen op water en brood worden gezet.  Toch trokken de koningen met de ster op het einde van de 18e eeuw te Amsterdam nog rond.

Bijzonder had men het voorzien op de kaarsjes. Waarschijnlijk omdat de kaarsenmakers ze vóór de Hervorming meenamen naar de kerk en ze na de Hoogmis lieten wijden. De overheid betitelde ze als ‘superstitieuse koninckxkaarsjes’. Ze waren 25 tot 30 cm lang, de kruidenier placht ze te zamen met een koningsbrief aan zijn klanten te vereren. Deze kaarsen werden niet alleen voor het kaarsje-springen in katholieke gezinnen aangewend. In het Vlaamse deel van Noord-Frankrijk, waar geen Vlaming met Driekoningen op Franse bodem bleef, maar ieder naar het eigen huis terugkeerde om dit feest in de familiekring te vieren, begon de viering met het aansteken van de kaars. In sommige streken stond deze midden op de tafel, in andere op de schouw; elders gebruikte men bij het feest uitsluitend kaarsverlichting.

In de Noordelijke Nederlanden was de drie-armige koningskaars gebruikelijk, door Jan Steen meermalen op zijn doeken afgebeeld. Soms was de middelste kaars zwart en heette dan het Moorke of ‘Melchert’ (Melchior). Toen de onderschout van Amsterdam aan de kaarsenmakers de levering van deze kaarsen verbood, antwoordden zij dat hun klanten de kaarsjes, als zij ze niet goedschiks kregen, ‘op violente wyse afeyschden’. Het gevolg was, dat Amsterdam op 14 december 1714 een keur uitvaardigde, waarbij niet alleen het maken en verkopen, maar ook ‘het afeischen, afpersen of nemen van de kaarsjes werd verboden op een boete van honderd gulden, ‘te verbeuren zoo bij den gever als den afeischer’. Al deze verbodsbepalingen vervielen door de Franse revolutie; daarna zijn de bestreden gebruiken weer opgeleefd. Op het eind van de 18e eeuw speelden deze kaarsjes nog een rol bij de huiselijke viering van Driekoningenavond.

In Noord-Holland gebeurde het tot voor kort nog wel, dat mannen in hun gewone plunje met een ster of een gekleurde draaibare driehoek uit zingen gingen. De fraai beplakte ster van een van hen bevindt zich nu in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en twee van zijn drie kerstliederen vindt men o.a. in Simsalabim (1969), een liederenboek van Tjaard W. R. de Haan en Marie-Cécile Moerdijk. Ook in de buurt van Leiden, de gemeenten Alkemade en Noordwijkerhout is het sterrezingen nog niet vergeten.

In Noord-Brabant bepaalde het zich tot schamele resten in de kinderfolklore, met dreunzangetjes in de trant van:

Driekoningen, Driekoningen,
Koop mij een nieuwe hoed.
Mijn ouden is versleten,
Mijn moeder mag ’t niet weten,
Mijn vader heeft het geld
Op de rooster geteld.
(of: Op de spaarbank gezet).

Maar toen kwam er een herleving die massaal uitdijde. In de eerste uitgave van dit boek (1947) kon de schrijfster daar niet enthousiast over zijn. Zij heeft het over ‘een kunstmatige poging tot herstel, voor eenige jaren door de stad ’s-Hertogenbosch aangewend, toen honderden koninkjes, aangelokt door prijzen, zich door de straten bewogen’. S. J. van der Molen, in zijn Levend volksleven. Een eigentijdse volkskunde van Nederland (1961) vertelt dat o.a. Vincent Cleerdin, de stoot gaf tot herleving en hervorming van het Driekoningenlopen, dat ‘meer en meer tot vodderige schooipartijen van bedenkelijk allooi’ was afgezakt. En zo trokken, voor het eerst in 1924, meer dan 1500 koninkjes, blank en zwart, met lampion en draaiende ster, de liedjes zingend, ordelijk door de stad. Tilburg is Den Bosch hierin gevolgd, en het koninkjes-lopen is daar zo ingeburgerd, dat een lied over Tilburg (1971) er niet buiten kan:

Driekoningen volgens een Noordbrabantse kinderprent

De koninkjes lopen stoep op en stoep af;
Zij zoeken het kind dat de hemel ons gaf.
Zij kwamen van ’t Oosten, zij kwamen van ver,
Met kronen van goud en een draaiende ster.

Van de steden uit verovert dit vernieuwde gebruik meer en meer het platteland (als men dit in een tijd van ‘verstedelijking’ nog zo noemen kan). En het is niet, zoals in de nadagen van het gebruik, een aangelegenheid van bedelende armeluiskinderen: ook het nakroost der gegoeden doet er volop aan mee. Aldus komen ‘survivals’ (overleefsels) tot een nieuw uitbundig leven – hetgeen onderzoek verdient en veelal positieve waardering, ouderlijke en schoolse bemoeienis, massavorming en concurrentiezucht (de mooie prijzen!) ten spijt. Ook de kerstboom, de carnavalsviering en de intocht van Sinterklaas zijn, nog maar kort geleden, evenals deze vorm van ‘koninkjes-lopen’, van de stad naar het land gegaan.

Het beste dat ons van de oude Driekoningenviering is overgebleven, zijn de prenten met hout- en kopergravures. Tot in het begin van deze eeuw werden ze te Amsterdam langs de straten verkocht met de roep ‘Koningsbrieven en kroon’, en werd het koningsspel nog in de volksbuurten binnen de stad en over het IJ gespeeld. Weinige van deze prenten zijn bewaard gebleven; na het feest frommelde men ze ineen en wierp ze weg. Wat wij nog over hebben, is afkomstig van oude drukkerijen en dit bezit is in ons land veel geringer dan in de zuidelijke Nederlanden en toch ook daar betrekkelijk niet groot, als men bedenkt dat in een stad als Rijsel jaarlijks 50 000 koningsbrieven werden gedrukt. Te Gent berust de afgebeelde koningskroon, een fraaie houtsnede uit de 17e eeuw. De onderste strook was voor de koning, de bovenste, met kleiner medaillons van Maria met het Kind, de Drie Koningen en Jozef, diende voor de koningin. Beide kronen zijn gescheiden door een voorstelling van de koningen, die komen aanrijden op een paard, olifant en dromedaris, terwijl Maria rijdt op een ezel, Jozef op een os, de beide dieren die bij de Heilige Geboorte in de stal aanwezig waren.

De oudstbekende koningsbrief werd in 1577 te Brugge gedrukt. Oudere zijn ook nauwelijks te verwachten: de ‘trekbrief’ kon niet populair worden, voordat de leeskunst wat meer algemeen werd beoefend. Deze Brugse prent is niet volledig: de tekst ontbreekt en de prentjes zijn maar negen in getal. Maar hoe kostelijk is ieder hofbeambte daarop afgebeeld, hoeveel uitdrukking vertonen die gezichten ter grootte van een centimeter.

Ook het Rijksprentenkabinet te Amsterdam bezit een Antwerps exemplaar van een koningsbrief, getekend ‘Jan Jeghers fecit’. Hierop zijn zestien hofbeambten, allen te paard, voorgesteld en bovendien zestien vrouwen, staande of zittende; ongelukkig ontbreekt ook hier de tekst en bovendien het jaartal. Jan Jeghers leefde van 1618 tot 1666.

.
Een deel van de tekst is te vinden in Driekoningen (23-1)

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen – jaartafel

.

3133-2946

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (40)

.

Op deze blog vind je onder ‘Jaarfeesten – Kerstmis’ ook artikelen over de historie van dit feest. In wezen resultaten van onderzoek. De uitkomsten verschillen soms. 

In ‘Van Sinterklaas tot Sint-Maarten geeft  de schrijfster* ook een soort samenvatting:

Kerstfeest, vroeger en nu
.

Het kerstfeest werd het eerst gevierd in de Oosterse (Griekse) kerken, zonder dat er een vaste datum voor gold. In de tijd van keizer Julius de Eerste liet de bisschop van Jeruzalem een onderzoek instellen naar de juiste geboortedatum. Oosterse en Westerse theologen gingen aan het werk en de uitslag luidde: 25 december. Van toen af aan hield men het op die datum en het feest duurde vier dagen. Later vierde men het alleen op de 25ste en werd de 26ste gewijd aan St.- Stefanus, de eerste christelijke martelaar. Zo werd in de Westerse kerken vanaf de vierde eeuw het kerstfeest op de 25ste december gevierd, de dag waarop ook het heidense Julfeest begon. Het Julfeest is een oud Germaans feest. ‘Jul’ betekent ‘wiel’ en daarmee wordt de zon bedoeld, als een vurig rad. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten. Geen spinnewiel mocht snorren, geen wapen worden opgeheven, het vee was veilig in de stal en de wintervoorraad geborgen. Het Jul-offer werd geslacht en het Jul-vuur ontstoken.

De kerstboom

Maarten Luther schijnt een der eersten geweest te zijn, die voor zijn kinderen een kerstboom plantte. Men vertelt: hij wandelde eens door een uitgestrekt, eenzaam woud, op de avond vóór Kerstmis. Aan de hemel twinkelden ontelbare sterren. Peinzend keek hij om zich heen en raakte diep onder de indruk van de statige dennen en sparren, wier kruinen, zo het leek, reikten tot in de hemel. Een hemel vol licht van de glanzende sterren. Hij kon de verleiding niet weerstaan iets mee te nemen naar huis. Een klein dennetje hakte hij om en, thuisgekomen, versierde hij het voor zijn kinderen en legde er kleine geschenken onder. En hij vertelde hun een prachtig verhaal over ‘het licht der wereld’ . . .

Omstreeks het jaar 1850 verscheen de kerstboom in Nederland. Eerst in de kerken en zondagsscholen, later ook in het gezin. De dichter Goethe kende hem al eerder. In een levensbeschrijving vinden we dat hij ‘op Kerstmis 1765 blij verrast zijn eerste kerstboom zag binnendragen’.

In een oude legende

wordt verteld hoe de Germaan Winfried, een der eerste predikers van het evangelie, in het jaar 725 onder de Saksers zijn werk deed. Maar het had niet veel zin. Men blééf geloven in de Dondergod. En trouw hield men de bijeenkomsten onder de ‘heilige eik’ die aan Donar gewijd was.
Winfried gaf het echter niet op. Dagelijks bad hij tot God of deze zijn werk wilde zegenen.
In een koude winternacht dwaalde hij door het woud en onverwacht stond hij voor de heilige, grote eik! Vlakbij hoorde hij een hevig tumult en hij zag hoe een aantal woestuitziende mannen bezig waren met iets op de grond . . . Zijn aandacht werd getrokken door een klein kind, dat, zo begreep hij, geofferd zou worden aan God Donar! In eerlijke verontwaardiging sprong hij naar voren, nam het kind in zijn armen en bracht het in veiligheid. Toen greep hij een bijl. Ontzet weken de mannen achteruit. Als deze brutale priester waarachtig hun heilige eik wilde vellen, zou Donar zijn boom wel onmiddellijk door de bliksem laten treffen. Maar vreemd – er gebeurde niets. Urenlang keken de mannen bevreesd toe. Eindelijk, eindelijk stortte de enorme boom ter aarde. En toen begrepen de mannen dat daar een mens stond die geen angst voelde voor hun oppergod en die niét gestraft werd daarvoor. En zij hadden plotseling eerbied voor de eenzame prediker.

Nu stond er vlak achter de gevelde boom een kleine, jonge spar. En onverwachts bereikte een manestraal het boompje en zette alle fijne naalden in een geheimzinnige zilverwitte glans!

De mannen zagen het en deinsden onwillekeurig terug. Dit was een wonder, een vreemd teken, dachten zij. Maar Winfried liep erheen en, naast het sparretje staande, zei hij: ‘Van nu af aan zal de spar Uw heilige boom zijn. Hij is de boom van de vrede, want van zijn hout worden Uw woningen gemaakt. En hij is het teken van de onsterfelijkheid, want hij blijft altijd groen. En hij is de boom van het Christuskind, want zijn takken wijzen naar de hemel!

Mistletoe

Vogellijm of maretak is de Nederlandse naam. Een woekerplant die niet op de grond groeit, maar met zijn wortels diep in de schors van een boom dringt. En zich dus voedt met de sappen van die boom.

Maretak – maren = boze geesten! Die zetten zich ’s nachts op de borst van een mens, belemmeren zijn ademhaling en bezorgen hem een boze droom. Wie zou hieraan denken als hij met Kerstmis de mooie, witte mistletoe-bloemetjes koopt? En hoe komen deze verhalen eigenlijk in de wereld? Om dit te weten moeten wij weer terug naar de oude Germanen en hun goden.
Baldur was de brenger van het licht en de grote strijder tegen de duisternis. Maar er was voorspeld dat hij ten val gebracht zou worden!

In allerijl liet zijn moeder, de godin Frigga, al wat bestond (dieren, planten, stenen, water, vuur, licht) een eed doen dat haar zoon geen kwaad zou overkomen. Maar … zij vergat de mistletoe, die zijn wortels immers niet in de aarde heeft. En daarbij diep in het verborgene leeft.

De boze god Loki maakte daarvan een slim gebruik. Baldur had nl. een blinde broeder en aan hem beval Loki, met een pijl gemaakt van het hout van de mistletoe, te schieten op zijn broer.
Dodelijk gewond stortte Baldur ter aarde. En de voorspelling was waarheid geworden! Het kwaad (de duisternis) had het licht overwonnen. Maar, dachten de Germanen, de mistletoe wordt toch gevonden op heilige plaatsen en gewijde bomen! Natuurlijk hebben de goden deze plantjes naar de aarde gebracht tot heil van de mens. En zo gebruikten zij de mistletoe als geneesmiddel tegen allerlei kwalen. En . . . als gelukbrenger.

Als bij de Kelten, in de oudheid, de priester in december de zegenbrengende mistletoe van de eiken sneed, was hij in het wit gekleed en gebruikte hij een gouden sikkel!

Nog steeds wordt de Maretak als een heilbrengende plant beschouwd.

Het kerstfeest

werd, in de middeleeuwen en ook nog daarna, door allen gevierd in de kerk. Zelfs de (vorige) Utrechtse Domkerk was hiervoor nauwelijks groot genoeg. Poorters, edelen, dorpers, allen verzamelden zich in de enorme ruimte en brachten de kerstnacht door met zang en muziek. Een hoogtepunt was: als priesters en koorknapen het kerstgebeuren vertelden, in beurtzang! Maar zij zongen Latijn en natuurlijk begrepen de meeste mensen daar bitter weinig van. Daarom werd het aanschouwelijk voorgesteld. Op het koor werd een kribbe geplaatst met een beeld van het Christuskind. Er kwamen herders en koningen bij en steeds werd de voorstelling uitgebreid. Op het laatst zongen zij zelfs de liederen in hun eigen taal! Zo ontwikkelde zich langzaam maar zeker uit die eenvoudige handeling in de kerk het toneelspel.

In de oudste spelen vinden we vooral de grote tegenstelling: de hevige vreugde van Maria over de geboorte van het Christuskind en het verdriet (geween) van de moeders na het vreselijke bevel van koning Herodes.

Het hoogtepunt was meestal: de gelukkige Maria tegenover de schreiende Rachel.

Het toneel was vaak verdeeld in drie verdiepingen: de hel – de aarde – de hemel.

Eerst werd op aarde de zondeval gespeeld – en alle ellende die daaruit volgde. Dan, in de hel, werden de profeten en aartsvaders gepijnigd door duivels! Brandend pek en gloeiende tangen waren hierbij heel gewoon. Ten slotte volgde ‘het pleidooi in de hemel’. Dit was soms een heel plastische voorstelling. Midden in de ellende van de tweede verdieping boort onverwachts een schone jonkvrouw (‘Gebed des mensen’ geheten) een gat in de vloer van de bovenste verdieping. Zij stijgt naar boven om God te verzoeken allen tot zich te nemen. Een heel mooie scène! Wij zien dan God, met vóór zich vier jonkvrouwen (Goedertierenheid, Gerechtigheid, Waarheid en onze ‘Gebed des mensen’). En ziet, op de tweede verdieping verschijnt de engel Gabriël aan Maria en nu volgen allerlei taferelen uit het kerstevangelie.

Maar de meeste kleine kerstspelen handelden alleen op aarde. En dan waren de voor ons zo bekende figuren te zien: Jozef, Maria, de herders en de koningen … En natuurlijk het Kind in de kribbe.

Over het onstaan van lekespelen ook in Rudolf Steiner ‘Toespraken bij de kerstspelen uit Oberufer 

*Van Sinterklaas tot Sint-Maarten – Marijke van Raephorst

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen       Over de kerstboom

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel

.

3124-2937

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaargetijden – November – Allerzielen (1-2)

Tineke Croese, Antroposofisch Magazine sept. 2018 nr 11

.

Ver weg en toch vlakbij
.

Allerzielen brengt de levenden en doden bij elkaar
.
Het is maar een klein en stil gebaar: een kaarsje opsteken voor een dierbare overledene. Veel mensen doen het, af en toe of regelmatig. Steeds meer mensen merken immers dat de wereld van de gestorvenen heel concreet is, en soms verrassend dichtbij. Uit oude tradities rond het gedenken van de doden blijkt dat in het verleden mensen dit ook zo beleefden.

De maand november staat van oudsher in het teken van de dood.
Allerzielen op 1 november is traditioneel de dag waarop de kerk de gestorvenen gedenkt.
Op 2 november, Allerheiligen, wordt de hulp van de heiligen gevraagd.
Op 3 november, Hubertusdag, begint het jachtseizoen. Bovendien was november ooit de maand waarin het varken werd geslacht om in de wintervoorraad ham, worst en spek te voorzien.
Ook in de natuur heerst de dood. November toont met mist en regen, met korte, lichtloze dagen de grauwe, troosteloze kant van het sterven: de dood als het einde van alle leven.

Wederzijdse betrokkenheid

Toch hebben mensen nooit echt geloofd dat het leven eindigt bij de dood. Zelfs de meest primitieve stammen vereerden hun voorouders. Ook zij wisten dat hun doden in een andere wereld met hen verbonden bleven. Allerzielen en Allerheiligen zijn de verchristelijkte versies van Keltische voorouderfeesten. Vóór het begin van de jaartelling geloofden de mensen dat de ziel na de dood in een onderaards rijk van mist en nevel kwam. Dat dodenrijk leek in de kille, mistige novemberdagen omhoog te komen naar de wereld van de levenden. Volgens de Kelten kwamen de zielen van hun voorouders weer even op aarde om vruchtbaarheid te schenken aan het vee en de akkers van hun nakomelingen. Zij zetten op hun beurt voedsel neer waarmee de zielen van de voorouders zich konden versterken. Zo bekommerden de levenden zich om het welzijn van de doden in de onderwereld, en schonken de doden de levenden wat ze voor hun bestaan op aarde nodig hadden.

Diezelfde wederzijdse betrokkenheid is er ook bij Allerzielen en Allerheiligen. Op Allerzielen wordt gebeden voor de zielen van de gestorvenen. Onze aandacht steunt hen bij de loutering – het vroege christendom sprak van ‘vagevuur’ – die elke ziel in het leven na de dood doormaakt. De ziel legt daarbij alles af wat haar aan de aarde bindt. Eenmaal gelouterd betreden de zielen de hemel en worden ze net als de heiligen in figuurlijke zin de ‘voorouders’ aan wie wij op aarde een voorbeeld kunnen nemen en wier hulp we kunnen inroepen, als het op aarde even te moeilijk voor ons wordt.

De ene wereld van levenden en doden

De levenden kunnen dus ‘in gesprek’ zijn met de overledenen. De dood is geen grens tussen twee werelden, maar een overgang van de ene fase naar de andere. Je kunt de zielen van de levenden vergelijken met waterdruppels die samen plasjes, rivieren, meren en zeeën vormen. Voortdurend verdampen er druppels. Ze verliezen hun stoffelijke vorm en stijgen onzichtbaar op in de lucht, maar ze blijven deel uitmaken van de waterkringloop. Zo blijven ook de zielen van de doden, ook al zijn ze onzichtbaar, deel uitmaken van de hele mensheid en er komt een moment dat ze terugkeren, zoals de waterdruppels terugkeren als regen of sneeuw. De kringloop van het water vormt één geheel, net als de levenden in de zichtbare wereld één geheel vormen met de gestorvenen in de onzichtbare wereld. Dat wisten mensen in het verleden en wij lijken ons daar nu ook langzaam van bewust te worden.

De levende vlam

Nog niet zo lang geleden werd Allerzielen alleen door katholieken gevierd met een kerkelijke plechtigheid en een bezoek aan de begraafplaats. In
Zuid-Amerika doen ze het uitbundiger: daar eten mensen op de graven de lievelingsgerechten van hun doden en laten ze vliegers voor hen op.
Bij ons krijgt Allerzielen steeds vaker aandacht van mensen zonder kerkelijke richting, op zoek naar rituelen. Ze voelen concreet dat ze over de grenzen van de dood met hun geliefden verbonden blijven, en willen daar graag met een ritueel vorm aan geven.

Hoe kunnen de gestorvenen ons bereiken? We weten intuïtief hoe en ik denk niet dat dat in de loop van de eeuwen wezenlijk is veranderd: door stilte en aandacht, bewustzijn voor de overledene en zijn vragen. Het opsteken van een kaars is een ritueel om die aandacht, dat bewustzijn te versterken. Het meest onstoffelijke op aarde, de levende vlam, maakt ons van binnen stil. Misschien zien we in die vlam de lichtvonk die elke mensenziel is, of ze nu op aarde leeft of bij de sterren is. In onze voorstelling leven de zielen van de doden ver weg, in de wereld van de sterren, maar in onze beleving zijn ze soms vlakbij

Ver weg en toch vlakbij – de levende, bijna onstoffelijke vlam die stilte en aandacht brengt, brengt ook levenden en doden bij elkaar. 

.
Jaargetijden en seizoenen: November

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3098-2912

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaëlsverhaal (10-17)

.
Naar een oude legende

Michaël en de graalskelk
.

Toen God de Heer de wereld schiep, vormde hij uit de vurige ethersubstantie van de kosmos de zuivere geesten, zijn helpers en boodschappers: de engelen.
Te midden van deze namen zeven eerstgeschapenen een bijzondere plaats in, want zij belichaamden de oerbeelden en oerkrachten van de gehele schepping. Deze zeven mochten te allen tijde het onverhulde aangezicht van hun schepper aanschouwen, want zij stonden van de aanvang af in het licht van zijn heerlijkheid.
Tot leider nu van deze zeven was Samaël benoemd, die ook Satanaël of Lucifer — dat is ‘lichtdrager’ — wordt genoemd. Hem had de Heer als zijn speciale geliefde engel uitverkoren. Op de dag dat hij geschapen werd straalde zijn lichtgestalte in de schijn van veelkleurige juwelen. Een schitterende kroon looide zijn hoofd. In deze kroon was op de plaats boven het voorhoofd de kostbaarste edelsteen ingelegd, die leek op een uit licht gevormde smaragd. En alles wat door de lichtstralen uil deze steen werd getroffen glansde helder in een goddelijk licht.

Voor de zeven eerstgeschapenen, voor hun leider Samaël < u voor alle andere engelen ontvouwde de Heer nu het grote plan van de aardse schepping en hij verkondigde de geesten van zijn rijk, dat de mens een bijzondere plaats te midden van alle schepselen zou krijgen. De mens zou naar het beeld en de gelijkenis van de schepper gevormd worden, en de engelen moesten hem dienen.

Doch dit goddelijke plan deed de machtigste aller engelen, de lichtbrenger Lucifer, in toorn ontsteken. Hij, de stralende, meende dat God hem hiermee ten voordele van de mensen groot onrecht had aangedaan.

Vanaf dat moment begon Satanaël aan de wijsheid van God te twijfelen en er ontbrandde haat in hem tegen het gehele mensengeslacht. Vervuld van afgunst besloot hij, de Heer niet meer te gehoorzamen, en in zijn trots begon hij ook de andere engelscharen tot ongehoorzaamheid tegen de Heer op te zetten. En een derde deel der engelen volgde hem.

De Heer echter wist wel van de gedachten en listen van de engel die eens zijn meest geliefde was geweest en hij besloot, de trotse met zijn hele aanhang uit de hemel te verjagen. En uit de scharen van de engelen die hem trouw gebleven waren riep hij Michaël en beval hem, met de kracht van het goddelijk vuur, met het vlammenzwaard, Satanaël — die voortaan alleen nog Satan zou heten — te verblinden en hem tezamen met de opstandige schare uit de hemel te jagen. En zo geschiedde.

En terwijl Satan met zijn scharen hals over kop de duisternis tegemoet tuimelde, sloeg Michaël hem met het vlammenzwaard de stralende steen, de onvolprezen smaragden juweel uit zijn kroon.

Uit deze steen vormde Michaël, die na Gods richtspreuk over Satan en zijn schare tot opperste engel was benoemd, een wonderlijke, kelkachtige schaal. Dit prachtige voorwerp werd tot heilige schaal, die ertoe was voorbestemd de zonne-hostie in zich op te nemen. Toen de schaal klaar was bracht Michaël haar naar de aarde die inmiddels voltooid was; aldaar werd zij vanaf oertijden in speciale heiligdommen bewaard. Van heiligdom tot heiligdom werd zij in de loop der tijd door de ingewijden verder gereikt en ten slotte kwam zij naar Tyrus, de stad van de bouwmeester Hiram. En vandaar leidde haar weg naar het koninkrijk van Saba, waar de koningin van de sterrenwijsheid heerste. Ook daar werd de schaal een bepaalde tijd behoed. Met de koningin van Saba reisde zij vervolgens mee naar Jeruzalem, en zo kwam zij in het paleis en de tempel van de wijze Salomo.

Juist op die plaats werd in de tijd die volgde de komst van de Mensenzoon voorbereid. Het ‘keerpunt der tijden’ dat oude geschriften hadden voorzegd, naderde. De Zoon Gods werd met hulp van de kracht van de aartsengel Michaël, via het lichaam van de jonkvrouw Maria op aarde geboren.

Jezus werd door de doop tot Christus, zijn woord en zijn kracht verbreidden zich door hem en zijn discipelen onder de mensen. En toen de tijd gekomen was dat Christus en zijn volgelingen aan het laatste avondmaal zaten, toen bevond zich ook de schaal, die Michaël van de steen uit Lucifers kroon had gevormd, onder hen. En daar ging de bestemming van de heilige kelk in vervulling, want de kracht die Christus in zijn leerlingen liet indalen, vulde ook de schaal en was voortaan voelbaar voor ieder die haar op de juiste wijze naderde.

Uit het huis van het avondmaal kwam de kelk vervolgens bij Pilatus, die hem bewaarde. En toen na het Mysterie van Golgotha Jozef van Arimathea, die ook een geheime leerling van Jezus was, naar Pilatus ging en hem toestemming vroeg, Jezus’ lichaam van het kruis te mogen nemen, toen gaf Pilatus hem de kostbare kelk, waardoor zijn bestemming vervuld werd.

Jozef van Arimathea behoedde de kelk trouw, en toen hij van het Oosten naar het Westen reisde kwam de schaal als Graalskelk naar de Berg des Heils, Montsalvats. Daar werd de schaal als het kostbaarste, kracht schenkende testament van de Zoon Gods behoed.

De lichtbrengende heerlijkheid van Lucifer werd zo door Michaëls zwaard en kracht tot heilige schaal, die Christus met zijn offerkracht vulde. De sporen van deze graalsstroom echter doortrekken als een onderaardse ader onze geschiedenis tot op de huidige dag.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

3087-2901

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (37)

.

Daan Rot, Antroposofisch Magazine, juni 2019 nr. 14


.

Onbezorgd midzomer vieren
.

Stoere bloemenkransen en smakelijke Sint-Janstosti’s
.

De zon staat op haar hoogst, de dag is op zijn langst, de natuur barst uit zijn voegen.
Op 24 juni is het Sint-Jan, de feestelijke dag voor zwierige zomerjurken, korte broeken en bloemen in ons haar. Een moment van heerlijk onbezorgd vieren, met muziek, vuur en tosti’s in de tuin.

We struinen de bermen af naar mooie veldbloemen, vinden hier en daar een korenaar, knippen klimop, een paar grote vijgenbladeren en varens uit onze tuin. In de bloemenwinkel kiezen we elk twee of drie bloemen die we het allermooist vinden. [Naam van het kind] heeft graag een wilde, stoere bloemenkrans en kiest een allium. [Naam van het kind] kiest een mooie roos in twee kleuren. We vlechten kransen van de klimop en zetten de bloemen stevig vast met bloemendraad. leder jaar maak ik van elk kind een portret; een perfect moment om hun groei door de jaren heen te zien. Met af en toe een grom van ‘Moet dan nou’ van [naam van het kind]. Maar later zal hij me dankbaar zijn, zullen we maar denken. Als de kransen al het spelen en dansen hebben overleefd, hang ik ze op om ze te drogen.

Zomervakantiekriebels

Op de onderbouw van de vrijeschool wordt Sint-Jan gevierd met buitenspelletjes, samen picknicken, zingen rond het vuur en als hoogtepunt de vuursprong. Met een wens in het hoofd en een dapper kloppend hart over de vlammetjes. Trotse snoeten gegarandeerd.

Omdat we inmiddels twee kinderen op de middelbare school hebben, vieren we ook samen Sint-Jan. Met vader Jan* kunnen we ook niet anders, deze naamdag moet gevierd worden. We maken met zomervakantiekriebels in onze buik plannen bij het vuur voor die heerlijk vrije zomerweken die voor ons liggen. We kijken terug op het schooljaar en vooruit naar het nieuwe schooljaar. Het examenjaar voor [naam van het kind], dus extra spannend en nu al fijn mijmeren over de opwindende plannen voor de toekomst.

Mooi smeulend vuurtje

In de tuin hebben we een vuurplaats geïmproviseerd met tegels en een oude ketel. [Naam van het kind] is onze vuurmeester. Hij heeft alles goed voorbereid. Aanmaakhoutjes verzameld en een pan water klaargezet. Als de hoogste vlammen wat zijn gezakt, doen we er briketten op zodat we een mooi smeulend vuurtje hebben. We smeren een stapel boterhammen en met het tosti-ijzer voor open vuur bakken we de ene na de andere tosti. Iedere keer verzinnen we nieuwe versies. De nieuwste is een banaan-met-chocolade-tosti. Het lijkt wel een taartje, volgens [naam van het kind]. Jan schuift ook aan met een gitaar op schoot en zo trakteren we de buurt nog op wat kampvuurliedjes.

Ook eens proberen? Hieronder vind je een paar van onze tostifavorieten ter inspiratie. Een tosti-ijzer voor open vuur vind je met een beetje geluk in de kringloopwinkel of nieuw vanaf ongeveer 11 euro. Tip: ook een wafelijzer en een popcornpan zijn leuk om te gebruiken rond het Sint-Jansvuur.

Voor alle tosti’s gebruik ik stevig, zelf gesneden brood. Dus lekker dikke boterhammen. Wit, bruin, spelt, net wat je lekker vindt. Gebruik het tosti-ijzer op een bedje van gloeiende kolen en houd het ijzer 5 cm boven de briketten. Verwarm het tosti-ijzer 5 à 10 minuten voor en besmeer de binnenkant met een beetje roomboter. Doe de boterhammen erin en bak de tosti’s gedurende 3 minuten aan elke kant of tot de boterhammen goudbruin zijn.

Pizzatosti

• vegetarisch gehakt
• tomatensaus
• kaas
• basilicum

Roer de tomatensaus door het vegetarisch gehakt. De saus mag best dik zijn, dus in verhouding veel gehakt, weinig tomatensaus. Zo loopt het niet uit de tosti. Smeer een lekkere laag saus op een boterham, plakjes kaas erover en twee blaadjes verse basilicum erbij. Doe de tweede boterham erbovenop.

Geitenkaas-paprikatosti

• plakjes oude geitenkaas
• rood gele paprikareepjes uit pot

Beleg de boterhammen met de kaas en paprikareepjes naar smaak.

Mozzarellatosti

• buffelmozzarella
• tomaten
• verse basilicum
• pesto

Besmeer de boterham met pesto, snijd de mozzarella en de tomaten in plakjes en leg ze op de boterhammen. Blaadjes basilicum naar smaak toevoegen en tot slot de tweede boterham erbovenop.

Bananen-chocoladetosti

rijpe bananen
• reep chocolade

Snijd de banaan in plakjes en beleg de boterham. Schaaf met de kaasschaaf krullen chocolade van de reep en kruimel ze over de banaan, afdekken met de tweede boterham.

Aardbeien-kokostosti

• aardbeien
• geraspte kokos

Plet de aardbeien, strooi er geraspte kokos overheen en dan mag de andere boterham erbovenop.

Daan Rot en Lisa Wade schreven twee toegankelijke boeken over de jaarfeesten, getiteld Het hele jaar feesten.

*Jan Rot, inmiddels overleden. Een begenadigd hertaler van vele bekende liedjes. Hij kan een voorbeeld zijn voor aspecten van de poëzie in de klassen van de bovenbouw waarin deze behandeld wordt.

.

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

3038-2853

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De meimaand

.

Dieuwke Hessels verzamelde allerlei interessants over de maand mei:

De meimaand is vandaag begonnen! :
Liedjes schieten te binnen als:
Hopsa heisa-sa-sa, het is de maand van mei jaja
En: Nu breekt uit alle twijgen het frisse jonge groen , de leeuweriken stijgen *
En: Langs de lange Leie
En: Alles blij maakt de mei

Een stemming wordt gezet:

Ik doorvoel het wezen van mijn wezen:
zo spreekt de beleving
die zich in de zon-doorlichte wereld
met stromend licht verenigt;
Omwille van de helderheid
wil zij het denken warmte schenken
en mens en wereld
in eenheid hecht verbinden.
Weekspreuk 4*

Denk aan de komende feestdagen: vreugde en verdriet lossen elkaar af.
Denk aan de meivakantie: dit jaar twee weken…
Denk aan de natuur: hoe die gaat groeien en bloeien,
Denk eraan dat er algemene feestdagen zijn maar ook nog verjaardagen in eigen familie of gedenkdagen aan huwelijken, overlijdens: Mei brengt herinneringen en nieuwe uitdagingen .
Maar waar komt die naam Mei vandaan, en wat betekenen die feesten ook al weer…..

Mei 2023

De maand mei ontleent haar naam deze keer niet aan een Romeinse, maar aan een Griekse godin: Maia, de godin van de vruchtbaarheid. De
Romeinen identificeerden hun godin van de natuur, Bona Dea [= de Goede Godin] met deze Griekse godin. Zij vereerden haar als de godin, die de natuur zou laten groeien en bloeien. Niet alleen de identiteit maar ook de naam van de Griekse godheid werd door de Romeinen geadopteerd; hun meimaand werd naar Maia vernoemd: Maius in het Latijn.

Mei is de maand, waarin de natuur weer volop tot leven komt. De winter is verdreven. De werkzaamheden op het land zijn in de voorafgaande maanden maart en april weer hervat met in mei als resultaat uitbundig bloeiende fruitbomen vol bloesem en tuinen vol bloemenpracht.
De maand mei staat daarom ook wel bekend als de ‘bloeimaand’.
Eeuwenlang stond de maand mei ook in het teken van de liefde. Rond de eerste dag vonden er talrijke meifeesten plaats. Het was dé gelegenheid voor trouwlustige jongens en meisjes om toenadering tot elkaar te zoeken. Tot laat in de avond dansten zij rond de meiboom. Er werden bloemenkransen voor elkaar
gevlochten en in het holst van de nacht versierden de jongens het huis van hun uitverkoren meisje met meitakken. Kortom, de liefde vierde op allerlei fronten hoogtij.
Mei was ook de maand van verhuizingen: betrekkingen werden opgezegd in de meimaand [ of verlengd] door de werkgever en lieten een werknemer geen keus: zij gingen ander werk en onderdak zoeken.

Een overzichtje van aankomende gedenkdagen:

1 mei Dag van de arbeid
4 mei Dodenherdenking
5 mei Bevrijdingsdag
14 mei Moederdag
18 mei Hemelvaartsdag
28 mei 1e Pinksterdag
29 mei 2e Pinksterdag

1 mei De Dag van de Arbeid vindt zijn oorsprong in het invoeren
van de achturige werkdag in Amerika maar is sindsdien een feestdag voor arbeidersbewegingen in heel de wereld. In tegenstelling tot veel andere landen is 1 mei in Nederland geenofficiële feestdag. En dag over werkplezier en werkrechten.

1 mei Beltane (/ˈbɛl.teɪn/) is het Gaelic May Day-festival. Het wordt
traditioneel gehouden op 1 mei, of ongeveer halverwege tussen de
lente-equinox en de zomerzonnewende op het noordelijk halfrond.
De festivalnaam is synoniem met de maand die het begin van de
zomer markeert in het Gaelic Ierland.

4 mei herdenkt Nederland alle Nederlandse slachtoffers sinds de Tweede Wereldoorlog. Dit zijn militairen en burgers die stierven in oorlogssituaties en
bij vredesoperaties. In alle gemeenten in Nederland zijn herdenkingen bij een plaatselijk oorlogsmonument.
In heel Nederland verloopt de nationale herdenking op de volgende manier:
Tussen 20:00 en 20:02 uur is iedereen 2 minuten stil.
De Nederlandse vlag (zonder wimpel) hangt halfstok van 18:00 uur tot zonsondergang. Vaak zijn er na 20:02 uur nog activiteiten, zoals kransen en
bloemen leggen.

5 mei Bevrijdingsdag is de nationale feestdag waarop we de bevrijding van
Nederland in 1945 vieren. Op deze dag vieren we ook de bevrijding van
het toenmalig Nederlands-Indië. Nederland staat op 5 mei ook stil bij de
waarde van vrijheid, democratie en mensenrechten. De overheid koos voor
deze datum omdat op die dag de Duitsers capituleerden.

5 mei De volle maan van mei 2023 staat op 5 mei, stipt om 19:36,
hoog aan de lucht in het teken Schorpioen. Deze volle maan van dit jaar wordt traditioneel gezien ook wel heel vrolijk de
‘bloemenmaan’ genoemd
Mei staat bekend als hét keerpunt in het jaar waarop de temperaturen stijgen en waarbij de bloemen in volle bloei komen te staan. De volle maan van mei 2023 wordt dan ook de
‘bloemenmaan’ of ‘bloesemmaan’ genoemd. De zomer komt er nu écht aan en de wereld krijgt langzaamaan veel kleur.

14 mei Moederdag: dag ter ere van het moederschap Moederdag: is een feestdag die wordt gevierd ter ere van het
moederschap en de invloed die moeders hebben op de samenleving. Moederdag wordt meestal in maart, april of mei
gevierd: dit verschilt per land. In grote delen van de wereld, waaronder Nederland en België, valt Moederdag op de tweede zondag in mei. In het Antwerpse (na het herstel van het bisdom
Antwerpen vanaf 1962 stilaan uitbreidend tot wat nu het bisdom
Antwerpen is) wordt Moederdag sinds 1913 gevierd op 15
augustus: Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart, Sainte- Marie of
Moederkesdag.

18 mei Hemelvaartsdag: binnen het Christendom wordt op
Hemelvaartsdag herdacht dat Jezus is opgestegen naar zijn vader in de
hemel, God. Dit gebeurde 40 dagen na
zijn verrijzenis, die gevierd wordt op

Eerste Paasdag. De Hemelvaartsviering
is onderdeel van de Paascyclus, die
begint met Eerste Paasdag. De Hemelvaartsviering is onderdeel van de Paascyclus, die begint met Pasen en eindigt tijdens Pinksteren, 50 dagen later. Dag van dauwtrappen in de vroege ochtend….of languit liggen in het gras en naar de wolken kijken.

28 en 29 mei
Pinksteren is een christelijk feest. Christus had zijn volgelingen beloofd, hen ook na zijn sterven niet alleen te laten. Met Pasen staat Christus op uit de dood en met Hemelvaart keert hij terug naar de hemel. Met Pinksteren stuurt hij de geest van God om zijn volgelingen verder te begeleiden, zodat zij de kracht hebben het evangelie uit te dragen.
Het verhaal gaat dat er een storm opstak en dat er uit de hemel vuur neerdaalde. Op de hoofden van de apostelen verschenen vlammen en zij konden alle talen spreken en verstaan.
Als ritueel voor de uitstorting van de Heilige Geest, laat men duiven opvliegen. De duif staat symbool voor hemelse inspiratie, reinheid, vrede en de ziel.
Feest van verbinding met de ander: de ander zien zoals die is en die eigenheid een ander gunnen zoals de ander het jou ook gunt.

Madeliefjes vlechten wij Dikke, dikke kransen. Zijn die kransen dik genoeg,
Gaan we samen dansen!
Onder onze appelboom
Sneeuwt het rose vlokjes.
Als wij dansen, ik en jij,
Waaien onze rokjes!
Eéne- tweeë- tweeë- drie.
Appelbloesemblaartjes
Sneeuwen zachtjes op den grond
En in onze haartjes!’

In het artikel plaats Dieuwke Hessels een aantal liedjes:

Die zijn hier te vinden:

’t Is meie

Hopsa heisasa

Langs de lange Leie

Meiregen

k Heb een meiboom in mijn hand

Kom lieve mei

.

*Weekspreuk 4 uit Rudolf Steiner ‘Weekspreuken’
Meerdere uitgavenOpgenomen in Duits GA 40, vertaald  Blz. 41
.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten      jaartafels

.

3016-2832

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (35/2)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

.

Ir. de Brey, Mededelingen AVIN,  maart 1984

.

De datum van de kruisiging

‘Dit is voorwaar een heilig teken!’
 Zo klonk het honderden jaren geleden reeds in het oude Driekoningenspel uit de mond van een van de wijze Koningen uit het Oosten. Toen begreep men nog dat, ofschoon ‘Venus en Zonne doen konsamaneren’, dit een heilig teken betrof.

Dat in de huidige tijd nuchtere wetenschapsmensen aan iets dergelijks een bijzondere waarde hechten, lijkt verbazingwekkend.
In Nature, een Engels vakblad op het gebied van de natuurwetenschappen, treffen wij een uitvoerige publicatie aan betreffende een onderzoek van twee medewerkers van de universiteit van Oxford (C. J. Humphreys en W. G. Waddington). Gebruikmakende van moderne astronomische berekeningsmethoden, waarbij zelfs rekening werd gehouden met uiterst geleidelijke veranderingen van de draaiing van de aarde, werd de op de Joodse tijdrekening gebaseerde kalender uit het begin van onze jaartelling gereconstrueerd, dat wil zeggen gerelateerd aan ‘onze’ huidige kalender.
Nu bleek tot hun verrassing, dat zich een in Jeruzalem zichtbare maansverduistering voordeed in de vroege avond van vrijdag 3 april van het jaar 33, waar tot dusver nauwelijks aandacht aan was besteed. Reeds meer dan 60 jaar geleden werd deze datum door Rudolf Steiner aangegeven als de dag van de kruisiging.

Buiten de bijbel (Lucas 23-12) en andere religieuze geschriften is er alleen de indicatie van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, dat de kruisiging plaats vond in de periode dat Pontius Pilatus stadhouder van Judea was, tussen de jaren 26 en 36. Dit is in overeenstemming met de vier evangeliën, maar de exacte bepaling van het jaar waarin dit zich afspeelde, is tot dusver voor de geleerde theologen steeds een twistpunt geweest. Het uur van de dood van Jezus Christus aan het kruis wordt in de Bijbel omschreven als: op een vrijdag in de vóóravond van het Joodse Paasfeest, het Pascha. Dit laatste werd steeds op de 15e dag van de maand Nisan gevierd (volgens de Joodse kalender).

Nu is het vaststellen van de dag van het Joodse Paasfeest, hetgeen jaarlijks door de Sanhedrin, de Hoge Raad der Joden geschiedde, geen eenvoudige zaak. De Joodse tijdrekening was namelijk gebaseerd op 12 maan-maanden. De Joodse maand Nisan, waarin het Pascha viel, kwam overeen met maart/april volgens onze (Juliaanse) tijdrekening. Aangezien 12 maan-maanden ongeveer 11 dagen korter zijn dan een zonnejaar, werd om de drie jaar een extra maand ingelast. Zodoende konden de maan-maanden steeds min of meer op dezelfde plaats in het zonnejaar worden gehouden. Dit was niet alleen om rituele redenen van belang – het Paasfeest moest immers na voorjaars – dag- en nachtevening vallen – maar ook voor de landbouw. Zo kon na extreem slechte weersomstandigheden bij decreet een extra maand voor het daarop volgende |aar worden ingelast, waarmee het moment van zaaien en oogsten kon worden verschoven naar een gunstiger tijdstip, opdat de vruchten van de nieuwe oogst rijp zouden zijn en de lammeren niet te klein op 16 Nisan.

Op de middag voorafgaande aan het Pascha werden de laatste voorbereidingen voor het Paasfeest getroffen, want de Joodse dag loopt van avond tot avond. Zo werden bijvoorbeeld tussen 3 en 5 uur in de namiddag van de 14e dag van de maand Nisan de paaslammeren geslacht. Diezelfde avond na zonsondergang begon de nieuwe dag (de Grote Sabbat), 15 Nisan, en kon na het opkomen van de maan het paasmaal een aanvang nemen. (Leviticus 23-5; Numeri 28-16). De veronderstelling ligt voor de hand, dat in die dagen – met de zonnewijzer als enige ‘klok’ – aller aandacht gericht was op de ondergaande zon in het Westen en het verschijnen van de maan boven de horizon in het Oosten, als teken dat het Pascha een aanvang kon nemen.

Nu konden de beide Britse onderzoekers, dank zij hun moderne berekeningsmethoden aantonen, dat op vrijdagavond 3 april van het jaar 33 – overeenkomend met 14 Nisan, de vooravond dus van het Pascha! – in Jeruzalem een maansverduistering te zien was, die bij het opkomen van de maan een half uur duurde.

Men kan zich afvragen waarom de Bijbel hierover zwijgt. Een dergelijk schouwspel aan de avondhemel moet toch een dramatische indruk op de mensen gemaakt hebben. In plaats van de verwachte heldere paasmaan steeg een versluierde maan boven de horizon, waaraan een ‘hap’ ontbrak en die bovendien een onheilspellende rode kleur vertoonde. De Bijbel spreekt slechts over de duisternis die in de late namiddag over de aarde viel en de zon die verduisterd werd.

Maansverduisteringen worden in de oude geschiedenis veelal omschreven als ‘de maan kleurde als bloed!’ vanwege de rode kleur van de schaduw die de aarde op de maan werpt. Er is slechts één plaats, namelijk in de Handelingen der Apostelen (2-20), waar deze terminologie wordt gebezigd.
Petrus gebruikt deze woorden met Pinksteren, als hij de voorspelling aanhaalt van de profeet Joël: ‘de zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed eer de grote dag des Heren komt’. Men zou zich kunnen voorstellen, dat Petrus hiermee doelt op het beeld dat de omstanders tot wie hij spreekt 40 dagen daarvóór aanschouwden toen de Paasmaan boven de horizon verscheen, misvormd en rood van kleur, een beeld, dat zij zich ongetwijfeld zouden herinneren. Door naarstig speuren in de geschiedenis en in de apocriefe boeken vonden de beide onderzoekers diverse aanhalingen dat de maan als bloed kleurde bij de beschrijving van een maansverduistering.

Door nu het tijdstip van alle maansverduisteringen te berekenen, die tussen de jaren 26 en 36 in Jeruzalem zichtbaar waren, konden zij aantonen, dat er slechts twee (op een totaal van 12!) tijdens het opkomen van de maan waarneembaar waren en wel één op dinsdag 31 januari van het jaar 36 en één op vrijdag 3 april in het jaar 33. Doordat deze laatste datum samenviel met 14 Nisan, kregen zij de zekerheid, dat dit de dag van de kruisiging moest zijn. Als interessante bijzonderheid wijzen de onderzoekers er nog op, dat reeds in 1899 de juiste datum van de maansverduistering op 3 april 33 was berekend, doch toen meende men dat deze in Jeruzalem onzichtbaar zou zijn. Alleen dank zij de grotere precisie van de moderne berekeningsmethoden, kon het tegendeel worden bewezen.

Het is opmerkelijk, dat van een zo onverwachte zijde als de moderne wetenschap thans wordt bevestigd hetgeen door Rudolf Steiner reeds meer dan een halve eeuw geleden werd uitgesproken: de dag waarop de Christus de dood aan het kruis doormaakte was 3 april van het jaar 33.

.

Nature, Vol. 306, 22-12-1983
O.Edwards, Das Goetheanum 25-9-1983

Hetzelfde onderwerp: Pasen 35/1

Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3005-2821

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (39)

.

Lien Troost in ‘De schoolbel’, vrijeschoolkrant Bussum. dec. 2022

.

DE  SIXTIJNSE  MADONNA  VAN  RAFAEL

.

In de kleuterklassen van de vrijeschool hangt over het algemeen een plaat van dit schilderij. Ook voor de peuterklassen en kinderdagverblijven is dit een mooi beeld..
Rudolf Steiner gaf 100 jaar geleden al aan dat dit schilderij, vergeleken met andere Madonna-schilderijen uit de Renaissance, een aparte plaats inneemt, en gaf aan om een  afbeelding van dit schilderij in de klassen en groepen, voor het kind tot en met 7 jaar  op te hangen.
Meestal kijkt de Madonna naar het kind of is naar binnen gericht, maar op dit schilderij kijkt ze vooruit!
En het Kind ook!
En ze loopt, ze loopt door wolken heen naar de aarde en brengt haar Kind, het Christuskind, naar de Aardse sferen.
Waar komt ze vandaan?  En hoe gaat ze ?
Het is Maria, en ze komt uit de Sterrenwereld en gaat via de planetensferen naar de aarde.
Hoe kan je dat zien?

  • Bij haar voeten zie je dat de wolken een beetje weg zijn en dat haar gewaad  wat opwaait, ze loopt op de MAAN.
  • De beweeglijke plooien van het gewaad, en de esculaapvorm van het kinderlichaam en de rechte gestalte laten de kwaliteit van MERCURIUS zien.
  • Het moederlijk omhullende gebaar van Maria, die haar kind draagt, is een VENUS-kwaliteit.
  • Het geheel van moeder en kind, het samengaan, is de ZON-kwaliteit, in het bijzonder de hartvorm die je kan zien, (omgekeerd), in de sluier, haar linker arm, rechter arm en het been van het kind, en beider hoofden.
  • In het lopen, doelgericht, van Maria, en ook in de blik van haar, en het Kind, voorwaarts gericht, de toeschouwer aankijkend, is de MARS-kwaliteit te zien.
  • Achter Maria en het kind zijn kinderhoofdjes zichtbaar, de ongeborenen, die nog wachten om naar de aarde te komen. Het zichtbaar worden daarvan is een JUPITER-kwaliteit.
  • En dan het gordijn, dat opgetrokken is. De SATURNUS-kwaliteit: dat verbeeldt  de scheiding van de wereld van ruimte en tijd en de geestelijke wereld.

 
Tot en met Saturnus worden de planeten zichtbaar doordat de Zon ze beschijnt. De verdere planeten vallen daar niet onder, zij hebben weer andere kwaliteiten.
 
Dit beeld wordt de Kerstimaginatie genoemd. Ieder jaar kan je in je ziel beleven hoe Maria met het kind naar de aarde komt. Bewust! Toekomstgericht!
Het is tevens de geboorte van het licht dat weer terugkeert. Een wending der tijden. In het jaarverloop, maar kan dat ook zijn in de ontwikkeling van de mens, in jezelf, en op de aarde.
Je kan vermoeden dat er achter de fysiek zichtbare planeten een wereld van krachten, werkingen, kwaliteiten verborgen is.
De ander figuren: Sixtus, Barbara en de engeltjes, zijn er later, niet door Rafaël, bijgeschilderd.

Bron: antroposofisch arts: Joost Laceulle, en een
arbeidersvoordracht van Rudolf Steiner: 23-11-1924.*

Zie ook: De mantel van de Madonna

*Er bestaat geen arbeidersvoordracht van 23-11-1924.
De arbeidersvoordracht die bedoeld kan zijn, is die van 13-02-1924 (GA 352)
Niet vertaald

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeldpeuter-kleuterklas

.

2920-2739

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (17-2)

.
Bron: ED, 19-12-2018
.

Stille nacht
.

Stille Nacht is het meest vertaalde en gezongen kerstlied ter wereld.  In Salzburgerland, Oostenrijk, klonk het voor het eerst in een kleine dorpskerk op kerstavond 1818.

Joseph Mohr is de schrijver en hij schreef het gedicht, de tekst van het latere lied, in 1816. Mohr leefde in een Europa dat na de Napoleontische oorlogen in puin lag. Armoede en hongersnood heersten. Mohr, 24 jaar, hulppriester, zette zich in voor broederschap en verbondenheid. Hij wilde de mensen moed inspreken.

We gaan terug naar april 1815, kort voor de slag bij Waterloo.
Op het eiland Sumbawa, toen nog Nederlands-Indië, was een vulkaan uitgebarsten, de zwaarste tot dan toe ooit gemeten. Daarom kende Europa in 1816 geen zomer. De asregen die de Tambora uitspuwde, verspreidde zich over grote delen van de aarde. Drie jaar lang werd het weer erdoor beïnvloed. Het bleef donker en koud, het regende voortdurend.
Het waren sombere tijden: Mislukte oogsten, verwarring en onzekerheid.

Mohr woonde toen nog in Mariapfarr. Daar schreef hij die zes eenvoudige coupletten. Er wordt wel gedacht dat het als een wiegenlied voor de pasgeboren Jezus was bedoeld.
Toch is er niet zoveel bekend over het verdere ontstaan van het lied. 
Maar het veroverde wel de wereld.

Nadat Joseph Mohr (1792-1848)  in 1818 in Oberndorf  hulppriester werd, vond  hij dat hij de regels wel op muziek kon laten zetten. Hij vroeg het aan onderwijzer, koster en organist Franz Gruber (1787-1863), die 4 kilometer verder in Arnsdorf woonde.
De school staat er nog, mét de werkkamer en het bureau waaraan Gruber werkte en waaraan hij die muziek schreef die onsterfelijk werd.

Op 24 december 1818 zou het voor het eerst ten gehore worden gebracht.

Het verhaal doet de ronde dat Joseph Mohr kort voor die dag ontdekte dat het orgel van de Sankt Nikola Kirche in Oberndorf niet goed werkte. Een muis had een van de balgen aangevreten. (Dat verhaal wordt nu weer naar het rijk van de verzinsels verbannen).
In ieder geval: Mohr vroeg Gruber de partituur te herschrijven voor gitaar. Hij liet reparateur Karl Mauracher uit Fügen in Tirol (60 kilometer verderop) komen, maar die kreeg de schade niet op tijd hersteld. Bij de kerststal hoorde hij het lied van Mohr en Gruber en was diep onder de indruk. Gitaarspel in een kerk. dat had nog nooit iemand meegemaakt. (Er wordt aan getwijfeld of hij er echt was, die dag, het kan ook bij een andere uitvoering zijn geweest, in 1819, bijv.)
Mohr zong de eerste stem, Gruber bas, beiden speelden gitaar.
Aanvankelijk was het lied alleen bedoeld voor na de mis op kerstavond. Vaststaat dat de kerkgangers direct onder de indruk waren.
Wel is waar is dat Karl Mauracher de partituur meenam naar Fügen in het Tiroler Zillertal en zo kwam het ook bij de boerenfamilie Rainer. De vier broers en een zus reisden rond om op lokale podia lollige Tiroler liedjes ten gehore te brengen. In 1822 traden ze op voor de Russische tsaar Alexander I en de Oostenrijkse keizer Franz I die in Tirol op doorreis waren. De groep wilde natuurlijk de Tiroler liederen zingen, maar ze sloten af met het ingetogen Stille nacht. En dát vonden de vorsten nu juist zo mooi en ontroerend.
De Rainergroep reisde na 1824 steeds vaker naar het buitenland: Duitsland, Zweden, Engeland, en vanaf 1838 zelfs naar de Verenigde Staten. Viel hun optreden rond de Kerst, dan besloten ze hun optreden met Stille nacht. Dat werd overal zeer op prijs gesteld. 

Er was nog een zanggroep uit Tirol reisde en die reisde zelfs naar Rusland en zo werd ook daar het lied bekend. Het gevolg van dit alles was trouwens dat de wereld tot ver in de 20ste eeuw Stille nacht voor een Tiroler gezang hield. Joseph Mohr en Franz Gruber bleven anoniem.

Er zijn verschillende Stille Nacht Musea, ook een in wintersportoord Wagrain, de plaats waar Joseph Mohr na zijn Oberndorf-periode een school stichtte en waar hij ook begraven ligt. Aan het eind van zijn leven was hem bekend dat zijn lied elders in de wereld werd uitgevoerd, maar wat het toen al teweegbracht kon hij niet weten.

Op een wand is de eerste regel te zien in de driehonderd talen en dialecten waarin de tekst is vertaald. In twee eeuwen groeide de betekenis van dit lied. Sinds 2011 is het Unesco Werelderfgoed. In 1914 zongen Britse, Duitse en Franse soldaten bij een spontane wapenstilstand op kerstavond vanuit hun loopgraven samen Stille nacht. Het blijkt meer dan muziek, meer dan een kerstlied. Het is een wereldwijd symbool van verbroedering en vrede.

stillenacht.com

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

2910-2730

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Jaarfeesten – Sinterklaas (32)

.

Dieuwke Hessels, november 2022

.

sinterklaas
.

Vanaf half november

stijgt uit Nederland de geur op van speculaas, pepernoten, chocolademelk en
mandarijntjes.
Die kruidige, zoete geur roept meteen levendige herinneringen op aan de
warmte van het Sinterklaasfeest, aan het mysterie van schoentje zetten en
de opwinding van pakjesavond. Aan het begin van de adventstijd is
Sinterklaas een feest voor kleine en grote kinderen, dat veel mensen nog
steeds recht uit het hart kunnen vieren.
Net als elk land kennen ook wij in Nederland tradities waar we niet meer bij
stilstaan. Soms zien we pas door de ogen van een vreemdeling het ongewone
ervan. Wat is er gewoner – vinden wij – dan dat een jarig kind een traktatie
meebrengt voor zijn klasgenootjes? Maar de Duitser Herbert Hahn, die enige
tijd op een Nederlandse vrijeschool werkte, moest hier erg aan wennen: een
jarige die ‘geschenkjes uitdeelt’ (trakteert)! En daarvoor worden dan
vanzelfsprekend alle lessen onderbroken, ook al geeft dat onrust! Vanuit die
ervaring stond hij er dan weer niet van te kijken dat het Sinterklaasfeest hét
grote feest van Nederland is. Oók een verjaardag waarbij de jarige
geschenken uitdeelt. En óók een feest dat een stukje onrust brengt in een
tijd die eigenlijk om stilte vraagt. Want 5 december valt meestal in de eerste,
soms in de tweede week van de adventsperiode, de stille tijd die aan
Kerstmis voorafgaat. Hoe valt dat te rijmen?

Schenkende heiligen

In de adventstijd verwachten we de geboorte van het kerstkind dat zichzelf weggaf aan de mensen. In die tijd lijkt zich overal een schenkende kracht te openbaren. Sint-Nicolaas is namelijk in de zes weken voor Kerstmis niet de
enige die geschenken brengt. De rij van schenkende heiligen wordt geopend door Sint-Maarten (11 november) die zijn halve mantel weggeeft.
De heilige Elisabeth (19 november) en de Zweedse Sint-Lucia (13 december) schenken brood aan de armen. In veel landen komt het kerstkind zelf met geschenken en in Zuid-Europa en Rusland laten de drie koningen op weg naar het kerstkind een geschenk achter in de sok van alle kinderen.
Sint-Nicolaas voegt zich moeiteloos in deze rij schenkende heiligen. In Nederland blijft zijn feest echter niet beperkt tot één dag, maar neemt
het de hele periode van half november tot pakjesavond in beslag.

Onrust tijdens advent

Bovendien komt Sint-Nicolaas niet alleen. Hij wordt vergezeld door een luidruchtig, kleurrijk en vrolijk volkje van helpende Pieten. In het rumoer van de Pieten hoor je het loeien van de novemberwind: als buiten de herfststormen
de aarde schoonvegen, halen de Pieten de bezem door ons innerlijk. Het is hun taak om ons bewust te maken van onze tekortkomingen. Naast het licht van Sint-Nicolaas was Zwarte Piet aanvankelijk een duistere, angstaanjagende
schaduwfiguur, maar in die gedaante verdween hij al gauw. Dat hij zo kleurig en beweeglijk werd, heeft volgens mij alles te maken met het feit dat wij in de loop van de tijd geleerd hebben om zelf de bezem te hanteren. Wij zijn steeds beter in staat naar onszelf te kijken, en al durven we onze schaduw misschien nog niet recht in de ogen te zien, we doen wel steeds vaker een dappere poging. Misschien dat daardoor het kostuum van Piet al decennialang alle kleuren van de regenboog vertoont. En tegenwoordig staan de laatste resten van zijn zwarte uiterlijk – zijn handen en gezicht – ook op het punt van kleur te veranderen. Piet is een louterende kracht die alles wat in ons schaduwachtig is, transparant wil maken voor het licht. Ook Sint-Nicolaas zelf moedigt dit element van loutering aan: op pakjesavond mogen anderen ons op onze tekortkomingen wijzen. Met mildheid en humor, dat wel. Maar het effect is toch dat we onszelf even zien door de ogen van een ander.

Het kind in de mens

De stilte van de adventsperiode is vol verwachting. We verwachten de geboorte van het goddelijk kind. Een zuivere, hemelse kracht daalt in de gedaante van een kind naar de mensen af om op de schoongeveegde aarde én in de gelouterde mensenziel zijn plek te vinden. Sint-Nicolaas is de beschermer van het kind in de mens, daarom valt zijn feest in de advent. Dit ‘kind in de mens’ is geen wezentje dat volgens de voorstellingen van een volwassene opgevoed moet worden. Met dit kind worden alle mogelijkheden bedoeld die we uit een geestelijke wereld hebben meegebracht om op aarde onszelf te kunnen worden. In de vroege middeleeuwen, voordat het huidige sinterklaasfeest bestond, werd Sint-Nicolaas al afgebeeld op doopvonten. Als een engel bracht hij het kind uit de hemel naar de aarde en zorgde hij ervoor dat het door de doop toch met de hemel verbonden bleef.
Ook legenden laten zien dat Sint-Nicolaas het kind in de mens beschermt. Zo wekte Sint-Nicolaas drie studenten tot leven die het argeloze slachtoffer waren geworden van een herbergier die hen vermoordde en inpekelde. En drie zusjes aan wie hij elk een beurs met gouden munten schonk, hoefden zich niet te prostitueren. Met hulp van Sint- Nicolaas hoefden deze drie ‘zusjes’ – net als de ‘studenten’ een beeld voor drie jonge zielenkrachten – hun zuiverheid en onschuld niet te verliezen.
De geschenken van Sint-Nicolaas zijn bedoeld voor het kind in ons. Ze zijn bedoeld om ons te helpen ons lot te aanvaarden, met alle mogelijkheden en beperkingen. Daarom legt Sint-Nicolaas zijn geschenken in onze schoenen.
Schoenen staan immers voor ons persoonlijk levenslot. Als we zeggen: Ik zou niet graag in jouw schoenen staan, dan bedoelen we dat we het lot van die ander niet willen overnemen. Dat kan natuurlijk ook niet, maar Sinterklaas laat
zien dat je een ander wel kunt bijstaan.

De Claesmannen

Elk kind weet dat Sint-Nicolaas geen gewoon mens is, maar een mysterie. Als volwassene kun je Sinterklaas beleven als een geheimzinnige kracht die zich via mensen kan manifesteren. Die kracht helpt ons niet alleen om kritisch naar
onszelf te kijken, het kind in ons te beschermen, en ons leven te leven – die kracht doet meer.
Toen de burgers in de late middeleeuwen zich in gilden verenigden, koos elk gilde een afgezant. De afgezanten van alle gilden vormden een stadsraad die opkwam voor de belangen van de burgers tegenover die van de adel. Als patroonheilige koos deze stadsraad niemand minder dan Sint-Nicolaas. Daarom werden de leden van de raad ook wel ‘Claesmannen’ genoemd. Als schutspatroon van de mensen die opkwamen voor de rechten en vrijheid van de individuele mens staat Sint-Nicolaas aan de wieg van een samenleving waarin voor iedereen een plek is en mensen niet alleen aan hun eigen belangen denken.
Ook onze tijd zou weleens Claesmannen- en vrouwen nodig kunnen hebben die het iedereen mogelijk maken zijn eigen plek in de samenleving te vinden. Met hulp van Sint-Nicolaas kun je jezelf door de ogen van de ander in een nieuw licht zien, wat een heel verhelderend geschenk kan zijn. En wil je in de geest van Sint-Nicolaas anderen iets schenken, dan vraagt dat liefdevolle aandacht. Alleen dan kun je je zo in iemand anders verplaatsen dat je begrijpt wat hij nodig heeft. De Claeskracht die zich op de ander oriënteert, beperkt zich niet tot de sinterklaastijd of de adventstijd. Die werkt in ieder mens die zich op welk moment dan ook wil inzetten voor mensen en hun mogelijkheden.

Tekst: Tineke Croese Dit artikel is verschenen in Antroposofie Magazin december 2016


.

.

Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden. Hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:

Sinterklaas en de sterrenkinderen

“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.

Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee
mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.
Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint-Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen…
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?.
Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik help graag mee, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen
lichten op het pad dat Maria ging…

Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan.
Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

Op de dag van zijn verjaardag, komt Sinterklaas, op zijn
paard, samen met een paar Pieten in het stadspark op
een afgesproken plek.
Sint blijft op zijn paard, rustig op afstand, paard kan
geaaid worden, Pieten delen lekkers uit, kinderen
zingen voor hem, eerst komen de kleuters en als zij
alweer onderweg terug zijn komen afzonderlijk klassen
1,2,3 en 4 even na elkaar naar deze bijzondere
ontmoeting.
Later op de dag komt Sinterklaas naar school, niet in de klassen, maar op het plein met zijn paard, de Pieten gaan de klassen rond om in iedere klas cadeautjes te brengen..

ook een mooie kaart…..
wat een beelden…
blauwe hemelse
rode aardse
ezeltje die lasten draagt voor de mens
Sinterklaas op de grens van binnen-buiten
geven en ontvangen
het kinderlijke goede
de goede Sint
het roodborstje: duidt op lente na een sombere winter
de kat: eigengereid en solitair bestaan, tolereert anderen als het daar zin in heeft.

Het heerlijk avondje is gekomen…
Juul van der Stok

De discussie over wel of niet Sint en Piet in levende lijve in huis ontvangen zal altijd blijven. Mijn ervaring is, dat hun verschijning op afstand, bij de intocht of kort op school, genoeg is.
Het beleven van Piet, waarvan het kind ‘s avond net de veer van de muts langs de dakrand zag bewegen, of het stille luisteren in bed naar de paardenvoetjes over het dak, werkt sterker dan de banket etende goedheiligman in vaders stoel.
Sint Nicolaas leeft voort in de wolkenwereld boven de daken, nog altijd. Voorlopig zien we om ons heen vooral veel Zwarte Pieten en zijn er maar enkele onder ons, die de moed hebben zich te verkleden als Sint-Nicolaas, om éven de échte te zijn.
Laten we het gesprek meer en meer voeren vanuit de gedachte van Sinterklaas als beeld van ons hoger Ik, dat ‘neerdaalt’ om ieder jaar weer zichtbaar en beleefbaar te worden.
Bij ons thuis stond de grote wasmand op de slaapkamer van mijn ouders en daar
mochten wij als grote kinderen onze eigen pakjes in doen. Bij het binnengaan van die kamer, het zien van al die pakjes, was voor mij de spanning gebroken. Ik zocht naar mijn naam op de pakjes en had daar de verdere avond last van. ’Pakjesavond’, dat was het niet voor mij.
Later wilde ik dat voor mijn kinderen anders doen.
• Hoe kan je de spanning tot het einde toe vasthouden?
• Hoe kun je kinderen helpen, dat oogjes niet gaan tellen en de hebzucht niet zoekt naar de eigen naam op de pakjes?
• Hoe kan ook aandacht voor de anderen opgebracht worden?

Ik zocht naar (spel)vormen, waarin deze vragen beantwoord werden. Hier enkele voorbeelden:
Er staat een grote stoomboot voor de deur. Binnengeloodst vaart hij rond in de kring en mag iedereen om beurten iets uit het ruim pakken en uitdelen.
“Piet brengt dit jaar alleen voor jullie samen één dobbelsteen”!
Het aantal gegooide ogen – of zelf gekozen symbolen, bijvoorbeeld kleuren, Sinterklaas, Zwarte Piet, de schimmel, enzovoort) – verwees naar in de kartonnen dobbelsteen verstopte opdrachten, zoals: zoek op zolder, zing een lied,
presenteer iets lekkers.

Er zit een grote Piet op de stoep met in zijn hand een roe, waarin
appeltjes van oranje en noten hangen, voorzien van namen en
opdrachten. In het begeleidende schrijven zegt Piet blij te zijn
binnengelaten te worden, omdat er nog heel wat appeltjes te schillen
zijn en noten te kraken.
Er wordt een grote rol papier door het raam naar binnen gestoken.
Uitgerold op tafel zien we een (ganzenbordachtige) weg door de vier
seizoenen getekend. In de twaalf maanden zijn de belangrijke
gebeurtenissen van het afgelopen jaar gemarkeerd. Mensenfiguurtjes
op damstenen moeten zich volgens het begeleidende dichtwerk door
het jaar heen bewegen om een en ander nog eens in de herinnering op te roepen alvorens het nieuwe jaar tegemoet te gaan.
Een zeiltocht rond het IJsselmeer, waarin veel doorstaan en geleerd werd, was aanleiding voor een vaarspel. Nieuwe slaapzakken vormden het woelige water en de kustlijnen. Met kleine notendopbootjes voeren we opnieuw van haven tot haven, waardoor die heerlijke vakantie herleefde en ieders hoogte- en dieptepunten passend gehonoreerd werden.
We maakten ook de weg door het jaar zichtbaar in surpriseachtige vormen om individuele ontwikkelingen te kunnen memoreren en stimuleren.

• Winter: ijsbaan met schaatsers, sleetjes, skiërs, koning Winter, sneeuwpoppen.
• Voorjaar: bloeiende natuur, Paashaas, schoonmaak, tuinwerkzaamheden.
• Zomer: vakantielandschap, reizigers, zwemmers, zeilers.
• Herfst: oogsten, weegschaal, vliegeren, schoolgang, nieuwe lessen.
Deze uitbeeldingen stonden vaak een heel jaar op de kinderkamers.
Na een muzikaal actief jaar vonden we voor de deur ons huisorkest, ieder met zijn eigen instrument, musicerend in de kring. Op ieders lessenaar een muziekboekje, waaruit ieder om beurten een bladzijde mocht omslaan om zijn
‘eigen lied’ ten gehore te brengen, ‘een toontje lager’ te zingen, ‘meer op de ander af te stemmen’, gewoon minder vals te spelen, of juist de succesnummers nog eens te laten horen.
Op een lange zeezeiltocht naar het hoge noorden leerden de jongste twee vissen. Op de grond maakten we van blauw gekreukeld cellofaanpapier een waterpartij omsloten door keien. Op een basalten pier twee vissers met hengels voorzien van een magneetje. Tussen de golven glinsterde het zeebanket in alle bekende soorten, voorzien van een opdracht en met een ijzertje tussen de kaken. Bedreven vissend moest bij laag- en hoogtij, met wind mee en tegen, ‘een en ander nog eens boven water komen’.
Zo staat in de verschillende spelvormen het op weg zijn centraal, verdwijnen de discussies over verlanglijstjes en komen kinderen weer tot de verwachtingsvolle vraag: ,,Hoe zal het vanavond gaan?”
Naast de individuele weg werd ook de gezamenlijke weg zichtbaar, wat een welkome verdieping betekende van het Sinterklaasfeest. Het leverde intieme momenten op, waarnaar je het verdere jaar soms erg kunt verlangen.
We zaten op zo’n avond rond iets moois, terwijl we ook actief bezig waren door in en rond het huis naar een pakje te moeten zoeken, wat voor jonge kinderen heel spannend was.
Toen de kinderen zelf mee gingen doen, verstopten ze zelf in huis hun cadeautjes en gaven voor het grote plan naam en plaats door aan degene, die de contacten met Piet onderhield. En wat genieten we nu bij onze kleinkinderen, die
vol spanning het moment afwachten, waarop ‘het’ gaat beginnen.
Veel succes!

Sinterklaastijd in de kleuterklas

Een heerlijke tijd, na advent meestal, de verkleedkleren tevoorschijn halen, inclusief gouden boek, en goudkleurige staf…..cadeautjes inpakken, mooie tekeningen voor Sinterklaas maken, Sinterklaas spelen compleet met boot en
lichten uit, alle kinderen slapen, cadeautjes brengen, pepernoten bakken… en zingen zingen en zingen…..
Rode wangen, slecht slapen , volledige overgave in het spel aan het jaarlijkse sinterklaasfeest.
Wensenlijstje maken, pepernotenbakken, in stilte luisteren naar een verhaal of oplettend kijken naar een prentenboek….

Vijf Pieten

Een handgebarenspelletje

Sinterklaas kwam over zee,
En zijn Pieten nam hij mee,
Het zijn er vast meer dan tien
Maar deze vijf zijn hier te zien. (5 vingers)
De dikste draagt de zware zak,
De tweede loopt op zijn gemak
De derde, kijk hem toch eens springen
Piet vier gaat zo een liedje zingen.
De kleinste staat te bibberen,
‘Brrrr, wat koud in Nederland,’ roept Pietje vijf,
‘Brrrr, ik denk echt niet dat ik blijf’.
Dan geeft Sint Piet warme chocola (wijsvinger reikt naar pink)
En kijk, hij danst alweer van tralalala. (pink)
Rita Veenman

Banketbakkersspelletje
Uit de DoeHoek van Diny Kiers:

Meedoen

Een rustgevend spel is het banketbakkersspel. Doordat de jongere kinderen ook een taak hebben, voelen ze zich betrokken bij het hele gebeuren op pakjesavond. Ze vinden het fijn om op deze manier mee te doen.
Het ruikt lekker en het rollen is een kalmerende bezigheid vooral als je het versje erbij zingt of zegt. Bovendien schenken de kinderen, net als Sint en Piet, ook iets aan anderen, waardoor het accent minder sterk op het krijgen van de eigen cadeautjes komt te liggen.
In een brief van Piet wordt alles duidelijk uitgelegd. De Bakpiet zou het fijn vinden als er iets lekkers uitgedeeld kan worden deze avond. Maar tja, hij heeft het ook zo vreselijk druk.
Hij denkt dat …(Thomas) hem goed kan helpen door voor alle mensen in de huiskamer een mooie marsepeinen bonbon te maken. Mmmm, dat wordt smullen!

Nu alleen nog een beetje versiering er zachtjes bovenop drukken…en het is klaar om weg te geven.

Nog leuker is het als je er een compleet mini banketbakkerspakket van maakt.
Een bakkerskistje
Nodig
• Theekist of bijvoorbeeld een tekendoos
• Lapjes dunne katoen van ongeveer 20 bij 15
centimeter
• Koord of lint
• Voor de uiteinden hiervan eventueel dikke kralen
• Klein lepeltje, mesje en vorkje
• Houten lepeltje, garde
• Kleurige theedoek
• 175 cm keperband

Beschilder het kistje met bijvoorbeeld aquarelverf. Maar blank is ook mooi.
• Plak er een mooi etiket van stevig papier op, met de naam van het kind (Zie tekening),
• Je zou eventueel het bovenstaande etiket kunnen
uitprinten en gebruiken.
• Het is ook mooi om de doos te versieren met restjes
stof.
• Je hebt in een ommezien een drietal zakjes genaaid met
een tunneltje erin en een koordje of lint erdoor waar
een beetje van de lekkere versiering in gaat.
• In plaats hiervan zijn een aantal kleine mini jampotjes of
andere kleine, goed sluitende, doosjes ook geschikt.
• Doe er wat minikeukenspullen bij en een klein geknipt
werkdoekje. Dan ziet het er echt aantrekkelijk uit.

Tip
Wat keukenspeelspulletjes, zo bij elkaar geraapt, mooi verzorgd in
een kistje of koffertje met eigen naam erop heeft iets magisch voor kinderen. Heel geschikt ook, om op een verjaardag cadeau te geven.

Naaien

Het banketbakkersschort

• Dit is zo gemaakt van een theedoek.
• Knip het borststuk zoals op de tekening is
aangegeven.
• Werk de gebogen lijnen af met een zoompje, een
bandje, of eenvoudig met een zigzagsteek.
• Neem tussen 40 en 50 cm voor de strikbanden.
• Naai er een zoompje in en stik ze aan het schort.
• De zak kan uit een zijstuk geknipt worden.
• Deze kun je met een zigzagsteek of met een bandje
op de schort naaien.
Een heerlijk Sinterklaasavondje!
Diny

Schoencadeautjes

1. Minischatkisje
2. Bijenwas
3. Gouden/Zilveren/
regenboogpotlood
4. Punnikklosje
5. IJzeren rietje
6. Pepernoten/Koekjesmix om zelf te bakken
7. Geode om zelf te barsten
8. Knikkers
9. Mooie pen
10. Bijzonder papier
11. Stickertjes
12. Kralensetje
13. Peperkoekhuisje
14. Edelsteen
15. Tolletje    
16. Jojo
17. Gummetje
18. Puntenslijper
19. Iets lekkers (chocolaatje, pepernoten, mandarijntje, etc.)
20. Mini potloodjes
21. Pixi boekje
22. Plantenzaadjes
23. Sterrenstickertjes voor in de hemel boven de jaartafel of gewoon op het raam
24. Brief van de Sint
25. Kaarsje (om te versieren)
26. Haarspeldje of mooi elastiekje
27. Tips met dingen die je voor een ander kan doen, zoals een boodschapje doen, een lied zingen, koekjes
bakken, eten langs brengen, de stoep vegen, een verhaal voorlezen, samen een spelletje spelen, enz.
28. Leuke doe-dingen voor de familie (zie hieronder de advent-ideetjes)
29. Een rol inpakpapier en plakband, uren speelplezier gegarandeerd
30. Een waardebon voor een immaterieel cadeau (kijk hier voor een lijstje met tips)
31. Een (antroposofische) adventskalender
32. Sokken

Je kan ook elke keer dat het kind de schoen mag zetten een onderdeel van een groter cadeau in de schoen stoppen.

Denk aan:

1. Onderdelen van Grimms poppetjes
2. Ostheimer speelgoed
3. Knutselopdracht met materiaal en stappenplan
4. Stukjes van een knikker– of treinbaan
5. Krijtjes van Stockmar
6. Kleurtjes klei of bijenwas
7. Etui met elke keer iets voor erin        

Bovenstaand en onderstaand artikel komen van evrydaymommyday.com

Een magisch Sinterklaasfeest

Wie kent dat gevoel van dat je door de straat loopt en je het idee hebt dat je net een veer en een kleurige pet de hoek om zag flitsen? Of wie sloop er vroeger, net als ik in de nacht zijn bed uit om door de gordijnen te gluren of je misschien Sinterklaas op het dak zou zien?
Voor mij als kind was Sinterklaas gehuld in magische nevelen. Zoals de Duitse Nikolaus onzichtbaar blijft, maar altijd een spoor van fairy dust achter zich laat, zo betoverend en ontastbaar was de Sint ook voor mij in mijn kindertijd.

Sinterklaas, een leugen?

In ons gezin is Sinterklaas, net als Sint-Maarten of Maria en Jozef, een verhaal. Het verhaal van een man die anderen wil helpen. Hij deelt zijn rijkdommen met hen die het nodig hebben, want kunnen geven maakt blij.
Wij blijven weg van grote Sinterklaasevents, kruipen niet bij Sint op schoot, kijken niet het Sinterklaasjournaal met stressige cliffhangers en praten niet over wat Piet zal doen als je niet braaf bent geweest.
We kijken Sinterklaasboeken, zingen Sinterklaasliedjes, bakken pepernoten zodat ons huis geurt van de speculaaskruiden, knutselen Sinterknutsels en geven vragen over de Sint gewoon terug…. „Wat denk jij?“
Als standaard cadeau krijgen de kinderen iets voor de verkleedklerenkist, want ook zij kunnen Sint, Piet, ridder of dokter zijn.
Ik vertel geen leugens maar laat mijn kinderen in de magie geloven omdat ze erin willen geloven. Net als dat er dwergjes mogen rondlopen in het bos en hun geliefde pop ook daadwerkelijk getroost moet worden als ze gevallen is.
Voor kleine kinderen bestaat er nog een dromerige wereld die ergens tussen de werkelijkheid en de fantasie zweeft.
Leer kinderen niet te geloven in de Sint, maar verklaar ze ook niet intellectueel de wereld uit angst om te liegen.
Op een dag wordt elk kind wakker en komen de vragen. En opeens komt het besef hoe het zit en is het tijd een ingewijde te worden in de raadselen rondom de Sint. (Lees onderaan mijn verhaaltip).

Sinterklaas anno 2019

Opvallend van tegenwoordig vind ik hoe reëel en tastbaar de Sint voor kinderen is geworden. Sint komt via het Sinterklaasjournaal tot op de poriën scherp de huiskamer binnen. Sint is niet in vraagtekens gehuld, maar we leven vol emotie mee met alle ervaringen en tegenslagen op zijn tocht naar Nederland.
In Nederland gekomen staat een stuiterende kinderzee te wachten op de Sint. Luid schallen de liedjes door de boxen om tegen de spreekkoren van de voor- en tegenstanders van Zwarte Piet op te komen.
Politie en ME teams begeleiden de Sint terwijl mijn kinderen zich afvragen waarom iedereen Zwarte Piet roept, terwijl ik hen juist net heb geleerd over de roetveegpiet. En: „Waarom, mama is er zoveel politie? Waarom
schreeuwen die mensen zo, het lijkt wel of ze boos zijn?“

Sinterklaasgekte

Na de intocht van de Sint begint de tijd van opwinding pas echt. Dagelijks mogen de schoenen gezet worden, elk weekend vinden er Sinterklaasevenementen plaats, elk kind kan wel een paar keer Sint en Piet live ontmoeten (“Hé
mam! Die baard is heel anders dan die van Sint op TV!”), de grote speelgoedwinkels kunnen hun Dagobert Duck geluk niet op en op 5 december komen de grootste zakken vol met cadeaus de huizen binnen om opengescheurd te worden op zoek naar de iPhone die bovenaan het verlanglijstje stond.
Vier weken lang slaan de kinderhartjes in razend tempo, draaien wij ouders op hoge toeren om aan de verwachtingen van de Sint te kunnen voldoen en zijn we allemaal weer blij als de rust op 6 december is weergekeerd…voor even…
Wat was ook alweer het idee van het Sinterklaasfeest?
Sinterklaas is heilig verklaard omdat hij mensen in nood hielp. Wij gedenken Sinterklaas door te delen en door het zo moedig te zijn onszelf in de spiegel te durven bekijken. Lees mijn Sinterklaasblog over de achtergronden van Sint en
Piet. Naar mijn bescheiden mening gaan we met de huidige ietwat consumentistische, more is more trend een beetje voorbij aan het idee van dankbaarheid, verwonderende vreugde en geheimzinnigheid.

Pietendiscussie

Weet je dat we het eigenlijk zo met elkaar eens zijn! We willen een fijn feest voor ieder kind. Als dat je vertrekpunt is, dan houd je niet vast aan dat wat was, maar dan zoek je samen naar iets wat iedereen blij maakt; dát is delen en dát is jezelf in de spiegel durven kijken.
Het is een feit: sinds het leven van de Heilige Nicolaas in de 13e eeuw, is het feest talloze keren aan de veranderende tijd en het samenstromen van culturele invloeden onderhevig geweest. Waarom dan nu zo krampachtig vasthouden
aan iets, wat voor kinderen niet van het geringste belang is?
Kunnen we afspreken de discussie over die goede Piet niet meer voor de ogen van kinderen te voeren?
Ik ben vol vertrouwen; er zal wat tijd overheen gaan, maar het uiterlijk van Piet gaat veranderen! Bij ons in ieder geval op de jaartafel mooie roetveegpieten in alle huidskleuren die onze aarde rijk is. Mee eens?
Less is more
Ik kies voor de magische, kleine, warme familiaire versie van het Sinterklaasfeest. Wij bekijken de Sint alleen bij de intocht. We zingen, we lezen, we bakken en delen uit aan onze dierbaren. Schoentjes zetten is een feest en kan
prima 1x per week. En als je niet gewend bent dat altijd alle wensen in vervulling gaan, dan zie je zelfs nog de grote dankbaarheid in de ogen van die kleine snoetjes als ze een een heerlijk mandarijntje en een handje vol pepernoten vinden.
Geniet van een Sinterklaasavond waarbij de harten kloppen van verwachting, geniet van de warmte bij de open haard en de gezelligheid, lach, zing, smikkel en deel. En ben dankbaar voor alle materiële en immateriële geschenken, want dankbaarheid is de herinnering van het hart.
Een heerlijke Sinterklaastijd gewenst!
Wie was eigenlijk Sinterklaas, hoe zit het met die Pietjes? Inspiratie nodig welke liedjes je nieuw kan leren en welke boeken mooi zijn voor deze tijd? Lees het in mijn Sinterklaasblog.
Wil je meer lezen over hoe je een jaartafel kan maken,
Youtube: Ik zing Sinterklaas liedjes zodat je bij interesse mee kan zingen en ze zo nieuwe liedjes kan leren. Succes!
Bij Waldorf Inspiration vind je inspiratie voor de jaartafel. Kijk op Facebook, Instagram of Pinterest.

Een adventssprookje

Daniël Udo de Haes

Een klein meisje zette eens haar schoentje onder de schoorsteen, want
over een paar dagen zou het Sinterklaasavond zijn. Ze wist niet wat ze wel verlangen zou om er in te krijgen en daar dacht ze zelfs helemaal niet aan.
Ze dacht alleen aan Sint-Nicolaas zelf, van wie haar ouders haar zoveel
hadden verteld en van wie al haar dromen en gedachten vervuld waren.
Ze dacht niet anders dan aan de oude bisschop, die op zijn schimmel
daarboven over de daken reed en die door de schoorsteen in de huizen
kwam, om zijn gaven aan de kinderen te brengen. Die wereld van de daken
was voor het meisje al halverwege de hemel, en uit die hoge wereld zou
Sint-Nicolaas komen.
Maar ook aan het paard moest worden gedacht en de moeder van het
meisje had haar een flink stuk brood gegeven om in haar schoentje te
leggen, zodat de schimmel iets om te eten zou vinden. Daarna haalde het
meisje zelf nog een bakje met water dat ze ernaast zette, zodat het paard ook drinken kon als het dorst had. Toen dit alles klaar was, zong ze met haar vader en moeder een paar mooie Sint-Nicolaasliedjes bij de schoorsteen, en vol van
haar heerlijke verwachtingen werd zij naar bed gebracht.
Nu droomde zij nog veel meer van Sint Nicolaas, dan zij de hele dag al had gedaan. Zij droomde dat de heilige door de schoorsteen in de kamer kwam en toen hij zag, hoe goed het meisje voor zijn paard had gezorgd, legde hij een
hart van suiker in haar schoentje. Toen ging hij met zijn schimmel weer omhoog.
Maar het meisje droomde verder. Ze droomde zo mooi, dat al dromende haar eigen hart openging. Het ging even wijd open als zij haar schoentje had opengezet. En zie, daar ging haar droom uit haar hart omhoog. Hij ging mee met
Sint-Nicolaas op zijn schimmel over de daken en… toen naar de hemel.
Heel, heel hoog ging het in de hemel. En daar, hoog boven de wolken, tussen de zon en de maan, daar zagen zij een jonge vrouw in een blauwe mantel, die langzaam liep over de sterren en die een heel jong kindje in de armen droeg.
Dat was Moeder Maria, die het kerstkindje droeg, waarmee ze in de naderende kersttijd weer op aarde wilde komen.
En toen Maria Sint-Nicolaas aan zag komen, met de droom van het meisje bij zich op zijn schimmel, keek zij omlaag,
en daar zag zij het meisje zelf in haar bedje liggen slapen. En toen Maria zag hoe wijd het hart van het meisje naar de hemel openstond, nam zij iets van het morgenrood uit het hart van haar kindje en vroeg Sint-Nicolaas dit te willen
leggen in het hart van het meisje daar beneden. Sint-Nicolaas nam deze hartengave van het kerstkind dankbaar voor het meisje aan en keerde toen met haar droom terug naar de aarde.
De volgende morgen, toen Sint-Nicolaas alweer in Spanje was en de droom in het meisje was teruggekeerd, ontwaakte zij.
Vol spanning ging zij naar beneden.
Hoe zou het bij de schoorsteen zijn?
Zie, het kommetje was leeggedronken en het brood in haar schoentje was verdwenen. In plaats daarvan lag er een hart van suiker in. Het was dus echt waar, dat Sint-Nicolaas gekomen was…
Maar daar was nog iets wonderlijks, dat het meisje eerst nog niet had gezien. Het hart van suiker glansde… Het lichtte met een glans, die het meisje nog nooit eerder aan suikergoed had gezien. Het hart verspreidde een licht van
rode rozen, zoals men dat soms kan zien als de zon opgaat. Het meisje riep haar vader en moeder en toonde vol blijdschap het lichtende geschenk. Haar ouders vonden het hart prachtig, maar de glans konden zij niet zien. Het meisje verzekerde hun, dat het hart werkelijk glansde, maar zij wist niet, dat deze glans het morgenrood was dat in haar eigen hart lag en dat Sint Nicolaas daar voor Maria uit het hart van het Christuskind in had mogen leggen.
Sinds die nacht gebeurde het vaak dat het meisje iets om zich heen zag glanzen als het morgenrood, en dat andere mensen die glans niet konden zien.

Wie is het wichtelmannetje?

Antroposofisch leven, Naomi Rowaan

Graag vertel ik jullie over een oude traditie die voor mij erg waardevol is, het is de traditie van het wichtelmannetje.

Wie is het wichtelmannetje?
Het wichtelmannetje, ook wel tomte genoemd, is een wezen uit de oorspronkelijke Scandinavische folklore. We kunnen het wichtelmannetje zien als een soort kleine huisgeest, een kabouter die
je nauwelijks ziet of hoort. Het wichtelmannetje wordt vaak afgebeeld als een klein mannetje met een muts en een hele lange grijze baard.

Goede huisgeest

Het wichtelmannetje is een goedaardige huisgeest, die staat voor naastenliefde, warmte en gezelligheid. Het is in de Scandinavische landen traditie om op Sint -Maartensdag (11 november) lootjes te trekken, zoals wij dat wel doen met Sint-Nicolaas. Op elk lootje staat een naam van een van de gezinsleden. Voor degene die jij hebt getrokken ga je de komende tijd stiekem wichtelen, alsof je zelf een
klein wichtelmannetje bent.

Wat is wichtelen?

Wichtelen bestaat uit verschillende dingen. Met name kunnen we denken aan het opknappen van kleine klusjes in en om het huis, zoals een paar boodschappen, het bed opmaken of afhalen of de was ophangen en de planten water geven. Ook is wichtelen het geven van kleine attenties, kleine cadeautjes, verstopt onder iemands kussen of in een schoen of sok. Zelfgemaakte cadeautjes zijn natuurlijk helemaal leuk, maar dat hoeft niet. Wichtelen kan ook heel
goed in de klas op school. Pas met kerstmis vertel je voor wie jij het wichtelmannetje was.

Grappige traditie

Deze traditie is heel leuk om te doen, het brengt mensen dichter bij elkaar en het verrassingselement is ontzettend grappig en zal geheid voor blije gezichten en een goed humeur zorgen. Iets wat we wel kunnen gebruiken in de donkere tijd tussen Sint-Maarten en Kerst.
Zonder lootjes kan het ook.
Er is ook nog een andere manier om te wichtelen, zonder lootjes. Hiervoor gebruik je een zelfgemaakt wichtelmannetje, gemaakt van vilt en kastanjes bijvoorbeeld. Dit wichtelmannetje kun je achterlaten op de plek waar je gewichteld hebt, zoals op een stapel pas gevouwen wasgoed. Degene die het wichtelmannetje vindt, mag dan wichtelen voor iemand anders, en laat daar het wichtelmannetje weer achter, en zo ga je door. Deze manier is wat
anoniemer en verrassender dan de andere.

nog wat knutselplezier gevonden!

.

Sint-Nikolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint- Nicolaas       jaartafels

.

2899-2719

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhaal (1-3)

.

*Deze legende werd met toestemming van de uitgever overgenomen uit: A. Remizov, Nikola de Barmhartige, Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist 1986, in Jonas 7, 28-11-1986

.

NIKOLA ALS BORG

1

Op het hoogste punt van een steilte stond het gro­te huis van de rijke boer Antip. Antip was gierig en schraapzuchtig; hij hield veel van geld en gaf nooit iemand een cent, al zou die vlak vóór zijn huis van honger omkomen. Wel gaf hij geld ter leen als men hem een pand gaf, maar hij leende nooit geld op de belofte, het geleende af te werken.

In hetzelfde dorp woonde de boer Sergej. Hij is zijn leven lang arm geweest, maar nu was de nood zo hoog, dat hij en de zijnen door de hongerdood bedreigd werden.
Hij piekerde er aldoor over, hoe een uitweg uit die vreselijke toestand te vinden. Eens zei hij tegen zijn vrouw:
‘Weet je wat, Marja, ik ga naar Antip.’ ‘Je bent een domme man, je weet toch, dat hij zon­der pand niemand iets geeft.’
‘Mij zal hij wel lenen. Ik heb iets bedacht.’
En hij verliet zijn hut.                                 

Sergej kwam bij de rijke man en zei tegen hem: ‘Antip, vadertje, heb medelijden, wij sterven van honger.’
Het spijt me, broeder, maar je weet, dat ik nooit ie­mand geld leen.’
‘En als ik je een borg breng?’
‘Dat hangt er van af. Wie is je borg?’
‘Nikola. Ik heb op mijn heiligenplank een beeld van Nikola staan. Dat zal mijn borgtocht zijn.’
Antip streek over zijn baard. Het was een moeilijk geval, hij kon niet zonder meer weigeren: Antip was een vrome man, hij was belezen in de Schrift.
‘Weet je wat, kom tegen de avond, ik zal er over na­denken.’
‘Goed, ik zal het doen,’  zei Sergej. En hij verliet het huis van Antip.
Sergej keerde naar huis terug: nu zullen zij geld hebben, zij zullen niet van hon­ger omkomen, hij zal zijn zaken weer in orde bren­gen.

‘Antip heeft mij niet geweigerd, hij is bereid op mijn voorstel in te gaan; ik moet vanavond bij hem komen!’ — zei Sergej tegen zijn vrouw opgewekt.
Wat heb je hem dan gezegd?’ ‘Ik heb Nikola als borg opgegeven.’
‘Grote God, wat heb je nou gedaan!’
‘Wat ben je toch dom, vrouw; als er iemand is, die alles ziet en alles weet, dan is dat toch zeker Nikola: hij zal nooit iemand in de steek laten.’
Toen het avond werd haalde Sergej het beeld van Nikola van de plank. Daarna zei hij tegen zijn vrouw: ‘Marja, kleed je warm aan en volg mij. Je gaat bij het huis van Antip dicht bij het raam staan en je luistert goed naar alles, wat er zal gebeuren. Als je mij hoort zeggen: ‘Vadertje Nikola de Wonderdoener, wees mijn borg!’, dan moet je buiten, met een lage mannenstem antwoorden: ‘Ik ben borg’ of iets dergelijks.’
Marja deed haar warme doek om en liep achter haar man; zij had angst en klappertandde.
‘Waarom ben je zo bang! Er is toch geen reden voor. Ik heb je gezegd, dat Nikola alles ziet, alles weet, dat hij nooit iemand in de steek laat!’ Zo gingen zij verder.
Sergej met het beeld van Nikola liep voorop. Ach­ter hem liep Marja.

2

Het was donker op straat. Het sneeuwde eerst zacht, daarna werd het een echte sneeuwjacht.
Zij kwamen bij de steilte. Marja bleef buiten staan, Sergej ging met de icoon van Nikola het huis van Antip binnen.
‘Ik ben gekomen, zoals wij afgesproken hebben.’
‘En heb je je borg bij je?’
Sergej zette het beeld op het heiligenbeelden­plankje neer.
Op dat ogenblik kwam de vrouw van Antip bin­nen.
Sergej bekruiste zich en bad: ‘Vadertje Nikola de Wonderdoener, wees mijn
borg!’

Antip stond op en keek naar de icoon: zou de Heilige werkelijk verklaren borg te zijn?’
‘Ik ben borg!’ hoorden zij plotseling een stem. Iemand had het met een zachte stem gezegd, maar zo duidelijk, dat iedereen het horen kon: en Sergej, en Antip, en de vrouw van Antip, ‘Vrouw, heb je het gehoord?’ ‘Ik heb het gehoord.’
‘En heb je veel geld nodig, Sergej?’ ‘Ja, veel, – zei Sergej; hij voelde zich niet meer zo zeker van zijn zaak: de stem klonk anders dan die van Marja, — veel: honderd roebel!’
‘Geef hem tweehonderd,’ — zei de vrouw van An­tip. Antip opende zijn kist en haalde twee bankjes van honderd.
‘Voor hoelang leen je het geld? Wanneer krijg ik het terug?’
‘Tot Nieuwjaar,’ — zei Sergej.
Hij nam het geld en verliet het huis.

Buiten was het pikdonker. De sneeuwjacht nam steeds toe. ‘Kom naar huis, Masja ‘(1),  zei Sergej met zachte stem tegen zijn vrouw. Marja liep te klappertanden.
De volgende dag hebben zij allerlei dingen ge­kocht – als je geld hebt, kun je van alles krijgen! Zij kochten suiker, grutterswaren van alle soorten, meel en ook brandhout en dachten: wat zal nu het vuur in de oven vrolijk branden! Het leven in het huis van Sergej werd nu aange­naam als nooit tevoren.

3

De tijd vloog voorbij. Het werd Kerstmis, Nieuw­jaar naderde:
Sergej moest zijn schuld betalen, maar hij had geen geld. Sergej had gehoopt, dat hij met het ge­leende geld zijn zaken in orde zou brengen, dat hij wat zou verdienen, dat hij het geld op de een of andere wijze wel zou vinden, — maar hoe kan ie­mand die zo arm is als hij aan zulk een geweldig bedrag komen?

Het waren immers tweehonderd roebel!

Het werd Nieuwjaar — Sergej bracht het geld niet.
Antip wachtte nog een dag, daarna nog een dag, maar vergeefs. Het verdroot hem erg: hij had zulk een vertrouwen in het geval en nu blijkt het, dat het bedrog was!
De derde dag nam Antip het beeld van Nikola en droeg het naar de markt. De gehele dag had hij over de markt rondgelopen, het beeld te koop aan­geboden — niemand wilde het beeld kopen. Antip werd wrevelig en verweet Nikola aldoor: ‘Wat is dat nou: ge hebt persoonlijk gesproken, ge hebt verklaard borg te zijn voor die zwerver en nu blijkt alles bedrog te zijn geweest!’ Hij wilde geen geld meer hebben, het kon hem niet meer schelen, dat hij zulk een verlies had gele­den, als hij maar tot bedaren kon komen: te bedenken, dat hij er zó ingelopen was!
Laat in de avond keerde Antip naar huis terug, met het beeld in zijn handen, en was vervuld van zijn bittere gedachten.
Onderweg ontmoette hij een oud mannetje.
‘Waar gaat ge naar toe, mijn zoon?’
‘Ik wil een heiligenbeeld verkopen’ — zei Antip; hij had die woorden in de loop van de dag reeds zo veel keer herhaald.
‘Wat wil je er voor hebben?’
‘Het kan mij niet schelen. Je kunt het zonder geld krijgen.’
De oude man nam de icoon, haalde uit zijn zak twee bankjes van honderd roebel en gaf ze aan An­tip.
‘Ga met god, mijn zoon.’
Op weg naar huis moest Antip de bevroren rivier oversteken. Het was reeds volkomen donker — hij hield de twee bankbiljetten stevig in zijn vuist ge­klemd.
Bij de oever was het ijs met sneeuw bedekt. Het was erg glibberig; Antip gleed uit en ging op het ijs zitten – doch toen hij weer wilde opstaan, lukte het hem met.
Hij probeerde het zus en zo — het hielp niet.
Toen begon hij om hulp te roepen. Hij riep zo hard, dat van alle kanten mensen kwa­men aansnellen: men herkende de stem van de rij­ke man; zij tilden hem op en droegen hem naar zijn huis.
Van af die tijd kon Antip niet meer lopen, al zijn geld kon hem niet meer helpen. Sindsdien bracht hij zijn dagen zittend door.

(1) Masja is een verkleinvorm van Marja, dus: Rie)

.

Sint-Nicolaas: alle verhalen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2894-2714

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhaal (1-4)

.
Uit ‘Nikola de Barmhartige’ uit schoolkrant – nadere gegevens ontbreken
.

HET VUUR VAN NIKOLA
.

De Heilige Nikola heeft veel over Gods wereld rondgezworven.
Hij heeft veel landen bezocht, de gehele wereld doorgetrokken, er waren slechts drie dorpen overgebleven.
Hij ging het eerste dorp binnen. De kinderen omringden hem. „Een Taljaan, — riepen zij luidkeels, — een Taljaan is gekomen! Dadelijk gaat hij op z’n orgel spelen!” De mannen en vrouwen snelden uit de huizen, omringden hem. „Zeg, oudje, waar is je draaiorgel? Speel ons een vrolijk moppie, dan zullen we effe hopsen!” — riepen zij en hinnikten als hengsten, die lang op een plaats hadden gestaan.
Het gedrag van die mannen en vrouwen ergerde Nikola, hij begaf zich naar het tweede dorp.

Daar was het al niet beter: niemand wilde hem binnenlaten! En het begon al donker te worden. In één huis zeiden zij, bang te zijn: hij zou duivels bij zich kunnen hebben.
In een ander huis: misschien is hij een dief.
In het derde huis: hij zal wel een verklede landloper zijn!
Toen Nikola bij het vierde huis kwam — pakte de boer een zwaar stuk hout en keek hem dreigend aan. Toen begaf Nikola zich naar het derde dorp.

Hij liep door het dorp — en van alle kanten wezen zij met de vingers naar hem.
Hij kwam bij een huis en vroeg verlof om te mogen overnachten. „Heb je wel een kruisje om?”
„Ja.”
„Sla eens een kruis!”
Nikola deed het.
Zeg maar op: „De Here verrijze!”
Nikola deed het.
„Zeg nu het „Credo” op.”
Hij zei het „Credo” op.
„En ken je het gebed „verdrijf de boze van mij”?
De oude man was dat gebed vergeten,.
„Neen, — zei de baas, — ga maar heen. Het „Credo” heb je niet al te goed opgezegd en nu blijkt het, dat je „verdrijf” in het geheel niet kent. Je hoeft mij niet te smeken. Je kent de gebeden niet behoorlijk, ik houd niet van mensen, die hun gebeden niet op hun duimpje kennen.”

En intussen was het volkomen nacht geworden. Het werd pikdonker Hij moest op de tast zijn weg verder zoeken.

De wind huilde.

Nikola kwam bij het laatste huis. Daar woonde een eenzame, ongetrouwde man. Hij ontving de late bezoeker vriendelijk, spreidde hooi voor hem als legerstede uit, gaf hem een pelsjas om zich toe te dekken.

Zij gingen beiden slapen.

Vroeg in de ochtend werd de eenzame boer wakker. Hij stond op en ging naar de dorsvloer, rogge dorsen. Nikola stond ook op en ging met hem mee om hem bij zijn werk te helpen, om hem op deze wijze voor zijn gastvrijheid te belonen.
Zij stonden lange tijd te werken. Zij zwaaiden met de vlegels en werden er moe van.
Toen zei Nikola: „Weet je wat, beste man, volg maar mijn raad op. Ik doe het anders.’
Nikola nam een lucifer en stak de brand in de schoven.
In één oogwenk stonden de schoven in lichtelaaie; zij brandden — het was een blank vuur — maar verbrandden niet: elk strohalmpje ging naast het andere liggen, elke graankorrel naast de andere.

Het heeft geen uur geduurd of alle schoven waren op deze wijze gedorst,— het graan was blank, zuiver, groot, je hoefde het niet te wannen
De heilige man nam afscheid van zijn gastheer en zette zijn reis voort.

De volgende dag vertelde de eenzame boer zijn buren van zijn gast — die vreemde oude man, hoe hij het graan dorste.
„Laat ons ook proberen het graan op deze wijze te dorsen!” — besloten de andere boeren.
En zij staken de brand in hun schoven — de opgestapelde schoven flakkerden, daarna sprong de brand op de huizen over.

Het heeft niet lang geduurd of van het gehele dorp alleen afgebrande palen overbleven.

.

Sint-Nicolaas: alle verhalen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2892-2712

.

.

.