Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Douglas

.

ZIJN DC’S VEROVERDEN HET LUCHTRUIM
.

Voor de leiders van een van Amerika’s grootste industrieën, de vliegtuigindustrie, is de loopbaan van Donald Douglas al tijdens diens leven een legende geworden. Voor het grote publiek is deze man, die weinig gefotografeerd en zelden of nooit geïnterviewd is, altijd een vage figuur gebleven. Toch is aan deze onopvallende Amerikaan misschien meer dan aan wie ook de leidende positie te danken die Amerika op het gebied van de bur­gerluchtvaart inneemt. Twee tegen een dat het vliegtuig waarmee u reist de letters DC draagt — Douglas Commercial. Ruim de helft van alle verkeersvliegtuigen in de vrije wereld is geleverd door 7 Douglasfabrieken, meer dus dan door alle andere vliegtuigfabrieken tezamen.
Dit zal de jonge Douglas wel niet hebben gedroomd toen hij in 1920 met zijn vrouw, twee kinderen en een hond in een oude, aftandse auto en met slechts 600 dollar op zak Los Angeles binnen­reed met het vaste voornemen er een vliegtuigfabriek te beginnen. Dit was altijd zijn wensdroom geweest sinds die opwindende dag toen hij als jongen een “vliegende machine”, enigszins stuntelig weliswaar, maar toch vrij in de lucht had zien zweven.
Intussen is hij 28 jaar geworden en afgestudeerd aan de Technische Hogeschool van Cambridge in Massachusetts. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij technisch adviseur geweest bij de
verbin­dingsdienst van het Amerikaanse leger en daarna had hij korte tijd bij Glenn Martin gewerkt, waar hij het ontwerp maakte voor de Martin-bommenwerper, het eerste vliegtuig dat een slagschip tot zinken zou brengen.

In Los Angeles huurde Douglas een kantoorruimte achter een kapperswinkel. Om geld voor zijn gezin te verdienen ging de stevig gebouwde ingenieur als arbeider werken — hij rooide aardappels en waste auto’s. De soberheid die zijn levenswijze door de jaren heen kenmerkte, dateert waarschijnlijk uit deze moeilijke periode van zijn leven.
Het wonder gebeurde toen op een goede dag door toedoen van een van zijn vrienden, de journalist Bill Henry, op zijn bureau achter de kapperswinkel een order van 40 000 dollar voor de bouw van een vliegtuig belandde. De eerste klant, David Davies, een sportieve en tevens rijke Amerikaan, wilde met een non-stopvlucht dwars over de Verenigde Staten een nieuw record vestigen. Nu werden vliegtuigen in die dagen nog vrijwel uitsluitend gebruikt om er records mee te vestigen en men verwachtte dat Douglas wel voor het voetlicht zou komen met een recordmachine, voor­zien van een sterke, benzine verslindende motor, die Davis op slag tot de held van de dag zou maken. Maar de jonge ontwerper greep deze gelegenheid aan om het grondbeginsel in praktijk te brengen dat sindsdien het onveranderlijke devies van de Douglas-fabrieken is gebleven. Hij ging ervan uit dat er een geleidelijke ontwikkeling moest zijn in het ontwerpen van vliegtuigen en dat het vliegtuig van vandaag de kiem van het vliegtuig van morgen in zich moest dragen. Alle vliegtuigen van Douglas, militaire zowel als niet-militaire, zijn op deze wijze, steeds voortbouwend op verkregen resultaten, tot stand gekomen. De DC’s zijn het resultaat van een evolutieproces — men zou het kunnen vergelijken met het fokken van stamboekvee, dat immers ook gebaseerd is op een geleidelijke verbetering van het ras.

Het duurde niet lang of er verschenen op Douglas’ tekentafel tekeningen van een merkwaardig nieuw vliegtuig. Het kreeg de naam Cloudster en werd op een zolder geheel met de hand gebouwd, met gereedschappen die Douglas van een pianofabriek beneden had geleend. Zijn enige medewerkers waren zes jonge mannen en hun vrouwen, die het doek op de vleugels vastnaaiden. Weliswaar ontging Davis het begeerde record doordat er iets misging met de motor, maar de Cloudster vestigde een ander record van veel groter draagwijdte: het was het eerste vliegtuig dat zijn eigen gewicht aan nuttige lading de lucht in kon krijgen.

Bij het Amerikaanse ministerie van Defensie werd de Cloudster meteen populair. In 1921 bestelde de marine drie van deze machi­nes, geschikt om torpedo’s mee te voeren. Toen presteerde het leger iets waardoor de hele wereld opmerkzaam werd gemaakt op de bescheiden fabriek die intussen bij Santa Monica in Californië was verrezen. Met drie eenmotorige amfibietweedekkers die door Douglas waren ontworpen en gebouwd, volbrachten vliegers van het Amerikaanse leger de eerste vlucht om de aarde. Op 6 april 1924 stegen de vliegtuigen op voor hun vlucht over het noordelijke deel van de Grote Oceaan met als enige navigatiemiddelen een kompas en een paar vooroorlogse kaarten — boordradio bestond toen nog niet. Hun vlucht ging over 22 landen en ze legden ruim 14 000 kilometer af onder omstandigheden waarvan het vliegend personeel in onze dagen zich geen voorstelling meer kan maken: ze moesten landen in hoogopgewaaide sneeuw, in tropische moerassen en rijstvelden, maar met dat al waren zij de baanbre­kers voor vliegroutes die nu de basis vormen van het wereldluchtverkeer. Vijftigduizend jubelende inwoners van Santa Monica ver­welkomden de vliegers bij hun thuiskomst met een tapijt van rozen die zij op het vliegveldje hadden gestrooid.

Deze periode was voor Douglas één lange worsteling om aan bedrijfskapitaal te komen. Regeringsorders stroomden binnen, maar wie zou het geld voor de uitvoering verschaffen ? De rege­ring betaalde niet voordat de machines waren getest en opge­leverd.

Er was één ding dat Douglas bij het zakendoen voort­durend tegen had, en dat was zijn jongensachtige gezicht dat hem wel twintig jaar jonger deed lijken dan hij in werkelijkheid was. Hij was in die tijd midden dertig, vader van vier zoons en een dochter, maar veel mensen hielden hem voor een eerstejaars student. Toen hij voor de eerste keer bij een bank moest zijn om 35 000 dollar te lenen, had hij, om een meer volwassen indruk te maken, zijn snor laten staan. Hij kreeg zijn geld, maar bij het afscheid zei de bankdirecteur: ‘Ik zou dat maar afscheren —je kunt er toch niemand mee voor de gek houden!” Sindsdien heeft Douglas nooit meer zijn snor laten staan.

Militaire orders hielpen Douglas wel vooruit, maar brachten hem niet dichter bij de verwezenlijking van zijn droom om bij het reizende publiek het luchtverkeer meer populair te maken. Er waren wel al enige luchtlijnen, maar met alle risico’s van het vliegen in die dagen waagden ze zich niet aan nachtvluchten en ze dreven in hoofdzaak op het postvervoer. Douglas kreeg zijn grote kans in 1932, toen Jack Frye, destijds vice-president van de maatschappij waaruit de Trans World Airlines is voortgekomen, bij hem kwam met een opdracht voor een verkeersvliegtuig dat het vertrouwen van het publiek zou moeten winnen en hem in staat zou stellen zijn luchtlijn met winst en zonder regeringshulp te exploiteren.

Het is typerend voor Douglas dat hij, alvorens hierop in te gaan, een van zijn assistenten als waarnemer meestuurde op een gewone Amerikaanse transcontinentale dienstvlucht. Tien dagen later kwam de jongeman per trein terug, nog bleekjes van de doorsta­ne ellende en bovendien een beetje doof. Zijn verslag van die tocht geeft een goed beeld hoe het in 1932 met de vliegerij gesteld was: de transcontinentale “expres” had twaalf keer moeten landen om benzine in te nemen en had gedurende de hele tocht met stormen te kampen gehad waarboven het vliegtuig niet bij machte was geweest uit te stijgen en die het, vanwege de post die op tijd moest zijn, ook niet ergens veilig kon “uitzitten”. Dertig uur lang waren de inzittenden heen en weer, op en neer en door elkaar geschud als erwten in een zak. De cabine was allesbehalve geluiddicht, zodat men voor alle conversatie op liplezen aangewezen was geweest. Bovendien stonk het er verschrikkelijk naar benzine; er mocht dan ook niet worden gerookt. En gedurende de hele barre tocht was er niets warms te eten of te drinken geweest.

Douglas liet er geen gras over groeien. Zijn eerste ontwerp, de DC-1, verbaasde iedereen door met volle lading op één motor van Winslow in Arizona naar Albuquerque in New Mexico — een afstand van 370 kilometer — te vliegen. Een verbeterde uitvoering, de DC-2, werd in serieproductie genomen. Bestellingen stroom­den binnen, maar Douglas was niet tevreden over de machine en maakte er maar 130 van. Toen deed hij een stap die van historische betekenis zou blijken te zijn: hij zette een vliegtuig met accommo­datie voor 21 passagiers op stapel, de DC-3.

De DC-3 zou het bekendste en geliefdste transportvliegtuig in de luchtvaartgeschiedenis worden. Dit ongehoord sterke toestel was niet alleen voorzien van allerlei moderne gemakken zoals verstelbare stoelen, een geluiddichte cabine met behoorlijke lucht­verversing, warm en koud water en een keuken, maar het was tevens uitgerust met instrumenten voor nachtvliegen, een auto­matische piloot en een dubbel instrumentenbord. Het maakte de vliegtijden, vooral op lange afstanden, aanmerkelijk korter en het passagiersvervoer nam dan ook met sprongen toe. In 1939 nam de DC-3 negentig percent van het internationale luchtvervoer voor zijn rekening.

Hun grootste lauweren echter hebben de DC-3’s eigenlijk pas in de Tweede Wereldoorlog geoogst. In die jaren hebben zij ge­wonden bij tienduizenden geëvacueerd, jeeps, bulldozers, voor­raden, munitie, artiesten en post vervoerd. Talloze soldaten zullen nooit vergeten hoe DC-3’s hen in de oorlog veilig door de zwaar­ste tropische stormen vlogen, die de uiteinden van de vleugels, waaromheen Sint-Elmsvuur speelde, deden trillen, terwijl de mo­toren zwoegden om na elke mokerslag van de storm de machine weer op te trekken. Onbewapend maar onbevreesd vloog de DC-3 meer voorraden heen en terug over de Himalaya dan er over de Birmaweg werden vervoerd en generaal Eisenhower heeft dit vlieg­tuig eens geprezen als “een van de voornaamste wapens van de oorlog”. Onverschillig of een DC-3 door Japanse zelfmoordpiloten was geramd of doorzeefd door luchtafweergeschut, of dat hij staart, roer, ailerons, stukken van de vleugel of het landingsgestel had verloren, in negen van de tien gevallen wist hij, hinkend en waggelend, toch zijn basis weer te bereiken.

Een beroemd geval is dat van de DC-3 die op het vliegveld van Kioe-tsjoean in China bij een vijandelijke aanval een vleugel had verloren. In Hongkong, 1500 kilometer van Kioe-tsjoean verwij­derd, lag toevallig nog een vleugel van een oude DC-2, die echter drie meter korter was. In allerijl werd deze naar Kioe-tsjoean gebracht en met kunst en vliegwerk gemonteerd. Zo opgelapt kwam de patiënt, angstwekkend scheef hangend, de startbaan opgehobbeld, kreeg zijn bemanning aan boord, nam een aanloop en. . . . vloog als een pijl uit de boog regelrecht terug naar zijn basis. Die het zagen noemden hem voortaan DC-2 ½.

De DC-3 was echter lang niet alles wat Donald Douglas tot de oorlogsinspanningen van de Geallieerden bijdroeg. Uit zijn fa­brieken, die dagelijks meer dan een miljoen dollar aan lonen uit­betaalden en 167 000 mannen en vrouwen in dienst hadden die in drie ploegen vierentwintig uur per etmaal werkten, kwamen 29 385 vliegtuigen, waaronder 6043 Boston-Havoc-nachtjagers (een van de voornaamste troeven in de slag om Engeland), 2502 B-26 middenafstandbommenwerpers, 3000 zware bommenwer­pers en 5559 bommenwerpers voor vliegkampschepen die, volgens de opperbevelhebber van de Amerikaanse zeestrijdkrachten in 1944, “meer vijandelijke schepen tot zinken hadden gebracht dan alle andere wapens tezamen”.

Uiterst belangrijk voor de oorlogvoering was vooral ook de wijze waarop Douglas het luchttransport over zee op een geheel nieuwe leest had geschoeid. Overtuigd dat vliegboten een groot deel aan bruikbaarheid hadden ingeboet en dat landvliegtuigen met wielen voor het vervoer over water veel doeltreffender en veili­ger waren, was hij al begonnen met plannen voor een viermotorige versie van de DC-3, geschikt voor lange-afstand-vluchten. Het werd de DC-4 en het zou de voorloper worden van alle huidige vliegtuigen voor het vervoer over zee. (Van een vroeger type, dat als DC-5 te boek staat, was de productie beëindigd toen er nog maar enkele exemplaren van waren verkocht.)

Maar na Pearl Harbor kreeg Douglas een telegram van het ministerie van Oorlog, of hij die plannen voorlopig maar wilde opbergen. Ontsteld over een zodanig gebrek aan inzicht, wees hij de minister van Oorlog met klem op het enorme belang van grote transportvliegtuigen die in staat zouden zijn de vijandelijke duik­boten te ontwijken en op snelle wijze de meest afgelegen fronten te bereiken. Hoewel hij nul op het rekest kreeg, ging Douglas door met het bouwen van zijn nieuwe machines. Drie maanden later kwam er een telegram dat het eerste herriep, en de DC-4 (bij de Amerikaanse luchtmacht C-54 geheten) ging de strijd in als het werkpaard van de oorlog. Met soldaten en uitrustingsstukken aan boord vlogen DC-4’s honderdduizend keer de oceaan over. Dank zij de DC-4, zijn snelheid en veiligheid konden president Roose­velt, Winston Churchill, generaal Eisenhower en andere geallieerde leiders elkaar herhaaldelijk ontmoeten. Het was ook dit vlieg­tuig waarmee generaal MacArthur met twee divisies naar Tokio vloog om de overgave van Japan te aanvaarden en waarmee later de luchtbrug naar Berlijn werd onderhouden. Dit waren wel de twee hoogtepunten in de carrière van de DC-4.

Er is vaak beweerd dat Donald Douglas gierig is. In zijn fa­brieken worden stofzuigers gebruikt om restjes kostbaar afvalmateriaal te verzamelen; thuis heeft hij in zijn kasten oude tweedpakken hangen die aan de knieën en ellebogen helemaal zijn door­gesleten. Een oude vriend van hem beschrijft hem als “een man die, terwijl hij met zijn beide voeten stevig op de grond staat en één hand in zijn zak houdt om op de centen te passen, zijn ogen op de sterren houdt gericht”.
Toch heeft het Donald Douglas blijk­baar nooit veel kunnen schelen een groot vermogen te vergaren, en gemeten naar Amerikaanse maatstaven is hij dan ook niet rijk.

De ergste crisis die Douglas, naar zijn zeggen, in zijn leven heeft doorgemaakt, werd hem op de dag van de Japanse capitula­tie door een telegrambesteller “bezorgd”. In het telegram trok de regering, met onmiddellijke ingang, alle lopende orders in. De liquide middelen van de maatschappij waren net toereikend om het personeel nog een maand lonen en salarissen uit te betalen. Zijn winst uit de oorlogsproductie was namelijk niet meer geweest dan een half percent van de verkoop. Binnen een week moest Douglas 90 000 mannelijke en vrouwelijke krachten ontslaan. Het zorgvuldig opgebouwde bedrijf werd met de ondergang bedreigd. Douglas bedacht ten slotte een plan dat de onderneming misschien kon redden. Het was een uiterst gewaagd plan, want hij zette daarmee vrijwel alles op het spel wat de maatschappij nog aan middelen overhad. Hij besloot een volkomen nieuw type passa­giersvliegtuig te bouwen, een machine die op grote hoogte, waar de lucht ijler is, kon opereren en daardoor sneller en dus ook eco­nomischer zou zijn.

Tussen idee en werkelijkheid lagen voor de ingenieurs enorme technische moeilijkheden: ze moesten een cabine ontwerpen die bestand was tegen een binnendruk van vele tonnen, speciale pompen die buitenlucht van bijvoorbeeld 75 graden onder nul op een temperatuur van 20 graden boven nul in de cabine konden brengen, isolatiemateriaal dat licht genoeg was om economisch verantwoord te zijn en toch zwaar genoeg om bescherming te bieden tegen de ijzige kou op grote hoogte, dubbele ramen die een grote druk konden weerstaan en ten slotte een betrouwbare in­stallatie om de onvermijdelijk sterkere ijsafzetting op de vleugels te voorkomen.

De eerste DC-6, die met 60 passagiers en een snelheid van 500 km per uur op grote hoogte kon vliegen, maakte in 1947 zijn op­wachting bij het publiek. In 1953 hadden 27 luchtvaartmaat­schappijen samen al 400 DC-6’s in dienst. In datzelfde jaar liet Douglas de DC-7 volgen, een langgerekt, slank en glanzend vlieg­tuig dat 80 passagiers in ongekend comfort kon vervoeren.

Douglas is de enige van de grote vliegtuigfabrieken die van het begin af aan nauw betrokken is geweest bij de spectaculaire ont­wikkeling van de luchtvaart, van de eerste propellervliegtuigen tot de modernste machines met straalaandrijving. Maar toen de felle wedloop om de verovering van de markt voor straalvlieg­tuigen begon, was Douglas voor de eerste keer in zijn loopbaan niet present bij de start. Hij hield zich afzijdig toen de Engelsen in 1952 met hun Cornet het eerste passagiersvliegtuig met straal­aandrijving lanceerden. En toen later de Franse Caravelle in de lucht kwam, liet Douglas zijn meest geduchte tegenstander Boeing de handschoen opnemen.

Douglas had, naar hij zegt, twee goede redenen om eerst de kat uit de boom te kijken. In de eerste plaats hadden de luchtvaart­maatschappijen toen — omstreeks 1952 — anderhalf miljard dollar geïnvesteerd in schroefvliegtuigen, waarvan vele nog gloed­nieuw waren. Waren de vliegtuigfabrieken op dat tijdstip met straalvliegtuigen op de markt gekomen, dan zou de industrie door de noodzaak van nieuwe investeringen in grote financiële moeilijk­heden zijn geraakt. Ten tweede waren de ongelukken met de pionierende Cornets een waarschuwing dat een aantal speciale problemen, zoals bijvoorbeeld materiaalmoeheid, nog niet af­doende waren opgelost. Douglas wilde niet op passagiersvlieg­tuigen met straalaandrijving overschakelen zolang hij nog geen cabine had gevonden die een tweemaal zo hoge druk kon door­staan als die van de DC-6. Hij nam proeven waarbij een hogedrukcabine 300 000 maal aan krachten werd onderworpen over­eenkomend met die welke optreden bij stijgingen en dalingen zo­als de Cornets die hadden uitgevoerd en die hen ten slotte nood­lottig waren geworden. Pas nadat deze proeven, die dezelfde uitwerking op het materiaal hadden als honderd vliegjaren, be­vredigend waren verlopen, ging hij er eindelijk toe over zijn fabrieken voor de productie van de DC-8 te outilleren.

Toen de eerste DC-8 de lucht inging, had de Douglas Company meer dan 200 miljoen dollar in dit vliegtuig geïnvesteerd — weg­gegooid kapitaal als de proefvluchten niet aan de verwachtingen zouden beantwoorden. Maar het vertrouwen in de vliegtuigen met het fabrieksmerk DC was in luchtvaartkringen zo groot, dat veertien internationale luchtvaartmaatschappijen al orders had­den geplaatst voor 133 van deze machines, nog voor het prototype gereed was. En dat herhaalde zich toen Douglas zijn straalvlieg­tuig voor de korte- en middenafstanden, de DC-9, ontwierp: ook daarop kwamen orders binnen, o.a. van de K.L.M., toen aan het prototype nog druk gebouwd werd.

De banden tussen Douglas en de K.L.M. zijn altijd heel sterk geweest. De K.L.M. is de enige luchtvaartmaatschappij ter wereld die Douglas-toestellen van alle typen (DC-2 t/m 9) heeft gekocht. Zij introduceerde de DC-2 in Europa en was de eerste maatschap­pij buiten de Verenigde Staten die de DC-3 en de DC-8 bestelde. Zijn internationale faam kreeg Douglas goeddeels door de legen­darische prestatie van de DC-2 Uiver in de Londen-Melbourne-race 1934. Het K.L.M.-toestel, met post en passagiers aan boord, won de handicapsectie en eindigde in de race als tweede, vlak achter een speciaal uitgerust Brits racevliegtuig.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

806-741

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-9)

.

Verteltijd ca. 7 min.

DE BALLADE VAN ST.-GILLES EN HET HERT (DE HINDE)
.

In ’t allerdiepste deel van het bos waar geen mensenvoetstap doordringt, woonde een grijze oude man. Sint-Gilles de heremiet.
Zijn woudwoning was een rotsspelonk, overgroeid met espenloof; tot vriend in die eenzaamheid had St.-Gilles een wild hert.
Een hinde was het, een mooi dier, met een rood gevlekt kleed; zij maakte haar woning vlak bij hem en kwam op zijn roepen zonder enige vrees bij hem, alle schuwheid vergetend.
In heel het lieflijke Frankrijk was er geen hinde zo mak en zacht; heerlijk was het haar te zien opspringen en aansnellen, als hij haar naam noemde!
Ze gaf hem melk, zijn sober voedsel, zij at het malse bosgras. Een paar wonderbare kameraden waren die twee!

De heilige was gelukkig in zijn cel en onder zijn groene bomen; zijn enige buren waren de wouddieren, maar St.-Gilles begeerde geen betere.
Somber was het bos, een donker grimmig woud,- en nog nooit hadden mensenstemmen zijn rust gestoord; uit de mensenwereld daarbui­ten ging niemand die plek voorbij.

Maar zie, op een lentemorgen – dauw lag nog op het mos – april steeg stralend de heuvels op, – daar klonk zilveren hoorngeschal en daar­doorheen schril gefluit en luide hallo’s.

Het wild getrappel van paardenhoeven, het bloeddorstig gebas van de honden weerklonk door de zoete woudstilte en weerkaatste in
schrik­wekkende echo’s alom.

Sint-Gilles zat in zijn eenzame kluis – nader en nader kwam de stoet. Ach, bij ’t geraas werd zijn oude hart hem zwaar en een nevel kwam voor zijn zachte ogen.

Hij hield niet van de mannen die op jacht gingen om te doden, hij meed rijkdom en grootheid, want in die tijden waren nog de heidenen meester in het land.

Maar nauwelijks had hij zijn deur bereikt en gegrepen naar zijn eiken staf, of als een bulderende golf brak de ganse jacht op hem los. Daar in de open ruimte sprong eensklaps naar hem toe een lichte, bevallige gedaante, het doel van de jacht – tot hem als laatste toe­vlucht.

Met schuim bespat over alle leden, trillend van afmatting en vrees viel aan zijn voeten ’t opgejaagde dier – zijn liefste vriend en mak­ker.

Achter haar dicht opeengedrongen de troep honden, fel glansden de wrede tanden – daar komen ze met wijde sprongen. St-Gilles’ hart stond stil.

Hij keek neer op de tere hinde – hij hief zijn zachte ogen op -zag het doodsgevaar en de doodspijn, nader en nader. Toen legde hij zijn hand op het fijne kopje van zijn kameraadje. “Zou ik u laten sterven?”,  sprak hij, “en toezien bij die moord?” Snel bukte hij en mompelde:  “Dat nooit,” zijn hand streelde haar gevlekt kleed. Nu ging hij in zijn hele lengte voor haar staan. “Eerst mij!” klonk het uit zijn mond.

Met angstige ogen keek ze tot hem op, wild klopte het kleine hart en elk lid trilde als het espenloof – daar scheurde ’t kreupelhout vaneen.

“Hallo, hallo!” klonk het jachtgeschreeuw en door de struiken drongen nu de jagers – een boogschutter in groen gewaad ontdekte het eerst het neergehurkte hert.

Snel als de bliksem zwierde zijn pijl. St.-Gilles strekte de armen uit, – helaas! de jager had goed gemikt, de heilige was gewond. Maar al te juist trof de scherpe pijl; ach, in het treurend bos viel de oude heilige op het groene mos terneer en kleurde het met zijn bloed.

Hij viel, maar legde nog zijn hand op het trillende lichaam van de hinde – “mijn leven voor het hare!” riep hij luid, geen die het niet verstond! En toen hij daar terneer lag,  stil op het mos, de dood nabij, kwam ook de koning aangereden met heel zijn vrolijke lijfstoet om zich heen.

Die zag de wond en riep: “Wat nu? Wie is die grijsaard? Wie mist
hier het rode hert en vergiet het bloed van een oude man? Spreek
op!”
Toen meldden zij hem alles.

De koning sloeg de ogen naar de grond. “Wee ons,”  sprak hij, “sterven mag hij niet, zo edel en moedig een grijsaard! Breng snel de heilige in zijn grot; wie valt, om zijn vriend te redden, is waard dat de koning hem dient. Ik zelf zal voor hem een rustplaats uitspreiden.”

Zij spaarden het duur gekochte leven van de hinde. In de lage donkere cel zat de koning neer, veel lange dagen en verzorgde de zieke. De koning was een heldenvorst, maar al die tijd bleef hij daar wonen tot de wond genas en de oude heilige van het ziekbed verrees. Daar in de kleine grot in het woud leerde de machtige koning vele dingen, die de meest verachte christenslaaf wel wist, maar hem verborgen waren gebleven. Want de goede heilige had zijn hart gewon­nen door zijn edele, moedige daad. En ziet, toen de grote koning vertrekken ging, bekende hij dat hij een christen geworden was. Hij gaf zijn heilig vorstenwoord aan Gilles, dat hij steeds zou houden wat hij had beloofd en christen zou blijven te allen tijde. Naast hen stond vertrouwelijk het rode hert.

Toen reed de koning langzaam heen, de twee keken hem lang na. Een gelukkig man was St. Gilles die dag. Een koning had hij gewonnen en zijn hinde had hij gered.

Haar kon hij voortaan veilig houden tegen de moordzucht van de jagers; het woord van de koning zelf beschermde de kleine plek tot in de lengte van dagen.

In ongestoorde rust, onbezorgd woonden St.- Gilles en zijn vriend, het hert, in 11 woud, vazallen van een christenkoning.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas
.

801-736

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Jules Verne

.

HIJ VOORZAG DE WONDEREN VAN ONZE EEUW

In de jaren achttientachtig  diende een forse man met een rossige baard zich aan bij het Franse ministerie van onderwijs. De portier keek op het kaartje en zijn gezicht ver­helderde. Hij schoof een stoel bij en zei: “Neemt u plaats, meneer Verne. U zult wel moe zijn van al dat reizen.”

Jules Verne, de schrijver, had uitgeput moeten zijn. Hij had vele malen de reis om de wereld gemaakt — eenmaal in tachtig dagen. Hij had twintigduizend mijlen onder zee gevaren, was naar de maan gereisd en had het middelpunt van de aarde onderzocht. Hij had met kannibalen in Afrika en met Indianen aan de Orinoco gepraat. Er waren maar heel weinig plekjes op aarde die Jules Verne, de schrijver, niet had bezocht.

Maar Jules Verne, de mens, was een thuisblijver. Zo hij al moe was, kwam het enkel door schrijfkramp. Veertig jaar lang zat hij in een kamertje in de bakstenen toren van zijn huis in Amiens en schreef jaar in, jaar uit twee boeken per jaar.

Verne had in sterke mate de gave komende dingen vooruit te zien. Hij liet de televisie werken nog eer de radio was uitgevonden; hij noemde ze fonotelefoto. Hij had helikopters een halve eeuw voor de eerste vlucht van de gebroeders Wright. Bijna alle won­deren van de twintigste eeuw heeft deze man uit het Victoriaanse tijdvak vooruitgezien: duikboten, vliegtuigen, neonlampen, rol­trappen, luchtbehandeling, wolkenkrabbers, raketten, tanks. Hij was de vader van de toekomstroman die nu science fiction heet.

Verne schreef over de wonderen van de toekomst met zoveel nauwkeurige, onbetwistbare bijzonderheden, dat geleerde
ge­nootschappen over hem discussieerden en wiskundigen weken eraan besteedden om zijn cijfers te controleren. Toen zijn boek over een reis naar de maan was verschenen, meldden vijfhonderd mensen zich aan als vrijwilliger voor de volgende expeditie.

Degenen die later door hem werden geïnspireerd wilden hem graag erkennen. Toen admiraal Byrd terugkwam van zijn vlucht over de Noordpool, zei hij dat Jules Verne zijn gids was geweest. Simon Lake, de vader van de duikboot, schreef in de eerste zin van zijn autobiografie: “Jules Verne was de leidsman van mijn leven.” Auguste Piccard, de ballonvaarder en onderzoeker van de diep­zee, Marconi, de beroemde man van de draadloze — dezen en vele anderen waren het over één ding eens: dat Jules Verne degene was geweest die hen aan het denken had gezet. Frankrijks beroem­de maarschalk Lyautey heeft eens te Parijs in de Kamer van Afgevaardigden gezegd dat de moderne wetenschap niets anders was dan het uitwerken van wat Verne in woorden had gedroomd.

De schrijver werd oud genoeg om vele van zijn verbeeldingen werkelijkheid te zien worden. Hij bleef er heel nuchter onder. “Wat de een zich kan voorstellen,” zei hij, “kan een ander doen.”

Toen Verne in 1828 in de buurt van Nantes werd geboren, was Napoleon juist gestorven; Wellington was eerste minister van Engeland; vijf jaar tevoren was de eerste spoorlijn geopend; stoomschepen zetten zeil bij  om vlugger vooruit te komen.

Op aandrang van zijn vader, die advocaat was, ging Jules toen hij achttien was naar Parijs om in de rechten te studeren, maar het schrijven van gedichten en toneelstukken boeide hem meer. Hij was geestig, brutaal en onverschillig.

Op een avond was hij op een deftige soiree die hem verveelde. Ineens had hij er genoeg van, hij ging weg en liet zich langs de trapleuning naar beneden glijden. Daar aangekomen botste hij tegen de buik van een omvangrijk heer aan die juist naar boven wilde gaan. Jules flapte er het eerste uit dat hem in de zin kwam. “Hebt u al gegeten, meneer?” vroeg hij.

De ander zei dat hij een verrukkelijke omelet had genoten die was toebereid zoals ze dat in Nantes deden. Waarop Verne minachtend zei: “Poe, er is hier in Parijs nie­mand die dat kan.” “U soms wel?” vroeg de dikkerd. “Natuurlijk — ik kom uit Nantes,” zei Jules. “Mooi, kom dan volgende week bij me eten.. . en bak de omelet.”

Dit was het begin van de vriendschap tussen Jules en de schrij­ver van De drie musketiers. De kennismaking met Alexandre Dumas maakte het verlangen van de jonge Verne om te schrijven on­weerstaanbaar. Samen met Dumas schreef hij een toneelstuk, dat enig succes had. Ten slotte besloot Jules, aangespoord door zijn oudere vriend, dat hij voor de aardrijkskunde zou doen wat Dumas voor de geschiedenis had gedaan.

Zijn vader, die er genoeg van kreeg dat de jongen niet stu­deerde, hield zijn toelage in. Jules kreeg een baantje aan een schouwburg, maar de eerste jaren had hij het arm. Hij was een mooie jongen en hij was vrijpostig. Hij werd verliefd. Op een par­tijtje hoorde hij een meisje tegen haar vriendin zeggen dat ze last had van haar baleinen. Jules zei: “Wat zou ik graag eens duiken om met de walvissen (Frans: baleines) te spelen!” De vader van het meisje hoorde het, werd woedend en zette hem de deur uit.
Maar Verne werd opnieuw verliefd en ditmaal trouwde hij.

Zijn vader kwam hem te hulp en hij werd effectenhandelaar. Financieel kreeg hij het nu wat beter, maar hij bleef op een zol­derkamertje wonen en schrijven. Om zes uur ’s morgens zat hij aan zijn werktafel en schreef artikelen over natuurwetenschappe­lijke onderwerpen voor een kinderblad. Tegen tienen trok hij een zwart pak aan en ging naar zijn bureau op de beurs.

Zijn eerste boek was Vijf weken in een luchtballon. Vijftien uit­gevers zonden het hem terug. Woedend gooide Jules het in het vuur. Zijn vrouw redde het en liet hem beloven dat hij het nog éénmaal zou proberen. De zestiende uitgever nam het aan. Vijf weken in een luchtballon werd een van de meest verkochte boeken, het werd in alle talen vertaald. In 1862 was de vierendertigjarige schrijver beroemd. Hij gaf de beurs eraan en tekende een contract, waarin hij zich verplichtte twee romans per jaar te leveren.

In zijn volgende boek, Naar het middelpunt der aarde, daalden zijn hoofdpersonen af in de krater van een vulkaan op IJsland. Ze beleefden talloze avonturen en kwamen ten slotte op een lava­stroom in Italië weer te voorschijn. Het boek bevatte alles wat de toenmalige wetenschap wist of kon vermoeden omtrent het in­wendige van de aarde, en dat verlevendigd met avonturen. Zijn lezers konden er niet genoeg van krijgen. Ferdinand de Lesseps, die pas het Suezkanaal had voltooid, wendde zijn invloed aan om Jules Verne het Legioen van Eer te bezorgen.

Toen de Vernes een zoon hadden gekregen, verhuisden ze van Parijs naar Amiens. Jules verdiende geld als water. Hij kocht het grootste jacht dat er te krijgen was en liet een huis bouwen met een toren waarin zich een kamer bevond die eruitzag als een scheepskajuit. Daar bracht hij de laatste veertig jaren van zijn leven door, omringd door kaarten en boeken.

Het bekendste van Verne’s boeken is waarschijnlijk wel De reis om de wereld in tachtig dagen. Toen het in het Parijse dagblad Le Temps als feuilleton liep, was de belangstelling voor de lotgevallen van Phileas Fogg, de held van het boek, die een wedloop met de tijd hield om een weddenschap te winnen, zo groot, dat corres­pondenten van Newyorkse en Londense bladen elke dag een tele­gram naar hun krant stuurden om te berichten waar de denk­beeldige Phileas Fogg zich nu bevond. Er werden weddenschap­pen afgesloten: of hij al of niet op tijd in Londen zou aankomen om de zijne te winnen. Verne hield met grote handigheid de be­langstelling levendig: zijn held redde een Indische weduwe van de verbrandingsdood, werd verliefd op haar en miste daardoor bijna aansluitingen; op zijn reis dwars door Amerika werd hij door Indianen aangevallen en bij zijn aankomst in New York zag hij het schip dat hem naar Engeland had moeten brengen nog net als een stipje aan de horizon.

Alle trans-Atlantische stoomvaartmaatschappijen boden Verne grote bedragen aan als hij Phileas Fogg op een van hun schepen wilde laten reizen. De schrijver weigerde en liet zijn held een schip charteren. Het kreeg gebrek aan brandstof, en terwijl de wereld de adem inhield verbrandden de matrozen alle hout aan dek en de meubelen uit de kajuit. Fogg bereikte Londen en de Reform­club slechts enkele seconden voor het fatale ogenblik. Het is de moeite waard hier letterlijk te citeren: “Op de zevenenvijftigste seconde werd de deur geopend en de slinger had de zestigste se­conde nog niet afgetikt, toen Phileas Fogg verscheen. . . Op zijn gewone kalme toon zei hij: ‘Mijne heren, hier ben ik.’ “

Dat was in 1872. Zeventien jaar later droeg een Newyorkse krant een verslaggeefster, Nelly Bly, op het record van Phileas Fogg te breken — zij maakte de reis om de wereld in tweeënzeven­tig dagen. In opdracht van een Engels blad verbeterde kolonel Burnley-Campbell dit record met vier dagen. Later deed een Franse journalist, André Jaeger-Schmidt, de reis in drieënveertig dagen, dank zij de opening van de Trans Siberische spoorweg, die Verne vele jaren daarvoor had voorspeld.

In Twintigduizend mijlen onder zee ontwierp Verne een duikboot, de Nautilus, die niet alleen een dubbele wand had en door elek­triciteit werd voortgestuwd, maar ook kon wat twee Britse geleer­den pas onlangs hebben gepresteerd: elektriciteit maken uit zee­water. Ze kon ook doen wat de door atoomenergie voortbewogen duikboot Nautilus van de Amerikaanse marine voor het eerst in werkelijkheid kan: voor onbepaalde tijd onder water blijven.

Jules Verne was een zeer vaderlandslievende Fransman, maar hij werd verliefd op Amerika. Hij werd enorm geboeid door de geweldige ruimte, de stoutmoedige techniek. Washington en Lincoln waren zijn helden, en een van zijn dierbaarste souvenirs was een brief op papier van het Witte Huis en ondertekend door Kermit Roosevelt, waarvan de laatste zin luidde: “Mijn vader (Theodoor Roosevelt) vraagt mij u mee te delen dat hij al uw boeken heeft gelezen en er intens van heeft genoten.”

Een van de meest vooruitziende en minst gelezene van Verne’s boeken is Het dagboek van een Amerikaanse journalist in het jaar 2890. New York, Universele Stad genoemd, is de hoofdstad van de wereld. Langs honderd meter brede wegen staan driehonderd meter hoge wolkenkrabbers. Het klimaat wordt beheerst en aan de Noordpool wordt graan verbouwd. Reclame wordt op de wolken geprojecteerd. Vernes held is hoofdredacteur van een krant die Heraut van de Aarde heet en tachtig miljoen lezers heeft. Verslag­gevers van de Heraut brengen door middel van televisie het nieuws van Jupiter, Mars en Venus over en de abonnees zien in hun eigen huiskamer wat er gebeurt. Het is moeilijk te geloven dat de boeken van Verne zo’n zestig tot negentig* jaar geleden werden geschreven.

De laatste jaren van Jules Verne waren niet gelukkig. Intel­lectuele kringen dreven de spot met hem. Hoewel hij de meest ge­lezen schrijver van zijn generatie was, werd hij niet tot lid van de Académie française gekozen. De ene tegenslag volgde op de andere. Hij kreeg suikerziekte en zijn ogen lieten hem in de steek. Zijn gehoor nam af. Zijn laatste boeken waren, en ook dat was profetisch, vervuld van vrees voor de komst van tirannen en totalitarisme. Jules Verne stierf in 1905. De hele wereld stond om zijn graf, met inbegrip van degenen die hem bespot en over hem geroddeld hadden, de dertig leden van de Académie, het corps diplomatique en bijzondere vertegenwoordigers van koningen en presidenten. Van de vele duizenden woorden van lof zou Jules Verne het meest gesteld zijn geweest op deze twee zinnen uit een Parijse krant:

“De oude verteller is overleden. Het is alsof Sinterklaas dood is.”

(*gerekend vanaf ca 1950)
.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

800-735

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-8)

.

Verteltijd ca. 12 min
.

HOE DE HEILIGE GUDWALUS DOOR DE VISSEN GEHOLPEN WERD
.

De Wallische* kust is bekend om haar schoonheid, zowel als om haar ontzettende stormen. En de lieden die haar gedurende de zomer in al haar tere, liefelijke pracht zien, zouden haar in de winter, in de tijd van de ontzettende stormen, niet herkennen.
Sint-Gudwalus, een geboren Walliser, kende die schone kust met al haar ontzettende gevaren. En juist wellicht omdat hij die gevaren zo goed kende, voelde hij zich tot haar aangetrokken, evenals zo­vele heiligen in die dagen, toen zorg voor eigen lichaam als een on­deugd gold, de ontberingen en moeilijkheden vrijwillig opzochten. En zo betrok hij op een zomerdag vergezeld door slechts één vriend zijn nieuwe verblijfplaats, een klein eilandje aan de Wallische kust. Hun eerste werk was een geschikt plekje te zoeken om te wonen. Het eilandje rees uit de zee op als een hooge berg, waarvan de top met fris groen begroeid was en waarin de bij vloed onophoudelijk beu­kende golven grote spelonken en grotten hadden doen ontstaan. Deze grotten nu waren voor de zeerovers en smokkelaars uitgezochte berg­plaatsen voor hun gestolen goederen, want niemand zou ze daar vinden.

En juist een van deze grotten koos Sint-Gudwalus uit, om met zijn
leer­ling geheel alleen en afgezonderd van de wereld te leven. Zij had­den zich de allerdiepste en grootste tot woonplaats uitgezocht en brachten er hun boeken en bedden in en het weinige huisraad, dat zij voor hun gebruik nodig hadden.

In deze grot nu stroomde de zee bij vloed een eind naar binnen, om
zich dan weer plotseling terug te trekken. En nu was het voor
Gudwalus en zijn leerling het grootste plezier daar te gaan zitten, juist
op de uiterste grens tot waar de golven naar binnen stroomden en
uren lang toe te zien hoe zij eerst onstuimig bruisend tegen de
rotsen opspatten, om dan rollend en donderend in geveinsde toorn naar binnen te stromen en dan weer plotseling terug te gaan naar de
blauwe zee daarbuiten. Gedurende deze zomertijd was dit spel met
de zee een verrukkelijkheid voor Gudwalus, en hij voelde zich zéér gelukkig. Zo leefden zij gedurende enige heerlijke maanden geheel alleen met de golven en de rotsen en de meeuwen, die nu en dan
krijsend de donkere grot invlogen, maar er meteen weer uit ­gingen, wanneer zij bemerkten, dat zij als ongenode gasten in het huis van een vreemdeling binnengedrongen waren. Het was alles geluk en vrede en hooggestemd genot in die zomertijd.

Doch hoe geheel anders was het, toen de koude wintervorst uit het noorden in zijn wagen van ijs over de golven kwam aanrijden,
voort­gestuwd door de hevige wind en de vertoornde stormwolken. Toen veranderde de zee opeens van aanblik en werd woest en wild en on­heilspellend, en zij staakte haar vriendelijk spel met de eenzame grotbewoners van het eiland en het was alsof zij hun plotseling vijandelijk geworden was en hen wilde meeslepen en doen ondergaan in haar donkere, dreigende diepte.

Op zekere morgen stak er een ontzettende storm op. Gudwalus en zijn leerling werden door een hoge golf bijna weggespoeld achter uit hun grot. Zich er niet langer aan houdend, door te dringen tot over de drempel van hun woning, stroomde de zee geheel naar binnen, boeken en huisraad meesleurend in haar vaart en trachtend de Hei­lige en zijn leerling, die zich aan de wand van de ruwe rots hadden vastgeklemd, te doen verdrinken. Half verstikt en snakkend naar adem ontkwamen zij ditmaal gelukkig aan het gevaar, toen de zee zich bij eb terugtrok, om later echter bij vloed opnieuw een aanval te doen. Doch zij wachtten dat ogenblik niet af, omdat zij zeker wisten, dat het hun het leven zou kosten.

Doornat als zij waren en verblind door het zilte schuim, kropen zij uit de grot en klommen tegen het glibberige zeewier van de rots op naar boven. Het was een hoogst gevaarlijke en inspannende bestijging, want de golven kwamen onophoudelijk donderend en dreigend ach­ter hen aan, trachtend hen naar beneden te sleuren. Het gelukte haar evenwel niet en ten slotte bereikten beiden de top van de rots, waar zij althans voor het ogenblik veilig waren.

Zij konden daar evenwel niet blijven. Er waren geen huizen op het
eiland, zelfs was er geen enkel beschut plekje en zij konden toch
niet buiten in de open lucht slapen; zij zouden van kou en door de
natte sneeuw bevroren zijn. Evenwel was het ook niet langer
mogelijk in hun grot te blijven, waar de zee tot achterin doordrong en hen dreigde te doen verdrinken. Alleen door een dam ervoor, om aan de golven te beletten naar binnen te komen, zouden zij in hun geliefde
grot kunnen blijven wonen. En Sin- Gudwalus neerknielend, bad vurig
om hulp, bad voor enige bescherming tegen de woeste wintergolven.

Toen gebeurde er iets zeer wonderlijks, want de bewoners van de zee waren vriendelijker dan de zee zelf. De vissen, die veilig
voortleefden ook in de woeste golven, waren zeer verdrietig en hadden groot medelijden met die grote mensenkinderen, die zo machteloos stonden tegenover het gevaar. En in grote scholen kwamen de vissen
uit de golven onder aan de voet van het eiland, uit de beddingen
van zeewier en de riffen van koraal, uit de zandige, peilloos diepe bodem van de oceaan naar de kust zwemmen en elk van hen
had een zandkorrel tussen de lippen. Zo zwommen zij naar het ondiepe water vóór de ingang van de grot, waarin Gudwalus woonde en een voor een legden zij hun last neer op de zandige bodem en een voor een zagen zij nauwkeurig toe of het werk goed was; dan zwommen zij vlug weg, om zo gauw mogelijk weer een zandkorreltje aan te brengen. De hele dag door bewoog zich een lange processie van vissen heen en weer in het water vóór de grot en zo was er tegen de nacht langzamerhand een kleine zandbank ontstaan vóór de ingang van de grot.

Terwijl nu Sint-Gudwalus en zijn leerling huiverend van kou op de top van de rots stonden en aandachtig naar de woeste zee onder hen keken, greep de pupil eensklaps zijn meester bij de arm. “Wat is dat daar beneden, in het water?” vroeg hij, wijzend naar een klei­ne bruine plek die boven de golven uitstak.

“Ik weet waarlijk niet wat dit wezen kan, mijn broeder”, antwoordde de Heilige. “Het is alsof de plek groter wordt,” zei de ander. “Kijk, nu is die al hoger, dan toen wij haar het eerst ontdekten.”

En zo was het. Gudwalus zag duidelijk hoe langzamerhand de bruine strook verder en breder zich uitbreidde van rechts naar links. Korreltje voor korreltje hoopte het zand zich al hoger op, tot er ten laatste boven het blauwe water een sterke dam verrees op enige afstand van de grot. En tegen deze golfbreker spatten de schui­mende, woeste golven in dreigende toorn uiteen, want zij konden er niet overheen, om door te dringen tot in de grot langs de kust, zoals zij dit tot nu toe altijd gedaan hadden.

“De Heer heeft ons een beschutting gegeven,” zei Gudwalus met een dankbaar hart. Toen viel zijn oog op een grote vis die terugzwom naar de diepte van de zee. “Het zijn de vissen die de dam voor ons gelegd hebben,” riep hij uit. “Gezegend zijn de vissen die ons op deze dag uit de nood geholpen hebben.”

Het waren in waarheid de vissen, die een sterke dam hadden ge­legd tussen Sint-Gudwalus en de dreigende zee, zodat hij voor­taan in de winter even veilig in zijn grot woonde als in de zomer.

*Waarschijnlijk is hier bedoeld ‘de kust van Wales’, dus Welse (je komt ook Welshe tegen) kust

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

 795-730

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Livingstone

.

HIJ BRACHT LICHT IN HET ZWARTE WERELDDEEL
.

Meer dan honderd jaar geleden sloeg een jonge Schotse zendeling-arts zijn tenten op te midden van inboorlingen in het hartje van zuidelijk Afrika. Hij sloot vriendschap met het opperhoofd, gaf medicijnen aan de leden van de stam en predikte over een God, die de Vader van alle mensen was.
Op een nacht hoorde hij iemand snikken buiten zijn hut. Het was een jong meisje dat in doodsangst gevlucht was omdat ze aan een naburig stamhoofd verkocht zou worden. Een reusachtige man, met een geweer gewapend, kwam uit de schaduw te voorschijn om haar mee te nemen. De zendeling gaf een inlandse helper opdracht het meisje van haar kralen te ontdoen, gaf die aan de man, met nog andere geschenken, en zond hem weg.

Livingstone

Uit dergelijke voorvallen bestond het dagelijkse leven van een der grootste zendelingen ter wereld, David Livingstone. Geduren­de 33 jaar van zwoegen en reizen, voortdurend vechtend tegen tropische ziekten en te allen tijde blootgesteld aan wilde mensen en dieren, deed dr. Livingstone het licht der christelijke beschaving schijnen in het achterlijkste gebied van de wereld.

Toen hij in 1840 in Afrika kwam, was het gehele middengedeel­te nog een witte vlek op de kaart. Dat het daarna in kaart ge­bracht werd en opengelegd voor vredelievende nederzettingen en handel, zou voornamelijk aan hem te danken zijn. En wat bij zijn werk bovenaan stond was een nimmer aflatende campagne tegen slavernij, bijgeloof en analfabetisme.

David Livingstone werd op 19 maart geboren in het Schotse Lanarkshire. Als jongen werkte hij twaalf uur per dag in een spinnerij. Daarna ging hij voor predikant studeren aan de univer­siteit van Edinburg. Hij was een goedgebouwde knaap met een aangenaam voorkomen, maar verlegen en slecht op zijn gemak in het openbaar. Toen hij voor het eerst probeerde een preek te houden, kon hij geen woord uitbrengen. “Vrienden, ik ben ver­geten wat ik wilde zeggen,” stamelde hij. Beschaamd verliet hij de preekstoel. Op dat afschuwelijke moment ried Robert Moffat, die op bezoek was in Edinburg nadat hij een zendingspost in Kuruman, in Zuid-Afrika, gevestigd had, de ontmoedigde David aan het niet op te geven. Misschien kon hij arts worden in plaats van prediker. David besloot allebei te doen en bovendien als zen­deling naar het buitenland te gaan. Toen hij zijn medische studie achter de rug had, zond men hem naar Afrika.

Livingstone vatte een diepe deernis op voor de zwarte mens daar. De handel in slaven was voor hem iets walgelijks en hij nam zich plechtig voor, zijn leven aan de uitroeiing van dat kwaad te wijden. Hij zag, hoe de angst en argwaan van de zwarten verdwenen wanneer hij hun zijn genezende medicijnen gaf en trachtte hun betere levensgewoonten bij te brengen. Hij zag met hoeveel vreugde zij leerden. Men noemde hem “De Goede.” Hij constateerde, welk een nuttig werk de bekeerlingen op Moffats missiepost in Kuruman onder hun eigen mensen verrichtten en nam zich voor zelf een missiepost te stichten, inlandse bekeerlingen er de leiding van te geven en dan verder te gaan naar nieuwe stammen en onbekende gebieden. Overal op zijn weg beleefde de geharde kruisvaarder opwindende, gevaarlijke avonturen. Aan het hoofd van zijn karavaan ging hij onbevreesd inboorlingen tegemoet, die nog nooit een blanke hadden gezien, won hun vriendschap met lappen stof, kralen en werktuigen en ging dan aan het werk om de zieken te genezen. Eenmaal als vriend aan­vaard, bleef hij dan weken of maanden onder die mensen werken.

Op zondagochtend verzamelde hij hen om zich heen voor een prediking. Met taaie vasthoudendheid verkondigde hij het woord Gods in de verschillende ingewikkelde dialecten. Aanvankelijk verstonden de verbaasde wilden hem misschien niet, maar zij wisten toch dat hij De Goede was en dat de God van wie hij sprak ook goed moest zijn.

Keer op keer werd Livingstone’s leven gered door wat hij be­schouwde als een goddelijke tussenkomst. In Mabotsa werd hij aangevallen door een woedende leeuw, die hem verwondde en zijn linkerarm brak. Een jonge bekeerling, die door Livingstone was aangesteld als de eerste inlandse schoolinspecteur, kwam tus­senbeide en lokte het dier weg, zodat het neergeschoten kon wor­den. Sindsdien kon Livingstone zijn arm nooit meer zonder pijn boven zijn schouder tillen.

Het uithoudingsvermogen van de onversaagde prediker en zijn minachting voor gevaar werden legendarisch. Hij arriveerde bij de Bakaa-stam toen de krijgers daar zo juist een Arabische hande­laar en al zijn dragers hadden vermoord. Livingstone gebruikte de maaltijd met het opperhoofd, gaf hem geschenken en legde zich daarna kalm te slapen. De volgende dag schreef hij in zijn dag­boek, dat hij er een bijzonder genoegen in gesmaakt had deze moordenaars te vertellen, hoe zij van hun zonden gereinigd kon­den worden.

Livingstone’s werk als dokter was van essentieel belang voor zijn prediking. Vrijwel elke dag bewees hij het nut van kinine bij de bestrijding van malaria. In de eerste vijf jaar had hijzelf 31 malaria-aanvallen te doorstaan. Zonder kinine had hij die nooit overleefd en dank zij dit middel maakte hij weer hele gezinnen en stammen gezond.

Als ontdekkingsreiziger kan Livingstone tot de allergrootsten gerekend worden. Door een derde van het reusachtige continent te exploreren — van de Kaap tot dicht bij de evenaar en van de Atlantische tot de Indische Oceaan — heeft hij van het toen nog onbekende deel van het aardoppervlak meer dan wie ook ont­sloten. Alle gebieden, die hij bezocht, bracht hij in kaart en daar­over gingen nauwkeurige rapporten naar het Koninklijk Aard­rijkskundig Genootschap te Londen. Hij ontdekte als eerste Europeaan het grote Ngamimeer. Hij stuitte op een indrukwek­kende waterval, meer dan tweemaal zo hoog als de Niagara, en noemde die naar koningin Victoria.

Nadat de Moffats naar Afrika waren teruggekeerd, huwde Livingstone hun dochter Mary. In Afrika geboren, was zij gewend aan alle ontberingen en gevaren van oerwoud en woestijn. Op­gewekt deelde zij het hachelijke werk van haar echtgenoot en verpleegde hem bij zijn veelvuldige ziekten.

In Kolobeng bouwden de Livingstones het enige werkelijke huis, dat zij ooit hebben bezeten. In de loop van zes jaar werden hier vier kinderen geboren. Toen Mary en de kinderen voortdu­rend gevaarlijk ziek werden, nam Livingstone zijn gezin mee naar Kaapstad en zond hen naar Engeland met de belofte dat zij el­kaar over een paar jaar weer terug zouden zien. Bij zijn terugkeer te Kolobeng ontdekte hij dat de Boeren zijn missiepost hadden geplunderd, zijn meubels hadden gestolen, veel van zijn boeken hadden verbrand, de school hadden gesloten en schrik hadden gezaaid onder zijn bekeerlingen. Op die manier werd hem duide­lijk gemaakt dat de Zuidafrikaanse autoriteiten een einde wilden maken aan zijn optreden tegen de slavenhandel.

Livingstone was niet bang. Hij bleef de slavernij aan de kaak stellen en schreef vurige brieven, waarin hij een beroep deed op de Engelse regering om een eind te helpen maken aan die handel. Voortgedreven door de taak die hij zich gesteld had, baande hij zich een weg naar de westkust en weer terug naar het binnenland, en dat in de tijd van vier jaar, een ongelooflijke prestatie.

Daarna ging hij voor het eerst weer naar Engeland om zijn gezin te bezoeken en Missionary Travels (Reizen van een Zende­ling), het eerste van verscheidene boeken, te schrijven. Tot zijn verbazing ontdekte hij dat hij een beroemd man was geworden. De prins-gemaal stond hem een onderhoud toe en wetenschaps­mensen nodigden hem uit voor discussies. De regering gaf toe­stemming voor een nieuwe ontdekkingsexpeditie en Livingstone kreeg bevoegdheid om met Afrikaanse stammen te onderhande­len. In maart 1858 ging hij weer scheep, samen met zijn vrouw en hun jongste zoon, Oswell.

Gedurende de zes jaren, die nu volgden, was Livingstone meer ontdekkingsreiziger dan zendeling. Met een stoomboot verkenden hij en zijn helpers de Zambesi en andere stromen in Oost- en Midden-Afrika. Zij ontdekten het Nyassameer, vestigden zendingsposten, richtten scholen op en vonden nieuwe handelswegen. Livingstone zond Mary naar Kuruman, waar hun nog een meisje werd geboren, maar het zou een vol jaar duren voor dit nieuws hem bereikte. Kort nadat moeder, baby en zoon zich weer bij de ontdekkingsreizigers gevoegd hadden, stierf Mary aan de koorts. In zijn smart bleef Livingstone dagenlang bij haar graf. Hij zond zijn zoon en dochtertje terug naar Engeland. In 1864 voltooide hij zijn expeditie. Nu kon hij, wanneer hij de stammen bezocht onder wie hij jaren tevoren had gewerkt, de resultaten van zijn inspanning zien. Kerken die hij had gesticht, leidden een bloeiend bestaan, de kinderen gingen naar school en zekere hygiënische gewoonten bleken wortel te hebben geschoten.

De grijzende kruisvaarder had reeds lang de hoop gekoesterd de bronnen van de Nijl te ontdekken, zodat de Europese handel het Afrikaanse binnenland van het noorden uit zou kunnen be­reiken. Dus nam hij, in het begin van 1866, na zijn vaderland op­nieuw bezocht te hebben, een gevaarlijke taak op zich — het exploreren van de waterscheiding tussen het Nyassameer en het Tanganyikameer. Na zijn vertrek op deze gedenkwaardige expe­ditie heeft nog slechts één blanke Livingstone levend gezien. Vrijwel alles zat hem tegen. Meestentijds was hij ziek. Vijandige inboorlingen stalen zijn voorraden. Velen van zijn dragers liepen weg. Onophoudelijke regen en tseetseevliegen maakten het reizen vrijwel onmogelijk. In 1869 werd Livingstone, doodziek met long­ontsteking, op een brancard naar Ujiji, aan het Tanganyikameer, gedragen — een tocht van twee maanden.

Meer dan twee jaar had men in Engeland niets van de zende­ling-ontdekkingsreiziger vernomen. “Waar is Livingstone?” vroeg iedereen zich af. Twee expedities werden uitgezonden om hem te vinden, maar beide faalden, gedecimeerd als zij werden door tropische ziekten.

James Gordon Bennett jr., directeur van de New York Herald rook de journalistieke mogelijkheden in het verhaal van deze zendeling, die “verdwaald” was in het hartje van Afrika. Hij gaf zijn beste verslaggever, Henry M. Stanley, opdracht Livingstone te vinden, onverschillig, hoe lang het zou duren en hoeveel geld het zou kosten.

Stanley reisde naar Zanzibar, huurde 192 mensen en begon de tocht naar het westen in februari 1871. Hij wist alleen bij geruchte waar Livingstone eventueel zou kunnen zijn. Al spoedig begon men in zijn karavaan te muiten. Twee opzichters probeerden hem te vermoorden. Zware regens maakten het terrein onbegaanbaar. Hij kreeg te kampen met malaria en buikloop. Maar negen maan­den lang drong Stanley met een moed, de man naar wie hij zocht waardig, steeds verder het binnenland in.

Op 10 november haastten de mensen van Ujiji zich naar Livingstone om hem het opwindende nieuws te melden: er was een blanke aangekomen! Livingstone, uitgeteerd maar kaarsrecht, stond voor zijn tent verbaasd te turen naar de grote karavaan met aan het hoofd een lange blanke man, geflankeerd door een drager met de Amerikaanse vlag. De bewoners vormden een levende haag aan weerszijden van de weg waarlangs Stanley schreed voor een der meest dramatische ontmoetingen van alle tijden.

“Dr. Livingstone, naar ik aanneem!”

Stanley was juist op tijd gekomen. Twee jaar lang was Livingstone van alle geneesmiddelen verstoken geweest. Dankbaar aan­vaardde hij nieuwe kleren en benodigdheden, las gretig de brieven en luisterde naar het nieuws dat hem zo vanuit de buitenwereld bereikte.

Maar ondanks Stanley’s aandringen weigerde Livingstone met hem naar Engeland terug te keren. ‘Ik heb nog veel werk te doen!” zei hij. Zo aanvaardde Stanley dus de terugreis met het materiaal voor artikelen, die David Livingstone tot de meest besproken figuur van zijn tijd zouden maken.

Met nieuwe dragers en voorraden ging de moedige prediker opnieuw op weg, op zoek naar de bronnen van de Nijl. Maar op­nieuw lieten zijn krachten hem in de steek. Hij liet zich op een brancard vervoeren en zette koppig door. Toen men op een avond in een dorp van de Ilala’s aankwam, kon hij van uitputting geen woord uitbrengen. Zorgzaam legden zijn helpers hem op zijn veldbed. Kort voor het aanbreken van de dageraad vonden zij zijn ontzielde lichaam geknield bij het bed, het hoofd rustend op zijn gevouwen handen.

“De Goede is heengegaan!” Deze woorden gingen van hut tot hut, van dorp tot dorp. Duizenden bekeerlingen kwamen hem de laatste eer bewijzen. Zij beseften, dat in het verre Engeland de vrienden van de blanke dokter hem zouden willen begraven, dus balsemden zij zijn lichaam met liefderijke handen, maar verwij­derden het hart om dat eerbiedig bij te zetten in hun eigen grond, waar het hoorde.

Toen begon de langste dodenmars in de geschiedenis. Psalmen zingend, die de Goede hun geleerd had, aanvaardde de stoet de tocht van negen maanden naar de kust. Vanuit Zanzibar bracht een Engels vaartuig het stoffelijk overschot naar Engeland. Op 18 april 1874 vond David Livingstone een ereplaats in de abdij van Westminster.

In 1880 bracht koningin Victoria een openbare hulde aan de overleden zendeling voor zijn kruistocht tegen de slavernij in Afrika en maakte bekend, dat er met de sultan van Zanzibar en andere vorsten verdragen gesloten waren, waarbij de slavenhandel te land en ter zee verboden werd. En in de jaren volgend op het heengaan van de Goede gingen de mensen aan wie dr. Living­stone het licht van geloof en vrijheid had gebracht verder op het pad, dat hij hun gewezen had. Hun opgang is een levend ge­denkteken te zijner ere.
.

Vertelstofalle biografieën

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden
.

 794-729

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-7)

.
Verteltijd ca. 15 min.
.

SINT-PRISCA, DE KLEINE MARTELARES

De naam van Sint-Prisca is altijd zéér geliefd geweest, voorname­lijk in Engeland.  Sint-Prisca leefde zeventien honderd jaar gele­den en de achttiende januari is de dag, die men aan haar gewijd heeft. Zij behoort tot een van de weinige kinderen, wier naam uit die vroege tijden tot heden toe is blijven voortleven en die als martelares gestorven is, hoewel er toen vele dappere kinderen waren, die veel geleden hebben en de kracht bezaten hun leven voor hun geloof te offeren.

Sint-Prisca was een Romeins meisje, dochter van voorname christenen. In die dagen regeerde Claudius als keizer over het Romeinse Rijk en al is het bekend, dat tijdens zijn regering de christenen niet zo algemeen vervolgd werden als tot hier toe het geval ge­weest was, toch werden er nu en dan grote wreedheden gepleegd en was het steeds zeer gevaarlijk, een christen te zijn. Vandaar dat menigeen in die boze tijd niet openlijk voor zijn gedachten durfde uitkomen en zijn waar geloof belijden. Vele chris­tenen hielden hun godsdienstoefeningen zorgvuldig verborgen voor de Romeinse heidenen, die er steeds op uit waren de volgelingen van Christus, die zij fel haatten, op te sporen en hen te martelen en te pijnigen. Prisca’s ouders was het evenwel gelukt hun geheim ver­borgen te houden; zij werden er dus niet van verdacht, christenen te zijn. Waarschijnlijk hielden zij hun godsdienstoefening ook in de geheime kapellen, die de christenen diep onder de grond, in de steden gebouwd hadden. In deze donkere, sombere catacomben hielden zij hun bijeenkomsten en weinig vermoedden de Romeinen, die boven hun hoofden wandelden, wat daar beneden onder hun voeten voorviel. Maar Prisca weigerde beslist enige voorzorg te nemen. Tenger, niet in het minst tot zelfverdediging in staat, vreesde zij niet, er open­lijk voor uit te komen, dat zij geloofde in Christus en Zijn kruis. Niet lang duurde het dan ook, of zij werd bekend als een klein, zwak christenmeisje en er waren in het wrede Rome mensen genoeg, die zelfs een klein christenkind haat toedroegen en het wensten te ver­volgen. Deze nu brachten aan de boodschappers van hun Keizer getrouw elk woord over, waarmee zij zo moedig belijdenis aflegde van haar geloof en betuigde dat zij nimmer zou willen offeren aan de Romeinse goden, zoals de heidenkinderen deden. En zo werd zij door de lijf­wacht van de keizer gevangen genomen en voor Claudius gebracht. En deze, verrast z’n klein meisje voor zich te zien, meende dat het hem weinig moeite zou kosten, haar tot andere gedachten te bren­gen en tot gehoorzaamheid aan hem te dwingen. En hij beval zijn krijgslieden haar te voeren naar de tempel van Apollo en haar een wierookoffer te doen brengen aan de schone god met de zilveren boog.

Zo werd Prisca gevoerd naar de top van de Palatinus, een van de ze­ven heuvelen van Rome.

En nadat zij eerst onder door een hoog marmer gewelf gereden waren, kwamen zij in een prachtige binnenhof, omringd door twee-en-vijftig marmeren zuilen.  In het midden van deze hof stond de tempel van Apollo, het prachtigste gebouw uit geheel Rome,  dat door zijn ivo­ren nissen en rijke beeldengroepen, zijn ingelegde vloer en met bloemen omkranste altaren, zijn gouden vaten met brandende wierook, zijn lampen en kostbare zilveren vazen een opmerkelijke tegenstel­ling vormde met de donkere, kale, onderaardse spelonken, waarin de christenen hun godsdienstoefeningen hielden. Voor in de tempel stond een groep van vier bronzen ossen en midden daarin brandde op een gouden drievoet een vuur. Dit nu was het altaar voor Apollo, de zonnegod, wiens kolossaal gouden beeld in zijn met vier paarden bespannen wagen tegenover de tempeldeur verrees. En zoals hij daar stond, met zijn lauwerkrans om het hoofd,  een boog in de hand, waar­mee hij verondersteld werd, de zonnestralen naar de aarde te zen­den, was hij de verpersoonlijking van de bekoorlijke, schitterende jeugd.

De krijgslieden van de keizer gaven Prisca wierook in de hand en
ge­boden haar enige korrels daarvan in het vuur te werpen ter ere van de schone zonnegod. Het was waarlijk slechts een kleinigheid, een handvol poeder te werpen op het vlammend vuur, om daarmee haar leven te redden. Prisca toch had de zon evenals iedereen lief, maar zij wist, dat het dwaas was te geloven, dat hij, Apollo, een god was en dit gouden beeld te vereren en te aanbidden, in plaats van de levende God, die de zon en alle dingen gemaakt heeft. Daarom weigerde zij beslist de wierook te branden. En de keizer, zeer ver­toornd hierover, beval zijn krijgslieden haar te geselen tot zij aan zijn gevel gehoorzaamd zou hebben. Doch zij konden haar door hun wrede zweepslagen daartoe niet overhalen. En zelfs de meest verhar­de Romeinen, die gekomen waren om de tuchtiging bij te wonen, be­wonderden haar dapperheid en hadden medelijden met haar. De vrouwen schreiden bij die wrede behandeling en de mannen riepen vertoornd uit: “Foei,  schaamt u, een klein kind zo te martelen!” Toen gebeurde er iets heel moois en wonderbaarlijks.
Opeens scheen Prisca gehuld in een kleed van enkel gouden zonneschijn, zodat er van alle zijden een wonderbaar licht van haar uitging, zozeer straalde haar hooggestemde geest in haar wrede omgeving. Het scheen allen een onmogelijkheid toe, dat een kind zoveel smar­ten kon verdragen zonder zich gewonnen te geven en heimelijk hoop­te de keizer, dat zij dit ook maar doen zou, want hij kon niet be­sluiten haar te laten doden. Maar Prisca bleef standvastig en
wil­de het offer niet brengen. En de keizer, verrast door zoveel moed bij een kind, beval dat men haar terug zou brengen naar de gevange­nis en haar daar voor enigen tijd zou opsluiten. De arme Prisca voelde zich zeer ongelukkig, – geheel alleen opgesloten-, was zij bovendien nog koud en hongerig en zij wist niet, welke vreselijke dingen haar nog te wachten stonden. Maar toch bleef zij moe­dig en was geenszins bevreesd.

Na verloop van geruime tijd kwam op zekere morgen de
gevangenbe­waarder bij Prisca en werd zij naar buiten gebracht in de heerlij­ke zonneschijn. O, hoe verheugd was de kleine Prisca, de zon en de heldere blauwe hemel weer te zien! Doch het was, helaas,  slechts voor een ogenblik, want meteen werd zij verder gebracht naar het amfitheater, een grote open ruimte als een circus, met onaf­zienbare rijen zitplaatsen in de rondte, opgepropt met mensen, die allen de ogen gericht hielden op de plaats in het midden, waar zij stond.

Prisca wist zeer goed, waar zij zich bevond, want dikwijls had zij gehoord, hoe de christenen in de arena gebracht werden, om door de wilde dieren verscheurd te worden. En neerknielend in het zand deed zij een kort gebed, niet dat zij  gespaard zou mogen blijven, maar dat zij moed en kracht zou krijgen, om haar geweldenaren en alle toeschouwers die haar omringden, de grootheid van haar christelijk geloof te tonen.

Toen werd het ijzeren hek geopend, dat zich aan het einde van de arena bevond,  en sprong er plotseling een grote, gele leeuw uit zijn hok. Met een ontzettend gebrul rende hij naar het midden van de circus en bleef daar een ogenblik stil staan, met zijn staart slaand en zijn grote, gele ogen naar alle kanten gericht. Opeens merkte hij het kleine meisje op, dat met gevouwen handen rustig stond, terwijl zij hem zonder de minste vrees aanzag. En het grote, wilde dier stapte vriendelijk naar haar toe, en boog de brede kop en likte haar bloten voetjes, waarna hij rustig naast haar ging liggen, zo­als een Sint-Bernardshond gedaan zou hebben naast zijn kleine meesteres om haar te beschermen. En daarom ziet men op oude schilderijen Sint-Prisca soms afgebeeld met een leeuw aan haar zijde.
Een ademloze stilte heerste in de 
arena en de keizer en het gehele volk waren roerloos van verbazing over dit ongekende schouwspel en vervuld van bewondering voor de moed van het kind. Want Sint-Prisca had haar hand uitgestrekt om de kop van de leeuw te strelen en met zijn manen te spelen.
Toen boog zij even het hoofd, maar niemand die verstaan kon, hoe zij hem in het oor fluisterde: “Mijn goede vriend,  ik weet dat je mij geen kwaad zult doen, want de Heer heeft je bek gesloten, zo­als hij dit bij de leeuwen deed bij wie Daniël door boze mannen in de kuil was geworpen. Deze boze mensen willen mij ook ter dood brengen, maar jij bent beter dan zij.”
En de leeuw keek op en blikte haar in het gelaat, alsof hij haar be­grepen had en gromde zacht. En hij was vriendelijk en volkomen tam tegenover haar, maar toen de gevangenbewaarder bij hem kwam, begon hij tegen hem te brullen en toonde hij hem zijn grote tanden, zo­dat niemand hem vooreerst meer durfde naderen. Toch kon de leeuw Sint-Prisca niet redden van de dood, maar dat hoefde ook niet van haar. Eindelijk maakten zij zich meester van de leeuw en werd hij weggebracht. Maar de keizer, vertederd door zoveel moed, wenste Sint- Prisca nog eenmaal in de gelegenheid te stellen haar leven te redden. Zij werd enige dagen opgesloten in de heidense tempel en op alle mogelijke manieren aangespoord de goden te offeren en haar christelijk geloof prijs ze geven. Nu eens vleiden zij haar en deden haar allerlei mooie beloften, dan weer dreigden en straften zij haar, maar Sint-Prisca bleef standvastig, hoe uitgeput en ziek zij zich ook voelde na alles wat zij geleden had. Toen zij nu za­gen, hoe zij dit alles geduldig en moedig droeg en dat het onmoge­lijk was deze kleine christin tot haar vroeger heidens geloof te doen terugkeren, brachten zij haar naar de weg, die ten zuiden van de Palestijnse heuvel liep, naar de plaats van de terechtstellingen. Deze nu lag buiten de Ostiaanse Poort, een gewelf in de grote muur, die Rome omringde en waardoor de weg leidde naar de stad Ostium en naar de zee. En juist buiten deze poort werden de misdadi­gers terecht gesteld, omdat er buiten de grote muur geen enkele Ro­mein van enig aanzien meer woonde. Op die plek hebben zeer vele christen-martelaren het leven verloren. En Prisca was een van hen, want daar was het, dat zij onthoofd werd. Tot het laatste toe was zij rustig en volmaakt kalm, zonder enige vrees. En daarom is zij gewor­den Sint-Prisca, de kleine martelares.

Toen gebeurde er opnieuw iets zeer wonderbaarlijks.

Toen zij gestorven was, verscheen er een grote arend, hoog boven Prisca’s dode lichaam in de blauwe lucht zwevend. En wanneer nu een Romein het slechts waagde haar te naderen, schoot de arend, op­eens met een vreselijke kreet en met klappende vleugels naar om­laag. En zijn ronde grijze ogen zagen er zo bloeddorstig uit en zijn klauwen waren zo lang en scherp, dat niemand haar durfde aan­raken uit angst voor de vogel. Zo had Sint-Prisca opnieuw in het wrede Rome haar beschermer gevonden. En daarom ziet men op oude schilderijen de martelares Sint-Prisca soms afgebeeld met een grote arend zwevend boven haar hoofd.

Nacht en dag bewaakte deze arend haar lichaam, iedereen verjagend, totdat ten laatste enige christenen, die gewacht hadden op een goe­de gelegenheid, haar heimelijk in de nacht wegdroegen en begroeven op een plaats, waar de Romeinen haar niet konden vinden, namelijk op hun geheim kerkhof in de catacomben.

Zo leefde en stierf de heilige Prisca twee honderd en zeventig ja­ren na Christus’ geboorte.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

Meer

789-724

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – H.G.Wells

.

DE KABOUTER DIE EEN REUS WAS

Toen ik op een zoele voorjaarsmorgen door Regent’s Park in Londen wandelde, zag ik een gezette gestalte die met aan iedere hand een kind voorthobbelde en ik dacht: “Zou dat nu het ‘Brokje Vuur’ zijn?” Ik kwam vlug naderbij. Plotseling zei een schelle stem, krassend als een griffel over een lei: “Zo, schoffies — dat is vandaag genoeg geweest voor een ouwe man,” en terwijl hij de kinderen een zetje gaf, plofte hij op een bank neer.
Ik aarzelde een ogenblik. De man die ik daar zag zitten, stond bekend om zijn onverwachte reacties; zou hij me vriendelijk te woord staan of in een stortvloed van boze woorden losbarsten? Ik besloot het erop te wagen.
“Neem me niet kwalijk — bent u H. G. Wells?” vroeg ik. “Wie anders? Is er dan nog iemand die er zo gammel en afge­takeld uitziet?”

Herbert George Wells was toen in de 70. Als romanschrijver, ziener, historicus en pedagoog had hij ruim 100 boeken en brochures geschreven. Hoewel hij klein van stuk was, met korte armen en heel kleine handen en voeten, deed hij iemand zijn uiterlijk vergeten enkel en alleen door zijn uitbundigheid en zijn woordenvloed. Hij was een ontwapenende kabouter, vol tintelend leven. Zijn vrienden noemden hem het “Brokje Vuur”, omdat zijn kleine gestalte zo’n felle vitaliteit herbergde.
Toen we daar die ochtend zo zaten, kregen we het over van alles: van God en Mammon tot schoenen met dikke spijkers en Hitler. Ik was me direct bewust van zijn buitengewone gave om louter door zijn bezielde en bloemrijke taal het alledaagse tot iets zeer boeiends te verheffen. Hij borrelde van levenslust en ik had het gevoel — wat me bij een eerste ontmoeting zelden overkomt: dat ik echt contact met hem had.

Wells was het tegengestelde van een veinzer, wars van de huichelarijtjes waaraan zovelen van ons zich schuldig maken. Kort daarna bezocht ik hem in zijn mooie huis in Hanover Terrace. Hij droeg een oude grijze pullover, een gekreukelde flanellen broek en afgetrapte trijpen pantoffels. Klip-klap, klip-klap, zo slofte hij de trap af om mij te begroeten en bij elke stap stak hij zijn hand onder de pullover om op zijn rug te krabben.
Hij had een conciërge kunnen zijn die in zijn zondagmiddagdutje was gestoord.
Even later begon hij te praten. Onmiddellijk werd hij een ander mens. Ik werd vooral getroffen door het kogelronde voorhoofd, de ogen waaruit warmte en intelligentie straalden en de hoge maar bezielde stem.
Nog afgezien van intellect en persoonlijkheid, maakte de verbeeldingskracht van deze man hem tot een der grootste wetenschappelijke zieners van onze tijd. Lang voordat ze een feit waren geworden, zag hij de tank voor zich, het vliegtuig en de oorlog in de lucht. Zestig jaar voordat het zover was gaf Wells een briljante
beschrijving van een H-bom-explosie.

Hij schreef ook over ruimtevaarders in een tijd dat de meeste wetenschapsmensen dat bespottelijk vonden: “Er zal een tijd komen dat mannen in hermetisch gesloten omhulsels pijlsnel omhoog zullen stijgen in de eenzaamheid van de ruimte en om de aardbol zullen cirkelen terwijl zij geheime berichten uitzenden; astro­nauten, gemaskerd en gekleed in rubber, die in de ruimte de eerste onderzoekingen doen welke het lot van de mens zullen veranderen.”

Hij heeft zes natuurwetenschappelijke romans geschreven. Zij voorspelden niet alleen stuk voor stuk de toekomst, maar bevatten tevens een boodschap voor de gehele mensheid.
De onzichtbare man, verschenen in 1897, wees op de gevaren van absolute macht, wanneer die niet in toom wordt gehouden door zedelijke normen. Dit is door de opkomst van Hitler en nazi-Duitsland dan ook wel gebleken. De slaper ontwaakt, een beschrijving van deze wereld zoals die er over twee eeuwen zal uitzien, heeft beangstigend duidelijk aangetoond, dat de technische vooruitgang de gewone menselijke vooruitgang zou overvleugelen en vertroebelen. In Het eiland van dr.Moreau liep Wells vooruit op de schanddaden in concentratiekampen.

Wells’ huis stond in het hartje van Londen en keek uit op het prachtig groene Regent’s Park; hij had een heel breed venster laten aanbrengen om een wijd uitzicht te hebben dat paste bij zijn visionaire aard. Vlak naast het huis stond de garage. Op de wanden had hij een aantal tekeningetjes gemaakt: voorstellingen van het ontstaan van de beschaving, van het allereerste beginvan de keverachtige trilobieten tot de mens. Boven de primitieve tekeningen had hij geschreven: “Onbegrensde energie ten goede of ten kwade. Hebt gij het intellect, hebt gij de wil om het leven te doen voortbestaan?”

Er waren altijd bezoekers. Uit de hele wereld kwamen mensen om de ouder wordende profeet te zien en te vereren: studenten, hoogleraren, staatslieden, schrijvers, schilders, wetenschapsmensen — op elk gebied had hij vrienden.

Wells bezat een enorme moed, zowel lichamelijk als zedelijk. Toen in de Tweede Wereldoorlog de bommen om het grote huis in Hanover Terrace neerhagelden, trokken velen van zijn buren uit de stad weg, maar H.G. wilde daar niet van weten. Hij had met opzet Hanover Terrace nummer 13 gekozen om het bijgeloof te tarten. Toen de zware voordeur door de luchtdruk van een bomontploffing uit de scharnieren werd gerukt, bracht hij op de voorgevel een nummer 13 van een meter hoog aan.

Op een keer kwam een forse vrachtautochauffeur op straat op Wells af en zei dat hij hem zou neerslaan om iets dat hij had schreven. Doodgemoedereerd zei H. G.: “Goed, sla me neer maar op die manier win je het geschil niet.” De man bracht zijn geweldige vuist tot op een centimeter van Wells’ gezicht en keek hem woedend aan. Wells stak zijn kin naar voren en wachtte. Plotseling liet de man zijn knuist zakken en liep mompelend weg.

Wells toonde ook moed toen zijn vrouw Catherine stierf. Zij waren 33 jaar getrouwd geweest. Ze werden verliefd in 1894 en Wells schreef later: “Wij waren een bijzonder roekeloos stel. Wij begonnen ons gezamenlijke leven met nog geen 50 pond tussen ons en de algehele ondergang. En we hadden er heel veel plezier in.”
De persoonlijkheid van zijn vrouw had twee kanten. In haar particuliere leven bleef zij uitsluitend iemand die Catherine heette, een gevoelige, beschaafde vrouw — en in het openbaar gaf zij zich als iemand die Wells al gauw “Jane” doopte, een praktische, zakelijke vrouw die zich met de financiën van haar man belastte en zijn werkuren met een beschermend web omhulde. Jarenlang deed ze zijn typewerk, vulde aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting in, gaf raad en kritiek en ruimde voor hem de dagelijkse moeilijkheden uit de weg.
Haar dood, in 1927, betekende voor Wells een uitermate zwaar verlies. Hoewel hij een man met een onvoorstelbare veerkracht was, duurde het geruime tijd eer hij die slag te boven kwam. Toen begon hij opnieuw te schrijven, en hij ging reizen. Hij bezocht Amerika en Rusland; als diplomaat-op-eigen-houtje ontmoette hij mannen als Roosevelt, Lenin en Stalin. H. G. was het niet eens met Stalin — en wond daar geen doekjes om. Hij zei de mensen altijd precies wat hij dacht.

Zijn vitaliteit kende geen grenzen. Soms belde hij zijn vrien­den om twee uur in de nacht op en begon honderd uit te praten. Hij kon de halve nacht opblijven om te lezen, verscheen dan aan het ontbijt en gaf een briljante analyse van het boek. Om 12 uur ’s nachts zei hij eens tegen mij: “Een jongeman zoals jij moe? Stel je niet aan!”

Er is inmiddels een eeuw verlopen sinds Wells in 1866, zoals hij het uitdrukte, “belletjes blazend en met nietsziende oogjes het universum aanschouwde en er zwakke handjes naar uitstak.” Hij kwam ter wereld in een tijd die geheel en al in het teken stond van koningin Victoria, toen de vrouwen rokken tot op de grond droe­gen, vaders onfeilbaar waren en Groot-Brittannië — in de ogen van iedere Engelsman — het centrum van de beschaafde wereld was. Zijn ouders, Joseph en Sarah Wells, woonden boven hun porseleinwinkel te Bromley in Kent. Het waren starre, kortzichtige mensen en zij hadden er geen idee van wat een onstuimig ventje zij hadden voortgebracht. Evenmin konden zij zich voorstellen hoezeer zijn geschriften en gloednieuwe denkbeelden in talloze landen de mensen en hun beschavingen zouden beïnvloeden.

Dat was de grootste bijdrage die Wells leverde: het voorlichten van de gewone man. Zijn Gezamenlijk avontuur van mens en wereld is in ten minste 20 talen verschenen en door ruim twee miljoen lezers gekocht. Wells leerde de mensen denken. Als internationaal pedagoog overvleugelde hij de scholen en de leraren, bracht uitgestrekte gebieden van kennis binnen het bereik van het gewone individu en wist het fascinerende van nieuw verworven kennis over te dragen. Hij leerde de mensen zich niet te laten verblinden door de tradities van het verleden, maar hun eigen verstand te gebruiken. Hij liet hen vooruit kijken. De wereld wemelde van de moge­lijkheden; het kwam er slechts op aan dat wij leerden ze te ver­wezenlijken.

“Natuurlijk heeft dit alles een grappige kant,” zei hij eens tegen mij. “Zie je, toen ik mijn vrouw voor het eerst het idee van een wereldgeschiedenis voorlegde, dachten we dat dat ons geld zou kosten. Wie kon van geschiedenis een best-seller maken? Maar tenslotte bracht het me een klein fortuin op. En het heeft die droog­stoppels van geschiedkundigen eens flink door elkaar geschud — en hoe!”

De langste tijd van zijn huwelijksleven woonde Wells op een buitengoed, Easton Glebe in Essex. In de weekends kwamen er beroemde gasten logeren. Die vermaarde weekends verliepen vol­gens een bepaald patroon. Men ging vrijdagavond om een uur of half elf naar bed om zich voor te bereiden op de vermoeiende dagen. (H. G. had speciaal nachtgoed ontworpen dat hem in staat stelde ’s nachts op te staan om te schrijven, wanneer hij daar zin in kreeg, zonder het koud te krijgen — en soms zat hij nog te schrijven als het al licht werd.) Dan brak de zaterdag aan — en het “balspel”. Dit vond plaats in een schuur. En dan gebeurde het dat George Bernard Shaw aan één kant van het tennisnet stond naast J. W. N. Sullivan, de wiskundige, en Wells en bijvoorbeeld Arnold Bennett aan de andere kant, om tegen een rubberbal te meppen en hem na te rennen met genoeg energie om een oorlog te winnen en met een geschreeuw dat deed denken aan een Indianenfilm. Dit was Wells’ manier om in goede conditie te blijven, pret te hebben en plichtplegingen opzij te zetten.

Wells zei eens: “Het kan mij niet schelen of ik als koning word gekroond of in de goot verhonger — ik volg de leiding!” Met “leiding” bedoelde hij zijn overtuigingen. Deze standvastigheid was er de oorzaak van dat hij herhaaldelijk beschimpt en gehekeld werd. Zijn roman Ann Veronica liep vooruit op de vrije, ontwikkel­de, onafhankelijke moderne jonge vrouw, en dat in een tijd waarin dergelijke denkbeelden nog revolutionair waren. Die roman hielp de suffragettes in de strijd om het kiesrecht en gelijke rechten als de man die zij dank zij hem wonnen. Wells was in zekere zin een soort van mannelijke suffragette.

Een van zijn opvattingen die de meeste weerstand opriepen was zijn afkeer van de Britse monarchie. Hij wilde deze door een republiek vervangen. Wanneer hij maar kon, schreef en sprak hij over dat onderwerp met een openhartigheid en een woorden­rijkdom die negen tienden van de natie ergerden.
Wanneer hij zich geroepen voelde over de toekomst te schrijven, beschikte Wells over een meesterlijke welsprekendheid: “Het kan dus zijn dat dit avontuur tot in lengte van dagen zal duren en dat ons ras zal voortbestaan. De ondoordringbare wolken die ons leven aan alle kanten hebben omsloten, verbergen wellicht ontelbare beproevingen en gevaren, maar zelfs in hun diepe schaduw is de begrenzing niet absoluut; er zijn tijden en seizoenen, stemmin­gen van geestvervoering — als het ware momenten van openba­ring — waarin het ganse heelal om ons heen schijnt te stralen door de aanwezigheid van nu nog onvoorstelbare dingen.”

Enige jaren voor zijn dood, in 1946, schreef H.G. zijn eigen “in memoriam”, dat aldus begon: “H.G. Wells is gistermiddag in het Paddington-ziekenhuis ten gevolge van een hartverlamming overleden. Het belangwekkendste in Wells was dat hij weigerde de eenvoudige, maatschappelijke status te aanvaarden waartoe hij scheen voorbestemd, en voorts de onverzettelijkheid waarmee hij vasthield aan zijn rol van vrije burger in een nieuwe wereld die geleidelijk aan uit de ruïnes oprees.”

Het laatste beeld dat ik mij van hem herinner, is dat van een man die op en neer sprong voor het brede venster van zijn huis bij Regent’s Park. Hij was toen 79, een vermoeid man, die be­greep dat zijn einde naderde. (Hij stierf een jaar later.) Maar die avond scheen hij bijzonder uitgelaten. Londen onderging een hevige luchtaanval. Het afweergeschut was oorverdovend, zoek­lichten priemden in alle richtingen door de lucht en er kwam geen eind aan de overvliegende bommenwerpers. “Kijk!” riep hij. “Ik weet me geen raad van angst — maar is het niet geweldig op­windend?”

.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

788-723

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-6)

.

Verteltijd ca. 23 min.
.

DE GELOFTE VAN DE HEILIGE CUTHBERTUS

Sint-Cuthbertus was een Schotse herdersjongen, die zijn kudde hoedde en liet grazen langs de rivier de Tweed, in de nabijheid van Melrose. Dag en nacht leefde hij in de open lucht, at in de zonneschijn en sliep op de hei. En hij groeide mooi en sterk op, en was de aardigste jongen uit de hele streek. Hij kon harder lopen dan wie ook en was altijd overwinnaar bij de
worstelwed­strijden, waartoe hij de  jongens van mijlen ver uit de omtrek uit­daagde. En wat kon hij prachtige buitelingen maken en op zijn han­den lopen! Niemand op de hele wereld kon hem daarin overtreffen.

Het is nu wel meer dan duizend jaar geleden, dat Sint- Cuthbertus leefde en nog altijd vertellen de Schotten verhalen van zijn kracht en behendigheid en van zijn lenigheid in de spelen met de andere jon­gens. Hij was hun hoofd en leider en ieder was vast overtuigd, dat hij zou opgroeien tot een beroemd man.

Maar hij hoedde zijn schapen trouw en vol zorg, tot de tijd daar­toe gekomen zou zijn en leerde, groot wordend, onbewust allerlei dingen. Want door zijn leven buiten werd hij wijs in allerlei zaken, die andere mensen nooit begrijpen. Zo leerde hij de geheimen ken­nen van de fluisterende wind en van het lied van de ruisende beek. Hij leerde de zin verstaan van het gesnap der eekhorentjes en het gekras van de raven. Hij leerde de gewoonten kennen van al die kleine dieren met hun klare oogjes, die hij op zijn zwerftochten over de hei ontmoette en hij kreeg alle gevederde en viervoetige schepselen lief. Inzonderheid had hij de vogels lief. Uren achtereen kon hij zitten kijken naar de zingend omhoog vliegende en met trillende vleugels weer neerdalende kleine leeuweriken en naar de grote meeuwen, die nu eens omhoog vlogen met langzame vleugelslagen, dan weer zich op hun wieken lieten drijven als witte schepen in de blauwe lucht. Hoe verlangde hij dan zelf ook vleugels te hebben en weg te vliegen en te zweven, ver weg, zoals de vogels.                                 

Op zekere nacht, terwijl hij liggend op de paars-rose, zacht verende hei zijn schapen bewaakte, zag hij iets vreemds in de lucht. Het was als een grote weg van enkel licht, waarlangs een groep engelen van de hemel neerdaalde, hun kleding bestond uit louter regenboogstralen. En even later zag hij hen weer naar omhoog terug­gaan, terwijl zij een prachtige bloem tussen zich in droegen. En hij begreep, dat dit de ziel was van een heilige, heengedragen naar het Paradijs.
En toen hij de volgende dag het nieuws hoorde vertellen, dat Aidanus, de heilige bisschop van Lindisfarne, die nacht gestorven was, begreep Cuthbertus, de kleine herdersjongen, dat hij het voor­recht had ontvangen van een visioen. En hij was zeer verwonderd waarom dit hem gegeven was, maar hij voelde toch duidelijk, dat hem daarmee een bijzondere genade verleend was.
Dagen en dagen en nachten en nachten achtereen dacht hij hierover na, altijd weer zich verwonderend over z’n grote genade. En ten laatste be­greep hij, dat ook hij geroepen was een heilig leven te leiden en dat hij dan wellicht het geheim van alle dingen verstaan zou.
Hij was vijftien jaar, toen hij zich bij de abt van MeIrose aan­meldde met de wens een monnik te worden. En daar, in het kloos­ter vermeerderde hij zijn kennis met veel boekenwijsheid, die, ge­voegd bij de wijsheid, die hij door de wouden en de heuvels en de stromen reeds bezat, maakte hem tot een zeer wijs man. Hij was daar nog niet lang geweest, of de andere kloosterbroeders en ook zelfs de abt merkten, dat deze gebenedijde jonge monnik ver boven hen allen uitstak. Allen gehoorzaamden en vereerden hem. En ieder kwam zijn raad en hulp inroepen. Een ieder zond juist om hem wanneer hij in nood was. Door het gehele volk uit die streek was hij geliefd, deze man met zijn schoon gelaat en gespierd lichaam, met zijn vriendelijke ogen en zijn sterke handen, toch zo teer tevens als die van een vrouw die een klein ziek kindje aanraakt, want hij bezat het grote voorrecht van sympathisch te zijn. Gedu­rende de jaren, die hij geleefd had onder de vriendelijke, warme zon, was zijn hart week en zacht geworden als een rijpe vrucht. Vele van de bewoners van de Schotse hooglanden en uit de eenzame dalen waren als wilden schuw teruggetrokken en haatten alle vreem­delingen. Maar de harten van deze arme kinderen van de hei ontsloten zich, wanneer hun sterke broeder tot hen kwam met liefde in zijn stralende ogen en met het verlangen hen te helpen. Hij trachtte door te dringen tot de verst afgelegen, meest onbegaanbare gedeelten, om hen te onderwijzen en hen op te wekken tot het goede. En hij bracht hun voedsel en kleren en medicijnen voor de zieken, want hij kon anderen niet zien lijden, al was hij niet bevreesd zelf pijn en ontbering te moeten verduren.

Een bewijs, hoe sterk hij was en gezond, was dat hij, ook toen hij reeds een oude man begon te worden, dagelijks een bad nam in zee. Hoe koud het ook mocht wezen, toch dook hij onder de golven en kwam druipend weer boven op het bevroren strand, waar hij dan neerknielde en een klein gebed deed voordat hij naar zijn cel te­rugkeerde .

In een zekere bitter koude winternacht, terwijl Cuthbertus als
ge­woonlijk weer verkleumd van koude in de sneeuw neerknielde, kwamen er twee bruine otters uit de zee zwemmen en gingen naast Cuthbertus liggen. En terwijl hij geheel in zijn gebeden verdiept was, zodat hij hen niet eens opmerkte, likten zij zijn bevroren voeten, om deze te warmen en wreven hem met hun dikke, zachte vacht tot hij geheel droog was. Zo deden op hun beurt de dieren uit de zee wat zij konden voor hem, die zoveel gedaan had voor hen en hen zo innig liefhad.

Toen de abt van het klooster stierf, kwam Cuthbertus in zijn plaats aan het hoofd van het klooster. Maar nadat hij twaalf jaar binnens­huis bij de andere monniken geleefd had, kon hij dit leven niet lan­ger uithouden. Hij kreeg een onweerstaanbaar verlangen om weer in de frisse buitenlucht te zijn en weer te leven onder de blote hemel en hij besloot kluizenaar te worden en een echt buitenleven te leiden met de vogels, die hij zo liefhad.
En hij ging weg en bouwde zijn kluis op een klein, wild begroeid eiland, genaamd Farne, op een steile, hoge rots, waar tien of vijf­tien jaar vroeger dezelfde heilige Aidanus gewoond had, van wiens overgang naar de hemel hij getuige geweest was, toen hij nog schaapherdersjongen te Melrose was. De kluis was werkelijk niets anders dan een kuil in de grond, zoals sommige vogels ook maken.

Hij hakte een ronde holte uit in de rots en maakte in het dak een venster, waardoor hij zijn dierbare blauwe lucht zien kon. De muren waren van zoden en steen, bedekt met stro. Er waren twee vertrekken in: een waarin hij woonde en sliep en kookte en een dat tot kapel diende, waar hij zijn lofliederen zong als de vogels en waar hij uren achtereen geknield lag, in heilige over­peinzingen verdiept. Voor zijn deur hing hij een ossenhuid op, wat de enige beschutting was tegen de zeewinden. In de rots vond hij een kleine bron, die hem van water voorzag  en hij beplantte een plek met gerst, die hem het nodige voedsel verstrekte. Zo leefde hij, alleen met de vogels, die in zwermen om de rots heenvlogen. En de wind woei over hem heen en de golven rolden en braken soms tegen de deur van zijn kluis, maar hij sloeg er geen acht op. Waarlijk, de zee was een ruwe vriend van hem. Eens kwam zij bij vergissing al te dicht bij hem en spoelde een gedeelte van zijn kluis weg. Toen vroeg hij iemand naar zijn vrien­den de monniken van het vasteland te gaan, met het verzoek te komen en een balk mee te brengen om tussen het dak te stoppen, want er was geen hout te krijgen op zijn rotsachtig eiland. De broeders evenwel vergaten hem die te sturen. Maar de zee scheen berouw te hebben van het­geen zij gedaan had en bij het volgend getij spoelden haar opko­mende golven een balk mee en wierpen die voor de voeten van Cuthbertus. Het ontbrak Sint-Cuthbertus waarlijk niet aan vrienden. Want nau­welijks had hij het rotsachtige eiland tot zijn woonplaats gekozen of het werd een gezocht oord van alle mogelijke vogels. De andere dieren echter konden hem ongelukkigerwijze van de oever af niet bereiken. Toen droegen de meeuwen en zeezwaluwen, de eiderganzen en de raven hen op hun zegenvolle vleugels naar het verblijf van hun Meester.

“Hi”, zeiden ze tot elkaar,”wij hebben hem nu voor ons gekregen. En nu kunnen die arme schepsels zonder vleugels niet hier komen; ook kan hij van daar niet weg zonder vleugels. Nu pas behoort hij geheel ons!”

Maar de vogels bedachten niet, dat al kunnen mensen niet vliegen, zij toch boten met vleugels kunnen maken, om hen over de zee te brengen. Ook ging Cuthbertus dikwijls naar het vasteland om werken van barmhartigheid te doen, zowel in de hutten van de boeren als in het paleis van de koningin.

Ook kwamen velen om hem te zien op zijn eiland, want zijn naam was door het gehele koninkrijk bekend. En hij ontving de gasten, die hem steeds welkom waren, zo goed mogelijk in de eenzame cel van zijn eigengebouwde woning. Want hij had de mensen lief en hielp hen waar hij kon. Maar meer hield hij toch nog van zijn dierbare vrienden, de vogels, en hij was het liefst met hen alleen. Zij kwamen op zijn schouders en knieën zitten en dan nam hij hen in de hand en streelde hen zacht. In grote zwermen volgden zij hem op zijn wandelingen. Zij wachtten voor de deur van zijn hut om met hem zijn ontbijt, zijn middagmaal en zijn avondeten te ge­bruiken. Velen in die dagen hebben gemeend dat de vogels hem iede­re dag zijn voedsel brachten uit de hemel, maar dit verhaal ont­stond, zoals zovele onjuiste verhalen, uit iets anders, dat in werkelijkheid gebeurd was.

Eens namelijk, toen enkele raven gedach­teloos zijn gerst stalen en stro van zijn dak weghaalden, berisp­te Cuthbertus hen daarover en verzocht hun dit nooit weer te doen. En zó beschaamd waren de vogels, dat zij, om hun berouw te tonen, hem een groot stuk vet brachten. Maar hij wilde dit niet eten, zij hadden anders verwacht en gebruikte het voor andere dingen. Cuthbertus had al deze vogels zeer lief, voornamelijk de onzelf­zuchtige eiderganzen, die het dons uit hun eigen borst plukken om het nestje voor hun kleintjes zacht te maken. Hij was altijd goed en vriendelijk voor hen, zodat zij helemaal niet schuw voor hem waren. Maar hij vreesde dat anderen, nadat hij heengegaan zou zijn, wellicht minder goed voor zijn lievelingen zouden zijn. En om hen te beschermen, deed hij een plechtige gelofte en gaf hen de gave van zijn innerlijke vrede. Niemand op het eiland zou een van hen enig leed kunnen aandoen of hen doden zonder daarvoor een vreselijke straf te ondergaan. En hij gaf hun deze gave mee tot aan het einde der tijden, waardoor het voortaan ieder, die een van Sint- Cuthbertus’ vogels leed zou doen, slecht bekomen zou.
Er bestaan twee geschiedenissen hier­van, die allebei gebeurd zijn, lang reeds nadat Cuthbertus van het eiland was heengegaan.

Liveing, de dienaar van Aelric de kluizenaar, die naast Cuthbertus’ cel woonde, had op zekere dag, terwijl Aelric naar het vaste­land gegaan was, een van de eiderganzen, die er nog woonde en zijn nest gebouwd had naast de hut van de heilige, gedood en opgegeten. Nu wist Liveing zeer goed de eed van Sint-Cuthbertus, maar hij dacht, dat niemand ooit zijn misdaad  te weten zou komen, want hij wierp de beentjes en de veren over de punt van de rots heen en zag, hoe zij door de golven werden weggespoeld. Maar toen zijn meester Aelric te­ruggekomen was, vond hij een bundeltje beentjes en veren, in el­kaar gerold, door de vloed op enige schreden afstand van zijn kapel aan ’t strand gespoeld, want ook de zee kende de gelofte van Sint-Cuthbertus en was verplicht de schuldigen aan te wijzen. En zo werd Liveing ontdekt en gestraft.

En de tweede geschiedenis is deze: Ook de vogels waren gebonden door de gelofte van Cuthbertus, om vriendelijk onder elkaar te zijn. Zo was het aan de grote vogels verboden op de kleine jacht te maken of hen te doden. En nu gebeurde het, dat een grote havik, die van het naburig eiland Lindisfarne was komen vliegen, een tam­me mus opat, die behoorde aan Bartholomeus, een andere kluizenaar, die na Aelric op Farne was komen wonen. Als straf voor deze wrede daad moest de havik dagen achtereen het eiland voortdurend maar rondvliegen,  zonder weg te kunnen, zonder een ogenblik rust. Zeker zou hij op het laatste door honger en vermoeienis in de zee gevallen en verdronken zijn, wanneer de kluizenaar geen medelijden met hem gekregen had. Bartholomeus greep de vermoeide vogel bij de vleu­gels en bracht hem naar de kust en daar liet hij in naam van Sint-Cuthbertus de havik wegvliegen. Nooit meer mocht hij naar het eiland terugkomen, om hem en zijn vredelievende vogels te kwellen. Zo leefde Sint-Cuthbertus lange jaren op zijn eiland, omringd door zijne gevederde vrienden.

En hoewel iedereen hem liefhad en hem vereerde en hem een Heili­ge noemde, werd hij nimmer hoogmoedig. Ook bleef hij altijd arm, hoewel de adellijke dames van het hof, en zelfs de koningin hem kostbare geschenken aan goud en diamanten gaven, welke schatten hij weggaf aan behoeftigen. En ook nederig was hij, hoewel Egfried, de koning,  zelf naar zijn eiland kwam en hem tot aartsbisschop benoem­de, terwijl hij knielend voor Cuthbertus’ voeten lag, hem smekend, deze gift van hem aan te nemen.

Zijn leven was voor de mensen een lichtbaken, dat steeds een klaar en helder licht verspreidde. Na zijn dood werd er op zijn rots een vuurtoren gebouwd, om een lichtglans te zijn voor de zeelieden. Nog altijd is de eenzame rots van Farne door de gelofte van Sint-Cuthbertus gezegend en vliegen er grote zwermen zeevogels, afstammelingen van hen, die de Hei­lige zelf gekend hebben, rond. En deze vogels zijn zeer tam en vrien­delijk en vreezen van niemand enig kwaad, want hebben zij niet de belofte van hun Heilige? Helaas, minder liefdevolle en medelijdende mensen dan hij hebben deze gelofte geschonden. En zij hebben vele van deze goed-vertrouwende vogels gedood, die zij tot zich lokten, terwijl ze dachten dat het was om gestreeld te worden, zoals zij dit vroe­ger gewoon waren. Zij dachten er daarom niet aan, de arme, on­schuldige schepseltjes met hun zachte oogjes, om weg te vliegen. Maar hoe wreed werden zij bedrogen!

Zeker echter zal Sint-Cuthbertus zijn belofte niet schenden en al worden deze moordenaars nu niet meer terstond gestraft zoals in vroegere tijden Liveing en zoals de boze havik, zo zal hun eigen geweten hen geen rust laten en hen kwellen, totdat zij berouwvol zullen besluiten het nooit weer te doen.

.
Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

784-719

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Boeddha

.

DE VREDE DES GEMOEDS

Het boeddhisme heeft meer aanhangers gehad dan enige andere godsdienst in de geschiedenis. Op het ogenblik* zijn het er 400 miljoen, of nog meer. En afbeeldingen van Boeddha behoren tot de bekendste kunstuitingen ter wereld. Maar hoeveel westerlingen weten wie Boeddha is geweest of wat hij te zeggen had over de problemen van het leven?
Schilders en beeldhouwers hebben van Boeddha een gezette man gemaakt; hij lijkt te goed doorvoed en zelfvoldaan voor een heilige. Wij verwachten van heiligen een martelend zoeken naar inzicht. Dat verwachtten ook Boeddha’s vrienden en de mensen voor wie hij het eerst predikte.
De idee van geestelijke verlichting door lijden begon in India ongeveer 500 jaren voor Christus — tijdens Boeddha’s leven — veld te winnen. In die tijd gebeurde het wel dat jongemannen, gekweld en verbijsterd door het kwaad in de wereld, hun zaken afwikkelden, afscheid namen van familie en vrienden en “heengingen” — of “eruit trokken” zoals wij zou­den zeggen. Zij leefden in de bossen en hun enige bezit was een houten nap waarmee zij nu en dan om wat voedsel bedelden. Zij meenden dat door zelfverloochening en strenge lichamelijke
discipline een ogenblik van verheven inzicht zich zou manifesteren waarin het geheim van het heelal plotseling duidelijk zou worden,

Boeddha — of liever gezegd Gautama, want zo luidde zijn familienaam — beproefde dit en kwam tot de conclusie dat dat dwaasheid was. Het was de eerste omwenteling in het denken die Boeddha teweegbracht.
Volgens de overlevering was hij een prins van een klein koninkrijk, 29 jaar oud, getrouwd en de vader van een zoontje. Hij vertrok omstreeks middernacht, zonder iets tegen iemand te zeggen. Het verscheurde zijn hart — nog even stond hij bij zijn slapende vrouw en kind, maar hij wendde zich af. Hij had een ijzeren wil; van prins van deze wereld werd hij de prins der asceten en zijn roem verspreidde zich “als de klank van een grote gong die hangt aan het uitspansel”.

Hij had vijf makkers, maar zij waren zo onder de indruk van zijn groter vermogen tot toewijding, dat zij meestal niets anders deden dan hem gadeslaan. Nadat hij zich zes jaar lang de grootste ontberingen had opgelegd en hij nog maar een wandelend skelet was, werd hij op een dag overvallen door verschrikkelijke pijnen en verloor het bewustzijn. Toen hij weer bijkwam, was hij tot het inzicht gekomen dat men een middenweg moet bewandelen tussen ascetische onthouding en aardse genietingen als men de geheimen van het heelal wil doorgronden. In de godsdienstige beschaving van India was dit iets revolutionairs. Gautama werd door zijn vijf makkers voor een afvallige uitgemaakt en moest geheel alleen zijn speurtocht naar de laatste waarheden voortzetten.
Gautama’s middenweg was, vanuit het gezichtspunt van de westerse zeden- en voedingsleer, heldhaftig. Hij betrachtte absolute kuisheid. Hij at alleen om twaalf uur in de middag — rijst met kerrie — en daarna niets meer, behalve soms ’s avonds wat dunne pap. Hij voelde zich hierbij uitstekend en hij werd niet alleen een gezonde heilige maar bovendien ook een voorvechter voor  geestelijk uithoudingsvermogen. Men zegt dat Socrates eens een hele nacht stond te denken in een zuilengang. Gautama schijnt iets soortgelijks te hebben gedaan — alleen was hij zo verstandig eerst te gaan zitten.

Boeddha

Gautama zat onder een bepaalde heilige vijgenboom, die later de Boom van het Inzicht werd genoemd — de Bodhi-Boom in het Singalees. Uit de zaden van die boom zijn in de loop der eeuwen steeds weer nieuwe bomen geplant; men kan ze nog steeds zien in Boeddh Gaya.
Gautama was vastbesloten, niet op te staan voordat geestelijke klaarheid zijn deel zou zijn geworden. In de eerste uren na middernacht raakte hij in een trance waarin hij met stralende helderheid de hele ingewikkelde keten van oorzaak en gevolg aanschouwde die deze ellende, leven geheten, regelt. En met een zelfde helderheid aanschouwde hij het pad der bevrijding naar de gelukzaligheid.
Deze mystieke ervaringen zijn als regel onweerstaanbaar over­tuigend voor diegenen die ze ondergaan. Gautama aarzelde niet te verkondigen dat hij Boeddha was, “De Verlichte”, maar boven­dien ook Tathàgata, “De Volmaakte”. Hij keerde rechtstreeks terug naar de vijf kluizenaars die hem openlijk veroordeeld hadden en die nog hongerden in een hertenkamp in Benares. Zij zagen hem komen. “Laten wij deze afvallige geen eerbied betonen,” zeiden zij, “want hij is ten prooi aan de genotzucht.” Maar toen de verlichte Gautama naderde, haastten zij zich hem tegemoet en noemden hem “Broeder”.
Hij antwoordde — en het is haast niet te geloven dat er niet een triomfantelijk licht straalde uit zijn ogen: “O gij monniken, spreek Tathàgata niet aan als ‘Broeder’. Tathàgata is de heilige en hoogste Boeddha.”
Daarna hield Gautama, de Boeddha, een prediking — vermoedelijk op één uitzondering na de belangrijkste die ooit is ge­houden. Net als de Bergrede gaf deze prediking een beknopte schets van een nieuwe manier van leven. De beide levenswijzen lijken verbazend veel op elkaar, hoewel het geloof waarop ze berusten aanzienlijk verschilt. Boeddha’s verkondiging was pessi­mistisch. Ze begon met de stelling dat het leven zoals wij het ge­woonlijk leven grotendeels bestaat uit lijden. De Indiërs vinden het heel natuurlijk, het leven te beschouwen als een bezoeking, misschien omdat zij zo omringd zijn door armoede en ziekte. Als wij zoals zij — geloofden in een steeds weerkerende cyclus reïncarnatie, of wedergeboorte, zouden wij het leven misschien ook geen opwindend avontuur vinden.

Boeddha’s ontdekking onder de Bodhi-boom was, dat onwetend­heid de oorzaak is van het lijden der mensen. Wij hunkeren steeds naar bevrediging van iets dat wij “ik” noemen. Maar er bestaat geen ik. Wij moeten deze waan opgeven en de onwetende ver­langens die ermee gepaard gaan. En hij noemde in het bijzonder: “Verlangen naar bevrediging van de hartstochten, verlangen naar een toekomstig leven, verlangen naar succes in dit leven.”Wij moeten onze geest bevrijden van bijgeloof, onze wil krachtig beheersen, en liefhebben en door dit alles zullen wij één worden met de wereld, er een nederig en tevreden deel van worden. Hierin ligt vrede en volmaakt geluk.

Hij noemde deze ideale toestand “nirwana”. Het is de geestelijke toestand die men ziet in de beeltenissen van Boeddha — een verheven en toch niet bovennatuurlijke vrede. Geen vrede die het begrip te boven gaat — een vrede die voortkomt uit begrip.

Boeddha werd nu volkomen in beslag genomen door zijn pogingen, voor de sterfelijke mensen een weg te vinden uit hun ellende naar een godgelijke levenshouding. Zijn achtvoudig pad der verlossing heeft niets van de eenvoudige, ongekunstelde welsprekendheid van de Bergrede, maar het kan wel in dezelfde vorm opnieuw worden uitgedrukt. Want “gelukzaligheid en hoe die te bereiken” was het centrale onderwerp van zijn predikingen:

Zalig zijn zij die weten, en wier weten vrij is van begoocheling bijgeloof.

Zalig zijn zij die hun kennis op vriendelijke, openhartige en
waarheidsgetrouwe wijze uitspreken.

Zalig zijn zij wier gedrag is vredelievend, eerlijk en zuiver.

Zalig zijn zij die hun brood verdienen op een wijze die geen levend wezen letsel of gevaar berokkent.

Zalig zijn de kalmen, die wrok, trots en eigengerechtigheid hebben uitgebannen en vervangen door liefde, erbarming en meegevoel.

Zalig zijt gij die uw uiterste best doet voor zelfopvoeding en
zelfbeheersing.

Zalig buitenmate wanneer gij u door deze middelen ontdoet van de beperkingen van het ik.

En zalig zijn, ten slotte, zij die verrukking vinden door te beschouwen wat innig en werkelijk waar is van deze wereld en ons leven daarin.

Hoewel Boeddha niet sprak over God, geloofde hij in een zedelijke orde zoals alleen een rechtvaardige en almachtige godheid zou kunnen voorschrijven. Hij geloofde dat iedere goede daad een beloning oplevert, iedere slechte daad een vergelding. Wat de mens ook doet met lichaam of geest, hij kan de zedelijke wet niet ontlopen. Verder verving Boeddha de riten en offers van de priesters, die hij afkeurde, door een bezielde overpeinzing en dit be­tekende ten minste enkele stappen in de richting van het persoonlijk gebed. Zijn extatische bespiegeling is niet hetzelfde als een gebed, maar het is iets waarom vaak wordt gebeden: berusting.

Een andere oorzaak waarom Boeddha’s godsdienst zoveel aan­hangers vond is de ontwapenende verdraagzaamheid. Er bestaan geen boeddhistische dogma’s en voor zover wij weten heeft geen volgeling van Boeddha ooit een ketter vervolgd. Het meest verbazingwekkende van Boeddha — als men aan hem terugdenkt over een afstand van eeuwen vol oorlogen en razernij van fanatiekelingen is juist de beheerste wijze waarop hij een beroep doet op het verstand en de ervaring van ieder mens. Niet alleen moeten wij volgens Boeddha ons eigen heil zoeken, maar wij moeten ook zelf ons eigen geloof bedenken.

“Geloof niets omdat u de geschreven getuigenis van een oude wijze wordt getoond,” zei hij. “Geloof niets op gezag van leraren of priesters. Datgene wat overeenstemt met uw eigen ervaring en na rijp beraad overeenstemt met uw redelijk verstand en bevorderlijk is voor uw eigen welzijn en dat van alle andere levende wezens, aanvaard dat als de waarheid en leef ernaar.”

Deze woorden verlenen een moderne, een westerse betekenis aan de peinzende rust van die verheven maar niettemin krachtige beeltenissen van Gautama, de Boeddha. Hij bracht een boodschap die geen sterveling na 2500 jaren van jachten en opgewonden kakelen rondom de boom des goeds en des kwaads kan negeren.

Misschien nog groter dan zijn wijsheid was het voorbeeld dat hij gaf van wat wij in het westen slechts een christelijk leven kunnen noemen. Vijfenveertig jaren lang, totdat hij op tachtigjarige leef­tijd stierf, doorkruiste dit genie van de wil en het verstand de vallei in de Ganges; hij stond op bij het krieken van de dag, liep dan z’n 25 à 30 kilometer en wees edelmoedig alle mensen, zonder tegenprestatie en zonder onderscheid naar stand of kaste, de weg naar het geluk die hij had gevonden. Hij was geen opruier en werd nooit lastig gevallen, noch door het priesterdom dat hij bestreed noch door enige vorst. Hij werd zo beroemd en zo bemind dat grote menigten hem tegemoetkwamen als hij een stad nader­de, en bloemen strooiden op zijn pad. Zijn ware en triomfantelijke doelstelling was, de dingen nauwkeurig te omschrijven en de mensen een edele en gelukkige manier van leven en sterven in deze wereld te leren.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

5e klasgeschiedenis

Vrijeschool in beeldalle beelden

783-718

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-5)

.

Verteltijd ca. 10 min.

DE HEILIGE BLASIUS EN ZIJN DIEREN

Dit is de geschiedenis van een Heilige, die de dieren liefhad en daarom ook door de dieren was bemind.

Sint-Blasius was de zoon van welvarende ouders uit Sebastopol, een stad in Armenië, op de grens van Turkije en leefde in de tijd, toen de heidenen het meest in aanzien waren. Maar hij was niet ge­lijk aan de andere  jongens, zijn speelmakkers, want hij was een christen die meevoelde met elk levend schepsel. En het was zijn grootste geluk, wanneer hij de schepselen die hij liefhad, kon helpen, mannen zowel als vrouwen en kinderen en dieren en allen, die leed hadden of ziek waren.
Daarom ging hij in de medicijnen studeren en groeide hij
lang­zamerhand op tot een wijs man, met een ruim en teer hart.  Iedereen had hem lief, want hij deed veel goed onder het volk in zijn dorp: hij verpleegde hun kinderen en genas hun vee en hun huisdieren. Ook de wilde dieren vergat hij niet.
Sint-Blasius hield ervan te zwerven door de bossen en over de velden, waar hij de ongetemde dieren kon bestuderen en hun leren zijn vrienden te worden. Zo kregen de vogels en de viervoetige dieren en de vissen hem alle lief, omdat hij niet alleen hun nooit enig leed deed, maar ook vriendelijk tot hen sprak en hen genas, wanneer zij ziek of gewond waren. In zijn tegenwoordigheid werden de schuwe dieren vrijmoedig, en werden de wilde tam en vriendelijk, alleen door het geluid van zij­n stem. De vogeltjes brachten hem voedsel en de viervoetige die­ren werden zijn dienaren en boodschappers.
De legende zegt, dat zij hem in de woning in het bos, een grot in de berg Argus bij Sebastopol, opzochten. Iedere morgen kwamen zij zien hoe hun meester het maakte, lieten zich zegenen door hem en likten hem de handen uit dankbaarheid. Wanneer zij de Heilige in zijn gebeden verdiept vonden,  stoorden zij hem niet, maar wachtten eerbiedig en geduldig voor zijn hol, tot hij uit zijn knielende houding oprees.
Op zekere dag kwam er een arme vrouw in wanhoop bij hem, omdat een wolf haar biggetje had weggehaald. Sint-Blasius was zeer bedroefd toen hij hoorde, dat een van zijn vrienden zich aan z’n boze daad had schuldig gemaakt en hij verzocht de vrouw naar huis terug te gaan en beloofde haar, te zullen zien wat hij voor haar zou kun­nen doen. Toen riep hij de wolf tot zich en schudde ernstig het hoofd, toen de schuldige voor hem stond.
“Jij boze wolf”, zei hij, “wist jij dan niet dat ook dat biggetje een vriend van mij was? Hij is niet mooi, maar hij is aardig en daarbij het enige biggetje van een arme, eenzame vrouw. Hoe kon je zo zelfzuchtig wezen? Ga dadelijk naar huis, breng mijn vriend, het biggetje, terug naar de woning van deze vrouw.”
Toen ging de wolf beschaamd heen en deed wat de goede Heilige hem bevolen had. En toen de arme vrouw haar biggetje knorrend haar
tuin­tje zag binnenlopen, voortgedreven door de berouwvolle wolf, sloeg zij haar armen om zijn hals en schreide tranen van vreugde. En de wolf keerde terug naar Sint-Blasius, die hem prees en zei, dat hij een goede wolf was en hem een schotel verse melk gaf.
Sint-Blasius werd door de christenen die hem om zijn barmhartig­heid en zijn weldadigheid liefhadden, tot hun bisschop benoemd. En alle dieren uit het woud verheugden zich over deze eer, hun goe­de meester aangedaan.
Maar de arme dieren wisten niet, hoe gevaar­lijk het in die dagen was een christen te zijn en inzonderheid om een bisschop te wezen, die veel invloed had op het volk. Want de heidenen waren jaloers op hem en vreesden, dat hij het volk zou bekeren tot het christendom, wanneer het zijn wonderbaarlijke ge­nezingen zag. Zij konden hem echter nergens vinden, want hij leef­de verborgen in zijn grot in het woud.

Dit geschiedde alles 516 jaren na de geboorte van Christus, tijdens de regering van de wrede keizer Licinius, die vele christenen ter dood heeft laten brengen. En Agricola, die de gouverneur van de stad Sebastopol was, aangesteld door Licinius, zond zijn solda­ten in de bergen, om wilde dieren te vangen voor de spelen in de arena, waar de christenen zouden worden gedood. Maar zij vonden tot hun grote verwondering geen enkel wild dier in de bergen, noch in de velden, noch in de dalen, noch in het woud, tot zij toevallig bij de grot kwamen waar Blasius woonde.
En daar nu vonden zij alle dieren, al de wilde dieren, waarvoor zij zo bevreesd waren, leeuwen, tijgers, luipaarden, beren en wolven, die hun morgengroet aan de Heilige man brachten.
En midden tussen hen lag Sint-Blasius zo ernstig verdiept in zijn gebeden, dat hij de soldaten, die met hun netten en speren gekomen waren om dieren te vangen, niet eens opmerkte. Hoewel de dieren zeer bang waren, bewogen zij zich niet en gaven zij geen enkel geluid, om hun meester niet te storen. Zij hielden zich doodstil, terwijl zij met hun gro­te, gele ogen de soldaten aanstaarden. Maar deze waren zo verbaasd door die aanblik, dat zij stil wegslopen zonder een enkel dier te vangen, noch een woord te zeggen tot de Heilige Blasius. Zij meen­den stellig, dat hij Orpheus zelf of de een of andere heidense godheid moest wezen, die de wilde dieren betoverd had. En zij gingen terug naar de gouverneur en vertelden hem, wat zij gezien hadden.

“Ha, dan moet hij een christen wezen,” antwoordde Agricola, “want de christenen en de dieren zijn zeer grote vrienden. Breng hem mij aanstonds hier.”

Ditmaal trokken de soldaten in de namiddag erop uit, het uur waar­op de dieren hun avondeten gebruikten. En zo vonden zij Sint-Bla­sius geheel alleen, opnieuw verdiept in zijn gebeden. En zij be­valen hem, met hen mee te gaan. In plaats echter van bevreesd te zijn, antwoordde hij blijmoedig: “Ik ben gereed; ik heb u reeds lang verwacht.” Want hij was een heilig man, bereid te sterven voor zijn geloof en heiligen weten dikwijls reeds lang vooruit, wat er met hen gebeuren zal.

En het geschiedde op weg naar de gevangenis, dat de heilige Blasius zijn laatste zieke genas – een kindje, door de moeder aan zijn voeten neergelegd, terwijl zij hem smeekte het te helpen. De klei­ne had een botje ingeslikt en zou gestorven zijn. Maar Sint-Bla­sius raakte even de keel van de kleine aan en meteen was het genezen. Daarom riepen in latere tijden mensen met een zieke keel in hun gebeden altijd de heilige Blasius aan, om hen te ge­nezen.

De goede bisschop werd in de gevangenis gezet, op allerlei manieren gepijnigd, om hem te dwingen zijn christelijk geloof op te geven. Maar Sint-Blasius weigerde standvastig een heiden te worden en aan heidense goden te offeren. En dus werd er besloten, dat hij ster­ven zou. Zij zouden hem wel in de arena gebracht hebben met de wil­de dieren, doch men wist dat deze trouwe makkers hun vriend nimmer enig leed zouden doen. De dieren zouden hem wel is waar niet heb­ben kunnen redden uit de handen van deze mensen, maar zij zouden hem toch ook geen kwaad gedaan hebben. En de dieren die nog in het woud achtergebleven waren, huilden en jammerden voor de verlaten grot en snuffelend zochten zij hem overal, als verdwaalde honden, die hun meester verloren hadden. En het was een zéér droeve dag voor de dieren uit het woud, toen Sint-Blasius voor altijd van hen was weggenomen.

De soldaten ontvingen bevel de heilige Blasius in het naburige meer te verdrinken. Maar toen zij hem uit de boot wierpen, maakte hij het teken van het kruis en terstond hief het water hem op, zo­dat hij daarop wandelde als op vaste grond, juist zoals Jezus eens deed over het meer van Galilea. Toen nu de soldaten dit evenzo wilden doen, denkend hem te halen en opnieuw gevangen te nemen, zonken zij allen in de diepte. Toen wandelde Sint-Blasius geheel uit vrije wil naar de kust, omstraald door een goddelijk licht, zodat het een heerlijk wonder was hem te zien, want hij was ge­reed en verlangend te sterven. Willig liet hij zich door de heide­nen grijpen en niet lang daarna werd hij onthoofd.

In overoude tijden was het in Engeland gewoonte op de derde februari grote vreugdevuren te zijner ere op de heuvels aan te steken. En bij het zien van deze vreugdevuren kwamen alle dieren uit hun holen en spelonken en nesten, ter nagedachtenis aan de goede Heilige, die zo goed geweest was voor hun voorouders, de dieren uit de bossen van Armenië.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

Meer over Blasius

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

781-716

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda (2-1)

.

HET THRYMSLIED

Of    ‘HOE THOR ZIJN HAMER TERUGHAALDE’

Dit deel uit de Edda leent zich uitstekend tot toneelstuk.
Ik veranderde bestaande versies enigszins.

Kinderen kunnen snel hele stukken hiervan leren, vooral als je het elke dag met ze oefent. Ook tijdens het oefenen van het spelen, wordt steeds meer geleerd en uiteindelijk kent ieder kind alle coupletten.

Ik heb het meerdere keren met veel plezier gespeeld!

Maar ik heb het ook een keer gebruikt om het handschrift te verbeteren. Ik vond het van de meeste kinderen nog niet mooi genoeg en zocht naar een manier, anders dan ik het zelf vroeger moest leren: in een schoonschrijfschrift en dan tientallen keren onder elkaar hetzelfde woord dat als voorbeeld op de eerste regel stond.

Het oefenen van de toneelstuktekst gaf gelegenheid om het toneelstuk als boekwerkje – in een schrift – te presenteren.

Wat op de volgende tekst niet te zien is, zijn de lijnen waarop en waartussen geschreven werd. De kleine letters tussen twee lijnstrepen, de hoofdletters tussen drie. Wie kon laten zien op deze manier mooi te kunnen schrijven, mocht overgaan naar ‘kleiner’: de kleine letter gehalveerd tussen twee balkstrepen; de hoofdletter tussen twee balkstrepen.

Thrymslied 1
Thrymslied  tek.1.jp2

Thrymslied 3

Thrymslied 4

Thrymslied 5

Thrymslied 6Thrymslied 8Thrymslied 9Thrymslied 10Thrymslied 11Thrymslied  tek.2.jp2Thrymslied 12Thrymslied 13Thrymslied 14Thrymslied 15Thrymslied  tek.3Thrymslied 16Thrymslied 17Thrymslied 18Thrymslied 19Thrymslied 20Thrymslied  tek.4.

4e klasalle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

780-715

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – J.S.Bach

.

“GODE ALLEEN DE EER”

Een ongehoord muzikaal fiasco scheen in maart van het jaar 1829 in de maak te zijn op de strenge Berlijnse Singakademie. Een wijdlopig werk, zo onhandelbaar dat het twee afzonderlijke orkesten en koren vereiste, werd er ingestudeerd. Een passiemuziek naar het evangelie van Mattheüs, welke bij haar eerste uitvoering, honderd jaar eerder, amper een vleugje belangstelling had gewekt. De componist ervan was al even onbekend als de muziek: Johann Sebastian Bach had nu reeds 80 jaar in een graf zonder enige aanduiding gelegen. En de dirigent die de uitvoering zou leiden, was de onbekende “ontdekker” van het werk een 20-jarige joodse jongeman, genaamd Felix Mendelssohn, die voor het eerst in zijn leven voor een combinatie van orkest en koor zou staan. Als jongen van 14 jaar had Mendelssohn bij zijn muziekleraar toevallig een partituur van de passiemuziek in handen gekregen en ze had zijn hart veroverd. Een andere aanbeveling kreeg de muziek praktisch niet.
Maar de leden van de Singakademie vertelden zoveel goeds van de repetities dat de zaal bij de openbare uitvoering tot de laatste plaats bezet was. En vanaf de eerste tonen werd het publiek meegevoerd door een golf van religieuze bewogenheid, want zo’n diep ontroerende muziek als de Matthäus Passion werd misschien nooit geschreven. Een gewijde stilte begroette de lyrische solozangen, de treffende, bespiegelende aria’s, de machtige, vervoerende koralen. Niet alleen hoorde en voelde het publiek dit alles zo diep, het zag het ook. Want zo groot was het genie van deze onbekende Bach dat het leek of hij, met niets anders dan noten, een levendige toneelaankleding en een stemmingsvolle belichting te voorschijn kan toveren. Iedere keer als Christus sprak, bijvoorbeeld, had Bach Zijn woorden omgeven met een trillend halo van klanken, gespeeld door de strijkers. Terwijl Christus werd weggeleid, riep de muziek een beeld op van voetstappen die zich vermoeid voortsleepten onder het gewicht van het Kruis.
De uitvoering had zoveel succes dat ze moest worden herhaald niet één keer maar twee keer, voor uitverkochte zalen. Dank zij Mendelssohn was er een plotselinge belangstelling gewekt voor Bachs muziek en grote componisten moedigden dit enthousiasme aan. Chopin gaf alle pianisten de raad om Bachs muziek terdege te studeren. “Het is de hogeschool voor de pianist,” zei hij. “Niemand zal ooit een betere kunnen scheppen.”

Een onderzoek bracht aan het licht dat gelukkig vele onuitgegeven meesterwerken van Bach bewaard waren gebleven: passiemuziek, missen, kerkcantates, oratoria, werken voor orkest, voor strijkers, voor klavier. In heel Europa werden Bachverenigingen opgericht om deze verwaarloosde werken op te sporen en uit te voeren.

Tegenwoordig is Bach diep geworteld in ons hart en ons leven. Vele christelijke gezangen die men overal ter wereld in de kerken kan horen, zijn door Bach op muziek gezet: “O, Haupt voll Blut und Wunden” en “Jesu bleibet meine Freude” en vele andere. In zijn muziek gloeit een intens godsdienstig vuur. Muziek was voor hem een wijze om God te verheerlijken, alsof de tonen, nadat ze buiten het bereik van het menselijk oor waren gekomen, nog steeds ten hemel opstegen als een lofzang. “Alle muziek moet slechts ten doel hebben,” zo hield hij zijn leerlingen voor, “God te eren en aangename verpozing te verschaffen. ” Op vele van zijn partituren krabbelde hij in de kantlijn de opdracht: Soli Deo Gloria — Gode alleen de eer.

Bachs geestesadel ging schuil in een ruwe bolster. Portretten van hem tonen een gedrongen man met een onverzettelijke mond die naar voren steekt boven een onderkin. Zijn neus is dik en hij loenst een beetje – zijn gelaatsuitdrukking doet vermoeden dat hij zowel de bitterheid als de heerlijkheden van het leven heeft geproefd. Want met de vroomheid en het van generatie op generatie overgeleverde muzikale vakmanschap, dat in deze meester zijn hoogtepunt had bereikt, was een grote dosis menselijkheid gemengd. De man die God loofde in zijn partituren noteerde er ook zijn huishoudelijke berekeningen op. Er laaide een vuur in hem, maar hij werd ook aanhoudend gekweld door materiële zorg om zijn grote gezin – hij heeft 20 kinderen gehad, van wie er 11 jong gestorven zijn.
Als kerkorganist en -componist produceerde Bach duizenden composities, zo ongeveer als een dominee wekelijks zijn preek af­levert. Zijn composities werden door de parochianen aangehoord als behorend tot de gewone routine. Hij heeft niet de moeite ge­nomen ook maar een van zijn kerkelijke werken te laten uitgeven; men zegt dat enkele ervan, die in een kast van een kerkelijke school waren achtergelaten, door de leerlingen werden gebruikt om hun boterhammen in te pakken. Bach zou verbaasd hebben opgekeken als hem was verteld dat zijn muziek 200 jaar na zijn dood geregeld op de concertprogramma’s zou voorkomen, want hij werd door de twee voornaamste muziekcritici van zijn tijd vierkant afgewe­zen. De enige belangrijke compositie-opdracht die hij ooit kreeg was om een serie stukken voor klavecimbel te maken — de Goldberg-Variationen — ten einde een Russische gezant die aan slape­loosheid leed, wat rustiger te maken.

Johann Sebastian Bach werd geboren in 1685 te Eisenach in Thüringen. Bijna twee eeuwen lang had zijn familie bekwame musici voortgebracht — organisten zowel als instrumentalisten. De familiereputatie was zelfs zo groot dat in die streek een musicus werd aangeduid als “een Bach”.

Wees geworden op tienjarige leeftijd, kwam hij in huis bij een oudere broer, die uit jaloezie op zijn talent niet wilde toestaan dat Sebastian studeerde uit een verzameling moeilijke orgel- en kla­viercomposities. Bijgevolg klauterde de jongen maandenlang bijna iedere nacht naar de bovenste plank van de boekenkast, haalde de stukken eruit, kopieerde ze bij het licht van de maan en legde ze bij het aanbreken van de dag weer terug op hun plank. Toen zijn broer hem op een keer deze verboden werken hoorde spelen, nam hij de met zoveel moeite vervaardigde kopieën in beslag. Al wat de jongen ervan overhield was een steeds achteruitgaand gezichtsvermogen.

Toen Sebastian 15 jaar was, hoorde hij dat er goede plaatsen als koorknaap beschikbaar waren in Lüneburg, ruim 300 kilo­meter van zijn woonplaats Ohrdruff, en hij trok er te voet heen om zijn fortuin te maken. Hij bleef er drie jaar, zong in het koor, speelde viool in een orkest en bracht eindeloze uren door aan het orgel en het klavecimbel. Wanneer hem in later jaren gevraagd werd naar het geheim van zijn briljante techniek, zei hij: “Als u even ijverig studeert als ik gedaan heb, zult u evenveel succes hebben.”

Bach werd zo’n meester in zijn vak dat hem na verloop van tijd de belangrijke post van hoforganist in Weimar werd aangeboden, waar hij negen jaar bleef. Hier schreef hij zijn beroemde orgel­toccata’s (letterlijk “tokkel”-stukken, vanwege de vingervlugheid die hun uitvoering vereist) en uiterst gecompliceerde fuga’s. Zijn roem verbreidde zich meer en meer, zodat eens, toen hij zonder zich bekend te maken een dorpskerk bezocht en aan het wrakke orgel de prachtigste tonen ontlokte, de verbaasde organist uitriep: “Dat kan alleen maar een engel uit de hemel zijn — of Bach in eigen persoon!”

Bach was echter niet gelukkig aan het hof van Weimar, en in zijn volgende betrekking — hofkapelmeester van vorst Leopold van Anhalt te Köthen — had hij geen behoorlijk orgel tot zijn be­schikking. Dus keerde hij op 38-jarige leeftijd het hofleven de rug toe en nam de kort tevoren opengekomen betrekking als cantor en organist van de Thomaskirche te Leipzig aan. Zijn basissalaris bedroeg slechts een kwart van wat hij vroeger verdiende en het werk was vermoeiend en beneden zijn waardigheid. Behalve dat hij een constante stroom composities moest afleveren werd van hem verlangd dat hij klassikaal onderricht gaf in Latijn en muziek, en ook als surveillant optrad van een stel luidruchtige kinderen op de Thomasschool.

Gedurende de 27 jaar van zijn verblijf in Leipzig klaagde Bach over “plagerijen, jaloezie en tegenwerking” bij iedere stap. Maar de kleingeestigheid die hem omringde kon zijn inspiratie niet doen opdrogen. In de eerste twee decennia in Leipzig schreef hij een verzameling religieuze muziek die nooit geëvenaard zou worden: bijna 300 cantates voor alle gewijde dagen van het kerkelijk jaar, twee oratoria, missen en motetten, de Johannes- en de Matthäus-Passion, de monumentale Mis in b kleine terts.

Maar de jaren van noten schrijven, studeren en avonden lang spelen wat hij overdag gecomponeerd had verwoestten zijn toch al zwakke ogen. Hij vestigde zijn hoop op het bezoek aan Leipzig van een beroemde Engelse oogarts, die twee operaties verrichtte. Beide mislukten. Blind en met een ontredderde gezondheid bleef Bach achter. Gedurende de periode dat hij blind was schreef hij echter Die Kunst der Fuge, een werk zo ingewikkeld en knap ge­componeerd dat men er ademloos naar luistert.

Ons moderne mensen klinkt veel muziek van Bach aanvankelijk wat vreemd in de oren. De muziek waarmee wij vertrouwd zijn — populaire wijsjes, volksmuziek, zelfs veel klassieke werken uit de laatste honderd jaar — is opgebouwd als een boog, met akkoorden in de bas die als pilaren een enkelvoudige melodie ondersteunen. Bachs muziek is contrapuntisch, dat wil zeggen dat een melodie of beter: een thema — in verschillende liggingen tegen elkaar wordt gezet; langzamerhand klinken dan alle stemmen tegelijker­tijd, elkaar kruisend en hun klankkleuren dooreenmengend tot ze een waar tapijt van tonen vormen. En zo volmaakt was Bachs vakmanschap dat, toen onlangs bij een experiment een muziek­rol van een pianola met een van zijn composities werd omgekeerd – zodat de hoge noten de baspartij werden en de lage noten de bovenstem — de muziek precies even melodieus klonk als tevoren.

Draai een grammofoonplaat van een koorwerk van Bach, of van een van zijn bekende orgelcomposities, en let de eerste keer alleen op de melodie in de hoogste ligging, de sopraanpartij. Luister dan nog een keer, maar zonder nu uit het weefsel van stem­men de baspartij af. Concentreer u vervolgens uitsluitend op de middenstemmen. Weldra zal veel muziek van het genre dat u zo vertrouwd was — die akkoorden als pilaren — u bijna alledaags voorkomen. Het geniale van Bach is dat u honderden keren naar hem kunt luisteren en toch steeds weer nieuwe schoonheden kunt ontdekken die u nog niet waren opgevallen.

In juli 1750 kon Bach als door een wonder plotseling weer zien. Bijna onmiddellijk daarna kreeg hij echter een beroerte. Tien dagen later stierf hij, maar niet voordat hij een van zijn ontroe­rendste werken had voltooid, een bewerking voor orgel van het koraal der wanhoop: Wem wir in höchsten Nöthen sein. Er klinkt geen spoor van lijden door in deze laatste compositie, en vlak voor zijn einde veranderde Bach de titel van het koraal in: Vor Deinem Tron tret’ ich hiermit. Hij stierf zoals hij had geleefd, God verheerlijkend in zijn muziek. Het was de allerlaatste persoon­lijke offerande van een mens die de akkoorden van een hemelse harmonie had beluisterd.

.

Getallensymboliek in de muziek van Bach

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden
.

779-714

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-4)

.

Verteltijd ca. 20 min.
.

DE HEILIGE KENTIGERNUS EN HET ROODBORSTJE

Er was een tijd, dat Sint-Servatius een school had in Schotland in de nabijheid van Glasgow, waar vele  jongens, grote en kleine, kwa­men om te leren.
Onder die  jongens was er een, die alle anderen overtrof en als leerling uitmuntte. Kentigernus was een van de klein­ste jongens van de school en toch was hij de eerste van de hoogste klas. Kentigernus was het, die altijd het antwoord vond op de meest ingewikkelde vraagstukken en die de moeilijkste Latijnse passages verstond, wanneer niemand anders de zin ervan begreep. Kentigernus was het, die het eerst van allen zijn lessen leerde en ze het best opzegde. Kentigernus was het, die het mooiste zong, nooit te hoog of te laag, altijd zuiver, vandaar dat de goede Servatius van hem het meest hield.

Om al deze redenen en om nog vele andere waren de  jongens jaloers op Kentigernus en verzonnen van alles om hem te plagen en verdriet te doen. Zo trachtten zij hem in de war te maken, wanneer hij zijn lessen moest opzeggen, door onderwijl hard te praten en te lachen. Maar dit was alles vergeefse moeite; zijn antwoorden waren altijd helder en duidelijk, zodat zij dit wel moesten opgeven. En zij be­dachten nieuwe plagerijen en gaven hem spotnamen, om te proberen hem uit zijn humeur te brengen, zodat hij gestraft zou worden. Maar hij was te goedhartig om boos op hen te worden en zo moesten zij ook hiermee ophouden. Toen probeerden zij hem door vleierijen op een dwaalspoor te brengen en hem iets te laten doen, waarmee hij de toorn van Sint-Servatius zou opwekken. Maar Kentigernus had zijn meester te lief dan dat hij ooit iets doen zou om hem te mishagen. En zo moesten ten laatste de  jongens ook hiervan afzien. Maar er moest toch een middel gevonden worden om Kentigernus in ongenade te doen vallen, er moest toch een valstrik wezen om hem te vangen. En weken lang putten zij hun brein uit om iets te bedenken, totdat zij ten laatste meenden wat goeds gevonden te hebben.
Het aanhouden van het vuur bood daarvoor een geschikte gelegenheid. In die dagen bestonden er nog geen lucifers, waarmee men dadelijk licht kon maken, want het was in het jaar 600. De enige manier om vuur te krijgen bestond toen in het zolang tegen elkaar wrijven van twee droge stukken hout, tot deze warm werden en er vonken uit het hout sprongen, waardoor het in brand raakte. Dit was een zeer lastig en vermoeiend werk, vooral in de winter, wanneer er maar zeer weinig droge houtjes te vinden waren. Vandaar, dat het vuur in de grote haard van de Sint-Servatiusschool dag en nacht met de grootste zorg werd aangehouden en het een werkelijk ernstig geval was, wanneer men het liet uitgaan. Want hoe zou­den het ontbijt moeten klaar gemaakt, de kamers verwarmd en de was­kaarsen ontstoken moeten worden voor de ochtenddienst in de kapel, wanneer er geen vuur was in de grote haard?

En zo had iedere  jongen op zijn beurt de week van het aanhouden van het vuur en hij, wiens beurt het was, moest te middernacht op­staan en zoveel hout op de haard leggen als nodig was om het vuur tot de morgen aan te kunnen houden. En Sint-Servatius zou heel boos geweest zijn op de jongen, die de haard gedurende de nacht zou hebben laten uitgaan.

Zo had dan Kentigernus de week om het vuur aan te houden, en hij deed dit reeds verscheidene dagen met de uiterste zorg. Maar de jon­gens wachtten op een gelegenheid om hem hun poets te bakken. De vierde nacht stond Kentigernus weer op, juist toen de klok van de kapel “twaalf” sloeg en ging naar beneden om het nodige hout op de haard te leggen. Maar nauwelijks kwam hij in de grote voorhal of hij merkte, dat er iets niet in orde was. Brr! – het was er kil en koud en hij zag geen enkel gloeiend vonkje in de haard. Huive­rend liep Kentigernus naar de haard, en pookte uit alle macht de zwarte, verkoolde houtblokken op. Maar er lag niets dan een hoopje witte as en half uitgebrand hout!

Toen voelde Kentigernus zich de moed ontzinken, want hij wist dat hij voor zijn nalatigheid berispt zou worden, al vermoedde hij wel, dat iemand water op het vuur moest hebben gegooid om het zodoende uit te doven. Hij begreep zeer goed, dat de andere  jongens dit ge­daan hadden om hem in ongelegenheid te brengen.
Het eerste ogenblik wist hij niet, wat hij doen zou, tot hij opeens moed vatte, een blok hout uit de hoek haalde en dit op de ashoop legde. En neer­hurkend blies hij het zacht aan. En o, wonder! nauwelijks had hij met zijn adem de as doen opstuiven en het mos, waarmee het grote houtblok begroeid was, doen trillen, of de hele haard was vol dansende vlammen, het hout begon te knetteren en het vuur laaide hoog op. Met een glimlach van geluk op het gelaat kroop Kentigernus weer in bed, zonder een van de slapende jongens, die getracht hadden hem zo’n part te spelen, wakker te maken.
Toen nu de jongens ’s morgens wakker werden, gaven zij elkaar
veelbetekenend knipoogjes en stootten elkaar geheimzinnig aan, elk ogenblik verwachtend Sint-Servatius te zien binnenkomen, met gefronste wenkbrauwen, om de nalatige Kentigernus een berisping toe te dienen. En iedere jongen nam zich reeds in stilte voor, plechtig te verklaren, dat het vuur vrolijk brandde, toen hij naar bed gin, en dat dus Kentigernus vergeten moest hebben in de nacht naar bene­den te gaan, om er nieuw hout op te doen. Doch zij waren niet in de gelegenheid deze leugens aan de man te brengen..Want op de gewo­ne tijd werd de bel voor het ontbijt geluid en toen zij beneden kwamen, vonden zij een goed onderhouden vuur in de haard en Kentigernus bezig met de waskaarsen in de kapel te ontsteken. En zij hebben niet geweten, hoe dit alles zo heeft kunnen gebeuren tot lang, zeer lang daarna, toen Kentigernus reeds vele andere wonderen verricht had en hij wijd en zijd bekend was als een Heilige. Maar intussen haatten de  jongens hem meer dan ooit, omdat zij za­gen, dat Sint-Servatius hem steeds meer liefkreeg.
En opnieuw tracht­ten zij een plan te beramen om hem in ongenade te doen vallen. Ditmaal echter verzonnen zij iets, dat nog veel wreder was. Want als dit plan lukte, zou dit niet alleen Kentigernus een bestraffing bezorgd en Sint-Servatius ongelukkig gemaakt hebben, maar zou het ’t leven gekost hebben aan een onschuldig wezentje, dat nooit iemand kwaad gedaan had.

Sint-Servatius was een goedhartige, vriendelijke oude man en hij bezat een roodborstje, waarvan hij bijzonder veel hield, – een klein beestje, met ronde, zwarte oogjes, dat zijn ontbijt uit de hand van Sint-Servatius at. En wanneer zijn meester zijn psalmen zong, ging de kleine koorzanger op de schouder van Servatius zitten en sloeg met de vleugeltjes en tjilpte alsof hij wilde trachten de lofliederen mee te zingen

Op zekere morgen nu doodden de jongens het roodborstje en sneden het het kopje af. En de grootste van de jongens nam het dode vogeltje in de hand en gevolgd door de anderen, liep hij huilend naar Sint- Servatius, alsof hij een groot verdriet had. “O Vader,” riep de jongen, “kijk eens wat die boze Kentigernus ge­daan heeft! Kijk eens naar uw roodborstje, dat Kentigernus gedood heeft!”

Toen begonnen zij allen als uit één mond op Kentigernus te schelden, terwijl enkelen van hen beweerden, hem zijn boze daad te hebben zien verrichten.

Natuurlijk was Sint-Servatius zeer bedroefd en boos. Zacht en teer nam hij het levenloze lichaampje in de hand en ging Kentigernus zoeken, terwijl de jongens hem op de tenen naslopen om te zien hoe deze ontmoeting wel zou aflopen. En achtereenvolgens kwamen zij aan het venster, waarin Kentigernus op de vensterbank zat. En Sint-Servatius, naar hem toegaande, legde zwaar de hand op zijn schouder. “Zie eens hier, knaap,” riep hij met droeve stem, “aanschouw deze wrede daad en zeg zelf, op welke manier de moordenaar gestraft moet worden. Had ik het roodborstje niet even lief als ik u liefheb, on­dankbare jongen?”
Kentigernus werd bleek van schrik en verdriet en grote tranen kwamen hem in de ogen. “Och, dat arme vogeltje,” zei hij. “Hield ook ik niet even goed van hem? Wie heeft het gedood, Vader?”
“Jij, jij hebt het gedaan, we hebben het zelf gezien!” riepen de jongens allen in koor uit.
Kentigernus, zich omkerend, zag hen met de grootste verwondering aan. Hij zei geen enkel woord terug, maar zijn wangen werden vuur­rood en zijn ogen flikkerden. Dit was meer dan zijn geduld verdra­gen kon.
“Wat heb je hier tegenin te brengen?” vroeg Sint-Servatius streng. Toen, vol droefheid zich tot hem kerend, sprak Kentigernus: “O,Vader, hoe kunt u geloven, dat ik tot zo iets wreeds in staat zou zijn, dat ik het vogeltje zou kunnen doden en u ver­driet aandoen? Ik heb het niet gedaan.” “Kun je dat bewijzen?” vroeg Sint-Servatius op steeds strenge toon, want hij meende, dat de jongen een leugen had bedacht om zijn schuld te verbergen.
“Geef mij het roodborstje, Vader”, zei Kentigernus, de hand uitstrekkend. “Ik zal het bewijzen, dat het niet deze hand was, die zich lafhartig vergreep aan zo’n teer wezen als dit kleine vogeltje.” En het dode, slappe lijfje in de ene hand en het kopje in de an­dere hand nemend, stond hij daar vóór hen allen, opziend naar de hemel, terwijl hij een kort gebed sprak.
“O Vader in de hemel,” bad hij, “geef mijn beminde vader op de aarde het bewijs, dat ik deze wrede daad niet beging. Wanneer ik onschuldig ben, geef mij dan de macht het kwaad ongedaan te maken en het leven weer te geven aan de kleine zanger, die met zijn liefelijk lied zo graag uw lof verkondigde.
Toen zette hij zacht het kopje op de plaats waar het behoorde en terwijl zijn tranen vielen op de hals van het roodborstje, scheen het alsof het weer aan zijn lichaampje vastgroeide. De veertjes be­wogen zich en de zwakke vleugeltjes trilden zwak. De zwarte oogjes openden zich en uit het keeltje kwam een zacht getjilp. Toen wip­te het roodborstje uit Kentigernus’ hand, huppelde over de grond tot voor de voeten van Sint-Servatius en vloog op zijn meesters schouder. En daar zittend zong het een jubellied, dat klonk door de gehele voorhal. Maar de schuldige, boze jongens staken allen hun vingers in de oren en verbleekten, alsof zij verstonden wat hij zei en alsof het hun jaloezie, hun wreedheid en hun valsheid aan het licht bracht.

Zo kwam Sint-Servatius te weten dat Kentigernus onschuldig was en hoe alles zich had toegedragen. En meer dan vroeger was Kentigernus zijn meester dierbaar, die hem op allerlei manieren hielp een grote, goede Heilige te worden. Ook het roodborstje werd zijn trouwe, liefhebbende vriend, want nooit scheen het vogeltje te vergeten, dat Kentigernus het door zijn gebed het leven weergegeven had. Daarom zong het zijn mooiste lied voor de knaap. Zijn schoolmakkers hadden van die tijd af de grootste eerbied voor Kentigernus, die onder bijzondere hoede van God scheen te staan.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

 

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

778-713

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-3)

.

Verteltijd ca. 25 min

DE KOE VAN DE HEILIGE LAUNOMARUS

Sint-Launomarus was eenmaal herdersjongen geweest in de weiden van het zonnige Frankrijk en had meegeleefd met de vriendelijke bewoners van de schaapskooien en stallen. Daarom kende hij hen zelf en hun doen en laten zo goed en voelden zij op hun beurt een vriend in hem. Alleen door met hen mee te voelen, kom je achter het geheim van hun wezen, omdat de dieren zelf niet kunnen spreken.

Sint-Launomarus nu had een koe, die hij zeer bijzonder liefhad, een mooie, glanzend zwart-en-witte koe, die graasde in de groene weiden van Chartres in de nabijheid van het klooster en die ieder­e avond thuis kwam om gemolken te worden en met haar zachte neus streek ze dan langs de hand van haar meester om hem te vertellen hoeveel ze toch van hem hield.
Mignon was een zeer wijze koe, men kon dat af­meten naar de krommingen aan haar horens en naar de rimpels in haar voorhoofd tussen de ogen; en ook nog en wel voornamelijk, naar de wijze waarop zij met haar staart sloeg. En bovendien, een koe opgevoed door een heel klooster met geleerde mannen en die Launo­marus, de wijste man uit het gehele land, tot meester en vriend had, moest wel wijs wezen.

Het was een donkere nacht na melktijd. Launomarus had Mignon naar haar stal gebracht met haar avondeten, uit hooi bestaande en had haar goedenacht gewenst en aangenaam herkauwen. Hierna had hij de zware schuurdeur gesloten en was naar zijn cel gegaan om te sla­pen, tot de morgen opnieuw zou aanbreken.

Maar nauwelijks was hij met zijn lantaarn door de poort van het klooster verdwenen of er kwamen uit het bos vijf zwarte figuren te voorschijn, kruipend en sluipend langs de wal en over de bin­nenhof naar de zware eiken poortdeur. Zij waren allen gehuld in lange, zwarte kapmantels, waarvan zij de kappen dicht over hun gelaat getrokken hadden, alsof zij bang waren herkend te zullen worden. Zij zagen er boos uit die mannen en zij hadden grote messen zodanig tussen hun gordels gestoken, dat zij die er gemakkelijk uit konden trekken. Het was een bende rovers, naar de stal geko­men om de koe van Launomarus te stelen, die bekend stond als de mooi­ste uit de hele streek.
Zeer behoedzaam openden zij de grote deur en zeer behoedzaam kro­pen zij over de grond naar Mignons stal en bonden een stevig touw om haar nek om haar weg te voeren. Maar vooraf waren zij zo
voor­zichtig een prop in Mignons bek te stoppen waardoor zij niet loei­en kon om het gehele klooster zodoende te waarschuwen, in wat voor ge­vaar zij verkeerde. Mignon was daar zeer boos over, want juist had zij dit willen doen, toen zij merkte, dat de mannen geen vrienden, maar boze mensen waren, die met niet veel goeds in hun zin bij haar of in het klooster gekomen waren.

Maar nu bleef haar niets anders over dan stom en zwijgend met hen mee te gaan, hoewel zij voortdurend schopte en trachtte zich te ver­zetten en zoveel leven probeerde te maken als zij maar kon. De monniken wa­ren evenwel vast in slaap en lagen ronkend op hun harde britsen zonder maar enigszins te vermoeden wat er zo dicht bij hen ge­beurde. Alleen Launomarus draaide zich in zijn slaap om en prevel­de: “Ho, Mignon, sta stil!”, toen hij het doffe geluid van schoppen hoorde. Maar toch werd zelfs Launomarus niet wakker, om zijn dier­bare Mignon te redden uit de handen van de boosdoeners die haar gestolen hadden.

De rovers gingen haastig met haar door de laan, over de welbekende weide naar het dichte, donkere bos, waar zij haar gemakkelijk kon­den verbergen voor de ogen van een ieder, die voorbij mocht komen.
Nu was het die nacht wel bijzonder donker, zodat zij slechts zeer flauw konden zien, waar zij zich bevonden en de paden kruisten en overkruisten elkaar in zoveel richtingen, dat de rovers weldra met elkaar begonnen te twisten over het pad dat zij eigenlijk ne­men moesten. En zij kenden dit gedeelte van de streek niet zo heel goed, want zij waren afkomstig uit een andere provincie, alleen naar het land van Launomarus gekomen, omdat zij gehoord hadden van zijn be­roemde koe en omdat zij begerig waren die te bezitten.
Het duurde niet lang of de rovers waren verdwaald tussen het gewirwar van doornen en struiken en wisten helemaal niet mee, waar zij waren of in welke richting zij verder moesten gaan. De een zei: “Laten wij deze weg nemen,” wijzend naar het noorden en de ander zei: ” Neen, neen! wij moeten deze weg uit,”  en hij wees recht naar het zuiden heen. En de derde pruttelde tegen en zei: “Ho, jongens! niet daarheen, maar deze kant,” en hij wees naar het oosten, terwijl de vierde Mignon naar het westen toe keerde en uitriep: “Jullie hebben het allemaal mis, kameraden. Daar moeten we heen.” De vijfde rover evenwel bekende, dat hij het werkelijk niet wist. “Laten wij de koe volgen,” riep hij, “zij is de enige die in het donker zien kan. Ik heb altijd gehoord, dat de dieren ons goed lei­den, wanneer wij de zaak geheel aan hen overlaten.”
Daar nu de andere rovers niet het minste begrip hadden, welke richting zij moesten volgen, leek hun dit plan even goed aannemelijk als de andere plannen.

En zij stroopten het touw over Migons kop en zeiden: “Ziezo! vooruit koe, wijs jij ons den weg!”

Mignon zag hen door de duisternis heen met haar grote bruine ogen aan, in zichzelf lachend. Het scheen te mooi te wezen om waar te zijn! De rovers hadden haar dus vrij gelaten en vroegen haar, hun de weg uit het bos te wij­zen, terug naar hun eigen streek. Mignon lachte nog eens een keer in zichzelf, maar nu zo hard, dat de rovers dachten, dat zij stikte en namen de prop uit haar mond. Dit was juist, wat zij wilde, want zij verlangde om weer te gaan herkauwen. En zij schudde de kop en zei vriendelijk: “Boe!” alsof zij zeggen wilde: “Kom maar mee, lieve mensen, ik zal je de weg wel wijzen.”
Maar in werkelijkheid dacht ze zij zichzelf: “Aha! mijn brave jongens, nu zal ik je eens een aardig tochtje la­ten maken.”
Mignon was een zeer wijze koe; zij had niet met gesloten ogen ge­graasd in de weiden buiten Chartres, maar had ze integendeel wijd open gehouden, zodat zij alle paden door het bos en de venen kende, van het noorden naar het zuiden, zowel als van het oosten naar het westen. Zelfs in donker wist zij de weg  door het dichtste kreupelbos goed te vinden. Maar zij dacht: “Ik moet de weg niet te gemakkelijk maken voor die boze mannen.” En zij voerde hen in een kring rond, dwars door de modder en de braamstruiken en door moerassen heen, over beekjes en door grote modderige vijvers, al maar in een kring rond, de hele nacht door. En zij hadden graag eens willen rusten, maar ze liep zo hard door, dat zij haar niet konden inhalen, om haar eens even te doen stilstaan. En zo moesten zij ook wel doorlopen, want in de duisternis wilden zij haar witte gedaante niet gaarne uit het oog verliezen. Gebeurde dat, dan zou­den zij reddeloos verloren zijn, daar zij nooit uit deze wildernis zouden weten te komen.
En zo liet Mignon hen de hele nacht hij­gend en blazend, door het nat wadend achter zich aanlopen, zodat zij op het laatst helemaal uitgeput waren; koud en huiverig van het nat, met schrammen bedekt van de doornen en stijf als tien bonenstaken. En toen Mignon hen ten laatste, ongeveer een uur na zonsopgang op een open plek bracht, straalde hun gelaat van blijdschap.
“Ik geloof, dat ik mij deze plek herinner”, zei de eerste rover. ”Ja, het ziet er hier zo bekend uit. We moeten zeker dicht bij huis wezen,” zei de tweede. ”We moeten zo ongeveer vijfentwintig mijlen af zijn van de monniken van Chartres”, zei de derde, “en ik wilde, dat we wat te eten hadden.” “Over een uur zullen wij de koe veilig in ons eigen hol hebben”, zei de vierde, “en dan zullen we wat brood en melk krijgen.” Maar de vijfde viel hem in de rede en zei: “Kijk eens! Wie is die man daar in het grijs?”
En terwijl ze in de aangewezen richting keken, begonnen de rovers op­eens hevig te beven. Maar Mignon riep met luide stem, blij ver­rast: “Boe!” en rende naar de man toe, die achter het kreupelhout te voorschijn was gekomen. Het was Sint-Launomarus in eigen persoon. Overal had hij gezocht naar zijn kostbare koe, want toen hij naar de schuur gegaan was om Mignon te melken, had hij deze leeg gevon­den en haar sporen met die van de vijf rovers in de vochtige aarde hadden hem de gehele geschiedenis verteld en hem tevens gewezen, welke weg het gezelschap genomen had. Maar het was niet het plan van de heilige Launomarus om de rovers te bestraffen of angst aan te jagen. En hij ging naar hen toe, want zij waren zo geschrokken toen zij hem zagen, dat zij nog altijd bevend aan dezelfde plek vastgenageld stonden en helemaal vergeten hard weg te lopen. “Goedemorgen, vrienden,”  zei Launomarus vriendelijk. “Ik zie, dat jullie mijn koe teruggebracht hebben die vannacht voor het eerst in haar leven haar stal verlaten heeft en ver weg is gelopen. Ik dank u, goede vrienden, dat jullie mijn Mignon teruggebracht hebben, want niet alleen is zij een schat op zichzelf, maar zij is mijn beste vriendin en ik zou heel ongelukkig geweest zijn, wanneer ik haar kwijt geraakt was.”

De rovers staarden Launomarus sprakeloos van verbazing  aan en kon­den hun oren en ogen nauwelijks geloven. Waar kwam die man van­daan? Wat bedoelde hij eigenlijk? Maar toen zij tot het besef
kwa­men, hoe vriendelijk zijn stem was en merkten, dat hij hen niet beschuldigde, noch hen wilde straffen, waren zij zéér beschaamd. Vol schuldgevoel bogen zij het hoofd, en als door een en hetzelfde gevoel gedreven, vielen zij tegelijk neer aan zijn voeten, terwijl een van hen bekende, hoe alles zich had toegedragen en hem vergif­fenis vroeg.
“Wij hebben de koe gestolen, Meester,” zei de eerste. “En haar zoveel mijlen ver weggebracht,” zei de tweede. “Wij zijn boze rovers en verdienen gestraft te worden,” zei de derde. “Maar wij smeken U ons te vergeven,” riep de vierde uit. “Laat ons heen mogen gaan, goede Vader, smeken wij U,” verzocht de vijfde. “En wees zo goed ons op de rechte levensweg terug te brengen, want wij zijn daar helemaal van afgedwaald”.

“Neen, neen,” antwoordde Sint-Launomarus vriendelijk, “de koe heeft u een lange weg laten maken, is het niet zo? en jullie zullen zeker wel erg moe en hongerig zijn. Jullie kunnen nu niet verder reizen.”
En inderdaad waren zij te deerniswaardig om aan te zien, zodat het hart van de Heilige met medelijden vervuld was. “Volgt mij,” zei hij. En zij waren te zwak en te vermoeid, om ook maar aan
on­gehoorzaamheid te denken.
En zo vormden zij in alle ootmoed met hun zevenen een processie, Launomarus en de koe vrolijk vooruit lopend. Want deze beiden waren zeer verheugd weer bij elkaar te zijn, en liefdevol had Launomarus onder het gaan zijn arm om Mig­nons glanzende nek geslagen.

Maar hoe groot was de verbazing van de vijf rovers, toen zij na verloop van een paar minuten een hoek omsloegen en opeens het kloos­ter vlak voor zich zagen, met dezelfde schuur, waaruit zij Mignon in de afgelopen nacht gestolen hadden!
Al die tijd dus had de verstandige koe hen in een grote kring rondom haar eigen huis ge­leid. En na al dat waden door de modder en dat kruipen door het struikgewas in donker, waren zij in de morgen nog niet verder ge­komen op hun tocht dan zij in het begin geweest waren. Wat een wijze koe was dat geweest! En wat een heerlijk ontbijt van pap en hooi en zoete koolraap gaf Launomarus haar, omdat zij ‘s nachts zo hard gewerkt had.

De vijf rovers kregen ook een goed ontbijt, maar waarschijnlijk genoten zij er niet zo van als Mignon, want hun geweten was be­zwaard. Daarbij zaten zij aan tafel in het klooster en stonden alle monniken er op een rij zwijgend en met vrome gezichten bij, wat niet geschikt was om hen op hun gemak te stellen.
En toen de rovers hun brij aten, zei Launomarus zacht: “Deze is van Mignons melk gemaakt, vrienden. Het is de beste melk uit geheel Frankrijk, die u heden voor uw ontbijt van harte gegund is, daar wij alle reden hebben om dankbaar te zijn, dat jullie die niet voor altijd buiten ons bereik hebt gebracht. O, mijn vrienden, wij zouden zo’n kostbare koe, zo’n goede vriendin, zulk een trouwe leidsvrouw moeilijk kunnen missen. Ik vertrouw dus, dat jullie haar diensten niet meer nodig zullen hebben. Bij daglicht zullen jullie zeker wel alleen je weg naar huis kunnen vinden, wanneer ik u die wijs. De straatweg is ruim en recht voor eerlijke lieden. Ik raad u, die rechte weg te gaan.”

En toen zij verfrist en uitgerust waren, deed Launomarus hen uit­geleide en wees hun de weg, die zij te gaan hadden zoals hij beloofd had. Hij en Mignon stonden op de top van een kleine heu­vel en keken hen na, of zij wel het goede pad hielden. En toen zij uit het gezicht verdwenen waren, keerden zij zich om en keken el­kaar aan, de wijze Heilige en de wijze koe. En beiden lachten zij in zichzelf.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

776-711

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-2)

.

Verteltijd ca. 16 min.
.

DE HEILIGE BRIGITTA EN DE WOLF VAN DE KONING

Iedereen heeft wel eens gehoord van Brigitta, het kleine heilige meisje van Ierland. Haar naam is dan ook even goed bekend als die van de heilige Patricius die de slangen van het eiland verdreef.
De heilige Brigitta had lange, gouden haren en was heel mooi. Vele wonderlijke dingen zijn met haar gebeurd, die opgeschreven staan in de heilige boeken. Maar ik vermoed toch, dat je nog nooit gehoord hebt over wat zij deed met de wolf van de koning. Het is een heel wonderlijke geschiedenis, die aldus gebeurde.

De koning van Ierland bezat een tamme wolf, die een paar jagers voor hem gevangen hadden, toen hij nog een teer, klein, pas geboren wolfje was. En deze wolf liep, als hij er zin in had, helemaal vrij rond in het park bij het paleis en had een heerlijk leven.

Maar op zekere morgen sprong hij over de hoge muur die het park omgaf en dwaalde een heel eind van huis af, wat heel dwaas en onvoorzichtig van de wolf was. Want in die dagen waren de wilde wolven zeer gehaat en gevreesd bij de mensen, van wie zij dikwijls het voedsel sta­len en wanneer iemand zo’n boze wolf wist te doden, voelde hij zich een heel gewichtig man. Bovendien had de koning zelf een prijs uitgeloofd aan iedereen die hem een dode wolf bracht. Want bij wilde dat zijn koninkrijk een gelukkig en vredig rijk zou zijn, waar de kinderen de gehele dag in de bossen konden spelen,  zonder dat zij gevaar liepen door wilde dieren te worden opgegeten.

Het is niet moeilijk te raden, wat er gebeurde met de wolf van de koning.

Een grote, domme boerenjongen was met zijn boog en pijlen uitgetrokken naar het bos, toen hij opeens een groot, bruin beest over een heg zag springen en over de wei zag weglopen. Het was de wolf van de koning, die van huis wegliep en zich erg vrolijk en dartel voelde, omdat dit de eerste keer was, dat hij zoiets deed. Maar de boerenjongen wist van dit alles niets.
“Aha”,  zei hij in zichzelf, “ik zal je wel gauw krijgen, mijn beste wolf en dan zal de koning me een geldstuk geven, waarvan ik een hoed en een nieuw pak kleren kan kopen voor de feestdagen.
En zonder er verder over na te denken of de wolf die het koninklijk merk op zijn oor had, eerst nog eens van dichtbij te bekijken, schoot de jongen zijn pijl recht op hem af. De wolf van de koning maakte een hoge sprong in de lucht en viel toen dood op het gras neer, het arme dier. De boer was erg in zijn schik en sleepte het dode dier regelrecht naar het paleis van de koning en klopte aan de poort.

“Doe ópen!” riep hij. “Open de poort voor de moedige jager die een wolf heeft geschoten voor de koning. Doe open, zodat ik mijn beloning kan ontvangen.”

En hij werd eerbiedig verzocht binnen te komen en de opper­kamerheer geleidde hem naar de koning, die op een rood fluwelen troon in de grote zaal gezeten was. En de man trad de zaal binnen, terwijl hij het levenloze lichaam van de wolf van de koning bij de staart achter zich aansleepte.

“Wat is dat hier?” vroeg de koning op ontevreden toon, toen de opper­kamerheer onder een diepe buiging hem met zijn staf op de vreemde­ling wees. De koning had een slecht humeur en hield er niet van in de morgen bezoeken te ontvangen. Maar de domme boer was te trots op zijn daad en te zeer vervuld daarvan, dan dat hij de misnoegde trek op het gelaat van de koning opmerkte.

“Hier hebt U een wolf, Sire,” zei hij trots. “Ik heb een wolf voor U geschoten en nu kom ik om de beloning vragen die U hebt uitgeloofd.”
Doch op hetzelfde ongelukkige ogenblik sprong de koning met een kreet van toorn op.  Hij had het merk op het rechteroor van de wolf gezien.

“Hier! Grijp de booswicht!”, riep hij tot zijn soldaten, “Hij heeft mijn tamme wolf vermoord, hij heeft mijn lieveling doodgeschoten! Weg met hem naar de gevangenis; morgen moet hij sterven!”
Het hielp de arme man niets, of hij al gilde en schreeuwde en trachtte uit te leggen, dat alles een ongelukkige vergissing was. De koning was woedend. Zijn wolf was gedood,  en de moordenaar moest sterven.
In die dagen was dit de wijze, waarop koningen degenen straften, die hen in enig opzicht mishaagd hadden. Uitstel bestond niet, alle dingen geschiedden onmiddellijk. En zo werd de arme man, naar een donker, duf gevangenishol gesleurd, waar hij schreiend, zich in wanhoop de haren uittrekkend, werd achtergelaten, wensend, dat de wolven maar nooit door Noach in zijn ark uit de zondvloed gered waren.

Niet ver van deze plaats leefde de kleine, heilige Brigitta.

Toen zij zich die mooie plek tot woning koos, was er nog geen enkel huis in de nabijheid; alleen stond er een grote eik waaronder zij haar hutje bouwde. Dit bestond slechts uit één vertrek en het dak was bedekt met gras en stro. En het was zó klein, dat het op een poppenhuis leek en Brigitta zelf was als een grote pop met gouden haren – de mooiste pop die ooit bestaan had.

Zij was zó mooi en zó goed, dat de mensen wensten dicht bij haar te wonen, om haar zacht, lief gelaat dikwijls te kunnen zien en haar stem te horen. En toen zij ontdekt hadden, waar zij haar hut gebouwd had, kwamen de lieden van alle kanten uit de omtrek met hun vrouwen en kinderen en hun huisraad, hun koeien en var­kens en kippen aanzetten, en vestigden zich op het groene gras, on­der de grote eik en ze zeiden: “Wij willen wonen waar de heilige Brigitta woont.”

En zo werd het ene huis na het andere gebouwd en ontstond er een heel dorp rondom haar kleine hut en het dorp werd Kildare genoemd, wat in het Iers betekent: ‘hut van de eik’.
En weldra was Kildare zo gezocht dat zelfs de koning er een paleis en een park wenste te hebben. En in dit park nu was de wolf van de ko­ning gedood.

Brigitta kende de man die de wolf had doodgeschoten en toen zij hoorde in welke diep ongelukkige toestand hij zich bevond, was zij zeer bedroefd, want zij was een zeer goedhartig, klein meis­je. En zij vond het wel heel dom van hem, dat hij de tamme wolf had gedood, maar het was toch een ongeluk geweest van hem en zij vond, dat hij daarvoor niet zo streng moest worden gestraft. En zij wilde dat zij iets kon doen om hem te helpen, te redden zo dit mogelijk was. Maar dit was zeer moeilijk, want zij wist, wat voor een slecht humeur de koning had en zij wist ook, hoe trots hij geweest was op die wolf, die de enige tamme wolf was in het hele land.

Brigitta liet haar wagen met haar witte paarden inspannen en reed daarmee naar het paleis van de koning, zelf nog niet wetend wat zij doen moest om de koning tot bedaren te brengen en hem te be­wegen, de man vrij te laten, die, meende ze, niets kwaads gedaan had.

Maar ziet! terwijl de paarden langs de lerse venen renden, zag de heilige Brigitta opeens een grote, witte gedaante op haar af­stormen. Eerst dacht zij, dat het een hond was. Maar neen, een hond kon zo groot niet zijn en weldra zag zij, dat het een wolf was, met grote ogen en een rode tong, die uit zijn bek hing. En toen hij de verschrikte paarden had bereikt, kwam hij met een grote sprong opeens in de wagen, waarin Brigitta zat, en legde zich aan haar voeten neer, even kalm en rustig als een hond dit gedaan zou hebben. Hij was geen tamme wolf, maar een wilde, die nooit te voren de aanraking van een mensenhand gevoeld had. En hij liet zich door Brigitta strelen en liefkozen en allerlei lieve dingen in zijn oor fluisteren. En hij bleef volkomen stil aan haar voeten liggen tot de wagen voor de poort van het paleis reed. Toen strekte Brigitta de hand uit en riep hem en het grote witte dier volgde haar rustig door de poort en de trappen op en door de lange zaal, totdat zij voor de roodfluwelen troon stonden waar­op de koning met gefronst, bars en streng gelaat gezeten was. Het moet een eigenaardig gezicht zijn geweest, die twee, het klei­ne meisje in haar groen gewaad met haar gouden haren, als een slui­er neervallend tot op haar knieën en staande naast haar sterke, witte wolf, even groot als zij, met zijn gele, schitterende ogen scherp voor zich uitstarend, de rode tong uit zijn bek.

Bri­gitte  legde zacht haar hand op zijn kop, die dicht aan haar schou­der kwam,  en boog voor de koning.
Doch de koning zat onbewegelijk op zijn troon, zozeer had deze aanblik hem verrast.
Brigitta be­schouwde zijn stilzwijgen evenwel als toestemming hem te mogen toespreken.
“U hebt uw tamme wolf verloren, o Koning,” zei ze. “Maar ik heb een betere voor U meegebracht. Nu Uw eigen wolf dood. is, is er geen andere tamme in het gehele land. Maar zie deze aan! Geen enkele witte wolf is er ergens in Uw rijk te vinden en deze is én tam én wit. Ik heb hem getemd, mijn Koning. Ik, een klein meisje, heb hem tam gemaakt, zodat hij vriendelijk is en zacht, zoals U ziet. Kijk, ik kan hem aan zijn grote oren trekken en hij gromt niet. Kijk, ik kan mijn kleine hand in zijn grote, rode muil
leg­gen en hij bijt niet. Sire, ik geef hem aan U. Spaar om mijnentwil dan het leven van die arme, dwaze man, die onwetend Uw dier doodde. Geef mij zijn arm leven in ruil voor deze goede, vriendelijke wolf” en zij glimlachte zacht, terwijl zij zo pleitte.

Zwijgend keek de koning eerst naar het grote, witte dier, waarin hij groot behagen schiep, toen naar het schone meisje, dat hem met haar blauwe ogen zo ernstig aankeek. En die blik beviel hem wel.

Toen verzocht hij haar, hem de gehele geschiedenis te vertellen, hoe zij aan dit dier kwam en waar en hoe zij hem gekregen had. En toen zij haar verhaal gedaan had en de koning eerst zijn grote verbazing erover had laten blijken, begon hij te lachen. Dat was een goed teken, want ook in het verhaal van Brigitta schiep hij groot welbehagen. En het was zo iets vreemds voor de koning om in de morgen reeds te lachen, dat de kamerheer bijna flauw viel van verrassing en Brigitta wist nu zeker, dat haar bede verhoord zou worden. Nog nooit had men de koning zo goedgehumeurd gezien. Want hij was een ijdel mens en het denkbeeld, dat hij dit mooie, grote dier, wiens gelijke in het gehele land niet te vinden en wiens geschiedenis zo wonderbaarlijk was, zou bezitten, streelde hem uitermate.
En toen Brigitta hem zo smekend aankeek, kon hij geen weerstand bieden aan de vragende blik van haar zachte, blauwe ogen, uit vrees, dat zij zich met tranen zouden vullen.

En zo schonk hij, op verzoek van Brigitta, de boer vergiffenis, stelde zijn leven in haar handen en beval de soldaten hem vrij te laten uit de ge­vangenis.
Toen zij de koning zeer vriendelijk bedankt had, verzocht zij de wolf naast de roodfluwelen troon te gaan liggen en voor­taan trouw en goed te zijn voor zijn nieuwe meester. En nadat zij nog eenmaal voor het laatst zijn ruige kop gestreeld had, ver­liet zij de wolf en haastte zich, de onnozele boer in haar wa­gen mee te nemen, voordat de koning nog tijd had zich misschien te bedenken.

De man was zeer gelukkig en dankbaar. Maar zij gaf hem een ernstige vermaning op weg naar huis en raadde hem aan voortaan niet meer zo on­bedacht te zijn.
“Heer Domheid,” zei zij, toen zij hem bij de deur van de hut af­zette, “veel beter is het, in het geheel niet te doden dan het le­ven te nemen van arme, tamme creaturen.  Ditmaal heb ik u het leven gered, maar een volgende keer zou je het weleens kunnen verliezen. Bedenk, dat het beter is, dat twee boze wolven ontvluchten, dan dat een vrien­delijk dier gedood wordt. Wij kunnen onze goede dieren niet missen, Heer Domheid. Beter nog kunnen wij zo’n domme jongen als jij missen.”

En ze verdween in haar hut onder de eik, de onnozele jongen ach­terlatend, om na te denken over wat zij hem gezegd had en zich te schamen over zijn daad.

De nieuwe wolf van de koning leefde verder gelukkig in het park van het paleis en Brigitta kwam hem dikwijls opzoeken, zodat hij geen tijd had heimwee te krijgen of zich eenzaam te voelen.
.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

775-710