VRIJESCHOOL – Over waarnemen en denken

.
Fred v.d. Vleuten, Motief 214, juli-augustus 2017

.

Opnieuw  waarnemen en denken
.

Het oerproces van het kennen
.

Er is van de Nederlandse uitgave van Rudolf Steiners Waarnemen en denken na drie en dertig jaar een herziene druk uitgekomen (nu bij uitgeverij Pentagon, Amsterdam). Dit boek lijkt een twee eeuwen oude kwestie op te rakelen. Het lijkt ook een ‘nieuwe’ theorie te zijn, maar dat is het in werkelijkheid toch niet echt. Het is aandacht vragen voor het proces van waarnemen en denken, iets dat we dagelijks doen. Daarmee is deze eeuwenoude kwestie actueel geworden, net als leren lezen en schrijven op school.

In het boek zijn wat voorbeelden gegeven hoe de gevolgde gedachtegang ook in de huidige tijdschriften en boeken zijn te vinden. De lezer kan met deze voorbeelden oefenen in het ontwikkelen van een correct onderscheid tussen waarnemen en denken.

Meestal wordt de ‘kwestie’ niet zuiver voorgesteld en dat leidt tot discutabele conclusies in de gangbare wetenschappelijke praktijk. Waarnemen en denken: hoe verhouden die zich tot elkaar? Wat valt eraan te ontdekken met dit eenvoudige boekje uit 1886?

Het gaat niet om woorden, maar om het helder krijgen van twee fundamentele gebieden, die vanuit verschillende perspectieven benaderd worden en te onderscheiden zijn. Als we dit begrijpen dan drukt dit zich ook uit in woorden als: zintuiglijke wereld en de idee, waarnemen en denken, schijnwereld en ideeënwereld, observatie en begrip, materiële en geestelijke wereld, waarneming en gedachte, de wereld en Ik.

Eén wereld in de ervaring

Een tegenstelling zoals objectief-subjectief past niet in dit, deels gebrekkige, schema. Alles dat we als objectief of subjectief kunnen zien en ervaren zit in beide gebieden. Het bekende voorbeeld van het waarnemen of zien van een boom en het daarbij behorende opduikende begrip boom vormen samen een ongedeelde eenheid, waarbij ik wel kan onderscheiden, echter niet scheiden.

De genoemde ‘twee’ werelden (het zien van de boom en het begrip ervan) blijken één wereld te vormen in de ervaring. De schijntegenstelling is in mijn eigen denken te overwinnen en dit is van grote betekenis. Het denken gaat boven alle tegenstellingen uit, maar daarbij is het trekken van een juiste scheidslijn tussen objectief en subjectief iets dat Goethe al belangrijk vond. Nu wij nog!

Het klinkt zo eenvoudig ‘waarnemen en denken’, we doen het doorlopend als we wakker zijn, maar toch valt eraan nog wat anders te ontdekken. We verkeren namelijk in de situatie dat dit ‘waarnemen en denken’ helemaal niet zo doorzichtig is als veelal wordt verondersteld. Binnen de filosofie en de wetenschap is dit dagelijkse ‘waarnemen en denken’ al eeuwen een thema dat wordt bediscussieerd. Wat we vandaag de dag denken te kunnen zeggen over dit thema, valt globaal uiteen in de ‘waan van de dag’ en de meer wetenschappelijke of filosofische bevindingen over hoe dit proces precies plaatsvindt.

In onderstaande beschrijving pogen we ons bewustzijn op dit punt uit te breiden, zodat een meer wetenschappelijke onderzoekshouding kan ontstaan. Dit proces noemen we ook wel ‘leren’, een proces dat de mens tot het scheppen van specifieke wetenschapsgebieden heeft gebracht. Een van die afzonderlijke gebieden binnen de wetenschap en filosofie is de wetenschapstheorie, het terrein dat nog veel te weinig aandacht kreeg of behept is met vergissingen, misverstanden, te snelle conclusies en louter meningen, in plaats van een wetenschappelijke fundering die stand houdt in de meest kritische betekenis. Een nauwkeurig denken en waarnemen brengt ons tot het volgende.

Tegenover elkaar staande opvattingen

In de actualiteit staan bepaalde opvattingen tegenover elkaar:

1. De hersenen sturen de mens aan met een ingewikkeld en grotendeels onbekend proces aan de ene kant, tegenover de opvatting aan de andere kant dat de mens zichzelf aanstuurt en de hersenprocessen daarin volgend zijn.

2. Problemen op maatschappelijk gebied kunnen we bijna allemaal ‘technisch’ oplossen (denk bijvoorbeeld aan verkeersdrempels tegen te hard rijden) tegenover de opvatting dat we ons socialer en met meer zelfsturing en inzicht dienen te gedragen en daardoor onze snelheid beperken in het verkeer.

3. Het wereldvoedselprobleem kunnen we ‘technisch’ oplossen door de bevolkingsgroei te beperken (denk aan de één-kind-politiek in China), en ook wel door genetisch gemanipuleerde planten en dieren voor meer voedselopbrengsten te zorgen, aan de ene kant, of, aan de andere kant, het wereldwijd toepassen van biologische landbouw, die echter veel meer aandacht van mensen vraagt voor de verzorging van voedselteelt en de organische processen (vooral de bodemvruchtbaarheid), zodat op die manier voldoende kwalitatief voedsel beschikbaar komt (denk bijvoorbeeld aan het werk van de Indiase wetenschapper Vandana Shiva). Dat zou een cultuuromslag vergen en een vrijwillige geboortebeperking past daarbij.

4. We hebben dictatoriaal leiderschap nodig zegt de één (Eelco Brinkman, CDA), maar de ander wil méér democratie, een meer egalitaire maatschappij, al dan niet via het voorbeeld van het Zwitserse model van referenda.

5. Het (menselijke) bewustzijn kan niet buiten zichzelf treden (Otto Liebmann in de negentiende eeuw) en de wereld is slechts een samenhang van voorstellingen binnen dat bewustzijn (Johannes Volkelt in de negentiende eeuw), er zijn dus grenzen gesteld aan het kennen (Eduard von Hartmann, die leefde van 1842 tot 1906).

Deze drie heren zitten allemaal in de sfeer van filosoof Immanuel Kant (in de achttiende-negentiende eeuw): het ‘Ding an sich’ kunnen we niet kennen, want het bewustzijn kan niet buiten zichzelf treden, dus in het denken en voorafgaand aan en los van ‘de ervaring’, vinden we in de apriori-kennis ‘de zuivere kennis’ (pagina 94 van Kants Kritiek van de Zuivere Rede, Boom 2004). Hiertegenover staan de klassieken van rond 1800, zoals Goethe (hij heeft de houding dat het kennen uit het wezen van de mens voortvloeit), en Schiller (heeft een omvattende beschouwing van de wereld en het leven, dus meer vanuit de rede (synthetisch) en minder vanuit het verstand (analytisch)). Herder en Lessing bewegen zich ook in die sfeer van Goethe/Schiller.

6. Rond 1886 merkt Rudolf Steiner op dat wij een wetenschap hebben waarnaar niemand zoekt en een (algemene) wetenschappelijke behoefte waarin door niemand wordt voorzien. We hebben volgens hem een verdiept denken nodig en dat is leven in een geestelijke werkelijkheid, dit is de ware werkelijkheid van de wereld (en dit ook nog met een mathematische zekerheid).

De juiste theorie

Met een juiste kentheorie slaan we een brug tussen de geestelijke en de zintuiglijke werkelijkheid. Immanuel Kant, de grote filosoof, heeft helaas een kloof geschapen tussen deze ‘twee’ werkelijkheden. Bij nader onderzoek kunnen we de kloof overbruggen en blijkt het geheel één werkelijkheid te vormen. Menselijke kennis komt volgens Kant enerzijds uit de zintuiglijkheid: die dingen zijn ons gegeven. Anderzijds uit het verstand: daar worden de dingen gedacht (pag. 115). Door de analytische houding blijft Kant deze twee zaken als absoluut gescheiden zien. Voor Kant is het dan ook de wiskunde die goede hoop geeft op andere betrouwbare kennis (pag. 98) en niet de empirische wetenschap. Rudolf Steiner plaatst zich met zijn opvattingen binnen een kennistheorie die men in de achtergrond vindt in Goethes wereldbeschouwing. De wetenschappelijke richting van Lessing, Herder, Goethe en Schiller had eigenlijk (al sinds 1886) van binnenuit verder moeten worden ontwikkeld. Het zou ons vele misverstanden bespaard hebben en had een heel andere of ‘nieuwe’ wetenschap opgeleverd dan de huidig gangbare universitaire benadering (een diepgravende fenomenologie). De huidige fenomenologie staat vaak nog in de kinderschoenen van de negentiende eeuw. Over de noodzaak van nieuwe paradigma’s en ‘alternatieve wetenschap’ schrijft in 1975 Sef Kicken.

Een aantal van die misverstanden speelt ons nog steeds parten en dat zit hem vooral in het besef van de manier waarop we denken (het probleem van de methode!). Kortom, we beseffen te weinig dat onze manier van denken (teveel gericht op de materiële kant van de werkelijkheid) onvoldoende aandacht besteedt aan het proces van het denken (de geestelijke kant).

Fenomenologische methode

De fenomenologische methode in de wetenschap is algemeen welbekend, maar wordt slechts in de marge toegepast. Ook hier spelen deze problemen, de fundamenten van de wetenschap in het algemeen zijn niet helder genoeg en een studie van de verhouding van ‘waarnemen’ en ‘denken’ is nog steeds noodzakelijk, het is zelfs een voorwaarde voor alle (aankomende) wetenschappers. Binnen die algemeen bekende fenomenologie – er zijn diverse stromingen – neemt de goetheanistische fenomenologie een bijzondere plaats in. Voor Goethe bestaat er een eenheid tussen waarnemen en denken; waarnemen is denken en denken is waarnemen. Goethe is ervan overtuigd dat de meest wezenlijke, meest primaire werkelijkheid in de ervaring is gegeven en dat louter verstandelijke kennis geen ware kennis is. Steiner laat zien dat het een algemeen uitgangspunt is dat ervaring de grondslag vormt van wetenschap. Staan we daarbij wel voldoende stil?

Bijzondere mensen als Frits Julius (vrijeschoolleraar, meesterlijk in zijn fenomenologische beschrijvingen), Andreas Burnier (vechter voor het geven van aandacht aan maatschappelijke alternatieven op allerlei gebied), C.l. Dessaur ofwel pseudoniem Andreas Burnier (in dit verband haar belangrijke werk De droom der rede), Adolf Portmann (bioloog, die in de geest van Goethe de biologie verder brengt met de ‘organische’ denkwijze) en de Noor Hjalmar Hegge (filosoof, hij heeft enkele zeer compacte artikelen geschreven, met name Een filosofisch perspectief op het werk van Adolf Portmann) hebben veel van die oude opvattingen in de biologie, wetenschap en filosofie in onze moderne taal vertaald, verder gebracht en gepubliceerd.

Het gaat dus om Rudolf Steiner, Grundlinien einer Erkenntnistheorie der goetheschen Weltanschauung. Mit besonderer Rücksicht auf Schiller, 1886.
GA 2

Oude uitgave: Waarnemen en denken. Schets van een kennistheorie naar aanleiding van Goethes wereldbeschouwing. Vrij Geestesleven, Zeist 1984, vertaling door Ton Besterveld en Auke van der Meij.

Nieuwe uitgave in 2017 van Waarnemen en denken gaat uit van Goethe en Steiner en onderzoekt het kenproces als zodanig. Deze beschrijft het op een wijze die de lezer in staat stelt stap voor stap zelf tot waarneming van dit proces te komen. Uitgeverij Pentagon geeft deze nieuwe vertaling uit.

In hetzelfde nummer van Motief bespreekt Jan van Gils het bovengenoemde werk ‘Waarnemen en denken’.

Filosofie als denkoefening en bewustzijnsscholing

De ingebonden uitgave van Waarnemen en denken is mooi verzorgd. Het formaat is passend en het lettertype prettig leesbaar. De vertaling is nauwgezet en de inhoud komt goed tot zijn recht. De inleiding van de vertalers is van dezelfde helderheid en compactheid als de tekst van Steiner.

Echter, hoe kan een boek over filosofie dat geen enkele bekendheid heeft verworven onder filosofen nog betekenis hebben buiten antroposofische kringen? Is het mogelijk dat dit boek zijn weg vindt naar een breed publiek en alsnog gaat voldoen aan zijn verwachtingen die er destijds aan gegeven werden? Steiner kijkt in 1923 terug op dit geschreven werk uit 1886 en duidt het als ‘kiemkrachtig’. Hij acht de betekenis van het denken binnen de ervaring ook de basis voor zijn latere antroposofie en geeft het boek opnieuw onbewerkt uit. Nu, ongeveer honderd jaar later, moet toch gezegd worden dat dit werk ver uitsteekt boven standpunten en filosofische scholen. Deze filosofie is geschreven in een vorm die als denkoefening en bewustzijnsscholing getypeerd mag worden. Daarbij richt Steiner zijn pijlen op de betekenis en positie van het gehele kennisproces met name het denken. Naast het typeren van zijn eigen visie geeft hij veel aandacht aan de nu nog steeds actuele eenzijdige vooronderstellingen van zijn tijdgenoten. Zijn schrijfwijze laat zien dat het voor hem zeer duidelijk is hoe de vork in de steel zit en dat hij de voetangels en klemmen van zijn tijdgenoten treffend kan typeren. De grote filosoof Kant waardeert hij door zijn appel op het zelfstandige denken en overwinning van de dogmatiek. Zijn ‘kritische denken’ echter, dat door vele filosofen overgenomen is, vraagt om grondige reflectie. Waarnemen en denken worden ook door Kant als de centrale thema’s behandeld, volgens Steiner echter niet onbevooroordeeld. Kant gaat uit van ongereflecteerde vooronderstellingen waardoor hij het waarnemen reduceert tot voorstellingen en het denken tot ordenende en regulerende principes in de mens.

Enkele van de vele mogelijke posities van waarnemen en denken, die in het boek doordacht worden, wil ik benoemen. Steiner stelt nadrukkelijk dat het bewustzijn de enige plaats is waar waarnemen en denken zich manifesteren. Dat wil zeggen dat er in de buitenwereld geen geïsoleerde voorstellingen voorkomen en ook geen afzonderlijke ideeën of netwerk van begrippen of een ideeënwereld. Het begrip of idee komt niet uit een ideeënwereld, zoals waarnemingen van buitenaf tot ons komen, maar het is een scheppingsproces waarin begrippen ontstaan. Maar ook het omgekeerde is niet het geval. Al zijn voorstellingen in mij, ze zijn er niet zonder de wereld en ook al zijn gedachten in mij, ze zijn er niet als kant en klare principes die met de wereld weinig van doen hebben. Dus geen solipsisme. Wanneer men begint met denken dan komen al deze denkzijwegen te voorschijn. Deze denkzijwegen doordenken en een reële en adequate visie ontwikkelen op het proces van waarnemen en denken bereikt men echter niet alleen door kennis te maken met standpunten, maar door oefening en denkscholing.

De paragrafen over de wetenschappelijke methodiek maken dit boek uniek en indrukwekkend tegelijk. Op basis van Steiners fenomenologische beschrijving van het kennisproces komt hij tot drie methodieken. Eén voor de anorganische natuur, één voor de organische en een derde methodiek voor de geesteswetenschappen. Het is nog steeds meer dan up-to-date deze drie methodieken eigen te maken. Want voor de huidige wetenschapsfilosoof en wetenschapper is de gangbare wetenschappelijke methodiek nog gevangen in de initiële filosofische uitgangspunten van de negentiende eeuw. Naast de kennisleer voor de fysica en biologie staat in dit boek ook het karakter beschreven voor een moderne ethiek en esthetiek. Gezien de heldere en kiemkrachtige beschrijvingen hoop ik dat er met deze Nederlandse vertaling meer openheid komt voor de filosofie van Steiner en dat de reserve en vermeende gedateerdheid overwonnen wordt. In ieder geval kunnen antroposofen het voorbeeld geven door niet alleen kennis tot zich te nemen, maar een denkscholing ter hand te nemen.

Rudolf Steiner, Waarnemen en denken. Pentagon 2017.168 pagina’s, inclusief voetnoten en namenregister. 24,50. Vertaling van Grundlinien einer Erkenntnis-theorie der Goetheschen Weltanschauung (GA2).

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3200-3012

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..(6)

.

In dit artikel (o.a.) kwam ter sprake hoe ‘vrije grond’ kan meehelpen aan een oplossing voor de landbouwcrisis.
Hoe wij voor zo’n idee als opvoeders enthousiast kunnen worden; er (financieel – ieder naar draagkracht) aan kunnen bijdragen en hoe we aan de jonge opgroeiende mens toekomstperspectief kunnen bieden in een tijd die er op allerlei gebied niet zo hoopvol uitziet.

Nog een artikel over ‘vrije grond’.
.

Annelijn Steenbruggen**, Motief 204, juli/aug. 2016*

.

landbouwgrond vrijmaken

Hoe vrijgemaakte landbouwgrond kan helpen om vrij mens te worden

.

Twee ons groente en twee stuks fruit. Met onze voeding staan we dagelijks in contact met de aarde. In Europa zorgt de aarde goed voor ons. Elke dag kunnen wij genieten van gevarieerd eten. Helaas zorgen wij niet zo goed voor haar: uitputting van bodems, dierenleed en klimaatverandering zijn het gevolg.

Hoe kunnen we het tij keren? De oplossing begint met bewuste dankbaarheid en vervolgens de wil om iets terug te schenken.

Tijdens het congres van Eosta, Celebrating Soil! Celebrating Life!, vorig jaar* juni in Amsterdam – waar ik** voor Stichting Grondbeheer was – spraken diverse sprekers vanuit de hele wereld over de urgentie van duurzaam bodembeheer. De titel van het congres spreekt boekdelen: de bodem is de basis van het leven op aarde. Daar hebben we dus goed voor te zorgen, maar hoe doe je dat?

Een van de sprekers was NikoIai Fuchs, directeur van GLS Treuhand in Duitsland. Halverwege zijn speech hoorde ik hem opeens zeggen: “Het vrij maken van landbouwgrond draagt bij aan het vrij maken van onszelf.”

Ik veerde op. Sloeg hij hier een brug tussen de sociale driegeleding en De filosofie van de vrijheid? Maar had ik hem wel goed verstaan? De speech was in het Engels en de akoestiek vervormde het geluid op de eerste rij waar ik zat. Hoe dan ook: ik had het zo gehoord en de gedachte liet mij niet meer los. Ik ging onderzoeken of deze stelling waar was. Het bood namelijk een prachtige invalshoek voor Stichting Grondbeheer om nieuwe donateurs te werven: een vrij mens worden, dat wil toch iedereen?

Geld van burgers

Eerst wilde ik achterhalen of Nikolai Fuchs überhaupt bekend was met de antroposofie. Op internet zag ik dat hij landbouwwetenschappen in Bonn had gestudeerd en op directieniveau had gewerkt voor de Duitse Demeter Associatie en landbouwsectie van het Goetheanum. Ook is Nikolai Fuchs oprichter van coöperatie BioBoden. Vergelijkbaar met Stichting Grondbeheer koopt BioBoden landbouwgrond aan met geld van burgers. Vervolgens stellen ze deze grond beschikbaar aan biologische en biodynamische boeren. Het idee achter de coöperatie is dat elke bewoner op aarde de verantwoordelijkheid neemt voor het stukje landbouwgrond dat hij nodig heeft voor zijn eigen voedselproductie. Oftewel: elke burger maakt tweeduizend vierkante meter landbouwgrond vrij. In Nederland – waar landbouwgrond gemiddeld 6 euro per vierkante meter kost – [art. uit 2016] zou dat om een som van 12.000 euro per persoon gaan.

[2024: 8 euro  80.000 per ha]

Nikolai Fuchs is dus bekend met de antroposofie – gezien zijn CV kan dat niet anders – maar of hij in zijn speech de relatie had gelegd tussen vrije grond en de vrijheid van mensen, wist ik nog niet. Toen liep ik toevallig tegen het boek van Lex Bos op: Schenken en danken. Verwaarloosde kwaliteiten in een wereld vol commercie. Bos, medeoprichter van Triodos Bank, vertelt in dit boek dat wij als mensheid uit een tijd komen waarin schenken en danken vanzelfsprekende maar onbewuste kwaliteiten waren. De innerlijke houding die bij schenken en danken hoort, is echter verkommerd door de commercie. “Materialisme en zelfzucht maken de ziel leeg en kooien de geest,” aldus Bos. Met andere woorden: als je alles voor jezelf houdt, word je onvrij. Bovendien gaat het werven van materiële zaken voor jezelf vaak ten koste van iets of iemand anders: de samenleving loopt erop vast en onze bronnen raken uitgeput. Gelukkig laat Bos ook zien hoe we onze gekooide geest kunnen bevrijden door – je raadt het al – opnieuw te leren schenken en danken. Wanneer het ons lukt om die kwaliteiten te herwinnen, zullen we de samenleving en de aarde door de crisis heen helpen. Sterker nog: we komen er beter uit. Volgens Bos is een periode van commercie zelfs nodig om van onbewust naar bewust schenken en danken te kunnen komen. En die transitie naar bewustzijn helpt ons dus om vrije mensen te worden.

Taal van dankbaarheid

Hoe kunnen wij weer dankbaar zijn? Die vraag heeft ook buitengewoon hoogleraar ethiek Paul van Tongeren onderzocht in zijn essay Dankbaarheid. Hij vertelt dat zijn ouders ruim 65 jaar geleden op zijn geboortekaartje hadden gezet: ‘Met grote dankbaarheid ontvingen wij van God een zoon.’
Toen hij zelf vader werd, schreven hij en zijn vrouw op het kaartje: ‘Vol verwondering en blij, melden wij de geboorte van onze dochter.’ Het eerste kind van de volgende generatie werd aangekondigd met een kaartje waarop stond: ‘Geboren’ en vervolgens werden, behalve naam, nog het precieze tijdstip van de geboorte, het geboortegewicht en de lengte van de boreling vermeld.

Volgens Van Tongeren is door het verdwijnen van ons geloof in God ook de taal van dankbaarheid verdwenen. Zonder de taal van dankbaarheid, blijft alleen het materialisme over en wordt zelfs de geboorteaankondiging van een baby verpakt in weegbare en meetbare feiten. Volgens Van Tongeren kunnen we ook zonder geloof in God weer dankbaar leren zijn door de werkelijkheid als een geschenk te ervaren. Wat er dan gebeurt, is magisch: het gevoel van dankbaarheid roept namelijk de wil op om te gaan schenken. Kortom, dankbaarheid genereert een schenkstroom. Opeens doorgrondde ik het plaatje van de sociale driegeleding uit het boek van Lex Bos: 

De cyclische schenkstromen tussen het economische leven en geestesleven worden blijkbaar aangedreven door dankbaarheid. En als we die schenkstromen eenmaal aan de praat krijgen, komen we als samenleving in een opwaartse spiraal terecht.

Er bestaan veel publicaties van Lex Bos, ook op deze blog [1]

Opwaartse spiraal

Maar hoe ziet zo’n opwaartse spiraal eruit in de landbouw? En welke rol speelt vrije grond daarin? De tijd is rijp om Nikolai Fuchs te raadplegen. Ik trek mijn stoute schoenen aan en stuur hem een e-mail. Binnen een dag krijg ik een antwoord. Hij had op het congres ‘free by heart’ gesproken en kan zijn speech niet meer precies reconstrueren. “Waarschijnlijk heb ik het volgende gezegd,” aldus Fuchs. “Als je landbouwgrond beschikbaar stelt aan biologische en biodynamische boeren dan maak je complexere landbouwsystemen mogelijk. En in een complex systeem ontstaan er meer gradaties van vrijheid.”

Met vrijheid bedoelt Fuchs de mogelijkheid om te evolueren. Oftewel: hoe meer gradaties van vrijheid er zijn hoe beter het systeem zich duurzaam kan handhaven en ontwikkelen. Fuchs: “De praktijk wijst uit dat er op boerderijen, die het eigendom van de gemeenschap zijn, vaak een grotere diversiteit en complexiteit wordt ontwikkeld. In die zin genereert vrije grond meer vrijheid in het systeem.”

De relatie die Fuchs in zijn speech heeft gelegd is die van vrije grond en complexe landbouw. En dat is eigenlijk een nog veel mooiere reden om donateur te worden van Stichting Grondbeheer. Want een ander woord voor complexe landbouw is herstellende landbouw, oftewel: agrarische ecosystemen die voedsel produceren en tegelijkertijd de natuurlijke balans van grond en omgeving herstellen. Kortom, door met winst uit het economische leven landbouwgrond vrij te maken, krijgen we een schenkstroom van schone lucht, schoon drinkwater, een rijke biodiversiteit en mooi landschap terug. En als we dat uit bewuste dankbaarheid voor ons dagelijkse brood kunnen schenken, dan is het einde van de crisis en het begin van onze vrijheid als mens nabij. ||

Meer info: www.bdgrondbeheer.nl

Nieuwe ontwikkeling: eeuwigdurende obligaties aan toonder

Sinds haar oprichting heeft Stichting Grondbeheer een heldere missie: vruchtbare landbouwgrond veiligstellen voor huidige en toekomstige generaties. In de afgelopen decennia is Grondbeheer gestaag gegroeid: ze beheert inmiddels [2024] 612 hectare landbouwgrond verspreid over 31 (erf)pachtbedrijven. Tot nu toe werden de hectares aangekocht met schenkgelden en legaten. Landbouwgrond is extreem duur waardoor de groei traag verloopt. Tegelijkertijd is landbouwgrond extreem waardevast. De stichting is sinds haar oprichting dus een financieel stabiele en gezonde organisatie. Echter, de tijd heeft ons ingehaald. De vraag naar gezonde voeding heeft een hoge vlucht genomen en op de Warmonderhof, de opleiding voor biodynamische landbouw, studeert een groeiend aantal boeren en tuinders af. De vraag naar biodynamische landbouwgrond zal op de korte termijn ook toenemen. Stichting Grondbeheer heeft hierin een taak: zorgen dat die landbouwgrond beschikbaar komt. Het werven van schenkgelden blijft onverminderd urgent. Om meer slagkracht te krijgen, heeft Grondbeheer op 24 juni 2016  een nieuw financieel product gelanceerd: eeuwigdurende obligaties aan toonder. Met dit product wil Grondbeheer de interesse wekken van investeerders die hun spaargeld aan het werk willen zetten voor een waardevolle wereld.

.

Waarom landbouwgrond geen handelswaar is volgens de sociale driegeleding

Stichting Grondbeheer is in 1978 opgericht. Het idee voor een grondbank met biodynamische landbouwgrond is destijds uitgewerkt door de Studiegroep Economie van de Antroposofische Vereniging. Die studiegroep wilde de sociale driegeleding naar de praktijk vertalen. Steiner maakt daarin onderscheid tussen drie soorten geld: koopgeld, schenkgeld en leengeld. Koopgeld rolt heen en weer tussen handelaren, producenten en consumenten. Schenkgeld maakt nieuwe ontwikkelingen mogelijk zoals wetenschap, onderwijs en kunst. En leengeld zit er tussenin en stimuleert vernieuwingen in het productiesysteem. “Grond is essentieel anders dan een machine of een gebouw”, redeneerden de leden van de studiegroep. “Want grond is niet door mensen geproduceerd. Daarom past het niet bij de aard van grond om die te bezitten of te verhandelen.” Volgens hen was de productiedruk in de landbouw, die ten koste gaat van het milieu, alleen op te lossen wanneer landbouwgrond met schenkgeld en leengeld uit het economische verkeer gehaald zou worden. Om dat ideaal te realiseren is Stichting Grondbeheer in het leven geroepen.

.

[1] Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5] alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld:  alle artikelen

.

3199-3011

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolonderwijs doen? (1-17)

.

HET IMPONDERABELE
.   
                             

In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen? 

In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.

Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:

‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’

In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.

Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.

Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’

Maar daar zou ik nog aan toe willen voegen: HOE – met welke intentie – wordt het gedaan.

In GA 311 bespreekt Steiner het imponderabele ook, maar nu zonder het voorbeeld van ‘vlinder en ziel’.
Zijn gezichtspunten hier, zijn je, wanneer je zijn opmerkingen uit de andere voordrachten kent, inmiddels wel vertrouwd.

GA 311

Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit

            De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens

Voordracht 2, Torquay 13 augustus 1924

Blz. 39   op deze blog vertaald blz. 39

Man muß das Kind nach Geist, Seele und Leib – das muß immer wieder gesagt werden – durchaus als eine Einheit betrachten.
Um das zu können, muß der Lehrer eben künstlerischen Sinn in seiner Seele haben, artistisch veranlagt sein; denn dasjenige, was vom Lehrer auf das Kind wirkt, ist ja nicht bloß das, was man ausdenkt oder was man in Begriffe bringen kann, sondern es sind, wenn ich mich des Ausdrucks bedienen darf, eben durchaus die Imponderabilien des Lebens. Unbewußt geht ungeheuer viel vom Lehrer, vom Erziehenden, auf das Kind über. Der Lehrer muß sich dessen bewußt sein, namentlich dann, wenn er Märchen, wenn er Geschichten, die durchseelt sind, wenn er Legenden dem Kind erzählt. Da tritt ja sehr, sehr häufig in unserer materialistischen Zeit die Tatsache auf, daß man zu sehr merkt, der Lehrer betrachtet das, was er erzählt, eben als kindisch; es ist etwas, woran er selber nicht glaubt. Da, sehen Sie, tritt die Anthroposophie, wenn sie die Leiterin und Lenkerin der wahren Menschenerkenntnis ist, wirklich
in richtiger Weise auf. In der Anthroposophie werden wir ja gewahr, daß man eine Sache unendlich viel reicher ausdrücken kann, wenn man sie ins Bild kleidet, als wenn man sie in den abstrakten Begriff bringt. Ein gesund veranlagtes Kind hat das Bedürfnis, alles ins Bild zu bringen und auch Bilder zu empfangen.

Je moet het kind – dat moet steeds weer worden gezegd – absoluut als eenheid zien naar geest, ziel en lichaam. Om dat te kunnen moet de leerkracht natuurlijk ook een kunstzinnige gevoel hebben, een artistieke aanleg hebben; want wat van de leerkracht uit op het kind werkt, is niet alleen wat je uitdenkt of wat je in begrippen gieten kan, maar het is zeer zeker ook, wanneer ik de uitdrukking mag gebruiken, het imponderabele van het leven. Onbewust gaat er ontzettend veel van leerkracht, van opvoeder op het kind over. Daarvan moet de leraar zich bewust zijn, vooral wanneer hij sprookjes, wanneer hij verhalen die bezield zijn, wanneer hij het kind legenden vertelt. In onze materialistische tijd komt het heel veel voor dat je sterk merkt dat de leerkracht wat hij vertelt, toch maar kinderachtig vindt; hij gelooft er zelf niet in. Maar, zie je, de antroposofie treedt hier werkelijk op een goede manier op omdat zij naar een ware mensenkennis wil leiden; op een ware mensenkennis aanstuurt. In de antroposofie worden we gewaar dat je iets veel rijker kan uitdrukken, wanneer je het in een beeld kleedt, dan wanneer je het in abstracte begrippen vervat. Een kind met een gezonde aanleg heeft de behoefte alles in beeld te kleden en ook om beelden te krijgen.

Blz. 40   vert. 40

Das Kind will das Bild, will sich selber als Bild fühlen. Da ist es eben notwendig, zu berücksichtigen, daß der Lehrer Phantasie braucht, artistisch sein muß. Dann tritt er mit der nötigen Lebendigkeit an das Kind heran. Und diese Lebendigkeit wirkt im allerbesten Sinne imponderabel auf das Kind.
Da ist es ja so, daß wir durch die Anthroposophie wieder lernen, an die Legenden, an die Märchen,, an die Mythen selber zu glauben, weil sie in der Imagination die höhere Wahrheit ausdrücken. Wir finden uns wieder hinein in die seelische Behandlung des Mythischen, des Legendenhaften, des Märchenhaften. Dadurch strömt unsere Rede, wenn wir zu dem Kinde sprechen, von dem eigenen Glauben an die Sache durchdrungen, an das Kind heran. Das bringt Wahrheit zwischen den Erziehenden und das Kind; während oftmals soviel Unwahrheit waltet zwischen den Erziehenden und den Kindern.
Unwahrheit waltet sofort, wenn der Lehrer sagt: Das Kind ist dumm, ich bin gescheit; das Kind glaubt an die Märchen, die muß ich ihm daher erzählen. Das schickt sich so für das Kind. – Da kommt sogleich der Verstand hinein in das Erzählen.
Dafür hat das Kind gerade zwischen dem Zahnwechsel und der
Geschlechtsreife das allerfeinste Gefühl, ob im Lehrer der Verstand
oder die Phantasie waltet. Der Verstand wirkt verödend, verschrumpfend auf das Leben des Kindes, während die Phantasie
belebt, anregt.

Het kind wil het beeld, wil zich zelf als beeld beleven. Dus is het noodzakelijk er rekening mee te houden dat de leerkracht fantasie nodig heeft, kunstzinnig moet zijn. Dan treedt hij het kind met de noodzakelijke levendigheid tegemoet. En deze levendigheid werkt in de allerbeste zin imponderabel op het kind. Nu is het zo dat wij door antroposofie weer leren aan legende, aan sprookjes, aan mythen te geloven, omdat ze in de imaginatie de hogere waarheid uitdrukken. We raken weer vertrouwd met een bovenzinnelijke uiteenzetting van mythen, legenden en sprookjes. Daardoor stroomt wat wij zeggen wanneer wij tot het kind spreken, doordrongen van ons eigen geloven, naar het kind toe. Dat brengt waarheid met zich mee tussen de opvoeder en het kind; terwijl er dikwijls zoveel onwaarheid tussen opvoeders en kinderen heerst. Onwaarheid heerst er onmiddellijk wanneer de leerkracht zegt: het kind is dom, ik ben knap; het kind gelooft in sprookjes, dus moet ik hem die vertellen. Dat past dus bij een kind. -Dan komt meteen het verstand bij het vertellen.
Met name het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit heeft er het allerfijnste gevoel voor of bij een leerkracht het verstand werkt of de fantasie. Het verstand werkt verdorrend, verschrompelend op het leven van een kind, terwijl de fantasie verlevendigt en inspireert.
GA 311/39-40  
Op deze blog vertaald/39-40

Voordracht 3, Torquay 14 augustus 1924

Over straf
Over ‘voor straf sommen laten maken’
Boos worden

Blz. 59  vert. 59

Wie wird in gewöhnlichen Schulen oftmals gestraft? Kinder haben in der Stunde etwas nicht ordentlich gemacht, man läßt sie nachsitzen, und sie müssen zum Beispiel Rechnungen machen. Da hat sich in der Waldorfschule etwas Sonderbares herausgestellt mit drei oder vier Kindern, denen man gesagt hatte: Ihr wart unordent­lich, ihr müßt nachsitzen und Rechnungen machen! Da sagten die anderen: Da wollen wir aber auch dableiben und Rechnungen ma­chen! Denn sie sind so erzogen, daß das Rechnungenmachen etwas Gutes ist, nicht etwas, womit man bestraft wird. Man soll beim Kinde gar nicht die Meinung hervorrufen, daß Rechnungenmachen im Nachsitzen etwas Schlimmes ist.
Deshalb wollte die ganze Klasse auch dableiben und nachsitzen und Rechnungen machen. Man soll also nicht Dinge wählen, die gar nicht eine Strafe darstellen können, wenn das Kind im geraden Seelenleben erzogen werden soll.

Op de vrijeschool konden we hiermee heel mooie ervaringen opdoen. Hoe wordt op de doorsnee school dikwijls gestraft? Kinderen zijn in een lesuur stout geweest: ze moeten nablijven en ze moeten dan bv. rekenen. Op de vrijeschool gebeurde er met drie of vier kinderen iets opzienbarends tegen wie men gezegd had: jullie hebben je niet goed gedragen, jullie moeten nablijven en sommen maken! Toen zeiden de anderen: “Maar dan willen wij ook nablijven en sommen maken!’ Want ze waren zo opgevoed dat sommen maken iets goeds is, niet iets om mee gestraft te worden. Je moet bij een kind helemaal niet de mening oproepen dat sommen maken wanneer je na moet blijven,  iets ergs is.
Daarom wilde de hele klas daar ook bij blijven en nablijven en sommen maken. Je moet dus geen dingen kiezen die helemaal geen straf kunnen zijn, wanneer het kind met een zuiver gevoel opgevoed wordt.

Oder ein anderes Beispiel: Dr.Stein, ein Lehrer in der Waldorf­schule, hat sich manches sehr Gute, manchmal im Momente ausge-sonnen in bezug auf die Erziehung. Er bemerkte einmal, daß seine Schüler sich unter der Bank Briefchen zureichten. Sie schrieben sich Briefe, gaben also nicht acht, und steckten die Briefe unter der Bank dem Nachbar zu, und der wieder die Antwort zurück. Nun hat Dr. Stein nicht angefangen zu schimpfen über das Briefeschreiben und gesagt: Ich will euch bestrafen! oder so etwas, sondern er hat ganz plötzlich angefangen, einen Vortrag über das Postwesen zu halten.
Die Kinder waren frappiert, daß plötzlich über das Post-wesen gesprochen wurde; aber sie sind dann doch darauf gekommen, weshalb über das Postwesen gesprochen wurde. Und diese feine Art, Übergänge zu finden, die beschämt dann. Die Kinder waren be­schämt, und das Briefeschreiben hat aufgehört, einfach wegen der Gedanken, die er eingeflochten hat über das Postwesen.
Und so muß man Erfindungsgabe haben, wenn man eine Klasse leiten will. Man muß nicht stereotyp durchaus auf dasjenige gehen, was so hergebracht ist, sondern man muß sich tatsächlich in das ganze Wesen des Kindes hineinversetzen können und wissen, daß eine Bes­serung – und mit der Strafe will man ja schließlich eine Besserung –

Of een ander voorbeeld: Dr. Stein, een leraar aan de vrijeschool, bedacht, vaak op het moment zelf, heel goede dingen. Een keer zag hij dat de leerlingen onder de bank briefjes aan elkaar doorgaven. Ze zaten dus briefjes te schrijven en letten niet op en gaven ze onder de bank door aan de buurman en die gaf weer een antwoord terug. Nu was Dr. Stein niet begonnen te mopperen over dit briefjesschrijven en hij zei niet: ik wil jullie straffen of zo, maar hij was plotseling begonnen een verhandeling over de posterijen te geven.
De kinderen waren hoogst verbaasd dat er plotseling over de posterijen gesproken werd; maar ze kregen wel in de gaten waarom. En deze subtiele manier op iets anders over te gaan, die geeft dan een gevoel van schaamte. De kinderen geneerden zich en het briefjesschrijven hield op, simpelweg door de denkbeelden die hij over de posterijen ingelast had.
En op deze manier moet je creatief worden, wil je een klas kunnen leiden.
Je moet zeer zeker niet zo stereotypisch ingaan op iets wat dan gebeurt, maar je moet je daadwerkelijk in het wezen van het kind verplaatsen en weten dat een verbetering – en met straf wil je uiteindelijk  verbetering –

Blz. 60/61    vert. 60/61

unter Umständen viel eher eintritt, wenn auf diese Weise eine Be­schämung hervorgerufen wird, aber ohne daß man sich an den Ein­zelnen wendet, daß das ganz unvermerkt vor sich geht, als wenn man im groben Sinne straft. Gerade auf diese Weise, wenn man mit einem gewissen Geist in der Klasse drinnen steht, richtet sich so manches ein, was sonst gar nicht ins Gleichgewicht zu bringen ist.
Vor allen Dingen fordert ja das Erziehen und Unterrichten von dem Lehrer Selbsterkenntnis. Er darf zum Beispiel nicht so erziehen wollen, daß er ein Kind, das Tintenkleckse gemacht hat auf das Blatt oder auf die Schulbank, weil es ungeduldig oder zornig geworden ist uber etwas, was der Nachbar gemacht hat, nun anschreit wegen der Tintenspritzer: Du darfst nicht zornig werden! Zornig werden ist keine Eigenschaft, die ein guter Mensch haben darf! Ein Mensch muß nicht zornig werden, sondern in Ruhe alles ertragen! Wenn du mir noch einmal zornig wirst, dann, dann schmeiße ich dir das Tin­tenfaß an den Kopf!

onder bepaalde omstandigheden veel eerder optreedt, wanneer op deze manier een zich generen opgeroepen wordt, maar zonder dat je je op de enkeling richt, dat het geheel ongemerkt gebeurt, dan wanneer je op een grove manier straft. Juist op deze manier wanneer je met een bepaalde spirit voor de klas staat, loopt veel vanzelf wat je anders niet in balans krijgt.
Boven alles eist opvoeding en onderwijzen van de leraar zelfkennis. Hij mag bv. niet zo willen opvoeden, dat hij tegen een kind, dat op zijn papier een inktvlek heeft gemaakt of op zijn tafel, omdat het z’n geduld verloor of boos werd over iets wat zijn buurman deed, tegen de inktknoeier schreeuwen: Jij mag niet boos worden! Boos worden is geen eigenschap die een goed mens mag hebben! Een mens mag niet boos worden, maar moet rustig alles verdragen. Wanneer je nog één keer boos wordt, dan, dan gooi ik het inktpotje naar je hoofd!
Zie hier

Ja, wenn in dieser Weise erzogen wird, wie es sehr häufig ge­schieht, dann wird sehr wenig erreicht werden. Der Lehrer muß sich immer in der Hand haben; er darf vor allen Dingen nie in die Fehler verfallen, die er an seinen Schülern rügt. Da muß man aber wissen, wie das Unbewußte der Kinder wirkt. Das, was der Mensch an be­wußtem Verstand, Gemüt, Wille hat, ist nur ein Teil des seelischen Lebens; im Untergrund waltet schon beim Kinde eben der astralische Leib mit seiner ungeheuren Klugheit und Vernünftigkeit.

Tja, als je op deze manier opgevoed wordt, zoals zeer vaak gebeurt, dat zal er zeer weinig bereikt worden. De leerkracht moet zich altijd in de hand hebben; voor alles mag hij nooit in de fout vervallen zijn leerlingen een standje te geven. Je moet toch weten hoe het onbewuste van het kind werkt. Wat de mens aan bewust verstand, gevoel, wil heeft, is toch maar een deel van het zielenleven; in de diepte is bij het kind het astraallijf al actief met zijn verstand en schranderheid.

Met boek in de hand lesgeven

Nun ist es mir immer ein Greuel gewesen, wenn ein Lehrer in einer Klasse drinnensteht, das Buch in der Hand hat und aus dem Buch heraus unterrichtet oder wenn er ein Heft hat, worin er sich aufnotiert hat, was er fragen will, und immer hineinschauen muß.
Gewiß, das Kind denkt nicht gleich daran mit seinem Oberbewußtsein; aber die Kinder sind gescheit in ihrem Unterbewußtsein und man sieht, wenn man solches zu sehen vermag, daß sie sich sagen: Der weiß ja das gar nicht, was ich lernen soll. Warum soll ich das lernen, was der nicht weiß? Das ist immer das Urteil im Unterbewußten bei Kindern, die aus einem Buch oder Heft vom Lehrer unterrichtet werden.

Nu is het mij altijd al een doorn in het oog geweest, wanneer een leraar voor de klas staat, met een boek in de hand en dan uit dit boek lesgeeft of wanneer hij een schriftje heeft waarin hij dan opgeschreven heeft wat hij wil vragen en er steeds in moet kijken. Zeker, een kind denkt daar niet meteen aan met zijn heldere verstand; maar de kinderen zijn slim in hun onderbewustzijn en je ziet wanneer je in staat bent dit te zien, dat zij bij zichzelf zeggen: die weet helemaal niet wat ik moet leren. Waarom moet ik leren wat hij niet weet? Dat is altijd het oordeel in het onderbewuste bij kinderen die uit een boek of een schriftje van de leraar les krijgen.

Blz. 61  vert. 61

Man muß auf solches Imponderable, auf solche Feinheiten im Unterricht außerordentlich viel geben. Denn sobald das Unterbewußtsein des Kindes, das Astralische, bemerkt, der Lehrer weiß etwas selber nicht, er muß erst ins Heft hineinschauen, dann findet es unnötig, daß es selber dies lerne. Und der Astralleib wirkt viel sicherer als das Oberbewußtsein des Kindes.

Op dit imponderabele, op zulke fijnzinnigheden in het onderwijs moet je bijzonder letten. Want zodra het onderbewustzijn van het kind, het astrale, merkt de leerkracht weet zelf iets niet, hij moet eerst in een schriftje kijken, dan vindt hij het ook niet nodig dat hij dit zelf wel leert. En het astraallijf werkt met veel meer zekerheid dan het bewustzijn van het kind.
GA 311/59-61
Op deze blog vertaald/59-61

Steiner vertelt hier over een waarneming in een klas met meer meisjes dan jongens en om omgekeerd.
Is dat nu ook nog waar te nemen?

Voordracht 7, Torquay 19 augustus 1924

Blz. 122   vert. 122

Wir haben in der Waldorfschule gemischte Klassen, Mädchen und Knaben nebeneinander. Nun, ganz abgesehen von dem, was sich die Knaben und Mädchen sagen oder was sie mit ihrem Bewußtsein miteinander austauschen, kann man einen deutlichen Unterschied bemerken zwischen Klassen, in denen mehr Mädchen als Knaben sind, und Klassen, in denen mehr Knaben als Mädchen sind oder in denen Knaben und Mädchen gleich verteilt sind. Jahrelang bin ich dem nachgegangen, und immer hat es sich gezeigt: Es ist etwas ganz anderes, eine Klasse, wo mehr Mädchen als Knaben sind.
In einer Klasse, wo mehr Mädchen als Knaben sind, findet man
sehr bald, daß man selber als Lehrer verhältnismäßig weniger müde
wird, weil die Mädchen leichter auffassen, aber auch mit einem
größeren Eifer auffassen als die Knaben. Aber man findet auch zahlreiche andere Unterschiede. Vor allen Dingen findet man sehr bald heraus, daß die Knaben selber in der Leichtigkeit ihrer Auffassung gewinnen, wenn sie in der Minderzahl sind, während die Mädchen verlieren, wenn sie selbst in der Minderzahl sind. Und so sind zahlreiche Unterschiede da, die nicht durch das Mitteilen, nicht durch das gegenseitige Behandeln bestehen, sondern die im Imponderablen bleiben, Imponderabilien sind.

We hebben in de vrijeschool gemengde klassen, meisjes en jongens bij elkaar. Nu, afgezien daarvan wat de jongens en meisjes zeggen of wat ze op hun niveau met elkaar uitwisselen, kun je een duidelijk verschil merken tussen klassen waarin meer meisjes dan jongens zitten en klassen waarin meer jongens dan meisjes zijn of waarin het aantal jongens en meisjes gelijk is. Dat ben ik jarenlang nagegaan en altijd kwam het uit: het is iets heel anders, een klas waarin meer meisjes dan jongens zitten.
In een klas waarin meer meisjes dan jongens zitten, merk je al gauw, dat je als leerkracht minder moe wordt, omdat meisjes sneller begrijpen, maar ook meer hun best doem om te begrijpen dan de jongens. Maar je ontdekt ook talloze andere verschillen. Vooral merk je al gauw dat de jongens zelf makkelijker hun best doen iets te begrijpen, wanneer ze in de minderheid zijn, terwijl meisjes erop achteruit gaan, wanneer ze zelf in de minderheid zijn. En zo zijn er talloze 
verschillen die je niet worden meegedeeld, die er niet zijn door tegenovergestelde werkwijzen, maar die in het onzichtbare blijven, imponderabel zijn.
GA 311/122-123
Op deze blog vertaald /122-123

Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit

Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3198-3010

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/5)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’.
.

Otto Julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES
.

Met doorzichtige politieke redenen wordt beweerd dat alle mensen gelijk zijn.
Dat vind je in de sprookjes niet.
Diepgaand kennen zij de menselijke natuur en zijn zij op de hoogte van de essentiële verschillen in de morele kwalificaties van mensen. Ze kennen wie begenadigd is of wie vervloekt, weten welke mensen bij het licht, welke bij de duisternis horen. Het blijft echter onduidelijk of deze mensen zo door God zijn geschapen of dat ze in de loop van hun aardse leven zelf de ene of de andere kant hebben gekozen.
Maar het is goed dat kinderen al een gevoel van waarheid krijgen (ook als het een meer onbewust voorvoelen is) voor de verschillen die ze in hun verdere leven bij mensen kunnen tegenkomen.

Vele, zo niet alle sprookjes hebben de taak om mensen langs de gevaarlijke en pijnlijke wegen naar zelfoverwinning en zelfkennis te leiden. Nu zijn er, zoals we hebben gezien, veel verschillende ‘kamers’ in het ‘koninklijke kasteel’ van het fysieke en mentale bestaan ​​van de mens, die bedoeld zijn voor zijn Ik om in te leven tijdens zijn aardse bestaan. Naast de kelder met de wilde dieren, is er nog een speciale kamer. Alle kamers, behalve deze ene, moeten door de “trouwe Johannes” (nr. 6)* worden geopend voor de zoon van de koning, volgens de wil van de stervende koning.
In deze kamer wordt het mysterie van het mannelijke en vrouwelijke bestaan ​​bewaard, en daarmee ook de grootste uitdagingen en gevaren die op het Ik in het aardebestaan afkomen

De jongere is in eerste instantie trots op de eenheid van zijn persoon. Maar nu moet hij ineens ontdekken dat hij in sommige opzichten maar de helft is. Als hij de andere helft moet ontdekken, komt dit neer op een soort verlamming die hij op een nieuw niveau zal moeten overwinnen. Dit is wat er met de koningszoon gebeurt als hij, achter de rug van ” de trouwe Johannes” naar de verboden kamer kijkend, het beeld van de koningsdochter ontmoet, d.w.z. het oer- en tegenbeeld van het eeuwige vrouwelijke, verborgen in zijn eigen ziel.  Oervreugde en oerverschrikking zijn ermee verbonden. De vrouw is tegelijkertijd de redding en de bedreiging van de man.

Het probleem is echter nog niet opgelost met de dramatische verwerving van de bruid, die het sprookje beschrijft. Voor beiden wachten nog de moeilijkste opgaven. Ze worden gesymboliseerd in het ‘wilde paard’, in het ‘vurige gewaad’ en in de ‘bloeddruppel’. Het egoïsme dat hier ontstaat, moet uiteindelijk op een eeuwenoude, mysterieuze manier worden goedgemaakt door het opofferen van kinderen als symbool van het ‘andere zelf’.
Onze kinderen zullen dit allemaal niet begrijpen, maar ze zullen wel een echte voorkennis verwerven over wat hen zal en moet overkomen, maar wat niet gemakkelijk is om op een menselijke manier mee om te gaan. Hoe dan ook negeert de huidige ‘seksgolf’ de ware realiteit van dit gebied.

Bijzonder merkwaardig zijn die sprookjes waarin de proefpersoon iets moet doen dat kennelijk onmogelijk of zelfs onzinnig is– en dat ook daadwerkelijk doet. Hij is er echter niet bij met zijn gewone dagelijkse bewustzijn en zelf. Hij slaapt. En terwijl hij slaapt, brengen mysterieuze krachten het schijnbaar onmogelijke tot stand. Bijvoorbeeld een berg afgraven, een vijver droogleggen of zelfs het bouwen van een heel kasteel met alle details in één dag. Bijvoorbeeld ‘De Ware Bruid’ (nr. 186), ‘De Gouden Vogel’ (nr. 57).
De Evangeliën spreken ook over een ‘berg’ die zou rijzen op verzoek van degene die werkelijk vertrouwt. Maar uiteraard ligt deze ‘berg’ niet buiten in het landschap (waarom zouden we hem wegdoen?), maar is het, zoals het sprookje zegt, de ‘berg’ die ons berooft van een helder zicht op de wereld. Dus de berg van ons egoïsme en egocentrisme, die de waarheid over onszelf en onze medemensen verduistert.

Maar wie kan in één dag een vijver droogleggen of een heel kasteel bouwen? Zijn dit misschien die gezonde en vernieuwende levenskrachten die ons elke nacht worden gegeven en die ons lichaam vernieuwen terwijl we in een diepe slaap liggen (niet in staat dit zelf te doen)? Maar er zijn dromen waarin we iets ervaren in een symbolische vorm van deze nachtelijke vernieuwingsprocessen die proberen te compenseren voor wat we overdag door onze chaotische gedachten en passies aan onze fysieke gezondheid verstoren.

Of de sprookjes van Grimm nu echte mysteriewaarheden bevatten of alleen maar morele opvattingen of zelfs maar het vrije spel van de menselijke verbeelding – ze betekenen in ieder geval ‘voedsel‘ voor de kinderzielen. Hebben die niet nog maar pas de zo verschillende werelden via de geboorte verlaten en dringen ze niet slechts heel geleidelijk en moeizaam door tot onze werkelijkheid die wordt gedomineerd door natuur- en scheikunde, technologie en geld.
Maar snel daarna, meestal al vanaf het begin van school, zullen ze wel moeten en zal hun Ik zich volledig onderdompelen in de wereld van computers. Maar ze zijn dit aardse bestaan binnengegaan om de aardse stof te gebruiken en daardoor hun Ik te ontwikkelen! Het is des te belangrijker om ze in de kindertijd te voeden met de rijkdom aan creatieve verbeeldingskracht. In werkelijkheid komt de rijkdom van het mineralen-, planten- en dierenrijk uit dezelfde bronnen waar ook onze echte sprookjes vandaan komen.

Maar de ‘natuur’ zoals die nu is, is een ‘natura naturate’, een (zoals Novalis het noemt) ‘versteende stad’ die al lang verlaten is door de creatieve oerkrachten van de evolutie (de natura naturans). Er wordt alleen nog niet ‘doorgegeven, niet langer op grote schaal getransformeerd en vernieuwd.

Hoe mooi voor de kinderen als ze in het sprookje kunnen ervaren hoe mensen in zwanen of raven veranderen en wegvliegen, maar ook weer in mensen kunnen veranderen. Want in de zielenwereld is nog mogelijk wat in de aardse wereld onmogelijk is.

.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3197-3009

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (97)

.

Het onderwijs schiet weer eens tekort

.

Met een zekere regelmaat wordt ons voorgehouden dat het Nederlandse onderwijs tekortschiet.

‘We liggen achter’ of ‘de kinderen hebben een achterstand’.
Er moeten dus instanties zijn die hebben vastgesteld dat als je ‘dáár’ bent, je geen achterstand hebt.
Die instanties zijn uiteindelijk mensen die – naar ik aanneem – onderwijskunde hebben gestudeerd, ontwikkelingspsychologie enz. 
En zij vertegenwoordigen DE wetenschap waarmee ze ‘de regering’ adviseren. Zo ontstaan er allerlei ‘officieel’ vastgestelde criteria waaraan het onderwijs zich dient te houden. De inspectie ziet toe en stuurt bij.

En vergeet de politieke partij niet van de ministers die verantwoordelijk zijn voor het onderwijsbeleid.
Daarin klinkt de partijpolitiek sterk door.
En die verschilt per partij.  → Opspattend grind [94]

Een logische redenering is dan, dat om de achterstand in te lopen, je vroeger met school moet beginnen.
Politiek vertaald: de wettelijk verplichte schoolleeftijd vervroegen.

Of de inspectie stuurt (nog) meer bij:
Er wordt wat gehamerd op de ‘basisvaardigheden’ (rekenen en taal), tegenwoordig vergezeld door de ‘burgerschapskunde’.

Het gaat nooit over de ontwikkeling van een kind.

En het haalt het nieuws:
Op 17 april 2024 nog in het journaal van 13u:

Dat wordt zo aangekondigd:

‘De inspectie van het onderwijs slaat alarm na een steekproef.
Van basisschool tot universiteit, steeds meer onderwijsinstellingen scoren een onvoldoende, concludeert de onderwijsinspectie. 20% van de 250 onderzochte scholen doet het niet goed genoeg.’
De onderwijsinspectrice: ‘We zien natuurlijk al jaren dat de basisvaardigheden naar beneden gaan, en met basisvaardigheden bedoel ik taal, rekenen, burgerschap, en als we langs de scholen gaan, dan zien we ook dat dat klopt en dat op de resultaten en de manier waarop het onderwijs wordt gegeven, verbeteringen mogelijk zijn.

Dan krijgen we een inkijkje in een klas – naar de kinderen gekeken, een kleuterklas.
Op de achtergrond zien we wel wat “vrijeschoolmateriaal’:

Terwijl juf de kinderen een boek voorhoudt, zegt de verslaggever, afgewisseld met de inspectrice, dat er ook veel goeds gebeurt en dat de scholen van elkaar kunnen leren. Ze  moeten dus bij elkaar op bezoek. 

Dan zien we de kleuters nog even met het lesmateriaal:

Is dit de belevingswereld van de kleuter? 

Of toch meer dit?:

Zou een vrijeschoolkleuterleerkracht iets moeten leren over hoe je kleuters intellectualistischer benadert of kan deze aan de niet-vrijeschoolkracht het wezenlijke van de ontwikkeling van een kleuter duidelijk maken en een vurig pleidooi houden voor de verzorging van de levenskrachten?

.
Opspattend grind: voorschools leren  [16]  [38]  [53]  [68]

Opspattend grind: alle artikelen

Algemene menskunde: het kind van 0 – 7 jaar

Spel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuterklas

.

3196-3008

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het kind rond het 9e levensjaar (Algemene menskunde voordracht 9 [9-1-2-4/8]

.

Onderdeel van ‘Algemene menskunde’ voordracht 9, artikel [9-1-2-4/8]

Wanneer Steiner over het 9 à 10-jarige kind spreekt, gebeurt dat heel vaak in samenhang met de leeftijd net ervoor of nog verder terug.
Uiteraard is dat heel logisch, want eigenlijk kan je niet ‘; zomaar’ ergens beginnen, we hebben met een doorlopende ontwikkeling te maken met markante punten.
Een van die punten is het 9e à 10e levensjaar.

GA 303

Vertaald:

Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens

Gezond makend onderwijs

Voordracht 10, Dornach 1 januari 1922

Das Kind im zehnten Lebensjahre: Pädagogik und Didaktik

Het kind van het zevende tot het tiende jaar: pedagogie en didactiek

Blz. 177   vert. 201

Wenn das Kind das neunte Lebensjahr vollendet hat, folgt ein wichtiger Entwickelungsmoment im Zeitpunkte zwischen dem neunten und dem zehnten Lebensjahr. Dieser Entwickelungsmoment kann dadurch charakterisiert werden, daß man darauf aufmerksam macht, wie das ja mit dem Zahnwechsel eintretende Autoritätsbedürfnis des Kindes gewissermaßen bis zu dem vollendeten neunten Lebensjahr undifferenziert ist. Das Kind individualisiert nicht gegenüber der Autorität.
Es nimmt dasjenige, was autoritativ gegeben wird, als solches hin und
hat ein Bedürfnis, sich darnach zu richten. Mit dem vollendeten neunten Jahre tritt bei dem Kinde etwas ganz Besonderes auf. Es will gewissermaßen von diesem Zeitpunkte an die Autorität in einer gewissen Weise begründet haben.
Mißverstehen Sie mich nicht. Das Kind stellt nicht etwa verstandesmäßig die Erwägungen an: ist die Autorität begründet oder nicht?
Aber im ganzen Empfindungsleben des Kindes liegt etwas, was so wirken muß, daß sich die Autorität durch ihre eigene Qualität, durch ihr Darinnenstehen im Leben, durch die eigene Sicherheit bewährt.

Wanneer het kind het negende levensjaar heeft afgesloten, volgt een belangrijk ontwikkelingsmoment op het tijdstip tussen het negende en tiende levensjaar. Dit ontwikkelingsmoment kan gekarakteriseerd worden door op te merken hoe de bij de tandenwisseling intredende autoriteitsbehoefte van het kind tot aan het einde van het negende levensjaar ongedifferentieerd is. Het kind individualiseert niet jegens de autoriteit; het accepteert dat wat de autoriteit hem aanreikt zoals het is en heeft ook behoefte zich daarnaar te richten. Aan het einde van het negende jaar treedt bij het kind iets heel bijzonders op. Het wil in zekere zin vanaf dit tijdstip zien dat de autoriteit op een bepaalde manier onderbouwd is.
Begrijpt u mij niet verkeerd. Het kind overweegt niet met het verstand: is de autoriteit onderbouwd of niet? Maar in het hele gevoelsleven van het kind is iets aanwezig wat zo moet werken dat de autoriteit zich waarmaakt door zijn eigen kwaliteit, door de manier waarop hij in het leven staat, door de eigen zekerheid.

für hat das Kind von diesem Zeitpunkte an ein besonders feines Gefühl, und das äußert sich eben dadurch, daß auch objektiv in diesem Zeitpunkt eine Wendung im Leben des Kindes eintritt, die absolut berücksichtigt werden muß, wenn die Erziehung und der Unterricht gesund sein sollen. Bis zu diesem Zeitpunkt unterscheidet sich eben das Kind wenig von seiner Umgebung. Die Welt und es selber gehören für seine Empfindung zusammen.
Man muß, wenn man diese Dinge charakterisiert, sich etwas radikal ausdrücken; aber ich bitte Sie, dieses radikale Ausdrücken eben auch in dem richtigen Sinne zu nehmen. Man muß zum Beispiel sagen: vor dem Abschlüsse des neunten Lebensjahres gibt es für das Kind im vollendeten Sinne nicht Menschen, Tiere, Pflanzen, Mineralien, sondern Wesen im allgemeinen. Nun ist das natürlich, wenn es so radikal ausgesprochen wird, nicht so, daß man jetzt das Dogma verkünden

Daarvoor heeft het kind vanaf dit tijdstip een bijzonder fijn gevoel, en dat blijkt uit het feit dat ook objectief op dit tijdstip een wending in het leven van het kind optreedt waar absoluut rekening mee moet worden gehouden als de opvoeding en het onderwijs gezond willen zijn. Tot dit tijdstip onderscheidt het kind zich weinig van zijn omgeving. De wereld en hijzelf horen voor zijn gevoel bij elkaar. Je moet, wanneer je deze dingen beschrijft, je enigszins radicaal uitdrukken. Maar ik verzoek u deze radicale manier van uitdrukken in de juiste zin op te vatten. Je moet bijvoorbeeld zeggen: voor het einde van het negende levensjaar zijn er voor het kind in de volmaakte zin van het woord geen mensen, dieren, planten en mineralen, maar wezens in het algemeen. Nou is het natuurlijk, als het zo radicaal wordt uitgesproken, niet zo dat we nu het dogma mogen verkondigen

Blz. 178   201/202

darf, das Kind unterscheide nicht Menschen von Lilien; aber in einer gewissen Beziehung gilt das, was ich gesagt habe, und in einer gewissen Beziehung ist durchaus in der Erziehungs- und Unterrichtskunst darauf Rücksicht zu nehmen, daß solche Dinge, die in radikaler Art hingestellt werden, nicht dogmatisch genommen werden. Dafür sorgt schon das Leben, das alles bestimmt, und das nichts mit den scharfen Konturen erscheinen läßt, mit denen es der Pedant gern nehmen möchte.
Mit dem vollendeten neunten Jahre hört zum Beispiel in einer deutlichen Weise das auf, was von einer kindlichen Wissenschaft immer in ganz falschem Lichte dargestellt wird. Man sieht darauf hin, daß das Kind, wenn es sich an einer Tischecke stößt, die Tischecke schlägt. Aber dann sagt die Wissenschaft: das Kind personifiziert den Tisch, es macht ihn zum lebendigen Wesen, das es strafen muß. Es zeigt wenig ein tieferes Eingehen auf die Gemütsverfassung des Kindes, wenn man so etwas ausspricht, denn es ist das durchaus nicht der Fall, daß das Kind den Tisch personifiziert. Es hat nur noch nicht das tote Wesen von dem lebendigen Wesen unterscheiden gelernt. 

dat het kind geen mensen van lelies onderscheidt. Maar in bepaald opzicht klopt het wat ik gezegd heb, en in bepaald opzicht moet je er in de opvoed- en de onderwijskunst rekening mee houden dat zulke dingen die op een radicale manier naar voren worden gebracht, niet dogmatisch worden opgevat. Daar zorgt het leven zelf al wel voor, het leven dat alles bepaalt en niets laat verschijnen met de scherpe contouren waarmee de pedant de verschijnselen graag benadert.
Aan het einde van het negende jaar houdt bijvoorbeeld heel duidelijk op wat door een kinderlijke wetenschap altijd in een volkomen verkeerd licht wordt voorgesteld. We zien dat het kind, wanneer het zich aan de hoek van de tafel stoot, de hoek van de tafel slaat; maar vervolgens zegt de wetenschap: het kind personifieert de tafel, het maakt de tafel tot een levend wezen dat het moet straffen. Het duidt op een oppervlakkige benadering van de gemoedstoestand van het kind als je zoiets uitspreekt. Want het is helemaal niet zo dat het kind de tafel personifieert. Het heeft alleen nog niet het dode wezen van het levende wezen leren onderscheiden.

Der Vorgang des Personifizierens spielt sich gar nicht ab im kindlichen Leben, sondern es behandelt eben die Außenwelt noch ganz im allgemeinen, und sich selber stellt es in diese Außenwelt so hinein, daß es sich von dieser Außenwelt
recht wenig unterscheidet. Und der Zeitpunkt nach dem vollendeten neunten Lebensjahre wird deshalb ganz besonders wichtig, weil eben da wie an einem bedeutsamen Lebenswendepunkte aus dem Kinde heraus Fragen aufschießen, man möchte sagen, ganze Berge von Fragen, die alle sich darauf beziehen, empfindungsgemäß sich von der Umgebung zu unterscheiden, sich auch zu unterscheiden von dem Führer, von dem Erzieher.
Bis dahin hat das Kind wenig Gefühl dafür gehabt, ob der Lehrer oder Erzieher ein ungeschickter Kerl ist, der selbst überall da oder dort mal anstößt, der die Kreide fallen läßt, wenn er sie in die Hand bekommt und dergleichen. Es hat wenig Gefühl dafür, so etwas zu bemerken, wie jener Prediger entwickelt hat, der nach jedem Satze sich einmal an die Nase gefaßt hat, was seine Gemeinde mit einer Lachhaftigkeit erfüllt hat. Das Kind bemerkt solche Sachen schon auch vor dem vollendeten neunten Lebensjahre, aber es bemerkt sie so, daß sie

Het verschijnsel van het personifiëren speelt zich helemaal niet af in het kinderleven, maar het kind behandelt gewoon de buitenwereld nog helemaal in het algemeen, en het plaatst zichzelf zo in de buitenwereld dat het zich eigenlijk weinig onderscheidt van deze buitenwereld.
En het tijdstip na het einde van het negende levensjaar wordt daarom erg belangrijk omdat dan een belangrijk keerpunt in het leven van het kind optreedt en er bij het kind allerlei vragen opborrelen, je zou kunnen zeggen, hele bergen vragen, die betrekking hebben op het feit dat het zich gevoelsmatig van de wereld wil onderscheiden, zich ook wil onderscheiden van de leider, van de opvoeder.
Tot dan toe heeft het kind er weinig gevoel voor gehad of de leraar of opvoeder een onhandige vent is die zichzelf overal tegen stoot, die het krijtje laat vallen wanneer hij het oppakt en dergelijke. Het kind heeft er weinig gevoel voor iets dergelijks waar te nemen zoals de eigenschap die die predikant ontwikkeld had die zich bij iedere zin die hij uitsprak bij de neus pakte, waar zijn gemeente voortdurend om moest lachten. Het kind neemt zulke zaken ook wel voor het negende levensjaar waar, maar zo dat ze

Blz. 179 vert. 203

an seinem Gemüte vorübergehen, daß sie keinen tieferen Eindruck machen. Wer also glauben würde, daß es sie gar nicht bemerkt, der irrt sich. Aber nach dem vollendeten neunten Jahre beginnt das Kind scharf gerade auf solche Dinge zu achten. Es achtet sogar später im zehnten, elften Jahre wieder weniger darauf. Es achtet darauf, und es hüllt sich das nur ein in das gesamte Fragesystem, was in diesem Lebenspunkt auf der Seele des Kindes lastet. Diese Fragen brauchen nicht ausgesprochen zu sein, aber sie sind da. Das Kind fragt empfindungsgemäß, ob sich der Lehrer geschickt verhält im Leben, ob der Lehrer vor allen Dingen sicher im Leben drinnensteht, ob der Lehrer weiß, was
er will, und es hat vor allen Dingen eine feine Empfindung für die Gesamtseelensituation des Lehrers.

aan zijn gemoed voorbijgaan, dat ze geen diepere indruk maken. Wie dus zou geloven dat het kind zoiets helemaal niet opmerkt, vergist zich. Maar na het einde van het negende jaar begint het kind juist scherp op dergelijke dingen te letten. Het is zelfs zo dat het daar later, op tien of elfjarige leeftijd, weer minder op let. Het let erop en het wordt dan alleen in het totale vragensysteem gehuld dat op dit tijdstip in het leven op de ziel van het kind drukt. Deze vragen hoeven niet uitgesproken te worden, maar ze zijn er wel. Het kind vraagt vanuit zijn gevoel of de leraar in het leven bekwaam is, vooral of de leraar zelfverzekerd in het leven staat, of de leraar weet wat hij wil, en het heeft er vooral een fijn gevoel voor of de leraar goed in zijn vel zit.

Ein Skeptiker wirkt ganz anders auf das Kind als ein im richtigen Sinne gläubiger Mensch. Es tönt eben etwas ganz anderes durch die Stimme eines Skeptikers als durch die Stimme eines gläubigen Menschen. Und um solche Dinge kümmert sich das Kind zwischen dem neunten und dem zehnten Lebensjahre. Es ist hier vieles Individuelle, das im Menschenleben liegt, zu berücksichtigen. Ein evangelisch orthodoxer Lehrer wirkt ganz anders gerade in diesem Lebenspunkte auf das Kind, als ein katholisch gestimmter Lehrer, einfach durch die andersartige Seelensituation. 
Und hier kommt auch in Betracht, daß dieser Lebenspunkt bei den verschiedenen Rassen, Nationalitäten, in der allerverschiedensten Weise zum Ausdruck kommt, sogar bei der einen Nationalität etwas früher, bei der anderen etwas später. Er kommt bei jedem Kinde individuell zum Ausdruck, bei dem einen früher, bei dem anderen später, und man kann daher im allgemeinen nicht viel sagen, sondern nur: aus dem Gesamttakt des Lehrers muß sich das ergeben, daß er diesen Wendepunkt in der Entwicklung des Kindes wirklich sehen kann, wie überhaupt in der Erziehung unendlich viel darauf ankommt, daß man auf den Zögling die richtige, eindringliche Aufmerksamkeit wenden kann.
 

Een scepticus werkt heel anders in op het kind dan een in de goede zin van het woord gelovig mens. Er klinkt in de stem van een scepticus gewoonweg iets heel anders door dan in de stem van een gelovig mens. En deze dingen houden het kind bezig tussen het negende en tiende levensjaar. Hier moeten we rekening houden met veel individuele dingen die onderdeel uitmaken van het menselijk leven. Een orthodox-protestantse leraar werkt op dit levenspunt heel anders in op het kind dan een leraar van katholieke huize, eenvoudig door de andere zielssituatie.
En hier moeten we er ook rekening mee houden dat dit levenspunt bij de verschillende rassen, bij de verschillende nationaliteiten op de meest verschillende wijzen tot uitdrukking komt, bij de ene nationaliteit zelfs iets vroeger, bij de andere iets later. Het komt bij ieder kind individueel tot uitdrukking en we kunnen er daarom in het algemeen niet veel meer over zeggen dan het volgende: uit de totale instelling van de leraar moet blijken dat hij dit keerpunt in het leven echt kan zien, zoals het überhaupt bij de opvoeding er heel erg op aankomt dat je op de leerling de juiste, diepgaande aandacht kunt richten.

Blz. 180/181   vert. 204

Aus alledem heraus, was ich geschildert habe, kommt ganz unweigerlich in diesem Zeitpunkt das Kind an den Führer, an den Lehrer heran und stellt allerlei Fragen. Es kommt gar nicht so sehr auf den Inhalt der Fragen an, und es kommt gar nicht so sehr auf den Inhalt der Antwort an, die der Lehrer nun gibt, sondern es kommt darauf an, daß durch das, ich möchte sagen, Undefinierbare, das sich gerade in diesem Lebenspunkte zwischen Führer und Kind entwickeln muß, das Kind eine empfindungsgemäße Anschauung darüber in sein Gemüt eingesetzt bekommt: Ich habe bisher zu meinem Lehrer aufschauend gestanden; jetzt kann ich es nicht mehr, ohne daß ich weiß, daß der Lehrer zu irgend etwas aufschaut, das im Leben auf irgendeine Weise drinnen begründet ist. – Besonders neugierige Kinder verfolgen dann den Lehrer auch außerhalb der Schule, bemerken allerlei, was er außerhalb der Schule tut. Das alles zu berücksichtigen, ist von einer ungeheuren Wichtigkeit. Aber dasjenige, wovon alles abhängt, ist, daß man diesen Zeitpunkt merkt, daß man weiß, jetzt tritt das Kind so an einen heran, daß das, was sich zwischen Führer und Kind abspielt, Vertrauen, immer mehr bewußtes Vertrauen fordert. Denn, wie man sich in diesem Zeitpunkt zu dem Kinde verhält, davon hängt für das ganze spätere Leben unendlich vieles ab; ob das Kind ein haltloser Mensch wird, oder ob das Kind ein sicher im Leben stehender Mensch ist, das hängt manchmal daran, ob der Lehrer die genügend sichere Art findet, in diesem Zeitpunkte sich zu dem Kinde zu stellen. Man könnte ja allerdings fragen:

Uit alles wat ik beschreven heb kunt u opmaken dat op dit tijdstip het kind beslist naar de leider, naar de leraar toe komt en allerlei vragen stelt. Het komt helemaal niet zozeer aan op de inhouden van de vragen en ook niet op de inhoud van het antwoord dat de leraar nu geeft, maar het komt erop aan dat door het, laat ik zeggen, ondefinieerbare dat zich juist op dit tijdstip van het leven tussen leider en kind moet ontwikkelen, het kind een gevoelsmatige opvatting in zijn gemoed ingeplant krijgt: ik heb tot nu toe naar mijn leraar opgekeken; nu kan ik dat niet meer zonder dat ik weet dat de leraar naar iets opkijkt wat op een of andere wijze in het leven gegrondvest is. -Vooral nieuwsgierige kinderen volgen dan de leraar ook buiten de school, merken daarbij van alles op wat hij buiten schooltijd doet. Hiermee rekening houden is reusachtig belangrijk. Maar waar alles van afhangt is dat je dit tijdstip opmerkt, dat je weet: nu komt het kind zo op mij af dat datgene wat zich tussen leider en kind afspeelt vertrouwen, steeds meer bewust vertrouwen, verlangt. Want hoe we ons op dit tijdstip ten opzichte van het kind gedragen, daarvan hangt voor het hele latere leven oneindig veel af. Of het kind iemand zonder normbesef wordt, of dat het kind een met zekerheid in het leven staand mens is, hangt vaak af van of de leraar de geschikte manier vindt om zich in deze periode tegenover het kind op te stellen.

Man könnte ja allerdings fragen: Wie ist dann eigentlich der Mensch von seiner Umgebung abhängig, wenn er zwischen dem neunten und zehnten Jahre in einer so außerordentlichen Art darauf angewiesen ist, daß sich der Lehrer und der Führer in einer gewissen Art benimmt? –
Aber diese Dinge können nicht beleuchtet werden, ohne auf die mit dem
Schicksal des Menschen tief zusammenhängenden Fragen, die karmischen Fragen, einzugehen, und das wird uns ja insbesondere in den letzten Stunden hier zu beschäftigen haben. Für das Denken, das in der richtigen Weise sich dem Erziehenden und Unterrichtenden gegenüber verhält, ist aber dasjenige, was ich gesagt habe, ganz unbedingt richtig. Es handelt sich in diesem Zeitpunkte darum, daß das Kind irgend jemanden findet – ob das eine Person oder mehrere sind, ist von einer geringeren Bedeutung -, der in gewisser Weise als Bild bleibt für das ganze spätere Leben.
Wenige Menschen bemerken dasjenige, was ich jetzt sagen werde,
aber es tritt immer wieder und wiederum, und zwar in bestimmten

Je zou je zeker de vraag kunnen stellen: hoe is de mens dan eigenlijk afhankelijk van zijn omgeving, als hij er tussen het negende en tiende jaar op zo’n bijzondere wijze op aangewezen is dat de leraar en de leider zich op een bepaalde manier gedraagt? — Maar op deze dingen kunnen we geen licht laten schijnen zonder in te gaan op de met het lot van de mensen diep samenhangende vragen, de karmische vragen; en we zullen ons dan ook vooral in de laatste voordrachten hiermee bezig moeten houden. Voor het denken dat zich op de juiste wijze jegens de opvoeder, de onderwijzer verhoudt, is echter datgene wat ik gezegd heb zonder meer juist. Het gaat er in deze periode omdat het kind iemand vindt — of dat een of meer personen zijn is van minder belang—die op een bepaalde manier voor het hele latere leven als beeld blijft bestaan.
Slechts weinig mensen merken dat wat ik nu ga zeggen op, maar de werking van de kinderleeftijd treedt in de mens – in bepaalde perioden van het leven — steeds weer opnieuw op,

Blz. 182  vert. 206

Perioden des Lebens, die Wirkung des Kindesalters in dem Menschen auf, und eine ganz hervorragende, ausgezeichnete Bedeutung hat das Bild, das gerade aus diesem Lebenswendepunkte immer wieder auftritt.
Ob das im spateren Leben, ob im Traume oder im Wachen, verschwommen auftritt, ganz sympathisch oder ganz antipathisch betrachtet werden kann, das ist außerordentlich wichtig, nicht die Sympathie und Antipathie als solche, sondern daß im Gemüte des Kindes etwas ist, was in dem einen Falle zur Sympathie und im anderen zur Antipathie wird. Und ich will gar nicht einmal behaupten, daß der ganze Vorgang, den ichhier schildere, diese Reminiszenz an dem Lebenswendepunkte zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahr ganz expliziert im Bewußtsein heraußen steht; manchmal kann es fast ganz im Unterbewußten liegen, aber vorgehen muß das Entsprechende. Es findet sich
immer. Lebhaft träumende Menschen werden in fast periodisch verlaufenden Zwischenräumen im Traume irgendeine Szene herauftauchen sehen oder die Persönlichkeit selbst, den Führer, der da helfend, mahnend, vertrauenerweckend, ein persönliches Verhältnis erweckend, dem Kinde zur Seite getreten ist. Das braucht das Kind zwischen dem neunten und zehnten Jahre, und das hängt zusammen mit der objektiven Wendung in dem Kinde, daß es sich eigentlich bis dahin von der Welt draußen, von der Umwelt nicht unterschieden hat, und daß es jetzt das Bedürfnis bekommt, innerlich ein Mensch zu sein, ein abgeschlossenes Individuum, und sich der Außenwelt gegenüberzustellen.

en een heel opvallende, voortreffelijke betekenis heeft het beeld dat juist vanuit dit keerpunt in het leven steeds weer optreedt. Buitengewoon belangrijk is of dit in het latere leven — ofwel tijdens het dromen of tijdens het waken – vaag optreedt of door ons heel sympathiek of heel antipathiek beschouwd kan worden. Niet de sympathie en antipathie als zodanig, maar dat er in het gemoed van het kind iets aanwezig is wat in het ene geval tot sympathie en in het andere tot antipathie wordt. En ik wil helemaal niet eens beweren dat het hele gebeuren dat ik hier beschrijf, deze herinnering aan het keerpunt in het leven tussen het negende en tiende levensjaar heel expliciet buiten het bewustzijn staat; soms kan het bijna helemaal in het onderbewuste liggen, maar wat hieraan beantwoordt moet zeker optreden. Het is er altijd. Levendig dromende mensen zullen in bijna periodiek verlopende tussenruimten in de droom een of andere scène zien opduiken, of de persoonlijkheid zelf, de leider, die daar helpend, vermanend, vertrouwenwekkend, een persoonlijke verhouding oproepend, het kind terzijde is gaan staan. Dat heeft het kind tussen het negende en tiende jaar nodig en het hangt samen met het objectieve keerpunt in het kind dat het zich eigenlijk tot dan toe van de wereld buiten zich niet onderscheiden heeft, en dat het nu de behoefte krijgt innerlijk een mens te zijn, een afgesloten individu, en zich tegenover de buitenwereld te plaatsen.
GA 303/178-181
Vertaald/201-206

Blz. 185   vert. 209

Aber mit dem gekennzeichneten starken Umschwung tritt eben ein anderes ein. Da wird das Kind für sich selber ein eigenes Wesen. Es lernt sich von der Welt unterscheiden, und man bekommt dadurch die Möglichkeit und auch Notwendigkeit, das Kind nun heranzuführen an die Natur, an die Umwelt. Da tritt das auf, was man als den durchgreifenden Unterschied charakterisieren muß zwischen dem Heranführen an die Pflanzenwelt und an die Tierwelt. An diese beiden Naturreiche will der Mensch in einer ganz verschiedenartigen Weise herangeführt werden. Allerdings, sowohl an die Pflanzenwelt wie an die Tierwelt kann man das Kind so vom zehnten bis zwölften Jahre heranführen; aber in verschiedener Art an die Pflanzenwelt und in verschiedener Art an die Tierwelt. 

Maar bij de gekenschetste sterke ommekeer doet er zich iets anders voor. Daar wordt het kind voor zichzelf een eigen wezen. Het leert zich van de wereld onderscheiden en daardoor krijg je de mogelijkheid en is het ook noodzakelijk dat we het kind nu in contact brengen met de natuur, met de wereld om hem heen. Dan begint dat wat men als het radicale onderscheid moet karakteriseren tussen het in contact brengen van het kind met de plantenwereld en met de dierenwereld. Met deze beide natuurrijken wil de mens op een totaal verschillende manier in contact worden gebracht. Natuurlijk, zowel met de plantenwereld als met de dierenwereld kun je het kind zo vanaf het tiende tot het twaalfde jaar in contact brengen; maar met de plantenwereld wel op een andere manier dan met de dierenwereld.
GA 303/185
Vertaald/209

Steiner over dierkunde

Steiner over plantkunde

En wat de dier- en plantkunde betreft, gaat het bij deze leeftijd (tussen 9 en 12jr) om:

Blz. 192  vert. 217

Und nicht darauf kommt es ja eigentlich an, daß man dem Kinde allerlei Kenntnisse übermittelt, sondern daß man ihm die Vorbereitung gibt zu einer richtigen Weltempfindung. 

En het komt er toch eigenlijk niet op aan dat je het kind allerlei kennis overdraagt, maar dat je het de voorbereiding geeft tot een juist wereldgevoel.
GA 3o3/192
Vertaald/217

Voordracht 11, Dornach 2 januari 1922

Blz. 204   vert. 230

Wenn wir das Kind mit einer wirklichen Menschenerkenntnis beobachten, dann zeigt sich, daß von dem Zeitpunkte, der zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre bis gegen das zehnte Lebensjahr hin liegt, das Kind alles das, was es seelisch verarbeitet, so verarbeitet, daß vorzugsweise das Muskelsystem in seinen Wachstumskräften überall mitarbeitet. Es geht in dieser Zeit im Kinde eben nichts anderes vor, als daß mit dem Seelischen das Muskelsystem mitarbeitet, und zwar in seinen intimeren Wachstumskräften mitarbeitet. Das innere Schwellen, Längerwerden der Muskeln, ist im wesentlichen davon abhängig, wie die Seelenkräfte sich entwickeln. Und das Eigentümliche im kindlichen Alter zwischen dem zehnten und zwölften Jahre ist dieses, daß die Muskeln ein intimes Verhältnis zum Atmungs– und Zirkulationssystem haben; sie neigen zum Atmungs– und Zirkulationssystem hinüber. Und an das appellieren wir ja gerade in einer wirklich kunstgemäßen Erziehung. Also wir greifen auf dem Umwege durch das Atmungs– und Zirkulationssystem in das Muskelsystem ein. 

Als we het kind met een echt menskundig inzicht waarnemen, dan blijkt dat vanaf het tijdstip dat tussen het negende en tiende levensjaar tot tegen het tiende levensjaar ligt, het kind alles wat het psychisch verwerkt, zo verwerkt dat bij voorkeur het spiersysteem in zijn groeikrachten overal meewerkt. In deze periode gebeurt er in het kind gewoon niets anders dan dat met het psychische het spiersysteem meewerkt, en wel in zijn intiemere groeikrachten meewerkt. Het innerlijke opzwellen, langer worden van de spieren is in wezen afhankelijk van hoe de psychische krachten zich ontwikkelen. En het eigenaardige in de kinderlijke leeftijd tussen het tiende en twaalfde jaar is dat de spieren een intieme verhouding tot het ademhalings- en circulatiesysteem hebben; ze neigen naar het ademhalings- en circulatiesysteem. En daar appelleren we nu juist aan in een echt kunstzinnige opvoeding. Dus we grijpen via de omweg van het ademhalings- en circulatiesysteem in het spiersysteem in.
GA 303/204
Vertaald/230

Voordracht 12, Dornach 3 januari 1922

Blz. 224  vert. 253

Aber wenn der erwähnte Wendepunkt im Leben zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre da ist, da ist es einfach durch das eigene Leben des Menschen gefordert, daß etwas von nicht pedantischen grammatischen Erkenntnissen an das Kind herangebracht werde, um der richtigen Entwicklung des Kindes willen, denn es muß das Kind in diesem Lebensalter den Übergang finden zu der Ich-Entfaltung. Es muß bewußter alles treiben lernen als früher. 

Maar wanneer het genoemde keerpunt in het leven tussen het negende en tiende jaar aanbreekt, dan vereist het eigen leven van de mens dat het kind iets van niet pedante grammaticale inzichten bijgebracht worden, ter wille van de juiste ontwikkeling van het kind, want het kind moet op deze leeftijd de overgang vinden tot de Ik-ontplooiing. Het moet alles bewuster leren doen dan vroeger.
GA 303/224
Vertaald/253

.

3195-3007

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Leo Klein stelde mij een groot aantal aantekeningen ter hand die hij maakte tijdens zijn vrijeschoolleraarschap. <1>   <2>

Ik geef ze op deze blog door, zodat ook anderen er wat aan kunnen hebben.
.

DE MAANDEN VAN HET Jaar 

.

.

Overzicht alle aantekeningen van Leo Klein
(nog niet oproepbaar)

.

Vrijeschool in beeld: Leo Klein  [1]  [2]

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3194-3006

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar……(5)

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3-4]*

.

DE WERELD IS WAAR…..

Voor de verschillende leeftijdsfasen: 0 -7; 7 – 14 en 14 – 21, gaf Steiner een soort ‘overkoepelend motief’ aan:

In de 1e fase zou door opvoeding en onderwijs heen moeten klinken dat ‘de wereld goed is;
voor de 2e, dat ‘de wereld mooi is’,
voor de 3e, dat ‘de wereld waar is’.

We worden ‘als wereld’ al geruime tijd geconfronteerd met het feit dat het allemaal niet zo ‘goed, mooi en waar’ is.

En dat ervaren onze kinderen ook en naarmate ze ouder worden steeds meer.

En hoe kan je de puber, de adolescent, de jong volwassene als opvoeder laten ervaren dat er – juist op de gebieden waar het niet goed gaat – ook idealen kunnen zijn om het beter te maken.

Idealen koesteren is niet genoeg

N.a.v. een publicatie van Jesse Mulder Antroposofie doen?heb ik Steiners opmerkingen over het ‘imponderabele’ weergegeven.
Overduidelijk blijkt daaruit dat het niet om de woorden gaat, maar om de stemming, beleving die daaraan ten grondslag liggen. 

Dat is niet iets exclusiefs van Steiner: we weten allemaal dat het niet aankomt op woorden, maar op daden.
Ofwel: hoe worden idealen ‘wil’.

En hoe komen we aan idealen?
Door ideeën te bestuderen die je inzicht kunnen geven in een andere aanpak, van b.v. de grote problemen in de landbouw.

Opgegroeid in agrarisch gebied heb ik als jong mens gezien hoe de kleinschaligheid verdween ten gunste van almaar groter, intensiever.
Kunstmest, gif: aanvankelijk beleefden we dat als vooruitgang, maar nu weten we dat het een ernstig averechtse werking heeft: wat het ‘leven’ betreft: de biodiversiteit lijdt zwaar: steeds minder soorten overleven.

Wanneer ik de gezichtspunten lees die John Hogervorst hier over ‘eigendom van grond’ toelicht, 

Als alle dingen de juiste prijs hebben, komt niemand tekort. Waarom is dat nu nog niet zo? Dat komt door prijsvervuiling en prijsvervalsing. Die komen voort uit de manier waarop wij met eigendom omgaan. Grond en kapitaal zijn zaken die geen eigendom zouden moeten kunnen zijn: ze moeten onverhandelbaar worden gemaakt. In de huidige economie vormt het feit dat ze wél eigendom zijn het vehikel van eigenbelang. Onze omgang met eigendom geeft egoïsme (in de vorm van deelbelangen en groepsbelangen) in de economie ruim baan, met desastreuse gevolgen. Dat dit niet langer kan gebeuren, zou te regelen zijn met andere wetgeving. Dan zorg je ervoor dat een onderneming geen eigendom meer kan zijn: grond en kapitaal kun je niet meer bezitten en verkopen – je kunt alleen het recht krijgen ze tijdelijk te gebruiken. Daarmee wordt het egoïsme in de economie aan banden gelegd.

kan ik daar enthousiast voor worden: stel je voor dat een boer niet meer het kapitaal nodig heeft voor grond – toen ik in Drenthe woonde en de schaalvergroting nog volop doorging, doopte een boer de naam van zijn boerderij om in RABO-hoeve….- dan kunnen er – ten gunste van het leven: dieren, planten en aarde – veel gezondere dingen gebeuren.

En met Steiners idee dat er bij een bepaalde hoeveelheid grond een bepaalde hoeveelheid dieren hoort die – zonder dat er mest overblijft – die grond kunnen bemesten, zou als boeren in staat gesteld zouden worden met zo’n bedrijfsvoering te kunnen werken, het mestoverschot niet bestaan.
(Exacter daarover inVruchtbare aarde, voordracht 2)’.

En om de daad bij het ideaal te voegen: via de stichting Grondbeheer kan dat.

Stel je voor dat de 8000 leden van Facebook vrijeschool en de 1800 van Facebook groep Antroposofie, jaarlijks gemiddeld 10 euro zouden geven, dan kan er jaarlijks door deze groepen alleen al, voor ca 100.000 euro aan grond worden aangekocht.

Je kan donateur worden, maar ook een eenmalige bijdrage leveren.

Op weg naarde hoogste kwaliteit, voor de eerlijkste prijs

Was ik bovenbouwleraar: ik zou er mijn leerlingen graag over vertellen!

.
Meer nog overvrije grond

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5]* alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld:  alle artikelen

.

3193-3005

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….(4)

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3-3]*

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

Je kan – dat overkwam mij bij het lezen van zo’n artikel – van binnen warm worden, je dankbaar voelen ‘dat er zulke mensen zijn’.

Iets positiefs ervaren: als we dat onze leerlingen eens konden meegeven.

.

 N.a.v. artikel in Motief nr. 214 juli-aug. 2017

.

op grond van de toekomst
.

Manfred van Doorn baseert zich bij zijn leiderschapstrainingen op de ‘Reis van de held‘.
In zijn analyses onderscheidt hij twaalf fases. Onder de titel DNA van duurzaamheid heeft hij onlangs het huidige tijdsgewricht van de mensheid in deze twaalf fases geanalyseerd.
De eerste fase – de proloog – begint bij het industriële tijdperk. Inmiddels zijn we in de negende fase – de dolk – aangekomen.

De dolk gaat over de ontdekking van het kwaad. In het geval van de mensheid is dat het verlies van biodiversiteit, smelten van permafrost, geen vertrouwen meer in media en overheid, destabilisatie door grote vluchtelingenstromen en de opkomst van extremisme. Als reactie daarop verkeert de mensheid in wanhoop en wil de weg terug naar het licht zien te vinden. Maar welke kant is dat op? Gaan we terug naar het nationalisme en komt er een nieuwe grote oorlog? Of krijgt de transitie naar duurzaamheid definitief vorm?

Timebinders

Welke kant we opgaan, hebben we volgens Manfred zelf in de hand: “Daarin zijn we vrij. Maar als we de weg van duurzaamheid willen inslaan, is het onze opdracht om zes kloven te overbruggen. Het mooie is dat we daarvoor een laagdrempelig vliegwiel hebben: de landbouw. Het eten van biologische voeding en het vrij maken van landbouwgrond zijn namelijk revolutionaire gebaren richting een duurzame wereld.” De eerste kloof die Manfred ziet, is die tussen het nu en de toekomst: “Door te leven in het nu zeggen we eigenlijk: na mij de zondvloed. We verteren de pot met roofbouw en kortetermijnwinst. Mensen die op zelfverrijking uit zijn, worden echter gekweld door een innerlijke leegte. De kloof tussen het nu en de toekomst kunnen we overbruggen door als timebinders te leven: verbonden met onze voorouders én rekening houdend met onze ongeboren kinderen. De biologische landbouw is daarvan een goed voorbeeld: biologische boeren gaan respectvol om met het levenswerk van hun voorgangers en geven vruchtbare landbouwgrond door aan de generaties na hen.”

Ratrace

De tweede kloof die overbrugd moet worden, is die tussen vrijheid en noodlot. Manfred: “Het is heel Amerikaans om te roepen dat je alles kunt worden, als je maar wilt. Ook ons lichaam wordt gezien als maakbaar en we verbouwen het met borstimplantaten en botox. Dat ervaren we als vrijheid, maar het is nepvrijheid. Mensen die dit als succes en schoonheid zien, laten zich namelijk manipuleren door de industrie. Dit is overigens een gevaarlijke kloof omdat het de solidariteit verder uitholt. Mensen met een zwaarder lot worden weggezet als zwak en mislukt. De kloof tussen vrijheid en noodlot kunnen we overbruggen door verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen lot en empathie te hebben voor het lot van anderen. In de landbouw wordt dit solidariteitsprincipe toegepast op zorgboerderijen. Mensen die uit de ratrace zijn gevallen, kunnen herstellen door mee te werken in het natuurlijke ritme van de seizoenen. Ook wijst de biologische landbouw genetische manipulatie af.”

Aardbeien in de winter

De derde kloof naar een duurzame wereld is die tussen welzijn en lijden. “Met name in de rijke landen besteden wij ons lijden graag uit,” aldus Manfred. “Voor ons eigen voordeel laten we anderen schade oplopen. Met het eten van goedkoop vlees schuiven we ons lijden af op dieren. En door in de winter aardbeien met een vliegtuig te importeren, schuiven we luchtvervuiling door naar de generaties na ons. Deze derde kloof kunnen we overbruggen door parasitair gedrag terug te draaien. In de biologische landbouw wordt daaraan vormgegeven door zorgvuldig om te gaan met dieren en leefomgeving. Dat kost echter veel meer tijd en energie. Met die noeste arbeid schuift een biologische boer zijn eigen lijden niet door, maar neemt het op zich.”

Ecosystemen versterken

Tussen informatie en waarheid zit de vierde kloof, aldus Manfred. “Door internet en social media zijn we verslaafd geraakt aan het eten van informatie. Al deze prikkels leiden ons af waardoor we niet meer toekomen aan wat echt belangrijk is in het leven. Deze kloof kunnen we overbruggen door ons weer te verbinden met de natuur. De biologische landbouw doet aan waarheidsvinding door de samenhang in het ecosysteem te versterken. Op die manier voegt een biologische boer waarden toe aan de aarde, in plaats van ze te onttrekken. En daarmee kom ik naadloos aan bij de vijfde kloof, die tussen materie en geest. Een biologische boer neemt de moeite om te kijken wat een gewas is en wat de grond wil, omdat hij weet dat alles bezield is. Zonder bezieling blijft alleen de materie over en kunnen we gewetenloos de planten, dieren en de bodem tot onze slaven maken.”

Schenken en delen

De laatste kloof is die tussen onszelf en de ander. Manfred: “Ik zag laatst een filmpje van een aboriginal die zei: het grootste verdriet van de westerse wereld is dat jullie voor jezelf zorgen en niet voor de ander. Daarmee vat hij deze zesde kloof mooi samen. Door onszelf centraal te zetten, zijn we gestagneerd in schenken en delen. Dat heeft ons in een isolement gebracht, waardoor we met de ander ook onszelf tekort doen. De biologische boer heeft deze kloof overbrugd door enorm goed voor zijn land te zorgen, en het paradoxale is dat het land daarmee ook enorm goed voor hem zorgt.”

Echo in de eeuwigheid

Willen we een happy end met een transitie naar duurzaamheid? Dan is er werk aan de winkel. “Het overbruggen van de zes kloven vraagt om een immense spirituele ontwikkeling,” aldus Manfred. “Het vrij maken van grond is een spirituele daad waarmee je in één klap een aantal kloven overbrugt. Je zegt daarmee: ik wil dat dit stukje aarde van ons allemaal is en voor de toekomst geschikt blijft. Je bevrijdt niet alleen de grond uit het oude systeem, maar je bevrijdt ook jezelf door het lijden op je te nemen dat jouw voorgangers op de aarde hebben afgewenteld. Het is een homeopathisch gebaar – er is nog amper 2% biologische landbouw in Nederland – maar dit gebaar is een echo in de eeuwigheid. Het industriële tijdperk is ooit klein begonnen dus het is logisch dat de oplossing ook vanuit de kiem begint.” 

De twaalf fases en zes kloven van de DNA van duurzaamheid heeft Manfred van Doorn in samenwerking met Stichting Grondbeheer uitgewerkt in een poster, te bestellen via www.doublehealix.com.

Wat is vrije grond?

Vrije grond is gekocht met schenkgeld en obligaties van burgers. Daardoor is het geen particulier eigendom meer. Bij natuurgebieden vinden we dit al heel gewoon. Het behoud van landbouwgrond is echter minstens zo belangrijk: het is de bron van ons voedsel. Door landbouwgrond vrij te maken, wordt het uit het economische verkeer gehaald. Het mooie van deze aanpak is dat het een langetermijnoplossing biedt voor het behoud van vruchtbare landbouwbodems. De indianen dachten zeven generaties vooruit bij beslissingen. Grondbeheer garandeert bodemvruchtbaarheid voor minstens zeven generaties na ons. Als spin-off van de biodynamische landbouw neemt de biodiversiteit en kwaliteit van onze leefomgeving toe.

Stichting Grondbeheer

De oprichting van Stichting Grondbeheer in 1978 was een initiatief van de Studiegroep Economie van de Antroposofische Vereniging, en is een uitwerking van de sociale driegeleding naar de praktijk. De productiedruk in de landbouw, die ten koste gaat van het milieu, wordt opgelost door landbouwgrond met schenkgeld en leengeld uit het economische verkeer te halen. Inmiddels beheert Stichting Grondbeheer ruim 220 hectare vitale landbouwgrond verspreid over 15 biodynamische bedrijven.

Meer info: www.bdgrondbeheer.nl

.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5]* alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3192-3004

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/4)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

.

Otto Julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES

.

Onbedorven kinderen zijn blij als ze meebeleven hoe in het sprookje ‘Repelsteeltje’ (nr. 55)* de boze machten door een enkel woord, door een speciale naam, hun macht verliezen. Ze verheugen zich terecht, omdat ze de geweldige betekenis aanvoelen die woorden en vooral “namen” in de wereld spelen. Wij volwassenen moeten dit feit echter tot ons volle bewustzijn laten doordringen. Natuurlijk moeten we eerst door ons eigen verkeerde gedrag, de vijandelijke krachten toegang hebben gegeven tot ons lot, zoals beschreven in dit sprookje,  net als in veel andere sprookjes. Maar dan kunnen de juiste woorden, uitspraken of namen hulp bieden, want de juiste eigennaam geeft de drager ervan macht.

In de wereld van de moderne wetenschap en technologie heeft het ‘woord’ geen betekenis. Atomen en moleculen hebben geen ‘eigennaam’, ze verwachten eenvoudigweg dat we hun wetten onderzoeken en ze dienovereenkomstig laten werken in onze industriële installaties. In de menselijke wereld is het ‘woord’ echter bijna almachtig. Denk maar eens aan de enorme betekenis van de woorden van de Evangeliën in positieve zin of de woorden van Karl Marx en Lenin in negatieve zin! De menselijke geschiedenis wordt in wezen gevormd door woorden (en de gedachten die er achter liggen).

Weg van mensen hebben woorden bv. B. nog steeds belangrijk bij honden, waaraan men eigennamen geeft en waarvan men de verstrengeling met woorden kan beheersen.
Naast de mens hebben woorden ook bij honden betekenis, we geven ze eigennamen en hun gedrag is door woorden te beïnvloeden.

In strikte zin heeft echter alleen de mens, voor zover hij een persoonlijkheid is, een eigennaam, waarachter de naam van alle namen “Ik” staat.

Namen en woorden zijn sterke krachten binnen de menselijke samenleving. Daarnaast is het woord of de naam echter ook van belang voor het veiligstellen van ons geestelijke bestaan ​​in relatie tot de natuur en het universum. Kinderen vragen dringend om woorden en namen omdat ze ervaren dat alleen op deze manier de mysterieuze en dwingende kracht van de dingen te beheersen is en van het geheimzinnige kan worden ontdaan. Niets is voor een volwassene meer verontrustend dan wanneer de naam van een ding of een persoon onbekend of vergeten is. Je voelt je eraan uitgeleverd.

Maar de juiste woorden en namen worden nog belangrijker voor onszelf en voor de krachten van ons eigen zielenleven. Zolang je bv. alleen maar woede, hebzucht, leedvermaak, etc. ‘hebt’, ben je daaraan overgeleverd. Maar als je die als realiteit kunt zien, misschien met de hulp van een medemens, als je het een naam durft te geven, het aan jezelf durft toe te geven, dan is de kracht ervan op de een of andere manier gebroken. Daarom zeggen wij tegen kinderen: “Kijk eens hoe je je hebt gedragen naar je vriendjes toe.” Door het juiste woord te gebruiken, help je het kind dus aan zelfbeheersing en daarmee aan vrijheid. – Wat dit betreft moeten de volwassenen dit sprookje en vele andere in hun bewustzijn meedragen.

Sommige sprookjes lijken aanvankelijk slechts humoristische producten van de menselijke verbeelding en zijn in die zin ook heerlijk voor kinderen. Bijvoorbeeld: Gelukkige Hans (nr. 83). Maar misschien schuilt er ook een verborgen stukje mysteriewijsheid achter.
Als het begint heeft een mens (“Hans”) een groot bezit (een “goudklompje”) verworven door te werken in het aardse materiële rijk. Maar aardse bezittingen zijn ook een last en zo laat het sprookje ons zien hoe Hans zich geleidelijk van deze last verlost (paard, koe, varken, gans, wetsteen) en uiteindelijk, bevrijd van alle aardse gehechtheden, gelukkig terugkeert naar het thuisland dat hem al te wachten staat: een symbool van het aardse pad van leven, dat bij het sterven leidt van ‘vervreemding’ naar het ware ‘thuis’. Kinderen zullen dit ook vermoeden, ook al kunnen ze het niet formuleren.

Sprookjes prediken geen moraliteit en doen niet in de eerste plaats een beroep op de rede. Ze spreken in beelden en hebben een nadrukkelijke werking op de ziel. B.v. “Koning Lijsterbaard” (nr. 52) Trots, arrogantie, spot en liefdeloosheid leiden vroeg of laat tot een lot dat een karmische compensatie voor misstappen teweegbrengt en in dit opzicht een transformatie van het menselijk karakter, dus  een ‘genezing’ van de “zonde-gerelateerde ziekte.”
Meer dan veel woorden of zelfs bestraffende preken, kan dit sprookje, als het hardop wordt verteld of voorgelezen, een levenslange indruk maken op de zielen van kinderen.

Maar veel andere sprookjes (bijvoorbeeld “Het water des levens”, nr. 97) beschrijven ons hoe de welwillende, behulpzame, vriendelijke persoon advies en steun krijgt van de hele natuur en hoe hij overal in zijn leven duidelijke paden voor zich ziet die hem uiteindelijk naar het ware doel van spiritueel ontwaken en naar vereniging met zijn hogere zelf of met de vrouwelijke kant van zijn wezen leidt, dat wil zeggen dat de ‘prins’ zijn ‘prinses’ vindt.

Natuurlijk zijn het niet de fysieke dieren die de zoölogen kennen (bijvoorbeeld mieren, kikkers, vogels, bijen, vossen, enz.) die naar de zoekende mens komen en hem helpen, maar uiteraard de krachten achter hen van een spirituele wereld, dat wil zeggen dat wat vroeger elementaire wezens van aarde, water en lucht werden genoemd en wier werkelijkheid ook voor ons vandaag de dag zeker zou moeten vaststaan.

De persoon die in harmonie met de wereldorde leeft, vindt een vrije weg, terwijl de persoon die onmenselijk en slecht in de breedste zin van het woord is, tegen onoverkomelijke obstakels aanloopt en uiteindelijk (een prachtige waarheid) wordt ingesloten door torenhoge rotsen, zodat hij zich niet meer kan bewegen, niet vooruit, maar ook niet zijwaarts of achterwaart. Natuurlijk zijn het geen letterlijke rotsen, maar de ‘rotsen’ of ‘bergen’ waar de Evangeliën over spreken en die ons, door onze eigen schuld, ook in onszelf hinderen (‘Het levenswater, nr. 97). en  (“De Gouden Gans, nr. 64).

Ook uiterlijk ongeluk en tegenslagen, waarvan we nu vooral onze medemensen of de zogenaamde ‘sociale omstandigheden’ beschuldigen, komen uiteindelijk voort uit een ‘zelf-tekort’, door zelfzuchtige passie, dat uiteindelijk kan leiden tot lichamelijke ziekte en gebrek.
De sprookjes van Grimm staan ​​vol met dit soort verhalen die je tegelijkertijd laten lachen en huilen.
We zouden nooit anderen, maar alleen onszelf, moeten beschuldigen van ons gedrag. We staan ​​op onze eigen manier ons zelf ‘in de weg’ en ‘in het licht’.

.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3191-3003

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-9/3)

.

Een reactie op het artikel van Loek Dullaart.

.

John Hogervorst, Motief 238 december 2019
.

Hoe ontkoppel je arbeid echt van inkomen?
.

Het idee van het basisinkomen jaagt veel mensen het hoofd op hol, zozeer dat zij werkelijk lijken te menen dat ‘gratis geld voor iedereen’ maatschappelijk gezien een stap in de goede richting is. Toch, zou je denken, hoef je geen economische of andere specifieke deskundigheid te bezitten om te weten: gratis geld bestaat niet, vroeg of laat wordt het ‘in rekening gebracht’.

In zijn artikel Basisinkomen: een goede start (Motief 236 van oktober) verwijst Loek Dullaart meerdere malen naar een artikel over het basisinkomen dat ik voor Antroposofie Magazine (juni 2019) schreef. Ik reageer daar graag op en geef er maar meteen bij aan: dat doe ik op basis van wat ik heb kunnen begrijpen van de sociale driegeleding, en in het bijzonder van Rudolf Steiners economische inzichten. Steil in de leer als ik ben, baseer ik mij ook liever op Rudolf Steiner ‘als econoom’ dan op de ‘goede en degelijke economen’, zij blijven verder zonder naam, op wie Loek Dullaart zijn vertrouwen richt.

Steiners economie begrijpen is geen makkelijke aangelegenheid. Maar zijn in meerdere varianten uitgesproken stelling dat de economische wetenschap ver achterloopt bij de werkelijkheid van de economie, kunnen we allemaal begrijpen. Al is het maar door te kijken naar wat de moderne economie (ook) teweegbrengt: een perverse verdeling van welvaart; uitbuiting van miljoenen arbeiders en de dreigende onleefbaarheid van de aarde. Voor wat betreft de hoofdstroom van de economische wetenschap mogen we concluderen: déze stelling van Steiner is helaas nog niet achterhaald.

Wie de wereldwijde situatie werkelijk in zijn bewustzijn op kan nemen, zou tot de gedachte kunnen komen dat we ons denken en ons willen misschien op andere zaken dan het basisinkomen zouden kunnen richten. Niet alleen omdat in de sociale driegeleding en Steiners economische inzichten de aanknopingspunten liggen om tot echte oplossingen te komen. Ook omdat datgene waar het, naar ik meen, de voorstanders van het basisinkomen om te doen is, haast als vanzelfsprekend bewerkstelligd zou worden als we ernst zouden maken met dit deel van Steiners impuls.

Over de ontkoppeling van arbeid en inkomen die Rudolf Steiner bepleitte, bestaan veel misverstanden. Loek Dullaart stelt dat invoering van het basisinkomen in die ontkoppeling een eerste stap is, die ook nog eens in lijn zou zijn met de zogenaamde ‘sociale hoofdwet’, die Rudolf Steiner in 1905 formuleerde. Ik denk niet dat Rudolf Steiner het daarmee eens zou zijn. Bijvoorbeeld niet, omdat de sociale hoofdwet over een geheel van samenwerkende mensen handelt en Steiner in de artikelen waarin hij die wet introduceerde, eenduidig aangeeft dat het voor zo’n geheel van samenwerkende mensen noodzakelijk is dat zij verenigd zijn in een gezamenlijke spirituele missie. Waar wij mogelijk in kleine kringen al hebben gemerkt hoe moeilijk het is om een gezamenlijke spirituele missie ‘te leven’, laat zich de vraag stellen hoe dat dan in het geheel van de samenleving moet, en wat dan die gezamenlijke spirituele missie zou zijn.

De sociale hoofdwet gaat over het handelen en leven vanuit altruïsme (liefde, zo men wil). Een regeling, zoals de invoering van het basisinkomen, brengt deze wenselijke werkelijkheid niet dichterbij.

Vanaf 1919 – in de zogenaamde ‘driegeledingstijd’ – was ‘de ontkoppeling van arbeid en inkomen’ een thema waarop Rudolf Steiner herhaaldelijk terugkwam, zonder dat hij daarbij de sociale hoofdwet betrok (want die gaat in essentie over iets anders). Het werken in loondienst is in Steiners ogen een restant van wat wij kennen als slavernij. ‘Arbeid is geen koopwaar’, stelt Steiner, en waar sprake is van een loondienstverband is dat toch het geval. Veel mensen moeten dat kunnen of hebben ervaren: de huidige omstandigheden dwingen hen hun capaciteiten op de ‘arbeidsmarkt’ aan te bieden, waar hun arbeid speelbal is van de wetten van vraag en aanbod. Eenmaal aan het werk zijnde, zijn er vele situaties waarin de loondienstwerker kan ervaren hoe hij, in het groot en in het klein, gedwongen is zijn arbeid te ‘verkopen’ – en daarmee een stukje van zichzelf Dat moet anders, betoogde Steiner – steil in de leer als hij was – en terecht.

En hoezeer het wellicht maatschappelijk gezien moeilijk is om de ontkoppeling van arbeid en inkomen te realiseren, deze ontkoppeling te begrijpen is eigenlijk niet zo heel moeilijk: niet de arbeid zelf (en daarmee een deel van de werkende mens) maar het resultaat van arbeid kan betaald (verhandeld) worden. Dat betekent dat inkomen – als tegenprestatie voor het resultaat van de arbeid van de werkende mens – in de sfeer van het rechtsleven, waar ieder mens een gelijkwaardige stem heeft – verdeeld moet worden in verhouding tot het aandeel in het gezamenlijke geheel van ieders individuele prestatie (overigens staat het deze samenwerkenden dan vrij om bij de verdeling van inkomen nog andere criteria aan te leggen).

Je kunt je dat bijvoorbeeld voorstellen in een context waarin nationale wetgeving bestaat over een toegestane bandbreedte van inkomensverschillen, waarbij op de concrete plekken waar mensen samenwerken op basis van gelijkwaardigheid en gemeenschappelijk inzicht wordt bepaald hoe het voor inkomen beschikbare bedrag verdeeld wordt. Het feit dat iedere betrokkene daarin in gelijkwaardigheid meespreekt en besluit, maakt een einde aan ‘het verkopen van arbeid’ en betekent de ontkoppeling van arbeid en inkomen zoals Rudolf Steiner bedoelde. Wie het basisinkomen propageert, mag dat rustig doen – maar doet dat met ondeugdelijke middelen wanneer hij zich daarbij beroept op de sociale hoofdwet of Steiners idee over de loskoppeling van arbeid en inkomen.

Het idee van het basisinkomen gaat, ook in het betoog van Loek Dullaart, vaak gepaard met het beeld dat de individuele mens ‘vrij’ moet zijn om dat te kunnen doen wat hem/haar bevalt of wat hij/zij op basis van een persoonlijke afweging nodig vindt. Dat klinkt heel aantrekkelijk, maar is weinig sociaal.

Wie wil en kan werken moet zich laten leiden door wat nodig is – en dat wat nodig is wordt aangegeven door de behoeften van de anderen. Die hebben behoefte aan welvaart (daarmee bedoel ik hier: de producten die in de economie worden gemaakt) of welzijn (hier opgevat als al het andere dan welvaart waaraan de mens, als lid van de samenleving, óók behoefte heeft, zoals: een stelsel van wetten en regels dat ook bewaakt wordt, veiligheid, de vruchten van gezondheidszorg, onderwijs, kunst, wetenschap, religie enzovoort).

Het sociale bestaat hierin: dat je je capaciteiten inzet om aan de vervulling van de behoeften van anderen te werken. Wie slechts zijn eigen behoeften ‘leeft’… zou hij/zij van de samenleving mogen verwachten dat deze hem/haar daartoe in staat stelt door middel van een basisinkomen? Wat is daar sociaal aan?’

Op dit punt moeten we de vraag stellen wat ‘arbeid’ eigenlijk is. Wanneer ik het kort door de bocht formuleer, zou ik zeggen: arbeid is een manier om – in heel ernstige zin – betekenis te geven aan mijn bestaan. Arbeid is namelijk iets dat ik niet voor mijzelf, niet voor mijn eigen kringetje, maar voor ‘de ander’ doe. Het is ‘de ander’ die consumeert wat ik in de economie maak; het is ‘de ander’ aan wiens welzijn ik bijdraag wanneer ik in de zorg, het onderwijs of elders buiten de economie werkzaam ben. -Dat de ander werkelijk behoefte heeft aan het resultaat van mijn inspanning, blijkt uit het feit dat hij een tegenprestatie levert voor wat ik deed: in de vorm van (een deel van mijn) inkomen.

In één ding geef ik Loek Dullaart gelijk: ik ben geen voorstander van de invoering van het basisinkomen. Enthousiasme, goede wil of naïviteit maken van een slecht idee nog geen beter idee. En inderdaad, in mijn ogen is het basisinkomen, indien verwerkelijkt, niets anders dan ‘dweilen met de kraan open’.

Die kraan blijft openstaan zolang we niet tot de kern van de problemen van deze tijd doordringen en bijvoorbeeld zien hoe de manier waarop we met het eigendom van grond en kapitaal en bedrijven omgaan direct en desastreus inwerkt op de drie hierboven genoemde grote wereldwijde problemen. Langs die weg kan een einde worden gemaakt aan de volstrekt scheve verdeling van bedrijfsresultaten tussen ‘kapitaal’ (eigenaren/aandeelhouders) en ‘arbeid’ (de werkers); aan de dolgedraaide zucht naar winstmaximalisatie (en daarmee aan het vernietigen van de aarde) en aan de gesel die de speculatieve financiële praktijken vandaag de dag feitelijk zijn.

En doordat voor de werkenden (vrij fors) meer inkomen beschikbaar is, zijn daarmee zaken als verkorting van arbeidstijd én versterking van sectoren als de zorg en het onderwijs direct mogelijk. Dit laatste zou de voorstanders van het basisinkomen kunnen aanspreken. De weg daarnaartoe is echter een andere dan zij menen. 

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3190-3002

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolonderwijs doen? (1-16)

.

HET IMPONDERABELE
.

Vlinder en ziel                                    

In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen? 

In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.

Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:

‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’

In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.

Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.

Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’

Maar daar zou ik nog aan toe willen voegen: HOE – met welke intentie – wordt het gedaan.

GA 310

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik

Voordracht 3, Arnhem 19 juli 1924

Die Differenzierungen in den menschlichen Lebensaltern
Fragenbeantwortung

Differentiëring in de leeftijdsfasen van de mens

Blz. 54  vert.  56

Und wiederum aufrichtig, innerlich aufrichtig muß man in dieser bildhaften Arbeit neben dem Kinde sein. Dazu aber gehört, daß man von allem, was man tut, tief innerlich durchdrungen ist. Das ist man nicht, wenn man nur ein klein wenig neben dem Kinde steht, sofort mit dem Gefühl da ist: Du bist ja riesig gescheit – das Kind ist riesig dumm. — Das verdirbt alle Erziehung, verdirbt auch beim Kinde das Autoritätsgefühl. Was soll ich denn in das Bild verwandeln, das ich da an das Kind heranbringen will? Ich habe dazu folgendes Beispiel zur Versinnlichung gewählt.
Man kann dem Kinde nicht wie dem erwachsenen Menschen von der Unsterblichkeit der Seele sprechen; aber man muß die Unsterblichkeit der Seele an das Kind herantragen, nur muß sie zum Bilde werden, und man muß – es kann eine Stunde dauern – das folgende Bild ausgestalten. Man kann dem Kinde klarmachen, was eine Schmetterlingspuppe ist und ihm sagen: Da fliegt später der fertige Schmetterling aus; die Puppe enthielt schon den Schmetterling, er war nur noch nicht sichtbar, er war noch nicht so weit, daß er ausfliegen konnte, aber er war schon darinnen. – Nun kann man weitergehen und sagen: In ähnlicher Weise enthält der menschliche Körper schon die Seele, nur ist sie nicht sichtbar; im Tode aber fliegt die Seele aus dem Körper aus; der
Unterschied zwischen Mensch und Schmetterling ist nur der, daß der Schmetterling sichtbar ist, die menschliche Seele nicht. – In dieserWeise kann man dem Kinde von der Unsterblichkeit der Seele sprechen, so daß es, seinem Lebensalter angemessen, durchaus eine richtige Vorstellung von der Unsterblichkeit bekommt. Nur darf man dann aber nicht so neben dem Kinde stehen, daß man sich sagt: Ich bin gescheit, bin Philosoph und beweise mir die Unsterblichkeit aus dem Denken heraus; das Kind ist naiv, ist dumm, und ich forme mir eben das Bild von dem herauskriechenden Schmetterling. – Wenn man so denkt, geht

En ook hier moet je bij dit werken in het beeldende eerlijk, waarlijk eerlijk bij het kind staan. Daartoe hoor je innerlijk diep doordrongen te zijn van alles wat je doet. Dat ben je niet als je maar een klein beetje bij het kind staat en meteen het gevoel hebt: ik ben geweldig slim, het kind is geweldig dom. – Dat bederft elke opvoeding. Het bederft ook het autoriteitsgevoel bij het kind. Wat moet ik dan omvormen tot een beeld dat ik het kind wil aanreiken? Ik heb om dit te verduidelijken het volgende voorbeeld gekozen.

Je kunt met een kind niet zoals met een volwassene over de onsterfelijkheid van de ziel spreken. Maar je moet het wel over de onsterfelijkheid van de ziel hebben, alleen moet dat tot beeld worden. En je kunt – dat kan wel een uur duren – het volgende beeld schetsen. Je kunt het kind duidelijk maken wat de pop van een vlinder is en je kunt hem vertellen: daar vliegt later de kant en klare vlinder uit; de pop bevatte al de vlinder, alleen was hij nog niet zichtbaar; hij was nog niet zo ver dat hij uit kon vliegen, maar hij zat er al in. – Nu kun je verdergaan en zeggen: op ongeveer dezelfde manier bevat het menselijk lichaam al de ziel, alleen is die niet zichtbaar; maar bij de dood vliegt de ziel uit het lichaam. Het verschil tussen mens en vlinder is alleen dat de vlinder zichtbaar is en de menselijke ziel niet.

Op deze manier kun je het kind over de onsterfelijkheid van de ziel vertellen; zo krijgt het een bij zijn leeftijd passende, volkomen juiste voorstelling van de onsterfelijkheid. Alleen mag je niet zo bij het kind staan dat je zegt: ik ben slim, ik ben filosoof en ik bewijs de onsterfelijkheid vanuit het denken; het kind is naïef en dom, en ik maak voor mezelf het beeld van de uitkomende vlinder. -Als je zo denkt, ga

Blz. 55   vert. 57

man am Kinde vorüber; dann hat das Kind nichts davon. Da gibt es nur eine Möglichkeit: Man muß selbst an das Bild glauben, man muß nicht gescheiter sein wollen als das Kind; man muß genau so gläubig neben dem Kinde stehen. Wie kann man das? – Wer Anthroposoph, Geisteswissenschafter ist, der weiß: das Auskriechen des Schmetterlings aus der Puppe ist selbst ein von den Göttern der Welt hingestelltes Bild für die Unsterblichkeit der Menschenseele. Er denkt nie anders, als daß die Götter hineingezeichnet haben in die Welt dieses Bild des auskriechenden Schmetterlings für die Unsterblichkeit der Menschenseele; er hat eine Naturanschauung, die geistig ist, und kann dem Kinde klarmachen, daß es so ist. Er sieht in allen niederen Stufen des Vorganges die abstrakt gewordenen höheren Vorgänge. Wenn ich nicht die
Vorstellung habe, daß das Kind dumm ist und ich gescheit bin, sondern
wenn ich vor dem Kinde mit dem Bewußtsein stehe, daß das so ist in der Welt und das Kind an etwas heranführe, woran ich selbst am allerintensivsten glaube, dann gibt es ein imponderables Verhältnis und das Kind kommt wirklich in der Erziehung vorwärts. Da laufen in das Erziehungsverhältnis fortwährend moralische Imponderabilien ein. Und darauf kommt es an.

je aan het kind voorbij; dan heeft het kind er niets aan. Er is maar één mogelijkheid: je moet zelf in dat beeld geloven, je moet niet slimmer willen zijn dan het kind; je moet precies zo gelovig bij het kind staan. Hoe kun je dat?
Wie antroposoof, geesteswetenschapper is, die weet dat het uitkomen van de vlinder uit de pop een door de goden zelf in de wereld geplaatst beeld is voor de onsterfelijkheid van de mensenziel. Hij denkt nooit anders dan dat de goden dit beeld van de uitkomende vlinder in de wereld hebben ingetekend als beeld voor de onsterfelijkheid van de mensenziel; hij heeft een manier om naar de natuur te kijken die geestelijk is en hij kan het kind duidelijk maken dat het zo in elkaar steekt. In alle lagere trappen van het proces ziet hij abstract geworden hogere processen. Als ik niet de voorstelling heb dat het kind dom is en ikzelf slim ben, maar als ik voor het kind sta met het bewustzijn dat het zo is en het kind iets bijbreng waaraan ik zelf het sterkst geloof hecht, dan bestaat er een niet waar te nemen verhouding, een imponderabele verhouding. En het kind gaat in de opvoeding echt vooruit. In het pedagogisch proces komen voortdurend morele imponderabilia, onweegbare zaken binnen. En daar gaat het om.
GA 310/54-55
Vertaald/Menskunde, pedagogie en kultuur/56-58

Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit

Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3189-3001

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-9/2)

.
Loek Dullaart, Motief 236, okt. 2019

.

Basisinkomen: een goede start

.

Een basis om verder op te bouwen

Invoering van een basisinkomen voor alle Nederlanders biedt veel voordelen. Dit artikel wil een andere kant ervan belichten dan het artikel van John Hogervorst in Antroposofie Magazine nummer 14 van juni 2019. Gelukkig dat er eindelijk eens een keer iets in Nederland verschijnt over het basisinkomen. In weekblad Das Goetheanum in Zwitserland stonden er regelmatig (meestal lovende) artikelen over. Jammer dat het artikel van John Hogervorst geen lans breekt voor dit geweldige concept.

Uit het artikel wordt niet helemaal duidelijk of John Hogervorst nou écht tegen de invoering van het basisinkomen is. Hij lijkt dat laatste te suggereren, hoewel hij het niet uitdrukkelijk zegt. Hij lijkt het idee af te wijzen omdat het niet ver genoeg gaat. Volgens hem leidt de invoering ervan niet tot een betere herverdeling van het geld of tot afschaffing van de winstmaximalisatie en dan ziet hij er geen heil in. Zijn initiatief Sleipnir, om met een klein aantal bedrijfjes dat alvast wel te gaan doen, zou voor die vérstrekkende, wereldwijde veranderingen meer zoden aan de dijk zetten.

Het basisinkomen afwijzen?

Moet je het basisinkomen dan dus afwijzen omdat het de oorzaak van de toenemende ongelijkheid in welvaart onaangetast laat? John Hogervorst lijkt dat te zeggen: dweilen met de kraan open, noemt hij het. Ik moest door zijn artikel onwillekeurig denken aan de stemming over het basisinkomen destijds in Amerika onder president Nixon. Nixon – jawel hij, nauwelijks te geloven, maar wel echt waar – wilde een basisinkomen invoeren voor alle Amerikanen. Hij bracht een voorstel daartoe in stemming in het Congres. De democratische partij stemde tegen het voorstel omdat ze het plan niet ver genoeg vonden gaan. Het afgewezen plan kwam vervolgens in een la terecht om er nog eens verder aan te sleutelen, maar daar kwam het vervolgens nooit meer uit… Je kunt dus door steil in de leer te zijn veel goede en belangrijke voorstellen torpederen. Zijn er dan alleen maar negatieve kanten aan het basisinkomen, zoals John Hogervorst lijkt te zeggen? Welnee, er zijn vooral ook grote voordelen! Allereerst vindt er via het basisinkomen (‘gratis geld voor iedereen’) een eerste begin plaats van de ontkoppeling tussen arbeid en inkomen, zoals Rudolf Steiner die bepleit in zijn sociale hoofdwet. Inkomen is niet langer een beloning na gedane arbeid, maar een onvervreemdbaar recht van ieder mens vanaf zijn geboorte. Met dat geld kan hij datgene realiseren wat hij belangrijk vindt om voor de wereld te doen. Dat is niet alleen een ideëel voordeel, veel mensen hebben ook direct baat bij zo’n nieuwe constructie.

Neem bijvoorbeeld de alleenstaande moeders, die zich nu in allerlei bochten moeten wringen om het noodzakelijke gezinsinkomen te verdienen en daarnaast moeten zien om ook nog een beetje tijd en energie te vinden om hun kinderen op te kunnen voeden: zij krijgen voor die opvoeding van hun kinderen dankzij het basisinkomen alle ruimte en mogelijkheden.

Of mensen die uit ideële motieven allerlei heel nuttig vrijwilligerswerk doen met behoud van uitkering, maar elke week die vernederende gang moeten maken naar het arbeidsbureau om aan hun sollicitatieplicht te moeten voldoen. Die kunnen voortaan ongestraft het werk doen wat zij voor de maatschappij belangrijk achten. Of priesters of kunstenaars, die niet meer bij hoeven klussen of lessen hoeven te geven om hun inspirerende werk te kunnen blijven doen.

Meer lucht en meer licht

Een basisinkomen geeft enorm veel vrijheid. De vrijheid om niet gedwongen te worden een baan te nemen die je niet zelf kiest, maar die je noodgedwongen doet, alleen maar voor het geld, een baan die je nooit zou kiezen als je die vrijheid van keuze wel had. Die hele houding van tegenzin en dwang zou komen te vervallen. Spiritueel gezien geeft dat helderheid: meer lucht en meer licht.

Dat het basisinkomen niet alles direct oplost, is natuurlijk duidelijk, daarin geef ik John Hogervorst volkomen gelijk. Het is ook pas een eerste stap. Maar het is wel een belangrijke stap voorwaarts in een richting die de driegeleding en de antroposofie nastreven in de ontkoppeling van arbeid en inkomen, vrijheid van keuze voor werk en levensinvulling, hoe mensen dit ook doen en zelf invullen. Uit experimenten blijkt tot nu toe dat verreweg de meeste mensen meestal heel verstandige beslissingen nemen met het geld dat ze op deze wijze van de gemeenschap ontvangen. Er zullen ook altijd een paar uitzonderingen op die regel zijn, maar dat hoort nu eenmaal bij de vrijheid.

En wat te denken van een maatschappij waar alle wildgroei van AOW, AWW, WW, bijstand, kinderbijslag, huuraftrek, loonkosten, arbeidsbureaus, controlesystemen, opsporingsambtenaren kunnen gaan verdwijnen? Dat alles kan worden opgeheven, omdat er één helder en duidelijk inkomenssysteem gaat komen voor iedereen. Wat een grote schoonmaak en wat een mogelijkheden gaan hierdoor ontstaan… Dit is trouwens al een deel van de financiering van een basisinkomen: alle bestaande uitkeringsgelden komen in één basisinkomenspot.

Een ander deel komt vanuit de bedrijven die het ‘eerste deel’ van hun werknemerssalarissen afdragen aan het uitkeringsorgaan-basisinkomen. Vanzelfsprekend staat het hen vrij hun werknemers meer te betalen bovenop het basisinkomen. Vanzelfsprekend ook moet de discussie tegen excessen in beloningen deel zijn en blijven van het maatschappelijke debat. We zijn er nog niet als iedereen een basisinkomen krijgt. Het lijkt logisch dat de discussie over de ongelijkheid van beloningen naar aanleiding van de invoering van een basisinkomen eerder meer, breder en beter kan worden gevoerd.
Dat de instantie die het basisinkomen verzorgt en uitkeert geen overheidsinstantie moet zijn, maar een vrij en losstaand orgaan is natuurlijk wel een vereiste. Geen politieke willekeur, geen verborgen winstoogmerken, geen beleggingsstrategieën of sturingsmechanismes mogen hierbij een rol spelen. Het is gewoon een uitbetalingsloket, dat geld ontvangt en geld uitgeeft. Hooguit kan er een controle vanuit de samenleving worden uitgevoerd op goed en degelijk functioneren.

Kwart van de bevolking voorstander Het is wel even omdenken voor mensen: gratis geld voor iedereen… Kan dat wel, gaat onze economie dan niet op de fles? Wie zich in de achtergronden van deze plannen verdiept, zal zien dat er goede degelijke economen aan de basis staan van dit plan en dat alles heel goed is doordacht en becijferd. Het is zelfs mogelijk dat de arbeidsproductiviteit stijgt dankzij het enthousiasme voor de vernieuwingen, zeker ook als er in het verlengde van het basisinkomen ook nog andere plannen worden ontwikkeld, zoals winstdeling of coöperatievorming, waar ook steeds meer belangstelling voor is.

Zo’n enthousiasme was er ook in Zwitserland te zien, toen een groep enthousiaste jongeren overal met mensen het gesprek aanging over een basisinkomen voor alle Zwitsers en ze genoeg handtekeningen ophaalden om er een referendum over te houden. Stel je voor: een heel land bediscussieert met elkaar de voor- en nadelen van de invoering van een basisinkomen voor iedereen. Tegenstanders zeiden honend dat toch maar mooi driekwart van de Zwitsers hadden tegengestemd. Maar dat kun je ook anders zien.
Eén kwart van alle conservatieve, behoudende Zwitserse burgers, die niet gewend zijn te avonturen met overheidsgelden, was bereid om een basisinkomen voor alle Zwitserse staatsburgers direct in te voeren! Dat is een groot succes. Als er nu al een kwart van de bevolking voorstander is, is het een kwestie van tijd om nog een kwart van de bevolking van de juistheid van deze maatregel en de positieve uitwerking ervan te overtuigen, waarna het in Zwitserland voor iedereen kan worden ingevoerd! Want dan heb je een meerderheid achter je.

Naast het basisinkomen zijn ook de experimenten met ‘vrij geld’ erg interessant. Ook daarvan zijn goede resultaten te melden. Dat is ook wel nodig, want ondertussen worden er allerwege voorbereidingen getroffen om het cash-geld af te gaan schaffen. God verhoede dat dat gebeurt, want dan verliezen we volledig onze vrijheid en zijn we totaal afhankelijk geworden van de banken. Momenteel zijn de banken bezig, via de VN, te zorgen dat iedereen een bankrekening heeft of krijgt. Zogenaamd voor hun eigen belang en hun ontwikkelingsmogelijkheden, maar in feite in het belang van de banken en hun winststrevingen. ‘Onze’ koningin Maxima heeft daarin een voortrekkersrol. Als dat gerealiseerd is, gaan ze het cash-geld afschaffen.

Als we ergens mee willen beginnen is de invoering van een basisinkomen voor iedereen een grote stap vooruit in de ontwikkeling van een meer menselijke maatschappij. In navolging van Rudolf Steiner, die zich in de laatste zeven jaar van zijn leven met diepe esoterie, maar ook met uiterst revolutionaire ideeën en de verwezenlijking daarvan bezighield, hebben wij ook op dit economische gebied als spiritueel geïnteresseerden een belangrijke opdracht en taak. 

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3188-3000

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het kind rond het 9e levensjaar (Algemene menskunde voordracht 9 [9-1-2-4/7]

.

Onderdeel van ‘Algemene menskunde’ voordracht 9, artikel [9-1-2-4/7]

Wanneer Steiner over het 9 à 10-jarige kind spreekt, gebeurt dat heel vaak in samenhang met de leeftijd net ervoor of nog verder terug.
Uiteraard is dat heel logisch, want eigenlijk kan je niet ‘; zomaar’ ergens beginnen, we hebben met een doorlopende ontwikkeling te maken met markante punten.
Een van die punten is het 9e à 10e levensjaar.

GA 302

Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung

Menskunde en opvoeding

Voordracht 8, Stuttgart 19 juni 1921

Blz. 131     vert. 128

Nun, wenn wir in dieser Weise richtig das Kind ins Leben hineinleiten, daß wir es in seiner Einheit lassen, daß wir es nicht in zwei Teile zerschneiden, dann erleben wir so um das 9. Jahr herum den außerordentlich wichtigen Punkt im Leben des Kindes, den man einfach beobachten muß: Das Kind kommt dann in einem Male dazu, sich ganz anders zur Außenwelt zu stellen, als es sich vorher gestellt hat. Es ist etwas, wie wenn das Kind erwachen würde, wie wenn es an- fangen würde, zu seinem Ich ein ganz besonderes Verhältnis zu finden. In diesem Lebensalter, das so um das 9. Jahr herum liegt, da sollen wir achtgeben auf das Kind. Und wir sollen eigentlich von Anfang an achtgeben. Es kann in der heutigen Zeit leicht passieren, daß verhältnismäßig früh schon das Kind uns solche Anwandlungen zeigt. Wir sollen achtgeben, wie das Kind innerlich dazu kommt, erstaunt zu sein. Über alle Dinge fängt es an, erstaunt zu sein. Es bekommt ein neues Verhältnis zu allen Dingen. Bei normalen Kindern tritt das zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr auf. Wenn wir uns jetzt sinnig, innerlich fragen: Was ist da eigentlich mit dem Kinde vorgegangen? –dann ist es so, daß wir etwas zur Antwort bekommen, was man nicht so ganz exakt in die Worte der heutigen Sprache fassen kann, was man aber etwa so ausdrücken kann: bis dahin hätte das Kind, wenn man ihm einen Spiegel vorgehalten hätte und es sein eigenes Antlitz im Spiegel gesehen hätte, dieses so ein bißchen anders angesehen wie es äußere Gegenstände ansieht, aber mit keiner besonderen Empfindung. Bedenken Sie nur einmal, wenn Sie einem Affen einen Spiegel gebenhaben Sie das schon beobachtet? -, er nimmt ihn und läuft mit ihm an einen Ort, wo er ganz ruhig hineinschauen kann und dann schaut er

Welnu, als we een kind zó op de juiste wijze in het leven binnen leiden, dat we het als eenheid intact laten, dat we het niet in twee stukken snijden, dan beleven we rond het 9e jaar het buitengewoon belangrijke moment in het leven van het kind dat we moeten bestuderen: het kind plaatst zich dan opeens heel anders in de wereld dan vóór die tijd. Het is alsof het kind wakker wordt, alsof het een heel speciale verhouding tot zijn Ik begint te krijgen. Op die leeftijd, zo rond het 9e jaar, moeten we speciaal op de kinderen gaan letten. Eigenlijk moeten we al vanaf het begin opletten. Het kan tegenwoordig makkelijk gebeuren dat een kind relatief vroeg zulke ‘bevliegingen’ te zien geeft. We moeten er op letten hoe het er innerlijk toe komt verbaasd te zijn. Het begint overal verbaasd over te zijn. Het krijgt een nieuwe verhouding tot alle dingen. Bij normale kinderen treedt dat op tussen het 9e en 10e jaar. Als we ons nu, innerlijk, de verstandige vraag stellen: wat is er met het kind gebeurd? -, dan krijgen we een antwoord dat niet helemaal exact in woorden van de huidige taal kan worden gevat; maar het kan zó worden uitgedrukt: tot dan had het kind, als je het een spiegel voorgehouden had en het zijn gezicht daarin had gezien, dit een beetje anders gezien dan het naar uiterlijke voorwerpen kijkt, maar niet met een speciaal gevoel. Bedenkt u maar eens als u een aap een spiegel geeft – hebt u dat wel eens gezien? -; die pakt de spiegel en loopt ermee naar een plek waar hij er heel rustig in kan kijken; dan kijkt hij

Blz. 132   vert. 129

hinein und ist nicht wieder loszukriegen. Wenn man ihm den Spiegel wegnehmen will, so kommt einem das sehr schlecht an. Er ist ganz ungeheuer versessen, dasjenige, was er sieht drinnen, wirklich ins Auge zu fassen. Aber Sie werden es noch nicht erlebt haben, daß ein Affe anders geworden ist, wenn er in den Spiegel gesehen hat. Sie werden nicht beobachten, daß der Affe viel eitler geworden ist. Es macht ihm nach dieser Richtung keinen Eindruck. Es macht Eindruck auf sein Wahrnehmungsvermögen, was ihm die augenblickliche Wahrnehmung heraufspiegelt, aber es metamorphosiert sich das nicht um. Er vergißt das gleich wiederum, wenn ihm der Spiegel weggenommen wIrd. Eitler wird er nicht. Das Kind würde von dem Moment an, von diesem Lebensalter an, das ich charakterisiere, durch das Sich-selbstAnschauen in der Tat verleitet, zu einem Umgestalten der früheren Empfindungsweise in Eitelkeit, Koketterie. Das ist der Unterschied zwischen dem Affen, der noch viel mehr hält auf das Sich-selbstSehen als das Kind, und dem Kinde. Beim Affen geht es nicht dauernd in den Gefühlscharakter, Willenscharakter über. Beim Kind muß man sagen: Wenn es sich im Spiegel sieht von 9½ Jahren an, ist das Sich-in-dem-Spiegel- Sehen für das Kind etwas, was bleibende Eindrücke hervorbringt, was seinen Charakter in einer gewissen Weise beeinflußt. Das könnte man wahrnehmen, wenn man das Experiment machen wollte. 

erin en is er niet van los te krijgen. Als je hem de spiegel wil afnemen, dan vergaat het je slecht. Hij is er erg op verzot dat wat hij daarin ziet, echt te bekijken. Maar u zult toch nog niet hebben meegemaakt dat een aap veranderd is bij het kijken in de spiegel. U zult niet zien dat de aap veel ijdeler is geworden. In die zin maakt dat op hem geen indruk. Het maakt indruk op zijn waarnemingsvermogen, wat hem de waarneming van het moment terugspiegelt, maar dat wordt niet gemetamorfoseerd. Hij vergeet het direct weer wanneer hem de spiegel wordt afgenomen. Hij wordt er niet ijdeler door.
Een kind wordt, vanaf de leeftijd die ik nu karakteriseer, door het kijken naar zichzelf inderdaad ertoe verleid de vroegere wijze van beleven in ijdelheid, koketterie om te vormen. Dat is het verschil tussen het kind en een aap, die nog veel meer gesteld is op het kijken naar zichzelf dan een kind. Bij de aap gaat het niet permanent over in het gevoelskarakter, in het wilskarakter. Bij het kind moeten we zeggen: als het vanaf 9½ jaar zichzelf in de spiegel bekijkt, is het zichzelf in de spiegel zien voor hem iets wat een blijvende indruk achterlaat, wat zijn karakter in zekere zin beïnvloed. Dat zou je kunnen observeren als je een experiment wilde doen.

Blz. 133  vert.

[ ] wie tatsächlich das Kind in einer feinen, zarten Weise zu einer Art von Erstaunen kommt über alles, was in der Welt vorgeht, weil es anfängt, sich selber in der Welt drinnen zu sehen. Man kommt ja erst in diesem Stadium des Lebens zum Ich-Bewußtsein. Wenn man es einem überall entgegenglänzen sieht, wenn man überall in der Pflanzenwelt, Tierwelt anfängt zu fühlen und zu empfinden, dann weiß man etwas von sich aus. Und das fängt an aufzuwachen in dem Kinde zwischen 9 und 10 Jahren. Es fängt nicht an aufzuwachen, wenn man vermeidet, es zum bildlichen Betätigen zu bringen, wenn man vermeidet, es dazu zu bringen, daß es in seiner eigenen Bewegung Sinnvolles ausführt. 

[   ]

hoe het kind daadwerkelijk op een fijne, tere wijze tot een soort verbazing komt over alles wat er in de wereld gebeurt, omdat het zichzelf in de wereld begint te zien. Pas in dit stadium van het leven komt men tot het lk-bewustzijn. Als je de dingen overal om je heen ziet tegemoet stralen, als je overal voor de dingen in de planten- en dierenwereld een gevoel begint te krijgen, dan weet je iets vanuit jezelf. Dat begint wakker te worden in de kinderen tussen het 9e en 10e jaar. Dat begint niet wakker te worden als we nalaten om de kinderen tot beeldende activiteiten te brengen, als we vermijden ze ertoe te brengen dat ze in hun eigen beweging zinvolle dingen doen.

Blz. 134/135   vert. 132

Man muß mit dem Gefühl in das Kind selber hineinwachsen; man muß drinnenstecken in dem Kind, nicht äußerlich herumexperimentieren, sondern drinnenstecken,es ist wirklich so, daß man sagen muß: Der Mensch entwickelt sich schon so, daß er eine gewisse Lebensbahn durchmacht von dem Moment an, wo in einer unteren Schichte gewissermaßen auftaucht aus der Sprache heraus: Du bist ein Ich. – Dieses, was da beim Kinde verhältnismäßig früh auftritt, wenn es lernt, zu sich «Ich» sagen, das ist doch wie ein Traumhaftes und lebt wie ein Traumhaftes fort. Das Kind wird uns nun in die Schule gebracht. Und indem es uns in die Schule gebracht wird, müssen wir das wenden. Es will ja eine andere Richtung nehmen. Wir müssen es zur künstlerischen Betätigung hinwenden. Und wenn wir uns eine Zeitlang so mit dem Kinde beschäftigt haben, dann macht es den Weg zurück, und es kommt wiederum durch den Punkt im Leben, wo es zu sich «Ich» sagen gelernt hat und dann setzt es die Sache fort und kommt später dadurch, daß es geschlechtsreif geworden ist, noch einmal durch diesen Punkt. Und wir bereiten diesen Moment vor, wenn wir es in einem Zeitpunkt zwischen dem 9. und 10. Jahre zum Erstaunen, Bewundern der Welt bringen. Wenn wir seinen Schönheitssinn bewußter machen, dann bereiten wir es so vor, daß es, wenn die Geschlechtsreife eintritt, die Welt in der richtigen Weise lieben lernt, daß es die Liebe in der richtigen Weise entwickelt. 

We moeten leren de kinderen te observeren. We moeten met ons gevoel in de kinderen ingroeien; we moeten in ze zitten, niet van buiten af maar wat aan-experimenteren, maar er helemaal in zitten. Je moet werkelijk zeggen: de mens ontwikkelt zich zo dat hij een bepaald verloop in zijn leven doormaakt vanaf het moment waarop in een van de onderste lagen vanuit de taal opduikt: jij bent een Ik. – Wanneer een kind leert ‘Ik’ tot zichzelf te zeggen – wat relatief vroeg optreedt – is dat echter iets droomachtigs, en het leeft ook als iets droomachtigs voort.
Dan wordt het kind in onze school gebracht; wanneer het in onze school komt, moeten we dat veranderen. Het wil immers een andere richting op gaan. We moeten het kind naar een kunstzinnige activiteit toe leiden. En als we ons een tijdlang zo met hem hebben beziggehouden, dan loopt het de weg terug en gaat weer door het punt in zijn leven waarop het ‘Ik’ heeft leren zeggen; dan gaat het verder en komt nóg eens door dat punt door het feit dat het geslachtsrijp is geworden. Dat moment bereiden we voor als we een kind op een tijdstip tussen zijn 9e en 1 Oe jaar tot een zich-verbazen, een bewonderen van de wereld brengen. Als we zijn gevoel voor schoonheid bewuster maken, dan bereiden we het zó voor dat het, wanneer de puberteit aanbreekt, de wereld op de juiste wijze leert liefhebben, dat het op de juiste wijze liefde ontwikkelt.
GA 302/131-135
Vertaald Menskunde en pedagogie/128-133

.

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

3187-2999

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/3)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

.

Otto julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES

We merken op: De sprookjes spreken in “beelden” _ maar de hele natuur, de planten en dieren en, niet in de laatste plaats, de mensen zijn “beelden” waarin kosmische spiritualiteit in haar vele aspecten wordt gepresenteerd.

De sprookjes “Vleerkens vogel” (nr. 46)*, “De roverbruidegom” (nr. 40)* en “De Peetoom” (nr. 42)* zijn verwant. Ze doen verslag van het “Grote Bos” waarin zon of maan en sterren nooit schijnen en in het midden ervan, waar het het donkerst is, staat een huis. Als je het binnengaat, lijkt alles stil en leeg, maar een vaag gevoel van afgrijzen overvalt degenen die binnenkomen en een stem roept: “Keer terug, jij mooie bruid, je bent in het huis van een moordenaar.” In eerste instantie verschijnt aan ons de heer des huizes dan misschien als een aantrekkelijke figuur. Niettemin wekt hij vage afschuw op, want de meisjes die met hem als bruid naar binnengaan, worden al snel worden vermoord en de lichamen worden in stukken gehakt en opgegeten. De heer van het huis is namelijk de Dood, en de bruiden vieren een “bruiloft met de Dood”.

Maar wij zijn allemaal ter dood gedoemd en in zoverre zijn wij zijn bruiden al vanaf het ogenblik dat we ons verbinden met een bevruchte eikiem en daarmee met de aarde. Dit ‘huwelijk met de dood’ neemt toe als we als kinderen worden geboren en uiteindelijk volledige aardse volwassenheid bereiken in de leeftijd van de ‘puberteit’, waarbij de macht van de dood groeit totdat deze uiteindelijk volledig aanwezig is op oudere leeftijd.

De machtige bomen van een oerbos zijn alleen aan de toppen van hun takken, in de ‘kronen’ groen. Verder naar beneden overheerst de materialiteit van het hout, grotendeels verlaten door het leven, want alleen onder de bast bevindt zich nog het dunne gebied van het levende cambium. Maar wanneer een storm uiteindelijk de bosreuzen treft, bezwijken ze onder hun eigen gewicht, ze rotten en veranderen in aarde. In de duisternis van een oerbos kunnen we zeker de “heer van de materie” tegenkomen, de dood. In het Grieks betekent ‘hyle’ zowel het bos als het hout of de materie.

In dit opzicht kunnen de beelden in bovengenoemde sprookjes zeker in verband worden gebracht met een stukje van de buitenwereld, namelijk met de macht van de dood in de ons omringende natuur.

Maar deze sprookjesbeelden verwijzen vooral naar ons mensen, naar processen binnen onze huid met de focus op de organen onder het middenrif. Wat aanvankelijk begint als het voedsel in de mond wordt gekauwd, zet zich vervolgens geleidelijk voort in de maag, de dunne en de dikke darm, met de bijkomende invloeden van de lever en de pancreas. Wat we levend en geheel uit de natuur halen, d.w.z. voedsel, wordt onderworpen aan een proces van ontbinding, vernietiging en dood. Rudolf Steiner spreekt krachtig over het ‘vernietigingscentrum’, dat zich in de regio van onze spijsverteringsorganen bevindt en, juist omdat het aanvankelijk vernietigt, ook de basis van ons eigen leven vormt.

Zolang deze destructieve krachten, buiten ons bewustzijn, diep verborgen in ons werken, zijn ze noodzakelijk en helend. Als ze er echter in slagen om tot ons bewustzijn door te dringen, ons Ik in beslag te nemen en in ons spreken en handelen naar buiten en tot onze medebroeders door te dringen, dan vormen ze de basis van wat we het kwaad in de breedste zin van het woord noemen.
In dit verband wordt er in de Evangeliën gezegd dat men broedermoord pleegt als men zijn naaste beledigt. Als men zegt dat iemand gif en gal tegen zijn medemens spuugt, is dat hetzelfde.

Iedereen kent deze kant van zijn zielenleven en probeert deze te beheersen. Maar het zou heel gevaarlijk zijn om zonder de juiste voorbereiding en voldoende kracht af te dalen in deze diepten van iemands levensorganisatie, dat wil zeggen het verschrikkelijke ‘huis’ met zijn verschrikkelijke bewoners te durven betreden.
Hij zou dan ervaren met welke doodskrachten de mens zich verbindt en moet verbinden, wanneer hij zich in het aardse bestaan ​​belichaamt en de ontwikkelingsstadia doorloopt tot hij op aarde volledig volwassen is, d.w.z. in zekere zin het ‘huwelijk met de dood’ viert.

Hoe belangrijk deze sprookjes ook zijn voor de verstandige volwassene, grote voorzichtigheid is geboden wanneer u ze aan kinderen vertelt. De in stukken gesneden bloedige menselijke lichamen die in een vat liggen of een grote kom zijn ware beelden, maar toch te veel voor kinderen.
In de middeleeuwse gedichten over de Danse Macabre was het idee van het huwelijk van de menselijke ziel met de dood nog springlevend. In onze veeleisende en welvarende samenleving is ‘dood’ absoluut taboe. Niettemin moeten kinderen hem op een passende manier leren kennen om zich bewust te worden van hun onsterfelijke ziel.

De tegenovergestelde pool van bovengenoemde sprookjes kennen we in de ‘Stukgedanste schoentjes’ (nr. 133)*. Hier ligt de nadruk niet op het lot van het lichaam, maar wordt er naar de onsterfelijke ziel gevraagd.
Wie kan zeggen waar menselijke zielen naartoe gaan als ze hun lichaam verlaten, of ze nu in slaap vallen of sterven? Ook in dit sprookje moet je ‘wakker’ zijn, dat wil zeggen een bewustzijnsniveau bereiken dat onafhankelijk is van je lichaam, om te kunnen doordringen in de gebieden waarin, zoals het sprookje zegt, de twaalf koningsdochters ’s nachts een “sterrendans” dansen met hun prinsen.

Iedereen die zich meldt voor de proef en faalt, riskeert zijn leven. Zo was het in de oude mysteriën wanneer iemand, zonder de nodige voorbereiding, in een driedaagse slaap zijn lichaam verliet, maar vervolgens de weg terug niet vond en daardoor stierf.

Zoals in veel sprookjes is het ook hier een ‘soldaat’ die de test doorstaat. Hoe komt dat? Omdat soldaten volgens de sprookjes mensen zijn die veel hebben gevochten en geleden en daardoor bijzondere Ik-krachten hebben verworven die ze nu nodig hebben voor de mysteriewijding.

Volgens de oude traditie wordt het ‘hiernamaals’, waar de twaalf prinsessen elke nacht heen gaan, beschreven als een paradijselijk landschap met bomen van goud, zilver en edelstenen en ook nog met een breed meer of een stroom, aan de andere oever verrijst een paleis. Dit meer is waarschijnlijk hetzelfde als het water van de doden bij de Grieken, waarover de veerman van de doden Charon met zijn boot mensenzielen naar het hiernamaals vervoert. Er zijn ook dromen die soortgelijke beelden bevatten.

Als de soldaat geacht wordt wakker te blijven om achter de prinsessen aan te sluipen, mag hij natuurlijk niet de wijn drinken, die, als de ‘wijn van de wereld’, de menselijke ziel aan de stoffelijke wereld bindt en haar in slaap laat zinken en  waardoor verhinderd wordt dat zij schouwend hogere sferen bereikt.

Het vermogen om (in hogere zin) wakker te kunnen zijn, is een basisthema van de mysterietaal van het sprookje.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3186-2998

.

.

.