VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (14)

.

VUUR

Nu is het de zomertijd
en iedereen is zo verblijd.
Spoedig komt het grote vuur
dat branden zal in ’t avonduur.
Johannesdag komt spoedig aan.
Dan glanst de grote ronde maan.
Zomertijd, zomertijd
iedereen is zo verblijd.

—————

In het midden van de zomertijd
is de naamdag van Sint Jan.
Wij vieren het met zang en spel.
Sint Jan de heilige Man,
Johannesdag in zomertijd
doet bloeien leven al.
Wij toeven hier vol dankbaarheid
In ’t veld, op berg, in dal.

Probeert u zich eens een vuur voor te stellen. Ik bedoel dan een vuur opgebouwd van hout of plantaardige delen. Wat het belangrijkste en meest opvallende is aan vuur,  zijn natuurlijk de vlammen, zoals ze geel, oranje of rood in speelse bewegingen boven de brandstof uit lekken.
Toch blijkt na een tijdje dat we met de vlammen het vuur niet volledig
gekarakteriseerd hebben. Is het vuur namelijk zover opgebrand dat de
vlammen kleiner worden, dan is het vuur nog geenszins uit.
Wat er op de stookplaats achterblijft is een intens gloeiende massa, die nog lange tijd zijn warmte kan blijven geven. Wellicht heeft U weleens gemerkt hoe vuur een hele dag door kan smeulen.

We hebben hier al twee belangrijke delen van het vuur.
Aan de ene kant de speelse vlammen, die in voortdurend veranderende bewegingen, helder oplichtend, de “bovenste” pool van vuur laten zien. Anderzijds is daar de brandstof zelf, die slechts langzaam van vorm verandert, niet intens straalt en eigenlijk steeds naar de donkerte toe wil. Wat er van deze onderste vuur-pool overblijft is de as, die sterk het karakter van aarde heeft.
Toch is ook deze tweedeling onvolledig.
Bij het nauwkeuriger beschouwen van het vuur, blijkt dat er tussen deze twee uitersten nog een midden-pool ligt.
Het is dat deel van het vuur, dat haast onzichtbaar boven- en onderpool verbindt. De echte vlammen namelijk, komen niet direct uit het hout, maar schijnen er enkele centimeters, boven te”zweven”.
We zullen dit gebied de tussenpool noemen.
Het draagt de kenmerken van beide gebieden waartussen het bemiddelt; deels vrij en vluchtig, deels gebonden aan de brandstof en donker. Misschien is het verduidelijkend om van deze drie gebieden van het vuur een geïsoleerde brandwijze aan te geven.

De bovenpool van het vuur ziet U b.v. wanneer aardgas in de vrije lucht verbrandt, het geeft dan een gele vlam die helder brandt. De onderpool kunt U aantreffen in het gloeien van houtskool of steenkool: een rode gloed die lang blijft voortbestaan.

De tussenpool ziet U b.v. in het branden van spiritus: haast onzichtbaar in daglicht,  slechts het wervelen van hete lucht laat zien dat er vuur moet zijn.

In het vuur blijkt aldus een driedeling te bestaan.

Het moet voor de mens in oude tijden een belevenis zijn geweest om die driedeling van het vuur te ervaren, naast de wetenschap ook zelf een eenheid te zijn die uit drie gebieden bestaat: lichaam, ziel en geest.

Daarom is in de meeste godsdiensten het brandoffer zo van belang. In het vuur kan de mens immers zichzelf terugvinden, kan hij zich vereenzelvigen met het offer en zich voorstellen zelf het offer te zijn. Temeer daar het offer vaak bestond uit het beste van wat men bezat.

“…. Abel werd schaapherder, Kaïn landbouwer. Na verloop van tijd nu, bracht Kaïn van de vruchten der aarde een offer aan de Here, ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen……”(Gen. 4)

In het vuur kon de mens zichzelf geven en kon hij deel hebben aan de wereld der goden. Immers steeg de rook van zijn offer niet op naar de hemel, zoals ook zijn ziel eens naar de geestelijke wereld zou opstijgen ?

Van dit beeld uitgaande is het volgende schema te geven:

vuur

bovenste deel: hoog opstijgend, deel hebben aan de geestelijke wereld;
naar buiten gericht, beweeglijk als het denken

middendeel: verbindend element, zoals de ziel bemiddelt tussen lichaam en geest

laagste deel: stoffelijk fysiek aards gericht

Het vuur is onmisbaar voor de aarde. Is het niet de geweldige zonne-energie die ten grondslag ligt aan alles wat leeft op aarde ? Bestaat zelfs de aarde niet grotendeels uit gesteenten die door het vuur zijn gegaan en daarna gestold zijn ? Aan het begin der dingen staat het vuur.

Daar waar echter vuur is, treden de delen van het vuur ook weer naar voren, het best waar te nemen in hun twee uitersten.
Daar zijn allereerst die stoffen die sterk met de donkere kant van het vuur te maken hebben gehad. Ze zijn tot “aarde” geworden en vormen de basis van de aarde.
Om hun herkomst noemt men de stoffen die een dergelijk karakter hebben een BASE. Ook gesteenten die gestolde lava zijn hebben een basisch karakter, hetgeen bv. de naam basalt verklaart. Basische stoffen zijn de LOGEN,  SODA, maar ook AS.

De andere kant van het vuur, de lichte pool der vlammen vertegenwoordigt een geheel andere wereld.
Het heeft te maken met die stoffen die bij de verwarming ontwijken. Eén van die stoffen is het gas KOOLZUUR (C02).
Het is hetzelfde gas dat in spuitwater e.d. de prikkelende smaak geeft. De naam zegt al dat het gas ZUUR is. Stoffen die met de warme boven-pool van het vuur te maken hebben, noemen we ZUREN.

Ze hebben nog sterk het karakter van het vuur. Kent u b.v. sterke zuren als zwavelzuur of zoutzuur, dan zult u weten hoe deze stoffen inbran­den op kleding of hout. Ze hebben nog heel sterk de warmte van vuur in zich.
Het valt niet te verwonderen dat een sterk zuur en een sterke base nogal fel op elkaar zullen reageren.
Druppel ik b.v. ZWAVELZUUR in NATRONLOOG, een bijtend zuur in een heel sterke base, dan verloopt de confrontatie nogal stormachtig. De inhoud van het glas, waarin ik beide tezamen breng, dreigt over de rand te spetteren, iedere druppel zwavelzuur die ik bijgiet valt sissend in het loog.

Zo stormachtig is de reactie, dat de temperatuur van de vloeistof oploopt tot haast 100 graden Celcius.

Nu hebben natronloog en zwavelzuur een gemeenschappelijke eigenschap. Ze willen zich graag met water verbinden. Men zou kunnen zeggen, dat deze stoffen bereid zijn om zelf hun geweldige kracht te blussen, af te zwakken in water.
Laat men zwavelzuur onafgesloten staan, dan bemerkt men hoe het water uit de lucht aantrekt en steeds zwakker wordt. Met natronloog is hetzelfde het geval.
Geeft men toe aan die “drang” naar water van beide stoffen, en brengt men loog en zuur bijeen in een grote hoeveelheid water dan is de reactie veel zwakker.
Wanneer men het water proeft, blijkt dat na verloop van tijd het zuur niet meer terug te vinden is, terwijl ook het zeperige karakter van het loog niet meer terug te vinden is.
Beide stoffen hebben elkaar in evenwicht gebracht, elkaar geneutraliseerd.

In dit proces hebben we met de volgende elementen te maken.

HET VUUR, dat oorsprong is van enerzijds de basische stoffen, die met
de AARDE te maken hebben, anderzijds met de vluchtige zure stoffen die het LUCHTelement kenmerken en tenslotte het WATER als laatste element.
De tegenstelling water en vuur kent u, de tegenstelling base en zuur (lucht en aarde) heb ik hier voor u geschetst. Hun verhouding zo als we die uit de scheikunde leren is als volgt:

vuur 2

Tot slot wil ik u wijzen op het volgende.
Aan het begin van dit artikel zagen we hoe we de beide delen van het vuur een aards en geestelijk karakter konden toekennen. Daartussenin bestond een tussenpool.

Nu is een dergelijke deling in het menselijke leven* ook aan te wijzen. Deels is de mens aards: hij is overgeleverd aan de wetten die alle fysieke elementen beheersen.
Zou de mens echter alleen aards zijn- dan was hij geen mens. We zien deze toestand als de mens gestorven is; het lichaam blijft achter en vergaat tot aarde. (Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren).
Zou de mens echter alleen geestelijk zijn, alleen in b.v. de vlucht van zijn gedachten leven, dan zou zijn bestaan op aarde zijn zin verlie­zen. We zouden de dingen om ons heen niet meer kunnen beroeren. Het menszijn zal zich dan ook tussen deze twee uitersten moeten af­spelen.

Wellicht is het daarom goed te kijken hoe in de fysieke wereld der scheikunde het evenwicht tussen beide elementen, aarde en lucht, gevon­den wordt.

Daartoe bekijken we nog eens wat er gebeurt bij de stormachtige reactie tussen zwavelzuur en natronloog.
Wanneer we genoeg zwavelzuur in de natronloog gieten, dan zien we
opeens een witte neerslag, er zweven vlokjes door de warme vloeistof. Koelen we deze vloeistof af, dan zien we opeens kristallen ontstaan van een naaldvormige structuur. De kristallen smaken bitterzout. Uit twee vijandige stoffen is een nieuwe stof ontstaan: het glauberzout.
Een dergelijke reactie treedt ook op wanneer we het basische soda samen­brengen met het scherpe zoutzuur.
Het zoutzuur druppelen we in de soda, die gaat sissen en bruisen.
Er ontstaat hier echter geen warmte bij. Schenken we meer zoutzuur bij, dan ontstaat een vloeistof waarin we opnieuw vlokjes zien zweven.
Ook hier ontstaan weer kristallen die we kunnen proeven. De smaak blijkt bekent te zijn, nl. keukenzout.

Zo blijkt telkens weer dat uit de reactie van een base en een zuur een zout ontstaat.

Wat heeft deze grondregel van de scheikunde nu met de mens te maken, met het midden dat we als mens tussen onze uitersten moeten vinden ? Misschien dat de woorden van Christus daar een beeld van geven: Wanneer Hij in de zaligsprekingen een beeld geeft van de mens die in zichzelf het juiste midden heeft gevonden, die zijn bestaan op aarde waardevol gemaakt heeft, dan vat Hij al deze zaligsprekingen (zalig zijn de armen van geest, de zachtmoedigen, de vredestichters) nog eens samen in een allesomvattend woord: Gij zijt het zout der aarde… (Mattheus 5:13).

Het beeld wordt nog sterker zoals we in de beschrijving van Marcus lezen: ‘Want een ieder zal met het vuur gezouten worden, het zout is goed;  indien het zout echter zoutloos wordt, waarmede zult gij het smaak geven ? Hebt het zout in Uzelve…..’

Dit zoutbeeld geeft aan welk een bijzondere plaats de mens in de
natuur­rijken inneemt. Hij is in staat door zijn geestkracht de stoffelijke we­reld te veranderen. Vergankelijke stof maakt de mens onvergankelijk. Door de bewarende”zoutkracht” maakt de mens een tijdelijk bestaan , “tijdloos”, door de kracht van zijn geest die zijn daden in de tijd verder draagt. Vanuit die kracht is de mens in staat tot een werkelijk creatief bestaan, dat zijn zware aardse karakter verliest.
Door deze kracht kan de schilder met aardse stoffen een schilderij maken dat meer is dan een samenvoegsel van scheikundige kleurstoffen. Ook de metselaar kan van stenen, die eens modder waren, een kathedraal maken die de hemel met zijn torens schijnt te raken.

Misschien is uit al deze beelden iets van de zin te halen van het Johanni-feest:
Vanuit de vuurkracht van de zonnewarmte moeten wij de kracht zien op te doen, om verder het jaar door, ook wanneer koude en wind de herfst en winter weer beheersen, steeds weer tot vernieuwing van kracht te komen, om onafhankelijk van uiterlijke omstandigheden, het juiste midden te be­waren, onszelf te kunnen zijn.

Zodat ook midden in de winternacht, het licht kan stralen waarin de mens zich hervinden kan.

C.J.Verhage, nadere gegevens ontbreken

*voor een nadere uiteenzetting over deze gezichtspunten:
antroposofie, een inspiratie

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

190-180

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (14)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN -St. Jan -alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s