VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (2)

.

KOSMISCH BEELD VAN DE WINTER

KERSTMIS ALS KEERPUNT VAN ZON EN MAAN

Zoals de ritmen van de natuur in verband ge­bracht kunnen worden met de grote jaarfees­ten, zo kan men ook een samenhang zien tussen de verschijnselen aan de sterrenhemel en het kerstfeest.
De onderlinge standen van zon en maan spelen daarbij een belangrijke rol.
Doordat die verschijnselen elk jaar weer optreden in deze tijd, geven ze steeds op­nieuw de mogelijkheid de verbintenis tot stand te brengen met bepaalde geestelijke werkelijkheden.
De jaargetijden worden in de natuur vooral gekenmerkt door de wijze waarop de plan­tenwereld zich in haar cyclus van ontkiemen, opbloeien, zaaddragen en afsterven manifes­teert. Deze cyclus is in haar jaarritme in sterke mate afhankelijk van de invloeden die zij uit de kosmos ontvangt. De zon levert daartoe een belangrijke bijdrage door haar wisselende lichtstroom. Het zonnejaar hangt samen met de beweging van de zon door de twaalf tekens van de dierenriem:
Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok, Waterman en Vissen.
Sommige van deze tekens, overigens niet te verwarren met de beelden die dezelfde naam dragen — de beelden en de tekens van de die­renriem zijn in de loop van 2000 jaar één plaats ten opzichte van elkaar verschoven —, sommige van deze tekens kunnen zich hoog boven de horizon verheffen. De Kreeft spant hierbij de kroon. Andere beschrijven maar een heel klein boogje boven de horizon, zoals de Steenbok. Eind december- begin ja­nuari doorloopt de zon het teken Steenbok. De dagen zijn kort, de nachten lang. Een paar dagen na het moment van de zonne­wende (22 december) valt het kerstfeest.
In de huiskamers branden de kaarsen. De lichtwereld is te ervaren als binnenwereld, de bui­tenwereld is donker en koud. Ook de aarde heeft zich, tenminste op het noordelijk halfrond, geheel in zichzelf terug­getrokken. In haar jaarlijkse lichtademritme beleeft de aarde het moment van diepe in­ademing. Niet de uiterlijke kosmische zon overstraalt het aardeleven; het is een naar binnen genomen zonlicht waardoor de aarde innerlijk doorlicht wordt.

In deze tijd van het jaar heeft de aarde zich geheel van de kosmos afgesloten. De mens kan dat mee beleven. Niet de wijde ruimte roept de aandacht van de zintuigen, het is de innerlijke aardewereld, waarmee de mens zich verbonden kan voelen.

Twee wegen
De herders uit het Lucasevangelie was het mogelijk om vanuit hun oude aardeverbondenheid inspiratief de verandering van de aardekwaliteiten te beleven ten tijde van het kerstgebeuren.
In deze tijd kan men vanuit het moderne bewustzijn weer een toegang zoeken naar datgene wat men ‘aardegeest’ zou kunnen noemen. Herders hoorden engelenstemmen die de geboorte verkondigden. De wereld van de geest sprak zich uit in de sfeer der elementen.
In het Mattheüsevangelie vinden we de ge­beurtenissen rond de geboorte van Jezus heel anders beschreven. Wijze koningen uit het Oosten lezen aan de sterrenhemel af dat een belangrijke geboorte op aarde heeft plaatsgevonden. Imaginatief wordt door hen een uiterlijke constellatie van Jupiter en Saturnus begrepen als een kosmisch teken.
Langs twee wegen vinden aankondigingen van een geboorte plaats, door twee poorten wordt een wezen zichtbaar dat hemel en aar­de verenigt.
Tot het kosmisch beeld van de kersttijd be­hoort ook de maan. In de bijbel staat be­schreven hoe de god Jahve de komst van het Christuswezen op aarde voorbereidde.
Het Christuslicht kon in de tijd van voorberei­ding nog niet direct door de mens ervaren worden. Indirect, als door een spiegel, wordt dit licht zichtbaar gemaakt door de oudtesta­mentische god van Mozes: Zoals de maan het zonlicht zichtbaar maakt. Ten tijde van de Kerst vindt ten aanzien van zon en maan een keer­punt plaats: na de kortste dag (22 december) zal de zon in kracht toenemen, de volle maan die in deze tijd zijn hoogste stand be­reikt, zal hierna elke maand lager aan de he­mel staan. Dit kosmisch fenomeen van het maan-zonkeerpunt in de wintertijd is te ver­staan als beeld voor het aanbreken van het tijdperk van het zonnewezen Christus, waar­mee de voorbereidende taak van Jahve ten einde is. Op welke wijze kan het dierenriemteken Steenbok, het teken waarin de zon in de kersttijd staat, iets zeggen over de kwalitei­ten van de kerstdagen en de twaalf heilige nachten daarna?

Das Künftige ruhe auf Vergangenem
Vergangenes erfühle Künftiges
Zu kraftigem Gegenwartsein’,
Zo begint de spreuk waarin Rudolf Steiner het teken Steenbok karakteriseert.
Steenbok, keerpunt der zon, keerpunt der tijden. Eerbied voor het verleden, de tijden der voorbereiding, strevend naar de toe­komst, bewust staan in het heden.

Kerst — jaarwisseling — heilige nachten van uiterlijke verstilling, vol innerlijk leven.

‘Das Künftige ruhe auf Vergangenem.
Vergangenes erfühle Künftiges . . . .’

Deze woorden klinken in de kersttijd van de etherische dierenriem.
.

Rinke Visser, Jonas 8/9, 19-12-1975

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

370-349

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (14)

.

ADVENT, 1 JANUARI, PASEN

Wanneer is het jaar jarig:

Is advent, de eerste januari of Pasen het begin van het jaar?
‘Het jaar is een kringloop, zodat van een begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn.’

Maarten Udo de Haes doet in zijn artikel een poging tot het vinden van een beginpunt.

Wanneer een ring of de schakel van een ket­ting geen zichtbare naad vertoont of kenne­lijk niet gesoldeerd of gelast is, zal het onmo­gelijk, zelfs zinloos zijn een begin en einde aan te wijzen.

Ook bij de kringloop in de levende natuur, kunnen we moeilijk begin en einde bepalen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de kringloop in de plantenwereld kijken, dan kunnen we terecht zeggen dat deze begint wanneer het zaad in de aarde valt. Maar is het bestaan van die zaadkorrel niet ondenkbaar zonder de vrucht, die daarvóór is ontstaan, terwijl die vrucht op zijn beurt ook weer het resultaat is van het ontkiemen van een vorige zaadkorrel en de groei en bloei die daar het gevolg van is? Kortom, het proberen te vinden van het begin staat gelijk met het bekende probleem van de kip en het ei. Wanneer ik bij een kringloop toch een begin moet bepalen – bij het natrekken van een cirkel bijvoorbeeld – dan zal ik ‘ergens moeten beginnen’, maar ik zal het zogenaamde beginpunt als absoluut willekeurig beschouwen. Het is namelijk geen objectief begin, maar subjectief door mij als zodanig aangewezen.

Ook het verloop van het jaar is een kring­loop, zodat van begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn. Ieder door ons be­paald ‘begin’ lijkt willekeurig te zijn. Zoals, bijvoorbeeld nu het burgerlijke jaar 1 januari begint, zo viel het begin vroeger kennelijk in maart, hetgeen wij nog uit de maandnamen september tot en met december (zevende tot en met de tiende maand!) kunnen afleiden. De gevolgtrekking ligt dan ook voor de hand dat of het jaar niet op een bepaald tijdstip een vanzelfsprekend begin of einde heeft, met andere woorden dat de jaren letterlijk eindeloos voortcirkelen, of dat het begin dat wij bepalen willekeurig is en dus toch geen echt beginkarakter heeft. Of – en dat is ook wel een mogelijke gevolgtrekking – is een begin wel degelijk als zodanig aanwijsbaar of ervaarbaar, terwijl tevens de mogelijkheid van andere momenten met beginkarakter niet uitgesloten wordt. Dat betekent dat een proces, een ontwikkeling, meerdere ‘begin­nen’ kan hebben. Een voorbeeld hiervan vin­den we in het Nieuwe Testament, wanneer we kijken naar de verschillende beschrijvin­gen van het evangelie.

De eerste woorden van het evangelie volgens Marcus luiden: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus de Zoon van God,’ waarna de doop in de Jordaan wordt beschreven. Deze gebeurtenis ziet Marcus dus als het begin, en terecht, want daarmee begint inderdaad de werkzaamheid van Christus onder de mensen op aarde.

Lucas daarentegen plaatst aan het begin van het evangelie de geboorten van Johannes de Doper en Jezus. Ook dit is niet willekeurig, maar eveneens als het begin van het evangelie te beschouwen.

Het Johannesevangelie beschrijft nog weer een ander begin, namelijk de wereld van het scheppende woord van waaruit Christus stamt en wat Hij tegelijkertijd zelf ook is: ‘In den beginne was het Woord…’ Afgezien van het feit dat er zo drie ‘begin­nen’ van het evangelie aan te wijzen zijn, kan er zelfs nog een ander begin worden ervaren. Een begin dat weliswaar subjectief, maar daarom niet minder wezenlijk en beslist willekeurig te noemen is, namelijk het ‘begin van het evangelie’ valt op het moment dat ik ermee begin, het moment waarop het tot le­ven wordt gewekt in mijzelf. In dit verband moet ik denken aan het ge­dicht ‘Mein Jahr’ van Conrad Ferdinand Meyer, waarin hij tot uitdrukking brengt dat het tijdstip van zijn verjaardag niet zo zeer van buiten, door de kalender wordt bepaald, maar door het moment van een innerlijk be­gin, een initium. Het zijn die momenten in het leven waarop iets nieuws wordt geboren in de zin van een inspiratie of een besluit, een ontmoeting of een belevenis.

Mein Jahr

Nicht vom letzten Schlittengleise
Bis zum neuen Flockentraum
Zähl’ ich auf der Lebensreise
Den erfüllten Jahresraum.

Nicht vom ersten frischen Singen
Das im Wald geboren ist,
Bis die Zweige wieder klingen,
Dauert mir die Jahresfrist.

Von der Keiter nicht zur Keiter
Dreht sich mir des Jahres Schwung,
Nein, in Flammen werd’ich alter
Und in Flammen wieder jung.

Von dem ersten Blitze heuer,
Der aus dunkler Wolke sprang,
Bis zu neuem Himmelsfeuer
Rechn’ ich meinen Jahresgang.

Conrad Ferdinand Meyer

Drieslag
Misschien heeft de cyclus van het jaar of van de dag ook wel meerdere beginmomenten, ieder met een eigen karakter, met een be­paalde kwaliteit.
Wanneer we bijvoorbeeld naar het dagbegin kijken, zullen we in de eerste plaats aan de morgen denken, wanneer het licht wordt, de zon opgaat en over het algemeen de werk­dag begint. Vooral in het oude Babylonië werd het moment van de zonsopgang als dagbegin beleefd. Maar het begin van de burgerlijke dag valt op een heel ander tijdstip, namelijk te midder­nacht. Volgens de klok 24.00 uur of 0.00 uur, respectievelijk op het moment dat de zon onder de horizon het diepste punt heeft bereikt. Aangezien dit inhoudt dat het ‘grote licht van de dag’ op dat moment weer begint te stijgen, heeft dit tijdstip ook echt beginkarakter en is meer dan slechts een formele, min of meer willekeurige afspraak. (Hier is afgezien van het verschil tussen middernacht in astronomische zin en het tijdstip 24.00, dat voor een gehele tijdzone op aarde geldt.) Zelfs een derde dagbegin kan als zodanig worden beleefd, namelijk wanneer de dag ‘eindigt’ (’s avonds, respectievelijk bij zons­ondergang). Dit moment – dat onder andere in de joodse cultuur als begin van de dag wordt gezien – wordt gekenmerkt door het terugblikken op de dag die achter ons ligt en het vooruitzien, plannen maken of voorbe­reidingen treffen voor de volgende dag, die daarmee in kiem dus inderdaad begint. Ge­bruiken zoals sinterklaasavond op de avond vóór de eigenlijke verjaardag op 6 december of ook kerstavond of bijvoorbeeld het Duitse woord Sonnabend voor zaterdag wijzen nog op de realiteit dat de avond als einde van een dag eveneens de kiem van de nieuwe dag in zich draagt.

De innerlijke of religieuze dag begint ’s avonds en is te beschouwen als de kiemlegging, de astronomische of burgerlijke dag be­gint te middernacht, waar de dag als het ware geboren wordt, terwijl het begin van de werkdag in principe bij zonsopgang begint, waar deze kiemlegging en geboorte ten slotte tot verwerkelijking leidt. Deze drieslag, die in christelijke zin trinitarisch karakter heeft, vinden we eveneens te­rug in de opbouw van het jaar. Met advent, begin van het christelijk-religieuze jaar, wordt een kiem gelegd die ver­zorgd en beschermd wil worden. Met ver­wachting kijken wij uit naar het komende of zelfs naar De Komende. En niet slechts wij alleen leven ‘in verwachting’, maar er wordt ongetwijfeld ook iets van ons verwacht: dat wij innerlijk naar het komende toeleven, het mee-voorbereiden.

Het ‘tweede begin’ van het jaar is het meest exact aanwijsbaar, namelijk 1 januari 0.00 uur, het tijdstip waarop het burgerlijke jaar begint. Zoals advent de avond van het jaar genoemd kan worden, zo valt oudejaarsnacht in de middernachtstijd van het jaar. Daarbij is het opvallend dat dit moment tevens in het midden van de kersttijd valt, zodat in de feesttijd van de Geboorte kennelijk ook het jaar geboren wordt. Het aanvankelijk wille­keurig schijnende moment, blijkt bij nader in­zien diepere zin te hebben. Dit tijdstip geldt dan ook als het ‘officiële’ uitgangspunt voor onze jaartelling: Ab Incarnatione Domini.

Zoals bij de dag, kunnen we ook bij het jaar nog een derde begin aanwijzen of ervaren, namelijk Pasen. De opstanding uit het rijk van de dood is de verwerkelijking van datge­ne wat met kiemlegging en geboorte is voor­bereid. Met Pasen gaat al het voorgaande in vervulling. In die zin staat dit gebeuren on­der het motto: ‘Het is volbracht’. Maar dit draagt tevens een totaal nieuw begin in zich, vergelijkbaar met de schepping. De evangelist Marcus geeft een overduidelijke tijdsbepaling van dit gebeuren:

‘Toen de sabbat was voor­bijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te gaan zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’.

Aan het begin van de week – dus zondag – bij het aanbreken van de dag, bij zonsopgang, valt dit herscheppingsgebeuren. Hierbij worden we aan de woorden aan het begin van de Genesis herinnerd: ‘Er zij licht’. Naast het ‘Ab Incarnatione Domini’ als begin voor onze jaartelling, vinden we hier een heel ander uitgangspunt, dat we ‘Ab Ressurectione Christi’ kunnen noemen.
Pasen 1983* is dan te beschouwen als het begin van het jaar 1950, namelijk het 1950ste wederkerende jaar na het gebeuren van dood en opstanding van Christus. Op deze wijze is bovengenoem­de tijdsaanduiding ook weergegeven in de jaarlijks uitkomende Sternekalender van de mathematisch-astronomische Sektion aan het Goetheanum te Dornach. (‘Mit Ostern 1983 sind verflossen 1950 Jahre nach des Ich Geburt durch das Mysterium von Golgatha’).We kunnen bij het jaar dus ook drie begin­momenten onderscheiden, die alle als zoda­nig geldigheid hebben en qua karakter weer overeenkomen met de drie beginmomenten van de dag, die we kort kunnen weergeven met: kiemlegging, geboorte en verwerkelij­king.

Paradox
Ten slotte kunnen we ons met C.F. Meyer afvragen of het begin van mijn jaar nóg weer op een ander tijdstip valt, hoewel het onge­twijfeld in relatie staat met de overeenkom­stige momenten van het jaar. Want hoewel ik Pasen kan zien als de voleinding, namelijk de verwerkelijking van het opstandingslichaam van Jezus door Christus, ligt deze verwerke­lijking voor mij nog ver in het verschiet. Wat in Jezus is voltooid, ligt voor mij nog in een verre toekomst, is pas in eerste aanleg op mij van toepassing. Of, om met Christian Mor­genstern te spreken: ‘We staan niet aan het einde, maar aan het begin van het chris­tendom’.
Deze paradoxs dat de opstanding tegelijkertijd zowel een feit als ook nog toe­komst is, komt onder andere tot uitdrukking in de woorden van Jezus: ‘Het uur komt en is er reeds…’De verschillende momenten in het jaar waarop een duidelijk begin valt, kunnen we ook beleven in de innerlijke christelijke ontwikkeling. Pasen kan het adventskarakter van een eerste kiem in de menselijke ziel aannemen of als een volgend begin geboren worden, als het ware Kerstmis doorlopend. In navolging van Christus krijgt het na onzegbaar lijden uiteindelijk zijn eigenlijke paaskarakter. Dit feest, dit gebeuren, deze realiteit van dood en opstanding leeft in Vol’eind’ing in Jezus, is in ‘begin’sel voor ons en uit’einde’-lijk door ons voor de aarde bestemd.

(Maarten Udo de Haes, Jonas *16, 01-04-1983)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

 .

369-348

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Nicolaas (29)

.

ZACHTJES GAAN DE PAARDEVOETJES

Als kind heb ik dit liedje wat gezongen. Op de een of andere manier is het mijn lievelingssinterklaasliedje (mooi scrabblewoord)

De nieuwe spelling vraagt om ‘paardenvoetjes’, maar dit zingt voor mij net niet zo fijn als zonder de N. Was ik Groninger, het probleem speelde niet.

Ik kan het nog wel verdragen dat ‘stippel, stappel’ een keer met ‘trippel, trappel’ verwisseld wordt. Al naar gelang er veel of weinig sneeuw op de daken ligt, zal dat geluid ook wel enigszins verschillen.

Maar waar ik echt bezwaar tegen maak, is dat we de kinderen laten zingen: ‘paardje is nog lang niet moe, maar HIJ moet naar bedje toe.’

Je komt deze tekst tegen wanneer je ‘Zachtjes gaan’  googlet.

Kijk, dat de kinderen dit onbewust zingen, begrijp ik wel: die willen nog niet naar bed en dus moet dat paardje maar; wij trappen daar echter niet in.

We zingen eerst: ‘paardje is nog lang niet moe’  en dan zou het toch naar bedje moeten. Kom op! En dan: naar bedje: mag het niet eens in een gewone stal, na gedane arbeid, lekker genietend van al die in de schoen aangeboden wortels. Hoe eet een paard een wortel in bed – een bedJE, nog wel.

Nee, de kinderen zijn moe of horen dat te zijn en ZIJ gaan naar bed(je).

En het paard gaat verder, over de daken, met de Sint.

Hoe zou je, als kind in je bedje, anders nog kunnen zingen: ”k Hoor de vlugge paardevoetjes’  – in MIJN lekkere warme bedje. En daar mag je dromen – van Sinterklaas en zijn zwarte Pieterbaas.

Zachtjes gaan de paardenvoetjes
Trippel, trappel, trippel, trap
’t Is het paard van Sinterklaasje
Stippe, stappe, stippe, stap
’t Schimmeltje draagt met gemak
Sinterklaasje over ’t dak
’t Schimmeltje draagt met gemak
Sinterklaasje over ’t dak

’t Paardje kan de weg wel vinden
Trippel, trappel, trippel, trap
In het held’re maneschijntje
Stippe, stappe, stippe, stap
’t Paardje is nog lang niet moe
Maar ik moet naar bedje toe
’t Paardje is nog lang niet moe
Maar ik moet naar bedje toe

‘k Hoor de vlugge paardenvoetjes
Trippel, trappel, trippel, trap
In mijn lekker warme bedje
Stippe, stappe, stippe, stap
En ik droom van Sinterklaas
En zijn zwarte Pieterbaas
En ik droom van Sinterklaas
En zijn zwarte Pieterbaas

.

Pieter HA Witvliet

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

368-347

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (28)

.

De inleiding tot dit artikel is Sint-Nicolaas (27)

.

Pieter HA Witvliet
.

Onderstaand verhaal maakte ik om te voorkomen dat de kinderen zich bedrogen zouden voelen, voor de gek gehouden door de volwassenen wanneer ze erachter zouden komen dat Sinterklaas niet bestaat.

Een verhaal – een beeld – heeft de mogelijkheid tot inleven, tot begrijpen op nog een ander niveau dan de gewone mededelingen. Daarop kan slechts een ‘o, ja! ‘volgen. Het beeld geeft meer kans op ‘aha, zo dus’, je neemt het vooral ook op met je gevoel – dat kan zijn met warmte – iets wat bij de kalere opmerking ‘zo zit het’ meestal niet het geval is.

Onderstaand verhaal is niet HET verhaal. Er zijn andere te bedenken.

Maar dit is het motief: ‘wij zijn nu de Sint van toen’ !
Deze versie vertelde ik in de 4e klas, begin november, vandaar de woorden op het eind. Wanneer je het in een andere context vertelt, moet je dat natuurlijk daar aanpassen.
.

HOE SINT-NICOLAAS STIERF EN TOCH VOORTLEEFDE
.

“Wat moet ik nu doen,’ sprak de oude Nicolaas met beverige stem. Hij zei het zacht voor zich heen. ‘Er zijn nog zoveel kinderen die ik zou willen helpen; die ik blij zou willen maken. Maar ik heb die kracht niet meer ’s avonds door de kou langs de huizen te gaan. Ik geloof dat ik niet lang meer op de aarde zal zijn´

En hoewel er een knapperig vuur brandde in de open haard, voelden zijn handen, die bleek zagen, koud aan. In zijn voorhoofd stonden  diepe rimpels. Niet alleen door de ouderdom hadden zij zijn gelaat doorgroefd. Ook  zorgenrimpels waren daarbij.

‘Ik weet niet eens hoe oud ik eigenlijk ben: tachtig, negentig, misschien wel over de honderd. Ik kan het aanvaarden dat ik eenmaal sterven moet; niemand heeft het eeuwige leven. Maar wie zorgt er dan voor de kinderen, als ik dat niet meer kan doen.’

Zijn gedachten gingen terug naar de avond dat hij in een afgelegen oord langs de huizen was gelopen en stil was blijven staan bij het woninkje van de ouders die op het punt stonden één van de kinderen te verkopen, omdat het gezin in grote armoede verkeerde.

Nicolaas had de angst gezien op het gezichtje van het kind; en de tranen in de ogen van de moeder. De vader, die stil en bleek in een hoekje zat. Ongemerkt had Nicolaas een paar muntstukken door het kapotte glas van het raam op de vensterbank gelegd en de andere dag had hij de meubelmaker die in zijn straat woonde, bij zich laten roepen. Hij vertelde hem over het gezin. De meubelmaker die juist een goede knecht zocht, had de vader van de kinderen in dienst genomen. Vanaf die tijd had de man weer werk en het gezin geld om te leven. Er heerste grote vreugde in die familie: het meisje hoefde niet verkocht te worden.

Zo mijmerde Nicolaas verder. Het vuur in de haard ging langzaam uit en hij kreeg het zo koud dat hij zich in zijn bedstede ter ruste legde.

In een grote stad, in een prachtig huis, doofde in een ruime, gezellige zitkamer, ook het vuur in de haard. ‘Wat is er toch veel veranderd in ons leven’, dacht Alonso. ‘Waar is de tijd gebleven, dat ik geen werk had; dat we op het punt stonden, onze oudste dochter te moeten verkopen. Onze grote armoede. En dan: eerst een paar goudstukken in de keuken, waardoor we weer verder konden leven, zonder van ons lief kind te hoeven scheiden; daarna het bezoek van de meubelmaker en de vraag om knecht bij hem te worden. En nu ben ik zelf eigenaar van een grote meubelmakerij; het gaat ons goed; we zijn gezond en gelukkig.

Juan, mijn vroegere baas, heeft nog eens door laten schemeren aan wie ik dit alles te danken heb: de oude Nicolaas. Maar ik mocht aan hem niets laten merken: Nicolaas wilde niet geprezen worden.

Maar nu, nu zoveel jaren. Ik wil hem laten weten wat er van ons geworden is. Mijn besluit staat vast. Ik ga hem een bezoek brengen.’

De andere morgen al pakte Alonso een koffer in met spullen om een aantal dagen van huis te kunnen zijn en na afscheid genomen te hebben van zijn vrouw en zijn dochter – de enige die nog thuis woonde – vertrok hij met zijn rijtuig. Hij gaf de koetsier opdracht er flink de vaart in te zetten, dan konden ze vóór het donker werd de stad bereiken. Aanvankelijk verliep de reis voorspoedig en ze schoten flink op. Maar in de middag, rijdend over een hobbelige stenen weg, kraakte het onderstel van de koets heel hevig en even later zakte, met het geluid van versplinterend hout, de koets door één van zijn assen. Hortend en stotend kwam hij tot stilstand. ‘Die valt hier niet te repareren,’ zei de koetsier na een kort onderzoek.’ “We zullen hulp moeten zoeken!’  ‘Neem jij het paard,’ zei Alonso tot zijn koetsier en rijd vooruit om hulp. Neem je intrek in herberg “De gouden Sinaasappel”; ik zal me te voet verder begeven; het is nog wel ver, maar vroeg in de avond moet ik er toch kunnen zijn.’
De koetsier haastte zich op het paard om zijn verdere weg te vervolgen. Alonso begon te lopen. De weg werd slechter begaanbaar dan hij zich had gedacht. Door de vele regens, die er de afgelopen dagen waren gevallen, lagen er talloze plassen en de anders zo droge grond was op veel plaatsen veranderd in een modderpoel. Lang niet alle stenen waren te zien en vaak verzwikte Alonso zijn enkels. Heel in de verte zag hij wel de stad opdoemen, maar zijn tocht zou veel langer duren dan hij eerst dacht. ‘Ik kom nooit meer voor donker aan,’ dacht hij. Maar hij stapte dapper voort en ondanks de invallende duisternis, die het lopen niet gemakkelijker maakte, hield hij zijn blik gericht op de omtrek van de stad, die toch naderbij kwam. De maan kwam op en gaf hem het nodige licht om de juiste richting aan de houden. Het moest al wel laat zijn, toen hij eindelijk de eerste huizen van de stad bereikte: de luiken van vrijwel alle huizen waren dicht en slechts door een enkel hartje scheen het licht van een flakkerende kaars.

Gelukkig wist Alonso nog wel de weg, al moest hij af en toe even stilstaan om zich de goede richting te kunnen herinneren. “De Gouden Sinaasappel”, mompelde hij. ‘Rechtdoor en daar bij de brug linksaf, langs het water’.
Daar, even verderop, stond het statige huis van Sint-Nicolaas waar hij morgen op bezoek zou gaan. Nog iets verder de meubelmakerij van Juan waar hij zo lang had gewerkt. Daar zou hij natuurlijk ook even binnenlopen.

In zijn woning kwam de oude Nicolaas juist weer uit bed en bij het licht van een nog nauwelijks brandend kaarsje liep hij moeizaam door de kamer op en neer.

‘Dan moet ik het zo doen,’ sprak hij half dromend voor zich uit.

Hij pakte zijn mijter en liep er mee de koude, donkere gang in. Een klein streepje maanlicht verlichtte de ruimte net zo dat hij de deurknop kon vinden en hij opende de deur. Een koude nachtwind waaide hem tegemoet en deed hem huiveren. Op de stoep zette hij de mijter neer. Even later kwam hij terug met zijn staf en daarna volgden de tabberd, zijn onderkleed met het witte koord. Toen hij alles zorgvuldig op de stoep had gedrapeerd, sloot hij de deur – wetend dat hij die niet meer open zou doen…..

Met een tevreden glimlach om de mond sliep hij in om niet meer wakker te worden, in het volste vertrouwen dat iemand het zou begrijpen.

Alonso was bijna bij ‘De gouden Sinaasappel’ toen zijn oog getroffen werd door een kleine schittering verderop. Hij bleef staan en zijn ogen samenknijpend, keek hij wat die lichtspeling kon betekenen. Daar bewoog zich iemand; iemand met een bisschopsstaf in de hand waarop maan – of sterrenlicht weerkaatste. Wat gebeurde daar? Dicht tegen de huizen aan sloop Alonso naderbij. ‘Wie is dat op de stoep van het huis van Sint-Nicolaas?’ Half verscholen in een portiek zag Alonso hoe de wat krom lopende mens opnieuw naar buiten kwam en naast de mijter die hij in een hoekje op de stoep ontwaarde nu ook een wit en rood kledingstuk neerlegde. Alonso wiens ogen nu meer aan de duisternis gewend waren, zag in het flauwe schijnsel van de maan dat het een man was met een lange, zilverwitte baard.

Alonso vroeg zich vertwijfeld af wat dit te betekenen had en wachtte op wat verder komen ging. Maar er gebeurde niets meer. De grijsaard kwam niet opnieuw naar buiten. Het bleef stil in de straat. Alonso, nog altijd zo onopvallend mogelijk langs de huizen lopend, naderde het huis waar zo-even die geheimzinnige gebeurtenis had plaats gevonden.

‘Ja, dit is het statige herenhuis van Nicolaas, dat herinnerde hij zich heel goed. Maar wie legde dan de kleren van de bisschop buiten op de stoep. En waarom. Stel je voor dat iemand die meeneemt. Dan kan Nicolaas niet meer onder de mensen verschijnen en helpen, zoals hij mij en ons gezin ooit hielp. Zou hij dat trouwens nog wel kunnen, hij moet zo langzamerhand toch wel stokoud zijn geworden.’

In een opwelling pakte Alonso alle spullen van de stoep en droeg ze behoedzaam naar de herberg waar hij die nacht zou slapen. Maar van slapen kwam niet veel. Het ‘waarom’ van wat hij had gezien, hield hem klaar wakker. Hij wist het niet en tegen de ochtend viel hij van vermoeidheid toch in slaap. Hij schrok wakker toen er op de deur van zijn kamer werd geklopt: ‘Heer, het is tijd om op te staan’, klonk de stem van de herbergier. Met een schok kwam Alonso overeind. ‘Ik moet me haasten’, dacht hij, ‘ik moet Nicolaas helpen’. Die gedachte overrompelde hem: ‘Ik moet Nicolaas helpen!….. Natuurlijk, dat was de stille wenk die sprak uit de spullen op de stoep. De vinder moet zo zijn als Nicolaas! Maar kan ìk dat wel,’ dacht Alonso. ‘Ben ik wel waardig en ernstig genoeg om zo als Nicolaas door het leven te gaan. Ik ben het niet, maar als ik het wil, dan word ik het. En ik wil het. Zijn besluit stond vast. Niemand hoefde Nicolaas te missen’.

En zo gebeurde het dat Alonso – eigenlijk een Nicolaas de Tweede – voortging in de voetsporen van zijn voorganger.

Je begrijpt, dat ook deze Alonso niet het eeuwige leven had. En toen hij zijn einde voelde naderen, deed hij hetzelfde als de Nicolaas vóór hem: hij legde zijn spullen bij de voordeur.

En een derde Nicolaas kwam en een vierde en zo velen daarna.

En ook vandaag de dag. Wie een echte Nicolaas wil zijn, hult zich in de Sint- Nicolaaskleren en treedt met ernst en liefde de kinderen en de volwassenen tegemoet.

De eerste Nicolaas is lang geleden gestorven, maar de goede mens die hij was, leefde voort in Alonso en in alle anderen die na hem kwamen. En daarom mogen we gerust zeggen dat Sint-Nicolaas nog altijd leeft en zo langzamerhand honderden jaren oud is.

Toen je kleiner was, kon je dit allemaal nog niet zo begrijpen. Nu wel! Nu kun je zelf ook een Sinterklaas zijn!l Dat gaan we met elkaar in onze klas zo goed mogelijk proberen en daarom gaan we nu lootjes trekken en kunnen we aan de slag om voor de ander een waardige Nicolaas te zijn. Als je elkaar met ernst en liefde tegemoet treedt…..

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

367-346

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (27)

.

SINTERKLAAS BESTAAT NIET……

Het slaat een keer toe: het twijfelen aan het bestaan van Sinterklaas. Bij het ene kind wat eerder, bij een ander wat later. Dat hangt van veel factoren af: oudere kinderen – meestal niet de oudere broertjes en/of zusjes: als die ‘ingewijd’ zijn proberen ze het ‘grote geheim’ nog wel even te bewaren.

Het zijn vaak de andere (oudere) kinderen die het geheim bewust of minder bewust verklappen.

En kinderen zijn meestal  goede waarnemers.
Toon Hermans wees ons daar als geen ander op.

Een andere impressie:

Vol verwachting klopt ons hart

‘Op de hoge, hoge daken rijdt de bis­schop met zijn knecht’. Als vijfjarige loop ik te dromen over ’t paard en die schuine daken – nog geen probleem. Moeder legt aan een ouder kind uit: ‘Ja, bij de alleen­staande huizen stapt ’t paard even van ’t dak’. ‘O’.

’s Avonds staan de schoentjes klaar bij de warme zwarte potkachel – mijn blik volgt telkens de kachelpijp, die uitmondt in de kachel. ‘Nina, (kinderjuf) komt ’t lekkers dan niet in ’t vuur terecht?’ – ‘Dat moet je mij niet vragen kind, je vindt ’t lekkers toch in je schoen?’ Nu toch een probleem.

Een jaar later, na een bezoek van de Goede Sint op school meegemaakt te heb­ben, vraag ik thuiskomend: ‘Waarom heeft Sinterklaas watten op zijn wangen?’ Ant­woord: ‘Dat heb je niet goed gezien, ’t is zijn witte baard’. ‘Nee toch, ik heb ’t echt gezien, ’t zijn watten’.

Nog een paar jaar later, 5 december ’s middags om half vier. Starend over de grijze Scheveningse bosjes zie ik mijn vader zoals gewoonlijk gaan wandelen. Over de tafel ligt alleen deze dag een bruin-oranje kleed, een schaar erop, alles voor de pak­jes. Hevig is het verlangen naar vaders te­rugkomst, dan gaat ’t feest beginnen.

Een generatie verder. Op het raam hangt een adventskalender, er is nog niet veel op te zien. Sinterklaasfeest staat straks voor de deur. We zingen onder ’t naar bed brengen met de kinderen ‘Het daghet in het Oosten’. Met volle overtui­ging zingen de kinderen: ‘Hij komt de wol­ken troosten’. Als het liederenrepertoire uitgebreid wordt met ‘Midden in de win­ternacht, gaat de hemel open’, zingt een kind blijmoedig: ‘een engel met ivoren snuit’ (fluit) (geen probleem).

Sinterklaas vereert ons met een bezoek, klimt moeizaam de hoge trap van ’t bo­venhuis op. Een driejarige glipt door de kamerdeur de gang op, ziet de rode mijter steeds dichterbij komen. Als Sinterklaas in de gang staat, zegt de peuter: ‘Wat heeft die meneer een mooie hoed op!’ Na ’t bezoek hoor ik zeggen: ‘Wat lijkt Sinter­klaas op meneer Koos hè?’ Ik denk aan de wattenbaard van vroeger en kan het vol­mondig beamen.

(Wendela van Mansvelt, Jonas 6 13-11-1981)

 

Het is voor veel ouders een probleem:

HOE VERTEL IK DAT SINTERKLAAS NIET BESTAAT

Ik vond in een krant – naam en datum onbekend – het volgende artikeltje:

Het grote geheim van Sinterklaas:
‘Papa, denk je dat Sinterklaas het erg vindt dat ik niet meer in hem geloof?’
Deze vraag van een kind met een wankelend geloof raakt de kern van het dilemma waar veel opvoe­ders mee worstelen: hoe en wan­neer vertel ik mijn kind dat Sinter­klaas niet bestaat?
Pedagoog dr. Bas Levering, werk­zaam aan de Universiteit Utrecht en aan de Fontys Hogescholen, vindt dat kinderen zo lang als kan, recht hebben op het geloof in de goedheiligman: „Kinderen leven tot vier, vijf jaar in een magische wereld. Sinterklaas past daar pri­ma bij. Kinderen zwelgen in het verhaal. Het maakt voor hun ervaringen niet uit. Een grote man in zo’n pak en mijter, de Zwarte Pie­ten. De omgetoverde wereld vin­den ze fijn. Zelfs als ze al weten dat hij niet bestaat. Een volgend jaar zakken ze gerust weer terug in hun geloof Omdat ze dat prettig vinden.”

Levering vindt Sinterklaas – on­langs gekozen tot nummer één van de belangrijkste honderd tradi­ties in ons land – ‘het mooiste wat er is’. Ook om pedagogische rede­nen. „Het is fantastisch om te zien dat kinderen zelf langzaam door­krijgen dat Sinterklaas niet bestaat. Het is voor hun ontwikkeling zeer belangrijk. Als kinderen ‘het’ een­maal weten, komen ze aan de andere kant van de streep, bij de vol­wassenen te staan. Ze voelen zich groot. En kijken opeens heel an­ders aan tegen kinderen die wel ge­loven.”

Eigenlijk staat de hele sinterklaastraditie haaks op de huidige
opvat­tingen over opvoeden, stelt Leve­ring: „Tegenwoordig wordt alles gladgestreken. De ontwikkeling van een kind zou een doorgaande lijn moeten zijn. Maar dat is na­tuurlijk niet zo. Sprongen maken in de ontwikkeling is goed.”
Tegenstanders van liegen zijn er ook. De Amsterdamse pedagoge Channah Zwiep verklaart – op de website opvoeden doe je zo – dat ze haar eigen dochter al op 2-jarige leeftijd ‘op heel laag niveau’ vertelde dat Sinter­klaas niet echt bestaat maar dat het een mythe is. „Kinderen gelo­ven 110 procent in Sinterklaas, en dan blijkt dat verhaal later niet te kloppen. Ik ben nog steeds blij dat ik niet heb gelogen tegen mijn kind.”

En psychotherapeute Riekje Bos­wijk-Hummel schreef in 1988 al het boek De shock van Sinterklaas. Met verhalen van getraumatiseer­de volwassenen. Ouders logen te­gen hen over Sinterklaas en daar­om vertrouwen ze niemand meer. Levering herkent het, maar zo trau­matiserend is het natuurlijk zel­den. „De meeste kinderen ervaren het niet als bedrog.”

‘Goed kijken naar je kind’, is daar­om zijn advies. „Als het zo’n acht jaar is en nog steeds gelooft, moet je het een handje helpen en het wel vertellen. Anders komt het kind alleen te staan, wordt het uit­gelachen of gepest.” Een kind onnodig lang ‘gelovige ziel’ laten zijn, is evenmin goed. Le­vering: „Als een kind het door­krijgt, en ouders gaan het tegen­spreken, dan is er wel sprake van bedrog. Ouders vinden al die gelo­vige kinderen, de blijde gezichten zelf vaak veel te leuk. Maar dat mag geen reden zijn om te liegen tegen je kind.”

Er worden ook tips gegeven:

tips voor ouders van een (on)gelovig kind

Vertel niet in de sinterklaasperiode maar bijvoorbeeld in de zomer dat Sinterklaas niet bestaat. Dan komt het niet zo hard aan, en wordt de sintpret niet bedorven.

Vraag een twijfelend kind tussen neus en lippen door: ‘Weet je al van het geheim van Sinterklaas?’ en kijk hoe het reageert.

Houd er rekening mee dat kinderen vanaf groep vijf van de basisschool vaak al surprises voor elkaar maken. Er worden lootjes getrokken. Licht een leerkracht in, en be­denk een oplossing als een kind nog in Sinterklaas ge­looft.

Islamitische kinderen geloven niet in Sinterklaas. Thuis wordt het feest ook niet gevierd. Als uw kind (veel) met islamitische kinderen omgaat, kan dat verwarring opleveren.

Wees er alert op dat een kind wel­licht al langer niet gelooft maar be­wust zijn mond houdt uit angst om cadeautjes mis te lopen.

Bedenk of u zelf nog weet hoe en wanneer u erachter kwam dat Sinter­klaas niet bestaat. En was die ervaring traumatisch of niet? Het kan van nut zijn bij gesprekken met uw kind.

Betrek een kind dat niet meer gelooft, in het spel. Dat voelt zich daardoor heel erg groot.

Bamber Delver, algemeen directeur Stichting Kindercon­sument, schreef Het grote geheim van Sinterklaas. Het gaat over een jongen die boos is op zijn moeder omdat zij tien dagen voor de verjaardag van Sin­terklaas onthult dat sint niet bestaat. Het geeft zijn boze en verwarrende ge­voelens weer. Het boek Het grote ge­heim van Sinterklaas, een boek alleen voor grote kinderen kan helpen bij gesprekken over de onthulling. Er is een thuisversie en een schoolversje met tips.

0-0-0

Verschillende keren is hier sprake van ‘liegen’, ‘bedrog’. En dat is wel het laatste wat je wilt: tegen je kind liegen of het voor de gek houden.

Uit dit gedicht komt nog iets anders naar voren:

Voor alle OUDERS die twijfelen

 Sint-Nicolaas

Sint-Nicolaas, Goedheiligman,
die oud is, maar niet sterven kan,
zolang nog ergens op de aarde
een mensenkind zijn droom, bewaarde.

Maar kleine kinderen worden groot
en telkens moet hij dat beleven
en elke keer verschrikt hij even,
en telkens gaat hij even dood.

Totdat, van ver, een kleine stem
voor het eerst en huiverig gaat zingen
van de oude 5 decemberdingen.
En zie, dat lied betovert hem.

Zijn ogen worden groot en licht,
er komt een glans op zijn gezicht.
Hij mag dit jaar opnieuw bestaan,
dat heeft een kinderstem gedaan.

Laat in ons hart, waar dat mensenkind
van vroeger nog zijn plekje vindt,
de Goede Sint ook blijven leven,
zodat we daarvan kunnen geven.

Dááruit schenken het geloven
want dat gaat alles toch te boven,
In Sint en Piet en oude tijden,
Het is veel waard daarvoor te strijden.

Sint-Nicolaas, Goedheiligman,
die oud is, maar niet sterven kan,
zolang je als dat mensenkind
Sint steeds weer in je hart hervindt.

Harriët Laurey

Ook ik kreeg met dit verschijnsel te maken: als ouder, maar vooral ook als leerkracht.

Ik wilde iets vinden waarbij de kinderen helemaal niet het gevoel zouden hoeven krijgen dat ze ‘bedrogen’ werden. zoals hierboven door ouders ervaren. Dat ze niet het gevoel zouden hebben dat de ouderen tegen hen logen, hun voor de gek hielden.

Ze zouden moeten kunnen ervaren dat ze ‘nu zo groot geworden waren, dat ze HET kunnen begrijpen; en dat ze vanaf nu ook mee kunnen doen met de groten als geschenk aan de kleintjes.’

Ik had dus wel een ‘motief’, maar geen uitwerking daarvan. Nu weet ik niet meer of ik ‘iets’ heb gelezen of gehoord; het kan zijn dat mijn verhaal op de een of andere manier bestaat.

Want dat ik het geheim moest onthullen middels een verhaal, stond voor mij wel snel vast. Alle andere korte verklaringen blijven in wezen toch gewoon nuchtere mededelingen die het gevoel niet raken of toch juist dat gevoel van ‘bedrogen’ oproepen.

Ik heb het geluk gehad dit verhaal of een bepaalde vorm daarvan, aan verschillende kindergroepen te kunnen vertellen.

Na afloop was er steeds een diepe stilte en viel het begrip naar volle tevredenheid op zijn plaats:  ‘wij zijn het zelf – Sint Nicolaas –

En als je hem in de sinterklaastijd wilt zijn, dan doe je ook als Sinterklaas: in de keuze van je geschenkjes aan de ander heb je met aandacht op de ander gelet; in je gedicht heb je met een milde, maar liefdevolle spot, iets van de persoon opgemerkt, maar ook met bewondering zijn of haar te prijzen eigenschappen of daden. Is je surprise met zorg gemaakt (en niet pesterig met veel stroop, b.v.) Al mag een vaak te laat komend kind wel een grote wekker krijgen waarin het cadeautje zit verstopt.
Om grote cadeauverschillen te vermijden spraken we altijd een bedrag af: iets van rond de …..euro.

De verhalen over de twijfel die veel kinderen al hadden – ik vertelde het verhaal in de 3e klas – dan zijn de kinderen 9 à 10 jaar – waren kostelijk om aan te horen.

In die klas werden voor het eerst lootjes getrokken en surprises gemaakt.

Van een aantal oudleerlingen weet ik dat ze het verhaal indrukwekkend vonden en dat zij nooit het gevoel hebben gehad voor de gek te zijn gehouden.
.

Voor mijn verhaal zie Sint Nicolaas 28

Pieter HA Witvliet

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

366-345

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (26)

.

SINT-NICOLAAS IN DE POPPENKAST

Spelers:
Sint-Nicolaas, Zwarte Piet, Jan Klaassen en Katrijn.

Benodigdheden:
2 klei­ne klompen of poppenschoentjes,
1 grotere (bijvoorbeeld een kinderlaarsje),
een roe.

Het verhaaltje dat hieronder volgt, kan op allerlei manieren uitgewerkt en aangevuld worden. Het is bedoeld als stramien voor een eenvoudig poppenkastspelletje voor kleuters, dat zonder veel voorbereiding in een heel eenvoudige poppenkast gespeeld kan worden.

 

Jan Klaassen vertelt, nadat hij de kinderen begroet heeft, dat Katrijn en hij hun schoen gaan zetten. Hij roept met behulp van de kinderen Katrijntje, die haar schoen nog poetst.

Jan Klaassen wordt tegenstribbelend wegge­stuurd om zijn klomp van modder te ont­doen, die hij eerst met zijn mouw wil afve­gen. Katrijn zet intussen een bakje water neer voor het paard. Jan Klaassen komt te­rug met een grote wortel, en met een grote laars. Verbazing bij Katrijn. Jan Klaassen ver­telt wat verlegen dat hij zijn eigen klomp zo klein vindt. Katrijn vindt hem hebberig en onder druk van haar verontwaardigde argu­menten ruilt Jan Klaassen met wat spijt de grote laars voor zijn eigen klomp. Ze zingen nu (met de kinderen) een Sinterklaaslied, zeggen welterusten en gaan naar bed. Even later verschijnt Jan Klaassen opnieuw, vraagt fluisterend of de kinderen heel stil willen zijn, omdat Katrijntje anders wakker wordt en stilletjes, zonder iets te zeggen ruilt hij z’n eigen klomp toch weer voor de grotere laars. Hij fluistert nog even met de kinderen over wat er de volgende morgen allemaal in deze mooie grote laars zal zitten en besluit om heel vroeg op te staan. Jan Klaassen opnieuw naar bed. Even later komt Zwarte Piet poolshoogte nemen en brengt onder goedkeurend gepraat de wortel en het bakje water naar het paard. Hij legt iets in Katrijns schoen en verbaast zich dan over de enorm grote laars, die onmogelijk van Jan Klaassen kan zijn. Met behulp van de kinderen ontdekt hij wat er gebeurd is. Piet roept Sint-Nicolaas en deze besluit dat er niets anders op zit dan de roe in de laars te doen. Beiden gaan af.

Jan Klaassen komt ’s morgens vroeg opge­wekt zingend de kamer binnen, rent naar zijn laars en schrikt enorm. Hij jammert en huilt als hij ziet wat hij heeft gekregen. Katrijn, geschrokken van het lawaai, komt aanhollen, wil eerst Jan Klaassen troosten, maar als ze ontdekt wat er gebeurd is, wordt ze furieus en geeft Jan Klaassen een pak slaag met de roe. Als haar woede bekoeld is en Jan Klaassen getroost, bedenken ze samen hoe Jan Klaassen het weer in orde kan ma­ken, bijvoorbeeld door iets voor Sinterklaas te maken en dat ’s avonds bij de kachel neer te leggen.

Katrijn deelt haar lekkers met Jan Klaassen en hij belooft niet meer zo hebberig te zijn.

Wie nog andere ideeën voor een Sinterklaasspel zoekt, kan inspiratie vinden in de vol­gende boeken:

Het verhaal van Sinterklaas die zijn muts ver­loren had
W.G. van der Hulst, uitg. Callenbach.

Lichten van de Kersttijd
Hermien IJzerman. Eigen uitgave.

Sinterklaas en de struikrovers
Harriët Laurey, uitg. Holland.

Meer over het maken van poppenkastpoppen is te vinden in:

Speelgoed om zelf te maken – Freya Jaffke, uitg. Christofoor.
st.nicolaas poppenkastJan Klaassen en de poppenkast – A. Weissen-berg e.a., uitg. Christofoor.

Voor ’t hoofdje: stukje tricot, bijvoorbeeld hiel of teen van een sokje opvullen met ge­plozen schapenwol. Van stevig papier een ko­kertje maken dat ruim om de wijsvinger past en in het hoofdje gestoken wordt. Haren van uitgehaalde breiwol of gekleurde schapenwol. Onderkleed maken met handjes van dubbel vilt (duimpje boven), waar duim en middel­vinger in gestoken kunnen worden. Aan de hals vastnaaien. Hieroverheen een gekleurd capeje voor Piet, van voren kort zodat de handjes vrij blijven, en een kraag van gerim­peld wit crêpepapier.
Sint krijgt natuurlijk een wit onderkleed met daaroverheen een rode mantel; zelfde model maar met wijde mouwen en van voren open, goud afgebiesd.

(Jenny Crum en Annet Schukking, Jonas 6, 13-11-1981)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

365-344

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (25)

.

SNOEPGOED

In het sintnicolaassnoepgoed kunnen we nog het beste waarnemen wat de oor­spronkelijke bedoeling van dit inleidende midwinterfeest was.

Teruggaand naar de tijd vóór het chris­tendom hier te lande betekenis kreeg, werd in deze streken een feest gevierd dat grote verwantschap toont met ons feest van de goed-heilig-man. In zekere zin was het ook een kinderfeest, zij het een afscheidsfeest van het kind-zijn.

Vóór de grote Joelfeesten begonnen, had­den de inwijdingsplechtigheden plaats, waarbij de jongelingen die de geslachtsrijp­heid hadden bereikt, beproefd werden op moedig gedrag, uithoudingsvermogen, e.d., waarbij de roede niet werd gespaard (zo werd de roede tot zinnebeeld van de vrucht­baarheid), om daarna bij de eerstvolgende Joelfeesten onder de mannengemeenschap te worden opgenomen. Ook de jonge meis­jes werden voorbereid op de taak van jonge vrouw in de aanstaande echtverbin­tenis en gezinsvorming.

Ernstig werden de jonge mensen onder­houden (de meisjes door de oudere vrou­wen, de jongens door de wijze mannen) over hun toekomstige taak in het leven van hun stam en familie. Ze werden ge­wezen op hun verhouding met de hun omringende wereld en de sterrenwereld boven hen. Het afsluitingsfeest van de proeftijd viel omstreeks 5 december.

Zoals bij ieder feest nam het gebak een grote plaats in bij de viering. Aan de vooravond van de grote gebeurtenis had de moeder op de haardplaat onder het rookgat, die de verbinding met de sterren­wereld vormde, in het midden van de hut, koekjes, — wel primitief van vorm, maar duidelijk te herkennen — neergelegd.

De volgorde waarin ze lagen was die zoals de schepping ze liet ontstaan: zon, maan, boompje, de dieren: vis, vogel en viervoeter.

Men riep ieder afzonderlijk bij de naam en wanneer de jonge mensen dan neerknielden om deze symbolen te bekijken en zich de zin er van voor de geest te halen, strooide één der ouderen zeer kleine koekjes over hen uit als een sterrenregen, als om eraan te herinneren, dat ze verbonden waren met de sterrenwereld waaronder ze leefden.

Gedichten in stafrijm ter ere van Odin werden aangeheven. Daarop legde men zich ter ruste en als de nacht over dit alles was heengegaan, werden ze ’s ochtends ver­blijd met een grote koek in de ‘onbeholpen’ vorm van een mens. De jongens kregen een vrouwenfiguur, de meisjes een koek in de vorm van een man.

Wederom symbolisch, werd aan de jonge man en de jonge vrouw gegeven, dat, wat hun mensenbeeld op aarde volledig kon maken. Zo gingen ze de Joeltijd tegemoet in een nieuwe waardigheid, om deel te ne­men aan de offer- en vereringsfeesten van Odin, de op zijn witte paard door de wol­ken rijdende grote geest (gehuld in een wijde mantel, dragende een eerbiedwaardi­ge witte baard).

Deze figuur werd later gekerstend en de heilige Nicolaas, bisschop van Myra bood een goede plaatsvervanger voor Odin. Vele oude gebruiken bleven in zwang, maar ver­loren op den duur hun diepe betekenis.

Gaan we bovengenoemde beelden nog eens na en vergelijken we die met elkaar: de schoorsteen, de naamroeping en tegen­woordige chocoladeletter, de roede, het snoepgoed zoals suikerbeesten, strooigoed, taaipop, vrijers en vrijsters, enz., dan blij­ken  gebruiken en symbolen zinvol samen te hangen.

(Fr.Hardam-v.Omme, Jonas, nadere gegevens ontbreken; hier en daar onleesbare zinnen, door mij aangevuld)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

364-343

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (1)

.
 Jonas 7, 28-11-1986*
.

 DE BARMHARTIGE NIKOLA

Al zijn we nog zo’n calvinistisch volk, Sint-Nicolaas is niet weg te denken. ‘Over zee’ komt hij een paar weken voor 5 december aangevaren en iedereen die kinderen heeft, moet hem zien. Hij treedt voor korte tijd in verschijning en dan gaat hij weer, in de nacht voor zijn sterfdag, 6 december, zonder dat iemand het opmerkt.

Ondanks de aanval van de commercie, die 5 de­cember tot een gigantisch pakkettenfestijn maakt, blijft Sint- Nicolaas het feest van de kleinigheid, het grapje en de lichte terechtwijzing. Sint-Nicolaas is er speciaal voor de kinderen: het wonder van de verrassing in jouw schoen, met jouw naam erop en de geheimzinnigheid van het weten van jouw deugden en ondeugden. Komt hij op bezoek, dan is hij als bisschop gekleed en durf je hem, bevangen door bewondering, nauwelijks een hand te geven.

Heel anders leeft de heilige Nikola in de verhalen van het Russische volk. In Nikola de Barmhartige, een prachtige verzameling vertellingen, bijeenge­bracht en bewerkt door Alexéj Remizov, en dezer dagen* nieuw uitgegeven, lees je het volgende:
‘Nikola is een oude man, gekleed als een gewone Russische boer, die door het onmetelijke Rusland zwerft. Met een rugzak over zijn schouders en een stevige stok in zijn hand, zoals het een echte zwer­ver of landloper betaamt, trekt hij door het land; hij overnacht bij arme mensen; hij brengt hulp, waar zijn hulp nodig is, maar hij doet het onopval­lend. Hij is door en door menselijk, een vriendelij­ke oude man, die het leven met al zijn moeilijkhe­den en lasten goed kent, die ook de zwakheden der mensen kent en van de mens geen onmogelij­ke dingen verlangt. Wanneer ge in nood verkeert, wendt u gerust tot Nikola! Dat doet de Rus dan ook.’

Het hele jaar aanwezig kun je hem overal tegenko­men. Meestal eerst niet herkend openbaart hij zich, ingrijpend in het praktische leven der men­sen, steeds als de ‘Barmhartige’. Een icoon van Ni­kola hangt in het huis van iedere gelovige. Vroeger op de wand waar het oog op viel als je een woning binnenkwam. De eerste groet was dan vanzelf­sprekend voor Nikola. Nu wordt zijn beeld vaak verstopt op een onopvallend plekje. Op 18 de­cember echter, aan de vooravond van de dag spe­ciaal aan hem gewijd, zijn de kerken ook nu nog boordevol. Hij wordt aanbeden en om raad ge­vraagd als de bemiddelaar tussen de mensen en Christus.

Sint-Nicolaas: alle verhalen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

363-342

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (13-1)

.

Hier volgt een verhaal van Dan Udo de Haes.
Hij schreef vier bundels rond de jaarfeesten met als titel ‘Zonnegeheimen’.

Het verhaal over de waskaars staat in deel 1 ‘Advent, Kerstmis, winter.

Hoewel de taal soms wat gedateerd is, is het motief zeer bruikbaar. Ik heb het vaak verteld – hier en daar wat aangepast met eigen zinnen.

DE ONGELUKKIGE WASKAARS

In de la van een oud kabinet werd eens een mooie glanzende waskaars gelegd. Hij was van echte bijenwas gemaakt en daardoor rook hij naar honing en was zo half en half doorzichtig, zoals men dat tegenwoordig haast niet meer ziet. Maar de mooie waskaars kwam hier terecht tussen een hoop oude rommel en waardeloze lorren, die al jaren lang in de la hadden gelegen en die daardoor eigenlijk niet veel bijzonders te vertellen hadden.

Daar was bijvoorbeeld een mager oud vouwbeen dat nooit meer gebruikt werd, een rondachtig stenen voor­werp, dat diende om papieren onder zich te bewaren, een onafgemaakt breiwerkje, waar men niet meer aan dacht, een oude pennenbak met enige penhouders erin, die opzij waren gelegd toen de mensen vulpennen kregen, een paar versleten stoflappen, die men vergeten had weg te gooien en nog enkele meer van zulke dingen.

De waskaars kwam hier als een nieuweling bij en hoe­wel hij dat zelf natuurlijk niet wist, was hij door de mensen net pas gemaakt. Hij voelde echter wel, dat hij de enige jonge ziel was tussen al deze oudgedienden. Vandaar ook dat het een hele opschudding teweeg bracht toen hij bin­nen kwam. De pennenbak, de papierbewaarder en het vouwbeen knepen alle drie tegelijk hun neus dicht en spotten en mopperden met elkaar over die rare lucht die daar in de la kwam. Zij konden zich namelijk niets anders meer herinneren dan het muffe luchtje waarin zij zelf al sinds onheuglijke tijden gelegen hadden en alles wat anders rook, vonden zij niet zoals het hoorde. Een enkele keer hadden zij al eens iets te ruiken gekregen, dat zij niet in de haak vonden, zoals bijvoorbeeld een stukje nieuw leer of iets dat van vers hout gemaakt was, maar dat was nog niets, vergeleken bij de zoete honinggeur van deze vreemdeling, die de hele la verontreinigde! Die was gewoonweg niet om uit te houden! Bovendien was dat nog niet het enige! Dat nieuwe ding was daar binnen­gekomen met een pronkende glans, die de ogen van de oude luitjes eenvoudig verblindde. Nu, daar kon men over denken zoals men wilde, maar voor bejaarde dingen, die wisten hoe men zich te gedragen had, was dat een onhebbelijkheid, die alle perken te buiten ging.

Zo werd dus de jonge lichte waskaars niet bijzonder vriendelijk ontvangen en alle labewoners deden even bits en terughoudend tegen hem. Twee dingen alleen deden anders; dat waren een doosje lucifers en een kandelaar. Die waren namelijk de enigen in dit tehuis die wel eens in de buitenwereld kwamen en die wisten, dat daar nog wel wat anders te beleven viel! Zij lagen echter aan de andere kant van de la en daarom konden zij helaas toch niet met de waskaars omgaan. Maar uit de verte hoorde het jonge ding het lucifersdoosje wel eens iets vertellen van „daarbuiten”. Dan meende hij zo iets op te vangen van „licht” dat je zelf in de duisternis kunt maken, van „vuur” dat je in anderen kunt doen ontbranden en van dergelijke wonderlijke dingen meer, die in die grote wereld schenen te gebeuren. Maar het leek wel of er be­halve de kandelaar eigenlijk niemand hiernaar luisterde. Ach hoe graag zou de waskaars zijn plaats geruild hebben met een van die onverschillige oude stamgasten die daar bij het lucifersdoosje lagen! Maar van plaats te verwisse­len behoorde in de la tot de meest onbetamelijke dingen. Waar je lag daar bleef je liggen en daar viel niet aan te tornen!

Zo lag de jonge onervaren nieuweling hier eenzaam en ongelukkig tussen al die grommende en brommende oude lui en daar zijn glans nergens op hen weerspiegelde en evenals zijn geur overal afgekeurd en bespot werd, begon hij te geloven, dat het werkelijk hele slechte dingen waren, die hij bezat en dat het eigenlijk vreselijk was, dat hij ze om zich heen verspreidde. Daarom probeerde hij voortaan, ze maar zo veel mogelijk bij zich te houden. Helaas hielp dat niet veel, want hij kon ze toch niet ver­stoppen en hoe meer hij zijn best deed om net zo dof te zijn en net zo muf te ruiken als de andere dingen, des te meer werd hij bespot en uitgelachen. Ach, er was wel niemand in de la, die zichzelf zo slecht vond en die zich zó ongelukkig voelde als de jonge waskaars!

Eens op een dag was er een grote opschudding in de la. Er had namelijk zo iets als een aardbeving plaats! Waar­schijnlijk was er een grote hond tegen het kastje gespron­gen, of misschien had iemand het een beetje onvoorzichtig verschoven. Dat was voor de wezens daarbuiten niet veel bijzonders, maar voor de bewoners van de la was dat een aardbeving! Zij werden heen en weer geslingerd en door elkaar geschud en kregen tenslotte een heel andere ligging. Beduusd keken ze rond, toen ze van de eerste schrik be­komen waren… Ach, wat zag er alles nu anders uit! Het leek wel een andere wereld! Wat eerst ver af was, was nu dicht bij en waar men zich vroeger zowat aan stootte, was nu onbereikbaar ver geworden. Wat een moeite om nu opnieuw te weten te komen, wat gewoon of wat niet gewoon was en wat goed of slecht gevonden moest wor­den! Maar daar de duisternis en de muffe lucht dezelfde waren gebleven en daar alle wezens na de schok weer even stil kwamen te liggen als voorheen, waren de nieuwe regels toch weer gauw gevonden. En ziet, het bleek al spoedig, dat die eigenlijk precies dezelfde waren als de oude en dat er niets veranderd was in de wereld van de la. Vóór alles waren alle oude dingen het erover eens, dat de waskaars met zijn glans en zijn geur na de aardbeving even onmogelijk was gebleven als tevoren. Ja, het was nu zelfs nóg erger met hem geworden, want hij glansde meer dan hij ooit had gedaan.

En… zij hadden gelijk! Want wat was er gebeurd?

De waskaars was door de schok geworpen naar de voorkant van de la, waar er een kier zat tussen de planken en daar was hij juist voor komen te liggen. Door deze kier kwam een beetje daglicht naar binnen en dat drong in de waskaars. Zo kwam het, dat zijn glans nog was toege­nomen.
Foei, foei, wat een verblindend licht en wat een schan­de in de ogen van die oude lieden!
Maar… de waskaars kon door de kleine kier naar buiten gluren.
En wat zag hij daar? .
Een heel nieuwe wereld!
Een wereld van licht!

En in die lichte wereld waren vreemde wezens, wezens die er heel anders uitzagen dan alle dingen in de la. Zij lagen niet stil, zoals dit onder de deftige l-bewoners de gewoonte was, maar bewogen zich voort op twee lange steunsels die onderaan zaten. Iets hoger aan hun lijf hadden zij twee kleinere uitsteeksels, waarmee zij allerlei konden aanpakken en doen. Het leek zelfs wel, of zij met die uitsteeksels andere dingen konden maken! Dat scheen de waskaars een wonder toe! Zoiets gebeurde in de la nooit! Maar hij zag nog meer: Boven op hun lichaam droegen die wezens een grote bal met allemaal deuken en hobbels en ook met twee spiegeltjes erin. Of waren dat lichtjes? Dat was niet goed te zien, want soms spiegelden zij en soms straalden ze net als de sterren.

Kijk! deze wezens glansden dus wel!, dacht de kaars bij zichzelf. En het scheen wel of zij het ook helemaal niet slecht vonden om te glanzen! Zou hij misschien met hen verwant zijn? Hij voelde zich in elk geval erg tot hen aangetrokken. Maar wat zouden het toch voor wezens zijn? Zouden dit misschien die „mensen” zijn, waar in de la wel eens van verteld werd?

Er werd erg verschillend over hen gesproken.

De oude voorwerpen konden zich nauwelijks meer iets van de mensen herinneren. Vroeger waren ze wel met hen omgegaan, maar dat was al zo ontzettend lang geleden en tegenwoordig vonden ze hen alleen maar vervelend. Dat was geen wonder, want die „mensen” waren de enige wezens die telkens hun rust verstoorden. Dat deden zij namelijk door de la open te schuiven, waarbij er een akelig fel licht naar binnen viel en waarbij het gezelschap in de la telkens geheel in de war werd gebracht. Want al was ’t dan nog niet zo’n „aardbeving” als van daareven, toch werd er dan gerommeld en gestommeld, geduwd en ge­stoten en duurde het een heel lange tijd, voordat de rust was teruggekeerd. Zo werd er over het algemeen niet erg gunstig over die „mensen” geoordeeld. De enigen, die wat goeds van hen wisten te vertellen en die zich min of meer bevriend met hen schenen te voelen, waren weer dezelfde makkers die zich daar nog altijd aan de andere kant van de la bevonden: de kandelaar en het lucifersdoosje. Bij het lucifersdoosje was daar nog een persoonlijke reden  voor, want dat licht in de duisternis, waar het van verteld had, kon het namelijk zélf maken. Maar… de mensen moesten hem daarbij helpen. Zonder hen kon hij het niet klaarspelen. De kandelaar echter voelde zich vooral dank­baar, omdat hij alle feesten van de mensen bij mocht wo­nen en omdat hij hierbij een zeer verantwoordelijke per­soonlijkheid was. Daardoor was het ook te begrijpen, dat hij steeds glom van plezier als de la open ging.

Nadat nu de waskaars al deze aardige en minder aardige dingen had horen vertellen, was het niet te ver­wonderen, dat hij popelde van nieuwsgierigheid om van die menswezens meer te weten te komen. Het allerliefst zou hij eens een tijdje in hun wereld willen zijn en zelf beleven of het allemaal waar was, wat er van hen verteld werd. Zouden zij werkelijk alles wat er in iemand was licht kunnen laten geven? Het lucifersdoosje had dat im­mers zelf verteld! En als zij dat deden, zouden zij dan zijn glans misschien ook niet zo erg slecht vinden?… Maar ach, hij was er natuurlijk niet goed genoeg voor om bij hen te zijn. Kijk, daar waren vele dingen om die mensen heen, die precies leken op de oude gezellen in de la. De waskaars zag duidelijk personages, die net zo mager waren als het vouwbeen; anderen waren even dik en zwaarlijvig als de papierbewaarder en weer anderen schenen net zo hol tge zijn als het pennenbakje. Maar deze dingen dienden de mensen zeker en dat zou hij vast niet kunnen. Daarom mocht hij natuurlijk niet bij die mensenwezens komen!
Deze droevige gedachte vervulde de waskaars lange tijd… Totdat er op een goede dag iets bijzonders ge­beurde.

De jonge kaars gluurde als gewoonlijk door het kiertje naar buiten en hij zag de mensen in een grote kring bijeen zitten.

Zij waren zoals altijd in de weer met hun bovenste uitsteeksels en het scheen of zij ditmaal bezig waren sa­men iets te maken. Maar wat zij maakten scheen iets heel merkwaardigs te worden. Midden in de kring op de grond lag er namelijk een hoge stapel takken en groen;
„dennengroen” noemden de mensen dat en daaruit vlochten zij een groot rond ding dat zij „krans” noemden. Al vlech­tende spraken zij over de winter die voor de deur stond en over een feest dat zij in het begin van de winter wilden vieren. Dat scheen wel een heel bijzonder feest te zijn, want bij alle mensen, de groten en de kleinen, begonnen de spiegeltjes sterker te glanzen wanneer er over dit feest gesproken werd. Eindelijk begon het donker te worden en het werd steeds moeilijker om iets te zien van wat daarbuiten gebeurde. Toen zei een van de mensen: „Laten we onze waskaars eens halen!”… En de anderen vielen hem dadelijk bij: „Ja, ja…!”

Wat had dat te betekenen?

Zou de kaars deze woorden goed verstaan hebben?

Waarom moest hij er bij komen? En waarom moest dat juist nu gebeuren, nu er tóch niets meer te zien viel? Ach, hij begreep het al! Omdat hij toch voor niets deugde, wil­den de mensen hem maar weggooien!… Nu dan was het dus met zijn leven gedaan!

Het volgende ogenblik kwam er weer een hevige schok. De la werd opengeschoven en een laatste restje daglicht viel naar binnen. De waskaars die met angstige spanning lag te wachten, voelde dat hij opgepakt en meegenomen werd. Waar zou hij terecht komen? Op een hoop afval? Of zou hij misschien begraven worden? Hij bereidde zich op de ergste dingen voor, maar hij had hiertoe niet lang tijd, want het volgende ogenblik voelde hij, dat hij met zijn voeten ergens op neer werd gezet. ,,Dat is de bodem van de kuil!” dacht hij, terwijl het angstzweet hem uit­brak… Zonder het zelf te willen en zonder het ook eigenlijk te durven sloeg hij toch even een blik naar beneden…

Wat zag hij daar?

O welk een heerlijke geruststelling! Welk een vreugde! Dat had hij niet durven dromen, dat hij daar op stond! Het was niemand anders dan die goede vriendelijke kan­delaar, die hem op de schouders droeg! Hoe verdwenen nu plotseling alle angsten als sneeuw voor de zon! De
kan­delaar was immers zo dikwijls bij de mensen geweest en hij had er nooit anders dan goeds van verteld. Op zijn schouders kon het niet anders dan veilig zijn! Maar zie, daar was er nóg een, die meegekomen was en toen de waskaars hem zag, kende zijn vreugde geen grenzen.

Die derde was niemand meer of minder dan het lucifers­doosje! Nu was het de kaars of het helder licht werd in zijn hart!

Maar intussen was het overal om hem heen donker geworden… Daar nam een van de mensen het lucifers­doosje op, maakte enkele wonderlijke bewegingen en… een lichtje straalde in het rond! Het was dus werkelijk waar: De mensen konden licht maken uit wat iemand daar binnen in zich droeg en zij vonden het goed als iemand zo straalde!

Maar wat gebeurde er nu? Daar kwam de mens die het lichtje had gemaakt bij hem en raakte er de pluim van zijn mutsje mee aan… O wonder! Daar straalde hij met zo’n zelfde lichtje in het rond!

O, nog nooit in zijn leven had de waskaars zich zo gelukkig gevoeld! Hij straalde en straalde maar en ver­lichtte alle mensen in de kamer! Nu zag hij het. Het was niet omdat hij nergens goed voor was, dat hij eerst niet bij de mensen mocht komen; neen, zij hadden hem juist voor de duisternis bewaard om die te doorlichten! – Kijk, daar waren de spiegeltjes die hij boven in de mensen ontdekt had ook weer!

Maar wat zag hij daar nu in? Hij zag in alle spiegeltjes een vlammetje wapperen! En onder dat vlammetje zag hij iets lichts. Wat mocht dat zijn? Hij had het gevoel dat dat met hem te maken had, maar hij kon het niet her­kennen.

Op een gegeven ogenblik begon het vlammetje dat hij droeg, te flakkeren en… daar begonnen de lichtjes in alle spiegeltjes van de mensen óók te flakkeren! Nu be­greep de waskaars wat dat was. „Zie”, zei hij, „het is mijn licht dat uit al deze mensen straalt en dat glanzende daaronder is mijn lijf!”

O welk een heerlijke gedachte! En hoe voelde de was­kaars zich hier nu thuis in deze wereld! Werkelijk, dat had hij nooit kunnen dromen: Niemand anders dan hij was hier immers de bron van al het licht en de mensen deden niets anders dan zijn glans weer verder stralen! Steeds gelukkiger voelde zich de waskaars en… steeds hoger begon hij van zichzelf te denken…

Totdat hij plotseling een vreselijke ontdekking deed!

In zijn verheerlijkte gevoelens had hij zich in het geheel niet afgevraagd, hoe het zijn vriend, de kandelaar ging die hem zo welwillend op de schouders droeg. Dat viel hem plotseling te binnen en hij gluurde weer eens even naar omlaag. Maar wat hij nu zag was zó verschrikkelijk dat hij van onsteltenis bijna omlaag was getuimeld.

Wat was dat?

Wel dat was niets meer of niets minder dan dat er een groot stuk van zijn eigen lichaam verdwenen was!

O welk een afschuwelijke ontdekking! – Als het zo door­ging, zou hij binnen korte tijd er helemaal niet meer zijn!

De waskaars knetterde en knisterde van angst en zijn vlammetje ging uit…

Dat gaf even een verwarring onder de mensen, maar na enig gestommel hadden zij iets anders te voorschijn gehaald en al gauw zag de kaars een nieuw lichtje bran­den. Het ding dat dat lichtje droeg kende hij niet, maar hij hoorde zo iets zeggen als „lamp” en „olie” en een andere mens zei: „Jammer dat de waskaars het niet meer doet!” Toen werd hij in de la teruggelegd.

Gelukkig voor hem kwam hij op hetzelfde plaatsje terecht, waar hij het laatst gelegen had, zodat hij opnieuw door de kier naar buiten kon kijken. Anders had hij het daarbinnen zeker niet kunnen uithouden, want nu werd hij dubbel gehoond en bespot. En ach, deze bespottingen troffen hem nog veel dieper dan vroeger, want nu voelde hij dat hij ze verdiende. Waren zijn hoogste wensen zo­juist niet vervuld en had hij zelf niet alles bedorven? Maar hoe had hij ook kunnen weten, dat er zulk een offer van hem verlangd werd? Wie had hem kunnen zeggen, dat hij om zijn geluk te bereiken, zijn eigen leven moest af­staan? Neen, tot dit offer was hij niet in staat!

„Wel”,… hoorde hij een honende stem in de la zeg­gen, „heb je daar bij de mensen willen glanzen met je licht? Dat is je zeker niet gelukt hè? En ben je nu afge­dankt? Ja, ja, nu zitten wij weer met je opgescheept! Gelukkig maar, dat je tenminste een beetje kleiner bent geworden! Misschien dat je daardoor iets beter te ver­dragen bent!”… En meer van dergelijke hatelijkheden kreeg hij te slikken.

De waskaars hoorde geduldig al deze opmerkingen aan en tuurde stil naar buiten. Het was immers alles waar, wat die oude lui daar in de la zeiden! Maar wat moest hij be­ginnen? Hoe kon hij nu zijn eigen aard veranderen? Neen, wat daarbuiten van hem verlangd werd, zou hij nooit kunnen volbrengen! Dus bleef er niets anders over, dan eeuwig hier in de duisternis te liggen en alle bespottingen te doorstaan.

Zwijgend tuurde hij naar buiten.

Daar zag hij het andere lichtje dat de mensen hadden aangestoken en hij zag, hoe ze verder werkten aan de grote groene krans. Ook vele andere mooie dingen maak­ten zij: voorwerpen die zij verzilverden of verguldden… en alles was bestemd voor dat feest waar zij voortdurend over spraken. Nu zag de waskaars ook, welk lichtje op dit ogenblik uit de spiegeltjes van de mensen blonk. Dat was het vlammetje van die lamp!… Maar hoe zou het de lamp zelf daarbij vergaan? Zou hij ook zijn lichaam er bij moeten verliezen? Neen, hij scheen er helemaal niet klei­ner van te worden… Maar kijk, in z’n buik zat er toch iets dat steeds minder werd! Dat moest hij zeker weggeven om te kunnen stralen in de wereld?…

De lamp scheen het met plezier te doen. Maar… wat die lamp weggaf, had hij van de mensen gekregen! De waskaars had zelf gezien, dat het in zijn buik gegoten werd! Zo iets kon je gemakkelijk afstaan, vooral als je misschien telkens nieuw kreeg. Maar hij, de waskaars, moest om te stralen zichzelf weggeven! Dat was nog heel wat anders!

Stil tuurde en tuurde hij door de kier.

Eindelijk scheen de krans klaar te zijn en de waskaars hoorde hoe een van de grote mensen tegen de kleineren zei „kinders kom nu eens om mij heen, ik zal jullie eens wat vertellen!”

Nu kwamen alle kleine mensen om die ene grote heen en hij vertelde: „Toen de Lieve God de eerste mensen schiep, waren zij nog zo rein en goed, dat zij overal om zich heen een heldere glans verspreidden. Maar helaas kon het zo niet blijven. Zij werden tot boze dingen verleid en nu was het met hun glans gedaan! Geen sprankeltje licht verspreidden zij meer en ook hun nakomelingen keken duister om zich heen. Dat ging zo duizenden jaren voort, totdat een kind geboren werd, dat hen uit de duis­ternis verlossen kon. Dit kind was het Godskind. Dat had de glans die van de mensen geweken was, opgevangen en bewaard en toen het op aarde geboren werd, bracht het tezamen met zijn eigen licht, de verloren glans terug.

Die legde het de mensen in het hart. Maar zó diep legde het dat licht, dat het van buiten niet te zien was. En zo ligt de glans van het Godskind nu in ieder mensenhart verbor­gen, zonder dat iemand het ziet.” „En kan die glans dan nooit naar buiten stralen?”, vroeg een van de kinderen. „Ja, telkens als iemand zich iets van het Godskind
her­innert, begint die glans een klein beetje naar buiten te komen.”

„Maar hoe kan iemand zich iets van het Godskind her­inneren?” vroeg nu een ander kind.

„Door een beetje van zichzelf te vergeten,” antwoordde de grote mens, terwijl hij dromend voor zich uitstaarde en het wel leek, of hij zelf niet precies wist wat hij gezegd had.

„Ja maar,” vroegen nu alle kinderen tegelijk: „wie kan nu zichzelf vergeten?”

„Ja dat is waar,” beaamde de grote mens, die uit zijn overpeinzingen ontwaakte. „Dat kan natuurlijk niemand. Maar ik geloof toch, dat we er allemaal wel iets van kun­nen leren. En in elk geval zijn er wezens die ons daarbij helpen doordat zij ons vertonen, hoe je werkelijk kunt stralen door jezelf te vergeten.”

„Wat zijn dat dan voor…”

Verder luisterde de waskaars niet. Hij had zijn besluit genomen. Hij rolde en wentelde, zonder zich iets te bekommeren om de regels in de la, net zo lang tot hij vlak bij de kande­laar en het luciferdoosje kwam te liggen. Toen wachtte hij geduldig af wat er gebeuren zou. De volgende dag, toen weer alle mensen en kinderen verzameld waren om de krans, hoorde hij een van de groteren zeggen: „Kom, nu steken we weer een lampje aan en gaan bij de krans zingen!”

Toen werd de la opengeschoven en een van de mensen greep naar het lucifersdoosje. Maar nu gebeurde het, wat de waskaars had gehoopt. De mens die het lucifersdoosje opnam, zei: „Kijk, daar ligt de kaars ook! Laten we het nog eens met hem proberen. Het licht van een waskaars is toch verreweg het mooiste!”

Toen werd de kaars uit de la genomen en op de groene krans gezet en de kinderen kwamen in een kring er om­heen staan. De grote mens stak hem opnieuw aan en toen hij zijn licht in het rond liet stralen, zongen de kinderen met heldere stemmen:

Daar is een kindeke geboren op aard…

Opnieuw zag de waskaars hoe zijn eigen vlammetje weerkaatste in de spiegeltjes van de kinderen. Maar hij zag ook, dat er uit hun gezichten een nog veel grotere glans begon te blinken. Nu begreep hij, welk groot licht dit was en hij begreep ook, dat hij uit alle kleine vlamme­tjes uitverkoren was om mee te mogen helpen, dat veel grotere licht in de kinderen wakker te maken. Toen be­dacht hij zich geen ogenblik meer en hij straalde en straalde, totdat het laatste restje van zijn lichaam was op­gebrand.

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

362-341

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (12)

.

ADVENT 

Kerstmis nadert.
We vieren advent, de verwachting van de geboorte van het Kind.

We vieren advent in een tijd, waarin je steeds meer geneigd bent te denken, dat som­mige kinderen maar niet geboren moeten worden.*

In een tijd waarin steeds meer mensen menen te kunnen voorspellen dat het leven van sommige kinderen niets dan ellende voor zichzelf en voor anderen zal betekenen, zo­dat het een.goede, een sociale daad is om de geboorte van deze kinderen op de meest radicale wijze te verhinderen.

Steeds moeilijker wordt het de zorg van het leven voor de ene mens af te wegen tegen de verantwoordelijkheid voor dat van een ander. Normen die eens vanzelfsprekend waren, blijken nu weerstanden op te roepen, maar waarop berust datgene wat als voor­uitstrevend en juist verkondigd wordt? Hoe houd je in de maalstroom van de ontwikke­ling het zicht op de kern van de problematiek?

In deze tijd betekent het een weldaad om beelden voor ogen te krijgen die tot deze kern terugvoeren.
Dat zijn de beelden zoals deze gegeven worden in de Kerstspelen,
die jaarlijks in de school voor de leerlingen en voor de ouders en vrienden wordenopgevoerd. Spelen, die in hun eenvoud zo zuiver en zo raak het drama van de menselijke ontwikkeling voor ogen stellen, dat iedere discussie overbodig wordt.
Het kan dan ook gebeuren, dat wanneer je jarenlang deze spelen hebt gezien en je je op een ander moment van het jaar met een bepaalde problematiek bezig houdt, plotseling beelden uit het Paradijs-, het Herders- of het Driekoningenspel in je opduiken en een verhelderend licht hierop werpen,

Maria die de engelboodschap hoort. Ze is eigenlijk niet blij, maar eerder verrast. “Hoe zal dat zijn dewijl ik genen man en bekenne?” vraagt zij. In een tijd waarin het meest intieme samenzijn van man en vrouw nog onbewust in de slaap kon plaats vinden, is haar verwondering oprecht.

Zij heeft dit niet verwacht, zeker niet “gewenst”. Maar zij aanvaardt in vertrouwen de opdracht die haar gesteld wordt en die voor haar levensbeheersend zal zijn:
“Mij’ geschiede naar Uw wil.”

Jozef en Maria
Zij hebben het niet breed. Geen sociale voorzieningen; van hun armoedje moeten zij nog “tribuut” betalen en bovendien onder benarde omstandigheden een reis ondernemen. Zij worden onvriendelijk bejegend en het aanbod van een stal als kraamkamer moet als een gunst beschouwd worden. Hun verbondenheid wordt er echter door versterkt.

Koning Herodes
Rijk en bekleed met macht. Maar hij hecht hieraan terwille van zichzelf. De angst voor het verlies van zijn positie drijft hem er toe duistere ingevingen te volgen en tenslotte naar het meest radicale middel te grijpen …

Het lijkt misschien naïef om aan deze beelden zoveel waarde te hechten. Ik geloof dat het goed is om tegen Kerstmis weer naïef te zijn. Naïef heeft te maken met gebo­ren worden. Het kerstfeest is niet zozeer een feest van tradities als van een nieuwe geboorte. Daarom is de kersttijd ook de tijd van de goede wensen.

Je zou wensen dat veel mensen de beelden uit de kerstspelen, die ons in de december­maand door de leraren van de school geschonken worden, in zich mee zullen dragen, het nieuwe jaar in. En dat deze beelden ertoe zullen bijdragen dat er gezonde ge­dachten geboren worden, gedachten, die de vrucht zijn van een omvattend weten en een zuiver gevoel voor verbondenheid.

(Annet Schukking, 1974, nadere gegevens ontbreken)

*vooral de tijd van de dreiging van kernwapens (wel of niet plaatsen in Nederland) en de roep om abortus te legaliseren (baas in eigen buik)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

361-340

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (23)

.

ALS HET DECEMBER WORDT, ZINGT IEDEREEN DE LOF DER ZOETHEID

In 1515 verscheen te Bazel het bekende boek „Encomium Moriae”, de „Lof der Zotheid”, geschre­ven door Erasmus.

Deze beroemde Rotterdammer beschreef hierin tal van dingen uit het dagelijkse leven. Hij heeft het over godgeleerdheid, monniken en pausen, maar ook over schoolmeesters, reizen, wandelen, huishouden, ge­zondheid, oorlog en huwelijk.

Hij schreef ook over…. suiker en „andere zoetsmakende spijzen” en hij zwaaide allen lof toe, die „ho­ning, suiker en sukade gebruiken om het lichaam ge­zond te houden en de geest te verfrissen; niets is zo goed als de zoetheid des suikers, mits in niet te grote hoeveelheden genuttigd”.

Voor allen, die in deze feestdagen ons weer van „zoetsmakende spijzen” voorzien, is Erasmus’ woord een aansporing.

Feeststemming
Enkele weken vóór december wordt in de mensen een feeststemming wakker, die in de kerstdagen haar hoogtepunt bereikt. Het is geen toeval dat dan de kerstboom, hulst en mistletoe opgeld doen en dat speculaas, kerstbrood, kransen en gebakletters de feestvreugde vergroten. Er wordt zelden aan gedacht, dat dergelijke dingen en gebruiken stammen uit het oude heidendom.
Vroeger vierden onze voorouders in de winter het Joelfeest, het feest der vruchtbaarheid, ter ere van de terugkeer van het licht.
De kortste dag was voorbij, de dagen gingen weer lengen. Dan wer­den offermaaltijden gehouden en in de heilige bossen vlamden de offervuren hoog op.
Het kerstfeest is een christelijk feest, maar al die gebruiken zijn voortgekomen uit heidense bodem en zijn, min of meer gewijzigd, in stand gebleven.

Sommige gebruiken, zoals het eten van bepaalde koek- en gebaksoorten, zijn gedurende de gehele periode tussen Kerstmis en Driekoningin in zwang.

Dikkevretsavond
Zijn de speculaasjes en taai-taai poppen in ons land bekend, er zijn ook gebaksoorten die alleen in bepaal­de streken vervaardigd worden.

De naam van allerlei gebak voor kinderen omstreeks St.-Nicolaas is op het Groninger Hogeland fieterknuten.
Het wordt gemaakt van brooddeeg, zoals stoetkerels, zwaan-in-‘t-nestje, nestje met eieren, eendjes enz. Verder zijn ook vlechten, plaskes (krentenbroodjes) en haantjes daar bekend; krenten- en sukadekoeken, kantkoek, spekkendikken (van roggemeel) en ollewieven zijn Groninger specialiteiten.
In vele gezinnen eet men in de Achterhoek op kerst­avond iets extra’s en dit gebruik doet denken aan de benaming „dikkevretsavond“.

In de boerengezinnen wordt getrakteerd op pannen­koeken, met worst gebakken.

In Aalten eet men op kerstavond „pilleweggeskes”, kleine bolvormige „weggen”, waarop twee deegpillen in kruisvorm zijn gelegd. Zij zijn er op geplaatst toen het gewone volk de naam pilleweg niet meer begreep. Een pil is een petekind of doopkind en de pillegift in de vorm van een pilleweg was een doopgeschenk. Het gebruik om op kerstavond walnoten te eten in de gezellige huiselijke familiekring is (in Aalten b.v.) nog in zwang.)

Nu we het toch over eten hebben: een traditioneel kerst- en nieuwejaarsgebak is de duivekater, het meest karakteristieke feestbrood van de midwintertijd.

Wat is een duivekater?
Een oud offerbrood is de duivekater, die herinnert aan het kattenoffer.

Katten werden door de Germanen geofferd om vrucht­baarheid voor de bodem te verkrijgen. Daarom begroef men wel een levende kat in zijn akker. Dit dierlijke offer werd later vervangen door een broodoffer, waarin waarschijnlijk de kat nog te her­kennen was. Die vorm verdween en het symbolische gebak met de scheenbeenvorm kreeg de naam van het gebak, dat het kattenoffer had vervangen. De twee knobbels aan het uiteinde van de duivekater stellen het gewricht voor en de ronde verdikking in het midden het vlees aan het been. In Scandinavië o.a. in Noorwegen en Zweden eet men „dovelskat” om­streeks 13 december, St.- Lucia; de naam is ook „lusikat”.

Maar waarom zou u naar Zweden gaan als u onder de rook van Amsterdam de originele duive­katers kunt kopen?

Bakker Kroes in Nieuwendam, die reeds tientallen jaren dit kerst- en nieuwjaarsgebak bereidt, kent de juiste samenstelling van deze
bijzon­dere broodsoort. Het recept zal hij u niet verschaffen, want dat is zijn „ambtsgeheim”. Wel weten we, dat er suiker, honing en citroen bij te pas komt. Enkele weken vóór Kerst is het in de bakkerij „Van­ouds de Duivekater” erg druk, want het is geen zeld­zaamheid als er dan zo’n honderd „katers” per dag de deur uit gaan. Na een langdurige bewerking gaan de baksels in de rijsoven en als de langwerpige vor­men gerezen zijn, begint het moeilijkste werk eerst goed, het versieren.

Kelken van tulpen snijdt bakker Kroes met vaardige hand met een klein zakmesje op de broden. Behalve gevoel voor schoonheid en lijn is een grote routine vereist. Even te diep in het taaie gebak en … . de duivekater is mislukt. Gaat alles goed, dan wor­den de witte deegvormen, voorzien van een vernisje van eierstruif, weer in de oven geschoven.

Ander Kerst- en Nieuwjaarsgebak
Op het beroemde schilderij Bakker Oostwaard van Jan Steen ziet u de bakker zijn krakelingen, duivekaters, bollen en mastellen (beschuiten) buiten zetten.

In zijn dagen was de duivekater dus al bekend: getuige het oude Haagse rijmpje:
„Sinterklaasje over het water. Geef mij toch een duivekater”.

Hooft schrijf in zijn „Warnar”: „lck win nou 5 gulden ’s jaars. En ien paer nuwe klompen tot men duive­kater”.

Zoals op elke feestdag eet men ook op Oudejaars­avond en Nieuwjaarsdag speciale koek, gebak- en broodsoorten en in verschillende delen van ons land en Vlaanderen lopen deze soorten sterk uiteen. Het gebruik om oliebollen te bakken op Oudejaarsdag is nog in ons gehele land in zwang en een oudejaars­avond zonder dit vaderlandse gerecht is bijna niet denkbaar.

Als in Drente de boerenarbeider op de eerste dag van het jaar „de boer” gaat gelukwensen, als de neringdoenden hun klanten op bezoek krijgen en als de buren over en weer bij elkaar op visite gaan (niejoar winnen), dan worden er steevast nieuwjaarskoeken, knijpertjes, „stoeties en plassies” gegeten bij het genot van een kop koffie of een wat sterker „drankje”.

In de Gelderse Achterhoek en in Twente komen er nog knijp- en wafelijzers bij te pas om heerlijke „kniepertjes” aan de gasten te kunnen voorzetten. In menige boerderij worden de van ouder op ouder bewaarde wafelijzers, met huismerk, initialen en jaar­tal erin, nog elk jaar gebruikt.

In Zuid-Limburg halen de kleine kinderen bij hun grootmoeder op Nieuwjaar een z.g. weggeman; in Huybergen (N.B.) eet men langwerpige broodjes, z.g. duiveklaampers en in Heeze heet het nieuwjaarsge­bak „nieuwjaartje”, ook een soort duivekater. Een bijzondere plaats neemt de nieuwjaarsplats te Horst in; deze lekkernij wordt gebakken als een groot rozijnenbrood, van het geld, dat door de niet meer thuis wonende kinderen jaarlijks bijeengebracht wordt. Zij bieden het op 1 januari hun ouders aan en zijn die dag als gehele familie gezellig bijeen. Stamppot van snijbonen met worst is het traditionele maal in Blokzijl, terwijl men in Cadzand in de wafel­bakkerij „Cadzandria” z.g. nieuwjaars- of suikerwa­fels bij de koffie bereidt.

In Geleen bakt men grote nieuwjaarswafels voor de ouderen, kleine wafeltjes voor de kinderen. Het Bra­bantse „worstebrood” is in het zuiden populair. De bloedbroodjes uit Vlaardingen, de krentekater uit Roelofarendsveen en de kersttimpen uit de Lang­straat, herinneren evenals de bonenkoeken die nog hier en daar op Driekoningen (6 januari) worden ge­bakken, aan de oude tijd.

Jammer genoeg wordt het elk jaar iets minder; de bonte verscheidenheid aan feestbrood, zoals we die vroeger kenden, behoort veelal tot het verleden. Gelukkig dat nog niet alles verloren ging en daarom: eet smakelijk van speculaas, oliebollen of duivekater!

(J. H. Kruizinga, Vacature, nadere gegevens ontbreken)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

360-339

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (22)

.

HET FEEST VAN HET KIND

Sint-Nicolaas, Goedheilig Man,
die oud is, maar niet sterven kan
zolang nog ergens op de aarde
een mensenkind zijn droom bewaarde.

Maar kleine kinderen worden groot,
en telkens moet hij dat beleven,
en elke keer verschrikt hij even,
en telkens gaat hij even dood.

Totdat, van ver, een kleine stem
voor ’t eerst en huiverig gaat zingen
van de oude 5-december-dingen.
En zie, dat lied betovert hem.

Zijn ogen worden groot en licht,
er komt een glans op zijn gezicht.
Hij mag dit jaar opnieuw bestaan,
dat heeft een kinderstem gedaan.

Sint-Nicolaas, Goedheilig Man,
die oud is, maar niet sterven kan.
Hij trekt zijn beste tabberd an
en rijdt ermee naar Amsterdam!

HARRIËT LAUREY

Wanneer het kil en koud wordt en rukwinden door de kale bomen jagen, wordt het Sint-Nicolaasfeest gevierd. In Nederland leeft geen enkel feest zo in de harten van de kinderen als juist het feest van de ‘goedheilig man’. Ieder jaar weer komt hij met zijn Zwarte Pieten, zijn schimmel en vele geschenken in een ‘stoomboot’ in Nederland aan. Opgewacht door vele duizenden kinderen die hem blij, ook wel eens een beetje bang, maar vooral vol eerbied begroeten. Want Sint-Nicolaas is een heilige die alles weet. Hij heeft een groot rood boek met een gouden kruis erop, waarin alle deugden en ondeugden van ieder kind zijn opgetekend. Maar niemand hoeft voor Sint-Nicolaas bang te zijn, want hij is een echte kindervriend, die alleen wil helpen. ’s Avonds rijdt hij door weer en wind op zijn trouwe viervoeter over de daken. Dan strooit hij door alle schoorstenen in klaarstaande kinderschoentjes een sterappeltje, een marsepeinen hart, een handvol pepernoten… ’t Zijn allemaal liefdeszaadjes voor het kinderhart.

‘De Sint wil helpen een beter mens te zijn’, zingen we in een adventsliedje.[1] Dat doet hij door ons aan te moedigen, door iets in de schoen te stoppen en daarbij slaat hij geen mensenkind over. (tekststukje ontbreekt) gebeuren, een sfeer waarin het kleine kind zich thuisvoelt. Wanneer het kind ouder wordt, verdwijnt deze sprookjeswereld. Het kind wordt geconfronteerd met de uiterlijke realiteit. Dan verandert ook dit familiefeest, maar de geheimzinnigheid is ook nu nog tastbaar aanwezig. Achter gesloten deuren waarop staat ‘verboden toegang’, worden nu surprises en gedichten gemaakt. De hang naar het geheim en het wonder, het kind in elk mens, blijft.

Sint-Nicolaas is de heilige die dit bijzondere feest van stille vermaningen, lichte humor en hartverwarmende geschenken naar ons land heeft gebracht. En dit is al sinds vele honderden jaren zo. De oude kronieken geven aan dat onze Sint al in de zesde eeuw* in Mira, een klein havenstadje aan de zuidkust van Klein-Azië, moet hebben gewoond. Onze goedheilig man is dus al bijna 1400 jaar* oud! Hoe komt het dat hij al zolang ‘leeft’ en dat we zijn feest al zo’n lange tijd vieren aan het begin van de advent? Misschien dat de geschiedenis dit kan verklaren. Bekend is dat Sint-Nicolaas voordat hij tot bisschop werd gewijd, een eenvoudig en vroom monnik was, die zieken genas door zijn gebed. Hij werd daarom door vele zieke mensen bezocht, die gezond weer huiswaarts keerden. Na zijn overlijden op de zesde december van het jaar 564* verbreidde de roem van deze eenvoudige heilige zich over een groot deel van de christelijke wereld. Hij werd de schutspatroon van onder andere kinderen, zeelieden, handelslieden en jonge meisjes. Vooral als beschermer van zeevaarders kreeg Sint-Nicolaas in ons land vaste voet aan wal. Ons land was namelijk in het verleden ook al een zeevarende natie en heel wat matrozen hebben in die tijd de hulp van Sint-Nicolaas ingeroepen en ontvangen wanneer hun schip in gevaar kwam. Deze verhalen brachten zij mee naar huis en zij werden doorverteld in heel het land. Behalve de zeevaarders gaven ook de priesters bekendheid aan de heilige Nicolaas. Hij werd in Nederland de belangrijkste heilige van de adventstijd. De periode van eind twaalfde tot halverwege de zestiende eeuw was de bloeitijd van de Sint-Nicolaasviering. Het feest werd in die tijd in de kerk, op straat en in het gezin gevierd. Vooral de stad Amsterdam stond bekend om haar Sint-Nicolaasfeest en van heinde en verre kwamen de mensen op deze dag naar de hoofdstad. Een geliefde plek om te vertoeven was dan de Sinterklaasmarkt op de Dam, waar verkopers ‘Sint-Claescoeck, amandelbroet, honinctaart en massepeyn’ in feestelijk versierde kraampjes hadden uitgestald. Heel wat moeders moeten hier hun manden hebben gevuld met heerlijke lekkernijen voor de Sinterklaasavond. En wat zullen de kinderen ook in die tijd hiervan gesmuld hebben.

In het Sint-Nicolaasfeest vroeger en nu staat het kind centraal. De heilige was namelijk niet alleen de schutspatroon van de zeevaarders, maar ook van de kinderen. Hij waakt in het algemeen over mensen die in beweging, in ontwikkeling zijn. Hij houdt niet van stilstand en zal daar waar dood, ondergang, ziekte en gevaren dreigen, de helpende hand bieden. Een van de meest bekende legenden over de dreiging en redding van de kinderziel is het verhaal van de drie ingepekelde scholieren. Het verhaal gaat over drie rijke scholieren die in een herberg overnachten Door de waard worden zij vermoord en in een pekelvat gestopt. Wanneer Sint-Nicolaas de herberg bezoekt, worden de drie ingepekelde scholieren weer tot leven gewekt.

Het zout, dat in dit verhaal een belangrijke rol speelt, komt vaker in Sint-Nicolaasgebruiken voor. Zwarte Piet bijvoorbeeld draagt vaak zakjes zout in zijn grote zak om aan stoute kinderen te geven. Blijkbaar weten zowel Sint-Nicolaas als Zwarte Piet dat zout in moeilijke situaties weer tot goede inzichten kan leiden. Iets wat alchimisten ook al wisten. Zij zeiden dat de krachten van het zout, voordat het vaste was ontstaan, samenwerkten met de scheppende wereldwijsheid. Wanneer we het met de voeding in ons lichaam opnemen en verteren, vormt het de basis waarop wij wijsheid kunnen ontwikkelen. Voor kleine kinderen is zout niet gemakkelijk te verteren. Aan hen geeft Zwarte Piet dan ook geen zakje met zout. De jonge mens echter, waarvan de persoonlijkheidskrachten ontwaken, krijgt behoefte aan zout en zoute spijzen. Hij treedt in wisselwerking met de wereld Het zout ondersteunt hier het bewustwordingsproces; het vormt de basis waarop de mens wijsheid kan ontwikkelen. Te veel is echter niet goed. Dat zien we aan de Sint, die scholieren uit een vat met pekel moet redden. Het zout conserveert hier, geeft stilstand in de ontwikkeling en Sint-Nicolaas, de goedheilig man, weet hier weer beweging in te brengen.

Zwarte Piet is al heel lang de vaste begeleider van de Sint. Wanneer dit zo is geworden, is niet bekend. Vaak wordt een verband gelegd met gebruiken uit de voorchristelijke tijd. Zo zou een soort Zwarte Piet met de naam ‘Rupert’ de vaste begeleider zijn geweest van Wodan, de oppergod van de Germanen, die evenals Sinterklaas met zijn paard door de lucht reed. Deze Rupert zou de bestraffer zijn geweest van degenen die ongehoorzaam waren. Ook in de middeleeuwen had Zwarte Piet een zware rol, hij werd gelijkgesteld met de duivel. De Sint had deze duivel overwonnen en tot zijn knecht gemaakt. Bekend waren in die tijd ook de Sinterklaasommegangen, waarbij Zwarte Pieten, aan kettingen gebonden, op straat een oorverdovend lawaai maakten Zij moesten een beeld geven van de door de duivel geleide verdoemde zielen, die in het nachtelijk donker buiten rondspookten Ze zullen in die tijd de mensen heel wat angst aangejaagd hebben. De tijd van de Reformatie en de Verlichting bracht hier verandering in. Heiligenbeelden werden omvergeworpen, ook die van Sint-Nicolaas. Het vieren van het feest werd verboden. De Amsterdamse Sinterklaasmarkt mocht niet meer georganiseerd worden, zelfs de schoen mocht niet meer bij de schoorsteen staan. Maar het volk liet zich zijn heilige niet zomaar afnemen. Sint-Nicolaas had hun iets te vertellen en dat is hij blijven doen tot op de dag van vandaag.

Is het de confrontatie met de kou, de donkerte en de wilde najaarsstormen die we in dit seizoen beleven en die zowel jong als oud behoefte geeft aan dit feest van Sint-Nicolaas en Zwarte Piet? We weten uit dit winters beeld, dat deze confrontatie er in ieder geval bij hoort en dat dit wonderbaarlijke feest van wederzijds begrip, van delende liefde en naamloos schenken ons daarbij helpt. Het schept innerlijke warmte, ontdooit grenzen en brengt daardoor beweging en vernieuwing. Eigenlijk vinden we ditzelfde beeld terug in de legende van de drie ingepekelde scholieren die Sint-Nicolaas uit de dood opwekt en nieuw leven schenkt. Een ‘bevroren’ beeld en een wedergeboorte, een gedachte die ons weer iets dichter bij het kerstgebeuren brengt.

(schoolkrant Zevenster, Uden, nadere gegevens onbekend)
Met toestemming van de schrijfster:

Uit: Marika Ortmans: : ‘Weest stil, mijn hart’

*Nicolaas van Myra leefde in de 4e eeuw na Chr. en stierf rond 350

[1] ‘Donker is de aarde‘. Het liedje heeft een couplet over Michaël, St.-Maarten en St.-Nicolaas

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

359-338

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (20)

.

HULPSINT

Fout: sint met scheve baard en kegel

Talloze hulpsinterklazen trekken deze dagen hun mantel aan. Maar waar moet een goede hulpsint aan voldoen? Theo Cremers was tien jaar Sint in Eindhoven en geeft tips.

•  “Hou rekening met een vermoeiende dag. Sint moet alle kinderen een hand geven en alle tekeningen aannemen. Ik beveel aan om voor de tekeningen een papier-Piet mee te nemen.”
• “Niet hard lopen! Als Sinterklaas moet je schrijden, ook al kom je in tijdnood.”
•  “Kleed je warm aan. Ik trok als het koud was een vuilniszak aan onder mijn toog, tegen de wind.”
•  “je moet niet bang zijn voor paarden. Sint hoort op een paard aan te komen, niet met de trein.”
•  “Baldadige kinderen? Die geef je ook een aai over de bol. De Pieten zijn je lijfwacht, ze moe­ten zorgen dat kinderen niet aan je baard zitten. Maar dat komt zelden voor.”
•  “Het belangrijkste is je uitstraling. Je moet een vriendelijke, oude man zijn. Ais kinderen huilen zeg je: wat ben jij al groot geworden.”

Schminken
Crème rond ogen en neus zorgen voorde gelaatskleur.
Met zwarte en witte schmink worden de ogen voorzien van wallen en kraaienpootjes.
Wenkbrauwen witten met schmink.
Neus accentueren met witte crème en potlood.
Lippen grauwer maken om het ge­zicht ouder te laten lijken.
Sint hoort geen rode lippen te hebben.

Kostuum huren kost ongeveer 50 euro*.

St.Nicolaas 7

(Brabants Dagblad, *28-11-2003)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

358-337

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (11)

.

WERELDSTILTE

Als de adventstijd begint, kan men zich de legende voor de geest roepen van de duivel die het kerstfeest een doorn in het oog was. “Als ik het kerstfeest niet in mijn macht krijg, dan zullen de mensen ieder jaar weer een hunkering naar het hemelse krijgen en zo kan het christendom niet uitgeroeid worden.”

Lang zat de duivel te mokken en hij werd steeds dunner, bleker en bezorgder. Op eens riep hij uit; ” Ik heb het!”
Wat had hij? Hij had de kerst- en sintnicolaaskoorts uit­gevonden.

En sinds die tijd komt over de mensen in de adventstijd een koortsachtige haast. De koopman moet verdienen. Nu komt de tijd, die het hele slappe jaar weer goedmaakt. Winst!  Winst! Hebben!

En als het dan kerstavond is, dan is men uitgeput. Misschien kan men zijn verdiende geld nog tellen. Maar eerst moet men eens flink uitslapen.

De moeder echter, die aan alle kinderen en familie, aan de ooms en tantes hebben te denken, ploffen op de Heilige Avond op de lederen bank gebroken neer. “Laat mij met rust. Ik kan niet meer!”

Alle fijnere zintuigindrukken die zich in de kersttijd aan ons willen openbaren om de mens weer met de kosmos te verbinden om hem te vertellen over zijn verloren gegane hemelse afkomst – zij worden door de twee duivelsknechten; Haast en Lawaai verdoofd als ware het gedaan met mokerslagen.

Dat is het “werk” van de tegenkrachten van het goddelijke, gedaan aan onze, menselijke ziel.

Wie de adventijd werkelijk beleeft, die is het, alsof nu 1000 stemmen stil aan hoorbaar worden. Ergens spreekt in de mens een stem die zegt: ‘Stiller moet je worden en nog stiller, als je vernemen wil, wat om je heen is, wat er hier voor jou aan­wezig is.
Over de vele kleuren van de natuur liggen thans sluiers. Maar deze sluiers zijn als beweeglijke geesten, die tot je willen spreken, of iedere ochtendnevel een verkondiging voor je met zich meedraagt.

Geen avond zal in de adventtijd voorbijgaan zonder dat wij de stilte op ons laten inwerken. Ook wanneer ons geen enkele duidelijke gedachte voor de geest komt, voelen we ons toch heel dicht bij het grote “wereldgeheim”.’

Zo begint het boek “Das heilige Jahr” van F. Rittelmeger (Verlag Urachkaas) Duidelijker als hierboven heb ik nooit een tekst gevonden, waar de geestelijke reali­teit en de drukte van alledag samengevat worden.

Ons onderwijs wil in de komende adventtijd ook weer de stilte zijn kans geven, opdat in de stilte het “wereldgeheim” zich aan onze kinderen kan openbaren. Wij hebben daar gelukkig hulpmiddelen voor. Iedere dag steken wij een kaars aan in de adventskrans, wij zingen zacht, we vertellen mooie verhalen. We maken mooie versieringen voor de kerstboom.

Onze jaargetijdetafels worden langzaam door de adventtijd heen opgebouwd. Het kost de kinderen moeite om in die rust te komen, die nodig is om dit jaargetijde innerlijk te beleven. De wereld is zo ongelooflijk hard, dat de kinderen vaak de school gebruiken om uit te rusten.

Maar ieder jaar lukt het weer, de stilte komt, wordt actief beleefd en de kinderen verstaan de taal van de adventtijd.

Dan de laatste schooldag voor de kerstvakantie, de kerstspelen worden opgevoerd. De leraren, verschillende bestuursleden, medewerkers van Aquamarijn en leden van de Christengemeenschap voeren de oude Middeleeuwse Kerstspelen op.

Na maanden van repeteren is het zover: de kinderen en hun ouders zitten in de zaal en het spel begint. Josef en Maria zoeken een schuilplaats voor de nacht. Tweemaal vragen zij onderdak, tweemaal wordt hun de deur gewezen. De derde maal lukt het, zij kunnen in een stal overnachten.
De waard zegt: ‘Doch kom ik u gaarne tegemoet, gaat in den stal daar zit ge goed.’
Maria antwoordt;
“Och baaslief, ons is het eenderlei of het beddeke hard of te zachte zij.”

Dat is een heel goed antwoord:
‘Ons kan het niet zo veel schelen hoe we ons behelpen moeten, als we ons maar kunnen behelpen in een ruimte waar het grote “wereldgeheim” aan ons geopenbaard kan worden.

Wij wensen u allen een goede advent en kersttijd toe,

(Gerard Reyngoud, nadere gegevens ontbreken)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

357-336

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Nicolaas (21)

.

CADEAUTJES

SINT- NICOLAAS
Van de week* kregen wij in de brievenbus de eerste sinterklaasfolder.
Mijn eerste gedachte was:  “Nu al……… ; als de kleuters hem nog maar
niet zien……. ”
Wat jammer is het toch dat de commercie en vaak ook je omgeving elk jaar weer proberen om de vreugde van het Sint-Nicolaasfeest af te nemen!

Vanuit de praktijk weet ik dat in vele gezinnen de Sinterklaastijd wordt gebruikt in de opvoeding. Natuurlijk weet iedereen nu dat je het kind niet meer dreigt met “Je gaat in de zak als je stout bent”, of “Je krijgt met de roe hoor”.
De moderne ouders hebben er echter wat anders op gevonden!
Ik hoor elk jaar weer van de kleuters bijvoorbeeld “Mama zegt altijd dat als ik mijn bord niet leeg eet dan mag ik mijn schoen vanavond niet opzetten”. Of…  “Papa zei als je nou niet gauw gaat slapen dan komt Zwarte Piet niets in je schoen doen hoor….”.

Ik vraag me dan vaak af hoe ouders het dan voor elkaar krijgen om borden leeg te laten eten, speelgoed op te ruimen, gauw te gaan slapen, enz. als Sinterklaas en Zwarte Piet er niet zijn, bijv.  in de lente of zomer!!

Wat even schadelijk is voor een gezonde opvoeding van een kind is om de Sinterklaastijd te gebruiken om het kind te overladen met geschenken. Als het kind elke avond weer zijn schoen mag opzetten en daar elke keer cadeautjes in vindt, gaat hij het heel gewoon vinden. Het is geen verrassing meer. Het zijn die kinderen die eigenlijk nooit echt blij zijn met een geschenkje.

Je merkt dit goed in een kleuterklas. Elk jaarfeest heeft zo zijn verrassingen en soms een geschenkje in de vorm van een vlieger bv. of een palmpasenstok, een lenteboeketje, een glimmende gepoetste appel, enz. Voor de meeste kleuters zijn dit vaak schatten die ze soms maanden (en ook wel jaren, hoor) bewaren. De kinderen die altijd al veel cadeaus thuis krijgen, vinden het echter allemaal heel gewoon. Heus het is echt genoeg als uw kind 1 of 2 keer per week zijn schoen opzet. En u doet hier natuurlijk echt een verrassing in! Om u een beetje te helpen zal ik u wat ideetjes geven voor het Sinterklaasfeest, in deze schoolkrant.

Probeert u ook eens of u niet samen als ouders of met vrienden zelf dit jaar uw Sint- Nicolaasgeschenken kunt maken. Uit ervaringen weet ik hoe je dan al weken van te voren samen het plezier hebt bij het maken van de geschenken. En de intentie waarmee ze gemaakt zijn, werkt door bij uw kind.

Heus, probeer het dit jaar eens.

Ideetjes voor “schoen-geschenken”

+ Van walnoten, muisjes maken, bootjes, wiegjes, enz.

+ Steentjes verven, in een versierd luciferdoosje doen.

+ Tolletje maken (van prikker én rond stukje karton).

+ Houten doosje versieren, te gebruiken om de vele schatten in te doen die elk kind heeft!

+ Van schors stoeltje of tafeltje maken, (voor het poppenhuis b.v. of voor het bouwwerk.)

+ Van hout, goede rechte tak, kabouter snijden, schapenwol opplakken
voor baard en haren, muts van vilt op. (Dit kan ook van die houten
poppetjes die men in een creativiteitszaak koopt. U kunt natuurlijk
vele, vele andere figuurtjes maken, zoals koning, kok, indiaan,
prinses, vader, moeder…….. )

+ Mooie ketting maken.

+ Verkleedkleren. (Ik denk aan een manteltje b.v. Uitgebreide verkleedkleren kunt u  (beter) op pakjesavond geven.

+ Gouden kroon, beplakken met bijv.  lovertjes zodat het een Konings­kroon wordt.

+ Van karton een mooie kaart tekenen, gleuf erin knippen, zodat hier
een bewegend voorwerp ingeschoven kan worden.

+ Punnikklosje met garen (een houten klosje, hierin spijkers timmeren).

+ Dierenfiguren zelf bakken en versieren.

+ Van een handdoekenrol een verrekijker of sterrenkijker maken  (beplakken met mooi papier of stof, vooral werken met lovertjes of kralen, dan wordt de kijker echt iets bijzonders!)

+ Tasje voor school, van katoen, of zelf geweven of gehaakt of gebreid.

ideetjes voor pakjesavond

1 jaar     
De  1e pop  (alleen een zachte lap en hierin wat schapenwol doen en dan afbinden), rammelaar, speeltjes van mooie kleuren die aan wieg of ledikant gehangen kunnen worden en die door de wind bewegen. Mobiel, muziekje (ik denk aan speeldoosje, maar let hierbij op zowel het uiterlijk als dat wat eruit voortkomt!!).

2 jaar
Knuffeldier, eenvoudige pop (geen babypop die is voor het schoolkind!) Mobiel, muziekje (en dan behoeft u niet alleen aan iets te denken voor het kind zelf, maar ook waar u als volwassen persoon iets mee kunt spelen voor het kind). Doosje met grote blokjes (hier stond knopen, maar dat lijkt me te gevaarlijk – in het mondje – ) (kinderen van 2 jaar vinden niets fijner om steeds weer doosje/open te doen, knopen erin, dan alles weer eruit…… en steeds maar weer opnieuw, kiekeboepopje.

3 jaar
Beweegbare houten speeltjes (b.v. zagende kabouters, pikkende kippetjes enz.) Knuffeldier, eenvoudig popje, x-lofoon, muziekdoosje (je hebt ze bijv. bij Speelgoed in Amsterdam* in een houten kastje, de kinderen draaien dan een handel om en de muziek begint, lijkt een beetje op een ouderwetse koffiemolen). Kiekeboepopje, grote blokken, houten stepje, poppenwagentje, rieten manden met dennenappels erin, kaboutertjes, kastanjes, stukjes schors, mooi prentenboek, spullen voor de zandbak, (iets voor de wintermaanden: een grote ijzeren wasteil met zand voor in de huiskamer). Houten bootjes, grote houten auto (waar het kind ook zelf in kan zitten en waar ze zo fijn de blokken in kunnen vervoeren). Mooie lappen om te gebruiken bij hun spel.

4 jaar
Verkleedkleren, eenvoudige pop, knuffeldier, kiekeboepop, blokken in alle vormen, vierkant, enz. Denkt u hierbij ook eens aan schijven van bomen en plankjes! Poppenwagentje, grote kar waar ze zelf op kunnen zitten, x-lofoon, belletjes, paardenleidsel, stokpaard. Lappen en een wasrek waar ze tenten mee kunnen bouwen, houten figuurtjes, mooie prentenboeken, beweegbare figuren, mobiels voor in hun kamer, gebreide bal.

5 jaar
(hoewel het wel voor de ruim 5-jarige is), poppenhuis met meubeltjes (zelf maken is veel gezelliger, maar ook mooier en voordeliger!) Babypop, knuffeldier, houten blokken in alle vormen, ook gekleurde erbij. Manden met dennenappels, stenen, eikels, kastanjes, houten figuurtjes, kabouters. Wasrek met lappen voor tent en winkeltje en poppenkast. Poppenkastpoppen. Muziekinstrumenten zoals: x-lofoon, triangel, belletjes, muziekdoosje. Houten auto, trein met rails  (natuurlijk niet een elektrische daar is een kleuter nog lang niet aan toe!) Houten boten voor in de watertafel. (In de badkamer een teil met water). Zandbakspullen. Waskrijtblokjes, bijenwas, klei, verf (Akwarius, dit is een plantaardige verf die wij ook op school gebruiken). Teken – en schilderpapier. Rieten mand met knutselmateriaal, zoals mooi papier, kwastje, lijm, luciferdoosje, walnoten, closetrollen, karton in mooie kleuren. -Rieten mand met lapjes, wol, schapenwol, naald. Timmerspullen. Verkleedkleren, paardenleidsel, stokpaard.

6 jaar
Poppenhuis met meubeltjes vind ik toch wel meer voor een 6-jarige dan voor een 5-jarige. Een weefraam is ook echt iets voor een 6-jarige. Winkelspullen (en die maakt u dan zelf zoals een rieten mand met noten erin, eikels, kastanjes, erwten, lege doosjes die u bewaart en hele­maal mooi wordt het als u dan ook nog een weegschaal er zelf bij maakt. Het gaat niet om die afgewerkte weegschalen in de winkel hoor, een kind van 6 jaar is daar nog lang niet aan toe!). Poppenkast met poppenkastpoppen. Timmerspullen, maar dan een handboortje er bijv. bij, die zijn heel goedkoop in de ijzerwinkels te koop. Verder zijn er voor de leeftijd van 6 jaar nog heel veel dingen geschikt die ik al bij 5 jaar ver­meldde.

(Dorry, *nadere gegevens onbekend)

surprises

Maak van dozen een boot of trein, waarin Sint voor elk kind een pakje heeft verstopt. Een brief wordt ‘be­zorgd’ met een aanwijzing waar Piet de boot of trein heeft neergezet, en de sleutel erbij van de zolder-, schuur-of kastdeur waar hij aan het werk is geweest.

Zijn er regelmatig dingen zoek in huis? Zoals schaar, gympjes, pen of potloden, de nietmachine? Piet ver­zamelt al deze kostbare zaken en ver­stopt ze in huis. In een gedicht wordt op die plaats gewezen, nadat eerst een opdracht uitgevoerd moet worden. Natuurlijk is er voor al deze moeite iets extra’s verstopt.

Alle feestvierders krijgen een envelop met letters. Opdracht: maak een woord, voeg alle woorden samen tot een zin. De lidwoorden, voegwoorden etc. zijn voor de 6- en 7-jarigen. Piet heeft, behulpzaam, voor een potje plaksel en papier gezorgd. De zin die tevoorschijn komt kan bijvoor­beeld zijn: uitnodiging tot het zingen van een lied, een opdracht iets te zoeken etc.

Een opdracht in dichtvorm kan ook voor ieder verstopt zijn in een klu­wen wol; afwinden en netjes opwin­den en daarna om beurten voorlezen.

Knip een aantal mijters van rood papier. De eerste wordt in een pakje bezorgd, waarop staat: Jan, kijk in de koektrommel. In de koektrom­mel vindt Jan een mijter met het opschrift: Ans, kijk in vaders jaszak. In de jaszak de volgende mijter met: Pappa, kijk onder de deurmat. Enzo­voort. Uiteindelijk wordt er natuur­lijk ergens iets gevonden.

Er wordt een brief bezorgd, waarin Sint z’n zorgen uitspreekt over z’n vermoeide knecht. Hij vreest dat Piet ergens in slaap is gevallen. Willen de kinderen even in hun bedden gaan kijken? In een bed ligt een Piet, ge­maakt van maillots, truien, hand­schoenen en andere kledingstukken, opgevuld met allerlei verrassingen. Piet in een hangmat op zolder is ook spannend.

(Jonas, 30-11-1973)

potlodenetui klas 1/2

formaat: 21 cm lang; 11 cm breed

nodig: stof, rits 20 cm

werkwijze:
knip 2 lapjes van 21 bij 11 + zoom
gebruik een stevige katoen of 2 lagen van een dunnere katoen.

versieren:
het aanbrengen van een versiering is een eigen keuze, misschien kies je voor een bedrukte stof waarop een versiering niet nodig is, of kies je voor de eenvoud van een effen stof.
Als je een versiering op het etui wilt aanbrengen, gaat dat het gemakkelijkst, als die nog niet in elkaar is gezet.

Hier wat voorbeelden. In het boek ‘Handarbeit und Kunstgewerbe’ van Hauck, (in de schoolbibliotheek) worden aanwijzingen van Steiner over het aanbrengen van versieringen gegeven. Daarbij staat altijd voorop dat de versiering ook een praktische functionaliteit heeft. Bij sloffen worden bijv. door versiering de tenen ‘zichtbaar ‘gemaakt, zodat de functie van de slof ook aan de buitenkant te zien is).
Een kaft van een boek wordt zo versierd, dat het uitnodigend werkt op het openen van het boek.

Bij een etui zit het gewicht onderin. Stel, we leggen het etui zó neer, dat het van links naar rechts geopend wordt. Dan is de meest voor de hand liggende plaats voor versiering: rechtsonder. Aan de linkerkant wordt het etui geopend.

Ieder is vrij in eigen keuze. Alleen het formaat ligt vast.

leg de lapjes neer met de rits middenin. Stik de rits vast, met de hand, wordt altijd mooi, of met de machine (voor de wildebrassen).

Als je een voering gebruikt, leg dan de rits tussen de twee lagen stof in.

Bij voering eerst de buitenkant naaien, voering later inleggen.

Vouw de zijkanten nu op elkaar, het buitenste binnen en stik de naden vast. Zomen afwerken en etui weer binnenstebuiten keren, klaar!

(Merit Zandee, vrijeschool Tiel)

vulpenzakje

Maten: 20cm bij 5cm + een koordje om dicht te binden.

Neem een vrolijk stofje, borduur, versier, maak er iets leuks van.

(Beppie en Karin, nadere gegevens ontbreken)

voorbeelden van de site ‘Antroposofie en het kind’

surprisedoosje

Het is meestal nog in de zomer, als het plotseling door mij heen flitst: het geschenk dat Sint-Nicolaas aan de kinderen wil geven, wat zal het dit jaar zijn? Vaak is het één geschenk om samen mee te spelen: een poppenhuis, verkleedmand, poppenkast of b.v. eigen speelgoedkisten. Ongeduldig wacht ik de avonden af, waarop ik kan gaan werken aan de opdracht die Sint-Nicolaas mij gaf.

Er is niets in mij dat niet aan Sint-Nicolaas gelooft, problemen hierover met de kinderen zijn er dan ook nauwelijks. ‘Want’, zo zegt de oudste zeer beslist ‘iedereen begrijpt natuurlijk dat hij niet altijd als mens kan blijven leven. Dat hindert niet, hij heeft het één keer voorgedaan en z’n bedoeling gaat nu altijd door, die voel je van binnen als je wilt’. Er is nauwelijks een feest te noemen in Nederland dat door de eeuwen heen zo geliefd is en zo gevierd wordt als het Sint- Nicolaasfeest. Zou dat mogelijk zijn voor iemand die werkelijk niet bestaat? Ons enthousiasme om voor een ander iets te maken, de ideeën die we daarvoor krijgen, daarin leeft Sint- Nicolaas!

Het is heel spannend te zien hoe een present ontvangen en gebruikt wordt. Terugkijkend op datgene, wat ik door de jaren heen maakte, moet ik zeggen dat de speelgoedkisten wat hun mogelijkheden en bruikbaarheid betreft er duidelijk uitspringen. Er gaat geen dag voorbij of er gaan dozen open en dicht. Ze staan binnen handbereik onder de bedden, door ieder kind ingericht naar eigen behoefte en vermogen: met naaispullen, postzegels, lego, kastanjes, kralen of desnoods in ieder vak iets anders. En op het deksel staat hun eigen naam!

Sint Nicolaas 2

Als hulp zijn de maten voor een vierkant model voor sommigen misschien welkom.

Buitenkist

1 Bodem 31,5 bij 31,5 cm multiplex, 1 cm dik.

2 opstaande kanten 31,5 bij 14 cm meubelplaat 1,7 cm dik.

2 opstaande kanten 28,1 bij 14 cm meubelplaat 1,7 cm dik.

2 binnenschotten 28.1 bij 5 cm multiplex 1 cm dik

Binnenkist
1 bodem 27,5 bij 27,5 cm multiplex 1 cm
2 opstaande kanten 27,5 bij 5 cm multiplex 1 cm.
2 opstaande kanten 25,5 bij 5 cm multiplex 1 cm.
2 binnenschotten 25,5 bij 5 cm multiplex 1 cm.
Deksel
bovenkant 33,5 bij 33,5 cm multiplex 1 cm
2 vierkante latjes 33.5 bij 2 bij 2 cm.
2 vierkante latjes 31,5 bij 2 bij 2

 

Juultje v.d. Stok, Jonas 6/19-11-1976

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

356-335

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.