VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.

Als Klaas Vaak niet komen wil

Terecht maken ouders zich zorgen als hun kind niet goed slaapt. Vaak is er met eenvoudige middelen iets aan te doen.

De slaap van een kind is heilig.
In de slaap groeit hij, verteert hij wat hij overdag aan belevenissen opnam en wordt hij wijzer. Na ingrijpende gebeurtenissen, die het kind zwaar op de maag liggen, raakt de slaap meestal als eerste verstoord. Ook angst, onrust of een ingeslepen, verkeerde gewoonte kunnen leiden tot een ongewenst slaappatroon. Zoals bij Eva, een wilskrachtige dame van 16 maanden. Zij werd plotseling iedere nacht een paar keer wakker. Omdat zij altijd fors van zich laat horen als niet direct gebeurt wat ze wil, nam haar moeder haar, voor ze de hele boel bij elkaar kon krijsen, uit bed. Ze vermoedde dat Eva last had van doorkomende kiezen en als troost mocht ze bij haar ouders in bed. Daar viel ze rustig in slaap. Na een week – de kiezen waren intussen doorgekomen – werd Eva ’s nachts nog steeds wakker. Haar ouders pakten haar op om haar te kalmeren en legden haar daarna weer in haar eigen bedje. Maar dan kon niets Eva meer tot bedaren brengen. Ten einde raad nam haar moeder haar toch maar weer bij zich in bed; wie weet had ze wel buikpijn of last van een boze droom.

‘Als je wilt kun je altijd wel een excuus vinden voor het gedrag van je kind,’ zegt Eva’s moeder nu. Bij toeval kwam ze er achter dat ze het anders moest aanpakken. Aanvankelijk wachtte ze altijd eerst even tot Eva echt begon te huilen voor ze naar haar toeging. Maar toen ze haar een keer direct bij het eerste geluidje uit bed haalde, merkte ze dat het kind nog duf en slaapdronken in haar armen hing. Zonder dat ze echt wakker werd, kon ze haar weer in haar bedje leggen. Na een paar nachten sliep Eva weer de hele nacht ongestoord door. De vicieuze cirkel was doorbroken en er was een nieuwe gewoonte voor in de plaats gekomen.

Ritueel

Gewoontevorming gaat bij de hele kleintjes pijlsnel. Als je je onrustige baby meeneemt voor een ritje in de auto omdat hij alleen van autorijden inslaapt, zal hij snel nergens anders meer willen slapen. Verandering van zo’n patroon veroorzaakt heftige reacties. Wanneer je toch besluit je aanpak te veranderen en dat, tegen alle protesten in, wilt volhouden, zijn standvastigheid en de innerlijke overtuiging dat je de goede beslissing hebt genomen bepalend voor het succes. Rituelen helpen om het ‘gewoontelichaam’ op te voeden. Het vertrouwen in steeds hetzelfde verloop, maakt voor een kind de overgang van de ene fase naar de andere gemakkelijker. Een ritueel voor de overgang van de dag naar de nacht kan bestaan uit een vaste volgorde in uitkleden, tanden poetsen, schone kleren klaarleggen, een plaat bekijken of een verhaal vertellen, een liedje zingen, een aai over de bol, een kus en dan welterusten. Een spreuk tot slot waarin een engel of een mens voorkomt die de wacht houdt over het kind als het slaapt, kan het gevoel van geborgenheid nog versterken.

Buikpijn

Voor peuters en kleuters die alles zien en horen en hypergevoelig zijn voor indrukken, kan het moeilijk zijn om het wakkere bewustzijn los te laten en zich over te geven aan de slaap. Ze hebben snel last van darmkramp of buikpijn omdat ze de (te) diep binnenkomende indrukken niet goed kunnen verteren. Je helpt ze door hun buik te omwikkelen met warme doeken die zijn gedoopt in kamillethee. Dit ontspant de buik en stimuleert de stofwisseling, waardoor ook het psychische verwerkingsproces beter verloopt. Iets warms drinken tijdens het voorlezen werkt ook ontspannend. Als je de tijd neemt voor deze dingen, kunnen (wat oudere) kinderen de gelegenheid aangrijpen om te vertellen over gebeurtenissen van de dag. Dat werkt als een soort voorvertering.

Voor kinderen die ’s ochtends niet goed wakker worden, kan een koele zoutafwassing helpen. Want om ’s avonds weer te kunnen loslaten, moet je overdag goed in je vel zitten. Wanneer deze eenvoudige middelen niet helpen, is het aan te raden samen met de arts naar de oorzaak van het slaapprobleem te zoeken.

Kamillewikkel

Leg een katoenen doek ter breedte van de buik in een schaal. Leg daarop een zeef met twee eetlepels kamillebloemen en overgiet die met kokend water. Niet laten trekken. Haal de doek uit de hete thee en leg hem op een handdoek. Rol die op en wring hem goed uit, zodat de kamilledoek erin zo droog mogelijk wordt, maar nog wel vochtig en warm blijft. Vouw de doek open en wapper tot de lap de temperatuur heeft die je kind kan verdragen. Leg hem vlug op de buik zonder dat hij verder af koelt en leg er een dikke handdoek of wollen doek zonder kieren overheen. Laat je kind zo een half uurtje rusten of ermee inslapen. Geef de kamillewikkel ’s middags of ’s avonds. Houdt dat een.aantal weken vol, las dan een pauze in en wikkel dan weer een periode. Tip: oefen eerst ‘droog’, zodat je handigheid krijgt in het snel en zeker aanbrengen van de wikkel.

Zoutafwassing

Een theelepel zout in een kwart liter koel water oplossen en daarmee (met een washand) stevig gezicht en schouders wassen. Niet afspoelen of af drogen. Doe dit zes weken, vervolgens drie weken niet en dan weer zes weken. Kijk goed naar het effect op je kind. Als de huid te intens rood wordt van de afwassing, dan halveer je de dosis. Geef een zoutafwassing alleen ’s ochtends.

.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda herfst 2000 nr. 6
(met toestemming van de auteur)
.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1761-1650

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (1)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 14

Dornach, 26. Dezember 1915
nach einer Aufführung zweier Weihnachtspiele, eines pfälzischen
Hirtenspieles und eines Dreikönigspieles aus Oberufer bei Preßburg

Wir haben in dieser Woche zwei Weihnachtspiele an unserer Seele vorüberziehen lassen. Wir dürfen vielleicht den Gedanken aufwerfen: Ist das eine Weihnachtspiel und das andere Weihnachtspiel in demselben Sinne der großen Menschheitsangelegenheit gewidmet, die uns in diesen Tagen so lebendig vor der Seele steht? – Grundverschieden, ganz verschieden sind die beiden Spiele voneinander. Man kann sich kaum etwas Verschiedeneres denken, das dem gleichen Gegenstande gewidmet ist, als die beiden Spiele.
Wenn wir das erste Spiel betrachten: es atmet in allen seinen Teilen wunderbarste Einfachheit, kindliche Einfachheit. Seelentiefe ist darinnen, aber überall durchatmet, durchlebt von kindlichster Einfachheit. 

Dornach, 26 december 1915
na een opvoering van twee kerstspelen, een herderspel uit de Pfalz* en een driekoningenspel uit Oberufer bij Pressburg

We hebben deze week twee kerstspelen aan ons gevoel voorbij laten komen. We mogen misschien de gedachte opwerpen: is het ene kerstspel en het andere op dezelfde manier gewijd aan de grote gebeurtenis in de mensheid die ons deze dagen zo levend voor de geest staat?  Deze beide spelen zijn totaal verschillend. Je kan nauwelijks iets bedenken wat meer van elkaar verschilt en aan hetzelfde gewijd is dan deze twee spelen.

Wanneer we naar het eerste spel kijken: het ademt in alle delen de sfeer van de wonderbaarlijkste eenvoud, kinderlijke eenvoud. Er zit gevoelsdiepte in, maar overal doorademd, doorleefd van kinderlijke eenvoud.

Das zweite Spiel bewegt sich auf den Höhen des äußeren physischen Daseins. Gleich wird daran gedacht, daß der Christus Jesus als ein König in die Welt eintritt. Gegenübergestellt wird er dem anderen König, dem Herodes. Dann wird gezeigt, daß zwei Welten sich vor uns auftun: diejenige, die im guten Sinne die Menschheit weiterentwickelt, die Welt, welcher der Christus Jesus dient, und die andere Welt, welcher Ahriman und Luzifer dienen, und die repräsentiert ist durch das teuflische Element. Ein kosmisches, ein kosmisch-geistiges Bild im höchsten Sinne des Wortes. Der Zusammenhang der Menschheitsentwickelung mit der Sternenschrift tritt uns gleich vor die Augen. Nicht das einfache, primitive Hirtenhellsehen, das einen Himmelsschein findet, das man in den einfachsten Verhältnissen finden kann, sondern jene Entzifferung der Sternenschrift, zu der alle Weisheit der vergangenen Jahrhunderte notwendig ist, und aus der man enträtselt, was da kommen soll. Hereinleuchtet in unsere Welt dasjenige, was aus anderen Welten kommt. In den Traum- und Schlafzuständen wird dasjenige, was geschehen soll, gelenkt und geleitet.

Het tweede spel beweegt zich op het niveau van het uiterlijke fysieke bestaan. Van begin af aan wordt gememoreerd dat Christus Jezus de wereld als koning  zijn intrede in de wereld doet. Hij wordt tegenover de andere koning, Herodes, gesteld. Dan wordt getoond dat er voor ons twee werelden zijn: een die in goede gezindheid de mensheid verder tot ontwikkeling brengt, de wereld aan wie Christus Jezus dienstbaar is en de andere wereld aan wie Ahriman en Lucifer dienstbaar zijn en die vertegenwoordigd is door het duivelse element. Een kosmischc, een kosmisch-geestelijk beeld in de diepste zin van het woord. De samenhang van de mensheidsontwikkeling met het sterrenschrift wordt ons meteen getoond. Niet de eenvoudige, primitieve helderziendheid van de herders die het hemelschijnsel vinden, dat je in de meest eenvoudige toestanden kan vinden, maar het ontsluieren van het sterrenschrift waarvoor alle wijsheid uit de vorige eeuwen nodig is en vanwaaruit men de raadsels oplost van wat komen moet. In onze wereld valt het licht dat uit andere werelden komt. In droom- en slaaptoestanden wordt wat moet gebeuren gestuurd en geleid.

*Een herderspel uit de Pfalz: dit spel komt uit de verzameling ‘Volkstoneelstukken’, verzameld in Beiern en Oostenrijk-Hongarije door August Hartmann. De samensteller, Dr.phil. was archivares aan de Koninklijke Hof- en Staatsbibliotheek in München; hij leefde van 1846 tot 1917. De verzameling verscheen in 1880 in Leipzig bij uitgeverij Breitkopf en Härtel. Er mag worden aangenomen dat de opgevoerde dialectuitvoering van Rudolf Steiner is, omdat het stuk bij Hartmann geschreven Duits is. Het werd opgevoerd als ‘kerstspel ujit de Oberpfalz’. 

blz. 15

Kurz, überall Okkultisrnus und Magie das ganze Spiel durch- dringend.
Grundverschieden sind die beiden Spiele. Das erste tritt uns entgegen, man darf wirklich sagen in kindlicher Einfachheit und Einfalt. Doch wie unendlich mahnend ist es, wie unendlich fühlsam. Aber fassen wir zunächst einmal bloß den Hauptgedanken ins Auge. Diejenige menschliche Wesenheit, die das Gefäß vorbereiten soll für den Christus, tritt in die Welt herein. Ihr Eintritt in die Welt soll vorgeführt werden, vorgeführt werden dasjenige, was der Jesus ist für die Menschen, in deren Daseinskreis er eintritt. Ja, so ohne weiteres hat diese Idee, diese Vorstellung keineswegs diejenigen Kreise erobert, innerhalb welcher dann mit Inbrunst, mit Hingebung solche Spiele angehört worden sind wie dieses. Derjenige, von dem ich öfter gesprochen habe, Karl Julius Schröer> gehörte im 19. Jahrhundert zu den ersten Sammlern von Weihnachtspielen. Er hat die Weihnachtspiele in Westungarn gesammelt, die Oberuferer Spiele, von Preßburg nach ostwärts gelegen, und er hat die Art und Weise studieren können, wie diese Spiele im Volke dort lebten und webten.

Kortom, overal verborgen wijsheid en magie, het hele spel doordringend.

De spelen zijn totaal verschillend. Het eerste vertoont zich, je mag echt zeggen, in kinderlijke eenvoud en reinheid. Maar wat neemt het je mee, hoe oneindig invoelbaar. Maar laten we eens naar het hoofdmotief kijken. Het menselijk wezen dat het omhulsel voorbereiden moet voor het christuswezen, komt ter wereld. Getoond moet worden, opgevoerd moet worden het verschijnen in de wereld, wat Jezus is voor de mensen in wier bestaan hij intreedt. Ja, zo zonder meer zou deze gedachte, deze voorstelling niet opgenomen zijn in die groepen die dan met innig gevoel, met overgave dergelijke spelen aangehoord hebben zoals deze.
Degene over wie ik vaker heb gesproken, Karl Julius Schröer, behoorde in de 19e eeuw tot de verzamelaars van kerstspelen. Hij verzamelde de kerstspelen uit het westen van Hongarije, de spelen uit Oberufer, oostelijk bij Pressburg gelegen en hij kon de gewoonten bestuderen van hoe deze spelen daar in het volk leefden.

Es ist sehr, sehr bezeichnend, wenn man so sieht, wie von Generation zu Generation diese Spiele sich handschriftlich vererbten, und wie sich nicht etwa, wenn Weihnachten nahe war, sondern wenn Weihnachten von fern in der Zeit heranrückte, diejenigen, die im Dorf hierfür geeignet gefunden wurden, vorbereiteten, um diese Spiele darzustellen. Wenn man das sieht, so sieht man, wie innig verbunden mit dem Inhalt dieser Spiele das ganze Jahreskreislaufleben derjenigen Leute war, in deren Dorfkreisen solche Spiele aufgeführt wurden. Die Zeit, in der zum Beispiel Schröer in der Mitte des 19. Jahrhunderts diese Spiele dort gesammelt hat, war schon die Zeit, in der sie anfingen in der Art auszusterben, wie sie bis dahin gepflogen worden sind. Ja, schon viele Wochen, bevor Weihnachten heranrückte, mußten im Dorfe diejenigen Buben und Mädchen zusammengesucht werden, welche geeignet waren, solche Spiele darzustellen. Und sie mußten sich vorbereiten. Die Vorbereitung bestand aber nicht etwa bloß im Auswendiglernen und im Einüben desjenigen, was das Spiel enthält, um es darzustellen, sondern die Vorbereitung bestand zum Beispiel darinnen, 

Het is heel veelbetekenend , wanneer je zo ziet hoe deze handgeschreven spelen van generatie op generatie overgingen en hoe ze niet alleen tegen Kerst, maar al ver vóór Kerstmis door de degenen in het dorp die daarvoor in aanmerking kwamen, werden voorbereid om ze te kunnen opvoeren. Wanneer je dat ziet, zie je hoe diep verbonden de mensen die in hun dorp die spelen mochten opvoeren het hele jaar met de inhoud ervan waren verbonden. De tijd waarin bijv. Schröer in het midden van de 19e eeuw de spelen daar verzamelde, was al de tijd waarin ze begonnen te verdwijnen, zoals ze waren, zoals ze tot dan toe bewaard werden.

Ja, al weken voor het Kerst werd, moest er gezocht worden naar jongens en meisjes die ervoor in aanmerking kwamen dergelijke spelen op te voeren. En zij moesten zich voorbereiden. Dat bestond er niet alleen maar uit dat je ze uit het hoofd moest leren en instuderen wat bij het spel hoort om het te kunnen opvoeren, maar het voorbereiden betekende ook bijv. 

blz. 16

daß diese Buben und Mädel die ganze Lebensweise, die äußere Lebensweise änderten.
Von der Zeit an, wo sie sich vorbereiteten, durften sie nicht mehr Wein trinken, nicht mehr Alkohol zu sich nehmen; sie durften nicht mehr, wie es ja sonst auf dem Dorfe üblich ist, am Sonntag raufen. Sie mußten sich ganz sittsam betragen; sie mußten sanft und mild werden, durften sich nicht mehr blutig schlagen, und durften mancherlei anderes nicht, was sonst in Dörfern besonders in jenen Zeiten ganz gang und gäbe war. Da bereiteten sie sich auch moralisch durch die innere Stimmung der Seele vor. Und dann war es wirklich, wie wenn sie etwas Heiliges herumtrügen im Dorfe, wenn sie ihre Spiele aufführten.
Aber nur langsam und allmählich kam das so. Gewiß, in vielen Dörfern Mitteleuropas im 19. Jahrhundert war solche Stimmung, war die Stimmung, daß man etwas Heiliges zu Weihnachten mit diesen Spielen entgegennahm. Aber man kann nur noch vielleicht ins 18. Jahrhundert zurückgehen und noch ein bißchen weiter, und diese Stimmung wird immer unheiliger und unheiliger. Diese Stimmung war nicht etwa von Anfang an da, als diese Spiele in das Dorf kamen, durchaus nicht von Anfang an, sondern sie stellte sich erst im Laufe der Zeit heraus und ein. 

dat deze jongens en meisjes hun leven van alle dag gingen veranderen.
Vanaf die voorbereidingstijd mochten ze geen wijn meer drinken, geen alcohol gebruiken; ze mochten niet meer, wat anders in het dorp gewoonte was, ’s zondags uitgaan. Ze moesten zich heel netjes gedragen; rustig en aardig zijn; geen knokpartijen en ze mochten nog veel meer niet wat anders in de dorpen in de tijd volkomen normaal was. Ze bereidden zich ook in moreel opzicht voor door een innerlijke zielenstemming. En dan was het echt zo dat ze in het dorp met iets heiligs rondliepen als ze de spelen opvoerden.
Maar dat kwam pas langzamerhand. Zeker, in vele dorpen van Midden-Europa in de 19e eeuw heerste er zo’n stemming, de stemming dat je met iets heiligs kwam tegen de Kerst. Maar je kan maar, misschien tot in de 18e eeuw teruggaan, nog een beetje eerder en deze stemming wordt steeds minder gewijd. Die stemming was er niet meteen aan het begin toen de spelen in het dorp kwamen, zeker niet vanaf het begin, maar die ontstond in de loop van de tijd.

Es gab schon Zeiten, und man braucht nicht einmal gar so weit zurückzugehen, da konnte man noch anderes finden. Da konnte man finden, wie sich da oder dort in Mitteleuropa das ganze Dorf versammelte, und wie eine Wiege hereingebracht wurde, in der das Kind lag, und dazu allerdings das schönste Mädchen des Dorfes – schön mußte Maria sein! -, aber ein häßlicher Joseph, ein urhäßlich aussehen- der Joseph. Dann wurde eine ähnliche Szene aufgeführt, wie Sie sie heute auch haben sehen können. Aber vor allen Dingen: da verkündet wurde, daß der Christus kommt, kam die ganze Gemeinde vor, und ein jeder trat auf die Wiege. Vor allen Dingen wollte ein jeder auf die Wiege etwas getreten und das Christkind auch geschaukelt haben. Darum handelte es sich allen. Und sie machten einen ungeheuren Krakeel, der ausdrücken sollte, daß der Christ in die Welt gekommen ist. In manche ältere von solchen Spielen ist eine fürchterliche Verspottung des Joseph eingestreut, der immer als ein tättelicher Greis in diesen Zeiten dargestellt worden ist, den man auslachte.

Er waren tijden en daarvoor hoef je niet eens zo lang terug te gaan, waarin je nog andere dingen kan vinden. In Midden- Europa verzamelde zich hier en daar een heel dorp en dan werd er een wieg meegebracht waarin het kind lag en dat was natuurlijk het mooiste meisje van het dorp – Maria moest ook mooi zijn – maar een lelijke Jozef, een Jozef die er oerlelijk uitzag. Dan werd er net zoiets opgevoerd zoals u vandaag ook heb kunnen zien. Maar vooral: omdat er aangekondigd werd dat Christus komt, kwam de hele gemeente, iedereen ging naar de wieg. Iedereen wilde naar de wieg en het christuskindje gewiegd hebben. Daar ging het iedereen om. En ze maakten een verschrikkelijke herrie om te laten weten dat Christus ter wereld was gekomen. In sommige oudere spelen vind je ook vreselijk gespot met Jozef die steeds in deze tijd als een [tättelich] seniele? grijsaard neergezet werd die men uitlachte.

blz. 17

Wie sind denn Spiele solcher Art eigentlich in das Volk gekommen? Nun, wir müssen natürlich uns erinnern, daß die erste Form der größten, gewaltigen Erdenidee, des Erscheinens des Christus Jesus auf der Erde, die war des durch den Tod gegangenen Heilands, desjenigen, der durch den Tod das für die Erde gewonnen hat, was wir den Sinn der Erde nennen. Das Leiden des Christus war es zunächst, das im ersten Christentum in die Welt gekommen ist. Und dem leidenden Christus wurden in verschiedenen Handlungen die Opfer dargebracht, die im Kreislauf des Jahres sich vollzogen. Aber nur ganz langsam und all- mählich eroberte sich das Kind die Welt. Der sterbende Heiland eroberte sich zuerst die Welt; langsam und allmählich erst das Kind. Wir dürfen nicht vergessen, daß die Liturgie lateinisch war, daß die Leute nichts verstanden. Vom Messeopfer, das Weihnachten festgesetzt war, fing man allmählich an, den Leuten außer dem Meßopfer, das zu Weihnachten dreimal gehalten wird, noch etwas anderes zu zeigen. Vielleicht doch nicht so ganz mit Unrecht – wenn auch nicht auf ihn selbst, so auf Anhänger von ihm – wird die Idee, in der Weihnachtsnacht das Jesus-Geheimnis den Gläubigen zu zeigen, auf Franz von Assisi zurückgeführt, der aus einer gewissen Opposition heraus gegen die alten Kirchenformen und den alten Kirchengeist überhaupt seine ganze Lehre und sein ganzes Wesen gehalten hat.

Hoe zijn dergelijke spelen nu in het volk gekomen? Nu, we moeten er natuurlijk wel aan denken dat de eerste vorm van de grootste, geweldige gedachte op aarde, die van het verschijnen van Christus Jezus op aarde, van de Heiland die door de dood was gegaan, degene die door de dood voor de aarde bracht, wat wij de zin van de aarde noemen. Het lijden van Christus kwam aanvankelijk in het eerste christendom in de wereld. En aan de lijdende Christus werden in verschillende diensten offers gebracht die plaatsvonden in de kringloop van het jaar. Maar slechts langzaam en geleidelijk veroverde het Kind de wereld. De stervende Heiland veroverde de wereld eerst; geleidelijk pas het Kind. We mogen niet vergeten dat de liturgie in het Latijn gegeven werd, dat de mensen er niets van verstonden. De heilige mis die met Kerstmis vastgelegd was, begon langzamerhand aan de mensen naast de heilige mis die met Kerst driemaal gehouden werd, nog iets anders te vertonen. En helemaal onterecht was niet – al was het dan ook niet op hem, maar toch wel op zijn aanhangers – het idee, in de kerstnacht het geheim van Jezus aan de gelovigen te tonen, dat tot op Franciscus van Assisi* terugging die  vanuit een bepaalde weerstand tegen de oude kerkinstellingen en de oude geest van de kerk zich met zijn hele leer en heel zijn wezen verzette.

*Franciscus van Assisi, 1182-1226. Zie o.a. Rudolf Steiner ‘GA 109/111; GA 130; GA 155

Da sehen wir allmählich, langsam, wie der gläubigen Gemeinde zu Weihnachten etwas geboten werden sollte, was mit dem großen Mysterium der Menschheit, mit dem Herabkommen de`s Christus Jesus auf die Erde zusammen- hing.
Zuerst stellte man eine Krippe auf und machte bloß Figuren. Nicht durch Menschen stellte man es dar, sondern man machte Figuren: das Kindlein und Joseph und Maria, aber plastisch. Allmählich ersetzte man das durch Priester, die sich verkleideten, und die in der einfachsten Weise das darstellten. Und erst vom 13., 14. Jahrhundert ab be
gann innerhalb der Gemeinden äußerlich diejenige Stimmung, die man etwa dadurch bezeichnen könnte, daß die Leute sich sagten: Wir wollen auch etwas verstehen von dem, was wir da sehen, wir wollen eindringen in die Sache. – Und da fingen die Leute an, zunächst einzelne Teile mitspielen zu dürfen in dem, was zuerst nur von der Geistlichkeit

Nu zien wij geleidelijk, langzaam hoe de gelovige gemeente met Kerstmis iets geschonken moest worden, wat met het grote mysterie van de mensheid, met de komst van Christus op aarde, samenhing.
Eerst zette men een kribbe neer en maakte alleen figuren. Niet door mensen beeldde men het uit, maar men maakte figuren: het kindje en Jozef en Maria, maar als beelden. Langzamerhand kwamen er priesters voor in de plaats, die zich verkleedden en die het op de meest eenvoudige manier uitbeeldden. En pas vanaf de 13e, 14e  eeuw ontstond er binnen de gemeente die stemming die je ongeveer zo kan benoemen dat de mensen tegen elkaar zeiden: we willen ook iets begrijpen van wat we daar zien, we willen hier ook meer van weten. En toen mochten de mensen dan beginnen met een paar stukken mee te spelen die eerst door de geestelijkheid gespeeld waren.

blz. 18

gespielt war. Nun muß man natürlich das Leben in der Mitte des Mittelalters kennen, um zu begreifen, wie dasjenige, was mit dem Heiligsten zusammenhing, zugleich in einer solchen Weise genommen wird, wie ich es angedeutet habe. Das war damals durchaus möglich aus einem Entgegenkommen der Stimmung, daß die Gemeinde des Dorfes, die ganze Gemeinde sagen konnte: Ich habe auch mit dem Fuß an der Wiege, wo der Christus geboren worden ist, ein wenig geschaukelt. – Es ließe sich in diesem und in vielem anderen ausdrücken, zum Beispiel in dem Singen dabei, das sich zum Teil bis zum Jodeln steigerte, in alldem, das sich begeben hatte. Aber dasjenige, was in der Seele lebte, das hatte in sich selber die Stärke, man möchte fast sagen, aus einem Profanen, aus einem Profanieren des Weihnachtsged~ankens zum Heiligsten selber sich umzubilden. Und die Idee des in der Welt erscheinenden Kindes eroberte sich das Allerheiligste in den Herzen der einfachsten Menschen.
Das ist das Wunderbare gerade` bei diesen Spielen, von deren Art das erste eines war, daß sie nicht einfach so da waren, wie sie jetzt uns erscheinen, sondern so geworden sind: Frommheit in der Stimmung erst entfaltend aus Unfrommheit heraus, durch die Gewalt desjenigen, was sie darstellen! – 

Je moet natuurlijk wel wat van het leven in de middeleeuwen weten om te begrijpen hoe hetgeen wat met het allerheiligste samenhing, tegelijkertijd zo opgevat werd, zoals ik het aangeduid heb. Dat was toen wel degelijk mogelijk vanuit de stemmige houding waaruit de dorpsgemeenschap, heel de gemeenschap, kon zeggen: ik heb ook een beetje met mijn voet de wieg laten schommelen waarin Christus is geboren. Het kwam hierin – en in nog veel meer  – tot uiting, bijv. in het zingen dat voor een deel zelfs in jodelen overging, in alles wat er gebeurd is. Maar alles wat in het gemoed leefde was van zichzelf sterk, je zou bijna willen zeggen, om vanuit iets werelds, uit een wereldser worden van de kerstgedachte, die zelf in het meest heilige te veranderen. En de idee van het Kind dat op aarde geboren wordt, werd als het allerheiligste in de harten van de eenvoudigste mensen opgenomen.
Het wonderbaarlijke bij juist deze spelen is, dat ze niet waren 
zoals we ze nu zien, maar zo zijn ze geworden: de ernst van de stemming is ontstaan van een niet-ernstige, door de kracht van degenen die ze opvoeren! – Eerst moest het Kind de harten veroveren, het moest in de harten worden toegelaten. En door wat in het Kind zelf heilig was, heiligde Het de harten die hem aanvankelijk ontmoetten in een sfeer van grofheid en wildheid. Dat is het wonderbaarlijke in de ontwikkelingsgeschiedenis van deze spelen, dat in ieder spel het christusgeheim de harten en de zielen nog moest veroveren. En iets van dat ieder spel dat nog moest veroveren, zullen we dan morgen gaan beleven. Vandaag wil ik nog zeggen: niet voor niets merkte ik hoe nadrukkelijk ook het meest simpele in het eerste spel aanwezig is.

Zoals gezegd: langzaamaan kwam wat met het christusgeheim op de wereld verscheen, in de harten en de zielen van de mens. En het is eigenlijk zo dat hoe verder je teruggaat in de overlevering van de verschillende christusgeheimen, je des te meer ziet dat de uitdrukkingsvorm verheven is, geestelijk verheven: je komt in een kosmisch uitspreken,

blz. 19

kommt man hinein, je weiter man zurückkommt. – Wir haben davon schon einiges in unsere Betrachtungen einfließen lassen, und auch im vorigen Weihnachtsvortrage habe ich gezeigt, wie die gnostischen Ideen verwendet worden sind, um das tiefe Christus-Geheimnis zu verstehen. Aber selbst wenn wir noch in den späteren Zeiten des Mittelalters dieses oder jenes verfolgen, finden wir, wie da noch – in der Mitte des Mittelalters -, ich möchte sagen, gerade in den damaligen Weihnachtsdichtungen etwas von dem vorhanden war, was später weg- geblieben ist: eine Betonung des urchristlichen Gedankens, daß der Christus aus Weltenweiten hinuntersteigt, aus Geisteshöhen. Wir finden es im 11., 12. Jahrhunderte, wenn wir zum Beispiel ein solches Weihnachtslied vor unsere Seele führen:

hoe verder je teruggaat. We hebben hiervan al een paar dingen in onze beschouwingen opgenomen en ook in de vorige kerstvoordracht heb ik laten zien hoe de gnostische ideeën gebruikt zijn het diepe Christusgeheim te doorgronden. Zelfs als we een en ander in de latere middeleeuwen volgen, vinden we , hoe daarin – in het midden van de Middeleeuwen – in de kerstgedichten* nog iets aanwezig was van wat later verdwenen is: een accent op de oerchristelijke gedachte dat de Christus uit hemelverten uit geesteshoogten afdaalt.
We vinden het in de 11e, 12e eeuw, wanneer we bijv. dit kerstlied met ons gevoel benaderen:

*in de kerstgedichten: ‘Jezus in het oordeel van de eeuwen. De belangrijkste opvattingen over Jezus in theologie, filosofie, literatuur en kunst tot heden’, door Gustav Pfannmüller, Leipzig en Berlijn, B.G.Teubner-Verlag

Des menschgewordnen Gottessohnes Ehre
Verkünden fröhlich jauchzend Himmelsheere,
Und laut erschallet aus des Hirten Munde
Die frohe Kunde.

«Preis in der Höhe! und den Menschen Friede!»
So tönet es in feierlichem Liede;
Mit Staunen wird von Menschen heut` gesehen,
Was nie geschehen.

Der Himmel hell erglänzt im neuen Sterne;
Von ihm geleitet, kommen aus der Ferne
Die Weisen, und begrüßen mit Entzücken,
Den sie erblicken.

Mit ihm ist neu die Wahrheit nun geboren;
Ersetzt ist, was durch Sünde war verloren;
Es blühen herrlicher im Gnadenlichte
Des Segens Früchte.

Der Vorzeit Ahndung hat sich nun erschlossen,
Seitdem der Erde diese Frucht entsprossen,
Die Leben und Erquickung uns gewähret,
Und ewig iiähret.

blz. 20

Gekommen ist, in unser Fleisch gekleidet,
Der gute Hirt, der alle Völker weidet;
Gewohnt hat er, wie wir, in Pilgerhütten,
Für uns gelitten.

Heil nun der Erde, die sein Licht erblicket!
Durch ihn für Zeit und Ewigkeit beglücket,
Weih` jeder ihm, dem Retter, Dank und Liebe
Mit reinem Triebe.

Hilf, Christus, selbst uns dein Gesetz vollbringen,
Laß gute Taten uns durch dich gelingen,
Daß einst bei dir des ewg’en Lebens Krone
Auch uns belohne!

So war der Ton, der herunterklang von denjenigen, die noch etwas verstanden hatten von der ganzen kosmischen Bedeutung des ChristGeheimnisses.
Oder ein anderes Weihnachtsgedicht auf das Weihnachtsfest gab
es aus der Mitte des Mittelalters, etwas später als die Karolingerzeit:

Zo was de toon die tot ons klonk door hen die nog iets begrepen hadden van de grote kosmische betekenis van het christusgeheim.
Of een ander kerstgedicht op Kerstmis uit het midden van de Middeleeuwen, iets later dan de Karolingische tijd:

Der Gottessohn, von Ewigkeit erzeugt, der unsichtbar und ohne Ende;
Durch den des Himmels und der Erde Bau, und alles, was da wohnt, erschaffen,
Durch den der Tage und der Stunden Lauf vorübergeht und wiederkehrt;
Den stets die Engel in der Himmelsburg in vollharmonischem Gesange preisen,
Hat sich, von aller Erbschuld frei, mit schwachem Leib bekleidet,
Den aus Maria Er, der Jungfrau, nahm, die Schuld des ersten Vaters Adam,
Sowie die Lüsternheit der Mutter Eva zu vernichten.
Der heutige glorreiche Tag erhab`nen Glanzes zeugt, daß nun der Sohn,

blz. 21

Die wahre Sonne, durch des Lichtes Strahl die alte Finsternis der Welt zerstreute.
Nun wird die Nacht erhellt vom Lichte jenes neuen Sternes,
Der einst den himmelskund`gen Blick der Magier in Staunen setzte,
Und sieh` den Hirten leuchtet jener Schein, die da geblendet wurden
Vom hehren Glanz der himmlischen Bewohner.
O Gottesmutter, freue dich, die du bei der Geburt von einer Engelschar,
Die Gottes Lob besingt, bedienet wirst.
O Christus, du des Vaters einz`ger Sohn, der unsertwegen die Natur
Der Menschen angenommen, so erquicke du die Deinen, die hier flehen.
O    Jesus, höre mild die Bitten jener, deren du Dich anzunehmen dich gewürdigt hast, Um sie, o Gottessohn, teilhaft zu machen deiner Gottheit.]

Das ist der Ton, der, ich möchte sagen, von den Höhen der mehr theologisch gefärbten Gelehrsamkeit hinuntertönte ins Volk.
Nun hören wir auch ein wenig den Ton, der zur Weihnacht aus dem Volk selbst erklang, wenn eine Seele sich fand, die des Volkes Empfinden wiedergab:

Dat is de toon die vanaf het niveau van de meer theologisch getinte geleerdheid tot het volk klinkt.
Nu horen we ook de toon die met Kerstmis vanuit het volk zelf kwam, wanneer er een ziel was die de stemming van het volk weer kon geven:

Er ist gewaltic unde starc,
der ze winnaht geborn wart:
Daz ist der heilige Krist. jä lobt in allez daz dir ist
Niewan der tiefel eine:
dur sinen grözen ubermuot
s6 wart ime diu helle ze teile.
In der helle ist michel unrät: s
wer dä heimuote hät, 

blz. 22

DiuA sUnne schAinet nie so
lieht, der mane hilfet in niht,
Noh der liechte sterne,
jaA müet in allez daz er siht,
jaA waer er daA ze himel als6 gerne.

In himelflAch ein hüs sta»t,
ein gUl~Ain wec dar iAn gät,
Die siule die sint mermel?n, d
ie zieret unser trehtiAn
Mit edelem gesteine:
daA enkumt nieman ?n,
er ensAi vor allen sünden als6 reine.

Swer gerne zuo der kilchen gaAt
und aAne nAit daA staAt,
Der mac wol vr6liAchen leben,
den wirt ze jungest gegeben
Der Engel gemeine.
wol im daz er ie wart:
ze himel ist daz Leben alsö reine.

Ich haAn gedienet lange
leider einem manne,
Der in der helle umbe gät,
der brüevet m?ne missetat,
S?n l6n der ist boese.
Hilf mich heiliger geist,
daz ich mich von sAiner vancnisse loese.

Das ist das Gebet, das der einfache Mensch sagte und verstand. Wir haben den Herabklang gelesen, haben jetzt den Hinaufklang.
Ich will versuchen, dieses Weihnachtslied aus dem 12. Jahrhundert etwas wiederzugeben, damit wir sehen, wie auch der einfache Mensch die ganze Größe des Christus faßte und in Zusammenhang brachte mit dem ganzen kosmischen Leben.
Er ist gewaltig und stark, der zu Weihnacht geboren ward. Das ist der Heilige Christ. Es lobt ihn alles, was da ist, nur nicht ganz allei

Dat is het gebed dat de eenvoudige mens zei en begreep. We weten nu hoe het klinkt.
Ik wil proberen dit kerstlied uit de 12e eeuw zo weer te geven dat we kunnen zien hoe ook de eenvoudige mens de grootheid van Christus begreep en in samenhang bracht met het hele kosmische leven.
Hij die met Kerstmis geboren is, is machtig en sterk. Dat is de heilige Christus. Alles wat is, looft hem, maar de

blz. 23

der Teufel, der durch seinen großen Übermut so war, daß ihm die Hölle zuteil ward. In der Höhe ist mikel Unrat (mikel – das ist das alte Wort für groß, mächtig). In der Hölle ist großer Unrat. Wer da seine Heimat hat, wer also in der Hölle zu Hause ist, muß wahrnehmen: die Sonne scheint da niemals nicht, der Mond hilft, hellet niemanden, noch die lichten Sterne. Da muß jeder, der etwas sieht, sich sagen, wie schön es wäre, wenn er in den Himmel gehen könne. Er wäre ganz gern in dem Himmel. Im Himmelreich steht ein Haus. Ein goldner Weg dazu geht. Die Säulen sind Mermel, (also von Marmor), geziert mit Edelgestein. Da aber kommt niemand hinein, als der von Sünden ganz rein ist. Wer zu der Kirche geht und da ohne Neid steht, der mag wohl höheres Leben haben, denn es wird immer junges gegeben, das heißt, wenn er zuletzt sein Leben geendet hat – erinnern Sie sich, ich habe hier einmal das Wort «jüngern» vom Ätherleib eingeführt; hier haben Sie das in der Volkssprache sogar! – also wenn er «jung» ist gegeben der Engelsgemeinde, wohl ihm, daß er darauf warten kann, denn im Himmel ist das Leben rein. – Und nun sagt der, der also dieses Weihnachtslied betet: Ich habe gefangen gedient leider einem Mann, der in der Hölle umgeht, der entwickelt hat meine Missetat. Hilf mir, heiliger Christ, daß ich von seinem Gefangse, (Gefängnisse), gelöst werde, das heißt: aus dem Gefängnis des Bösen gelöst werde.

de duivel niet helemaal, die door zijn grote overmoedigheid zo was dat de hel zijn deel werd. In de hel is ‘mikel’ – dat is het oude woord voor groot, machtig – uitschot.  Er zit veel uitschot in de hel. Wie daar zijn thuis heeft, wie daar thuis is, moet merken: daar schijnt de zon echt nooit, de maan helpt, verlicht niemand, ook niet de heldere sterren. Daar moet iedereen die iets ziet, zeggen hoe mooi het zou zijn als hij naar de hemel zou kunnen gaan. Hij zou graag in de hemel willen zijn. In het hemelrijk staat een huis. Er leidt een gouden weg heen. De zuilen zijn ‘Mermel’, (dus van marmer), gesierd met edelsteen. Maar daar komt niemand binnen, wanneer hij niet gereinigd is van de zonde. Wie naar de kerk gaat en daar zonder afgunst staat, die mag wel een hoger leven hebben, want altijd zal er iets zijn wat jong is, d.w.z. wanneer uiteindelijk zijn leven is geëindigd – weet u het nog, ik heb hier eens het woord ‘jüngern’ – jonger worden – van het etherlijf gebruikt; hier komt het zowaar in de volkstaal voor! dus wanneer hij ‘jong’ aan de gemeenschap van de engelen is overgegeven, gelukkig hij die daarop kan wachten, want in de hemel is het leven rein.
En nu zegt degene die dit lied bidt: ik heb als gevangene helaas een man gediend die in de hel rondwaart, die heeft mijn zonden groot gemaakt. Help mij, heilige Christus, dat ik verlost wordt uit zijn gevangenis (Gefangse), verlost wordt, dat betekent: vrij kom uit de gevangenis van het kwaad.

Also das ist in der Sprache des Volkes:

Dat klinkt dus in de taal van volk zo:

Er ist gewaltig und stark,
Der zur Winacht geboren ward.

[1] GA 274

Aan de voorstellingen in Dornach ging een voordracht in Berlijn vooraf op 19 december 1915 met de titel: ‘Der Weihnachtsgedanke und das Geheimnis des Ich. Der Baum des Kreuzes und die Goldene Legende. Entstehung der Krippen- und Hirtenspiele’. De voordracht werd gepubliceerd in GA 165 ‘Die geistige Vereinigung der Menschheit durch den Christus-Impuls’.
In dezelfde uitgave is  ook de hier bovenstaande inleiding opgenomen, waarbij nog 2 voordrachten aansluiten die op 27 en 28 december 1915 in Dornach werden gehouden. Op 28 december 1915 houdt Rudolf Steiner ook nog een toespraak in Basel en knoopt daarbij aan de drie voordrachten in Dornach aan. Ook deze zijn in de genoemde band opgenomen.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1760-1649

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (11)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2000, nr.6

bakersprookjes

Vanaf een jaar of drie kun je kinderen de eerste sprookjes vertellen. Vooral de sprookjes met een zwaan-kleef-aan thematiek sluiten aan bij de leefwereld van het jonge kind. Een aantal daarvan zijn door Liane Keiler bijeengebracht in een bundel Bakersprookjes. Meestal spelen dieren een hoofdrol in deze eenvoudige sprookjes. Peuters en kleuters verkneukelen zich bij voorbaat over het telkens terugkerende vraag- en antwoordspel. Over Eendje Gak bijvoorbeeld dat de wijde wereld in wil en Kikker Kwak tegenkomt. ‘Mag ik mee,’ vroeg Kikker Kwak. ‘Ga maar op mijn staartje zitten,’ zei Eendje Gak.

Kikker Kwak gaat op het staartje zitten en samen gaan ze de wijde wereld in. Natuurlijk komen ze steeds andere dieren tegen en ze mogen allemaal op het staartje zitten en mee gaan. Alles kan in deze verhalen. Voor volwassenen zijn sommige van deze sprookjes een beetje gek of zelfs onbegrijpelijk, maar kinderen voelen de humor moeiteloos aan.

v.a. 3jr

boek

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1759-1648

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (10)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2000, nr.6
.

Dwergenwoorden en kinderhumor

Zeker voor de peuter en de kleuter geldt dat herkennen een feest is. Het eindeloos herhalen van liedjes en verhaaltjes is als het ritme van het telkens terugkerende tij voor hem: het geeft vastheid en zekerheid.

Dag en nacht, ontbijt, middag- en avondeten, de seizoenen met de feesten die daarbij horen of het verhaaltje voor het slapen gaan, dat alles bouwt aan het vertrouwen dat een kind heeft in de wereld die hem omringt. En dat vertrouwen heeft hij de eerste járen hard nodig om – op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo – te kunnen groeien.

De behoefte aan ritme zie je terug in de innige tevredenheid die kleine kinderen uitstralen als in een verhaaltje een bepaalde zin, een woord of een grappige klank voortdurend wordt herhaald. Hetzelfde liedje of spreuk kan maandenlang onderdeel zijn van het bedritueel zonder dat het een peuter ook maar een moment verveelt.

Tomte Tummetot

Wanneer je zelf een verhaaltje verzint om bij het naar bed gaan aan je kind te vertellen, kun je die ritmische herhaling naar hartenlust inbouwen. Maar er zijn ook voorlees- en prentenboeken die veel met herhaling werken, zoals Astrid Lindgrens prentenboek Tomte Tummetot. Tomte is Zweeds voor kabouter en Tomte Tummetot is huiskabouter op een boerenhoeve in het hoge noorden van Zweden.

‘Het is bitterkoud en in een nacht als deze letten de mensen er goed op dat het vuur in de haard niet uit gaat,’ zo begint het verhaal.
Tomte Tummetot waakt over zijn boerderij en over iedereen die er woont, ’s Nachts maakt hij zijn ronde langs de slapende mensen en de dieren in de stallen. En iedere keer weer fluistert hij hen iets toe – dwergenwoorden, en iedere keer dezelfde: ‘Veel winters en veel zomers heb ik zien komen en gaan. Heb nog geduld! Het wordt weer lente!’

Op de prenten van Harald Wiberg is de ijskoude nacht te zien. De sterren fonkelen en op iedere bladzijde zie je de rode kaboutermuts en de waakzame oogjes van Tummetot oplichten. Dit boek kun je in de winter wekenlang ’s avonds voorlezen of, met de allerkleinsten, samen bekijken.

v.a. 2jr.

boek

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1758-1647

.

.

VRIJESCHOOL – Advent – op weg naar Kerst (17)

.

Ongeborenheid

Bij de inrichting van het geboortehuis in de Ita Wegman-kliniek op 26 juni 1940, klonken deze woorden van Ita Wegman: “Dit is toch wat Rudolf Steiner als ideaal zag, namelijk, dat de kinderen die ter wereld komen, op de juiste wijze ontvangen worden. Daarmee zal ook de verbetering van de mensheid samenhangen.”

Jaren daarvoor, in 1914, sprak Steiner deze woorden:
“Onsterfelijkheid – ongeborenheid, wie beide verstaat, verstaat de eeuwigheid.”

Spreken over onsterfelijkheid is in Nederland anno 2012* niet meer vreemd; spreken over ongeborenheid roept vragen op. Onsterfelijkheid heeft in de Nederlandse cultuur, onder andere door de kerken, een plek gekregen in het bestaan van de mens: als je sterft ga je naar de Hemel, word je opgenomen in het Al, de kosmos, de hemel, het Oer of in het niets…

De zorg voor het kind tijdens de zwangerschap heeft de laatste decennia een grote sprong gemaakt, kinderen die met 24 weken zwangerschap worden geboren, kunnen, mits aan bepaalde voorwaarden voldaan kan worden, in leven blijven. Er kunnen operaties tijdens de zwangerschap bij het ongeboren kind worden verricht. Wat is een ongeboren kind?
“We vermoeden niet eens wat ons ontbreekt in deze richting” aldus Steiner. [1] Verder schrijft Steiner: “De ongeborenheid is de andere zijde van de eeuwigheid. […] Het leven wordt pas begrijpelijk als men het in zijn geheel bekijkt en er niet alleen een korte tijdspanne, die tussen geboorte en dood verloopt, uitknipt. Want deze tijd is erg afhankelijk van de voorgaande tijd van het vóórgeboortelijke, van de reine geestelijke wereld. Met ons gehele wezen zijn we afhankelijk van wat er in de geestelijke wereld is voorafgegaan aan onze geboorte.”[2]

“We moeten een woord hebben dat zeer duidelijk wijst op onze pre-existentie. We mogen de betekenis die in een woord ligt, niet onderschatten. Je mag nog zoveel denken, nog zo scherpzinnig denken, steeds is er iets in je dat intellectualistisch is. In het ogenblik waarop de gedachte zich omvormt tot een woord, zelfs als dit woord alleen maar gedacht wordt, zoals in de woordmeditatie, op datzelfde ogenblik grift zich dat woord in in de wereld-ether. De gedachte grift zich niet zo in in de wereldether, anders zouden we nooit vrije wezens kunnen worden in ons reine denken. We zijn namelijk gebonden op het moment dat iets zich ingrift. We zijn niet door het woord vrij, maar wel door het reine denken – dat kun je in mijn Filosofie der vrijheid lezen – maar het woord grift zich in in de wereldether. Doordat er geen woord is in de
initiatiewetenschap door ons ‘ongeboren-zijn’, daardoor is de ‘ongeborenheid’ niet ingegrift in de wereldether. Alles wat aan belangrijke woorden van de mensheid in zijn kindheid, in zijn jeugd, in de wereldether is ingegrift, al dat betekent een vreselijk schrikken voor de Ahrimanische machten. ‘Onsterfelijkheid’ ingeschreven in de wereldether verdragen Ahrimanische machten zeer goed, want ‘onsterfelijkheid’ betekent, dat ze met de mensen een nieuwe schepping beginnen en met de mensen uit wandelen willen gaan. Dat irriteert de Ahrimanische wezens niet, als ze steeds de ether doorsuizen, om met mensen hun spel te spelen, als er zoveel over onsterfelijkheid van de preekstoel wordt verkondigd en in de wereldether wordt ingeschreven. Maar het is een vreselijk schrikken voor hen, als ze het woord ‘ongeborenheid’ in de wereldether zien ingeschreven staan. Daar gaat voor hen het licht uit, waarin zij zich bewegen. Daar komen zij niet verder, daar verliezen ze hun richting, daar voelen ze zich als in een afgrond, als in het bodemloze. Zo zie je hoe het een Ahrimanische daad is om de mensen van dit begrip af te houden en niet van ‘ongeborenheid’ te spreken. Ook al mag het de moderne mens nog zo paradoxaal voorkomen om van zulke dingen te spreken, de moderne civilisatie heeft het nodig dat we over zulke dingen spreken. Het is niets minder dan de strijd tegen de Ahrimanische machten, die we zelf moeten opnemen.”[3]

Sixtijnse Madonna

Kijkend naar de Sixtijnse Madonna van Rafael, zien we vele kinderhoofdjes vanachter het groene doek naar Maria kijken. “Wie de kinderen op de Madonna-afbeeldingen van Rafael bekijkt, ziet dat uit hun kinderogen het goddelijke, het verborgene, het bovenmenselijke straalt, waarmee het kind nog in de eerste tijd na zijn geboorte verbonden is.'[4] Misschien kan dit schilderij ons helpen om een verbinding te voelen met de ‘ongeborenheid’ en de vele kinderen die vol verlangen naar de aarde afdalen. Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden. Ook hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:

Verhaal

“…Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen. Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan.

Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.

Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint-Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen…

Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?.

Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik help graag mee, zei de Zon.

Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…

Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.

Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

“Dit is toch wat Rudolf Steiner als ideaal zag, namelijk dat de kinderen die ter wereld komen, op de juiste wijze ontvangen worden. Daarmee zal ook de verbetering van de mensheid samenhangen.” Met deze woorden van Ita Wegman begon dit artikel. Als het waar is dat de verbetering van de mensheid samenhangt met hoe wij de kinderen ontvangen, hoe kunnen wij de kinderen dan ontvangen?

Gea van Weeren, schoolpsychologe bij de Begeleidingsdienst voor Vrijescholen, sprak afgelopen zomer tijdens een lezing op de Zutphense Zomercursus over: ‘Vraag het de kinderen!’ Als we goed waarnemen laten de kinderen aan ons zien wat zij nodig hebben om op de juiste wijze ontvangen te worden: lichtheid, tederheid, rust, warmte, liefde, geduld, respect, terughouding, openheid en wellicht een diepe verwondering voor de wereld van de ongeborenheid die zij verlaten om over te gaan in de geborenheid.

1 GA 335: Die Krisis der Gegenwart in der Weg zu gesunden Denken.
2 GA 140: Okkulte Untersuchungen Ober das Leben zwischen Tod und neuer Geburt.
3 GA 203: Die Verantwortung des Menschen für die Weltentwicklung.
4 GA 143: Erfohrungen des Übersinnliche – Die drei Wege der Seele zu Christus.
• Bundel 24, Saluto Genese vzw België.

.
Met toestemming van de auteur Loïs Eijgenraam

Website Loïs Eijgenraam

*Dit artikel verscheen eerder in  VRIJE OPVOEDKUNST nr.7/8-2012
Hier gepubliceerd met toestemming van de auteur

.

Boeken van Loïs Eijgenraam

.
Advent: alle artikelen

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten     jaartafels

.

1757-1646

.

VRIJESCHOOL – Rekenen

.

MIJNHEER VAN DALE WACHT OP ANTWOORD

Wie kent het ezelsbruggetje niet?

M V D W O A

In een samengestelde som waarin verschillende rekenbewerkingen moeten worden gedaan, gaat Machtsverheffen voor; dan kwam Vermenigvuldigen vóór Delen.
Dat is veranderd: vermenigvuldigen en delen moeten worden gedaan in de volgorde waarin ze staan.
Ze gaan beide wél vóór Optellen en Aftrekken, maar deze worden nu ook in de volgorde gedaan waarin ze staan.

DAT WEET NIET IEDEREEN, getuige laatst nog een radioquiz waarin een ‘mijnheer-van-dale-som moest worden opgelost.

Zeg het ook even tegen de ouders: die hebben allemaal nog de oude vorm geleerd. En als ze bij het huiswerk helpen…..

.

Rekenen: alle artikelen

.

1756-1645

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (9)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3

Tatatoeks reis naar de kristalberg

Een bijzonder voorleesboek voor de oudste, schoolrijpe kleuters is Tatatoeks reis naar de kristalberg van Jacob Streit.
Tatatoek is een verlegen dwerg die op een dag de opdracht krijgt een kristal voor de koning te halen. De reis gaat over zeven bergen en door zeven dalen. In ieder dal zit een gemene kobold die Tatatoek wil verhinderen naar de hoge kristalberg te gaan. In dit spannende verhaal herkennen kinderen de oerbeelden van moed en doorzettingsvermogen. Het zijn kwaliteiten die ze zelf ook een beetje moeten ontwikkelen als ze de vertrouwde kleuterwereld definitief achter zich laten.

.

boek

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

1755-1644

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (8)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3

Annika

Een boek voor peuters en jonge kleuters dat op een vanzelfsprekende manier heen en weer beweegt tussen de fantasiewereld en de dagelijkse realiteit is Annika, het klassieke prentenboek van Elsa Beskow. Als Annika door haar moeder op pad wordt gestuurd om te kijken of de koe Bertha niet in de wei van de buurman is gelopen, gebeuren er allerlei gewone, maar voor een peuter ook spannende dingen. Ze komt een grote hond en een opschepperige buurjongen tegen, ze krijgt het hek van de wei niet open en Bertha glipt inderdaad door een gat in het hek naar de klaverwei van de buurman. Annika besluit kordaat dat ze dat hek moet dichtmaken en pakt een stok uit een berg takken. Maar dan hoort ze een boos stemmetje. Tot haar grote schrikt blijkt de takkenbos een kabouterhuis te zijn en de kaboutervader is behoorlijk boos dat Annika het huis bijna kapot maakte. Als bij toverslag komt Annika in de kabouterwereld terecht en gaat ze op in haar spel met de kabouterkinderen. Ze eet zelfs pannenkoeken in het kabouterhuisje en krijgt een emmertje aardbeitjes mee.

Dan hoort Annika haar moeder roepen. In een oogwenk zijn de kabouters verdwenen en holt Annika naar huis. ’s Avonds eten ze de aardbeien op met suiker en room. Hoewel weinig kinderen dagelijks te maken hebben met een koe in de wei, zijn de belevenissen van Annika volstrekt herkenbaar voor iedere parmantige drie- of vierjarige die alles zelf wil doen. Annika is een boek dat je een heel zomerseizoen lang samen kan lezen en bekijken zonder dat het gaat vervelen.

.

boek

4 jr.
.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1754-1643

.

.

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-3/2)

.
De keuze voor verantwoord speelgoed, cadeautjes, is soms moeilijk te maken. Wat geef je op welke leeftijd en met welk doel.
Een uitstekende artikelenreeks hierover is Spel en speelgoed

Uiteraard zijn er verschillende opvattingen en soms loopt de keus voor een stukje speelgoed ook per leeftijd uiteen. 

Om 0uders behulpzaam te zijn verschijnen en verschenen allerlei lijstjes met geschikt speelgoed voor een bepaalde leeftijd.

Hier is zo’n lijstje, het verscheen jaren geleden, maar bevat nog altijd suggesties die ook voor nu bruikbaar zijn.

Goede speelvormen en speelmaterialen

van 0-1 .jaar

koord met balletjes;
baby-ballen rammelaar;
bijtring;
drijvende dieren;
belletjeskubus ; ratelkubus;
bal;
pluchebal;
poppen en dierfiguren van zachte stof.

peuter 1-3 jaar

piepfiguren;
pluchen en stoffen figuren en poppen;
dieren die je achter je aan trekt;
duikelaars;
holle kubussen;
bouwbekertjes;
prentenboeken van linnen of zwaar karton;
speelgoed voor zandbak,
tuin en strand;

van 3-6 jaar

kleine houten auto’s van 10-25 cm;
vrij grote vrachtauto’s;
houten trein;
staande schommel;
hobbelpaard;
kleine ladderwagen of geheel gesloten vrachtwagen;
teddybeer en andere stoffen dieren ;
bezem;
wasgerei en dergelijke;
zandspeelgoed;
grote bouwelementen,
speelmeubels;
driewieler;
paardenvoertuig;
verschillende houten voertuigen;
tuinschommel;
kruiwagen;
poppen;
poppenkleding met toebehoren;
poppendraagtas,
poppenbed,
poppenwagen;
tekenbord,
borddoek,
krijt;
vingerverf;
waskrijtblokken en -stiften;
bouwblokken van hout;
speelgoed om te schroeven; insteekbouwmaterialen, met grote delen;
materiaal om te leggen, in te steken, te spijkeren;
rijgkralen;
opstelspeelgoed (steden, dierentuin en andere);
autoped; babypop en- toebehoren;
poppenkamer met poppen; toebehoren voor het’rollenspel’;
winkel;
handspeeldieren;
bouwmateriaal met schroefverbinding;
kaartenhuis;
kneedmateriaal;
gekleurd papier en kinderschaar;
magneet, zaklamp en dergelijke;
eenvoudige gezelschapsspelen;
prentenboeken,
kleurboeken,
voorleesboeken,
eenvoudige puzzels ;

van 6-10 jaar

springtouw; kleine modelvoertuigen;
grote poppenwagen;
handspeelpoppen (‘Jan Klaassen’);
vlechtblaadjes van papier;
waterverf (dekkleuren);
winkel met toebehoren;
kindermuziekinstrumenten (trommel, blokfluit, xylofoon);
huishoudelijk speelgoed (veger, stoffer, blik);
kookstelletje;
kleurstiften met dunne,
kern;
constructie-bouwmateriaal hout);
insteekbouwmateriaal  (plastic);
vellen papier om te knippen;
handenarbeidmateriaal (figuurzagen, verven, werken met klei en dergelijke);
vrij grote modelvoertuigen (metaal);
rolschaatsen en schaatsen;
weefgetouw;
knutselmaterialen;
vrij moeilijke gezelschapsspelen;
badminton;
bouwplaten; constructiebouwdoos (metaal);
goocheldoos;
leesboeken;
puzzels.

van 10 jaar en ouder

een deel van het speelmateriaal van 6-10 jaar;
vlieger;
aquarelverf;
naaimachine;
fornuis en andere elektrische apparaten;
gereedschap;
hobby-materialen;
elektrische modeltrein;
stoommachine,
elektromotor;
technische bouwdozen;
experimenteerdozen;
boeken;
puzzels;
muziekinstrument;
modelbouw (schepen, vliegtuigen);
fototoestel met handleiding.

omgaan, uitproberen, experimenteren en vormen met materiaal

van 0-1 ,jaar

luchtballon;
mobile;
geluidsspelen;
ratel;
grijpspeelgoed;
badkuipspeelgoed;
bal;
werppop;
werpdier;

tussen 1 en 3 jaar

badkuipspeelgoed;
hansworst;
duikelaartje;
kogelbaan;
muziek-speeldoos;
vormen-insteekspel;
insteek-speelgoed (bouwbekers, blikken);
eenvoudige legpuzzel;
hamerspelen;
bouwblokken;
vingerverf;
viltstiften;
vezelstiften;
zandbak;
zandspeelgoed;

tussen 3 en 6 .jaar

zandbak;
zandspeelgoed;
kegelbaan die je uit elkaar kunt nemen;
bouw- en constructiemateriaal;
grote bouwelementen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
miniatuurvoertuigen;
opstelspeelgoed;
materiaal om te leggen;
plaatjes-legspelen;
legpuzzel;
kaartenhuis;
gekleurd papier;
schaar;
vellen papier om te knippen;
papiervlechten;
rijgkralen;
kneedmateriaal;
bord;
krijt- en viltstiften;
waskrijt;
waterverf;
kleurpotloden;
kleurboeken;
gereedschap;
materiaal om met de handen te werken;
drukken;
handwerken;
weefgetouw;
caleidoscoop;
vlieger;
zweefvliegtuig;

tussen 6 en 10 jaar

materiaal en gereedschap om te bouwen;
schilderen;
drukken; vormen;
met de handen te werken zoals voor 3-6 jaar;
constructiemateriaal;
voertuigen. en verkeerscomplexen met aandrijving (opdraai-mechanisme/ batterij);
schepen;
mini-bobslee;
montagebouw (vaartuig, telefoon);
kabelbaan;
racebaan met aansluiting op lichtnet;
legpuzzel;
plaatjeslegspel;
stempeldoos;
bouwplaten;
boetseermateriaal;
werkbank;
experimenteermateriaal;
caleidoscoop;
speelveer;
vlieger;
denkspelen;
goochelspelen;
geduidspelen;

met 10 jaar en later

materiaal en gereedschap als voor 6 tot 10 jaar;
modelbouwgereedschap en -materiaal;
modeltrein met aansluiting op lichtnet;
naaimachine;
breimachine;
aquarelverf; tekensjablonen;
passer
experimenteermateriaal;

rollenspel – toneelspel

tussen 1 en 3 jaar

stoffen dieren;
werppop of andere eenvoudige pop;
telefoon;
eenvoudige huishoudgereedschappen (bezem, zwabber);
onbreekbaar servies;
speelmeubels;
speelelementen van karton;

tussen 3 en 6 jaar

stoffen dieren;
pop – ook babypop;
poppentoebehoren (kleertjes, bedje, koffer);
telefoon;
pannen;
bakgerei;
huishoudgereedschappen;
breekbaar servies;
poppenkamer met buigpoppetjes;
toebehoren voor andere rollenspelen (arts, astronaut, post, supermarkt);
dingen om te je verkleden;
handspeelpoppen (eenvoudig en licht);
opstelspeelgoed;
miniatuurvoertuigen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
voertuigen met verschillende functies (kraan, brandweer);
grote bouwelementen;
speelmeubels;
speelelementen;
tent;

tussen 6 en 10 jaar

stoffen dieren;
poppen;
poppetoebehoren;
poppenkamer (meer toebehoren);
huishoudgereedschappen;
rollenspel toebehoren
dingen om je te verkleden;
miniatuurvoertuigen;
voertuigen met aandrijving;
treincomplex zonder en met aandrijving (veerwerk of batterij);
racebaan met aansluiting op lichtnet;
handspeelpoppen;
handspeeldieren;
vereenvoudigde marionetten;
poppenkast (podium);
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen;

met 10 jaar en ouder

poppen; poppentoebehoren;
elektrische apparaten (fornuis, strijkijzer);
dingen om je te verkleden en toneel te spelen;
poppenkast;
handspeelpoppen en -dieren;
marionetten;
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen ;

gezelschapspelen

tussen 3 en 6 jaar

lottospelen;
kleuren- en plaatjesdomino;
snipsnap;
pak me;
kat en muis;
hengelspel;
behendigheidsspelen;
knikkeren;
geheugenspelletjes (memory,
koffer inpakken;
zwartepieten;
kleur-dobbelspelen;
eenvoudige wedstrijd
dobbelspelen (geluksspelen);
spellendoos;

tussen 6 en 10 jaar

geheugenspelletjes (memory, koffer inpakken);
wedstrijddobbelspelen (taktische);
bordspelen (halma, dammen, rollenspel);
letterspelen;
legspelen;
domino;
denkspelen;
kaartspelen;
kwartet;
spellendoos;
behendigheidsspelen, (mikado, labyrint, vlooiènspel);
autoracebaan (lichtnet);
sportspelen (tafeltennis, badminton);
ballen;
werpspelen;
springtouw;
elastiekentwist;
knikkeren;

met 10 jaar en later

gezelschapsspelen als voor 6-10 jaar;
autoracebaan met aansluiting op lichtnet;
moeilijke gezelschapsspelen;
denkspelen;
geduldspelen;
behendigheidsspelen;
goochelspelen;
sportspelen;
sportballen;
blaaspijp;
werpspelen (ringen, schijven, darts….)

Andere mogelijkheden

Andere activiteiten die kinderen leuk vinden is het, op hun eigen manier, meehelpen van de ouders, bijvoorbeeld met het verzorgen van een jonger broertje of zusje; het verzorgen van de planten; met het eten klaar maken; in de tuin helpen. In en rond het huis zijn vaak veel mogelijkheden voor kinderen die ze graag samen met hun ouders doen.
.

bron-vermelding:
– vooral gebaseerd op ‘Aktions-Leitfaden gegen Kriegsspielzeug’; DFG-VK-Bundesgeschaftsstelle, Essen
– Omgaan met agressie. Agressie als communicatiemiddel. Hans Tromp, Everbard Mulder – 1978; 2e herziene druk 1980.
– vooral gebaseerd op; ’Aktion Kriegsspielzeug; Modelle- und
Aktionsvorschläge für Kinder, Jugendlich und Erwachsene1, Deutsches Pax-Christi-Sekretariat) Frankfurt/Main – nr.21, 2-78,
– artikel in Veluwepost dd. 15 nov. 1978.

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1753-1642

.

.

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/4)

.

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

{4}

Spel en speelgoed

In het eerste artikel over dit onderwerp hebben we aandacht besteed aan het wezen van het spel; de keuze van speelgoed waarbij de behoeften van het kind uitgangspunt zou moeten zijn; de in-houd van de reclame op de keuze van speelgoed.

In het tweede artikel besteedden we aandacht aan het geven van spelruimte; het uit de weg ruimen van spelbelemmeringen en enkele uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

In het derde artikel besteedden we aandacht aan; verveling en vervreemding; media en consumptie in relatie met spel en speelgoed en vulden we de lijst van uitgangspunten voor de keuze van speelgoed nog aan.

In dit vierde artikel over dit onderwerp en tevens laatste, besteden we aandacht aan het centraal zetten van het spel in de opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding. We besluiten met een korte opsomming van een aantal uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

Opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding: spel centraal stellen

Opvoeden tot vrijetijdsbesteding is een noodzaak, omdat de vrije tijd de tijd is welke de mens mogelijkheid geeft tot een stukje zelfverwerkelijking.

Bij een opvoeden tot een zinvol gebruik maken van de vrije tijd, gaat het eigenlijk om twee pedagogische criteria. Opvoeden tot vrijetijdsbesteding betekent het kind helpen te komen tot een persoonlijke keuze van vrijetijdsactiviteiten. Opvoeden tot vrijetijdsbesteding betekent ook het kind helpen te komen tot een verantwoorde keuze van vrijetijdsactiviteiten. Dit betekent dat er in de omgeving van het kind, de gemeente, de wijk, de school, een infrastructuur aanwezig moet zijn. Er moeten voor het kind allerlei voorzieningen in de naaste omgeving zijn: een speeltuin, mogelijkheden voor kunstbeoefening, gelegenheden voor sportbeoefening e.d. Dit betekent ook, dat het kind over voldoende en goed speelgoed moet beschikken. Uit dit aanbod aan mogelijkheden, hopelijk tot stand gekomen uit de behoeften van kinderen zelf, moet door het kind op een persoonlijke en verantwoorde manier gekozen kunnen worden. De infrastructuur moet echter ook flexibel zijn, waardoor er allerlei nieuwe mogelijkheden ingebouwd kunnen worden en verouderde vormen weer kunnen verdwijnen. De infrastructuur moet op een democratische wijze tot stand komen en waar mogelijk moeten kinderen dan van zo jongs af aan zelf bij betrokken worden. Het kind moet geholpen worden tot een persoonlijke keuze van zijn vrijetijdsactiviteiten. Het kind zal ook tot een persoonlijke keuze van spelactiviteiten moeten kunnen komen.

Door vrije keuze kan een kind komen tot een stukje eigen verantwoordelijkheid en tot engagement. Een opgedrongen vrijetijdsbesteding betekent onder meer bij het kind bevorderen van zin krijgen in het echt zinvolle en het afhouden van het zinloze. Tegenwoordig is er een groot gevaar aanwezig dat het kind meegezogen wordt met het gemechaniseerd amusement, waarbij het gevaar aanwezig is dat het kind nog nauwelijks creatief is. We moeten het kind helpen zich ook bezig te houden op een creatieve manier in de vrije tijd. Vrije tijd heeft iets met een waardepatroon te maken en speelt derhalve in een opvoeding een rol. Kan het onderwijs nu bijdragen tot een beter gebruik maken van onze vrije tijd? Ons onderwijs is nog steeds fundamenteel en uitsluitend een voorbereiding op de arbeid. Vele nieuwe onderwijsplannen zijn gericht op andere waarden, maar deze programma’s komen moeilijk van de grond en zijn ook uiterst moeilijk meetbaar. We constateren van de ene kant: hoe hoger het onderwijsniveau, hoe meer cognitieve en professionele doelstellingen gaan overheersen en hoe minder er aandacht is voor terreinen anders dan de arbeid.

Van de andere kant: goed en hoger onderwijs verhoogt in het algemeen wel de keuzemogelijkheden t.a.v. de vrije tijd. Onderwijs kan en moet er echter toe bijdragen om van de vrijgemaakte tijd ook vrije tijd te maken. Mensen als Fauré, Janne, Schwartz spreken dan ook van een nieuw type onderwijs in onze samenleving. Het wordt dan meer een onderwijs voor alle leden van een maatschappij, om hun diverse talenten ten volle te ontwikkelen. Het gaat erom mensen meer zelfvertrouwen te geven en ze meer flexibel te maken. Ze in staat stellen om gemakkelijker toegang te laten geven tot cultuur en beslissingsmacht. Natuurlijk, door meer en beter onderwijs aan meer mensen ontstaat er wel een „over-kwalificatie”, wat een zeer moeilijke zaak is voor landen met een economische recessie. Daarom moeten we meer oog hebben voor een
vrijetijdsmaatschappij: ons onderwijs zal daarop moeten voorbereiden met accenten op creativiteit en initiatief.

Een relativeren van cognitieve waarden is noodzakelijk. Het zal nodig zijn dat de school opener wordt door er heel de gemeenschap bij te betrekken.

Juist het spelende kind zou een schakel kunnen zijn tussen onderwijs en gemeenschap.

Het probleem van de zelfverwerkelijking door de vrije tijd is een kwestie van de gehele opvoeding. Opvoeding tot creativiteit is noodzakelijk. Het gaat om een mentaliteitsverandering. Beleefde werkelijkheid en onderwezen werkelijkheid moeten veel meer samenvallen. Het gaat niet alleen om een leren te arbeiden, maar ook om een leren te zijn. Zo kunnen we misschien iets doen tegen de verveling op school, op het werk en ten overstaan van de cultuur. We vluchten te gemakkelijk in ontspanning. We zijn niet echt voorbereid op een zinvolle vrijetijdsbesteding. We kunnen bijna niet meer echt spelen. We moeten in de opvoeding meer werken in de richting van: belangstelling, actieve deelname, creativiteit, verantwoordelijkheid dragen. Een dergelijke opvoeding kan er dan wellicht toe bijdragen dat vervreemdingsverschijnselen voorkomen worden. Dit is hard nodig in onze samenleving, want op talrijke gebieden hebben we te maken met dergelijke verschijnselen. Te denken valt aan het gevoel van onmacht dat vele mensen hebben: we constateren immers een samentrekken van de beslissende macht in handen van een steeds kleinere minderheid. We zien dat op het economische vlak in de vorm van multinationals. Politiek gezien beheersen de grootmachten de meest vitale problemen van oorlog en vrede. Vele mensen worden overweldigd door massale machtconcentraties. Voor de opvoeding betekent dit m.i. dat we kinderen van jongs af aan moeten leren mee te beslissen en niet alles zo maar laten ondergaan.

Onze samenleving verzakelijkt steeds meer. Het meer hebben wordt vaak hoger aangeslagen dan het meer zijn. We leven in een wereld vol tegenstellingen waarin het voor bijna ieder mens moeilijk wordt de zin van het zijn te ontdekken. Bij de opvoeding moeten we m.i. het zijn meer benadrukken dan alleen maar het hebben. We moeten kinderen helpen de zin van hun leven te bepalen. Onze wereld verandert zeer snel op praktisch alle terreinen. Onze waarden staan te wankelen. We zien om ons heen een cynisme, pessimisme, wantrouwen, een op zoek zijn naar identiteit, een op zoek zijn naar innerlijke vrede.

Dit alles wijst op een zoeken naar bindende normen. We zien dat in de vorm van de onrust van de jongeren, de bewustwording van de vrouwen van hun gelijkwaardigheid en bij de problematiek van de bejaarden. In de opvoeding komt het er op neer kinderen te helpen waarden en normen te ontwikkelen. We hebben thans ook te maken met een versplinterende kennis die gemonopoliseerd is door enkelen. Er ontstaat een kloof tussen hen die over informatie beschikken, zij die de kennis hebben en zij die beslissingen moeten nemen.

Voor veel mensen wordt het steeds moeilijker een weg te vinden in de stroom informatie die op hen afkomt. In de opvoeding komt het er op neer kinderen van jongs af aan leren informatie te verwerven en te ordenen en vooral te leren kiezen uit de stroom van informatie. Vele behoeften in onze samenleving worden ons opgedrongen. Zo ontstaat er een hele industrie voor de vrije tijd, die tot consumptietijd wordt. In de opvoeding komt het er onder meer op neer kinderen een kritische houding bij te brengen, zodat ze onderscheid leren maken tussen eigenlijke en opgedrongen behoeften.We leven in een wereld waarin mensen tegen elkaar opgejaagd worden. In onze samenleving gaat het teveel om: elk voor zich en de meest geschikte overleeft. Sociale bindingen spelen een dominerende rol in de eigen positieverbetering. We beseffen nauwelijks dat we ons zelf hier door vereenzamen.
In de opvoeding zal meer accent gelegd moeten worden op sociale bindingen in verband met vrijetijdsbestedingen. De opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding in gezin en in school heeft veel te maken met een mentaliteitsverandering. Kinderen zal van jongs af aan bijgebracht moeten worden dat arbeid en vrije tijd beide belangrijke elementen van ons leven zijn.

Misschien vragen ouders en leerkrachten te weinig wat kinderen in hun vrije tijd doen en komt het bij kinderen over dat ze alleen maar interesse hebben in de schoolsituatie. We zullen kinderen moeten leren dat vrije tijd niet alleen consumptie behoeft te betekenen. Kinderen moeten al van jongs af aan kritisch tegenover de media staan, waar consumptie in de vrije tijd zo aangepraat wordt. We moeten kinderen in staat stellen zelf eigen interesse te ontwikkelen, dit geeft ook een stuk zelfvertrouwen en kan de verveling tegenwerken. Kortom, stel kinderen in staat mee te beslissen zodat ze straks ook kunnen beslissen, ook t.o.v. hun vrije tijd. Veel van het hier genoemde geldt voor de hele opvoeding. Er kan geen sprake zijn van een aparte opvoeding tot het zinvol gebruik maken van de vrije tijd. Het gaat om een totale opvoeding, om een mentaliteitsverandering, die ook zijn neerslag zal hebben t.a.v. de vrije tijd.

Mentaliteitsverandering

We kunnen natuurlijk mooi spreken over een opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding, maar wie zijn die opvoeders? Zelf zijn ze grootgebracht in een tijd waarin er van een opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding nog geen sprake was. Het komt erop aan ook de mentaliteit van die opvoeders te veranderen. Het heeft weinig zin te spreken over opvoeding tot een zinvolle vrijetijdsbesteding of over een beleid als tegelijkertijd niet gewerkt wordt aan een mentaliteitsverandering t.a.v. arbeid en vrije tijd, bij het actieve en niet-actieve deel van onze bevolking. Natuurlijk staan we direct voor het probleem politieke keuze te moeten maken met mogelijk vérgaande consequenties. We zullen voor fundamentele keuzen geplaatst worden; vanzelfsprekendheden zullen we los moeten durven laten, waardegebieden zullen van elkaar onderscheiden moeten worden. Een ieder die met het spelende kind en de vrijetijdsbesteding van volwassenen te maken heeft, staat voor een belangrijke taak. Het is te hopen dat de genoemde uitgangspunten voor de keuze van speelgoed bijdraagt aan een tegemoetkoming van echt kinderlijke behoeften, waardoor kinderen tot zelfverwerkelijking, creativiteit en een harmonieuze ontwikkeling geraken. Het is te hopen, dat ook bij de ontwikkeling van materiaal voor de vrijetijdssector voor de volwassenen, genoemde uitgangspunten gehanteerd zullen worden.

Besluit

Ter afsluiting van deze vier korte artikelen over spel en speelgoed, noemen we nog eens de reeds naar voren gebrachte uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

Speelgoed moet kinderlijke behoeften helpen bevredigen

Het speelgoed van het kind moet aangepast zijn aan de leeftijd, d.w.z. dat het moet beantwoorden aan de door de , leeftijd bepaalde belangstelling en aan het ontwikkelingsniveau van capaciteiten van degene die speelt.

Speelgoed, dat het al ontgroeid is, gaat het kind vervelen. Met speelgoed dat pas voor een latere ontwikkelingsfase geschikt is, kan het kind nog niet op de juiste wijze omgaan. Wanneer de volwassene het kind hiertoe aanzet, beperkt hij het in zijn spelvrijheid en veroorzaakt een ongezonde vroegrijpheid van het spelende kind.

De objectief gerechtvaardigde behoefte van het kind en niet de wensen van de volwassene, zijn bij de keuze van speelgoed doorslaggevend. De subjectieve wensen van het kind op het gebied van speelgoed moeten door de opvoeder in de juiste banen worden geleid.

Speelgoed wordt voornamelijk door volwassenen voor kinderen gekocht. Het is daarom vooral de taak van de speelgoed kopende volwassenen ervoor te zorgen, dat het speelgoed, dat kinderen in handen krijgen, volgens pedagogische inzichten wordt gekozen en dat niet uitsluitend economische inzichten beslissen, waarmee kinderen zullen spelen. De spanning die bestaat tussen de belangen van de speelgoedindustrie aan de ene kant en de belangen van de kinderen en hun opvoeders aan de andere kant, is alleen dan op een voor alle partijen bevredigende wijze op te heffen, wanneer rekening wordt gehouden met de spelbehoeften van de kinderen en hun relatie tot speelgoed.

Speelgoed moet de gelegenheid geven om er langdurig en intensief mee te kunnen spelen.

Speelgoed moet aanzetten tot nieuwsgierigheid en verwondering.

De speelgoedreclame zou zich t.a.v. de keuze van speelgoed moeten beperken tot het aanprijzen van dat speelgoed, dat tegemoet komt aan echt kinderlijke behoeften en ontwikkelingsmogelijkheden.

– Speelgoed zal moeten  aanzetten om de keuzemogelijkheden van het kind te doen vergroten.

Speelgoed zal een confrontatie met de wereld moeten inhouden. Hoe
veelzijdiger confrontatie hoe beter.

Speelgoed zal steeds tot verdere exploratie moeten kunnen aanzetten.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn ook op kinderen die gebrek aan speelruimte hebben en aan een lange en ongestoorde speeltijd.

Speelgoed zal een positieve invloed moeten uitoefenen op spelinstelling en spelgedrag van kinderen.

Speelgoed zal moeten aanzetten tot actief spelen.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn op kinderlijke behoeften.

Speelgoed zal echter een isolering van het kind met de wereld der volwassenen moeten voorkomen.

Via geschikt speelgoed zal het kind de voor zijn ontwikkeling noodzakelijke ervaring moeten opdoen. We kunnen daarbij denken aan speelgoed dat de volwassenenwereld vertegenwoordigt.

Een groot arsenaal speelgoed zou eenvormigheid moeten voorkomen;

nagegaan zou moeten worden welke rol de media zouden kunnen spelen bij het juist kiezen van speelgoed;

de mogelijkheden van onze media zouden positief aangewend moeten worden om kinderen tot spelen aan te zetten. Wellicht moet er eens nagedacht worden over media-speelgoed-programma’s;

– speelgoed mag een massacultuur niet helpen bevorderen, maar zou integendeel deze juist onmogelijk moeten maken;

speelgoed moet uniformiteit tegengaan

– speelgoed moet een reeks gebruiksmogelijkheden bezitten. Het moet een veelzijdige belangstelling bij het kind wekken en het een grote speelruimte laten bij het gebruik;

speelgoed moet zodanig van aard zijn dat het kind er zorg voor kan hebben. Duurzaam speelgoed wordt door het kind lang en intensief gebruikt en het raakt er als aan een voorwerp waarmee het dagelijks omgaat, sterk aan gebonden. Het moet van dusdanige aard zijn, dat de zorgvuldige behandeling bij het spel niet afleidt van het eigenlijke spel. De duurzaamheid moet corresponderen met het aanwezig vermogen van het kind, om zorgvuldig met de dingen om te gaan. Zorg voor het speelgoed hoort bij de opvoeding van het spelende kind.
.

Drs.H.G.Maeter, De Vacature nr.1, 07-01-1987

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1752-1641

.

.

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/3)

.

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

{3}

In het eerste artikel over dit onderwerp hebben we aandacht besteed aan het wezen van het spel; de keuze van speelgoed waarbij de behoeften van het kind uitgangspunt zou moeten zijn; de inhoud van de reclame op de keuze van speelgoed.

In het tweede artikel besteedden we aandacht aan het geven van spelruimte; het uit de weg ruimen van spelbelemmeringen en enkele uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

In dit derde korte artikel besteden we aandacht aan de onderwerpen: verveling en vervreemding; media en consumptie in relatie met spel en speelgoed en vullen we de lijst van uitgangspunten voor de keuze van speelgoed (in het tweede artikel gegeven) naar aanleiding hiervan nog wat aan.

De verveling en de vervreemding

Een van de belangrijkste kenmerken van onze vrijetijdscultuur lijkt wel de verveling te zijn. Wij worden er dagelijks mee geconfronteerd, zowel op het werk als buiten de werktijd. In de grond verlangen mensen die zich vervelen niet naar het einde van de arbeidstijd, daar hun problemen hier pas echt beginnen. Volgens Fourastié is de verveling ook een gevolg van de vooruitgang die oorzaak is van eenvormigheid, en dit op allerlei gebieden, zoals bijvoorbeeld de mode, de architectuur, de vrijetijdsbesteding enzovoort. De monotonie leidt tot verveling. Met de hoeveelheid van gelijksoortige goederen die aangeboden wordt, neemt ook de vervreemdende kracht van die producten toe. De vervreemding tendeert dus in feite nog toe te nemen: ondertussen vermindert de vrijheid, onder invloed van de kunstmatig opgeroepen behoeften. Het komt ons voor dat o.a. de media een belangrijke rol spelen bij de verveling en de vervreemding. Daarom in dit verband een enkel woord over onze media.

De media

Het probleem dat zich in elke maatschappij stelt is dit van de waarheid. De gevestigde samenleving heeft er soms alle belang bij dat bepaalde zaken verdoezeld en andere op het voorplan geschoven worden. Uiteraard spelen de media hier een zeer voorname rol. In vele opzichten hebben de media de functie van de familie en van de opvoeders op zich genomen. Langs de media worden de kinderen de te volgen voorbeelden en de te laken daden voorgehouden.

De waarden en de eigenschappen die in de samenleving hoog worden geschat, worden op een al dan niet vervulde manier aan de man gebracht. Door middel van de media kan men hele bevolkingsgroepen bewerken. Meestal hebben de boodschappen die de media brengen een (politiek) sussende én een (economisch) activerende betekenis. Zij zijn de behoeders en de verdedigers van de samenleving.

Beïnvloeding

Mc Luhan heeft er ook de nadruk op gelegd dat sinds het ontstaan van de TV het vooral het onderbewuste is geweest dat aangesproken werd door de reclamemensen. Het bleek namelijk gemakkelijker dit onderbewuste te gebruiken voor verkoopsdoeleinden. De beïnvloeding is hier ook veel groter en verzet wordt al heel moeilijk. Door gebruik te maken van de media en van gespecialiseerde publiciteitsmensen, kan men vandaag de dag praktisch alles aan de man brengen. Hier wordt niet alleen aan goederen gedacht, maar ook aan ideeën. In feite gaan de media bepalen wat een groot deel van de maatschappij gaat denken, voelen, aanbidden en verafschuwen. De echte individuele persoonlijkheid wordt verdrongen en in haar plaats treedt een soort algemene mening op de voorgrond. De gelijkschakeling vergemakkelijkt immers in hoge mate de efficiëntie van de controle.

Media en vrijetijdsbesteding

In verband met het belang van de media in de vrijetijdsbesteding, kan een onderzoek van Thoveron aangehaald worden, dat betrekking heeft op België.

Hieruit bleek dat ongeveer 30 % van de beschikbare vrije tijd aan de media gespendeerd werd. Het TV-kijken speelt hier de belangrijkste rol. Verder bleek ook dat voornamelijk „passieve” activiteiten hieronder te lijden hadden (bioscoopbezoek, lezen enzovoort). De media-consumptie geschiedt ten nadele van de andere vrijetijdsactiviteiten.

Uitschakeling creativiteit

Wat de inhoud van de TV-programma’s betreft, stelt men vast dat deze in hoofdzaak behoudsgezind is, dat hij de in de maatschappij gevestigde normen bevestigt en versterkt. Dit sluit perfect aan bij wat de grote meerderheid denkt en voelt, dit ook onder invloed van de mediaconsumptie. Dit komt tot uiting in de berichtgeving. Er worden debatten en discussies georganiseerd, maar er is weinig plaats voor een echte uitwisseling van ideeën.

Alles wordt met een zelfde ernst aangeboden, doch er is gewoonlijk geen conclusie. Men geeft enkel verscshillende standpunten.

Consumptie

Verder is ook vastgesteld dat de media de mensen aanzet tot voortdurende consumptie. Door allerlei zaken te tonen, worden bepaalde behoeften geschapen, die het individu tracht te bevredigen. Het effect is hier niet zo zeer op korte, dan wel op lange termijn merkbaar. Brightbill noemt het TV-kijken het „sit and watch” fenomeen: het enige wat de mensen doen is naar hun toestel zitten te staren. Berdiner stelde reeds in 1957 vast dat tot 80 % van de Amerikanen hun vrije tijd in en rond de woning doorbrachten, waarvan het grootste deel dan nog TV keek. Op 46 miljoen woningen, waren er 39 miljoen toestellen en de kijktijd bedroeg per gezin reeds vijf en een half uur.

Dit is waarschijnlijk niet altijd bevorderlijk voor opinievorming of ontwikkeling.

Harmonieuze ontwikkeling

Een gevolg van al datgene wat verspreid wordt door de media is wel de massacultuur. Deze wordt door velen (o.a. M. Mead) beschouwd als een soort veiligheidsklep voor het afvoeren van agresssieve neigingen. Anderzijds is het ook zo, dat de massacultuur de gemakkelijkste vorm van ontspanning is, aangezien hier geen inspanning of initiatief vereist is. Het is gewoon de voortzetting van het patroon van de arbeid. Opnieuw wordt de gelijkschakeling in de hand gewerkt. De massacultuur is een cultuur die uiteraard maatschappijbevestigend werkt. Het is geen verschijnsel van vraag en aanbod.

Het is te gemakkelijk alles af te schilderen alsof het allemaal door de verbruiker gewenst wordt. Ingrijpend is de rol van de media. De gewone burger heeft bij de voornaamste media praktisch of helemaal geen inspraak, alles wordt bepaald door economische oogmerken, zonder dat met het individu rekening gehouden wordt. De massacultuur gaat zorgen voor het droomelement in de werkelijkheid, en in feite wordt gestreefd naar het vervangen ervan. Zij brengt uiteindelijk de boodschap van het „eeuwige geluk”. Het geluk wordt hier dan gelijk gesteld met genot en consumptie. Geluk kan je kopen. Terzelfder tijd echter wijst zij ook op de beperktheid van de kleine mens, die het grote politieke en economische gebeuren slechts kan ondergaan: Je kan er toch niets aan veranderen, beter je dan maar met privébezigheden te bekommeren. De massacultuur oefent uiteraard ook een sterke invloed uit op de „vrijetijdscultuur” en op het spelen. Beiden dreigen een uniform karakter te krijgen.

Uitgangspunten voor keuze van speelgoed

Een groot arsenaal speelgoed zou eenvormigheid moeten voorkomen
nagegaan zou moeten worden welke rol de media zouden kunnen spelen bij het juist kiezen van speelgoed
de mogelijkheden van onze media zouden positief aangewend moeten worden om kinderen tot spelen aan te zetten. Wellicht moet er eens nagedacht worden over media-speelgoed-programma’s.
Speelgoed mag een massacultuur niet helpen bevorderen, maar zou integendeel deze juist onmogelijk moeten maken.
speelgoed moet uniformiteit tegen gaan
speelgoed moet een reeks gebruiksmogelijkheden bezitten. Het moet een veelzijdige belangstelling bij het kind wekken en het een grote speelruimte laten bij het gebruik
speelgoed moet zodanig van aard zijn dat het kind er zorg voor kan hebben. Duurzaam speelgoed wordt door het kind lang en intensief gebruikt en het raakt er als aan een voorwerp waarmee het dagelijks omgaat, sterk aan gebonden. Het moet van dusdanige aard zijn, dat de zorgvuldige behandeling bij het spel niet afleidt van het eigenlijke spel. De duurzaamheid moet corresponderen met het aanwezig vermogen van het kind, om zorgvuldig met de dingen om te gaan. Zorg voor het speelgoed hoort bij de opvoeding van het spelende kind.

Wordt vervolgd.

.

Drs.H.G.Maeter, De Vacature nr. 24, 17-12-1986

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1751-1640

.

.

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/2)

.

SPEL EN SPEELGOED

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

{2}

In het eerste artikel over dit onderwerp hebben we aandacht besteed aan het wezen van het spel; de keuze van speelgoed waarbij de behoeften van het kind uitgangspunt zou moeten zijn; de inhoud van de reclame op de keuze van speelgoed.

In dit tweede artikel besteden we aandacht aan het geven van spelruimte; het uit de weg ruimen van spelbelemmeringen en enkele uitgangspunten voor de keuze van speelgoed.

Spelruimte geven

Recht op spel betekent de mogelijkheid geven tot spel. Concreet kan dat betekenen dat we kinderen tijd en ruimte voor spel moeten geven.
Zo zullen we moeten overwegen in hoeverre spel in de beperkte ruimte binnenshuis of buiten in de open lucht gerealiseerd kan worden.
In ieder geval zullen we het kind speelruimte moeten geven. In dit verband is ’t van belang te stellen: Het spel in de buitenlucht is niet alleen op grond van lichamelijke gezondheid noodzakelijk. Spel is een grondvorm van de
confrontatie met de buitenwereld. En tot die wereld behoort véél meer dan wat zich binnen de nauwe muren van een huis bevindt. Belangrijk is ook de speelhoek thuis. Vergeet niet dat het kind zijn speelhoek in de woning nodig heeft en tracht dit hoekje zo in te richten dat het beantwoordt aan de behoeften die het kind overeenkomstig zijn leeftijd heeft.

Heb begrip voor het kind, dat vanuit zijn speelhoek in de buitenwereld doordringt en help het bij het vinden van zijn grenzen. Zorg ervoor, dat het kind in de buitenlucht niet uitsluitend de mogelijkheid vindt om zich te bewegen, maar ook de mogelijkheid om al spelend de wereld rondom zich te verkennen en om zorgzaam om te gaan met plant en dier. De meeste openbare speelterreinen bieden te weinig gelegenheid tot echt spelen. Behalve speelruimte is het ook noodzakelijk dat het kind de zo noodzakelijke ongestoorde speeltijd krijgt.

Spelbelemmering en het uit de weg ruimen daarvan

Dit was het thema van de 2e konferentie der I.C.C.P. (International Council for Children’s Play), die in oktober 1960 in Brighton gehouden werd. Aan deze conferentie namen vertegenwoordigers deel uit 12 Europese landen, uit Israël, India, Australië en verschillende Afrikaanse landen. De volgende stellingen werden ter discussie gesteld:

Inschakeling van het kind in de wereld der volwassenen.

a. Echt, en de persoonlijkheidsontwikkeling bevorderend spel kan zich slechts dan ontplooien, als aan het kind en aan zijn spel de gepaste plaats in de wereld der volwassenen wordt toegewezen.

b. Deze vraag wint aan betekenis in gelijke mate als de afstand tussen kinderen volwassenenwereld groter wordt in de loop van de culturele ontwikkeling.

c. De in de laatste eeuw in steeds sneller tempo voortschrijdende industrialisering, mechanisering en verstedelijking hebben dit probleem in vele landen tot een zeer dringende en moeilijk oplosbare kwestie doen worden.

d. Niet alleen de materiële wereld die de volwassenen geschapen hebben is voor het kind ontoegankelijker (vaders werkplaats in huis – fabriekshal), onbegrijpelijker (thuis gesponnen en geweven wol – syntetische vezels waaruit stoffen gefabriceerd worden), en gevaarlijker (bezem – stofzuiger) geworden. Vele gebieden, die vroeger het kind dat spelend de wereld verovert voor zijn spel ter beschikking stonden, zijn nu voor hem gesloten (omgang met dieren, rommelzolders om te snuffelen, met water spelen aan een beek). Ook het „sociale” en „psychische” klimaat, waarin het kind speelt heeft zich wezenlijk veranderd (ouders werken buitenshuis, kleinere gezinnen, gebrek aan basiszekerheid, uit de gejaagdheid en overspanning van de volwassenen en hun „materieel gedrag” voortkomend onbegrip voor het kind en zijn spel, toenemende tegenstelling tussen het intieme gezinsleven en de „onpersoonlijkheid” van de „sociale verplichtingen”).

e. De veranderde levensomstandigheden (zie d.) belemmeren het spel van het kind in drieërlei opzicht:

1. De uiterlijke omstandigheden waaronder het spel zich voltrekt, beperken de mogelijkheid tot spelen aanzienlijk (gebrek aan speelruimte in huis én buiten, belemmering van het spel door het voortdurend rekening moeten houden met medebewoners, verkeer, minder mogelijkheid om deel te nemen aan hetgeen de volwassenen doen, het ontbreken van een lange en ongestoorde speeltijd).

2. Het „sociale” en „psychische” klimaat, waarin de kinderen leven, is vaak
spel-remmend en spel-vijandig (kinderspel is storend voor de volwassenen, kinderen hebben geen deel aan de vrijetijdsbesteding der volwassenen of behoren daar niet bij. De belangstelling van de volwassene voor het kinderspel is miniem, zij zijn niet bereid met de kinderen mee te spelen).

3. De kinderen zelf zijn veranderd in hun spelinstelling en hun spelgedrag (drang om snel volwassen te worden en daarmee boven spelen verheven te zijn, afnemen van de drang naar creativiteit en van het lang volhouden van het spel, toename van neurosen bij kinderen en van de verveling).

f. De essentiële problemen bij het uit de weg ruimen van de belemmerende factoren voor de ontplooiing van het kinderspel zijn de volgende:

1. Noodzakelijke beveiliging van de kinderen tegen de wereld der volwassenen (weghouden bij drukke verkeerswegen, van het passief televisiekijken in plaats van actief spelen, bescherming tegen overprikkeling die het spel stoort). Deze afscherming betekent zowel beveiliging tegen gevaar als beperking van de mogelijkheid om ervaring op te doen.

2. Beschikbaarstelling van een aan de kinderlijke behoeften aangepaste „eigen” leefwereld, waarin het spel en daarmee ook de persoonlijkheid van het kind zich vrij ontplooien kunnen (speelterrein buiten, atmosfeer van rust en veiligheid waarin het kind zonder gejaagdheid en in harmonie met de volwassene spelen kan, speeltijd, speelgoed). Deze aan het kind aangepaste speelwereld brengt naast zijn voordelen ook het gevaar mee van isolering van het kind van de wereld der volwassenen.

3. Het feit dat voor het kind vele gebieden waarin het vroeger zijn spelen kon uitvoeren, zijn afgesloten (zie d.), dat het vaak verwijderd gehouden wordt van de wereld der volwassenen (zie f. 1.) en terugverwezen naar zijn eigen „wereldje” (zie f. 2.) heeft ten gevolge dat zijn mogelijkheden tot het opdoen van ervaring aanmerkelijk beperkt worden. Daaruit vloeit voort de opvoedingstaak, voor al deze beperkingen een zekere mate van vervanging te vinden. Er moeten manieren gevonden worden waarop het kind de voor ontwikkeling noodzakelijke ondervinding kan opdoen, door middel van zijn spel (technische basiservaring door de omgang met eenvoudige materialen, speelgoed dat de volwassenen-wereld vertegenwoordigt, zandbak, piasvijver, verzorging van dieren).

Uitgangspunten voor keuze van speelgoed

Vanuit het voorgaande zijn puntsgewijs reeds een aantal uitgangspunten voor de keuze van speelgoed te noemen:

– Speelgoed moet kinderlijke behoeften helpen bevredigen

– Het speelgoed van het kind moet aangepast zijn aan de leeftijd, d.w.z. dat het moet beantwoorden aan de door de leeftijd bepaalde belangstelling en aan het ontwikkelingsniveau van de capaciteiten van degene die speelt.

Speelgoed, dat het al ontgroeid is, gaat het kind vervelen. Met speelgoed dat pas voor een latere ontwikkelingsfase geschikt is, kan het kind nog niet op de juiste wijze omgaan. Wanneer de volwassene het kind hiertoe aanzet, beperkt het in zijn spelvrijheid en veroorzaakt een ongezonde vroegrijpheid van het spelende kind.

– De objectief gerechtvaardigde behoefte van het kind en niet de wensen van de volwassene, zijn bij de keuze van speelgoed doorslaggevend. De subjectieve wensen van het kind op het gebied van speelgoed moeten door de opvoeder in de juiste banen worden geleid.

– Speelgoed wordt voornamelijk door volwassenen voor kinderen gekocht.

Het is daarom vooral de taak van de speelgoed kopende volwassenen ervoor te zorgen, dat het speelgoed, dat kinderen in handen krijgen, volgens pedagogische inzichten wordt gekozen en dat niet uitsluitend economische inzichten beslissen, waarmee kinderen zullen spelen. De spanning die bestaat tussen de belangen van de speelgoedindustrie aan de ene kant en de belangen van de kinderen en hun opvoeders aan de andere kant, is alleen dan op een voor alle partijen bevredigende wijze op te heffen, wanneer rekening wordt gehouden met de spelbehoeften van de kinderen en hun relatie tot speelgoed.

– Speelgoed moet de gelegenheid geven om er langdurig en intensief mee te kunnen spelen.

– Speelgoed moet aanzetten tot nieuwsgierigheid en verwondering.

– De speelgoedreclame zou zich t.a.v. de keuze van speelgoed moeten beperken tot het aanprijzen van dat speelgoed, dat tegemoet komt aan echt kinderlijke behoeften en ontwikkelingsmogelijkheden.

Speelgoed zal moeten aanzetten om de keuzemogelijkheden van het kind te doen vergroten.

Speelgoed zal een confrontatie met de wereld moeten inhouden. Hoe
veelzijdiger confrontatie hoe beter.

Speelgoed zal steeds tot verder exploratie moeten kunnen aanzetten.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn ook op kinderen die gebrek aan speelruimte hebben en aan een lange en ongestoorde speeltijd.

Speelgoed zal een positieve invloed moeten uitoefenen op spelinstelling en spel-gedrag van kinderen.

Speelgoed zal moeten aanzetten tot actief spelen.

Speelgoed zal afgestemd moeten zijn op kinderlijke behoeften.

Speelgoed zal echter een isolering van het kind met de wereld der volwassenen moeten voorkomen.

Via geschikt speelgoed zal het kind de voor zijn ontwikkeling noodzakelijke ervaring moeten opdoen. We kunnen daarbij denken aan speelgoed dat de volwassenenwereld vertegenwoordigt.

Wordt vervolgd.

.

Drs.H.G.Maeter, De Vacature nr. 23, 03-12-1986

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1750-1639

.

.

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-4/1)

.

Spel en speelgoed

In een viertal korte artikelen zal er aandacht besteed worden aan enige aspecten van spel en speelgoed. Ter sprake zullen komen onderwerpen als: het geven van speelruimte; opheffen van spelbelemmeringen; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed; reclame; media; opvoeding tot zinvolle vrijetijdsbesteding waarbinnen het spel centraal staat. Juist in onze* tijd, waarin we overspoeld worden door de media, lijkt me een bezinning over spel en speelgoed van het grootste belang.

Spel

Spel is doel in zichzelf; kenmerkend is de vrijheidsbeleving die met het spel gepaard gaat en het lustgevoel dat er mee gewekt wordt. Wie echt speelt voelt zich vrij en ervaart het spelen als iets prettigs.

Spel is wel doel in zichzelf, maar heeft toch een nuttige functie. Velen zien spel als een voorbereiding op het leven; men denkt dan vooral aan de ontwikkeling van in het leven noodzakelijke functies. Anderen leggen meer de nadruk op het tegemoetkomen aan vitale aandrang of aan een uitleven en kanaliseren van driften; anderen leggen weer meer de nadruk op het afreageren van energie-overschotten. Hoewel dergelijke speltheorieën vermoedelijk allen wel een waar aspect van spel benadrukken, duidt men in deze tijd spel vooral aan als: het zonder verdere bedoeling reageren op het uitnodigen tot activiteit uit de buitenwereld.

Welk speelgoed

Eenieder zal het er over eens zijn dat het uitzoeken van speelgoed bij het overvloedige aanbod in het belang van onze kinderen volgens pedagogische gezichtspunten moet geschieden. Bepaalde spanningen tussen de opvoeders, die speelgoed uitkiezen dat kinderen in hun ontwikkeling bevordert, en de speelgoedfabrikanten en handelaars, die speelgoed aanbieden, zijn er ongetwijfeld altijd al geweest. Want economische gezichtspunten, die bij de productie en de verkoop van speelgoed een doorslaggevende rol spelen, stemmen niet altijd overeen met de pedagogische gezichtspunten, die bij de keuze van speelgoed als opvoedingsmiddel de voorrang zouden moeten hebben. Deze discrepantie tussen speelgoed als opvoedingsmiddel en speelgoed als economische factor is in verband met de ontwikkelingen van de moderne economie ongetwijfeld groter geworden. Ook het speelgoed is in het zog van de productiedruk geraakt. Dat wil zeggen dat met alle middelen, niet in de laatste plaats door reclame, waarvan de invloed meestal aan de controle van de beïnvloede, in dit geval de koper, wordt onttrokken, de consumptie vergroot moet worden, om een vergroting van de productie op te vangen, waarbij op de consumptievergroting automatisch een nieuwe vergroting van de productie volgt, enz. Vergroting van het speelgoedverbruik, niet met het doel om de kinderen beter, d.w.z. op een voor hun ontwikkeling bevorderlijke wijze, te laten spelen, maar met het oog op een grotere speelgoedconsumptie, zodat nieuw kan worden geproduceerd. Het op consumptievergroting gerichte probleem van de productiedruk is een wereldomvattend probleem, dat alle levensterreinen bestrijkt. Kinderspel en kinderspeelgoed lenen zich er absoluut niet voor, om onder deze productiedruk te worden gezet. De verantwoordelijke opvoeder moet daarom, in het belang van het kind, zijn ingenomen pedagogische standpunt tegen het economische standpunt verdedigen. Een belangrijke opdracht.

Toch zijn de problemen niet direct opgelost als we t.a.v. speelgoed het pedagogische standpunt plaatsen tegen het economische standpunt. Wat moet precies dat pedagogisch standpunt zijn?

De behoefte van het kind als uitgangspunt bij de keuze van het speelgoed

Onomstotelijk staat vast dat kinderen behoefte aan spelen hebben. Speelgoed zou men o.a. een middel kunnen noemen om die behoefte te kunnen bevredigen. We kunnen hierbij denken aan behoeften op het ogenblik en aan behoeften over een langere periode uitgespreid. Hiermee correspondeert de behoefte aan gelegenheidsspeelgoed én de behoefte aan duurzaam speelgoed.

De keuze van gelegenheidsspeelgoed is veel eenvoudiger dan van duurzaam speelgoed. De behoefte van het ogenblik doet immers het kind naar gelegenheidsspeelgoed grijpen, het wordt snel afgedankt en ook spoedig vergeten, wanneer het het kind niet bevalt. Met het duurzame speelgoed gaat het kind lange tijd om en het wordt hierdoor langdurig beïnvloed. Het is verbazingwekkend, hoe kinderen vaak al heel vroeg met hun speelgoed vergroeien en er sterk mee verbonden raken. Maar hoe dan ook: bij de keuze van het speelgoed moet de behoefte van het kind de doorslag geven. Wordt gelegenheidsspeelgoed gebruikt, dat voor het moment wordt aangeboden, dan staat deze behoefte zeer nadrukkelijk op de voorgrond. Heel dikwijls echter laat de volwassene zich bij de keuze van het speelgoed door zijn eigen vervulde en niet-vervulde wensen leiden. Wanneer de keuze van het speelgoed alleen gedaan is vanuit het standpunt van de volwassene, dan is het resultaat vaak, dat de volwassene met het speelgoed speelt en het „ondankbare” kind zijn eigen weg laat gaan. Uitgaan van de spelbehoefte van het kind betekent echter niet, dat we elke wens die in het kind opkomt, moeten vervullen. Het spreekt vanzelf, dat de volwassene de wens van het kind, wat speelgoed betreft, en de omgang van het kind met speelgoed, moet richten. Daarom zijn niet de directe wens van het kind, of uitsluitend zijn subjectieve behoefte beslissend bij de keuze van het speelgoed, maar de bestaande objectief gerechtvaardigde behoeften, die de volwassene in overeenstemming moet brengen met de mogelijkheden, om deze te bevredigen. Wanneer we het kind zo eenvoudig mogelijk speelgoed geven, wanneer we het er voortdurend op wijzen, hoe gemakkelijk het is, om het zelf te maken, in plaats van kant en klaar te kopen, wat het graag wil hebben, wanneer we het beletten, alles te hebben, wat ook zijn vriendjes hebben, dan zijn dat noodzakelijke pedagogische maatregelen, die met ongeoorloofde dwang niets te maken hebben. We mogen evenwel niet uit het oog verliezen, dat het kind bepaalde
spelbehoeften heeft, die we in ieder geval moeten bevredigen. Deze noodzakelijke spelbehoeften zijn ondanks alle verschillen, die tussen de individuele kinderen bestaan, in zeer hoge mate afhankelijk van hun ontwikkelingsniveau. De vraag, in hoeverre het speelgoed aangepast moet zijn aan de leeftijd, is daarom een van de meest primaire vragen bij de keuze van het speelgoed. Een enkele opmerking over de behoeftebevrediging lijkt daarom hier op zijn plaats.

Behoeftebevrediging

De gezondheid van een individu hangt in grote mate af van de mogelijkheid tot spel en recreatie in al zijn vormen. Opdat de persoonlijkheid zich zo rijk mogelijk zou kunnen ontwikkelen, is het wenselijk dat iemand meer dan één
interessepunt zou hebben. Hoe breder de waaier van belangstelling, hoe groter de ervaring kan worden. Het individu moet ook een zekere nieuwsgierigheid, verwondering en ook twijfel aan de dag kunnen leggen. Ook hier is het maken van een juiste keuze onontbeerlijk. De maatschappij waarin dit individu zal leven, moet dan ook aangepast zijn. Zij moeten individugericht zijn en niet langer belust op winst. Arbeid en vrije tijd zouden meer rekening moeten (kunnen) houden met behoeften van mensen. De bevrediging van het individu mag niet beperkt worden tot de vrije keuze, maar moet ook uitgebreid worden tot arbeid. Zowel de arbeid als de vrije tijd kunnen een bron van zelfbevestiging en van ontwikkeling zijn. Beide kunnen bijdragen tot het geluk van de mens en moeten dit ook samen doen, aangezien zij onverbrekelijk verbonden zijn.

Als voorbeeld zijn behoeften van kinderen en daarmee samenhangende
spelbehoeften zeer globaal als volgt aan te geven:

– spelend bewegen (0-2 jaar)

– spelend omgaan met voorwerpen (2-3 jaar)

– fantasie- en rollenspel (4 jaar)

– succes- en gezelschapsspelen (5-6 jaar)

Uit dit voorbeeld valt reeds op te maken dat het kind behoefte zal hebben aan ander speelgoed, naarmate het in een andere fase van ontwikkeling terecht gekomen is.

Reclame

Dagelijks worden wij met dit verschijnsel geconfronteerd en of wij het nu willen of niet, wij ondergaan er bewust of eerder onbewust de invloed van. Het is als het ware een onzichtbare hand die ons leven helpt bepalen, en dit zowel materieel als geestelijk. De reclame gaat een zo groot mogelijk publiek trachten aan te spreken en daarom zal zij zich zo eenvoudig mogelijk uitdrukken en zich door allerlei hulpmiddelen trachten te laten helpen. Allerhande facetten van het leven zoals kunst, politiek, enzovoort worden in de boodschap verwerkt, opdat zoveel mogelijk mensen er zich zouden kunnen mee identificeren. Alles wordt tot het functionele, het bruikbare en het aangename herleid. Op zulke wijze worden niet alleen de positieve maar ook veelal de negatieve krachten van een samenleving aangewend. Het gevaarlijke aspect ligt verborgen in het feit dat de reclame gebaseerd is op de opvatting dat gelijk wat, aan gelijk wie, kan aangesmeerd worden. De behoeften en de bevrediging ervan kunnen willekeurig bepaald en gewijzigd worden. Terwijl de mens zich richt naar de reclame, richt die zich op haar beurt naar de mens. De publiciteit is een poging om de principes van de automatie op elk vlak van de samenleving toe te passen. Het ideaal dat nagestreefd wordt, is een geprogrammeerde harmonie tussen behoeften, aspiraties en bevrediging. In feite wordt naar een collectief bewustzijn getracht.

Dit zal gebeuren door een beïnvloeding van het onderbewuste. Zodoende, wordt het individuele, persoonlijke standpunt stilaan verdrongen door een soort algemeen, door iedereen aanvaard patroon. Een gevolg daarvan is dan ondermeer het alom aanwezige abstracte denken en voelen, dat onder andere bevorderd wordt door de literatuur, de film, de reclame. Aangezien de belangstellingssfeer zich stilaan zal gaan beperken tot de onmiddellijke belangen, zal de mens zich gaan opsluiten in een strak egoisme, wat volledig past in ons huidig maatschappelijk stelsel. Allen die de reclame hanteren dienen er zich van bewust te zijn welke invloeden men kan uitoefenen. Juist de speelgoedreclame zou er zich bewust van moeten zijn welke enorme invloed ze op juist jonge mensen uitoefenen, een invloed die veel verder gaat dan het aanprijzen van een artikel. De keuze van juist speelgoed, volgens pedagogische gezichtspunten, wordt door de reclame vaak alleen nog maar moeilijker gemaakt, te meer omdat bij het aanprijzen van speelgoed pedagogische uitgangspunten niet bepaald op de voorgrond staan.

(wordt vervolgd)

Drs.H.GT.M.Daeter, De Vacature, nr. 22, 19-11-1986

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1749-1638

.

.

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-3/1)

.

SPEELGOED

Zoals Steiner al aan het begin van de eerste reeks voordrachten over pedagogie zei, [wegwijzer 3] dat we ons grondig bewust zouden moeten zijn van alles wat we doen – hier in de omgang met het kind – roept dat altijd de vraag op:. wat is grondig genoeg.

Wat moet je doen, laten en/of weten.

Over speelgoed is heel veel geschreven. Ook in vrijeschooltijdschriften. Immers, vooral in de vrijeschoolpedagogoie m.n. voor de kleuters, speelt spel een grote rol. Wat het belang is van spel, is nauw verbonden met wat en waarmee gespeeld wordt.

Niet alleen met Sinterklaas krijgen de kinderen speelgoed. Waar zou je naar kunnen kijken, moeten kijken, wil het speelgoed verantwoord zijn. En wat is dan weer verantwoord.

In deze rubriek SPEELGOED nr. 5 komen allerlei gezichtspunten aan de orde.

Hier volgt alleen een opsomming van mogelijke geschenken:

IDEETJES VOOR ‘SCHOENGESCHENKEN’

+ Van walnoten, muisjes maken, bootjes, wiegjes, enz.
+ Steentjes verven, in een versierd luciferdoosje doen.
+ Tolletje maken (van prikker en rond stukje karton).
+ Houten doosje versieren, te gebruiken om de vele schatten in te doen die elk kind heeft!
+ Van schors stoeltje of tafeltje maken, (voor het poppenhuis b.v. of voor het bouwwerk.)
+ Van hout, goede rechte tak, kabouter snijden, schapenwol opplakken voor baard en haren, muts van vilt op. (Dit kan ook van die houten poppetjes die men in een creativiteitszaak koopt. U kunt natuurlijk vele, vele andere figuurtjes maken, zoals koning, kok, indiaan, prinses, vader, moeder )
+ Mooie ketting maken.
+ Verkleedkleren (ik denk aan een manteltje b.v. Uitgebreide verkleedkleren kunt u (beter) op pakjesavond geven.
+ Gouden kroon, beplakken met bijv. lovertjes zodat het een Koningskroon wordt.
+ Van karton een mooie kaart tekenen, gleuf erin knippen, zodat hier een bewegend voorwerp ingeschoven kan worden.
+ Punnikklosje met garen (een houten klosje hierin spijkers timmeren).
+ Dierenfiguren zelf bakken en versieren.
+ Van een handdoekenrol een verrekijker of sterrenkijker maken (beplakken met mooi,papier of stof, vooral werken met lovertjes of kralen, dan wordt de kijker echt iets bijzonders!)
+ Tasje voor school, van katoen, of zelf geweven of gehaakt of gebreid.

Ideetjes voor pakjesavond

1 j aar
De 1e pop (alleen een zachte lap en hierin wat schapenwol doen en dan afbinden), rammelaar, speeltjes van mooie kleren die aan wieg of ledikant gehangen kunnen worden en die door de wind bewegen. Mobiel, muziekje (ik denk aan speeldoosje, maar let hierbij op zowel het uiterlijk als dat wat eruit voortkomt!!).

2 jaar
Knuffeldier, eenvoudige pop (geen babypop die is voor het schoolkind!) Mobiel, muziekje (en dan behoeft u niet alleen aan iets te denken voor het kind zelf, maar ook waar u als volwassen persoon iets mee kunt spelen voor het kind). Doosje met grote knopen (kinderen van 2 jaar vinden niets fijner om steeds weer doosje open te doen, knopen* erin, dan alles weer eruit en steeds maar weer opnieuw) .Kiekeboe-popje.

3 jaar
Beweegbare houten speeltjes (b.v. zagende kabouters, pikkende kippetjes enz.) Knuffeldier, eenvoudig popje, xylofoon, muziekdoosje (je hebt ze b.v. bij  in een houten kastje, de kinderen draaien dan een handel om en de muziek begint, lijkt een beetje op een ouderwetse koffiemolen).
Kiekeboepopje, grote blokken, houten stepje, poppenwagentje, rieten manden met dennenappels erin, kaboutertjes, kastanjes, stukjes schors, mooi prentenboek, spullen voor de zandbak, (iets voor de wintermaanden: een grote ijzeren wasteil met zand voor in de huiskamer). Houten bootjes, grote houten auto (waar het kind ook zelf in kan zitten en waar ze zo fijn de blokken in kunnen vervoeren). Mooie lappen om te gebruiken bij hun spel.

4 jaar
Verkleedkleren, eenvoudige pop, knuffeldier, kiekeboepop, blokken in alle vormen, vierkant, enz. Denkt u hierbij ook eens aan schijven van bomen en plankjes! Poppenwagentje, grote kar waar ze zelf op kunnen zitten, xylofoon, belletjes, paardenleidsel, stokpaard. Lappen en een wasrek waar ze tenten mee kunnen bouwen, houten figuurtjes, mooie prentenboeken, beweegbare figuren, mobiles voor in hun kamer, gebreide bal.

5 jaar
(hoewel het wel voor de ruim 5-jarige is), poppenhuis met meubeltjes (zelf maken is veel gezelliger, maar ook mooier en voordeliger!). Babypop, knuffeldier, houten blokken in alle vormen, ook gekleurde erbij. Manden, met dennenappels, stenen, eikels, kastanjes, houten figuurtjes kabouters. Wasrek met lappen voor tent en winkeltje en poppenkast. Poppenkastpoppen. Muziekinstrumenten zoals: xylofoon, triangel, belletjes, muziekdoosje.
Houten auto, trein met rails (natuurlijk niet een elektrische, daar is een kleuter nog lang niet aan toe!) Houten boten voor in de watertafel. (In de badkamer een teil met water). Zandbakspullen. Waskrijtblokjes, bijenwas, klei, verf (Akwarius, dit is een plantaardige verf die wij ook op school gebruiken). Teken- en schilderpapier. Rieten mand met knutselmateriaal, zoals mooi papier, kwastje, lijm, luciferdoosje, walnoten, closetrollen, karton in mooie kleuren. Rieten mand met lapjes, wol, schapenwol, naald. Timmerspullen. Verkleedkleren, paardenleidsel, stokpaard.

6 jaar
Poppenhuis met meubeltjes vind ik toch wel meer voor een 6-jarige dan voor een 5-jarige. Een weefraam is ook echt iets voor een 6-jarige. Winkelspullen (en die maakt u dan zelf zoals een rieten mand met noten erin, eikels, kastanjes, erwten, lege doosjes die u bewaard heeft en helemaal mooi wordt het als u dan ook nog een weegschaal er zelf bij maakt. Het gaat niet om die afgewerkte weegschalen in de winkel hoor, een kind van 6 jaar is daar nog lang niet aan toe!). Poppenkast met poppenkastpoppen. Timmerspullen, maar dan een handboortje er b.v. bij, die zijn heel goedkoop in de ijzerwinkels te koop. Verder zijn er voor de leeftijd van 6 jaar nog heel veel dingen geschikt die ik al bij 5 jaar vermelde .

Dorry, nadere gegevens onbekend

*stoppen ze die niet in hun mond?

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

pinterest

Op pinterest nog veel meer ideeën

Tineke’s doehoek

via Google

.

1748-1637

.

.

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-2)

.

SPEELGOED

Over speelgoed kunnen vele artikelen geschreven worden. 
Wanneer is ‘iets’ speelgoed. Aan welke criteria moet het voldoen. En wanneer is het ‘goed’. En is er dus dan ook slecht speelgoed. En wie bepaalt dat?

De laatste vraag komt uiteindelijk toch uit bij …….mensbeeld. Hoe zie je de mens, dus het kind dat opgroeit, wat vind je belangrijk bij dit opgroeien, bij deze ontwikkeling.

Dus: vele meningen, vele gezichtspunten. Die weer andere meningen uitlokken, met andere gezichtspunten.

Hier een aantal van die gezichtspunten:

HET SPELEN – HET SPEL – HET SPEELGOED

“Zeker hebben vele ouders meegemaakt, met hoeveel innerlijke toewijding een meisje een stuk hout heen en weer kan wiegen in haar armen. Vaak wordt deze “pop” met meer zorg omgeven dan een pop in mooie kleertjes… Zo’n pop wordt dan met veel moederlijke vermaningen gedragen, gereden, in het bad gedaan en tenslotte naar bed gebracht. Het meisje denkt er helemaal niet aan dat aan de houten lieveling hoofd, armen en benen mankeren. Haar fantasie tovert het onvolmaakte om in “bloeiend leven”.

Een vader, die het eenvoudige spel van zijn dochtertje heeft gadegeslagen, kwam op het idee een rond stuk hout in de draaibank te spannen. Met enkele handgrepen draaide hij een pop; de eerste pop was ontstaan. Het hoofd en het verdere lichaam werden aangeduid en met enkele ringen versierd. De achterkant werd afgehakt om de pop te kunnen laten liggen. Met bonte, vrolijke kleuren werd ze beschilderd. Zo werden in de 18e eeuw vele poppen uit Berchtesgaden, Oberammergau, Neurenberg en Salzburg de wijde wereld in gezonden om de vele kleine poppenmoeders te verblijden. Veel ambachtelijk kunnen was daarin verborgen en ondanks alle massaproductie bleef het houten speelgoed toch nog handenarbeid. Vooral is in ieder stuk nog de levende bloedwarme hand, die het houtsnijmes hanteerde, waar te nemen; het fluïdum, dat de “Holzschnitzer” zijn werk meegaf, heeft de harten van de kinderen van de hele wereld gewonnen.

Zo wordt in “Spielzeug. Eine bunte Fiebel” von Hans Friedrich Geist, een kostelijk oud speelgoedboekje, verteld.

St.-Nicolaas met zijn goede gaven en het Geboortefeest van het Kind

Nu het St.-Nicolaasfeest weer voor de deur staat, wil ik nog eens enkele dingen ophalen uit het eerste artikeltje [niet op deze blog]. Herbert Hahn, die in de allereerste Vrije School (Stuttgarter Freie Waldorf’schule) leraar was, heeft het volgende over de pop gezegd; In plaats van een pop geeft men het kind dikwijls een Teddybeer of een aap als speelgezel. Men weet dan echter niet dat het kleine kind, indien het ertoe gebracht wordt met een beer net zo als met een mens te spelen, een deel van de intiemste levenskrachten, dus de gestalte- en orgaanvormende opbouwkrachten verliest. Dit in tegenstelling tot het spel van het kind met de menselijke gestalte, die aangeduid wordt in primitieve vorm, waarbij het kind deze levenskrachten volop ter beschikking heeft.

Onvolmaakt gevormde poppen ontwikkelen juist de gezonde fantasiekrachten

Deze steeds weer leven-vernieuwende invloeden van dit gezonde spel werken het hele leven verder in het mensenkind door.

Met het St.-Nicolaasfeest in zicht is het wel zinvol nog op het volgende te wijzen; Een van de ouders heeft mij attent gemaakt op de allernieuwste creatie, een maaksel uit de Amerikaanse massafabricatie; de huilende pop.

Die ouders vroegen zich af wat voor een werking er nu wel van zo’n schepsel uitgaat in de ziel van het kind.

Op die vraag stapte ik verleden jaar naar het warenhuis om het zelf te zien en vooral te horen. Een jongeman, die mij bediende, haalde eerst, aan de kassa een batterij en stopte die in een opening in de rug van de pop… Nu kon het “huilen” beginnen. Deze pop heeft een speen in de mond. „Trekt men die eruit, dan begint de pop te huilen. Er waren ook “zingende poppen”, die op dezelfde manier bediend moesten worden. Wat zegt u van een mensenbeeld waar men een batterij in moet stoppen?

Het is niet onwaarschijnlijk dat het kind, dat zo’n pop heeft gekregen, een ouder broertje heeft, dat met een niet te stuiten onderzoekingsdrang gaat onderzoeken hoe zo’n pop nu eigenlijk functioneert, de pop uit elkaar haalt: en… de pop is kapot. Bovendien zal hst hele gebeuren ook op de jongen zijn negatieve werking niet missen!

Jan Klaassen en de poppen van het poppentheater

Wat voor een creatieve figuur is hij toch, steeds weer weet hij een uitweg, en met zijn vindingrijke natuur gaat hij te keer tegen reuzen, dood en duivel. Nooit is hij bang, steeds verzint hij een list om zelfs de dood in de val te lokken. In het Duitse boek van Hans Friedrich Geist staat aangekondigd “Kasperle tötet den Tod”. De creativiteit overwint ook de dood, wat een heerlijke gedachte. Steeds vrolijk fluitend overwint hij ook de duivel. Soms is hij diep teleurgesteld en diep bedroefd, als het hem niet gelukt is die oude heks te overwinnen, die tracht hem het leven zuur te maken met haar ellendig getreiter en haar plaagzucht.

Moed, kracht en uithoudingsvermogen, vooral zijn diepzinnigheid en dan zijn humor niet te vergeten; met deze eigenschappen overwint hij de ergste boosdoener.

Wat kan er toch een therapeutische werking van hem uitgaan, hij kan alle eenzijdigheden van ieder temperament verlossen, zoals bijv. een diep melancholisch kind met zijn in zichzelf gekeerd gedrag – indien hij zelf diep melancholisch is -. Zo kruipt hij spelend a.h.w. in alle temperamenten om hun eenzijdigheden te helpen overwinnen en te verlossen.

Wat een kostelijk figuur en weldoener kan hij zijn, wanneer hij goed gespeeld wordt en niet alleen met krachtpatserij zijn overwinning behaalt.
.

A.J. Miedaner, nov.1976, nadere gegevens onbekend

.

De karakters van de poppen

“De poppen van het poppenspel van Jan Klaassen: ze zijn markante typen, men kan zeggen oertypen . Iedere pop heeft een bepaalde karaktervorm.
Hij is altijd vrolijk, zijn moed is tegen alle gevaren opgewassen, voor niets is hij bang en als het nodig is, slaat hij er op los.
Een koning heeft een bepaalde waardigheid en bedachtzaamheid. Zijn minister is misschien een huichelaar, maar hij kan ook een oude raadgever vol wijsheid zijn.
In ieder geval vertegenwoordigt iedere persoon alleen één wezenskenmerk, maar dit dan ook ten volle. Zodat zo’n pop geenszins de aanspraak opeist voor de totaliteit van de mens om zijn vertegenwoordiger te zijn. Het tegendeel is waar, Iedere pop stelt in zichzelf een gesloten en eigen ziele- en karaktergebied voor. Alle poppen tezamen zijn pas de hele mens.
Zoals in de sprookjes alle voorkomende figuren samen de mens vertegenwoordigen met zijn goede en kwade eigenschappen. Ook sprookjes kunnen met deze poppen worden opgevoerd, zoals dat reeds hier en daar en vooral in de heilpedagogische instituten regelmatig gebeurt. De stof van de sprookjes werkt op deze kinderen genezend.
.

Rudolf Geiger, Der Elternbrief, nadere gegevens onbekend

.

Spel, speelgoed: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1747-1636

.

.