Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn…..bewegen (2-1)

.

Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet.

Bewegen is belangrijk; voor jongere kinderen een noodzaak; bewegen kan helpen bij leren.

Juf Gemma heeft een filmpje gemaakt over ‘tafels bewegen’, Bewegend de tafels van vermenigvuldiging – de ‘keer’ tafels oefenen.

Ik word helemaal vrolijk van de blij springende kinderen.
Maar ik wil vanuit rekenkundig oogpunt wel een paar opmerkingen maken.

Als ik het aanleren van tafels in 3 delen verdeel, dan is het allereerste wat geleerd moet worden, de rij van de tafelgetallen.

Dus bij die van 2:  2, 4, 6 enz.
Die rij moeten de kinderen buitengewoon goed beheersen. Ook terugtellend.

Dit aanleren kan, moet eigenlijk aangleerd worden met behulp van de ledematen, dus handen: klappen, voeten: beheerst stampen.

Bij de tafel van 3 zou je met lopen bv, zo te werk kunnen gaan:
stap stap sprong, waarbij gesproken w0rdt 1,2, DRIE; 4,5 ZES enz tot 30.
Ook terug 29, 28 ZEVENENTWINTIG; 5,4, DRIE, 2,1, THUIS (wanneer 0 nog te abstract is).

Of klap, klap, 3    klap, klap 6 enz.
.Langzaam moet het bewegen minder worden: even aantikken: tik,tik,3 enz.

Zo’n leergang gaat door dagen heen, maar uiteindelijk moet het resultaat worden dat de kinderen volledig de rij 3, 6, 9 enz van achter naar voren kunnen dromen.

Het tweede: Dan moet het principe van ‘keer’ uitgelegd worden. Je doet iets,,je doet het nogmaals, nog een keer. Uit een hoopje knopen, kiezelsteentjes enz. pakt het kind er in één beweging 3, schuift die opzij en zegt: ‘1 keer 3 is 3. En omgkeerd: jij legt 3 steentjes neer en vraagt hoeveel keer er gelegd is: 1 keer.
Zo kun je de tafels doen vanuit het geheel naar de delen: 12 =  ….x 3 en van de delen naar het geheel: 3 x 4 = ….
Ten derde: Als dat laatste begint te beklijven en het kind wordt er zeker(er) in, kunnen de oefeningen zoals hier op de trampoline helpen het ‘ 4 x 5 = 20’enz.  te versterken,

Datzelfde geldt voor het op de stoelen stappen. Pas wel op dat de stoelen niet kunnen kantelen (lelijke valpartijen!)

Wat het gooien met de bal betreft: daarvan leren kinderen ook geen tafels. Pas als ze vrij redelijk de reeks kunnen opzeggen, kunnen ze het ballen vangen aan. Is het ook leuk om te doen. Als een kind het nog niet kan, is het helemaal niet leuk. Kinderen raken er zelfs gespannen, verkrampt van. En ook bij het handje-klappen geldt dit. Maar een prima oefening voor de coördinatie en concentratie om 2 moeilijke dingen tegelijk te doen.

.

2e klas rekenen: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

vrijeschool in beeld: alle artikelen
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn……verwijzingen op alfabet

.

Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.
.

Zie als inleiding: Nu de kinderen thuis zijn….alle artikelen

Wat verscheen er op de Facebookgroep vrijeschool?

Bakersprookjes                                                    Judith Komen

Bewegen    coördinatie
Bewegen    2e klas tafels                                    Gemma Awater
Bewegen  1e klas spelletjes enz. voor de        Philia de Vries
motoriek

Boeken digitaal te ontvangen                          via vspedagogie@gmail.com

Heemkunde klas 1 en 2

Herhaalverhalen
Herhaalverhaal Paasmaan                               Evelene Clignet

Lezen – aanwijzingen voor ouders                  Pieter HA Witvliet

Peuter/kleuter tastzinspel                                 Nienke Kompagne

Spelletjes

Sprookjes – welke voor 3- en 4-jarigen

Taalspelletjes

Verhalen    vogel vuur / Koen en Vrees          Paul van Meurs
Vingerspelletjes                                                  Margo van Schie

 

Awater Gemma                                  Beweging tafels van vermenigvuldiging
Clignett Eveline                                  Paasmaan  herhaalverhaal
Komen Judith                                     Bakersprookjes
Kompagne Nienke                             Peuter/kleuter tastzinspelletje
Meurs Paul van                                  Verhalen
Schie Margo van                                Vingerspelletjes
Vries Philia de                                    Allerlei spelletjs voor de motoriek
Witvliet Pieter HA                             Lezen: aanwijzingen voor ouders

.

Nu de kinderen thuis zijn….alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn…..bewegen [1-1]

.

Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

Op de vrijescholen wordt veel bewogen. Hoe jonger de kinderen, hoe meer behoefte ze eraan hebben.

Bewegen is ook een middel om mee en door te leren.
Er zijn allerlei bewegingspelletjes; er is gymnastiek en euritmie.

Digitale overdracht heeft zo zijn  beperkingen, maar ja, je moet wat, dus:….

Een geweldige oefening voor de coördinatie. Niet zo moeilijk zelf te maken:

Touwtjespringen                 hinkelen     

Vele suggesties in ‘dyslexie en touwtjespringen

Dit is een momentopname uit een filmpje dat ik hier niet als filmpje kan plaatsen. (de link werkt niet)
Het meisje draait met haar rechterbeen een kleurig lint horizontaal rond en iedere keer springt ze daar met haar linkerbeen overheen.
Een heel goede oefening om linker- en rechtervoet/been te leren coördineren.

Met jongere kinderen oefenen in bewegings-coördinatie, de zgn. ‘lichaamsgeografie’:

Bij de lichaamsoriëntatie moet het kind direct uit het begrip handelen:
“pak met je rechterhand je linker schouder;
wijs met je linker wijsvinger je linkerknie aan.” Enz, enz.
“Beschrijf een cirkel met je rechterhand om je linkerhand; beschrijf 2 cirkels, met de ene hand naar de ene kant en met de andere hand naar de andere kant.” Enz.

Waarbij het tempo steeds verder wordt opgevoerd.

En passant leert het kind veel lichaamsdelen kennen: wreef, scheen, dij enz.

4e klas
Ook in de 4e klas gebruikte ik deze oefening om het kind te leren zich te oriënteren o.a. in de windrichtingen:

In de aardrijkskundeperiode hadden we een levensgroot “kompas” gemaakt van touw, boven ons hoofd, van muur tot muur. Aan de 8 touwen hingen kaarten met de namen: noordoost, zuidwest, noord enz.
Door eerst vast te stellen waar ’s morgens de zon te zien was, bepaalden we het oosten.
De kinderen wisten op den duur waar het noorden enz. was.

“Ga met je linkerschouder naar het zuidwesten staan; met je rug naar het noord-noordoosten”. Enz.

Meer  voorbeelden

De onovertroffen ‘pittenzakjes’

.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

.

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn…(0-4)

,

Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet
.

PEUTERS/KLEUTERS

SPROOKJES

Vraag: moet je 3-jarigen sprookjes vertellen?
Nog maar niet: te ingewikkeld, te lang, (en vrijeschoolkinderen krijgen er de volgende jaren nog genoeg te horen)

Wélbakersprookjes en herhaalverhaaltjes zijn geschikter,

En voor de 4-jarigen?
Een ervaren kleuterjuf: “zoete pap, de sterrendaalders, Roodkapje, vrouw Holle, Doornroosje, het ezeltje en repelsteeltje (alle van Grimm)
Ik lees ze niet voor, ik vertel ze, dan kun je in toon en woordkeus wat beter aansluiten bij de ‘toehoorders’. En ik kies maar 1 sprookje per week, ik herhaal dus veel.
Daarnaast vertel ik herhaalverhaaltjes en lees ik prentenboeken voor.”

Achtergronden en uitleg bij sprookjes

Mooie sprookjesafbeeldingen
.Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn…..(0-3)

.

Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet
.

PEUTERS/KLEUTERS

BAKERSPROOKJES

Van Loïs Eijgenraam, voorgelezen door Judith Komen:

[1]

 

[2]

 

 

Loïs Eijgenraam: Bakersprookjes (Met inkijkmogelijkheid)

Loïs Eijgenraam: Wat zijn bakersprookjes (1)
Loïs Eijgenraam: Wat zijn bakersprookjes + over andere vertelstof, w.o. sprookjes.

Nog een bakersprookje:

Nog een pannenkoek
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is

Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn….peuter/kleuters (0-2)

 

Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet
.

PEUTERS/KLEUTERS

Leuke vingerspelletjes/handgebaren, grappige rijmpjes.
Heb je de tijd om ze te leren, doe het! en voer ze zelf uit met je kind(eren)

Hier is meer van juf Margo

.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is

Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn….peuters/kleuters (0-1)

.
Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

PEUTERS/KLEUTERS

Geen (Grimm) sprookjes voor 3-jarigen (te groot, te ingewikkeld – ‘soms te ‘gruwelijk’, vrijeschoolkinderen krijgen er vanaf hun 4e tot hun 7e nog genoeg te horen)

wel bakersprookjes en ‘herhaal’verhaaltjes.

Bakersprookjes:
[0-3] Judith Komen leest ‘Bakersprookjes’ voor van Loïs Eijgenraam

Een ‘herhaal’verhaaltje

Dit kan ook met kleuters. De kracht van zo’n herhaalverhaal zit in de herhaling waar peuters en kleuters a.h.w. van en uit leven. Er komt telkens iets bij wat onthouden moet worden. Naast de verrijking van de taalschat, wordt ook het geheugen versterkt. [1] Maak er fantasievolle gebaren bij. [2]

HET HUIS VAN ADRIAAN

Dit is het huis van Adriaan,
dit is het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de rat,
die at van het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de kat,
die pakte de rat,
die at van het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de hond,
die wegjoeg de kat,
die pakte de rat,
die at van het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is het koetje bont,
dat omhoogsmeet de hond,
ie wegjoeg de kat,
die pakte de rat,
die at van het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is het meisje op klompen,
dat molk het koetje bont,
dat omhoogsmeet de hond,
die wegjoeg de kat,
die pakte de rat,
die at van het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de man in lompen,
die haalde de melk van het meisje op klompen,
dat molk het koetje bont,
dat omhoogsmeet de hond,
die wegjoeg de kat,
die pakte de rat,
die at van het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de vrouw,
die een koek bakken wou,
voor de man in lompen,
die haalde melk van het meisje op klompen,
dat molk het koetje bont,
dat omhoogsmeet de hond,
die wegjoeg de kat,
die pakte de rat,
die at van het graan,
dat lag in het huis van Adriaan.

D. J. van Bemmelen

Het tovervrouwtje

Zal ik nu eens iets vertellen van het oude tovervrouwtje ?
Nu, dat vrouwtje had een tuintje
en dat was een wondertuintje.
In dat tuintje stond een boompje
en dat was een wonderboompje.
Aan dat boompje zaten takken
en dat waren wondertakken.
Aan die takken zaten takjes
en dat waren wondertakjes.
Aan die takjes zaten blaadren
en dat waren wonderblaadren.
In die blaadren zat een nestje
en dat was een wondernestje.
In dat nestje lagen eitjes
en dat waren wondereitjes.
Uit die eitjes kwamen vogels
en dat waren wondervogels.
Al die vogels hadden veren
en dat waren wonderveren.
En die kwamen in een bedje
en dat was een wonderbedje.
Vóór dat bedje stond een stoeltje
en dat was een wonderstoeltje.
Op dat stoeltje lag een boekje
en dat was een wonderboekje.
In dat boekje staat te lezen … dat je altijd zoet moet wezen.

Die afsluiting is wel wat moralistisch; dat hoeft niet zo te eindigen. Je kan simpelweg weer opnieuw beginnen:

In dat boekje staat een vrouwtje en dat was enz.
Dan kan je zo lang doorgaan tot ook de peuter het wel genoeg vindt…..

Het varken wou niet gaan

Er was eens een varken,
en dat varken wou niet gaan.
Toen ging de boer naar de hond.
‘Hond, wil jij dat varken bijten,
want het varken wil niet gaan!’

‘Nee,’ zei de hond.

Toen ging hij naar de stok.
‘Stok, wil jij de hond slaan,
want de hond wil het varken niet bijten,
en het varken wil niet gaan!’

‘Nee,’ zei de stok.

Toen ging hij naar het vuur.
‘Vuur, wil jij de stok verbranden,
want de stok wil de hond niet slaan,
de hond wil het varken niet bijten
en het varken wil niet gaan.’

‘Nee,’ zei het vuur.

Toen ging hij naar het water.

‘Water, wil jij dat vuur blussen, want het vuur wil de stok niet branden, de stok wil de hond niet slaan, de hond wil het varken niet bijten, en het varken wil niet gaan.’

‘Nee,’ zei het water.

Toen ging hij naar de koe.
‘Koe, wil jij dat water opdrinken,
want het water wil het vuur niet blussen,
het vuur wil de stok niet branden,
de stok wil de hond niet slaan,
de hond wil het varken niet bijten
en het varken wil niet gaan.’

‘Nee,’ zei de koe.

Toen ging hij naar de man.
‘Man, wil jij die koe slachten,
want de koe wil het water niet opdrinken,
het water wil het vuur niet blussen,
het vuur wil de stok niet branden,
de stok wil de hond niet slaan,
de hond wil het varken niet bijten
en het varken wil niet gaan.

‘Ja!’ zei de man.

En de man slachtte de koe,
de koe dronk het water,
het water bluste het vuur,
het vuur verbrandde de stok,
de stok sloeg de hond,
de hond beet het varken
en het varken liep! liep! Kijk, kijk, daar gaat ie!

Zo eindigt dit vers, maar je kan ook opnieuw beginnen door na ‘liep, liep, weer te starten met ‘en er was eens een varken’.

Meer zgn. ‘stapelrijmen
.

Een paasverhaal met herhalingen:

Bron: Waldorfinspiration

[1] Zie dyslexie en touwtjespringen
[2] In de trant van Margo van Schie
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

Peuter/kleuter: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-4)

.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Enkele gedachten bij blz. 113 –  in de vertaling [1]

Steiners bijzondere opvatting over de zenuwen

In verschillend opzicht is wat Steiner over de zenuwen en het zenuwstelsel zegt, anders dan wat de wetenschap erover vermeldt. Aangezien de meesten van ons (ooit) het wetenschappelijke standpunt hebben geleerd en – het is wetenschap – voetstoots aangenomen, is dat het beeld dat we ervan hebben. De (kleine) veranderingen van wetenschappelijke opvattingen ontgaan ons vaak, zodat we, zonder het te beseffen, soms ‘achterlopen’ wat onze eigen opvatting betreft. (Zie bv. hier onder het kopje ‘bewustzijn’ hoe we, wat het puberbrein betreft, in zekere zin op het verkeerde been zijn gezet door een populair boek). Dat maakt het extra moeilijk Steiner te (kunnen) volgen.

Hij brengt het zenuwstelsel en dus ook de hersenen steeds in verband met een stervensproces:

Blz. 115   vert. 113

Das Nervensystem ist ein System dass fortwährend die Tendenz hat zu verwesen, mineralisch zu werden. 

Het zenuwstelsel heeft door de lichamelijke functies voortdurend de tendens af te sterven en in minerale vorm over te gaan.

Dit kwam al eerder ter sprake in de 2e voordracht:

Im Gegensatz zum Blut sind alle Nerven so veranlagt, daß sie
fortwährend im Absterben, im Materiellwerden begriffen sind. Was längs der Nervenbahnen liegt, das ist eigentlich ausgeschiedene Materie; der Nerv ist eigentlich abgesonderte Materie. Das Blut will immer geistiger werden, der Nerv immer materieller; darin besteht der polarische Gegensatz.

In tegenstelling tot het bloed hebben alle zenuwen de eigenschap dat ze zich voortdurend in een sterfproces, in een materialisatieproces bevinden. Wat langs
de zenuwbanen ligt, is eigenlijk afgescheiden materie; de zenuw is eigenlijk afgezonderde materie.
GA 293/39
Vertaald/39    Zie bv. ook de 2e vdr.: [2-5]   en  [2-5-2]

Blz. 115  vert. 113

Im Nervensystem geht fortwährend das Sterben des Menschen vor sich.

In het zenuwstelsel speelt zich voortdurend het sterfteproces van de mens af. 

Das Nervensystem stirbt fortwährend ab. 

Het zenuwstelsel sterft voortdurend af.

Wanneer je met dit gegeven nog wat fenomenologisch verder kijkt, zie je dat het herstel van zenuwen wanneer die beschadigd zijn geraakt, een moeizaam proces is.

Uit een rede van Prof. dr. M.J.A. Malessy

(Vetgedrukt door mij)

‘Ik vergelijk een zenuw met een elektriciteitskabel met een witte plastic buitenhoes waarin het geelgroene kabeltje, het blauwe en het zwarte kabeltje lopen. In de gekleurde kabeltjes vindt u de koperdraadjes. Deze koperdraadjes geleiden de informatie van gevoel naar de hersenen en het aansturen van bewegingen van de hersenen naar de spieren. Elke zenuw heeft een verschillend aantal koperdraadjesdit kunnen er per zenuw wel duizenden zijn. De koperdraadjes zijn eigenlijk dunne uitlopers uit een zenuwcellichaam en heten axonen. Het cellichaam ligt in of nabij het ruggenmerg en de uitloper, het axon, kan wel 1 meter lang zijn. In een zenuw liggen de axonen voor beweging en gevoel door elkaar en ze zijn niet te onderscheiden.
Als een elektriciteitskabel gebroken is en je zet hem weer aan elkaar, dan gaat het licht meteen weer branden.
Het (zelf)herstellend vermogen van zenuwen na een beschadiging is echter slecht, het minste van alle weefsels. Als een zenuw kapot is en je zet hem aan elkaar, dan is helaas de functie niet meteen weer terug. Dit komt doordat de zenuwvezels, dus vergelijkbaar met de koperdraadjes, afsterven als zij het contact hebben verloren met het cellichaam. Het proces waarbij het koperdraadje verdwijnt heet Wallerse degeneratie naar August Waller die dit in 1850 heeft ontdekt. Om tot functieherstel te komen moet het beschadigde axon van de plaats van het letsel helemaal uitgroeien tot de oorspronkelijke spier of het gevoelsorgaan. Het uitgroeien van het axon kan vele maanden tot zelfs wel twee jaar duren. In dit proces van uitgroei kunnen een hoop dingen verkeerd gaan.’

Bloed – zenuw

Steiner geeft verschillende keren aan dat het ‘in tegenstellingen’ denken vaak licht werpt op je onderwerp:

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstellingen in de wereld zien. [de vertaling heeft ‘tegenstrijdigheden].
GA 293/124
Vertaald/120     zie  Rudolf Steiner wegwijzers 15; 17; 24; 87; 121; 124, 161; 163; 243; 245

In voordracht 2 neemt hij wanneer het over de zenuwen gaat, de tegenstelling met het bloed. Gekeken naar de regeneratie hiervan valt het grote gehalte aan leven op:

Elke seconde maakt ons lichaam ca twee miljoen (2,4) nieuwe rode bloedlichaampjes aan.

In 2019 was dit krantennieuws:

Je ouders hebben je geleerd dat ieder biertje dat je drinkt honderden hersencellen doodt en dat je die nooit meer terugkrijgt, omdat de hersenen – in tegenstelling tot andere organen – geen nieuwe cellen kunnen maken. Ze hadden een beetje ongelijk: hersenen maken wél nieuwe cellen aan, maar die zijn zeldzaam en diep verborgen.’  (rede van Prof. dr. M.J.A. Malessy)

In tegenstelling tot het bloed, duurt het voor een hersencel lang, het aantal ligt laag. Dat is toch wel een diep contrast met het bloed.

De gedachte aan weinig leven bij de hersenen is in dit opzicht begrijpelijk.

Denken

Het is in deze voordrachten al meer ter sprake gekomen: de hersenen denken niet! Het is de sprekende titel van een boek van Arie Bos:Mijn hersenen denken niet, ik wel’. 

Vaak worden er beelden gemaakt om dit te verduidelijken: met een  muziekinstrument. Dat maakt uit zichzelf geen muziek: het moet worden bespeeld, het moet worden gebruikt. Maar om de betreffende muziek te maken, heb je wel een (gaaf) instrument nodig. Om te kunnen denken, hebben wij onze hersenen nodig; we moeten ze gebruiken.

In 1919 kon Steiner al opmerken:

Blz. 116       vert. 114

Die Physiologen sagen: Die Organe des Denkens sind die Nerven, insbesondere das Gehirn. 

Fysiologen zeggen dat de zenuwen, en met name de hersenen, de organen zijn van het denken.
(Bedoeld wordt: de hersenen, de organen als organen die denken)

We komen dat in deze tijd nog steeds tegen en door het werk ‘Wij zijn ons brein’ zijn vele mensen hiervan (opnieuw) overtuigd geraakt. Tegelijkertijd zijn er, naast Arie Bos, anderen die dit om wat voor redenen dan ook, moeten afwijzen.

Zo is het voor Bert Keizer, arts, filosoof, en o.a. columnist voor Trouw, een vraag ‘waar de geest zit’:

U ziet een oude vriend, u wilt naar hem zwaaien, maar uw man moet hem niet zo, dus wordt het een heel discreet knikje. Tussen de waarneming en het knikje zat vroeger uw geest, uw ziel, uw bewustzijn, uw psyche, uw karakter, oftewel het geestelij­ke domein waarbinnen langs al­lerlei paden het besluit rijpt dat omgezet wordt in de spierbewe­gingen die een zuinig knikje te­weeg brengen. Tegenwoordig zit­ten daar de hersenen, waarmee we echter niet van de geest af zijn. Tot nog toe is het niemand gelukt uit te leggen hoe de geest in de hersenen zit, of eruit komt, of er mee samenhangt, of er onder bungelt, of er boven zweeft.’
Bron: Trouw

In een andere column schrijft hij:|

Hangt er dan een geest ‘boven’ het brein?

Hedendaagse neurofysiologen lachen meewarig om deze sugges­tie. Want hiermee staan we weer midden in het dualisme van Descartes. Ze wijzen dat af als een historisch misverstand over Geest en Stof. Maar tot nog toe is er nie­mand in geslaagd die twee met el­kaar in contact te brengen. Dit al­les heeft er wel toe geleid dat grapjassen denken dat de geest het ook zonder hersenen wel zou redden. Maar ik heb nog nooit een geest ontmoet zonder brein. Wel breinen zonder geest.

(Hoewel Keizer Steiners ‘Filosofie van de vrijheid’ ergens noemt – hij weet dus ‘van Steiner’, weet hij waarschijnlijk niet dat Steiner ‘die twee’ wél met elkaar in contact brengt – hoe ja daar verder ook over mag denken!)

Het hoofd in rust

Een ander fenomeen werpt nog een nieuw licht op dit vraagstuk.
Dit weinige leven van de hersenen doet het woord ‘rust’ opkomen, vooral wanneer we kijken naar het hoofd waarin onze hersenen liggen. Om te kunnen waarnemen en te kunnen denken, heeft het hoofd ‘rust’ nodig: geen beweeglijkheid.
Stel dat je je hoofd zo zou moeten bewegen als bv. een duif doet: telkens opkijken, links, rechts, met schokkende bewegingen – doe het eens een poosje na – zou je dan geconcentreerd je waarnemend op iets kunnen richten: nee. Het voortdurende bewegen maakt ook duizelig: het daast je even. Ook een teveel aan indrukken maakt het concentreren moeilijker: ‘horen en zien vergaan je’, je kan ‘te veel aan je hoofd hebben.’, ‘het hoofd loopt me om’ (beweging?).
De hersenschudding maakt denken veel moeilijker en wanneer de hersencellen door bv. een hersenbloeding overspoeld raken met bloed: het leven – treden er allerlei beschadigingen op waardoor het denken en het tot uitdrukking brengen daarvan moeilijk, zo niet onmogelijk wordt (verschillende vormen van afasie). Dat het hoofd ook ‘koel’ gehouden moet worden, wijst mede in die richting. ‘Koel’ is op weg naar ‘koud’ en dit naar ‘verstarring’ – mineralisering – (van het leven).

Keren we nog even terug naar het beeld van het muziekinstrument = de hersenen, die bespeeld moeten worden= ‘tot denken gebracht’.
Zou de piano die we willen bespelen voortdurend voor onze handen heen en weer, op en neer bewegen, dan zouden we er geen muziek op kunnen maken.

Laten we de piano het zinnetje zeggen:

Blz. 115                 vert. 113

Du kannst dich entwickeln, weil ich dir kein Hindernis biete, weil ich mache, daß ich gar nicht da bin mit meinem Leben! –

Jij kunt jezelf verder ontwikkelen, omdat ik geen hindernis voor je beteken, omdat ik ervoor zorg dat ik er met mijn leven helemaal niet ben!,

Dan is dit wellicht een ingang om dit eveneens lastige onderdeel van deze voordracht te begrijpen.
M.a.w. als ik als piano ‘doods’ blijf staan, kan jij gewoon spelen.
Of: als de hersenen ‘op sterven na dood’ zijn, kun jij denken.

Dat helemaal mee moeten bewegen met de bewegende piano, zou ons in hoge mate aan de piano binden, we zouden er geen afstand toe kunnen nemen. En hier kunnen we dan denken aan de sympathie: het helemaal mee en in opgaan; we zouden niet meer kunnen doen wat ons helder voor ogen staat: muziek maken. We zouden a.h.w. opgenomen worden door het instrument – het instrument zou onze eigen activiteit binden.

Of weer naar het denken: we zouden zo ‘worden gedacht’, we zouden de ‘passieve’ worden zoals we door ons bloed en onze stofwisseling ‘worden geleefd’. Van wakkerheid zou geen sprake meer kunnen zijn. Juist de afstand tot het instrument – het instrument dat a.h.w. zijn functies en mogelijkheden naar ons terugspiegelt – aan ons ter beschikking stelt – geeft ons de mogelijkheid te gaan spelen.
De hersenen als het instrument dat ons niet opslokt, maar daar is om door ons Ik actief ‘bespeeld’ te worden, door ons Ik in activiteit te worden gebracht.

In de woorden van de voordracht:

Blz. 115  vert. 113:

Das ist das Eigenartige.

Dat is kenmerkend voor het zenuwstelsel.

Nur dadurch, daß es sich fortwährend aus dem Leben herausdrückt, daß es dem Denken und Empfinden gar keine Hindernisse bietet, daß es gar keine Beziehungen zum Denken und Empfinden anstiftet, daß es den Menschen leer sein läßt in bezug auf das Geistig-Seelische da, wo es ist. Für das Geistig- Seelische sind einfach dort, wo die Nerven sind, Hohlräume. Daher kann das Geistig-Seelische dort hinein, wo die Hohlräume sind. Wir müssen dem Nervensystem dankbar sein, daß es sich nicht kümmert um das Geistig-Seelische, daß es all das nicht tut, was ihm die Physiologen und Psychologen zuschreiben. Täte es das, geschähe nur fünf Minuten lang das, was die Nerven nach den Beschreibungen der Physiologen und Psychologen tun sollen, so würden wir gar nichts in diesen fünf Minuten von der Welt und von uns wissen: wir würden eben schlafen. Denn die Nerven machten es dann so wie jene Organe, die das Schlafen vermitteln, die das fühlende Wollen, das woilende Fühlen vermitteln.

( ) dat het zich voortdurend aan het leven onttrekt, doordat het juist ruimte laat voor het denken en gewaarworden, doordat het volstrekt geen verband heeft met denken en gewaarworden, doordat het zenuwstelsel de mens op de plaatsen waar het zelf is, wat geest en ziel betreft leeg laat zijn. Voor geest en ziel zijn op de plaatsen waar de zenuwen zijn holle ruimten.º Daardoor kunnen geest en ziel die holle ruimten binnenkomen. We moeten het zenuwstelsel dankbaar zijn dat het zich niet druk maakt om geest en ziel, dat het alles wat fysiologen en psychologen het toedichten juist niet doet. Zouden, al was het maar vijf minuten, de zenuwen doen wat fysiologen en psychologen beweren, dan zouden we in die vijf minuten niets, maar dan ook niets van de wereld en van onszelf weten: we zouden namelijk slapen. Want de zenuwen zouden dan zo doen als de organen die het slapen, het voelend willen, het willend voelen mogelijk maken.

ºholle ruimten: Zie ook de dertiende voordracht

Over de relatie hersenen en denken:

Blz. 116   vert. 114:

Die Physiologen sagen: Die Organe des Denkens sind die Nerven, insbesondere das Gehirn. – Wahr ist, daß Gehirn- und Nervensystem gerade nur dadurch mit dem denkenden Erkennen etwas zu tun haben, weil sie sich immerfort aus der Organisation des Menschen ausschließen, und weil dadurch das denkende Erkennen sich entfalten kann.

Fysiologen zeggen dat de zenuwen, en met name de hersenen, de organen zijn van het denken. In werkelijkheid is het zo dat er wel een zeker verband bestaat tussen enerzijds de hersenen en de zenuwen en anderzijds het denkend kennen, maar dat dit verband er nu juist uit bestaat dat de zenuwen zich voortdurend onttrekken aan het menselijk organisme en dat er daardoor ruimte is voor de ontplooiing van het denkend kennen.

Dan volgt op blz. 114 (vert.) een voorbeeld van hoe licht en kleur hun weg naar binnen vinden en hoe de afwezigheid van zenuwen mogelijk maakt dat we licht en kleur beleven. 

Waar de zenuwen niet zijn, waar in dit opzicht zich holle ruimten bevinden, kunnen we er zelf bij zijn, d.w.z. daar zijn we wakker.

Dan volgt nog een verwijzing naar wat in het begin van de voordracht is behandeld: het slapend zijn aan de periferie van ons lichaam:

Blz. 117     vert.  115

Jetzt bekommen wir ein Gefühl davon, was das für eine Bedeutung hat: Wir wachen da mit Bezug auf einen im Verhältnis zum Leben in uns vorhandenen Hohlraum, während wir ander äußeren Oberfläche und im Inneren schlafend träu`nen und träumend schlafen. Wir wachen nur in einer Zone, die zwischen dem Äußeren und dem Inneren liegt, vollständig auf. Das mit Bezug auf den Raum.

Zo krijgen we een idee wat dat betekent: in die, wat het leven betreft, holle ruimten zijn we wakker, terwijl we aan de buitenste oppervlakte en in ons binnenste slapend dromen en dromend slapen. Alleen in het gebied tussen buiten en binnen zijn we volledig wakker. Dat wat de ruimte betreft.
.

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen 

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2160-2028

.

.

.

.

*

 

VRIJESCHOOL – Ritme (3-23)

.
Wim Kuipers, 29-02-1988
.

Schrikkeldag: een schets van de 29e van de sprokkelmaand

Volgens de statistieken komen er vandaag [2020] ongeveer 475 [in het oorspronkelijke artikel staat voor 1988 ongeveer 600] Nederlandertjes bij, die over vier jaar pas hun eerste echte verjaardag vieren.

Wie beweert vandaag zilveren bruiloft te hebben, is de tel kwijt of een leugenaar.

De schrikkeldag blijkt niet aantrekkelijk als huwelijksdag, maar vrouwen kunnen vandaag de eerste stevige stap zetten op weg naar hun zilveren bruiloft: ze mogen volgens een oud gebruik hun geheime uitverkorene ten huwelijk vragen. In veel landen mocht dat het hele jaar door, maar daar is weinig meer van over.

Februari 29 dagen dan mogen meisjes de jongens vragen.

Dertig dagen heeft november,
april, juni en september,
de andere hebben er 30 en één,
uitgenomen februari alleen,
want die heeft er vier maal zeven,
schrikkeljaar nog een erneven.

Zo leerde mijn moeder tachtig jaar geleden hoeveel dagen de maanden hebben.

Het is ook niet eenvoudig, vooral door die rare februari. En dan: het had zo gemakkelijk gekund: zeven maanden van 30 dagen en vijf van 31, samen 365. Kun je altijd nog kijken welke dertiger eens in de vier jaar de schrikkeldag krijgt. Of een december van 32: gezellig zo’n lange feestmaand.

Zo had het gekund. Maar de man die ons de schrikkeldag bezorgd heeft, Julius Caesar, vond dat de naar hem genoemde maand – juli – 31 dagen moest hebben. Bijgeloof: een oneven getal bracht geluk, en hup, hij pakte er eentje van februari weg.

Die maand was toch rommelig. Een eeuw vóór Caesar was het nog de laatste maand; tel maar: september was oorspronkelijk de zevende maand (Frans sept is zeven), oktober (octaaf) de achtste). Februari wisselde toen sterk van lengte, alnaargelang astronomen nieuwe berekeningen maakten van het zonnejaar.

Augustus

Luttele jaren na de moord op Caesar besteeg keizer Augustus de troon. Hij waande zich zeker zo machtig als Caesar. Dus moest hij ook een eigen maand hebben, augustus, en die kon het met niet minder doen dan de maand van dat Caesartje. Gevolg: februari had er nog maar 28 over, tenminste in drie van de vier jaar.

De Romeinse sterrenkundigen hadden het jaar, dat is de omlooptijd van de planeet Aarde om de zon, behoorlijk nauwkeurig uitgecijferd, maar niet helemaal. Ze dachten dat die omlooptijd 365 dagen en zes uur zou zijn. In werkelijkheid is het: 5 uur, 48 minuten en – afgerond – 46 seconden. De kalender liep dus achter op de zon, elke 130 jaar een dag.

Er waren te veel schrikkeldagen geweest. Paus Gregorius XIII greep in. Hij zette in oktober 1582 de kerkelijke klokken elf dagen vooruit, 15 oktober volgde op de vierde. Zijn astronomen bepaalden verder dat uitsluitend de eeuwjaren die deelbaar zijn door 400, schrikkeljaar zija Dus: 1800, 1900 en 2100 niet, 2000 weL

Niet iedereen liet zich in 1582 de tijd voorschrijven door een verre paus. Groningen en andere oostelijke -protestantse- provincies weigerden die dagen te schrappen. Ze telden door en vierden langer dan een eeuw Kerstmis tien dagen later dan Limburg. Iemand die op Driekoningen 1600 vanuit Roermond naar de Veluwe reisde, kwam daar, mits de reis voorspoedig was, in 1599 aan; hij maakte twee keer de eeuwwisseling mee.

Er was een tweede reden om niet naar die paapse paus te luisteren. Wie er rotsvast van overtuigd was dat ieders sterfdag bij de geboorte al vaststaat, zou dus tien dagen korter leven.

Meikersen

Er is een veronderstelling dat ook het woord meikersen nog herinnert aan de tijd van vóór 1582. Die kersen waren waarschijnlijk eind mei rijp, maar door het verdwijnen van die tien dagen begonnen ze voortaan eerst in juni te blozen.

Uiteraard ging de schrikkeldag vroeger zwaar gebukt onder bijgeloof. Wat afwijkt van het normale, maakt bang. Zonsverduistering, kometen, bolbliksem. In verschillende landen werkten de mensen op schrikkeldag niet: dat bracht gegarandeerd ongeluk. Veel boeren durfden geen bomen te planten, want die zouden maar eens in de vier jaar vrucht dragen.

Trouwen in een schrikkeljaar was eveneens riskant. Dat kan nog zo zijn. In Maastricht, Heerlen, Kerkrade, Stein, Sittard, Geleen, Echt en Weert zijn er vandaag [29-02-1988] geen bruidjes. Roermond heeft er drie, Tegelen eentje.
Durvers? Misschien, maar het kan ook een kwestie van centen zijn: ’s maandags trouw je gratis in deze twee gemeenten.

Elly Dohmen en Wiel van der Zee uit Brunssum hebben de schrikkeldag juist bewust uitgekozen voor hun huwelijk. Op de uitnodiging staat een gedicht met het waarom. Daaruit deze regel:

‘wij zien geen gevaar, tenzij in de tijd’

Wiel, oud-keeper van voetbalclub Caesar uit Beek, verklaart: „We zijn al wat ouder. Als we op een schrikkeldag trouwen, zet je de tijd een hak: in 2000 vieren we pas onze derde trouwdag.”

Boete

Schrikkeldag is ook een dag dat de vrouwen iets te vertellen hadden. Daarom – zo kunnen we vermoeden – is de dag verdacht gemaakt, gevaarlijk, zwanger van onheil en rampspoed.

Al 760 jaar geleden – in het schrikkeljaar 1288- verordonneerde koningin
Margaretha van Schotland dat de vrouwen op een schrikkeldag mannen ten huwelijk mochten vragen, frank en zonder vrees. Vrije mannen die zo’n aanzoek kregen en weigerden, moesten een boete betalen.

Zo staat het tenminste te lezen. Maar die koningin was een kind, ze was in 1288 niet eens in Schotland, ze stierf tijdens de overtocht van haar vaderland Noorwegen naar het sombere Schotland, waar haar een onbekende troon wachtte. Er was geen opvolger meer: de Schotse koningen (Macbeth bijvoorbeeld) hadden elkaar uitgemoord.

Hoe het ook zij, het gebruik waaide over naar het vasteland, maar veel heeft het voor de vrouwen niet opgeleverd. We hebben er wel spreuken aan overgehouden.

’t Is van ’t jaar een schrikkeljaar, dan lopen de meisjes de jongens naar.

En een variant: Heeft februari 29 dagen, dan mogen meisjes de jongens vragen.

Ouders die vandaag [in 1988] een kind krijgen, kunnen dat laten registreren in het internationaal schrikkeljarenregister van de gemeente Purmerend. Het kleine schrikkelkind krijgt dan een certificaat toegestuurd. Verder krijgen ze enkele cadeautjes, onder meer een thermolepel. Deze lepel geeft de temperatuur van wat erop zit aan: papje, prakje, noem maar op.

Wat moet u doen? Vóór 1 april een geboortekaartje sturen van uw schrikkelkind naar: Redactie Leven en Welzijn (een blad dat door drogisten verspreid wordt), postbus 25,5530 AA Bladel, met de vermelding: Actie Schrikkeljarigen. Moeders die nog een foto (zwartwit) meesturen, maken kans dat haar baby de schrikkelbaby 88 wordt Dan tevens het tijdstip van de geboorte meedelen, lengte en gewicht, plus de naam van de drogist want er hoort nog een tegoedbon bij.

Informatie hierover is niet meer te vinden:

Schrikkelbaby van het jaar – Digibron.nl http://www.digibron.nl › search › detail › schrikkelbaby-van-het-jaar 26 feb. 1988 – Postbus 25, 5530 AA Bladel. … een zwart/wit-foto van de baby bijsluit, doet men mee aan de verkiezing van de schrikkelbaby van 1988.

De link werkt niet meer. ‘Digibron’ geeft nu dit

Meer over de schrikkeldag.


0-0-0

‘Schrikken’ betekende oorspronkelijk ‘springen’, nog gangbaar in ‘terugschrikken’= terugspringen .
De ‘el’ kan gehouden worden voor een zgn. ‘frequentatief’ – het aangeven van een regelmatige herhaling: hinken-hinkelen; duiken-duikelen.
Vandaar ‘schrikkel’, de regelmatiger sprong van 1 dag.

.
Ritmealle artikelen

.
2157-2025

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5/2)

.

Conflicten zijn van alle tijden. Ook op vrijscholen kwamen ze en komen ze voor.
Inzicht in conflicten is voor een oplossing van grote betekenis. In onderstaand artikel worden daarvoor vruchtbare standpunten aangedragen. In dit verband zijn ook de artikelen van Lex Bos belangrijk, m.n. over de12 draken‘.

Hans von Sassen, Jonas 19, 18-05-1979
.

conflict en samenleving (2)

Ons thema was conflicten in organisaties. Het zal duidelijk zijn dat we in de praktijk daar alle soorten van conflicten kunnen tegenkomen. Bijvoorbeeld: straf voor ongewenst gedrag (geen salarisverhoging omdat men de chef te veel tegenspreekt); emancipatieconflicten omdat de leiding te autoritair is of de regelingen verstard; conflicten over arbeidsvoorwaarden, die door onderhandeling moeten worden opgelost – en natuurlijk
samenwerkingsconflicten, bijvoorbeeld over het te voeren beleid. De poging om deze conflictverschijnselen tegen de achtergrond van de sociale ontwikkeling te zien, was bedoeld om in concrete conflictgevallen al deze aspecten te onderkennen en de daarvoor passende aanpak te kunnen vinden.

Nu zou het nog betrekkelijk eenvoudig zijn met conflicten om te gaan als het alleen om verschillende opvattingen over allerlei zaken ging. Daar zou men in ‘rationele gesprekken’ uit kunnen komen. In alle conflicten blijken echter opvattingen en verstandelijke motieven – zoals die in vergaderingen steeds weer worden uitgesproken – te zijn verstrengeld met meestal onbewuste persoonlijke meningen en gevoelens. Omdat dit voor de conflicthantering van wezenlijk belang is, willen we daarop nog kort ingaan.

Vermenging van rationele en niet rationele motieven

Aanleidingen tot conflicten in organisaties zijn niet alleen verschillende opvattingen over beleid, organisatie, enz., maar ook gewone misverstanden, fouten, niet nagekomen afspraken en dergelijke waardoor het bereiken van resultaten vertraagd of verhinderd wordt. Dit laatste heeft meer het karakter van ergernissen, wanneer bepaalde zaken niet naar verwachting verlopen.

Op zichzelf is aan deze verschillen in opvatting en incidentele ergernissen niets verontrustends of ongezonds. Men kan ze in elke organisatie verwachten. Gaan de betrokkenen een gesprek aan zodra dit is onderkend (uitstel legt vaak de kiem voor een conflict!), om van beide kanten na te gaan waarop die opvattingen berusten, wat er aan de hand is of waarom men wat gedaan heeft, dan kan de tegenstelling veelal worden opgeheven of een voorlopige regeling gevonden worden. Zo’n gesprek richt zich dan op het vinden van het eigenlijke probleem en de meest praktische oplossing daarvoor.

Zodra echter mensen zich door dergelijke gebeurtenissen gefrustreerd gaan voelen, hun gevoel van eigenwaarde verbinden met ‘gelijk hebben’, zich moeten handhaven en dergelijke als zij ergens bang voor zijn (meestal voor de veronderstelde gevolgen, indien de tegenspeler zijn zin zou krijgen) of als zij behoefte hebben aan ‘een schuldige’ – ontstaan de conflicten.

Wie eens als buitenstaander betrokken werd bij een groepsconflict dat al enkele jaren aan de gang is, zal zich erover verwonderd hebben, hoe moeilijk het is in het struikgewas van meningen, vooroordelen, defensieve opstellingen en agressies de reële kern van het conflict terug te vinden.

Veelal schijnt het om problemen te gaan, die in bijna elke organisatie voorkomen zonder tot zo een dramatisch conflict aanleiding te geven, of het zijn incidentele kwesties, die bij een realistische aanpak in enkele gesprekken voor ieder bevredigend te regelen zijn. Niettemin krijgt men het gevoel, dat de situatie hopeloos ‘vast zit’. Men komt er dus niet met een rationele aanpak van het probleem alleen; ook een psychologische benadering is noodzakelijk.

Zo ziet men bijvoorbeeld dat de ‘ergernissen’ over het gedrag van de tegenstanders worden gebruikt om ook hun principiële bedoelingen te kunnen verwerpen. Dan verwijten de ‘conservatieven’ de ‘progressieven’, dat zij mooie maar onpraktische ideeën hebben, wat al daaruit blijkt dat zij niet eens orde op zaken in hun eigen dagelijkse werk kunnen houden, afspraken vergeten en dergelijke. Dit wordt dan met sprekende voorbeelden uit het verleden aangetoond. Omgekeerd verwijten de ‘progressieven’ hun tegenstanders dat zij geen visie hebben, te star of te autoritair zijn, dat de ‘ervaring’ en de ‘realiteitszin’ waarop zij zich zo gaarne beroepen, niets anders dan vooroordelen of oude gewoonten. Ook deze groep kan op sprekende voorvallen wijzen, bijvoorbeeld dat aan medewerkers met ideeën telkens de voet dwars werd gezet. Naarmate het conflict ernstiger wordt (escaleert) worden de beelden over elkaar vreemder en onwerkelijker. Vroegere gebeurtenissen worden opgeblazen of verdraaid tot duistere machinaties. Nog iets radikaler gesteld zou men mogen zeggen:

In het conflict komen ‘mensen’ elkaar niet tegen, alleen de beelden die men van elkaar heeft.

Vaak blijkt dat niet de gedragingen, opvattingen en bedoelingen of fouten van anderen bestreden worden, maar de fictieve (vermeende) beelden, die de ander zich van die opvattingen enz. in de loop van het conflict heeft gevormd. Daarom blijft de strijd onvruchtbaar, draagt niets bij tot verbetering, maar maakt alleen de bestaande situatie onleefbaar. Men bestrijdt immers voor een belangrijk deel ‘spoken’, die men mede zelf heeft opgeroepen.

Tijdens een geleide conflictoplossing kan men de conflictgroepen vragen ten aanzien van een aantal omschreven problemen in hun organisatie schriftelijk hun mening en die van de tegenpartij weer te geven. Doen beiden dit, dan heeft men telkens vier beelden, die in een gemeenschappelijke zitting met elkaar geconfronteerd worden. Men kan nog de vraag toevoegen: hoe denken wij dat de anderen over ons denken? De merkwaardige verschillen en niet vermoede uitspraken zijn zelfs voor de geharde partijgangers soms verbluffend. Dit kan dan een aanzet zijn om zich voor het eerst weer iets af te gaan vragen – en niet alleen dezelfde beweringen te blijven herhalen.

Om dergelijke conflicten op te lossen is het nodig de fictieve beelden bewust te maken zodat het zicht van de betrokkenen op de eigenlijke problemen (weer) vrij wordt. Dan worden de werkelijke verschillen in waarden, beleidsvisies enz. voor elkaar zichtbaar en kunnen met elkaar geconfronteerd worden.

Polarisatie

Een opvallend verschijnsel is dat men in de organisatie vaak twee ‘conflictgroepen’ tegenover elkaar aan treft.

Niet iedereen behoort tot deze partijen. Sommigen staan er tussen, omdat zij innerlijk heen en weer getrokken worden (loyaliteitsconflict) of omdat zij trachten een bemiddelende rol te spelen. Anderen bevinden zich daaromheen, omdat zij nieuwkomers zijn, die nog onvoldoende ingewijd zijn of omdat zij beslist niets met het conflict te maken willen hebben. Zij volgen de spanningen hoofdschuddend of vinden het ‘verschrikkelijk’. De partijen doen van tijd tot tijd moeite om hen – soms onder morele druk – tot medestanders te maken.

De grenzen van de conflictgroepen zijn soms onduidelijk, soms scherp afgetekend. Binnen de groepen treft men centrale figuren en randfiguren aan met alle mogelijke tussenposities. De centrale leden zijn de actieven, de opiniemakers en leiders. Veelal bevindt zich in het midden van elke
conflictgroep een persoon met een belangrijke positie in de organisatie, bijvoorbeeld twee directeuren van het bedrijf of de rector en een conrector van een school. Deze zijn niet altijd de drijvende krachten. Om hen staan een aantal paladijnen heen, die verontwaardigd zijn over de miskenning of het onrecht die ‘ze’ ‘onze rector’ hebben aangedaan. Zij komen steeds met nieuwe verhalen over wat voor onmogelijkheden een lid van de andere partij nu weer gezegd of gedaan heeft; zij zinnen steeds op acties om de positie van de eigen groep te versterken en de andere te verzwakken. Zij duiden elke gebeurtenis als een bevestiging van eigen standpunt.

De randfiguren zijn minder actief. Zij twijfelen eerder aan het eigen gelijk van de groep bij bepaalde gebeurtenissen of geruchten en zijn eerder geneigd een genuanceerd oordeel van buitenstaanders te waarderen. Zij hebben echter te weinig gewicht om daarmee indruk te maken op de centrale figuren.

Hoe komt het zover?

Een dergelijke toestand ontwikkelt zich geleidelijk. Deze ontwikkeling zou men in drie stappen kunnen beschrijven die gekenmerkt zijn door:

– verstopte communicatie;

– gestoorde onderlinge verhoudingen;

– verbroken samenwerking.

De aanleiding wordt gewoonlijk gevormd door objectieve problemen, bijvoorbeeld de markt gaat achteruit, een ingrijpende reorganisatie dreigt. Mensen met overeenkomstige zienswijzen over die problemen zoeken elkaar op. Zij spreken veel met elkaar en weinig met de anderen. Het geheel van informaties, oordelen en gevoelens gaan steeds meer verschillen van die van de andere groep. Men begrijpt elkaar daarom niet of verkeerd. Dat wekt antipathie op, zodat de neiging afneemt problemen met de tegenstanders uit te praten. De communicatie raakt dus verstopt, zodat vele problemen onopgelost blijven, wat de betrokkenen steeds meer gaat irriteren. Het is ‘duidelijk’ waar de schuld ligt: de andere groep is natuurlijk het obstakel, dat de goede gang van zaken verstoort en de onvrede oproept! Steeds meer worden alle moeilijkheden geduid als onvermogen en onwil van bepaalde personen; negatieve oordelen en gevoelens gaan overheersen en houden de mensen overmatig bezig. Zodoende worden de menselijke verhoudingen verstoord.

Tenslotte kan dit leiden tot openlijke of verborgen tegenwerking, strijd en manipulatie. Elke groep voelt zich bedreigd door de andere, dat wil zeggen het vertrouwen is ondermijnd en men meent alleen door ‘maatregelen’ tegen de andere partij de organisatie te kunnen ‘redden’. De objectieve problemen raken daarbij steeds meer op de achtergrond, zij spelen alleen nog de rol van munitie tegen personen en groepen.

Hebben de conflictgroepen het stadium van vijandschap bereikt, dan zijn houding en gedrag van leden naar binnen en naar buiten toe geheel verschillend. Elke partij heefteen groepsnorm, die druk op de leden uitoefent om de meningen van de groep volledig te onderschrijven en loyaal te blijven. Voor allen geldt een zelfde ‘ideologie’. Nuanceringen, twijfel en zelfkritiek zijn uit den boze, ze ondermijnen ‘het moreel’. De groep ziet zich als strijder voor gezond verstand, recht en orde, bevrijding van een juk, noodzaak tot vernieuwing en dergelijke (zelfglorificatie). Voor de eigen houding worden ideële motieven geclaimd, de anderen worden door machtstreven of eigen belang gedreven.

De gehele situatie maakt de indruk van een bewustzijnsvernauwing, de betrokkenen verliezen de werkelijkheid uit het oog en raken steeds meer op elkaar en het conflict gefixeerd.

De polarisatie is natuurlijk niet altijd zo radicaal als hier beschreven, maar komt wel degelijk voor. Zo’n beschrijving helpt echter ook om dezelfde kenmerken in mildere vormen van conflict terug te vinden.

Misschien herkent u er iets van, als u de eigen ervaring raadpleegt.

Het is nu merkwaardig hoe lang een dergelijke toestand soms kan bestaan, zonder dat de buitenstaander er veel van merkt. De leden zijn dan door ideële of materiële motieven aan de organisatie gebonden. Beide groepen zijn nog loyaal aan het gemeenschappelijke doel, ontslag nemen wordt min of meer als lafheid beleefd en dergelijke. De lopende productie of het gebruikelijke onderwijs blijft voortgang vinden en ten aanzien van bepaalde aspecten, die nog niet door het conflict ‘besmet’ zijn, vindt een redelijke vorm van samenwerking plaats. De bom barst gewoonlijk, wanneer iemand het ‘machtsevenwicht’ tussen de partijen tracht te doorbreken door versterking van buiten de organisatie te halen. Er wordt met relaties, ouders, een inspecteur enz. over het conflict gepraat of iemand licht de pers in.

De dan ontstane crisissituatie maakt het noodzakelijk, dat er iets moet gebeuren; bijvoorbeeld dat een hogere instantie een onderzoek instelt, ingrijpt of een bemiddelaar benoemt. Misschien vindt men de weg voor een agogische aanpak met behulp van een adviseur.

Het is natuurlijk beter als het niet zover komt. Dat zou reeds het geval zijn als leiders en medewerkers in onze organisaties zich iets minder onhandig zouden gedragen als de eerste verschijnselen van conflict zich voordoen. Daarom tot slot nog enkele gedachten ter overdenking voor hen, die zich voor het wel en wee van hun instituut, school of bedrijf verantwoordelijk voelen.

Met conflictsituaties leren omgaan

Conflicten worden meestal beleefd als hindernissen op de weg naar nagestreefde doelen, onaangename gebeurtenissen die vermeden hadden kunnen worden. Men denkt vaak over conflicten net als over ziekten: ‘wat storend, wat lastig, als ze er niet waren, zouden we met ons werk gewoon door kunnen gaan’. Of men vindt het zelfs moreel onaanvaardbaar: ‘iets dat niet had mogen gebeuren, omdat wij eigenlijk altijd in harmonie behoren te leven’. Men probeert dan zolang mogelijk te doen alsof het conflict er niet is of het moraliserend weg te praten, in elk geval te verhinderen, dat het buiten de groep zichtbaar wordt. Juist daardoor worden conflicten ernstiger en gecompliceerder.

De houding van de leden van een groep tegenover een intern conflict is wezenlijk voor de oplossing ervan.

Conflicten kunnen storend, verlammend en tenslotte destructief werken, maar ze kunnen ook een positieve heroriëntatie en ontwikkeling teweeg brengen! Conflicten behoeden de organisatie voor inslapen en verstarring, zij kunnen leiden tot verbeteringen en vernieuwingen, die zonder deze niet tot stand zouden zijn gekomen.

Of een conflict constructief of destructief zal werken, hangt er vanaf hoe wij ‘er mee omgaan‘. De eerste stap is het inzicht, dat het verschijnsel conflict onvermijdelijk is en de aanvaarding van de feitelijke situatie. De tweede situatie is het verkrijgen van inzicht in het ontstaan, en de betekenis ervan in de organisatie waarin zich het conflict voordoet. Dan kan een aanpak van de problemen, die tot het conflict geleid hebben, worden ontwikkeld.

Een ervaring van de laatste tijd is, dat het bij ernstiger conflicten niet meer voldoende is, dat onafhankelijke personen met goede bedoelingen en gezond verstand conflicten trachten bij te leggen of op te lossen. In vele gevallen is een meer bewuste (professionele) aanpak noodzakelijk. Bovendien is het gewenst dat de leden van een organisatie meer inzicht in het verschijnsel conflict krijgen, om te leren met conflictsituaties om te gaan.

De eerste voorwaarde om een conflict constructief te kunnen benaderen, is dus dat de betrokkenen het feit aanvaarden, dat er een conflict is, zonder er meteen een moreel oordeel aan te verbinden.

De bedoeling van dit artikel was enige gezichtspunten aan te dragen, die een hulp kunnen zijn om in de eigen organisatie die situaties beter te onderkennen, die tot ongezonde conflicten kunnen leiden; begrijpender tegenover dergelijke verschijnselen te staan en helpend te kunnen ingrijpen.

Of – als blijkt dat de problemen door medewerkers zelf niet of alleen met zeer veel inspanning opgelost kunnen worden – bereid te zijn externe adviseurs – agogen daarbij in te schakelen. Wat hier werd beschreven mag voor sommigen misschien wat theoretisch klinken, het berust echter op ervaringen, opgedaan met het werken aan conflicten in verschillende soorten organisaties, zoals dit gedaan wordt door het NPI – Instituut voor Organisatie Ontwikkeling.

Conflictbeheersing in organisaties is een levensbelang voor die organisaties zelf, maar ook voor hun omgeving. Het is te hopen, dat de ervaringen, die nu door velen in de sfeer van de organisaties worden opgedaan, er uiteindelijk toe zullen leiden dat iets, waar velen van dromen, in vervulling kan gaan, namelijk conflictoplossing te kunnen en te mogen toepassen op de grote internationale conflicten, die vele kenmerken van het organisatieconflict, alleen machtiger en minder toegankelijk, vertonen.

.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

2155-2023

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel GA 301)

.

Zie de inleiding

GA 301

Dit stuk over het spel staat in voordracht 13, die hier  vertaald is te vinden.  

Blz.  203 t/m blz. 209 eindigend met de tekst: Daar overlappen de samenhangen in de menselijke levensloop elkaar. 

.

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

2148-2016

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 297A – inhoudsopgave

.

RUDOLF STEINER

Opvoeding voor het leven

6 voordrachten,  vragenbeantwoording en een krantenverslag tussen 24 februari 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave 1e voordracht Utrecht 21 februari 1921

Opvoedings-, onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het standpunt van antroposofische geesteswetenschap

Blz.13 e.v.: antroposofische scholingsweg: het ontwikkelen van bepaalde vermogens en krachten; 
Blz. 14  dit geeft inzicht in een echte menskunde; marxistische visie op cultuur e.d. is dat deze steunt op een onderbouw: de productieprocessen;
Blz. 15 e.v.: op vrijeschool: vanuit antroposofie een menskunde pedagogisch-didactisch uitgewerkt; nodig: zintuig om mens bovenzinnelijk waar te nemen; natuur maakt ontwikkelingssprongen; ook de menselijke ontwikkeling;
Blz. 17: bij tandenwisseling komen krachten vrij: denk-voorstellingskrachten;
Blz. 18 e.v.: door antroposofie een pedagogisch kunstenaar worden;
Blz. 19 e.v.: mens van 0 – 7: nabootser; vb. kind dat stal; 
Blz. 20: ieder kind speelt anders; spelmanier komt later (tussen 25-30jr) gemetamorfoseerd terug; 
Blz. 21 e.v.: 2e leeftijdsfase: autoriteit; 
Blz. 23 e.v.: ‘waar’ werkt door in het imponderabele; vb. vlinder/cocon – onsterfelijke ziel;
Blz. 24: over het leren schrijven;
Blz. 25 e.v.: muzikaal en beeldend leren; verandering rond het 9e/10e jaar; consequenties voor de keuze van vakken en manier van lesgeven; niet-Nederlandse talen;
Blz. 27 e.v. wat in westen ideologie is, was in oosten ‘maja’;
Blz. 28 e.v. de noodzaak van een vrij geestesleven; de noodzaak van sociale driegeleding;
Tot het einde van de voordracht gaat het over de drie gebieden van de driegelede maatschappij; vrijheid, gelijkheid, broederschap; waarop moet vrij geestesleven zijn gebaseerd, waarop de economie, waarop het staatsleven;
.
Inhoudsopgave van de vragenbeantwoording na de 1e voordracht

Blz. 39: verschil bloed van dier en van mens; vierledig mensbeeld; de juiste vraag leren stellen.
Blz. 40 e.v.: kun je in andere landen vrijescholen oprichten; hangt af van de omstandigheden; het belang van een wereldschoolvereniging. 
Blz. 42: e.v. verschil antroposofie en evangelisch christendom; staat het geestesleven in de driegeleding boven de andere gebieden; er moet steeds samenwerking zijn.
Blz. 44: moeten de kinderen de autoriteit van de leraar geloven of zijn ze vrij; over het belang van autoriteit en de samenhang met vrijheid.
.
Inhoudsopgave 2e voordracht Amsterdam, 28 februari 1921

Blz.45 e.v: antroposofie wil natuurwetenschap verrijken; innerlijke scholing;
Blz. 49: antroposofie levert menskunde op voor de pedagogie;
Blz. 50: opvoeding: een opdracht van de geestelijke wereld t.b.v. het kind;
Blz. 51: natuur maakt sprongen; ook in het mensenleven: ontwikkelingsfasen; verschillen;
Blz. 52: kind nabootsend wezen; ieder kind speelt anders;
Blz. 53: spel in relatie tot het latere leven;
Blz. 54: invloed van nabootsing op gedrag, op leren
Blz. 55: autoriteit; autoriteit en later vrijheidsbeleven
Blz. 56 e.v.: rond het 9e jaar; de juiste instelling;
Blz. 57: schrijven niet aanleren als iets vreemds
Blz. 58: aanschouwelijkheidsonderwijs; alles meteen begrijpen; wat er met je meegroeit;
Blz. 59: leerplan uit het kind gehaald; vrijeschool kan niet als het geestesleven niet vrij is;
Blz. 60: geen staatsinvloed op het onderwijs;
Blz. 61: invloed materialisme op denken van de mens; proletariaat;
Blz. 62: het funeste van ‘ideologie’;
Blz. 63: wat wil het Goetheanum; verrijking van de wetenschap;
Blz. 64: bezwaar tegen vrij geestesleven; de noodzaak van sociale driegeleding; voor het schoolwezen: vrij geestesleven;
Blz. 65 e.v.: wereldschoolvereniging; getuigschriften;
Blz. 66 e.v.: economisch leven;
Blz. 67 e.v.: associatie;
Blz. 68: prijsvorming;
Blz. 69: meerderheidsbesluiten: op welk terrein terecht; staatsleven, rechtsleven;
Blz.70: vrijheid, gelijkheid, broederschap, op welk terrein zijn ze aan de tijd; korte karakteristiek van de drie gebieden

Inhoudsopgave 3e voordracht Stuttgart, 17 januari 1922

Blz. 83: en de hele verdere voordracht: levensvragen; raadsels van de ziel;
Blz. 84: ons gevoelsleven speelt zich deels onbewust af, hier hangt geluk of leed mee samen; Blz. 85: 2 polen: voorstellings- en wilsleven; bewustzijn: wakker en slaap;
Blz. 86: levensvragen huizen diep in de ziel;
Blz. 87: voorstelling-beeld;
Blz. 88/89: beelden zijn niet de realiteit, helderen de vragen niet op, die blijven als raadsels in de ziel en dat is beangstigend; bij de wil andere onderstroom;
Blz. 89: wetenschap heeft niet veel te zeggen over de ziel; Du Bois-Reymond;
Blz. 90: grenzen van kennen die antroposofie wil doorbreken;
Blz. 91/92: Franz Brentano: kon geen psychologie ontwerpen; antroposofie wil denken verder ontwikkelen, andere zielenvermogens wekken;
Blz. 93: scholingsoefeningen;
Blz. 94 e.v.: imaginatieve voorstellingen; voorstellingskracht = plastische kracht; niet alleen meer beeld, maar een sterke scheppende kracht;
Blz. 96 e.v.: reine gedachten (in de betekenis van voorstellingsloos) en vrijheid;
Blz. 97: onsterfelijkheid, voorgeboortelijke;
Blz. 98: versterking van het voorstellingsleven door meditatie en concentratie;
Blz.99: de ‘terugdenkoefening’ – Rückschau;

[1] GA 297A [Duits]
.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

.

2147-2015

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (35)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2001, nr.8
.

In de regel zullen oma en opa rust en tijd hebben om met de kleinkinderen een prentenboek te kijken of hen voor te lezen. Voor grootouders is het dan ook handig een paar ‘klassieke’ voorleesboeken in de kast te hebben staan. Boeken met verhalen die veel kinderen aanspreken en die bovendien niet te zeer zijn toegespitst op een bepaalde leeftijd.

‘Echte’ boeken zijn voor de hele kleintjes nog niet nodig. Zij hebben het grootste plezier wanneer je zo nu en dan een liedje voor ze zingt of een rijmpje opzegt en dat vooral vaak herhaalt.
Een echt oma- en opawerkje is het zelf maken van een lappenboekje met op elke bladzijde een afbeelding uit de omgeving van dit ene kind: de appelboom uit de tuin, de viool van opa, de poes, enzovoort. Je kunt al je gevoel voor het kind in zo’n boekje leggen, zodat je er zelf ook van geniet als je het met je kleinkind bekijkt. Dat laatste is belangrijk, want je eigen beleving stroomt direct door naar het kind. Zo is het ook goed om straks, als je kleinkind wat groter is, alleen dingen voor te lezen waaraan je zelf ook plezier beleeft.

Grootouders zijn anders dan ouders. Juist door die onzichtbare draden die er wederzijds lopen, zijn kleinkinderen bij opa en oma extra gevoelig voor geuren, sferen, interesses. Mijn zoon heeft bijvoorbeeld een sterke vroege herinnering aan opa die met hem achter in de tuin bloemen van de dovenetel plukte. Dan gingen ze heel behoedzaam aan elk los bloemetje zuigen om de zoete honing te proeven. Dit soort ‘kleine’ belevenissen zijn heel bepalend voor een kinderleven. 

In Toen ik zo klein was als jij van Jill Paton Walsh gaat Sanne met oma een dagje naar zee. Sanne zegt voortdurend wat ze ziet en dan vertelt oma hoe het vroeger was toen zij een kind was. Vond je vroeger alles leuker, oma? ‘Nee hoor Sanne,’ zegt oma. ‘Het is nu veel leuker, omdat jij bij me bent’. Het leuke van dit boek is dat het een stimulans vormt om eenvoudige dingen uit je eigen jeugd aan de kleinkinderen te vertellen.


Jill Paton Walsh
Ill. Stephen Lambert

Boek

3 – 6jr.

,

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2144-2013

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (34)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet
>

Toen ik dit boek eens in een 6e klas voorles, luisterden de kinderen vol spanning en konden niet wachten tot ik weer verder kon gaan.
Het gaat over meester Frans van der Steg en zijn klas speelt ook een belangrijke rol. 
Het verhaal is meeslepend geschreven en je wil weten hoe het afloopt, of de schat wordt gevonden en of die in handen komt van de graaf of van Geert-Jan die hem toekomt. Het lied ‘De zevensprong’ wordt verrassend verweven met een zevensprong van wegen!
De illustraties passen m.i. heel goed bij de sfeer van het boek.

Tonke Dragt
Ill. Tonke Dragt

Boek

11, 12 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2121-1990

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde – alle artikelen

.

[1] Scheikunde
M.v.d.Made over: de vakken rond het 12e jaar; vuur; allerlei stoffen; zwavel, koolstof, fosfor; kalk en marmer, koolzuurgas; zouten; lakmoesproeven; water; vanuit de verschijnselen – fenomenologie – tot wetten komen; veel praktische voorbeelden; de 7 hoofdmetalen; nog geen scheikundige elementen

[2-0] Scheikunde – een paar essenties
Pieter HA Witvliet over: opmerkingen bij het artikel [2-1] van Kolisko; fenomenologie; waarneming; 12e levensjaar; oorzaak en gevolg; zelfwerkzaamheid; ‘filosoferend’ tot wetten komen

[2-1Over het eerste scheikunde-onderwijs
Eugen Kolisko over: waarnemen van scheikundeprocessen; verbranding: warmte; vlam(men); relatie plant-mens; zwavel en fosfor als tegenstellingen, de koolstof in het midden; het maken van dictaat;
.
[2-2
Over het eerste scheikunde-onderwijs 
Eugen Kolisko over: kalk en zout; een uitgebreide beschrijving met proeven; kalk verbranden; koolzuurgas; zuur en base/loog; zoutzuur, natronloog

[2-3Over het eerste scheikunde-onderwijs
Eugen Kolisko over: water; de 7 metalen.

[3-1De eerste kennismaking met de scheikunde
Helmut von Kügelgen over: het belang van periodeonderwijs; nog geen formules, chemische elementen, maar totaalbeelden van processen; waarnemen, beschrijven; verbranding, vuur; vuur en water; hoe branden metalen; het formuleren van de eerste scheikundewetten; 

[3-2De eerste kennismaking met de scheikunde
Helmut von Kügelgen over: zwavel, fosfor, koolstof; karakteristiek van het verbranden; polariteiten; diamant; tegenstelling mens-plant; voeding; opmerking mijnerzijds om voorzichtig te zijn met antroposofische waarheden.

[3-3De eerste kennismaking met de scheikunde
Helmut von Kügelgen over: kalk en zout; niet meteen formules; ontstaan kalk: kalkcyclus; kunstmatige cyclus kalk, kalkspecie, ongebluste kalk, zuur en loog; koolzuur(gas)
.

Scheikunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

,

2114-1983

.

.

.