Categorie archief: Rudolf Steiner

VRIJESCHOOL- Rudolf Steiner als didacticus (1)

.

STEINER ALS DIDACTICUS

LANG GELEDEN/IN DE TIJD VAN…….
.
In hogere klassen komt het regelmatig voor dat er iets behandeld
wordt dat “lang geleden” is gebeurd.

M.n. in het vak geschiedenis.

Hoe maak je de leerlingen duidelijk wat en hoe dat dan is:
lang geleden.

Aanwijzing van Steiner
.
Steiner gaf daar zelf de volgende aanwijzing voor, nadat een
toekomstige leerkracht van de 1e vrijeschool, de Waldorfschool in
Stuttgart (1919), een uiteenzetting had gegeven:

E. geeft een historische uiteenzetting voor leerlingen van de laatste
klas over de stichting en ontwikkeling van steden en heeft het in de tijd
van de invallen van de Magyaren over ‘Duitsland’.

Steiner:
“Ik zou er toch vooral op letten dat er niet onbewust verwrongen voorstellingen ontstaan. In die tijd, de tijd van Hendrik de Stedebou­wer, bestond Duitsland natuurlijk nog niet. Men moet dat bijvoor­beeld zo zeggen: steden aan de Rijn of de Donau, plaatsen die later tot Duitsland behoorden. En vóór de tiende eeuw heeft men toch ook niet te maken met de Magyaren, maar met de Hunnen of Avaren. Na de tiende eeuw kan men dan van ‘Duitsland’ spreken.

Ziet u, ik zou de kinderen – dat is toch iets wat men de leerlingen van de hoogste klassen van de lagere school bijbrengt – bijvoorbeeld een idee geven van chronologie. Als men zo zegt ‘negende, tiende eeuw’, dan wordt de voorstelling te weinig concreet. Hoe zou u dat doen, dat de kinderen een concrete voorstelling krijgen van de tijd?
.

Generatieketting
.
U zou het volgende kunnen uitleggen: ‘Hoe oud ben je nu? En je vader en moeder? En hoe oud zijn je opa en oma?’ Zo komt u tot de opeenvolging van generaties. En dan kunt u de kinderen zeggen dat drie opeenvolgende generaties samen ongeveer honderd jaar beslaan.
In honderd jaar zijn er dus drie generaties. Honderd jaar geleden waren de overgrootouders kinderen. Negen eeuwen geleden betekent niet drie, maar 9 x 3 = 27 generaties terug. ‘Stel je nu eens voor,’ zegt
men tegen de kinderen, ‘je houdt de hand van je vader vast, die houdt de hand vast van je grootvader, die van je overgrootvader en­zovoort.
Als ze nu naast elkaar zouden staan, de hoeveelste man was dan Hendrik I, de hoeveelste man zou dan tegenover de Magyaren staan rond het jaar 926? Dat zou de zevenentwintigste man zijn.’ Dat zou ik
heel aanschouwelijk brengen. En als ik de kinderen dan zo een concrete voorstelling heb gegeven hoe lang dat geleden is, dan zou ik gaan vertellen over de invallen van de Magyaren. Ik zou hun duide­lijk maken hoe de Magyaren in die tijd Europa binnenvielen. Dat ze Europa overvielen met grote woestheid, zodat alles en iedereen moest vluchten en met de kleine baby’s in hun wiegjes naar de toppen van de bergen moest trekken.
En dat de binnenvallende Magyaren dorpen en bossen in brand staken. Heel beeldend zou ik de aanstormende Magyaren beschrijven.

Beeldend vertellen

Ik zou u wel willen vragen om alles heel aanschouwelijk te vertel­len, om heel levendig te werk te gaan, opdat de kinderen innerlijk aanschouwelijke beelden krijgen en ze alles als het ware tastbaar voor zich zien. U moet fantasie gebruiken en van die dingen gebruik ma­ken die ik heb laten zien bij het concreet maken van de tijd. Men heeft er werkelijk niets aan om te weten in welk jaar de slag bij Zama is geweest enzovoort, maar als men zich voorstelt, als men weet dat Karel de Grote de dertigste voorouder is wanneer ze allemaal in een rij zouden staan en elkaar de hand zouden geven, dan krijgt men daardoor een aanschouwelijk, concreet idee van de tijd. Die tijd komt dan veel dichterbij – ja zeker, ze komt dichterbij! – wanneer men weet dat Karel de Grote te vinden is in de tijd van de dertigste voor­ouder.”
[1]

Voor de verschillende vormen van ‘beeldend vertellenhier meer.

In de verschillende 6e klassen waarin ik bij het vak geschiedenis deze aanwijzing in de praktijk toepaste, merkte ik telkens bij de kinderen een grote interesse: hoe lang wordt die ketting wel niet. Nog interessanter werd het als ik vragen stelde: hoe zag de kleding er toen uit; hoe woonden de mensen; was er telefoon; waren er al auto’s; was er straatverlichting? Ook de kinderen konden uiteraard hun vragen stellen of mochten de antwoorden later zelf geven, nadat ze deze op school of thuis hadden gezocht. Er werden boeken meegebracht met plaatwerk ter illustratie.

Lang niet alles kon aan bod komen. En….het ging er natuurlijk om met de ‘generatieketting’ aan te komen in de tijd waarover je het uiteindelijk wilde hebben of bij de historische figuur die je wilde belichten.
Teruggaan tot bv. in de Egyptische tijd heeft m.i. niet veel zin. Dan wordt de generatieketting wel ‘erg lang’ en als zodanig eigenlijk net zo abstract als ‘heel lang geleden’.

Ook andere, wat abstractere aanwijzingen van Steiner, die ook op andere gebieden van opvoeding en onderwijs betrekking hebben,  kunnen je als leerkracht  inspireren. Dat ik uitvoeriger bij de generaties stilstond, werd me ingegeven door deze opmerking van Steiner:

“We hebben als opvoeder de opgave het dode voortdurend tot leven te wekken”.
[2]

[1] Rudolf Steiner: GA 295/148
‘Praktijk van het lesgeven, blz. 136/137

[2] Rudolf Steiner: GA 294/37
Opvoedkunst‘ , blz. 33

Rudolf Steiner als didacticus (2)

Rudolf Steiner: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

10-8

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (1)

.

rudolf steiner als pedagoog

EEN CHOLERISCH KIND

Ooit had ik een jongen in de eerste klas die zeer snel boos werd.
Hij had iedere dag wel ruzie met andere kinderen en gebruikte snel zijn vuisten om de onmin te beslechten.

Ook gebeurde het dat hij met voorwerpen door de klas smeet. Hij deed alles zeer intens en heftig.

‘STÄRKE’ EN ‘ERREGBARKEIT’

Vanuit de optiek: hoe volhardend is hij in wat hij doet (het begrip Stärke) [vertaald met ‘hoe krachtig is het temperament] en hoe [ sterk of zwak] reageert hij op prikkels van buitenaf (het begrip Erregbarkeit) was hij een voorbeeldige cholericus.

Ik vond het erg moeilijk om met de ontstane situaties om te gaan.

Hoewel ik op mijn opleidingsinstituut voor onderwijzer les kreeg van opgeleide, gekwalificeerde pedagogiedocenten, was ‘het cholerische kind’ niet aan bod gekomen, laat staan hoe je met hem om moet gaan.

Ik stond er letterlijk, alleen voor. Het moeilijke van die situaties vond ik dat je MOEST handelen. Je kon niet niets doen. En ik weet nog goed, hoewel het 50 jaar geleden is, dat ik me nooit tevreden voelde met hoe ik het had ‘opgelost’. Dat was toch niet veel meer dan de cholericus stevig toespreken, hem desnoods op de gang zetten of in een andere klas brengen.

Vóór ik werkzaam werd op de vrijeschool, had ik slechts een korte cursus vrijeschoolpedagogie gevolgd waarbij lang niet alles aan bod was gekomen.

Ik besloot een grondige studie te maken van de temperamenten. Nu ik deze iedere dag om mij heen had, gingen praktijk en theorie hand in hand.

EEN AANWIJZING VAN STEINER

Op zeker ogenblik kwam ik een aanwijzing van Steiner tegen:

Beim cholerisch tobenden Kinde sollen wir nicht versuchen, es nicht zum Toben kommen zu lassen, sondern versuchen, seine to­benden Eigenschaften in einer solchen Weise zu behandeln, daß wir von außen dem Kinde in der richtigen Weise entgegenkommen. Nun ist es schwer, ein Kind sich immer austoben zu lassen. (  )

Beim cholerischen Kinde dagegen versuchen Sie innerlich teilnahms­los zu werden, mit kaltem Blut zuzuschauen, wenn es tobt. Versuchen Sie, wenn es zum Beispiel das Tintenfaß zur Erde schmeißt, diesem Toben gegenüber äußerlich so phlegmatisch, so gelassen wie möglich zu sein, durch gar nichts ergriffen zu sein! Und versuchen Sie, im Ge­genteil dazu, äußerlich möglichst viel von diesen Dingen mit dem Kinde in Teilnahme zu besprechen, aber nicht unmittelbar nachher! Zeigen Sie sich möglichst ruhig äußerlich und sagen Sie mit der mög­lichsten Ruhe: Du hast nun das Tintenfaß zerschmissen. Am anderen Tag, wenn das Kind selbst ruhig ist, besprechen Sie teilnahmsvoll die Sache mit ihm. Sprechen Sie darüber, was es getan hat, zeigen Sie die größte Teilnahme. Zwingen Sie so das Kind, hinterher die ganze Szene in seinem Gedächtnis zu wiederholen, durchzunehmen. Verurteilen Sie auch ruhig die Vorgänge, wie es das Tintenfaß auf den Boden gewor­fen, zerschlagen hat. Man kann auf diese Weise mit tobenden Kindern außerordentlich viel erreichen. Auf andere Weise bringt man sie nicht dazu, das Toben zu bekämpfen.
.

“Bij een kind dat cholerisch te keer gaat, moeten we niet proberen te verhinderen dat het zich uitleeft, maar juist proberen die zich heftig manifesterende eigenschappen aan te pakken door  het kind van buitenaf op de juiste wijze tegemoet te komen. Maar het is wel moeilijk om een kind zich altijd helemaal te laten uitleven.( )

Bij een cholerisch kind daarentegen probeert u innerlijk onaangedaan te blijven, koelbloedig toe te zien wanneer het zich aan het uitleven is. Probeer, als het bijvoorbeeld het inktpotje op de grond smijt, zo flegmatisch, zo rustig mogelijk te zijn en door niets, maar dan ook niets geraakt te worden. En probeer, in tegenstelling daartoe, uiterlijk zo veel mogelijk van die dingen geïnteresseerd met het kind te bespreken – maar niet onmiddellijk daarna. Wees uiterlijk zo rustig mogelijk en zeg met de grootst mogelijke rust: ‘Je hebt het inktpotje kapot gegooid.’ De volgende dag, als het kind zelf rustig is, bespreekt u de zaak vol belangstelling met hem. Bespreek wat het kind gedaan heeft op die manier om de hele scène achteraf in zijn herinnering te herhalen, nog eens langs te lopen. U kunt ook rustig het kapot gooien van het inktpotje op de grond, veroordelen. Men kan op deze manier bij wilde kinderen buitengewoon veel bereiken. Op een andere manier brengt men ze er niet toe hun wilde uitgelatenheid te bestrijden.”
GA 295/14-15
Vertaald/15

Dit laatste kon ik al meteen uit de praktijk beamen.

IN DE PRAKTIJK

Die andere aanpak vond ik wel moeilijk. Ik merkte dat ik zelf ook wel wat choleriek had en dat ik geïrriteerd raakte door het gedrag van het kind.

De oproep van Steiner: ‘Je nooit te ergeren” [1] die ik later tegenkwam, heeft me duidelijk verder geholpen een houding aan te leren waarbij ik, van binnenuit, de rust kon vinden in een situatie waarin het cholerische kind weer een van zijn buien had.

Ik weet nog als de dag van gisteren dat ik, zij het aarzelend, toen de potloden door de klas waren gevlogen, zei:  “Nu liggen al je potloden op de grond en van sommige zijn de punten gebroken.”

De uitwerking was frappant:  er daalde een zekere rust in de klas. Ik vroeg een ander kind de potloden op te rapen en ging, uiterlijk onbewogen, verder met waarmee we bezig waren.

De andere dag heb ik het voorval met hem besproken, zonder de andere kinderen.

Er volgden in de loop van de jaren nog talrijke uitbarstingen, maar de tussenpozen werden steeds ruimer.

Ik probeerde hem met andere aanwijzingen voor het cholerische kind te helpen de negatieve kanten van de choleriek om te zetten in positieve.

Hoewel ik aanvankelijk veel fout had gedaan, leerde ik ook steeds meer.

Toen ik na 7 jaar afscheid nam van de klas, stond er in het afscheidsboek een briefje van ‘mijn cholericus’ met daarin de woorden: “Bedankt dat U me van mijn boze buien hebt afgeholpen”.

Ik vond het toen en vind dat nu nog, veel te veel eer, maar was er wel heel blij mee.

Het gaat hierom:

Wanneer een kind woedend is en jij benadert het ook woedend om het te dwingen, te leren, zich te beheersen, roep je eigenlijk, onbeheerst met veel misbaar: “En ik zal je léren, je te beheersen!!!”

Op deze manier ben je slechts even ver als het kind en dat leert dus niets van je.

Op 04-11-14 in Trouw – ‘het gesprek’:
‘Mam, de juf heeft tegen mij geschreeuwd.
‘Wat schreeuwde ze dan?’
‘Dat ik niet zo moest schreeuwen.’
Theo Olthuis, Bergen NH

(1) GA 295/24
Vertaald/24

Rudolf Steiner als pedagoog (2)    (3)    (4)

Temperamenten (menskunde en pedagogiek nr.15)

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

9-7

.=

.

.

.

.