Maandelijks archief: februari 2021

VRIJESCHOOL – Gezondheid en innerlijke scholing

.
Joop van Dam, Motief 189, febr. 2015
.

Gezondheid en innerlijke scholing

SLAAP ER EENS EEN NACHTJE OVER
.

Na een nacht slapen voel je je vaak een stuk beter. Logisch, het fysieke lichaam heeft immers rust gehad en ook het etherlichaam is niet geëngageerd en gebruikt geweest. In die rustpauze kon gewerkt worden aan de opbouw en harmonie van dit levensorganisme.
Er is echter nog verklaring mogelijk: Rudolf Steiner schreef dat bij het slapen het fysieke lichaam en het etherlichaam in het bed achterblijven, terwijl het astraallichaam en het ‘ik’ zich uitbreiden in de geestelijke wereld. Het astraallichaam aanschouwt in de geestelijke wereld het oerbeeld van de gezonde mens en kan zich dan daaraan heroriënteren en corrigeren.

In de vroegere genezende mysteriën werd in de zogenoemde tempelslaap van deze gedachte gebruik gemaakt. De
mysterieleider begeleidde de patiënt naar het aanschouwen van het oerbeeld van de gezondheid. Met deze opgenomen nieuwe indruk keert de ziel dan terug bij het ontwaken en prent deze impressie in het etherlichaam in. Dat gebeurt niet alleen bij het ontwaken, het voltrekt zich meerdere malen gedurende de nacht. In het elektro-encefalogram van de hersenen vertoont zich dit in de kortdurende perioden van de REM-slaap (REM = rapid eye movement). Deze snelle oogbewegingen gaan gepaard met dromen. Hierna ontwaakt de mens of slaapt gewoon verder. Deze inprenting is minstens net zo belangrijk voor de gezondheid als de rustpauze van het fysieke lichaam en het etherlichaam. We vergeten heel gemakkelijk dat zich in de nacht heel belangrijke processen afspelen, ook al wordt het ‘ergens een nachtje over slapen’ veel gepraktiseerd. Het blijkt uiterst vruchtbaar om iets wat eerst moeilijk oplosbaar leek, zonder oordeel of besluit te laten en tot de volgende dag te laten rusten. Na een nacht slapen is dan een veel objectievere verhouding ontstaan. Je bent minder emotioneel betrokken en de oplossing dient zich gemakkelijker aan, vaak met een grote evidentie. In de nacht wordt het probleem als het ware ‘verteerd’.

Het is goed mogelijk om dat wat in de nacht gebeurt voor te bereiden in de dag daarvoor, bijvoorbeeld door ’s avonds een vraag te stellen en daarmee de nacht in te gaan. Het is belangrijk het antwoord op de vraag bewust uit te stellen tot de volgende dag, zodat de vraag bij wijze van spreken ongehinderd kan werken. Datgene wat in de nacht gebeurt, kan zich in de dromen openbaren. Vooral de dromen midden in de nacht kunnen tips geven, maar ook de ontwaakdromen kunnen met een woord of een zin een aanwijzing geven. Ook kan het optreden van mensen in droombeelden aanleiding zijn om contact met de betreffende personen te zoeken. Je kunt jezelf oefenen om attent te zijn op deze dromen en om ze ook vast te houden. Daarbij kan het een hulp zijn om, naast een dagboek ’s avonds, ’s ochtends een ‘nachtboek’ bij te houden en daarin de opgevangen dromen op te schrijven.

Waken en slapen

Over het belang van slapen en waken voor de pedagogie sprak Rudolf Steiner al in de eerste voordracht van Algemene menskunde, de eerste opleidingscursus die hij voor het beginnende lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart hield. Wat brengt het kind van het onderwijs mee in de nacht? In de nacht vindt een verdere ‘vertering’ plaats, en ervaren leraren kunnen aan de kinderen waarnemen wanneer zo’n verwerking ‘klaar’ is en instrument geworden is om de wereld te kunnen ontmoeten.
In de derde opleidingscursus Menskunde en opvoeding komt Rudolf Steiner terug op het thema van waken en slapen, en wel op een heel verrassende wijze. Hij geeft aan dat er twee stromen in de pedagogische activiteiten zijn. De ene betreft het werken met voorstellingen, iets wat zich cognitief, vooral in het hoofd afspeelt. De andere stroom werkt met de bewegende mens – breien, handenarbeid, euritmie, muziek – waarbij de ‘benedenmens’ geëngageerd wordt. In het samengaan van beide stromen voltrekt zich de ontwikkeling van het kind. Steiner gaat vervolgens in op de bewegende mens en bespreekt die aan de hand van de euritmie, en daar komt iets onverwachts en belangrijks. Bij de euritmie beweegt het fysieke lichaam samen met het etherlichaam. Het astraallichaam en het ik verweren zich vooreerst, maar in de nacht wordt dat wat euritmisch is gedaan, verwerkt. Het astraallichaam brengt het resultaat van dat verwerkingsproces mee bij het ontwaken en prent dit in het etherlichaam in. Als op deze manier de euritmie verzorgd is, wordt in werkelijkheid geestelijke substantie binnengedragen in de mens. De leerling merkt de bijzonder gezondmakende kracht ten gevolge van deze inprenting, want de gezondheidskrachten komen uit het etherlichaam.

Overschotkrachten

Niet alleen de nacht kan versterkend werken op het astraallichaam, en vervolgens op het etherlichaam, ook overdag is dat mogelijk. Het gaat opnieuw via de ziel. Spanningen en haast in de ziel breken de levenskrachten af, maar die kunnen ook door de dag weer worden opgebouwd.

In het scholingsboek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ wordt in het eerste deel een aantal zielenhoudingen genoemd, die enerzijds harmonie en innerlijke rust scheppen, en anderzijds werken aan de waarnemingsorganen voor de geestelijke wereld, de zogenoemde lotusbloemen: deemoed, moed, geduld, positiviteit, leren luisteren, tegenwoordigheid van geest, enzovoort. Daarnaast worden er zieleninhouden aangegeven, die de lotusbloemen verder tot ontwikkeling brengen.

Het boek ‘De geestelijke leiding van mens en mensheid’ behandelt deze zelfde innerlijke activiteiten op een andere manier en in samenhang gebracht met de zelfgenezende kracht van het lichaam. Steiner beschrijft eerder in dit boek hoe het jonge kind in de eerste levensjaren de menselijke vermogens van rechtop staan, spreken en denken, tot stand brengt met de hulp van hoge hiërarchische wezens. Omstreeks het derde jaar trekken deze wezens zich terug om de vrijheid mogelijk te maken voor de mens, die dan deze vermogens op een ander vlak zelfstandig verder kan voeren. Dan volgt een verrassende passage:

Alles wat wij kunnen voortbrengen aan idealen, aan kunstzinnig scheppen, maar ook alles wat wij kunnen oproepen aan natuurlijke, gezondmakende krachten in ons menselijke lichaam waarin een voortdurend herstel plaatsvindt van de schadelijke invloeden van het leven, dat alles komt niet uit het gewone verstand voort, maar uit dieper gelegen krachten. En ten slotte stromen ons uit dezelfde bron ook de levenskrachten toe, waardoor we tot inzicht kunnen komen in de geestelijke wereld, dat wil zeggen tot ware helderziendheid.

De zelfgenezende krachten, tegenwoordig ‘salutogenese’ (= gezondheidscheppende krachten) genoemd, worden bij ziekte gemobiliseerd. Voor die tijd liggen ze, nog ongebruikt, klaar. Het zijn als het ware extra krachten, je kunt ook zeggen: over-schotkrachten.

Ze staan naast elkaar, de krachten van het etherlichaam die voor het bewustzijn gebruikt worden, en de krachten van het etherlichaam die op het fysieke lichaam gericht zijn. Wordt er aan de bewustzijnskant met overschotkrachten gewerkt, dan blijken ook de salutogene krachten sterker werkzaam te worden.

Bij een ideaal gebruik je die extra krachten, want een ideaal is een idee met een extra. Jouw extra zit daarin. Je doet meer dan de beleefdheid vraagt. Kunstzinnig scheppen is voelen met een extra, je gebruikt het voelen als instrument en creëert tevens iets nieuws. Een scholingsweg gaan, is willen tot de tweede macht verheven, extra wil die volgehouden wordt.

Je kunt deze drie activiteiten zelfs vergelijken met het lopen, spreken en denken van het jonge kind. De scholingsweg gaan is immers lopen op een nieuw pad, kunstzinnige activiteit is spreken met het materiaal – met hout, koper, kleuren of tonen – en daarmee jezelf uitspreken.

Leven met idealen is op een nieuwe manier denken.

Literatuur:

Steiner:
Menskunde en opvoeding
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
De weg tot inzicht in hogere werelden
De geestelijke leiding van mens en mensheid

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

2460-2308

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (57)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

CORSO, HET EZELTJE

Corso is het lievelingsezeltje van Tonia. Zij woont op Corsica met haar  vader en haar broertjes en Maria, de hulp. Haar Nederlandse moeder is gestorven en nu komt haar oom, de broer van haar moeder, bij haar vader ezeltjes kopen die meegaan naar Nederland.
Tonia gaat ook mee en haar reis in een vrachtwagen met een pas geboren ezeltje op haar schoot, is best spannend.
En ook Nederland, vooral bij tante en de goede Mienemeu is het spannend en onwennig. Veel ezeltjes worden verkocht. Corso, die ook mee is, natuurlijk niet, die blijft van Tonia. En alleen wie goed is voor de ezel, mag hem kopen! Zij maakt kennis met Trieneke, de blinde molenaarsdochter die al snel dol is op Corso. Aan het lange verblijf waarin Tonia van alles beleeft en leert komt ook weer een eind. Ze moet weer terug naar huis. Maar gaat Corso ook mee?

CORSO, HET EZELTJE

C. Pothast-Gimberg
Ill. Elly van Beek

Het boek kreeg in 1959 de kinderboekenprijs.

Er volgden nog meer delen.

BOEK

Uitgegeven bij Van Goor

(Tonia is 12 jr.)

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2459-2307

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/12)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

303

Voordracht 9, Dornach 31 december 1921

Blz. 171/172   vert. 188

Mit dem Zahnwechsel, mit dem selbständig durch Atmung, 
Zirkulation wirkenden Gefühlssystem, sondert sich das Kind ab von dem anderen, und daher wird ihm der andere Mensch ein Wesen mit einer Innerlichkeit. Und das verlangt beim Kinde, daß es in scheuer Ehrfurcht zu dem Erwachsenen, der groß ist, hinaufschaut, daß es sich gefühlsmäßig nach ihm richten lernt. Das bloße Nachahmungsprinzip, das sich auf die Äußerungen bezog, wird nach dem Zahnwechsel zu einem anderen; rein aus den Bedürfnissen der menschlichen Natur heraus muß sich das Autoritätsprinzip entwickeln.
Sie werden mir, der ich als junger Mensch im Beginn der neunziger Jahre meine «Philosophie der Freiheit» geschrieben habe, nicht zumuten, daß ich aus besonderer Sympathie für den allgemeinen Gehorsam für dieses autoritative Wesen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife eintrete. Aber es muß dafür eingetreten werden, weil die menschliche Wesenheit in diesem Lebensalter verlangt, daß das Autoritative eine Rolle spielt.

Met de tandenwisseling, met het zelfstandig door ademhaling en bloedsomloop werkend gevoelssysteem, zondert het kind zich af van de anderen, en daardoor wordt voor hem de andere mens een wezen met een innerlijk. En dat vraagt van het kind dat het in diepe eerbied naar de grote volwassene opkijkt, dat het zich gevoelsmatig naar hem leert richten. Het principe van louter nabootsing, dat op de uiterlijke tekenen betrekking had, wordt na de tandenwisseling tot iets anders; puur vanuit de behoeften van de menselijke natuur moet zich het autoriteitsprincipe ontwikkelen.
U zult mij, ik die op jonge leeftijd aan het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw De filosofie van de vrijheid geschreven heeft, niet toedichten dat ik het opneem voor dit autoriteitsprincipe uit bijzondere sympathie voor onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid. Maar het is nodig hiervoor op te komen, want het menselijk wezen op deze leeftijd verlangt dat het autoriteitsbeginsel een rol speelt.
We komen op latere leeftijd alleen tot het juiste gebruik van onze vrijheid als we diepe eerbied en autoriteitsgevoel hebben leren kennen tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid.

Blz. 174  vert. 188

Das chaotische soziale Leben, das immer chaotischer und chaotischer zu werden droht, das vor allen Dingen dadurch chaotisch ist, daß die Menschen den Freiheitsinstinkt an die Stelle des Freiheitswillens und Freiheitsgemütes setzen und eigentlich den Wert der inneren Freiheit in der richtigen
Weise zu gebrauchen verlernt haben. Derjenige, der das Leben beobachten kann, kann durchaus einen Zusammenhang sehen zwischen dem sozialen Chaos in der Gegenwart und zwischen denjenigen Erziehungsprinzipien, die zwar das intellektualistisch-naturalistische Bedürfnis in hohem Grade befriedigen konnten, die aber den Vollmenschen nicht auf die rechten Wege bringen werden. Man muß eben durchaus wissen, daß das Leben sich in polarischen Gegensätzen entwickelt, und daß der Mensch im späteren Leben dadurch in der richtigen Weise frei werden kann, daß er gelernt hat, in der richtigen Kindheitszeit gelernt hat, sich zu sagen: Das ist wahr, was der verehrte Lehrer oder Erzieher ihm für wahr bezeichnet. – Oder: Das ist falsch, weil er es sagt! Das ist schön! Das ist häßlich! – was er ihm als schön oder häßlich bezeichnet. Das ist gut, und das ist böse! –

het chaotische sociale leven, dat steeds chaotischer dreigt te worden, dat vooral chaotisch is door het feit dat de mensen het vrijheidsinstinct op de plaats van de wil tot vrijheid en het gevoel voor vrijheid zetten, en eigenlijk verleerd hebben de waarde van de innerlijk vrijheid op de juiste wijze te gebruiken. Wie het leven kan doorzien, kan zeker een verband zien tussen de sociale chaos van tegenwoordig en die opvoedingsprincipes die weliswaar de intellectualistisch-naturalistische behoefte in hoge mate konden bevredigen, maar die de volledige mens niet op de goede weg zullen brengen. Men moet nu eenmaal goed weten dat het leven zich in polaire tegenstellingen ontwikkelt en dat de mens in het latere leven op de juiste wijze vrij kan worden doordat hij geleerd heeft, op het juiste moment in de kindertijd geleerd heeft tot zichzelf te zeggen: ‘Het is waar wat de gewaardeerde leraar of opvoeder mij als waar heeft voorgehouden.’ Of: ‘Dat is fout, omdat hij het zegt! Dat is mooi! Dat is lelijk!’ wat hij voor hem als mooi of lelijk beschrijft. ‘Dat is goed en dat is kwaad!’

Der Mensch gewinnt mit dem Zahnwechsel ein neues Verhältnis zur Welt, aber die Welt muß ihm zunächst in der Form des Seelenlebens, das er jetzt erst abgesondert von sich
empfinden kann, als die erzieherische Autorität entgegentreten. Der Erzieher ist die Welt für dieses Lebensalter. Man muß die Welt zunächst als Inhalt des Lebens des Erziehers kennenlernen, um im späteren Leben zum wirklichen, wahren Gebrauche der Freiheit zu kommen.
Daher müssen wir sagen:
Von der Geburt bis zum Zahnwechsel = Nachahmungstrieb;
vom Zahnwechsel zur Geschlechtsreife = Prinzip der Autorität;
der selbstverständlichen Autorität, nicht der erzwungenen, jener Autorität, die durch die Imponderabilien, die den richtigen Rapport hervorrufen zwischen dem Kinde und dem Erzieher, bewirkt wird.

De mens krijgt bij de tandenwisseling een nieuwe relatie tot de wereld, maar de wereld moet hem in eerste instantie in die vorm van het zielsleven dat hij de dingen nu pas afgezonderd van zichzelf kan ervaren, tegemoetkomen als de opvoedende autoriteit. De opvoeder is voor deze leeftijd de wereld. Men moet de wereld in eerste instantie als inhoud van het leven van de opvoeder leren kennen, om later in het leven tot een echt waarachtig gebruik van de vrijheid te komen.
Vandaar dat we moeten zeggen:
vanaf de geboorte tot de tandenwisseling
= nabootsings-drift;
van de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid
= autoriteitsprincipe;
principe van de vanzelfsprekende autoriteit, niet de opgedrongen autoriteit, maar die autoriteit die tot stand komt door de verborgen krachten die de goede verbinding oproepen tussen het kind en de opvoeder.
GA 303/171-174    
Vertaald/187-188

 

Voordracht 10, Dornach 1 januari 1922

Blz. 177  vert. 201

Wenn das Kind das neunte Lebensjahr vollendet hat, folgt ein wichtiger Entwickeiungsmoment im Zeitpunkte zwischen dem neunten unddem zehnten Lebensjahr. Dieser Entwickelungsmoment kann dadurch charakterisiert werden, daß man darauf aufmerksam macht, wie das ja mit dem Zahnwechsel eintretende Autoritätsbedürfnis des Kindes
gewissermaßen bis zu dem vollendeten neunten Lebensjahr undifferenziert ist. Das Kind individualisiert nicht gegenüber der Autorität.
Es nimmt dasjenige, was autoritativ gegeben wird, als solches hin und hat ein Bedürfnis, sich darnach zu richten. Mit dem vollendeten neunten Jahre tritt bei dem Kinde etwas ganz Besonderes auf. Es will gewissermaßen von diesem Zeitpunkte an die Autorität in einer gewissen Weise begründet haben.

Wanneer het kind het negende levensjaar heeft afgesloten, volgt een belangrijk ontwikkelingsmoment op het tijdstip tussen het negende en tiende levensjaar. Dit ontwikkelingsmoment kan gekarakteriseerd worden door op te merken hoe de bij de tandenwisseling intredende autoriteitsbehoefte van het kind tot aan het einde van het negende levensjaar ongedifferentieerd is. Het kind individualiseert niet jegens de autoriteit; het accepteert dat wat de autoriteit hem aanreikt zoals het is en heeft ook behoefte zich daarnaar te richten. Aan het einde van het negende jaar treedt bij het kind iets heel bijzonders op. Het wil in zekere zin vanaf dit tijdstip zien dat de autoriteit op een bepaalde manier onderbouwd is.

Mißverstehen Sie mich nicht. Das Kind stellt nicht etwa verstandesmäßig die Erwägungen an: ist die Autorität begründet oder nicht? Aber im ganzen Empfindungsleben des Kindes liegt etwas, was sowirken muß, daß sich die Autorität durch ihre eigene Qualität, durch ihr Darinnenstehen im Leben, durch die eigene Sicherheit bewährt. Dafür hat das Kind von diesem Zeitpunkte an ein besonders feines Gefühl, und das äußert sich eben dadurch, daß auch objektiv in diesem Zeitpunkt eine Wendung im Leben des Kindes eintritt, die absolut berücksichtigt werden muß, wenn die Erziehung und der Unterricht gesund sein sollen. 

Begrijpt u mij niet verkeerd. Het kind overweegt niet met het verstand: is de autoriteit onderbouwd of niet? Maar in het hele gevoelsleven van het kind is iets aanwezig wat zo moet werken dat de autoriteit zich waarmaakt door zijn eigen kwaliteit, door de manier waarop hij in het leven staat, door de eigen zekerheid. Daarvoor heeft het kind vanaf dit tijdstip een bijzonder fijn gevoel, en dat blijkt uit het feit dat ook objectief op dit tijdstip een wending in het leven van het kind optreedt waar absoluut rekening mee moet worden gehouden als de opvoeding en het onderwijs gezond willen zijn.
GA 303/177  
Vertaald/201

Voordracht 11, Dornach 2 januari 1922

Blz. 197  vert. 223

 Gestern habe ich zuletzt versucht, über die Entwicklung des Gedächt­nisses zu sprechen. Gerade gegenüber dieser Gedächtnisentwicklung wird man bemerken können, daß heute der Mensch bei seinen Maximen über das Erziehungs- und Unterrichtswesen recht wenig auf das Rück­sicht nimmt, was sich einer wirklichen Menschenerkenntnis als die Fortsetzung und Umwandelung gewisser Impulse in das spätere mensch­liche Leben hinein ergibt. Es ist ja heute sogar vielfach so, daß der Er­wachsene die Art und Weise, wie sein Organismus ist, wie sein Seelenleben ist, sich klarzumachen versucht, und von dem, was ihm als das Bequeme, als das Richtige für sich als Erwachsenen erscheint, setzt er dann auch ganz unbewußt voraus – ich behaupte gar nicht, daß das mit vollem Bewußtsein geschieht -, daß das auch gegenüber dem Kin­desalter unternommen werden müsse.

Gisteren heb ik in laatste instantie geprobeerd over de ontwikkeling van het geheugen te spreken. Juist tegenover deze geheugenontwikkeling kun je merken dat de mens tegenwoordig, bij zijn principes over het wezen van opvoeding en onderwijs echt weinig rekening houdt met wat zich vanuit een werkelijk menskundig inzicht als voortzetting en verandering van bepaalde impulsen in het latere leven van de mens voordoet. Het is tegenwoordig zelfs vaak zo dat de volwassene de wijze waarop zijn organisme, zijn psychische leven functioneert, en van dat wat voor hem als volwassene het gemakkelijke, het juiste lijkt, duidelijk probeert te krijgen; en hij onbewust veronderstelt — ik beweer dus helemaal niet dat dit met vol bewustzijn gebeurt — dat hetzelfde met de kinderen zou moeten gebeuren.

Aber gerade dadurch kommt man dem Kinde gegenüber in schiefe Lagen. Bedenken Sie nur einmal das Folgende: das Kind ist ja so zu behandeln, wie es seinen inneren Entwicklungskräften gemäß ist; es erfordert schon einmal während seines Kindesalters gewisse Dinge, zum Beispiel gerade dasjenige im umfassendsten Sinne, was ich als Autori­tätsgefühl geschildert habe; das Kind erfordert schon einmal durch seine Natur das, was unmittelbar und in seinem speziellen Wachstum angesehen werden muß. Nehmen Sie einmal den Fall an, irgend jemand kommt in seinem vierzigsten Lebensjahre dazu, daß ihm etwas aus der Seele heraufzieht. Durch die äußeren Erlebnisse verbreitet sich ihm plötzlich Licht über dasjenige, was da aus seiner Seele heraufzieht. Und was da aus seiner Seele heraufzieht, das hat er vielleicht auf die Autorität des von ihm geliebten Lehrers und Erziehers im achten oder neunten Lebensjahr aufgenommen. Damals konnte er es nicht anders als gedächtnismäßig annehmen, denn das innere Verständnis für eine sol­che Sache ist vielleicht erst mit dem vierzigsten Lebensjahr vorhanden -obwohl man heute nicht daran glaubt. Man kann aber mit dem Erwer­ben solcher Dinge nicht bis zum vierzigsten Jahre warten; deshalb

Maar juist daardoor kom je tegenover het kind op een verkeerd spoor. Denkt u zich eens het volgende in: het kind moet in ieder geval in overeenstemming met zijn innerlijke ontwikkelingskrachten behandeld worden. Er zijn nu eenmaal in de kinderleeftijd bepaalde dingen vereist, bijvoorbeeld juist wat ik in de meest omvattende zin van het woord heb geschilderd als autoriteitsgevoel. Het kind heeft nu eenmaal door zijn aard nodig wat direct en in samenhang met zijn speciale groei bekeken moet worden.
Neemt u eens aan dat iemand op zijn veertigste jaar merkt dat er iets in zijn ziel opkomt. Door de uiterlijke ervaringen wordt er plotseling een licht verspreid over dat wat in zijn ziel opkomt. En wat er dan vanuit zijn ziel opstijgt heeft hij misschien op autoriteit van de door hem geliefde leraar in zijn achtste of negende levensjaar opgenomen. Destijds kon hij niet anders dan het in zijn geheugen opnemen, want een innerlijk begrip voor zoiets is misschien pas in het veertigste levensjaar aanwezig — hoewel men daar tegenwoordig niet in gelooft. Je kunt echter met het verwerven van zulke dingen niet tot het veertigste jaar wachten. Daarom

Blz. 198  vert. 224

 entwickelt man ja die Sehnsucht nach Autorität im richtigen Lebens­alter. Aber wenn das eingetreten ist, daß, was man im achten Lebens­jahre auf Autorität hin aufgenommen hat den Erlebnissen der Außen­welt gegenüber, im vierzigsten Jahre heraufschießt und dadurch ein neues Licht bekommt, dann wirkt dieser Vorgang, verknüpft mit einem Empfinden eines inneren Lebensgefühles, erfrischend auf den ganzen Menschen. Eine innere Kraft entwickelt sich an einem solchen Vorgang, die man gar sehr im späteren Leben braucht. Und wenn man recht viel von dieser Art hat, was man auf das Autoritätsgefühl hin aufgenommen hat, und was dann in dieser Weise durch die späteren Lebensverhält­nisse aus dem Organismus heraufschießen kann, dann hat man das ganze folgende Leben hindurch viele Lebenserfrischungsquellen in sich.

ontwikkel je immers op de juiste leeftijd het verlangen naar autoriteit. Maar als op achtjarige leeftijd dat wat op autoriteit is aangenomen, op veertigjarige leeftijd aan de hand van uiterlijke gebeurtenissen weer omhoog schiet en daardoor in een nieuw licht komt te staan, werkt dit, verbonden met een ervaring van een innerlijk levensgevoel, verfrissend op de gehele mens. Door zo’n gebeurtenis ontwikkelt zich een innerlijke kracht die je in het latere leven hard nodig hebt. En als je veel van dit soort dingen op autoriteitsgevoel hebt opgenomen, die dan op deze manier door de latere levensomstandigheden uit het organisme omhoog kunnen schieten, dan heb je voor de hele rest van je leven veel bronnen in je die het leven verfrissen. Heel wat mensen worden tegenwoordig psychisch en lichamelijk zo vroeg oud omdat het hun aan deze verfrissende bron ontbreekt.
GA 303/197-198    
Vertaald/223-224

Voordracht 13, Dornach 4 januari 1922

Blz. 236  vert. 266

Wenn das Kind nun durch den Zahnwechsel hindurchgeht, so werden gewisse geistig-seelische Kräfte so frei, daß sie nicht mehr bloß ihre organische Gestalt annehmen. Sie nehmen schon einen geistigseelischen Charakter an. Das Kind entwickelt ein freieres Denken,Fühlen und Wollen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife als vorher. Es ist nicht bloß ein nachahmendes Wesen, es entwickelt den Grad des Bewußtseins, durch den es aus dem Autoritätsgefühl heraus sich an Äußeres anschließen kann. Aber es braucht eben doch dieses Autoritätsgefühl, um sich an Äußeres anzuschließen. Die gewöhnlichen Verhältnisse des Lebens genügen nicht. Der Erwachsene steht dem Erwachsenen anders gegenüber als das Kind mit seinem Autoritätsgefühl. Das Kind muß dieses Positive, das im Autoritätsverhältnisse liegt, zu dem Verhältnisse hinzufügen, das der Erwachsene dem Erwachsenen gegenüber betätigt, auch wenn irgend etwas mitgeteilt wird, oder in anderer Weise, ohne die Mitteilung, irgend etwas als eine Suggestion im guten Sinne vom Erwachsenen zum Erwachsenen ausgeübt wird. 

Wanneer het kind nu de tanden wisselt, komen bepaald geestelijk-psychische krachten zo vrij dat ze niet meer uitsluitend hun organische gedaante aannemen. Ze nemen al een geestelijk-psychisch karakter aan. Het kind ontwikkelt een vrijer denken, voelen en willen tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid dan tevoren. Het is niet meer uitsluitend een nabootsend wezen, het ontwikkelt de graad van bewustzijn waardoor het zich vanuit het autoriteitsgevoel bij het uiterlijke kan aansluiten. Maar het heeft dit autoriteitsgevoel nog wel nodig om bij het uiterlijke aan te sluiten. De gewone levensomstandigheden zijn niet voldoende. De volwassene staat anders tegenover de volwassene dan het kind met zijn autoriteitsgevoel tegenover de volwassene staat. Het kind moet dit positieve dat in de autoriteitsverhouding ligt, toevoegen aan de verhouding die de volwassene tegenover de volwassene in werking stelt, ook wanneer er iets wordt meegedeeld, of op een andere manier, zonder de mededeling, iets als een suggestie in de goede zin van volwassene tot volwassene wordt uitgeoefend.
GA 303/236  
Vertaald/266

Blz. 240  vert. 270

Und von der Geschlechtsreife an soll man sich klar sein, daß der
Mensch einem ein neues Wesen entgegenbringt, welches aus seinem Verhältnisse zur Welt entsteht, daß das Autoritätsgefühl jetzt keine Rolle mehr spielt, daß er vor allen Dingen, wenn irgend etwas an ihn herangebracht wird, die Gründe dafür verlangt.

En vanaf de geslachtsrijpheid moet het duidelijk zijn dat de mens je een nieuw wezen tegemoet brengt dat uit zijn verhoudingen tot de wereld ontstaat, en dat het autoriteitsgevoel nu geen rol meer speelt, dat hij nu voor alles wat hem geleerd wordt, de redenen wil weten.

Blz. 241  vert. 272

Wir müssen daher bis zur Geschlechtsreife hin, durch die vom Kinde ersehnte Autorität, das Kind so weit bringen, daß wir unsere Autorität von der Geschlechtsreife an nicht mehr anzuwenden brauchen. Aber wir müssen uns auch selber, ganz besonders als Lehrer und Erzieher, in eine solche Lage bringen, daß wir überall dasjenige begründen kön­nen, was wir an das Kind heranbringen wollen.

We moeten daarom tot aan de geslachtsrijpheid, via de door de kinderen verlangde autoriteit, het kind zo ver brengen dat we vanaf de geslachtsrijpheid onze autoriteit niet meer hoeven te gebruiken. Maar we moeten ons ook zelf, in het bijzonder als leraren en opvoeders, in een dergelijke situatie brengen dat we overal kunnen motiveren wat we het kind willen aanleren.
GA 303/240-241    
Vertaald/270-272

Voordracht 16, Dornach 7 januari 1922

Blz. 302  vert. 337

Und wenn wir dann an das eigentliche Gefühlsleben herantreten, dann entdecken wir im Gefühlsleben erst in der rechten Weise dasjenige, was nun das menschliche Innenleben aus sich selbst herausführt, das menschliche Innenleben in die äußere Welt hineinführt. Im Dankbarkeitsgefühl stehen wir den anderen Wesen gegenüber. Wenn wir aber mit unserem eigenen Leben uns in das andere Wesen so hineinfinden, daß wir es in einem gewissen Sinne miterleben, dann entwickelt sich für das Gefühlsleben dasjenige, was wir die Liebe nennen in Wirklichkeit. Die Liebe ist das zweite Element, das gepflegt sein will im Hinblicke auf das moralisch-religiöse Leben.

En als we dan het eigenlijke gevoelsleven betreden, dan ontdekken we in het gevoelsleven pas op de juiste wijze wat nu het menselijk innerlijk leven uit zichzelf wegvoert, het menselijk innerlijk leven in de uiterlijke wereld binnenvoert. In het dankbaarheidsgevoel staan we tegenover de andere wezens. Maar als we met ons eigen leven zo met het andere wezen vertrouwd raken dat we het in zekere zin meebeleven, dan ontwikkelt zich voor het gevoelsleven datgene wat we liefde in de ware zin van het woord noemen. De liefde is het tweede element dat verzorgd wil worden met het oog op het moreel-religieuze leven.

Die Liebe, die wir in der Schule pflegen können, praktisch dadurch, daß wir alles tun, damit die einzelnen Schulkinder untereinander sich lieben; die Liebe, der wir eine feste Grundlage geben, wenn wir dasjenige, was aus dem Nachahmungsprinzip zum Autoritätsprinzip geworden ist zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre, so übergehen lassen können durchunser ganzes Gebaren in der Schule, daß die Autoritätsempfindung sich ganz allmählich in die Liebe-Empfindung, in die wahre Liebe-Empfindung, die mit Hochachtung verknüpft ist, gegenüber dem Lehrer und Erzieher verwandeln..

De liefde die we op school kunnen verzorgen, praktisch kunnen verzorgen door alles te doen om ervoor te zorgen dat de schoolkinderen elkaar liefhebben; die liefde die we een vaste basis geven als we datgene wat uit het nabootsingsprincipe tot autoriteitsprincipe geworden is, tussen het negende en tiende jaar zo kunnen laten overgaan door onze hele manier van doen op school, dat we het autoriteitsgevoel heel geleidelijk omvormen tot het liefdegevoel, tot het ware liefdegevoel, dat met eerbied verbonden is, jegens de leraar en de opvoeder.
GA 303/302
Vertaald/337

Blz. 305/306    vert. 340

Aber indem in dieser Weise an das Gefühlsleben des Kindes herangetreten wird, und in dieser Art aus all den Grundlagen heraus, die wir betrachtet haben, Nachahmung, Autoritätsgefühl übergehen zu dem, was dann aus dem Autoritätsgefühl zwischen dem neunten und zehn ten Jahre wird, indem wir auf diesen Grundlagen aufbauen, die sich ganz naturgemäß auf Grundlage einer anthroposophischen Menschenerkenntnis ergeben haben, geleiten wir das allgemeine Unterrichten hinüber in ein moralisches und religiöses Erleben    

Maar doordat we ons op deze manier tot het gevoelsleven van het kind wenden en zo vanuit alle grondslagen die we in ogenschouw hebben genomen – nabootsing, autoriteitsgevoel —, overgaan tot wat dan uit het autoriteitsgevoel tussen het negende en tiende jaar ontstaat, doordat we bouwen op deze grondslag die volledig op natuurlijke wijze uit de grondslag van een antroposofische menskunde zijn voortgekomen, leiden we het algemene onderwijs over naar een morele en religieuze beleven.
GA 303/305      
Vertaald/340

 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2458-2306
.

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/13)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

De Bremer stadsmuzikanten

Een man had een ezel, die al jaren lang onverdroten de zakken naar de molen had gedragen maar wiens krachten nu begonnen af te nemen, zodat hij steeds ongeschikter voor zijn werk werd. Toen dacht zijn meester erover hem maar weg te doen om hem niet langer in de kost te hebben; maar de ezel kreeg in de gaten, dat de wind in de verkeerde hoek zat, smeerde ’m en ging op weg naar Bremen. Daar, zo meende hij, kon hij wel stadsmuzikant worden. Toen hij een poosje gelopen had, trof hij op de weg een jachthond aan die lag te hijgen als iemand die moe is van het harde lopen. ‘Wat lig jij daar zo te hijgen, Pak-aan,’ vroeg de ezel. ‘Ach,’ zei de hond, ‘omdat ik oud ben en met de dag zwakker word en ook op jacht niet goed meer mee kan komen, heeft mijn meester mij willen doodslaan en toen heb ik de benen genomen; maar waarmee kan ik nu mijn brood verdienen?’ – ‘Weet je wat,’ sprak de ezel, ‘ik ga naar Bremen om daar stadsmuzikant te worden, ga mee en kom ook bij de muziek. Ik speel op de luit en jij slaat op de pauken.’ De hond vond dat best en zij trokken verder. Het duurde niet lang of zij zagen een kat langs de weg zitten die een gezicht trok als drie dagen slecht weer. ‘Wat zit jou zo dwars, ouwe snorrepoetser?’ sprak de ezel. ‘Wie kan er nu vrolijk zijn als zijn leven op het spel staat?’ antwoordde de kat. ‘Omdat ik een jaartje ouder word, mijn tanden stomp worden en ik liever achter de kachel zit te spinnen dan op muizenjacht ga, heeft mijn meesteres mij willen verdrinken; ik heb mij weliswaar nog uit de voeten kunnen maken, maar nu is goede raad duur: Waar moet ik heen?’ – ‘Ga met ons mee naar Bremen, jij kunt ’s nachts toch zo goed muziek maken? Nu, daar kun je stadsmuzikant worden.’ De kat vond dat wel een goed idee en ging mee. Daarop kwamen de drie voortvluchtigen langs een hofstede en daar zat op het hek de hofhaan te kraaien alsof zijn leven er vanaf hing. ‘Jij kraait dat het iemand door merg en been gaat,’ sprak de ezel, ‘wat is er met jou aan de hand?’ – ‘Nu heb ik mooi weer voorspeld,’ sprak de haan, ‘omdat het vandaag Onze-Lieve-Vrouwe-dag is, de dag waarop zij de hemdjes van het Christuskindje gewassen heeft en die wil drogen; maar omdat er morgen voor de zondag gasten komen, heeft de vrouw des huizes toch geen erbarmen en zij heeft tegen de keukenmeid gezegd, dat zij mij morgen in de soep wil hebben en nu moet ik mij vanavond de kop laten afsnijden. Nu kraai ik uit volle borst zolang het nog kan.’ – ‘Och kom, Roodkop,’ zei de ezel, ‘trek liever met ons mee, wij gaan naar Bremen. Iets beters dan de dood kun je overal wel vinden. Je hebt een goede stem en als wij samen muziek maken dan zul je eens wat horen!’ De haan vond dit een goed voorstel en met zijn vieren trokken zij verder.

In de sprookjes van de gebroeders Grimm worden maar twee steden genoemd: Rome en Bremen. Rome als oude mysterieplaats is bekend. Maar hoe zit het met Bremen? In een sprookje zal een plaatsnaam niet zomaar genoemd worden, daar moet een diepere reden voor zijn.
Rond Bremen lag een grote mysterieplaats. Steencirkels, dolmen, inwijdingsgraven lagen kilometers ver over het land verspreid en daar vind je nu als stille getuigen nog resten van terug.
De vraag is nu of er in dergelijke plaatsen een wijsheid werd gekoesterd waar de inhoud van dit sprookje naar zou kunnen verwijzen.

Als we eens naar het sprookje kijken, zien we dat het een dierensprookje is, d.w.z. het gaat over de instinctieve natuur van de mens, die weerspiegeld wordt in de symbolen ezel. hond, kat en haan.

Het symbool van de ezel hebben we al leren kennen in ‘Het ezeltje‘.
Het is ons fysieke lichaam zoals het oorspronkelijk zijn aanleg van de schepper kreeg, openstaand voor de geest en in staat om vanuit de geest te handelen; dat ons met geduld door het leven draagt.
Het sprookje zegt dat hij oud is en dat de dood op hem wacht. Hij heeft verjonging en vernieuwing nodig. Hij wil nu ten uitvoer brengen wat die meesters zeggen wilden die op de kathedraal van Chartres een ezel in steen gebeeldhouwd hebben die opgericht als een mens een luit vasthoudt. Hij wil kunstzinnig bezig zijn en in harmonie leven met de wereldharmonie.

De eigenschap die bij een diersoort het meest opvalt, bepaalt het symbool. Bij de hond is dat zijn voortreffelijke reukorgaan. En wanneer we zeggen – Duits: ‘Da haben ich einen Riecher gehabt’, – ‘daar heb ik lucht van gekregen’ – dan bedoelen we de hond in ons. Hoe we er lucht van krijgen, is niet zo’n makkelijk te volgen proces en ook of we ernaar handelen of niet. Het gaat dus wel om een meer verborgen instinct, ver van het bewustzijn vandaan.

De Grieken gaven hem een plaats op de grens van leven en dood. Toen Herakles, de grote Griekse ingewijde, die de eerste was die de beproevingen voor zijn inwijding doorstond, de hellehond Cerberus uit de onderwereld haalde, moeten we deze sage begrijpen in de trant van het naar boven halen, het bewust maken van dit instinct bij de hoeder van de overgang van deze ene naar de andere wereld.

De vele hondenrassen bezitten verschillende kwaliteiten en zo is het ook met het innerlijk van de hond. Er kan in het innerlijk van de mens – beeldend gesproken – een grote meute honden rondlopen. De grootste wakkerheid wordt gevraagd, want alle driften kunnen zich naar een goede of een slechte kant uiten. De valse hond leidt naar de weg van het kwaad en het gemene, naar de innerlijke hel. Hij is de snuffelaar die iets op het spoor komt en wantrouwig volgt. De manier van denken van de hond is het cynisme en de cynicus is de mens die in de waarste zin van het woord ‘honds’ is. Is hij het innerlijke houvast kwijtgeraakt en volgt hij alleen nog zijn hang naar het valse, dan is hij geen pad-vinder meer, maar een driften-volger en drukt daarmee het woord – Duits- Schweinehund’ uit.
De goede hond in ons daarentegen helpt mee het juiste pad te vinden, op weg naar echte menselijkheid en naar het begrijpen van ons levenslot. Hij is de belichaamde speurzin. Zo hoort hij op het schilderij van Dürer bij de ridder die de dood en de duivel moet weerstaan.

We vinden ook een hond in de graalsage van Tinturel. Daar heet een van de edelste honden ‘Garde-vias, met een kostbare, lange leiband, waar een hele tekst op staat om geliefden de juiste weg te wijzen. ‘ Vind de weg naar de Graal, word een zoeker naar de Geest!’

Wanneer de natuurlijke speurzin aan kracht verliest en dreigt dood te gaan omdat de wegwijzende kracht verloren gaat, moet deze vernieuwd worden. De oude slagkracht moet weer herwonnen worden. De ezel weet dat en zegt: ‘Jij moet op de pauken slaan.’

Makkelijker dan de hond laat de kat zich kennen. Haar driften bevinden zich meestal boven ‘de drempel’. Ons gewaarwordingsleven kunnen we redelijk overzien en daarin zitten die driften. Wit of gekleurd, om het even of zelfs zwart zoals bij de heks, dat is de vraag.
Wat valt op: dit schijnbaar zo fluweelzachte wezen kan lange tijd argeloos op de vloer behaaglijk uitgerekt liggen, plotseling echter klaarwakker zich opmaken voor de sprong om de prooi te pakken – een sierlijk huisdier en een gespannen, azend roofdier tegelijkertijd. Overdag slaperig, ’s nachts een en al leven. Daarmee is de kat een beeld van de drift die minder met het dagwerk van doen heeft, dan met de nacht.
De ezel zegt tegen de kat: ‘Ga met ons mee naar Bremen, jij kunt ’s nachts toch zo goed muziek maken?’
De lichamelijke natuur (de ezel) weet dat het instinct van de hang naar liefde harmonisering nodig heeft, de kat moet zich bezighouden met muziek.

De vierde in het gezelschap is de haan. Wie naar een haan kijkt zoals die rond de boerderij rondstapt, met enige trots, de kop omhoog, zich steeds als belangrijk voordoend naar de kippen, vooroplopend en zijn roep in de lucht slingert alsof alles in de wereld op hem en zijn stem aankomt, wie ziet hoe vlug zijn kam opzwelt dus het bloed naar de kop stijgt, zal het niet zo moeilijk vinden, het symbool te herkennen.
De haan heeft ook een bepaalde relatie met de zon, hij is de verkondiger van de dag.
Dat lijkt wel op het Ik van de mens, voor zover die als Ik-drift wordt beleefd, graag belangrijk doend, al te belangrijk, (haantje-de-voorste; haantjesgedrag!) en denkt graag dat hij dominant is. Hij schreeuwt voortdurend zijn mening de wereld in, is snel geprikkeld en beledigd en wil steeds zijn dominantie laten blijken. Dit Ik is het, dat ’s morgens de impuls geeft voor het wakker worden. Want het geldt alleen voor overdag.

Ook de Edda bericht over de haan.
De zieneres, de Völuspa zegt in haar profetie:

(nr 35):

Daar zat op de heuvel
de harp bespelend
de wakkere Egther
de wachter van reuzen;
en naast hem kraaide
in het kreupelbos
een felrode haan,
die Fjalar heet.

36

En Guldenkam
bij de goden kraaide,
die wekt de helden
in Heervaders hal;
een andere kraait
onder de aarde,
een bloedrode haan
in de hal van Hel.

Fjalar, de bloedrode haan, die in het kreupelhout zat, of in een andere vertaling in het vogelbos, vertegenwoordigt het driftmatige Ik dat in het bloed pulseert en van het bloed afhankelijk is. In de roes van het zelfgevoel klimt het naar de dominantie. En het zenuwleven wordt echt een ‘boom in het kreupelbos’.

Naast dit bloeds-Ik hebben we nog een ander Ik, ons tijdloze, eeuwige Ik. Instinctief beleefd is het de haan met de gouden kam; die roept op tot een spiritueel ontwaken. En er komt nog een derde Ik-bewustzijn bij dat de mens zich verovert in het moeizaam bezig zijn in de stoffelijke wereld. Hiermee kan hij weliswaar alleen maar het levenloze, het dode begrijpen. Dikwijls houdt het zichzelf voor vergankelijk en sterfelijk. Zijn naam is Roestkop.
Wanneer alle drie de hanen schel kraaien, breekt de dag Ragnarok aan, de godenschemering.
Wanneer de mens zich op alle drie de bestaansniveaus wil handhaven, ook de duistere stoffelijke wereld wil veroveren, verduistert de goddelijke wereld; die moet nu uit vrijheid door de Ik-persoonlijkheid opnieuw worden gevonden.

‘Och kom, Roodkop,’ zei de ezel, en hier wordt Fjalar bedoeld, het ego dat in het bloed verankerd zit.

Zij konden echter de stad Bremen niet in één dag bereiken en kwamen ’s avonds in een bos waar ze de nacht wilden doorbrengen. De ezel en de hond gingen onder een grote boom liggen, de kat en de haan zochten hun toevlucht in de takken, de haan echter vloog tot in de top, waar hij het veiligst zat.

Nu zitten de dieren voor het eerst in de ‘boom’. Wie zich het zenuwsysteem als boom kan voorstellen en een woord als -Duits – aufbäumen = oprichten kan navoelen, zal het niet moeilijk vinden om het proces te begrijpen waarom het hier gaat. In het zenuwsysteem wordt orde aangebracht. Vier instincttypen beginnen als een gesloten instinctnatuur tot eenheid te komen.
De vierledige mens komt in de sprookjes op vele manieren aan het licht.
Het helderziende imaginatieve weten van een vierledige mens die voor het eerst door Aristoteles in begrippen vervat werd, was voor de pedagoog die de sprookjes schiep gedurende de hele middeleeuwen vanzelfsprekend bekend.

Bij het fysiek-minerale lichaam – hier in het beeld van de ezel – komt het tweede deel, de ‘vegetatieve’ ziel waar het leven en de voortplanting van de soort bij hoort. Daar zit ook de aanleg en het temperament. Daar leeft ook die merkwaardige speurzin die door de beeldspraak ‘hond’ genoemd wordt.
Daar bovenuit gaat de waarnemende ziel waarvan de wezenlijke drift, de hang naar genegenheid, naar liefde, in het beeld van de kat verschijnt. Boven in de boom wordt de mens zich bewust van zijn ego of ervaart die zoals hier als instinctief vermogen, als haan.

Nu kan de vraag opkomen: waarom schetst het sprookje deze vier dieren of wezenskrachten terwijl deze hun einde nabij zijn? En waarom moeten ze elkaar eerst ontmoeten, terwijl ze in de mens al gemeenschappelijk aanwezig zijn? 
Het sprookje schetst een crisis.
In de kindertijd van de mensheid kon de mens op zijn instincten vertrouwen. Door de natuur werkten de aparte driften als eenheid samen. Gedurende de tijd,  hoe meer deze toestand ten einde liep, vielen ze uit elkaar. Er moest een nieuwe ordening komen, het Ik moest de leiding nemen.

Wanneer de haan boven in de boom ‘het lichtje ziet branden’ kan deze leiding beginnen.

Voor hij ging slapen keek hij nog één maal in alle vier windrichtingen; toen dacht hij, dat hij in de verte een lichtje zag branden en hij riep tot zijn makkers, dat er niet ver weg een huis moest zijn, want er scheen licht. De ezel sprak: ‘Dan moeten wij ons maar op weg begeven om daar alsnog naar toe te gaan, want deze herberg hier is maar slecht.’ De hond was van mening, dat een paar botten waar nog wat vlees aanzat hem ook niet onwelkom zouden zijn. En zo begaven zij zich op weg in de richting van het licht en zagen het al gauw helderder schijnen en groter worden tot zij bij een hel verlicht rovershuis kwamen. De ezel, die de grootste was, ging naar het raam en keek naar binnen. ‘Wat zie je, Grauwtje?’ vroeg de haan. ‘Wat ik zie?’ antwoordde de ezel, ‘een gedekte tafel met heerlijk eten en drinken en er zitten rovers omheen, die het zich goed laten smaken.’

Als het lichaam als de omhulling van ons wezen wordt ervaren, verschijnt het in het beeld van het huis. Dit beeld komt zo vaak voor en zo doelgericht dat de dieptepsychologie het tot een archetypisch beeld rekent. Wij zeggen bijv. als een kind niet goed gedijt, dat ‘het niet lekker in zijn huisje zit’ (of in de uiterlijke begrenzing: zijn vel). 
Stervende mensen dromen vaak dat ze hun huis moeten verlaten, kinderen daarentegen dat ze een huis moeten vinden.
Je huis binnengaan betekent: tot jezelf komen, in je lichamelijkheid wakker worden, je thuis voelen in je lichaam. Ja, de mens woont altijd in het huis van  het lichaam. Je kan je huis verwaarlozen, er niet respectvol mee omgaan of het goed verzorgen, er blij mee zijn. Of er ontevreden mee zijn. Zelfs in die mate dat je het laat ‘verbouwen’. 

 ‘Dat zou wel iets voor ons zijn,’ sprak de haan. ‘Ja, ja, ach, zaten wij er maar!’ zei de ezel. Toen beraadslaagden de dieren hoe zij het moesten aanleggen om de rovers eruit te jagen en eindelijk bedachten zij er wat op. De ezel moest met zijn voorpoten op het raamkozijn gaan staan, de hond op de rug van de ezel springen, de kat op de hond klimmen en tenslotte vloog de haan boven op de kop van de kat. Toen dat gebeurd was begonnen zij op een teken allen tegelijk hun muziek te maken: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide; daarop stortten zij zich door het raam de kamer in, zodat de ruiten rinkelden. De rovers vlogen bij het ontzettende geschreeuw overeind, dachten niet anders of er kwam een spook naar binnen en vluchtten in doodsangst het bos in. Nu gingen de vier makkers aan tafel zitten, namen de resten van de maaltijd voor lief en aten alsof zij vier weken zouden moeten vasten.

De vierheid die zich inmiddels ontwikkeld heeft, herkent het ‘huis’ en ziet dat er in dit huis geen goede krachten wonen. Krachten die gedachteloos de natuur uitbuiten zonder die als door god geschapen te beleven en te erkennen, lijken op rovers. Ze plunderen egoïstisch de wereld zonder iets daarvoor terug te geven. Wanneer de zintuigen alleen sensatie willen, huizen daar zulke rovers.
Om die te verdrijven moeten ze alle vier als eenheid optreden. In de ‘boom’ was het al geoefend. Nu laat ieder zich in zijn eigen taal horen en daarmee kunnen ze bezit nemen van het lichaamshuis en de vierledige mens wordt de heer des huizes.

Toen de vier muzikanten klaar waren doofden zij het licht en ieder van hen zocht, al naar zijn aard, de gemakkelijkste slaapplaats uit. De ezel ging op de mesthoop liggen, de hond achter de deur, de kat bij de haard dichtbij de warme as en de haan ging op de hanenbalken zitten – en daar zij moe waren van hun lange tocht, sliepen zij dan ook weldra in. Toen het middernacht was geweest en de rovers vanuit de verte zagen, dat er geen licht meer brandde in het huis en alles rustig scheen te zijn, sprak de hoofdman: ‘Wij hadden ons toch niet zo de schrik op het lijf moeten laten jagen,’ en hij beval een van de rovers naar het huis te gaan en de zaak te onderzoeken. Degeen, die erop uitgestuurd was vond alles in rust; hij liep de keuken in om licht te maken en aangezien hij de vurige ogen van de kat voor gloeiende kolen aanzag, hield hij er een zwavelstokje bij, opdat het vlam zou vatten. Maar de kat liet niet met zich spotten, sprong in zijn gezicht en blies en krabde hem. De man schrok geweldig en wilde door de achterdeur naar buiten hollen; maar de hond, die daar lag, sprong op en beet hem in zijn been; en toen hij over het erf langs de mesthoop rende, gaf de ezel hem nog een fikse trap met zijn achterpoot; de haan echter die door al het lawaai klaar wakker was geworden, riep vanaf zijn balk naar beneden. ‘Kukeleku!’ Toen liep de rover zo hard hij maar kon terug naar zijn hoofdman en sprak: ‘O, wee! In het huis zit een afschuwelijke heks, die tegen mij blies en met haar lange vingers mijn gezicht kapot gekrabd heeft; en voor de deur staat een man met een mes, die mij in mijn been heeft gestoken en op het erf ligt een zwart monster, dat mij met een houten knuppel heeft afgeranseld; en boven op het dak, daar zit de rechter die riep: “Breng hier die schurk”. Toen heb ik gemaakt, dat ik wegkwam.’ Vanaf dat ogenblik durfden de rovers het huis niet meer in, de vier Bremer muzikanten beviel het er echter zo goed, dat zij er niet meer uit wilden. En degene die dit het laatst verteld heeft, zijn mond is nog warm!

We leren in dit sprookje hoe de instinctnatuur van de mens bezit neemt van het lichaam.
Ieder kind heeft hiermee te maken. Het moet een persoon worden, ‘heer des huizes’ zogezegd. 
Hierdoor maakt het sprookje deel uit van de groep sprookjes die over de individualiteit gaan. Wel zeker werd het als een impuls voor de Ik-ontwikkeling gegeven.
 

Je kan het best al wel aan vijfjarigen vertellen.

Aannemelijk is dat die mysterieplaats bij Bremen zorg droeg voor een wijsheid die de mens wilde bijstaan een daadkrachtig persoon te worden met een sterk Ik. 
Tradities bleven lange tijd bestaan en werden doorgegeven, ook al was dat slechts van mond tot mond. 
Wanneer dit sprookje ontstaan is, hoe dan ook kan Bremen het reisdoel van onze vier muzikanten genoemd worden. 

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2457-2305

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/volgnr) inhoudsopgave

.

Inhoudsopgave van alle door Steiner in de pedagogische voordrachten en enkele andere gemaakte opmerkingen over de ontwikkeling van het kind tussen de tandenwisseling.en de puberteit.

Hier die over de autoriteit.

Geraadpleegde GA’s: 34, 293, 294, 296, 297, 297A, 298, 300B, 301, 302, 302A, 303, 304, 304A, 305, 306, 307, 308, 309, 310, 311

Aan het einde van deze inhoudsopgave volgt een opsomming van de plaatsen waar Steiner spreekt over ‘vlinder en ziel‘. Evenals bij autoriteit gaat het om ‘het imponderabele’ tussen ouder/leerkracht en kind.

[9-1-2-2/1]
GA 34
Na de tandenwisseling kan er opvoedend met het etherlichaam worden gewerkt door o.a. beeldend onderwijs, wat nabootsing was voor de 1e fase, is na-volging dat voor de 2e. De vanzelfsprekend aanvaarde, niet opgedrongen autoriteit; betekenis van eerbied en ontzag;

[9-1-2-2/2]
GA 293  
Voordracht 9: tussen tandenwisseling en puberteit: kind wil autoriteit; autoriteit moet van binnenuit komen; wat je als autoriteit zegt, moet bestemd zijn voor de zielengewoonten van het kind.

[9-1-2-2/3]
GA 294
Voordracht 1: autoriteit betekent niet een soort africhten; het is aanwezig als een onderstroom; autoriteit heeft kunstzinnigheid nodig; 
Voordracht 4: kind moet respect krijgen voor oudere generatie, de cultuur van zijn omgeving; kind neemt iets in zich op door de autoriteit van de leraar.
Voordracht 5: autoriteit moet niet worden opgedrongen, maar ontstaan door hoe je handelt; 

[9-1-2-2/4]
GA 296
Voordracht 1het is goed dat kind dingen doet omdat de oudere dat doet; eigen oordeel moet nog niet; dat werkt door tot in het gevoel voor rechtsgelijkheid; (nabootsing ontwikkelt vrijheid; liefde economisch leven(pw: broederlijkheid).
Voordracht 2: tussen 7e en 14e jaar gaat het om het autoriteitsprincipe; 

[9-1-2-2/5]
GA 297
Voordracht 2: kind tussen 7e en 15e wil instinctief autoriteit, wil kunnen vertrouwen.
Voordracht 3: de drang ontstaat om van anderen iets te leren.
Voordracht 4: na tandenwisseling behoefte aan autoriteit.
Voordracht 5: na tandenwisseling ontstaat de behoefte om een geliefd persoon na te volgen; wat wordt later uit deze autoriteitsgevoelens: gevoel voor vrijheid.
Voordracht 6: bij autoriteit hoort kunstzinnig werken, kunstzinnigheid brengt mensen tot elkaar.
Voordracht 7: ma tandenwisseling ontstaat hang naar autoriteit.
Voordracht 8: kind wil zich richten op autoriteit; de relatie van kind-opvoeder is belangrijk voor het latere beleven van vrijheid; later kan het kind gemetamorfoseerd begrijpen wat het van de vanzelfsprekende autoriteit heeft aangenomen.
Voordracht 9: na tandenwisseling komt kracht tevoorschijn die wil navolgen; de opvoeder moet ‘voorleven’; niet alleen het kind iets meegeven wat het al begrijpt; er zijn ook zaken die niet aanschouwelijk zijn te maken; wat in het latere leven weer opborrelt, kan heel verfrissend werken; we moeten met innerlijke moraliteit bij het kind zijn; bij de 9- à 10-jarige gaat het ook om eerbied; 

[9-1-2-2/6]
GA 297A
Voordracht 1: met tandenwisseling begint 2e levensfase; kind zoekt autoriteit; ware, mooie, goede en autoriteit; 
Vragenbeantwoording 1: autoriteit en vrijheidsgevoel op latere leeftijd; 
Voordracht 2: met tandenwisseling wezenlijke verandering in de ziel: van nabootser tot navolger; de vanzelfsprekende autoriteit; waar en onwaar, goed en slecht enz. en de autoriteit; autoriteit en vrijheid; autoriteit en je latere leven; 
Vragenbeantwoording 2: basisschoolleeftijd is de tijd van autoriteit; de vanzelfsprekende autoriteit.
Voordracht 5: Met tandenwisseling hang naar autoriteit; vanzelfsprekende autoriteit; waarheid, schoonheid, goedheid en autoriteit;  autoriteit en vrijheid; niet alles meteen begrijpen, het rijpt tot later; 
Voordracht 6: kind wil beelden beleven, geen abstracties; beelden dienen kunstzinnig gebracht te worden; de vanzelfsprekende autoriteit; waar, goed en mooi komen als beeld via de leerkracht.

[9-1-2-2/7]
GA 298
Artikel: vanzelfsprekende autoriteit; metamorfose van de nabootsingsdrang is behoefte aan navolging.
Voordracht (niet genummerd: 01-06-1924): van nabootsing naar vanzelfsprekende autoriteit; waar, mooi en goed moet vanzelfsprekende autoriteit belichamen; 

[9-1-2-2/8]
GA 300B
Blz. 111: inzicht nodig in de verandering van nabootsing naar navolging.

[9-1-2-2/9]
GA 301
Voordracht 1: verlangen naar autoriteit is basisbehoefte; 
Voordracht 3: in basisschoolleeftijd wordt behoefte wakker van een echte autoriteit naat zich te willen beleven; enthousiasme voor het vak is liefde voor het kind, warmte.
Voordracht 5: vertrouwen op jonge leeftijd, geeft later vermogen tot zegenrijk in het leven staan; menselijke natuur wil autoriteit; nabootsing wordt navolging en dit leidt tot eigen oordeelsvorming; iets opnemen uit liefde voor de autoriteit, komt later als vermogen op goed in het sociale leven te staan; 
Voordracht 9: morele en religieuze impulsen ontstaan door in de autoriteit te geloven; dat is de basis voor het eigen oordeel; kinderen willen van autoriteit houden.
Voordracht 13: geen afgedwongen, maar een valzelfsprekende autoriteit. 

[9-1-2-2/10]
GA 302
Voordracht 8: tijdens tandenwisseling groeit behoefte aan autoriteit; er is behoefte aan vanzelfsprekende autoriteit, de zelf gekozen autoriteit; door de wisselwerking kan het kind het goede doen; tot aan de puberteit moet het kind a.h.w. met de leerkracht vergroeien, daarmee moet het zich losmaken; 

[9-1-2-2/11]
GA 302A
Voordracht 2: autoriteit en kunstzinnig-beeldend onderwijs; intellectualiteit ondergraaft de verhouding leerling-leerkracht; rond de puberteit bereik je niets meer met enkel autoriteit zijn; 
Voordracht 3: leerkracht moet wereld van waarheid, schoonheid en goedheid representeren: dat heeft autoriteit tot gevolg; wat ooit uit liefde voor leerkracht opgenomen werd, komt later  als vitaliteit naar boven; verhouding koolzuur-blauwzuur; evenwicht boven- en benedenmens; werking koolzuur.

[9-1-2-2/12]
GA 303
Voordracht 9: natuurlijke behoefte van het kind: autoriteit; vanzelfsprekende, niet opgedrongen autoriteit; 
Voordracht 10: na 9e jaar wordt autoriteitsbehoefte sterker; kind wil dan de autoriteit anders zien: hoe deze in het leven staat; 
Voordracht 11: wat op deze leeftijd aanvaard wordt van de autoriteit, werpt in het latere leven z’n vruchten af; het werkt verfrissend; 
Voordracht 13: na tandenwisseling: meer behoefte aan autoriteit; na puberteit niet meer; 
Voordracht 16: autoriteitsgevoel kan omgewerkt worden tot het gevoel van liefde, tot een gevoel van eerbied; dat is ook belangrijk voor een moreel en religieus leven.

[9-1-2-2/13]
GA 304
Voordracht 2: in het kind ontstaat de drang een vanzelfsprekende autoriteit naast zich te hebben; geloof in de autoriteit is voorbereiding voor het latere gevoel van vrijheid; 
Voordracht 4: na nabootsing is kind aangewezen op navolging; het voorbeeld van de opvoeder is van essentieel belang voor de na te volgen autoriteit; om autoriteit te zijn heb je antroposofische menskunde nodig; iets niet begrijpen op jonge leeftijd, maar aanvaard doordat je een autoriteit gelooft, kan later van vitaliserend belang zijn; 
Voordracht 5: kind richt zich na tandenwisseling op leerkracht; wij moeten de autoriteit kunnen zijn waar het kind vanuit zijn wezen om vraagt; in kind kan dan iets ontstaan wat op latere leeftijd weer naar voren komt; kind vraagt onbewust, waar de leerkracht zijn wijsheid vandaan haalt; 
Voordracht 6: leerkracht moet voor kind levend moreel voorbeeld zijn; daarvoor heeft kind respect: de innerlijke gezocht autoriteit; moraal moet worden voorgeleefd; kind vraag onbewust: wat is de autoriteit waar de leerkracht zich naar richt?; 
Voordracht 9: tussen tandenwisseling en puberteit wil kind de wereld aangereikt krijgen als mooi, goed en waar, wie hem dat geeft is voor hem de vanzelfsprekende autoriteit; leerkracht moet dat voorleven, moet dat zijn; 

[9-1-2-2/14]
GA 304A
Voordracht 2: tussen 7 en 14 behoefte aan autoriteit; naar de omgeving wordt nu geluisterd; kind neemt wereld voor waar, mooi en goed, door vanzelfsprekende autoriteit; belangrijk voor morele opvoeding; op gezag iets aannemen, leidt tot verfrissende levenskrachten; kind vraagt zich onbewust af: kan ik in deze opvoeder vertrouwen hebben; doorwerking in het latere leven; op juiste manier morele sympathieën en antipathieën bijgebracht, maakt vrij.
Voordracht 5
:
vanzelfsprekende autoriteit weldaad voor het kind; iets uit liefde voor iemand opgenomen, wordt tot vitaliserende kracht’; opkijken tegen geliefde autoriteit maakt dat men later kan zegenen.
Voordracht 6: een geliefde autoriteit leeft de wereld voor; dat wordt innerlijk levenskracht; het maakt vrij; rond 10e moet opvoeder zich waar maken; wat je dan in je opneemt, moet mee kunnen groeien om het later te begrijpen; pedagogie moet over het hele leven gaan; eerbied in je jeugd, leidt tot later kunnen zegenen;
Voordracht 7: geen afgedwongen autoriteit, maar een vanzelfsprekende; leerkracht moet representant zijn van waarheid, schoonheid, goedheid; dat is ook morele opvoeding; niet door verbieden, maar door navolging; het is een kiem die later pas tot rijping komt; 
Voordracht 8: nabootsing wordt navolging; via leerkracht beleeft kind waar, mooi, goed; wat je daarvan voorleeft met ‘echt’ zijn; op latere leeftijd werkt het vitaliserend; 
Voordracht 9: geen straf, maar goed contact met het kind; met puberteit moet autoriteitsgevoel veranderen; vanzelfsprekende autoriteit is voorwaarde voor vrijheid.

[9-1-2-2/15]
GA 305
Voordracht 1: na de tandenwisseling gaat het om autoriteit; kind wil in ons kunnen geloven; het gaat om de vanzelfsprekende autoriteit; kind is na tandenwisseling meer ziel geworden; het gemoed moet grotere rol spelen dan logica; verandering rond het 9e jaar: kind wil iemand naast zich waarop het kan steunen; na het 9e ontstaat de vraag: hoe zit het met deze autoriteit? school moet leren hoe je van het leven kan leren; met vanzelfsprekende autoriteit opgroeien geeft mogelijkheid later zelf een vanzelfsprekende autoriteit te zijn- dat je zegenend kan werken; kind neemt onbewust op wat tot zijn ziel spreekt; later komt het oordelende vermogen; 
Voordracht 3: Wat je als kind niet begrijpt, begrijp je soms veel later, als je het van een geliefde autoriteit hebt aangenomen; dat heeft iets vitaliserends.
Voordracht 5: kind vormt zichzelf aan de hand van een autoriteit.

[9-1-2-2/16]
GA 306
Voordracht 1: vereren van een mens op jongere leeftijd, heeft als gevolg dat je later kan zegenen.
Voordracht 3: geleerdheid maakt op jonge kinderen geen indruk, wel of je levenslustig bent; hoe word je de vanzelfsprekende autoriteit; autoriteit nu en vrijheid later; 
Vragenbeantwoording bij voordracht 4: vertrouwen op autoriteit geeft later een vrijer oordeelsvermogen.
Voordracht 5: de vanzelfsprekende autoriteit leeft voor wat waar is of niet; leraar moet zorg besteden aan welke autoriteit hij is; wat je nog niet begrijpt, begrijp je later als je het van de geliefde autoriteit aanvaard hebt; ziel van 9-10-jarige leeft niet in begrippen, maar in gevoel en beleving; autoriteit moet voor het kind waardig zijn.
Vragenbeantwoording bij 5e voordracht: van autoriteit naar eigen oordeel.
Voordracht 6: liefde voor de autoriteit heeft iets van een universele liefde; na de puberteit verandert dit.
Voordracht 7: het gaat niet om ‘jij moet!, maar om de vanzelfsprekende autoriteit; 

[9-1-2-2/17]
GA 307
Voordracht 7: kind van rond 7 wil zichzelf vormen d.m.v. vanzelfsprekende autoriteit; geen vrijheid zonder autoriteit; schoonheid, waarheid, goedheid leren we door de vanzelfsprekende autoriteit; autoriteit niet door straf, maar door wat we zijn; 
Voordracht 11: de liefde voor het goddelijke via de dankbaarheid naar het kind.
Voordracht 13: hetmoreel-religieuze gaat via de vanzelfsprekende autoriteit op het kind over; autoriteit als voorwaarde voor vrij oordelen.

[9-1-2-2/18]
GA 308
Voordracht 5: met morele geboden bereiken we het kind nietgoedheid, schoonheid, waarheid moeten in de leerkracht belichaamd zijn, het kind neemt ze vanuit de vanzelfsprekende autoriteit over; religieus gevoel metamorfoseert in navolging en dat leidt tot vrijheid in het oordelen na de puberteit.

[9-1-2-2/19]
GA 309
Voordracht 4: na tandenwisseling beleeft kind kind meer wat van de ziel van de opvoeder uitgaat; het morele moet je op deze leeftijd voorleven; vanzelfsprekende autoriteit is verpersoonlijking van goedheid, schoonheid, waarheid; wat kind opneemt, komt jaren later weer aan het licht; sympathie en/of antipathie voor goed of kwaad beleven, geeft later de vrijheid te kiezen. 
Voordracht 5: hoe ben jij voor het kind; wat is jouw wereld waaruit je voor het kind put? leren het kind waar te nemen en met tact tegemoet te treden; in wil en gevoel meegeven wat later in het denken tot vrijheid kan rijpen; het belang van nabootsing en autoriteit voor het latere sociale leven.

[9-1-2-2/20]
GA 310
Voordracht 3: menselijk voorbeeld worden tussen 7e en 14e jaar; voorbeeld d.m.v. de taal; goed, mooi en waar voorleven; gevoel neemt beeldende op; gebod, verbod werkt niet; imponderabele stemming; 
Voordracht 4: moraliteit wekken door gevoelens: je voorbeeld als opvoeder; wat je het kind geeft, moet mee kunnen groeien.
Voordracht 6: vanzelfsprekende acceptatie door het kind van de leerkracht als autoriteit; leerkracht is voor kind de norm; wat je als kind op deze leeftijd aanneemt van de geliefde autoriteit, groeit met je mee tot op latere leeftijd; met wat we aangereikt krijgen op deze leeftijd, oordelen we na de puberteit; door de beelden, niet door gebod en verbod, ontstaan de vrije oordelen.

[9-1-2-2/21]
GA 311
Voordracht 2: voor het kind de representant zijn voor het goede, schone en ware; kind vraagt: wat is achtergrond van leraar; kind moet kunnen vertrouwen op die achtergrond en wil dat ook; dat geeft innerlijke zekerheid.
Voordracht 4: opvoeder moet innerlijk aan zichzelf werken.
Voordracht 5: het is goed als kind iets aanneemt van de vanzelfsprekende autoriteit en dat later pas begrijpt.

De aanleiding om de plaatsen waar Steiner over ‘vlinder en ziel’ spreekt, bij elkaar te zetten, was het verschijnen van het boekje ‘Antroposofie doen‘ van Jesse Mulder.

[1-1] Vrijeschoolonderwijs doen?
Het hoofdstuk uit bovengenoemde boekje over een aspect van het vrijeschoolonderwijs dat ik heb samengevat onder ‘het imponderabele’ waarover Steiner het vaak heeft, m.n. als wij de kinderen iets vertellen waarin we zelf wél of niet geloven en wat voor verschil dat uitmaakt.

[1-2] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 34
[1-3] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 294
[1-4] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 296
[1-5] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 297
[1-6] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 297A
[1-7] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 298
[1-8] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 300A
[1-9] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 301
[1-10] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 302A
[1-11] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 303
[1-12] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 304
[1-13] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 304A
[1-14] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 305
[1-15] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 306
[1-16] Vrijeschoolonderwijs doen?
Uit GA 310

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2456-2304

.

.

.

.

VRIJECHOOL – Rudolf Steiner -Algemene menskunde – voordracht 6 (6-4-1-2)

.

In Steiners geesteswetenschap is veelvuldig sprake van ‘inspiratie en intuïtie’. 
Zoals we dat van hem gewend zijn, wordt de inhoud hiervan op uiteenlopende manieren gekarakteriseerd.

In voordracht 6 (6-4) gebeurt dat rond ‘het Ik’.

In onderstaand artikel gaat de auteur in op hoe wij de begrippen ispiratie en intuïtie in het dagelijks leven gebruiken, het dagelijkse spraakgebruik.
Hij geeft ook een korte karakteristiek van hoe Steiner ze inhoud geeft. In voordracht 6 vinden we zijn opvattingen weergegeven.

Edward de Boer, Motief nr.194 ju;i-aug.. 2015

.

Twee vleugels van de ziel
.

INSPIRATIE EN INTUÏTIE
.

Bij improviseren kun je genieten van het experiment, waarbij de ene ingeving op de andere volgt. Bij een gezamenlijke dialoog kan als vanzelf de verrassende inval komen, die leidt tot een nieuw voorstel of vruchtbare oplossing. Edward de Boer kent uit eigen ervaring de eigen, persoonlijke karakteristiek van inspiratie en intuïtie. Inspiratie is een bevleugelende zielsbeweging die leidt tot creatief scheppen of handelen. Intuïtie heeft meer het karakter van het plotselinge, heldere inzicht, het ‘weten van binnenuit’.

Als ik muziek maak met mijn zoon ken ik het gevoel heel goed. Ik heb een melodie in mijn hoofd, we improviseren samen, ik sluit aan bij wat hij speelt en dan heb ik een muzikale ingeving. Ik probeer een melodielijn, een variatie op een bestaand idee of iets compleet nieuws en test het uit. Het voelt als een plezierige opgewonden spanning, ik geniet van de ingeving en het experiment van de improvisatie. Ik bevind me tijdens het spelen in een speelse, creatieve, productieve staat, waarbij de ene ingeving op de andere volgt.

Hetzelfde gevoel ken ik van mijn dagelijkse werk als coach, begeleider en trainer. Ik krijg van een cliënt een probleem voorgelegd en na wat doorvragen begint een bijzonder proces. Hoe pak ik het aan? Waarom gaat het hier werkelijk? Hoe kan ik iets bijdragen dat werkelijk vernieuwend is? Hoe activeer ik de betrokkene(n) in het proces van verandering? Een innerlijk proces van bewegen, denken, voelen en besluiten komt op gang. In een gezamenlijke dialoog komt de verrassende inval, die leidt tot een nieuw voorstel, een suggestie of een vruchtbare oplossing als vanzelf.

In deze situaties gaat het om de vraag hoe je ontvankelijk kunt zijn voor scheppende, creatieve ingevingen. Hoe stel je jezelf open?

Hoe kun je je laten bevruchten door een onverwachtse inval, een nieuw, scheppend, creatief idee? Het is de innerlijke ‘staat’ van productieve bevlogenheid: de conditie die de ziel vleugels geeft. We ontmoeten hierbij twee bijzondere vermogens: inspiratie en intuïtie. Ze kennen een nauwe verwantschap, maar hebben ook een sterk eigen karakteristiek. Inspiratie en intuïtie zijn twee zielskwaliteiten die iedere mens die scheppend actief is, meer of minder bewust hanteert.

Innerlijke staat

Inspiratie kennen we als een vorm van ‘zijn’: het is een innerlijke staat. Als je geïnspireerd bent word je als het ware aangeraakt door een idee, ingeving of inval. Letterlijk betekent inspiratie ‘adem van de geest’, afkomstig van het Latijnse ‘inspirare’, dat inademing betekent. Als je een tekst moet schrijven, kun je soms even vastlopen. Ik had geen ‘inspiratie’ zeggen we dan. Als je wel inspiratie hebt, staat in korte tijd de tekst als ‘vanzelf’ op papier. Een stroom van ingevingen komt bij je binnen en je weet hem om te zetten in een tekst, tekening, kunstwerk of presentatie. In de meeste gevallen spreken we van inspiratie in een proces van scheppend creëren. Waarvan we de ervaring van inspiratie ook kennen is de ontmoeting met anderen. Bij een bevlogen verhaal spreken we van een inspirerende spreker, of een inspirerende leider. Iemand die in staat is om te inspireren weet anderen innerlijk in beweging te brengen en tot handelen aan te zetten. Inspirerende docenten kunnen leerlingen hun leven lang bijblijven in de vorm van dromen, ideeën en idealen. De staat van inspiratie tilt je boven jezelf uit en brengt je tot een scheppende, creatieve staat.

Innerlijk weten

Intuïtie wordt omschreven als ‘de plotselinge, onverwachte ingeving’. Deze ingeving gaat vaak samen met een sterk gevoel van evidentie. Zonder dat je het direct, logisch kunt onderbouwen heb je het gevoel dat iets wel of niet klopt, of iets ‘waar is’. Intuïtie doet zich voor als het gebied waar denken en gevoel samenvallen: het terrein van het slimme onbewuste.
Aan de ene kant kun je spreken over intuïtie ais een idee, een concrete vaak onverwachtse ingeving. Je denkt na over een probleem, je weet het niet en laat het even los. Later, tijdens het wandelen, douchen, sporten of misschien eten koken ‘weet je het’. Sommige mensen hebben daarom een notitieblok naast het bed liggen, om deze plotselinge ingevingen – midden in de nacht – te noteren. Het is als een incubatieproces, we spreken ook wel van ‘broeden’ op een vraagstuk. Iets moet even rijpen voordat je er de juiste ingeving over hebt om er verder aan te werken.

Aan de andere kant kennen we een vorm van intuïtie op basis van ervaring en expertise: dan weet je onbewust, ‘intuïtief wat er speelt. Dit kennen we als het fingerspitzengefühl of weten of iets ‘pluis of niet pluis’ is. Het biedt geen garantie voor juistheid, maar levert wel een sterk gevoel van evidentie. Het is een innerlijk weten, dat verloopt buiten het bewuste, logische denken. Dit fenomeen is iets dat bijna iedereen kent: na een kennismakingsgesprek met een sollicitant heb je het gevoel dat ‘iets’ niet klopt. Zonder er concreet woorden aan te geven, besluit je het nader te onderzoeken. Als docent geef je een leerling een hand en weet je al tijdens het vastpakken dat er ‘iets aan de hand is’. Deze vorm van intuïtie is gebaseerd op jarenlange ervaring, expertise en verloopt hoog onbewust, maar razend snel.

In beide vormen van intuïtie, het incubatieproces en de ervaringsintuïtie van de expert, manifesteert intuïtie zich als een plotseling, direct inzicht, een innerlijk weten dat vaak nog aanvullende toetsing en verfijning behoeft.

Inspiratie en intuïtie zijn zo twee prachtige begrippen die beide een eigen, persoonlijke karakteristiek hebben. Ze nodigen daarom uit tot persoonlijk onderzoek en ervaring en verdieping. Waar inspiratie meer een ruime, bevleugelende zielsbeweging is – van buiten af – die leidt tot scheppen of creatief handelen, heeft intuïtie meer het karakter van het plotselinge, heldere inzicht, het ‘weten van binnenuit’. Bij inspiratie lijkt de impuls meer van ‘buiten af’ te komen – ‘adem van de geest’. Bij intuïtie meer de impuls van binnenuit – het is een ‘innerlijk weten’. Intuïtie is letterlijk‘ naar binnen kijken’. Beide kunnen tot betekenisvol handelen leiden. Waar je jezelf weet open te stellen en met je ziel de geest kunt ‘inademen’, krijgt je ziel vleugels. Door je eigen intuïtie te leren herkennen en waarderen, leer je ‘van binnen’ waar te nemen en dit als een innerlijk zintuig te hanteren. Zo verdiepen beide vermogens, inspiratie en intuïtie je denken, voelen en handelen.

Inspiratie en intuïtie bij Rudolf Steiner

Rudolf Steiner hanteert inspiratie en intuïtie in een specifieke betekenis. Zie  De wetenschap van de geheimen der ziel  en “Zelfkennis en hoger inzicht” in Meditatie. De begrippen worden beschreven als vormen van exact, bovenzinnelijk waarnemen. Samen met imaginatie vormen zij drie afzonderlijke, oplopende trappen van bewustzijn. Deze drie bewustzijnsvormen zijn bewust te ontwikkelen en te scholen. Steiner beschrijft imaginatie als een levendig, bewegend beeldbewustzijn dat boven het normale, dagelijkse, zintuigelijke denken uitstijgt. Inspiratie brengt de imaginaire waarnemingen in een betekenisvolle samenhang. Dit proces is vergelijkbaar met het spellen van afzonderlijke letters tot het lezen van een woord. De intuïtie vervolgens verbindt je met de essentie van de dingen. Dit gaat door de verschijningsvorm heen. Bewust, levend denken is daarom in hoge mate intuïtief: door de gedachten heen ontmoet je je wezen. Je ervaart jezelf als ik, als denkend wezen, die bewust de gedachten produceert.

.

*Edward de Boer (1972) is coach, trainer, adviseur en schrijver. Hij is werkzaam op het gebied van organisatieontwikkeling en transformatieprocessen. In 2014 verscheen bij Uitgeverij Boom/Nelissen Professionele intuïtie. Versterk je innerlijke vermogens in de praktijk. Ook verzamelde hij de belangrijkste uitspraken van Steiner over intuïtie, in het Duits verschenen onder de titel Intuition. Brennpunkt des Denkens. Van Edward de Boer verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in de serie Kleine Begleiter de uitgave: Imagination. Bildekraft des Denkens, Basel 2015.
.

Algemene menskunde voordracht 6alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2455-2304

.

.

.

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/11)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

302A

Voordracht 2, Stuttgart  22 juni 1922

Blz. 101

Und nun sollen wir uns ganz klar darüber sein: das richtige autoritative Ver­hältnis, das bestehen soll zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife zwischen dem Erzieher und dem Kinde, dieses richtige autoritative Verhältnis wird unter keinen anderen Umständen hervor­gerufen, als wenn wir uns bemühen, den Unterricht künstlerisch-bild­haft zu gestalten. Wenn wir das können, dann wird das autoritative Verhältnis ganz gewiß entstehen. Sehen Sie, dasjenige, was das autori­tative Verhältnis untergräbt, ist die einseitige Intellektualität. Die ein­seitige Intellektualität zu pflegen ist natürlich am leichtesten in den Gegenständen des Rechnens, der Naturwissenschaften und so weiter. Gerade da sollen wir aber ins Bildhafte hineinarbeiten. Wenn das Kind dann geschlechtsreif geworden ist, und die Kenntnis in Erkenntnis übergehen soll, dann lehnt es deshalb, weil sein Intellekt jetzt erwacht ist, einfach das Urteil des Lehrenden, des Erziehenden schon von selber ab. Dann wird nichts mehr mit der bloßen Autorität erreicht, dann müssen wir konkurrieren können, dann müssen wir wirklich mit dem Kinde schon konkurrieren; denn eigent­lich ist man tatsächlich mit 17 Jahren so gescheit als mit 35 in bezug auf die Urteilsfähigkeit.

En nu moeten we goed helder hebben: dat de juiste verhouding wat de autoriteit betreft, tussen de opvoeder en het kind, onder geen andere omstandigheden ontstaat dan wanneer wij ons best doen het onderwijs kunstzinnig-beeldend vormt te geven. Als we dat kunnen zal de verhouding wat de autoriteit betreft zeer zeker ontstaan. Wat deze verhouding ondergraaft is de eenzijdige intellectualiteit. Eenzijdige intellectualiteit is natuurlijk het beste te cultiveren bij vakken als rekenen, natuurkunde enz. Maar juist daar moeten we werken met het beeldende. Wanneer het kind dan in de puberteit komt en de kennis verdiept moet worden, dan wijst hij omdat zijn intellect nu ontwaakt is, simpelweg het oordeel van de leraar, van de opvoeder al vanzelf af. Dan bereik je niets meer met enkel autoriteit zijn, dan moeten we kunnen concurreren, dan moeten we werkelijk met het kind al concurreren; want eigenlijk ben je op je 17e al net zo knap als op je 35e wat het kunnen oordelen betreft.
GA 302A/101
Niet vertaald

Voordracht 3, Stuttgart 16 oktober 1923

Blz. 138/139

Denken Sie, wie oft ich gesagt habe, derjenige verkennt die ganze menschliche Entwicklung, der nur immer trivialen Anschauungsunterricht treiben will und dem Kinde nichts weiter beibringen will, als was es schon versteht; denn er sieht nicht ein, daß manches, was man einem Kinde im 8., 9. Lebensjahr beibringt, nur angenommen wird von dem Kind, wenn sich das Kind einem geliebten Lehrer gegenübersieht, auf eine selbstverständliche Autorität hin, weil der Lehrer dem Kind repräsentieren soll die ganze Welt von Wahrheit, Schönheit und Güte. Was der Lehrer für schön hält, soll dem Schüler schön sein, was der Lehrer für gut hält, soll den Schülern gut sein, was der Lehrer für wahr hält, soll dem Schüler wahr sein. Auf diese selbstverständliche Autorität zwischen dem Lebensalter vom Zahnwechsel und der Geschlechtsreife muß alles aufgebaut sein.

Hoe vaak heb ik al niet gezegd dat degene die maar altijd triviaal aanschouwelijkheidsonderwijs wil geven en het kind niets verder wil bijbrengen dan wat het al kan begrijpen, de hele menselijke ontwikkeling ontkent; want die ziet niet in dat veel van wat je een 8- 9-jarig kind bijbrengt, alleen maar door het kind geaccepteerd wordt wanneer het kind een leraar tegenover zich vindt van wie hij houdt, door een vanzelfsprekend gezag, omdat de leraar voor het kind de hele wereld moet representeren van waarheid, schoonheid en goedheid. Wat de leraar voor mooi houdt, moet ook voor de leerling mooi zijn; wat de leraar voor goed houdt, moet ook voor de leerling goed zijn, wat hij voor waar houdt, moet voor de leerling waar zijn. Alles moet vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit opgebouwd worden op deze vanzelfsprekende autoriteit.

Was man unter dem Impuls der selbstverständlichen Autorität auf­nimmt, hat man nicht immer verstanden, sondern hat es aufgenommen, weil man den Lehrer liebt. Im späteren Alter, zum Beispiel im 35. Le­bensjahr, kommt es dann herauf und bedeutet eine wesentliche Bele­bung des ganzen inneren Seins des Menschen. Derjenige, der sagt, man muß einem Kinde bloß triviale Anschauungsbilder beibringen, der sieht nicht hinein in die menschliche Natur, der weiß nicht, was es für eine vi-tale Kraft enthält, wenn der Mensch so etwas im 35. Jahr heraufholen kann, was er einst auf die Liebe zum Lehrer hin aufgenommen hat. Jetzt können Sie einsehen, was das für eine innere Bedeutung hat. Der Pro­zeß im Menschen, welcher der Ausgleich zwischen dem Kohlensäure-und Zyanprozeß ist, wird wesentlich unterstützt, wesentlich belebt da­durch, daß so etwas in dem Zustand tief unten bleibt in der mensch­lichen Natur wie etwas, was man in Liebe aufgenommen hat im 8., 9. Jahr, das dann im Verborgenen sich hält und später, nach Jahrzehnten, verstanden wird. Was sich abspielt zwischen dem Aufnehmen und Ver­standenwerden, was in der Seele unmittelbar in dem Gleichgewichts-prozeß zwischen unterem und oberem Menschen mit dem entsprechen­den Verhalten des Kohlenstoffes steht, hat den allergrößten Einfluß.

Wat aanvaard wordt onder de impuls van de vanzelfsprekende autoriteit, wordt niet altijd begrepen, maar wordt aanvaard omdat er van de leerkracht wordt gehouden. Op latere leeftijd, bijv. als je 35 bent, komt het naar boven en betekent dan een wezenlijke impulsering van het hele menselijke innerlijk. Degene die zegt dat je een kind alleen maar alledaagse aanschouwelijkheidsbeelden moet bijbrengen, kijkt niet naar de menselijke natuur; die weet niet wat er voor vitale kracht in zit wanneer een mens zo rond z’n 35e naar boven kan halen wat hij ooit in liefde voor de leerkracht opgenomen heeft.
Nu kan u inzien wat dat voor een innerlijke betekenis heeft. Het proces in de mens dat het vereffenen betekent tussen het koolzuur- en blauwzuurproces, wordt wezenlijk ondersteund, krachtig gevitaliseerd doordat zoiets diep in de menselijke natuur blijft, net zoals wat je in je 8e- 9e jaar in liefde opgenomen hebt, en dat dan verborgen blijft en later na tientallen jaren begrepen wordt. Wat zich daar afspeelt tussen het opnemen en begrijpen, wat in de ziel direct samenhangt met de evenwichtstoestand tussen de beneden- en de bovenmens met de daarbij behorende werking van de koolstof, is van de allergrootste invloed.
GA 302A/138-139
Niet vertaald

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2454-2303

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-5)

.
SPEL EN SPEELGOED
.

Er was Rudolf Steiner veel aan gelegen dat het jonge kind op een verantwoorde manier zijn fantasie kan ontwikkelen.

Concreet schreef hij daar al over in 1907. De tekst is later als een boekwerkje uitgegeven:De opvoeding van het kind‘.:

‘ Zeer goed zijn ook prentenboeken, waarin de figuren door touwtjes onderaan bewogen kunnen wor­den, zodat het kind zelf het dode beeld schijnbaar tot leven wekt.’
Meer over spel uit dit werk.

En inGezondmakend onderwijs zegt hij:

Het speelgoed moet indien mogelijk aan de fantasie vrije speelruimte laten. En omdat het verstand, het intellect niet fantasie is, is het in elkaar zetten van allerlei dingen niet bepaald iets wat de bijzondere geaardheid van de kinderlijke fantasie op deze leeftijd ten goede komt.
Iets wat zijn gevoel van innerlijke levendigheid aanwakkert is altijd beter. Een plaatjesboek bijvoorbeeld, dat uitgeknipte, niet lelijke, maar smaakvol geschilderde figuren heeft, waaraan je van onder met draadjes kunt trekken zodat zij complete handelingen uitvoeren, elkaar liefkozen en ruzie maken, en het kind daardoor hele toneelstukken in zichzelf kan oproepen uit alles wat het daar ziet, dat is een buitengewoon goed speelmiddel voor een kind.’
Meer over spel in dit werk.

In ‘Opvoeding en onderwijs gaat het over beweegbaar speelgoed in een andere vorm.|
Meer over spel in dit werk.

Steiner heeft het dus over prentenboeken met beweegbare figuurtjes.
Maar in het verlengde daarvan kun je de beweegbare (wand)platen zien.
Bij Christofoor werd uitgegeven: ‘Beweegbare wandplaten‘.

En nu heeft kunstenares Janine Polling een in mijn ogen heel mooie wandplaat gemaakt:

Janine Polling maakte o.a. ook: Beweegbare kabouters 1

Ook hier zijn beweegbare wandplaten te koop.

.

Spel en speelgoed: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

.

2453-2302

.

.

.

.