VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-1/1)

.

Dit artikel is het vervolg op Het etherlijf in de ontwikkeling van een kind [2-1]
.

MET AANDACHT OEFENEN VAN HET WAARNEMEN

Het ‘met aandacht oefenen van het waarnemen’ kan op veel manieren en ook vanuit verschillende standpunten.

Ik som er hier een paar op:

Klas 1
Toen de kinderen vanuit de kleuterklas bij mij kwamen, had hun juf ze een kabouter van wol, een centimeter of 20 groot, meegegeven. Daar moet je dan wat mee, vind ik en vanaf de eerste dag in klas 1 keek deze kabouter, bijna helemaal verstopt, vanuit een bepaald plaatsje, de klas in. Ineens is er dan wel een kind dat het ontdekt. Vanaf dat ogenblik verstopt deze kabouter zich natuurlijk op allerlei plaatsen. Het eerste wat de kinderen deden toen ze binnenkwamen, was ……….(de naam van de kabouter) opzoeken. Natuurlijk meteen leren dat je nog niets mocht zeggen aan de anderen.

In de herfst zag ik ooit bij een collega een bordtekening. Dwarrelende blaadjes, vallende kastanjes, muisjes die aan beukennootjes knabbelden. Iedere dag veranderde deze collega iets aan de tekening: muisjes op een andere plaats; een vogeltje erbij. Enz. Aan de kinderen de opdracht: wat is er veranderd.
Ik ben dit ook gaan doen (met dank aan Jack Schuurman) en ik merkte een levendige belangstelling voor dit ‘wat is er veranderd’.
Dan zie je toch dat de kinderen met interesse naar hun omgeving kijken.
Zo kun je ook van tijd tot tijd in je klas voorwerpen op een andere plaats hangen; een schilderij verplaatsen of een ander ervoor in de plaats. Enz. enz.

Deze bordtekening leent zich hiervoor uitstekend:

waarnemen

In de 1e klas begon ik de morgen altijd in een kring. De dag ervoor, bij het uitgaan van de school, liet ik de kinderen de stoeltjes in een kring zetten. Dat ging heel snel, omdat ieder kind precies wist waar het zijn tafeltje moest zetten. Het tafeltje tilden ze op met de handen aan de zijkant van het blad; aan de andere kant van het kastje ervoor staand, zodat er geen spullen uit het kastje konden vallen, wat wel gebeurt als je het tafeltje optilt als je erachter staat, zoals je erachter zit.

Dan je stoel op een vaste plaats en klaar is de kring.

De volgende morgen gingen ze daar zitten. Ik zat er uiteraard ook tussen en iedere dag schoof ik een stoel op: zo kwam ik – het moet eerlijk natuurlijk – vanzelf naast ieder kind te zitten.

Daar zongen we, klapten, deden allerlei andere bewegingen en dan keken we naar elkaar en bv. naar elkaars schoenen. Met de opdracht: weet je morgen nog van je klasgenoot welke schoenen hij gisteren droeg. Dat vonden de kinderen heel leuk om te doen; je kunt dit eindeloos variëren natuurlijk.

En wat te denken van allerlei spelletjes die het waarnemen oefenen: voorwerpen op een blad; kijken; doek erover; wat ligt eronder. Die hoef je zelf niet te bedenken: ze zijn er in overvloed.

En het hoeft natuurlijk niet alleen om de ‘ogen’ te gaan. Je kunt ook allerlei doen voor het gehoor.
Wanneer je het tellen oefent, kun je – kinderen hoofd op de bank: niet kijken – tikjes op een voorwerp geven. Hoeveel? Maar ook: ‘ik tik op het hout en op het ijzer: ik wil alleen weten hoeveel tikken ik op het ijzer geef. Dit zijn heel goede concentratie-oefeningen; je oefent er ook het onderscheidingsvermogen mee.

Zoiets hoeft zeker niet alleen wanneer je een rekenperiode hebt. Er is altijd wel een gelegenheid: je moet bv. op een vakcollega wachten: de klas zit klaar, maar…en je hebt weer even een mogelijkheid een oefening te doen. (als het maar een concentratie-oefening is, anders zit je collega meteen met een (te) drukke klas.

In mijn artikel dat de theoretische basis vormt voor bovenstaande en volgende opmerkingen, is er sprake van ‘waarnemen’.

Dat is ruwweg gesproken: zintuigactiviteit. M.n. de vijf bekende zintuigen: gezicht, gehoor, tast, reuk en smaak.

Een paar voorbeelden van de vele mogelijkheden die je ten dienste staan:

Aardrijkskunde:
grondsoorten: kun je tastend (met blinddoek) onderscheiden: zand, klei, veen;
voelend aan de aren: tarwe, haver, rogge, gerst.
(Als je per aug/sept een 4e klas hebt, moet je vanaf juni opletten waar je van een akker deze granen kunt plukken. Als je tijdens de 4e klas aardrijkskunde geeft, kun je er niet meer aan komen).
Onderscheid:  katoen, wol en andere stoffen.
Ruiken/ proeven: bv. verschillende specerijen.

Plantkunde:
voelend herkennen van specifieke bladvormen van bomen; boomvruchten; andere vruchten: wat proef je.

Een vak als vormtekenen biedt voor het zien weer allerlei mogelijkheden. Je doet als leerkracht een vorm voor ‘in de lucht’ en de kinderen moeten deze kunnen nadoen (zonder dat jij meedoet); vervolgens op papier tekenen. Maar ook het spiegelbeeld: links/rechts en boven/onder.

Zoals al opgemerkt: dit alles heeft veel raakvlakken met de zintuigen.

In de artikelen over de zintuigen vind je nog veel aanknopingspunten voor het waarnemen.

Willi Aeppli: Sinnesorganismus, Sinnesverlust, Sinnespflege
Bij mijn weten niet vertaald.

.

Pieter HA Witvliet
.

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

433-404

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-1)

.

HET ETHERLIJF VAN DE MENS

Het etherlijf van de mens – de ontwikkeling en de opvoedkundige vorming in de kinderleeftijd*

Wanneer je de ontwikkeling vanaf de geboorte en tijdens het verwerven van het vermogen tot lopen, spreken en denken tot aan de schoolrijpheid volgt, dan vertonen zich in het fysiek-etherische gebied in alle organen diepingrijpende veranderingen. De orgaanstructuren die in de embryonale tijd werden aangelegd veranderen, worden rijper, kunnen hun functies beter verrichten.
De kracht die aan deze diep ingrijpende veranderingen ten grondslag ligt, die alle veranderingen in groei, in het structureren van de organen en in de vormgeving veroorzaakt, laat zich begrijpelijk samenvatten als levenskracht.
In die totaliteit vormen ze een in de tijd zich ontplooiend, vol wijsheid zittend zinvol geheel, dat als levenslijf gekwalificeerd kan worden en dat als een ‘tweede realiteit’, als de vormgever (architect) van het lichaam daarin leeft.
Met een traditionele term kun je dit geheel ‘etherlijf’ noemen.
Dit systeem van krachten dat daarmee in de belangstelling komt te staan, is er een dat zich in de tijd voltrekt, daarbij zich omvormend, steeds het karakter van een geordend levensgeheel vol wijsheid in zich dragend.

Zonder interactie met nog een andere kwaliteit, nl. met die van het voelen, zou het een puur vegetatief zich ontplooiend leven blijven.

Juist de interactie van de levenskrachten- het etherlijf met het voelen en de daarbij plaatsvindende verandering – zal in detail gevolgd worden, omdat deze een fundamentele betekenis heeft voor zowel het mens-zijn alleen al, als ook voor de ontwikkeling van het kind zelf.

De voor indrukken openstaande ziel en het complex van levensvormkrachten – hun contact en interactie.

De karakterisering van de ziel als een vermogen om de buitenwereld tot binnenwereld te maken – en omgekeerd – blijkt een beschrijving te zijn die vruchtbaar is om te begrijpen wat er gebeurt wanneer we iets gewaarworden. Ook de begrippentrits: wakker – dromen – slapen, werpt een bepaald licht op het verschil tussen gewaarworden en waarnemen. Om bewust waar te nemen – het woord ‘bewust’ wijst daar al op, moet je een bepaalde wakkerheid, oplettendheid aan de dag leggen. Gewaarworden overkomt je meer; het speelt zich meer dromend, dromerig, onbewuster af, zelfs ‘slapend, slaperig’, onderbewuster.
Woorden die met het waarnemen in verband worden gebracht, kun je met deze karakterisering ook exacter een plaats geven: oplettendheid, interesse, toewijding – hier is zeker sprake van ‘wakkerheid, van betrokkenheid. Van een activiteit die door iemand aan de dag wordt gelegd. Er is ook sprake van een bepaalde wilsactiviteit. De richting is: van jou uit de wereld in.
Bij ‘gevoelig voor indrukken’, ‘beïnvloedbaar’ komt er iets uit de wereld bij je binnen; er is nauwelijks wilsactiviteit; het overkomt je – soms overmannen de indrukken je, zoals de slaap je kan overmannen.
Daar waar er sprake is van een activiteit van jou, spreek je niet meer van gewaarworden, maar van waarnemen. Er is steeds iets wat je je bewust wordt.
Tegelijkertijd roepen vele waarnemingen, maar ook gewaarwordingen een bepaald gevoel op; worden begeleid door gevoelens, stemmingen. Die zijn met de fysieke zintuigen niet waarneembaar – ze worden gevoeld, beleefd, ervaren. Voor ieder zijn ze voortdurend aanwezig – ook weer bewuster, dan wel onbewuster of zelfs onderbewust. Ze maken onze stemming uit, ons humeur, hoe we ons voelen. We hebben het naar ons zin, zijn blij, beleven plezier of we hebben er de pest in, zijn boos, voelen ons ongemakkelijk, opgelaten. De taal is rijk aan woorden om al deze stemmingsnuances te omschrijven.

Maar onze ziel is niet alleen het toneel van verinnerlijkte waarnemingen vanuit de buitenwereld. Ook van wat zich in ons meer vegetatieve leven afspeelt, vormt ze een toneel van gevoelens en stemmingen.
Als we bedorven eten hebben geconsumeerd, zal het lichaam reageren; we voelen ons misselijk, ziek; of door andere oorzaken: ‘niet lekker in ons vel’; we worden op zeker ogenblik gewaar dat we honger of dorst hebben; behoefte aan slaap, aan seks. Daaruit vormen zich woorden als ‘trek, zin, lust, begeerte’.
We hebben het voornamelijk over de stofwisseling; het gebied waar we met ons bewustzijn geen toegang toe hebben. Het speelt zich allemaal in ons af, maar we hebben er eigenlijk geen ‘weet’ van: het is het gebied waarvoor we ‘slapen’. In ons voelen – onze beleving- resoneert a.h.w. iets daarvan mee. Je behaaglijk voelen, tegenover maagpijn hebben.
Groei en voortplanting hebben we leren kennen behorend bij het etherlijf en de alinea hierboven is dus eigenlijk een beschrijving van de interactie tussen etherlijf en de meer vegetatieve kant van de ziel.
Er wordt weleens gesproken over de ‘lagere’ ziel; de ziel in engere zin; de ‘beperkte’ ziel. Dat tegenover ‘het hogere, ruimere, onbegrensde’ waarbij dan gedacht wordt aan het niet-fysiek gebonden zijn van de ziel wanneer deze zich doordringt met de ‘eeuwige’ wereld van de gedachten, de ideeën.

Dit ‘lagere’ is zeker niet bedoeld als moreel lager, of minderwaardig. Het wil hooguit duiden op dat ene aspect: het richt zich naar het stoffelijk-etherische; de andere kant is het geestelijke aspect van het bestaan: grofweg: naar het tijdelijke tegenover het ‘eeuwige, onstoffelijke’.

Keren we nog even terug naar de waarneming.
Waar ik ook naar kijk, wanneer ik dat niet met een zekere aandacht doe, blijft het slechts bij een vluchtige waarneming en zodra ik weer naar iets anders kijk, is het vorige object van waarneming geen realiteit meer voor mij. Het wordt dan moeilijk nog een voorstelling – d.i. het verinnerlijkte beeld van dat object, te maken. M.a.w. ik zie dat niet meer voor me (onstoffelijk) omdat ik het niet als stoffelijk ‘ding’ goed heb waargenomen, in me opgenomen (bijna letterlijk).

Eerder heb ik het voelen geplaatst tussen ‘voorstelling’ en ‘wil’, waarbij ‘voorstelling’ op iets terug te voeren is, dat er ooit was: verleden; en ‘wil’ die nog concreet moet worden, die een toekomstige realiteit inhoudt. Het voelen bevindt zich voortdurend in het nu, het heden.
Wanneer ik met aandacht waarneem, mij met het object verbind, is het mogelijk dat ik ‘morgen’ het object nog als voorstelling kan oproepen, het weer voor me zien. Ik herinner het me. Bijna letterlijk: alsof ik ernaar kijk en het me opnieuw tot eigen  inner–lijke aangelegenheid maak.

Belangrijk voor het pedagogisch-didactisch handelen?
Hebben deze menskundige gezichtspunten betekenis voor de pedagogie.

Voor de pedagogie kunnen deze gezichtspunten van (groot) belang zijn. Vooral in deze tijd – en ik denk voor wat op ons toekomt, van nog meer importantie.

We leven in een tijd waarin buitengewoon veel informatie op ons afkomt. Zoveel soms, dat ‘horen en zien’ je vergaan.
Die uitdrukking is interessant. Door de hoeveelheid kun je er niets meer mee. Je wordt eigenlijk overgeleverd aan die indrukken en je sluit je ervoor af.

Het heeft me altijd verbaasd dat mensen die in een winkel werken waar heel de dag muziek klinkt, daar niet ontzettend moe van worden – teveel aan je hoofd. Ik heb er verscheidene keren naar gevraagd en kreeg steevast het antwoord: ‘Ach mijnheer, daar sluit ik me voor af, dat hoor ik niet eens meer’.
Dat is toch merkwaardig: er klinkt iets om naar te luisteren, maar het gevolg is dat je je ervoor afsluit.

Onze zintuigen krijgen dagelijks – ook die van kinderen – een grote hoeveelheid indrukken te verwerken.**
Wat doet het voelen daarmee. Hoe intensief of oppervlakkig worden deze verwerkt.
Waar blijven ze, als je dat al kan vragen of wat doen ze.

Dat we vanuit ons etherlijf – groei en voortplanting – in ons beleven: honger, dorst enz – iets gewaarworden, toont de relatie, de interactie, etherlijf-gewaarwordingsziel.
Is er ook een interactie vanuit de gewaarwording of waarneming naar het etherlijf.

De psychosomatiek lijkt daarvoor het antwoord, al is daar het onderscheid etherlijf-fysiek lichaam niet zo expliciet uitgewerkt.

In de nacht van 5 op 6 maart 1883 voltrok zich bij het dorp Peasens-Moddergat in Friesland een ramp. In een hevige storm vergingen schepen en 83 man kwamen om. Er waren ook overlevenden.
Bij een ervan constateerde men dat hij in die spannende nacht totaal grijs was geworden.

Op 27-12-2012 berichtte het Eindhovens Dagblad:
=Aan hoofdhaar is nauwkeurig af te meten of iemand last heeft van stress. Het Erasmus MC in Rotterdam heeft een methhode ontwikkeld om het niveau van het stresshormoon cortisol in het haar te meten. Tot nu toe wordt het cortisolniveau gemeten in bloed of speeksel, maar dat is alleen een momentopname.=

De angst als heftig gevoel heeft kennelijk zo tot in het levenskrachtengebied doorgewerkt, dat daar, in een a.h.w. samengebald ogenblik, iets heeft plaatsgevonden, waar anders jaren voor nodig zijn: het verouderen, d.w.z. het afnemen van de levenskrachten, het zwakker worden van het etherlijf.

Het zenuwachtig-zijn, gespannen, voor bv. een examen, kan gepaard gaan met geen eetlust, slapeloosheid, nervositeit.
Er zijn nog talloze voorbeelden te vinden, waarbij de conclusie dat wat je beleeft, meemaakt, tot in het gebied van het ‘leven’slustige, een levensbedreigende invloed heeft.

Voor het pedagogisch handelen kan dus de vraag gesteld worden: is het belangrijk dat wij de kinderen ‘belevenissen’ geven en welke dan; of waarnemingen laten doen en welke dan. En hoe weten we dan of ze en in welke mate invloed hebben op het etherische; of naar de ‘hogere’ kant gekeken, welke gedachten en ideeën eigendom worden van de kinderen.

Ik denk dat we kunnen vaststellen dat nu ‘de buitenwereld’ een bombardement aan indrukken op de (jonge) mens loslaat met als gevolg een vluchtiger worden, dat is eigenlijk voor de intensiteit van het waarnemen een zwakker worden, door het ‘vergaan van horen en zien’, het voor de (jonge) mens belangrijk is dat hij een gelegenheid krijgt het ‘met aandacht waarnemen’ te oefenen.

In het vervolg op dit artikel heb ik een aantal voorbeelden uit de praktijk gegeven hoe het waarnemen kan worden geoefend.

*n.a.v. Stefan Lebers artikelen in Erziehungskunst,

**In Trouw stond in de bijlage ‘Tijd’ van 04-01-2014 een interview met Arie Boomsma, bekend van o.a. het presenteren van het tv-programma ‘Uit de kast’.
Hij zegt daarin: ‘Alle levens van twintigers en dertigers in de stad staan op shufflestand; vind je je studie niet leuk, dan ga je iets anders doen. Banen met lange contracten zijn er sowieso bijna niet meer. Op internet heb ik vaak drie webpagina’s open, op YouTube kies ik het kortste filmpje van een onderwerp, als ik muziek niet mooi vind, shuffle ik door. Alles spoelen we door, door, door – volgende. Waarom vraag ik dan van een relatie duurzaamheid?’

.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijf: alle artikelen

Algemene menskunde: etherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratie: etherlijf

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

432-403

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (7)

.

Pieter HA Witvliet
.

METHODESCHOOL

Er zijn veel uitspraken van Steiner te vinden waaruit duidelijk blijkt dat antroposofie geen leerinhoud van het leerplan dient te zijn. Antroposofische inzichten over de mens kunnen de leerkracht ten dienste staan om zo met het kind om te gaan dat dit zich harmonieus ontwikkelen kan.

‘Wij willen hier in de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school inrichten. De vrijeschool moet geen wereldbeschouwelijke school zijn, waar we de kinderen zoveel mogelijk met antroposofische leerstellingen volproppen. Wij willen geen antroposofische dogma’s aanleren, antroposofie is geen leerinhoud, maar we streven naar praktische uitvoering van antroposofie. Wij willen datgene wat op antroposofisch gebied gewonnen kan worden, op een ander niveau brengen, als reële onderwijspraktijk.’GA 293

ANTROPOSOFISCHE GEZICHTSPUNTEN:

Naast het stoffelijke lichaam, [1] onderscheidt Steiner een complex van levenskrachten, [2] die niet door de stoffelijkheid worden voortgebracht, maar eerder: deze stoffelijkheid vormgeven, doordringen.
Het karakter van de stof wordt pas zichtbaar bij de dood, wanneer het leven is geweken: dan valt de stoffelijkheid in de verschillende, ons bekende, elementen uiteen.
In de mens zijn, op deze wijze geredeneerd, polen van “dood” en “leven” werkzaam.
Eenzelfde tegenstelling is waarneembaar in het zenuwmateriaal en het bloed. Het eerste is op sterven na dood; het andere bruist van leven – denk aan de enorme vernieuwingsmogelijkheden van het bloed.
Het lesgeven op een fantasieloze, droge, intellectuele manier, waarbij de stof snel begrepen moet worden, doet veel meer een beroep op het bloedeloze denken, dan bijvoorbeeld het brengen van de stof op een levendige, fantasievolle manier, waarbij de kinderen kunnen genieten en de tijd krijgen de stof eigen te maken.

Op zeker ogenblik kreeg ik half in een leerjaar een meisje in mijn klas, dat er heel bleek uitzag. De ouders vertelden me dat ze op haar school helemaal niet gelukkig was; zij vonden ook dat de leerdruk erg hoog was. Ze hadden haar medisch laten onderzoeken, maar voor haar bleekheid en het feit dat ze niet echt levenslustig was, vond men geen verklaring.

Voor mezelf probeerde ik voorzichtig te formuleren of dit meisje niet veel te veel in de doodspool was aangesproken, in plaats van in het gebied van de vorm(ende)-levenskrachten.
Ik trad haar met alles wat het rijke vrijeschoolonderwijs ter beschikking heeft, tegemoet: beweging, ritme, kleur, fantasie enz. Na een half jaar had ze weer kleur op de wangen (bloed) en kenden haar ouders haar weer terug als het levenslustige kind, dat ze ooit was. Opmerkelijk was dat de ouders vroegen of we haar ook medicijnen hadden gegeven!
Dat hoort uiteraard tot de bevoegdheid van de ouders, maar door hun vraag krijgt ‘gezondmakend onderwijs’ wel een extra betekenis!
.

.

[1] zie ook
[2] zie ook         eveneens

.

Rudolf Steiner als pedagoog: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: alle artikelen

.

431-402

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (17)

.

EEN DRIEKONINGENSPELLETJE VOOR KLAS 1

De groep spelers bestaat uit:

Engel, Melchior, Balthasar, Kaspar, Maria en Jozef, Herodes en de duivel.

Het is ook mogelijk dat de koningen en Herodes een lakei hebben. In dit spelletje kunnen zij dingen aangeven, maar hebben geen tekst.

De kinderen die niet spelen hebben de taak te zingen.

Op het lied ‘Er kwamen drie koningen met ene ster’ , 1e couplet, komen de spelers in bovengenoemde volgorde op.

De spelers gaan naast elkaar op een rij stoeltjes zitten.

Op het toneel staat een troon.

De lakei gaat staan en buigt voor Melchior. Deze staat op en loopt naar zijn troon. De lakei volgt met een kijker in de hand.

Melchior tuurt door deze kijker naar de hemel:

‘Een ster zie ik zo hel en klaar.
En zij beweegt zich wonderbaar.
Christus geboren, zegt zij mij aan.
Ik wil zelf nu naar Bethlehem gaan.
Ik hoef er niet lang te denken:
het rode goud zal ik hem schenken.’

Hij geeft de kijker aan de lakei, staat op en loopt terug naar zijn plaats. De lakei volgt. Die buigt nu voor Balthasar.
Balthasar gaat naar de troon. Lakei geeft hem de kijker.

‘Een ster zie ik zo hel en klaar.
En zij beweegt zich wonderbaar.
Christus geboren, zegt zij mij aan.
Ik wil zelf nu naar Bethlehem aan.
Geven wil ik het kindje klein
De wierook fijn.’

Hetzelfde ritueel met de lakei en Kaspar.

‘Een ster zie ik zo hel en klaar.
En zij beweegt zich wonderbaar.
Christus geboren, zegt zij mij aan.
Ik wil zelf nu naar Bethlehem aan.
Hij is de koning van het gans heelal.
Dat ik hem mirre geven zal.

Nu kan de duivel komen om de koningstroon weg te brengen. Als dat is gebeurd en de duivel is weer terug op zijn plaats, staan de spelers op. De klas zingt weer het 1e couplet en de engel, koningen en lakei lopen een rondje of een lemniscaat over het toneel. De engel en de koningen blijven aan de zijkant achter; Balthasar alleen aan de ene kant; Melchior en Kaspar samen aan de andere kant.

De engel komt als eerste op, ongeveer gelijktijdig lopen de koningen naar het midden. De lakei is er ook bij, want deze moet later de geschenken aangeven. De lakei houdt zich wat op de achtergrond.

Balthasar:
‘Gij edele heren, weest gegroet en ook die U terzijde staan (dit naar de lakei)
Zegt mij aan,
Waar wilt u henen gaan.’

Melchior en Kaspar:
‘Wij volgen saam de ster.
Zij brengt ons naar Bethlehem zo ver.’

Balthasar:
‘Ik volg haar naar de nieuwe koning.
Nu gaan wij samen naar zijn woning.’

De klas begint het 2e couplet te zingen. Engel, koningen en lakei maken een ommegang en verdwijnen weer even.

De duivel komt nu met de troon van Herodes. Wanneer deze klaar staat, staat de lakei van Herodes op en buigt voor hem, waarop hij naar zijn troon loopt en gaat zitten; de lakei ernaast.

De klas zingt weer het 2e couplet en de engel, koningen en lakei komen weer op. Er moet wat afstand komen tussen de engel en de koningen. De engel loopt achter de troon van Herodes langs en blijft even verderop staan. De koningen gaan niet voorbij de troon van Herodes.

Melchior:
‘We zullen nu zonder dralen,
De landvorst van het kind verhalen.

Kaspar tikt met zijn staf op de grond. Herodes maakt een armgebaar naar de lakei van ‘ga kijken’ en deze ziet de koningen. Hij buigt en neemt de koningen mee tot vlakbij de troon van Herodes.

Herodes:
‘Gij edele heren,
Hoe moet ik het verstaan,
Dat u tot mij komt gegaan?’

Kaspar:
‘Het is te lezen duidelijker dan te voren,
Dat in Bethlehem is geboren,
De grote koning uitverkoren.’

Herodes:
‘Als er een nieuwe koning is geboren,
Dan is mijn macht en roem verloren.
Nu moet ik mij snel bedenken.
Heren, ik wil het kindje ook iets schenken.
Kom straks terug en zeg mij aan,
Hoe ik naar het kind moet gaan.

De koningen buigen en vervolgen hun weg achter Herodes langs als de klas het 3e couplet zingt. (Gij sterre, gij moet er zo stille niet staan)

Terwijl de engel en de koningen achter de coulissen of achter in de klas lopen, gaat Herodes bij de spelers zitten en haalt de duivel de troon van Herodes weg.

Jozef zet een krukje voor Maria klaar.

Jozef en Maria komen op. Zij heeft het kind in de armen. Jozef haalt het kribje en Maria legt het kind daarin.

De klas zingt: 4e couplet: ‘Naar Bethlehem binnen die schone stad..’

De engel komt weer eerder op en blijft achter Jozef en Maria staan.

De koningen en de lakei komen op. De lakei heeft de geschenken  op een klein dienblad.

Balthasar:
‘De ster brengt ons voor deze stal,
Ik denk dat het kind hier liggen zal.

De lakei blijft een beetje opzij staan terwijl de koningen in een halve boog om het kribje staan.
Melchior doet een stap naar voren – de lakei houdt hem het blad met de geschenken voor en pakt met de andere hand de staf. Melchior pakt zijn geschenk en knielt voor het kribje.

Melchior:
‘Ach, kindje, wat ligt ge hier koud,
Ik schenk u het rode goud.’

De lakei geeft de staf aan de geknielde Melchior. Kaspar treedt iets naar het kribje toe en de lakei pakt zijn staf aan terwijl Kaspar zijn geschenkje pakt en eveneens knielt.

Kaspar:
‘Ik breng u de mirre goed,
Ik vraag u dat u mij behoedt’.

De lakei geeft Kaspar zijn staf. Balthasar komt enz.

Balthasar:
‘Ik wil u de wierook geven
Wil toch altijd voor ons leven.’

Jozef:
‘God zal u lonen zo goed,
Voor de gaven aan ons kindeke zoet.’

Maria:
‘God zal u bedenken,
Voor wat u het kinde deed schenken.’

De koningen staan op en buigen een paar keer en verlaten de stal.

Jozef en Maria blijven op hun plaats.

Na een kleine ommegang komen de koningen, voorafgegaan door de ster, die zich meer naar de kant opstelt, weer wat naar voren.

Balthasar:
‘Vóór we ’t aan Herodes zeggen,
willen we ons eerst ter ruste leggen’.

De koningen knielen en slapen in.
De engel gaat nu achter hen staan.

Engel:
‘Heilige drie koningen van oriënt,
God mij tot u zendt.
Ga niet naar Herodes’ woning,
Want hij wil doden de nieuwe koning.’

De koningen worden wakker en staan op.

Melchior:
‘Een engel sprak mij wonderlijk aan,
Wij moeten niet naar Herodes gaan.
In het hart van Herodes is de duivel gaan wonen.
De plaats van het kind
Zullen wij hem niet tonen.’

De koningen lopen met de engel en lakei nog een ommegang als de klas het 1e couplet zingt. Dan gaan ze bij de spelers zitten. De duivel zet de troon van Herodes weer klaar. De Herodeslakei buigt voor de koning en deze gaat naar zijn troon.

Herodes:
‘Waar blijven die koningen zo lang.
O, wat is het om mijn harte bang.
Neen, ik wil mijn kroon niet kwijt!
Wat moet ik doen in deze tijd.’

Duivel komt achter Herodes geslopen en blaast hem iets in het oor.
Herodes veert op:
‘Een plan komt mij nu in gedachten.
Ik wil met het uitvoeren niet wachten.
De kinderen onder de twee jaren,
Zal ik het leven niet sparen.’

De engel staat op en loopt achter Jozef en Maria.

Engel:
‘Jozef, slaap niet langer voort
En luister naar het goddelijk woord.
Vlucht met Maria en het kind,
Dat Herodes u hier niet vindt.’

Engel terug naar de spelerss

Jozef:
‘Wij moeten van hier een verre reis,
Naar Egypte, door sneeuw en ijs.
De wilde dieren zullen ons nog verscheuren.
Ach, dat dit ons nu moet gebeuren.’

Maria:
‘Wij gaan naar het ver Egyptenland,
Wij worden behoed door Godes hand.’

Zij staat op en neemt het kind uit de kribbe. Jozef doet de geschenken in zijn mantel.

Nogmaals kan het 1e couplet worden gezongen. De engel loopt met de andere spelers in volgorde en als ze langs Herodes en de lakei komen sluiten deze aan. De duivel sluit de rij, maar zet snel nog de troon terug. Het kribje blijft staan.

Alle spelers af.

Je kunt het spelletje eigenlijk pas gaan spelen na de kerstvakantie. Dan kun je het niet opvoeren op 6 januari, de driekoningendag. Ik heb dat nooit een bezwaar gevonden. Ik oefende heel de maand januari.
Veel klassikaal opzeggen, zodat ieder kind elke rol kan spelen.

Het is fijn als je voor deze spelen eigen kleren hebt. Soms moet je ze delen met een parallelklas – dat is goed plannen, dus.

Engel kroon met vijfster; staf met vijfster. Een goud geverfd rondhoutje van een meter met een ster van triplex of karton.
Kronen van de koningen van goudkarton – 3 verschillende. Als je met een paprclip werkt, kun je ze op grootte verstellen, zodat ze geschikt zijn voor ieder kind.
De staven van de koningen: dikker rondhout, goud geverfd met een vorm bovenop, van goudkarton. Er zijn ook mooie gordijnroedenvormen die geschikt zijn.
De troon maakte ik van een klassenstoeltje. Tegen de rugleuning een troonruglening van multiplex met ijzerdraad vastgemaakt. Mooie lap erover.
De kijker bestond uit een dikke en dunnere koker van karton, in elkaar geschoven, beplakt met goudpapier. (Al waren er in de tijd nog geen kijkers!)
De lakeien kunnen een zilveren haarband – karton – dragen.
De geschenken niet al te groot maken. Kleine vergulde doosjes van verschillende vorm.
Jozef en Maria dragen de kleren uit het kerstspelletje.
Herodes draagt ook een gouden kroon, maar met hoekige vormen. Zijn kleding is grijzer of zwarter; laarzen. Zijn troon heeft een rechthoekige vorm, met bv een rode of zwarte lap.

Ik heb vaak het liedje ‘Daar kwamen drie koningen met ene ster’ gebruikt; er zijn natuurlijk nog meer liedjes geschikt.

Wanneer je bv. eind januari de 3-koningentijd wil afsluiten, kun je, na het eten van de 3-koningenkoek/taart het spelletje laten spelen met de koningen die dit zijn geworden door de gevonden bonen.
Je kunt het ook opvoeren voor de ouders, een parallelklas of een 2e klas, enz.

Pieter HA Witvliet

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

430-401

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (16)

.

KNUTSELS

drie koningen, kaars, ster

(voor meer knutsels: Tineke’s doehoek)

1) KAARS(EN) VERSIEREN

Met Stockmar versierwas kun je kaarsen heel mooi versieren.
Met een speld kun je de vormen uitprikken en op de kaars plakken.

driekoningen tekening 3

2) STER
Van de was kun je  een klein balletje kneden waardoorheen je drie spelden prikt, met gouddraad omwinden, zoals de ‘spin’, knoopje om een speldenknop en je hebt een mooie ster.

driekoningen tekening 4

3) DRIE KONINGEN VAN BLOEMPOTJES

Elk jaar als de kerstdoos weer tevoorschijn komt, is er wel weer een wollen figuur het slachtoffer van vraatzuchtige mottenlarven geworden. Deze keer waren het Jozef en de drie koningen. Jozef heb ik opgeknapt en omdat de koningen nog wel even met hun optreden konden wachten, gooide ik die maar weg. Er zat in een van de baarden een heel mottennest en herstellen had geen zin meer. Zo ontstond het idee om de koningen van ander materiaal te maken en al klinkt het zeer profaan: we kozen daarvoor rood­stenen bloempotjes. En er ontstonden wer­kelijk statige figuren, die een kaars droegen en zo het kerstlicht nog een tijd in de donke­re januaritijd over ons lieten schijnen.

Per figuur heb je twee bloempotjes nodig met aan de open zijde een diameter van ze­ven centimeter en één grotere met een diameter van negen centimeter. Verder een pakje ‘Dasklei’, een soort kant en klaar papiermachéprodukt (verkrijgbaar bij hob­by-, boek- of speelgoedwinkels) en plakkaat­verf.

Zet de grote pot op zijn kop. Plaats een van de kleine potjes ondersteboven over de grote pot heen, doe er wat velpon tussen, zodat de potjes niet meer verschuiven kun­nen. Zet het tweede kleine potje met de open kant naar boven op de twee anderen, plak deze ook vast (dit potje vormt het hoofd).

driekoningen bloempot 1

Rol nu van de ‘Dasklei’ slangetjes (dit is een mooi werkje voor de kleine kinderen, dus iedereen kan meedoen!) en bevestig die als op de tekening aangegeven als halskragen en de omzoming van de mantels. De handen worden van een bolletje klei gemaakt en kun je mooi tussen de randen van de mantels wegmoffelen alsof ze daaronder vandaan komen. Maak een kuiltje in de handen zodat de koningen hun goud, wierook en mirre kunnen dragen.

driekoningen bloempot 2

De klei moet nu eerst drogen en daarna kun je zien of alles nog goed vastzit. Is dit niet het geval dan nog een druppeltje velpon tus­sen de naden smeren. Hierna kan het beschil­deren beginnen: je kunt plakkaatverf gebrui­ken en als alles droog is, kun je erover heen gaan met blanke lak. Er zijn ook kleine pot­jes hobbyverf te koop (ook in goud en zil­ver!), je hoeft dan geen lak meer te gebrui­ken, maar het resultaat is wel strakker. Een baard kun je later van schapenwol in de natte lak drukken, maar je kunt hem ook schilde­ren.
Goud, wierook en mirre van kleine stuk­jes bijenwas maken en in de handen stevig aandrukken.

driekoningen bloempot 3

(Tineke Geus, Jonas 8/9, 17-12-1982)

4) DE VERLICHTE WEG VAN DE DRIE KONINGEN

Aan het einde van de kersttijd, zes januari, vieren we Driekoningen. Het feest van de wijzen uit het oosten die de ster volgen om het Kerstkind te vin­den.

Hieronder de werkbeschrijving van een driekoningenmolen, waar kinderen eindeloos naar kunnen kijken. ‘De rode, de groene en de blauwe koning, ge­duldig voortreizend.’

Van deze draaiende driekoningenmolen heb ik het principe gevonden in het boek ‘Maak er een feest van‘ onder redactie van Lou Hoefnagels, uitgegeven bij De Arbeiderspers, Amsterdam 1961.

Daarin wordt een dergelijke molen beschreven als
verjaardagsverrassing. Door twee tot vier waxinelichtjes onder de kap van de molen te plaatsen, zetten we Caspar, Melchior en Balthasar in beweging, alsmaar rond en rond en rond….

Nodig:
goudkarton
stevig donkerblauw papier
zijdevloeipapier
een stukje grenenhout van 2 cm dik,
een dunne breinaald,
behangerslijm
contactlijm,
een liniaals
een passer,
een scherp puntig mesje
een paar waxinelichtjes

Teken met de passer op het goudkarton een  cirkel af met een straal van 9,5 cm. Verander niets aan de stand van de passerbenen en zet de straal zes keer uit op de omtrek van de cirkel. Verdeel vanaf deze punten, met be­hulp van de liniaal, de cirkel in zes stukken. Deel deze weer door midden. Trek nu rond hetzelfde middelpunt de volgende cirkels: een met een straal van 1,5 cm, een met een straal van 10,5 cm en een met een straal van 12 cm.

De twaalf segmenten van de breedste ring moeten nu uitgesneden worden volgens de aanwijzingen op de tekening. Vouw de ver­kregen raderen voorzichtig naar boven. De molen draait in dezelfde richting als de rade­ren gevouwen worden. Let daarop bij het be­palen van de voorstelling op de molenwand, anders bewegen de koningen zich misschien achterstevoren.** De buitenste ring moet ingeknipt en naar beneden omgevouwen worden. Dit is de plakstrook waaraan de wand van de molen komt te hangen. Maak het puntje dat de passer in het karton heeft gemaakt groter met de breinaald, plak het aan de goede kant af met een cirkeltje of sterretje van goudkarton. Zo is er een putje gevormd waarin de molen draaien kan.
Neem nu een strook blauw papier van 15 cm breed en 66,5 en 1,5 (plakstrook) cm lang. (Voor wie een grotere of juist kleinere molen wil maken: de omtrek van de molen bepaalt de lengte van de strook, straal =x 3,14(Pi) = de omtrek van de cirkel. Dus 10,5 cm: 10,5 x 3, 14 = 32,97* cm (33) + 1,5 cm plakrand.

Snijd met het mesje een voorstelling van de drie koningen met de ster uit het blauwe papier. Maak niet te grote open stukken, zorg voor verbindingslijntjes (als bij glas-in- lood) anders vervormt de molenwand wel erg. Beplak de voorstelling aan de achterzijde met zijdevloeipapier; gebruik de behangerslijm hiervoor.
Als de voorstelling op deze manier is ‘ingekleurd’ kan het beste de hele achterzijde van de strook nog eens met wit of lichtgeel zijdevloei verstevigd worden.
Leg het geheel plat te drogen.

Zaag het stukje hout intussen tot een cirkel met een straal van circa 8 cm. Sla een dunne spijker in het midden en trek hem er weer uit. Kort de breinaald in tot 26 cm en zet hem klem in het gaatje in het hout. Als de blauwe strook goed droog is vouwen we hem rond en plakken hem vast op de plakstrook. Als we zorgvuldig hebben ge­werkt past het gouden molendak precies in de blauwe wand. Zelf heb ik door noncha­lant te werken de omtrek van het dak met één millimeter verbreed door de plakrand niet goed om te vouwen. Het resultaat was dat de molenwand vijf millimeter te krap was. Lijm wand en dak zorgvuldig op elkaar. Ter versteviging wordt er onderaan de wand, aan de binnenkant, nog een strook papier ge­plakt zodat die mooi rond loopt. Wanneer er nog deuken in de wand zitten dan kunnen die ook weggewerkt worden door er stevig papier van achter tegenaan te plakken. Zet de molen nu op de naald. Waarschijnlijk moet ze nog in evenwicht worden gebracht, wat weer met stukjes papier kan worden ge­daan. Als alles recht hangt is het moment van inwijding daar. Dat gaat als volgt: maak de kamer donker en plaats het werk­stuk op tafel. Zet een paar waxinelichtjes onder de kap, vlak tegen de naald en steek ze aan. Op het plafond van de kamer verschijnt een stralende, draaiende ster en op de molen zien we de drie koningen – de rode, de groe­ne en de blauwe – geduldig voortreizend, als maar rond, op weg naar het Kind.

driekoningen lampje 1

driekoningen lampje 2

 

(Nicole Karrèr, Jonas 10, 04-01-1985)

*in het artikel stond: 10,5 x 3, 14 = 66,5
**op de afbeelding lijken de koningen niet de aangegeven draairichting te volgen!)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

429-400

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen – alle artikelen

.

[1] Tussen kerstfeest en driekoningen
Jacobus Knijpenga
over: de tijd staat even stil; winter: donker en koud – (kosmisch) licht en warmte; goud, wierook, mirre.

[2] Van kerst tot driekoningen
Rinke Visser over: 12 Heilige Nachten; kosmische constellaties van zon en maan; oude Germaanse gebruiken, winter, Wodan, Julfeest; Jultijd, maan-maanden en zonnemaanden.

[3] Tevergeefs de blik omhoog
Rinke Visser over: wie waren de Koningen; de ster toen, de ster nu, geboren vanuit de geest.

[4] Epifanie: een waakzaam wachten
Marieke Anschütz over: (de namen van) de 3 koningen; Stefanus; 6 januari.

Drie koningen
Magchiel Mathijsen over: jaarfeesten als ordening; de 3 koningen in het driekoningenspel; geschenken van de herders en goud, wierook, mirre; denken, voelen willen; oordelen, besluiten.

[5] De planetenstand van Bethlehem
Piet Smolders over: wat was ‘de ster’: komeet, supernova, bijzondere samenstand van planeten? Giotto schildere ‘staartster’.

[6] Van kind tot koning
Marieke Anschütz over: van geschonken worden naar zelf kunnen schenken.

[7] De vierde koning
Marieke Anschütz over: winter, kersttijd, drie koningen. Wie is de vierde.

[8-1] Driekoningen in de kleuterklas
Bakker, Koopman, Vonk over: uit de praktijk – wat kun je doen in de klas tussen Kerst en Maria Lichtmis

[8-2] Het driekoningenspel in de kleuterklas
Isabel Bruggeman over: een driekoningenspel spelen in de kleuterklas.

[9] Drie koningen
Over: historie; Germanen; driekoningenbrood; 4e wijze uit het oosten.

Goud
Joop van Dam over: geen metaal tegenover zich: tegenstellingen in zichzelf; de cultisch-religieuze functie; hart en geneeskunde;
Eckehard Wagner over: van cultus naar macht; vindplaatsen; hart en geneeskunde;
Over: goud en zon; cultische waarde; hart en geneesmiddel.

[10] Mirre
Flora’s kus over: karakteristiek van de plant die de mirre voortbrengt, hoe ze aan haar naam komt: de mythe van Myrrha; mirre en het lijden; het geschenk van koning Kaspar; geneeskrachtige werking;
Rainer Muller over: kostbaar, niet voor profane doeleinden; karakteristiek van de plant; geneeskrachtige werking.

[11] Over de gaven van de drie wijzen uit het oosten
Ruth Kaeselitz over: de koningen; januari – Epifanie; goud; wierook;

[12] Hoe de drie koningen hun naam kregen
Paul Sapens over: ooit heetten ze anders; de Engelse heilige Beda geeft ze hun naam; kleur van mantels; hun leeftijd; hun geschenken.

[13] Driekoningen
Rudolf Steiner over: wie waren deze Magiërs; hun geschenken: goud, wierook, mirre; de ster; de grot

[14] Driekoningen
Melly Uyldert over: 12 heilige nachten; winterzonnewende; Nieuwjaar

[15] Recepten
Driekoningenbrood (2x)

[16] Knutsels
1) kaars versieren; 2) ster; 3) Tineke Geus: driekoningen van bloempotjes; 4) Nicole Karrèr: lampje met rondreizende koningen;

[17] Driekoningenspelletje voor klas 1
Pieter Witvliet schreef een eenvoudig spelletje voor klas 1/groep 3

[18] De kunst van het schenken
Hella Krause-Zimmer
over het schenken van de herders en de koningen; over de geschenken

[19] Over de drie geschenken
Gerard Reyngoud over goud, wierook en mirre en de samenhang met denken, voelen en willen.

[20] De drie koningen
Johanna Knottenbelt over een esoterische benadering van de drie koningen op basis van aanwijzingen van Rudolf Steiner.

[21] Driekoningen
Rudolf Steine
r over: goud, wierook en mirre

[22] Driekoningen
Melly Uyldert over driekoningen; winter; Jan Huygen in de ton; vinger in de roet; goud, wierook, mirre; de boon; stof en geest.

[23-1] Driekoningen
Driekoningen in het verleden in Nederland – folklore.
[23-2] Driekoningen
Driekoningen in het verleden in Nederland – folklore.

[24] Driekoningen in de kleuterklas    (Driekoningen 24)
Dieuwke Hessels over: Caspar, Melchior en Balthasar; over driekoningendag; driekoningentaart; driekoningenspelletje; liedjes; transparanten; jaartafel; boeken. 

.

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

428-399

.

..

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (15)

.

RECEPTEN

1) DRIEKONINGENBROOD

voor ongeveer 30 stukjes

600 gr bloem
250 gr boter
2,5 dl melk
3 eieren
200 gr suiker
40 gr gist
1 theelepel zout

hiervan deeg maken, goed kneden, 1 uur laten rijzen

dan toevoegen:
100 gr gemalen amandelen
geraspte schil van 1 cirroen
100 gr rozijnen

weer kneden

dan: 2 witte bonen, 1 bruine boon in het deeg verstoppen

nog een half uur laten rijzen
bakken in matig verwarmde oven, ongeveer 1 uur.

Het mooiste is het brood een ronde* vorm te geven en het te bestrooien met poedersuiker waarin een stervorm is uitgespaard.

3 kaarsjes kunnen erop gezet worden: rood, blauw, groen

wie de boon heeft is koning!

(bron onbekend)

*het gaat hier overduidelijk om een brood voor een klas. Dan is een ronde vorm minder geschikt, want dan zijn de middenstukken bij het snijden groter dan de kapjes. Dat vinden kinderen niet leuk, Bovendien hebben de grootste stukken een grotere kans de boon te bevatten en dat is niet eerlijk.

Dus een ‘gewone’ broodvorm.

0-0-0

2) DRIEKONINGENBROOD.

Er bestaan erg veel recepten voor deze koningskoeken, erg lekker en gemakkelijk is het volgende:

Benodigdheden:
250 gr boter
200 gr. suiker
300 gr. bloem
5 eieren
100 gr gepelde en fijngemalen amandelen
1 mespunt geraspte citroenschil,
100 gr. blanke pitloze rozijnen,
zout
poedersuiker

Roer de boter met de suiker zacht en romig.
Roer er dan één voor een de eidooiers door en daarna een snufje zout,
de citroenschil
en de gemalen amandelen.
Meng er vervolgens beetje bij beetje de gezeefde bloem door
en de rozijnen.
Klop de eiwitten heel stijf en schep ze voorzichtig door het deeg.
Doe het deeg over in een ronde vorm of in een vuurvaste ronde schaal, (vorm of schaal met boter insmeren en dun met bloem bestrooien),
stop een bruine boon in het deeg
en bak de koek in een matig warme oven bruin en gaar.
Laat de koek in de vorm iets afkoelen en breng hem dan over op een schaal.
Bestrooi de bovenkant van de koek met poedersuiker in de vorm van een ster en zet in het midden van de ster een kroontje van goud papier.

Wie de boon heeft is de KONING.

(bron onbekend)

wat de vorm betreft: zie opmerking boven.
één boon kan natuurlijk ook, maar is voor een klas niet logisch

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

427-399

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (8-2)

.

HET DRIEKONINGENSPEL IN DE KLEUTERKLAS

Hoe heerlijk is het om met kleuters de hele maand januari het driekoningenspel te mogen spelen. Vorig jaar heb ik hetzelfde spel gespeeld als dit jaar. De oudste kinderen wisten zodoende nog precies hoe alles hoort. Hoewel de stoel van Herodes al bijna een jaar niet meer in de klas staat, moet hij voor het driekoningenspel weer uit het derde lokaal worden gehaald. Iedere dag wordt na het eten het spel gespeeld. De kinderen die het eerst hun tas wegbrengen beginnen al zonder dat ik iets hoef te zeg­gen het spel voor te bereiden. De stal  (schommelboot) wordt klaargezet en er wordt gevraagd:  “Juffie, mag ik de stoel van Herodes halen?”  “Juffie,  mag ik het krukje klaar zetten?” Als ik “ja” zeg,  komt er vaak meteen een ander kind op het idee om maar vast een kleedje te halen voor op het krukje. Daarna komen daar de gaven,  de kaars en de kurk op voor het zwart maken van koning Kaspar. Als alles klaar staat – de grootste kunst is om het vertelhuis groot genoeg te krijgen – worden de spelers gekozen. Wie zou er Maria mogen zijn? Ja, het is wel moeilijk om te kiezen,  want er zijn zoveel kinderen die graag willen. Na Jozef wordt de engel gekozen; die mag als hij of zij dat wil de sluier voor de ogen, want: “dan zie je allemaal kleuren in de kaars.” Herodes wordt ook gekozen, die hoeft alleen maar op zijn troon te zitten, maar het is toch een heel gewichtige rol. Er zijn kinderen, die zo’n boze rol beslist niet willen spelen!
Heel spannend is wie er koning Kaspar mag zijn, want die wordt echt zwart gemaakt. Na deze voorbereidingen, die misschien wel net zo lang duren als de vertoning zelf, begint het spel. We beginnen te zingen en de drie wijzen    schrijden plechtig voort. Ze komen bij Herodes die waardig op zijn troon zit. Daarna volgen zij de ster tot de stal in Bethlehem. Maria wiegt daar het kindeke. De koningen knielen voor de kribbe. Als Balthasar de regels van het spel nog niet zo goed kent en tegelijk met Melchior wil knielen, wordt daar door de andere kinderen commentaar op gegeven, want hij hoort immers op zijn beurt te wachten!
Jozef neemt de geschenken in ontvangst en de wijzen nemen afscheid van de goddelijke familie. Zij keren terug naar hun land. Onderweg waarschuwt de engel hen tegen Herodes en zo gaan zij rechtstreeks terug naar het oosten. Hiermee is het spel afgelopen. Ik heb de melodie en de tekst hieronder genoteerd, zoals ik het in mijn klas speel:


driekoningen lied

 

2)
De gouden ster (2x),  verdween hen plotseling uit het oog.

Al keken zij nog steeds naar omhoog
Zij stonden nu, zij stonden nu,
al voor een mooi paleis
En rusten daar van de reis.

3)
De koning ja (2x) die daar woonde was Herodes.
Hij vroeg hen waar zij kwamen vandaan.
Zij zeiden toen (2x) één uit het morenland.
En twee uit Sheba met elkand.

4.
Wij zoeken saam (2x) een kinde dat in doeken is gehuld,
Misschien dat gij dat weten zult?
D’ster wees de weg (2x)  tot wij kwamen hier aan,
En hier bleef hij toen stille staan.

5)
Herodes zei  (2x) als gij dit kinde vinden zal,
Kom dan weer met U drie in getal,
En zeg mij dan (2x) waar U dit kinde zag
Zodat ik ook ’t aanbidden mag.

6)
als 1.

7)
De ster stond stil (2x) al boov’n een arme boerenstal
Het kinde ik hier, vinden zal
Nu mogen wij (2x)  het kind aanbidden gaan
Al  waar de sterre stil bleef staan.

8)
Maria, o Maria rein,.
zij wiegde daar haar kindelijn
0 Jezus, o mijn kindje rein
drie wijzen ons bezoeken,
Ach Jezus ligt in arme doeken.
0 Jozef, mijn (2x),

driekoningen lied 2

(melodie 9)

10)
Balthasar knielt neer al voor het kinde teer,
Hij schenkt het nu de wierook.

11)
Kaspar knielt nu neer, al voor het kinde teer,
Hij schenkt het nu de mirre.

12.(melodie 1)
Maria en ook Jozef rein, voor deze gaven dankten zij,
Zij waren ermee reuze blij,
Drie koningen (2x) zij zeiden toen gedag
Tot ’t kind dat in de kribbe lag.

13)als 1.

14)

driekoningen lied 3

15) als 1
In de eerste twee weken is het spel hiermee afgelopen. Daarna volgt nog de vlucht naar Egypte.*
.
(Isabel Brugman, Zeister vrijeschool, nadere gegevens niet bekend)  Zie onder, bij reactie.

.

 *in deze schoolkrant stond nog dit liedje, maar of het bij het spel gebruikt werd, is me niet duidelijk.

driekoningen lied 4

.

Voor meer driekoningenliedjes: Tineke’s doehoek

Vrijeschoolliederen

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen

 

Kleuters: alle artikelen

 

426-398

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (12)

.

HOE DE DRIEKONINGEN HUN NAAM KREGEN

Net als met het bepalen van het aantal driekoningen, heeft het geven van een naam veel gesteggel opgeleverd. In de loop der tijden hebben ze onder anderen Magala, Galgalat en Sarachim geheten en Apellinus, Amerus en Damasus. De namen waaronder ze nu optreden aan het slot van het kerstverhaal zijn voor het eerst genoemd eind vijfde eeuw.

De evangelist Mattheüs is de enige die ooit in sobere be­woordingen over het illustere gezelschap heeft geschreven. Maar hij heeft het nooit over koningen gehad, laat staan over een aantal, over kame­len, over grote aantallen hel­pers en noem maar op.
‘In die dagen’, staat in het Nieuwe Testament, ‘kwamen er wij­zen uit het oosten.’ Ondanks deze vaagheid wist de Engelse heilige Beda in de zevende eeuw als eerste enke­le biografische gegevens op te lepelen. Aan de hand daarvan kan worden gecontroleerd of de Driekoningen in het thuisstalleke wel goed van kleur zijn.

‘De eerste moet Melchior zijn geweest’, aldus de benedictijn Beda. ‘Een oude man met grijs haar, lange baard en hoofdharen. Met purperrode tunica, korte groene mantel. De tweede was Caspar, een baardeloze jongeling met roodachtig haar, groene tuni­ca, rode korte mantel en pur­perrode schoenen. De derde met donkere tint en haren en volle baard, Balthasar gehe­ten, had een rode tunica, wit­te korte mantel en groene schoenen.’

Een legende uit de twaalfde eeuw gaf ze een leeftijd: Caspar 20, Balthasar 40 en Melchior 60. Vanaf het einde van de dertiende eeuw werd een vast schema gehanteerd voor de opstelling: grijsaard Melchior voorop, Balthasar als deugd in het midden en daarachter benjamin Caspar.

(Paul Sapens, nadere gegevens onbekend)

Beda laat Melchior  goud geven, Balthasar mirre en Caspar wierook.

In het Oberuferer Driekoningenspel geeft Balthasar wierook, en Caspar mirre. De kleuren van de koningen zijn daarin: Melchior: rood; Balthasar: blauw; Caspar: groen.

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

425-397

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (11)

.

OVER DE GAVEN VAN DE DRIE WIJZEN UIT HET OOSTEN

‘Zij traden het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en nedervallend vereerden zij hem. En zij openden hun schatkisten en brachten hem hun gaven: Goud en wierook en mirre. (Mattheüs 2, 11) [1]

In de heilige schrift van het Mattheüsevangelie worden ze ‘wijzen’ genoemd; andere bronnen spreken over magiërs. Het is zeker dat ze – gezien de tijd waarin ze leefden – én wijzen én magiers waren, alsook koningen, priesterkoningen. En ze waren sterrenkundigen:
‘Waar is de geboren Koning der Joden? Wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om voor hem te knielen’. (Mattheüs 2, 2) [1]

In de 6e eeuw begon de legende die de wijzen uit het Morgenland in koningen veranderde. De 9e eeuw gaf hun dan de algemeen gebruikelijke namen: Caspar, Melchior en Balthasar.

De ‘driekoningendag’, die jaarlijks op 6 januari als ‘Epifanie’ gevierd wordt, ontstond rond 1164, nadat het gebeente van deze drie heiligen van Milaan naar de dom in Keulen was overgebracht. Tot de volksverering droeg in de tweede helft van de 14e eeuw de ontstane ‘Legenda trium regum’ van Johannes von Hildesheim bij.

Richten we ons nu op de in Mattheüs genoemde gaven van de drie wijzen: goud, wierook en mirre, dan noemen we ze als stoffen met een bijzondere religieuze en symbolische betekenis.

Goud werd van oudsher als diepste geheim van de aarde en als een sacraal element gezien, dat welbewust slechts in deze betekenis gebruikt werd.
‘Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten zullen den Heere heilig zijn; tot de schat des Heeren zullen zij komen.’ (Jozua 6,19) [2]

Goud is in de Heilige Schrift van het Oude en Nieuwe Testament het meestgenoemde metaal. Het wordt in gelijkenissen gebruikt en als aardse rijkdom, alsmede in zijn bijzondere betekenis voor de tempelbouw in de tijd van Mozes en Salomo en de bouw van het nieuwe Jeruzalem in de Openbaringen:
‘De straat van de stad is louter goud als doorschijnend glas’. (Openbaringen 21, 18) [2]

En bij Job staat er in een gelijkenis:
‘Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn’. (22, 25) [2]

Wanneer later de alchemie, op zoek naar de ‘materia prima’, het goddelijk oerelement, probeerde, rekening houdend met de trillingsfrequenties van alle elementen, goud te maken, dan zag men in dat streven en het proces de aardse creatie van het volmaakte, godkennende bewustzijn.

Was in vroeger tijden het goud alleen bestemd voor de religieuze cultus, al in de tijd van David en Salomo is het ook in bezit van koningen:
‘en zij (de schepen) kwamen te Ofir, en haalden van daar, aan goud vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo. (1 Koningen 9, 28) [2]

Onmetelijk waren de goudschatten van de heersers in Babylon, Nineve en Persepolis, in India en de voor-Oriënt. India en Lydië (een klein-Aziatisch land aan de westkust, maar ook Arabië – in de tijd van Rome, Spanje, behoorden tot de beroemde goudlanden van de oudheid.

In de symboliek gold goud als zinnebeeld van de standvastigheid en volmaaktheid. In de veronderstelling van zijn bijzondere, verborgen krachten werd het in het Morgen- en Avondland vaak tot amuletten verwerkt. Gedachten van gelijke strekking lagen ten grondslag aan de steeds uit goud vervaardigde insignes van de koningen.

Het goud is steeds in verband gebracht met de zon en wat de organen betreft met het menselijke hart. In het verre oosten gelooft men dat het goud – als ziel van de aarde – deze levend houdt. Ook in het zeewater bevinden zich sporen van goud.

Bij de kribbe in Bethlehem schonken de aanbiddende koningen goud als teken van de eens priester-koninklijke macht van het heilige kind.

De tweede genoemde gift van de drie koningen is wierook; dit werd – aanbiddend – als teken van goddelijke macht geschonken. Vanaf de tijd van Mozes tot de tijd waarin het de uitdrukking van een cultische handeling wordt genoemd, werd en wordt wierook tot op de dag van vandaag daarvoor aangestoken.

De welriekende geur van de wierook steeg in Babylon al op en in de tempelplaatsen van het Oude Egypte. Zoals de naam al aangeeft, werd het gebruikt voor wijding (Duits Weih-rauch), om te offeren, voor de loutering en voor de vergeestelijking van het gebed. Zo beleefd deed het ca 500 jaar na de christelijke jaartelling zijn intrede in de christelijke godsdienst. In de geneeskunde gold wierook ooit als goddelijk medicijn. Vanuit magische voorstellingen geloofde men dat het goede geesten kon aantrekken en slechte verdrijven. Net als het goud, is de wierook met zijn onvergankelijke hars een symbool voor de eeuwigheid en onsterfelijkheid. In onze tijd vinden we het in de christelijke, boeddhistische en islamtische godsdienst, maar ook in het Shintoïsme, om maar een paar wereldreligies te noemen.

Bij Sjatt-al-Arab is een kleine religieuze gemeenschap, de Mandaeërs (gnostici, ‘wetenden’) wier leer en heilige geschriften waarschijnlijk teruggaan tot die van Zarathustra (Perzië, 7e eeuw voor Christus). Zij zien in de wierook zelfs het opstijgen van een goddelijk wezen, van wie zij, in de gedaante van de hoogste godheid van het ‘eerste leven’, verlossing verwachten.

Mirre, als naam afkomstig uit het Arabische murr, dat bitter betekent, is een geelbruine, kruimelig aardse substantie met een aromatische geur en bittere smaak. Het wordt gewonnen uit de hars van rubberachtige, welriekende struiken en bomen uit de Arabische en Afrikaans-Abessinische landstreken. De Griekse geschiedschrijver Herodotos (5e eeuw v. Chr.) bericht: ‘Het verst weg liggen de bewoonde landen in het zuiden van Arabië. Van alle landen groeit daar alleen wierook, mirre, casia, kinamomon (?) en ladanon(?). De Arabieren winnen al deze dingen, behalve de mirre, echt met moeite…’ En Diodor van Sicilië (1e eeuw v. Chr.) zegt o.a.: ‘Het binnenland echter wordt door aaneensluitende bossen bedekt, waarin grote wierook- en mirrebomen staan; bovendien palmen en kalmoes en kaneel en andere planten, die net zo lekker ruiken. Het is echt niet mogelijk om van iedere plant de bijzondere natuurlijke eigenaardigheden op te schrijven en  de intensiteit en de overmaat aan geuren die allemaal tegelijk door elkaar uitstromen. Wanneer de wind landafwaarts waait, gebeurt het dat de welriekende geur die de mirrebomen en andere gelijksoortige gewassen uitademen tot over de aangrenzende zee meegedragen wordt…’

Mirre, herhaaldelijk genoemd in het Oude en Nieuwe Testament wordt hier in de gelijkenis tot geschenk en geneesmiddel alsmede als kostbare en heilige stof genoemd.

‘Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre….En maak daarvan eene olie der heilige zalving….En met dezelve zult gij zalven de tent der samenkomst…’
(Exodus 30, 23-25-26)[2]

In de evangeliën wordt mirre driemaal genoemd: de eerste keer bij de geboorte  van Christus – als derde gave van de wijzen uit het Oosten. Hier symboliseert het de macht zieken te genezen. Al in de oudheid gold mirre als een geneesmiddel en was in Egypte al medicinaal bekend.

De tweede keer spreekt Marcus in zijn bericht over de kruisiging van Christus over de mirre:
‘Daar gaven ze hem ( de gekruisigde) wijn met mirre vermengd te drinken, maar hij nam het niet aan.’ (Marcus 15, 23) [1]

Johannes noemt de mirre bij de graflegging van Christus: ‘Ook kwam Nikodemus, hij die voor het eerst in de nacht tot hem gekomen was, en bracht een mengsel van mirre en aloë…’
(Johannes 19, 38) [1]

Mirre nam men in de oudheid, voornamelijk in Egypte, naast de andere stoffen  voor het mummificeren. In de Middeleeuwen werd dit hars – met het oog op de evangelieteksten over het lijden van Christus en zijn dood in verband gebracht. Om zijn aromatische geur en de genezende werking speelde de mirre zowel in Joodse en Indisch-Oriëntaalse, alsmede de in christelijke cultus een wezenlijke rol.

Zeker hebben de drie wijzen uit het oosten – zoals de koningin van Sa’aba die duizend jaar eerder met dezelfde schatten naar Jeruzalem trok, hun doel waarnaar de ster hen leidde op dezelfde weg van de oude wierookstraat bereikt – over Mekka en Medina en Petra, de eens zo beroemde stad van de Nabatanen…..

Ruth Kaeselitz, Der Elternbrief, jrg.onbekend)

[1] Het nieuwe testament, H.Ogilvie 1975
[2] Bijbel, Statenvertaling

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

424-396

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (10)

.

MIRRE

Magie en mirre horen bij elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de offergaven van de Drie Koningen, die goud, wierook en mirre schonken aan het kind Jezus. Deze magiërs, priester-koningen uit het woestijnachtige thuisland van de mirreplant, kwamen aan met het meest kostbare van hun cultuur. Dat waren, naast het koningsmetaal goud, de aromatische harsen van wierook en mirre. Misschien brachten ze zelfs helemaal geen goud mee, zoals sommige onderzoekers beweren, maar balsem, want in het Arabisch hebben deze twee woorden dezelfde schrijfwijze: dhb. Als dat waar is dan waren het louter plantaardige producten die de koningen schonken.

Hoe dan ook, wierook gaven ze vanwege de heiligheid en mirre vanwege het lijden van het kind, want mirre en lijden horen ook bij elkaar. Het rituele zalven van de doden door de Hebreeërs was in die tijd heel ge­bruikelijk en mirre werd dan ook als symbool gezien voor lijden en dood. Ook toen Christus aan het kruis hing gaven ze hem mirre opgelost in wijn. En nadat hij van het kruis was genomen, werd hij door Jozef van Arimathea en Nicodemus met honderd pond mirre en aloë bedekt.

De jonkvrouw Myrrha
Hoe sterk mirre met lijden is verbonden bewijst ook het verhaal van de prachtige jonge vrouw met de naam Myrrha, beschreven door de Romeinse dichter Ovidius (43 v. Chr. tot 17 na Chr.). In het tiende hoofdstuk van zijn Metamorphosen beschrijft hij hoe het meisje hope­loos verliefd wordt op haar eigen vader en niets liever wil dan met hem de liefde bedrijven. Verteerd door schuldgevoel wil ze zelfmoord plegen, maar haar voed­ster verijdelt op het laatste moment de zelfmoord door vader en dochter door een list bij elkaar te brengen. Zij weet vader Cinyras met wijn te benevelen en als hij die nacht alleen in bed ligt brengt zij het meisje naar hem toe, zonder haar identiteit te onthullen. Vele nachten brengen ze met elkaar door en uiteindelijk is Cinyras zo nieuwsgierig naar die heerlijke jonge vrouw, dat hij een toorts aansteekt om haar te kunnen zien. Dan schrikt hij zich een ongeluk en gaat met getrokken zwaard achter het vluchtende meisje aan om haar te vermoorden. Myrrha weet te ontsnappen naar een ver land waar het droog en woestijnachtig is. Daar brengt ze negen maanden door. Hoogzwanger is ze van haar vader en ze wil niet langer als mens door het leven gaan. Daarom smeekt ze de goden om haar een andere gedaante te geven en die wens wordt verhoord. Myrrha verandert in een doornige struik die voortaan haar naam zal dragen en ze huilt bittere tranen. Die druipen van haar takken in de vorm van kleine glins­terende bolletjes hars die opwellen uit de diepten van haar hout. Na vreselijke pijnen, geholpen door de maangodin, scheurt zij overlangs open en komt er het mooiste kind uit dat de wereld ooit heeft gekend: Adonis. Zijn schoonheid heeft hij mede te danken aan de gewoonte om zich met mirre in te zalven en zo mooi is hij dat zelfs de godin van de liefde op hem verliefd wordt. Myrrha kan haar zoon niet vasthouden en ze moet voorgoed afscheid van hem nemen. Vanwege dat verdriet blijft ze altijd bittere tranen wenen.

Tranen
Tot zover dit verhaal, waarin enkele opmerkelijke waarheden over de mirreplant worden verteld. Inder­daad lijken de harsdruppels op tranen. Ze ontstaan in harsgangen in het hout en druppen door kleine poriën in de schors naar buiten. Ook gebeurt het regelmatig dat de stam of de dikke takken van de struik overlangs open scheuren waarbij er veel hars naar buiten loopt. Deze kostbare hars zag men in de oudheid als de schone jongeling Adonis en dat geeft wel aan hoeveel belang er aan deze hars werd gehecht. In de Zuid-Arabische landen bracht mirrehars zeer veel geld op. Overal was behoefte aan deze hars, in erediensten van tempels in Egypte tot in Griekenland, waar de mirre tijdens het bewind van Alexander de Grote rond 330 voor Christus is aangekomen. Talrijk waren de rookoffers met zowel mirre als wierook, haar familielid waarmee de plant vaak in één adem wordt genoemd. Het ging om offers voor de goden, om boze geesten te verdrijven en om de doden te eren. Verder werden in profane diensten ook rookoffers opgedra­gen aan levende mensen en was de verfrissende en prikkelende geur van de hars welkom op feesten. De Egyptenaren gebruikten mirre bovendien voor het balsemen van hun mummies, voor gebruik in schoon­heidsmiddelen en parfums en voor het verzorgen van het gebit.

Iemand die veel waarde hechtte aan mirre en haar schoonheid ermee in stand hield, was de oogverblin­dende Nefertete, vrouw van de farao Echnaton (rond 1570 v. Chr.). Zij bewaarde de mirreharsen in stenen kastjes die later zijn gevonden. Als er gasten kwamen in het paleis kregen die een zalfkegel op het hoofd. Dat was een mengsel van dierlijk vet met mirrehars en andere geurende kruiden. Door de warmte van het hoofd smolt de hars en liep druppelsgewijs door het haar en over de schouders van de gasten. Op die manier wandelden er van geur druipende mensen door het paleis…

Mummies
Mirre had ook een religieuze betekenis, gezien het veelvuldige gebruik van de hars in de oude Egyptische zonnestad Heliopolis, op de plek waar nu Caïro ligt. Daar werd dagelijks mirre verbrand op het hoogtepunt van de middag als de zonnegod zijn hoogste kracht had bereikt. Daarbij gebruikten de priesters een speciaal mengsel van kruiden, dat ze ‘kyphi’ noemden. In de zuidelijker gelegen plaats Karnak, aldus de inscripties op de tempelmuren aldaar, was het gebrui­kelijk deze rookoffers te brengen tijdens de zons­opkomst.

Zoveel mirre gebruikten de Egyptenaren dat de lucht langs de Nijl zwanger was van deze geur. Niet alleen de hars, ook complete bomen werden geïmporteerd en in de tempeltuinen geplant. Daarmee kon de hars worden gewonnen die in grote hoeveelheden nodig was om de doden mee te mummificeren. Kilo’s mirre gebruikten de balsemers om de buik-, borst- en schedelholtes van de overleden farao’s en hogepriesters te vullen. Toen in 1922 het graf van Toetanchamon werd geopend kwa­men er verzegelde stenen kruiken en potten te voor­schijn die bij opening nog steeds sterk geurende mengsels bezaten van mirre en andere harsachtige stoffen. En dat tweeëndertig eeuwen later! Deze sub­stanties bleken voor 90 procent uit dierlijk vet en voor 10 procent uit mirrehars en andere kruiden te bestaan. Zelfs heilige dieren werden gebalsemd met mirre en rozemarijn, vanwege de conserverende werking van deze planten. Dat was ook aan de middeleeuwers bekend, want daar schreven de geneesheren soms mummie-extracten als medicijn voor tegen de meest uiteenlopende kwalen. Dat waren aftreksels van de zwachtels van mummies, die ooit waren gedrenkt in een waterige oplossing van mirreharsen. Bij het medicinaal voorschrijven van deze ‘mummie-lappen’ hadden de middeleeuwers de magie van de mummie op het oog, maar het is ongetwijfeld de gunstige werking van de mirre geweest die de geneeskracht veroorzaakte.

Kromme struik
De struik van de Commiphora myrrha is zeer doornig vanwege de scherpe takdorens (takken in de vorm van een doren) die haaks op de stengel staan en de plant een grillig uiterlijk verlenen. De gehele plant kan zo’n twee meter hoog worden en vertakt zich zeer sterk. Soms, afhankelijk van de groeiplaats, komen er ook boomvormen voor die vijf meter hoog kunnen worden. Bij de struikvormen is de hoofdstam meestal gebogen en ziet de plant er uit als een ‘vrouw die krom staat van de barensweeën’ (Ovidius). Aan de takdorens zit­ten de kleine, tot twee centimeter lange blaadjes, die aan de voet nog twee kleine zijblaadjes dragen en vaak met zijn drieën voorkomen.

De bloemen zijn klein en groenig-wit van kleur, al­thans bij deze soort, want er zijn ook mirresoorten met rode of gele bloemen. Ook zijn er doornloze soorten. Het geslacht mirre bevat maar liefst 250 soorten en de systematiek daarvan is zelfs voor de kenners inge­wikkeld. Van Zuid-Afrika, via de oostkust van Afrika, Saoedi-Arabië en het Midden-Oosten tot in India komt de mirre voor, en tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw werden er nog nieuwe soorten ont­dekt. De geslachtsnaam Commiphora bestaat uit twee delen: het Griekse woord ‘kommi’ (denk aan gom en gummi) betekent kleefstof en ‘phoros’ betekent ‘dragen’.

De ‘kleefstofdrager die myrrha heet’ (Commiphora myrrha) groeit in de droge woestijngebieden als wilde plant en heeft waarschijnlijk Somalië als land van herkomst. Daar is ‘molmol’ de plaatselijke naam voor zowel het gewas als de hars. Tegenwoordig zijn het vooral Ethiopië en Zuid-Arabië die de struiken op com­merciële basis in plantages kweken. Voor het winnen van de hars, die bij de zeer hoge woestijntemperaturen zacht wordt en vanzelf naar buiten sijpelt, worden niet alleen de ‘parels’ van de takken gehaald, ook de stam wordt aangesneden. Dat gebeurt vooral in het heetst van het jaar, in juli en augustus. Net als bij de rubberbomen lopen de harsgangen langzaam leeg. Is de boom eenmaal aangesneden, dan moet hij zes tot vierentwintig maanden met rust worden gelaten.  Zo niet, dan droogt de plant uit en sterft.

Verschillende tranen
De harsdruppels uit het hout, die in de mythologie zo mooi tranen heten, komen in twee soorten voor en die dragen in de handel de inheemse Arabische namen.
De ‘heerabol’ is een ruwe, roodbruine en grote klont hars, terwijl de ‘bisabol’ zachter is, geler en helderder.
Meer als barnsteen. In een handjevol mirrehars zitten deze twee soorten door elkaar en je kunt ook allerlei tussenvormen ontdekken. Van deze hars bestaat ongeveer 3 tot 10 procent uit de vloeibare mirreolie, die steeds stroperiger wordt bij veroudering. Deze etherische olie is de geurcomponent die wordt gewonnen door de hars op te lossen in vet. Het harsige deel, ongeveer 35 pro­cent, kan in alcohol worden opgelost en de rest (60 procent gom) is oplosbaar in water. Dat laatste is goed te merken als je een klontje mirre in de mond steekt, want meteen lost er iets van de hars op en dat geeft de scherpe en bittere smaak, die de Arabieren ‘myr’ (is ‘bitter’) noemen. Deze bittere looistoffen trekken de slijmhuid van het tandvlees en de mondholte samen en gaan ontstekingen tegen.

Medicinale plant
Mirre is al in de oudheid als geneesplant gebruikt voor een veelheid aan kwalen. Mondinfecties, kiespijn, hoofdpijn en ontstekingen van de slijmvliezen worden daarbij regelmatig genoemd. Verder zijn vooral ook de desinfecterende en wondgenezende werking bekend, die is toe te schrijven aan de looistoffen in de hars, maar ook aan de wondafdichtende werking die niets met de looistoffen te maken heeft. Als de hars namelijk over de wond is gewreven blijft er een dun laagje als een soort vernis op de huid achter. Hierdoor is de rand van de wond extra beschermd en afgedekt waardoor de genezing vlotter verloopt. In de Afrikaanse volks­geneeskunde vindt deze desinfecterende werking van mirre nog steeds toepassing. Ook als gorgelwater en tandverzorgingsmiddel is de mirre een gewaardeerd medicijn.

Waarschijnlijk hebben geiten in de woestijn de mirre als mondmedicijn niet nodig, maar ze zijn dol op de blaadjes ervan. Tijdens het vreten druipt de hars in hun vacht en als de dieren genoeg hebben komen ze met sijpelende baarden uit de struiken te voorschijn. Geiten hebben ook op een andere manier iets met mirre te maken. In de oudheid werd namelijk hun huid ge­bruikt om er de mirre in te persen. Daardoor bleef de geurende olie in de hars aanwezig, omdat het niet kon verdampen door de huid heen.

Hooglied
Tot slot enkele fragmenten van het bekendste loflied op de mirre en wel het Hooglied van Salomo, uit de bijbel. Telkens grijpen de twee geliefden uit dit lied naar de mirre, als zinnebeeld voor eikaars schoonheid waaraan de plant ook een bijdrage levert. Het zalven van hoofd en handen met mirre verhoogt immers de schoonheid en daarom zijn de liefdesscènes doorsijpeld van deze hars:

‘Mijn geliefde is mij een bundeltje mirre, rustend tussen mijn borsten’ (1:13)

‘Ik stond op om mijn geliefde open te doen, mijn handen dropen van de mirre, mijn vingers van vloeiende mirre op de greep van de grendel1 (5:5)

‘Zijn wangen zijn als balsembedden, perken van kruiden, zijn lippen zijn leliën, druipend van vloeiende mirre’ (5:13)

Gebruik bij Weleda
De mirre die Weleda gebruikt komt uit het zuid­oosten van Ethiopië. Mirre groeit hier in boomvorm in het wild op vlaktes, in heuvels en in de ber­gen. Het is een droog gebied waar weinig andere gewassen groeien. Mensen uit de omgeving hebben gezamenlijk een bedrijf opgezet om de hars te ver­zamelen. Dat gebeurt vanaf november tot februari door met een mes in de boom te kerven, zodat de hars eruit loopt. Daarna gaat de hars naar een sorteerstation waar vrouwen in een hal mirregom naar grootte en zuiverheid sorteren. Het zijn de grote bruine brokken die Weleda ontvangt. Op de productieafdeling voegt een medewerker alcohol bij de klompen waardoor de hars vloeibaar wordt. Weleda gebruikt alleen de hars om tinctuur van te maken. De gom en etherische olie worden niet ge­bruikt. Mirretinctuur werkt desinfecterend, ontstekingsremmend en weefselversterkend in Weleda ’s Tandvleesbalsem, Ratanhia Mondwater, Ratanhia Tandpasta, Calendula Tandpasta, Planten Tand­pasta, Saline Tandpasta, Voetbalsem, Aftershave Balsem en Aftershave Lotion.

mirre1

mrre 2

(Uit ‘Flora’s kus’ , Weleda Zoetermeer, 2000.)

Het gebruik van myrrhe* gaat tot ver in de oudheid terug. Zij wordt in Oud-Indische, Perzische, Egyptische en Griekse bronnen genoemd, eveneens in de Bijbel en de Koran. Uit al die over­leveringen blijkt, dat myrrhe steeds iets zeldzaams en kostbaars was wat nooit voor profane doeleinden werd gebruikt. Het rookoffer met myrrhe was even gebruikelijk als dat met wierook. Men maakte genezende zalven en pleisters met myrrhe. Ook bij de vervaardiging van zalfoliën en kosmetische preparaten werd zij gebruikt.

Wat is dat voor een geheimzinnige substantie, die zo hoog in aanzien stond dat zij naast goud en wierook tot de offerrande van de priesterkoningen in Bethlehem behoorde en toch tegenwoor­dig bijna is vergeten?

In de droge, hete kustgebieden aan weerszijden van de zuidelijke Rode Zee groeien de myrrhe voort­brengende planten, op karige bodem verspreid, op matige hoogte. Het zijn maar een paar meter hoge, met sterke dorens bezette struiken of kleine bomen. Deze hebben krachtige, korte gekrom­de takken. Zij vertonen wat kleine, eenvoudige of drietallig gestelde bladeren en hebben slechts onaanzienlijke bloempjes. Uit de gladde, dunne bast van de takken druipt vanzelf of na een inker­ving een stroperig sap, dat in de open lucht hard wordt. Sinds onheugelijke tijden wordt dit met grote moeite geoogst. Het is duidelijk, dat het steeds maar om kleine hoeveelheden ging. De myrrhe als handelswaar werd vroeger door karavanen over lange trajecten getransporteerd. Myrrhe bestaat uit gele tot roodbruine, doorschijnende brokken met een typische geur en bitter-aromatische smaak. Onderzoek toont aan dat de myrrhe een emulsie is, die voor een groot deel uit plantengel (gom) en een klein gedeelte hars bestaat, dat etherische oliën en bitterstoffen bevat. Tengevolge hiervan is myrrhe zowel in water als in alcohol oplosbaar. Daardoor wordt dan wel de bijzondere compositie teniet gedaan.
Het is gebleken, dat de myrrhe een desinfecterende, samentrekkende werking heeft, waarvan in allerlei farmaceutische bereidingen gebruik is gemaakt.

Van de toepassing daarvan in vroegere tijden is alleen nog hier en daar myrrhetinctuur bij de be­handeling van ziekten van het tandvlees en de slijmvliezen in de mond en keel overgebleven. Het vermoeden bestaat, dat de myrrhe op den duur in de vergetelheid raakte omdat ze op een heel bij­zondere manier met de constructie van de mens in vroegere tijden in relatie stond. Want wat is het typische van de werking van de myrrhe? Die is consoliderend duurzaam en aards makend, conserverend van aard.

Myrrhepoeder was in het oude Egypte een belangrijke substantie voor het balsemen van de gestor­venen. Dat heeft de moderne mens niet meer nodig; hij is meer dan genoeg een aards wezen geworden. Alleen waar ontstekingen de tendens tot oplossing te sterk laten worden, zijn ook nu nog werkingen, zoals hierboven beschreven, op hun plaats.

De myrrhe, die in de kerstgeschiedenis een rol speelt, herinnert ons eraan, dat de mens liefdevol kan ingaan op de taak van zijn aardse bestaan, maar daarbij niet zijn geestelijke oorsprong moet vergeten om daardoor aan het materialisme ten prooi te vallen.

(Dr Rainer Muller, bioloog, Weledaberichten nr. 149, dec. 1989)

*Mirre staat hier nog in de oude, niet meer gangbare spelling.

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

423-395

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Alle artikelen

.
Rudolf Steiner over de Kerstspelen:
GA 274: toespraken

0-0-0

Inleiding

Algemene aanwijzingen
over de spelen; uit Steiner ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen

Algemene aanwijzingen
waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen.

Paradijsspel: alle artikelen

Herdersspel-Geboortespel: alle artikelen

Driekoningenspel: alle artikelen

ACHTERGRONDEN waarin alle drie de spelen ter sprake komen:
.
Achtergronden van de Kerstspelen
Carel Eckhart over: de voorbereidende stemming; oorsprong van de spelen; korte karakteristiek van paradijsspel – Vadermotief, episch; kerstspel – Zoonmotief, lyrisch, driekoningenspel – Geestmotief, dramatisch; het getal 3 en 4

Over de kerstspelen
P.C.Veltman over: hoe werd in Oberufer gespeeld; korte karakteristiek van de 3 spelen en veel rollen; wie of wat is de duivel; het kwaad.

Kerstspelen en Kerstmis
P.C.Veltman
over: ontstaan van lekespelen en van het spel uit Oberufer.

De Kerstspelen
P.C.Veltman over: geschiedenis van het kerstspel in ’t algemeen; over dat uit Oberufer.

De kerstspelen uit Oberufer
Marijke van Hall over: raak je erop uitgekeken?; paradijsspel: episch, geboortespel: lyrisch, driekoningenspel: dramatisch.

De kerstspelen uit Oberufer
Marijke van Hall over: een karakteristiek van iedere speler; waar moet je om denken als je een rol speelt; de inhoud van het spel, de aard van de spelers en de tijd waarin wij leven.

Over de boodschap van de Kerstspelen
Johannes Tauz over: korte achtergrondschets.

Voor de opvoering van het kerstspel uit Oberufer
Ernst Bindel over: korte achtergrondschets.

[5] Onze Kerstspelen
C.R.Klinkenberg
over: Thornton Wilder en ‘het toeval’; de ‘toevallige’ ontdekking van de spelen door Schöer; de waarde en de kracht van het beeld.

Leopold van der Pals
C.Rens-Portielje over Van der Pals die de muziek schreef bij de Kerstspelen.
Van der Pals zelf aan het woord.  

Kerstspelen. Waarom ook weer?    (3e artikel in de lijst)
Ruud Gersons over: een gang door het herdersspel, met uitleg en verklaringen.
(Het antwoord op de vraag vond ik er niet in terug)

Literatuurlijst
.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Jaarfeesten

.
422-394

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen – goud

.

Artikelen over ‘goud’ vind je bij: mineralogie

Zie voor ‘goud’ (en andere metalen) het boek ‘Levende metalen’ van L.F.C. Mees, hier te downloaden.

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

421-394

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Oudjaar

.

Hoewel ‘oudjaar’ geen jaarfeest is dat op de vrijescholen wordt gevierd, horen onderstaande activiteiten

voor sommige gezinnen en in sommige streken van het land tot de activiteiten in de gang van het jaar.

.

Wendela van Mansvelt, Jonas 8/9, 15-12-1978

TOEKOMSTKIJKEN

Loodgieten op oudejaarsavond

Oudejaarsmiddag zet in met één grote bedrijvigheid: de laatste ingrediënten voor de maaltijden worden, in karton­nen en manden, binnengehaald – mor­gen is immers ‘zondag’ – de lucht van oliebollen en kaarsen hangt in het huis, gemengd met dennengeur. Blokken voor het haardvuur worden aange­sleept en opgestapeld, een zakje antracietnootjes ernaast, de grote grijze zinken teil uit de schuur gewrikt, een stevige soeplepel (aluminium) bij de haard gelegd, loodbrokken pakklaar. We gaan toch lood gieten? Een oud stuk kleed voor de haard zal geen overbodige voorzorgsmaatregel blij­ken.
In afwachting van de gasten wordt de haard al aangestoken, als het zover is, zal een laag rood-smeulend vuur nodig zijn. Uit de andere kamers worden half opgebrande kaarsen in veelvormige kandelaars aangedragen en evenals de kerstboom, van nieuwe kaarsen voorzien. Na een ‘makkelijke’ maaltijd wordt in de keuken de laatste hand gelegd aan allerlei lekkers voor het middernachtelijk souper. ’t Huis vibreert van activiteit! Als de gasten met spannende pakjes ter opluistering van deze avond gearriveerd zijn, wordt een ‘heiligen’ legende of iets anders, ons dierbaar, voorgelezen bij het licht van de kerstboom.

We duimen dat bel en telefoon dit rus­tige uur niet zullen verstoren. Het doet goed samen stil te luisteren, de kring van gasten en familieleden gade te slaan bij het kaarslicht, de beelden uit het verhaal voor je te zien. Napra­ten over het voorgelezene komt aan de orde, de kinderen popelen om hun ge­luk te gaan beproeven met het loodgieten.
Wie mag het eerst? We tellen af en de uitverkorene mag de soeplepel, waar hij een loodbrok in legt, boven het vuur houden. Tal van goede raad begeleidt deze eersteling: ‘Kijk uit, ’t is levensgevaarlijk als je morst, pak die handschoen, ezel, je brandt zo je vingers. Is er genoeg water in de teil en de weg tussen haard en teil niet ver­sperd door op de grond staande kopjes en glazen, kandelaars die haast omval­len, ledematen van gezinsleden, die juist een goed plekje vlakbij de teil kozen om alles van de eerste rang af te volgen? Niet zo lang in ’t vuur, de le­pel smelt straks nog!’ Snel smelt het lood, een zware brij ligt in de lepel. Nu flink en doortastend naar de teil lopen – goed kijken – mikken – gooien -sschwt – ’t is gebeurd. Wat zal het zijn? Onmiddellijk stolt het lood in het koude water en de eerste gooier vist voorzichtig met z’n hand zijn creatie uit het water. Ooo’s en aaa’s vullen de ruimte, ’t lijkt wel een boot – ach wel nee, beneden lijkt het op een kip. Net iets voor jou, een soort vliegtuig! Snelheid en richting gaven vorm aan het gesmolten lood, in één handomdraai werd een persoonlijk karakter aan de egale vloeistof gegeven. – Nu de Bijbel – waar ligt ie nou? De ‘gieter’ krijgt de grote statenbijbel in de hand, wordt geblinddoekt en slaat dan de Bijbel open. Met een potlood zonder punt, zo makkelijk te vinden in een groot gezin, wordt een regel aangewezen in de tekst. Soms ver­dwaalt een hand zó erg dat bijsturen geboden wordt. Blinddoek af en nu hardop lezen!

De ouderen van ’t gezelschap moeten soms helpen om de tekst voor te lezen en de netelige situaties, die het Oude Testament beschrijft, wat te omzeilen. ‘Dat slaat op jou – ‘k snap er niks van – goed onthouden hoor!’ Dan is de vol­gende al aan de beurt. Met verhitte ge­zichten, waar spanning op te lezen staat, geven de gieters de lepel aan de volgende ‘afgetelde’ speler door tot iedereen aan de beurt is geweest. Na verloop van tijd staat van allen een kunstwerk op de schoorsteenmantel. Ja, ze zijn echt allemaal anders, dat is zeker. Er zijn een paar favoriete scheppingen die duidelijk de vorm hebben van boot, hoofd, vleugel, bloemkool. ‘Jij wou toch zo graag varen. Jij houdt toch zo van lekker eten!’ Het vuur hoeft niet meer aange­wakkerd te worden, de stemming is warm genoeg. De schade van ’t loodgieten valt mee – wat kaarsvet op tafel, ja, kijk uit, ook op de grond, wat meer schroeiplekken op ’t oude kleed voor de haard, een enkeling die aan z’n hand likt (‘toch niet echt verbrand, hè?’).

“k Hoor al knallen, laten we de ramen open zetten, straks gaan de klokken luiden’. Vuurpijlen trekken een spoor naar de ‘hemel, lichtballen spatten boven de huizen uiteen – de torenklok­ken luiden – goede wensen – omhel­zingen – dan horen we, zo echt Rotter­dams, de boten in de havens met hun gefluit het nieuwe jaar welkom heten. Veel later vertrekken de gasten met hun loodproduct en wij kijken nog even naar onze eigen maaksels – dan slapen en dromen op deze nieuw­jaarsmorgen.

Terugkijkend op zo’n viering, nu vele jaren geleden, vraag ik me af, of we zwaar tilden aan onze loodgietsels met bijbehorende Bijbeltekst – ik dacht ’t niet, ’t was een heerlijk gedoe, vol spanning en plagerijen. Wel komen associaties met lood – lekkende goten door de loodgieter bijgelapt met lood, de oude loden buizen in onze keuken die tenslotte toch vervangen werden door buizen van plastic – bij mij boven. In de Winkler Prins staat te lezen dat de loden buizen door de Romeinen aangelegd, de eeuwen trotseerden. Oude houten kisten voor theeverpak­king gevoerd met dun-loden voering om de smaak te garanderen. Een lood­lijn construeren – zekerheid gevend voor de verdere tekening. Uit ’t lood geslagen – dan slinger je maar heen en weer. Steeds duidt lood op het behou­dende, wars van elke verandering. Lood voor kogels, (stukjes hagel op je bord uit een stuk haas, patrijs enz.) met als doel ’t bewegende doelwit voor altijd te verstijven. Ook lood in de ‘haute couture’, in dunne schijfjes ge­naaid in plooien van de zijde of het fluweel om de diepte van een decol­leté te garanderen, dan wel als kleine kralen in de zoom van een wijde rok genaaid om bij het walsen de rokken wel te laten zwieren maar té speelse vlucht van de meters stof in te tomen.

Lood in ’t taalgebruik – een loodzware slaap, de eigenlijke verkwikking ont­breekt – met lood in de schoenen er­gens heengaan – de fantasie, de leuke invallen zijn spoorloos. Van een lood­zware maaltijd heb je zelfs ’s nachts nog last.

Als in de natuur de onweerswolken zich opstapelen en een loodgroen-grijze kleur de hemel voor ons oog af­sluit, dan is zwaar weer op komst. Onheilspellend – de vogels, zoeken dekking in en onder de struiken, tot de loodgrijze wolken zich ontladen in een wolkbreuk.

Willen we bij het oudejaars-loodgieten niet een geheim ontfutselen aan dat lood, dat zelf zo iets behoudends, ja onontkoombaar vaststaands heeft? Willen we niet een stukje zelf – zeggenschap hebben in onze eigen toe­komst, een ‘eigen hand’ in het lot? We nemen de kans waar, we gooien het door toevoeging van hitte gesmolten lood, richting en vaart met eigen hand bepalend, in ’t water en weten met het weer gestolde resultaat weinig te be­ginnen. Vervangt de Bijbeltekst wel­licht de verklaring van de oude zieners die onze gietsels konden duiden en een sluier konden oplichten voor onze lotgevallen in het nieuwe jaar?
.

loodgieten

Nodig:
tweedehands lood
een grote pan of emmer
een stevig oud pannetje of pollepel

Werkwijze:
smelt een stukje lood in het pannetje of de pollepel – het zal niet lang duren voor het vloeibaar is.
Daarna ieder op zijn beurt wat lood in de emmer met water gieten.
In het water zullen dan vormen ontstaan die je fantasie  aan het werk kunnen zetten: ze doen je ergens aan denken, wijzen op iets wat in de toekomst verborgen ligt.

Heksverbranding

is zeker zo spectaculair als vuurwerk

maak een heks – zoals je een vogelverschrikker maakt:
oude kleren gevuld met stro.
Deze heks krijgt een schort voor en in haar schortenzakken stopt ieder die aanwezig is een briefje – anoniem – met zijn of haar slechte eigenschappen.

Om 24.00 u wordt de heks verbrand en de slechte eigenschappen verbranden mee!

(bron onbekend)

.

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten

.

420-394

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (9)

.

DRIEKONINGEN

Achtergronden

Drie Koningen worden de wijzen (of magiërs) uit het Oosten genoemd, die volgens het verhaal van Mattheüs 2:1-12 een ster volgden tot in Betlehem, om Jezus te begroeten als de pasgeboren koning der Joden en hem hun geschenken, goud, wierook en mirre, aan te bieden.

Op grond van het feit dat er sprake is van drie gaven, concludeerde men dat er drie koningen zouden zijn geweest. Sedert de 9de eeuw vindt men hun namen vermeld: Kaspar, Melchior en Balthasar. Volgens middeleeuwse commentaren vertegenwoordigen zij de drie bijbelse mensenrassen der Semieten, Chamieten en Jafetieten en een van hen (Kaspar) wordt door middeleeuwse kunstenaars als neger afgebeeld. Volgens een legende uit de 12de eeuw zouden hun relieken door de Heilige Helena naar Constantinopel zijn overgebracht en na diverse omzwervingen in Milaan terecht zijn gekomen. In 1164 vond een plechtige overbrenging (translatio) plaats naar de Dom van Keulen (Driekoningenschrijn). Het driekoningenfeest wordt gevierd op 6 januari (Epifanie) als onderdeel van het feest van de Verschijning des Heren. In de volksmond wordt het feest Dertiendag (dertien dagen na Kerstmis) genoemd. De Germanen waren bevreesd voor de dertien nachten tussen Kerstmis en Drie Koningen omdat dan geesten zouden rondwaren. Vandaar het gebruik van het slaan met zwepen om de geesten te verdrijven en vruchtbaarheid op te wekken, waaraan het lopen met fakkels en lantaarns herinnert, waarbij de kinderen ter herinnering aan de Drie Koningen papieren kronen opzetten en een verlichte ster aan een stok dragen en een sterrelied zingen.

In het zuiden bestaat nog de gewoonte het driekoningenbrood of de bonenkoek te eten. Wie de boon aantreft is die dag koning.
In Italië wordt Drie Koningen gevierd als ons Sinterklaasfeest.

Drie Koningen en de vrijeschool
Met het feest van Drie Koningen is aan de meest intensieve tijd van feesten in de jaarkring een einde gekomen.
We maken ons evenals de natuur op voor een nieuwe ordening. De geboorte van het Christuskind geeft de aanzet daartoe. De invulling ervan is aan onszelf voorbehouden.

Het zijn de herders die de herder eren in het Kind. Het zijn de koningen die de koning eren in hetzelfde Kind. Het goud symboliseert de koninklijke macht, de wierook de vluchtigheid van de wereldse macht en de mirre, de balsem die bij begrafenisrituelen wordt gebruikt, staat voor het sterfelijk zijn. Immers God neemt de gedaante aan van de sterfelijke mens. In een andere gedachtegang kunnen we de mirre zien als symbool van het terugdringen van het zintuigelijke leven, de wierook als het scheppen van innerlijke ruimte voor het zich ontwikkelende zieleleven en het goud als symbool van de innerlijke liefde.

Een verhaal
De kinderen kennen ongetwijfeld het verhaal van de drie wijzen, de koningen uit het Oosten, die de ster volgen naar Bethlehem en uiteindelijk de kribbe aantreffen met daarin het kind Jezus.

We zouden u willen voorstellen als aanvulling hierop het verhaal ‘De vierde wijze uit het Oosten’ voor te lezen. In boekvorm wordt het uitgegeven door East-West Publications in Den Haag. Eerder verschenen bij Holkema en Warendorf in 1905 en oorspronkelijk uitgegeven door Harper & Bros in 1895 onder de titel The story of the other wise man1.

DE VIERDE WIJZE UIT HET OOSTEN
Dit bekende en geliefde verhaal vertelt van de zoektocht van de Zoroastrische hogepriester Artaban, die het teken aan de hemel heeft gezien dat er in het land van Judea een koning geboren zal worden, die een groot licht zal brengen voor de zoekende wereld. Hoewel hij behoort tot de Zoroastrische religie, beseft hij de grote betekenis van dit teken aan de hemel. Daar geen van zijn vrienden hem durft te vergezellen, besluit hij alleen te gaan naar dat verre land, dat onder Romeinse overheersing zucht, om er de koning, die geboren zal worden, zijn eer te bewijzen. Wel hoopt hij zich onderweg te kunnen voegen bij de wijze magiërs Kaspar, Melchior en Balthazar, die de reis eveneens maken, maar dat zal helaas niet lukken.

Hij verkoopt zijn bezittingen en koopt er drie kostbare juwelen voor om aan de jonge koning te schenken. Zo gaat hij op reis. Hoe zal hij op de proef gesteld worden en hoe zal hij uiteindelijk, aan het eind van zijn krachten en op onverwachte wijze, toch de koning vinden en het Licht ontvangen, waarnaar hij zijn hele leven heeft gezocht.

Daarover vertelt dit prachtige verhaal, dat terecht in de Engelstalige wereld reeds sedert vele tientallen jaren een van de meest geliefde kerstverhalen is.

 

(bron onbekend)
.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

419-393

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.