VRIJESCHOOL – Opspattend grind (93)

.

Denken en het brein

Steiner heeft veel over ‘het hoofd’ gesproken en in samenhang daarmee over ‘het denken’.
Voor hem was het heel duidelijk: het brein is, de hersenen zijn een instrument, a.h.w. een voorwerp om te kunnen denken. 
De hersenen zelf brengen geen gedachten voort, zoals een piano ook uit zichzelf geen geluid voortbrengt, alleen als erop gespeeld wordt.

Met de titel van zijn boek:Mijn brein denkt niet, ik wélonderbouwt de auteur Arie Bos deze visie.

In Trouw schrijft columnist Bert Keizer regelmatig over ‘denken’, ‘geest’ en ‘hersenen.

Op 07-02-2020 reageert hij op een column van  Heleen Slagter.
Hij geeft zijn opmerkingen de kop:

Het brein kan niks

In haar column schreef ze, dat was kennelijk de bedoeling, iets over ons geestelijk functioneren waarbij ze de conclusie trekt dat ‘ons brein voorspelt en corrigeert’. Keizer stelt het wat preciezer: ‘ging het niet méér over de anatomische basis’?
Want, zegt Keizer, brein’ kan betekenen ‘geestelijke activiteit’ zoals in zinnetjes als: ‘Hij heeft een goed brein’ of ‘jij moet je brein eens wat beter gebruiken’. Maar ‘brein’ kan ook slaan op de ingewikkelde macaroni die in de benige doos van de schedel zit opgesloten, het orgaan. En daarover kun je zeggen: ‘Het brein woog 1150 gram’ of ‘in het brein vinden we neuronen’.

Keizer vraagt zich af of neuronen kunnen voorspellen of corrigeren. 

Neuronen zenden impulsjes uit langs draden die weer naar andere neuronen gaan. De hersenonderzoeker ziet die pulsjes en weet (op grond van heel andere informatie dan pulsjes), dat de breinbezitter zo meteen haar arm gaat optillen. Dat weet zij omdat in het verleden dat impulspatroon gevolgd werd door arm optillen. Voorspelt het brein dan?

Keizer is hier scherp in zijn analyse: neuronale gebeurtenissen kun je niet psychologiserend beschrijven. Slagter beweert dat het brein ‘denkt, voelt en handelt’.

Wie Steiners ‘Algemene menskunde’ bestudeert (en zijn andere uitspraken over de ‘drieledige mens’) weet dat hij al begin 20e eeuw beweerde, wat Keizer hier zegt: het orgaan ‘brein’ denkt, voelt en handelt niet.

Keizer: Ik heb drie maanden meegelopen met de neurochirurgen in het VU-ziekenhuis. En daar nogal eens breinen in de geopende schedel van heel dichtbij kunnen toespreken. En u ziet meteen dat dat onzinnig is.

Een terechte conclusie, lijkt mij, dat Keizer zegt:

We hebben het over het aloude geest-lichaam probleem en in de neurowetenschap legt men graag een krant over de afgrond tussen geest en lichaam.

Keizer voelt aan dat hij moet spreken over ‘geestelijk leven’. Voor Steiner is dit geestelijk leven een realiteit, voor Keizer een metafoor, die hij echter niet missen kan om het probleem rond het brein te ‘zien’.
En dan bevestigt hij – ik weet niet of hij Bos heeft gelezen: ‘het brein ziet niet. Nee, U ziet, met de nadruk op ‘U’.

Keizer: Lees hoe Slagter op twee breinen hinkt: ‘Het [brein] heeft immers geen ogen en oren, alleen kennis van de signalen die binnenkomen via de zintuigen, morsecodes die het moet leren duiden.’ Geen ogen en oren, prima, maar dit zintuigloze brein moet vervolgens kennis verwerven door morsecodes (de pulsjes) te leren duiden. Hoe doet het breinorgaan dat als het niet kan zien of horen of voelen of ruiken of betasten? En hoe zou een neurowetenschapper in die pulsjes-orkaan een specifiek pulsje-spatroon kunnen ontwaren waarvan ze durft te zeggen: kijk, daar worden de pulsjes ‘geduid’. Geduid? Hou toch op, neuronen kunnen niks duiden.

Wat Slagter beschrijft is de positie van de neurowetenschapper die naar het brein(orgaan) kijkt en tegelijkertijd naar het doen en laten van de breinbewoner. Die positie ligt in alle opzichten buiten het bestudeerde brein. Het verwarrende van haar uiteenzetting is dat ze net doet alsof dit duiden daar ergens in of bij of tussen de neuronen plaatsvindt. Er zit geen neurowetenschapper in het brein (orgaan). Wel in het brein (geest).

Dat ‘breinbewoner’ doet me denken aan de zin die ik dagelijks als oud-vrijeschoolleerkracht met de kinderen  uitsprak: ‘Ik zie rond in de wereld, waarin de mens, bezield, de geest een woning geeft’.

In zijn vele bijdragen zien we bij Keizer gezichtspunten die ons niet vreemd zijn en die ons ook weer verder kunnen helpen Steiners visie nog beter te begrijpen.

.
Algemene menskundealle artikelen

Over: denken, voelen, willen:

DRIELEDIGE MENS (1) lichaam, ziel, geest
Begripsbepaling; mens tussen 2 werelden

DRIELEDIGE MENS (2) lichaam, ziel, geest-vervolg
Meer begripsbepaling

DRIELEDIGE MENS (3) lichaam, ziel, geest-vervolg
Leven, gewaarwordings-verstand/gemoeds-bewustzijnsziel

DRIELEDIGE MENS (4)denken, voelen, willen
Voorstellen/denken; handelen/stofwisseling. Getekend schema

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3081-2895

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (01-06-1924)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

GA 298

Blz. 206

Vortrag, gehalten an der vierten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule»: «Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waldorfschul-Pädagogik»

Voordracht, gehouden bij de vierde ledenvergadering van de Vereniging ‘Vrije School’ Stuttgart:

‘De omgang van de leerkracht met het ouderlijk huis in de geest van de vrijeschoolpedagogie’

Meine sehr verehrten Anwesenden! Von denjenigen Gesichtspunkten, von denen die Waldorfschule ausgeht, führt nicht nur ein, sondern es führen viele Wege wie von etwas heute der Menschheit und insbesondere dem sozialen Leben unnatürlich Aufgedrängtem zu etwas Natürlichem, zu etwas, was sozusagen von der Menschennatur in ihrem weitesten Umfange gefordert wird. Und ein solcher Weg soll gezeichnet werden in den Bemerkungen, die ich mir der heutigen Versammlung vorauszuschicken erlaube, der Weg von dem Lehrer zum Elternhaus. Man kann sagen, dieser Weg sei eigentlich ein selbstverständlicher. Und doch, meine sehr verehrten Anwesenden, der Weg, den die Lehrer und Erzieher brauchen zu dem Elternhaus, wurde nicht nur, wird nicht nur zuweilen recht schwer gefunden, sondern es gibt auch sehr, sehr bedeutsame pädagogische Anschauungen, in denen auf diesen Weg zum Elternhaus keine Rücksicht genommen wird.

Zeer geachte aanwezigen!

Van de gezichtspunten waar de vrijeschool vanuit gaat, leidt niet slechts één, maar leiden vele wegen -van zoiets als wat tegenwoordig de mensheid en in het bijzonder het sociale leven wordt opgedrongen – naar iets vanzelfsprekends, naar iets wat a.h.w. door de natuur van de mens in de breedst mogelijke zin, gevraagd wordt. En zo’n weg zal worden geschetst in de opmerkingen die ik mij veroorloof eerst te geven voor het begin van de vergadering van heden, de weg van de leerkracht naar het ouderlijk huis.
Je zou kunnen zeggen dat die weg eigenlijk een vanzelfsprekende weg is. En toch, beste aanwezigen, de weg die de leerkracht en opvoeder naar het ouderlijk huis nodig heeft, werd niet alleen, wordt niet alleen af en toe als heel moeilijk beleefd, maar er zijn ook heel, heel belangrijke pedagogische gezichtspunten waarbij met deze weg naar het ouderhuis geen rekening wordt gehouden.

Ich brauche da nur zu erinnern an etwas, was im Laufe der deutschen Geistesentwickelung erlbt worden ist als ein Größtes: das Auftreten Johann Gottlieb Fichtes auf jeglichem Gebiete. Aber wir wollen heute nur sprechen von seinem Auftreten auf pädagogischem Gebiete. Er hat ja in einer der schwierigsten Zeiten des deutschen Lebens seine «Reden an die deutsche Nation», diese eindringlichen Reden an die deutsche Nation gehalten, in denen er darauf aufmerksam machte, wie eine Gesundung, eine Wiederbelebung
des deutschen Daseins kommen müsse nach schwerer Erniedrigung 1806
durch die Erziehung. Und man kann sagen: über die Erziehung hat
Johann Gottlieb Fichte, einer der edelsten Deutschen, die allerschönsten
Worte und auch die allerbedeutsamsten Worte gefunden. Allein er
betrachtete es wie ein Grunderfordernis für die Durchführung seiner

Dan hoef ik alleen maar te herinneren aan wat er in de loop van de Duitse geestesontwikkeling gevoeld werd als iets heel groots: wat Johann Gottlieb Fichte op elk terrein liet zien. Maar nu willen we het alleen maar hebben over wat hij deed op pedagogisch gebied. Hij hield in een van Duitslands moeilijkste tijden zijn ‘Reden an de deutsche Nation’, die indringende toespraken aan de Duitse natie waarin hij de aandacht erop vestigde hoe er een gezondmaken, een opnieuw opleven van het Duitse bestaan moest komen na de heftige vernedering van 1806, door de opvoeding. En je kan zeggen: over opvoeding heeft Johann Gottlieb Fichte, een van de nobelste Duitsers, de mooiste en belangrijkste woorden gevonden. Hij beschouwde het slechts als een basiseis voor het doorvoeren van zijn

Blz. 207

pädagogischen Intentionen, daß die Kinder dem Elternhaus entnommen
werden, daß sie gewissermaßen zusammengepfercht werden in besondere Erziehungsanstalten, die von einem allseits geschlossenen Staat
allein nach starren Prinzipien geleitet werden. Aber wir haben ja auch
nachher die mannigfaltigsten Erziehungsexperimente erlebt, in denen
Kinder in besonderer Lage an besondere Orte gebracht werden sollen,
um eine sachgemäße Erziehung zu haben. Und wir haben insbesondere im Laufe der Entwicklung der Menschheit zahlreiche Beispiele, wo ein
solches Herausnehmen der Kinder aus dem Elternhause als notwendig
gefordert wird.
Obzwar die Waldorfschul-Pädagogik mit ihrem Geiste glaubt, mindestens ebenso eindringlich und ebenso aus den Tiefen der Menschenseele
heraus zu wirken wie die mit wenigen Strichen gekennzeichneten Erziehungsversuche, so schlug doch dieser Geist der Waldorfschul-Pädagogik
von Anfang an eine ganz andere Richtung ein. Dieser Geist der Waldorfschul-Pädagogik ging nicht von Äußerlichkeiten aus. Er sagte nicht, man
solle dieses oder jenes in sozialer Beziehung für die Kinder herbeiführen.

pedagogische bedoelingen, dat de kinderen uit huis geplaatst zouden worden, dat ze in gesloten internaten zouden worden ondergebracht, die door een volkomen ontoegankelijke staat alleen met starre principes geleid worden. Maar ook daarna hebben we de meest uiteenlopende opvoedingsexperimenten meegemaakt waarbij de kinderen in een bijzondere situatie in speciale plaatsen gebracht moeten worden om een adequate opvoeding te krijgen. En m.n. in de ontwikkeling van de mensheid kennen we talloze voorbeelden waarbij zo’n uithuisplaatsing van de kinderen als een noodzakelijke eis gold.
Hoewel de vrijeschoolpedagogie en wat deze voorstaat, gelooft minstens net zo intens en net zo vanuit de diepte van de mensenziel te werken als de met een paar streken geschetste opvoedingspogingen, dan sloeg wat we met de vrijeschool voorstaan deze vanaf het begin toch een andere richting in. De geestelijke instelling van de vrijeschoolpedagogie ging niet uit van uiterlijkheden. Er werd niet gezegd
voor de kinderen moet je dit of dat doen, met het oog op het sociale.

Er sagte nicht, man solle die Kinder in diese oder jene Verhältnisse, herausgerissen aus ihren gewöhnlichen Verhältnissen, bringen; sondern
der Geist der Waldorfschul-Pädagogik war von Anfang an ein rein methodischer, ein rein pädagogisch-didaktischer. Die soziale Lage, die Verhältnisse des Lebens, so wie sie sind, so werden sie hingenommen.
Und alles, was erreicht werden soll durch die Waldorfschul-Pädagogik,
wird angestrebt aus inneren geistigen Gründen der Pädagogik selber. So daß man etwa sagen kann: Wenn irgendwo durch die soziale Lage, in der
sich das Kind befindet, oder durch andere Vorbedingungen, Schwierigkeiten der Erziehung da sind, so werden diese von dem Geiste der Waldorfschul-Pädagogik eben als ein Schicksal hingenommen, und es werden eingerichtet Methodik und Didaktik so, daß aus dem Geiste, aus der Handhabung von Erziehung und Unterricht heraus die Schwierigkeiten besiegt werden, und zwar in möglichst auf das einzelne Kind gehender, individualisierter Art.Dadurch steht aber eine solche Institution, wie die Waldorfschule, mitten darinnen im sozialen Leben, wie es ist. Und in diesem sozialen Leben ist es nun einmal so, daß wenn man es mit einer Schule zu tun hat, die im heutigen schulpflichtigen Alter das

Er werd niet gezegd dat je de kinderen in deze of die omstandigheden moet brengen, weggehaald uit hun normale omstandigheden; maar de geestelijke instelling van de vrijeschool was van meet af aan puur methodisch, zuiver pedagogisch-didactisch. De sociale positie, de levensomstandigheden werden genomen zoals ze zijn. En alles wat met de vrijeschoolpedagogie moet worden bereikt, wordt nagestreefd vanuit innerlijke geestelijke grondslagen van de pedagogie zelf. Zodat je ongeveer wel zeggen kan: wanneer op de een of andere manier door de sociale positie waarin het kind zich bevindt of door andere randvoorwaarden er zich opvoedingsproblemen voordoen, dan worden deze door wat de vrijeschool is, als lot geaccepteerd en de methodiek en didactiek wordt zo vormgegeven dat van de instelling, vanuit het toepassen van opvoeding en onderwijs die moeilijkheden worden overwonnen en wel op een manier die geïndividualiseerd elk kind betreft.
Daardoor staat een school zoals de vrijeschool midden in het sociale leven zoals dat is. En daarin is het nu eenmaal zo dat wanneer je met een school hebt te maken die in de leerplichtige leeftijd een kind van nu

Blz. 208

Kind aufnimmt, also mit sechs oder sieben Jahren, so empfängt man das
Kind aus dem Elternhause, und da wir kein Internat haben, so bleibt das
Kind für die Zeit, die außerhalb der Schulzeit liegt, dem Elternhause und
seiner Sorgfalt erhalten. Damit ist von vornherein die ganze Richtung, die Erziehung und Unterricht in der Waldorfschule nehmen müssen, hingeordnet auf ein Zusammenarbeiten mit dem Elternhause, das aber insbesondere, wie wir sehen werden, bestehen muß in einem Zusammenfühlen, Zusammenempfinden und Zusammendenken auch mit dem Elternhause. Es ist ja gewiß vor vielen von Ihnen dasjenige, was Lebensepochen
im Dasein des Kindes sind, öfters schon auseinandergesetzt worden.
Diese Lebensepochen im Dasein des Kindes, es sind ja ihrer insbesondere zwei, drei, welche unsere Pädagogik angehen. Die eine beginnt mit der Geburt und endet mit dem Zahnwechsel, die zweite beginnt mit dem Zahnwechsel und endet mit der Geschlechtsreife, die dritte geht darüber hinaus bis ungefähr zum einundzwanzigsten Lebensjahre. Jede dieser Lebensepochen des Kindes zeigt uns sozusagen, wenn wir nur unbefangene Sinne haben in bezug auf die Dinge, wie sie sind, das Kind in einer ganz anderen Seelenverfassung und auch in einer anderen körperlichen Verfassung. Aber wir wollen zunächst die Seelenverfassung ins Auge fassen

dus op zes of zeven jaar opneemt, je het kind  dan vanuit het ouderlijk huis krijgt en omdat wij geen internaat hebben, blijft het kind de tijd buiten de schooltijd aangewezen op de zorg van de ouders. Daarmee is van begin af aan de hele richting die de opvoeding en het onderwijs in de vrijeschool nemen moet, gericht op samenwerking met het ouderlijk huis, wat echter vooral, zoals we nog zullen zien, moet bestaan in een gevoel van samen, het samen ervaren en er samen over denken, juist met de ouders.
Er is zeker aan velen van u al vaker iets over de levensfasen van het kind uitgelegd.
In het leven van het kind zijn er eigenlijk twee of drie fasen waarmee we in onze pedagogie te maken hebben. De ene begint met de geboorte en eindigt met de tandenwisseling, de tweede begint met de tandenwisseling en eindigt met de geslachtsrijpheid, de derde gaat verder tot ongeveer het eenentwintigste jaar.
Ieder van deze fasen laat ons zien, als we onbevangen naar de dingen kunnen kijken zoals ze zijn, dat het kind een heel andere zielenconstellatie heeft en ook een andere lichamelijke constellatie. Maar eerst willen we eens naar de ziel kijken.

Das Kind bis zum Zahnwechsel ist durchaus darauf angewiesen, alles, was es sich erzieherisch aneignet, sich anzueignen durch Nachahmung.
Was man dem Kinde vormacht, das wirkt auf das Kind wie ein äußerer
Reiz, der unmittelbar die ganze körperliche Organisation – an der einen
Stelle mehr sichtbar, an der anderen Stelle weniger sichtbar – zum Nachahmen des Eindrucks aufruft. Wir brauchen ja, um das zu erhärten, nur die schwerwiegende Tatsache ins Auge zu fassen, daß die Muttersprache vom Kinde ganz und gar durch Nachahmung errungen wird. Da geht die Nachahmung tief in die menschliche physische und seelische Organisation hinein. Da muß berücksichtigt werden, daß irgendein Laut, der gesprochen wird, in seiner Vibration, in seiner Wellenbewegung von dem Kinde noch viel intensiver empfunden wird als das später im Leben der Fall ist. Und alle Einstellung des Kehlkopfes, alle innere Durchseelung der Organe beruht selbst in der Sprache, wenn die Mut-

Het kind is tot de tandenwisseling volkomen aangewezen, op alles wat het zich vanuit de opvoeding eigen maakt, dat door nabootsing te doen. Wat het kind wordt voorgedaan, werkt op het kind als een uiterlijke prikkel die meteen het hele lichamelijke organisme – op de ene plaats zichtbaarder dan op de andere – aanzet de indruk na te bootsen. We hoeven om dat te onderbouwen slechts naar het belangrijke feit te kijken dat de moedertaal door het kind uitsluitend door nabootsing wordt aangeleerd. Daarbij gaat de nabootsing diep in het menselijk fysieke en de psyche naar binnen.  Daarbij moet wel in ogenschouw genomen worden, dat een bepaalde klank die wordt uitgesproken, met de bijbehorende vibraties, golfbewegingen door het kind nog veel intenser ervaren wordt, dan dat dit later in het leven het geval is. Het instellen van het strottenhoofd, alles wat bezieling is van de organen, berust zelfs bij de spraak,

Blz. 209

tersprache in Betracht kommt, auf Nachahmung; und so alles im Leben
des Kindes bis zum Zahnwechsel.
Heute, wo durch ein Mißverständnis oder durch zahlreiche Mißverständnisse, in unserer sonst so bewundernswerten naturwissenschaftlichen Weltauffassung große Irrtümer hervorgerufen werden, heute redet man vielfach davon, daß diese oder jene Dinge, die das Kind sich erwirbt in der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel hin, auf Vererbung beruhen
In dieses Fach Vererbung wird ja heute so viel, so viel hineingeworfen. Dem Kinde gegenüber beruht dieses Sprechen von Vererbung nur darauf, daß diejenigen, die davon sprechen, keinen richtigen Beobachtungssinn haben. Sonst würden sie herausfinden, daß im Grunde genommen vieles von dem, was heute der dunklen mystischen Vererbung zugeschrieben wird, eigentlich gesucht werden muß in der klar überschaubaren Nachahmung, zu der das Kind hinorientiert ist.
Aber bedenken wir, wie eng gerade das seelische Leben, das sich
heraushebt aus diesem ganzen Nachahmungsleben, wie eng dieses seelische Leben dadurch, daß das Kind ein nachahmendes Wesen ist, mit dem
elterlichen Leben zusammenwächst.

wanneer het de moedertaal betreft, op nabootsing en eigenlijk alles in het leven van het kind tot de tandenwisseling.
Tegenwoordig worden er door talrijke misverstanden van de anders zo te bewonderen natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing, grote vergissingen begaan, want men heeft het er vaak over dat wat het kind zich als het een of ander eigen maakt in de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling, op erfelijkheid berust.
In het vakje erfelijkheid wordt vandaag de dag zo veel gestopt. Spreken over erfelijkheid berust, wat het kind aangaat alleen op het feit dat degenen die het over erfelijkheid hebben, niet over een goed waarnemingsvermogen beschikken.
Maar laten we wel bedenken hoe nauw verbonden juist het gevoelsleven dat uit dit hele nabootsingsleven naar buiten komt, hoe dit gevoelsleven omdat het kind een nabootsend wezen is, zo nauw met het leven van de ouders verweven is.

Gerade wenn man recht einsieht, wie stark die Neigung zum Nachahmen beim Kinde ist, so bekommt man im eminentesten Sinn die heiligste Scheu und die tiefste Schätzung für dasjenige, was der Zusammenhang des Kindes mit den Eltern ist.
Und sieht man gar im Sinne einer anthroposophischen Geisteswissenschaft auf das, was alldem in den geistigen Weltenzusammenhängen zugrunde liegt, dann sagt man sich erst recht: der Mensch kommt ja, da er, bevor er sein physisches Dasein antritt, ein geistiges Wesen ist, der Mensch kommt ja, trotzdem er ein freies Wesen ist, für die verschiedensten Gestaltungen des Lebens – ich sage nicht Verrichtungen, aber Gestaltungen – mit einem ganz bestimmten Schicksal in das Erdendasein hinein. Schaut man auf der einen Seite darauf, wie sich dieses Schicksal mit einer inneren Gesetzmäßigkeit aus den oft kleinsten Erlebnissen des Kindes herauszieht bis in das reife Alter, ja bis in das höchste Alter hinein, sieht man auf der anderen Seite, wie das Kind zusammenwächst
mit den Eltern dadurch, daß es ein nachahmendes Wesen ist, sieht man
dieses wirklich mit allen zugrunde liegenden geistigen Zusammenhängen
an, dann bekommt man Empfindungen, die einen, man darf schon sagen,

Want anders zouden ze wel ontdekken dat in de grond van de zaak veel van wat tegenwoordig aan de vage, mystieke erfelijkheid wordt toegeschreven, eigenlijk gezocht moet worden in de duidelijk te overziene nabootsing, waarop het kind gericht is. Juist wanneer je goed ziet hoe sterk bij het kind de hang naar nabootsen is, krijg je op een buitengewone manier de grootste eerbied en hoogste achting voor wat een innerlijke verbinding van het kind met zijn ouders is. En kijk je naar alles wat er ten grondslag ligt aan de geestelijke samenhang in de wereld vanuit de antroposofische geesteswetenschap, dan kun je pas met recht zeggen; de mens komt omdat hij vóór zijn aardeleven een geestelijk wezen is, hoewel hij een vrij wezen is, voor alle mogelijke levensvormen – ik zeg niet daden – maar vormen – met een heel bepaald lot op aarde. Kijk je aan de ene kant hoe dit lot zich met een innerlijke wetmatigheid uit de vaak kleinste belevingen van het kind tot op hoge leeftijd zichtbaar wordt, ja tot op zeer hoge leeftijd, dan zie je aan de andere kant hoe het kind een eenheid vormt met zijn ouders doordat hij een wezen is dat nabootst, je ziet dit werkelijk met heel de daaraan ten grondslag liggende geestelijke samenhang, en dan krijg je daardoor gevoelens die, je mag wel zeggen

Blz. 210

religiösen Charakter haben gegenüber dem, was man in dem Kinde gegeben hat, wenn man es als Lehrer oder Erzieher zur Erziehung, zum Unterrichte empfängt. Und man eignet sich gerade durch die fast religiösen Empfindungen eine starke Neigung dazu an, recht genau zu kennen: wie hängt das Kind, das uns im schulpflichtigen Alter übergeben wird, mit dem Elternhause zusammen?
Da darf man das Folgende sagen: Es sind wahrhaftig nicht theoretisch-pädagogische Erwägungen, es sind nicht abstrakte, prinzipielle Grundsätze, welche den Weg vorzeichnen sollen für den Geist der Waldorfschul-Pädagogik zu den Eltern der Kinder hin, sondern es ist etwas Lebendiges, wie alles in der Waldorfschule etwas Lebendiges sein soll.
Es ist etwas Lebendiges; es ist das lebendige Bedürfnis des Waldorfschullehrers, nicht nur das Kind im Geiste vor sich zu haben, sondern von jeder Seelenäußerung, die das Kind ihm entgegenbringt, von jeder
charakterologischen Triebfeder, von jeder in kindlicher Art wirksamen
Impulsivität, ja, von jeder Miene, von jeder Geste, von jeder Handbewegung den Weg zu finden vom Kinde zu den Eltern. 

een religieus karakter hebben, als je kijkt naar wat je met het kind gekregen hebt, wanneer je het als leerkracht of opvoeder als leerling of opvoedeling toevertrouwd wordt. En dan krijg je door die bijna religieuze ervaringen een sterke behoefte om precies te leren kennen: hoe hoort dit kind dat ons op de leeftijd dat het naar school moet en ons wordt toevertrouwd bij dit ouderlijk huis?
Dan mag je het volgende zeggen: dat zijn volstrekt geen theoretisch-pedagogische overwegingen; het zijn geen abstracte, principiële basispunten die de weg naar de ouders van de kinderen aan moeten geven als het om de vrijeschoolpedagogie gaat, maar het is iets levends zoals alles in de vrijeschool leven moet zijn.
Het is iets levends, het is het levende verlangen van de vrijeschoolleerkracht om niet alleen het kind geestelijk voor zich te zien, maar aan iedere gevoelsuiting die het kind hem toont, aan iedere drijfveer vanuit het karakter, aan iedere op kinderniveau werkende impulsiviteit, aan iedere gezichtstrek, aan ieder gebaar, iedere handbeweging, de weg te vinden van het kind naar de ouders. 

Man wird als Waldorfschullehrer befestigt in der Erkenntnis des Kindes, und die braucht man vor allen Dingen, wenn man das Kind so erziehen will, daß man die Impulse zu seiner Erziehung von seiner eigenen Natur abliest.
Man wird vor allen Dingen befestigt darinnen, das Kind in der richtigen
Weise anzuschauen, wenn man hinschauen kann auf die dahinterstehenden Eltern.
Und das ist nicht bloß dann so, wenn ein absolut harmonisches Verhältnis besteht zwischen dem Kinde und den Eltern. Im Leben zeigt sich ja das, was herauswächst aus dem Zusammenleben des Kindes mit den Eltern, in der allermannigfaltigsten Weise. Gewiß, wir sehen auf das Schicksal eines Kindes mit innerem Glücksgefühl, mit tiefer innerer Befriedigung hin, wenn das Kind die Möglichkeit hat, in einem völligharmonischen Verhältnisse mit musterhaft gearteten Eltern zu leben.
Aber darf man nicht auch eine Gegenfrage dem gegenüberstellen? Sieht nicht derjenige, der das Leben, das gegenwärtige Leben, das geschichtliche Leben unbefangen betrachtet, sieht nicht der, wie gerade die größten Geister, nicht nur die Genies des Verstandes, sondern auch die Genies der Tugend und des moralischen Handelns, oftmals hervorgegangen sind aus harten Disharmonien zwischen Kind und Eltern? Der Waldorfschul-

Je wordt als vrijeschoolleerkracht bevestigd in wat je van het kind weet en dat heb je in de eerste plaats nodig als je het kind zo wil opvoeden dat je de impulsen daarvoor afleest aan zijn eigen natuur.
Allereerst krijg je de bevestiging dat je het kind op een goede manier waarneemt, wanneer je de ouders achter hem kan zien.
En dat is niet alleen maar zo als er een absoluut harmonische relatie bestaat tussen het kind en zijn ouders. Het leven toont ons de meest uiteenlopende manieren wat er tevoorschijn komt uit het samenleven van ouders en kind. En ja, we kijken met een intiem gevoel van geluk, met een diepe innerlijke tevredenheid naar het lot van een kind wanneer dat de mogelijkheid krijgt in volledige harmonie met voorbeeldige ouders samen te leven.
Maar mag je nu ook een soort tegenvraag stellen? Ziet degene die het leven – het leven van nu en van toen – onbevangen waarneemt, ziet die, hoe juist de grootste geesten, niet alleen de verstandsgenieën, maar ook de groten van de deugd en van het morele handelen, dikwijls voortgekomen zijn uit sterke disharmonie tussen kind en ouders? De vrijeschool-

Blz. 211

lehrer muß sich gewöhnen, nicht Kritik zu üben an dem Verhältnis zwischen Kind und Elternhaus, sondern es objektiv hinzunehmen, weil er gewissermaßen von der Bekanntschaft mit den Eltern ein Licht ausgehen sieht, das ihm die Eigentümlichkeiten des Kindes beleuchtet.
So ist es nicht ein Grundsatz, nicht irgendein pädagogisches Prinzip, das den Waldorfschullehrer auffordert, den Weg zu den Eltern zu finden, sondern das innerste Bedürfnis des Herzens, wie überhaupt die Waldorfschul-Pädagogik in ihrem innersten Wesen eine Herzenspädagogik ist.
Sehen wir nun auf etwas anderes hin. Sehen wir darauf hin, wie einen Teil desjenigen, was früher einzig und allein die Eltern besorgt haben, für das volksschulpflichtige Alter nun der Lehrer übernehmen muß.
Wenn das Kind in die Volksschule hereintritt, steht es im Zahnwechsel.
Etwas zu früh werden die Kinder heute in die Schule hereingebracht; das wirkliche Volksschulalter beginnt eigentlich erst mit dem Zahnwechsel,
aber darauf kommt es ja weniger an.

leerkracht moet de gewoonte ontwikkelen geen kritiek uit te oefenen op hoe de ouders met het kind omgaan, maar het als feit te nemen, omdat hij in zekere zin door zijn relatie met de ouders de bijzondere aard van de kinderen krijgt belicht.
Dus het is geen basisregel, niet een of ander pedagogisch principe dat van de vrijeschoolleerkracht vraagt de weg naar de ouders te vinden, maar een innerlijk verlangen dat vanuit het hart ontstaat, zoals eigenlijk de vrijeschoolpedagogie in diepste wezen een pedagogie van het hart is.
Laten we eens naar iets anders kijken. Bijv. naar iets wat de ouders vroeger vóór de kinderen leerplichtig werden, alleen helemaal zelf deden en wat de leerkracht nu moet overnemen.
Wanneer het kind nu in de basisschool komt [toen in Duitsland op z’n 6e, 7e jaar] is het tandenwisselen bezig. De kinderen worden tegenwoordig iets te vroeg naar school gebracht; de echte basisschoolleeftijd begint eigenlijk pas met de tandenwisseling, maar daar komt het toch minder op aan.

Wenn das Kind nun in die Schule hereingeschickt wird, dem Lehrer übergeben wird, so muß er einen Teil der Erziehung übernehmen, der aber dadurch seinen besonderen Charakter erhält, daß das ganze Seelenleben des Kindes, die ganze seelische und geistige Verfassung des Kindes auch mit dem Zahnwechsel sich
wandelt. Das Kind ist fortan kein nachahmendes Wesen mehr, obwohl
sich das Nachahmungsprinzip noch einige Jahre in die Volksschulzeit
fortsetzt. Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesen Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesenmehr, sondern es ist ein Wesen, das nun gereizt wird, sozusagen angeregt wird durch dasjenige, was ihm im Bilde, ich möchte sagen, in entsprechender künstlerischer Gestaltung desjenigen, was wir an das Kind heranbringen wollen, entgegenkommt. Das Kind ist jetzt nicht mehr geneigt, mit dem ganzen Organismus sich nachahmend hinzugeben an das, was ihm vorgelegt wird, sondern das Kind geht über zu dem selbstverständlichen Autoritätsprinzip. War es früher der Wille, der in der ganzen kindlichen Organisation dem Vorgelebten nachahmend folgte, so ist es jetzt das Gefühl, das Gefallen oder Mißfallen findet an dem, was der Lehrer im Bilde, aber auch im Bilde seiner ganzen Persönlichkeit, seines eigenen Handelns, in der Gestaltung seiner Sprache und so weiter vor das Kind hinstellt. Und nicht eine willkürlich

Wanneer het kind nu naar school gaat, aan de leerkracht overgedragen wordt, dan moet hij een deel van de opvoeding overnemen dat echter een bijzonder karakter krijgt omdat het hele zielenleven van het kind, hoe z’n hele ziel en geest is, ook verandert bij de tandenwisseling. Voortaan is het kind geen nabootsend wezen meer, hoewel het principe van de nabootsing nog een paar jaar in de basisschool doorwerkt. Maar in de kern is het kind geen wezen meer dat nabootst, maar iemand die aangezet wordt, zogezegd gestimuleerd wordt in te gaan op wat wij hem beeldend, in een passende kunstzinnige vorm willen meegeven. Het kind is nu (na het 7e jaar) niet meer geneigd zich met heel zijn wezen nabootsend over te geven aan wat hem voorgedaan wordt, maar het kind gaat over op het principe van de vanzelfsprekende autoriteit.
Was het eerder de wil die in het hele organisme van het kind nabootsend volgde wat er om hem heen voorgeleefd werd, nu is het het gevoel dat sympathie of antipathie voelt voor wat de leerkracht in beeld, maar ook als beeld van zijn hele persoon, zijn eigen doen en laten, in hoe hij spreekt enz, aan het kind vertoont. En geen willekeurige

Blz. 212

eingesetzte, sondern die selbstverständliche Autorität muß in der Schule walten zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife.
Wer das nicht zugibt, der kann eben nicht den Blick hinwenden auf die Entfaltung des ganzen menschlichen Lebens. Man sagt so leicht, alles müsse Anschauungsunterricht sein. Gewiß soll gar nichts gegen den Anschauungsunterricht eingewendet werden, aber der Anschauungsunterricht soll nicht ein Mittel sein, alles Erziehen und allen Unterricht zu trivialisieren.
Man kann nicht das Prinzip haben, alles herunterzudrücken auf das Niveau, auf dem das Kind schon steht. Es kann sich nur darum handeln, dasjenige, was es unmittelbar durch die Anschauung fordert, in anschauliche Vorstellung zu kleiden. Aber man nehme ein Verhältnis des religiösen, des sittlichen Lebens; wie soll man da einen Anschauungsunterricht machen? Aber abgesehen davon, das Kind fordert durch seine innere Seelenwesenheit, daß etwas deshalb für es wahr ist, weil der in selbstverständlicher Autorität sympathisch empfundene Erzieher es wahr heißt. Das Kind empfindet, daß etwas schön ist, weil die selbstverständliche Autorität es schön findet; das Kind findet, daß etwas gut ist, weil die Autorität es gut findet. In dieser Autorität ist verkörpert das Wahre, Schöne und Gute.

maar de vanzelfsprekende autoriteit moet in de school centraal staan tussen de tandenwisseling en de puberteit. Wie dat niet toegeeft, kan zijn blik niet richten op de ontwikkeling van het hele mensenleven. Er wordt makkelijk gezegd dat alles aanschouwelijkheidsonderwijs moet zijn, maar dit moet niet een middel zijn om de hele opvoeding en het onderwijs triviaal te maken.
Je kan niet het principe koesteren alles naar het niveau van het kind te brengen waar het kind nu is. Het kan er alleen om gaan dat wat de aanschouwelijkheid direct van ons vraagt, in een aanschouwelijke voorstelling te kleden. Maar wat het religieuze leven, het morele leven betreft: hoe moet je daar aanschouwelijkheidsonderwijs van maken? Maar nog afgezien daarvan, het kind eist door hoe het innerlijk als gevoelswezen is, dat iets waar is, omdat de vanzelfsprekende autoriteit voor wie het kind sympathie heeft, het waar noemt. Ook wat het kind mooi vindt, goed vindt, is mooi en goed omdat de autoriteit het mooi en goed vindt. In deze autoriteit is het ware, mooie en goede belichaamd.

Und schlimm ist es für den Menschen, wenn er aus Prinzipien, aus abstrakten Geboten heraus, aus allerlei Verstandesgesetzmäßigkeiten heraus sich aneignen soll eine Empfindung für das Wahre, Gute, Schöne, bevor er es sich angeeignet hat im richtigen Kindesalter – und das ist das Alter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife – dadurch, daß es ihm verkörpert in einem Menschen entgegengetreten ist. Wir sollen zuerst gelernt haben, etwas ist wahr, weil eine verehrte Persönlichkeit es wahr heißt, bevor wir die innere
abstrakte Gesetzmäßigkeit des Wahren einsehen, die eigentlich auf uns erst wirken kann, wenn wir über das Geschlechtsreifealter hinaus sind.
Sie werden mir nicht zumuten, daß derjenige, der vor mehr als dreißig Jahren seine «Philosophie der Freiheit» geschrieben hat, eine Lanze brechen möchte für das Autoritätsprinzip, wo es nicht hingehört. Aber das Autoritätsprinzip, wie es die kindliche Natur selber fordert, das gehört unbedingt in die Volksschule hinein. Da wird der Lehrer mit seinem Verstände, mit seinem Herzen, mit seinem Gefühl, mit seinem ganzen Menschentum Richtschnur für das Wahre, Gute, Schöne, wie das

En voor de mens is het verkeerd wanneer hij volgens principes, volgens abstracte geboden, volgens allerlei logica een gevoel moet krijgen voor wat waar, mooi en goed is, vóór het deze dingen op de geschikte leeftijd – en dat is de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit – belichaamd in een mens ontmoet heeft. We moeten allereerst geleerd hebben dat iets waar is, omdat een vereerde persoon het voor waar houdt, voordat we de inherente abstracte wetmatigheden van het ware inzien die eigenlijk pas op ons kunnen werken wanneer we de puberteit achter ons hebben gelaten.
U moet me niet voor de voeten werpen dat ik een lans breek voor het principe van de autoriteit – ik schreef meer dan dertig jaar geleden ‘De filosofie van de vrijheid’ al. Maar het autoriteitsprincipe dat de natuur van het kind eist, hoort zonder meer op de basisschool thuis. Daar wordt de leerkracht met zijn verstand, zijn hart, zijn gevoel, helemaal zoals hij als mens is, leidraad voor het ware, het mooie en het goede,

Blz. 213

Kind es annehmen soll; es entsteht ein menschliches Verhältnis bis in die Gestaltung des Wahren, Guten und Schönen. Das alles ist ja genauer ausgeführt in den verschiedenen pädagogischen Schriften, in denen man über die Waldorfschul-Pädagogik lesen kann. Aber nun bedenke man, in welcher Lage der Waldorfschullehrer dadurch ist, daß er dieses selbstverständliche Autoritätsprinzip anerkennt und in seiner ganzen Ausweitung üben will. Er ist darauf angewiesen, daß in keiner Weise diese selbstverständliche Autorität durchbrochen werde. Nun muß man bedenken, selbst in denjenigen Familien, in denen zwischen dem Kinde und den Eltern Disharmonie herrscht, ist dennoch gerade im Lebensalter, wo der Zahnwechsel auftritt, ein inniges Zusammengewachsensein des Kindes mit den Eltern vorhanden. Ein Zusammengewachsensein, das so stark ist, daß es im Grunde genommen überstrahlt alles übrige, was für die Wesenheit des Kindes in diesem Lebensalter in Betracht kommt. Damit ist aber auch dann, wenn das
Kind etwa durch die Verhältnisse, sagen wir selbst das schwerwiegende
Wort, mit Antipathien den Eltern gegenübersteht, in dem Unterbewußten ein zunächst ganz unerschütterliches Autoritätsverhältnis zu den Eltern vorhanden. Hier kann ich es nur anführen, aber die Sache kann in allen Einzelheiten bewiesen werden.

zoals het kind het op moet nemen; er ontstaat een menselijke relatie tot in de vorm van het ware, goede en mooie. Dit is verder uitgewerkt in de pedagogische boeken waarin je over de vrijeschoolpedagogie kan lezen.
Nu moeten we eraan denken in welke positie de vrijeschoolleerkracht zich bevindt door het principe van de vanzelfsprekende autoriteit te erkennen en in zijn volle omvang daarin bekwaam wil worden. Hij is erop aangewezen dat op geen enkele manier deze vanzelfsprekende autoriteit doorbroken wordt. En dan moet je denken dat er zelfs in de gezinnen waarin tussen het kind en zijn ouders geen harmonische sfeer heerst, toch juist in de leeftijd waarin de tandenwisseling plaatsvindt, het kind zich diep één voelt met zijn ouders. Een één voelen dat zo sterk is dat het in de aard van de zaak al het andere overstraalt wat voor het wezen van het kind op deze leeftijd van belang is. Maar ook dan, als het kind door de verstandhouding, laten we zelfs noemen het zwaarwegende woord antipathie voor de ouders voelt, is er toch die totale onaantastbare autoriteitsrelatie met de ouders aanwezig in het onderbewustzijn. Ik kan het hier slechts aanroeren, maar het kan in al zijn aspecten worden bewezen.

Eine richtige Psychologie, eine richtige Seelenkunde lehrt, daß selbst dann, wenn die Kinder im Lebensalter des Zahnwechsels und in den folgenden Jahren bewußt im Widerspruch zum Elternhaus sich entwickeln, sie in den feineren, aber unbewußten seelischen Adern ihres Wesens ganz und gar unter der Autorität der Eltern stehen. Wer wollte das anders wünschen? Das ist einfach das naturgegebene Verhältnis. Würde ich schildern, welchen Gang die Menschheitsentwicklung nehmen würde, wenn das nicht der Fall wäre, wir würden ein ganz greuliches Bild dieser Menschheitsentwicklung bekommen. Aber damit ist ja gesagt, daß der Lehrer auf dem ganz anderen Gebiet,
auf dem er wirken will, jetzt nicht als Vorbild, sondern als Vorsprecher,
als derjenige, der in seiner Autorität angibt, hinstellt dasjenige, was in
das Kind dringt, wie der Lehrer, ich möchte sagen mit einer feineren Art
der Wirksamkeit herankommen muß an dasjenige, was das Elternhaus
aus dem Kinde bis ins innerste Wesen hinein gemacht hat. Man kann gar

Een echte psychologie, een juist inzicht in de psyche leert dat zelfs dan, wanneer de kinderen op de leeftijd van het tandenwisselen en in de jaren daarna zich bewust anders ontwikkelen dan de ouders zouden willen, ze dan toch in de intiemere onbewuste aderen van hun wezen onder de autoriteit van de ouders staan. Wie zou dat anders willen? Dit is simpelweg de natuurlijke verhouding. Als ik zou schetsen hoe de ontwikkeling van de mensheid zou verlopen, wanneer dit niet het geval zou zijn, dan zouden we een echt afschuwelijk beeld van deze ontwikkeling krijgen.
Maar daarmee is gezegd dat de leerkracht op een heel ander gebied waar hij wil werken, nu niet als voorbeeld, maar als een hoger staand persoon die iets te zeggen heeft, als iemand die als autoriteit aangeeft, een plaats geeft wat in het kind naar buiten wil, hoe de leerkracht die met een fijnzinnigere manier van werken bij dat moet komen wat het ouderlijk huis tot in zijn diepste wezen van het kind heeft gemaakt. Als autoriteit

Blz. 214

nicht anders in seiner Autorität dastehen gegenüber der Kindesindividualität, als wenn man anknüpfen kann in vollbewußter Weise an das, was das Kind durch das Elternhaus geworden ist. Das ergibt wiederum instinktiv im Waldorfschullehrer den innersten Drang, mit den Eltern in Beziehung zu treten. Und dieser Drang wächst aus einem ganz bestimmten Grunde heraus.
Der Geist der Waldor schul-Pädagogik ist kein einseitiger; er umfaßt den Geist, die Seele und ebenso die Physis, das Körperliche. Es wäre ein vollständiges Verkennen des Geistes der Waldorf schul-Pädagogik, wenn man glauben wollte, daß das Physische dabei, und zwar in seinen gesunden und kranken Zuständen, irgendwie gegenüber dem Geistigen unterschätzt würde. Mit dem ganzen Menschen im Kinde rechnet der Geist der Waldorfschul-Pädagogik. Da er mit dem ganzen Menschen rechnet, aber nicht den ganzen Menschen hat, sondern das Kind nur hat in den Schulstunden und vielleicht in wenigem, was sich daranschließt, muß er das innere Bedürfnis haben, mit dem Elternhause, das das Kind in der anderen Zeit hat, in innigstem Kontakt zu stehen.

kan je zelfs niet anders, als het om de individualiteit van het kind gaat, dan volbewust aansluiting zien te vinden bij wat het kind door het ouderlijk huis geworden is. Dat doet in de vrijeschoolleraar weer instinctief het diepste verlangen ontstaan, met de ouders een relatie op te bouwen. En dit verlangen ontstaat vanuit een heel bepaalde reden. Het wezen van de vrijeschoolpedagogie is niet eenzijdig; daar maken geest, ziel en ook het lichaam deel van uit. Het zou een volkomen miskennen van het wezen van de vrijeschoolpedagogie zijn, als je zou willen geloven dat het fysieke daarbij en dat in een gezonde of ziekelijke toestand, op de een of andere manier wat de geest betreft, onderschat zou worden.
De vrijeschoolpedagogie houdt wezenlijk rekening met de hele mens. Omdat het rekening houdt met de hele mens, maar niet over de hele mens beschikt, maar alleen het kind in de schooluren heeft en misschien nog iets wat daarbij aangesloten is, moet hij de innerlijke behoefte voelen met de ouders die het kind op de andere tijd hebben, een heel goed contact te krijgen.

Wahrhaftig, bei uns ist es so, daß das wahr ist, was ich oftmals gesagt habe, besonders im Kreise der Waldorfschule selber: vor Klassen mit einer großen Schülerzahl braucht sich der Pädagoge nicht zu fürchten. Aus pädagogischen Gründen kleine Klassen einzurichten, rechnet mit einer pädagogischen Schwäche. Darum handelt es sich nicht. Wenn es in der Waldorfschule wünschenswert sein könnte, kleinere Klassen anzustreben, ist das aus dem Grunde, damit der Lehrer die Möglichkeit hat, für alle seine Schüler den Weg zum Elternhaus zu finden. Und den muß er finden! Den muß er finden aus dem ganzen Geiste der Waldorfschule heraus!
Aber betrachten wir noch etwas anderes. Ich will nur einige Etappen
hervorheben. Derjenige, der das Kind im Leben beobachten kann, findet
so ungefähr zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahr einen
außerordentlich wichtigen Lebenspunkt. Man sieht ihn herannahen.
Eine gewisse innere Krisis macht sich da geltend. Nicht als ob das Kind besonders verstandesmäßige Fragen stellte, aber die Krisis deutet sich dadurch an, daß sonst lebhafte Kinder kopfhängerisch werden, stille Kinder laut werden, daß die Kinder allerlei krankhafte Zustände zeigen

Echt, bij ons is het zo als ik al dikwijls heb gezegd, in het bijzonder in kringen van de vrijeschool zelf: de pedagoog hoeft niet bang te zijn voor grote klassen. Om pedagogische redenen kleinere klassen te maken, calculeert een bepaalde zwakte in. Daar gaat het niet om. Wanneer het in de vrijeschool wenselijk zou kunnen zijn om naar kleinere klassen te streven, dan is dat om de leerkracht de mogelijkheid te bieden voor al zijn leerlingen de weg naar het ouderlijk huis te vinden. En dat moet hij! Vanuit het volle wezen van de vrijeschool moet hij die vinden!
Maar laten we nog naar wat anders kijken. Ik wil nog een paar fasen belichten. Wie het kind in zijn leven kan waarnemen, vindt zo ongeveer tussen het negende en tiende jaar een buitengewoon belangrijk punt in het leven.
Dat zie je dichterbij komen. Er ontstaat een bepaalde innerlijke crisis. Niet dat het kind bijzondere intellectuele vragen gaat stellen, maar de crisis kondigt zich aan dat kinderen die anders levendig zijn, nu hun hoofd een beetje laten hangen, en stille kinderen druk worden, dat de kinderen allerlei [Duits heeft hier krankhaft, ziekelijk, maar dat is wel sterk aangezet, misschien is het meer disharmonie] disharmonische toestanden vertonen,

Blz. 215

und so weiter. Da handelt es sich darum, daß im Unterbewußtsein des
Kindes – unendlich viel ist ja in der Wesenheit des Kindes im Unterbewußten, nicht im Bewußtsein – eine Frage auftritt, die aber nicht verstandesmäßig formuliert wird, sondern nur im Empfinden lebt: Die selbstverständliche Autorität hat mir angegeben bisher, was wahr, was gut, was schön war; diese selbstverständliche Autorität ist die Verkörperung von Wahrheit, Güte, Schönheit; ist sie es auch wirklich? Der Zweifel braucht gar nicht ausgesprochen zu werden, aber er ist da. Da ist er und greift in der gekennzeichneten Weise in das Leben des Kindes ein.
Da handelt es sich darum, daß man gerade in diesem Lebenspunkte,
für den man eine gesunde, freie Beobachtungsgabe haben muß, nun auch
das richtige Wort, das richtige Verhalten findet. Mannigfaltiges ist
notwendig. Der Takt, der Instinkt, die Intuition müssen es geben. Dann
kann man in diesem Lebenspunkte des Kindes etwas tun, was für das
ganze folgende Erdenleben von einer ungeheuer weittragenden Bedeutung ist. Findet man die Bemerkungen, die Handlungen, das Verhältnis, wodurch man dem Kinde in seiner Art begreiflich macht: Ja, du hast recht, daß du in mir die selbstverständliche Autorität siehst, – dann ist man ein aus der innersten Seele heraus wirkender wahrer Wohltäter des Kindes geworden.

enzovoort. Nu gaat het erom dat in het onderbewuste van het kind – in het onderbewuste van het wezen van het kind bevindt zich heel veel – niet in het bewustzijn, een vraag opkomt die echter niet intellectueel geformuleerd wordt, maar alleen in het gevoel leeft: tot nog toe heeft de vanzelfsprekende autoriteit mij aangegeven wat waar, wat goed, wat mooi was; deze vanzelfsprekende autoriteit is de belichaming van waarheid, goedheid en schoonheid; maar is hij dat ook werkelijk? De twijfel hoeft helemaal niet uitgesproken te worden, maar die is er wel. Die is er en grijpt op de geschetste manier in het leven van het kind in.
Nu gaat het erom dat je, juist op dit punt in het leven waarvoor je een gezonde aanleg van vrij te kunnen waarnemen moet hebben, je ook het juiste woord, de juiste houding moet vinden. Verschillende dingen zijn noodzakelijk. Er moet  tact, instinct, intuïtie zijn. Dan kun je iets doen wat voor het hele volgende leven op aarde van een buitengewoon verreikende betekenis is. Vind je de opmerkingen, de handelingen, de houding waardoor je het kind op zijn manier duidelijk maakt: Ja, het is goed, dat je in mij de vanzelfsprekende autoriteit ziet – dan ben je vanuit je diepste ziel werkend een echte weldoener voor het kind geworden.

Denn wohl dem Menschen, der, über diesen Lebenspunkt hinausgehend, um das neunte, zehnte Lebensjahr herum, zu einer selbstverständlichen Autorität verehrend hinaufblickt! Kein Mensch kann in seinem
Leben zu einem freien Wesen werden, der nicht zuerst vor seinem
geschlechtsreifen Alter sein Leben hat einrichten gelernt, wie ein hochgeschätzter Mensch sich verhält. Sich unterstellen in dieser Weise aus innerer instinktiver Freiheit, sich so gegenüberstellen einem solchen Menschen, sich sagen: Das ist das Rechte, zu tun, was er tut – das macht eigentlich erst etwas aus den Anlagen zur Freiheit, die der Mensch in sich birgt.
Kurz, wir müssen als Waldorfschullehrer in jeder Beziehung in der intimsten Weise die selbstverständliche Autorität aufrechterhalten. Wie können wir sie aufrechterhalten? Wenn wir durch einen solchen Verkehr mit dem Elternhaus in den Eltern das Gefühl hervorrufen: Wir dürfen auf unsere Kinder so einwirken, daß sie die selbstverständliche Autorität in dem Lehrer, in dem Erzieher sehen. Es kann trivial klingen, aber es ist

Want wat is het een weldaad voor de mens die uitstijgend boven dit punt in het leven rond het negende, tiende jaar, vererend op kan kijken tegen een vanzelfsprekende autoriteit! Niemand kan in zijn leven een vrij wezen worden die niet eerst voor zijn puberteit geleerd heeft zijn leven zo in te stellen naar de houding van een hoog gewaardeerd mens. Dit op deze manier, vanuit een innerlijke, instinctieve vrijheid, dit aannemen, zich zo naar zo’n mens op te stellen, en te zeggen: het is het beste om te doen wat hij doet – pas dat vormt eigenlijk iets uit de aanleg tot vrijheid die de mens in zich omdraagt.
Kortom, we moeten als vrijeschoolleerkracht in elk opzicht op de meest fijnzinnige manier de autoriteit waar maken. En hoe kunnen we dat? Wanneer we door de relatie met de ouders bij de ouders het gevoel oproepen: wij mogen zo op de kinderen werken dat zij in de leerkracht, in de opvoeder de vanzelfsprekende autoriteit zien. Het mag gewoontjes klinken, maar het is

Blz. 216

so: Der Waldorfschullehrer darf es nicht verschmähen, sich den Eltern des Kindes zu zeigen in seiner Wesenheit, das kann man ja manchmal in fünf Minuten, so daß die Eltern wissen, mit wem sie es zu tun haben. Und in dem Ton ihrer Stimme, in der Färbung eines jedes Satzes, der über die Schule gesprochen wird, soll hingewiesen werden nach der selbstverständlichen Autorität in der Schule. Es kann gar nicht innig genug das Band zwischen Schule und Elternhaus geknüpft werden.
Und ein drittes. Hat man ein, zwei, drei, vier Lehrpläne, Schulverordnungen, alles fein klug ausgedacht, vor sich, weiß man ja, was man zu tun hat. Man hat den Lehrplan, hat die Schulverordnung, muß das tun.
Aber so steht die Waldorfschule nicht da. Im Geiste der Waldorfschule ist es so richtig, zu denken, daß manches anders sein muß als in der öffentlichen Erziehung. Das können ja heute viele Menschen nicht einsehen. Und in unserem Zeitalter ist ja soviel Gescheitheit verbreitet.

zo: de vrijeschoolleerkracht mag er niet te gering over denken om het kind in zijn wezen aan de ouders te laten zien; dat kan soms in vijf minuten, zodat de ouders weten om wie het gaat. En in de klank van hun stem, in de kleur van iedere zin die over de school wordt gesproken, moet gewezen worden op de vanzelfsprekende autoriteit in de school. School en ouderlijk huis kunnen niet innig genoeg verbonden zijn.
En een derde iets. Als je een, twee, drie, vier leerplannen, schoolregels voor je hebt, alles fijn verstandig uitgedokterd, weet je wat je moet doen. Je hebt het leerplan, de schoolvoorschriften, dat moet je doen.
Maar dat is niet het gevoel op de vrijeschool. In de geest van de vrijeschool is het juist goed om te denken dat sommige dingen anders moeten dan in de gangbare opvoeding. Dat kunnen vele mensen vandaag de dag niet inzien. En in onze tijd is er overal heel veel knaps te vinden.

Man kann gar nicht stark genug betonen, wie in unserem Zeitalter gegenüber anderen Zeitaltern die Menschen gescheit sind. Nur, diese verstandesmäßige Gescheitheit – ich meine das ganz ernst, ich ironisiere nicht -, diese Gescheitheit von heute macht just die größten Dummheiten. Aber trotzdem, die Menschen sind gescheit. Das drückt sich in der verschiedensten Weise aus. Es können sich heute dreißig Menschen zusammensetzen, die können eine Schulreform ausmachen. Das kann so gescheit sein, unanfechtbar sein. Der laienhaft denkt, kann dann sagen: Das ist aber genial, bessere Schulen kann man gar nicht schaffen, als die mit dem 1., 2., 3., 4. – Aber man versuche nur weiterzugehen und sich die Schulen anzusehen, die man mit dem 1., 2., 3., 4. da schafft. Die Grundsätze, Paragraphen sind sehr gescheit; aber mit denen kann man im Leben nichts anfangen. Nur der kann etwas anfangen, der das Leben selber pulsieren fühlt und aus dem pulsierenden Leben heraus schaffen kann.
So steht der Waldorfschullehrer da: er hat keine Paragraphen, sondern
Ratschläge; Ratschläge, die er nach seiner eigenen Individualität gestalten muß. Jeder ist doch ein anderer Mensch. Und wenn man vorschreibt, was der Lehrer in der Schule zu tun hat, in strikter Weise, dann soll jeder so sein wie der andere. Bedenken Sie nur, zu welcher Konsequenz das führt. Wenn das ernst genommen würde, daß die Paragraphen streng durchgeführt würden, die bestgemeinten pädagogischen abstrakten

Je kan niet sterk genoeg benadrukken hoe knap de mensen in onze tijd zijn in vergelijking met andere tijden. Maar, deze verstandsknapheid – ik bedoel dit heel ernstig, ik spot niet – deze schranderheid van nu maakt juist de grootste fouten. Maar ondanks dat, de mensen zijn knap. Dat komt op de meest verschillende manieren tot uitdrukking. Als er nu dertig mensen bij elkaar gaan zitten, kunnen ze een onderwijsvernieuwing afspreken. Die kan zo slim in elkaar zitten, dat die niet aan te vechten is. De leek denkt en zegt dan: maar dat is geniaal, betere scholen dan met de punten 1, 2, 3, 4, kun je gewoon niet maken. Maar probeer nu eens verder te gaan en naar die scholen te kijken die men ten eerste, tweede, derde, vierde zo inricht. De uitgangspunten, paragrafen zijn heel knap; maar in het leven kan je er niets mee beginnen.  Alleen degene die het leven zelf voelt pulseren en hieruit kan scheppen, die kan iets beginnen. En dat is de plaats van de vrijeschoolleerkracht: hij heeft geen paragrafen, maar adviezen; adviezen die hij met zijn eigen individualiteit vorm moet geven. Iedereen is toch anders. En wanneer je voorschrijft wat de leerkracht op school moet doen in strikte zin, dan is ieder niet zo als de ander. Denk je eens in tot welke slotsom dat leidt. Wanneer serieus zou worden genomen dat de paragrafen streng doorgevoerd moeten worden, de bestbedoelde pedagogische abstracte

Blz. 217

Grundsätze durchgeführt würden, wonach die Leute der Ansicht sind, daß es nur einerlei gibt^wie man zu erziehen und zu unterrichten hat, dann könnte man den einen Lehrer nicht mehr von dem anderen unterscheiden. Dann würde man dem einen Lehrer begegnen und würde sagen, es sei der andere, weil er ganz nach denselben abstrakten Prinzipien erzieht und unterrichtet. Aber der Lehrer ist ein Mensch. Der Lehrer ist eine Individualität. Und er kann nur wirken, wenn er sich als Mensch einsetzen kann mit der vollen Selbständigkeit seines Wesens.
Nur dann kann er wirklich wirken. Dann aber muß er das Leben kennen. Man kann im Leben nur wirken, wenn man das Leben auf sich wirken läßt. Aber was hat man in der Schule für ein Leben? Die Fortsetzung des elterlichen Lebens im Kinde. Von den Paragraphen, Grundsätzen wird der Lehrer verwiesen auf alles dajenige, was unmittelbares Leben des Kindes ist. Das muß einfließen in Methodik, in die Handhabung des ganzen Unterrichtens und Erziehens. Daher, meine sehr verehrten Anwesenden, wenn Sie ein Mäuschen wären und manchmal zuhören würden bei unseren Lehrerkonferenzen, so würden Sie hören, wie da tatsächlich mit allen Einzelheiten Abrechnung getrieben wird, und wie intim zuweilen dasjenige besprochen wird, was aus dem Elternhaus herein auf das Kind hinleuchtet.

uitgangspunten uitgevoerd zouden worden, volgens welke de mensen van mening zijn dat er maar een manier is hoe je moet opvoeden en onderwijzen, dan zou je de ene leerkracht niet meer van de andere kunnen onderscheiden. Dan zou je de ene leerkracht tegenkomen en je zou zeggen dat het de andere is, omdat hij geheel volgens dezelfde abstracte principes opvoedt en lesgeeft. Maar de leraar is een mens. De leraar is een individualiteit. En hij kan alleen werken als hij zich als mens kan inzetten met de volle zelfstandigheid van zijn wezen. Dan kan de leraar pas echt werken. Maar dan moet hij het leven kennen. Je kan in het leven alleen maar werken als je het leven op je laat inwerken. Maar wat voor leven heb je op school? Op school heb je de voortzetting van het leven van de ouders. I.p.v. naar paragrafen, principes, wordt de leerkracht verwezen naar alles wat zonder omwegen het leven van het kind is. Dat moet de methodiek binnenstromen, in de uitvoering van het hele onderwijs en de opvoeding.
Vandaar, zeer geachte aanwezigen, als u een muisje zou zijn en soms eens zou luisteren in onze lerarenvergaderingen, dan zou u horen hoe er daadwerkelijk rekening wordt gehouden met alle details en fijngevoelig besproken wordt wat vanuit het ouderlijk huis op het kind overstraalt.

Und weiter würden Sie erfahren, wenn Sie ein solches Mäuschen wären und zuhören würden, wie diese Lehrerkonferenzen ein fortwährendes Lernen sind, ein fortwährendes Entwickeln der Pädagogik zu immer höherer und intimerer Wirkung hinauf. Es kann gar nicht anders sein, wenn die Schule ein lebendiger Organismus und nicht ein toter Organismus sein soll. Und so ist gerade die Waldorfschule, weil sie eine freie Schule sich nennt, eine solche Institution, die durch ihr innerstes Wesen den Weg zum Elternhause weist in Bezug auf die ganze Wesenheit des Kindes.Man lernt ein Kind kennen. Es hat, sagen wir, mangelhafte intellektuelle Fähigkeiten. Das kommt ja vor. Ja, mangelhafte intellektuelle Fähigkeiten können auf die mannigfaltigste Weise verbessert werden, entwikkelt werden zum Besseren. Aber man muß Anhaltspunkte haben. Sagen wir, man lernt den Vater oder die Mutter kennen; die sind sehr gescheit. Es kommt ja auch vor, daß intellektuell unbegabte Kinder sehr gescheite Eltern haben. Es kann auch das Gegenteil der Fall sein, daß intellektuell

En verder zou je merken als je zo’n muisje was en zou luisteren hoe deze lerarenvergaderingen een voortdurend leren betekenen, een voortdurend ontwikkelen van de pedagogie die steeds beter en fijnzinniger werkt. Het kan niet anders wil de school een levend organisme en niet een dood organisme zijn.
En zo is met name de vrijeschool, omdat ze zich een vrije school noemt, die instelling die door haar diepste kern de weg naar het ouderlijk huis wijst in relatie tot het hele wezen van het kind. Je leert een kind kennen. Het heeft, laten we zeggen, gebrekkige intellectuele vaardigheden. Dat komt nu eenmaal voor. Maar gebrekkige intellectuele vaardigheden kunnen op de meest uiteenlopende manieren verbeterd worden, ontwikkeld worden. Maar je moet aangrijpingspunten hebben. Laten we zeggen dat je vader en moeder leert kennen en die zijn heel knap. Het komt voor dat intellectueel onbegaafde kinderen zeer slimme ouders hebben. Het omgekeerde kan ook,

Blz. 218

unbegabte Eltern sehr intellektuell begabte Kinder haben. Aber in jedem Fall wird man ungeheuer viel lernen für die Behebung von Mängeln an intellektuellen Fähigkeiten, wenn man auf die Eltern hinschaut, die das Kind bis zum Zahnwechsel nachgeahmt hat. Dadurch wird man nicht nur eine theoretische Erklärung finden, sondern man wird eine Anleitung finden zur Handhabung dessen, was man zu tun hat. – Und das Gefühlsleben, das noch ins moralische Leben herüberspielt, das das Gute nur aus der Sympathie mit dem Guten im Lehrer erhält, das Gefühlsleben, das gerade im schulpflichtigen Lebensalter die bedeutsamste Rolle spielt, dieses Gefühlsleben, wie klärt es sich auf, wenn wir durch das Fühlen des Kindes hindurchschauen auf die besondere Art des Gefühlslebens der Eltern! Ebenso ist es mit dem Willensleben.
Wer aus seiner Gescheitheit heraus weiß, der Mensch muß so und so sein, weil das die richtige durchschnittliche Menschennatur ist, der braucht ja nicht auf die Eltern hinzuschauen. Wer aber weiß, daß die Dinge aus ihrem Ursprung und die Wesen aus ihrem Ursprung hervorgehen, wer nicht auf ein Abstraktes hinschaut, sondern auf den Ursprung hinschaut, der muß auf das Elternhaus hinschauen.

dat niet-begaafde ouders intellectueel zeer begaafde kinderen hebben. Maar in ieder geval zal je ongelooflijk veel leren om het gebrek aan intellectuele vaardigheden te herstellen, als je rekening houdt met de ouders die het kind tot aan de tandenwisseling nabootste. Daardoor zal je niet alleen een theoretische verklaring vinden, maar je zal er een aanleiding in vinden om te doen wat je moet doen. En het gevoelsleven dat nog tot in het morele leven doorwerkt, dat het goede alleen maar uit sympathie voor het goede in de leerkracht ontvangt, het gevoelsleven dat juist in de basisschooltijd de belangrijkste rol speelt, hoe je dit gevoelsleven leert kennen wanneer we door dit voelen van het kind heen kijken naar het bijzondere gevoelsleven van de ouders! En zo is het ook met het wilsleven. Wie door zijn schranderheid weet dat de mens zus of zo moet zijn, omdat dit de doorsnee mensennatuur is, hoeft niet naar de ouders te kijken. Wie echter weet dat de dingen uit hun oorsprong en het wezen uit hun oorsprong, wie niet naar iets abstracts kijkt, maar naar de oorsprong, die moet naar het ouderlijk huis kijken.

Weil die Waldorfschul-Pädagogik den Geist der Wirklichkeit, den Geist des Naturgemäßen, den Geist des Seelengemäßen atmen will, deshalb führt sie auf den Weg der Wirklichkeit. Und dieser Weg derWirklichkeit weist zurück aus der Schule ins Elternhaus. Daher geschieht ja auch alles, was das Interesse der Lehrer an den Eltern, der Eltern für den Lehrer der Schule erwecken kann. Die Elternabende, die von der Waldorfschule abgehalten werden, sind dazu da, um ein Band zu knüpfen zwischen der Schule und dem Elternhaus. Und das, was auf diesen Elternabenden getrieben wird, soll dazu geeignet sein, die Eltern
anschauen zu lassen, namentlich welcher Gesinnung, welcher Seelenverfassung die Lehrerschaft ist.
Das, meine sehr verehrten Anwesenden, ist die praktische Durchführung desjenigen, was ja schließlich als oberstes, ich kann nicht sagen, Prinzip, sondern als oberste Anschauung beim Geist der WaldorfschulPädagogik vorhanden ist. Aus tiefstem innerem Seelenleben heraus muß sich aus diesem Geiste der Waldorfschul-Pädagogik der Lehrer sagen: Die Eltern übergeben der Schule das Teuerste, was sie haben, in ihrem

Omdat de vrijeschoolpedagogie de geest van werkelijkheid wil ademen, de geest van wat in overeenstemming is met de natuur, de geest van wat in harmonie is met de ziel, leidt zij daarom naar de weg van de werkelijkheid. En deze weg leidt van school naar de ouders. Daarom gebeurt ook alles wat de belangstelling van de leerkrachten voor de ouders, van de ouders voor de leerkrachten van de school wekken kan. De ouderavonden die de vrijeschool organiseert, zijn er om een band te smeden tussen school en ouderlijk huis. En wat er op de ouderavonden aan de orde komt, moet geschikt zijn om met name aan de ouders te laten zien wat de opvattingen van de leerkrachten zijn, wat voor gevoelsstemming er heerst. Dat, geachte aanwezigen, is de praktische uitvoering van wat uiteindelijk het belangrijkste, ik kan niet zeggen principe is, maar als het belangrijkste gezichtspunt bij het wezen van de vrijeschoolpedagogie voorhanden is. Vanuit het diepste innerlijk van de ziel moeten vanuit dit wezen de leerkrachten zeggen: de ouders geven aan de school wat voor hen het meest kostbare is wat ze hebben, 

Blz. 219

Kinde. Die Eltern haben mancherlei im Leben erfahren. Sie möchten, weil sie selber vielleicht geprüft sind im Leben, sie möchten zwar nicht, daß das Kind ungeprüft bleibe, aber doch, daß ihm manche harte Erfahrung erspart bleibe, die sie haben durchmachen müssen. Aus diesem und vielem anderen heraus knüpfen sich ja viele, unendliche Hoffnungen des Elternhauses an den Augenblick, wo das Kind der Schule überliefert wird. Aus dem ganzen Geiste der Waldorfschul-Pädagogik weiß der Lehrer, der Erzieher, was ihm übergeben wird. Und er möchte aus solchen Anschauungen heraus, wie ich sie charakterisiert habe, an dem Kinde so wirken, daß er, wenn er das Kind aus der Schule wieder herausläßt und die Eltern einen neuen Entschluß fassen müssen und es wieder aus der Hand des Lehrers entgegennehmen, daß er hören könnte von den Eltern: Wir wußten es ja immer, als wir die Schule angesehen haben, unsere Hoffnungen mußten erfüllt werden. – Dieses Urteil kann sich aber nicht im letzten Augenblick bei der Reifeprüfung bilden, das kann sich nur bilden, wenn es heranreift an dem Umgang der Schule mit dem Elternhause.

hun kind. De ouders hebben in het leven van alles meegemaakt. Ze zouden, omdat ze zelf wellicht in het leven beproevingen hebben doorgemaakt, niet willen dat hun kind niet op de proef zal worden gesteld, maar wel dat het voor sommige harde ervaringen gespaard blijft die zij moesten doormaken. Hierdoor en door vele andere dingen verbindt het ouderlijk huis vele hoopvolle verwachtingen aan het ogenblik waarop het kind wordt overgedragen aan school. En door alles wat de vrijeschoolpedagogie inhoudt, weet de leerkracht, de opvoeder wat aan hem wordt toevertrouwd. En hij wil door dergelijke gezichtspunten die ik hier gekarakteriseerd heb, graag zo met het kind werken dat hij, wanneer het kind weer van school gaat, en de ouders opnieuw een besluit moeten nemen en het kind weer van de leerkracht overnemen, dat hij dan van de ouders zou kunnen horen: we hebben altijd wel geweten toen wij naar de school keken dat onze hoop vervuld zou worden. Dit oordeel kan echter niet op het laatste ogenblik bij het examen gevormd worden, dat kan alleen ontstaan als het groeit door de relatie van school en thuis.

Und so kann man von mancherlei Erziehungsversuchen, ja sogar von pädagogisch großartig gemeinten Idealen wegblicken, auf den Geist der
Waldorfschul-Pädagogik hinblicken und kann sich sagen: Es ist doch ein
ungeheuer gesunder Instinkt, der sich auslebt in dem Zusammensein des
Kindes mit den Eltern; es muß daher auch ein Gesundes sein, wenn die
Schule in dieses Verhältnis hineinwächst dadurch, daß sie den Weg findet
zu den Eltern hin. Unter den vielen Dingen, die in der Waldorfschule angestrebt werden und die alle dadurch zu charakterisieren sind, daß man sagt: Die
Waldorfschule möchte über abstrakte Grundsätze, über Gescheitheiten
zur lebensvollen Wirklichkeit hin -, ist vor allem dieses, daß die Waldorfschule den Weg finden möchte zu der allerlebensvollsten Wirklichkeit im Dasein des Kindes. Und diese Wirklichkeit im Dasein des kleinen Kindes, des schulpflichtigen Kindes, sind die Eltern.
Weil diese Schule mit ihrem Geiste eine Schule sein will nicht der
Theorie, nicht der Abstraktion, nicht des steifen, theoretischen Prinzips,
sondern des vollen Lebens, der vollen Wirklichkeit, sucht sie den Weg in
die Wirklichkeit des Elternhauses hinein.

En zo kan je van allerlei opvoedingsexperimenten, zelfs van pedagogisch groots bedoelde idealen, kijken naar de geest van de vrijeschoolpedagogie en je kan zeggen: het is toch een buitengewoon gezond instinct dat zichtbaar wordt in het samenzijn van ouder en kind; en daarom moet het ook iets gezonds zijn wanneer de school met deze relatie meegroeit wanneer die de weg naar de ouders vindt.
Onder de vele dingen die de vrijeschool nastreeft en die je allemaal kan karakteriseren door te zeggen: de vrijeschool wil verdergaan dan abstracte uitgangspunten, dan schranderheden, tot aan de levensvolle werkelijkheid, vind je vooral deze dat de vrijeschool de weg zou willen vinden naar de meest levensvolle werkelijkheid in het bestaan van het kind. En deze werkelijkheid in het leven van het kleine kind, het basisschoolkind, zijn de ouders.
Omdat deze school in haar verschijning geen school wil zijn van theorie, van abstractie, niet van onbuigzame, theoretische principes, maar van het volle leven, van de volle werkelijkheid, zoekt ze de weg naar de realiteit van het ouderlijk huis.
GA 298/207-219

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner; op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3080-2894

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 305)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid. 

GA 305        vertaald

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung
und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Voordracht 7, Oxford 23 augustus 1922

Die Waldorfschule als Organismus
De Waldorfschool als organisme

Blz. 141  vert. 130

Nun, außer diesem Handfertigkeitsunterricht haben wir einen eigentlichen Handarbeitsunterricht. Und da ist das zu bemerken, daß in der Waldorfschule immer für alles Knaben und Mädchen durchein­andersitzen. Wir haben durchaus bis in die höchste Klasse hinauf Knaben und Mädchen durcheinandersitzen. So daß in der Tat, mit geringen Varianten natürlich, und je weiter wir hinaufkommen wer­den in die höheren Klassen, so muß natürlich differenziert werden, aber es ist so, daß im ganzen tatsächlich der Knabe dieselben Arbeiten lernt, die das Mädchen lernt, und es stellt sich heraus in einer merkwürdigen Weise, wie gern die kleinen Knaben stricken oder häkeln, und wie die Mädchen auch Arbeiten machen, die man sonst nur die Knaben machen läßt. Dadurch wird auch sozial etwas erreicht: das gegenseitige Ver­ständnis der Geschlechter, was ja in erster Linie heute angestrebt wer­den muß, wo wir in dieser Beziehung sozial noch gar nicht vorge­schritten sind, wo wir unter den größten Vorurteilen leben [ ] Aber in der Waldorfschule, wie gesagt, arbeiten im Handarbeitsunterricht Knaben und Mädchen durcheinander. Da wird alles mögliche dann im Handarbeitsunterricht zustande gebracht. Knaben und Mädchen arbeiten da ganz friedlich zusammen. 

Goed, naast dit handvaardigheidsonderwijs hebben we nog het eigenlijke handwerken. En daarbij valt op te merken dat op de Waldorfschool jongens en meisjes altijd bij alles door elkaar zitten. Tot en met de hoogste klas zitten jongens en meisjes door elkaar. Af en toe wordt daar natuurlijk wel eens van afgeweken, en hoe hoger we komen hoe meer er in de klassen gedifferentieerd moet worden, maar over het geheel genomen krijgen de jongens les in dezelfde vakken als de meisjes. En opmerkelijk genoeg blijken de jongetjes heel graag te breien en te haken, en doen de meisjes ook graag het werk dat men anders alleen de jongens laat doen. Ook sociaal levert dat iets op, voor het wederzijds begrip tussen de geslachten, wat tegenwoordig toch ons allereerste streven moet zijn. Op dit terrein is maatschappelijk nog geen enkele vooruitgang geboekt en leven wij nog met de grootst mogelijke vooroordelen. [ ]
Maar op de Waldorfschool zitten, zoals gezegd, bij het handwerken jongens en meisjes door elkaar. In die handwerkles wordt van alles gemaakt. Jongens en meisjes werken daarbij heel harmonisch samen.

Steiner deelt dan nog een waarneming die hij deed bij het spinnen en weven, in een hogere klas:

Blz. 142   vert. 131

Das einzige, was sich i n merkwürdiger Art herausgestellt hat, das ist – wir gehen dann in der höchsten Klasse, die wir bis jetzt gebildet hatten, in der die sechzehn-, siebzehnjährigen Knaben und Mädchen durcheinander sind, über auch zu Spinnen und Weben, so daß tatsächlich die Menschen ins praktische Leben eingeführt werden, das Leben auch kennenlernen —, nun ist das Merkwürdige: spinnen wollen die Knaben nicht, dabei wollen sie nämlich den Mädchen helfen. Die Mädchen sollen spinnen, und die Knaben wollen dann Zuträger sein, sie wollen da eine Art Ritterschaft ausüben. Das ist das einzige, was sich bis jetzt herausgestellt hat, daß beim Spinnen die Knaben die Mädchen
bedienen wollen. Aber im übrigen haben wir gesehen, daß die Knaben alle möglichen Handarbeiten machen.

Er is maar één merkwaardigheid opgetreden. We gaan in de hoogste klas die we tot nog toe hebben, waarin jongens en meisjes van zestien en zeventien jaar door elkaar zitten, ook over op spinnen en weven, zodat mensen werkelijk met het praktische leven in aanraking worden gebracht, en ze het leven ook leren
kennen. Nu is het merkwaardige dat de jongens niet willen spinnen, maar dat ze wel de meisjes daarbij willen helpen. De meisjes moeten spinnen en de jongens willen dan de materialen aandragen, ze willen daarbij op een of andere manier hun ridderlijkheid tonen. Dat is het enige wat tot nog toe is gebleken, dat bij het spinnen de jongens de meisjes van dienst willen zijn. Maar voor het overige hebben we kunnen zien dat het handwerken in alle mogelijke vormen ook door de jongens wordt gedaan.
GA 305/141-142
Vertaald
/130-131

.

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3079-2893

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël (55)

.

Tineke Croese, Antroposofisch Magazine sept. 2017 nr. 7
.

Draken verslaan met Michaël

Strijdbaar de herfst in

Op vrijescholen vieren de kinderen op 29 september het Michaëlsfeest, een roerig en vrolijk herfstfeest gebaseerd op de legende van de aartsengel Michaël die de draak verslaat. Soms heeft het elementen van een oogstfeest, zoals een draak die van vruchten is gemaakt. De nazomer en vroege herfst stemmen ons vrolijk vanwege hun kleurigheid en overvloed. Maar die vrolijkheid is vermengd met weemoed, want ook de sterfprocessen in de natuur beginnen nu.

Elk jaar willen we de zomer liefst wat vasthouden. Elk jaar hopen we dat het feest van kleur nog lang mag duren en de zonnewarmte nog even niet opraakt. Maar uiteindelijk is de nazomer een tijd van afscheid nemen. In de rijkdom van de oogst en de vlammende kleuren van bomen en struiken laaien leven en licht nog één keer op voor ze zich terugtrekken, voor ze de bomen kaal en de akkers leeg achterlaten, voor de dagen korter worden en de nachten lang. Al sterft de natuur in schoonheid, het is toch een sterfproces. Licht en donker, leven en dood zijn eind september, begin oktober nog even in balans. Al eeuwenlang wordt die korte tijd van balans gemarkeerd door de feestdag van de aartsengel Michaël op 29 september. Een groot christelijk feest zoals Kerstmis of Pasen was ‘Sint-Michiel’ ook vroeger niet. Een groot volksfeest als Carnaval of Sint-Jan was het evenmin. ‘Sint-Michiel’ was niet meer dan een gewone heiligendag. Als er nu ergens een Michaëlsfeest gevierd wordt, dan is dat door antroposofen.

De engel met de weegschaal en het zwaard

De aartsengel Michaël werd al in de eerste eeuwen van het christendom overal in Europa vereerd. Kunstenaars gaven hem weer in steen, hout, brons en in verf. Ook in volksverhalen en legenden speelde hij een grote rol. Twee ervan springen eruit: ze tekenen Michaël als de sterke engel die de draak verslaat, en als de engel die na de dood de mensenzielen weegt. Volgens de legende van de drakendoder kwam de aartsengel Lucifer in opstand tegen God. Hij kon niet accepteren dat de mens naar Gods evenbeeld geschapen was. De trotse Lucifer had zelf willen zijn zoals God. Op Gods bevel stootte Michaël – zijn naam betekent: Wie is als God? – Lucifer uit de hemel. Lucifer viel op de aarde en veranderde in een afzichtelijke draak die nu de mens belaagt. De strijd met de draak is nu een strijd van de mens, al staat Michaël hem bij. In de tweede legende treedt Michaël op als zielenweger, als de engel die na de dood de balans opmaakt tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ in de mensenziel. Beide legenden passen bij de herfst. Wat in de natuur licht en duisternis is, heeft een morele parallel in het innerlijk van de mens. Daar zien we licht en duisternis terug als goed en kwaad. Op de drempel naar de herfst roept Michaël de mens op om zich te bezinnen op het morele gehalte van zijn daden en gedachten, zich daar zo op te bezinnen alsof hij de drempel naar de dood al was overgegaan. Michaël roept ons op om net zo liefdevol, maar ook net zo eerlijk naar onszelf te kijken als hijzelf doet wanneer hij in het leven na de dood onze zielen weegt. Want alleen als je jezelf met je lichte en vooral ook met al je donkere kanten eerlijk en liefdevol onder ogen durft zien, kun je de ‘draak’ herkennen en verslaan. Die ‘draak’ heeft een dubbele gedaante. Aan de ene kant brengt hij je in de waan dat uitsluitend het goddelijke ertoe doet en dat je je alleen druk hoeft te maken om jezelf en je eigen ontwikkeling. Aan de andere kant houdt hij je juist voor dat er alleen een aardse werkelijkheid bestaat: er is geen goddelijke wereld. Michaël roept ons op om het evenwicht te zoeken tussen deze twee uitersten. Om een kompas te ontwikkelen waarmee we zelf onze weg kunnen vinden in goed en kwaad. De draak is geen fabeldier, maar moreel en spiritueel gezien een even reële als geduchte tegenstander.

In het voetspoor van Michaël

Het Michaëlsfeest bestond vroeger niet, het wortelt niet in een traditie. Toch bestond er wel zoiets als een Michaëlsgedachte, die in de middeleeuwen vorm kreeg in het ridderideaal. Michaël was de beschermheilige van de ridders die opkwamen voor de zwakken in de samenleving, zoals weduwen en wezen. Ridders trokken ten strijde tegen onrecht, het liefst als er een schone jonkvrouw in het spel was. Ridderverhalen lijken zich af te spelen op de grens van een concrete werkelijkheid en een wereld vol sprookjesachtige beelden die een innerlijke werkelijkheid weergeven. In die beelden is de draak ook een bewoner van het morele moeras waar goed en kwaad maar moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, en beschermt de ridder in de belaagde jonkvrouw de zuiverheid van zijn eigen ziel.

In onze tijd zijn we eigenlijk voor het eerst in staat om ook zonder zulke beelden te erkennen dat ‘het kwaad’ niet altijd een macht buiten onszelf is. In het voetspoor van Michaël als zielenweger richten we de blik naar binnen, om net als die middeleeuwse ridder ten strijde te trekken tegen de drakerigheid in onszelf. Daar is moed voor nodig. Een ridder moest bereid zijn te sterven in zijn strijd tegen draken en andere monsters. Wie het aandurft om zijn eigen duistere kanten onder ogen te zien, moet ook bereid zijn te sterven, al is het dan niet lichamelijk. Het is immers een van de moeilijkste dingen om te durven toegeven dat je door je tekortkomingen een ander onrecht hebt aangedaan. Om dat te kunnen, moetje een behoorlijk stuk ego opgeven, een stuk van je ego moet ‘sterven’ en dat vraagt een bijna bovenmenselijke, michaëlische moed.

Onze tijd: een grote herfst

De herfst is een roerige, stormachtige tijd waarin oude vormen verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe. Want dat is sterven óók. In vroegere eeuwen riep het sterven van de natuur vooral gedachten op aan de eigen sterfelijkheid, en dat maakte de mensen bedroefd. Pas sinds het einde van de negentiende eeuw zijn we in staat om ook de schoonheid van de herfst te beleven. Toen pas begonnen mensen zich los te maken uit oude vormen en tradities die hun voorschreven wat ‘goed’ was en wat ‘kwaad’. Toen pas voelden ze zich innerlijk sterk genoeg om zelf uit te maken wat goed en kwaad is. Daarmee begon een zelfstandige morele ontwikkeling. Je zou kunnen zeggen dat door het loslaten van oude inzichten en het zoeken naar nieuwe, persoonlijke inzichten in goed en kwaad een ‘grote herfst’ is aangebroken in de mensheidsontwikkeling. Ook daar staat Michaël op de drempel, net zo strijdbaar als bij de jaarlijkse herfst. Het is terecht dat hij aandacht krijgt: hij wijst ons de weg naar een nieuwe tijd. Kan dat met een feest? Voor kinderen wel, natuurlijk. Zij vieren het Michaëlsfeest als een soort oogstfeest met heel veel beelden uit de legende. Maar voor volwassenen? Bij de strijdbaarheid van Michaël past volgens mij eerder een oproep dan een feest, de dringende oproep om tot handelen over te gaan. Michaël kan de draak niet voor ons verslaan. Dat moeten we zelf doen. 

.

Michaël– alle artikelen

Verhaal van Sint-Joris

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

3078-2892

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 57)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zihet artikel daarover
en in voordracht 4.
Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/65
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9GA 34GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59 over staat.

INWIJDING EN HELDERZIENDHEID

In GA 56 gaat Steiner in op het verschil ‘ingewijde’ en ‘helderziende’.

Het gaat bij allebei om (een) inzicht in de niet stoffelijke wereld. In de boven-zintuiglijke wereld.

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 1, Berlijn, 10. oktober 1907

Die Mission der Geheimwissenschaft in unserer Zeit
De opdracht van de verborgen wetenschap in onze tijd

Blz. 24

Denken Sie sich, es gäbe Menschen, die in einer fernen Gegend wohnen, wo keine Eisenbahnen und keine Maschinen sind. Nun macht sich einer auf den Weg nach Europa und sieht, daß es Eisen­bahnen und Maschinen gibt. Er geht nach Hause und er­zählt seine Erfahrungen, dasjenige, was er selbst gesehen hat.

(Bij dit voorbeeld moeten we niet uit het oog verliezen dat dit in 1909 gesproken werd. We zouden misschien nu een voorbeeld moeten kiezen met iemand die op de maan is geweest.)

Stel je eens voor dat er mensen zijn die ver weg wonen en waar ze geen treinen en machines hebben. Nu gaat er iemand naar Europa en ziet dat er treinen en machines bestaan. Hij gaat naar huis en vertelt zijn ervaringen, dat wat hij zelf gezien heeft.

Blz. 25

Das ist dann ein in solche Dinge Eingeweihter. Solche Eingeweihte gibt es nun auch in Bezug auf übersinnliche Dinge.
.
Dat is dan iemand die in die dingen ingewijd is. Ook op het gebied van de bovenzintuiglijke dingen bestaan er dergelijke ingewijden.

In deze voordracht gaat Steiner ook terug naar het verleden waarin er bepaalde plaatsen op de wereld waren, waar mensen door ‘leraren’ (vaak priesters) een scholing kregen om in de bovenzintuiglijke wereld te kunnen waarnemen.

Sie werden in den Geheimschulen zu einem Einblick in die übersinnliche, unsichtbare Welt geführt und können erzählen von dem, was sie dort erfahren haben.

Zij (de ‘leerlingen’) worden in de mysteriescholen zover gebracht dat ze inzicht krijgen in de bovenzintuiglijke, onzichtbare wereld en zij kunnen dan vertellen van wat ze daar ervaren hebben.

De woorden ‘mysterieschool, inwijdingsplaats’ enzo, doen voor velen wat ‘zweverig’ aan. Wat gebeurde daar dan? Waren er rituelen en welke dan?
(In andere voordrachten vertelt Steiner er wel preciezer over.)
Vooral dat ‘geheim’school, is voor velen iets ‘geheimzinnigs’,  – moet je daar wel mee bezig willen zijn – en diezelfde gevoelens kunnen ontstaan, wanneer je de Duitse titel van GA 13 neemt: ‘Geheimwissenschaft (im Umriss) of in de vertaling: ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’, waarbij het ‘der ziel’ – in zekere zin een gedateerde 2e naamval) het gevoel van ‘nou nee’ kan versterken.
Goethe brengt het wat dichterbij door ‘wat er achter de dingen’ ligt te bestempelen als iets waar we toegang toe kunnen krijgen: het is er niet in één oogopslag – dus in die zin wel ‘geheim’, maar het is er eigenlijk voor iedereen: ‘een openbaar geheim’.
Een van de vertalingen van het Duitse ‘geheim’ is ook ‘onzichtbaar’.

Steiner vervolgt dan:

Die auf diese Weise Eingeweihten teilt man wiederum in zwei Klassen: in eigentliche Eingeweihte und in hellsichtige Menschen.

De op deze manier ingewijde mensen worden in twee groepen onderverdeeld: de eigenlijke ingewijden en de helderziende mens.

Es ist nämlich so, daß, wenn die geheimwissenschaftlichen Wahrheiten einmal verkündigt, wenn sie vor den Menschen ausgesprochen worden sind, man nicht Hellseher zu sein braucht, um sie einzusehen und zu begreifen. Denn das Hellsehen ist wohl für das Auffinden, nicht aber zum Begreifen der geheimwissenschaftlichen Wahrheiten notwendig.

Het is namelijk zo dat wanneer de waarheden die de geheime wetenschap betreft eenmaal verkondigd zijn, wanneer ze voor de mens uitgesproken worden, je geen helderziende hoeft te zijn om ze te kunnen inzien en begrijpen. Helderziendheid is wel nodig om ze te vinden, maar niet om deze waarheden te begrijpen.

Alles, was [ ] als Ergebnis der Forschung in der höheren Welt gesagt werden wird, konnte nicht ohne hellseherische Gabe gefunden werden, nicht ohne daß die in jedem Menschen schlummernden geistigen Augen und geistigen Ohren entwickelt wurden. [ ]  Werden diese Ergebnisse aber einmal ausgesprochen und in solche Formen gekleidet, daß sie dem heutigen Denken entsprechen, dann kann sie jeder begreifen. Niemals kann der Einwand gelten, daß man hellsichtig sein müßte, um die Dinge zu begreifen, die aus der Geheimwissenschaft heraus mitgeteilt werden. Nicht demjenigen sind sie unverständlich, der nicht hellsichtig ist, sondern demjenigen, der seinen logischen Verstand nicht im ganzen Umfange anwenden will. Einsehen kann man alles, wenn es einmal ausgesprochen ist, bis in die höchsten Gebiete hinauf. 

Alles wat als resultaat van onderzoek van de hogere werelden gezegd kan worden, kan niet gevonden worden zonder helderziende gaven, niet zonder dat de geestelijke ogen en oren die in ieder mens latent aanwezig zijn, ontwikkeld worden. Zijn deze resultaten echter eenmaal uitgesproken en zo weergegeven dat ze bij het denken van deze tijd passen, dan kan iedereen ze begrijpen.
Nooit kan de tegenwerping gemaakt worden dat je helderziend moet zijn om deze dingen die over de verborgen wetenschap meegedeeld worden, te begrijpen.
Ze zijn niet onbegrijpelijk voor degene die niet helderziend is, maar voor degene die zijn logische verstand niet in de volle omvang wil gebruiken. Wanneer het eenmaal is uitgesproken, kan je alles inzien, tot in de hoogste gebieden.

Blz. 26

Derjenige nun, der, ohne selbst hellsichtig zu sein, alles einsieht, was die Geheimwissenschaft zu sagen hat, ist ein Eingeweihter. Wer aber selbst eintreten kann in diese Welten, die wir die unsichtbaren nennen, der ist ein Hellseher.

Degene die, zonder zelf helderziend te zijn, alles inziet wat de verborgen wetenschap te zeggen heeft, is een ingewijde.
Wie echter zelf in deze werelden de we onzichtbaar noemen, kan doordringen, is helderziend.
GA 56/24-26
Niet vertaald

In dit artikel kwam – een beetje in deze richting gaand – ook al iets ter sprake, waarbij het dan ging om ‘goede wil’ en ‘gezond verstand’.

Steiner zet vaker uiteen dat er een groot verschil bestaat tussen het bewustzijnsniveau van de mensen t.t.v. de mysteriescholen en van de mensen van nu.
Bewustzijnsverandering gaat hand in hand met de ontwikkeling van het Ik. En in de huidige tijd is de ontwikkeling van het Ik bij het grootste deel van de mensheid zover, dat de mens nu niet meer aan de hand hoeft te worden genomen door priesters e.d. om via inwijdingsrituelen (de tempelslaap bijv.) en andere handelingen ingewijd te worden, maar dat hij nu zelf degene kan zijn die zich verder op dit gebied ontwikkelt.
Dat is o.a. de reden waarom Steiner deze inzichten als ‘antroposofie’ in de openbaarheid heeft gebracht.
Door deze daad en door zijn eigen – tussen-de-regels-uitspraken, kunnen we Steiner beschouwen als een belangrijk helderziende – zo niet de belangrijkste – en ingewijde tegelijkertijd.

En de mensen die niet tot helderziendheid komen, maar wél door ‘goede wil’ en ‘logisch verstand’ met zijn inzichten verder willen, zijn dus in zekere zin bezig om zichzelf tot ‘ingewijde’ te ontwikkelen.

Dat is dus het verschil tussen vroeger en nu: van buitenaf naar van binnenuit. 
De kracht gaat dus uit van ons Ik, zoals we dat kunnen volgen in alles wat Steiner over de werking ervan op het astraallijf en etherlijf zegt.
Voor het astraallijf zie bijv. de voordrachten: 

GA 9GA 34GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59
Voor het etherlijf de voordrachten:
GA 9 en 34GA 13;  GA 53; GA 54GA 55GA 56;

In deze voordracht benadert hij het weer vanuit een ander gezichtspunt:

GA 57

Wo und wie findet man den Geist?
Waar en hoe vinden we de geest?

Voordracht 18, Berlijn 6 mei 1909

Die europäischen Mysterien und ihre Eingeweihten
De Europese mysteriën en hun ingewijden

Blz. 434

Alle Einweihung beruht ja darauf, daß der Mensch sich erhebt zu einem höheren Anschauen, zu einer höheren Entwicklung der Seele. Bevor er sich so erhebt, hat er drei Fähigkeiten in seiner Seele: Denken, Fühlen und Wollen.
Diese drei Seelenkräfte hat er in sich. So, wie er gewöhnlich lebt in der heutigen Welt, sind diese drei Seelenkräfte in einer innigen Verbindung. Mit seinem Ich ist er hineinverwoben in Denken, Fühlen und Wollen, weil der Mensch, bevor er durch die Einweihung aufsteigt, noch nicht vom Ich aus an der Entwicklung der höheren Leiber gearbeitet hat. Zunächst wird das, was im astralischen Leibe ist, das, was der Mensch an Gefühlen und Empfindungen, an Trieben und Begierden hat, geläutert und gereinigt. Dadurch entsteht das Geistselbst oder «Manas». Dann kommt der Mensch zunächst so weit, daß er jeden Gedanken mit einem

Alle inwijding berust erop dat de mens zich ontwikkelt tot een hoger waarnemen, een hogere ontwikkeling van zijn ziel. Vóór hij daartoe komt, heeft hij drie vermogens in zijn ziel: denken, voelen en willen.
Deze drie zielenkrachten draagt hij in zich. Zoals hij gewoonlijk op deze wereld zijn leven leeft, zijn deze drie zielenkrachten innig met elkaar verbonden. Met zijn Ik is hij vervlochten met denken, voelen en willen, omdat de mens, vóór hij door inwijding verder komt, nog niet vanuit zijn Ik aan de ontwikkeling van de hogere wezensdelen heeft gewerkt. Allereerst wordt dat wat in het astraallijf zit, wat de mens aan gevoelens en belevingen, aan driften en begeerten heeft, zuiverder, minder dwingend [er staat ‘gelouterd en gereinigd] Daardoor ontstaat het geestzelf of ‘manas’. Daarna komt de mens dan zo ver dat hij iedere gedachte met een

Blz. 435

bestimmten Gefühlston durchsetzt, daß jeder Gedanke kalt oder warm wird, daß er umwandelt seinen Äther- oder Lebensleib. Das ist die Umwandlung des Fühlens, und es entsteht so die «Buddhi». Dann folgt noch die Umwandlung des Wollens bis in den physischen Leib hinein zu «Atma» oder Geistesmensch. So wandelt der Mensch um sein Denken, Fühlen und Wollen und damit seinen Astralleib zu Manas oder Geistselbst, den Ätherleib zu Buddhi oder Lebensgeist, den physischen Leib zu Atma oder Geistesmensch. Diese Umwandlung ist der Ausdruck für das systematische Arbeiten des Eingeweihten an seiner Seele,
wodurch er sich hinaufhebt in die geistigen Welten.

bepaalde gevoelsnuance doordringt, dat iedere gedachte koud of warm wordt, dat hij zijn ether- of levenslijf lijf omvormt. Dat is de metamorfose van het gevoel en dan ontstaat ‘boeddhi’. [levensgeest] Dan volgt nog de omvorming van de wil tot in het fysieke lichaam, dan ontstaat ‘atma’ of geestmens.
Op deze manier verandert de mens zijn denken, voelen en willen en daarmee zijn astraallijf tot ‘manas’ of geestzelf, het etherlijf tot ‘boeddhi’ of levensgeest, het fysieke lichaam tot ‘atma’ of geestmens. Deze verandering is de uitdrukking van het systematisch werken door de ingewijde aan zijn ziel, waardoor hij verder komt in de geestelijke wereld.

Aber es tritt etwas ganz Bestimmtes ein, wenn die Einweihung in vollem Ernst betrieben wird, nicht als Spielerei.
Wird die Einweihung mit Würde gepflogen, so ist es, als ob des Menschen Organisation in drei Teile geschieden würde und das Ich als König über diesen drei Teilen thronte. Während gewöhnlich beim Menschen die Sphären von Denken, Fühlen und Wollen nicht deutlich getrennt sind, ist der Mensch, wenn er sich höher entwickelt, immer mehr imstande, Gedanken zu fassen, die nicht gleich zu Gefühlen gebracht werden, sondern die vom Ich in freier Wahl zu Sympathie und Antipathie gebracht werden. Nicht schließt sich das Gefühl gleich unmittelbar an einen Gedanken an, sondern der Mensch spaltet sich in Gefühlsmensch, Gedankenmensch, Willensmensch. Der Mensch fühlt
sich als Ich-König, der thront über einer Dreiheit. In drei Menschen zerfällt er. Das tritt ein auf einer bestimmten Stufe der Einweihung. Er fühlt, daß er durch den Astralleib erlebt alle die Gedanken, die sich auf die geistige Welt beziehen. Durch den Ätherleib erlebt er alles das, was als Gefühle die geistige Welt durchzieht, durch den physischen Leib alles, was als Willensimpulse die geistige Welt durchlebt und durchsetzt. 

Als er aan die ontwikkelingsinwijding met volle ernst wordt gewerkt en niet als iets vrijblijvends wordt gezien, gebeurt er iets bijzonders.
Als er waardig aan wordt gewerkt, is het alsof de organisatie van de mens in drie delen wordt gescheiden en dat het Ik als koning daarboven troont. Terwijl gewoonlijk bij de mens de sfeer van denken, voelen en willen niet duidelijk gescheiden is, is de mens wanneer hij zich verder ontwikkelt, steeds meer in staat gedachten te vormen die niet tegelijkertijd gevoelens worden, maar die door het Ik als vrije keuze tussen sympathie en antipathie wordt gebracht. Het gevoel volgt niet onmiddellijk op een gedachte, maar de mens deelt zich op in gedachtemens, gevoelsmens en wilsmens. De mens beleeft zichzelf als Ik-koning die boven de drieheid troont. Hij splitst zich in drie delen .
Op een bepaald niveau van de inwijding gebeurt dat.
Hij voelt dat hij door het astraallijf al die gedachten beleeft die betrekking hebben op de geestelijke wereld. Door het etherlijf beleeft hij alles wat er als gevoelens door de geestelijke wereld heengaat, door het fysieke lichaam alles, wat als wilsimpulsen in de geestelijke wereld leeft en er deel vanuit maakt.

Dat het proberen verder te komen een ernstige zaak is, blijkt aan het eind van deze passage: het kan ook mislukken, m.a.w. het is niet vrijblijvend.
Die mislukking koppelt Steiner hier aan een beeld uit de Parsival:

Blz. 436

Man sagt: Der Mensch fühlt sich selbst als König innerhalb der heiligen Dreizahl. Aber der, der nicht fähig und reif ist, zu ertragen, daß er also gespalten ist, wird nicht die Früchte der Einweihung haben können.
Er wird dadurch, daß ihm Leid über Leid entgegentritt, zurückgehalten von dem, wozu er noch nicht reif ist. Wer unwürdig in die Nähe des Heiligen Grals kommt, wird ein Leidender wie Amfortas und kann nur erlöst werden durch den, der die guten Kräfte in seine Nahe bringt.
Er wird befreit durch Parzival.

Men zegt: de mens voelt zichzelf als een koning binnen dit heilige drietal. Maar degene die niet in staat is en eraan toe is, te verdragen dat hij dus ‘gespleten’ is, kan de vruchten van de inwijding niet smaken. Omdat hij er nog niet rijp voor is, wordt hij door leed na leed wat hem overkomt, ervan weggehouden.
Wie onwaardig in de buurt van de Heilige Graal komt, moet lijden zoals Amfortas en kan pas verlost worden door wie de goede krachten in zijn omgeving brengt. Hij wordt bevrijd door Parsival.

De wat scherpere tegenstelling tussen ‘inwijding’ en ‘helderziendheid’ zoals hierboven aangehaald uit GA 56, is in wat in GA 57 staat, minder scherp. Want ook wanneer het om inwijding gaat, kan je niet volstaan met ‘de goede wil’ en het ‘logische verstand’. Wat zwart-wit: alleen maar antroposofie bestuderen, de kennis daarvan verzamelen, is niet genoeg. 
Als je bij wijze van spreken je laaft aan de mooie gedachten die je als waarheid beleeft, moet je tegelijkertijd ook die waarheid ‘leven’. In je leven moet ‘waarheid’ een grotere rol gaan spelen, dus niet alleen in je hoofd als gedachte, maar ook juist in je gevoel als beleving waar je naar streeft en wat je wil betreft: waar je naar handelt.
Het in je opnemen van antroposofie moet dus hand in hand gaan met een verandering van ons denken, voelen en willen.
(Dat is tegelijkertijd wel een soort vooroefening om een helderziend vermogen te ontwikkelen.)

Een interessante voordracht over ‘waarheid’ staat in GA 58 die als PDF hier is te vinden. Er zijn daarin meerdere hoofdstukken te vinden die te maken hebben met het metamorfoseren van de ziel.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3077-2891

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 304)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.
.

GA 304

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposphischer Grundlage
Opvoed- en onderwijsmethoden vanuit de antroposofie

Voordracht 6, Oslo 24 november 1921     2e voordracht

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

Blz. 173/174

Und wir stehen ja leider einer Welt gegenüber in unserer heutigen Zivilisation, in der der Mensch nur in sehr geringem Maße zur Lebenspraxis geführt wird. Er wird zur Lebensroutine geführt, wird dazu geführt, daß er ein praktischer Mensch doch nur dadurch ist, daß er in mechanischer Weise einzelne Handgriffe ausführt. Die volle Liebe zur Praxis, die volle Liebe selbst zu demjeni­gen, was unsere Hände im groben verrichten müssen, die wird durch die heutige Schulerziehung nur in sehr geringem Maße entwickelt werden können. Gerade dann aber, wenn man in dieser Weise aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus unterrichtet und erzieht, wird man den Übergang finden dazu, daß das Kind, wenn es das Reifezeitalter erlangt hat, ein inneres, selbstverständliches Bedürfnis hat, ein praktischer Mensch zu werden. Wir versuchen daher in der Waldorfschule, indem wir die Kinder heranführen bis zu diesem Lebensalter, das sich der Reife nähert, durchaus überall das Praktische in die Schule einzuführen. Wir versuchen, Handwerkliches, das zu gleicher Zeit in einem gewissen Sinne kunsthandwerklich behandelt wird, in die Schule einzuführen.
Wir haben die Waldorfschule so eingerichtet, daß Knaben und Mäd­chen durcheinander sind.

En helaas staan we in onze huidige beschaving tegenover een wereld waarin de mens maar op heel bescheiden schaal naar de praktijk van het leven wordt geleid. Hij wordt naar routine in het leven geleid, wordt ertoe gebracht, dat hij alleen maar een praktisch mens is door op een automatische manier een paar handgrepen te verrichten. De volle liefde voor de praktijk, de volle liefde zelf voor wat we met onze handen ruwweg moeten verrichten, kan door de huidige schoolopvoeding maar in zeer geringe mate worden ontwikkeld. Maar juist dan echter, wanneer je op deze manier vanuit een echte menskunde lesgeeft en opvoedt, zal je de overgang vinden naar, dat het kind, wanneer het in de puberteit is gekomen, een innerlijke, vanzelfsprekende behoefte heeft om een praktisch mens te worden. Daarom proberen we op de vrijeschool wanneer we de kinderen tot aan deze leeftijd wanneer de rijpheid nadert begeleiden, overal in school het praktische in te voeren. We proberen het werken met de handen, dat tegelijkertijd in zekere zin als kunstzinnig met de handen werken gegeven wordt, in de school te brengen.
We hebben het in de vrijeschool zo georganiseerd dat jongens en meisjes door elkaar zitten.

Es hat sich dadurch bis jetzt nicht der geringste Schaden in der Erziehungsführung herausgestellt. Dafür aber hat sich das andere herausgestellt, daß Knaben Mädchenarbeiten, Stricken, Häkeln und dergleichen außerordentlich gern verrichten, und daß gerade in bezug auf diese Handarbeiten ein wunderbares Zusammenarbeiten stattfindet in der Waldorfschule. Und vielleicht nehmen Sie mir diese persönliche Bemerkung nicht übel: Derjenige, der als Knabe in der Schule einmal Stricken oder Häkeln gelernt hat, der weiß, wieviel heraufgeströmt ist von diesem Strickenlernen, von diesem Häkelnlernen in den Kopf; wieviel übergegangen ist von dem Anfassen der Strickna­deIn und dem Einfädeln der Nadeln in die konsequente Entwickelung des logischen Denkens. Das mag paradox erscheinen, das gehört aber doch zu den Intimitäten des Lebens.
Es ist durchaus nicht immer ein Denkfehler in seinem Ursprunge zu suchen im Intellekt, sondern es muß dasjenige, was in der Blüte des menschlichen Lebens in der Intelligenz zum Vorschein kommt, im ganzen Menschen gesucht werden. Vor allen Dingen aber muß man sich

Tot op heden is er niets gebleken van enig nadeel bij de opvoedingsbegeleiding. Maar er is wel wat anders gebleken, nl. dat jongens het meisjeswerk breien, haken e.d. buitengewoon graag doen en dat juist wat dit betreft bij dit werken met de handen er een prachtige samenwerking op school plaatsvindt. En wellicht neemt u mij deze persoonlijke opmerking niet kwalijk: wie als jongen op school eenmaal heeft leren breien of haken, weet hoeveel er door dit leren breien en haken naar het hoofd gestroomd is; hoeveel er door het beetpakken van de breipennen en de haaknaalden en van een draad in de naald steken naar de zorgvuldige ontwikkeling van het logische denken gestroomd is. Dat mag dan paradoxaal klinken, maar dat hoort toch tot de fijnere zaken in het leven. Het is zeer zeker niet zo dat je een fout in het denken oorspronkelijk in het intellect moet zoeken, maar wat er in de bloei van het mensenleven in de intelligentie tevoorschijn komt, moet in de hele mens worden gezocht. Vooral echter moet je

Blz. 175

klar darüber sein, daß dasjenige, was an praktischer Betätigung zum Ausdrucke kommt, innig zusammenhängt nicht nur in der Wirkung, sondern auch in der Rückwirkung mit alledem, was menschliche Kopf­kultur ist.
Überhaupt liegt derjenigen Menschenerkenntnis, die auf anthroposo­phischer Grundlage ruht, wenn sie Pädagogik und Didaktik werden will, durchaus ob, den Menschen hinzuführen zu einer praktischen, zu einer realistischen Auffassung des Lebens. Anthroposophie will ja nicht in ein mystisches Wolkenkuckucksheim führen, indem der Mensch sich fremd macht gegenüber der Lebenspraxis, Anthroposophie will gerade in die volle Lebenspraxis hineinführen, so daß einem das praktische Leben wirklich lieb wird.
Ich glaube nicht, daß einer ein wirklicher Philosoph sein kann, der, wenn es darauf ankommt, nicht auch einen Schuh wenigstens annähernd fabrizieren kann, der nicht hineingreifen kann in das volle Menschenle­ben. Alle Spezialisierung im Leben, so sehr sie sein muß, hat eigentlich nur eine heilsame Wirkung, wenn der Mensch zu gleicher Zeit wenig­stens von einer gewissen Seite her im vollen Leben drinnensteht. Das können wir natürlich als erwachsene Menschen nicht Das soll aber in einer gewissen Weise doch erfüllt werden in der Erziehung und im Unterricht in der Weise, wie ich mir erlaubte, dies auseinanderzusetzen.

er helder over zijn dat wat er aan praktische activiteit tot uitdrukking komt, sterk samenhangt, niet alleen in de werking ervan, maar ook in het terugwerken op alles wat zich in het hoofd aan het ontwikkelen is.
En eigenlijk is het de taak van de menskunde die haar grondslag vindt in de antroposofie, wanneer deze tot pedagogiek en didactiek wil worden, vooral de mensen tot een praktische, tot een realistische opvatting over het leven te brengen. Antroposofie wil je niet naar luchtkastelen voeren, waardoor de mens vreemd tegenover de praktijk van het leven komt te staan; antroposofie wil juist tot het volle praktische leven brengen, zodat iemand werkelijk van het praktische leven gaat houden.
Ik geloof niet dat iemand een ware filosoof kan zijn, die, als het erop aankomt, niet ook minstens redelijk een schoen in elkaar kan zetten, die niet in het volle mensenleven kan aanpakken. Elk specialiseren in het leven – hoezeer dat ook nodig is – werkt alleen maar heilzaam, wanneer de mens tegelijkertijd, in ieder geval op een bepaalde manier, in het volle leven staat. Natuurlijk kunnen we dat als volwassen mensen niet.
Maar op een bepaalde manier moet dat in de opvoeding en in het onderwijs wel voor elkaar komen, zoals ik dat uiteengezet heb.
GA 304/173-175
Op deze blog vertaald/173-175

.

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5Intelligentie (hand en intelligentie)

.

3076-2890

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 303/1)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 301 [op deze blog vertaald komt opnieuw ter sprake de samenhang tussen denken en beweging. zoals dat in GA 201 en GA 297A vanuit een bepaald perspectief werd belicht.

In GA 302 spreekt Steiner in de 2e voordracht [Stuttgart, 13-06-1921] weer over hoe een kind leert, zou moeten leren – met het oog op de ontwikkeling van hoofd, romp en ledematen.

GA 303

Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens
Gezondmakend onderwijs

Voordracht 8, Dornach 30 december 1921 

Die Einrichtung der Waldorfschule
 De gang van zaken in de vrijeschool

Blz. 143  vert. 156

In diese Zeit fällt dann auch noch dasjenige hinein, was als besonders wichtig gehalten werden muß: der Handarbeitsunterricht; auch
zum Teil dasjenige, was man gewöhnlich als den Handfertigkeitsunterricht bezeichnet. Der Handarbeitsunterricht wird gemäß dem Prinzip der Waldorfschule, das ja in einer Klasse Knaben und Mädchen ver­einigt, auch für Knaben und Mädchen gleichmäßig getrieben. Und es ist im Handarbeitsunterricht eine große Freude für einen, wenn die Knaben und Mädchen zusammen stricken, häkeln und andere ähnliche Arbeiten machen. Man kann durchaus aus der Schulpraxis heraus die Versicherung geben, obgleich der Knabe etwas anderes hat von dem Stricken als das Mädchen, daß dennoch der Knabe auch viel hat da­von, und daß er es vor allen Dingen mit großer Freude tut. Es ist dieses Zusammenarbeiten für die Gesamtentwickelng eines Menschen, wie sich bisher gezeigt hat – ich werde auch das in den Einzelheiten noch besprechen -, von einem ganz besonderen Vorteile. In dem Handfer­tigkeitsunterricht müssen dann wiederum die Mädchen genau dasselbe mitmachen, was die Knaben machen, schwerere Arbeiten, so daß über­all auf die Geschicklichkeit, auf das Geschicktwerden des Menschen hingesehen werden kann.

In de ochtenduren komt ook nog aan bod wat als bijzonder belangrijk moet worden beschouwd: de les handwerken. Gedeeltelijk ook dat wat men gewoonlijk handvaardigheidsonderwijs noemt. De handwerkles wordt gegeven volgens het principe van de vrijeschool, waarin meisjes en jongens samen in een klas zitten, zowel aan de jongens als de meisjes. En het is in de handwerkles voor ons een grote vreugde wanneer de jongens en meisjes samen zitten te breien, te haken en andere, soortgelijke activiteiten. We kunnen vanuit de praktijk de verzekering geven dat, hoewel de jongen het breien anders beleeft dan het meisje, de jongen er ook erg veel aan heeft, en dat hij het voor alles met veel plezier doet. Dit samenwerken is voor de totale ontwikkeling van een mens, zoals tot nu toe gebleken is — ik zal ook dat nog in details bespreken — een heel bijzonder voordeel. In het handvaardigheidsonderwijs moeten dan op hun beurt de meisjes net zo meedoen als wat de jongens doen, zwaardere werkzaamheden dus, zodat overal de aandacht gericht kan worden op de ontwikkeling van de behendigheid, het handig-worden van de mens.
GA 303/143
Vertaald/156

Voordracht 12, Dornach 3 januari 1922

Das Kind vom zehnten bis vierzehnten Lebensjahre:
Pädagogik und Didaktik II
Het kind van 10 tot 14
Pedagogie en didactiek 2

Blz. 220  vert. 248

Unmittelbar nachdem wir den Menschen aus dem schulpflichtigen Alter entlassen, muß er in dasjenige eintreten, was ihn für diesen oder jenen Beruf vorbereitet. Da muß ihm dasjenige überliefert werden, was nun nicht mehr bloß allein aus der menschlichen Natur gegeben wird, sondern was in der Zivilisation als für diesen oder jenen Beruf geeignet aufgespeichert ist. Da muß der Mensch also an eine Spezialität des Lebens anpassungsfähig sein. Wir versuchen gerade in unserer Pädago­gik diesem Hinausgehen in das Leben dadurch gerecht zu werden, daß

Direct nadat de schoolplichtige leeftijd eindigt en we hem laten gaan, moet hij beginnen zich voor te bereiden op een of ander beroep. Dan moet aan hem worden doorgegeven wat nu niet meer alleen uit de menselijke natuur gegeven wordt, maar wat in de beschaving als bestemd voor een of ander beroep besloten ligt. Daar moet de mens dus in staat zijn zich aan te passen aan een specialiteit van het leven. We proberen juist in onze pedagogie te voldoen aan deze intrede in het leven

Blz. 221

wir bei den Kindern oder jungen Leuten, die eben im vierzehnten, fünf­zehnten Lebensjahre stehen, nun allmählich ganz praktische Unter­richtszweige, Weberei, Spinnerei eintreten lassen, an denen wir das Hineinwachsen in das Leben heranbilden wollen. Denn so etwas zu kennen, namentlich an so etwas einmal herumhantiert zu haben, wie an Weberei, Spinnerei, das ist nicht nur für den wichtig etwa, der ein Spinner, ein Weber werden soll, sondern das ist für jeden Menschen, der lebenspraktisch sein will, von außerordentlicher Bedeutung. Es handelt sich dann nur darum, daß man es trifft, gerade im richtigen Alter die richtigen Dinge zu behandeln.

door bij de kinderen of jongelui, die veertien of vijftien jaar oud zijn, nu geleidelijk zeer praktische vaklessen te introduceren, zoals weven en spinnen, waaraan we het binnengroeien in het leven willen ontwikkelen. Want zoiets te kennen, vooral zich met zoiets als weven en spinnen te hebben beziggehouden is niet alleen voor iemand die spinner of wever zal worden belangrijk, maar is voor ieder mens die praktisch in het leven wil staan van buitengewoon groot belang. Het gaat er dan alleen om, dat we op de juiste leeftijd de juiste dingen behandelen.
GA 303/220-221
Vertaald/248-249

In voordracht 14 van deze GA komt handewerken en kunstzinnige vormgeving aan bod, met voorbeelden en vragen van mij.

Rudolf Steiner over handvaardigheidalle artikelen

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3075-2889

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 55)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover en in voordracht 4.
Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/64
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomst van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9GA 34GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59 over staat.

GA 55

In deze voordrachtenreeks is nauwelijks sprake van ‘de levensgeest’.
In de voordracht waarin er iets over wordt gezegd, staan een aantal interessante gezichtspunten over de geesteswetenschap – lees: antroposofie.
In dit artikel benadrukte ik het belang dat Steiner hecht aan ‘interesse in de wereld’, met name voor de leerkracht.
Daarin kwam al ter sprake dat antroposofie verre staat van sektarisme; dat is hier ook weer het geval.

Weer een nieuw aspect is dat antroposofie ook gezondheid – van geest, lijf en leden – kan betekenen.
Leerkracht zijn – vooral ook op een vrijeschool – is een zware taak waarvoor je, zeker ook fysiek, sterk genoeg moet zijn. Het hoeft niet te verbazen dat b.v. ‘wijze woorden, ruime gezichtspunten, verrassende samenhangen, je enthousiast kunnen maken en dat dit enthousiasme een verfrissende, stimulerende werking heeft. Als we voor enthousiasme ‘geestdrift’ zeggen word het duidelijker. ‘Drift’ is een eigenschap van het etherlijf, hoort bij het pulserende wilsleven dat ons fysiek in stand houdt.
Geestdrift houdt ons – aldus Steiner – als deze wortelt in de antroposofie, spiritueel levend en heeft daarmee ook invloed op het leven van het etherlijf. En daarmee ook op de fysieke gezondheid.

Antroposofie als ‘anti-vermoeidheidselixer’ om het zo maar eens te zeggen.
Zie b.v. het artikel van Joop van Dam”: ‘Met vreugde in het nu aanwezig zijn

De voordracht volgt hier vertaald in zijn geheel, uit:

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Het weten van het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het tegenwoordige leven

Blz. 148

Voordracht 9, Berlijn 14 februari 1907

Weisheit und Gesundheit

Wijsheid en gezondheid

Die Geisteswissenschaft will im praktischen Leben wirken, sie will den Menschen Kraft und Sicherheit geben. Sie ist nichts für Neugierige, sondern nur für solche, die tätig sein wollen, die kräftig mitarbeiten wollen im Leben. Geisteswissenschaft hat es zu allen Zeiten gegeben. In den Kreisen, in denen man sie pflegte, hieß es immer, daß der Mensch über die reine Verstandeskraft hinaus sich zu höheren Geisteskräften entwickeln könne, als die des gewöhnlichen Lebens sind. Den Zusammenhang von heilig, heil und heilsam fühlte man dort immer. 

De geesteswetenschap wil actief zijn in de praktijk van het leven; ze wil mensen kracht en zekerheid geven. Zij is niets voor nieuwsgierigen, maar alleen voor degenen die actief willen zijn, die hard willen meewerken in het leven.
Geesteswetenschap heeft altijd al bestaan.
In kringen waarin ze werd beoefend, werd altijd gezegd dat de mens zich verder kan ontwikkelen, verder dan het puur intellectueel vermogen, tot hogere mentale vermogens dan die van het gewone leven.
Daar beleefde men steeds de samenhang van heilig, heel en heilzaam.

Der heilige Geist ist der absolut gesunde Geist, der sich in die menschliche Seele senkt, um Heil zu verbreiten in der Welt. Aber gerade von diesem Gesichtspunkte aus wird die Geisteswissenschaft oft mißverstanden. Sie führt den Menschen von endlichen, egoistischen Zielen des Wissens und Strebens zu großen, universellen Gesichtspunkten, zur Verbindung des Einzelnen mit dem Universum. Aber die höheren Kräfte, die die Geisteswissenschaft dadurch verleiht, ziehen so viele Menschen an und reizen sie zu egoistischem Streben. Trotzdem die Geisteswissenschaft in Wahrheit den Menschen am weitesten abführt vom Persönlichen, so wird sie doch gar oft als Dienerin des Egoismus gebraucht. Von heute auf morgen wollen die Menschen ihre egoistischen Wünsche von ihr erfüllt haben.
Es gab Geisteswissenschaft bei einer Brüderschaft in Afrika, den Therapeuten. Dieselbe Sekte hieß in dem Teil der Erde,

De Heilige Geest is de absoluut gezonde geest die zich nestelt in de menselijke ziel om helende krachten in de wereld te verspreiden. Maar juist vanuit dit gezichtspunt wordt geesteswetenschap vaak verkeerd begrepen. Ze leidt de mens uit de eindige, egoïstische doelen van kennis en streven naar grootse, universele gezichtspunten, die het individu verbinden met het universum. De hogere krachten die de geesteswetenschap zo verleent, trekken echter veel mensen aan en zetten hen aan tot zelfzuchtige activiteiten.
Ondanks dat de geesteswetenschap in werkelijkheid de mens verre houdt van het persoonlijke, wordt ze nogal eens gebruikt als dienaar van het egoïsme.
De mensen willen hun egoïstische verlangens door haar van de ene op de andere dag vervuld zien.

Er was geesteswetenschap bij een broederschap in Afrika, de Therapeutea.  Dezelfde sekte werd in dat deel van de wereld

Blz. 149

in dem das Christentum entstand, Essener oder Essäer. Schon der Name «Therapeuten» zeigt ihre Beziehung zum Geiste und zur Gesundheit. Durch Mittel des Geistes, in Verbindung mit materieller Wissenschaft, heilten die Therapeuten oder Essäer. Wer die Geisteswissenschaft aufnimmt, nimmt
wirkliche Heilmittel auf: ein Lebenselixier ist die Geisteswissenschaft. Nicht
durch Diskussion und logische Gründe soll sie bewiesen werden, sondern ins Leben eingeführt, soll sie diejenigen Menschen, in die sie einfließt, heil und gesund machen. Nur wissen, daß es Reinkarnation und Karma gibt, und in schönen Redensarten davon sprechen können, ist so gut wie Nicht-Geisteswissenschaft. Täglich, stündlich muß man in ihr leben, die Seele ganz damit durchdringen und ruhig abwarten, was geschieht, dann wird man ihre Wirkung sehen.

waarin het christendom is ontstaan, de Essenen genoemd. Al de naam “therapeuten” geeft hun relatie tot de geest en de gezondheid aan. Door middel van de geest in combinatie met materiële wetenschap, genazen de therapeuten of Essenen.
Iedereen die geesteswetenschap in zich opneemt, neemt echte helende middelen in zich op: geesteswetenschap is een levenselixer. Niet door discussie en logische redenen moet ze worden bewezen; geïntroduceerd in het leven moet zij de mensen die haar opnemen heel en gezond maken. Alleen weten dat er reïncarnatie en karma is en erover kunnen praten in mooie zinswendingen, is zo goed als geen geesteswetenschap. Dagelijks, elk uur moet je ermee leven, je ziel er volledig mee doordringen en rustig wachten wat er gebeurt, dan zul je de werking zien.

Wer die geisteswissenschaftlichen Gedanken in sich trägt wie Nahrung- und Samengedanken, in Stunden von Leid und Freude, in Stunden der Devotion und Erhebung, in Stunden, wo das Leben zu zerreißen droht, wer fühlt, wie sie Lust zur Arbeit, Kraft und Hoffnung bringen, der hat sie recht erfaßt. Hier gilt das Goethesche Wort: «Das Was bedenke, mehr bedenke Wie!»
Eine ganz individuelle Angelegenheit des einzelnen Menschen muß die Geisteswissenschaft werden. Zu den Sternen schaut der geisteswissenschaftlich strebende Mensch auf und begreift sie nach den Gesetzen des Lebens, die den ganzen Weltenraum durchpulsen. Wenn des Morgens die Sonne in ihrer Herrlichkeit heraufsteigt und am Abend der Mond in seiner stillen Pracht, wenn die Wolken am Himmelsraum dahinziehen, da schaut er hinauf und da werden ihm die Vorgänge am Himmelszelt zum Ausdruck des seelisch-geistigen universellen Lebens, wie wir die Bewegungen eines Gesichtes oder einer Hand als Ausdruck seelisch-geistigen Lebens im Menschen anschauen. Und dann schauen wir in

Wie de geesteswetenschappelijke gedachten met zich meedraagt als voedende gedachten, gedachten met kiemkracht, in uren van vreugde en verdriet, in uren van devotie en je geestelijk opgetild voelen, in uren waarin het leven je dreigt te verscheuren, wie voelt dat ze zin geeft om te werken, dat ze kracht en hoop geeft, die neemt ze op een goede manier in zich op. Hier geldt het woord van Goethe: ‘Het gaat niet om het ‘wat’, maar om het ‘hoe’,*

*Das Was bedenke, mehr bedenke Wie …: «Faust» II. deel, Laboratorium

Geesteswetenschap moet voor ieder mens een volkomen individuele aangelegenheid worden. De persoon die geesteswetenschap nastreeft kijkt naar de sterren op en begrijpt ze volgens de wetten van het leven, die het hele universum doortrékken. Wanneer de ochtendzon in haar glorie opkomt, en ’s avonds de maan in zijn stille pracht, wanneer de wolken langs de hemel trekken, kijkt hij omhoog en daar worden de processen aan de hemel tot uitdrukking van het universele geest-zielenleven, zoals we de trekken van een gezicht of de bewegingen van een hand als uitdrukking zien van het geest-zielenleven van de mens. En dan kijken we in

Blz. 150

die Vergangenheit, sehen das Wirken der geistigen Welt in der physischen und erheben unseren Sinn zum Geiste. Sauget den Geist ein, und ihr sauget gesundes Leben mit ihm ein!
Aber fern sei jegliche Bequemlichkeit. «Erhebung zum Unendlichen begründet die Gesundheit» sagen viele, vertiefen sich aber nur in abstrakte, allgemeine Gedanken. Das ist nicht wahre Geisteswissenschaft. Die wahre Geisteswissenschaft geht aufs einzelne ein, sie fordert, daß wir uns in
Geduld und Liebe mit jeder Pflanze, jedem Stein befassen.
Nicht durch Zauberei wollen wir die Geisteswelt suchen. Sie ist da. Aber wir sollen sie nicht abseits von der Sinnlichkeit suchen, sondern da, wo wir hingestellt sind zur tüchtigen Arbeit des Tages. So wird die Geisteswissenschaft eine individuelle Angelegenheit. Wie ein Mensch kein Verständnis haben kann für ein Ton- oder Bildwerk, so hat mancher auch kein Verständnis für den Geist. Was manche Menschen sich von Geistererscheinungen für Vorstellungen machen, kann folgendes Beispiel erläutern:

het verleden, zien de werking van de spirituele wereld in de fysieke en we blikken omhoog naar de geest. Als je de geest in je opneemt, neem je, met haar, gezond leven in je op!
Maar verre zij enige gemakzucht. “Je verheffen tot het oneindige brengt gezondheid tot stand”, zeggen velen, maar ze verdiepen zich alleen maar in abstracte, algemene gedachten. Dat is geen echte geesteswetenschap. Echte geesteswetenschap gaat in op details, dat vraagt ​​van ons dat we ons met geduld en liefde met elke plant, elke steen bezighouden.
We willen de geestenwereld niet op magische wijze zoeken. Zij is er. Maar we mogen haar niet zoeken, afgekeerd van het zintuiglijke, maar waar we zijn geplaatst om krachtdadig onze dagtaak te vervullen. Zo wordt geesteswetenschap een individuele zaak. Zoals een mens geen begrip kan hebben voor een muziekwerk of beeldend werk, zo hebben velen ook geen begrip voor de geest. Wat sommige mensen zich voorstellen van verschijnselen van de geest, kan het volgende voorbeeld verduidelijken:

In einer kleinen Stadt beobachtete man eines Abends einen merkwürdigen Lichtschein, der sich an der Kirchhofmauer hinzog. Die ganze Stadt sprach bald davon, und da man keine natürliche Erklärung fand, so mußte es eine Geistererscheinung gewesen sein. Mehrere Personen hatten den Lichtschein gesehen, und das gerade machte die Sache zweifelhaft. Um einen wirklichen Geist zu sehen, muß der Mensch gewisse geistige Organe und Fähigkeiten entwickelt haben. In der heutigen Zeit kann das nur ganz vereinzelt vorkommen. Daß mehrere beliebige Personen den Lichtschein sahen, ist der beste Beweis dafür, daß es kein Geist war. Die Sache klärte sich auch bald auf. Eine alte Dame pflegte allabendlich ihr Hündchen beim Scheine der Laterne herauszuführen. An diesem Abend ward zufällig der Lichtschein bemerkt. Wir sollen nicht derartigen vermeintlichen Geistererscheinungen

In een klein stadje werd op een avond langs de muur van het kerkhof een vreemde lichtstraal waargenomen. Al gauw had de hele stad het erover en aangezien er geen natuurlijke verklaring kon worden gevonden, moest het wel een geestverschijning zijn geweest. Verschillende mensen hadden het licht gezien, en dat maakte de zaak alleen maar twijfelachtiger. Om ​​echt een geestverschijning te zien, moet de mens bepaalde mentale organen en vermogens hebben ontwikkeld. In de huidige tijd kan dat maar heel af en toe gebeuren. Het feit dat verschillende willekeurige mensen het licht zagen, is er het beste bewijs voor dat het geen geestverschijning was. De zaak werd al snel duidelijk.
Een oude dame liet elke avond haar hondje uit bij het licht van een lantaarn. Op die avond werd het licht toevallig opgemerkt. Wij zouden niet zulke veronderstelde geestverschijningen moeten willen opzoeken.

Blz. 151

nachspüren. Die alltäglichen Erscheinungen sind die wichtigsten Manifestationen des Geistes für uns. Weisheit ist nicht bloß Wissenschaft, doch muß sie die Wissenschaft in sich haben: sie ist ins Leben übergetretene
Wissenschaft, die in jedem Augenblick zu Entschluß und Tat werden kann. Wer bloß die Gesetze kennt, ist Wissenschafter. Wer in jedem Augenblick das Wissen so anzuwenden versteht, daß etwas daraus werden kann, ist weise.
Weisheit ist fruchtbar gewordene Wissenschaft. Wir müssen vergessen, woher wir die Gesetze gewannen, und uns mit ihnen durchdringen, daß sie in uns eine Kraft werden.
Goethe kam von der genauen Betrachtung der einzelnen Pflanze zur Idee der Urpflanze. Das ist ein Gebilde der geistigen Intuition, ein Bild einer Pflanze, das in uns leben kann, nach deren Bild man unzählige Pflanzen erfinden könnte, die noch nicht da sind, die aber lebensfähig sein könnten. Im Weisen werden die Gesetze so, daß sie sich loslösen vom Einzelnen, daß sie leben in Ewigkeit.

De alledaagse verschijnselen zijn voor ons de belangrijkste manifestaties van de geest. Wijsheid is niet alleen wetenschap, maar er moet wél wetenschap bij zitten: wijsheid is wetenschap die overgedragen is aan het leven; wetenschap die op elk ogenblik een beslissing en een daad kan worden. Wie alleen de wetten kent, is een wetenschapper. Wie kennis op enig moment zo weet toe te passen dat er iets uit kan komen, is wijs.
Wijsheid is wetenschap die vruchtbaar is geworden. We moeten vergeten waar we de wetten vandaan hebben en onszelf ermee doordringen zodat ze een kracht in ons worden.
Goethe kwam door de nauwkeurige observatie van de individuele plant op de idee van de oerplant. Dit is een schepping van geestelijke intuïtie, een beeld van een plant dat in ons kan leven, naar wiens beeld je talloze planten kan vinden die nog niet bestaan, maar die levensvatbaar zijn. In de wijze mens worden de wetten zodanig dat ze zich losmaken van het individuele, dat ze voor altijd leven.

Dazu gehört aber das, was man Imagination, bildliche Vorstellung nennt. Abstrakte Gedanken und Begriffe können Wissenschaft sein, aber nicht Weisheit. Wäre Goethe bei Begriffen stehengeblieben, so hätte er nicht die Urpflanze gefunden.
Die Urpflanze muß man so lebendig vor sich sehen, daß man sie zeichnen kann mit Wurzeln, Stengeln, Blättern und Früchten, ohne daß sie einer anderen Pflanze ähnlich wäre.
Das ist kein Spiel der Phantasie. Die Phantasie ist nur ein Schattenbild der Imagination, aber sie kann sich zur Imagination erheben. Noch ist uns die Welt der Imagination nicht zugänglich, aber sie kann es werden. Dunkel wäre es
um uns, wenn das Auge das einfallende Licht nicht in Bilder und Farbenvorstellungen umsetzen könnte. So müssen wir, wie im Auge, auch in der Seele Kräfte entwickeln, die gegenständlich sind. Wer glaubt, er müsse warten, bis eine nebel

Daar hoort echter bij, wat we imaginatie, beeldende voorstelling, noemen.
Abstracte gedachten en begrippen kunnen wetenschap zijn, maar geen wijsheid. Als Goethe bij begrippen was gebleven, zou hij de oerplant niet hebben gevonden.
De oerplant zo levendig voor je zien, dat je die kan tekenen met wortels, stengels, bladeren en vruchten, zonder dat die op een bestaande plant lijkt.
Dit is geen fantasiespelletje. De fantasie is slechts de schaduw van de imaginatie, maar die kan tot imaginatie worden. We hebben nog steeds geen toegang tot de wereld van de imaginaties, maar dat kan komen. Het zou donker zijn om ons heen wanneer het oog het invallende licht niet in beelden en kleurvoorstellingen zou kunnen omzetten. Op die manier moeten wij, zoals in het oog, ook in onze ziel krachten ontwikkelen die concreet zijn. Wie denkt dat hij moet wachten tot er hem een vage

Blz. 152

hafte Manifestation eines Geistes ihm erscheint, der hat diese Arbeit nicht erfaßt. Arbeiten muß die Seele, wie das Auge arbeitet, wenn das Licht einfällt. Ohne die Arbeit der Seele kann nie die geistige Welt einströmen. Es müssen Bilder geschaffen werden in der Seele. Die Objektivität bleibt erhalten, wenn man nicht sich Bilder egoistischer Wünsche und so weiter schafft. Wenn der Mensch so seine Seele der geistigen Welt entgegenstreckt, dann strömt die geistige Welt in ihn hinein und wirkt gesundend. Gesundend wirken die Imaginationen, wirken die Bilder. Wenn man die Begriffe der Geisteswissenschaft zu Bildern machen kann, die nicht nur Linien, sondern Leben, Farben und Ton haben, wenn die ganze Welt solch ein Bild wird, dann wird diese Weisheit auf jedem Gebiete des Lebens solch Heilmittel werden, nicht nur für uns selbst, sondern auch für andere, für die ganze Welt. Wenn auch die Bilder zuerst falsch sind, so schadet das nicht. Sie werden berichtigt werden durch die, die uns leiten.

manifestatie van een geest verschijnt, heeft dit werk niet begrepen. De ziel moet zo werken als het oog wanneer het licht erop valt. Zonder het werk van de ziel kan nooit de spirituele wereld instromen. In de ziel moeten beelden worden gecreëerd. De objectiviteit blijft, als je geen beelden vormt van egoïstische verlangens, enzovoort. Als de mens zo zijn ziel op de spirituele wereld richt, dan stroomt de spirituele wereld bij hem binnen en die heeft een gezond makende werking. Imaginaties, beelden, hebben een gezond makende werking. Wanneer je de begrippen uit de geesteswetenschap om kan zetten in beelden, die niet alleen lijnen hebben, maar leven, kleur en toon, als de hele wereld zo’n beeld wordt, dan zal deze wijsheid op elk gebied van het leven zo’n helend middel worden, niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen, voor de hele wereld. Zelfs als de beelden in eerste instantie verkeerd zijn, is dat niet erg. Je wordt op het goede spoor gezet door hen die ons leiden.

Ein solcher Weiser war Paracelsus, er hat sich durchdrungen mit der ganzen Welt und sie umgewandelt in lebendige Kraft, so daß jede Pflanze ihm etwas zu sagen wußte. Was sagte sie ihm? Sie offenbarte ihm, was Weisheit
ist. Das Tier ist in gewissem Sinne weise: im Instinkt des Tieres liegt Weisheit. Aber das Tier hat keine individuelle Seele, sondern eine Gruppenseele, die von außen wirkt, wie eine geistige Wesenheit. Alle Tiere, deren Blut man unbeschadet mischen kann, haben eine gemeinsame Seele, die Gruppenseele. Diese Weisheit der von außen wirkenden Seele ward im Menschen individualisiert. Jeder Mensch hat seine eigene, von innen wirkende, individuelle Seele, aber die Sicherheit des Daseins mußte er dafür einbüßen. Unsicherheit ist das Charakteristische der Wissenschaft. Menschenleben ist Probieren, Wählen, Suchen, Tasten. Aber es

Zo’n wijze was Paracelsus, hij doordrong zichzelf met de hele wereld en transformeerde die in levenskracht, zodat elke plant hem iets te zeggen heeft. Wat zei die hem? Ze onthulde hem wat wijsheid is. Het dier is in zekere zin wijs: in het instinct van het dier zit wijsheid. Het dier heeft echter geen individuele ziel, maar een groepsziel die van buitenaf werkt, zoals een spirituele entiteit. Alle dieren waarvan het bloed zonder risico kan worden vermengd, hebben een gemeenschappelijke ziel, de groepsziel. Deze wijsheid van de ziel die van buitenaf werkt, werd in de mens geïndividualiseerd. Ieder mens heeft zijn eigen individuele ziel die van binnenuit werkt, maar hij moest er de zekerheid van zijn bestaan ​​voor opgeven. Onzekerheid is het kenmerk van de wetenschap. Het menselijk leven is proberen, kiezen, zoeken, aftasten. Maar er is

Blz. 153

gibt eine höhere Entwicklung. Das Wissen, das der Mensch sich mühsam auf dem Probierwege erringt, kann wieder Weisheit werden. Wenn man das Lebendige umschmilzt in ein von Farbe, Ton und Licht Erfülltes, in Imagination, so wird man weise. Das tat Paracelsus. So ging er an jede Pflanze, an jede chemische Substanz heran. Wie das Tier unmittelbar weiß, was ihm heilsam ist, so erkannte auch Paracelsus unmittelbar die Heilkräfte der Pflanzen: aber nicht unbewußt instinktiv, sondern von bewußter Weisheit erfüllt erfaßte er, welchen Kranken das gut sein werde. In diesem Sinne waren auch die Therapeuten und Essäer weise. Das kann man nicht durchprobieren erkennen, sondern nur dann, wenn die Weisheit zur Imagination wird. Die Pflanze spricht dann zu dem Bilde, das von ihr in der Seele lebt und sagt: Ja, dazu bin ich gut. Die Pflanze erkennt ihr Bild in der Seele des Menschen, der sie anschaut, sie verwandelt ihr Bild, und dann weiß und fühlt der Mensch unmittelbar, wozu sie gut ist.

een hogere ontwikkeling. De kennis die je moeizaam verwerft op het pad van het proberen, kan weer wijsheid worden. Wanneer je het levende verandert in iets dat gevuld is met kleur, geluid en licht, in de imaginatie, dan word je wijs. Dat deed Paracelsus. Dat deed hij met iedere plant, met iedere chemische stof. Zoals een dier onmiddellijk weet wat gezond is, zo herkende Paracelsus onmiddellijk de genezende kracht van planten; niet onbewust instinctief, maar van bewuste wijsheid vervuld, en besefte hij met voldoening voor welke zieke dat goed zou zijn. In die zin waren ook de Therapeuten en Essenen wijs. Je kunt het niet door het te proberen leren kennen, je kunt het alleen zien wanneer wijsheid imaginatie wordt. De plant spreekt dan tot het beeld dat van haar in de ziel leeft en zegt: Ja, daar ben ik goed voor. De plant herkent het beeld in de ziel van de persoon die ernaar kijkt, ze transformeert haar beeld, en dan weet en voelt de mens onmiddellijk waar ze goed voor is.

Die Geisteswissenschaft hat nichts gegen wirkliche Wissenschaft einzuwenden, und kein wahrhaft geisteswissenschaftlich strebender Mensch wird versäumen,
sich mit den Errungenschaften der Wissenschaft bekannt zu machen. Aber er bleibt nicht stehen dabei, und so erhebt er das Wissen zu schöpferischem, weisheitsvollem Erkennen. Wir wissen, daß die menschliche Wesenheit zunächst zusammengesetzt ist aus physischem Leib, Äther- oder Lebensleib, Astralleib und dem Ich. Das gewöhnliche Wissen nun dringt nur vor bis zum Astralleib und wird ein Glied von ihm. Die Imagination aber dringt bis in den Ätherleib hinein, erfüllt mit Lebensgeist den Lebensleib und macht, daß der Mensch ein lebendiger Heiler wird. Wie groß die Wirkung der Imagination ist gegenüber rein abstrakten Begriffen, können wir zunächst am besten erkennen an den schlimmen Wirkungen, die sie haben kann. Ein Mensch war

De geesteswetenschap heeft geen bezwaren tegen echte wetenschap en geen mens die waarachtig streeft naar geesteswetenschap zal nalaten zich met de resultaten van de wetenschap vertrouwd te maken. Maar daar blijft het voor hem niet bij en tilt hij het weten op naar een scheppend, wijsheidsvol kennen. We weten dat de mens in eerste instantie is opgebouwd uit een fysiek lichaam, een etherisch of levenslichaam, een astraal lichaam en het Ik. Gewone kennis dringt slechts door tot in het astrale lichaam en wordt er deel van. De imaginatie echter dringt door tot in het etherlijf, vult het levenslichaam met levensgeest en maakt dat de mens vanuit het leven een genezer kan zijn. Hoe groot de werking van de imaginatie is in vergelijking met zuiver abstracte begrippen, blijkt het best uit de slechte werking die deze kan hebben.
Iemand was

Blz. 154

anwesend, als seinem Bruder das Bein amputiert wurde. Bei der Bearbeitung des Knochens gab es einen merkwürdigen Ton. In demselben Moment fühlte er einen heftigen Schmerz an derselben Stelle des Beines, an der bei seinem
Bruder die Operation vorgenommen wurde. Lange Zeit konnte er den Schmerz nicht loswerden, während sein Bruder nichts mehr spürte. Da hatte der Klang des Knochens sich imaginativ in des Menschen Ätherleib eingegraben und
die Schmerzen hervorgerufen. Sehr interessante Versuche machte auch ein Berner Arzt auf diesem Gebiete. Er nahm ein gewöhnliches Hufeisen und befestigte zwei Drähte derartig daran, als seien es die Leitungsdrähte einer Elektrisiermaschine. Jeder, der hinzukam, glaubte, es mit einer solchen zu tun zu haben, und fühlte wirklich, wenn er die Drähte berührte, einen elektrischen Strom. Manche behaupteten sogar, die gräßlichsten Schmerzen zu fühlen.

aanwezig toen het been van zijn broer werd geamputeerd. Er was een vreemd geluid bij de botoperatie. Op hetzelfde ogenblik voelde hij een geweldige pijn in hetzelfde deel van zijn been waaraan zijn broer werd geopereerd. Lange tijd  kwam hij niet van de pijn af terwijl zijn broer niets meer voelde. Het geluid van het bot had zich imaginatief in het etherlijf genesteld en daar de pijn veroorzaakt.
Een arts uit Bern deed zeer interessante experimenten op dit gebied. Hij nam een ​​gewoon hoefijzer en bevestigde er twee draden aan alsof dat draden waren die naar een elektriseermachine liepen. Iedereen die het zag, was van mening dat het zo’n ding was en voelde werkelijk de elektrische stroom als de draden werden aangeraakt. Sommigen beweerden zelfs de heftigste pijn te voelen.

Die ganze Veranstaltung wirkte eben bildlich. Einreden hätte man das den Menschen nicht können. Es gibt gewisse Leute, die reich werden durch die Herstellung von Pillen aus gewöhnlichem Brot. Diese Pillen «heilen» alle möglichen Krankheiten und finden namentlich als Schlafmittel Anwendung. In einem Sanatorium pflegte eine Dame regelmäßig des Abends solche Pillen zu nehmen. Sie schlief stets vortrefflich danach. Da beschloß sie eines Abends, sich das Leben zu nehmen und nahm so viele Pillen, als sie erwischen konnte. Die Sache wurde indes bemerkt und die Ärzte der Anstalt gerieten in die größte
Aufregung, denn die Dame zeigte alle Symptome des herannahenden Todes. Nur ein Arzt blieb ruhig, und das war der, der die Pillen gemacht hatte.
Der Mensch muß Kraft haben, das bloß Gewußte zum lebendigen Bilde zu machen. Darauf beruht auch die Wirkung der Hypnose. Ausgeschaltet ist in der Hypnose der

De hele gebeurtenis werkte gewoon beeldend. Dat had je mensen niet kunnen aanpraten. Er zijn bepaalde mensen die rijk worden door van gewoon brood pillen te maken. Die pillen «genezen» allerlei ziekten en worden vooral als slaappil gebruikt. In een sanatorium slikte een dame dergelijke pillen
’s avonds regelmatig. Daarna sliep ze altijd heel goed. Toen besloot ze op een avond een einde aan haar leven te maken en ze nam zoveel pillen als ze kon bemachtigen. De zaak werd echter intussen opgemerkt en de artsen van de instelling werden zeer ongerust omdat de dame alle symptomen van een naderende dood vertoonde. Slechts één arts bleef kalm, en dat was degene die de pillen had gemaakt.

De mens moet de kracht hebben om wat alleen geweten wordt, tot een levend beeld te maken. Daarop berust ook de werking van de hypnose. Bij hypnose is het

Blz. 155

astralische Leib, und der Hypnotiseur wirkt direkt auf denÄtherleib ein durch Bilder. Aber das ist ein krankhafter Prozeß. Die Bilder, die wir schaffen, drücken sich dem Ätherleib ein. Und sind die Bilder aus der geistigen Welt genommen, so können sie alles Krankhafte aus der geistigen Weltenkraft heraus austilgen, das heißt mit den Weltenströmungen ausgleichen, harmonisieren. Alles Krankhafte stammt aus dem Egoismus. Bei einem solchen Vorgang werden wir über unser gewöhnliches Vorstellungsleben hinausgehoben: Gleichsam ein Herabdämmern der gewöhnlichen
Vorstellungen findet dann statt. Und das muß bisweilen eintreten, zum Beispiel im Schlaf. Da trennt sich der Astralleib mit dem Ich ab von dem physischen Leib und Lebensleib und vereint sich mit dem Geiste der Erde. Und von da aus wirkt er gesundend auf den Ätherleib ein, prägt ihm Gesundung bringende Bilder ein. Aber das geschieht unbewußt.

astraallijf uitgeschakeld en de hypnotiseur werkt direct in op het etherlijf door beelden. Maar dat is een ziekelijk proces.
De beelden die wij scheppen drukken zich in het etherlijf af. En als deze uit de geestelijke wereld gehaald zijn, zijn ze in staat vanuit de geestelijke wereldkracht alles wat ziekmakend is, te verdrijven, d.w.z. te harmoniseren en met de wereldetherstromen in evenwicht te brengen [vrij vertaald].
Alles wat ziekmaakt, komt vanuit het egoïsme. Bij zo’n proces worden we boven ons gewone voorstellingsleven opgetild: a.h.w. vindt er een doffer worden van de gewone voorstellingen plaats. En dat moet zo nu en doen gebeuren, bijv. in de slaap. Dan maken het astraallijf en het Ik zich los van het fysieke lichaam en het etherlijf en worden één met de geest van de aarde. Vandaaruit werkt het astraallijf gezondmakend op het etherlijf in, drukt het gezondmakende beelden op. Maar dat gebeurt onbewust.

Nur der höher Entwickelte tut dies bewußt. Urewige Ideen stehen hinter allem, sagt Plato. Ein Seher sieht das geistige Wesen in jeder Pflanze, die Gestalt der Pflanze ist ja selbst aus solchen geistigen Bildern aufgebaut. Der
Mensch kann diese Bilder aufnehmen und dadurch schöpferisch werden. Nur Tiere und Menschen, eigentlich nur Menschen, können erkranken. Die Bilder als Geistiges wirken in der ganzen Natur, wir Menschen aber nehmen den Geist in uns hinein und müssen ihn nun wieder zum Leben erheben. Imaginative Weisheit wird Gesundheit bringen.Was befruchtend wirkt bis zum Bilde, das ist Weisheit. Der Geist schafft die Imagination. Die Geisteswissenschaft, die uns solche Weisheit gibt, kann uns am besten Heilung von Krankheiten bringen, und zwar vor allem – vorbeugend — von solchen, die man noch nicht hat. Aber das ist freilich schwer zu kontrollieren. Die Geisteswissenschaft hat auch die Kraft, die den Menschen verjüngt, kraftvoll und jung

Wie meer ontwikkeld is, doet dit echter bewust. Achter alles staan oeroude ideeën, zegt Plato. Een helderziende ziet het geestelijke wezen in iedere plant, de vorm van de plant is zelfs uit dergelijke geestelijke beelden opgebouwd. De mens kan die beelden in zich opnemen en daardoor scheppend worden. Alleen dieren en mensen, eigenlijk alleen mensen, kunnen ziek worden. De beelden werken in de natuur als iets geestelijks, wij mensen echter nemen de geest in ons op en moeten deze weer tot leven brengen. Imaginatieve wijsheid geeft gezondheid.
Wat tot in het beeld bevruchtend werkt, is wijsheid. De geest schept imaginaties. De geesteswetenschap die ons die wijsheid geeft, kan ons het beste genezen van ziekten en vooral preventief, van ziekten die je nog niet hebt. Maar dat is natuurlijk lastig te controleren. Geesteswetenschap heeft ook de kracht die de mens verjongt, krachtig en jong

Blz. 156

erhält. Die Weisheit gießt Lebenskraft in den Menschen, und die Jugendkraft ist etwas, was stark und frisch macht. Solche Weisheit öffnet die Seele. Und Weisheit ist der Same der Liebe. Liebe kann man nicht predigen. Am mitleid- und liebevollsten waren die Therapeuten und Essäer. Weisheit durchwärmt die menschliche Seele, läßt die Liebe ausströmen; darum ist es nicht wunderbar, wenn solche Weise durch Handauflegen heilen konnten. Die Weisheit strömt
Liebeskraft in die Glieder. Weil Christus der Weiseste war, war er auch der beste Heiler, strömte die Liebe und das Mitleid von ihm aus, was allein helfen kann. Wenn ein Mensch mit gebrochenem Bein auf der Straße liegt, und es stehen die liebevollsten Menschen um ihn herum, so werden sie ihm doch nicht helfen können. Wenn aber ein Arzt kommt, der ein Bein einzurichten versteht, dem seine Weisheit ermöglicht, sein Mitleid zur Tat werden zu lassen, dann wird geholfen werden. Können, erkennen, weise sein ist die Grundlage alles Menschenhelfens. Weisheit ist immer um uns in der Welt, weil weise Wesen sie ausgössen. Wenn die Weisheit auf ihrem Gipfel angekommen ist, wird sie sein die allumfassende Liebe. Liebe wird die zukünftige Welt uns entgegenstrahlen. Weisheit ist die Mutter der Liebe. Der weisheitsvolle Geist ist der große Heiler. Darum ist der Christus, die Liebe, aus dem heiligen, das heißt heilenden Geist geboren.

houdt. De wijsheid laat vitaliteit in mensen stromen, en jeugdige kracht, het is iets dat hen sterk en fris maakt. Dergelijke wijsheid opent de ziel. En wijsheid is het zaad van de liefde. Je kunt geen liefde prediken. Meest meelevend en liefdevol waren de Therapeuten en Essenen. Wijsheid verwarmt de menselijke ziel, laat liefde stromen; daarom is het niet verwonderlijk als zulke wijzen konden genezen door handoplegging. De wijsheid laat de kracht van liefde in de ledematen stromen.
Omdat Christus de meest wijze was, was hij ook de beste genezer, hij straalde liefde en mededogen uit, dat alleen al kon helpen.
Als een persoon op straat ligt met een gebroken been en de meest liefdevolle mensen staan om hem heen, zullen ze hem niet kunnen helpen. Maar als er een dokter komt die weet hoe hij een been moet zetten, wiens wijsheid hem in staat stelt zijn mededogen om te zetten in daden, dan wordt er geholpen.
Kunnen, herkennen, wijs zijn is de basis van alle menselijke hulp. In de wereld is er altijd wijsheid om ons heen omdat wijze wezens het uit zich laten stromen. Wanneer de wijsheid haar hoogtepunt heeft bereikt, zal het allesomvattende liefde zijn. De toekomstige wereld zal liefde naar ons uitstralen. Wijsheid is de moeder van de liefde. De wijze geest is de grote genezer. Daarom is de Christus, de liefde, geboren uit de heilige, dat wil zeggen, genezende geest.
GA 55/voordracht 9
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3074-2888

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-2/1)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel een inleiding tot meer begrip.

Het verschijnsel  ‘Ahriman’ gaat terug tot in de Perzische cultuur en is dus geen ‘vinding’ van Steiner.

Wanneer de kinderen in de 5e klas geschiedenis krijgen, gaan ze ook terug naar die verre oudheid van het rijk der Perzen. Zie bijv. deze achtergronden.
Een van de belangrijkste culturele erfenissen uit deze tijd is deZend-Avesta‘, het heilig boek der oude Perzen, dat de leer van Zoroaster [Zarathustra] bevat.

Hier ontmoeten we Ahriman in de gedaante van de leugengeest:

LUISTER NIET NAAR DE LEUGENAAR!
HUIS EN HOF, LAND EN WERELD

ZAL HIJ VERDERVEN!
O, WEER U TEGEN SLECHTE GEDACHTEN.

EENS SPATTE ‘T VUUR
NAAR ALLE KANTEN,
MAAR EENS ZAL’T AL
EEN VUURVLAM ZIJN…….

GA GENE WEG
OF DEZE WEG,
WEES ROOK OF VLAM!
LAAT U VERDRUKKEN
IN DE STIKWALM
OF LAAT U LAAIEND
NAAR BOVEN STUWEN

DE KEUS IS U!

Mijn oma was eenvoudig levende vrouw. Ze had een a.h.w. intuïtief gevoel voor ‘het goede’, maar ook voor ‘het boze’, want zo noemde ze de dingen die afbreuk deden aan het menselijke. Liegen bijv. noemde ze ‘van de duivel’. En ze waarschuwde ons weleens dat ‘satan altijd op de loer ligt’. 
Als puber verwezen we die mededelingen naar het rijk van de onzin, m.n. het bestaan van een concreet wezen duivel.

Toen ik later in de 5e klas bovenstaand vers uit de Avesta met de kinderen reciteerde, moest ik weer aan oma terugdenken. ‘Liegen is van de duivel’. 
Hier was het terug, maar nu als leugengeest: Angra Manyu, ook wel Angra Mainyu en Ahriman – boze geest. Soms is er de bijnaam Peetiare: ‘bron van het boze’, ‘geest van de duisternis’.
Daartegenover staat de bron van het goede, het licht, de lichtgod Ormuzd, ook Ahura Mazdao genoemd. 
Ahriman heet in de Bijbel Satan. 
In de Faust van Goethe heet de duivel Mefistofeles, vanuit het Hebreeuws
. מֵפִיץ mephiz „de verderf brengende“ en ט֫פֶל tophel „de  leugenaar“).

In het Driekoningenspel zien we hoe de duivel bij Herodes iets in diens oor fluistert. Een macht, een kracht, iets geestelijks, ‘een geest’ inspireert [het spirituele!] Herodes tot zijn verderfelijke daad van de kindermoord.

[Even terzijde: in het Paradijsspel is er ook een duivel, die daar ‘satanas’ wordt genoemd. In zijn uitleg noemt Steiner deze duivel een luciferische geest, de duivel van het Driekoningenspel, een mefistofelische. Voor beide geesten nuanceert Steiner in bepaalde voordrachten nog een en ander].

Wanneer je je bezighoudt met deze materie en er meer greep op wil krijgen, is Steiner een grote bron en kan het, zoals bij mij, zo gaan dat zijn gezichtspunten allerlei vragen oproepen waarvan het antwoord niet klip en klaar gegeven is, wordt.

Hoe vaak kun je je niet afvragen, wanneer er in de wereld weer iets gebeurt waarbij mensen elkaar iets mensonterends aandoen: ‘Wie doet zoiets, wie bedenkt zoiets, waarom doe je het, waarom denk je zo. Wat beziel!t je. Wie of wat heeft bezit van je genomen, dat je als een ‘bezetene’ handelt?

Zo’n gedachte krijgt dan door een opmerking van Steiner [het kan ook andersom] iets concreets, bijv. wanneer hij zegt: 

Ahriman hat sich in der Verstandesseele festgesetzt, die durch unbewusste Umwandlung von Teilen des Ätherleibs entstanden ist. In diesem zweiten Glied der menschlichen Seele, der Verstandesseele, also in dem umgearbeiteten Stück des Ätherleibes, da hat sich festgesetzt Ahriman. Da ist er drinnen und führt den Menschen zu falschen Urteilen über das Materielle, führt ihn zu Irrtum und Sünde und Lüge, zu allem, was eben aus der Verstandes- oder Gemütsseele kommt. In alledem zum Beispiel, daß der Mensch sich der Illusion hingibt, mit der Materie sei das Richtige gegeben, haben wir Einflüsterungen des Ahriman, des Mephistopheles zu sehen.“ 

Ahriman heeft zich in de verstandsziel genesteld die door onbewuste veranderingen van delen van het etherlijf ontstaan is. In dit tweede deel van de menselijke ziel, de verstandsziel, dus in het omgewerkte stuk van het etherlijf, heeft Ahriman zich verankerd. Daar zit hij in en leidt de mens naar verkeerde oordelen over de materie, brengt hem tot vergissingen en zonde en leugen, tot alles wat uit de verstands- of gemoedsziel komt. Bijv. in alles waarbij de mens zich aan de illusie overgeeft dat met de materie de werkelijkheid gegeven is; daarin moeten we influisteringen van Ahriman, van Mefistofeles zien. 
GA 107/247-248    
Niet vertaald

Het ‘kwaad’ blijkt van alle tijden te zijn, dus we zouden erin kunnen berusten.

Maar dat is niet wat ‘de tijd’ laat zien. Meer dan vroeger en lang en heel lang geleden, zien we mensen die ‘het kwaad’ willen benoemen, het willen bestrijden, het aan de kaak willen stellen.

Dat is de inspiratie van een andere geest. Die wil het onder de mensen eerlijker, liefdevoller, menselijker maken. 
Edeler, hoogstaander: de geest daarvan is de michaëlische en de antroposofie is er m.n. gekomen om die geest te beschrijven. Sterker: om de boodschapper te zijn van die geest.
Aan die geest refereert Steiner in de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde‘ als de vrijeschool wordt gesticht.

En staande in die vrijeschool-michaëlsstroom moeten wij nu meer dan ooit voor onze kinderen – en de toekomst van de aarde – de leugengeest die ons juist van die toekomst wil beroven – leren kennen. 
Niet sussend negeren, niet fanatiek bestrijden, niet in eigen kring bespreken, maar open staand in de wereld waarin onze kinderen opgroeien, de juiste tegenmaatregelen nemen.
Een van die tegenmaatregelen is, Ahriman leren kennen, hem doorgronden, zijn positieve werking die er ook is – leren zien en daarvan gebruik maken zonder dat het ons schade berokkent.

Door de ontwikkeling om ons heen – in het bijzonder die plaatsvindt in de digitale wereld – kunnen we steeds meer zien waar ‘de leugengeest’ zich manifesteert: we hebben het niet voor niets over ‘nep-nieuws’; we kunnen schrikken van de ‘nepfoto’s en nepstemmen’, nauwelijks of niet van echt te onderscheiden’. Het manipuleren daarmee is een aanslag op de persoonlijke vrijheid.
Hier kan list en bedrog hoogtij vieren!

Steiner beschrijft Ahriman ook als een wezen dat bezit wil nemen van onze intelligentie.
‘Mechaniseren van de geest’ [o.a. in GA 296/16, vertaald] roept nu onmiddellijk de associatie op met ‘Artificial Intelligence’ – de afkorting A I kwam ik al een keer tegen als ‘Ahrimanische Intelligentie’- maar is in feite deel van een proces dat al heel lang gaande is, samen te vatten in ‘materialisme’.

Voor het onderwijs zet Steiner hier ‘kunstzinnig onderwijs‘ tegenover.

Het antwoord op meer ‘digitaal in de school’ moet dus zijn – naast het doorzien van de negatieve kanten – nóg kunstzinniger onderwijs.

.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskunde: alle voordrachten

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3073-2887

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 302/1)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 301 [op deze blog vertaald komt opnieuw ter sprake de samenhang tussen denken en beweging. zoals dat in GA 201 en GA 297A vanuit een bepaald perspectief werd belicht.

In GA 302 spreekt Steiner in de 2e voordracht [Stuttgart, 13-06-1921] weer over hoe een kind leert, zou moeten leren – met het oog op de ontwikkeling van hoofd, romp en ledematen.

Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung

Menskunde en opvoeding

In de 3e voordracht verwijst hij daarnaar: 

Wenn Sie an das sich erinnern, was ich gestern gesagt habe, daß der ganze Mensch eigentlich der Logiker ist, nicht nur der Kopf, so werden Sie die Bedeutung der reinen Geschicklichkeitsarbeiten auch in der entsprechenden Weise würdigen lernen. Es war durchaus nicht bloß eine Schrulle, als die Forderung aufgetaucht ist, bei uns sollen die Knaben auch stricken und so weiter. In dieser Betätigung der Hände drückt sich, bildet sich dasjenige aus, was tatsächlich die Urteilsfähigkeit um Wesentliches erhöht

 Als u zich herinnert wat ik gisteren heb gezegd, namelijk dat de logicus in feite de gehele mens is, niet alleen maar zijn hoofd, dan zult u de betekenis van de zuivere handvaardigheidsactiviteiten ook op de juiste manier leren waarderen. Het was echt niet zo maar een gril dat de eis ontstaan is dat bij ons de jongens ook leren breien, en dergelijke. In een dergelijke activiteit van de handen drukt zich iets uit, ontwikkelt zich iets wat in feite het oordeelsvermogen essentieel versterkt.
GA 302/50
Vertaald/49

Voordracht 4, Stuttgart 15 juni 1921

Blz. 70

Der Handarbeits- oder Handfertigkeitslehrer wird sich sagen können, er arbeitet ganz besonders am Geiste. Wenn wir in der richtigen Weise mit dem Kinde stricken und Dinge machen, die Sinn haben, oder durch Handfertigkeitsunterricht Dinge machen, die Sinn haben, dann arbeiten wir wirklich oftmals mehr am Geiste, als wenn wir den Kindern das beibringen, was man für das Geistige hält.

De leraar handwerken of handenarbeid zal zich realiseren dat vooral hij aan de geest werkt. Als we met de kinderen op de juiste wijze breien en zinvolle dingen maken, of in de handenarbeid dingen maken die zin hebben, dan werken we echt vaak meer aan de geest dan als we ze dingen leren die men voor geestelijk houdt.
GA 302/70
Vertaald/69

.
In GA 302 behandelt Steiner ook een onderwerp voor het handwerken wat betreft de kunstzinnige vorming: zie GA 303/2

Rudolf Steiner over handvaardigheid: alle artikelen

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3072-2886

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-1)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Vóór Steiner aan het woord komt, volgt hier eerst een artikel waarin duidelijk wordt verwoord hoe we naar het ‘ahrimanische’ – juist in onze tijd! – kunnen kijken.

Hanneke de Leeuw, Antroposofisch Magazine sept. 2017 nr. 7
.

Over de krachten die ons aan de materie binden
.

Dat is ahrimanisch
.

Het is een regelmatig gehoorde uitspraak in antroposofische kringen: “Dat is ahrimanisch”.
Vaak gaat het dan om een computer, een mobiele telefoon of iets anders technisch of digitaals.
Bekend is dat antroposofen nogal behoudend zijn als het gaat om overmatig gebruik ervan. Ze zouden ons wegvoeren van ons vrije ‘ik’.

Ahriman is de verpersoonlijking van de krachten die ons als mens aan de materie binden.

Het leven als mens is uiteraard niet mogelijk zonder een zekere mate van verbinding met het aardse. Mijn lichaam, de natuur en de dingen om mij heen bieden me houvast in de dagelijkse realiteit. Zonder de verbinding met mijn lijf, de steun van de aarde onder me en de tastbare mensen om mij heen zou ik geen leven als individu kunnen leiden. Aardse beperkingen en obstakels zorgen er voor een belangrijk deel voor dat ik me kan ontwikkelen en kan groeien, met vallen en opstaan.

Toch kan de materie ook harder aan me gaan trekken dan ik zou willen. Als ik met mijn dagelijkse bewustzijn om me heen kijk, kan ik gemakkelijk tot de conclusie komen dat de wereld die ik zie, niets meer is dan een verschijnsel van de materie. Ik kan mezelf, mijn medemensen en de samenleving gaan beschouwen als systemen die onderhevig zijn aan de wetten van de materie en die naarmate we meer kennis vergaren volledig te begrijpen en mogelijk zelfs te voorspellen zijn.

Inperking van het geestelijke

Denken in systemen is voor mensen niet helemaal zonder gevaar. Overal zijn valkuilen. Als ik deel uitmaak van een systeem, dan loop ik het risico dat ik mij met het systeem ga identificeren en me ernaar ga voegen. Soms ook als het systeem helemaal niet is ingericht in het belang van mijn vrijheid, ontwikkeling en mens-zijn.
Als ik geloof dat ik een geavanceerde biologische machine ben, kan ik dan nog open staan voor andere, meer ongrijpbare aspecten die het leven mooi en waardevol maken?
Als ik geloof dat mijn waarde afhangt van mijn baan, mijn geld en mijn spullen, kan ik dan nog andere waarden voelen en herkennen?
Als ik geloof dat ik moet meedraaien in het bestaande economische systeem, kan ik dan nog zien hoe het ook nog anders zou kunnen?

De tendens van het ahrimanische is om het geestelijke in te perken. Het werkt verhardend en verkillend op het levende en het menselijke. Sinds het einde van de negentiende eeuw zien we een toenemende trend van mechanisering, technologisering en digitalisering die het de mens in toenemende mate lastig maakt om zichzelf in vrijheid te verhouden tot zichzelf, de medemens en de wereld. Met de mechanisering kwam er een mensbeeld op waarin een individu kon worden gereduceerd tot een vervangbaar radertje in een veel groter geheel en raakte zijn waarde voor de samenleving geassocieerd met zijn economische productiviteit. Door de technologisering werd het mogelijk om de mens zelf te gaan beschouwen als een geavanceerde machine, die kan worden bediend, onderhouden en waar nodig kan worden gerepareerd.

Wie bepaalt wie ik ben?

De huidige trend van digitalisering stelt ons voor nieuwe uitdagingen wat ons mensbegrip betreft. Bij mijn account bij ’s werelds grootste socialmedia-aanbieder hoort een zorgvuldig samengesteld profiel dat ik bij elk bezoek aan de site krijg teruggeprojecteerd. Ik krijg dingen te zien die volgens de achterliggende algoritmes bij mijn leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en eerder klikgedrag passen. Dat heeft zo zijn voordelen, maar ik loop ook het risico dat ik mij gaandeweg steeds meer ga voegen naar het beeld dat ik krijg voorgeschoteld. Want is mijn persoonlijke profiel wel echt een uitdrukking van mijn eigen individualiteit? Of trekt het me juist meer dan nodig richting het gemiddelde dat volgens de algoritmes op mijn persoonlijke kenmerken van toepassing is. Wie bepaalt dan eigenlijk nog wie ik ben?

Het is te verwachten dat de genoemde trends zich de komende tijd nog wel verder zullen voortzetten. Voor mij als mens levert dat de uitdaging op om ondanks de mij omringende systemen en technologieën te blijven zoeken naar wat mij als mens drijft, waar en wanneer ik me vrij voel en hoe ik me gezond kan verhouden tot projecties, valse beelden en halve waarheden. Ik wil blijven zoeken naar het verrassende, het onverwachte, de kleine dingen die mijn leven en mijn denken op een geheel nieuw spoor kunnen zetten. Het is niet uitgesloten dat ik systemen, organisaties en techniek vind die me daarbij van dienst kunnen zijn. Ze mogen alleen nooit voor mij de dienst gaan uitmaken. 

Ahriman en Lucifer

Eigenlijk is alles wat we om ons heen zien Ahriman en Lucifer; ze zitten in ons. Hun strijd om onze ‘ziel’ speelt zich in ons af. We moeten als mens het midden zoeken tussen twee krachten die aan ons trekken en ons willen meeslepen. Die krachten worden in de esoterische traditie al eeuwenlang Ahriman en Lucifer genoemd. Ahriman helpt ons om ons van het aardse leven bewust te worden. Maar hij is ook degene die ons verleidt tot materialisme, hebzucht en een beperkt (geestloos) denken. Hiertegenover staat de andere tegenmacht. Lucifer, die de mens wegvoert van het aardse leven in de materie. Lucifer is degene die ons het geschenk van de vrijheid geeft, maar die ons ook wil verleiden tot egoïsme, fanatisme en een zekere zweverigheid.

.
Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3071-2885

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 56)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover
en in voordracht 4.

Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomst van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/65
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomst van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9GA 34GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59 over staat.

GA 56

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 3, Berlijn, 24. oktober 1907

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Na wat Steiner hier zegt over de ontwikkeling van het astraallijf, gaat hij verder met:

Blz. 77

Alles, was wir lernen, gestaltet den Astralleib um.
Wenn wir uns einen Begriff machen wollen von dem Gegensatz der Umgestaltung des Astralleibes und der Umgestaltung des Ätherleibes durch das Ich, so müssen wir uns einmal erinnern, wie wir als achtjährige Kinder waren.
Da haben wir manches nicht gewußt, was wir heute wissen.
Vieles haben wir gelernt. Unter den Empfindungen, die wir so aufgenommen haben, hat sich der Astralleib umgewandelt, hat er sich Geistselbst oder Manas eingegliedert.
Alles aber, was, als wir ein achtjähriges Kind waren, unser Temperament, unsere Neigungen und so weiter ausgemacht hat, das hat sich nicht in der gleichen Weise umgestaltet.
Wenn Sie mit acht Jahren ein jähzorniges, ein bockbeiniges Kind waren, dann sind Sie wahrscheinlich heute noch

Wanneer we een begrip willen ontwikkelen van de tegenstelling tussen de omwerking door het Ik van het astraallijf en het etherlijf, zouden we ons moeten proberen te herinneren hoe we als achtjarige kinderen waren.

Toen wisten we veel niet van wat we nu wel weten.
We hebben er veel bijgeleerd. 
Onder de gewaarwordingen die we zo in ons hebben opgenomen, is het astraallijf veranderd, is het deel geworden van het geestzelf of manas. 
Maar hoe op 8-jarige leeftijd ons temperament was, wat onze neigingen waren, dat is niet op dezelfde manier anders geworden. 
Als je als 8-jarige een driftkikker was of een stijfkop, dan ben je dat

Blz. 78

manchmal jähzornig oder bockbeinig. Die Umwandlung des Temperaments und der Neigungen geht viel langsamer vorwärts. Man kann das Fortschreiten des Astralleibes mit der Bewegung des Minutenzeigers und den Fortschritt des
Ätherleibes mit dem Vorrücken des Stundenzeigers vergleichen. Es ändern sich die Neigungen aber nur, wenn sich der Ätherleib wandelt, und es gehören dazu stärkere Impulse als zur Umwandlung des Astralleibes. Solche starken Impulse hat der Mensch, der in der Geisteswissenschaft steht, und er kann sie schon haben, wenn er dem Eindruck eines Kunstwerks ausgesetzt wird, hinter dem der Mensch den unendlichen Sinn, sagen wir von Wagners «Parsifal» oder von Beethovens Neunter Symphonie, sieht. Diese Impulse sind nicht bloß wirksam auf den Astralleib, sondern sie sind so stark, daß der Ätherleib des Menschen geläutert, gereinigt und verwandelt wird. Ebenso ist es, wenn der Mensch vor einem Bild Raffaels oder Michelangelos steht und durch die Farbe ein Impuls von dem Ewigen ihn durchdringt. Aber die stärksten Impulse sind doch die religiösen Impulse der Menschheit. Was als religiöse Impulse durch die Zeiten hindurchgegangen ist, hat die Menschen so stark verwandelt, daß es ihren Ätherleib ergriffen hat, so daß die Menschen auch in bezug auf ihren Ätherleib
zwei Teile in sich tragen, den unverwandelten, wie von der Natur empfangenen Teil, und den umgewandelten. Der umgewandelte Teil heißt Lebensgeist oder Buddhi.

waarschijnlijk soms nog weleens. Het veranderen van je temperament en je neigingen gaat veel langzamer. Vooruitgang wat je astraallijf betreft, zou je kunnen vergelijken met het vooruitgaan van de grote wijzer op de klok, en wat je etherlijf betreft met het verdergaan van de kleine wijzer. Neigingen veranderen alleen als het etherlijf verandert en daarvoor zijn sterkere impulsen nodig dan voor het omwerken van het astraallijf. Zulke sterke impulsen heeft een mens wanneer hij met de geesteswetenschap leeft, en hij kan die ook krijgen wanneer een kunstwerk indruk op hem kan maken, een kunstwerk waarachter hij dan de oneindige betekenis ziet van, laten we zeggen ‘Parsifal’ van Wagner of Beethovens negende symfonie. Deze impulsen werken niet alleen maar op het astraallijf, maar deze zijn zo krachtig dat het etherlijf erdoor gelouterd, gereinigd en verander wordt.
En dat gaat ook zo als de mens voor een schilderij van Rafael of  van Michelangelo staat en er een impuls van eeuwigheidswaarde door hem heen gaat. 

Maar de sterkste impulsen zijn toch de religieuze impulsen van de mensheid. Wat als religieuze impulsen door de tijd heen is gegaan, heeft de mens zo sterk veranderd, dat het etherlijf er sterk door beïnvloed werd, zodat de mens een etherlijf heeft dat uit twee delen bestaat: het deel dat niet veranderd is, zoals hij dat door de natuur gekregen heeft en het deel dat omgewerkt is. Dit deel heet levensgeest of buddhi.

Tritt dann an den Menschen das heran, was wir kennenlernen, wenn wir einen Vortrag über die Einweihung oder Initiation hören, so tritt das noch stärker hervor, was den Ätherleib umwandelt. Die Initiation besteht darin, dem
Menschen die Mittel zu geben, immer mehr den Ätherleib umzuwandeln. Daher gilt es auch für den, den man Geheimschüler nennt, daß alles intellektuelle Lernen, alles,

Als de mens dan een voordracht hoort over inwijding of initiatie, als hij dat leert kennen, treedt nog sterker op de voorgrond wat het etherlijf verandert. Inwijding bestaat erin de mensen middelen te geven om het etherlijf steeds verder om te werken. Daarom geldt ook voor degene die je dan ‘inwijdeling’ noemt, dat alles wat je intellectueel leren, alles

Blz. 79

was er schulmäßig aufnehmen kann, nur Vorbereitung ist. Wichtiger als alles intellektuelle Aufnehmen ist für den, der sich einer geisteswissenschaftlichen Schulung unterwirft, nur eine einzige Neigung in bewußter Weise in eine andere umzuwandeln, und wenn es nur eine Handbewegung ist. Eine solche umzuwandeln, hat unter Umständen mehr Wert als noch so viel angeeignetes theoretisches Wissen. Im Grunde genommen besteht die Einweihung, die Initiation, in Impulsen, die den menschlichen Ätherleib reinigen und läutern. Diese Impulse setzen sich dann fort in denen, die zur Reinigung und Läuterung des physischen Leibes aufsteigen, und das ist das Höchste, was der Mensch in seiner jetzigen Laufbahn erlangen kann.

wat je schools in je op kan nemen, slechts voorbereiding is. Voor iemand die een geestelijke scholing wil ondergaan, is het belangrijker dan alles wat je intellectueel in je op kan nemen, om een enkele neiging op een bewuste manier in een andere neiging te veranderen, al is het maar een handbeweging. Zoiets op een bepaalde maner veranderen, is onder bepaalde omstandigheden meer waard dan wat je je eigen maakt aan theoretische kennis, al is het nog zo veel. 
In de kern bestaat de inwijding, de initiatie, in impulsen die het menselijke etherlijf reinigen en louteren.
Die impulsen werken dan door naar impulsen die ontstaan vanuit het fysieke lichaam om dit te reinigen en te louteren en dat is het hoogste wat de mens in zijn huidige zijn op aarde kan bereiken.
GA 56/78-79
Niet vertaald

Voordracht 10, München 5 december 1907, i.p.v. Berlijn 27 februari 1908

Das Gesundheitsfieber im Lichte der Geisteswissenschaft

Koortsachtig streven naar gezondheid in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 214

Durch die Eindrücke der Kunst oder die großen Eindrücke der Religionsstifter arbeitet der Mensch an seinem Ätherleib und schafft Buddhi.

Door de werking van de kunst of door de indruk die grote stichters van godsdiensten op de mens maken, werkt de mens aan zijn etherlijf en schept buddhi.
GA 56/214
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3070-2884

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 301)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 301 [op deze blog vertaald [1] komt opnieuw ter sprake de samenhang tussen denken en beweging. zoals dat in GA 201 en GA 297A vanuit een bepaald perspectief werd belicht.

Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap

Voordracht 5, Basel 26 april 1920

Einiges über den Lehrplan
Iets over het leerplan

Blz. 81

Man wird wahrscheinlich zunächst etwas paradox berührt sein, wenn
man bei uns in der Waldorfschule in Stuttgart in den Handfertigkeitsunterricht kommt und da sieht, wie Knaben und Mädchen durcheinandersitzend stricken und häkeln und alle, nicht nur »weibliche« Handarbeiten machen, denn da sind es auch »männliche« Handarbeiten. Und warum dieses? Der Erfolg zeigt sich ja daran, daß die Knaben, wenn sie nicht künstlich davon abgehalten werden, ganz dieselbe Freude haben an diesen Arbeiten wie die Mädchen. Aber warum dieses? Wenn man weiß, daß unser Intellekt nicht dadurch gebildet wird, daß wir direkt losgehen auf die intellektuelle Bildung, wenn man weiß, daß jemand, der ungeschickt die Finger bewegt, einen ungeschickten Intellekt hat, wenig biegsame Ideen und Gedanken hat, während derjenige, der seine Finger ordentlich zu bewegen weiß, auch biegsame Gedanken und Ideen hat, hineingehen kann in die Wesenheit der Dinge, dann wird man nicht unterschätzen, was es heißt, den äußeren Menschen mit dem Ziel zu entwickeln, daß aus der ganzen Handhabung des äußeren Menschen der Intellekt als ein Stück hervorgeht. Insbesondere ist dann der Moment von einer ganz besonderen er-

Het zal waarschijnlijk eerst paradoxaal op u overkomen, dat wanneer je bij ons op de vrijeschool in Stuttgart in de handwerkles komt en ziet hoe daar jongens en meisjes door elkaar zitten en breien en haken en allemaal, niet alleen maar ‘vrouwelijk’ handwerk maken, want daar is dat ook ‘mannelijk’ handwerken. En waarom dat zo? Aan de uitwerking zie je, dat de jongens, wanneer ze er niet expres vanaf gehouden worden, net zoveel plezier beleven aan die activiteit als de meisjes. En waarom dat dan? Wanneer je weet dat ons intellect niet alleen maar gevormd wordt door direct met intellectuele vorming te beginnen, wanneer je weet dat iemand met onhandige vingers, niet zo’n goed intellect heeft, weinig beweeglijke ideeën en gedachten, terwijl degene die zijn vingers handig kan bewegen, in kan gaan op het wezenlijke van de dingen, dan zal je niet onderschatten wat het betekent de uiterlijke mens te ontwikkelen met het doel dat door met de uiterlijke mens dingen te doen, het intellect als gevolg zich ontplooit.
GA 301/81
Op deze blog vertaald/81

Vóór deze passage spreekt Steiner over het leren schrijven (en lezen). Het schrijven moet worden ontwikkeld vanuit een kunstzinnig tekenen en schilderen van de schrijfvormen. 
Hij eindigt dan met:

Je weniger man den Intellekt dressiert, je mehr man darauf ausgeht, den ganzen Menschen zu behandeln so, daß aus den Gliederbewegungen, aus der Geschicklichkeit der Intellekt wird – und er wird -, desto besser ist es.

Hoe minder je het intellect dresseert, hoe meer je je toelegt om met de hele mens zo om te gaan dat vanuit de bewegingen van de ledematen, uit de handigheid het intellect ontstaat – en dat doet het – des te beter is het.

Voordracht 14, Basel, 11 mei 1920

Weitere Gesichtspunkte und Fragenbeantwortung
Verdere gezichtspunten en beantwoording van vragen

 Das ist das Sonderbare, daß die richtige Erzie­hung des Intellekts auf die Aktivierung des Willens, die richtige Er­ziehung des Willens auf die Aktivierung des Intellektes wirkt.

Dat is het opmerkelijke, een goede opvoeding van het intellect activeert de wil, de juiste wilsopvoeding werkt stimulerend op het intellect.
GA 301/226
Op deze blog vertaald/225

Rudolf Steiner over handvaardigheid: alle artikelen

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3069-2883

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-3)

.

Loïs Eijgenraam, Antroposofisch Magazine spet. 2018 nr. 11
.

Slapen in een wereld die nooit rust

Slaap kindje slaap
Daar buiten loopt een schaap
Een schaap met witte voetjes
Die drinkt zijn melk zo zoetjes
Slaap kindje slaap
Daar buiten loopt een schaap

Wie kent dit oeroude slaapliedje niet? Nagenoeg alle ouders. Toch vragen veel ouders zich af hoe zij hun kind zoet in slaap brengen. Slapen en jonge kinderen lijken niet meer vanzelfsprekend samen te gaan en daarmee ook uitgeruste ouders niet.

In mijn praktijk vertellen ouders over peuters die niet doorslapen en twee, drie, zes keer per nacht zich melden. Andere ouders vertellen over kleuters die niet voor tien uur  ’s avonds slapen en ‘honderd’ keer hun bed uit komen.
Medewerkers van kinderdagverblijven mogen een kind in de middag niet meer laten slapen omdat het anders thuis niet voor 22 uur slaapt.

Wat laten deze kinderen ons zien?

Geen mens kan zonder slaap. Na vijf dagen geen slaap sterft een mens. Slapen hoort bij ons bestaan als mensen en zorgt ervoor dat wij opgedane indrukken verwerken, onze vitaliteit aanvullen en inspiratie opdoen voor de nieuwe dag. Slapen en waken horen bij elkaar zoals de dag en de nacht, en beweging en rust bij elkaar horen.

Slapen gaan is het aanvaarden van een grens. Een grens tussen bewust aanwezig zijn en een overgave aan een niet-bewuste wereld.

Een grens.
Wie kent nog landsgrenzen? Als kind herinner ik mij de spanning in de vakantietijd als wij als gezin op reis gingen naar bijvoorbeeld Frankrijk. Bij de douane werd gecontroleerd of de paspoorten en inzittenden overeenstemden. Of er geen spullen werden meegenomen die niet toegestaan waren. Als de hefboom omhoogging, was dat een teken dat mijn ouders ervoor gezorgd hadden dat alles klopte.

Wat nemen kinderen mee als zij bij de grens van dag en nacht aankomen? Klopt ‘de bagage’ die zij uit de dag hebben meegenomen? Is er ‘smokkelwaar’ aanwezig die de doorgang naar de andere kant verhindert?

Kinderen die de overgang van de dag naar de nacht makkelijk maken, blijken [vaak] als bagage het volgende te hebben ingepakt:

• een ritmisch verlopen dag;
• zinvolle bewegingen als wandelen, spelen en huishoudelijk werken;
• een ontspannen maaltijd met het gezin;
• werkelijk contact, waarin een moment van ongedeelde aandacht met hun opvoeders.

Om de grens van de dag naar dromenland over te kunnen gaan, vragen kinderen aan hun opvoeders waakzaam te zijn voor smokkelwaar zoals onrust, haast, spanningen en vluchtigheid. Pas dan slapen de kinderen én hun ouders weer zo zoet als het schaapje in het slaapliedje van weleer.

Loïs Eijgenraam is docent aan de School voor Antroposofische Kinderopvang en heeft daarnaast haar eigen praktijk ‘In Verbondenheid Opvoeden’, voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning. Ze is auteur van diverse publicaties over de opvoeding van (jonge] kinderen.

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

.

Liedjes

Meer over slaapproblemen: [15] slaap(problemen)

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3068-2882

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten – en in een aantal niet-pedagogische –  maakte over handvaardigheid. 
Hoewel er meestal gesproken wordt over handenarbeid – dat zijn dan alle onderwerpen die daaronder kunnen vallen, behalve handwerken – en handwerken, heb ik hier gekozen voor ‘handvaardigheid’ en daarmee heb ik ze samengevoegd.

GA 201 niet vertaald
Voordracht 9:       
vertaling betreffende passage
Wat betekent ‘vaardig bewegen van de vingers’ voor de mens; elasticiteit van het denken; aansluitend opmerkingen uit GA 294 over het wezen van de handen en de voeten; 

GA 294
Voordracht 2       vertaald   vertaling betreffende passage
Het kunstzinnige zou moeten uitmonden in ‘kunstnijverheid’.
Voordracht 11    vertaald    vertaling betreffende passage
Vakkenintegratie: handvaardigheid bij aardrijkskunde (Japanse kunst, landbouw 3e klas); aansluiten bij het leven; geen ‘fröbelwerk’.

GA 297A    op deze blog vertaald
Vragenbeantwoording   vertaling betreffende passage
Denken hangt samen met de hele mens, niet alleen met het hoofd; handigheid in de vingers; een wederkerige werking hoofd-hand, hand-hoofd; 

GA 300A
Vergadering 23-12-1919:   
vertaling betreffende passage
Zelf leren wat je met de klas gaat doen.
Vergadering  01-01-1920: vertaling betreffende passage
Boetseren: niet slaafs nadoen: observeren en model veranderen.
Vergadering 23-06-1920vertaling betreffende passage
Breien en tanden en vaardigheid.
Vergadering 15-11-1920: vertaling betreffende passage
Eis: kunstzinnige handvaardigheid; vormgevoel, kleurgevoel, geen naturalisme; stijl; geen euritmieschoenen maken.
Vergadering 16-01-1921: vertaling betreffende passage
Houd het midden tussen wat kunstzinnig kan en moet; geen fröbelwerk, het moet zin hebben; niet te hoog grijpen: een lepel maken is prima, geen luxe nastreven.

GA 301    op deze blog vertaald
Voordracht  5      vertaling betreffende passage
Meisjes én jongens handwerken: de motoriek van de handen bevordert het intelligente denken.

GA 302/1 
Voordracht  3             vertaling betreffende passage
Hoe  leert een kind, zou het moeten leren – met het oog op de ontwikkeling van hoofd, romp en ledematen.
Voordracht 4             vertaling betreffende passage
Handvaardigheid werkt op de geestelijke ontwikkeling

GA 302/2
Voordracht 4             vertaling betreffende passage
Handwerken: vorm en versiering; kunstzinnige functionaliteit, met voorbeelden (en vragen) 

GA 303/1
Voordracht 8            
vertaling betreffende passage
Handvaardigheid voor de ontwikkeling van de behendigheid.
Voordracht 12           vertaling betreffende passage
Praktische vakken om vol in het leven te staan     

GA 303/2                 
Voordracht 14                 vertaling betreffende passage
Handwerken: vorm en versiering; kunstzinnige functionaliteit, met voorbeelden (en vragen) 

GA 304
Voordracht 6                vertaling betreffende passage
Het gaat om het praktische leven; het werk moet kunstzinnig zijn; handwerken en intelligentie.

GA 304A
Voordracht 2              
vertaling betreffende passage
Bewegingsmogelijkheden van onze ledematen en ons intellect; onze loodrechte lichaamsas is een uiting van morele aanleg, morele wilskrachten.

GA 305
Voordracht 7               
vertaling betreffende passage
Handvaardigheidsvakken voor jongens en meisjes gezamenlijk. Belangrijk voor het sociale leven.

Voordracht 7              vertaling betreffende passage
Over het kunstzinnige; vanuit de eigen wil, niet iets voorschrijven; vormgevoel, b.v. hout snijden; bewegend speelgoed; kleurbeleving; vorm en functie.

GA 306
Voordracht 7               
vertaling betreffende passage
Handvaardigheidsvakken voor jongens en meisjes gezamenlijk; voorbereiding op het praktische leven; logisch denken en breien; leren hoe het er in het leven aan toegaat (spinnen, weven, boekbinden e.d.)

GA 307/1
Voordracht 11                   vertaling betreffende passage 
Begrip krijgen van het praktische leven; belangrijk voor het sociale leven.
Voordracht 12
Praktisch in het leven staan; smaak ontwikkelen.
Voordracht 13
Jongens en meisjes samen: begrip voor wat de ander in de wereld doet; denken en met de handen werken.

GA 310
Voordracht 9                   
vertaling betreffende passage
Jongens en meisjes samen; belang van ‘iets’ met je handen kunnen; denken en breien; spreken en gebaren van de hand; 

GA 311 
Voordracht 7                   
vertaling betreffende passage
Over het kunstzinnige in de vorm.
Met door mij toegevoegde voorbeelden.

Bij deze opmerkingen heb ik die over ‘het plastische’ nog niet meegenomen.
In dit artikel van Helga Loewe worden er veel genoemd, tevens geeft ze voorbeelden uit de praktijk.

 

Handvaardigheid: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; alle beelden

.

3067-2881

.

.

.