Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – tv (19-5/1)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

Roger Simons in ‘De Gelderlander’, 08-08-1989
.

‘Britse jeugd wordt crimineel door tv’

LONDEN – Sommige regio’s van Groot-Brittannië kweken doorlopend jeugdige delinquenten. Bijna de helft van de jongens worden er boeven vóór ze de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. En de tv is vaak van doorslaggevende invloed op hun karakter.

De onrustwekkende snelheid waarmee in bepaalde Britse gewesten zoveel jongens zich al vroeg schuldig maken aan misdrijven, wordt uitvoerig toegelicht in een recente regeringsstudie.

Kinderen van nauwelijks elf jaar gaan joy-riden in gestolen auto’s, zegt dit rapport. Zij plegen inbraken en nemen dingen weg uit winkels zonder te betalen. Meisjes zijn daar ook niet vies van. Zij vinden dergelijke diefstallen bijzonder opwindend.

Uit de Britse regeringsstudie blijkt, dat in Groot-Manchester zo’n 44 procent van alle jongens tussen de 11 en 16 ‘betrapte delinquenten’ zijn. Het Noord-Engelse Manchester werd voor deze studie als ‘typisch voorbeeld’ genomen. In andere Britse regio’s is het minder ernstig gesteld met de criminaliteit onder jongeren.

Nog niet

Neem nu Kirklees, een gemeente in het Noord Engelse Yorkshire. Daar staan 10 procent van de jongens en 4 procent van de meisjes bekend als delinquenten. In Tendring, een gemeente in het Zuid-Engelse Essex en dus veel dichter bij Londen, bedraagt de hoeveelheid 9 en 5 procent.

Volgens deze overheidsstudie vormen geweld en drugs nog geen echte plaag onder de kinderen van Groot-Brittannië. Toch was in verband met 20 procent van de misdrijven, gepleegd door jongens van minder dan 16 jaar, sprake van bedreiging. Maar de onderwijzers van Groot-Brittannië laten, wat dit aspect van het gedrag van hun leerlingen betreft, een heel ander geluid horen.

Op het congres van de bond van Britse onderwijzers vorige week [zie datum boven] in Birmingham, hadden diverse sprekers het op de tv gemunt. Zij zijn de vaste overtuiging toegedaan, dat televisiekijken de kinderen van Groot- Brittannië corrupt en gewelddadig maakt.

Peter Dawson, gewezen hoofdonderwijzer en tegenwoordig algemeen secretaris van deze vakvereniging met 43.000 leden, stelt het populaire BBC-feuilleton ‘East-Enders’ aansprakelijk voor het huidige verval van de Britse goede zeden dat duidelijk merkbaar is, zowel onder kinderen als volwassenen. Dawson vindt dat ‘East-Enders’ niet deugt omdat de scenario’s van deze serie ‘te realistisch’ zijn en de spelers hun werk te goed verstaan.

Voorbeelden

Van ‘Dallas’ zegt hij dat ‘geen mens daarin gelooft’ maar ‘East-Enders’ wordt wel als ‘echt’ ervaren, wat volgens Dawson onvermijdelijk tot gevolg heeft dat dit feuilleton slechte voorbeelden geeft. In een toespraak verwees hij naar echtelijke ontrouw, homoseksualiteit, drankmisbruik, het gebruik van drugs, diefstal, geweldpleging (ook van man tot vrouw) en ga zo maar door.

„Niet alleen jonge kinderen maar ook volwassenen denken dat het zo hoort en dat ze dit alles moeten nabootsen,” zei Dawson. De BBC was er helemaal niet gelukkig mee. „Wij proberen precies het tegenovergestelde te bereiken,” verklaarde een woordvoerster van de omroep verontwaardigd. „Ons doel is door middel van realistische situaties de kijkers ervan te doordringen dat ze er altijd beter aan doen het rechte pad te bewandelen.”

Maar de Britse onderwijzers zijn kennelijk van mening dat tv verantwoordelijk dient gesteld voor alle kwalen van de moderne wereld. Zelfs Amerikaanse tekenfilms, zoals ‘Tom and Jerry’ en ‘Bugs Bunny’, die in hun land vrij geregeld op de buis komen, schijnen niet te deugen.

Klappen

„Heel jonge kinderen geloven dat de echte wereld precies dezelfde is als die van de tv,” zei Anne Spencer, adjunct-hoofd van een Zuidwest Londense basisschool, in een toespraak. „Hebt u die tekenfilms van tegenwoordig al goed bekeken? In mijn school zag ik een jongetje zijn vriendje klappen geven dat het een aard had.

Daarna verbaasde hij zich erover dat het vriendje op de grond lag te huilen van de pijn. De dader kon niet begrijpen waarom er iets niet in orde was met het andere jongetje. Zij speelden hun tv-helden en op de buis geeft het niet dat je elkaar platslaat, want daarna sta je toch weer op alsof er niets gebeurd is en snel je nieuwe avonturen tegemoet!”

.

Opvoedingsvragen over tv. onder nr. 19

Nabootsing: artikelen

1841-1727

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-4)

.
Rita van Haren, Jonas 5, 30-10-1981

KIND EN TELEVISIE

Alleen maar verbieden heeft nauwelijks zin

Een van de voordelen van het Hollander zijn is, dat je zo gemakkelijk bij elkaar op de koffie gaan kunt, zonder daarvoor van tevoren te zijn uitgenodigd. Je hoeft niet eerst te denken ‘Wat zal ik aantrekken of meenemen’, maar kunt rustig met je oude spullen even ‘aanwippen’. Vaak zijn de gesprekken die dan ontstaan wezenlijker dan die welke op een officieel avondje worden gevoerd en kunnen persoonlijke gedachten uitgewisseld en eventuele problemen met de opvoeding van de kinderen enzovoorts, besproken worden.

In een van deze gesprekken met een vriendin dook het vraagstuk ‘televisie en kinderspel’ op. Eenieder die niet in het bezit van een televisie is en woont in een nieuwbouwwijk waar het wemelt van de kleine kinderen weet hoe moeilijk het is om jouw kind niet mee te laten kijken, terwijl hun vriendje wél mag. Om er dan ook nog zorg voor te dragen dat er niet een soort fixatie ontstaat op de televisie, juist omdat het niet mag, is eigenlijk haast niet mogelijk. Veel kinderen uit de buurt worden door hun ouders uit hun spel gehaald, wanneer op woensdagmiddag of op zaterdag het kinderprogramma begint. Zelfs wanneer het kind verdiept is in zijn spel wordt er aangedrongen totdat hij of zij naar binnen komt.

Wat moet je doen als jouw kind ook meegevraagd wordt? Een of twee keer kun je iets verzinnen om dit te voorkomen, maar daarna wordt het moeilijker. Jouw kind wordt al gauw een eenling, al was het alleen al omdat het niet op de hoogte is van wat er aan kinderprogramma’s geboden wordt. Het kan dan bijvoorbeeld gebeuren, dat de kinderen uit de buurt een film naspelen, met de nodige pistolen, pijlen en bogen. Zelfs mitrailleurs met batterijen ontbreken niet. Omdat jij het niet zo prettig vindt om jouw zoon dergelijk speelgoed te geven, is het gevolg, dat hij regelmatig met de handen omhoog tegen de schutting staat, omdat de kinderen spelen dat hij doodgeschoten moet worden en de angsten die hij duidelijk laat blijken natuurlijk ‘net echt’ vinden.

Ook wanneer je voorzichtig de ouders benadert, opdat ze misschien hun kinderen toespreken, merk je dat de aansluiting vaak moeilijk is. Je kunt dan bijvoorbeeld het advies krijgen om jouw kinderen vaker naar de televisie te laten kijken, zodat ze wennen aan doodschieten en dergelijke en hun angsten daardoor verdwijnen. Dat daarmee tevens een afstomping en een onbetrokkenheid met lief en leed van je medemensen optreden kan, en zeker bij kleine kinderen, is niet een twee drie te begrijpen.

We realiseerden ons dat het verbieden op zich nauwelijks zin heeft, maar dat je een alternatief moet scheppen, minstens zo aantrekkelijk als de televisie. Na drie koppen koffie kwam dan eindelijk de inspiratie en besloten we om voortaan de woensdagmiddag te bestempelen tot ‘gezellige middag’. Aanvankelijk was dit bedoeld voor onze eigen kinderen, maar inmiddels is het uitgegroeid tot een grotere groep kinderen en meerdere moeders uit onze omgeving, die enthousiast begonnen te worden.

Gezellige middag

De eerste middag zijn we gaan schilderen. We hebben geen van beiden een antroposofisch geschoolde schilderopleiding, maar weten wel dat ‘nat in nat’ de methode is op vrijescholen en omdat er in beide families een verjaardag in zicht was, maakten we schilderend een jaargetijdenkalender. Dit doel was voor de kinderen erg belangrijk. Toen na een uurtje het heilige vuur een beetje gedoofd was, kwam Het Sap en Het Lekkers op tafel, waarna we een sprookje voorlazen. De kinderen waren enthousiast en gaven ons daardoor de zekerheid hiermee door te moeten gaan.

De ideeën voor een volgende keer kwamen toen eigenlijk vanzelf. Vriendjes en vriendinnetjes gingen zich vanzelf uit nieuwsgierigheid aansluiten en trokken er de tweede woensdag mee op uit om schors en hout in het bos te gaan verzamelen voor een kabouterhuis in de tuin. Het is boeiend om te zien hoe inmiddels het idee van de tuinkabouter, die zorgt voor de planten en bomen en woont in een eigengemaakt huis, is gaan leven in de buurt. Het meest belangrijke is, dat de ouders zo nu en dan kleine bewijsjes aandragen waaraan hun kind kan zien dat de tuinkabouter werkelijk geweest is. Dit hoeft helemaal niet groots te worden opgezet, hoe kleiner hoe spannender. Je kunt bijvoorbeeld ’s avonds met jouw kind de gordijntjes van het huis dichtdoen, en ’s morgens heeft de kabouter ze weer opengedaan. Je kunt een stoeltje of bed (ook van schors of gewoon van steentjes en wat schapenwol) verplaatsen.

Bij ons is er een levendige correspondentie ontstaan: piepkleine briefjes met de belevenissen van ‘Pluizebol’, onze tuinkabouter. We hebben een tegel uit het tuinpad gehaald en de kabouter heeft daar sterrenkers in gezaaid, zodat hij ook een miniatuurtuintje heeft. Zo nu en dan staan er verse bloemen in een vaasje op zijn tafeltje, enzovoort. Belangrijk is dat het kind nooit de kabouter zélf ziet, dus geen stof-kabouter of andere popvormen, maar wel heel kleine aanduidingen van zijn aanwezigheid, liefst in betrekking tot de natuur en het leven in de tuin. Een andere keer bouwden we tenten in de tuin van grote lappen, knijpers en een oude parasol. Een dag van tevoren bakten we ronde zandkoeken en kochten wat taartversierselen, nootjes, sesamzaad en blauw lint, zodat de kinderen in de tent de koeken konden versieren met suikerglazuur. Het was hierbij wel belangrijk dat het materiaal van tevoren klaarstond, zodat er geen leemten ontstonden door wachten. De kinderen worden dan ongeduldig en er komen al gauw kleine ruzietjes, die voorkomen kunnen worden door goed organiseren.

Eigenlijk hadden we verwacht dat na een kwartiertje de koeken wel klaar zouden zijn, omdat minstens de helft in de monden zou verdwijnen en we hadden ons dus goed voorbereid op de rest van de middag, maar toen ze na anderhalf uur nog steeds in perfecte harmonie en geconcentreerd bezig waren, keken we elkaar wel even verbluft aan en hebben onze plannen voor de verdere middag aangepast, door allerlei spelletjes in de tuin te doen en ze een poosje te laten uitrazen.

We proberen zo mogelijk (wat betreft de tijd en ook de reactie van de kinderen) af te sluiten met een sprookje.

Om te voorkomen dat telkens dezelfde moeder met de rommel wordt opgescheept, wisselen we iedere woensdag van huis. Ook het zorgen voor sap en koek doen we om de beurt.

Een volgend idee, dat ontstond uit het feit dat we veel lapjes hebben die nooit gebruikt worden, was een wandkleed maken. Om wat houvast te hebben voor de kinderen kozen we een onderwerp: de bloementuin. Dat er inmiddels ezels en kerktorens en ik meen zelfs een soort spook op staan is helemaal niet belangrijk. We lieten de kinderen naast elkaar op een bank zitten, keerden de lappenzak op de vloer om, zodat ze elk wat kleuren uit konden kiezen. Dan knipten de kinderen vormen uit die op het kleed werden geplakt. Niet genaaid, wat veel te veel tijd en inspanning vraagt, afgezien van het feit dat kleintjes dat helemaal niet kunnen. Tenslotte is het een vrije middag en moet het geen schoolles worden. Het resultaat is niet zo belangrijk zolang zij er zelf plezier in hebben.

De reacties over en weer op elkaars werk waren komisch om aan te horen en vaak werd er samengewerkt en geholpen. Iedere week hangt het kleed bij een ander gezin zodat elk kind er plezier van heeft.

Een middag waarover de kinderen nu nog steeds praten, was de verkleedpartij. Echte verkleedkleren waren helemaal niet nodig. Van onze niets vermoedende echtgenoten haalden wij broeken, schoenen en pyjama’s uit de kast en van onszelf sjaals, bikini’s, lange jurken enzovoort. We gaven kleine opdrachtjes om een toneelstukje te maken, zoals bijvoorbeeld de tandarts en de patiënten, of de bakkerswinkel die wordt beroofd, compleet met dief en politieagent. Niet zo pedagogisch misschien, maar wel dolle pret.

Langzamerhand begonnen de kinderen de woensdagmiddag te zien als een feest en zeiden zelfs logeerpartijtjes en middagen spelen bij vriendjes af om dit mee te kunnen maken. Natuurlijk vraagt dit alles voorbereiding en een goede samenwerking tussen verschillende moeders, maar creatieve activiteit – ook al is het op heel kleine schaal – lijkt mij de enige manier om tegenwicht te bieden aan de geestdodende passiviteit die televisie veroorzaakt, en wat belangrijker is, zonder agressie op te roepen bij ouders die een andere leefwijze hebben. We stellen er iets tegenover en de kinderen maken zelf de keuze door wel of niet te komen. En verder blijven we hopen dat iedere woensdag een nieuw idee moge komen.
.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen
.

1833-1719

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-3)

.

Joke Beekman, vrijeschool Wageningem.datum onbekend

De andere kant van de TV

De meesten van ons kunnen zich wellicht de tijd herinneren, dat de tv opkwam. Hordes buurkinderen kwamen samen op een centraal adres om op woensdagmiddag tv te kijken. Alle kinderen kregen van hun moeder op het hart gedrukt “bedankt voor ’t kijken” te zeggen na afloop.

Nu is er bijna in elk gezin een televisietoestel en is er veel vaker kinder-tv dan toen, er is zelfs een kinderjournaal.

Is dat verheugend? Is tv-kijken nog steeds iets terloops in de rij van eten, boodschappen doen, buiten spelen en in bad gaan? of is het iets incidenteels, zoals de buurvrouw die een ei komt lenen?

Wanneer je écht gaat kijken welke rol tv speelt in je gezin of probeert zo objectief mogelijk waar te nemen wat er al kijkend gebeurt in jezelf en je kinderen, ontstaan er allerlei vragen.

Met het beschrijven van een viertal voorbeelden, wil ik laten zien, welke vragen tevoorschijn kunnen komen* wanneer je wat minder oppervlakkig naar het fenomeen “tv als medium” kijkt, ik wil het graag bij vragen laten, omdat ik gemerkt heb, dat vragen moeten rijpen, dat je er een tijdje mee rond moet lopen of er met anderen over moet praten, voordat je je eigen antwoorden daarop gevonden hebt.

Het is half vier. Het buurmeisje speelt bij ons. Er wordt aangebeld. Haar zusje komt zeggen, dat de tv begint. Het buurmeisje kiest voor de tv. De hut blijft half-af achter, de pop half aangekleed.

Een andere keer speelt mijn dochtertje bij dat buurmeisje. Haar vader is oppas en weet kennelijk niets van de afspraak die ik ooit met haar moeder maakte, dat mijn dochtertje naar huis zou komen, als bij hen de tv aanging. Thuisgekomen vertelt Frouke het tv-verhaal. Tot in details beschrijft ze wat ze gezien heeft: er was een meisje doodgegaan, door het eten van vergiftige torretjes. Ze moest begraven en er werd aarde op haar kist gegooid. De volgende dag speelt Frouke het verhaal na met haar poppen, de pop is ziek, ze heeft vergiftige torretjes gegeten, maar ze wordt wel beter hoor, ze moet pilletjes…..etc.

Nog een voorbeeld. Op een regenachtige middag in de vakantie kijken we kinder-tv. We zien een heel gezellig kringetje kinderen met feestmutsen op. Ze drinken limonade met een rietje, een ‘meester’ met een gitaar zingt liedjes, hiep-hiep-hoera en daar is de taart. Wij krijgen ook trek in taart.

Meteen daarna een filmpje over een jongetje, dat van een oude klomp een zeilboot maakt. Leuk, zeggen we. Zorgvuldig kijken we mee, hoe hij dat voor elkaar krijgt. Een laatste “shot”: het bootje zeilt het beeld uit. Nu de tv uit?  Nee, er komt nog een tekenfilm. Na afloop zijn we het bootje vergeten. Even wakker worden uit de droom, wat waren we ook weer aan het doen? Een blik op de klok wijst etenstijd. “Gaan jullie je handen wassen, we gaan eten!” “Nou hoor, nu al? Maar ik wou nog even…..’

Wat laten deze voorbeelden zien?

Dat de tv een dwingend medium is. We kunnen de omroepster niet vragen even te wachten, omdat er nog één lap op de hut moet, want anders is hij niet donker genoeg, of omdat de pop nog zijn muts op moet. Tv is going on! Ons eten kan wel een momentje wachten, de boodschappen ook. Onze kinderen hebben immers ook hun eigen belangen. Het is goed voor hun wilsontwikkeling, dat ze leren hun bezigheden af te maken. Vanzelfsprekend zijn er ook momenten, dat er wel echt op tijd moet worden aangetreden, bv. wanneer de kinderen ’s ochtends de deur uit moeten.

Daar is het onze wil, dat zij op tijd komen en leren we de kinderen te denken aan de meester of juf die op tijd wil beginnen. Dat is een sociale afspraak. Hebben wij met de omroepster een afspraak? Is het ónze wil dat er tv wordt gekeken? Of onze gemakzucht?

Het buurmeisje kiest voor de tv. De tv is voor haar belangrijker geworden dan haar eigen initiatief, en belangrijker, dan haar vriendinnetje.

Natuurlijk, zo makkelijk zijn kinderen. Het ene vriendinnetje laten ze schieten voor het andere. Maar is dat hetzelfde met het kiezen voor tv?
Wat is er zo aantrekkelijk, wat heeft tv meer dan alle vriendinnetjes bij elkaar? Al spelend ontstaan keuzes, op het moment, vanuit de situatie. Het kind wil zélf intens met een ander spelen. Dat is het sociale spel tussen kinderen, waaraan ze ervaring opdoen. Is tv een eerlijke medespeler?

Het tweede voorbeeld illustreert, hoe we weliswaar in de tv-gids lezen wat er komt, maar eigenlijk niet kunnen overzien hoe een programma op onze kinderen uitwerkt. We kennen het beleid van de programmamakers niet, we weten niet welk doel het programma beoogt. Is het doel bv. vermaak of is er een pedagogisch doel? Vanuit welke hoek komt de visie erachter? Bv. Het leven moet leuk zijn, dus laten we kinderen zien hoe je het leven leuk moet maken. Of is de rode draad het bijbrengen van kennis? De tv-makers doen geen moeite om ons hun normen of doelen voor te leggen. (Alleen bij de EO weet je uit welke hoek de wind waait.) Kunnen wij dan zeggen, dat wij achter hun motivatie staan?

Wanneer wij voorlezen kunnen we even stoppen voor een kleine uitleg, kunnen we als het al te spannend wordt onze stem wat neutraliseren, er geruststelling in laten klinken. Die verantwoordelijkheid kent de tv niet. Kinder-tv is afgestemd op gemiddelde kinderen, op uni-kinderen.

Is het niet belangrijk, dat wij kiezen wat we onze kinderen aanbieden?

We kiezen voortdurend voor hen. Een te moeilijk boek zetten we nog een jaartje in de kast. We overwegen of we een kind wel of niet mee zullen nemen naar een begrafenis. Een gevoelig kind confronteren we niet met schokkende beelden (bv. een overreden dode kat), wanneer je weet, dat het daar lang en diep mee blijft worstelen. Het ene kind kan al op zijn 4e alleen met de bus mee, het andere kind zouden we op zijn 7e buikpijn bezorgen van de gedachte alleen. We kennen onze kinderen in hun verschillen, we weten hun eigenaardigheden, we bekommeren ons om hun wordende persoonlijkheidjes. Doet de tv-producer dat?

Voor mijn dochtertje gold, dat ze de gelegenheid had in haar fantasie te verwerken wat ze had gezien en er al spelend iets eigens van te maken. Krijgen kinderen die het ene programma na het andere zien, tussentijds nog de gelegenheid zich met de tv-beelden uiteen te zetten? Is de kans niet groot, dat veel onverwerkt “gruis” zich opstapelt? Wat moeten ze daarmee. Hebben ze er echt iets aan?

Het derde voorbeeld laat zien hoe we als kijkers grotendeels buitengesloten zijn van wat we op tv zien gebeuren. Wij krijgen trek in taart. Maar in onze huiskamer is het stil. We staan buiten het feest en toch zijn we erbij. Hebben we er eigenlijk wel een boodschap aan te zien hoe anderen het doen? Beleeft een kind een feestje op tv niet zo als de verjaardag van een vriendinnetje? Daarvan herinnert ze zich later een bepaald spelletje dat zo leuk was en de taart die er anders uitzag dan haar eigen moeder hem altijd maakt, maar die toch heel lekker smaakte.

De zintuigen doen mee in de beleving. Welke zintuigen laat de tv aan bod komen? In de levende situaties leren kinderen “het leven” kennen, de ongelukjes, het moeilijke, het grappige, het uitbundige, het intieme, brengt de tv dat over?

En stel je nu eens voor, dat dat jongetje van die klomp écht bij ons in de huiskamer had gestaan. Dan hadden we vol bewondering gekeken. Misschien hadden we ook een klomp gezocht. De kinderen hadden ervaren hoe moeilijk het is het zeil zo te bevestigen, dat het bootje niet kapseist. Ze hadden gejuicht als het bootje te water werd gelaten en zouden precies weten hoe lang je er over doet zo’n bootje te maken’. .Maar het jongetje was op tv. Als kinderen de klomp van de tv na zouden willen maken, zouden ze al gauw merken dat de werkelijkheid (tijdsduur, hoe moeilijk het is) niet klopt met wat ze zagen. Ze zien af van het idee. Hoe vaak worden zulke wensen gewekt door de tv? Kan een kind in de wirwar van zulke verlangens nog weten wat het eigenlijk wil? Hoe is het voor hem te merken, dat dat wat hij had willen doen door de tv is gedwarsboomd, zoals in het laatste voorbeeld.

Omdat er geen menselijke wisselwerking is tussen de tv en het kind, jouw kind, blijven er gewekte wilsimpulsen liggen. Of nemen wij als ouders op ons, wat het kind (via de tv) wil, echt met hem te gaan doen?

In deze voorbeelden komt een aantal aspecten boven. Beschrijvingen van andere voorbeelden zouden zeker nog meer “andere kanten” van de tv ontsluieren.

Voor mij zijn de belangrijkste vragen: wil ik, dat een ander (tv-maker-) bedenkt wat goed is voor mijn kind. Wil ik dat het opgroeit met verzonnen karikaturen of met levende mensen? Vind ik het belangrijk, dat het gewoon sprekende mensen ontmoet of is het leuk voor hem om gekke stemmetjes te horen. Is de gein op tv voor hem net zo waardevol als de grapjes van een geliefde oom, die af en toe op bezoek komt? We leven in een tijd waarin we vaak kunnen kiezen. Kiezen we een vrijeschool voor onze kinderen, eten we vlees, enz. Hoe serieus ga je om met de vragen (ook de gesluierde), die aan je worden gesteld?

Dat hangt van veel factoren af, van je eigen belang, van je eigen visie en inzicht, van je wil om met die vragen bezig te zijn en van je eigen kracht. Misschien hebben we elkaar daar erg bij nodig.

Bij elke nieuwe situatie waarin de tv in mijn blikveld komt, merk ik dat er niet één gedachte of één bepaalde houding afdoende is. Telkens weer is het anders.

De Zweedse schrijfster Karin Neuschütz, die een uitgebreid boek over tv schreef, drukt naar mijn idee het beste uit, om welke keuze het eigenlijk gaat: “Leven of TeVen, dat is de vraag!”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1819-1705

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-7)

.
Interview van Petra Essink met Evelien van Dort in ‘Stroom’, zomer 3, 2017, tijdschrift van Antroposana
.

Koester de ervaringstijd van je kind

Vertel het me en ik zal het vergeten,
laat het me zien en ik zal het onthouden.
Laat het me ervaren en ik zal het me eigen maken.

Deze woorden van Confucius citeert antroposofisch fysiotherapeut en kinderboekenschrijfster Evelien van Dort voorin haar pas verschenen boek

   Bewegen, eerst je lijf in, dan de wereld in

De mooie oude tekst staat voor haar voor het grote belang dat kinderen hebben bij echte ervaringen, op alle niveaus.
Van Dort: ‘Ervaringstijd is voor ieder kind de meest kostbare tijd die er bestaat.’

Lichamelijke ontwikkeling op nummer 1

Evelien van Dort heeft eigenlijk twee beroepen. In de ochtenduren schrijft ze aan haar kinderboeken, waarvan er al meer dan zeventig op haar naam staan.
’s Middags werkt ze in haar praktijk als fysiotherapeut met kinderen.

‘Ik heb altijd een sterke affiniteit met kinderen gehad’, is het eerste wat Evelien van Dort antwoordt op de vraag hoe ze kwam tot het schrijven van haar boek over het belang van een gezonde sensomotorische ontwikkeling.

Ze vervolgt: ‘Ik krijg veel vragen van ouders over de lichamelijke ontwikkeling en ook over het gedrag van kinderen. In het reguliere veld kijkt men bij ontwikkelingsproblemen in de regel in eerste instantie naar de gedragsmatige kant: er wordt veel naar antwoorden gezocht in de orthopedagogische en psychologische hoek. Als fysiotherapeut ervaar ik daarin een eenzijdigheid. Mijn boek is een soort oproep om de lichamelijke ontwikkeling centraal te stellen. Ik heb geprobeerd om dertig jaar ervaring als fysiotherapeut werkzaam met kinderen aangevuld met mijn visie geïnspireerd door de antroposofie op een voor iedereen toegankelijke manier te verwoorden.’

Pedagogiek en gezondheid verweven

‘Als je naar de lichamelijke ontwikkeling van kinderen kijkt zijn een heleboel dingen niet meer zo vanzelfsprekend’, constateert van Dort.

‘Zinvolle bij het leven horende handvaardigheden die veel voldoening kunnen schenken, zoals een appel in stukjes snijden of schillen en veters strikken, worden door veel kinderen weinig geoefend.

Als je naar de natuurlijke ontwikkeling van de kindermotoriek kijkt, kun je leren zien dat een kind echt stap voor stap, in een bepaalde volgorde processen moet doormaken om van de ene in de andere ontwikkelingsfase te komen. Veel deskundigen gaan uit van de zogenaamde continue ontwikkeling, die het niet zo nauw neemt met die fasen en de volgorde daarvan. Vanuit deze visie biedt men kinderen graag extra prikkels aan, bijvoorbeeld om bepaalde ontwikkelingen te vervroegen. Zo proberen sommige ouders bij een kind van 2 jaar al een voorkeurshand te stimuleren. Ze zien niet dat deze ontwikkeling nog niet aan de orde is op die leeftijd.

Het probleem is dat in onze tijd het pedagogische en het medische uit elkaar zijn gehaald. Al jaren vragen kinderartsen en oogartsen aandacht voor nadelige effecten van het gebruik van digitale middelen op jonge leeftijd. Door eenzijdige zithouding krijgen kinderen bijvoorbeeld langdurig nek-, rug- of hoofdpijn. Recent is een onderzoek gepubliceerd waarin blijvende schade aan kinderogen wordt geconstateerd door het vele gebruik van pc’s, laptops en ook digiborden. Echter, in het onderwijs worden digitale leermiddelen tot nu toe alleen maar méér ingezet vanaf groep 1.

Vanuit de antroposofie kun je ontdekken dat die twee hand in hand gaan, dat ze met elkaar verweven zijn: het opvoedkundige werkt sterk door in het lichamelijke. Logisch eigenlijk, want een kind is een geheel.

Een voorbeeld daarvan is de balans tussen in- en ontspanning, stilzitten en bewegen. Bij een disbalans daartussen kan een kind oververmoeid raken. In het reguliere onderwijs is het gangbaar om vanaf groep drie, het grootste deel van de schooldag zittend en geconcentreerd op een taak door te brengen. Het gebrek aan afwisseling kan op het lichamelijk doorwerken in vermoeidheidsklachten of bijvoorbeeld moeite met inslapen.’

leder kind is een raadsel

De rode draad in het boek van Evelien van Dort is de zogenaamde
sensomotorische ontwikkeling, waarin de zintuigen centraal staan. Op begrijpelijke wijze, met veel aansprekende voorbeelden die iedere ouder herkent, beschrijft ze de vanuit de antroposofie bekende 12 zintuigen. Van Dort legt daarbij de nadruk op de ontwikkeling van de zogenaamde onderste vier zintuigen, omdat die de basis vormen voor de verdere persoonlijkheidsontwikkeling: de tastzin, de levenszin (waarmee je voelt of je lekker in je lijf zit, of niet), de bewegingszin (waarmee je eigen bewegingen registreert) en de evenwichtszin.

Op de vraag hoe ze die ontwikkeling ondersteunt in haar fysiopraktijk antwoordt van Dort: ‘Ik zal niet gauw tegen ouders zeggen dat ze dit of dat wel of niet moeten doen. In het bijzijn van jonge kinderen is mijn wens om niet over het kind te praten, ik maak dan een aparte overlegafspraak. De ontwikkeling van een kind is een heel gecompliceerd verhaal: ieder kind is toch een soort raadsel dat met heel eigen mogelijkheden en eigenaardigheden op aarde komt. Daarnaast hebben kinderen allerlei hoogstpersoonlijke interacties met hun ouders. Daarom bestaat er, hoewel je de verschillende fasen duidelijk kunt herkennen, geen kant en klaar recept voor de motorische ontwikkeling van kinderen. Er zijn wel aandachtspunten. Ik vind het belangrijk in gesprek te gaan over bepaalde thema’s, zodat ouders zelf een mening kunnen vormen en van daaruit bepaalde dingen kunnen doen, of laten.’

Met eigen kracht de wereld in

‘Een van die thema’s is de buikligging’, vervolgt van Dort. ‘Sinds de jaren ’80 wordt ouders vanuit de consultatiebureaus afgeraden om baby’s op hun buik te leggen. Er zou een mogelijk verband zijn met wiegendood. Echter, vanuit de motorische ontwikkeling gezien is het echt een gemiste kans wanneer baby’s alleen maar op hun rug liggen. De buikligging geeft een sterke impuls aan het strekken, oprichten en omrollen. Het kind kan gemakkelijk zijn knietjes onder zijn buik trekken, en de rotatie van de wervelkolom wordt gestimuleerd. Ik adviseer ouders hun kinderen, altijd onder toezicht, regelmatig even op de buik te leggen.’

Soms lukken dingen niet vanzelf. Sommige kinderen tonen in eerste instantie niet zo veel eigen bewegingsdrang en komen bijvoorbeeld niet tot zitten.

‘Het is een heel natuurlijke impuls van ouders om zo’n kind op zijn billen te zetten’, vindt van Dort. ‘Zo’n kind vindt dat wel prima, en dit kan leiden tot het zich voortbewegen door op zijn billen te gaan schuiven. Daarmee wordt vaak een essentiële fase van het kruipen overgeslagen. Mijn insteek is dat ik het kind wil helpen om vanuit zijn eigen kracht in de wereld te komen. Het gaat erom dat een kind vanuit zichzelf in beweging komt. Alles wat kinderen zich echt vanuit zichzelf eigen kunnen maken versterkt hun basis van waaruit ze zich sociaal-emotioneel verder kunnen ontwikkelen.’

Van Dort ziet regelmatig een belemmering die een gezonde sensomotorische ontwikkeling in de weg kan staan: overprikkeling. ‘Met alle goede bedoelingen, zie je soms dat hele jonge kinderen worden blootgesteld aan speeltjes met allerlei piepjes en rammeltjes. Het gevaar daarmee is dat je een kind gaat trainen en entertainen, in plaats van dat het uitgedaagd wordt. De overprikkeling gaat door in kleuter- en basisschoolleeftijd. Kinderen worden met taal- en rekenspelletjes al vroeg in het prestatiedenken getrokken. Dat is jammer, want de tijd daaraan besteed gaat af van de speeltijd. Ook doordat er veel tijd wordt ingenomen door digitale speeltjes die kinderen letterlijk stilzetten, staat de (buiten)speeltijd van het kind daadwerkelijk onder druk.

Verbieden is natuurlijk geen oplossing. Je moet een alternatief bieden: het met elkaar bewegen, het geven en nemen, in een speelse sfeer van niet-prestatiegericht zijn, is voor kinderen een fundamentele ervaring. Kringspelen zijn daarvoor bij uitstek geschikt. Spelen is enorm belangrijk. En ieder kind kan tot spel komen, als het de omstandigheden krijgt aangereikt.’
.

Evelien van Dort               haar boek ‘Bewegen’         meer, n.a.v. dit boek

Zintuigen: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1818-1704

.

.

VRIJESCHOOL – – Opvoedingsvragen (19-2)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze zullen hier in de loop van de tijd verschijnen. 

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, datum onbekend.
.

VOOR DE BUIS?

Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik ben vóór de televisie. In deze tijd heeft de in het volle leven staande mens meer dan ooit behoefte aan veelzijdige informatie, niet alleen in woord, maar (visueel ingesteld als we zijn) vooral ook in beeld. Een lancering van een ruimtevaartuig en huwelijk van een prins, daar willen we ook onze neus in steken.

Een actualiteitenprogramma met recente beelden over bijv. Polen, een spannende sportwedstrijd, een ontspannende western, een mooi concert, een leuke quiz enz,, er zijn genoeg redenen om daarvoor de tv eens aan te zetten.

Helaas zijn er vaak ook genoeg redenen om “dat ding” weer af te zetten. Dat gaat dikwijls wat minder spontaan, want dan moet je je weer uit die net zo comfortabele tv-club hijsen en erheen lopen (de hond staat kwispelstaartend op).
Het spelen met de afstandsbediening laat ik buiten beschouwing, hoewel in de vrijeschool lijkt me dat toch best handig om snel te weten te komen of ik op een van de twaalf andere kanalen niet net iets boeiends zal gaan missen. Prachtig lijkt het me trouwens, zo’n gevarieerd aanbod; het zou dan natuurlijk het mooist zijn als al de ‘goede’ programma’s in tijd na elkaar zouden verschijnen, dan hoefde je tenminste niet te kiezen tussen twee ‘goede’ die synchroon verschijnen, maar met de video-recorder is eventueel nog de nodige schade in te halen.

Het bovenstaande klinkt misschien wel wat schertsend, maar toch zie ik het feit, dat je door de televisie steeds voor keuzes gesteld wordt als een winstpunt voor de mens, die in vrijheid (van keuze) wil leven. Maar dat kiezen beperkt zich niet slechts tot de geboden programma’s, veel duidelijker wordt er m.i. gekozen, daar waar de kijker besluit het tv-kijken in te ruilen voor iets zinvollers op dat moment en het toestel uitschakelt. Zo in de geest van:

“Nee, dan weet ik mezelf wel beter te amuseren of informeren!” Vaak is zo’n keuze achteraf beschouwd zeer bevrijdend. Wat dan gebeurt is, dat we vanuit onze vrije wil nee zeggen tegen iets en daarmee oefenen we ons a.h.w. in ons ik-gebied, want kort gezegd: nee kunnen zeggen tegen iets, wat in eerste instantie ogenschijnlijk aantrekkelijk leek (daar zorgden de programmamakers wel voor!) is een ik-functie. Dit zelfde gaat op voor vele andere technische gebruiksvoorwerpen.

Tot nu toe heb ik gesproken over de volwassen mens die besef heeft van een eigen verantwoordelijkheid en beschikt over een vrije wil om te kiezen wat goed of slecht voor hem is. Hoe zit dat evenwel bij het kind?

Voor ons, ouders, is het duidelijk, dat bij kinderen deze vermogens nog in ontwikkeling zijn en dat wij ons daarbij ondersteunend en wegwijzend moeten opstellen.
Wij als volwassenen geven vorm aan de omgeving en cultuur waarin deze kinderen opgroeien. Of ons cultuurgoed een erfenis of last voor onze kinderen wordt, ligt voor een groot deel in ons keuzegebied.

Ook de televisie schijnt tot een cultuurgoed gerekend te worden, vaak zo in de trant van: ‘je kunt er niet omheen, je kunt het niet meer wegdenken uit onze samenleving.’ Eigenlijk vind ik dat ook. Evenals ik dat vind ten aanzien van vliegtuigen, auto’s, computers enz.enz. Alleen dringt de vraag zich nu op: hoe ga je ermee om, hoe hanteer je ze? Hoe confronteer ik mijn kind met de televisie of confronteer ik het er überhaupt wel mee?

Wat er precies vóór is om een kind naar de televisie te laten kijken, kan ik niet zo goed bedenken, behalve misschien dan, dat ze het “erg leuk” vinden, maar dat zijn wel meer dingen in het leven, maar duidelijk vind ik televisie-kijken anders voor kinderen dan voor volwassenen.

Een aantal overwegingen (te dien aangaande) wil ik hieronder graag naar voren brengen.

Allereerst denk ik, dat kinderen, die door de beelden op de televisie vaak sterk aangetrokken worden zich niet met datzelfde ontwikkelde ik der volwassenen tegenover deze zaken kunnen stellen. Mijn indruk is dat een kind a.h.w. overgeleverd wordt aan een apparaat dat beelden in snelle opeenvolging ophoest.

Het kind is niet in staat daar enige afstand van te nemen, maar moet blijven kijken. Daarom roepen kinderen wel vaak om de tv aan te krijgen, maar zelden om deze weer af te zetten. Eigenlijk is dat ook normaal, immers, wat is er prachtiger voor een kind dan op te gaan in beelden, dat merk je ook in het onderwijs heel duidelijk (verhalenstof). Het kind leeft in de zintuigen en vooral de oogwaarneming is in de kinderjaren sterk in ontwikkeling.

Alleen gaat het er op een beeldscherm wel erg flitsend aan toe. Kijk u maar eens mee: een rustig berglandschap, een prachtig perspectief, daar gaan we eens rustig van genieten – zoef – we kijken naar snel draaiende wielen en driftige paardenhoeven, de camera is vlakbij. – zoef – camera naar links: een indiaan te paard bovenop een heuvel: camera komt snel dichterbij, een oorlogszuchtige blik, zoef camera weg: blik op de huifkar, een dialoog tussen de man op de bok en vrouw in de huif: de camera danst op en neer van aangezicht tot aangezicht……… U begrijpt er blijft weinig tijd en rust over om eens even bij een en hetzelfde plaatje te verwijlen. (De een halve seconde durende reclamespot wordt onverteerd mee ingeslikt).

Als we kinderen waarnemen bij het domweg kijken naar iets, valt mij althans op, dat ze het vaak zo heerlijk vinden om zich eens lekker aan iets te vergapen, ongegeneerd kijken naar iets wat ze in het oog valt. Die kans wordt hun bij de televisie ontnomen. Zelfs bij een mooi programma over vissen in de diepten der oceaan, menen de programmamakers ons te moeten amuseren met allerlei  nonsenspraat bij iedere vis, die achter een steen om de hoek komt kijken: zo in de trant van: ‘Kijk eens aan, daar is onze schone slaapster Mientje wakker geworden en ja hoor, daar komt ’t mannetje Jacob al aan, nou wie weet zal het wel de ware zijn! enz., enz. Kortom het tv-kijkende kind wordt van twee kanten bestookt door beeld en daaraan gekoppelde geluidsindrukken.

Een en ander kan al gauw bij kinderen tot een psychische overbelasting leiden met een verschillend reactiepatroon: overgeprikkeld in de zintuigen (en daardoor vaak motorisch ongeremd gedrag), moe of lusteloos-zijn, hoofdpijn, onrustige slaap (angstdromen) en nogal eens hoor ik dat kinderen zich bij voorbaat afschermen door de tv uit te zetten of door gewoon weg te lopen. Het verbaast mij dan ook niet dat uit onderzoekingen is gebleken dat kinderen, die enkele uren televisie hadden gekeken, mindere geheugenprestaties leverden de volgende dag (800 kinderen hadden een gedicht ingestudeerd, de helft had tv gekeken, de andere 400 niet. De niet-kijkers kenden het gedicht de volgende dag bijna allemaal nog integraal, de ‘kijkers’ kenden slechts fragmenten, of waren het helemaal vergeten, natuurlijk met enkele uitzonderingen).

Daarbij komt nog mijn bezwaar, dat kinderen bij televisie-kijken gedwongen zijn deel te nemen aan een reeks waarnemingen (de camera kijkt voor het kind, niet het kind zelf!), die in feite weinig uniek genoemd mogen worden: de programma’s worden op de smaak van de massa afgestemd (kijkdichtheidscijfers) en het begripsmatige niveau schommelt gemiddeld tussen dat van een zeven tot negenjarige kind; en dan de ‘doodsheid’ van een apparaat wat een beeld(?) poogt voor te schotelen m.b.v. duizenden elektronisch oplichtende puntjes en een gezeefd (stem)geluid, veroorzaakt door een trillend kartonnetje in de luidspreker.

Al met al mist het ten enen male de warme intimiteit en menselijke sfeer, die zo goed tastbaar is bij bijv. een theatervoorstelling of poppenkast. Daar ontstaat een levendig spel tussen speler en toeschouwer, er bestaat vrijheid om een eigen indruk te bewaren. (Zoals ook op een bepaalde manier mogelijk is bij een boek: “Alleen op de wereld:” is mooier om te lezen/horen dan om te zien op de televisie!)

Maar toch gebeurt het dat kinderen voor de tv komen te zitten: als het dan niet thuis kan, dan misschien bij vriendjes uit de buurt en dan vraag je je als ouders af: kan ik er dan niet toch beter zelf een in huis hebben, dan kan ik er tenminste bij zijn als ze kijken…..

Ik geloof, dat het in het laatste geval goed is er bij te zijn als de kinderen kijken, er misschien zelfs een beetje een feest van te maken als ze mogen kijken, net zo als het een feest is als ze naar een poppenkast of circusvoorstelling mogen gaan kijken. Ieder feest heeft een begin en een eind. Ik heb het gevoel, dat we als volwassenen vooral het eind goed in de gaten moeten houden.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1811-1697

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-1)

.

RS-virus of gewoon verkouden?

Een hoestend kind is voor ouders vaak een bron van ongerustheid, zeker ais er benauwdheid bij komt. Meestal is een onschuldige verkoudheid de oorzaak. Maar sinds het RS-virus om zich heen grijpt, raken veel ouders bij het eerste hoestje van hun baby al in paniek. George Maissan, antroposofisch huisarts in Gouda, vertelt hoe je weet of je kind een RS-virusinfectie heeft en wat je eraan kunt doen.

De moeder van Jorinde komt met haar dochtertje van drie jaar op het spreekuur. Het meisje hoest al een paar dagen, soms zo heftig dat ze slijm overgeeft. Ze lijkt het dan ook benauwd te hebben. Jorinde heeft geen koorts. Ze eet weinig maar drinkt goed en heeft geen diarree. Wel heeft ze forse snottebellen en als ze door haar geopende mondje ademhaalt, is er een reutelend geluid hoorbaar. Als ik haar onderzoek, merk ik dat er geen tekenen te bespeuren zijn van een ontsteking of slijmvorming in de longen zelf. Bij onderzoek van haar oortjes zie ik wat matte trommelvliezen. Dat wijst er niet alleen op dat de bovenste luchtwegen zijn geïnfecteerd, maar dat ook haar oortjes zijn aangedaan. Om het slijm losser te maken en het hoesten te vergemakkelijken, schrijf ik omslagen met tijmolie (zie onder) en Echinacea hoestdruppels voor. Jorinde kreeg al Hoest-elixer.

Naar het ziekenhuis

Twee dagen later, om elf uur ’s avonds, belt Jorindes vader. Haar broertje Rob van zes weken is nu ook aan het hoesten. Tijdens de hoestbuien loopt hij rood tot blauw aan, en zijn hartje klopt dan hevig. Als hij niet hoest, gaat zijn ademhaling erg snel. Hij dronk de hele dag al moeilijk, maar nu wil hij zijn fles helemaal niet meer. Een half uur geleden was zijn luier bij het verschonen nog droog.

Ik ga direct kijken en vind Rob half slapend op de schouder van zijn vader. Hij schrikt wakker als ik hem wil onderzoeken, wat direct een heftige hoestbui tot gevolg heeft. Hij loopt rood aan en even lijkt zijn adem te stoppen. Bij verder onderzoek merk ik dat zijn neusvleugels meebewegen met het ademhalen en de spieren tussen zijn ribben intrekken. Het kereltje probeert op alle mogelijke manieren lucht te krijgen. Over zijn longen hoor ik een normaal ademgeruis, met tijdens het uitademen over beide longen een zacht gekraak. Dit wijst op een ontsteking van de kleinste vertakkingen van de luchtwegen, een zogenaamde bronchiolitis. Na een pufje via de babyinhaler met een luchtweg verwijdend middel, gaat het snel wat beter met hem. Toch besluit ik hem door te sturen naar het ziekenhuis omdat hij zo slecht drinkt en dit beeld mij aan een infectie met een RS-virus doet denken.

De volgende morgen belt de kinderarts. In de neus van Rob kon inderdaad het Respiratoir Syncytieel virus (RS-virus) worden aangetoond. Hij kreeg zuurstof en voeding via een infuus en werd regelmatig verneveld met een
luchtwegverwijderaar. Gelukkig doen zich geen complicaties voor en is Rob na twee weken in het ziekenhuis weer thuis. Wel blijft hij nog maanden hoesten. Zijn zusje is na een week alweer opgeknapt.

Gewoon verkouden

Het RS-virus is een van de vele virussen die verkoudheid veroorzaken. Het wordt momenteel erkend als de belangrijkste verwekker van luchtweginfecties bij jonge kinderen. Een RS-virusinfectie is zeer besmettelijk en wordt overgebracht via nauw contact (knuffelen, zoenen, inademen van uitgehoeste lucht). Kinderen die vaak in een omgeving zijn waarin wordt gerookt, blijken vatbaarder voor een infectie met het RS-virus. Handen wassen en niet anders hoesten dan met de hand voor de mond zijn de beste maatregelen om verspreiding zoveel mogelijk te voorkomen. De incubatietijd is ongeveer veertien dagen. Het virus steekt vooral de kop op in de winter en kan op de huid een half uur en op zakdoeken uren overleven. Nu het virus als een epidemie om zich heen lijkt te grijpen, raken vooral ouders van pasgeboren baby’s vaak bij het eerste hoestje al in paniek. Maar een RS-besmetting kan ook heel mild verlopen met alleen wat hoesten en snotteren. Uit onderzoek bleek dat bijna alle kinderen in een kinderdagverblijf tijdens hun eerste levensjaar besmet waren geweest met het RS-virus. Toch kreeg slechts een heel klein percentage daarvan een bronchiolitis. Een besmetting wil dus nog niet zeggen dat een kind ook ernstig ziek wordt. Meestal manifesteert de ziekte zich doordat het kind flink hoest en wat lichte koorts heeft.

Bij kinderen die ouder zijn dan een jaar treden vooral ontstekingen van de grotere luchtwegen en overmatige slijmvorming op. Bij peuters en kleuters zie je ook regelmatig middenoorontstekingen. Als de ziekte zich uitbreidt tot de lagere luchtwegen, verdwijnt de koorts meestal. Het virus kan zich daardoor makkelijk vermeerderen en dan kan de infectie, vooral bij kleine baby’s, uitlopen op een bronchiolitis. Bij een bronchiolitis, eigenlijk een soort longontsteking, klopt het hart snel. De ademhaling is kort, droog en steunend en over de longen klinkt vaak een zacht gekraak. De neusvleugels bewegen mee met de ademhaling en de spieren tussen de ribben trekken naar binnen.

Wat je kunt doen

De basis van een goede behandeling is zorgen dat je kind goed drinkt zodat het minimaal drie keer per dag plast. Meestal nemen de ziekteverschijnselen vanzelf al na een dag of drie, vier af. Bij baby’s die jonger zijn dan zes weken is het echter raadzaam zeer alert te blijven. De mate waarin een baby nog in staat is te drinken, is een goede graadmeter voor de ernst van de benauwdheid. Want een kind dat zijn luchtwegen vol slijm heeft kan niet drinken. Als de baby tijdens een hoestbui rood tot blauw aanloopt, kan het soms even stoppen met ademen. Houd de baby dan rechtop, klop zachtjes op zijn rug en bel de dokter.

Als kinderen jonger zijn dan zes weken of als ze slecht drinken en weinig plassen bij hoest en benauwdheid is het altijd goed om de dokter te bellen als je een RS-virusinfectie vermoedt. Maar in verreweg de meeste gevallen komen ouders er zelf wel uit, vooral als er extra aandacht aan warmte in het borstgebied wordt besteed, bijvoorbeeld door de borst in te wrijven met verwarmende tijmolie (te verkrijgen bij de apotheek) of een tijmolie-wikkel te geven. Viermaal daags vijf druppels Echinacea hoestdruppels helpen voor de hoest. Antibiotica zijn meestal niet zinvol.

Tïjmoliewikkel

Nodig zijn een wollen omslagdoek (en eventueel een flanellen tussendoek), een lange, smalle wikkeldoek van katoen of flanel die om de borst van je kind past, een kleine warmwaterzak en een pannetje met deksel en zeef.

Maak de wikkel een beetje vochtig en verdeel er twee maatdopjes tijmolie druppelsgewijs over.
Rol de wikkel van twee kanten naar het midden toe op.
Breng het water in de pan aan de kook, leg de wikkel in de zeef die erboven hangt (zonder dat de zeef het water raakt) en laat met het deksel erop tien minuten koken.
Leg het kind op bed of op de bank op een wollen deken met daaroverheen op borsthoogte de wollen omslagdoek (en de tussendoek).
Breng de verwarmde wikkel in de kruik naar het kind en rol de wikkel voorzichtig (eerst deppen om de huid aan de warmte te laten wennen) om de rug en de borst van het zittende kind.
Doe de wollen doek eromheen, maak deze eventueel met veiligheidsspelden dicht en rol het kind in de deken. Zorg dat hij het lekker warm heeft.
De warmwaterzak op de borst houdt de wikkel warm.
Die mag beslist niet koud gaan aanvoelen.
Laat het kind ongeveer 20 minuten in de wikkel liggen.

Als het in slaap valt, mag hij langer blijven zitten. Kinderen blijven rustig als je ze een verhaaltje voorleest of zacht voor ze zingt.

De wikkel kun je in een plastic zak bewaren. De volgende keer kun je volstaan met 1 dopje olie.

.

George Maaissan, Weleda Puur Kind, lente 1999 nr. 3

.

‘Handje voor de mond’ is nog altijd ‘in’. We leren het onze kinderen en doen het zelf. Maar, vraag ik me af, als we met die hand, volgehoest met bacteriën, de hand van een ander schudden, geven we de ziektekiemen dan niet gewoon heel gemakkelijk door?
Ik hoest al jaren niet meer met de hand voor de mond, maar a.h.w. in de kom van mijn elleboog. Hetzelfde resultaat wat verspreiding betreft, maar geen kans op oversmetting bij het handengeven. 

Meer internetinformatie

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.

1807-1693

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-1)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze zullen hier in de loop van de tijd verschijnen. 

Karikaturen, flitsend stuntwerk en ‘grappige’ scènes:

Sesamstraat, een aanslag van de televisie op de kleuter

Op 4 januari* start de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) met de uitzendingen van de bewerkte Amerikaanse kinderserie ‘Sesamstraat’. In samenwerking met de Belgische omroep BRT zullen op zondagmiddagen twintig afleveringen worden uitgezonden van dit spelverlammende ‘bedenksel’ van volwassenen, vervaardigd met minachting voor de eigen creativiteit van het kind.

In 1960 werd John F. Kennedy tot president van de Verenigde Staten gekozen, een tijdperk van doelbewust streven naar beëindiging van rassendiscriminatie treedt in. En het onderwijs wordt daarbij het eerst ingeschakeld. De zogenaamde Headstart-programma’s worden ontworpen. Deze hebben tot doel kinderen die door hun afkomst en woonsituatie bedreigd worden in hun ontwikkeling, dezelfde scholingskansen te geven als andere Amerikaanse kinderen.

In Nederland zijn, ondanks het feit dat de Headstart-programma’s niet effectief bleken te zijn, soortgelijke programma’s ingevoerd — bijvoorbeeld door pedagogen van de Rijksuniversiteit te Utrecht — bestemd voor kinderen uit bepaalde bevolkingsgroepen. Er werd niet bij vermeld waar de oorsprong van de programma’s lag: in de negerghetto’s van de Amerikaanse steden.

Het is niet verwonderlijk dat dergelijke programma’s op de lange duur geen resultaat afwerpen. De toegepaste methode is van behavioristische aard: prikkel—reactie—methode. Dressuur waarbij aan persoonlijkheidsontwikkeling heel weinig aandacht wordt geschonken.

Er zijn twee punten die in de geschiedenis van het behaviorisme opvallen.

1. Het behaviorisme vierde in Amerika hoogtij ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Watson, de grondlegger, was van 1908 tot 1920 hoogleraar in de experimentele en vergelijkende psychologie aan de universiteit te Baltimore.

2. Na 1945, toen de vrede in Europa hersteld werd, was Amerika nog tot voor zeer kort een oorlogvoerende natie.

Het is opmerkelijk dat vooral tijdens de twee wereldoorlogen het behaviorisme als onderwijs- en opvoedingsmethode werd toegepast. Het is een vorm van opvoeding waarbij kritisch en zelfstandig, creatief denken van de op te voeden mens tot een minimum beperkt blijft. De grondgedachte is dat het gedrag van mensen wordt bepaald door zijn omgeving; men kan dus zelf niet zijn gedrag bepalen. Is nu de ‘omgeving’ van mening dat een bepaald gedrag afwijkt, dan kan dit gecorrigeerd worden. Dat deze vorm van opvoeding toegejuicht en gestimuleerd wordt door bepaalde regeringen, betekent dat de politiek zijn intree in het onderwijs doet.

Het is onder bepaalde omstandigheden gemakkelijk als mensen geen vragen stellen en als ze geleerd hebben eenvoudig te doen wat hen wordt opgedragen.

Toen bleek dat de Headstart-programma’s in Amerika op de scholen niet het succes hadden dat men had gehoopt en verwacht, werd de televisie ingeschakeld. Aangezien de meeste kinderen in de ghetto’s van de steden niet naar school gaan, maar wel televisie kijken, leek dat het medium om deze groep te bereiken.

Wetenschapsmensen en filmproducenten hebben in een drie jaar durende studie het project ‘Sesamstreet’ voorbereid. Bij onderzoekingen naar reclamespots bleek dat de kinderen deze wervelende, kort durende flitsende acties waarderen. Hierdoor ontstond de gedachte: als kinderen door trucjes aan het leren gebracht kunnen worden, dan zullen kinderen ook hierdoor aan het leren worden gebracht.

De serie is aanvankelijk voor de Amerikaanse kijkgewoonte gemaakt en dus speciaal voor kinderen uit sociaal benadeelde milieus. Het zijn specifieke Amerikaanse conflicten die in Sesamstreet worden uitgebeeld. De werkelijkheid zoals de maker hem ziet en de fantasiewereld lopen door elkaar heen: zwarte, bruine, gele en blanke mensen leven hier samen met fantasiedieren van pluche en vilt, zonder rassen- en/of maatschappelijke problemen.

De kosten bedragen 20 miljoen dollar, en het programma wordt vanaf november 1969 in 275 uitzendingen van 1 uur uitgezonden.

De sterren uit deze show heten Ernie en Bert, de reuzenvogel Bibo (2,95m groot), Kermit de kikker en Oskar de smeerpoets, die ongewassen in zijn vuilnisbak rondboemelt. Verder zijn er nog vele wezens in het leven geroepen, die op een of andere wijze zich laten identificeren met wat het jeugdige publiek graag zien wil. De vele reacties van ouders bevestigen dit: een vader schrijft naar aanleiding van een verjaardag van zijn vijfjarige zoon: ‘Toen bij ons de verjaardag gevierd werd, hebben de kinderen ijverig hun best gedaan het kruimelmonster na te doen, wat na het feest veel schoonmaakwerk met zich mee bracht.’

Een driejarige peuter gooit steeds de vuilnisbakken om, omdat hij vuilnisbakken-Oskar niet vinden kan.

Het Sesamstaat-openingslied luidt in Duitsland als volgt-

De het dat
wie hoe wat
hoezo, waardoor, waarom
Wie niet vraagt blijft dom.

Dan komt de grote handpop Oskar in een herkenbare omgeving en toont aan een ‘echte mens’ — de witte Bob — zijn zelfgemaakte dichtmachine — die alleen gekke versjes produceert. De rondom staande kinderen kunnen woorden bedenken.

In een bakkerswinkel bedient een klein meisje, die door volwassenen steeds gepasseerd wordt, zichzelf en vertelt aan de verkoopster ‘kinderen zijn ook wel eens aan de beurt!’ Hierna volgt het lied van één tot tien, in beeld gebracht met flitsende cijfers, heen en weer schietende vormen, die op een stevig rockritme zich vergroten en verkleinen, een kleurig cijferuurwerk komt er tot slot. Nu is er een dierenfilm met neushoorns, olifanten, giraffen. Niet lang, want de neger Gordon staat te wachten met zijn bloemen. Hij demonstreert de kinderen de begrippen groot en klein. De volgende onderwerpen worden onder een vergrootglas bekeken en deze keer zijn de menselijke huid en mooie rode tomaten aan de beurt. Dan is het tijd voor een trucagefilm waarin letters door elkaar wervelen. Gelukkig komt dan ‘de grote vriend van iedereen’, Ernie. Hij leest zijn vriend Bert een verhaal voor, vol verdriet en vreugde. A leest hij met luide stem en dan zachter B, dan C en D en verder tot IJ — alleen het eind van het verhaal wil hij niet verklappen, want dan is immers de hele spanning weg. Nadat het kruimelmonster springend zijn onooglijke heksenvriendin begroet heeft, en aan de eettafel in de keuken moeder en dochter bedacht hebben dat vader en zoon ook wel eens iets in de huishouding doen kunnen, komt er een op het begin lijkend beeld van de tuimelende, hollende, zwemmende, springende kinderen met het slotlied: Waarom hebben jullie hoofd en handen Bedenken jullie zelf maar eens wat.

Terwijl heel Amerika warm begon te lopen voor deze serie, werd de markt overspoeld met Sesamstraatboeken, -puzzels, -posters, -kalenders, -tijdschriften, -letters, -cijfers, -vormen, -kleuren, -spelletjes, -grammofoonplaten, -hand- en vingerpoppen.

De helden Bert, Ernie, Oskar, Bibo en het kruimelmonster gingen op reis naar andere belangstellenden. Met als resultaat dat de serie, meestal aangepast aan het land, nu in zo’n vijftig landen vertoond wordt, zoals:
Saoedi Arabië, Zambia, Canada, Australië, Japan, Polen, Roemenië, Zweden, Spanje, Portugal en Duitsland. In Engeland wees de BBC de serie af met de motivatie: ondemocratisch en oneigen voor kinderen. Maar het commerciële tv-station ITV ging de serie wel uitzenden.

In 1972 is bij onze oosterburen de beslissing genomen om de serie uit te gaan zenden. De verschillende stations hebben samen de financiën opgebracht om 275 Sesamuren uit te zenden. Het Hans Bredow Instituut voor radio en tv werd met 1 miljoen Mark gesubsidiëerd om een wetenschappelijk begeleidingsprogramma en onderzoek te doen over het verloop en de mogelijkheden om kinderen van 3 tot 6 jaar via dit medium zich te laten beïnvloeden.

In maart ’72 was de groep klaar met de eerste opzet waarin rekening was gehouden met de leeftijd van deze kinderen en met het leerprogramma dat er op de lagere school werd gebruikt. ‘Dit Duitse Sesamstrasse,’ zo formuleerde het team, ‘wil creatieve en cognitieve vaardigheden zo ontwikkelen dat tegelijk een mogelijkheid ontstaat sociale vaardigheden te leren. Ook op het gebied van leren, talen, wiskunde, vakkennis, is steeds rekening gehouden met het doel sociale vaardigheid en creativiteit te ontwikkelen. Door middel van Sesamstreet zullen peuters en kleuters leren over rolverdeling, over het functioneren van personen en groepen, over instituties zoals ziekenhuizen, scholen, posterijen, enzovoort. Zij zullen het waarnemen beoefenen, de verbanden tussen oorzaak en gevolg in de natuur en techniek leren onderzoeken.

Door Sesamstrasse zullen kinderen vooral leren eigen interesse te herkennen, zelfstandig bezig zijn, kritisch en oordeelsvaardig te worden, samen te werken en met conflicten te leren omgaan en ze op te lossen, zich van verbale en niet-verbale communicatievormen te bedienen.

Het wenskind van de Sesamstreet is een verantwoordelijk, bewust, en in iedere situatie zelfstandig kind, dat in staat is, levenssituaties zo goed mogelijk te hanteren’, aldus het team.

Zo wordt er bijvoorbeeld ook informatie gegeven over hoe kinderen elkaar kunnen helpen, hoe ze conflicten met kinderen van gastarbeiders kunnen oplossen en waarom ouders zich niet naakt aan hen willen laten zien.

Hoewel de Vara de serie moest laten vallen omdat deze omroep niet in staat was iedere dag een aflevering te verzorgen, is de NOS wel van plan de serie uit te gaan zenden. Op 4 januari gaat de Nederlandse Sesamstraat van start. Voorlopig worden er 20 afleveringen uitgezonden op de zondagmiddagen, in samenwerking met de Belgische omroep BRT.

Regisseur Frank Diamand heeft een bewerking gemaakt van de oorspronkelijke versie. Een deel van het Amerikaanse materiaal zal worden nagesychroniseerd, terwijl naast het basismateriaal nieuwe figuren worden geïntroduceerd. Deze nieuwe rollen worden gespeeld door Alexander Pola, Ruud Jans, Adèle Bleoemendaal, Saskia van Schaik en een zevenjarig meisje. Er is ook een Nederlandse entourage genomen.

Diamand: ‘Amsterdam Noord, omdat dit gedeelte zowel het karakter van een dorp als van een stad heeft.’

Doordat deze serie volgens Diamand vooral op het leerproces gericht is, is het niet moeilijk er een Nederlands programma van te maken. Het enige grote verschil is volgens hem dat in Nederland 80 pct van de vierjarige kinderen en 90 pct van de vijfjarige naar de kleuterschool gaan. Terwijl in de VS dat percentage nauwelijks boven de 25 uitkomt.

Er start ook een wetenschappelijke begeleiding. Het wetenschappelijke onderzoek wordt in Nederland verricht door prof dr D. Kohnstamm door de vakgroep ontwikkelingspsychologie van de Leidse universiteit.

In België werken de afdelingen ontwikkelingspsychologie van de universiteit in Gent en het centrum voor jeugdonderzoek aan de Leuvense Universiteit mee. Ook de afdelingen kijk- en luisteronderzoek van de NOS en BRT doen mee aan het onderzoek.

Eens per veertien dagen zullen studenten bij gezinnen thuis tijdens de uitzendingen waarnemingen verrichten. Tijdens en na de serie maken de deelnemers aan het onderzoek in groepjes een inhoudelijke analyse van het programma, die gebaseerd zal zijn op de waarnemingen, de doelstellingen van de programmamakers en de kritiek in de pers. Sesamstraat heet een poging om de democratisering van het onderwijs een stapje verder te brengen.

In 1960 is een commissie de problematiek gaan bestuderen van de ontbrekende aansluiting kleuteronderwijs-lager onderwijs-voortgezet onderwijs. Deze commissie kwam onder andere tot de slotsom dat het lager onderwijs zijn functie als eind-onderwijs heeft verloren. Ieder kind volgt na deze school de een of andere vorm van onderwijs. Omdat het basisonderwijs dus geen eindonderwijs meer is, kan bepaalde leerstof beter verschoven worden naar het voortgezet onderwijs ‘ter voorkoming van overlading en om te vermijden dat leerstof aan de orde wordt gesteld, waarvoor leerlingen nog niet rijp zijn.’
Vreemd is het dan wel, dat er ook taken van het basisonderwijs naar beneden worden verschoven, naar het onderwijs voor kleuters en peuters.

Er staat: ‘Het doel van het kleuteronderwijs is de algehele groei van de kleuter te begeleiden in een speel- en werksfeer, en hem elementaire instrumentele vaardigheden te leren hanteren; het leerdoel is de beheersing van het aanvankelijk lezen, het schrijven en het voorbereidend rekenen tot de daartoe vastgestelde niveaus’.

Wat de commissie de basisschoolkinderen dus besparen wil: ‘leerstof aan de orde stellen, waar de kinderen nog niet rijp voor zijn’ propageert zij wél voor kinderen die nog jonger, minder rijp en minder weerbaar zijn.

Gevolgen

Dit rapport met zijn leerdoelen voor het kleuteronderwijs heeft onrust en onzekerheid gebracht bij de kleuterleidsters, die dit ook overbrachten op de ouders van de hun toevertrouwde kinderen. Velen kregen het gevoel hun kinderen tekort te doen en trachten dit te compenseren door allerlei leermiddelen in de vorm van spelletjes in school en huis te halen. Er wordt minder waarde gehecht aan het spel van het kind zelf. De tendens om kinderen zo vroeg mogelijk datgene te leren wat ouders of leerkrachten nuttig vinden in de strijd om het bestaan en voor het bereiken van een zekere sociale status ‘een mooie positie’ zoals dat heet.

In het gezin horen kinderen vaak dat ze fijn moeten gaan spelen op het moment dat de volwassenen rust willen hebben. Op school grijpen veel kleuterleidsters, onzeker of ze de kinderen wel genoeg leren, naar een soort receptenboekje dat de begeleiding vormt bij allerlei verschillende ‘werkbladen’. De leidster is bij elk lesje zelf in actie, terwijl de kinderen toekijken en het voorgesprokene nazeggen of het streepje bij die ene moeten zetten die anders is. Spelen met een bal, verstoppertje spelen in huis, kijken naar wormpjes, steentjes gooien in een plas zijn speelvormen die onze hedendaagse peuter en kleuter praktisch niet meer kennen. Bovendien is het levenstempo om de kinderen heen dermate gejaagd dat een volwassene het kind al gauw sommeert ‘iets te gaan doen’ of te gaan spelen als het diffuus voor zich heen wat zit te rommelen met wat zand, een stokje of wat het toevallig in de vingers heeft.

Hildegard Hetzer zegt in haar boekje ‘spel en speelgoed’ dat volop spel in de eerste levensjaren betekent dat er een gezonde basis wordt gelegd voor een gezond leven als volwassene. ‘Als heden ten dage vele volwassenen geestelijke moeite hebben met het leven, dan ligt dat niet in de laatste plaats daaraan, dat zij de mogelijkheid van uit het spel gegroeide levenshouding niet gekregen hebben,’ zo zegt de schrijfster.

Spelverlamming treedt op als het kind te vroeg betrokken wordt in het leven van de volwassenen en als het te vroeg verantwoordelijkheden krijgt te dragen, die te zwaar zijn voor een kind op deze leeftijd. Ook verkommert het spel als volwassenen ‘nuttig bezig zijn’ belangrijker vinden dan spelen. Wie in het spel openlijk of steelsgewijs opvoedingsdoeleinden inlast, doorkruist de bevrijdende, ordenende en verrijkende functie die spel heeft. En zo blijft de spelbehoefte van jonge kinderen in vele gevallen onbevredigd, met vele gevolgen vandien, die helaas veelal niet als zodanig herkend worden.

De symptomen van het speltekort laten zich ook onder andere voelen in het basisonderwijs door gedrags- en concentratiestoornissen, begripsarmoede, neurotisch gedrag doordat bepaalde, natuurlijke ontwikkelingsspanningen niet in het spel hun ontlading vinden.

De gangbare ontwikelings- en compensatie-programma’s hebben duidelijk de tendens deze symptomen te bestrijden, terwijl zij voorbij gaan aan de oorzaak van deze kwaal.

De Sesamstraat-serie met zijn ‘grappige’ scènes, komieke situaties, karikaturale poppen en figuren, is in wezen een zuiver behavioristisch getinte onderwijs ‘missie’! Door alle scènes heen wordt telkens één stukje reële leerstof gegeven, bijvoorbeeld de hoeveelheid ‘drie’ met allerlei objecten die getoond worden, waarbij de hoeveelheid wordt genoemd en het cijfer omhoog wordt gehouden. Volwassenen vinden het prachtig en uiteraard de kinderen ook (onbewuste overdracht van volwassene op kind).

Maar de informatie die gegeven wordt en de wijze waarop dit gebeurt, is ouderwets: het kind kijkt passief toe bij wat er gebeurt en getoond wordt. Het kind krijgt zelf niets in handen, het beleeft de hoeveelheid drie op deze wijze niet als de eigenschap van een verzameling die hij zelf in allerlei vormen en samenstellingen kan hanteren en manipuleren. Creatief werkzaam zijn is er niet bij.

Het tempo waarin een en ander zich voltrekt is voor veel jonge kinderen te hoog en wekt verwarring. De orginaliteit ‘doet’ het echter bij het grote publiek, dat niet ziet, hoe hier rechtstreeks een stukje dressuur gegeven wordt. Dressuur heeft niet de minste waarde voor de persoonlijkheidsvorming van het kind.

Gelijke kansen voor iedereen, democratisering van het onderwijs — wat hebben kleuters aan deze leuzen als vele wetenschapsmensen die programma’s voor hen maken de ontwikkelingsvoorwaarde: het spel, terzijde schuiven? Een kind moet spelen. Men kan met evenveel succes een merel het fluiten proberen af te leren als het kind het spelen. Het kind speelt van nature de wereld der volwassenen na. Het spelen kan irriteren als men zelf niet in de stemming kan komen om mee te spelen of als men niet in staat is om zich in de spelsituatie van het kind te verplaatsen en zijn dartelende, dynamische gedachtegang te volgen. Thuis, en in de peuter- en kleuterschool, waar nog geen ‘werk’ verplicht mag zijn, moeten kinderen volop de gelegenheid hebben om binnen of buiten naar eigen verkiezing wekenlang telkens vader en moeder te spelen, of met water of met blokken te spelen. Tot het kind is verzadigd en naar een voor hem andere interesse of activiteit grijpt.

Gezien het feit dat het kind in zijn spel allerlei ervaringen opdoet, begrippen en vaardigheden opdoet die nodig zijn voor een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling en een normale ontplooiing van de verstandelijke aanleg, zouden vele moeilijkheden met leren en gedrag kunnen worden toegeschreven aan het tekort aan spel in de eerste zeven levensjaren. Spel, wel te verstaan, dat spontaan door het kind wordt gespeeld zonder
beïnvloeding door bedenksels van volwassenen. De tendens om het kind van jongs af in z’n ontwikkeling te beknotten en later als dat moeilijkheden teweegbrengt bij het ‘leren’, alarm te slaan en kostbare maatregelen nodig zijn om de hiaten op te vullen, doet vreemd aan. De vergelijking dringt zich op met een volk dat eerst kinderen in veel te kleine bedjes laat slapen zodat ze krom en scheef groeien om en dan, als ze eenmaal iets moeten presteren, van een ‘rechtophouder’ te voorzien om hen te leren rechtop te lopen.

De enige manier waarop wij kinderen [hiaat in artikel] is door ze de ruimte en de mogelijkheid te geven om te spelen, ook op zondagmiddag.

Marijke Roetemeijer, Jonas 8/9,*19-12-1975
.

Spel: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1798-1685

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – winterstemming en zomerstemming

.

In ons land, op deze plek van de aarde leven wij met het ritme van de seizoenen; zomer, herfst, winter en lente. Mensen die naar de tropen zijn geweest, geven soms aan juist het beleven van de seizoenen daar gemist te hebben. Het meebeleven van de seizoenen biedt ons de kans actief de verschillende kwaliteiten van deze seizoenen te ervaren. In dit artikel gaan wij in op de kwaliteit van de winter- en zomertijd en hoe deze stemmingen in de opvoeding actief en bewust bij het pedagogisch handelen ingezet kunnen worden bij het groot- en het kleinhoofdige kind.

Wintertijd

Herfststormen hebben gewoed. De bomen zijn kaal. De eenjarige planten zijn gestorven. Hun zaad ligt diep in de donkere aarde te wachten op de lentezon. Zonnewarmte, dat het nieuwe leven dat in ieder zaadje verborgen ligt, mogelijk maakt.

Vele dieren zijn in de wintertijd niet meer zichtbaar. Kikkers, padden, egels, bijen en vele andere dieren houden een winterslaap. Vogels als de zwaluw en de gans zijn naar andere, warmere oorden vertrokken.

De lucht wordt in de herfst- en wintertijd bevolkt door overvliegende ganzen, die bij ons de wintertijd overbruggen. Hun gegak is in de wijde omtrek te horen.

Wij mensen hebben ons terug getrokken in onze huizen. De verwarming of kachel is aan. We dragen warmere kleding om ons lichaam warm te houden. Op tafel staan veelal andere gerechten dan in de zomer- of lentetijd. Gerechten zoals spruitjes, boerenkool, rodekool, stamppotten, voedzame soepen als erwtensoep en veel ander ‘Hollands’ eten.

Aan het eind van de middag wordt het schemerig en sluiten de gordijnen de koude en duisternis van buiten af. De lampen en kaarsjes gaan aan.

De elementen vieren ook de wintertijd. Hoewel wij de laatste jaren vanwege de klimaatsverandering amper nog over een winter kunnen spreken, hebben velen van ons nog een herinnering aan bevroren water. IJs!

In de wintertijd tooit Koning Winter de aarde met een wintervacht van sneeuw en ijs. De aarde is wit en bijna egaal van kleur. Geheimen worden toegedekt onder een sereen wit kleed. De sneeuw- en ijskristallen zijn rechtlijnig. Water bevriest en draagt ons op de schaatsen over sloten, meren en kanalen. Barsten in het ijs zijn eveneens rechtlijnig van structuur. Onder het ijs waar wij op schaatsen is een wereld waarin leven beweegt en stroomt. In de modderlaag van de sloot waar wij overheen schaatsen, liggen dieren zoals de kikker in een diepe winterslaap te wachten op de zon die hen wekt.
Geluiden zijn helder en klaar in de wintertijd. Contouren van bomen, vergezichten van dorpen en steden tonen direct onomwonden hun identiteit. Er is weinig gelegenheid om te verhullen.

Zomertijd

Het is warm. Het is licht. De aarde is getooid als een bruid met bloemenpracht en vele tinten groen. We laven ons aan de elementen aarde, water, lucht en vuur. We trekken er op uit. Paden in het bos en over de hei dragen onze voeten. Het strand wijst ons wandelend langs de zee een weg. De aarde voedt ons met vele gewassen en vruchten. Er is voor ons, in tegenstelling tot de meeste andere aardebewoners, een overvloed aan eten. Er is zelfs zoveel, dat wij een voorraad voor de wintertijd kunnen aanleggen. Bomen zijn omhuld door een bladerendeken, hun takken zijn nauwelijks te zien. Wandelend door het land is het soms lastig oriënteren welk dorp in de verte ligt, omdat de bomen het zicht op bijvoorbeeld de kerktoren belemmeren.

Ook het waterelement wil ons verkwikken in de zomertijd. Het levenswater ontmoeten wij in vele hoedanigheden. De zee nodigt ons uit een verfrissende duik te nemen. Schelpen worden in onze zakken verzameld als aandenken. In de rivieren, zeeën en meren zwemmen en spelen wij. Het water draagt onze boten, groot en klein. Volwassenen worden weer een beetje kind met de kinderen en springen mee over hoge golven, vangen vissen in de rivier en scheren steentje over het water. De regen verfrist de aarde na perioden van warmte en droogte.

De regen koelt de aarde weer even af en verfrist. Ook de mens koelt na een regenbui weer af. We slapen daarna beter omdat het niet meer zo benauwd is. De nacht verkoelt de aarde eveneens, ’s Morgens ligt er een laagje dauw op de aarde, het tentdoek en de tuinstoelen. Bij de eerste zonnestralen is ook de dauw als ‘sneeuw voor de zon’ weer verdwenen.

Insecten bevolken de lucht. Zij bevruchten de gewassen, opdat er weer nieuwe vruchten kunnen ontstaan. Vogels vliegen af en aan. Van hemelhoogten tot op het water laten zij van zich horen.

Wij mensen voelen in de zomertijd vaak ruimte en ‘lucht’. We zijn opgelucht dat in het midden van het jaar het dagelijks bestaan even mag wijken voor iets anders. We trekken er op uit om op vakantie te gaan. Nieuwe ervaringen op te doen, andere dingen te zien. We maken foto’s van bestemmingen die nieuw voor ons zijn en die wij niet willen vergeten. We nemen besluiten zoals ‘nooit meer zo stressen voor het werk maar de vakantie-rust-stemming vasthouden’.

Het is warm. De zon verwarmt al het leven op ons plekje van de aarde. Het is warm, soms zo warm, dat de lucht broeierig aanvoelt en onweer de atmosfeer weer doet ontspannen. Met luid gedonder en geflits, krijgen hemel en aarde hun proportie weer terug. De avonden zijn lang. We genieten na van de warmte van de zomerzon of maken een vuurtje om tot in de late uurtjes te genieten van de zomertijd. We kijken naar de sterren en dromen weg met verhalen, nieuwe plannen en voornemens. Zomerstemming en winterstemming. Rudolf Steiner heeft in zijn vele pedagogische aanwijzingen voor leraren en ouders aanwijzingen gegeven die hij de ‘zomer-en winterstemming’ noemde.

Voor het ene type kind, het kleinhoofdige kind, gaf hij de raad een zomerstemming aan te brengen. Voor het andere type kind, het groothoofdige kind, gaf hij het advies een winterstemming aan te brengen.

Groothoofdige kind

Baby’s, dreumesen en peuters hebben een groot hoofd. De verhouding ‘hoofd-lichaam’ is ongeveer 1 op 4.

¼ deel van het lichaam bestaat uit hoofd, ¾ deel uit de romp en de ledematen. Bij een oudste kleuter is de verhouding ongeveer 1/6  geworden. Bij de volwassen geworden mens  1/8.

Alle jonge kinderen neigen alleen al door de verhouding ‘hoofd-lichaam’ naar een groothoofdig beeld. Waaraan is dit beeld te herkennen?
Bij het jonge kind overheerst het hoofd in de gestalte. Het is in verhouding groot en rond van vorm. De wangen zijn gevuld en lijken op rode, ronde appeltjes. Het buikje, de benen, handen en voeten zijn eveneens gevuld met baby-, peuter- en kleutervet. De handjes en voetjes voelen lekker warm aan. Het kind geniet van eten en slapen. Op de momenten dat het wakker is, speelt het, kijkt rond en maakt een tevreden indruk.
Het jonge kind houdt van herhaling. Ook dat is een stemming die bij het groothoofdige kind past. Herhalen zonder haast, maar alles op zijn tijd. Het jonge kind ontwikkelt zich vanuit nabootsing, spel en beweging. Het jonge kind is beweging. Ziet het de bal van de stoep afrollen, dan bedenkt het jonge kind niet dat het niet van de stoep af mag gaan. Nee, het rent de eigen bal achterna.

Als de fantasie in het kind van ongeveer 2½ jaar zich openbaart, dan zien wij het jonge kind helemaal opgaan in de beelden, die het kind in en door het eigen spel schept. Het kind leeft in een wereld waarin alles mogelijk is en alles kan zijn. Werkelijkheid en fantasie lopen door elkaar. Het kind gaat op in een binnenwereld waarin het zich veilig voelt. Daar, waar het kind eventuele onveiligheid heeft ervaren, wordt dit vanuit de innerlijke rijke fantasiewereld in en door spel verwerkt. Abstracties zijn het jonge kind en daarmee ook het groothoofdige kind vreemd. Een abstractie voor het jonge kind is het volgende voorbeeld. In een kleuterklas wordt in de zomertijd een versje over de zee gezongen. De kleuterleidster laat een schelp in de kring rond gaan. Kleuters houden de schelp tegen hun oor om te luisteren naar het ruisen van de zee. Een kleinhoofdige kleuter zegt: “Juffie dat is niet het ruisen van de golven van de zee die je in de schelp hoort, het is het bloed in je oor. Dat heeft mijn vader zelf gezegd. Je hoort het bloed in je oor”. Voor het jonge kind is het een waarheid, dat de zee in een schelp te horen is. Is het een waarheid dat de bijtjes een lied zoemen en aan iedere bloem om honing vragen? Is het een waarheid dat Jan de Wind in de herfst de bladeren van de bomen waait? Als opvoeders mogen wij erop vertrouwen, dat het jonge kind langzaam aan wakkerder voor de wereld wordt. Wakkerder en in staat om meer de details waar te gaan nemen. Details als verschillen tussen bijvoorbeeld letters. Voor het jonge kind lijken een b en een p zoveel op elkaar, dat zij het verschil nauwelijks of niet opmerken. Het kind vanaf de eerste klas leeftijd ziet dit wel. Ook details als onderdelen van een geheel neemt het jonge kind nauwelijks waar. Het groothoofdige kind ziet, dat een jarig kind een prachtige jurk of broek aan heeft. Of er strikjes, ritsen of knopen aan de verjaardagskleding zaten, hebben zij vaak niet waargenomen.

Groothoofdige kinderen zijn kinderen die genieten van spel, herhaling, gezelligheid, harmonie, voorspelbaarheid en smullen van eten. Eten dat goed te verteren is en bij de verteringsmogelijkheden past van hun leeftijd. Melk, pap en licht verteerbaar fruit en groente voor het kind in het eerste levensjaar. Groenten, granen en fruit voor de peuter en de kleuter. Voeding die niet te sterk gekruid is en waar de smaak aan mag wennen. Ook hierin is herhaling van gerechten fijn voor deze kinderen.

Als groothoofdige kinderen ziek worden, kunnen zij flinke koorts krijgen. Het innerlijke kacheltje wordt flink opgestookt. De zomerwarmte wordt zo warm, dat het kind overmand wordt door hoge koortsen. Net als de broeierige stemming in de zomertijd. Na een kinderziekte met koorts volgt vaak een volgende stap in de ontwikkeling.

Kijkend naar het groothoofdige kind in relatie tot de zomerstemming, vallen ons de volgende kenmerken op: warmte, dromerig, beelden, herhaling, globaal waarnemen, rijke fantasiewereld. Rudolf Steiner gaf voor de groothoofdige kinderen aan, dat zij bij een te grote dromerigheid geholpen kunnen worden om meer in een winterstemming te komen. Als advies gaf hij een koude afwassing in de ochtend aan en een voedingsadvies.

’s Morgens na het ontwaken, kan het groothoofdige kind geholpen worden een beetje wakker voor de wereld te worden door een koude afwassing. De wastafel wordt met koud water rechtstreeks uit de kraan gevuld. Een paar druppels citroenwater van Weleda worden toegevoegd. Een washand nat maken met het citroenwater en heel goed uitknijpen. Het kind mag even ruiken aan de washand. De frisse geur van de citroen maakt wakker, trekt de mens naar binnen. De ouder wast het gezicht en de borst van het kind af met de koele washand. Het kind mag niet nat worden door een te natte washand.

Dit ritueel zes weken herhalen. Een poosje niet en indien wenselijk nog eens zes weken herhalen. Het helpt het kind ‘wakkerder’ te worden. Voor kleuters een liefdevolle weldaad om ‘wakkerder’ voor de wereld te worden. Ook gaf Rudolf Steiner aanwijzingen voor voeding. Voeg zout toe aan het eten. Zout bestaat uit rechte, kristallijne lijnen. Vanuit de euritmie zouden wij zeggen, het ‘E’ gebaar. Nu is de laatste 20, 30 jaar ons voedsel vele malen zouter geworden en is deze aanbeveling niet zomaar over te nemen.

Kleinhoofdige kind

Een totaal ander type kind is het kleinhoofdige kind. Zij komen eerder dan het groothoofdige kind aan in een lichaamsverhouding van 1/6. Het hoofd is in verhouding kleiner. De ledematen langer en dunner van vorm. De romp is eveneens langer gerekt en met weinig vet omhuld. Het zijn kinderen, die wat magerder zijn. Het haar is vaak sluik en dun. Ze kunnen bleek zien met kringen onder hun ogen. Ze zien en horen alles. De kleinste details nemen zij waar. Als eerste zien zij wie er op school niet aanwezig is. Eten en slapen zijn over het algemeen niet hun ‘hobby’. Ouders vragen zich soms af waar deze kinderen van groeien, zo weinig eten zij. Bij het naar bed gaan is het voor deze kinderen moeilijk om de dag los te laten en vol vertrouwen zich aan de nacht over te geven. Onverwerkte ervaringen van de dag komen in bed aan de oppervlakte en maken hen onrustig of angstig.

Rudolf Steiner gaf voor deze kinderen aan een zomerstemming aan te brengen. Een zomerstemming gevuld met warmte en zoet. Warmte die de opvoeders kunnen geven aan het kind met kleding die warmte schenkt. Kleding van natuurlijke materialen. Een warm kruikje in bed zodat het bed als een warm nestje aanvoelt zodat de overgave aan de nacht makkelijker wordt. Warm in een stemming dat ‘alles goed komt’. Rudolf Steiner gaf voor deze kinderen aan het eten te zoeten. Nu is onze voeding de laatste 20 à 30 jaar met vele sluipsuikers onopgemerkt vele malen zoeter geworden. De aanwijzing om het eten te zoeten is daardoor niet zondermeer op te volgen. Het zoeten van het eten kan wel gebeuren door op zoek te gaan naar ‘zoete groenten’ als wortel, pompoen en zoete toevoegingen als rozijnen en een klein beetje honing (vanaf de leeftijd van 1 jaar). Wintertijd, zomertijd, winterstemming, zomerstemming. Ook in de opvoeding van onze kinderen kunnen wij iets van de stemming van de seizoenen als pedagogisch instrument inzetten.
.
Loïs Eijgenraam
Dit artikel verscheen eerder in Vrije Opvoedkunst, winter 2016, hier weergegeven met toestemming van de auteur.

Loïs Eijgenraam: Je kind beter begrijpen

Meer boeken

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

Het kleine(nere) kind: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1775-1664

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.

Als Klaas Vaak niet komen wil

Terecht maken ouders zich zorgen als hun kind niet goed slaapt. Vaak is er met eenvoudige middelen iets aan te doen.

De slaap van een kind is heilig.
In de slaap groeit hij, verteert hij wat hij overdag aan belevenissen opnam en wordt hij wijzer. Na ingrijpende gebeurtenissen, die het kind zwaar op de maag liggen, raakt de slaap meestal als eerste verstoord. Ook angst, onrust of een ingeslepen, verkeerde gewoonte kunnen leiden tot een ongewenst slaappatroon. Zoals bij Eva, een wilskrachtige dame van 16 maanden. Zij werd plotseling iedere nacht een paar keer wakker. Omdat zij altijd fors van zich laat horen als niet direct gebeurt wat ze wil, nam haar moeder haar, voor ze de hele boel bij elkaar kon krijsen, uit bed. Ze vermoedde dat Eva last had van doorkomende kiezen en als troost mocht ze bij haar ouders in bed. Daar viel ze rustig in slaap. Na een week – de kiezen waren intussen doorgekomen – werd Eva ’s nachts nog steeds wakker. Haar ouders pakten haar op om haar te kalmeren en legden haar daarna weer in haar eigen bedje. Maar dan kon niets Eva meer tot bedaren brengen. Ten einde raad nam haar moeder haar toch maar weer bij zich in bed; wie weet had ze wel buikpijn of last van een boze droom.

‘Als je wilt kun je altijd wel een excuus vinden voor het gedrag van je kind,’ zegt Eva’s moeder nu. Bij toeval kwam ze er achter dat ze het anders moest aanpakken. Aanvankelijk wachtte ze altijd eerst even tot Eva echt begon te huilen voor ze naar haar toeging. Maar toen ze haar een keer direct bij het eerste geluidje uit bed haalde, merkte ze dat het kind nog duf en slaapdronken in haar armen hing. Zonder dat ze echt wakker werd, kon ze haar weer in haar bedje leggen. Na een paar nachten sliep Eva weer de hele nacht ongestoord door. De vicieuze cirkel was doorbroken en er was een nieuwe gewoonte voor in de plaats gekomen.

Ritueel

Gewoontevorming gaat bij de hele kleintjes pijlsnel. Als je je onrustige baby meeneemt voor een ritje in de auto omdat hij alleen van autorijden inslaapt, zal hij snel nergens anders meer willen slapen. Verandering van zo’n patroon veroorzaakt heftige reacties. Wanneer je toch besluit je aanpak te veranderen en dat, tegen alle protesten in, wilt volhouden, zijn standvastigheid en de innerlijke overtuiging dat je de goede beslissing hebt genomen bepalend voor het succes. Rituelen helpen om het ‘gewoontelichaam’ op te voeden. Het vertrouwen in steeds hetzelfde verloop, maakt voor een kind de overgang van de ene fase naar de andere gemakkelijker. Een ritueel voor de overgang van de dag naar de nacht kan bestaan uit een vaste volgorde in uitkleden, tanden poetsen, schone kleren klaarleggen, een plaat bekijken of een verhaal vertellen, een liedje zingen, een aai over de bol, een kus en dan welterusten. Een spreuk tot slot waarin een engel of een mens voorkomt die de wacht houdt over het kind als het slaapt, kan het gevoel van geborgenheid nog versterken.

Buikpijn

Voor peuters en kleuters die alles zien en horen en hypergevoelig zijn voor indrukken, kan het moeilijk zijn om het wakkere bewustzijn los te laten en zich over te geven aan de slaap. Ze hebben snel last van darmkramp of buikpijn omdat ze de (te) diep binnenkomende indrukken niet goed kunnen verteren. Je helpt ze door hun buik te omwikkelen met warme doeken die zijn gedoopt in kamillethee. Dit ontspant de buik en stimuleert de stofwisseling, waardoor ook het psychische verwerkingsproces beter verloopt. Iets warms drinken tijdens het voorlezen werkt ook ontspannend. Als je de tijd neemt voor deze dingen, kunnen (wat oudere) kinderen de gelegenheid aangrijpen om te vertellen over gebeurtenissen van de dag. Dat werkt als een soort voorvertering.

Voor kinderen die ’s ochtends niet goed wakker worden, kan een koele zoutafwassing helpen. Want om ’s avonds weer te kunnen loslaten, moet je overdag goed in je vel zitten. Wanneer deze eenvoudige middelen niet helpen, is het aan te raden samen met de arts naar de oorzaak van het slaapprobleem te zoeken.

Kamillewikkel

Leg een katoenen doek ter breedte van de buik in een schaal. Leg daarop een zeef met twee eetlepels kamillebloemen en overgiet die met kokend water. Niet laten trekken. Haal de doek uit de hete thee en leg hem op een handdoek. Rol die op en wring hem goed uit, zodat de kamilledoek erin zo droog mogelijk wordt, maar nog wel vochtig en warm blijft. Vouw de doek open en wapper tot de lap de temperatuur heeft die je kind kan verdragen. Leg hem vlug op de buik zonder dat hij verder af koelt en leg er een dikke handdoek of wollen doek zonder kieren overheen. Laat je kind zo een half uurtje rusten of ermee inslapen. Geef de kamillewikkel ’s middags of ’s avonds. Houdt dat een.aantal weken vol, las dan een pauze in en wikkel dan weer een periode. Tip: oefen eerst ‘droog’, zodat je handigheid krijgt in het snel en zeker aanbrengen van de wikkel.

Zoutafwassing

Een theelepel zout in een kwart liter koel water oplossen en daarmee (met een washand) stevig gezicht en schouders wassen. Niet afspoelen of af drogen. Doe dit zes weken, vervolgens drie weken niet en dan weer zes weken. Kijk goed naar het effect op je kind. Als de huid te intens rood wordt van de afwassing, dan halveer je de dosis. Geef een zoutafwassing alleen ’s ochtends.

.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda herfst 2000 nr. 6
(met toestemming van de auteur)
.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1761-1650

.

.

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-3/2)

.
De keuze voor verantwoord speelgoed, cadeautjes, is soms moeilijk te maken. Wat geef je op welke leeftijd en met welk doel.
Een uitstekende artikelenreeks hierover is Spel en speelgoed

Uiteraard zijn er verschillende opvattingen en soms loopt de keus voor een stukje speelgoed ook per leeftijd uiteen. 

Om 0uders behulpzaam te zijn verschijnen en verschenen allerlei lijstjes met geschikt speelgoed voor een bepaalde leeftijd.

Hier is zo’n lijstje, het verscheen jaren geleden, maar bevat nog altijd suggesties die ook voor nu bruikbaar zijn.

Goede speelvormen en speelmaterialen

van 0-1 .jaar

koord met balletjes;
baby-ballen rammelaar;
bijtring;
drijvende dieren;
belletjeskubus ; ratelkubus;
bal;
pluchebal;
poppen en dierfiguren van zachte stof.

peuter 1-3 jaar

piepfiguren;
pluchen en stoffen figuren en poppen;
dieren die je achter je aan trekt;
duikelaars;
holle kubussen;
bouwbekertjes;
prentenboeken van linnen of zwaar karton;
speelgoed voor zandbak,
tuin en strand;

van 3-6 jaar

kleine houten auto’s van 10-25 cm;
vrij grote vrachtauto’s;
houten trein;
staande schommel;
hobbelpaard;
kleine ladderwagen of geheel gesloten vrachtwagen;
teddybeer en andere stoffen dieren ;
bezem;
wasgerei en dergelijke;
zandspeelgoed;
grote bouwelementen,
speelmeubels;
driewieler;
paardenvoertuig;
verschillende houten voertuigen;
tuinschommel;
kruiwagen;
poppen;
poppenkleding met toebehoren;
poppendraagtas,
poppenbed,
poppenwagen;
tekenbord,
borddoek,
krijt;
vingerverf;
waskrijtblokken en -stiften;
bouwblokken van hout;
speelgoed om te schroeven; insteekbouwmaterialen, met grote delen;
materiaal om te leggen, in te steken, te spijkeren;
rijgkralen;
opstelspeelgoed (steden, dierentuin en andere);
autoped; babypop en- toebehoren;
poppenkamer met poppen; toebehoren voor het’rollenspel’;
winkel;
handspeeldieren;
bouwmateriaal met schroefverbinding;
kaartenhuis;
kneedmateriaal;
gekleurd papier en kinderschaar;
magneet, zaklamp en dergelijke;
eenvoudige gezelschapsspelen;
prentenboeken,
kleurboeken,
voorleesboeken,
eenvoudige puzzels ;

van 6-10 jaar

springtouw; kleine modelvoertuigen;
grote poppenwagen;
handspeelpoppen (‘Jan Klaassen’);
vlechtblaadjes van papier;
waterverf (dekkleuren);
winkel met toebehoren;
kindermuziekinstrumenten (trommel, blokfluit, xylofoon);
huishoudelijk speelgoed (veger, stoffer, blik);
kookstelletje;
kleurstiften met dunne,
kern;
constructie-bouwmateriaal hout);
insteekbouwmateriaal  (plastic);
vellen papier om te knippen;
handenarbeidmateriaal (figuurzagen, verven, werken met klei en dergelijke);
vrij grote modelvoertuigen (metaal);
rolschaatsen en schaatsen;
weefgetouw;
knutselmaterialen;
vrij moeilijke gezelschapsspelen;
badminton;
bouwplaten; constructiebouwdoos (metaal);
goocheldoos;
leesboeken;
puzzels.

van 10 jaar en ouder

een deel van het speelmateriaal van 6-10 jaar;
vlieger;
aquarelverf;
naaimachine;
fornuis en andere elektrische apparaten;
gereedschap;
hobby-materialen;
elektrische modeltrein;
stoommachine,
elektromotor;
technische bouwdozen;
experimenteerdozen;
boeken;
puzzels;
muziekinstrument;
modelbouw (schepen, vliegtuigen);
fototoestel met handleiding.

omgaan, uitproberen, experimenteren en vormen met materiaal

van 0-1 ,jaar

luchtballon;
mobile;
geluidsspelen;
ratel;
grijpspeelgoed;
badkuipspeelgoed;
bal;
werppop;
werpdier;

tussen 1 en 3 jaar

badkuipspeelgoed;
hansworst;
duikelaartje;
kogelbaan;
muziek-speeldoos;
vormen-insteekspel;
insteek-speelgoed (bouwbekers, blikken);
eenvoudige legpuzzel;
hamerspelen;
bouwblokken;
vingerverf;
viltstiften;
vezelstiften;
zandbak;
zandspeelgoed;

tussen 3 en 6 .jaar

zandbak;
zandspeelgoed;
kegelbaan die je uit elkaar kunt nemen;
bouw- en constructiemateriaal;
grote bouwelementen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
miniatuurvoertuigen;
opstelspeelgoed;
materiaal om te leggen;
plaatjes-legspelen;
legpuzzel;
kaartenhuis;
gekleurd papier;
schaar;
vellen papier om te knippen;
papiervlechten;
rijgkralen;
kneedmateriaal;
bord;
krijt- en viltstiften;
waskrijt;
waterverf;
kleurpotloden;
kleurboeken;
gereedschap;
materiaal om met de handen te werken;
drukken;
handwerken;
weefgetouw;
caleidoscoop;
vlieger;
zweefvliegtuig;

tussen 6 en 10 jaar

materiaal en gereedschap om te bouwen;
schilderen;
drukken; vormen;
met de handen te werken zoals voor 3-6 jaar;
constructiemateriaal;
voertuigen. en verkeerscomplexen met aandrijving (opdraai-mechanisme/ batterij);
schepen;
mini-bobslee;
montagebouw (vaartuig, telefoon);
kabelbaan;
racebaan met aansluiting op lichtnet;
legpuzzel;
plaatjeslegspel;
stempeldoos;
bouwplaten;
boetseermateriaal;
werkbank;
experimenteermateriaal;
caleidoscoop;
speelveer;
vlieger;
denkspelen;
goochelspelen;
geduidspelen;

met 10 jaar en later

materiaal en gereedschap als voor 6 tot 10 jaar;
modelbouwgereedschap en -materiaal;
modeltrein met aansluiting op lichtnet;
naaimachine;
breimachine;
aquarelverf; tekensjablonen;
passer
experimenteermateriaal;

rollenspel – toneelspel

tussen 1 en 3 jaar

stoffen dieren;
werppop of andere eenvoudige pop;
telefoon;
eenvoudige huishoudgereedschappen (bezem, zwabber);
onbreekbaar servies;
speelmeubels;
speelelementen van karton;

tussen 3 en 6 jaar

stoffen dieren;
pop – ook babypop;
poppentoebehoren (kleertjes, bedje, koffer);
telefoon;
pannen;
bakgerei;
huishoudgereedschappen;
breekbaar servies;
poppenkamer met buigpoppetjes;
toebehoren voor andere rollenspelen (arts, astronaut, post, supermarkt);
dingen om te je verkleden;
handspeelpoppen (eenvoudig en licht);
opstelspeelgoed;
miniatuurvoertuigen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
voertuigen met verschillende functies (kraan, brandweer);
grote bouwelementen;
speelmeubels;
speelelementen;
tent;

tussen 6 en 10 jaar

stoffen dieren;
poppen;
poppetoebehoren;
poppenkamer (meer toebehoren);
huishoudgereedschappen;
rollenspel toebehoren
dingen om je te verkleden;
miniatuurvoertuigen;
voertuigen met aandrijving;
treincomplex zonder en met aandrijving (veerwerk of batterij);
racebaan met aansluiting op lichtnet;
handspeelpoppen;
handspeeldieren;
vereenvoudigde marionetten;
poppenkast (podium);
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen;

met 10 jaar en ouder

poppen; poppentoebehoren;
elektrische apparaten (fornuis, strijkijzer);
dingen om je te verkleden en toneel te spelen;
poppenkast;
handspeelpoppen en -dieren;
marionetten;
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen ;

gezelschapspelen

tussen 3 en 6 jaar

lottospelen;
kleuren- en plaatjesdomino;
snipsnap;
pak me;
kat en muis;
hengelspel;
behendigheidsspelen;
knikkeren;
geheugenspelletjes (memory,
koffer inpakken;
zwartepieten;
kleur-dobbelspelen;
eenvoudige wedstrijd
dobbelspelen (geluksspelen);
spellendoos;

tussen 6 en 10 jaar

geheugenspelletjes (memory, koffer inpakken);
wedstrijddobbelspelen (taktische);
bordspelen (halma, dammen, rollenspel);
letterspelen;
legspelen;
domino;
denkspelen;
kaartspelen;
kwartet;
spellendoos;
behendigheidsspelen, (mikado, labyrint, vlooiènspel);
autoracebaan (lichtnet);
sportspelen (tafeltennis, badminton);
ballen;
werpspelen;
springtouw;
elastiekentwist;
knikkeren;

met 10 jaar en later

gezelschapsspelen als voor 6-10 jaar;
autoracebaan met aansluiting op lichtnet;
moeilijke gezelschapsspelen;
denkspelen;
geduldspelen;
behendigheidsspelen;
goochelspelen;
sportspelen;
sportballen;
blaaspijp;
werpspelen (ringen, schijven, darts….)

Andere mogelijkheden

Andere activiteiten die kinderen leuk vinden is het, op hun eigen manier, meehelpen van de ouders, bijvoorbeeld met het verzorgen van een jonger broertje of zusje; het verzorgen van de planten; met het eten klaar maken; in de tuin helpen. In en rond het huis zijn vaak veel mogelijkheden voor kinderen die ze graag samen met hun ouders doen.
.

bron-vermelding:
– vooral gebaseerd op ‘Aktions-Leitfaden gegen Kriegsspielzeug’; DFG-VK-Bundesgeschaftsstelle, Essen
– Omgaan met agressie. Agressie als communicatiemiddel. Hans Tromp, Everbard Mulder – 1978; 2e herziene druk 1980.
– vooral gebaseerd op; ’Aktion Kriegsspielzeug; Modelle- und
Aktionsvorschläge für Kinder, Jugendlich und Erwachsene1, Deutsches Pax-Christi-Sekretariat) Frankfurt/Main – nr.21, 2-78,
– artikel in Veluwepost dd. 15 nov. 1978.

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1753-1642

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (18)

Op vakantie met baby en peuter

Vakantie heb je als ouders hard nodig om tot rust te komen. Maar voor je baby hoeft het niet echt en ook je dreumes raakt er vaak nog door van slag. Consultatie-verpleegkundige Paulien Bom legt uit hoe je kunt vermijden dat je aan je reis een ‘was dat nou vakantie?’ gevoel overhoudt.

Het tijdschrift over vakanties met kleine kinderen staat vol met aantrekkelijke foto’s: bruine koppies, eigenwijze zonnebrillen, stoere petjes. Aanbiedingen van Texel tot Tunesië (met het hele gezin op kamelen door de woestijn), van Canada tot logeren bij de boer. Van heel ver, en waarschijnlijk ook duur, tot een klassieke strandvakantie op de Wadden. Wat me opvalt is dat de berichten over die vakanties met kinderen stuk voor stuk succesverhalen zijn, terwijl ik in mijn werk toch vaak verhalen hoor over heel wat minder geslaagde vakanties.

Dat behoort dus beslist ook tot de mogelijkheden, van die ‘eens maar nooit weer’ vakanties.

Transatlantisch vliegen 

Als ik het verhaal hoor van een gezin dat met een baby van zeven maanden en een driejarig meisje een week naar New York gaat omdat de vader daar voor zijn werk moet zijn, denk ik: dat is vragen om problemen. De moeder belde me een week na thuiskomst min of meer radeloos op. Ze had zich niet gerealiseerd dat het tijdsverschil voor zoveel problemen zou zorgen. De slaap van beide kinderen was totaal ontregeld en, omdat ze zelf ook redelijk aan haar eind was, compenseerde zij het wakker zijn van ’s nachts ook met slapen overdag. Zo werd het New-Yorkse ritme stevig in stand gehouden.

Het is niet zo moeilijk te voorspellen dat zo’n reis te veel gevraagd is voor een baby. Als je je realiseert hoeveel moeite, geduld en toewijding het kost om met je baby in een goed dag- en nachtritme te komen – en hoe goed hij gedijt als dat ritme is gevonden – dan ligt het niet voor de hand dat te gaan verstoren met een transatlantische vlucht. Bij het genoemde gezin heeft het weken geduurd voordat met name de baby weer lekker in haar vel zat en het oude ritme weer te pakken had. Als ik me – nog afgezien van het tijdsverschil – voorstel hoeveel indrukken er op een kind afkomen op zo’n grote reis en me vervolgens afvraag hoe een baby of peuter die allemaal een plek moet geven, dan zou ik helemaal niet aan zo’n reis beginnen.

Dag- en nachtritme

Ik wil hier een ander reisverhaal tegenover zetten. Een gezin met twee kinderen, waarvan de jongste vier maanden is, vliegt naar Australië om de grootouders daar te bezoeken. De moeder heeft het zo geregeld dat ze pas weer hoeft te gaan werken als de baby zes maanden is. Moeder en kinderen blijven zeven weken bij de grootouders, de vader voegt zich later bij hen. De reis is zwaar omdat de baby nauwelijks tot slapen komt. De eerste dagen in Australië is hij van slag en huilt veel. Daarna lijkt hij te wennen aan het nieuwe dag- en nachtritme en herkent zijn moeder in hem weer de vertrouwde makkelijke en gezellige baby. De grootouders genieten met volle teugen van hun kleinkinderen en ook voor de moeder is het een heerlijke tijd omdat ze veel zorg uit handen kan geven. Terug in Nederland is het weer flink wennen, maar gelukkig heeft de moeder voor ze aan het werk moet nog een week de tijd om de boel weer in het gewone ritme te krijgen. Dat blijkt net voldoende te zijn.

Het grote verschil met het vorige verhaal is de lengte van de reis. Ook deze baby moest twee keer van ritme wisselen, maar kreeg daar wel echt de tijd voor. Verder had deze reis een vanzelfsprekender plek binnen het gezin dan de reis uit het eerste voorbeeld: er wachtten aan het einde van de lange reis een tweede thuis en een opa en oma die ook een beetje recht hebben op hun nieuwe kleinkind.

Snel van slag

Veel vakantieleed kun je vermijden door jezelf bij het plannen van een reis af te vragen wie je met de voorgenomen vakantie een plezier wilt doen. Als dat de baby is, dan kun je in principe de vakantie het beste thuis vieren. Daar is de omgeving vertrouwd en daar gedijen baby’s in. Voor hem hoeft de wereld nog niet veel verder te reiken dan het huis en een blokje om. Als de vakantie niet voor de baby is, dan wellicht voor de andere kinderen in het gezin. Zijn die nog klein, dan zou ik nog steeds geen lange reis maken.

Maar het antwoord kan natuurlijk ook zijn dat de vakantie voor jouzelf als ouder is. Dat is zeer legitiem, want in de vakantie kun je je ontspannen en dat komt iedereen, dus ook je baby, ten goede. In dat geval is het van belang je in je kind in te leven en zijn gedrag een tijdje goed te observeren. Hoe reageert hij op bezoek en op uitstapjes? Rustig en onverstoorbaar, of juist druk en over zijn theewater? Hoe slaapt hij in een vreemd bedje? Hoe reageert hij op nieuwe gezichten? En hoe is het de dag na het bezoek of uitstapje? Slaapt hij even flink bij en kan hij er dan weer tegen, of is hij meer dan één dag van slag? Er zijn onverstoorbare baby’s en peuters die overal wel lekker in hun vel lijken te zitten. Maar er zijn ook kinderen die schrikkerig en snel van slag zijn. Ze hebben moeite zich in te stellen op veranderingen en laten dat merken door te jengelen, moeilijk in te slapen of door te slapen of door slecht te eten. Het in kaart brengen van het gedrag van je baby of peuter bij veranderingen, met name in de dagen erna, kan je helpen richting te geven aan je plannen en mede je reisbestemming bepalen.

Kamperen

Met onrustige, gevoelige baby’s zou ik kamperen bijvoorbeeld al gauw een te riskant plan vinden, omdat een tent alle geluiden en veel licht doorlaat. Kies, enthousiast geworden door de verhalen van anderen, vooral niet voor kamperen met een kleintje als je geen kampeerervaring hebt. Kamperen is, naast oergezond, ook inspannend. Als je dat niet gewend bent, en je moet ook nog ’s morgens vroeg aan de wandel omdat de baby anders de hele camping wakker huilt, dan kan met recht de vraag opkomen: is dit nou vakantie? Als er genoeg prettige momenten tegenover staan, kan het antwoord ‘ja’ zijn. Maar het is ‘nee’ als het kamperen gewoon te veel gevraagd is voor alle partijen.

Geslaagde vakanties met de kinderen behoren voor veel mensen tot de meest gekoesterde herinneringen. Na de vakantie blijken de kinderen vaak flink te zijn gegroeid en steviger op hun beentjes te staan. Allemaal redenen om wél op vakantie te gaan. En als je je gezonde verstand gebruikt en je aanpast aan zijn , behoeften, kan dat ook met een baby.

Enkele praktische adviezen

Als je je baby meeneemt de bergen in, kan de aanpassing aan de hoogte hem zwaar vallen. Een regel die de Nederlandse Bergsportvereniging hanteert is: veilig is een verblijf op maximaal 1500 meter. Te voet naar een hoogte van maximaal 2500 meter gaan is ook geen probleem. Een snelle stijging naar deze hoogte met een gondel of tandradbaan is onverstandig. Ook overnachten is op die hoogte niet aan te raden.

Neem een baby van onder de acht maanden niet in een stoeltje op de rug mee op wandelingen. Hou ook daarna de wandeltijden nog beperkt. Pas als hij goed los kan zitten, kun je ook langere tochten maken. Maak bij het kamperen gebruik van een reiswieg of een campingbedje en kijk of je daar overheen een wat donkerder hemeltje kan fabriceren. Het licht kan het inslapen aanzienlijk bemoeilijken en ervoor zorgen dat de baby zich bij het eerste ochtendkrieken al weer meldt.

Houd zoveel mogelijk vast aan vertrouwde rituelen, met name rond het eten en slapen. Dat geeft houvast en maakt het makkelijker bij thuiskomst de gewone raad weer op te pakken.

Laat als je gaat vliegen de baby tijdens het stijgen en landen aan de borst of de fles drinken, zodat hij de druk op de oren niet zo erg voelt. Als je intercontinentaal vliegt, is het raadzaam de baby in de dagen en nachten erna goed in de gaten te houden en de eerste nachten in dezelfde kamer te slapen. Dit in verband met een verhoogde kans op wiegendood.

En ten slotte: als je met een baby naar een warm land gaat, is schaduw het allerbelangrijkst. Zonnehoedjes, dunne beschermende kleding en parasols zijn bepaald geen overbodige luxe.
.

Paulien Bom, Weleda Puur Kind, nr.7 lente 2001

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1697-1591

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (4)

.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, nr.7 lente 2001
.

Springen en stampen om rustiger te leren bewegen
.

Aan de manier waarop een kind loopt is veel af te lezen.
Kleine belemmeringen in de beweging weerspiegelen vaak een ander probleem. Een goede manier om te doorgronden waarom je kind zich beweegt zoals hij doet, is het nabootsen van zijn loopbeweging. Het navoelen van zijn uiterlijke beweging kan verduidelijken wat je kind innerlijk beweegt.
Kindertherapeute Joyce Honing geeft voorbeelden uit haar praktijk.

Aan de hand van haar pappa komt Lotje de praktijk binnen. Lotje is een stevig blond meisje van bijna zes. Door de sterke bouw van haar lijfje lijkt Lotje alles in zich te hebben om veel te bewegen en actief te spelen. Maar het probleem is juist dat ze dat niet doet. Ze is heel erg verlegen, durft niet bij vriendinnetjes te spelen, gaat niet naar verjaardagspartijtjes en speelt niet buiten als het mooi weer is. Het liefst kruipt ze stil in een hoekje met haar barbies of een boekje. Het stoort haar ouders dat Lotje zich niet sociaal gedraagt en ze vinden het niet gezond dat ze geen plezier heeft met andere kinderen.
Als Lotje een mager, gevoelig kindje was geweest, zou ik haar ouders adviseren vrede te hebben met haar wat schuwe teruggetrokkenheid. Maar bij Lotjes lichamelijke gestel past die terughouding niet. Het lijkt erop dat haar iets dwars zit, maar ik vind daarvoor geen aanknopingspunten. Ze heeft het fijn op school, ze kan goed opschieten met haar jongere zusje en het gezin, waarin de vader
full-time moedert, is warm en veilig. Wel heb ik bij het binnenkomen gemerkt dat Lotje een beetje struikelend over de drempel kwam. Haar linkervoet blijkt sterk naar binnen gericht te staan. Als ze loopt draait het stevige linkerbeentje mee naar binnen en de rechterschouder naar achteren zodat haar lijfje wat scheef op haar heupjes komt te staan.

Voet- en teenspelletjes

Als ik een kind zie met een probleem waarvan me de oorzaak niet onmiddellijk duidelijk is, probeer ik vaak zelf een poosje te lopen zoals ik het kind heb zien doen. Door dat te doen kan je van binnenuit begrijpen met welk bewegingsgevoel dit kind in het leven staat. ’s Avonds loop ik thuis in de houding van Lotje. Wat me onmiddellijk opvalt is dat met zo’n sterk naar binnen gedraaide voet alle ritme uit het lopen verdwijnt en het een hortende beweging wordt. Mijn lichaam schommelt alsof ik iets zwaars draag. Ik deed met mijn kinderen een tikspelletje rond de tafel en merkte dat ik, ondanks mijn inmiddels opgedane behendigheid met de naar binnen gekeerde voet, telkens werd getikt en niet eens in staat was mijn jongste dochter af te tikken. Er bekroop me een gevoel van machteloosheid en de neiging om af te haken. Daardoor drong het tot me door dat er met Lotje waarschijnlijk op het sociale vlak niets mis is, maar dat ze door de constante belemmering in haar beweging teruggetrokken is geworden. Om haar terughoudendheid te overwinnen, zal ik samen met Lotje moeten proberen of we haar loopbewegingen wat vloeiender kunnen laten worden.

De eerst volgende keer dat ik haar zie laat ik haar met blote voetjes en de ogen dicht op een handdoek staan en wijs een voor een haar teentjes aan. Ik vraag haar die te benoemen, maar dat lukt haar niet. Ze heeft geen enkele verbinding met haar voetjes en teentjes.
Sindsdien doen we al weken voet- en teenspelletjes. Ik leg bijvoorbeeld een parcours van blaadjes papier als eilandjes over de grond. Lotje is de reus die met de ogen dicht tastend van eiland naar eiland stapt. Haar oogjes moeten nu bij wijze van spreken tot in haar grote teen zitten. We schrijven met de teentjes in zand, met een krijtje tussen de tenen op een groot vel papier en we doen evenwichtsspelletjes. Lotje begint plezier te krijgen in de spelletjes en ik zie dat haar gespannen schoudertjes zich iets gaan ontspannen. Lotjes ouders vonden het aanvankelijk maar vreemd dat ik bij een kind met een sociaal probleem bij de voetjes begin te werken. Maar intussen zien ook zij dat Lotje haar schuwheid – die in dit geval duidelijk werd veroorzaakt door een lichamelijke belemmering – begint te overwinnen nu ze zich langzaam aan wat soepeler en zekerder leert bewegen.

Achter je hoofd aan rennen

Bij veel opvoedings- of ontwikkelingsproblemen biedt beweging een beter aangrijpingspunt voor de therapie dan het psychisch uitdiepen ervan. Ook als het probleem ogenschijnlijk niets met een stoornis in de bewegingen te maken heeft. Zoals bij Vera.
Vera is een opvallend hip gekleed, vrolijk meisje van vijf met blonde krullen en heldere blauwe kijkers. Ze is erg onrustig. Zó onrustig dat haar moeder er radeloos van wordt en vreest dat haar dochter duidelijk een ADHD-geval is. Ik zie dat Vera bij het lopen met haar hoofdje naar voren neigt en dat haar beentjes het hoofdje nauwelijks kunnen bijhouden. Het is alsof ze voortdurend naar voren valt. Aanvankelijk wijt ik dat aan haar hoge plateauzolen, maar ook als ze schoenen en sokken uit heeft lopen haar beentjes hulpeloos en ongericht achter haar koppie aan. Terwijl we naar de fysio-therapieruimte lopen duikelt ze een paar passen voor me uit en bij het balspelletje dat ik met haar speel is ze onrustig en afwezig.

Als ik die avond thuis probeer te lopen als Vera, merk ik dat ik snel geïrriteerd raak en zelfs een beetje angstig word. Alsof ik onbetrouwbare grond onder de voeten heb. Vera’s moeder vertelt me dat haar dochtertje nogal een ‘luie’ baby was. Ze hebben flink met haar moeten oefenen en haar moeten belonen voor ze wilde gaan lopen. Dat verbaast me niet.

Eigenlijk loopt Vera nog steeds alsof ze dat niet zelf wil maar door een elastiekje aan haar hoofd wordt vooruitgetrokken. Haar buikje, benen en voetjes doen doelloos en druk mee in de bewegingen.

Vera zal moeten leren haar bewegingen te structureren door te merken dat ze minder chaotisch worden wanneer ze er een duidelijk doel mee heeft, wanneer ze beweegt omdat zij dat zelf wil. Om haar dat te leren voelen, vertel ik haar verhaaltjes over mieren, mollen en muizen. Ik vraag haar bij de mier haar linker-voetje te stampen, bij de mol haar rechtervoet en bij de muis een sprongetje te maken. De eerste keren dat we dit spelletje doen, springt en stampt ze op bijna ieder woord. Gaandeweg leert ze eerst een ogenblik te luisteren, even naar binnen te trekken en dan pas te doen. We hadden een week of zes nodig voordat Vera’s hoofdje minder naar voren ging neigen en haar bewegingen wat rustiger werden.

Olleke bolleke

Ook bij spraakproblemen merk ik vaak dat bewegingsspelletjes beter helpen dan het naspreken van woorden bij de logopedist. Daar leert een kind woorden uitspreken die niet van hemzelf zijn, terwijl het de taal juist moet kunnen vormen op een manier die past bij zijn bewegingen. De manier waarop een peuter of kleuter spreekt, hangt ook nog sterk samen met zijn lichamelijke gestalte. Over het algemeen spreekt een stevig, gespierd kind krachtig; een wat mager, gevoelig kind bedachtzaam; een speels vlindertje snel en een beetje onsamenhangend en het rustige kind met bolle wangetjes en een bol buikje langzaam, alsof hij ieder woord eerst voorproeft. Zo’n mollig kindje dat graag eet en zich wat traag beweegt, kan moeite hebben met de krachtige klank van een aantal medeklinkers. Vaak stromen de klanken ongevormd uit zijn mond. Dat kun je verbeteren door samen met je kind juist sterk gevormde bewegingen te maken en handspelletjes te doen zoals bijvoorbeeld Olleke, bolleke. Daarbij gaat het niet zozeer om het uitspreken van de moeilijke klanken, maar om het maken van stevige, dichte vuistjes die krachtig op elkaar worden gestapeld. Naarmate de vuistjes flinker worden gebald en de toren rechter wordt, zullen de medeklinkers vanzelf te voorschijn komen en de spraak steviger worden.

.
Meer over bewegen

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1683-1578

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (1-2)

.

Broertje of zusje op komst

Met de komst van een tweede kind verandert de structuur van je gezin vaak ingrijpend.
Wanneer je rondom de bevalling dan ook even niet zo sterk in je schoenen staat, kan een jengelende peuter je snel te veel zijn. Wat gebeurt er eigenlijk met een peuter als zich een broertje of zusje aandient?
Peuterjuf Joyce Honing neemt een kijkje achter de schermen van het jonge gezin.

De moeder van Sharon is hoogzwanger van haar tweede. Ze vertelt me stralend dat alles klaar is voor de baby. Ze verheugt zich op de laatste maand, waarin ze zich in alle rust kan voorbereiden op de bevalling.
Een paar dagen later zie ik haar langzaam en dromerig het schoolplein op lopen met Sharon aan de hand. Ik sta voor het raam van het peuterklasje en zwaai naar ze. Sharon zwaait terug en trekt aan haar moeders arm om haar te wijzen op juffie die zwaait. De moeder glimlacht naar haar, maar haar blik is niet bij het kind en niet bij de juf, maar ergens ver weg. Sharon voelt dat die glimlach niets te maken heeft met wat zij haar mamma te zeggen heeft. Ze trekt woedend haar hand los, geeft een fikse stomp op de dikke buik van haar moeder en rent het klasje in. Haar moeder is zeer ontdaan. Ze begrijpt niets van deze reactie. De laatste dagen gedraagt Sharon zich vaker zo onmogelijk. Vreemd, want ze was toch juist zo blij over de komst van het nieuwe kindje.

Kleine tiran

Als juf maak je het natuurlijk regelmatig mee dat een peuter een broertje of zusje krijgt. Voor de peuter betekent dat vaak een vrolijke en opwindende tijd. Het hele gezin komt in beweging om de nieuwe baby te ontvangen: de babykamer wordt ingericht, de wieg bekleed, luiers worden gewassen en gevouwen en de peuter wordt bij alles betrokken. Voor hem is dit alles een feest, want beweging is zijn element. Dan breekt de laatste zwangerschapsmaand aan. Vaders zijn opgelucht dat alles in orde is en moeders tevreden dat ze de rust krijgen die ze zo vlak voor de geboorte hard nodig hebben.

En dan slaat de peuter om als een blad aan de boom. Hij wordt lastig, gilt om het minste geringste en maakt een drama van eten en slapen. Hij voelt feilloos aan dat hij niet meer de gebruikelijke aandacht van zijn moeder krijgt en weet ook, zoals Sharon met de klap op haar moeders buik liet zien, waar die aandacht wel naar toegaat. Er wordt een kleine tiran in hem wakker, die de aandacht van zijn moeder koste wat kost naar buiten wil trekken.

Veel kan je aan deze situatie niet veranderen, want hoe dichter bij de bevalling komt, hoe meer ruimte je innerlijk nodig hebt voor de enorme gebeurtenis die de komst van een kind is. Het enige wat je kunt doen is het liefdevol gadeslaan van de kleine tiran in de wetenschap dat zowel hij als jij nu even niet anders kunnen.

Verwondering

Vaak gaan ouders ervan uit dat hun peuter, die zo vol vreugde meedeed met alle voorbereidingen, zich net als zij erg op de komst van een broertje of zusje verheugt. Maar een klein kind kan zich nog niet echt verheugen op iets dat het niet kent. We zijn, in ons enthousiasme om het geheim van het in de buik groeiende wezentje te begrijpen, geneigd de peuter van alles uit te leggen en hem mee te nemen naar het maken van de echo in het ziekenhuis. ‘Kijk,’ zegt de dokter, terwijl hij op de monitor wijst. ‘Kijk, daar klopt het hartje’. Maar een peuter weet nauwelijks waar zijn eigen hartje zit en in plaats van dichter bij zijn ongeboren broertje of zusje te komen, ervaart hij vervreemding.

Precieze uitleg maakt de wereld voor het kind niet begrijpelijker. De essentie – en ook de schoonheid – van de kindertijd ligt juist in de verwondering over het mysterie waarvan hij zelf laagje voor laagje de sluiers afhaalt. Een gezonde ontwikkeling betekent dan dat een kind antwoord vindt op vragen op het moment dat het daaraan toe is. Tot die tijd mogen zon, maan en sterren een hemels geschenk zijn en mag een baby door de engelen of de ooievaar worden gebracht.

Baby bij de vuilnis

Voor de peuter is het het beste als de bevalling ver buiten zijn bewustzijn om plaatsvindt. De meeste peuters kunnen het lijden van hun moeder niet aanzien. Ze zullen woede voelen naar de baby omdat die hun moeder pijn heeft gedaan. Bovendien oriënteert een klein kind zich nog helemaal op zijn ouders en kan het geen afstand nemen van de emoties en de onzekerheid die nu eenmaal onvermijdelijk bij een bevalling horen.

En dan is hij er eindelijk, de baby. De peuter kijkt in de wieg en is teleurgesteld. Want hadden zijn ouders hem niet verteld hoe leuk hij met het kindje zou kunnen spelen? Nu ziet hij daar een klein, onbekend wezentje liggen dat alleen maar slaapt of huilt. De peuter zal tijd nodig hebben om helemaal vanuit zichzelf van de baby te gaan houden. Veel ouders zijn teleurgesteld als ze merken dat dit niet zonder problemen verloopt.

Zo vertelde een vader ontzet dat hij op een ochtend vroeg wakker werd en zijn dochtertje op de overloop aantrof met de baby in haar armen. Buiten klonk het geluid van de vuilniswagen. ‘Pap,’ zei ze, ‘ik zet de baby maar bij de vuilnisbak, want hij brengt zoveel rommel in huis’. Dat is een schokkende, maar rake observatie van de peuter. Ritme en regelmaat zijn in de eerste maanden na de geboorte ver te zoeken, alles is nog een beetje rommelig.

Door het moeilijke gedrag van de peuter begin je als ouder al snel te twijfelen aan je pedagogische kwaliteiten, en aan het verlies van je greep op het dagritme beleef je een onvermogen het gezin draaiende te houden. Je vraagt je vertwijfeld af hoe die moeders met tien kinderen dat vroeger deden, want jij bent al doodmoe van twee.

Moment voor jezelf

Soms kan het goed zijn te bedenken dat het appèl dat kinderen tegenwoordig op hun ouders doen ook werkelijk een stuk groter is dan vijftig jaar geleden. Peuters en kleuters van nu zijn veel wakkerder en uitgesprokener aanwezig. Het liefst loopt een peuter als een schaduw achter zijn moeder of vader aan om te zien wat deze aan het doen is. Dan werkt het niet als je tegen hem zegt dat hij nu lekker moet gaan spelen terwijl jij aan het werk gaat. Hij speelt pas als hij genoeg voeding voor zijn spel heeft gevonden, en die haalt hij vooral uit het meedoen met de dagelijkse bezigheden van zijn ouders. Maar zeker een moeder die net een baby heeft gekregen, valt het vaak zwaar weer terug te komen in het patroon van dagelijkse dingen. Door de bevalling zit ze even wat minder stevig in haar vel. Ze heeft het gevoel alsof ze nog niet helemaal met beide voeten op de grond staat

.Vaak vertellen moeders dat hun dagen zo gevuld raken door de eisen die de kinderen aan hen stellen dat ze, als ze eindelijk een moment voor zichzelf hebben, niet weten wat ze ermee moeten doen. In zo’n geval kan het helpen als je je iedere ochtend voorneemt om twee momenten op de dag naar eigen keus in te vullen. Daar laat je je door niets van afbrengen, ( ook al huilt de baby en is de luierwas groter dan anders. Voorwaarde is natuurlijk dat de keuzen in principe haalbaar zijn. Kleine stappen werken beter dan grote. Het is bijvoorbeeld niet zinvol meteen een studie op te pakken, ’s Avonds kijk je dan terug op de dag om te zien of je ook werkelijk hebt gedaan wat je jezelf had voorgenomen. Als het lukte, sterkt dat het gevoel weer greep te krijgen op de dagen. Lukte het niet, dan kun je proberen er achter te komen waardoor het je uit handen is gevallen. En zodra je wat vastere grond onder de voeten krijgt, kun je ook voor je peuter weer extra aandachtspunten inbouwen.

.
Joyce Honing, Weleda Puur Kind, nr.3 1999

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1598

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen (3)

.

Annet Schukking, Jonas 13, 19-02-1988
.

kinderen die niet praten
.

Stralend kijkt een baby je aan. Blijdschap, herkenning! Er komt een lachje, kleine kirrende geluidjes.

Of juist het tegendeel. De blik is ernstig onderzoekend. Er komt een koddige frons tussen de ogen, de mondhoeken trekken omlaag, lipjes beginnen te trillen, mekkerend geblaat zet in en zwelt aan tot gebrul.

Een baby kan nog niet praten, maar de drang om zijn gevoel te uiten leeft al in hem. Ook in rust maakt hij allerlei geluidjes, van een simpel ‘urruh’ tot uitbundig kraaien toe.
Na de babyfase, na het zich oprichten, gaan zitten, gaan staan, gaan lopen, beginnen de eerste woordjes te komen. Het kind begint te praten, zich met de taal te verbinden. Dit is uiterst belangrijk want met de taal leert een mens aan veel meer uitdrukking te geven dan dat hij met kreten en bewegingen kan doen.

Het kind begint in de loop van de volgende jaren in steeds wijdere kringen dingen om zich heen te zien, te benoemen en met elkaar in verband te brengen, hij gaat denken en vragen stellen (de bekende ‘waarom?’ periode), hij begint zelf verhaaltjes te vertellen en eigen woorden te creëren. In een stormachtig tempo maakt het kind zich een verbluffend vocabulaire eigen en een heel leven lang gaat dit proces door, zij het steeds kalmer aan.

Naast de moedertaal kunnen andere talen worden geleerd en het gebruik van de eigen taal kan steeds meer verfijnd, gedifferentieerd, rijker en creatiever worden. Maar het allerbelangrijkste van taal is dat het de mogelijkheid geeft om gesprekken te voeren, niet alleen de gewone communicatie, maar gesprekken waarin zowel de diepste gevoelens als de beste gedachten uitgesproken kunnen worden.

Hoe belangrijk de taal voor een mens is als middel om aan zijn meest wezenlijke behoefte — het zich ontwikkelen — te voldoen, is nergens zo indrukwekkend te voorschijn gekomen als in de biografie van Helen Keller, het doof-blinde kind dat eigenlijk pas mens begon te worden nadat zij door een speciale, aan haar handicap aangepaste methode, toegang kreeg tot de taal.

‘Wanneer een kind van twee jaar nog niet begint te praten, dat wil zeggen enkele woordjes te spreken of te brabbelen, dan is er iets mis’, zegt Xavier Tan, kinderpsychiater te Amsterdam.

Wat kan er mis zijn? Het kind kan doof zijn, er kan een hersenbeschadiging zijn of er kan iets met het spraakorgaan niet in orde zijn. Wanneer geen van deze problemen aan de orde is en het kind wèl begrijpt wat er gesproken wordt zonder dat het zelf tot spreken komt, kan het zijn dat je te maken hebt met een dysfatische ontwikkeling.

Vroegtijdige diagnose

Xavier Tan, een kleine donkere man met opvallend fijngevormde handen, werd geboren in Djakarta en groeide op in het vooroorlogse Indonesië. Zijn grote liefde geldt Bali, waar, vooral in de minder toeristische gebieden, nog een oorspronkelijke cultuur aanwezig is die onder andere sterk leeft in ritme, klank en dans. Dit zijn elementen die Tan onder meer toepast om bij zijn patiëntjes de spraakstroom op gang te krijgen.

Tan spreekt levendig en straalt dat soort gemoedswarmte uit dat eigen is aan mensen die in de buurt van de evenaar geboren en getogen zijn. Zijn opleiding is echter westers-wetenschappelijk. Toen zijn aanvankelijke wens chirurg te worden om praktische redenen niet realiseerbaar bleek, heeft hij zich in de kinderpsychiatrie gespecialiseerd. In zijn betoog wisselen kleine gespeelde situaties zich af met medische termen, Amerikaanse praktijkvoorbeelden en flitsen uit Europese cultuur.

Telkens weer roept Tan hoe belangrijk het voor een kind is dat vroegtijdig de diagnose wordt gesteld. Aandacht voor het beeld van de dysfatische ontwikkeling bestaat relatief kort. Tan kwam in zijn werk als consulent van LOM-scholen kinderen tegen waarbij het niet ging om een vertraging in de algehele ontwikkeling, maar waarbij hij te maken had met kinderen die de taal beter kunnen begrijpen dan dat ze die kunnen spreken. Er bestond een opvallende stoornis in de overgang van een waarneming, een gevoel, een gedachte, een beleving of een idee naar het gesproken woord. Tan merkte tot zijn verbazing dat dit verschijnsel niet werd onderkend. Toen hij begon in te zien welke rampzalige consequenties dit voor een kind kan hebben, was zijn conclusie: ‘Daar moet iets aan gedaan worden!’.

‘Als het een kind van een jaar of twee niet lukt om te gaan praten terwijl het er wel aan toe is, de drang wel aanwezig is, en het de respons niet krijgt waar het behoefte aan heeft, dan gaat het zich in zichzelf terugtrekken. Dat heeft begrijpelijkerwijs invloed op zowel zijn emotionele als zijn cognitieve, verstandelijke ontwikkeling. Wanneer je er niets aan doet zal zo’n kind zich als zwakzinnig gaan gedragen. Het kan dan ten onrechte in een zwakzinnigeninrichting terecht komen. En krijg het daar maar weer eens uit! Dat is bijna onmogelijk.

Praten doe je met je gevoel

Eind 1982 werd de Stichting Dysfatische Ontwikkeling opgericht en sindsdien is Tan bezig om met een groeiend team van medewerkers een multi-disciplinaire diagnostiek en therapie in praktijk te brengen. Het team bestaat uit een kinderneuroloog, een psycholoog, twee logopedistes en twee ergotherapeuten. ‘Maar het mooiste zou zijn als je het werk dat deze mensen doen allemaal in één of twee personen zou kunnen samenvatten’, zegt Tan.

Als kinderpsychiater houdt hij zich bezig met de gevoelsontwikkeling. De hele spraak-taalontwikkeling bij een kind is tot nu toe altijd onderzocht door linguïsten (taalgeleerden), neurologen of psychologen. De laatste tien jaar heeft men op het gebied van de neurofysiologie veel ontdekkingen gedaan, maar niet zo geïntegreerd.

‘Je moet van veel dingen afweten om dat te kunnen integreren. In de academische wereld zijn in de loop der eeuwen vakken als muziek en beeldende kunst afgevallen. Deze tendens is nadelig, en bij kinderen merk je dat deze muzische kant nodig is bij de vroege ontwikkeling (vóór vier à vijf jaar).

We weten tegenwoordig dat er twee hersenhelften zijn, de rechter- en de linkerhemisfeer, ieder met hun eigen bepaalde functies. De verbinding tussen die twee komt bij deze kinderen niet goed op gang. Als je rechtshandig bent, ontstaat er een taalcentrum in de linkerhelft. De rechterhemisfeer, daar zitten dingen als beleven van muziek en tekenen, die totaal anders zijn dan wat bij de linker hoort, die meer voor het logische is, voor een bepaalde vorm van praten.

Wat is praten? Hoe doe je dat? Ik zeg: praten, in ieder geval zoals kinderen praten, dat doe je met je gevoel! Daartoe behoort bij voorbeeld de intonatie, die door kinderen feilloos begrepen wordt.’ Tan acteert en slaat met zijn vuist op tafel: ‘Ik heb het je toch gezegd! Héé? … Eh! Dat zijn nauwelijks woorden, dat is puur intonatie.’

Kinderen kunnen dat ook prachtig imiteren, constateren Tan en ik. Ik herinner me hoe een vierjarig jongetje mij eens een boekje ‘voorlas’, letterlijk de tekst zoals die op iedere pagina stond, weergaf met alle intonaties waarmee zijn vader het hem ontelbare malen had voorgelezen, alleen al op de visuele herkenning van de pagina en de plaatjes zonder dat er natuurlijk van echt lezen sprake was.

Moeilijk voor academici

Tan: ‘Bepaalde dingen weten we, bij voorbeeld dat een kind al direct na de geboorte kan onderscheiden: menselijke stem — niet menselijke stem, een paar uur na de geboorte! Wat we ook weten is dat één hersencel een hele hand kan zien; dat is bij apen zo, maar dat moet bij mensen ook zo zijn. Dat is de rechterhersenhelft.
Die hele hersenfysiologie blijkt moeilijk direct in linker- of rechter hemisfeer te onderscheiden: wat bekijkt iemand analytisch en wat ziet hij in één oogopslag. Als je een kamer binnenkomt, kun je al meteen een totaalindruk krijgen (Gestalt) en pas daarna ga je analyserend waarnemen. Het is een tweeduidige vorm van waarnemen.

Mensen in een land als Bali nemen anders waar dan in het tegenwoordige Europa en Amerika. Daar overheerst de linker hemisfeer; het digitale en de computer.’

‘Je moet je voorstellen dat je twee vormen van waarnemen hebt, zeker bij het jonge kind. Dat is ook nodig, dat is survival of niet-survival, overleven of niet overleven, je moet meteen kunnen zien: vijand of niet-vijand. Dat soort aspecten is moeilijk voor academisch gevormde mensen: ‘Ach, dat is niet aantoonbaar’, zeggen ze dan.

Er is al veel onderzoek gedaan op het gebied van hersenfysiologie, maar het is voornamelijk onderzoek bij volwassenen. Het kind is natuurlijk in ontwikkeling. Cellen moeten nog op hun plaats komen. Komen ze niet op hun plaats, dan ontstaan bij voorbeeld bij het spreken verwisselingen van lettergrepen. Verder is de hele motoriek belangrijk voor de spraak-taalontwikkeling. Daarmee raak je de werkgebieden van euritmie en toneel. De Russische toneelpedagoog en -theoreticus Stanislavski (1863-1938) zegt: als je een poes aait op toneel, moet je niet zomaar wat doen, je moet je terugverplaatsen in hoe je als kind een poes hebt geaaid, dan komt die motoriek vanzelf.’ ‘Het is moeilijk om een algemeen beeld te geven van de therapie. Er spelen veel factoren een rol: leeftijd, motoriek, wat kan het kind wel, waar kun je op aansluiten. Iedere profielschets zal weer anders uitvallen. Je gaat mee in wat het kind al kan en dit stimuleer je op de juiste manier door middel van spel, klank, muziek (eenvoudige kinderliedjes), ritme (schommelen) en beweging. Steeds moet het totaalbeeld in het oog worden gehouden. Bij het toespreken speelt ook de intonatie een belangrijke rol.

Allereerst moet je een relatie met het kind krijgen. De moeder moet een paar keer komen praten, de kamer zien. Het behandelingsteam moet ook mobiel zijn. Als een kind erg jong is, gaan kinderpsychiater, logopediste en ergotherapeute op huisbezoek. Doel is het kind in een ontspannen situatie en een vertrouwde omgeving te ontmoeten en andersom: dat het kind de therapeuten leert kennen.

Een hulpmiddel bij de behandeling is het visueel maken van de taal. Een Zweedse vrouw, Ragnhild Söderbergh, heeft geheel vanuit het gevoelsbeleven van het kind, een methode ontwikkeld om dove kinderen te leren lezen. Ik veronderstel trouwens dat het probleem van de spellingfouten, dat je tegenwoordig zoveel tegenkomt, samenhangt met een meer auditief gericht taalonderwijs, terwijl het vroeger meer op het visuele letterbeeld gericht was.

De leesmethode van Ragnhild Söderbergh staat centraal in onze geïntegreerde groepsbehandeling en deze taal wordt uitgevoerd via een kleuterleidster. Er is nu een groepje kinderen in de leeftijd van vier tot negenjaar dat één maal per week anderhalf uur therapie krijgt.

Het is frappant dat moeders die onze folder lezen vaak zeggen: dat is het, dat heeft mijn kind. Ze hebben een soort instinct, ze herkennen het onmiddellijk. Ik denk dat moeders vaak instinctief het juiste voor hun kind doen.’

Weten, wat je doet

‘Het komt er op aan dat je met het juiste affect komt. Dat kun je echter niet alléén met instinct. Je moet wéten, wat je doen moet, kennis hebben. Het is heel belangrijk dat je alle determinanten (bepalende factoren) van de spraak-taalontwikkeling versterkt, zoals lichamelijk contact, spel, zingen, ritmische beweging. Laat je een kind schommelen, dan komt er al gauw iets van a – la – la. Zegt het kind al een woordje, bij voorbeeld ‘pappa – auto’, dan haak je daar op in: o, ben je met pappa in de auto geweest. Niet invullen wat het wil zeggen, ook niet corrigeren. Spontaan kunnen deze kinderen zich ook beter uitdrukken in een dialoog. Die moet je niet direct aangaan als je zo’n kind tegenover je krijgt. Je begint zelf te kwebbelen, zo van: ‘o, je komt met je vader’, en dan ga je door zodat het kind alleen maar hoeft mee te lopen en ja of nee te zeggen.

Dysfatische ontwikkeling bestaat in graden. De duur van de behandeling is zeer variabel. Die is afhankelijk van de ernst van het beeld, de leeftijd waarop het ontdekt wordt en waarop de therapie wordt ingezet. Verder ook van complicaties zoals dyspraxie (storing in de verbinding tussen denken/voorstellen en doen) of epilepsie, en van de intelligentie van het kind. Het zijn vooral de jonge kinderen, tot ongeveer zes jaar, die een behandeling vragen met een vrij hoge frequentie.

Als een kind op school zit, hangen behandeling en begeleiding samen met wat een school hierin kan bieden. Eventueel begeleidt men ook de leerkrachten van het kind. Bij jonge kinderen moeten de ouders veel doen bij de behandeling.’

Kind-onvriendelijke cultuur

Xavier Tan heeft een dubbele functie bij de Stichting Dyfatische Ontwikkeling. Behalve coördinator van het onderzoek- en behandelingsteam is hij ook voorzitter van het bestuur van de stichting. Hij meent dat hij het interview moet geven vanuit deze laatste functie. Wat hij zinvol vindt, is dat men er toe komt het beeld te onderkennen. Informatie geven over de therapie, bij voorbeeld door het beschrijven van een case, of het vermelden van resultaten hoort volgens hem in een vakblad thuis, daar waar deskundigen hierover kunnen oordelen en discussiëren.

Over stoornissen van de spraak of van het taalbegrip bij volwassenen als gevolg van hersenbeschadiging is, medisch gezien, al veel bekend, van kinderen die in het begin van de ontwikkeling van deze vermogens staan, nog vrijwel niets, ook in het buitenland niet. Tan werkt met kinderen uit Hamburg, Curacao en Boston. Bij navraag bij verscheidene artsen en psychiaters blijkt dat ook in de antroposofische geneeskunde geen duidelijkheid is over de dysfatische ontwikkeling. Dat kan te maken hebben met het relatief kleine aantal kinderen dat deze ontwikkeling vertoont; ook kan het zijn dat door het muzisch-ritmisch element van het peuter- en kleuteronderwijs in de vrijescholen al veel ‘vanzelf’ genezen wordt.

Tenslotte rijst de vraag of je ook hier weer te maken hebt met de invloed van de uitgesproken kind-onvriendelijke cultuur waarin vooral de stadskinderen opgroeien en waarvoor meestal te weinig compensatie wordt geboden.

Hoe dan ook — het gaat, denk ik, niet alleen om alertheid op een goed verloop van de spraak-taal-ontwikkeling van het jonge kind, ook de verzorging van het gevoelsleven van de baby van het prille begin af aan vraagt nadrukkelijk om aandacht.

.

Een aantal gezichtspunten is zeker nog actueel. Het dysfatisch ontwikkelingscentrum is nog actief. Meer hierover.

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1669-1564

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-6)

.

Het ene eetprobleem is het andere niet

.

Wat te doen als je kind veel te weinig (of veel te veel) eet? Een eenduidige remedie tegen eetproblemen bestaat niet. Goed kijken naar je kind is een eerste vereiste om erachter te komen waar het probleem zijn oorsprong heeft. Huisarts George Maissan geeft een paar voorbeelden uit zijn praktijk, met adviezen voor de aanpak ervan.

Tot nu toe was het zo’n lief, rustig kind. Alles ging vanzelf’, verzucht de vader van de 26 maanden oude Pim.
Ik kan een glimlach nauwelijks onderdrukken. ‘Gefeliciteerd, u heeft een zoon.’ Verbouwereerd kijkt hij me aan. Hij heeft me net omstandig uitgelegd dat het zo echt niet verder kan. Pim wil niet meer eten. Vooral de warme maaltijd is een strijd. Groenten worden met een luid ‘nee’ afgewezen. Ik vertel hem dat zijn zoon in de fase van het nee-zeggen is gekomen. Hij zet zich af tegen zijn omgeving en in Pims geval richt zich dat op het eten. Door nee te zeggen versterkt hij zijn ontluikende zelfbewustzijn. Je zou dat een soort tweede geboorte kunnen noemen. Vandaar mijn felicitatie.

Het oplossen van zo’n eetprobleem vraagt van ouders wel wat creativiteit.

Het is belangrijk dat je er geen machtsstrijd van maakt. Je kunt je peuter het beste wat afleiden met een verhaaltje of een spelletje. Het probleem zal vanzelf weer over gaan als het zelfgevoel van je kind zich zover heeft ontwikkeld dat hij het niet meer nodig heeft voortdurend nee te roepen. Maar dat vraagt van ouders wel een oefening in zelfwaarneming: ‘Ben ik duidelijk genoeg naar mijn kind?’ Want het heeft in deze fase herkenbare grenzen nodig. Dat komt al tot uiting in kleine dingen als de manier waarop je het kind aanspreekt: ‘Kom, we gaan naar buiten’ in plaats van ‘Wil je naar buiten?’ of: ‘We gaan nu eten’ in plaats van ‘Wil je iets eten?’

Te klein en te licht

Een heel ander kind is de driejarige Robbert, die samen met zijn moeder heel mijn spreekkamer vult. Hij vraagt honderd uit over mijn computer, rent op zijn tenen rond en zit, tot wanhoop van zijn moeder, overal aan. Hij ziet er bleek en mager uit maar kijkt wakker uit zijn heldere, blauwe oogjes. Robbert eet al maanden heel weinig of niets. Zijn ontlasting komt verschillende keren per dag en is altijd dun. ’s Nachts is hij vaak wakker en wil dan drinken. Dat doet hij overdag ook veel.

Als ik hem onderzoek voelt zijn lichaam, met uitzondering van zijn hoofd, koud aan. Hij is duidelijk te klein en te licht voor zijn leeftijd. Als hij gaat tekenen, bespreek ik met zijn moeder hoe we het probleem gaan aanpakken. Robbert verliest zich helemaal in de dingen om hem heen. We zullen moeten proberen hem interesse bij te brengen voor zijn binnenwereld, dat wil zeggen zijn stofwisseling. Dit kun je doen door een vaste regelmaat van drie maaltijden per dag aan te houden en hem dan vooral veel zoete vruchten en de bloemige delen van planten te eten te geven, naast meelspijzen en pap. Ook stel ik voor dat zijn moeder of vader hem regelmatig (om het anderhalf uur) op de bank op schoot neemt en samen met hem een prentenboek bekijkt of hem een verhaaltje voorleest. Dat brengt ritme in zijn dag. Om zijn warmteorganisme te verbeteren en hem wat af te sluiten voor de buitenwereld, raad ik Baby- en Kinderbad aan (driemaal per week) en Calendula Babyolie om hem ’s ochtends en ’s avonds mee in te smeren.

Als ondersteunend medicijn schrijf ik tweemaal daags tijdens het eten een halve tablet Nahrkraftquell* voor en driemaal daags voor het eten vijf druppels Anaemodoron*, dat ervoor zorgt dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen.

‘Kan ik dat ook aan Yvon, mijn dochter van zeven, geven?’ vraagt Robberts moeder. ‘Die eet ook bijna niets.’ Ik vertel haar dat dat inderdaad kan, maar dat het eetprobleem van haar dochter toch van een heel andere aard is. Yvon is een licht en vlinderig meisje. Het is alsof ze overal net even aan tipt. Ze heeft niet de rust om zich door een rijstebrijberg aan eten op haar bordje te werken. Zij wil heus wel wat eten maar ze is zo snel vol. Ze kan alleen maar kleine hapjes aan en floreert daar eigenlijk ook goed op. Een kind als Yvon kun je best wat vaker op de dag kleine, lichte hapjes als een yoghurtje, een rijstewafel of een vrucht geven.

Uit de kluiten gewassen

Weer een heel ander eetprobleem heeft Gerard, een uit de kluiten gewassen kleuter van vijfeneenhalf. Bij het wegen en meten slaat hij alle records. Zijn waarden passen niet op de grafiek die bij zijn leeftijd hoort. Als ik over zijn eetgedrag doorvraag, blijkt dat hij altijd kan eten en geen enkele maat weet te houden.

Gerard is wat je noemt een ‘stofwisselingskind’. Hij schrokt alles in hoog tempo naar binnen zonder waar te nemen wat hij eet en hoeveel hij eet. Het vermogen om het voedsel dat je eet werkelijk te proeven, verdwijnt vaak wanneer kinderen te vroeg te veel en te sterke smaken aangeboden krijgen. Door een kind eenvoudige, bij de leeftijd passende voeding te geven kunnen de zin voor smaak en geur zich geleidelijk ontwikkelen. Gerard moet geholpen worden om waar te gaan nemen wat hij eet en wanneer zijn buikje vol is. Dit kan door hem langzaam en rustig te leren eten en tijdens de maaltijd af en toe een vraag over het eten te stellen. Voor hem zijn rauwkost en zure ingrediënten belangrijk.

.

* Deze zelfzorgmiddelen zijn ook zonder dokstersrecept verkrijgbaar bij drogist en apotheek (soms bestellen).

George Maissan, arts, Weleda Puur Kind nr 5, lente 2000

.
Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1666-1561

.

.