Tagarchief: St.-Jan

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (22)

.

SINT-JAN

Midden in de zomer moeten we ons gewonnen geven

Het Sint-Jansfeest wordt gevierd op 24 juni, midden in de zomer. Twee essentiële onderdelen bij het vieren van dit feest zijn een hoog oplaaiend Sint-Jansvuur en bloemen; bloemen om kransen van te maken of een taart van te bakken.

De 24ste juni, Sint-Jansdag, de geboortedag van Johannes de Doper is, althans in ons land, geen officieel erkende feestdag zoals Kerstmis, Pasen en Pinksteren dat zijn. Toch is het in andere streken, bijvoorbeeld waar extreme verschillen tussen midzomer en midwinter bestaan, zoals in Scandinavië’ of waar het christelijk religieuze leven emotioneler en feestelijker getint is dan bij ons, zoals in zuidelijk Europa, het vieren van het Sint-Jansfeest wel gebruikelijk. En zeker was het dat in vroeger tijden in onze streken ook.
Steeds meer begint tegenwoordig echter het besef te groeien dat met het verlies van zin­volle, ritmisch weerkerende feesten er een zekere innerlijke armoede ontstaat en dat het zielenleven van de mens verkommert. Het is immers opvallend hoeveel boeken er ver­schijnen die de feesten van het jaar tot on­derwerp hebben en waar dus duidelijk een markt voor is.

Feest vieren heeft natuurlijk de meeste mo­gelijkheden wanneer je het met een groep, in een gemeenschap doet. Het samen voorberei­den brengt al een enthousiaste stemming, ie­dereen kan naar eigen aard en vermogen iets bijdragen en tegenvallers worden in een ge­meenschap met collectieve veerkracht opgevangen. Maar ook als je door omstandigheden alleen of met een paar mensen bent, kun je een feestdag of feesttijd als zodanig bele­ven en misschien zelfs tot een grotere diepte komen dan wanneer er een beroep gedaan wordt op je organisatietalent en uiterlijke creativiteit. Waar het om gaat is dat je het feest, ook in traditionele vormen, steeds weer inhoud geeft en er telkens weer een in­spirerende aanzet in vindt voor het verdere dagelijks leven.

Sint -Jan valt een paar dagen later dan de da­tum van de zonnewende op 22 juni. Het hei­dense feest van de zomerzonnewende dateert van ver voor onze jaartelling toen de mens­heid in het beleven van de natuur nog de goddelijke kracht kon ervaren en mee kon gaan in hetgeen wind, zon en water aan het geestelijk wezen van de mens te vertellen hadden. Voor ons is dit weten een abstractie geworden en toch moeten we de kennis van al dit oude weten weer op nieuwe wijze in ons bewustzijn zien te krijgen voordat we zinvol vorm kunnen geven aan zo’n feest.

In ons land wordt het Sint-Jansfeest zeker niet overal vanuit de traditie vanzelfsprekend ingevuld, al kun je best plotseling in een Betuws dorpje een Sint- Jansprocessie tegenko­men en zijn daar ook ‘vogelschiet’wedstrijden bij.

In België zag ik rond die tijd met bloemen versierde kapelletjes en hoe zuidelijker hoe meer bekendheid en traditie over dit feest bestaan. Het zal misschien ook wel een kli­matologische oorzaak hebben: in Spanje zul je midzomer anders ervaren dan wanneer je hier met een door de regen verpieterde bloe­menhoed in een bootje zit. Het oerkarakter van uitbundigheid, je overgeven aan de ele­menten, is in de stralende zon toch gemakke­lijker.

Bij het Johannesfeest moeten we ook in ge­dachten houden dat het gaat om een bepaal­de periode van het jaar en niet om één spe­ciale dag. Maar dat is een schrale troost voor een verregende feestdag, die verplaatst moet worden. Het vuur is zeker iets wat bij het Sint-Jan vieren behoort, het is een tegen­beeld van het kaarsvlammetje dat vroeger op Driekoningen in een turf gestoken in de kelder stond om overheen te springen. Het grote, naar de kosmos waaierende vuur te­genover het kleine verborgen vlammetje in de aarde. Zoals de hele natuur omhoog streeft zenden wij onze vraag naar boven om dan een half jaar later antwoord te krijgen in de donkere midwintertijd. In de middeleeu­wen doofde men op Sint-Jansdag het haard­vuur om daarna van het grote Sint-Jansvuur nieuw vuur mee terug te nemen naar de schoongemaakte stookplaats.

Wat kunnen we nu doen om het Sint-Jans­feest te vieren en met wat voor materiaal, zo­dat we daar het karakteristieke, het ‘oer­beeld’ mee te pakken krijgen? Konden we met Pinksteren nog in een zekere naïeve cre­ativiteit papieren bloemen voor de pinkster­bruid maken om zo aan ons menselijk scheppingsvermogen uiting te geven – met Sint-Jan, midden in de zomer, moeten we ons ge­wonnen geven. Onze papieren bloemen, als versiering, als eindprodukt van een eenvou­dig metamorfoseproces, hebben dienst ge­daan en mogen nu weggedaan worden. Dat wat nu buiten in de natuur gebeurt kunnen wij niet nabootsen. Het is het blijmoedige to­tale wegschenken van eigen rijkdom en over­vloed. Wat al werd aangezet in de vorige maanden, gebeurt nu duizendvoudig en op volle kracht: het uitwolken van stuifmeel en insecten tot hoog in de atmosfeer. Het is meer te voelen dan te zien – alles zindert van warm, dansend leven.

Wat gebeurt er eigenlijk met al dat leven? Als je er een beetje op let, merk je dat het zich wegschenkt – volkomen en vanzelfsprekend. Vooral bij de insecten valt dat op. We mogen ze dan lastig vinden, die vliegen en die mug­gen, we denken al gauw aan ‘schadelijk onge­dierte’ – toch zijn het representanten van een onzelfzuchtig ras. Want kort is hun bestaan. Wie niet als larf al is opgepikt, vindt zeker dartel vliegend een wisse dood in één of an­der vogelmaagje, en heeft dan, al naar zijn aard, zijn bescheiden aandeel geleverd in het voortbestaan van plant, mens en dier. Zo is het ook met het stuifmeel van bloemen, gras­sen en granen, dat zich aanbiedt en mee laat voeren om door bestuiving het vormen van zaad en vruchten mogelijk te maken, waarna het bloemetje weldra verwelkt en verschrom­pelt.

Niets van wat wij eten, of het is ontstaan uit de schenkingsvreugde van de levende natuur. Het kleine, het nietige schenkt zich weg om het grotere, hogere een levensbasis te geven. Het is een zinvol wegschenken en het wordt daarom blijmoedig en zonder ophef gedaan. Maar is het wel echt blijmoedig? Je bent dik­wijls geneigd het tegendeel te denken, het als een tragiek te beschouwen dat planten en dieren gedood en opgegeten worden. Maar komt dat niet doordat je je als mens met die planten en dieren vereenzelvigt en meent dat zij eenzelfde waarde aan het leven toekennen als wij? En dat die waarde uit allerlei goede dingen bestaat maar meestal niet uit het weg­schenken van jezelf? ‘Natuurlijk’, zeg je gauw tegen jezelf, ‘die dieren weten niet be­ter – ze zijn het zich niet bewust, ze worden al dartelend opgeslokt’. Ja, dat is ook zo maar ondertussen laten ze toch zien dat le­vensvreugde en onbaatzuchtigheid heel goed kunnen samengaan.

In deze hoogzomertijd valt het feest van Johannes de Doper. De relatie zoals die nu beleefd kan worden tussen dit feest en Kerst­mis gaat terug tot het moment van de ge­boorte van Johannes, een half jaar vóór de geboorte van het Jezuskind. Het Evangelie vertelt van een ongelooflijke verbondenheid tussen deze beide kinderen, zelfs al vóór de geboorte. Het is Johannes die de wegbereider wordt voor het leven en werken van Christus op aarde en die zich met de enorme kracht van zijn vurige persoonlijkheid geheel hiervoor inzet, nooit aflatend om te wijzen op de betekenis van deze Mensenzoon en de alles omwentelende impuls die door zijn komst aan de mensheid en de hele aarde wordt gegeven.

Johannes wordt door Christus de ‘grootste mens’ genoemd ‘die uit een vrouw geboren is’. Toch zag hij, erkende en verkondigde hij degene die groter was dan hijzelf. Dat Johan­nes door deze activiteit op jonge leeftijd zijn leven moest prijs geven kan als een zelfgewil­de consequentie beschouwd worden; is dan ook niet tragisch, maar groots.

Waar zou je het Sint-Jansfeest beter mee kunnen vieren dan met echte bloemen, die je uitnodigen tot plukken en die nog altijd on­danks alles wat we de natuur aandoen, in overvloed bloeien, zodat je werkelijk kunt denken aan wat de naam Johannes betekent: God is genadig.
Zo kunnen we ter opluiste­ring bloemenkransen maken of een bloemen­hoed, maar ook een bloemetjestaart of pannenkoek!
.

Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’21, 10 juni 1983)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

198-188

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (21)

.

SINT-JAN

Een stukje schrijven over St.- Jan. Dat valt niet mee. Toen ik „ja” had ge­zegd, dacht ik dat het niet zo moeilijk zou zijn hier iets over te schrijven.

De zon is op haar hoogste punt op de naamdag van St.- Jan: 24 juni. Moeder Aarde, wat een levend wezen is, heeft dan haar adem helemaal uitgeblazen. De ziel van de aarde is nu op z’n grootst. Ze reikt tot aan de wereld van God Vader, tot aan de hemel. Kijk maar eens werkelijk naar zo’n bloeiende linde­boom en ervaar hoe groots hij voor je staat.

Al onze zintuigen kunnen zich tegoed doen aan kwetterende vogels, zoete geuren en bonte kleurschakeringen van alle soorten bloemen. De kleurenpracht is overal om ons heen. We zijn dan ook „uitgelaten”. Trekken erop uit al of niet naar verre oorden, kunnen zonder jas naar buiten, want de temperatuur is lekker warm. Genieten van de warme, zoele zomeravonden en nemen de tijd om een praatje te maken met de buren. Je bent als mens één met alles om je heen.

De kracht, het licht en de warmte van de zon nemen we in ons op met huid en hart. Nieuwe, reine zonnekrachten, die we nodig hebben om weer er tegen aan te gaan in de herfst en de winter. Al het oude hebben we verbrand en afgelegd met het zuiverende St.- Jansvuur. Vanaf de 24e juni keert de zon zich langzamer­hand weer van ons af. De zomerzonnewende, een prachtig allitererend woord, in vroegere culturen had dit woord nog een werkelijk levende, magische klank. Be­leefde men die zomerzonnewende. Machtige reinigingsvuren werden ontstoken en men raakte tijdens het dansen letterlijk buiten zich zelf om onder te gaan in de zonnesfeer.

Om het St.-Jansfeest werkeljk te begrijpen is het niet voldoende om te blijven steken in datgene, wat je eraan beleeft. Ik denk, dat het voor elk jaarfeest geldt. Je zou die belevingen, die ervaringen moeten kunnen koppelen aan inzichten. Het woord zegt het al: om er zicht op en in te kunnen krijgen. Daarvoor is het nodig om een stuk bewustzijn te brengen in onze ervaringen.

Kijken we naar de kinderen, dan zien we dat zij volop genieten van dans en spel, van de volheid, van de zomer. De volwassen mens kan meer. Hij kan proberen zich niet alleen over te geven aan de uiterlijke zon, maar met een wakker be­wustzijn een eigen innerlijke zon op te bouwen, Ik zou willen aanraden voor degenen, die dat willen, om eens te lezen wat Emil Bock over het St.-Jansfeest heeft geschreven in zijn boek over de jaarfeesten. Vooral de niet gemak­kelijk te begrijpen samenhang met Johannes de Doper doet hij hierin uit de doeken.

Al lezende merk je dat je als modern mens een ingang kunt vinden om een verbinding te krijgen juist met ons denken, ons bewustzijn. Je komt op vragen als wat is de kwaliteit van de zon, wat is de kwaliteit van warmte eigenlijk, wat wordt ermee bedoeld als er wordt gezegd, dat de aarde slaapt tijdens de zomer en waakt in de winter, terwijl je altijd dacht dat het andersom was; wat hebben Hemelvaart en Pinksteren voor verband met het St.-Jansfeest, wat is uitade­men en wat is inademen? Talloze vragen, die in de loop van de tijd beantwoord willen worden. Wat mij erg aansprak: vroeger leefde het IK IN DE ZON, de op­dracht voor de toekomst: DE ZON LEEFT IN MIJ.

 Hedie ter Stege, nadere gegevens onbekend

Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

197-187

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (20)

.

VUUR

Je hoort op school over aggregatietoestanden: vaste stof, vloei­stof en gas. En in verband daarmee over warmte, zelf geen ‘toestand’, het kan vaste stof laten smelten,  vloeistof laten verdampen en gas laten opstijgen, uitdijen. Wie dat geleerd heeft, kan het op een examen gebruiken, maar verder is die kennis iets waar je innerlijk geen boodschap aan hebt.

Op een Rudolf Steinerschool  hoor je over de 4 elementen: aarde, water, lucht en vuur.  Dat lijkt iets dergelijks, maar de kinderen hoeven hierover niets te leren, ze kennen ze als oude vrienden. Door eigen waarnemingen en ervaringen in de wereld om hen heen. Peuters en kleuters spelen met zand en water, ze grijpen, voelen, sjouwen, schenken, kliederen, plenzen. Spelen met lucht en wind komt wat later: vliegeren en hollen voor de wind met je jas wijd uitgespreid. Maar ook zwaaien boven in een boom! Dat mag je als kind meestal niet, ’t is veel te gevaarlijk. Je moet als kind al een ze­kere beheersing van de aarde veroverd hebben voor je je de hoogte in waagt.
Ik zal nooit de verrukking vergeten van een jongen uit de binnenstad van Rotterdam,  toen hij tijdens een werkweek luid zingend – hoog boven in een boom heen en weer zwiepte, iedere dag weer. Ik hield natuurlijk mijn hart vast maar die ervaring maakte hem rijker en sterker.
‘Spelen met vuur’ is zelfs spreekwoordelijk een riskante zaak. Terecht overigens. Toch trekt het grotere kinderen aan, in­trigeert ze, fascineert ze. Bij een goeie hut hoort per slot toch een echt fikkie!

In de zevende klas, bij chemie, leren ze over verbranding en wat vuur doet, de aandacht en ’t meeleven is dan groot.

We ontmoeten de 4 elementen niet alleen in de wereld buiten ons. We hebben ze ook binnen ons vel. Botten en bloed, adem en lichaamswarmte. Zo bekeken zijn we één met de natuurrijken. Innerlijker nog is onze ziel, die de kwaliteiten van de elementen herkent als bij ons behorend, met ons verwant. Met de aggregatietoestanden heeft onze ziel geen enkele verbinding, dit tussen haakjes.

Uitdrukkingen en zegswijzen kunnen dit duidelijk maken:
Met beide benen op de aarde staan
Een zwaartillend karakter
Het hoofd boven water houden
Met alle winden meewaaien
Een luchthartig persoontje
Vlammend enthousiast

Er zijn veel voorbeelden te vinden, beeldspraak noemen we ze. In onze ziel  leven zwaarte en soliditeit, kunnen de golven van emo­ties hoog oplopen, fladderen we van  ’t een naar ’t ander, kunnen we ergens warm voor lopen. Met al deze gevoelens ‘spelen’ jonge mensen, leren ze kennen en beheersen, zoals kinderen spelen met water, stenen, molentjes en vuur. Zowel aan lucifers als aan gevoelens kun  je je branden.
Buitenwereld, lijf, ziel, we kunnen nog een stap verder gaan.

De Griekse sage van Prometheus vertelt hoe de goden en speciaal Zeus, het ook  te gevaarlijk vonden de mensen het vuur in handen te geven. Ze zouden het verkeerd gebruiken, ze zouden hun plaats niet meer weten, ze waren het niet waard. Vuur was goddelijk en van de goden en dat moest zo blijven. Het verhaal vertelt verder hoe de men­sen zonder vuur jammerlijk voortvegeteerden, zonder initiatief, zon­der hoop.  Prometheus, zelf van goddelijke afkomst, nam het besluit de mensen verder te brengen. Hij stal het hemelse vuur en bracht het op aarde. De goden straften hem, maar de hemelse gave kon de mensen niet meer ontnomen worden. En met het vuur werden zij wakker en ondernemend, aan het vuur ontvonkte de menselijke geest. Dit leert ons het verhaal van Prometheus’ gave aan de mensen.

Aan het vuur van St.- Jan, aan alle vuur, zien wij het gebaar van de geest die opstijgt en naar de hemel wijst, wie er doorspringt wordt gereinigd. De pinkstervlammen dalen af, inspirerend en verbroederend.

 Esther Buekers, nadere gegevens onbekend

 

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

 

.195-185

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (18)

.

SINT-JANS VIER

Nu zit de zonne
hoog in de hemelstoel,
nu zit de zonne
hoog over al.

Haal hout en help ons
hoop het tegaar alhier;
haal hout én help ons
mee, allemaal!

Vliegende vlamme,
vlerke van ’t zonnewiel,
vliegende vlamme,
vlucht in de hoop!

Zie, hoe de vlamme bijt;
zie, hoe heur tonge laait;
zie, hoe de vlamme bijt,
binnen in ’t hout!

Haal hout en help ons
hoop het tegaar alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Dans nu de zomerdans,
dans door de vlammen heen;
dans nu de zomerdans,
gij, gasten, tegaar,
gij, gasten, tegaar!

Haal hout en help ons
hoop het tegaar alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Laat ons een lieke,
dansend de zomerdans
laat ons een lieke
zingen daartoe!

Zo zal, eer ’t avond wordt,
leutig ons zomervier
sperken en sparken,
om­hoog in de hemel slaan,
en leve Sint-Jan!
Hoe langer
hoe liever,
hoe langer
hoe liever,
ja,  leve Sint-Jan!

Haal hout en help ons
hoop het tegaar, alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Zie hoe de sterren,
diep in de hemel daar,
lonken en linken
naar ons gedans!

Stokken en sterren,
heerdvier en hemelvier,
herten die jong zijt,
al ondereen;
eer wij gaan slapen,
nog eens geroepen nu:
Leve Sint-Jan!

Haal hout en help ons,
hoop het tegaar alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Guido Gezelle

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

194-184

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (17)

.

HET VOGELSCHIETEN

In de noordelijke streken van Duitsland is in kleinere plaatsen het vogelschieten nog een grote gebeurtenis die de gemoederen van jong en oud in beroering brengt en bij iedereen hoge verwachtingen wekt. Als kind heb ik van het vogelschieten van de volwassenen slechts weinig kunnen meemaken. Wel genoten wij van de optocht: voorop het muziekkorps, daarachter het waardige, gekroonde nieuwe
sc
hutterskoningspaar met bloemguirlandes en onderscheidingen beladen, gevolgd door de stoet van schutters. De afsluiting van het geheel werd gevormd door een zwerm luidruchtig enthousiaste kinderen. Zo verdween dit gezelschap na de ereronde door het stadje in het “Schuttershof” of de herberg “De groene krans”.

De kinderen waren reeds weken van tevoren vol grote verwachting en voorvreugde, totdat wij eindelijk in onze zondagse kleren, met kransen in het haar, naar het Schuttershof trokken om aan het kindervogelschieten mee te doen. Alles was kleurig versierd – enkele ijstentjes zorgden voor de nodige afkoeling.
Wij “schoten” met een werphout op een witte duif die op een doelschijf was geschilderd.
Jongens en meisjes wierpen apart, ieder kwam drie keer aan de beurt. Dat was me een opwinding en spanning, totdat alle punten waren geteld en de koning en de koningin werden uitgeroepen!                             

Mijn grootste wens was als schutterskoningin getooid aan de zijde van de koning de kinder­optocht door ons stadje te mogen aanvoeren, met aan de kop van de stoet de muziekkapel die voor voldoende lawaai zorgde. Maar dit geluk werd mij pas later beschoren, toen de Rendsburger Waldorfschool dit oude Sint-Jansgebruik weer invoerde en tot een deel maakte van ons zomer­feest met afsluitende fakkeloptocht en Sint-Jansvuur.

Als wij bij het Sint-Jansvuur van een laaiend enthousiasme voor een te bereiken ideaal spreken, dan is de volgende noodzakelijke stap: hoe concentreer ik mij op dit doel, opdat het kan worden gerealiseerd.
Dit vinden wij nu in het tweede Sint-Jansgebruik, het vogelschieten.
In een beeld werd dit de mensen aanschouwelijk gemaakt. Men richtte en schoot op de witte duif.
Zij was vanouds het symbool van de Heilige Geest en wij vinden haar op vele oude    bijbelse schil­derijen terug, o.a. de verkondiging van Christus’ geboorte, de doop van Jezus in de Jordaan, en enkele voorstellingen van Pinksteren (hier komen nog de vurige tongen bij).

.

Elsabe Barfod, schoolkrant vrijeschool Den Haag, datum onbekend

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

193-183

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (16)

.

HET SINT-JANSVUUR

Het was op Sint-Jan, 24 juni. De schemering begon reeds te dalen, de reusachtige stapel hout rees spookachtig op tegen de lucht, de Oostzee glansde in de laatste avondkleuren door de bomen. Wij be­sloten een strandwandeling te maken tot middernacht. De avond was van toverachtige schoonheid: sterren begonnen aan de hemel te glinsteren, de maan verspreidde zijn zachte licht en aan de hori­zon, in het noordwesten, was nog een laatste spoor van de rood- en geelachtige kleuren van de onderge­gane sintjanszon te zien. De stilte van de nacht, de eenzame natuur en haar plotselinge geluiden waren wij immers helemaal niet meer gewend.
Toen kwamen ons uit het donker fakkels tegemoet, gedragen door enkele leden van de jeugdkring. Op een open plek in het bos verzamelden wij ons om de brandstapel. Met de brandende toortsen werd het Sint-Jansvuur ontstoken. Een reusachtige steekvlam schoot omhoog, knetterend en indrukwekkend. Wij zongen gemeenschappelijk de canon:  “Flamme jmpor, leuchte uns..*.”, daarna begon de recitatie van “Zündet das Feuer an…” uit Pandora van Goethe.
Hoe machtig was dit vuur – een geweldig centrum! Een korte toespraak versterkte dit beleven, daarna dansten wij, volksdansen, waarbij af en toe een taxerende blik op de hoogte van de vlammen werd geworpen – of men het reeds kon wagen? En werkelijk – een stoutmoedig paar sprong net over het vuur, een tweede volgde en toen was er geen houden meer aan. Wie de moed had sprong. Later roken onze kleren branderig en verschroeid. Nadat het vuur was gedoofd gingen wij rondom de warmtehaard liggen, zingend, peinzend of zwijgend en tenslotte sliepen de meesten, in hun slaapzakken gewikkeld.

De koelte van de ochtend wekte ons bijtijds, zodat we de zonsopgang en het jubelende vogelconcert konden beleven.

Wat betekent tegenwoordig zo’n Sint-Jansvuur voor ons?

Wie kent niet de “Begeisterung” voor een hoog ideaal, waarvoor mensen kunnen ont­vlammen?

De lettergreep “be” duidt aan “in staat zijn tot”. Bij “Begeisterung” is er sprake van de Geest die ons doet ontvlammen; hij veroorzaakt de versterking  van ons levenslicht. Bij ons Sint-Jansvuur kunnen we dit gemeenschappelijk beleven. Dit feest is genoemd naar Johannes de Doper, die zegt: “hij zal wassen,  ik minder worden’,’ en “Ik doop u met water, Hij echter zal u met de Heilige Geest dopen”.

Morgenstern roept ons toe:

— wehe wachst du zagen Mutes
über deinem Lebenslicht,
dessen Flamme gar nichts wert,
wenn sie nicht ihr Wachs verzehrt—— ”

Morgenstern spreekt van het innerlijk vuur. Het Sint-Jansvuur kan in deze zin een actief antwoord zijn tegenover de wereld, waarvan Nietzsche zegt:

“Ja, ich weiss, woher ich stamme!
ungesättigt, gleich der Flamme
glühe und verzehr ich mich.
Licht ist alles, was ich fasse,
Kohle alles, was ichh lasse,
Flamme bin ich sicherlich!”

Zoals in het Oude Testament b.v. God door het vuur in het brandende braambos tot Moses sprak of op de berg Sinaï van buiten werkzaam was en daarmee aan de mensen een richting wees, zo is voor de jeugd in het gemeenschappelijke beleven het vuur een levend beeld van een innerlijk ideaal waarnaar men kan streven en waarvoor men in Be -geisterung, in geestdrift, ontvlamt.

Elsabe Barfod, schoolkrant vrijeschool Den Haag, datum niet bekend

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

192-182

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (15)

.

SINT-JAN: MIDZOMERTIJD

Om ons heen zien we de natuur zo rijk en uitbundig als in geen ander jaargetijde. Alle bladeren hebben zich vol ontplooid, bloemknoppen springen open, de eerste vruchten zetten zich. Het eenvoudige groene kleed van onze aarde – het gras – tooit zich met een rijke verscheidenheid van aren en pluimen, die met hun gouden waas het groen versluieren. Myriaden van insecten ziet men in de blauwe hemel, zingen door de stille bossen. Overvloed biedt ons de natuur. En wij, mensenkinderen, voelen ons meegenomen in deze bonte, warme wereld. De zon koestert ons, de vakanties lokken — wij geven ons over aan de roep van de natuur.

Dan nadert de midzomernacht, de nacht van 23 op 24 juni. De zon staat hoog aan de hemel en bereidt zich voor op de terugtocht. Nog één korte lichte nacht en het keerpunt is gekomen.

Misschien hebben we geluk en welft zich boven ons de hemel met zijn sterren­kleed. Misschien licht de zee en strooit duizenden sterretjes op het strand, of zien we in de donkere struiken de geheimzinnige gloeiwormpjes oplichten. In de stilte van zo’n warme, zoele nacht worden de Sint-Jansvuren ontstoken en mensen zoeken elkaar rond het vuur. Het vuur verbindt de mensen, die een kring vormen tegen de donkere nacht. Met de vlammen en vonken gaan onze gevoelens mee naar eindeloze hoogten. Bij de nagloeiende blokken keert de ziel terug en we kijken peinzend in de gloed. Een ommekeer — uit de donkere win­ter leefden we mee met de eerste groene knopjes, de ontluikende lente, de zomerroes: en de vraag stijgt in ons op: wat nu? Wat doen wij met deze overvloed?

Veel is ons gegeven, veel hebben wij beleefd — hoe gaan we nu verder?
Zo klonk eens de roep van Johannes de Doper, de machtige prediker aan de rand van de woestijn! Duizenden jaren was er een overvloed geweest, die de mensheid voort had geholpen. Een overvloed van wijsheid, van zorg voor de zich ontwikkelende mensheid. Nu is het keerpunt gekomen. Diegene, die mach­tiger is dan Johannes zal komen. Maar zijn woning zal zijn in de harten van de mensen, niet in de rijkversierde tempels, maar in de donkere diepten van de simpele mensenziel. Komt tot inkeer! Zo klonk de roep van Johannes. En zo roept ieder jaar de Sint-Janstijd: verlies je niet in de zomerpracht. Kijk terug naar wat het jaar je schonk en bezin je op wat je met de oogst zal doen. Zo kan de mensenziel de Sint-Janstijd beleven.

 C.W., nadere gegevens onbekend

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

191-181

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (14)

.

VUUR

Nu is het de zomertijd
en iedereen is zo verblijd.
Spoedig komt het grote vuur
dat branden zal in ’t avonduur.
Johannesdag komt spoedig aan.
Dan glanst de grote ronde maan.
Zomertijd, zomertijd
iedereen is zo verblijd.

—————

In het midden van de zomertijd
is de naamdag van Sint Jan.
Wij vieren het met zang en spel.
Sint Jan de heilige Man,
Johannesdag in zomertijd
doet bloeien leven al.
Wij toeven hier vol dankbaarheid
In ’t veld, op berg, in dal.

Probeert u zich eens een vuur voor te stellen. Ik bedoel dan een vuur opgebouwd van hout of plantaardige delen. Wat het belangrijkste en meest opvallende is aan vuur,  zijn natuurlijk de vlammen, zoals ze geel, oranje of rood in speelse bewegingen boven de brandstof uit lekken.
Toch blijkt na een tijdje dat we met de vlammen het vuur niet volledig
gekarakteriseerd hebben. Is het vuur namelijk zover opgebrand dat de
vlammen kleiner worden, dan is het vuur nog geenszins uit.
Wat er op de stookplaats achterblijft is een intens gloeiende massa, die nog lange tijd zijn warmte kan blijven geven. Wellicht heeft U weleens gemerkt hoe vuur een hele dag door kan smeulen.

We hebben hier al twee belangrijke delen van het vuur.
Aan de ene kant de speelse vlammen, die in voortdurend veranderende bewegingen, helder oplichtend, de “bovenste” pool van vuur laten zien. Anderzijds is daar de brandstof zelf, die slechts langzaam van vorm verandert, niet intens straalt en eigenlijk steeds naar de donkerte toe wil. Wat er van deze onderste vuur-pool overblijft is de as, die sterk het karakter van aarde heeft.
Toch is ook deze tweedeling onvolledig.
Bij het nauwkeuriger beschouwen van het vuur, blijkt dat er tussen deze twee uitersten nog een midden-pool ligt.
Het is dat deel van het vuur, dat haast onzichtbaar boven- en onderpool verbindt. De echte vlammen namelijk, komen niet direct uit het hout, maar schijnen er enkele centimeters, boven te”zweven”.
We zullen dit gebied de tussenpool noemen.
Het draagt de kenmerken van beide gebieden waartussen het bemiddelt; deels vrij en vluchtig, deels gebonden aan de brandstof en donker. Misschien is het verduidelijkend om van deze drie gebieden van het vuur een geïsoleerde brandwijze aan te geven.

De bovenpool van het vuur ziet U b.v. wanneer aardgas in de vrije lucht verbrandt, het geeft dan een gele vlam die helder brandt. De onderpool kunt U aantreffen in het gloeien van houtskool of steenkool: een rode gloed die lang blijft voortbestaan.

De tussenpool ziet U b.v. in het branden van spiritus: haast onzichtbaar in daglicht,  slechts het wervelen van hete lucht laat zien dat er vuur moet zijn.

In het vuur blijkt aldus een driedeling te bestaan.

Het moet voor de mens in oude tijden een belevenis zijn geweest om die driedeling van het vuur te ervaren, naast de wetenschap ook zelf een eenheid te zijn die uit drie gebieden bestaat: lichaam, ziel en geest.

Daarom is in de meeste godsdiensten het brandoffer zo van belang. In het vuur kan de mens immers zichzelf terugvinden, kan hij zich vereenzelvigen met het offer en zich voorstellen zelf het offer te zijn. Temeer daar het offer vaak bestond uit het beste van wat men bezat.

“…. Abel werd schaapherder, Kaïn landbouwer. Na verloop van tijd nu, bracht Kaïn van de vruchten der aarde een offer aan de Here, ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen……”(Gen. 4)

In het vuur kon de mens zichzelf geven en kon hij deel hebben aan de wereld der goden. Immers steeg de rook van zijn offer niet op naar de hemel, zoals ook zijn ziel eens naar de geestelijke wereld zou opstijgen ?

Van dit beeld uitgaande is het volgende schema te geven:

vuur

bovenste deel: hoog opstijgend, deel hebben aan de geestelijke wereld;
naar buiten gericht, beweeglijk als het denken

middendeel: verbindend element, zoals de ziel bemiddelt tussen lichaam en geest

laagste deel: stoffelijk fysiek aards gericht

Het vuur is onmisbaar voor de aarde. Is het niet de geweldige zonne-energie die ten grondslag ligt aan alles wat leeft op aarde ? Bestaat zelfs de aarde niet grotendeels uit gesteenten die door het vuur zijn gegaan en daarna gestold zijn ? Aan het begin der dingen staat het vuur.

Daar waar echter vuur is, treden de delen van het vuur ook weer naar voren, het best waar te nemen in hun twee uitersten.
Daar zijn allereerst die stoffen die sterk met de donkere kant van het vuur te maken hebben gehad. Ze zijn tot “aarde” geworden en vormen de basis van de aarde.
Om hun herkomst noemt men de stoffen die een dergelijk karakter hebben een BASE. Ook gesteenten die gestolde lava zijn hebben een basisch karakter, hetgeen bv. de naam basalt verklaart. Basische stoffen zijn de LOGEN,  SODA, maar ook AS.

De andere kant van het vuur, de lichte pool der vlammen vertegenwoordigt een geheel andere wereld.
Het heeft te maken met die stoffen die bij de verwarming ontwijken. Eén van die stoffen is het gas KOOLZUUR (C02).
Het is hetzelfde gas dat in spuitwater e.d. de prikkelende smaak geeft. De naam zegt al dat het gas ZUUR is. Stoffen die met de warme boven-pool van het vuur te maken hebben, noemen we ZUREN.

Ze hebben nog sterk het karakter van het vuur. Kent u b.v. sterke zuren als zwavelzuur of zoutzuur, dan zult u weten hoe deze stoffen inbran­den op kleding of hout. Ze hebben nog heel sterk de warmte van vuur in zich.
Het valt niet te verwonderen dat een sterk zuur en een sterke base nogal fel op elkaar zullen reageren.
Druppel ik b.v. ZWAVELZUUR in NATRONLOOG, een bijtend zuur in een heel sterke base, dan verloopt de confrontatie nogal stormachtig. De inhoud van het glas, waarin ik beide tezamen breng, dreigt over de rand te spetteren, iedere druppel zwavelzuur die ik bijgiet valt sissend in het loog.

Zo stormachtig is de reactie, dat de temperatuur van de vloeistof oploopt tot haast 100 graden Celcius.

Nu hebben natronloog en zwavelzuur een gemeenschappelijke eigenschap. Ze willen zich graag met water verbinden. Men zou kunnen zeggen, dat deze stoffen bereid zijn om zelf hun geweldige kracht te blussen, af te zwakken in water.
Laat men zwavelzuur onafgesloten staan, dan bemerkt men hoe het water uit de lucht aantrekt en steeds zwakker wordt. Met natronloog is hetzelfde het geval.
Geeft men toe aan die “drang” naar water van beide stoffen, en brengt men loog en zuur bijeen in een grote hoeveelheid water dan is de reactie veel zwakker.
Wanneer men het water proeft, blijkt dat na verloop van tijd het zuur niet meer terug te vinden is, terwijl ook het zeperige karakter van het loog niet meer terug te vinden is.
Beide stoffen hebben elkaar in evenwicht gebracht, elkaar geneutraliseerd.

In dit proces hebben we met de volgende elementen te maken.

HET VUUR, dat oorsprong is van enerzijds de basische stoffen, die met
de AARDE te maken hebben, anderzijds met de vluchtige zure stoffen die het LUCHTelement kenmerken en tenslotte het WATER als laatste element.
De tegenstelling water en vuur kent u, de tegenstelling base en zuur (lucht en aarde) heb ik hier voor u geschetst. Hun verhouding zo als we die uit de scheikunde leren is als volgt:

vuur 2

Tot slot wil ik u wijzen op het volgende.
Aan het begin van dit artikel zagen we hoe we de beide delen van het vuur een aards en geestelijk karakter konden toekennen. Daartussenin bestond een tussenpool.

Nu is een dergelijke deling in het menselijke leven* ook aan te wijzen. Deels is de mens aards: hij is overgeleverd aan de wetten die alle fysieke elementen beheersen.
Zou de mens echter alleen aards zijn- dan was hij geen mens. We zien deze toestand als de mens gestorven is; het lichaam blijft achter en vergaat tot aarde. (Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren).
Zou de mens echter alleen geestelijk zijn, alleen in b.v. de vlucht van zijn gedachten leven, dan zou zijn bestaan op aarde zijn zin verlie­zen. We zouden de dingen om ons heen niet meer kunnen beroeren. Het menszijn zal zich dan ook tussen deze twee uitersten moeten af­spelen.

Wellicht is het daarom goed te kijken hoe in de fysieke wereld der scheikunde het evenwicht tussen beide elementen, aarde en lucht, gevon­den wordt.

Daartoe bekijken we nog eens wat er gebeurt bij de stormachtige reactie tussen zwavelzuur en natronloog.
Wanneer we genoeg zwavelzuur in de natronloog gieten, dan zien we
opeens een witte neerslag, er zweven vlokjes door de warme vloeistof. Koelen we deze vloeistof af, dan zien we opeens kristallen ontstaan van een naaldvormige structuur. De kristallen smaken bitterzout. Uit twee vijandige stoffen is een nieuwe stof ontstaan: het glauberzout.
Een dergelijke reactie treedt ook op wanneer we het basische soda samen­brengen met het scherpe zoutzuur.
Het zoutzuur druppelen we in de soda, die gaat sissen en bruisen.
Er ontstaat hier echter geen warmte bij. Schenken we meer zoutzuur bij, dan ontstaat een vloeistof waarin we opnieuw vlokjes zien zweven.
Ook hier ontstaan weer kristallen die we kunnen proeven. De smaak blijkt bekent te zijn, nl. keukenzout.

Zo blijkt telkens weer dat uit de reactie van een base en een zuur een zout ontstaat.

Wat heeft deze grondregel van de scheikunde nu met de mens te maken, met het midden dat we als mens tussen onze uitersten moeten vinden ? Misschien dat de woorden van Christus daar een beeld van geven: Wanneer Hij in de zaligsprekingen een beeld geeft van de mens die in zichzelf het juiste midden heeft gevonden, die zijn bestaan op aarde waardevol gemaakt heeft, dan vat Hij al deze zaligsprekingen (zalig zijn de armen van geest, de zachtmoedigen, de vredestichters) nog eens samen in een allesomvattend woord: Gij zijt het zout der aarde… (Mattheus 5:13).

Het beeld wordt nog sterker zoals we in de beschrijving van Marcus lezen: ‘Want een ieder zal met het vuur gezouten worden, het zout is goed;  indien het zout echter zoutloos wordt, waarmede zult gij het smaak geven ? Hebt het zout in Uzelve…..’

Dit zoutbeeld geeft aan welk een bijzondere plaats de mens in de
natuur­rijken inneemt. Hij is in staat door zijn geestkracht de stoffelijke we­reld te veranderen. Vergankelijke stof maakt de mens onvergankelijk. Door de bewarende”zoutkracht” maakt de mens een tijdelijk bestaan , “tijdloos”, door de kracht van zijn geest die zijn daden in de tijd verder draagt. Vanuit die kracht is de mens in staat tot een werkelijk creatief bestaan, dat zijn zware aardse karakter verliest.
Door deze kracht kan de schilder met aardse stoffen een schilderij maken dat meer is dan een samenvoegsel van scheikundige kleurstoffen. Ook de metselaar kan van stenen, die eens modder waren, een kathedraal maken die de hemel met zijn torens schijnt te raken.

Misschien is uit al deze beelden iets van de zin te halen van het Johanni-feest:
Vanuit de vuurkracht van de zonnewarmte moeten wij de kracht zien op te doen, om verder het jaar door, ook wanneer koude en wind de herfst en winter weer beheersen, steeds weer tot vernieuwing van kracht te komen, om onafhankelijk van uiterlijke omstandigheden, het juiste midden te be­waren, onszelf te kunnen zijn.

Zodat ook midden in de winternacht, het licht kan stralen waarin de mens zich hervinden kan.

C.J.Verhage, nadere gegevens ontbreken

*voor een nadere uiteenzetting over deze gezichtspunten:
antroposofie, een inspiratie

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

190-180

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (13)

.

KEERPUNT IN HET JAAR

Het feest van Johannes

Op 24 juni wordt de naamdag van Johannes de Doper gevierd, maar eigenlijk is de hele maand juli aan hem gewijd, ja, je zou zelfs kunnen zeggen dat zijn machtige invloed zich uitstrekt over de hele zometijd. En wat gebeurt er eigenlijk in die zomertijd? De scholen zijn gesloten, het is vakantie, een woord dat afgeleid is van ‘vacuüm’, dat is ‘een lege ruimte’. In die ruimte trekt ieder­een erop uit om ‘van lucht te veranderen’, en een tijdlang te vergeten wat je opgenomen hebt in het jaar dat nu achter je ligt.
In het klein is dat de rustdag aan het eind van iedere week. De beslommeringen van het dagelijks bestaan, de problemen die zich vaak tegen de zomer ophopen en groter lijken te worden, moeilijkheden met anderen die in de hitte van het seizoen tot een uitbarsting dreigen te komen – al deze dingen moet je tijdelijk los­laten, zodat ze kunnen bezinken. Met het hoger komen van de zon word je uit jezelf getrokken, niet alleen door de natuur, maar ook door de dingen die er om je heen en met jou gebeuren. Wat je in de zomertijd doet, is afstand nemen, je op jezelf terug­trekken, proberen weer tot jezelf te komen. Het herinnert aan de roep van Johannes de Doper in de woestijn: ‘Komt tot inkeer!’

Een nieuwe orde
Het tweede gedeelte van deze toep luidt: ‘Het Rijk der hemelen is nabij gekomen!’
In een tijd dat hemel en aarde elkaar dicht genaderd zijn, klinkt daar voor ieder die het horen wil: ‘Er is een rijk op aarde gekomen dat niet van deze aarde is’. Het wordt gezegd door een man die dat zelf niet meer meemaakt. Hij is voorloper, hij kondigt aan en bereidt de weg voor Hem die komt, door het geestelijk kli­maat ontvankelijk te maken. Hij is de wachter op de drempel naar een nieuwe tijd. Zijn roep wordt gehoord, er komen velen die zijn leerlingen willen zijn.

Johannes de Doper wordt de laatste profeet van Israël genoemd, maar zijn wijze van wer­ken was anders. De profeten uit vroeger eeuwen waren boetepredikers, zij waren het geweten van het Joodse volk dat bij monde van één mens van tijd tot tijd wakker ge­schud werd, als de Israëlieten dreigden in te dommelen en het niet meer zo nauw namen met de wetten van Mozes. De wetten waren richtinggevend, ook voor de profeten. Bij de komst van Johannes werd dat anders. De mensen werden opgeroepen om al het oude los te laten, daar afstand van te nemen zodat het opnieuw met ‘frisse ogen’ bekeken kon worden. Johannes riep op tot een nieuwe orde, een opnieuw ordenen van de geestelijke inventaris. Tot in het fysieke bood hij de mensen daarbij hulp: de doop in het water van de Jordaan, de algehele onder­dompeling in het stromende, beweeglijke ele­ment bewerkte dat de mensen korte tijd ‘buiten zichzelf’ raakten van het wordende, het voortdurend veranderende. Johannes maakte de mensen vertrouwd met wat de grondeigenschap zou zijn van de nieuwe or­dening, van het Rijk dat komende was. Het moet een indrukwekkende ervaring zijn ge­weest voor de groep mensen om Johannes heen, mensen die voorbereid werden om later leerlingen te zijn van Hem die door Jo­hannes als zijn Meester werd gekarakteriseerd met de woorden: ‘Ik ben niet waard te buk­ken om zijn schroenriem los te maken’. Alles werd op losse schroeven gezet, opdat alles in een nieuw licht gezien kon worden. Dat was de opdracht van Johannes de Do­per. Bij zijn geboorte kreeg hij niet de naam van zijn vader, die hem zou verbinden met de familie, met de bloedverwanten. Vanuit de geestelijke wereld kreeg hij uitdrukkelijk een nieuwe naam, die hem tot verbazing en ergernis van Zacharias’ familie uittilde boven de familieband. Zijn levenstaak gold het hele volk.

Een andere ‘Johannes’
Aan het begin van het Nieuwe Testament staat Johannes de Doper als wegbereider: de akker wordt geploegd en gereed gemaakt. Zijn leven is een offer: ‘Ik moet afnemen, Hij moet groeien’. Aan het einde van de Bij­bel staat het toekomstvisioen, de Openbaring van de andere Johannes. De wijze waarop bijvoorbeeld in de Russische sprookjes deze naam Johannes wordt gehanteerd, doet vermoeden dat het hier gaat om een bovenper­soonlijke naam. Hij geeft aan waar de mens die deze naam draagt, in spiritueel opzicht staat.

In de Handelingen en Brieven der apostelen vinden we nog een derde ‘Johannes’, al wordt hij niet met die naam aangeduid. Zijn leven staat in het teken van Johannes, als ik dat zo noemen mag: de ommekeer. Bij de steniging van de eerste martelaar voor het ge­loof, Stefanus, stond iemand die niet daad­werkelijk met de steniging meedeed, maar ‘de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd’ (Hand. 7). Deze Saulus wordt na deze ge­beurtenis de meest fanatieke vervolger van de jonge Christengemeenten, zo fanatiek dat de vraag kan ontstaan: heeft hij iets waar­genomen bij de ten dode gedoemde Stefa­nus, dat hij liever wil trachten te vergeten? Heeft hij de weerschijn van de hemelse heer­lijkheid gezien op het stervende gelaat van de martelaar?

Hoe het ook zij: voor Damascus wordt Sau­lus zo getroffen door het visioen van de Herrezene, dat hij ‘buiten zichzelf’ raakt en drie dagen blind is voor de uiterlijke wereld, ter­wijl hij niet eet of drinkt. Het oude wordt losgelaten en opnieuw geordend in het licht van Christus. Daarna is deze man een ander mens met een andere naam: Paulus, en onder deze nieuwe naam zal hij eens schrijven: ‘Ik leef, echter niet ik, maar Christus in mij’, woorden die evenals de ‘lijfspreuk’ van Jo­hannes de Doper een offer betekenen. Hij stelt zijn leven in dienst van Christus.

Het jaar rond
Tussen de Doop in de Jordaan en de licht­glans voor Damascus, tussen Johannes de Doper en Paulus voltrekt zich het evangelie: ‘Het Woord is vlees geworden’. De ene helft van het jaar met de stijgende zon mee, van Advent-Kerstmis tot op de 50ste dag na Pa­sen, het pinksterfeest, kunnen we de mens­wording van Christus meebeleven, geholpen door het vieren van de jaarfeesten. De tweede helft van het jaar, als de nachten langer worden, staat Paulus naast Johannes de Doper, en beiden richten onze aandacht op het christen worden van de mens.
In de zomer bezinkt wat we hebben gehoord en beleefd, maar in het begin van de herfst is er steeds weer die ervaring van een nieuwe inzet als vrucht van de bezinning. De aarts­engel Michael waakt over deze steeds ver­nieuwende wilsimpuls van ons mensen, en hij helpt ons het juiste midden te vinden.
Aan de zuidgevel van de kathedraal van Chartres staat op de pilaar voor het midden­portaal de uit steen gehouwen gestalte van Jezus met aan weerszijden de Apostelen. Di­rect rechts naast het midden is Petrus afge­beeld met een grote sleutel, en direct links naast de Christus, aan de kant van het hart, staat Paulus met naast hem de drager van de Johannesnaam, die tot de apostelen behoor­de.

Paulus behoort niet tot de oorspronkelijke leerlingen van Jezus; hij heeft de Meester immers niet in levenden lijve gekend. Maar na het visioen voor Damascus sluit hij zich aan bij de apostelen en dient even vurig de jonge christengemeenten als hij ze daarvoor vervolgde. Die grote ommekeer laat ons voor altijd zien hoe het is, als een mens op een bepaald moment in zijn leven erkent: Christus is de grond van mijn bestaan.

Marieke Anschütz,’Jonas’ 21 van 13 juni 1980

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.
189-179

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (12)

.

OUDE GEBRUIKEN HOUDEN HARDNEKKIG STAND

Als het zomer wordt

Als, om met Ritter te spreken, de zon in de zomer jolig doet in het spel der wolkendoeken langs het koperglanzend luohtkuras en een aandoening geeft als van vele rumoerige vlaggen, die feestelijk door de hemel worden gezwaaid, springt er vreugde in ons hart.

Uitbundige vreugde uitten in oude tijd ook de Ger­manen, Kelten en Slavische volken, wanneer de zomer begon en zo’n brede plaats besloeg in het leven van deze heidense stammen het zonnewendefeest, dat de evangeliepredikers er nimmer in geslaagd zijn om de aloude gebruiken, die ermede gepaard gingen, uit te roeien. Ze konden die alleen een christelijk tint­je geven: voortaan vierde men die datum het Sint-Jansfeest.

Gebruiken
Talrijk zijn de gebruiken rond deze datum, die vroe­ger in ere waren en waarvan er nog verschillende ge­handhaafd zijn gebleven. Algemeen was er ’t bijge­loof, dat er op Sint-Jansdag rotsen zich openden en dan verborgen schatten deden schitteren en toonden aan hen, die op een bepaalde tijd en onder bepaalde omstandigheden de bergen beklommen. Zaden van varens, verzameld op deze dag, aldus het volksgeloof, brengen geluk en voorspoed. Ook de ge­heimzinnige wichelroede, die in oude tijd een nog veel belangrijker rol speelde dan thans, zou alleen dan bruikbaar zijn en feilloos functioneren, wanneer deze in de sintjansnacht was gesneden.
Evenals in de kerstnacht zou water veranderen in wijn, maar wee wie het getransformeerde water wil­de drinken! Nauwelijks zou men van de wonderlijke drank geschept hebben of de duivel zou tevoorschijn springend met het gezegde:

‘Dit water is wijn, En gij zijt mijn! ‘

Wie in de sintjansnacht, klokke twaalf, het bos in­trekt, stil, zwijgend, zonder woorden, zal tot zijn ver­bazing de varens zien bloeien, doch slechts een mo­ment. Leg dan een witte zakdoek onder de plant, plaats er een stokje bij, want anders wordt de doek onvindbaar.
De uitgebloeide bloem zal op de zakdoek vallen, maar dan is het ogenblik daar, heen te gaan zonder om te zien. Ook niet, wanneer iemand je zou volgen. In dat geval zou men onzichtbaar worden.

Hekserij
De boeren legden in de sintjansnacht een paar be­zems kruisgewijze op de drempel van de stal, zodat heksen en boze geesten het vee geen schade konden berokkenen. Geen beter afweermiddel tegen zulke wezens dan het kruis!
Deze nacht is bijzonder als geestenmacht geëigend. Dan houden ze samenkomsten in de toppen der bo­men, die door de hitte, die de geesten verspreiden, totaal verkolen. Deze nacht durfde eenmaal geen vis­ser het Haringvliet uitvaren, uit vrees voor beheksing en… de vangst zou toch nihil zijn!
Doch er was een middel om de heks te ontdekken. Het werd vroeger toegepast b.v. in Zuid-Holland, op de Veluwe, in Friesland, etc. Het was de sleutel- of draaiproef. Men legde een sleutel met een kruisbaard (d.i. een sleutel met een kruisvormige opening in de baard) tussen de bijbelbladen op 1 Joh. 1 : 1. Daarna werd het boek stevig dichtgebonden, zó, dat de baard er een eindje buiten stak. De bijbel liet men nu door middel van de sleutel op zijn vingers rusten. Noemde men de naam van de vermoedelijke heks, dan zou de bijbel vallen, zodat men wist dat de juiste naam was genoemd.

Sintjanstros
Vooral in Oost-Brabant en dan speciaal in de ‘Acht-Zaligheden’, als Hunsel, Eersel, Knegsel, Steensel, enz. in Noord-Limburg en Zuid-Gelderland hangen de bewoners op 24 juni nog altijd de sintjanstros in het bovenlicht van voor- of achterdeur. Soms ook wel terzijde ervan! Van dat moment af beschermt de dagheilige de woning. Vandaar, dat de tros er blijft han­gen tot hij geheel verdord is en verweerdIn deze be­schermende periode zal onweer noch hagelslag scha­de toebrengen aan woning, mens of dier. Beschouwen we de tros nauwlettend, dan valt het aanstonds op, dat zij in elke plaats weer een andere samenstelling heeft. De Duizelse (Duizel is ook een der acht ‘selligheden’) bestaat uit: sint-janskruid, korenbloemen, madeliefjes en rozen. Te Huissen (Gel­derland) wordt hij gevormd door notentakken en rode rozen.
De Altenaren hebben later de tros weer in ere her­steld.

Amulet tegen blikseminslag enz.
De legende leert ons hoe men er toe kwam, de sintjanstros als amulet tegen blikseminslag te zien.
Eens zou de apostel Johannes zijn gehoor een beschrij­ving geven van het onweer, waarin Gods almacht zich openbaart. Maar hij deinsde ervoor terug, toen hij in een visioen de verschrikkingen zag van het in­slaande hemelvuur. Hij smeekte God een plant te willen aanwijzen, die die mensheid zou kunnen gebrui­ken om voor de ramp van blikseminslag te worden gevrijwaard. Die plant was het sint-janskruid. Van­daar dat ze in geen enkele tros ontbreekt, hoe ver­schillend van samenstelling deze ook mag zijn. Maar ook tegen allerlei kwalen en ziekten hielp het kruid. Vooral de zaden bezitten geneeskrachtig ver­mogen.

In het noorden des lands hing men met hetzelfde doel als in de Brabantse dorpen een soort ‘sedumplant’ in de woonkamer. De plant groeit uit en zijn takken krommen zich opwaarts. Zolang nu de frisgroene kleur der plant behouden blijft, zolang behoudt ze ook haar beschermende eigenschappen. In Duitsland kocht men op sintjansdag bij het ver­laten van het kerkhof een zgn. ‘gelukshandje’. Het is een stukje wortel van het sint-janskruid, dat men de vorm van een mensenhand heeft gegevenZulk een wortelstuk schenkt men zijn vrienden. Het kreeg een plaatsje in de portemonnee en . . zorgde ervoor dat deze steeds gevuld bleef.

Godsdienstige ceremonie
ln sommige streken van ons land las men tot bezwe­ring van een woedend onweer een gedeelte van het Johannesevangelie. Ook deed men dit, wanneer de boer zijn zaadkoren gereed maakte. Was er een rupsenplaag gevallen in de veldgewassen, dan liep de bezweerder de akkers rond, terwijl hij verzen opzei uit genoemd bijbelboek. Eén gedeelte van het land betrad hij niet. Daar moesten de schadelijke diertjes ontsnappen. De Vlamingen bestreden op deze manier kikvorsen en muizen.

Ten onzent blijft de Larense processie op Sint-Jan jaarlijks nog duizenden toeschouwers trekken.

 H.P. van Iperen, ‘De vacature’, jaartal onbekend)

 

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

188-178

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (11)

.

ZOMERTIJD RIJPINGSTIJD

Johannes de Doper: profeet van de ommekeer

Loom hangt de lucht boven het land. De hitte zindert en broeit dagenlang, je kunt er niet aan ontkomen. De gloeiende hitte wordt je teveel, je snakt naar adem, iedere beweging wordt vertraagd.
En dan ineens op een avond barst het onweer los. De bliksem flitst onop­houdelijk en zet alles in een geel-groen licht. Ratelende donderslagen rollen over de stad, en dan komt de regen. Het hemelwater stroomt langs de ra­men, het gutst door de goten, het bor­relt uit de putjes, en de planten neigen hun takken onder de last van zoveel water. De volgende morgen hangen ze nog diep gebogen naar de grond. Maar dan is de bui over, de hemel is opge­klaard, de lucht is weer blauw met on­schuldige witte wolkjes. Een nieuwe dag is aangebroken.
Dit woeste geweld van de elementen en de opklaring daarna is karakteris­tiek voor de hoogzomer. De frisse, onstuimige groei in de plantenwereld is over zijn hoogtepunt heen. Het is de tijd van rijping, de vruchten stoven in de zon en nemen de warmte in zich op. Als de zomer ten einde loopt, kan er geoogst worden, bij manden vol. Wat een rijkdom!
Ook voor de schoolkin­deren is het een rijpingstijd: wat ze opgenomen hebben in het afgelopen schooljaar, rijpt in de vakantietijd, in de tijd van het ‘vacuüm’, waar ogen­schijnlijk niets gebeurt. De rijping vol­trekt zich ‘onderhuids’, maar na deze ‘lege tijd’ kun je de vruchten plukken. Waar ruimte is voor rijping in alle rust, smaken de vruchten zoet en sappig! In iedere gezonde, rijpe vrucht ligt het zaad voor een nieuwe plant verborgen. Het schijnbaar dode zaad, de pit, de kern, zegt de Engelsman, bergt nieuw leven in zich. De plant ontwikkelt zich in de tijd en in de ruimte, volgens een ritme dat voor iedere plant een bepaal­de variatie is van een soort oer-ritme: uitbreiden en samentrekken in stengel en blad. Tenslotte is het of de hele 
plant zijn mooiste uitbreiding vormt in de bloem, maar tegelijk voltrekt zich in het hart van de bloem de laat­ste samentrekking. Wij genieten van de ontzaglijke rijkdom aan kleuren, waarmee de bloemen ons hart verwar­men. Maar we denken pas aan die ver­borgen harde ‘kern’ als de bloem ver­welkt. De gedachte daaraan: dat het leven in die onooglijke pitjes voortge­zet wordt, helpt ons over een gevoel van droefheid heen. De mooie, kleuri­ge bloemen vergaan, maar het punt van ommekeer tot iets nieuws, houden we in de hand. En daarmee moeten we aan de slag.

Johannes de Doper
Aan het begin van deze rijpingstijd staat een machtige gestalte, die zelf een ‘rijpe vrucht’ was van alle culturen die de mensheid tot dan toe had ge­kend. Het evangelie van Markus begint met een aanhaling uit het Oude Testa­ment, die deze voorloper van een nieuwe tijd beschrijft: ‘Zoals geschre­ven is in het boek van Jesaja de pro­feet: Zie, ik zend mijn Engel voor uw aangezicht uit: hij zal u de weg berei­den. Een stem hoort men roepen in de eenzaamheid: baant de weg van de Heer. maakt zijn paden recht. –
Zo was Johannes de Doper in de woestijn en verkondigde de doop der ommekeer tot bevrijding der zonden.
Op 24 juni vieren we het feest van Jo­hannes de Doper. Hij is de enige heili­ge op de oude kerkelijke kalender van wie niet de sterfdag wordt gevierd, maar de geboortedag. In de geboorte herkennen we dat punt van om­keer, het begin van iets nieuws. Hij is de laatste machtige profeet van Israël, de verkondiger van een nieuwe tijd, de profeet van de ommekeer. En opdat de mensen de geboorte van dat nieuwe kunnen meemaken, doopt hij allen die tot hem komen ‘uit het gehele land Judea en de stad Jeruzalem’, in het water van de Jordaan. ‘Tot bevrijding der zonden’ staat er dan nog bij. Het levende, stromende water bevrijdde, maakte los uit een soort verstarring, een te sterke gebondenheid aan het li­chaam. En als je wat meer los komt van dat fysieke lichaam en het teveel aan zorg daarvoor, dan kun je de op­dracht van Johannes begrijpen: ‘En het volk vroeg hem: Wat moeten we doen? Hij gaf hun ten antwoord: wie twee gewaden heeft, geve een aan wie er geen heeft, en wie voedsel heeft, doe desgelijks.’ Zo spreekt hij ook de tollenaars en de soldaten aan in hun speciale functie: neem niet meer dan je toekomt. Hij veroordeelt niet het beroep; dat doet ook later Jezus niet. Hij wijst op dat kleine punt van inner­lijke vernieuwing, dat iedereen in zijn eigen situatie moet leren ontdekken. Merkwaardig eigenlijk dat Johannes geboren wordt en leeft en werkt in Judea, het droogste en steenachtigste gebied van het oude Israël. Er lijkt een overeenkomst te zijn met de innerlijke ‘verharding’ waaruit de mensen bevrijd moeten worden. Alsof het juist daar het meeste nodig was dat deze grote persoonlijkheid optrad. Hij die het ja­renlang in de eenzaamheid van de woestijn had uitgehouden, kon het nu opnemen tegen de innerlijke woestijn waarin de mensen leefden. Nadrukke­lijk wordt vermeld dat er ook mensen kwamen uit de stad Jeruzalem. Was het de ‘steenwoestenij’ die zij ont­vluchtten of waren het de duistere praktijken van de koningen, die toen over de stad heersten? Een feit is dat men bang was aan het hof voor de machtige stem van Johannes, die de Farizeeërs en Sadduceeërs, de alom ge-eerde en gevreesde wetsgeleerden, aan­sprak met ‘Gij adderengebroed’.
Alles wat Johannes doet en zegt, is zo nieuw en verrassend voor zijn volgelin­gen, dat hem de vraag wordt gesteld of hij niet zelf degene is die komen zal, de Christus. Maar hij antwoordt: ‘Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.’ Hij is de stem, niet het Woord zelf, maar de stem is het woord het meest nabij. Zonder de menselijke stem kan het woord niet klinken in de wereld. En daarom ge­tuigt Johannes de Doper van het Woord.

Ontmoetingen
Er worden in de evangeliën twee exis­tentieel belangrijke ontmoetingen be­schreven van Johannes met Jezus, en beide keren heeft de ontmoeting met een geboorte te maken. De eerste ont­moeting wordt beschreven in het Lukas-evangelie. Maria gaat op weg naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’. Enige maanden later wordt het kind Johan­nes geboren. Over de jaren daarna wordt niet geschreven, maar die ‘stille tijd’ zou je misschien kunnen aanvaar­den met het woord ‘rijping’. En als dan de tijd rijp is. vindt de volgende ontmoeting plaats, dertig jaar later. Bij de doop in de Jordaan schept Johan­nes door zijn rituele handeling ruimte, waardoor het Christuswezen geboren kan worden in de mens Jezus van Nazareth.

Het ongelooflijke is, dat hij, ook voor de Doop, in Jezus volkomen zijn meerdere erkende.’ Ik ben niet waard zijn schoenriem los te maken’. En toch zei Jezus later van hem, dat hij groter was dan wie ooit op aarde was geboren. De ‘lijfspreuk’ van Johannes was: ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’; en daarmee stelde hij zich ten volle in dienst van het nieuwe dat ge­boren wilde worden.

Het Isenheimer altaar
In de Franse stad Colmar in de Vogezen staat, in een voormalig klooster, een groot schilderij van Matthias Grünewald, die in de 16e eeuw leefde. Het stelt de Kruisiging voor en is oorspron­kelijk het middenpaneel van een drie­luik. Het wordt het Isenheimer altaar genoemd.

Rechts van de Gekruisigde staat Jo­hannes de evangelist die Maria onder­steunt, en een knielende Maria Magdalena. Links staat de geweldige gestalte van Johannes de Doper. Achter hem zie je de woorden (in het Latijn): ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen.’ In de linkerhand draagt hij een opengeslagen boek en met zijn rechterhand wijst hij, duidelijk en gebiedend, naar de Ge­kruisigde. Aan zijn voeten staat een jong lam met de kruisstaf; bloed stroomt uit de nek in een gouden kelk. Dit offerlam wijst op een andere uit­spraak van Johannes: ‘De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en hij sprak: Zie het Lam Gods, dat de zon­delast der wereld op zich neemt.’ (Joh. 1).
Maar niet alleen Jezus, ook Johannes zelf was een offerlam, een ‘slacht-offer’. Kort na de Doop in de Jordaan werd hij gevangen genomen door dienaren van koning Herodes, en onthoofd. Het blijkt echter, dat door zijn dood de werkzaamheid van de Christus kon gaan groeien. Het ‘afne­men’ van Johannes moest door een nulpunt heen, voordat het nieuwe be­gin werkelijk kon komen.
Grünewald heeft Johannes de Doper naast het kruis afgebeeld, alsof hij daarmee zeggen wilde: ‘Al is hij niet in levenden lijve erbij geweest, hij was er toch bij op een andere wijze. Mede door zijn leven en sterven is dit moge­lijk geworden’.
Door en in het stromende water van de Jordaan had Jo­hannes reeds vele kleine oasen gescha­pen in de innerlijke woestijn der men­sen. Groene plekken waar van alles groeien kon, en waar later het zaad van het Christuswoord uitgestrooid kon worden.

Johannes wijst ons op het kruis van Golgotha, op de dood, op het nulpunt. Dat was het moment van de omme­keer waardoor de Opstanding mogelijk werd, de kiem van een nieuw begin. Die ommekeer zal voor ons dan ook betekenen: ruimte scheppen om be­wust het christelijk element binnen te laten in je leven. Dat betekent een le­ren omgaan met en herkennen van ‘dode punten’ in je leven, in het ver­trouwen dat daaruit iedere keer weer iets nieuws geboren kan worden.

 Marieke Anschütz in ‘Jonas’ 21 van 15 juni 1979)

Grunewald_Isenheim1

John_baptist_angel_of_desert

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

187-177

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (10)

.

SINT-JANSFEEST VIEREN

Voor het eerst wil ik het feest van Johannes echt vieren. En ik heb het ge­voel met bijna lege handen te staan. Wat uiterlijkheden heb ik wel: 24 juni, vuur, dansen, zingen, muziek, de zon staat op z’n hoogste punt – in de Tweelingen, ja … en straks daalt-ie weer naar Michaelstijd, reidansen, Johannes de Doper.

Verder heb ik een handvol herinneringen aan stemmingen, landschappen, vakanties …
Maar dat betekent nog niet dat ik feest kan vieren, straks. Hoe vind ik de mogelijkheid om het feest zo tot een stuk van mezelf te ma­ken, dat het tot in de materiële wereld duidelijk is dat ik het Sint-Jansfeest vier? Waar haal ik de kracht vandaan om steeds even opzij te zetten wat we aan dagelijkse beslommeringen en in­nerlijke stemmingen soms met geweldi­ge dwang of wil leiden?
Deze keer wil ik me voorbereiden. Heb ik ergens één ‘heilig’ plekje dat me eraan herinnert dat ik met zon, aarde en sterren mee – wandel door het jaar en door haar grote feesten ben gegaan? Nu is de zon weer op haar hoogste punt aangeland.

Hoe vind ik verbinding met de Zon ?
Hoe beleef ik de Aarde?
Wat hebben de sterren me te zeggen?
Deze hoge zonnestand geeft voor onze noordelijke aardehelft aan dat de aarde het moment van uiterste uitademing heeft bereikt. Een uitademing waar de hele natuur in meegaat: (…)
Ook de mensen ervaren deze uitademingstoestand, bewust of onbewust.
Ook wij zijn in de zomertijd helemaal  gericht op de waarneming van de buitenwereld’.   

Rinke Visser

Alléén kan ik dat niet, onmogelijk. Uit dat wat mensen schrijven of zeggen, of wat we met elkaar bespre­ken over ervaringen, herinneringen, waarnemingen over de midzomertijd, en over Johannes de Doper zal langza­merhand een beeld ontstaan over het ‘waarom’ van het feest.

‘Ik moet afnemen, hij moet groeien’.
Johannes de Doper

‘Johanni-stemming zouden we moeten leren voelen als de ingang tot de geestesimpuls en de uitgang uit de zintuigelijke impuls’
Rudolf Steiner

Zo’n gesprek kan een enorme gebeur­tenis zijn: een aantal mensen probeert een tijdlang hun persoonlijke belangen en gevoelens terug te houden, en spre­ken uit eigen ervaring over het feest -terwille van het feest -. Een enthousias­me kan daarvan uitgaan, een ruimte wordt gemaakt waarin elke keer weer een aspect van het feest gestalte kan krijgen. Dit proces kon je van Pinkste­ren leren.

Straks moet ik opletten, niet mee-in-slapen met de natuur. De natuur zal op het hoogtepunt van haar bloei zijn – hoe zal alles er uit zien, hoe is het licht ook weer, wat is er aan de hemel en op de aarde te zien? Wat zal me dat zeggen? Hoe ziet bij­voorbeeld het verloop van de Sint-Jansdag er uit?

En ik kan voelen: welke impulsen, we­zenlijke stemmingen en gevoelens zijn er in deze tijd, bij mij en de

‘Zo biedt de Johannestijd ons de gele-
genheid om een beetje meer dan ge-
woonlijk los te komen van onze eigen
subjectiviteit                             Rinke Visser

mensen om me heen; ook onderling. En ik kan iets doen: welke initiatieven neem ik, wat heb ik gedaan tot nu toe, wat ga ik straks na de zomer doen? Hoe staat dit feest tussen de andere grote jaarfeesten? En wie was eigenlijk Johannes? Wat heeft hij gedaan en wat heeft hij me daarmee te zeggen?

‘… terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christuswezen. Volgens het woord van Johannes: Ik moet afnemen, hij
moet groeien’.
      Henk Sweers

En ik hoop dat als ik zoveel doe als me mogelijk is – samen met anderen, soms alleen – om het Johannesfeest voor te bereiden, straks, op de dag zelf dit feest zo in me te voelen, dat ik wéét hoe ik het tot in het materiële kan uitdrukken. Dan zal ik weer een ‘stukje Zon’ feestelijk binnen laten.

.

(Els Boekelaar, ‘Jonas’ 21, 16 juni 1978)

.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

185-175

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (9)

.

HET FEEST VAN SINT-JAN

‘Kom tot inkeer, want het Rijk der hemelen is nabij. . .’ (Matt. 3:2)

Het is hoogzomer. De aarde heeft uitge­ademd. Kosmos en aarde zijn één. De aarde is zonneland, ‘Oostland’, geworden.
‘Bekeert U, komt tot inkeer, verander uw gezindheid’, zei Johannes de Doper, ‘want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’.
Dit is de tijd waarin men tot inkeer, tot nieuwe gedachten, tot nieuwe ideeën komen kan.

Wanneer men in Colmar naar het Isenheimer altaar gaat in het museum Unter den Linden, dan vindt men daar de bekende tekst van Sint-Jan de Doper uitgebeeld: ‘Hij moet groeien. Ik moet afnemen.’
Daarin ligt de diepste gedachte van het Sint-Jansfeest opgesloten. Augustinus (354 – 430) zei in een preek op een 21ste juni: ‘Opdat de mens mocht vernederd worden, is heden Johannes geboren, nu de dagen beginnen af te nemen. Opdat God verheven worde’ is Christus geboren op die dag, waarop de da­gen beginnen te groeien’ (Homil. 289)
In de vóór-christelijke tijd was de 24ste juni de grootste dag van de midzomerfeesten en daarom speelde hij in ’t Germaanse volksle­ven met zijn offervuren en offermaaltijden een voorname rol. Zoals het met vele hei­dense feesten ging, werd ook dit feest gekerstend. Het zomer-zonnestilstand-feest werd de tegenpool van het Kerstfeest. Dit in overeenstemming met het Lukasevangelie, dat ons verhaalt, dat de moeder van Sint-Jan, Elisabeth, de nicht van Maria, reeds 6 maan­den zwanger was, toen Maria Jezus in haar schoot ontving. Tegelijk met de feesten wer­den ook de heidense gebruiken op christelij­ke wijze verklaard. Het baden in stromend water, oorspronkelijk een vruchtbaarheidsritus, deed men nu ter ere van ’s Heren doopsel in de Jordaan.
Dezelfde betekenis kreeg ook het dauwtrappen tijdens de hoog-zomerdagen. Planten op Sint-Jansdag ge­plukt, bezitten grote magische, genezende kracht. Bomen en struiken ziet men opnieuw uitschieten, alsof het lente is: de zogenaam­de sint-jans-loten. Het sint-janskruid, ook wel ‘jaag-de-duivel’ genoemd, heeft het ver­mogen, boze geesten te verdrijven. De Sint-Jansnacht is een van de geheimzinnigste tovernachten. Dan moet de wichelroede gesne­den worden. Dan plukt men het sint – jans­kruid. Dan durft de schipper niet uit te va­ren. . .

Op Terschelling kende men tot voor kort nog het ‘oppe-rid‘. Oorspronkelijk een rij­dende processie van met bloemen versierde wagens ter ere van Sint-Jan naar de op het oostelijk deel van het eiland gelegen Sint-Janshoek. Het werd later gedaan op de tweede zondag na Sint-Jan. Heel vroeger werd in de achterste huifkar een houten beeld van de Doper meegevoerd. Het moet een prachtig gezicht geweest zijn: De wagens waren groen geschilderd, de wielen rood. De huif was helder wit. De meisjes ook in ’t wit. De jongens in ’t nieuw, maar meer stemmig gekleed. De wagens waren rijk versierd met alle bloemen van het eiland. De gebruiken, de heilige ritus der liederen, ‘Naar het Ro­zenland zo zijne wij gevaren’, de speelman, de liefde. . .

Het oudste Sint-Janslied dat we kennen, luidt:

Naar Oostland willen wij rijden,
Naar Oostland willen wij mee.
Al over die groene heide.
Daar is er een betere stee.

Als wij binnen Oostland komen,
Al onder dat hoge huis fijn,
Daar worden wij binnen gelaten,
Zij heten ons wellekom zijn.

Ja, wellekom willen wij wezen,
Ja, wellekom willen wij zijn,
Daar zullen wij t’ avond en morgen
Nog drinken den koelen wijn.

Wij drinken de wijn er uit schalen
En ’t bier ook zoveel ’t ons belieft.
Daar is ’t ons vrolijk te wezen,
Daar woont er mijn zoete lief!

Een passender lied is in de hoogzomerdagen nauwelijks denkbaar, ‘oostland’ is het Wal­halla der Germanen, het Zonneland, de He­mel, het geestesland. Het ‘hoge huis’ van de kosmos neemt ons op. Daar drinken wij ‘de koele wijn’. Wijn heeft te maken met ons Zelf, ons ‘Ik’. Het is een symbool voor ons lichaamsbloed, waarin ons Ik huist. Daarom werd het ook in de christelijke kerk het symbool voor het bloed van Christus. ‘Bier’ is de gevulgariseerde ‘mede’, de wijs­heidsdrank der goden uit de Germaanse my­thologie.

De heerser van dit feest, die woont in het sterrrenbeeld van de Tweelingen, was bij on­ze voorvaderen de god Vro (oud-noors Freyr). Daarom is het er ‘vro-lijk’ voor ons, want van hem stamt onze blijdschap. En wie is mijn ‘Lief? Niet ‘ons’ lief, maar ‘mijn eigenste Lief? — ‘Lief hangt samen met ‘leven’. Leest u er vele sprookjes maar op na: Het lief, de liefste is altijd het beeld voor het meest eigene van de mens: Zijn ‘ziel’, zijn hogere wezen, zijn ‘Ik’. Dat woont in ‘zonneland’.

Als overblijfsels van de grote zomeroffers treft men op vele plaatsen nog de Sint – Jans­vuren aan. Zij werden ontstoken met ‘zuiver vuur’, dat wil zeggen vuur, dat door wrijven van hout was gemaakt. De mensen namen van dit vuur mee naar huis, om er hun haardvuur (fornuis) mee te ontsteken.
In Neder­land zijn de meeste Sint-Jansvuren overge­gaan naar Petrus en Paulusdag, vijf dagen na Sint-Jan. Petrus is de wachter aan de hemel­poort.
Om het vuur werd gedanst. In Oost-Vlaanderen en West-Brabant kent men nog het gebruik van de Rozenhoed. Deze hangt aan een koord, dat over de straat gespannen is. Daaronder wordt ook gedanst en gezongen:

‘Sinte Pieter, der is goed
Al voor onze Rozenhoed…’

Het was eertijds gewoonte om bloemenkran­sen, kruiden en notenbladeren (een oud-keltisch gebruik) in het offervuur te werpen en er dan overheen te springen.

Merkwaardig is het, dat de grote oorlogen, de wereldbranden, omstreeks deze midzomertijd uitbraken. Dat kan men ook waarne­men bij het weer. Hoe komt het dat, terwijl de hele zomer rustig en zonnig is, vaak juist met midzomer een hagelcatastrofe de rijpen­de vrucht op het veld en in de boomgaard verwoest? – Ongebonden, kosmische krach­ten breken los. De natuur alléén kan de mens niet meer voorwaarts helpen. De oude mys­teriën hebben geen kracht meer in de tegen­woordige tijd. Wil de mens nog aan het oude vasthouden, wil hij met aardse middelen de hemel vinden, dan trekt hij het onheil over zich heen. De extase bij de zomervuren ruk­te de mensen van de aarde los en de hemel antwoordde in openbaringen. Zo ontvingen de druïden in heel noordwest Europa in die tijd hun inspiraties. De zomer-zonnewende was het uur, waarop men door extase de gaven der goden kon ontvangen. Heden kan dat niet meer. Wij kunnen ons niet meer losmaken van de aarde. Wij moe­ten op de aarde de hemel der geestelijke wer­kelijkheid vinden.

Shakespeare schilderde nog de natuurwezens, de geesten, die hun spel drijven met de mens in deze zomernacht. Als de mens niet voldoende leeft in de vrijheid van zijn geest, in zonnig bewustzijn, dan zal hij in een doffe slaperigheid verzinken. Dan worden de krachten, die hem zouden kunnen helpen en leiden, de krachten van zijn ondergang.
De maatgevende mensen in de verschillende landen waren bij het uitbreken van de we­reldoorlogen, wel beschouwd, niet goed bij hun bewustzijn! Nog hoort men overal de kreet: ‘Ik moet groeien’.
Men streeft naar macht, terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christus­wezen. Volgens het woord van Johannes:’ Ik moet afnemen, hij moet groeien’. De zon heeft haar hoogste stand bereikt. Zij begeeft zich op de terugweg. De dagen wor­den korter, de nachten lengen, ik moet af­nemen…’.

Omkranst met de gaven van Moeder Natuur, talloze geplukte bloemen, rozen en duizend­schoon, allemaal ten dode opgeschreven kin­deren der aarde, viert de mens het feest van de eeuwige levens-zon: ‘Hij moet groeien!’

( Henk Sweers, ‘Jonas” nr.21, 18 juni 1976)
.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

184-174

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (8)

.

SINT-JAN

Bij de Germaanse en Noorse volken werd het midzomerfeest gevierd ter ere van Balder, de stralende Zonnegod.
Op de langste dag van het jaar – de zomerzonnewende – ontstak men het vreugdevuur en danste men er rondom.
De midzomernacht was de kortste nacht van het jaar: in de hoge Noorse streken was de zon in het middernachtelijk uur nog niet ten onder. De korte zomernachten omstreeks deze tijd waren licht-doorweven. De mensen zagen elfen en feeën dansen.
Na de 
kerstening werd het midzomerfeest verbonden met  Sint- Jan: dat is Johannes de Doper, een gestalte uit de Evangeliën. In Lucas wordt beschreven, hoe Johannes zes maanden eerder geboren werd dan Jezus: de “naamdag van Sint – Jan”,  zoals de kinderen zingen, valt precies een half jaar na de kerstnacht,  (24 december –24 juni) dat is enkele dagen na de zomerzonnewende.

Wat is zijn boodschap; wat spreekt hij tot ons in de taal van het zomerfeest?

Waar gaan we doorheen, als we de zomerzonnewende op ons in laten werken?

Het is inderdaad een wende, een ommekeer. De zonnebaan is niet meer stijgend, de dagen worden langzaam korter. De bloesems vallen uit, on-ooglijk, in het verborgene rijpt de vrucht. Schoon was de schijn!

Johannes zegt van zichzelf: “Ik moet afnemen”,  degene voor wie hij de wegbereider is, moet groeien. “Keert u om, ver­andert uw gezindheid”,  roept de Stem-in-de-Woestijn.
Nu neemt hij ons mee in de stijgende vlammen van het vuur naar omhoog naar de  sterren, als het even kan, in onze streken! Naar de hoogten van de Kosmos, waar de bronnen zijn van het leven.
Uitbundig dansen we om het vuur; warmte doorzindert ons; als we thuiskomen is de geur van het vuur nog in onze kleren!
Even waren we uitgetild boven de aardsheid, de zwaarte, de koude van ons bestaan.

We kunnen ons verliezen in deze verrukkelijke extase om daarna weer uitgeput terug te vallen in onze oude alledaagsheid, in het horizontale  vlak.

We kunnen ook iets meenemen vanuit de grote hoogten, waarheen wij stegen, uit dat rijk van licht en warmte.

Terwijl de natuur in ons afneemt, onze levensbloesem verdort, kan er binnen in ons iets gaan gloeien. De natuur overrompelt ons korte tijd met de volheid van het leven,   overstroomt ons met scheppende krachten.

Dan onttrekt het leven zich weer aan ons oog, en worden wij naar binnen geleid, tot inkeer gebracht om het leven nu in het verborgene te zoeken.
Vuurwerk in de nacht versproeit zich, de leegte sluit zich weer aaneen.

De vlammen van Sint -Jan voeren ons naar een rijk van vol­heid, waar de  Levenszon ons doorgloeit.

Het is alles een beeld, dat verwijst naar een Werkelijkheid, waarin wij nog niet staan,   wellicht.

Deze pijn voel ik, wanneer ik terugzie op de mooie woorden die ik schreef.

Maar laten wij met onze kinderen onbekommerd dansen om het vuur.
.

(Map de Voogd, nadere gegevens ontbreken)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

183-173

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (7)

.

SINT-JAN: KEERPUNT IN HET JAAR

Het marmotje is dood. Het ligt stilletjes uitgestrekt op het stro, de oogjes half dicht. Een kleine hand streelt voorzichtig het vacht­je met de bonte vlekken. “Het is net of hij slaapt”, fluistert het meisje met tranen in haar ogen. “Maar hij ademt niet meer”. De dood heeft het diertje aangeraakt en toen stond zijn hartje stil.

Bij de dood houdt ook de mens op met ademen. Hij blaast de laatste adem uit. Wanneer zuigt hij de eerste adem in? Dat doet hij bij de ge­boorte. De schreeuw van de pasgeboren baby is een hap naar lucht, is een dwingende voorwaarde om een loopbaan op aarde te beginnen. Als die schreeuw niet meteen komt, wordt die door een klap opgewekt. Het kind moet ademen om zuurstof te brengen in alle vezels van zijn lijfje.
Iedere keer dat een kind geboren wordt, voltrekt zich wat we kennen uit het Oberufer Paradijsspel: Godvader roept Adam wakker en blaast hem zijn adem in, zodat hij kan opstaan en leven. Wat is ademen? Lichamelijk is het voor ons een op-en neergaande be­weging, waarvan de snelheid bepaald wordt door de gemoedstoestand of de uiterlijke beweging. Als je zit, zal je adem rustig gaan. Als je hard loopt, ga je hijgen. Van schrik, vreugde of spanning kan je adem sneller gaan of stokken, plotseling ophouden.
Het in- en uitademen is een ritmisch gebeuren, dat we ook kunnen herkennen in de afwisseling van dag en nacht. In de nacht ademen we ons bewustzijn uit in de slaap; de volgende morgen ademen wij het weer in en worden wakker voor de aarde. In de doodslaap ademen wij onze ziel uit, en tegelijk gaat daarmee onze dag- en nachtademing over in een nog grotere adembeweging: die van het ene aardeleven naar het andere. Het ademen moet geleerd worden. Het wiegenkind heeft zijn huiluurtjes “om de longen te oefenen”. Het eigen ritme moet nog gevonden worden.
Hier op aarde leert het de tijd kennen: er zijn vaste punten in de dagwaarop het gewassen wordt, gevoed en verschoond. Er is een tijd om  te spelen, om wakker te zijn, en er is een tijd om te slapen. Het moet allemaal geleerd worden. Daarom is het goed, als die ordening in de tijd er is.
Is een sfeer van rust en regelmaat echter voldoende om een kind goed te leren ademen? Er is, dacht ik, nog een derde element nodig, een element dat niet gemakkelijk te beschrijven is, en toch zeer voor de hand ligt. Dat derde element zijn wij zelf.

Onze overdracht, onze liefdevolle blik maken de regelmaat tot een levend ritme, waardoor een sfeer ontstaat waarin een kind kan ademen. Waar onderling wantrouwen heerst, oneerlijkheid en gekonkel – daar broeit een sfeer waarin je niet kan ademen, niet kan leven. Je krijgt het er benauwd van. In een omgeving waar onderling begrip heerst, open­heid ten opzichte van elkaar en onbevangenheid tegenover elkaars streven – daarin kan je ademen, leven, groeien en werken. Dat wil niet zeggen, dat er voortdurend pais en vree is! Integendeel, dat zou stil­stand betekenen. Waar het ritme van de adem leeft, is beweging, een heen en weer gaan tussen twee uitersten, en bepaald door een on­zichtbaar, maar sterk aanwezig Midden. Zoals in de ritmische beweging van de “schuine streepjes“-tekening de gestalte zichtbaar wordt zonder scherp omlijnde contouren – zo zal ook ieder in een ademende gemeenschap al zijn gedachten, gevoelens en handelingen laten “richten” doordat gemeenschappelijk gewilde Midden, of dat nu een gezin is of een lerarencollege, een kerkgemeente of een andersoortige samenwerkingsgroep.

Wat heeft nu dit alles te maken met het Sint – Jansfeest? We zouden de woorden van Johannes de Doper: “Komt tot inkeer!” en “Hij moet wassen, ik moet afnemen”, ook eens kunnen bekijken vanuit dat ademaspect. Ieder jaar is anders, en verloopt anders, maar alle jaren hebben een gemeenschappelijk ritme, een heen- en teruggaande beweging, in en uit, de ademhaling van de seizoenen. Dat is in deze gematigde streken nog het zuiverste te beleven. Met Kerstmis, dat enkele dagen na de winterzonnewende valt, begint de zon te stijgen tot hij op 21 juni op zijn hoogtepunt is aangekomen. Tijdens het klimmen langs de hemelbaan lokt de zon met zijn stralen de bladeren uit de bomen, de planten uit de grond.

Kort na het hoogste punt, op 24 juni, de geboortedag van Johannes de Doper, zet de ommekeer in. Tot dan toe heeft de aarde – en wij ook -uitgeademd, maar zoals we merken aan onze eigen lichamelijke adem­haling – er is een grens, een punt van omkeer.
Wat is Sint- Jansdag anders dan het keerpunt van de grote jaarlijkse ademhaling? Nu begint heel langzaam het in-ademen weer, de zon daalt, over 2 maanden pas echt merkbaar. Als je je dat zo in het groot voorstelt, wordt ook het begrip “tijd” anders. Ik moet daarbij denken aan een gedicht van M. Vasalis:

Ik droomde dat ik langzaam leefde…..
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt.’k Zag de drang waarmee
de boomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze heesch en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…..

(fragment}

Een mens komt op aarde om te leren ademen. Dat is het ook wat de Sint- Janstijd ons wil zeggen: zoek rustpunten in de dag, in het jaar als tegenwicht voor de zuigende kracht van de uiterlijke dingen. Er is zo ontzaglijk veel dat ons naar buiten trekt, uit onszelf trekt en ons in ademnood brengt. Wijzelf moeten voor onszelf de mogelijkheid scheppen om tot inkeer te komen, opdat wat gebloeid heeft, in alle rust vrucht kan zetten.

Op de Zeister Vrije School probeert men al 50 jaar lang kinderen goed te leren ademen, zodat er later als zij volwassen zijn, rust kan zijn in hun doen en laten, in hun handelen en zijn in de wereld. Rustgevend en toch voortdurend in beweging, ademend – ik wens het allen toe die voor de klas staan, opdat zij de kunst van het ademhalen kunnen over­brengen op de leerlingen.

Marieke Anschütz, nadere gegevens onbekend
.

St.-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen

.

182-172

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.