Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-9/2)

.
Loek Dullaart, Motief 236, okt. 2019

.

Basisinkomen: een goede start

.

Een basis om verder op te bouwen

Invoering van een basisinkomen voor alle Nederlanders biedt veel voordelen. Dit artikel wil een andere kant ervan belichten dan het artikel van John Hogervorst in Antroposofie Magazine nummer 14 van juni 2019. Gelukkig dat er eindelijk eens een keer iets in Nederland verschijnt over het basisinkomen. In weekblad Das Goetheanum in Zwitserland stonden er regelmatig (meestal lovende) artikelen over. Jammer dat het artikel van John Hogervorst geen lans breekt voor dit geweldige concept.

Uit het artikel wordt niet helemaal duidelijk of John Hogervorst nou écht tegen de invoering van het basisinkomen is. Hij lijkt dat laatste te suggereren, hoewel hij het niet uitdrukkelijk zegt. Hij lijkt het idee af te wijzen omdat het niet ver genoeg gaat. Volgens hem leidt de invoering ervan niet tot een betere herverdeling van het geld of tot afschaffing van de winstmaximalisatie en dan ziet hij er geen heil in. Zijn initiatief Sleipnir, om met een klein aantal bedrijfjes dat alvast wel te gaan doen, zou voor die vérstrekkende, wereldwijde veranderingen meer zoden aan de dijk zetten.

Het basisinkomen afwijzen?

Moet je het basisinkomen dan dus afwijzen omdat het de oorzaak van de toenemende ongelijkheid in welvaart onaangetast laat? John Hogervorst lijkt dat te zeggen: dweilen met de kraan open, noemt hij het. Ik moest door zijn artikel onwillekeurig denken aan de stemming over het basisinkomen destijds in Amerika onder president Nixon. Nixon – jawel hij, nauwelijks te geloven, maar wel echt waar – wilde een basisinkomen invoeren voor alle Amerikanen. Hij bracht een voorstel daartoe in stemming in het Congres. De democratische partij stemde tegen het voorstel omdat ze het plan niet ver genoeg vonden gaan. Het afgewezen plan kwam vervolgens in een la terecht om er nog eens verder aan te sleutelen, maar daar kwam het vervolgens nooit meer uit… Je kunt dus door steil in de leer te zijn veel goede en belangrijke voorstellen torpederen. Zijn er dan alleen maar negatieve kanten aan het basisinkomen, zoals John Hogervorst lijkt te zeggen? Welnee, er zijn vooral ook grote voordelen! Allereerst vindt er via het basisinkomen (‘gratis geld voor iedereen’) een eerste begin plaats van de ontkoppeling tussen arbeid en inkomen, zoals Rudolf Steiner die bepleit in zijn sociale hoofdwet. Inkomen is niet langer een beloning na gedane arbeid, maar een onvervreemdbaar recht van ieder mens vanaf zijn geboorte. Met dat geld kan hij datgene realiseren wat hij belangrijk vindt om voor de wereld te doen. Dat is niet alleen een ideëel voordeel, veel mensen hebben ook direct baat bij zo’n nieuwe constructie.

Neem bijvoorbeeld de alleenstaande moeders, die zich nu in allerlei bochten moeten wringen om het noodzakelijke gezinsinkomen te verdienen en daarnaast moeten zien om ook nog een beetje tijd en energie te vinden om hun kinderen op te kunnen voeden: zij krijgen voor die opvoeding van hun kinderen dankzij het basisinkomen alle ruimte en mogelijkheden.

Of mensen die uit ideële motieven allerlei heel nuttig vrijwilligerswerk doen met behoud van uitkering, maar elke week die vernederende gang moeten maken naar het arbeidsbureau om aan hun sollicitatieplicht te moeten voldoen. Die kunnen voortaan ongestraft het werk doen wat zij voor de maatschappij belangrijk achten. Of priesters of kunstenaars, die niet meer bij hoeven klussen of lessen hoeven te geven om hun inspirerende werk te kunnen blijven doen.

Meer lucht en meer licht

Een basisinkomen geeft enorm veel vrijheid. De vrijheid om niet gedwongen te worden een baan te nemen die je niet zelf kiest, maar die je noodgedwongen doet, alleen maar voor het geld, een baan die je nooit zou kiezen als je die vrijheid van keuze wel had. Die hele houding van tegenzin en dwang zou komen te vervallen. Spiritueel gezien geeft dat helderheid: meer lucht en meer licht.

Dat het basisinkomen niet alles direct oplost, is natuurlijk duidelijk, daarin geef ik John Hogervorst volkomen gelijk. Het is ook pas een eerste stap. Maar het is wel een belangrijke stap voorwaarts in een richting die de driegeleding en de antroposofie nastreven in de ontkoppeling van arbeid en inkomen, vrijheid van keuze voor werk en levensinvulling, hoe mensen dit ook doen en zelf invullen. Uit experimenten blijkt tot nu toe dat verreweg de meeste mensen meestal heel verstandige beslissingen nemen met het geld dat ze op deze wijze van de gemeenschap ontvangen. Er zullen ook altijd een paar uitzonderingen op die regel zijn, maar dat hoort nu eenmaal bij de vrijheid.

En wat te denken van een maatschappij waar alle wildgroei van AOW, AWW, WW, bijstand, kinderbijslag, huuraftrek, loonkosten, arbeidsbureaus, controlesystemen, opsporingsambtenaren kunnen gaan verdwijnen? Dat alles kan worden opgeheven, omdat er één helder en duidelijk inkomenssysteem gaat komen voor iedereen. Wat een grote schoonmaak en wat een mogelijkheden gaan hierdoor ontstaan… Dit is trouwens al een deel van de financiering van een basisinkomen: alle bestaande uitkeringsgelden komen in één basisinkomenspot.

Een ander deel komt vanuit de bedrijven die het ‘eerste deel’ van hun werknemerssalarissen afdragen aan het uitkeringsorgaan-basisinkomen. Vanzelfsprekend staat het hen vrij hun werknemers meer te betalen bovenop het basisinkomen. Vanzelfsprekend ook moet de discussie tegen excessen in beloningen deel zijn en blijven van het maatschappelijke debat. We zijn er nog niet als iedereen een basisinkomen krijgt. Het lijkt logisch dat de discussie over de ongelijkheid van beloningen naar aanleiding van de invoering van een basisinkomen eerder meer, breder en beter kan worden gevoerd.
Dat de instantie die het basisinkomen verzorgt en uitkeert geen overheidsinstantie moet zijn, maar een vrij en losstaand orgaan is natuurlijk wel een vereiste. Geen politieke willekeur, geen verborgen winstoogmerken, geen beleggingsstrategieën of sturingsmechanismes mogen hierbij een rol spelen. Het is gewoon een uitbetalingsloket, dat geld ontvangt en geld uitgeeft. Hooguit kan er een controle vanuit de samenleving worden uitgevoerd op goed en degelijk functioneren.

Kwart van de bevolking voorstander Het is wel even omdenken voor mensen: gratis geld voor iedereen… Kan dat wel, gaat onze economie dan niet op de fles? Wie zich in de achtergronden van deze plannen verdiept, zal zien dat er goede degelijke economen aan de basis staan van dit plan en dat alles heel goed is doordacht en becijferd. Het is zelfs mogelijk dat de arbeidsproductiviteit stijgt dankzij het enthousiasme voor de vernieuwingen, zeker ook als er in het verlengde van het basisinkomen ook nog andere plannen worden ontwikkeld, zoals winstdeling of coöperatievorming, waar ook steeds meer belangstelling voor is.

Zo’n enthousiasme was er ook in Zwitserland te zien, toen een groep enthousiaste jongeren overal met mensen het gesprek aanging over een basisinkomen voor alle Zwitsers en ze genoeg handtekeningen ophaalden om er een referendum over te houden. Stel je voor: een heel land bediscussieert met elkaar de voor- en nadelen van de invoering van een basisinkomen voor iedereen. Tegenstanders zeiden honend dat toch maar mooi driekwart van de Zwitsers hadden tegengestemd. Maar dat kun je ook anders zien.
Eén kwart van alle conservatieve, behoudende Zwitserse burgers, die niet gewend zijn te avonturen met overheidsgelden, was bereid om een basisinkomen voor alle Zwitserse staatsburgers direct in te voeren! Dat is een groot succes. Als er nu al een kwart van de bevolking voorstander is, is het een kwestie van tijd om nog een kwart van de bevolking van de juistheid van deze maatregel en de positieve uitwerking ervan te overtuigen, waarna het in Zwitserland voor iedereen kan worden ingevoerd! Want dan heb je een meerderheid achter je.

Naast het basisinkomen zijn ook de experimenten met ‘vrij geld’ erg interessant. Ook daarvan zijn goede resultaten te melden. Dat is ook wel nodig, want ondertussen worden er allerwege voorbereidingen getroffen om het cash-geld af te gaan schaffen. God verhoede dat dat gebeurt, want dan verliezen we volledig onze vrijheid en zijn we totaal afhankelijk geworden van de banken. Momenteel zijn de banken bezig, via de VN, te zorgen dat iedereen een bankrekening heeft of krijgt. Zogenaamd voor hun eigen belang en hun ontwikkelingsmogelijkheden, maar in feite in het belang van de banken en hun winststrevingen. ‘Onze’ koningin Maxima heeft daarin een voortrekkersrol. Als dat gerealiseerd is, gaan ze het cash-geld afschaffen.

Als we ergens mee willen beginnen is de invoering van een basisinkomen voor iedereen een grote stap vooruit in de ontwikkeling van een meer menselijke maatschappij. In navolging van Rudolf Steiner, die zich in de laatste zeven jaar van zijn leven met diepe esoterie, maar ook met uiterst revolutionaire ideeën en de verwezenlijking daarvan bezighield, hebben wij ook op dit economische gebied als spiritueel geïnteresseerden een belangrijke opdracht en taak. 

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3188-3000

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-7)

.
Op deze blog staan artikelen overSociale driegeleding‘. Een vorm van maatschappelijk samenleven op basis van bepaalde inzichten die rudolf Steiner eraan ten grondslag legde.
M.n. in de jaren 1970 en volgend werden er vele gedachten over ontwikkeld.
Daarbij valt de naam van Lex Bos op. 
Van zijn hand vind je (o.a.) hier veel artikelen. Over zijn ‘dynamische oordeelsvorming’ gaat het onderstaande:

Martin van den Broek in Motief,nr. 264, juli-augustus 2022
.

De werkzame kracht van Dynamische Oordeelsvorming
.

Dynamische Oordeelsvorming vindt zijn oorsprong in het proefschrift van Lex Bos:
Oordeelsvorming in groepen. Willens en wetens wikken en wegen. Polariteit en ritme als sleutel tot ontwikkeling van sociale organismen.

Hierin presenteert hij een ideaaltypische beschrijving van het proces dat zich bij oordeelsvorming in groepen afspeelt. Ook toont hij aan dat het een hulpmiddel is om het oordeelsvermogen van individuen en groepen te ontwikkelen. Het model Dynamische Oordeelsvorming representeert die ideaaltypische procesbeschrijving. Hij hoopte ermee een bijdrage te leveren aan een wereld met een menselijke maat en een menselijk gelaat.

Bewuste hantering van het model brengt individuen dichter bij zichzelf en de leden van een groep nader tot elkaar. Een deelnemer aan een training ervoer de werking als een ‘wolf in schaapskleren’, een deelnemer aan een groepsproces als ‘magie’. De werkzame kracht achter deze ervaringen is het impliciete spirituele mensbeeld van het model. Het is een mens waardig model. Het appelleert aan de potentie van ieder mens om een vrij individu te worden en liefde te realiseren. Een appel dat, in de huidige situatie van wereldwijde wederzijdse afhankelijkheid en toenemende polarisatie, hoogst actueel is. Karakteristiek voor het model zijn vijf velden, polariteit, ritme en gevoel.

Figuur 1 Het model Dynamische Oordeelsvorming

Vijf velden

Het model kent vijf velden. Het gevoelsveld (voelen, gevoelens) met in het midden een individu, IK of een GROEP, het feiten-veld (waarnemen), het begrippenveld (denken), het doelenveld (willen) en het middelenveld (handelen). Kortom het beeld van de voelende, waarnemende, denkende, willende en handelende mens.

Polariteit en ritme

Het model bevat drie polariteiten:

• waarnemen (FEITEN) →  ← denken (BEGRIPPEN).
Het ritme hiertussen leidt tot een (voorlopig) INZICHT;
• willen (DOELEN) →  ← handelen (MIDDELEN).
Het ritme hiertussen leidt tot een (voorlopig) BESLUIT;
• verleden (kenweg / INZICHT) →  ← toekomst (keuzeweg /BESLUIT).
Het ritme hiertussen leidt tot een besluit vanuit inzicht.

Het bewust verzorgen van een levend, dynamisch proces tussen deze polariteiten verhoogt de vitaliteit van een oordeels-vormingsproces en daarmee ook de kwaliteit van de oordelen die daaruit voortkomen. Aan dit proces ontleent het concept de naam Dynamische Oordeelsvorming.

In deze drie polariteiten is de antroposofische menskundige fundering van het model zichtbaar. Op de kenweg het zenuw-zintuigsysteem, of bovenpool, op de keuzeweg het stofwisseling-ledematensysteem of onderpool en het ademhaling-bloedsomloopsysteem of ritmische systeem, dat bovenpool en onderpool met elkaar verbindt.

Burger van twee werelden

De bovengenoemde polariteiten impliceren nog drie andere polariteiten en wel die van:
• binnen →  ← buiten
• abstract→  ← concreet
• subjectief →  ← objectief

Op de kenweg (verleden) vorm je je, op basis van (je herinneringen aan) je waarnemingen, een voorstellingsbeeld van (het ontstaan van) de huidige situatie in de buitenwereld. Dit is de buitenpool. Dit beeld tracht je met je denken te interpreteren. Je wilt de buitenwereld begrijpen: dit is de binnenpool.

Op de keuzeweg (toekomst) vorm je je (in gedachten) een beeld van de door jou gewilde toekomstige situatie in de buitenwereld. Dit is de binnenpool. Ook maak je je een voorstelling van hoe je het gewenste beeld zou kunnen realiseren. Je wilt in de buitenwereld ingrijpen. Het is de buitenpool.

De feiten die je waarneemt, behoren tot de buitenwereld. Ze zijn concreet en objectief. De begrippen waarmee je denkend het feitelijke beeld interpreteert en verklaart, leven in jouw binnenwereld. Het zijn begrippen, ideeën. Ze zijn abstract en subjectief.

De doelen die je wilt nastreven leven eveneens in jouw binnenwereld. Ze hebben ideaal-karakter. Ze zijn ook abstract en subjectief. De middelen die je denkt te gaan hanteren, haal je uit de buitenwereld. Ze zijn, net als de feiten, concreet en objectief.

De twee lijnen in figuur 2, de Feiten-Middelenlijn (buiten, concreet, objectief) en de Begrippen-Doelenlijn (binnen, abstract, subjectief), maken de mens ais burger van twee werelden in het model zichtbaar; een geestelijke wereld en een fysieke wereld met daartussen, als middelaar, de ziel en, als stuurman, het Ik. Deze twee lijnen laten ook zien dat het in het oordeelsvormings-proces gaat om een (her)verbinding van geest en materie. Op de kenweg gaat het er uiteindelijk om, in plaats van de intellectuele dode begrippen, de geest, de levende ideeën achter de feiten weer waar te nemen. Op de keuzeweg gaat het erom de geest, de doelvoorstelling of het ideaal, in de materie tot uitdrukking te brengen, in de materie te voeren.

Figuur 2 Feiten-Middelenlijn en Begrippen-Doelenlijn

De Begrippen-Doelenlijn kun je ook zien als de lijn van Lucifer. De Feiten-Middelenlijn als die van Ahriman. In het proces van Dynamische Oordeelsvorming gaat het erom Lucifer en Ahriman op elkaar te betrekken, hen de juiste plaats toe te wijzen. Doemt hier niet het beeld op van de mensheidsrepresentant in het Goetheanum?

Gevoel centraal

Centraal in het model staat het gevoel. Steiner [1] zegt daarover: ‘Gevoel is zowel nog niet geheel uitgekristalliseerde kennis alsnog niet geheel gevormde wil: teruggehouden kennis en teruggehouden wil’. In de dialoog tussen inzicht op de kenweg en besluit op de keuzeweg komen deze teruggehouden kennis en teruggehouden wil tot ontplooiing.

Bewuste oordeelsvorming start met een vraag. Iedere vraag echter ontspringt aan een gevoel. De onzelfzuchtigheid van de vraag wordt bepaald door de onzelfzuchtigheid van het gevoel waaruit de vraag is ontstaan. Op de kenweg is dat onzelfzuchtige gevoel interesse, op de keuzeweg verantwoordelijkheid. Gevoel is de drijvende kracht achter het oordeelsvormingsproces.

Gevoelens manifesteren zich in het heden. Continu toetsje alles watje waarneemt aan je binnenwereld, je referentiekader. Hier manifesteert zich de belevende en oordelende ziel. Met name bij oordeelsvorming in groepen geeft het gevoel je niet alleen continu informatie over jouw verhouding tot de inhoud maar ook over het verloop van het proces; traag, eenzijdig, chaotisch, etc. Door hier wakker voor te zijn kun je het ritme in het proces vitaliseren. Bijvoorbeeld door bij eenzijdigheid op de kenweg over te schakelen naar de keuzeweg of bij lang stil staan bij de Doelen over te schakelen op mogelijke Middelen.

Aan het einde van het proces, als het startgevoel zich heeft ontplooid tot een (voorlopig) inzicht en een (voorlopig) besluit en daarmee de drijvende kracht is verbruikt, is er, zegt Lex Bos [2], een rechter-instantie in ons die zich uitspreekt over de kwaliteit van het resultaat; Klopt het? Kan ik/kunnen wij het verantwoorden? Is het gevonden antwoord op de vraag voor mij/ons (voorlopig) bevredigend?

Individuele oordeelsvorming

Introvisie is de meest basale individuele toepassing van Dynamische Oordeelsvorming. Het is een vorm van zelfreflectie [3]. Je past het toe op situaties die een negatief of positief gevoel bij je hebben opgeroepen. De werking ervaar je het sterkst bij een (heftig) negatief gevoel. Je doet introvisie door de in figuur 3 aangegeven vragen te beantwoorden. Hierdoor breng je de in het gevoel teruggehouden kennis en teruggehouden wil tot ontplooiing. De volgorde is niet belangrijk, als je uiteindelijk maar alle vragen hebt beantwoord.

Figuur 3 Introvisie vragen

Een van de effecten is frustratie reductie. Steiner zegt dat zo: ‘zelfs in de storm van de hartstochten en de emoties kan een zekere rust optreden als het zieleschip het eiland van het denken heeft bereikt’. [4] Ook brengt het je dichter bij waar het jou écht om gaat. Steiner [5] zegt ook dat achter ‘edele’ woede je idealen schuil gaan en dat getransformeerde woede liefde is. Geformuleerd vanuit het model Dynamische Oordeelsvorming kun je zeggen: Een ideaal (Doelenveld) is een idee (Begrippenveld) waaraan IK mij met hart en ziel (Gevoelsveld) heb verbonden om dat in de wereld te realiseren (Middelenveld). Zie de Begrippen-Doelenlijn in figuur 2.

Kortom, introvisie kan je dichter bij jezelf brengen en aanzetten tot het vanuit inzicht en uitzicht, van harte doen wat jij in de gegeven situatie noodzakelijk of zinvol acht.

Introvisie draagt bij aan: Licht in het waarnemen en denken, Warmte in het voelen en Kracht in het willen en handelen.

Oordeelsvorming in groepen

Bij oordeelsvorming in groepen treedt er, naast het inhoudelijke oordeelsvormingsproces ook een sociaal proces van groepsvorming in werking. De uitkomst van het oordeelsvormingsproces in een groep is daardoor afhankelijk van wat er in de gesprekspartners leeft en wat er tussen hen weeft. Wat er als gesprekspartner in je leeft kun je je bewuster maken met een vorm van Introvisie [6]. Wat er tussen de gesprekspartners weeft vraagt, naast het gemeenschappelijk bewust verzorgen van het inhoudelijke proces op de ken- en keuzeweg, om nog een derde bewust te verzorgen weg; de relatieweg. De waarheid en goedheid van een groepsoordeel is mede afhankelijk van de schoonheid, de zuiverheid van de onderlinge relaties. Op de relatieweg moeten een aantal anti-oordeelskrachten worden overwonnen: met name sympathie en antipathie, maar ook macht, groepsbelang en eigenbelang. De mate waarin dit lukt draagt bij aan ont-moeting op de relatieweg. Het onzelfzuchtige gevoel achter de vraag op de relatieweg is medeleven of empathie; de onzelfzuchtige vraag de Parcivalvraag, “Oom wat verwart U?”

Door het bewust verzorgen van de ken-, keuze- en relatieweg wordt het geheel meer dan de som der delen of ‘Waar twee of drie in Mijn naam bijeen zijn, ben Ik in hun midden’.

Groepsleden die zich in een oordeelsvormingsproces op de relatieweg thuis voelen, noemen we verbinders, zij die de nadruk leggen op de Begrippen-Doelenlijn (zie fig. 2) idealisten en zij die dat doen op de Feiten-Middelenlijn pragmatici.

Een individu komt tot een realistisch besluit door alle velden van het model evenwichtig op elkaar te betrekken. Een realistisch besluit is een besluit:

• genomen vanuit inzicht in de situatie,
• waarvan het doel besloten ligt in de situatie en
• de middelen aansluiten bij de situatie.

Om als groep tot een realistisch besluit te komen gaat het erom de eenzijdigheden van de verbinders, idealisten en pragmatici als noodzakelijke kwaliteiten bewust in het oordeelsvormingsproces op elkaar te betrekken.

Een weg naar innerlijke vrijheid

Individuele bewuste hantering van Dynamische Oordeelsvorming helpt je, in tegenstelling tot de gebruikelijke lineaire, zielloze (Ahrimanische) besluitvormingsmodellen, dichter bij je eigen wezenskern te komen. Een deelnemer aan een workshop zei: “Het is een wolf in schaapskleren! In essentie vijf onschuldige vragen, maar wat confronteren die je met jezelf!”

In zo’n confrontatie word je je bewust van je driften, begeerten, sympathieën, antipathieën, vooroordelen en onbewuste drijfveren. Ze staan op de kenweg ware en op de keuzeweg goede, morele oordelen in de weg. Door ze te louteren word je er vrijer van en dat maakt je vrijer tot objectievere oordelen en onzelfzuchtiger handelen. Dit vrij worden speelt zich af in de dialoog tussen kenweg en keuzeweg. Lex Bos [7]: ‘Steiner spreekt over de vrije mens als ‘der aus Erkenntnis Handelnde’ (de uit inzicht handelende). Dat is de kortste formulering van de situatie waarbij kenweg en keuzeweg elkaar volledig dialogisch doordrongen hebben’.
Bij bewuste oordeelsvorming voer je op de kenweg de wil in het denken en op de keuzeweg het denken in de wil.

Terug naar de menselijke maat

In een groep leidt bewuste hantering van Dynamische Oordeelsvorming op zich al tot kwalitatief betere oordelen. Als ook storingen op de relatieweg bewust aandacht krijgen en met behulp van Dynamische Oordeelsvorming worden besproken, dan gaan het sociale intermenselijke proces op de relatieweg en het inhoudelijke proces op de ken- en keuzeweg elkaar wederzijds versterken. Hieronder een voorbeeld hoe in een team met veel onderlinge spanning in deze zin gewerkt is; na gedegen voorbereiding en helderheid over doel en werkwijze én met zeer strakke begeleiding.

De manager van een inhoudelijk autonome afdeling kreeg opdracht drastisch te bezuinigen. In de teambesprekingen bleek al snel dat deze bezuiniging een aanslag zou zijn op de identiteit van de afdeling. Het overleg verliep steeds stroever. Er ontstonden twee kampen: idealisten en pragmatici. De polarisatie nam toe. Men verweet elkaar de afdeling te gronde te richten. De manager zou de strijd met de bestuurder moeten aangaan. Het overleg liep muurvast. De manager riep hulp in.

Tijdens een begeleide bijeenkomst bleken, door de gemeenschappelijke concentratie op het inhoudelijke proces, de gebruikelijke heftige emoties veel minder op te treden. Door de heftigste emoties, via een vorm van Introvisie in de groep het zielenschip van het eiland van het denken te laten bereiken, trad er enige rust op in de relaties en begon men elkaar weer als medemens te zien. Uiteindelijk kwam het team, tot eigen verbazing, tot een bevredigend realistisch besluit. Dit leidde direct na afloop bij een van de teamleden tot de spontane uitspraak: “Hoe kan dit nou? Dit is ons al maanden niet gelukt! Dit is magie!” ||

Noten

1 Antroposofische menskunde als basis voor de pedagogie.
GA 293         vertaald
Op deze blog: vele artikelen over dit pedagogisch basiswerk van Steiner.

2 Oordeelsvorming. Een weg naar innerlijke vrijheid, Uitgeverij Nearchus.

3 Andere praktische toepassingen voor individuen en groepen vind je in het Praktijkboek Dynamische Oordeelsvorming

4 GA 58
Vertaald: Metamorfose van de ziel. De functie van de woede.

5 Aforistische opstellen van Steiner “Over het vertrouwen dat men in het denken kan hebben”. (Of wat hier bedoeld wordt uit GA 36 komt, kan ik niet nagaan)

6 Zie noot 3.

7 Zie noot 2.

Om de vrijescholen dichter bij hun oorsprong te houden, ook wat het besturen betreft, zouden m.i. schoolleiders en (overkoepelende) schoolbesturen hiervan  niet alleen een grondige kennis moeten hebben, maar ook in staat zijn ermee in de praktijk te werken. (Zie noot 3)

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

3137-2950

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-4-1)

.

John Hogervorst, Antroposofisch magazine september 2018 nr. 11

.

Ik kom wel eens mensen tegen die mij, soms verwachtingsvol, vragen wat ik van de deeleconomie vind. Het woord heeft een sympathieke klank. Zou de deeleconomie het begin kunnen zijn van een andere economie? Een economie die niet alleen welvaart schept, maar ook eerlijk verdeelt? Misschien zelfs een economie die niet berust op het najagen van eigenbelang [winst] en die niet als ‘neveneffect’ heeft dat de aarde, en alles wat zij ons biedt en alles dat er leeft, met voeten getreden wordt? Als dat eens waar zou kunnen zijn!
.

Betaal ik de juiste prijs?

Deeleconomie 

Tegenwoordig antwoord ik op die vraag: “Zeg mij eens waar die deeleconomie dan is?” En dan hoor ik van de vraagsteller iets over Uber of Airbnb en vraag ik: “Wat delen Uber of Airbnb dan; waarin zijn deze bedrijven anders dan andere bedrijven; delen zij hun winst of schenken zij die winst weg? Zorgen zij voor een menswaardige financiële bestaansbasis voor de mensen die voor hen werken; is de prijs die zij voor hun diensten rekenen een prijs die Rudolf Steiner ‘de juiste prijs’ zou hebben genoemd?”

Op dit punt in het gesprek raakt mijn gesprekspartner soms in verwarring.
“De juiste prijs? Wat is dat en wat heeft dat met Rudolf Steiner te maken?”

Want Rudolf Steiner, die kennen we wel. Van de vrijescholen, de biodynamische landbouw, de antroposofische geneeskunde en therapieën – of van andere onderwerpen, zoals karma en reïncarnatie of het esoterische christendom.
Maar dat diezelfde Steiner ook van alles heeft ontwikkeld op het gebied van de economie en de principes van wat ik een ‘gezonde samenleving’ noem, is voor velen een onbekend gegeven. En dat is, nu word ik heel ernstig, ongelooflijk jammer, zelfs ronduit tragisch. Want in de loop der jaren is het mij duidelijk geworden dat wat hij over sociale driegeleding [dat is zijn benaming van wat ik hiervoor de principes van een gezonde samenleving noemde] en over economie ontwikkelde, misschien wel het belangrijkste en meest urgente is van alles dat hij gebracht heeft. Want ‘mens’ ben ik eerst met en voor andere mensen. Alles wat ik in de ‘schatkamer van de antroposofie’ kan vinden, krijgt pas zijn volle betekenis en draagwijdte wanneer ik het leef voor en met andere mensen.

Verbinding

Het is een nog nauwelijks tot ons bewustzijn doorgedrongen feit dat de moderne economie zó is ingericht dat zij alle mensen, wereldwijd, met elkaar verbindt. Dat bedoel ik niet abstract en niet wereldvreemd hoogdravend, maar heel concreet. De economie is daarmee bij uitstek het gebied waar goede intenties en idealen concreet gemaakt kunnen worden, zodat deze hun persoonlijke betekenis verliezen en van betekenis voor de mensheid kunnen worden.

Zelfs aan een heel eenvoudig product kan ik ontdekken dat het mij, als consument, verbindt met mensen van over de hele wereld.

Als ik een pot pindakaas neem en terugvolg welke mensen eraan hebben meegewerkt dat ik die pindakaas in de winkel aan kon treffen en op mijn boterham kan smeren, begint het mij te dagen. Het is interessant om dat eens heel precies en zo compleet mogelijk in kaart te brengen. Mensen in de winkel en de groothandel, chauffeurs, mensen in de pindakaasfabriek, het transport van de grondstof over zee, havenarbeiders, nog meer chauffeurs, boeren – een enorme stoet van mensen verschijnt in beeld. Maar ik moet het beeld nog completer maken en volg terug welke mensen hebben meegewerkt aan de productie van het potje en het dekseltje. En ik moet ook de mensen erbij betrekken die hebben meegewerkt aan de productie van de banden en alle andere onderdelen van de vrachtwagen waarmee de pinda’s vervoerd zijn, de mensen die de computers, machines, gereedschappen die zijn ingezet hebben geproduceerd en hebben ontwikkeld, aan de mensen die…

Zo is dat dus in de moderne economie: mensen van over de hele wereld hebben zich ingezet en vervullen daarmee mijn behoefte. Ik zal die mensen nooit ontmoeten en zij zullen ook nooit weten dat ik het ben die dit potje pindakaas gebruikt heb. En toch zijn zij en ik met elkaar verbonden: ik heb het resultaat van hun inspanning verbruikt. Dit potje pindakaas hebben zij voor mij gemaakt. En deze oefening, de oefening om de werkelijkheid van de economie te zien, zou ik kunnen doen met elk product dat ik aanschaf.

Juiste prijs

De vraag rijst nu: wat betekent dit, of wat zou dit moeten betekenen? Hier komt ‘de juiste prijs’ om de hoek kijken. Volgens Rudolf Steiner is de juiste prijs, de prijs die zodanig is dat alle mensen die aan de productie van bijvoorbeeld dit potje pindakaas hebben meegewerkt, van hun deel van de opbrengst, samen met de mensen voor wie zij moeten zorgen, op een menswaardige wijze kunnen leven, in hun behoeften kunnen voorzien, voor de duur die nodig is om weer een volgend potje pindakaas te kunnen maken.

Daarmee sta ik als consument voor het in onze tijd nijpende, kwellende vraagstuk: betaal ik de juiste prijs? Want achter die vraag ligt immers de vraag: doe ik de mensen die mijn behoefte vervullen recht – of doe ik hen tekort?

Voor Rudolf Steiner is een ‘gezonde economie’ een economie waarin de dingen ‘de juiste prijs’ hebben. Het beste wat ik misschien kan doen, is dit inzicht in de economie zo goed mogelijk te begrijpen, en het te delen. Daar komen we waarschijnlijk verder mee dan met dat wat nu ‘deeleconomie’ wordt genoemd. 

Verder lezen:

Rudolf Steiner, Economie. De wereld als één economie, Nearchus, 2018 [2e druk]
Rudolf Steiner, Verbeterde wereld (en begin samen], Nearchus, 2009
John Hogervorst, Sociale driegeleding. Wat, hoe & waarom, Nearchus, 2018

Op deze blog:

Sociale driegeleding: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Het potje pindakaas is een voorbeeld van hoe ook in de 5e klas van de vrijeschool in het vak aardrijkskunde op een soort gelijke manier met de kinderen wordt gekeken, wat er allemaal nodig is.
Zie bv. ‘hoeveel handen werken voor ons’ in dit artikel.

.

3065-2880

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-9/1)

.

John Hogervorst, Antroposofisch Magazine nr. 14, juni 2019
.

het basisinkomen is niet genoeg
.

Op veel plekken waar ik kom, praten mensen over het basisinkomen. Het is een onderwerp dat velen diep raakt. Een eerlijker verdeling van welvaart, meer ruimte voor eigen ontplooiing en erkenning van bezigheden in de eigenkring, zijn globaal gezegd de argumenten die voorstanders noemen. Ik zou deze zaken stuk voor stuk graag gerealiseerd zien. Maar ik denk niet dat het basisinkomen werkelijk daaraan gaat bijdragen.

Ik krijg wel eens de indruk dat een deel van de voorstanders zich pas echt welkom in de samenleving voelt, wanneer het basisinkomen een feit is. Heel eerlijk gezegd: ik kan mij daar van alles bij voorstellen. We leven immers in een samenleving die hard, beperkend en lang niet altijd rechtvaardig is. Tegelijkertijd geldt wat mij betreft ook: wanneer we ons gedachten vormen over rechten, plichten of regelingen die we in de samenleving als geheel gestalte willen geven, is het de vraag of we daar op een vruchtbare wijze in slagen wanneer we het eigen, individuele perspectief als uitgangspunt nemen.

Verdeling van welvaart

De ongekende ongelijkheid in de verdeling van welvaart is wereldwijd een van de meest urgente vraagstukken van onze tijd. Die komt voort uit het feit dat winsten die in de economie ontstaan voor het grootste deel toevloeien naar degenen die eigenaar van de winstmakende onderneming zijn. Het is overigens deze praktijk die maakt dat ondernemingen vanuit een kaal winststreven worden gedreven. En dat gaat, zoals we weten, ten koste van de aarde, van werknemers, leveranciers en in veel gevallen ook van de consument.

Invoering van het basisinkomen verandert hier niets aan. Want ook als we dit invoeren, blijft de manier waarop we met het eigendom van bedrijven omgaan een vrijbrief voor het najagen van eigenbelang in de economie. Wat huishoudelijker gezegd: als het gaat om een eerlijker verdeling van welvaart is het basisinkomen een gevalletje ‘dweilen met de kraan open’.

Als we de kraan dichtdraaien, hoeven we niet te dweilen. Dat zou hier betekenen: we bepalen samen, en leggen wettelijk vast, dat bedrijven [en daarmee bedoel ik hier: grond, kapitaal, productiemiddelen] niet meer verhandeld kunnen worden. Bedrijven worden ‘van zichzelf’ en de leiding komt te liggen bij degenen die daartoe als ondernemer bekwaam zijn. Wil de ondernemer stoppen, dan wordt hij opgevolgd door de volgende. Zo is er geen ‘eigenaar’ meer: het eigendomsrecht wordt ongezet in een ‘gebruiksrecht’ en dat gebruiksrecht bevat niet de bevoegdheid om de winst onevenredig naar zich toe te trekken. Klinkt dat te mooi om waar te zijn? Het kan: binnen Stichting Sleipnir [1] werkt een aantal ondernemingen al decennia op deze manier.

Vrije ontplooiing

Het basisinkomen laat dus de oorzaak van de toenemende ongelijkheid in welvaart onaangetast. Maar biedt het misschien de gewenste ruimte voor vrije ontplooiing en zinvolle dagelijkse bezigheden? Een precair vraagstuk. Want wat zijn zinvolle activiteiten en wat is de betekenis van de ruimte om je vrij te ontwikkelen? Dat hangt af vanuit welk perspectief je kijkt en wilt handelen.

Is dat mijn eigen, individuele perspectief, of dat van de gemeenschap [de samenleving] waarvan ik deel uitmaak? De gemeenschap gedijt bij de ontplooiing, de ontwikkeling die ertoe leidt dat mijn inzet voldoet aan een behoefte van anderen. Dat wat ik uitsluitend voor mijzelf doe, is vanuit sociaal oogpunt niet heel relevant. Dat wordt het pas wanneer ik mijn ontwikkeling inzet voor anderen. En als de anderen datzelfde doen, zullen we allemaal ervaren dat de anderen in onze behoeften voorzien. Maar welke behoeften hebben de anderen? Wanneer ik in de economie werk, wordt dat snel duidelijk. Als ik iets maak en daar geen kopers voor vind, dan is helder dat mijn inzet niet aan een behoefte beantwoordt. Hetzelfde geldt wanneer ik in de dienstverlening werk, en zou eigenlijk ook mogen gelden in wat, in de sociale driegeleding[2], ‘het geestesleven’ wordt genoemd. Dat is het gebied van onderwijs, zorg, kunst, cultuur, wetenschap, religie enzovoorts. Nu wordt dit gebied bekostigd via de overheid, die de belastingbetalende burger daarvoor laat betalen, maar die tegelijkertijd ook bepaalt wát er bekostigd wordt. Dat is jammer, want als we wat in dit geestesleven gebeurt ‘uit eigen zak’ zouden betalen (en daarvoor dus ook geen belasting afdragen] dan zou ook daar gelden dat ieder die daar iets aanbiedt (als leerkracht, therapeut, kunstenaar e.d.] helder weerspiegeld krijgt of dat aansluit op een echte behoefte. Dat is ‘fijn’ werken voor de betrokkene, terwijl het ook ‘fijn’ is wanneer wij zelf kunnen aangeven waar onze behoeften in dit gebied liggen.

Recht op arbeid

Dus: eigendomsrecht omgevormd tot gebruiksrecht leidt tot een eerlijke verdeling van welvaart en financiering van het geestesleven uit eigen zak (die nog niet is leeggeplukt door de fiscus] leidt tot een vrij, aan werkelijke behoeften beantwoordend geestesleven. Wie zou, wanneer we de zaken zó geregeld hebben, nou niet willen werken? Dat brengt ons tot het laatste dat we nog moeten regelen. Volwaardig meedoen aan de samenleving is een mensenrecht. Werken is daarin een essentieel bestanddeel. Want werken is: je capaciteiten inzetten en daarmee de behoefte van anderen vervullen. Dat is bij uitstek iets dat zin en zelfrespect geeft.

Daarom moeten we het zó doen dat ieder mens die wil werken ook daadwerkelijk die gelegenheid krijgt. Arbeid is en mag geen plicht zijn, maar is wel een fundamenteel recht. Wanneer we daartoe zouden besluiten, zal blijken dat voor iedereen die wil, zinnig werk te doen is. Werk dat bijdraagt aan het scheppen van welvaart (dat is wat er in de economie gebeurt], of werk dat bijdraagt aan welzijn (dat is het werk dat bij overheden en in het geestesleven gebeurt].

Zo wordt wat met het basisinkomen wordt beoogd, het beste bereikt op basis van wat wel de sociale driegeleding wordt genoemd. Daarom moeten we verder denken dan het basisinkomen lang is. 

1 Zie stichtingsleipnir.nl en sleipnircooperatie.nl

2 De sociale driegeleding is een sociologisch ontwikkelingsconcept van Rudolf Steiner, dat de samenleving onderscheidt in drie gebieden: het geestesleven (cultuur), het rechtsleven en het economisch leven. Deze drie gebieden zouden in de samenleving op eigen benen moeten staan, dat wil zeggen dat in ieder gebied het eigen principe (respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap) nageleefd wordt. Meer info: driegonaal.nl/sociale-driegeleding/

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3032-2847

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-7)

.

Jörgen Schmit*, WeledaBerichten nr. 157, september 1992

SOCIALE KRACHT

.

GEZONDHEID EN ZIEKTE IN DE VORMING VAN DE
SAMENLEVING
.

Hoe groter de mogelijkheden van de mens zijn, des te grotere opgaven kan hij op zich nemen. Hoe geringer deze mogelijkheden zijn, des te kleiner zijn de opgaven. Opgaven zijn er echter in elk geval.
Wij kijken in de wereld en ontdekken opgaven; hierdoor begint onze activiteit. Naarmate de opgaven groter zijn, zijn ook de problemen groter.
Wij hebben instrumenten nodig: wij kunnen alleen landbouw uitoefenen wanneer er genoeg land is, wanneer er huis en hof is, er voldoende dieren en werktuigen aanwezig zijn. Er zijn altijd voorwaarden verbonden aan een taak die wij op ons nemen; dit geldt voor alle werkgebieden. Wij hebben instrumenten voor de realisering en resultaten van het verrichte werk nodig. Daarbij leren wij een grote verleiding kennen, die wij nader willen bespreken.

Materialisme als geestelijke zwakte

Laten we aannemen dat iemand werk op zich neemt maar enigszins zwak is, innerlijk zwak. Wanneer hij geestelijk sterk zou zijn, zou zijn gehele bewustzijnsactiviteit zich binnen een polariteit ontwikkelen: aan de ene kant de ontplooiing van het eigen wezen in scheppende activiteit; aan de andere kant de inzet om taken op zich te nemen en helpend in de wereld te staan.

Nu is iemand echter enigszins zwak en klampt zich daardoor vast aan de middelen, de werktuigen en de producten. Deze ervaart hij om zo te zeggen als een verlengstuk van zijn eigen werkzaamheden, als iets van hem; hij wil ze voor zichzelf hebben. Deze neiging is in eerste aanleg in alle mensen aanwezig en zeker een teken van geestelijke zwakte. Wanneer iemand geestelijk sterk is, weet hij: dit is een instrument, een noodzakelijk middel, maar waar het om gaat is het ‘doen’.
Het gehele kapitalistische liberalisme is op geestelijke zwakte gebaseerd. We moeten dat onder ogen zien: materialisme, iedere vorm van materialisme is geestelijke zwakte. Ook wij zijn door deze zwakte getroffen. Wij vinden niet de noodzakelijke kracht in onze scheppende bezigheden, maar klampen ons vast aan de producten, het eigen lichaam, aan het geld. Wij zijn in eerste instantie zwak; de geestelijke kracht kan slechts langzaam groeien. Dan gaat onze aandacht uit naar ontplooiing van ons wezen en naar het waarnemen van behoeften, het op ons nemen van taken.

Oefengebieden: het wezen van de vrijheid en het wezen van de behoefte

Er liggen twee heel verschillende oefengebieden voor ons. Aan de ene kant het wezen van de vrijheid, van de sterk scheppende activiteit die het gebied omvat van het intiemste denken tot het zich uiten in het spreken en in de activiteit van de ledematen. De vraag is: wordt dit wezen van de vrijheid gerealiseerd, of komen wij terecht in de afhankelijkheid van uiterlijke machten die ons bepalen?

Aan de andere kant de behoeften en de wederzijdse hulp. Ik neem behoeften waar en probeer hieraan tegemoet te komen. Dat is de werkelijke situatie: wij zitten op aarde allemaal in hetzelfde schuitje, alle mensen. Illusie, onwaarheid, geestelijke zwakte, treden op waar iemand zich vastklampt, iets voor zichzelf wil behouden. Zwakte is altijd te begrijpen, maar is ook iets dat geleidelijk kan worden overwonnen door geestelijke kracht – door liefde! Liefde tot de medemens aan wiens behoefte je tegemoet komt enerzijds, en anderzijds liefde tot de daad die wordt gerealiseerd als een uitdrukking van het eigen wezen.

Het werk wordt echter belast door het feit dat we er loon, een betaling voor willen hebben. Wanneer we naar de twee kanten van de menselijke activiteit kijken, weten we één ding zeker, dat arbeid, voortkomend uit een dergelijke innerlijke overtuiging, nooit kan worden betaald, noch met één euro noch met een miljard. Ze is niet te betalen; datgene waarin een wezen zich uitdrukt kan niet worden betaald. Toch heeft ieder mens behoeften die in voldoende mate moeten worden bevredigd: voedsel, kleding, huisvesting.

De verslaving van de arbeid

Hierbij zien wij een wereldhistorische samenhang. Eens bestond er een grote hoeveelheid slaven en waren er anderen die over hen heersten. De slaven konden worden verkocht op de markt – als mensen, lichamen, arbeidskrachten. Pas in de 19e eeuw werd de slavernij afgeschaft. Hoewel wereldhistorisch overwonnen, leeft de slavernij tegenwoordig nog steeds voort. Vooral in de Middeleeuwen bestond er (om zo te zeggen) nog lijfeigenschap als een mildere vorm van slavernij. De lijfeigene kon door zijn heer niet meer worden verkocht, maar was gebonden. Hij mocht niet reizen waarheen hij wilde en moest bepaalde werkzaamheden uitvoeren en pacht betalen.

Laten we deze halve en de volledige slavernij in hun verhouding tot het wezen van de arbeid nader bekijken. In de situatie van volledige slavernij wordt de mens tot ding en als waar verkocht; er vindt geen ontmoeting plaats. In de situatie van de lijfeigenschap wordt de mens half tot voorwerp gemaakt. De lijfeigene werkt op de boerderij en op het land en de grondbezitter neemt de producten. Wat is de volgende stap?

De slavernij en de lijfeigenschap zijn overwonnen. Maar de bevrijding is nog niet voltooid. Nog steeds verschijnt het wezen van de arbeid niet als een ontmoeting van twee elkaar helpende wezens. Dit ‘tegemoetkomen aan de behoeften’ wordt betaald, tot waar gemaakt en verkocht. Dat is het laatste restant van de slavernij; niet de mens wordt verkocht, maar de arbeid.

De weg naar de toekomst leidt tot bevrijding van de arbeid opdat de motivatie zichtbaar wordt: wederzijdse hulp realiseren, voor de andere mens werken, de opgaven in de wereld op zich nemen en in deze activiteiten tegelijkertijd het eigen wezen tot uitdrukking brengen; ontplooiing van ons wezen in wederzijdse hulp. Dan ontstaat arbeid.

De bevrijding van de arbeid en van het innerlijk wezen van de mens zal naar de toekomst toe slechts langzaam plaatsvinden. Met een revolutionair, radicaal proces komen wij hierbij niet verder. Het is eerder iets groots dat zich in het macro-sociale gebied afspeelt, wat zich stap voor stap moet voltrekken. Het begin van dit proces ligt echter in het micro-sociale gebied. Wij kunnen individueel een innerlijke houding ontwikkelen waarin wij de arbeidsdeling en de betaling in gedachten loskoppelen. We zeggen dan tegen onszelf: ik doe wat ik doe omdat ik het graag doe en omdat ik de ander wil helpen. Het loon beschouw ik niet als een betaling voor mijn werk; ik neem het aan omdat ik een financiële basis nodig heb voor voeding, kleding, huisvesting enzovoorts. In ons eigen bewustzijn, in ons eigen micro-sociale gedrag begint de overwinning van deze zwakte.

In de huidige tijd vindt er een grote geestelijke strijd plaats om het ik van de mens. Het is een strijd om de individualiteit die zich gedurende de levensloop in het lotsverband tezamen met andere mensen ontplooit. Het gaat erom dat de mens wakker wordt voor het bewustzijn dat er diep in hem een wezen zetelt waarvoor al het aardse ‘materie’ en ‘stof’ is. In het lotsverband met andere mensen bevinden wij ons op een moeilijke weg, we gaan door misverstanden, ziekten en catastrofen heen. Maar de geestelijke individualiteit baant zich een weg. De belangrijke opgave van deze tijd is dit diepste innerlijke ik-wezen in onszelf en in de medemens te ontdekken in de levensloop en in de ontmoeting.

Individualiteit, de staat en de motivatie tot helpen

We moeten drie verschillende basiskwaliteiten ontwikkelen. We beginnen met het wezen van de vrijheid: bij het individu met al zijn kwaliteiten en belemmeringen die geoefend, respectievelijk overwonnen moeten worden. Loodzware lasten in mijzelf; dwang van buitenaf. De individualiteit op weg naar de vrijheid heeft altijd iets scheppends in zich. Energie en activiteit zijn voorwaarden voor vrijheid. Het individu is scheppend, is actief, gaat stap voor stap voorwaarts. Deze oefenweg begint in het micro-sociale gebied, bij ieder individu en wordt voortgezet op meso-sociaal gebied, dat wil zeggen in samenwerking en coöperatie en – wanneer het gelukt- verheven naar het niveau van de grote bloei van het vrije geestesleven, het macro-sociale gebied. De tweede basiskwaliteit is anders van aard. Het waarnemen van gelijke rechten is geen scheppende activiteit of wederzijdse hulp, maar is ontmoeting. We ontmoeten elkaar en besluiten bepaalde afspraken te maken waar we ons aan willen houden. Wanneer het om mensen gaat, wordt dit al moeilijk. Nog veel moeilijker wordt de verwerkelijking van gelijke rechten op het niveau van de staat. We hebben gekeken naar de wezenlijke rechten van de staat. Daartoe behoort zeker niet alles wat deze zich heeft toegeëigend. Door veel te veel op zich te nemen is de staat ziek geworden. Hij moet dus afslanken. Maar ook dat is niet voldoende, want de verworven vermagering mag niet blijvend zijn; ze moet steeds opnieuw ontstaan, want ook doelmatige en echte afspraken en wetten brengen, wanneer ze onveranderd en gefixeerd blijven bestaan, een nieuwe ziekte met zich mee die tot de dood leidt. Het wezen van de staat moet steeds opnieuw vanuit de ontmoeting worden opgebouwd. De derde basiskwaliteit is weer anders. Het is de motivatie tot wederzijdse hulp: de opgaven in de wereld en de behoeften van anderen waar te nemen en zich daarvoor in te zetten. Laten we het feit dat wij hiertoe in staat zijn vergelijken met de eerste basiskwaliteit. Aan de ene kant treffen we de vrije individualiteit die zich vanuit zijn diepste kern ontplooit, aan de andere kant het tegenovergestelde: ik zie in de wereld buiten mij een opgave en span me ervoor in. In het midden gebeurt noch het een noch het ander: er vinden ontmoetingen plaats.

We zien dus drie basiskwaliteiten die van elkaar verschillen; het zijn sociale vaardigheden die elkaar wederzijds oproepen. De een kan de ander niet vervangen. Wanneer iemand ontplooiing van zijn vrijheid nastreeft zonder zich te bekommeren om de behoeften van anderen en dus alleen aan zijn eigen ontplooiing werkt, is er op geen enkele manier sprake van ontmoeting, waardoor de ontplooiing uit zijn samenhang valt, onwaar is. Ook wanneer iemand de eerste twee genoemde vaardigheden oefent – ontplooiing van vrijheid en ontmoeting- maar de behoeften van anderen niet waarneemt, is er geen samenhang. Op de ware weg van de mens moeten alle drie de basiskwaliteiten worden ontwikkeld. Ze moeten worden gescheiden, zelfstandig worden gevat omdat ze sterk verschillen, en elke kwaliteit moet op alle drie de niveaus worden beoefend: op micro-sociaal, meso-sociaal en macrosociaal gebied.

Nu kan zich een moeilijke vraag voordoen. Hoe lang moet ik een vermogen op kleine schaal oefenen, voordat ik ermee naar buiten kan treden. Uiteraard moet er tegelijkertijd op alle drie niveaus worden gewerkt. Ik kan meteen en tegelijkertijd beginnen met het oefenen van alle drie de basiskwaliteiten. Wanneer ik echter het micro-sociale gedrag verwaarloos, dan ontbreekt de substantie. Zo komt het niet zelden voor dat de grote doelstellingen wel worden gezien, bijvoorbeeld de verbetering van de situatie in de derde wereld, maar dat men tezelfdertijd de naaste medewerkers tiranniseert. In dat geval zijn de eisen met betrekking tot hetgeen er moet gebeuren in de derde wereld – ook wanneer het inhoudelijk gezien juist is – louter frasen!

De gezichtspunten die daarbij in aanmerking moeten worden genomen moeten nu nog worden aangeduid. Er bestaat op micro-sociaal gebied een fenomeen wat ik ‘het juiste ogenblik’ zou willen noemen. Iedereen heeft dit in zijn leven wel eens waargenomen. Wanneer ik bijvoorbeeld een conflict met een ander mens heb, dan stapelt zich alles zodanig op dat ik het niet meer uithoudt en op een directe manier tot oplossing wil komen -en dan wordt het nog moeilijker! Waarom? Omdat ik het juiste ogenblik niet heb afgewacht! Het is niet voldoende om in gedachten de goede ”oplossing te hebben gevonden, te weten wat er gedaan zou moeten worden, wanneer dit niet op het juiste ogenblik gebeurt.

Het juiste ogenblik

Zo zijn er ook historische uren, vruchtbare momenten in de wereldgeschiedenis waarin iets gerealiseerd kan worden, indien het wordt opgepakt. Na de Eerste Wereldoorlog was er in Duitsland een chaos, een economische noodsituatie, regeringsmisère. Alles was open. Daarin plaatste Rudolf Steiner de driegeledingsimpuls omdat in een dergelijke situatie, waarin alles stroomt, het alleen aankomt op het bewustzijn van de mogelijkheid van de mensen tot vormgeven. Indertijd was dat het juiste ogenblik, was er een mogelijkheid om met een grote actie in te grijpen. Rudolf Steiner deed een uiterste poging om op dat ogenblik te doen wat essentieel was, namelijk de mensen bewust te maken van het feit dat het bij een nieuwe ordening van de sociale verhoudingen niet gaat om een kant en klaar model, maar om drie functies. De driegeledingsgedachte is geen utopie! Het enige wat behoeft te worden ontdekt zijn de krachten die een bepaalde richting aangeven, wetmatigheden die onder het oppervlak aanwezig zijn. Ze bestaan reeds, maar worden toegedekt doordat ze vanuit het verleden belast zijn en door ziekteverschijnselen. Het is niet zo eenvoudig als een model waarbij alles in het systeem wordt ondergebracht -geestesleven, rechtsleven, economisch leven- en dan uitstekend functioneert. Nee, er zou niets functioneren wanneer men eenvoudig een uitgedacht driegeledingsmodel in zou voeren en de mensen de drie vaardigheden niet ontwikkeld hebben en in de praktijk brengen.

Wanneer men zwak, krachteloos en innerlijk slap is, wenst men dat de driegeleding wordt ingevoerd. Deze idee kan echter niet centraal worden ingevoerd, maar moet door iedereen zelf worden gerealiseerd. Dat is het geweldige van deze idee. De driegeledingsimpuls was niet altijd op zijn plaats. Nu in de twintigste eeuw, past deze idee wel. Het gist onder het oppervlak en men wil niet zien wat er naar boven komt en zich uit in ziekteverschijnselen van het sociale organisme. Het is immers ook in het individuele leven van de mens zo, dat men ziek wordt wanneer men leed te verduren heeft. In ziekte uit zich een eenzijdigheid, wordt datgene zichtbaar wat zijn samenhang heeft verloren. De ziekte kan aanleiding zijn om wakker te worden. Iets dergelijks geldt ook voor de macrosociale verhoudingen. De ziekteverschijnselen in groter verband betreffen onszelf en tonen ons eigen ziektebeeld. Aan dit ziektebeeld moeten we echter wakker worden voor het ware wezen en moeten we de noodzakelijkheid van de drie verschillende vaardigheden inzien.
.

*Jörgen Smit was vanaf 1975 tot het einde van zijn leven bestuurslid van de Allgemeine Anthroposofische Gesellschaft in Dornach. Op 10 mei 1991 is hij in het 75e jaar van zijn werkzame leven na een kortstondige ziekte overleden. Door zijn vrijlatende maar steeds impulserende manier van werken heeft hij vooral bij de jongere generatie wezenlijke idealen gewekt. Als waardering van zijn levenswerk volgen hieronder de wezenlijkste passages uit een van de voordrachten die hij hield tijdens de jeugdconferentie van 8 tot 15 juli 1989 in het Goetheanum in Dornach.

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2789-2617

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-7)

.

In de jaren 1970 van de vorige eeuw werden er in het blad ‘Jonas’ artikelen gepubliceerd waarvan de auteur zich baseerde op antroposofische gezichtspunten. Die artikelen blijken al die jaren later nog veel waars te bevatten en nog steeds actueel te zijn. Het aangehaalde feitenmateriaal is uiteraard van die tijd, maar kan makkelijk door hedendaagse feiten worden vervangen.
O.a. A.H. (Lex) Bos ontwikkelde bijzondere gezichtspunten.
.

Lex Bos, Jonas 25 / 27 augustus 1976

.

Tussen groot- en kleinschalig

.

Omgaan met afhankelijkheden

.

Schumachers boekje ‘Hou het klein’ is een brevier voor vele ‘alternatievelingen’. Bij het streven naar kleinschaligheid moet nauwkeurig in het oog gehouden worden in hoeverre er motieven binnensluipen die anti-economisch zijn. Alles wat tendeert naar autarkie, naar zelfverzorgerdom, naar kleine onafhankelijke productie-consumptiecircuits is anti-economisch. In het moderne economische leven zijn de problemen in wezen altijd mondiaal. Een wereldwijde onderlinge afhankelijkheid is de oefenplaats voor mensheidsbewustzijn. Wie die afhankelijkheid schuwt en uit nostalgie naar de beslotenheid van de zelfverzorgerseconomie streeft werkt tegen de tijdgeest in. Het zoeken naar milieuvriendelijke en aan mensen aangepaste technieken en ondernemingsvormen ontslaat ons niet van het probleem van de onderlinge afhankelijkheid.

We willen in dit artikel het probleem van de groot- en kleinschaligheid bespreken in samenhang met als vraag hoe we omgaan met afhankelijkheden. Het is zinnig om structuurvraagstukken altijd in samenhang te zien met gedragsvraagstukken. Organisatieproblemen hebben steeds hun complement in de menselijke vermogens die de nieuwe vormen tot leven moeten brengen. Vorm en inhoud hangen altijd samen.
Bovendien willen we het vraagstuk van de groot- en kleinschaligheid en het omgaan met afhankelijkheid niet alleen bekijken in het kader van het economische leven maar het ook opzoeken in het geestelijk-culturele leven. We zullen zien dat het daar in een soort spiegelbeeld verschijnt.

Beginnen we met het geestesleven. Het geestesleven omvat alles wat te maken heeft met opvoeding, kunst, wetenschap, gezondheidszorg, religie e.d.

In het geestesleven gaat het uiteindelijk om de geestelijke verwerkelijking van de enkeling. leder mens is uniek. Ieder gaat zijn ontwikkelingsweg. In dit geestesleven moet de grootst denkbare vrijheid worden nagestreefd voor de ander, opdat hij zijn zelfverwerkelijkingsweg kan gaan, zijn biografie kan leven. In het geestesleven gaat het om de impulsen, de intenties, het streven van het individu. In dat gebied mag ‘egoïsme’ heersen in de bovengenoemde ‘objectieve’ zin!
Daarom is het organisatieprincipe van het geestesleven: de samenbundeling van het gelijkgerichte. Gelijke intenties kunnen elkaar versterken en het geestelijk resultaat potentiëren. Voor het sociale organisme betekent dat gezonde ‘voeding’. In het geestesleven moet ruimte zijn voor de meest verschillende initiatieven: scholen met de bijbel en andere zonder, scholen voor naakte apen en andere voor aangeklede engelen, scholen die alleen direct bruikbare kennis en vaardigheden overdragen en andere waar de persoonlijkheidsvorming centraal staat.

Wanneer men nu — door een misplaatste tolerantie of door overheidsvoorschriften — al zulke stromingen onder één dak wil brengen, ontstaat er óf een kleurloos compromis óf ontstaan er zulke inwendige spanningen dat de zaak uit elkaar ploft. De ervaringen in de zogenaamde scholen-‘gemeenschappen’, in de sociale academies, aan de universiteiten (marxistische politieke economie in Tilburg bv.) demonstreren deze wetmatigheid duidelijk. De inwendige spanning leidt veelal tot een uiteengaan van deelgroepen die niet langer onder één dak kunnen samenwerken. De opvattingen van diverse groepen docenten of welzijnswerkers over het doel van de betreffende onderwijsrichting c.q. welzijnsinstituten kunnen zo verschillend zijn dat de samenwerking niet meer mogelijk is. Dat kan bv. ook het geval zijn bij een alternatief koffiehuis, opgezet door een stel enthousiastelingen die zich op dat moment nog niet bewust zijn van hun uiteenlopende intenties. Langzamerhand wordt het duidelijk dat de ene groep eigenlijk bezig is met het creëren van een ontmoetingsplaats, de ander met het inrichten van een centrum voor politieke agitatie. Laten we ons dit proces eens verder voorstellen. Hoe kan zo iets verlopen?

Laten we aannemen, dat de initiatiefnemers van dit koffiehuis hebben ingezien dat ze verschillende doelstellingen onder één paraplu hebben willen verenigen: ‘gezellige tent’ en ‘actiecentrum’ gaan niet samen. Na een woelige periode waarin de zaak wat dreigde te polariseren zijn de ‘gezellige tenters’ eruit getrokken. De ‘atie-centrummers’ voelen zich opgelucht. Zij kunnen nu constructief aan het werk gaan. De doelstelling is immers duidelijk! Dat blijkt alras een illusie. De fluorproblematiek splijt de groep opnieuw in tweeën. De ene helft is van mening dat dit actiecentrum onmiddellijk op landelijke niveau moet opereren: ‘klein kruimelwerk heeft geen zin’. Maar de andere helft is van mening dat dit centrum alleen bedoeld is voor acties die een directe betekenis voor de lokale bevolking hebben. Bovendien: ‘met dit werken op landelijke schaal hebben we geen ervaring en het maakt ons prille initiatief kapot’.

Na een woelige periode treden de ‘nationalen’ uit. De ‘lokalen’ kunnen nu eindelijk aan het werk. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig want bij de geplande actie ‘behoud van gebouw X’ wordt een pijnlijke controverse zichtbaar tussen degenen die harde acties voorstaan en anderen die via overleg, via handtekeningen inzamelen e.d. hun doel hopen te bereiken.

Enfin, toen de ‘harden’ eruit trokken en de ‘zachten’ dachten eindelijk eens aan het werk te kunnen gaan…

Duidelijk

De moraal is duidelijk: of het nu om een koffiehuis gaat of om de inrichting van een drugcentrum, de oprichting van een school of de exploitatie van een kunstatelier, overal waar persoonlijke impulsen van mensen zich doen gelden, waar vanuit idealen, vanuit waardeoordelen, vanuit eigen doelvoorstellingen samen moet worden gewerkt, is een krachtige tendens merkbaar tot schaalverkleining. Na elke ‘zuivering’ blijkt de groep nog zoveel controversiële strevingen te herbergen dat verdere differentiatie noodzakelijk lijkt. De pluriformiteit wordt steeds groter tot de kleinste eenheid bereikt is: het individu! De mogelijkheid om tot potentiëring van gelijkgerichte wil te komen is in haar tegendeel verkeerd: een versplintering die ten slotte leidt tot machteloze enkelingen!

We laten deze merkwaardige paradox van het geestesleven even staan om ons eerst tot de verschijnselen in het economische leven te wenden.

In het economische leven hebben we met de behoeftige mens te maken. Het gaat niet om zijn impulsen en intenties maar om zijn noden en tekorten. Het moderne economische leven voorziet daarin door arbeidsverdeling. Er zijn steeds minder zelfverzorgers. In een wereldwijde onderlinge afhankelijkheid werken we voor de bevrediging van elkaars behoeften.

De ontwikkelingen van de laatste jaren hebben de eigenlijke probleemstelling van het economische leven aan het licht gebracht, We zijn gaan zien:

– dat de wereldgrondstoffen eindig zijn;
– dat de kloof tussen arm en rijk een politiek kruitvat vormt dat maar ‘beperkt houdbaar’ is.
– dat het ecologisch evenwicht niet onbegrensd verstoord kan worden. Op een goed moment gaat de natuur ‘terugslaan’.

Deze ervaringen wijzen erop dat we in het economische leven te maken hebben met een gebied van het sociale organisme waar eigenlijk de grootste moraliteit zou moeten heersen, zowel tegenover de aarde als tegenover de behoeftige medemens. Het rechtsleven zou zulke regels moeten stellen dat het menselijk egoïsme deze sfeer niet kan vergiftigen.

Uit deze overweging volgen twee basisprincipes van de sociale driegeleding:

1. natuur, arbeidskracht en kapitaalgoederen kunnen geen object van koop en verkoop zijn. Hierop wil dit artikel niet verder ingaan.

2. In het economisch leven moeten tegengestelde belangen zich verenigen in associaties.

Producent, handel en consument hebben zeer verschillende posities en belangen in het marktgebeuren. Gaan zij zich onderling, eenzijdig organiseren dan ontstaat een potentiëring van het egoïsme dat fataal is voor het economische leven. Door het scheppen van concrete overlegsituaties tussen de drie genoemde groeperingen, resulterend in afspraken m.b.t. productie- en consumptieverplichtingen, worden de eenzijdige posities en belangen a.h.w. geneutraliseerd en geharmoniseerd.

Het is duidelijk dat deze organisatievorm van het economische leven mogelijk wordt naarmate het eerstgenoemde principe (natuur, arbeid kapitaal niet als koopwaar) wordt gerealiseerd.

Laten we aannemen dat zich een bepaalde associatie heeft gevormd, bv. in de schoenenbranche. Er is een overlegstructuur opgebouwd tussen een schoenfabrikant (of meerdere), een aantal detaillisten en een consumentenorganisatie. Ook dit proces moeten we dóórdenken. Welke tendenties schuilen erin? De schoenfabrikant merkt op een pijnlijke manier zijn afhankelijkheid van een aantal toeleveranciers bv. van leer, van verf en van garnituur. Voor hem heeft deze externe afhankelijkheid dezelfde betekenis als de de interne afhankelijkheid voor de conflicterende groepen in het koffiehuis.

Uitbreiders

Zoals in het koffiehuis het probleem werd ‘opgelost’ doordat er een groep uitstapte, (of werd uitgezet) zo tracht onze fabrikant zijn problemen ‘op te lossen’ door zijn productieprogramma (of invloedssfeer) uit te breiden en zelf veters te gaan produceren, leer te looien, verf te mengen. Hij kan deze toeleveranties nu naar zijn eigen behoeften gaan plannen. Zonder storende afhankelijkheden kan hij aan het werk gaan. Tot blijkt dat hij nog te zeer afhankelijk is van
ontwerpfaciliteiten van anderen, van machinefabrikanten die de schoenenmachines leveren, van verpakkingsmateriaal e.d. Ook dat probleem lost hij op door schaalvergroting. Maar steeds stuit hij op nieuwe externe afhankelijkheden, want in het economische leven hangt alles met alles samen. En zo verrijst aan het einde van dit proces één gigantisch mondiaal centraal geleid productieapparaat. Een dergelijke kolos is even machteloos om het sociale leven op aarde een gezonde materiële basis te geven als de versplinterde enkeling, die aan het einde van het koffiehuisproces verscheen, in staat is het sociale leven met gezonde initiatieven te voeden.

Samenvattend kunnen we de twee tendenties als volgt karakteriseren: wanneer in het geestesleven niet op de juiste wijze wordt omgegaan met de interne afhankelijkheden ontstaat de tendens tot schaalverkleining, eindigend in een soort atomisering. Wanneer in het economische leven niet op de juiste wijze wordt omgegaan met de externe afhankelijkheden ontstaat de tendens tot schaalvergroting eindigend in een soort gigantisering.

Hoe kunnen we met deze tendenties op een constructieve wijze omgaan? Kort samengevat ligt hier, wat de vorm betreft, een taak voor het rechtsleven, wat de inhoud betreft, een scholingsweg voor de enkeling.

Er werd al eerder op geduid dat het moderne rechtsleven aan de ene kant associatieve samenwerking verbiedt (de kartelwet garandeert het heilige concurrentieprincipe), aan de andere kant het opkopen (fusioneren) van ondernemingen mogelijk maakt (aandelen zijn verhandelbaar en verlenen eigendomsrecht).

De twee genoemde wetten spelen elkaar de bal toe. Dat gaat als volgt: het grondprincipe van het moderne economische leven kan — door de wereldwijde arbeidsverdeling — niet anders dan samenwerking zijn. Wanneer dat bij de wet verboden is en men gedwongen wordt tot economie-vreemde concurrentie, kan die samenwerkingsnoodzaak zich alleen nog maar als karikatuur uitleven: de een maakt de ander aan zich ondergeschikt en binnen die grotere eenheid kan de machtigere de minder machtige tot ‘samenwerking’ dwingen. Voor deze ‘escape’ nu biedt de wet op de verhandelbaarheid van aandelen de mogelijkheid.

En daarmee zijn alle deuren opengezet naar een grenzeloze schaalvergroting, naar ondoorzichtige en onmenselijke machtsconcentraties.

Binnen het economische leven zou deze schaalvergroting echter moeten plaatsvinden in het bewustzijn van de participanten. De bewustzijnsdimensie van waaruit men, zowel als producent als in de rol van consument, deelneemt aan het economische leven, zou altijd een mondiale moeten zijn: de behoeftige mensheid en die éne aarde!

De organisatievormen waarin men aan dit economische leven deelneemt moeten echter een menselijke maat hebben. Daarvoor dient nu het rechtsleven te zorgen. Zij moet rechtsvormen scheppen die ongewenste schaalvergroting onmogelijk maken en openingen bieden (of belemmeringen wegnemen) voor associatieve samenwerking.

Naar de kant van het geestesleven hebben we ook reeds gewezen op de negatieve uitwerking van de huidige wetgeving. De vergaande bemoeienis van de staat met bv. de onderwijssector heeft geleid tot grote genormaliseerde onderwijsfabrieken waarin persoonlijke initiatieven steeds minder tot gelding kunnen komen of wel tot inwendig dynamiet worden.

In de zin van de sociale driegeleding is het de taak van het rechtsleven de kleinschaligheid van het geestesleven mogelijk te maken, zodat overal persoonlijk initiatief en persoonlijke verantwoordelijkheid tot gelding kunnen komen.

Laten we nu een moment aannemen dat het rechtsleven deze vormvragen heeft opgelost: er zijn rechtsregels gemaakt die in het geestesleven de kleinschaligheid mogelijk maken en in het economische leven de grootschaligheid verhinderen. Is daarmee het sociale organisme gezond? Neen. Want deze vormen moeten nog met leven worden gevuld. Voor het geestesleven blijft de vraag of men binnen de kleinschalige initiatief-eenheden de interne afhankelijkheid van de initiatief-genoten verdraagt en of men tot samenwerking komt. Voor het economische leven blijft de vraag of men tussen de kleinschalige groeperingen van producenten, handel en consumenten de externe afhankelijkheid van de ‘procesgenoten’ verdraagt en of men tot samenwerking komt.

Twee scholingsgebieden

Hier liggen twee scholingsgebieden voor de moderne mens, twee mogelijkheden om het sociale leven te zien als een uitdaging waaraan innerlijke kwaliteiten ontwikkeld kunnen worden. We willen beide oefenterreinen kort beschrijven.

In de associatieve samenwerking tussen organen van het economische leven is doorzichtigheid, helderheid en zakelijkheid van ’t allergrootste belang: wat zijn precies de behoeften en de mogelijkheden, hoe komt de prijs tot stand, is het duidelijk hoe die prijs is opgebouwd, zijn de leveringscondities en de afnameverplichtingen ondubbelzinnig geformuleerd? Is het voor alle betrokkenen doorzichtig hoe en waar zij afhankelijk van elkaar zijn, en wat de consequenties voor de ander zijn wanneer de een bepaalde afspraken niet nakomt?

Het gaat hier om de ontwikkeling van een waarnemend bewustzijn m.b.t. het proces waarin men gezamenlijk staat. In het economische leven gaat het altijd om processen: van grondstof tot eindverbruiker. Alleen degenen die er in staan kunnen, door het bijeen dragen van hun ervaringen en waarnemingen, gezamenlijk een objectief beeld van dit proces of van deze processen opbouwen.

In de samenwerking tussen mensen binnen organen van het geestesleven gaat het om helderheid, doorzichtigheid en zakelijkheid m.b.t. een heel ander gebied: de eigen motieven. Het bewustzijnslicht richt zich daarbij niet op de ondoorzichtige geld- en goederenprocessen buiten ons maar op het duistere gebied van de eigen begeerten, impulsen, biografische intenties in ons. In dit gebied is het niet zo makkelijk te onderscheiden tussen wensen en echte initiatieven, tussen voorbijgaande begeerten en verder reikende wilsbesluiten, tussen handelingen die bv. voortkomen uit angst of prestigedrang en die welke uit een sfeer van innerlijke vrijheid worden geboren.

Die helderheid krijgt men niet geschonken, ze moet veroverd worden. En daarvoor heeft men de ander nodig. Zoals in het economische leven de verschillende groeperingen hun ervaringen bijeendragen zodat er een
gezamenlijk procesbeeld ontstaat, zo kunnen in een orgaan van het geestesleven initiatief-genoten elkaar waarnemen in hun handelingen en daarover elkaar vragen stellen. Zodoende kan er helderheid ontstaan over de intenties en daaruit wordt tenslotte een mogelijk gemeenschappelijke wilsrichting zichtbaar.

Voor werkelijke spirituele creativiteit binnen een groep — zij het een groep leraren binnen een school, een groep artsen en therapeuten binnen een therapeuticum, een groep onderzoekers in een researchteam — is het noodzakelijk dat de leden elkaar trachten waar te nemen tot op het diepste biografische niveau en met elkaar daarover helpend-vragend in gesprek trachten te treden. Naarmate dat als gezindheid, als bewustzijnsdimensie lukt, zal het niet meer nodig zijn uiterlijk tot ondermaatse schaalverkleining (versplintering) over te gaan.

Voor het functioneren van de organen in het economische leven zeiden we dat de beeldvorming waaraan zij onderling werken (bv. in een associatie) steeds naar de wijdheid en de omvattendheid van het mondiale moet streven. Naarmate dat als gezindheid, als bewustzijnsdimensie lukt, zal het niet meer nodig zijn uiterlijk tot bovenmaatse schaalvergroting over te gaan.

De mogelijkheid om tot een dergelijke proces-beeldvorming naar buiten en initiatief-beeldvorming naar binnen te komen, hangt met een voorwaarde samen die ons het tweede aspect van de sociale scholingsweg brengt: vertrouwen.

Helderheid en doorzichtigheid scheppen weliswaar de mogelijkheid tot vertrouwen maar ze maken ook kwetsbaar. Ze bieden de mogelijkheid tot manipulatie en misbruik van informatie: ook al heeft het rechtsleven de mogelijkheid afgesneden zich in het economische leven door privébezit van productiemiddelen persoonlijk te verrijken (men mag samenwerken), ook al heeft het rechtsleven de mogelijkheid geopend voor grote pluriformiteit van initiatieven in het geestesleven (men hoeft niet met iedereen samen te werken), toch is er een drempel te overschrijden vóór samenwerking werkelijk tot stand komt. Juist omdat die samenwerking in de zin van de sociale driegeleding uiteinde vrijwillig is, zelf-gewild, juist daarom heeft die drempel met de wil te maken. Want samenwerking vraagt altijd om vertrouwen. En vertrouwen schenken betekent in feite iets van jezelf aan de ander tonen zodanig dat er voor de ander een ruimte ontstaat waarin hij met zijn wil tot handelen kan komen. Men houdt zijn eigen wil terug, zodat de ander zijn vrije wil tot gelding kan brengen. Elke poging het handelen van de ander voor te schrijven, in te perken, te controleren, is een stapje dat via geconditioneerd vertrouwen naar wantrouwen en daarmee tot het verbreken van de open samenwerkingsrelatie leidt.

Het oefenen van vertrouwen wordt ons is de moderne samenleving bijzonder moeilijk gemaakt. Beschaamd vertrouwen is een van de allerpijnlijkste ervaringen voor de moderne mens.

Centrale plaats

En toch — misschien juist daarom — neemt deze drempel in het sociale oefenveld een centrale plaats in. Haar substantie bestaat uit angst! Angst dat de informatie die ik geef over de positie van mijn organisatie in het productie-consumptieproces door de andere groep economisch misbruikt wordt t.b.v. materieel gewin. Angst dat de informatie die ik geef over mijn intenties binnen een initiatiefgroep door de ander spiritueel misbruikt wordt ten einde zijn geestelijke impuls door te drukken!

Ten slotte is er nog een derde aspect aan ons oefenterrein. Misschien bepaalt de ontwikkeling daarvan wel of de andere twee tot nu genoemde vermogens (beeldvorming en vertrouwen) voldoende geoefend kunnen worden.

Dit derde gebied heeft te maken met sociale fantasie en speelvaardigheid. Ontwikkelingen binnen en tussen organisaties plaatsen ons steeds voor  schijnbaar harde ja-nee keuzes, zwart-wit alternatieven. Het ongenuanceerde denken — georiënteerd op de binaire computertaal, dan wel op een these-antithesefilosofie — voelt zich pas gerust als de problemen simpel dualistisch gesteld zijn. Maar zijn ze daarmee realistisch gesteld? Is ‘gezellig alternatieve tent’ of ‘actiecentrum’ een reële tegenstelling? Moet actie altijd ongezellig zijn en kan goede gezelligheid niet tot actie leiden? Misschien hebben we hier wel te maken met twee uiteinden van een continuüm. Als we ze loskoppelen zijn ze wellicht allebei negatief werkzaam. Als we de sociale fantasie opbrengen ze met elkaar te verbinden, kunnen ze elkaar eventueel versterken.

Zijn het nationale en het lokale werkelijk tegenstelling of liggen ze misschien in de tijd in elkaars verlengde? ‘We beginnen met lokale acties maar doen dat met het perspectief op een provinciale, nationale, internationale dimensie. Eerst ervaringen opdoen in het kleine en je daardoor sterker maken voor ‘t grote’.

En zo is het wellicht ook met de derde tegenstelling die we in ons koffiehuisverhaal te berde brachten. De harde en de zachte aanpak. Zouden deze wellicht twee strategie-varianten kunnen zijn, onderscheiden naar object en veld van actie, die elkaar kunnen versterken i.p.v. verstoren?

Samenwerking

Een zelfde reeks voorbeelden is te noemen met betrekking tot de samenwerking in het economische leven. Ook daar worden we vaak schijnbaar voor ja-nee-keuzen gesteld op een manier dat de relaties gepolariseerd dreigen te worden: assortiment inkrimpen of uitbreiden, prijzen verhogen of niet, productie mechaniseren of marktaandeel verliezen, rechtstreeks aan de detaillist verkopen of via de grossier.

In beide velden vragen dergelijke situaties om sociale fantasie, om speelvaardigheid, om ludieke creativiteit. Een samenwerkingsverband dat door serieuze speelsheid wordt gekenmerkt en waarin deze kwaliteit ook bewust wordt geoefend, biedt een goede voedingsbodem zowel voor de ontwikkeling van een heldere beeldvorming als voor het groeien van een echte vertrouwensbasis.

Daarmee is het oefenterrein, in grove contouren geschetst. We hebben het terrein waarop dit oefenen zich afspeelt — het sociale — beschreven naar zijn formele kant (rechtsregels, wetten enz.) en naar zijn materiële kant (de kwaliteit van het menselijk gedrag in die sociale ruimte). We hebben laten zien hoe het oefenterrein van karakter verandert al naar gelang we spreken over samenwerking tussen mensen binnen organen van het geestesleven of over samenwerking tussen organen van het economische leven.

We moeten daarbij wel bedenken dat er geen sprake is van driedeling maar altijd van drie-geleding. Wanneer we spreken over organen van het economische leven (bv. een productiebedrijf) dan zijn daarbinnen veel karakteristieken van het geestesleven herkenbaar (creatieve initiatieven). En wanneer we spreken over organen van het geestesleven dan zijn daartussen betrekkingen die een duidelijke inslag vanuit het economische leven hebben (producent-consumentrelaties). Wanneer we ervaren wat een moeizame weg het is om het economische leven vanuit een mondiaal bewustzijn in te richten zonder de organen ervan door overmatige schaalvergroting onmachtig te maken, wanneer we eveneens ervaren hoe moeilijk het is het geestelijk- culturele leven op de initiatiefkracht van de enkeling te bouwen zonder de organen van dit geestesleven door overmatige schaalverkleining krachteloos te maken, dan moet ons dat niet verbazen.

We hebben in feite te maken met een historisch scharnierpunt, met een richtingsverandering, met een omstulping in de mensheidsontwikkeling die eenmalig is.

Alle sociale vormen in de voorafgaande cultuurperioden van de mensheidsgeschiedenis waren gekarakteriseerd door een alles doortrekkend, het geheel samenbundelend, geestesleven (de laatste rest daarvan is de katholieke kerk: kat-holos betekent: het geheel betreffend), en een economisch leven dat in feite bestond uit een eindeloze versplintering van zelfverzorgers-huishoudinkjes. Wat op het ogenblik bezig is zich te voltrekken is een omwenteling (revolutie) in de meest letterlijke vorm: een ontwikkeling naar één alles doortrekkend, onderling afhankelijk mondiaal economisch leven en een geestesleven dat tot uitdrukking komt in een eindeloze differentiatie en pluriformiteit van initiatieven.

Het is t.b.v. het met meer bewustzijn helpen voltrekken van deze omstulping dat Steiner over de sociale driegeleding sprak en dat in dit tijdschrift artikelen als deze geschreven worden.

Literatuur:

Bos, Brüll, Henny:
Maatschappijstructuren in beweging
– De drieledige maatschappijstructuur
Te-recht of on-terecht?

Sociale driegeledingalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld

2670-2500

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-6)

.

We kijken er al lang niet meer van op: milieu- en klimaatproblemen, oorlogsgeweld, sociale ongelijkheid.
In de jaren 70 van de vorige eeuw – dus zo’n 50 jaar geleden – werd er ook al gewaarschuwd, voorspeld. Maar ‘men’ ging door op de oude voet. 
In het blad ‘Jonas’ werd er van tijd tot tijd over geschreven, meestal met een ‘oplossing’ die in de richting ging van ‘sociale driegeleding’. 
Nu, 50 jaar later en 100 jaar nadat Steiner de idee van de sociale driegeleding in ruime mate onder woorden bracht, kunnen we ons afvragen: wat is er vanuit de sociale driegeledingsgedachte gebeurd? Niet opvallend veel, hoewel initiatieven geleid hebben tot concrete instellingen – het gaat ook niet om de hoeveelheid, maar om de intensiteit – maar er is nog veel werk aan de winkel.
De vrijescholen zouden bv. een veel sterkere rol kunnen spelen bij het werkelijk vrij maken van overheidsinvloed op de inhoud van het onderwijs – juist nu er van tijd tot tijd – ook op kleine schaal – de roep om deze vrijheid is te horen, als voorwaarde voor ‘echt goed onderwijs’. 

Het artikel van Hans Erhard Lauer in Jonas, 3e jrg. nr. 12, 02-02-1973  had in zekere zin ook vandaag geschreven kunnen zijn.

Futurologie en werkelijkheid

Het toekomstonderzoek is als nieuwe tak van de wetenschap na de tweede wereldoorlog ontstaan. Als haar grondlegger geldt Ossip K. Flechtheim, sinds 1959 professor in de politieke wetenschappen in Berlijn; zijn standaardwerk, Futurologie – de strijd om de toekomst, heeft haar op zijn minst haar naam gegeven.

Deze leer van de toekomst dankt haar ontstaan aan meerdere bronnen, waarvan de geest der moderne natuurwetenschap wel als de voornaamste mag gelden. Ze komt de in het kwantitatieve element liggende wetmatigheden der natuurprocessen te weten door filosofische verwerking van zintuiglijke verschijnselen en maakt daardoor de natuurprocessen berekenbaar en dus hun verloop voorspelbaar. In zekere zin worden ze voor de mensen nu tegelijk ook beheersbaar. Als de loop der sterren en de baan van een projectiel berekenbaar, d.w.z. voorspelbaar en dus bepaalbaar zijn, waarom dan niet ook de loop der menselijke geschiedenis? In het natuuronderzoek berekent men, uitgaande van de wetmatigheid van de processen, door verlenging van bepaalde fasen hun verdere verloop. Dezelfde denkwijze leidde ertoe dat ook de futurologie de extrapolatie van processen uit onze tijd in de toekomst als onderzoekingsmethode gebruikte. Hierbij werd echter uitgegaan van de onuitgesproken veronderstelling dat ook de mensheidsgeschiedenis een natuurproces is en dat men zo op zijn minst achter haar kwantitatieve ontwikkelingswetten zou kunnen komen. Dit leek des te gemakkelijker, omdat het hierbij voornamelijk om dingen gaat, die de mens zelf – en wel vanuit de moderne natuurkennis — geschapen heeft: namelijk om de, in de ruimste zin van het woord genomen, technostructuur van de huidige maatschappij. Als een schepping van de menselijke geest ligt haar stelselmatige verdere ontwikkeling in haar wezen zelf besloten en wordt daarom de laatste tijd ook steeds systematischer tot ontplooiing gebracht. Omdat hierdoor tegelijk de economische ontwikkeling rechtstreeks mede bepaald wordt, neemt deze om technologische redenen ook in de westelijke wereld steeds meer het karakter van een geleide economie aan. Bij dit alles smelten daarom futurologisch onderzoek en economisch beleid steeds meer samen tot een geheel. Dat betekent echter tegelijk ook, dat het futurologische onderzoek in toenemende mate door de economie bepaald wordt d.w.z. dat ze in dienst staat van de expansie van de economische productie. En dat is dan ook de tweede bron, waaruit ze heden wordt gevoed.

HIROSHIMA EN AUSCHWITZ

Er werkte echter van de aanvang af nog een derde factor mee aan haar ontstaan, waarop de namen Auschwitz en Hiroshima wijzen. Auschwitz werd tot symbool voor de mate van onmenselijkheid, waartoe een ideologisch machtsregime nu en in de toekomst in staat is. Hiroshima wijst op het dodelijke gevaar, dat de toekomst van de mensheid bedreigt door de in de tweede wereldoorlog ontstane kernwapens. We leven op het ogenblik niet op het een of andere willekeurige tijdstip van de geschiedenis, van waaruit we begonnen zijn de toekomst te doorvorsen, te berekenen en te bepalen. We bevinden ons veeleer in een situatie, waarin het om de beslissing over zijn en niet-zijn der mensheid gaat en wel om een beslissing die we zelf te nemen hebben. Hierdoor wordt allereerst bewezen dat de mensheidsgeschiedenis niet zo maar een natuurproces is. Maar ook blijkt hieruit dat de menselijke samenleving nu in het stadium van haar „mondigheid” is aangekomen. Enerzijds heeft ze zich uit haar vroegere afhankelijkheid van goddelijk-geestelijke wezens bevrijd, van hun leiding geëmancipeerd. Anderzijds heeft ze zich door natuurwetenschap en techniek ten opzichte van de natuur zelfstandig gemaakt en een heerschappij over haar verkregen, zoals nooit eerder heeft bestaan. Wat haar toekomst betreft is ze nu alleen op zichzelf aangewezen en alleen zijzelf is er uitsluitend verantwoordelijk voor. Maar hoe gedraagt ze zich tegenover deze verantwoordelijkheid?

VERWOESTING VAN DE NATUUR

Van een bepaalde samenhang met de wereld van het goddelijke, die nu een andere is dan die van het verleden, wil het grootste deel van de heden toonaangevende mensen niets weten. Voor hen is God „dood”. Onderling ontwikkelen ze een wederzijdse agressiviteit als nooit tevoren en hebben ze oorlogstoerustingen tegen elkaar opgestapeld, die een veelvoud vormen van wat nodig is voor een collectieve zelfmoord van de hele mensheid. Door techniek en industrialisatie zijn we bezig de natuur dusdanig te verwoesten en uit te putten dat we binnen enkele tientallen jaren onze eigen materiële bestaansvoorwaarden vernietigd zullen hebben, als er niet snel een einde aan wordt gemaakt.

IS DE TOEKOMST NOG TE REDDEN?

We staan heden voor de alternatieve keuze of we zullen overleven of zullen ondergaan door zelfvernietiging. Daardoor is toekomstonderzoek tegelijk identiek geworden met haar nóg jongere zuster, het eerst enkele jaren geleden begonnen onderzoek naar wat ten grondslag ligt aan de vrede en wat aan conflictsituaties. Want onze overlevingskansen zullen mede afhangen van de mogelijkheid tot een geweldloze oplossing voor bestaande en toekomstige conflicten. In de wekelijkse politiek-culturele uitgave van het Bazelse Nationale Nieuwsblad van 19 augustus publiceerde de grondlegger van de futurologie, Ossip K. Flechtheim, onder de titel „Is de toekomst nog te redden? ” een hoofdartikel, waarin hij zijn standpunt bepaalt ten opzichte van deze situatie. Hij zegt daarin, dat het thans niet meer de taak van de futurologie kan zijn, zich alleen bezig te houden met het vraagstuk van de methode van het onderzoek, noch om in de geest der extrapolatie van hedendaagse verhoudingen voor de meest verschillende gebieden toekomstbeelden te schilderen. Want „het gaat in deze tijd en in deze wereld om de grote uitdaging aan de mensheid, zoals ze zich thans reeds aftekenen en zoals ze morgen nog dringender zullen zijn . . . Het gaat om de bedreiging en redding van de gehele mensheid vandaag en morgen.” Hij vat vervolgens deze uitdagingen samen in de trefwoorden: „Bewapeningswedloop en oorlog, honger en bevolkingsexplosie, vooral ook in de derde wereld, milieuverontreiniging en roofbouw, vooral ook in de zogenaamde eerste en tweede wereld, uitbuiting en onderdrukking, repressie en machtsconcentratie bij handelsmagnaten en politieke bureaucraten in noord en zuid, onzekerheid, vervreemding en agressiviteit van de traditioneel gevormde mens ten aanzien van de nieuwe problemen.”

En hij trekt daaruit de conclusie: „De huidige maatschappij kan gewoon niet onbegrensd verder existeren bij de versnelling van de bevolkingstoename, de productie, de verstoring van het milieu, de bewapeningswedloop, enz. Deze labiele toestand kan misschien nog enkele tientallen jaren voortduren. Als dat zo is, zullen zich beslissende veranderingen in een van de twee richtingen voordoen. Al in de jaren 70 en 80 mag men rekenen op een kwalitatieve wending, een ontwikkeling naar boven of naar beneden.”

NEO-CESARISME

De ontwikkeling naar „beneden” karakteriseert hij daarop als volgt: ,,Neo-Cesarisme, d.w.z. verscherping van de tegenstelling in het bijzonder tussen noord en zuid, toename der militarisering en gewelddadigheid, zoals we die nu al in schrikbarende omvang in de beschaafdste landen zien losbarsten . . . Het tweede hierbij aansluitende nog negatievere ontwikkelingsstadium zal alle kentekenen dragen van een totaal-totalitarisme, zoals Orwell in zijn juist nu weer zo actuele visie ,1984’ heeft geschilderd … Nog weer een ander negatief beeld is dat van een nieuw Duister Tijdperk, waarin we geconfronteerd zullen worden met een volledige ineenstorting van alle moderne cultuur en beschaving. Een dergelijke terugval in een dan waarschijnlijk eeuwen of zelfs duizenden jaren durende agrarische samenleving of zelfs in een stenen tijdperk zou het gevolg kunnen zijn van een de hele aarde omvattende totale oorlog of ook van een ingrijpende overbevolking en milieuverstoring . ..
Ten slotte blijft als laatste vooruitzicht het einde van de mens, zijn totale vernietiging als gevolg van buitengewoon verwoestende oorlogen, maar eventueel ook door totale overbevolking en een totale verwoesting van het leefbare milieu.’

KLASSELOZE MAATSCHAPPIJ

Wat is nu echter het beeld dat hij geeft van de ontwikkeling naar „Boven”? Als eerstvolgend stadium zou de ontwikkeling denkbaar zijn van wat de Fransman Bloch-Lainé als democratische technocratie heeft aangeduid. Dat zou zijn een voortzetting van reeds voorhandene technocratie tendenties, maar dan onder gelijktijdige versterking en verdere ontwikkeling van democratische, liberale en socialistische, universalistische en humanistische elementen — een positieve convergentie dus van west en oost.. . Mocht dat rond het jaar 2000 gelukt zijn, dan zou van daaruit de verdere ontwikkeling in de richting van een — om het zo maar eens te noemen — liberaal-socialistische werelddemocratie gaan. Ook dat zou dan nog een samenleving met sterke sociale, economische en politieke tegenstellingen zijn, maar toch al op een materieel verzekerde, hoewel geenszins royale, eerder zelfs op een betrekkelijk sobere basis… Het zwaartepunt zou dan ook meer komen te liggen op de onstoffelijke cultuur. Pas hierna zou in een nog verdere toekomst de „klasseloze maatschappij” van Marx te realiseren zijn — en als dat al mocht lukken, dan natuurlijk niet in een enkel continent of zelfs land, maar over de hele wereld. Van hieruit wordt dan als grandioze laatste blik in de toekomst de weg mogelijk naar een „supermensdom ”, niet zo zeer in de geest van Nietzsche als wel in die van Teilhard de Chardin. Daarmee zou de mens niet alleen zijn industriële behoeften overwonnen hebben, hij zou dan ook een heel ander wezen geworden zijn, meer onstoffelijk dan nu, een wezen dat een verdere verlenging van de levensduur zou kunnen bereiken, en dat in staat zou zijn bepaalde seksuele en andere biologische functies, die tot nu toe als vanzelfsprekend golden, geleidelijk te doen verdwijnen.”

Verbazingwekkende woorden uit de mond van een hedendaags wetenschapsmens over een mogelijke „ontwikkeling naar boven”! Allereerst dus een overwinning van de west-oost-tegenstelling, en dan een verdere ontwikkeling tot een liberaal-democratisch-socialistische wereldmaatschappij, waarin dus, anders gezegd, de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap verwerkelijkt zouden zijn —, om van de verdere fasen der ontwikkeling, die daar aangeduid worden, helemaal niet te spreken!

DRIELEDIGE STRUCTUUR

Er wordt echter niet gezegd hoe deze toekomstige samenleving te bereiken zou zijn, noch van welke aard de structuur ervan zou moeten zijn. En daar komt het nu juist op aan als deze toekomstvorm eenmaal werkelijkheid moet worden. Want dat de door Flechtheim genoemde feiten het doel van een naar „boven” gaande ontwikkeling moeten vormen, spreekt uit de gegeven situaties zelf. Situaties die thans dwingend om een beslissing vragen, – en op zijn minst toch wel om een onbevooroordeelde beschouwing ervan. Het is in onze door ideologieën beheerste tijd al veel, als deze onbevooroordeeldheid, zoals hier door Flechtheim, wordt opgebracht. De weg die naar dit doel voert is echter een uitdaging aan ons scheppende denken. Gezien de tegenstellingen in de idealen van het liberalisme en het socialisme moet het toch niet al te moeilijk zijn op de gedachte te komen dat een gelijktijdige verwerkelijking van beide alleen dan mogelijk is, als ze gezien worden in betrekking tot de verschillende afzonderlijke gebieden, waarin de organisatie van de samenleving te verdelen is, en waartoe ze dan ook beperkt zouden moeten blijven. Dat het bij deze speciale gebieden alleen om die van het geestelijke en het economische leven kan gaan, bewijst reeds de geschiedenis der genoemde idealen, waarvan dat van het liberalisme uit het eerste en dat van het socialisme uit het laatste voortgekomen is. Het is nu ook wel duidelijk dat de politieke democratie in het westen door het erin gelegde liberalisme, in het oosten door het haar opgedrongen socialisme, van haar eigenlijke, op gelijkheid van rechten gerichte aard wordt vervreemd. Uit al deze feiten heeft Rudolf Steiner al meer dan 50 jaar [in 2021 dus zo’n 100 jaar] geleden de idee ontwikkeld en ook in de openbaarheid gebracht, dat een driegeleding van het sociale organisme noodzakelijk is, als men het doel van een liberale, democratische, socialistische samenleving voor de hele wereld wil bereiken. De vertegenwoordigers van de wetenschap noch die van de politiek hebben tot nu toe enige aandacht besteed aan dit idee en komen daarom tot heden steeds weer met nieuwe denkbeelden, zonder daarbij de wegen aan te geven hoe het doel te bereiken zou zijn, waardoor het niet meer dan abstracte programma’s blijven. Het wachten is nu op de dag waarop ze de bereidheid zullen tonen ook datgene in hun gedachtegang op te nemen, wat uit het Midden-Europese geestesleven is voortgekomen en hen de weg kan wijzen. Juist vanuit haar positie tussen het liberalistische westen en het socialistische oosten heeft dit Midden-Europa zeer dringend behoefte aan deze drieledige structuur voor een menswaardige maatschappelijke ontwikkeling.

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

2617-2451

.

.

.

VRIJESCHOOL Sociale driegeleding (10-5)

Op deze blog staan verschillende artikelen van Mr. A.C. Henny, die destijds in het blad Jonas verschenen. Henny had een ruime blik op ‘wat zich zo in de wereld afspeelde en wat er tijdens zijn leven gaande was’.
Aan het eind van dit blogartikel staat meer informatie.

Deze brochure – geschreven in 1948! – bevat nog zoveel actueels: je hoeft maar een enkele naam aan te passen en je bent in het heden – dat deze in de reeks artikelen over de sociale driegeleding op deze blog een waardevolle bijdrage levert.
Gepubliceerd met toestemming van Mevr. C. Mees, waarvoor dank.

Natuurwetenschap en sociale moraal

Men spreekt de laatste tijd veel over de “koude oorlog”. Het is een begrip, dat onlangs door een van de grote Amerikaanse journalisten, Walter Lippmann, in de wereld werd geplaatst, en waaronder wij hebben te verstaan een “zenuwenoorlog” met de meest moderne middelen. Twee wereldmachten — Rusland en Amerika — liggen als reusachtige boa constrictors aan weerszijden van de Atlantische Oceaan en trachten hun prooi — een armzalig hoopje mensen, die zich Europeanen noemen — door de verlammende kracht van hun blik in een toestand van geestelijke verdoving te brengen. Op het eerste gezicht een vrij onschuldig offensief met zwarte drukkersinkt. — Nu en dan verschijnen er op een niet opvallende plaats in de couranten kleine berichtjes:” in USA is een memorandum verschenen over de psittacosis of de muggenkoorts.” Een duizendste deel van een liter, een hoeveelheid minder dan 20 druppels van deze psittacosisvirus is in staat 20 miljoen mensen te besmetten en om te brengen.”…. Wij zullen niet in verdere details treden over de verschrikkingen die ons op dit gebied nog van de andere zijde — Rusland — te wachten staan. Waar het om gaat is, dat er langs allerlei wegen oorlog gevoerd wordt met geestelijke middelen, die alle energie, alle moed te bouwen aan een nieuwe wereld, die niet direct past in de ideologie van de twee grote tegenstanders, verlamt. Nog steeds ligt er over een groot deel van Europa, als een trage mist, een gevoel van verlamming, van geestelijke machteloosheid, van resignatie ten opzichte van een samenleving, die door zulke kolossale mechanische en technische machten beheerst wordt, dat de mens zich daarin niet anders voelt dan een nietig radertje van een machine.

Dit gevoel van geestelijke machteloosheid ten opzichte van het wereldgebeuren is een typisch naoorlogs verschijnsel. Toch is het niets nieuws. Het was reeds meer dan een eeuw lang latent, en is misschien het duidelijkst geformuleerd aan het begin van de vorige eeuw door Napoleon in zijn gesprek met Goethe. “De rol die het noodlot vervulde in de Griekse tragedie, vervult thans de politiek. Politiek is “Schicksal” geworden, d.w.z. de politiek in de vorm van de blinde Fortuna, heeft in de laatste honderdvijftig jaar het verschrikkelijk aanzien gekregen van een natuurmacht, waaraan de mens even willoos is onderworpen, als aan de overstroming van een rivier of de uitbarsting van een vulkaan.

En toch — merkwaardige paradox — wordt de politiek door mensen gemaakt, en is, sinds de ideologie van de Franse Revolutie, de burger in de Staat de schepper geworden van zijn eigen historische ontwikkeling.

Wij vieren dit jaar het eeuwfeest van de Grondwetsherziening van 1848. Niet alleen in ons land, ook haast in alle landen van Europa, is het jaar 1848 een jaar geweest van hoop, van optimisme. Door een beroep op de rede, op het gezond verstand van de burgers, zouden langs de weg van een parlementaire hervorming, door medezeggenschap van het volk aan de regering, voortaan de goede elementen in de Staat het overwicht hebben over de kwade. Was niet de mens “van nature goed” en kon niet, langs de weg van een redelijke ontwikkeling, ieder mens worden opgevoed tot sociale verantwoordelijkheid, tot medezeggenschap in het Staatsbestel?
3

Merkwaardigerwijze is dit zelfde jaar 1848 ook het geboorteuur van een pessimistische sociale levensbeschouwing, die sindsdien steeds meer onze samenleving is gaan beïnvloeden. Met het Communistisch manifest — januari 1848 — treedt voor het eerst Karl Marx op in de geschiedenis. Hij is niet alleen de grondlegger geworden van het communisme, zijn historisch materialisme oefent nog steeds een zeer grote invloed uit, niet alleen in Rusland, maar in het bijzonder, op de Amerikaanse universiteiten, juist daar, waar de grote kruistocht tegen Rusland, in naam van de beschaving en de democratie, gepredikt wordt.

Marx’ visie op de geschiedenis beïnvloedt tegenwoordig de grootste geleerden op het gebied van sociologisch en historisch denken. Wij zien dit in Engeland o.a. bij Arnold Toynbee in zijn “Study on history”, misschien wel het meest omvattende en universele werk dat ooit op historisch gebied is verschenen. Ook bij iemand als Carr — the Soviet impact on the Western world — en het meest consequent bij Burnham, die thans in Amerika met zijn „Revolution of managers”, zijn “Struggle for the world” merkwaardigerwijze juist de woordvoerder is geworden van het anti-Marxisme.

Wat speciaal deze laatste twee schrijvers als een soort geestelijke nalatenschap van Karl Marx op hun leerlingen overdragen, is een uiterst pessimistische beschouwing over de geschiedenis.

Men vindt bij hen nergens meer het idealisme van een Carlyle of Macauly, het geloof in de geschiedenis als een ontwikkelingsweg van de mensheid, dat nog aan het begin van de vorige eeuw, bij Herder, Lessing en von Humboldt aanwezig was. Goethes woorden over de opgave van de geschiedenis, “dat zij enthousiasme dient op te wekken” worden thans door deze moderne geleerden met een meewarige glimlach in het museum der Romantiek netjes opgeborgen. Zij zelf weten wel beter. De rol van de historicus, van de socioloog, verschilt langzamerhand niet veel meer met de rol van een chemicus of een ingenieur. Het gaat in de eerste plaats om de bestudering van de natuurwetten. Door welke wetten wordt de menselijke samenleving, wordt de ontwikkeling van de mensheid beheerst? De historicus van de 20e eeuw, heeft zijn romantisch maskeradepak voor goed opgeborgen. Mannen als Carlyle, als Macauly waren nog min of meer acteurs op het wereldtoneel. Wanneer zij de grote figuren uit het verleden opriepen, was het, of zij zelf in de huid kropen van Robespierre, van Napoleon, van Jacobus II. Hun geschiedschrijving had nog iets van een spel in het bonte pakje, waarmee eens hun helden zich in het leven bewogen. De moderne historicus verschijnt voor ons in een witte jas.
Zijn terrein van onderzoek is een reusachtig laboratorium, en hij staat tegenover het wereldgebeuren als een chemicus tegenover zijn retort. Zijn methode van onderzoek is, door een lange en moeizame ontwikkeling, zuiver natuurwetenschappelijk geschoold. In zover is voor elk van deze deze geleerden van toepassing wat Friedrich Engels heeft uitgesproken aan het graf van Karl Marx in 1883: “Wie Darwin das Gesetz der Entwicklung der organischen Natur, so entdeckte Marx das Entwicklungsgesetz der menschlichen Geschichte ”

Dit “historisch darwinisme” leidt tot een uiterst pessimistische en cynische visie op de geschiedenis.
Deze visie komt ongeveer op het volgende neer: Alle ontwikkeling wordt
4

beheerst door vaste onveranderlijke natuurwetten. Zij vormen een dynamisch proces, een reusachtig mechanisme, waarin de mens niet veel meer is dan een afvalproduct. In grote fabriekssteden vindt men hier en daar hoge bergen gesteenten, slakken enz. die aan een complex van fabrieksgebouwen het aspect geven van een onwezenlijk maanlandschap. Welnu, dit zelfde aspect hebben vanuit deze moderne historische visie, alle massabewegingen, waar ergens ter wereld een menigte mensen gegrepen is door een godsdienstige of sociale ideologie. Op het eerste gezicht wordt men meegesleept door het enthousiasme, door de offerkracht, die door dergelijke bewegingen tot uiting worden gebracht. Bij scherper, meer kritisch onderzoek blijkt al deze ideologie niets meer dan een “mythe”, waardoor een bepaalde klasse haar elitepositie in de strijd om het bestaan, de “struggle for life”, weet te handhaven. Deze strijd om het bestaan is de enige realiteit, die aan de historicus vaste grond onder zijn voeten geeft. Al het andere is leugen, is misleiding, waarmee in de strijd om het bestaan de overheersende klasse haar eigenlijke bedoelingen weet te camoufleren. Steeds heeft een minderheid, een sociale elite, een mythe nodig, om een meerderheid in bedwang te kunnen houden. Ziedaar het geheim van alle historische ontwikkeling. Deze “mythe” heeft nu eens een autocratisch, dan weer een democratisch karakter. Alle rechtsopvattingen zijn volgens deze voorstelling niets anders dan een bepaalde strategische tactiek, waarmee de heersende klassen de aan haar ondergeschikte klassen onderwerpen, zonder gebruik te hoeven maken van fysiek geweld. En aangezien deze strijd om het bestaan permanent is, en steeds een nieuwe elite in de plaats komt van een oude elite, zijn ook de rechtsopvattingen aan verandering onderhevig, richten zij zich steeds naar het belang van de sterkste. Wat voor het recht geldt, geldt voor alle moraal. Goed en kwaad zijn volkomen relatieve begrippen. Er bestaat geen enkele absolute norm van het “goede” of van het “boze”. Hij voor wie de fortuin gunstig is, heeft altijd het recht aan zijn zijde . . .

Deze nieuwe vormen van politiek darwinisme beginnen in de Verenigde Staten school te maken. Men vindt ze het zuiverst geformuleerd in het boek van Burnham “The Macchiavellians, defenders of freedom”. Zij zijn als symptoom misschien nog onrustbarender dan alle berichten in het Bulletin of Atomic Scientists over de productie van atoombommen met een vernietigingskracht 1000 maal sterker dan die van Bikini.

De laatste oorlog heeft iedere schooljongen tot bewustzijn gebracht welke vernietigingsmogelijkheden natuurwetenschap en techniek bezitten.
De invloed van de natuurwetenschap op de sociale moraal, is nog steeds een vraagstuk, dat geheel buiten het bewustzijn van de grote massa leeft. Hier en daar is een vermoeden van dit vraagstuk ontstaan, tijdens de verschillende verhoren van de nationaal-socialistische machthebbers in het proces van Neurenberg.

Ook daar vindt men staaltjes van “politiek darwinisme in de praktijk gebracht, waarvan men het bestaan tot dusver slechts mogelijk achtte in de wereld van Russische romans.

Deze zelfde sociale moraal hoort men thans openlijk verkondigen op de Amerikaanse universiteiten. Het historisch materialisme is als een sluipend vergif geworden, dat onmerkbaar onze samenleving infiltreert. Het is het wapen geworden, waarmee men in het Westen — Amerika —de strijd tegen
5

het communisme in het Oosten – Rusland — wil gaan voeren. Het einde van deze gigantische worsteling is thans reeds te voorzien. Ook al zal Amerika een derde wereldoorlog – welke volgens Burnham reeds begonnen is — winnen, deze overwinning zal op geestelijk gebied een pyrrusoverwinning zijn; de geest van het historisch materialisme, die in Rusland sinds 1917 het bolsjewisme in het leven riep en daarmee de dictatuur, zal onherroepelijk ook in het Westen voeren tot een of ander vorm van dictatuur. Amerika’s historische missie, — tot save the world for democracy — zal daarmee hebben afgedaan.

Zoals gezegd: het historisch materialisme van Marx is in zekere zin een voortzetting van de evolutieleer van Darwin. De “struggle for life”, de strijd om het bestaan, wordt hierin gezien als de motorische kracht van alle ontwikkeling. Marx leidde uit deze strijd om het bestaan zijn idee van de klassenstrijd af. Deze idee leidde na de vorige wereldoorlog in Rusland tot de revolutie: zij werd tot de ideologie van een proletarische beweging.
Pas thans, na een tweede wereldoorlog, zien wij hoe dit historisch materialisme vooral in academische kringen school begint te maken in Amerika en Engeland.
Maar nooit zijn in Engeland de consequenties van de 19e eeuwse natuurwetenschappelijke denkbeelden op het sociale leven, ten volle getrokken. Pas voor de Russische marxisten, Lenin, Plechanov, is de harde natuurwet van de “struggle for life”, een stuk sociale moraal geworden.

Met een niets ontziende consequentie is in het Oosten in praktijk gebracht, wat in het Westen slechts als een stuk natuurwetenschap bleef voortleven. Denkt U eens in: het politiek darwinisme van het bolsjewisme, opgelegd als een nieuwe sociale moraal aan het Engelse volk, met zijn tradities van self-government, van sociaal verantwoordelijkheidsbesef, met zijn religieuze banden aan de High Church als het morele fundament van de rechtsorde.
Het bolsjewistische experiment in het Oosten is nog geen dertig jaar oud. Als experiment doet het thans zijn terugslag op het Westen gelden. Niet zozeer op economisch gebied als wel op ideologisch gebied. Rusland lijkt op een spiegel, waarin de Westerse democratieën hun eigen ideeën gespiegeld zien. Weliswaar misvormd, tot onmogelijke proporties uitgegroeid. Maar niettemin fascinerend, door de gedaantewisseling, waarin zij door het Russische volk  in praktijk zijn gebracht. Als sociaal experiment werkt het als een enorme suggestie op de universiteiten in het Westen, oefent daar zijn invloed uit als een nieuwe sociale ideologie, weliswaar aangepast aan Westerse normen, maar niettemin verleidelijk en uiterst fascinerend op een jonge generatie. Het is een uiterst merkwaardige ontwikkeling die men vooral kan nagaan in het reeds genoemde boek van Carr “The Soviet impact on the Western world”. Wij in Europa, levend min of meer nog buiten de Angelsaksische invloedssfeer, zullen met deze nieuwe gedaante van het historisch materialisme rekening moeten houden als een nieuwe realiteit.

Wij zullen er iets tegenover moeten stellen, willen wij niet van twee kanten uit, van links en van rechts, er door worden vermorzeld.
Dit nieuwe zal in de eerste plaats moeten zijn een organische visie op de historie, tegenover de mechanische opvattingen van de permanente “struggle for life” als de motor van alle ontwikkeling.
6

Drieërlei vorm van sociaal organisme

Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn, dat het van groot sociaal belang is, in welke richting zich de visie op de geschiedenis ontwikkelt.

In deze beschouwing vestigen wij allereerst de aandacht op de geheel nieuwe inzichten die ons hier door Rudolf Steiner zijn gegeven.

In tegenstelling tot de moderne sociologie, die, staande op empirisch standpunt, de beschavingsgeschiedenis van de Oudheid voornamelijk bestudeert naar analogie van de verschillende, nog thans bestaande natuurvolkeren, gaat Rudolf Steiners visie op de beschavingsgeschiedenis uit van een voortdurende metamorfose van het menselijk bewustzijn in de loop der verschillende
cultuurtijdperken.

Het maakt een groot verschil uit of men, enerzijds, het beeld heeft van een of andere Tarzan-geweldenaar als de schepper van de oudste vorm van het ‘recht van dn sterke’ of dat men anderzijds, uitgaat van de beschaving van de oude Indiërs, 6000 jaar voor Christus, wier samenleving nog geheel sacraal, d.w.z. door de priesters geleid is geworden.
Men kan daarbij wijzen op het ontstaan van de vier kasten uit het lichaam van de god Brahman: uit het hoofd van de god kwamen de wijsgeren, de Brahmanen voort, uit de schouders de krijgers of Ksatrya’s, uit de lendenen en voeten de Vaysa’s en Sudra’s, de handwerkslieden en landbouwers.

Wij hebben hier nog een voorbeeld — zij het in de meest primitieve vorm — van een zuiver organische samenleving, waarin het leven bepaald was volgens de stand, waarin men was geboren. Het sacrale karakter van deze oude standenstaat vindt men later terug bij de opvattingen van Plato in de Politeia en vandaar heeft zij via Augustinus haar invloed uitgeoefend op de middeleeuwse standenstaat. Immers, ook de drie middeleeuwse standen, geestelijkheid, adel en burgerij — Lehrstand, Wehrstand en Nahrstand — zijn uitvloeisel van een geheel organische opvatting van het sociale leven. In zijn drieledigheid was ook de structuur van deze samenleving nog bepaald volgens een hiërarchische opbouw van de kosmos — het Griekse woord, dat oorspronkelijk orde betekent!

In alle antieke, voorchristelijkc culturen, ging de leiding van de Staat uit van een bevoorrechte priesterkaste. Men kan zich op zuiver empirisch standpunt stellen en deze bevoorrechting verklaren als het natuurrecht van een elite van Tarzans, die, ten einde een meerderheid te beheersen, hun macht ontlenen aan een “mythe” waarin zij zelf niet meer geloven.
Deze voorstelling is zelfs geenszins in strijd met wat tegenwoordig in onze maatschappij als machtsverhouding optreedt. Maar mag men bepaalde machtsverhoudingen uit onze tijd projecteren op het verleden? Is dat niet in strijd met iedere ontwikkelingswetmatigheid?

Rudolf Steiner wijst er steeds op dat men als historicus in zich het vermogen moet ontwikkelen, de geschiedenis symptomatologisch te bezien. Hij stelt Goethe als voorbeeld. Men gaat uit van de verschijnselen als symptoom van een onzichtbare werkelijkheid, als letters van een schrift, dat wij moeten leren lezen in een organische samenhang.
7

Men zou de visie op de historie, die men langs deze oefeningsweg langzamerhand leert ontwikkelen, een organische geschiedbeschouwing kunnen noemen, tegenover de mechanische geschiedbeschouwing van het historisch materialisme. Wij hebben gezien welke consequenties de laatste visie op het gebied van de sociale moraal heeft gekregen.

Voor het historisch materialisme is de oude Indische kastenstaat, evenals de middeleeuwse standenstaat, niets anders dan één bepaald aspect van een steeds zich herhalende klassenstrijd, een struggle for life, waarbij één bepaalde elite de macht heeft een meerderheid te onderdrukken en te beheersen. De strijd om het bestaan vormt het uitgangspunt van deze opvatting.

Tegenover deze opvatting staat het meer organische beeld van de maatschappij, afgelezen aan de wetmatigheden van een goddelijk-geestelijke wereld of, meer mythologisch uitgedrukt, voortgekomen uit het lichaam van de godheid zelf. Mensenbeeld en maatschappij zijn hier nog in de nauwste samenhang met elkaar verbonden. Evenals de verschillende organen van het lichaam een dienende functie uitoefenen in het geheel, evenals ook de drie stelsels — zenuw-zintuigstelsel, ritmische stelsel, en stofwisselingsstelsel — nooit op zichzelf een eigen bestaan kunnen leiden, maar alleen functioneren in samenhang van het gehele organisme, zo vormen ook de verschillende kasten of standen in het antieke gemeenschapsbestel, een dienende functie waarbij het saamhorigheidsbesef tot een hogere goddelijk-geestelijke wereld, het verbindende element vormt van het sociale organisme.

Dit sacrale karakter is het kenmerk van alle antieke beschavingen. In de loop van de mensheidsontwikkeling is het langzaam afgestorven, in onze tijd leeft het nog slechts als mythe, als machtsmiddel, waarmee een bepaalde elite haar historische rechten tracht te rechtvaardigen. Zoals gezegd: De moderne sociologie projecteert deze machtsverhoudingen op het verleden, en kan daardoor nooit tot een organisch beeld van de maatschappij komen, als oerbron van alle maatschappelijke verhoudingen. Het gevaar hierbij is, dat bepaalde decadentieverschijnselen, die in onze tijd zich voordoen, voor permanent worden aangezien.

Wij behoeven ons dan niet te verbazen over de uitwerking, die deze opvattingen hebben op de sociale moraal: onverschilligheid, cynisme.

Met het oog op de vorming van sociaal verantwoordelijkheidsbesef is het van het grootste belang, welk beeld men op school meekrijgt van de oorsprong van de oude beschavingen. Menig leraar staat hier tegenwoordig voor een ernstig gewetensconflict. Waar ligt de oorsprong van de mens? Stamt hij af van de apen of van de goddelijke wereld? Wat is de geestelijke oorsprong van de antieke hiërarchische standenstaat? Aanpassingsvermogen in de “strijd om het bestaan ’, of verbondenheid met de goddelijke wereld, waarvan de mens deel uitmaakt als van een levend organisme?

In drieërlei vorm leeft in onze tijd het sacraal-organisch karakter van de antieke wereld na.

1e. In de katholieke maatschappijleer. Voor zover nog erfenis van middeleeuws organische opvattingen is haar hiërarchische structuur nog geheel gebaseerd op de eenheid van wereldbeschouwing — het katholon, voor allen geldig — met als hoogste autoriteit het morele gezag van de Kerk.
8

Organisch is deze maatschappijleer, waar zij rekening houdt met een organische ontwikkeling van de verschillende levensgebieden van de maatschappij in beroepsstanden, buiten invloed van de Staat om. 1)
De Staat heeft slechts een subsidiair karakter. Haar taak is ordening, maar slechts daar, waar de lagere organen in hun functie tekort schieten. De verbindende kracht van deze sociale structuur ligt voornamelijk op geestelijk gebied: de autoriteit van de Kerk als Corpus Christi, het Lichaam van Christus.

2e. De historisch gegroeide structuur van het British Empire. Ook dit is te bezien als een groot organisme, waar het als Commonwealth, Gemenebest, het belang van de delen primair stelt boven het belang van het centrum. Het is een levensgemeenschap, waar het door economische banden de meest verschillende territoria in de wereld als „welvaartssfeer’ met elkaar verbindt. Zijn structuur is zodanig, dat afscheiding van een van de delen van het geheel steeds het gevaar van economische uitputting met zich meebrengt. De verbindende kracht van de Commonwealth ligt dan ook niet zozeer op politiek als wel op economisch gebied. Sacraal, is het Engelse koningshuis de verbindingsschakel die het Rijk tezamen houdt. De Kroon is in het Engelse staatsbestel niet alleen maar “ornament” . Zij vertegenwoordigt een historische traditie, nauw verbonden met het geestelijk moreel gezag van de Anglicaanse Kerk.

3. De Fascistische Staat van Mussolini. Ook hier treft men een zeer speciale organische opbouw aan, in zijn totalitair karakter geheel ondergeschikt aan de Leider — Duce — als de personificatie van de Staatsmacht.
De organische opbouw is hier geheel “verwereldlijkt”, geseculariseerd. Zij staat organisatorisch, los van iedere band met de Kerk. Niettemin is zij hiërarchisch. Dit komt sterk tot uiting in het dienend karakter van alle organen van het maatschappelijk leven in dienst van de “mythe van de grootheid van Italië . Deze organen zijn belichaamd in de verschillende corporaties, wier invloedssfeer het totale maatschappelijke leven — cultuur, rechtsleven en economisch leven — bestrijkt. Vandaar de naam. Corporatieve Staat.
De Staat zelf als drager van het rechtsleven is hier het alverbindend element. Haar symbool, de fasces, is hiervan de uitdrukking. Het fascisme is door Mussolini een „religieuze conceptie’ genoemd. Zijn ideologie is de herleving van het Imperium — machtsgebied — van Augustus. Daardoor werkt het autoritair, als een moderne cultus, in dienst van een antieke aan het Romeinse Rijk ontleende rechtsorde.

Op het gevaar af in bepaalde schematische voorstellingen te vervallen, hebben wij een voorbeeld gegeven van drie verschillende vormen van sociaal organisme, die ieder als archetype nog min of meer samenhangen met de oude antieke maatschappijvorm. Weliswaar is het oude sacrale karakter verloren gegaan en is steeds meer, in de plaats van een door de priesters behoede mysteriewijsheid, een „mythe” als bindend element gekomen.
Het oude sacrale karakter is het duidelijkst in de structuur van de Kerk, die zelf als hiërarchie, nog geheel afspiegeling is van een „hemelse hiërarchie”, drieledig van indeling. Zodra dit verband verloren is gegaan, berust het gezag van de Kerk in de samenleving uitsluitend op het feit, dat

1) Zie de Encycliek van Paus Pins XI,  Quadragesimo Anno.
9

„haar door God de schat der waarheid is toevertrouwd ’, en op de daaruit voortvloeiende strenge plicht, de zedenwet in volle omvang te verkondigen. Krachtens dit feit vallen niet alleen kwesties van sociale, maar zelfs van economische aard onder haar bevoegdheid en heeft zij hierin in hoogste instantie uitspraak te doen.1)

In de structuur van het British Empire is deze sacrale band tussen Kerk en organische samenleving reeds bijna geheel verloren gegaan. Toch hangt de ontwikkeling van deze structuur ten nauwste samen met de ideologie van de Tories, de partij die altijd het nauwst verbonden is geweest met oude katholieke tradities.
De grondslag van het Empire is gelegd door de Stuarts in de 17e eeuw. In de vorige eeuw hebben mannen als Seeley, Kipling en Rhodes haar ideologie verder uitgewerkt en wij vinden haar thans het scherpst geformuleerd in het werk van Lionel Curtis, Civitas Dei, The Commonwealth of God.

Ten slotte de Fascistische Staat van Mussolini.

Hoewel het fascisme — zoals Mussolini het zelf heeft uitgedrukt — de godsdienst en speciaal het Katholicisme zeer hoog acht, toch erkent het niet langer de Kerk als gezagdragende en ordenende macht in het sociale leven.
De Staat zelf, de “ethische Staat’ is de “ware werkelijkheid van het individu” geworden. De mens leeft dus pas overeenkomstig zijn bestemming, als hij zich onderwerpt aan de wil van de staat, d.w.z. van de drager van de nationale gedachte”. 2)

Hiermee is niet gezegd dat met deze drie vormen van sociaal organisme alle andere vormen zijn uitgeput. Integendeel er doen zich nog alle mogelijke andere variaties en tussenvormen voor. De drie hier beschreven vormen vertegenwoordigen het scherpst ieder één bepaalde ideologie. In elk van deze structuren neemt één bepaalde elite een overheersende positie in, als drager van, hetzij de geestelijke belangen, hetzij de economische belangen, hetzij de rechtsbelangen.

In de katholieke staatsgedachte is dit de clerus, als drager van het geestelijk leven.
In de Britse Commonwealth zijn het de industriëlen en landadel — men denke aan de rol van de oude Gentry in het Engelse parlement — als dragers van het economisch leven.
In de fascistische totalitaire staat zijn het de kringen van ambtenaren en leger, die als bureaucratie de dragers zijn geworden van het rechtsleven en opkomen voor de verwezenlijking van sociale rechtvaardigheid.

Ieder van deze drie bevoorrechte klassen vertegenwoordigt een bepaalde ideologie, waaraan zij tegenwoordig haar macht ontleent. Men zou de oude Indische kastenstaat als wedergeboren kunnen zien in de Europese volkerengemeenschap.
Brahmanen, krijgers en handwerkslieden, als de dragers van het geestelijk

1) Zie de Encycliek van Paus Pius XI, „Quadragesima Anno” 41.
2) Art. 1 van het Charter van de Arbeid luidt: De Italiaanse Natie is een organisme, dat een hoger leven, hogere doeleinden en middelen van handelen bezit dan de afzonderlijke nog in groepen levende individuen, die haar samenstellen. Zij is een morele, politieke economische eenheid, die zich volledig in de Fascistischen Staat verwerkelijkt.
10

leven, het rechtsleven en het economisch leven, vindt men min of meer terug in de elites van de drie hier geschetste sociale organismen.

Het verschil tussen de moderne en de antieke structuur is echter zeer groot.

De oude kastenmaatschappij was een organisme. De verschillende kasten, door een sacrale band met de goddelijk-geestelijke wereld bijeengehouden, verhielden zich tot elkander, gelijk de drie functies — het zenuw-zintuigstelsel, het ritmische stelsel en het stofwisselingsstelsel — van het menselijk lichaam zich tot elkaar verhouden.
Vergelijkt men hiermee de levensbelangen van de drie hier geschetste sociale organismen, dan verrijst voor ons het beeld van drie kolossale machten, die niet de minste belangengemeenschap meer met elkander hebben, integendeel, die elkaar op leven en dood bestrijden.

Deze strijd is verklaarbaar.

Want weliswaar zijn zij, wat hun vorm betreft, organisch opgebouwd, maar de ideologie waarmee zij deze oude vorm moeten handhaven, past niet meer in de tijd, zij is tot “mythe” geworden.
De oude kastenmaatschappij was daarom organisch, omdat zij nog afspiegeling was van een kosmische orde. De priesters genoten een nog vanzelf sprekende autoriteit, omdat zij de bemiddelaars waren tussen mens en goddelijke wereld. Het was een autoriteit, die nog geheel berustte op de eerbied voor de goddelijk-geestelijke wereld.
Deze eerbied is langzamerhand verloren gegaan. Daarmee is ook de autoritaire macht van de priesters in het sociale leven verzwakt. Dit afstervingsproces is zeer geleidelijk gegaan. Nog lange tijd is de structuur van het sociale leven in haar organische opbouw overgenomen van de structuur van de oude voorchristelijke beschavingen.
Waanneer echter in deze structuur de uiterlijke vorm niet langer meer beantwoordt aan de geestelijke inhoud, treedt een verschijnsel op, dat men imperialisme kan noemen.
Hoe meer de sacrale banden met een goddelijk-geestelijke wereld afstierven, des te sterker werd ideologie “machtsmiddel” — imperium betekent macht— bestemd om een historisch gegroeide structuur van het sociale leven in stand te houden.
Daardoor zijn langzamerhand in Europa drie grote wereldmachten ontstaan als drieërlei vorm van imperialisme: de Kerk, het Britse Rijk, de Corporatieve Staat.
Zij behartigen elk afzonderlijk, totaal aan elkander tegenstrijdige belangen. Daardoor leidt hun bestaan tot allerlei onoplosbare conflicten, zowel in de buitenlandse als in de binnenlandse politiek van de verschillende volkeren van Europa.
De vraag naar een weg tot oplossing van deze conflicten kan nauwelijks meer gesteld worden, zolang niet eerst een andere vraag is gesteld: hoe kan voorkomen worden, dat in de structuur van het sociale leven, de drie gebieden van religie, welvaart en rechtvaardigheid, niet langer meer als
machtstegenstellingen werken, maar organisch in de volkerengemeenschap worden behartigd?

Dit vraagstuk van de drieledigheid van het sociale organisme is in wezen een vraagstuk van christelijke samenleving.
11

Christelijke rechtsorde

Sinds het ontstaan van het christendom laat de vraag of een “Christelijk
Rijk” op aarde bestaanbaar is, ons niet met rust. “Christelijk Rijk” is
dat geen paradox? Is niet iedere rijksgedachte verbonden met macht, met uiterlijk geweld in de wereld?
Wijst Christus niet het gebruikmaken van geweld af, zegt Hij niet zelf: “Mijn Rijk is niet van deze wereld?” Verkondigt Hij niet: “Het Koninkrijk Gods is binnen U?”
Maar wat betekent het christendom nog zonder aardse macht? Hoe kan ooit een
“christelijke” oplossing gevonden worden van het sociale vraagstuk, wanneer niet uiteindelijk wereldlijke macht autoritair ingrijpt, een “Christelijk Rijk” op aarde manifesteert met aardse middelen, met aards gezag?

Aan de andere kant: hoe kan ooit door middel van geweld, door dwang, aan de mens autoritair een christelijke samenleving worden opgelegd, wanneer niet de mens sterk genoeg is om door innerlijke vrijheid Christus in zijn eigen leven als voorbeeld te stellen?

Twee vragen, die de historie hebben gevormd, die steeds weer opnieuw aanleiding zijn geworden tot een afglijden in twee gevaarlijke eenzijdigheden van het leven.

De eerste vraag is de vraag die Augustinus stelde in zijn „Civitas Dei”, die ook Dante stelde in zijn „Monarchie en Divina Commedia.
De macht van het Imperium was eens gegrondvest door de Romeinen, zo zeiden zij. opdat in de heilsgeschiedenis, de Kerk, het “tweede Rome”, deze macht zou kunnen overnemen tot de verwezenlijking van de Staat Gods op aarde……
Deze oplossing voerde onherroepelijk in de praktijk tot een eenzijdigheid: verwereldlijking van de Kerk — ecclesia — als gemeenschap van “uitverkorenen”.
Tegenover deze eerste eenzijdigheid staat een tweede eenzijdigheid. Deze treedt op waar, gedreven door een heilsverwachting, men zich van de wereld afwendt, zich opsluit in kloosters, sekten vormt, om in afzondering zich voor te bereiden op de nadering van een heilstaat op aarde, die zich eens. los van ’s mensen toedoen, krachtens de vervulling van een profetie, zal verwerkelijken.

Zowel van katholieke als van protestantse zijde is deze verzoeking ontelbare malen opgetreden. Steeds weer streelt zij onze ijdelheid door de waan: te behoren tot een elite van uitverkorenen, gepredestineerd ver verheven boven de massa te staan.
In de middeleeuwen noemde men deze “reine” geesten, naar een Grieks woord, katharoi. In onze tijd heeft het woord ketter — de verbasterde vorm van dit Griekse woord — een ietwat andere klank gekregen.
Iedere sektevorming op protestants terrein — men denke aan de Wederdopers in de 16e eeuw — iedere ketterij op katholiek terrein, draagt het gevaar van deze tweede verzoeking in zich. Afkeer van alle geweld op aarde, lijdelijk verzet plegen tot in de meest absolute consequenties; men vindt dit als een modern Messianisme bij de Mennonieten, de Hernhutters, de Tolstoianen.
12

Het is van belang deze twee eenzijdigheden, die als verzoekingen kunnen optreden van te ver doorgevoerde macht enerzijds en te ver doorgevoerde vrijheid anderzijds, goed onder ogen te zien, alvorens ons bezig te houden met de vraag: is een “christelijke rechtsorde” op aarde bestaanbaar? Historisch bezien, kunnen wij nauwelijks nog van een dergelijke “probleemstelling” spreken, zolang één bepaalde Kerk, als drager van het religieuze leven, het staatsleven autoritair aan zich ondergeschikt maakt.
Dit is gedurende de gehele middeleeuwen nog min of meer het geval. De middeleeuwse standenstaat was “sacraal” geordend. Zij was een organisme, nog min of meer afgelezen van een bovenzinnelijke hiërarchische wereld. In de structuur van de Kerk zelf, voor zover betreft de organisatie van de clerus, vindt men eveneens een verticaal geordende indeling, welke ten nauwste verband houdt met de hiërarchische orde van de geestelijke wereld en die gebaseerd is op een traditie, die teruggaat op Dionysius de Areopagiet.1)
Kan men deze middeleeuwse standenstaat, met zijn sterke verticale hiërarchische structuur “christelijk” noemen?

Dat is de grote vraag, die opkomt omstreeks 1500 en waarover niet alleen met woorden is gediscussieerd, maar waarover vele eeuwen lang een strijd is gevoerd met bloed en wapenen.
Immers, sinds de Hervorming breekt met de godsdienstoorlogen een nieuwe orde der dingen door, een nieuwe staatsvorm wordt geboren, niet meer gebaseerd op een verticale indeling volgens standen, maar op een horizontale indeling, gegrondvest op de idee van geestelijke verdraagzaamheid.
De overheid verliest haar geestelijk absoluut karakter. In de strijd tussen wereldbeschouwingen neemt zij een meer neutraal standpunt in. Men zou het ook zo kunnen uitdrukken: voor de nieuwe rechtsorde, die met de Hervorming ontstaat, zijn alle burgers van de staat gelijkgerechtigd, opdat op religieus gebied het beginsel van vrijheid kan heersen.

Voor deze gedachte offerde Willem van Oranje zijn leven, werd in Frankrijk een Hendrik IV vermoord en in Duitsland…… Wallenstein.
Het offer, dat zij in de historie hebben gebracht, is een christelijk offer geweest. Zoals het bloed der martelaren eens het zaad der Kerk is geweest, zo is hun bloed het zaad, waaruit een nieuwe „christelijke rechtsorde” gegroeid is. Waarom “christelijke rechtsorde”?

Het antwoord op deze vraag staat o.a. in het Plakkaat van Verlatinge waarmee de Staten-Generaal van onze jonge Republiek in 1581 de gehoorzaamheid opzegden aan de koning.

“De onderdanen niet en zijn van Godt gheschapen tot behoef van den Prince, om hem in alles wat hy beveelt weder het goddelic oft ongoddelick recht oft onrecht is, onderdanich te wesen; maer den Prince om d’ondersaten wille”.

Dit beginsel schept een nieuw recht in een nieuwe staatsorde: het recht van

1) Over ‘de „kerkelijke hiërarchie” als afspiegeling van de „hemelse hiërarchie” zie: Dionysius Areopagita „Over de kerkelijke Hiërarchie”.
Men vindt hierover een uittreksel in „Anmerkungen” van Dr. Roman Boos op de in 1920 door Rudolf Steiner gehouden voordracht over „De geschichtliche Entwicklung des Imperialismus.” (Europa Verlag Ziivich/New York 1946.
13

de mens op gewetensvrijheid. De Overheid respectere deze vrijheid. Dat is haar nieuwe christelijke taak.

Op religieus gebied is voortaan het mensen-lk alleen aan God verantwoording schuldig. De vorst als drager van het rechtsleven, is niet langer meer opgenomen in de hiërarchische ordening van de middeleeuwse standenstaat. Er is een breuk ontstaan in het organisme van de samenleving. In de staat is het terrein vrijgemaakt voor een individuele ontwikkelingsweg.

Met het offer, in dienst van deze nieuwe rechtsorde, breekt als het ware een nieuw Pasen door in de rechtsgeschiedenis van Europa. Want de ontwikkeling van het christendom houdt ten nauwste verband met de ontwikkeling van de diepste krachten van het mensen-lk. Ieder, die het vertrouwen in de ontwikkelingsmogelijkheden van dit mensen-lk, als drager van de
Christuskracht niet verloren heeft, zal deze nieuwe rechtsorde als een winst kunnen zien. als een opstandingsproces. van waaruit de diepste krachten van de menselijke vrijheid ontstaan zijn. In dit opzicht kan onze Republiek worden gezien als een eerste schrede op een lange weg, voerend naar de verwezenlijking van een christelijke samenleving.

Dit emancipatieproces van het rechtsleven uit de organische samenhang van de middeleeuwse standenstaat is echter, behalve een winst tevens een verlies. Zoals reeds gezegd: er is een breuk ontstaan in het organisme van de samenleving.

Met de Hervorming sterft een oude organische samenhang van het rechtsleven met de goddelijke wereld af. Het duidelijkst blijkt dit uit de veranderde opvattingen van het z.g. natuurrecht. Vergelijken wij het natuurrecht, zoals dit in 1625 door Hugo de Groot geformuleerd wordt, met de oude Griekse voorstellingen van het natuurrecht — het phusei dikaion — dan blijkt duidelijk het verschil.

Bij de Grieken. — in het bijzonder bij Plato — nog een sterk organische gedachtewereld. Het rechtsleven is een harmoniserend, men kan wel zeggen. genezend element in de samenleving. Waar ergens een sociaal ziekteproces optreedt door een verbreking van het evenwicht tussen geestelijke en materiële belangen, werkt het rechtsleven bemiddelend en daardoor tevens therapeutisch. Zo ligt in de natuur der dingen besloten.
Wat Hugo de Groot onder natuurecht verstaat is reeds iets geheel anders. Zijn opvatting is veel rationeler, grijpt terug, niet zozeer op Griekse voorstellingen als wel op de Romeinse interpretatie daarvan. De Stoa, bron van zoveel Romeins-rechtelijke opvattingen, is zijn voornaamste leerschool geweest. Natuurrecht is bij hem identiek met volkenrecht, ius gentium.
Voor de Groot betekent natuurrecht datgene wat in iedere mensenziel verborgen ligt als bron van rechtsbewustzijn.
Door het natuurrecht is er ergens een gebied in de samenleving waar wij als mens gelijk zijn aan elkaar, onafhankelijk of wij Chinees zijn of Maleier, Spanjaard of Nederlander, onafhankelijk ook. of wij katholiek, protestant of zelfs heidens zijn opgevoed.
Het natuurrecht ligt in de natuur der dingen, d.w.z. het is ieder mens aangeboren. Daardoor is het natuurrecht voor de Groot ook de basis geworden
14

van het volkenrecht, van een nieuwe internationale rechtsorde, welke thans nog steeds de ideologie vormt van de Verenigde Naties. 1)

Het natuurrecht bij Plato was nog verticaal gericht. Het ging uit van een organische samenhang tussen mens en kosmos, en was daardoor nog geheel ontleend aan antieke theocratische vormen van menselijke samenleving.2)
Het natuurrecht van de Groot is horizontaal gericht. Het is de basis van een nieuw kosmopolitisme, een nieuw wereldburgerschap.

Het past in een samenleving, die afstand heeft gedaan van een hiërarchische ordening van het geestelijk leven.
Deze nieuwe formulering van het natuurrecht heeft gemaakt, dat het rechtsbewustzijn zijn laatste samenhang niet een hiërarchisch geordende geestelijke wereld verloren heeft.

Toch kan men deze opvatting een christelijke opvatting noemen. Zij past geheel in de structuur van een samenleving, voor de verwezenlijking ervan zojuist Oranje zijn leven had geofferd. Wij zien dan ook, dat later deze conceptie van het natuurrecht geheel in dienst wordt gesteld van het tolerantiebeginsel op godsdienstig gebied en dat juist dit beginsel aan iemand als Willem III de kracht heeft gegeven grote Europese politiek te voeren vanuit Engeland.
Het is interessant na te gaan, hoe daarna juist in Engeland, dit natuurrecht langzamerhand zijn christelijk karakter gaat verliezen onder invloed van natuurwetenschappelijke denkbeelden.
Het wordt dan steeds meer aangewend in dienst van tweeërlei vorm van macht: de Staat als drager van de collectieve wil van het volk enerzijds. Anderzijds, de Staat in dienst van de individuele vrijheden van de mens. Deze twee totaal verschillende ontwikkelingswegen van het natuurrecht gaan uit van twee Engelse denkers. Thomas Hobbes en John Locke. Men zou hen zelfs kunnen zien als de twee geestelijke vaders van de twee verschillende ideologieën van democratie, die thans vanuit Amerika en Rusland de geesten zozeer in verwarring brengen.

Het uitgangspunt bij Hobbes is de strijd van allen tegen allen, de bellum omnium contra omnes, als de natuurlijke vorm van de samenleving. De mens is een met rede begiftigd dier. De strijd om het bestaan, de ,”struggle for life” zal steeds als een schrikbeeld van massale verwildering de samenleving bedreigen. Om zich te beveiligen tegen de driften van zijn medemensen, beschikt de mens over de rede. Deze rede dwingt hem er toe zijn vrijheid prijs te geven. Dit offer is niets anders dan een natuurlijke zucht tot zelfbehoud Uit deze natuurlijke drift is het bestaan te verklaren van de lex naturalis. de natuurwet, die de band is, die alle mensen tot een Staat verbindt.

Deze Staat is drager van de collectieve wil, waardoor de enkeling zijn vrijheid prijsgeeft ten einde daarvoor in de plaats veiligheid te verwerven.
De Staat wordt hier door Hobbes voorgesteld als een monster, het beeld van

1) Onder de „doeleinden” van artikel 1 van het Handvest vinden wij: “internationale samenwerking bij het bevorderen en aanmoedigen van eerbied voor de rechten van de mens en voor de grondvrijheden voor allen, zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst”.
2) Over de Politeia van Plato in samenhang met de oud-Indische kastenstaat leze men Urwick The Message of Plato. Aangehaald o.a. door Dr. H. Groot in zijn boek over Plato, Amsterdam 1947.
15

de Leviathan uit het boek Job. Op het titelblad van de eerste uitgave van het werk — 1645 — staat een Vorst afgebeeld met een staf en een zwaard — symbool van totalitair gezag over Kerk en Staat. Zijn maliënkolder bestaat, in plaats van uit talloze ringetjes, uit evenveel mensen.
Deze voorstelling van de Staat is geheel ontleend aan de dierenwereld. De mens is een met rede begiftigd dier. Het is een uiterst pessimistische voorstelling, in wezen echter dynamisch. Immers, zij leidt er toe, dat de rechtsopvattingen geheel in dienst komen te staan van de strijd om het bestaan. Zij verliezen hierdoor hun autonoom karakter, en zullen zich steeds moeten aanpassen aan een evolutieproces, dat zich als een “natuurlijke orde der dingen” onafhankelijk van de wil van de mens buiten hem zich voltrekt. Hier is dan ook de geestelijke basis gelegd van het historisch materialisme en wij zullen zien hoe twee eeuwen later Karl Marx in Engeland zal voortbouwen op deze geheel empirische materialistische gedachtegang.

De opvatting van John Locke over het natuurrecht is geheel tegengesteld aan die van Hobbes.
Hobbes gaat uit van de strijd van allen tegen allen als de natuurlijke vorm der samenleving. Locke gaat uit van de harmonie der individuele belangen. Hobbes zoekt zijn voorbeeld in de natuur bij de dierenwereld. Voor Locke ligt in de natuur der dingen geen strijd maar harmonie. Is ook de sterrenwereld niet doortrokken van harmonie? In de samenleving is ieder mens onderworpen aan natuurlijke verlangens; deze vormen de basis van natuurlijke rechten: recht om te leven, recht op vrijheid, recht op eigendom.
Wanneer ieder mens deze belangen als rechtmatig in zijn medemens respecteert, ontstaat hierdoor een natuurlijke harmonie van samenleving. Deze natuurtoestand betekent allerminst oorlog. Integendeel: oorlog ontstaat wanneer door geweld de natuur der dingen wordt doorbroken. Als waarborg hiertegen dient de Staat. Zij is slechts een noodzakelijke beperking van de vrijheid van het individu. Haar rechtsbasis berust op de erkenning van deze vrijheid. Speciaal op drieërlei gebied: leven, vrijheid en eigendom.
Uit deze optimistische voorstelling van de natuurlijke harmonie van de samenleving is bij Locke de beroemde contractsidee gegroeid, waardoor hij het gezag dat de overheid uitoefent, afleidt uit de overeenkomst van de burgers. Waarborg tegen gewelddadig ingrijpen in de harmonie van de belangen van de zijde der overheid, ligt in het recht, dat de onderdanen bezitten ten allen tijde dit contract te herroepen. Met andere woorden: de soeverein kan bij misbruik van macht de gehoorzaamheid worden opgezegd.

Wij zien hier dus tweeërlei rechtsopvatting, gebaseerd op het door Hugo de Groot gelegde fundament van het moderne natuurrecht.
Die van Hobbes is dynamisch en pessimistisch. Uitgangspunt is de “struggle for life” als de natuurlijke orde der dingen.

Die van Locke is statisch en optimistisch. Uitgangspunt is de harmonie der belangen, als de natuurlijke orde der dingen. Zij gaat uit van het bestaan van eeuwige onveranderlijke rechten, verankerd in de ziel van ieder mens, als de natuurlijke basis van de samenleving.
Beide opvattingen zijn beïnvloed door natuurwetenschappelijke denkbeelden, die juist in deze tijd in Engeland opgeld maken.
16

Merkwaardigerwijze beroepen zowel Hobbes als Locke er zich op dat zij de Indiaanse samenleving als voorbeeld hebben genomen voor het door hen ontworpen beeld van de samenleving!
Het is duidelijk, dat elk van deze opvattingen ontaarden kan in een gevaarlijke eenzijdigheid en dat met deze nieuwe conceptie van het natuurrecht krachten kunnen worden opgeroepen, die in strijd zijn met iedere organische structuur van de maatschappij.
Zowel Hobbes als Locke hebben niet alleen leerlingen gehad, die deze natuurrechtelijke opvattingen van de samenleving verder hebben uitgewerkt, maar ook “Zauberlehrlinge”…….

Sociale ideeën kunnen als natuurkrachten werken, die door de mens worden opgeroepen, maar die op een gegeven ogenblik niet meer door hem kunnen worden beheerst, omdat hij de “toverspreuk” van zijn leermeester vergeten is. Sociale ideeën worden natuurkrachten, wanneer hun organische samenhang met een goddelijk-geestelijke wereld verloren gaat. Zij werken dan niet meer verbindend van mens tot mens, maar destructief, daar zij zijn afgesneden van de bron van alle morele scheppende vermogens in de mens.
Wij kunnen dit emancipatieproces vervolgen vanaf het ogenblik, dat de twee zoëven geschetste natuurrechtelijke opvattingen van de samenleving hun geboortegrond — Engeland — verlaten.

In Engeland bestond omstreeks de tweede helft van de 17e eeuw nog een vorm van samenleving, die in vele opzichten organisch kon worden genoemd. De High Church, het Koningshuis, als min of meer sacrale banden met het verleden, oefenden in de samenleving nog een sterk moreel gezag uit. Via het familieleven, door de macht der bloedsbanden, bestond nog een zekere hiërarchische structuur, gedragen door een, vanuit de kringen van handel en nijverheid zich verjongende adel.
Daardoor was de samenleving nog immuun voor de destructieve uitwerking van de nieuwe, aan de op empirie gebaseerde natuurwetenschap ontleende sociale denkbeelden.
De destructieve uitwerking van deze denkbeelden wordt pas zichtbaar, wanneer zij geëxporteerd uit het moederland, binnendringen in de Nieuwe Wereld enerzijds, in Rusland anderzijds.
Daar, in het Westen en in het Oosten, oefenen zij een revolutionair geweld uit. Men kan, in dit opzicht, de jaren 1776 en 1917 in samenhang met elkander bezien!
In 1776 maken de Verenigde Staten zich los van het moederland. De geestelijke basis van deze Republiek is later door president Wilson zeer treffend gekarakteriseerd: “De grondwet van de Verenigde Staten is ontworpen onder de heerschappij van de theorie van Newton. De ontwerpers van de constitutie van onze Statenbond, construeerden een regering, zoals men een planetarium zou hebben gebouwd ” …….1)

1) Ook bij Jefferson, de grondlegger van de Amerikaanse Constitutie, vindt men de voorstelling van “a beautiful equilibrium, on which our Constitution is founded, and which I believe it will exhibit to the world in a degree of perfection, unexampled but in the planetary system itself.” (Letter to P. Firzbugh, 1798).
17

Hier ziet men de consequenties van de door Locke ontworpen voorstellingen van de harmonie van de individuele belangen. Ingeschakeld in het krachtenspel van de “balance of power” leiden zij langzamerhand tot een volkomen mechanisch beeld van de samenleving. Zij werken destructief, zodra zij in dienst worden gesteld van het met reuzenschreden zich ontwikkelend industrialisatieproces. Het rechtsleven verliest daarmee zijn autonoom karakter, d.w.z. de rechten,”van het individu op leven, vrijheid en eigendom”, komen meer en meer in dienst van eenzijdige economische belangen. Het is interessant deze ontwikkeling in zijn laatste consequenties te vervolgen. Iedere schooljongen is tegenwoordig op de hoogte van het massale roofbouwproces dat in de Verenigde Staten plaatsvindt op de natuur door de op grote schaal plaats vindende ontbossing en uitmergeling van de grond door chemische stoffen.
Tegenover dit in het economisch leven plaatsvindende roofbouwproces, dat de techniek uitoefent op de natuur, staat het Congres, als behartiger van de vrije rechten van de mens op leven, vrijheid en eigendom, machteloos.
Daar wreekt zich op de natuur zelf, een natuurrechtelijke voorstelling van het sociale leven in haar laatste consequentie.1)
De andere consequentie van het natuurrecht — via de door Hobbes beïnvloede ontwikkeling — voltrekt zich thans in het Oosten, in Rusland.
Wij zien hier de laatste consequenties van het historisch-materialisme, geëxperimenteerd op de menselijke samenleving.
De geestelijke basis van dit historisch materialisme is — zoals wij hebben gezien — door Hobbes in Engeland gelegd.
Het natuurrecht, aangepast aan de “struggle for life ”, schiep de Staat als drager van de “collectieve wil” van het volk.

Wij kunnen deze gedachte vervolgen, wanneer zij in Frankrijk, overgenomen door Rousseau, leidt tot de Franse revolutie, en daarna, via het positivisme van Auguste Comte en aangevuld door de evolutieleer van Darwin, Karl Marx beïnvloedt.
Door Lenin wordt zij naar Rusland gebracht en in 1917 verwezenlijkt tot het grootste sociale experiment dat ooit in de geschiedenis heeft plaats gevonden. Ook hier zien wij hoe. evenals in Amerika, de opvattingen van het natuurrecht beïnvloed worden door bepaalde natuurwetenschappelijke voorstellingen en de aanleiding worden tot een ander soort roofbouwproces. Het rechtsleven is hier geheel ondergeschikt geworden aan een ideologie, de opvatting van de klassenstrijd als een dynamisch proces. Recht en moraal zijn daardoor volledig relatieve begrippen geworden, ondergeschikt aan het evolutieproces van de klassenstrijd. Salus revolutiae suprema lex. De hoogste wet is het belang van de revolutie. Deze formule van de Russische Marxist Plechanov is de rechtvaardiging van alles, wat in een andere vorm van samenleving dan die van het Marxistisch socialisme als onrecht geldt. Tegenover de onverbiddelijkheid

1) Chancellor Robert M. Hutchins of the University of Chicago recently sunmit up the sombre facts: „About one-quarter of the arable land in this country is now ruined or severely impoverished and the damage is continuing; Soil losses in the United States total more than five billion tons annually. There has been a greater loss of productive soil in the world in the last two decades than the accumulated loss in all previous time. Another century like the last, and civilizatïon is through.” (John Fisher: „The lost Liberals” in Harpers. Mei 1947).
18

van deze “natuurwet” is het van absoluut ondergeschikt belang, of 20 miljoen mensen — het getal is ontleend aan Kravchenko — worden opgeofferd in dienst van de verwezenlijking van de klassenstrijd.

Zo zien wij, hoe buiten Europa, naar Amerika enerzijds, naar Azië anderzijds, de natuurrechtelijke voorstellingen, geëmancipeerd van de oude sacrale organische samenhang — zoals wij deze nog bij Plato aantreffen — steeds radicaler uitgroeien tot massale belangentegenstellingen, waarbij het rechtsleven zelf zijn autonome macht volledig verloren heeft.
De grote crisis van deze samenleving is niet alleen een geestelijke crisis, niet alleen een economische crisis, zij is ook een crisis van het rechtsleven.
Naarmate in Europa steeds meer de oude organische samenhangen met het verleden — via de Kerk. via de familiebanden, via de historie als lotsverbindend element — verloren gaan, is ook de rechtsorde van onze samenleving verbroken.

Wij staan thans voor de grote vraag: welke taak heeft het rechtsleven te vervullen in een organische samenleving, die niet meer berust op de krachten van het verleden, m a a r  d i e  r e k e n i n g  h o u d t  m e t  d e  t o e k o m s t? In een dergelijke samenleving zal het rechtsleven een verbindend element moeten vormen tussen de aan elkaar tegenstrijdige belangen van het uit de organische samenhangen zich ontwikkeld hebbende economisch leven en het geestelijk leven.

Daarvoor moet het rechtsleven volkomen autonoom zijn.

In Amerika en Rusland zien wij de fatale gevolgen, wanneer dit niet het geval is.
In een werkelijk organische samenleving kan het rechtsleven niet ondergeschikt zijn aan de belangen van ongeveer tweehonderd sleutelindustrieën, die op het ogenblik in de Verenigde Staten, in naam van de verhoging van de maatschappelijke welvaart, in naam van de „progress” een economische dictatuur uitoefenen. 1)
Anderzijds: het rechtsleven kan niet langer meer het afvalproduct zijn van een historisch dynamisch proces, het kan niet langer meer ondergeschikt zijn aan een politiek Messianisme, dat in naam van de verwezenlijking van de broederschap op aarde miljoenen mensen tot slavenarbeid veroordeelt.
Wij hebben niet langer te kiezen tussen twee werelden: óf Amerika óf Rusland.
Wij kunnen alleen nog maar tussen deze twee werelden een nieuwe wereld bouwen: een nieuwe organische samenleving, waarin het rechtsleven autonoom is.

Vooral voor ons land wordt dit vraagstuk urgent. Het grote vacuüm, dat na de oorlog in Midden-Europa ontstaan is, heeft de tegenstelling van ideologieën tussen Amerika enerzijds. Rusland anderzijds, een fataal karakter gegeven.
In de komende jaren zal het erom gaan tegenover deze „koude oorlog” van ideologieën, de weg vrij te maken voor een christelijke rechtsorde.

1) Zie: Beile en Means: The Modern Corporation and Private Property. De schrijvers tonen hierin aan dat het economisch leven van de Verenigde Staten beheerst wordt door de tweehonderd grootste niet-financiële maatschappijen, d.w.z. de verhouding waarin deze tot de banken stonden bespraken ze niet.
19

Bijna alle opvattingen over recht en moraal zijn tegenwoordig beïnvloed door de materialistische opvattingen van de natuurwetenschap. Dit te belichten was het doel van deze artikelen.
Voor de verwezenlijking van een christelijke rechtsorde is in de eerste plaats nodig, een nieuw organisch inzicht in de maatschappelijke problemen van deze tijd te ontwikkelen. Pas wanneer er bewustzijn ontstaan is, hoezeer het materialisme de denkbeelden beïnvloed heeft waarmee wij dagelijks onbewust omgaan in de huidige democratische samenleving, wordt de weg vrij voor een nieuwe structuur van onze maatschappij als -sociaal organisme.

In zijn “Kernpunkte der sozialen Frage” 1) heeft Rudolf Steiner zijn gezichtspunten ontwikkeld over een nieuwe drieledige structuur van de maatschappij. Dat betekent allerminst een herstel van oude voorchristelijke theocratische vormen van samenleving. Het betekent evenmin een beginselprogramma voor een nieuwe politieke partij.

Het komt er in de eerste plaats op aan “denkbeelden te ontwikkelen, die ontleend zijn aan de waarneming van het werkelijke leven”.

In ons land kunnen wij hierbij aanknopen aan zeer bepaalde tradities. Steeds hebben de grote figuren van ons volk gezocht naar een christelijke weg om het midden te vinden tussen twee eenzijdigheden. Voorbeelden hiervan zijn Geert Groote in de 14e eeuw, Willem van Oranje in de 16e eeuw en Thorbecke in de 19e eeuw.

In de toekomst zal het erom gaan. bij deze figuren aan te knopen, opdat
tegenover de grote eenzijdigheden van het Westen en het Oosten de middenweg wordt gevonden voor een werkelijk christelijke rechtsorde

Met het wegvallen van Midden-Europa ligt hier in West-Europa een grote taak.

1) (GA 23)
Vertaald: De kernpunten van het sociale vraagstuk
20

Pasen 1948

Publicaties mr. A.C. Henny

=Geld tussen zekerheid en risico, Uitgeverij Christofoor, Zeist 1986.
=Naar de bronnen van driestromenland; Politieke stromingen: van gemeenschap naar individuele verantwoordelijkheid, Uitgevrij Christofoor, Zeist 1989.
=Wereld in wording (drie delen voor middelbare schoolgebruik door 9 schrijvers
samengesteld) Novem, Uitgeverij van Goor Zonen, Den Haag.
=Honderden artikelen in het tijdschrift Vrije Opvoedkunst van 1933 tot 1990. Zie
uitgebreid digitaal archief van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst Driebergen
i.s.m. Antrovista: http://www.vrijeopvoedkunst.nl en vok.antrovista.com

Toneel:
=Non Nobis (over de Tempeliers)
=Voor God en Vrijheid (historisch spel prins Willem van Oranje)
=Turandot
=Vadertje Langbeen Proteus-uitgave

Gedichtenbundels:
Wilde zwanen boven zee
Licht en schaduw in Hollands tuin

Sprookje:
‘De Pioenen’. Een klein boekje met een liefdevol beschreven sprookje van een oude Chinese wijsgeer, zijn geliefde bloemen en een fee.

Brochures:
Metamorfosen van het rechtsleven
Natuurwetenschap en sociale moraal
Vrijheid, gelijkheid en broederschap
Onderwijs tussen toekomst en verleden
Constantijn de Grote en Julianus Apostata
Voor God en Vrijheid. Historisch spel in negen taferelen. (Proteus uitgave No.4, 1950)
Volken van Europa (Proteus uitgave No.6, 1950)

Rinke Visser over het leven van Arnold C. Henny:

Zwaarte van stofgoud en licht in diamant

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2555-2391

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-5)

.
In het tijdschrift Jonas  -zo tussen ca 1970 en 2000 – verschenen regelmatig artikelen over de politiek van die jaren. Meestal meer of minder uitgesproken tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Voor een deel ius de inhoud dus bepaald door de tijd van toen, maar ze bevatten ook vrijwel altijd gezichtspunten voor de toekomst.
En, zien we niet in hoe het toen was, toch weer niet hetzelfde zoals het nu is, al zijn namen en situaties veranderd ?
Ook de vrijescholen worden genoemd. Opgemerkt wordt dat ze niet vrij zijn.
Ik merk op dat ze de laatste halve eeuw ook vrij weinig voor vrijheid van onderwijs hebben gedaan.
.

Frank Thomas Smtih, Jonas nr. 23, 6 juli 1973
.

moreel socialisme als alternatief

Als we het woord ‘socialisme’ gebruiken, bedoelen we daarmee gewoonlijk een systeem waarin de politieke staat de productiemiddelen bezit en de bevolking van een staatkundige eenheid voorziet van belangrijke sociale instellingen als pensioen- en ziekenfondsen, werklozenondersteuning, enz. Of het nu gaat om een democratische of een andere staatsvorm, waar ‘t op aankomt is, dat niemand economisch wordt uitgebuit. Per slot van rekening kan geen enkele staat die een volk vertegenwoordigt, hetzij door middel van gekozen vertegenwoordigers of door een dictatuur van het proletariaat, en die de bezitter is van de productiemiddelen, theoretisch het volk uitbuiten, want dat zou gelijk staan met uitbuiting van zichzelf.
Het begrip socialisme als staatssocialisme is duidelijk gevolg van de misbruiken van het kapitalistische systeem, versterkt door de ongecontroleerde egoïstische belangen. Bijgevolg is het een fenomeen van onze tijd dat verstandige en intelligente mensen, vooral onder de jongere generatie, zich terecht van de kapitalistische maatschappij afwenden en zich keren naar het marxistisch-leninistische communisme of variaties daarvan, vaak langs de weg van gewelddadige revolutie. Wat deze verschijnselen vooral zo belangwekkend maken, is het feit dat deze mensen concrete resultaten op het oog hebben bij de verwerkelijking van de theorieën van Marx en Lenin: de bureaucratische, economisch productieve, hedendaagse communistische staten — vestingen van de onderdrukking van de menselijke geest. We zijn allen getuigen van het fiasco van beide systemen, het kapitalistische zowel als het communistische, die bovendien bezig zijn een voor beide partijen dodelijke strijd te voeren. Niettemin beschouwt de idealist het marxisme als een zaak, waard om voor te strijden; met als ideaal de verdwijning van de staat en de terugkeer van het paradijs, al is het dan een materialistisch paradijs, terwijl het kapitalisme iedere morele ideologie mist. Wat hij echter niet schijnt te zien of in elk geval buiten beschouwing laat, is het onzinnige om te theoretiseren over het doen afnemen van de staatsmacht en tegelijkertijd de machtigste economische staten uit de hele geschiedenis op te bouwen.

De kapitalistische belangen (en de westelijke staten die daardoor worden beheerst) zien hun bestaan met recht dodelijk bedreigd door het communistische oosten: de marxistisch-leninistisch-maoïstische profetie verkondigt de ondergang van het kapitalisme door gewelddadige revolutie. Daarom verklaarde het kapitalistische westen de oorlog aan het communistische oosten, dat reeds lang bezig was een koude oorlog te voeren (in Europa, Korea, Vietnam, het Arabisch-Israëlische conflict, de guerrillastrijd in Zuid-Amerika, enz.). De resultaten van deze polariteit openbaren zich ook in de honger en de schandelijke sociale onrechtvaardigheid, die in vele gebieden op het zuidelijk halfrond heersen; in het ontbreken van vrijheid in die landen waarin de maatschappij wordt beheerst door extreme vormen van een militaire of klassendictatuur; in de vertwijfeling die zich uit in het gebruik van drugs en alcohol, in de jeugdcriminaliteit, de zelfmoorden, enz. of, om de woorden van Rudolf Steiner te gebruiken, in:

de mechanisering van de geest,
de vegetabilisering van de ziel,
de animalisering van het lichaam

Theoretici van beide kanten als ook uit de ‘derde wereld’ beseffen de gevaren van deze polarisering, maar blijkbaar zijn ze alleen in staat politieke of economische oplossingen te vinden. Een machtige president of kanselier, een juiste staatkundig-economische politiek, die door een wonderen bewerkende minister van financiën wordt uitgeoefend – daarin ziet men het middel tegen alle kwalen. Wat echter onder deze oppervlakkigheid verborgen blijft, is het feit dat juist deze politieke en economische overheersing van het gehele sociale weefsel en in het bijzonder van de opvoeding de maatschappij in de huidige explosieve gespannen toestand heeft gebracht. Politieke staten of economische politiek zijn niet in staat de oplossing te vinden voor deze problemen. Onder een dergelijke leiding kan de toestand alleen nog maar erger worden.

Veel belangrijker dan beide bovengenoemde gebieden is een heel ander arbeidsveld, een terrein van menselijk streven dat als autonomie bevoegd is zijn rechtmatige plaats naast de anderen in te nemen: het geestelijk leven. Hierdoor wordt alles wat met de geest te maken heeft uit de boeien van de staatscontrole bevrijd, beginnend, maar zich niet alleen daartoe beperkend, met de belangrijkste van alle geestelijk activiteiten: de opvoeding.

De gangbare reactie is, als dit ter sprake wordt gebracht, dat men zich verrast toont en er een beetje om lacht, en dat komt vooral omdat de politiek-economische eenheden de meesten van ons van hun onontbeerlijkheid op alle sociale gebieden hebben overtuigd. Particuliere scholen zijn hierop niet het antwoord, omdat ook zij direct of indirect onder staatscontrole staan.
Ze moeten gewoonlijk een officieel leerplan volgen en kunnen alleen door de staat gediplomeerde leraren aanstellen. De vrijescholen vormen hierop geen uitzondering, hoewel ze vaak in de gelegenheid zijn een opmerkelijke graad van betrekkelijke vrijheid te genieten – al naar het land waarin ze zich bevinden, waardoor de leraren kunnen werken in een atmosfeer die onder de gegeven omstandigheden zo vrij mogelijk is. Wie echter meent dat de vrijescholen in de huidige maatschappij ook werkelijk vrije scholen zijn, vergist zich.

Een opvoedingssysteem, vrij van staatscontrole en economische afhankelijkheid zou mensen voortbrengen, gevormd door leermethoden die zich uit het vrije initiatief van de leraren zelf ontwikkelen. Dit zou tot een nieuw bewustzijn leiden, waarvan de maatschappij waarin deze mensen zich uiteindelijk integreren op haar beurt weer rechtstreeks voordeel heeft, vanzelfsprekend met inbegrip van de politieke en economische gebieden van die maatschappij. Ze zouden dan werken aan de omvorming van de maatschappij in een organisme dat aan de huidige en toekomstige eisen van de civilisatie beantwoordt. Ze zouden dit doen als persoonlijkheden, waarvan gemoed en denkwijze niet door politieke propaganda en economische eisen werden verwrongen.

Het is de mythe dat eenheidsstaten een noodzakelijkheid zouden zijn, die de wereld in versneld tempo naar de zelfvernietiging voert. De steeds machtiger wordende eenheidsstaat, of het nu een pseudo-democratie of een openlijke dictatuur is, moet krachtens zijn hoedanigheid het hele sociale organisme met de dodelijke ziekte van het statisme infecteren. De staat is politiek, en als zodanig dwingt hij met zijn politieke motieven de geestelijke en economische werkgebieden binnen, waardoor hij ze te gronde richt. Is de tijd niet eindelijk aangebroken, waarin de wereld haar lethargie zou moeten afschudden en de dwingende noodzakelijkheid zou moeten erkennen de drieledige maatschappij te verwerkelijken, voor de eenheidsstaten zichzelf en alles wat aan menselijke beschaving overblijft door gewelddadige omwentelingen vernietigen?

De eerste duidelijke schrede is, overal bekendheid te geven aan deze noodzakelijkheid. Dit kan alleen uitgevoerd worden door hen die zelf de urgentie van deze opgave inzien en die bereid zijn zich door intensieve bestudering van de principes van de drieledige maatschappij voor te bereiden. Wanneer dan het nodige begrip en de overtuiging verworven zijn, moet deze kern van toegewijde personen erop uitgaan en zich tot het uiterste inspannen om deze principes aan de mensheid in haar totaliteit bekend en begrijpelijk te maken.

De weg van de menselijke ontwikkeling toont ons dat we ons aan de chaos moeten ontworstelen. Dit kan door een drieledig socialisme worden bereikt, niet door staatssocialisme, maar door een echt socialisme, dat het geestelijk leven vrij zijn oereigen wetten laat volgen, de politieke staat tot op zijn rechtmatige ordenende functie reduceert en waarin de economie dient te zorgen voor de materiële behoeften van de maatschappij. Dat is moreel socialisme.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld:

.

2537-2377

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-7)

.

In de artikelen over ‘sociale driegelding’ vinden we vaak de naam van Lex Bos. Hij hield zich intensief bezig met Steiners gedachten hierover en werkte vele gezichtspunten tot in het concreet maatschappelijke uit.

Onderstaand artikel stelde hij samen tegen de achtergrond van de vraag: hoe is het werken van Christus in het sociale leven.
Die vraag was onderdeel van een jaarthema van de Allgemein Anthroposophische Gesellschaft. Het antwoord op deze vraag wordt maar niet diepgaand uitgewerkt, maar Bos geeft wel zeer waardevolle opvattingen over hoe het in de maatschappij toegaat en zou kunnen gaan.

Lex Bos, Mededelingen Antr.Ver, in Nederland, 1994 nr 49, 5, blz 5

Hoe kunnen wij in onze samenleving, waarin nog maar weinig over is van de sacramenten die in vroeger tijden het sociale leven beheersten, tot een nieuw christelijk sociaal leven komen? Over deze vraag gaat onderstaand artikel van Lex Bos. Hij werkt hierin, op verzoek van de redactie, met name één aspect uit van de lezing die hij een jaar geleden hield ter afsluiting van de jaarvergadering. Deze stond in het teken van het jaarthema van de Vorstand: ‘Het werken van Christus in het sociale leven.

HET WERKEN VAN CHRISTUS IN HET SOCIALE LEVEN

Het bestuur van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft in Dornach had voor het jaar 1993-1994 het thema ‘Christuswirken im sozialen Leben’ voorgesteld. In de toelichtende woorden in het jaarboekje wordt onder andere gezegd: Alleen wanneer steeds meer mensen de weg naar het binnenste van de ziel tot de levende Christus vinden, zal hij ook op de juiste wijze in het uiterlijke sociale leven werkzaam kunnen worden.’ Tijdens de Pinksterviering 1993 is in de avondvoordracht over de ‘binnenkant’ van de ziel gesproken: over de deugden van de gewaarwordingsziel, de verstands- of gemoedsziel en de bewustzijnsziel, respectievelijk de verbazing of de interesse, het medelijden of de empathie, het geweten of de verantwoordelijkheid. Uit deze kiemkrachten die we als een Christusgeschenk in de drievoudige ziel kunnen beleven, kan een nieuw christelijk sociaal leven opbloeien. Daarmee richt de blik zich op de ‘buitenkant’ van het vraagstuk.

Hoe verschijnt deze christelijke kwaliteit in het uiterlijke sociale leven? Wat is de eigen aard, de karakteristiek van het sociale handelen?

In het jaarboekje citeert het bestuur twee uitspraken uit voordrachten waarin Rudolf Steiner antwoord geeft op deze vraag:

— Het sociale leven wordt een offerwijdingshandeling die de oude cultische handeling voortzet;

We moeten bij alle handelingen een ‘Gottesdienst erfüllen’, in alles sacramentalisme brengen.

In dit artikel wil ik proberen iets van deze uitspraken begrijpelijk te maken.

Wanneer we de blik naar oudere culturen via de Romeins-Griekse, de Egyptische en de Perzische culturen naar de Indiase, betreden we de wereld van de theocratieën: samenlevingsvormen waarbij de gehele cultuur vanuit een geestelijk-geïnspireerd centrum geleid werd, niet alleen het geestelijke culturele leven zelf, maar ook het sociale leven, zelfs het economische leven had een sociaal karakter, was doortrokken van geboden en regels die geen mensenwerk waren maar een godengeschenk. Het dagelijks leven bestond uit een aaneenschakeling van rituele handelingen: het opstaan, wassen, aankleden, elkaar begroeten, het eten koken, de maaltijden gebruiken, de beroepshandelingen verzorgen, het huis schoonmaken, het naar bed gaan. Die rituele handelingen hadden het karakter van een gebed en waren vervuld van gevoelens van dankbaarheid tegenover de godenwereld.
Het jaarritme werd gedragen door een veelheid van feesten, cultische handelingen, offerdiensten om de goden te danken, hen gunstig te stemmen, hun om hulp vragen. Met name in het beroepsleven bestond een sacramentele basishouding: het omgaan met de aarde en het transformeren daarvan was een heilige aangelegenheid. Elk beroep had zijn eigen ‘alchemie’ waarvan de wetmatigheden door de goden geopenbaard waren. Dat gold voor de landbouwer in het oude Azië, voor de papiermaker in Egypte, voor de tempelschrijver in Assyrië, voor de steenhouwer, voor de timmerman, voor de wever en voor alle andere beroepen.

WE KUNNEN DE HIER BESCHREVEN theocratische kwaliteit van de samenleving nog volgen tot ver in de middeleeuwen. Alle kunst was religieuze kunst; alle wetenschap was in feite theocratie; alle beroepen hadden hun schutspatroon; de kerk was het middelpunt van de stad; het dagelijks leven kreeg zijn ritme door het klokgelui, het jaar door de religieuze feesten. In zogenaamde primitieve culturen en ook in Oost-Azië kan men tot op heden deze karakteristiek nog tegenkomen: de begroetingsceremonie, de theedrinkcultuur, de huisaltaartjes met de vele dagelijkse offerhandelingen, het korte gebed van de jager voor hij zijn prooi schiet, de dankfeesten na de oogst en dergelijke meer.
In feite zijn dat de laatste resten van een bewustzijnstoestand die voorbij is, van sociale structuren die verouderd zijn, van leefwijzen die niet meer bij ons passen. Met het ontwaken van de bewustzijnsziel zien we de cultuur haar geestelijke oriëntatie, haar spirituele inspiratie verliezen. Daarmee slaat op alle levensgebieden de secularisatie en de profanering toe. De relatie tot het sacrament verdwijnt. Het centrale woord uit de mis (‘hoe est corpus’) dat gesproken wordt wanneer het brood verwandeld wordt, wordt geridiculiseerd tot een toverspreuk: hocuspocus! De sacramentele alchemie wordt tot chemische laboratoriumtechniek. Wat vroeger nog agricultuur was (de woorden cultuur en cultus hebben dezelfde stam, alle cultuur was vroeger cultisch!) wordt bio-industrie. Wat vroeger nog een reiscultuur was -te voet of in een koets door het landschap, de natuur belevend en mensen ontmoetend — wordt tot massatoerisme met jets en zonnige stranden of geprogrammeerde-sight-seeing. Had het eten en drinken vroeger nog iets heiligs binnen de beslotenheid van de familie, de volledige secularisatie op dit gebied eindigt bij McDonald en Coca Cola. Ook het seksuele leven onttrekt zich niet aan dit proces: van tempelslaap tot seksshop en porno. En de begroetingscultuur van het oude mantrische evoë wordt tot Hoi en Doei.

Te midden van deze culturele erosie houden zich nog sommige tradities, rituelen en ceremoniën overeind als laatste herinnering aan een theocratisch verleden: inauguratieceremoniën, promotierituelen, christelijke jaarfeesten (die eigenlijk alleen nog maar vrije dagen en consumptiehoogtepunten zijn), verjaardagen (met een bloemetje en een cadeautje), onderhandelingsrituelen (vooral nog levend bij oosterse volkeren) en religieuze gebruiken bij geboorte, maaltijden, huwelijk en sterven. Maar ook deze zijn onderhevig aan slijtage en ontberen meer en meer hun innerlijke vulling en hun spirituele oriëntatie.

Ik heb dit proces van secularisatie en profanering niet geschreven uit een stemming van nostalgie, hoewel de barbarij waarin veel van de vroegere cultuur ontaard is, daartoe aanleiding kan geven. We moeten dit proces kunnen zien in het teken van de vrijwording, de emancipatie, het ontwaken van de eigen innerlijke spiritualiteit. Het oude moet door een doodsproces heengaan om in vrijheid door de mens heen nieuw geboren te kunnen worden. We staan voor de taak uit een nieuwe innerlijke inspiratiebron de samenleving weer tot cultuur te maken, de samenleving opnieuw te sacramentaliseren.[1]

Ik denk dat het daarbij om kleine stapjes gaat, om het creëren van kleine cultuurgebieden in de ruimte, in de tijd, in de eigen ziel, wetend dat daarbuiten de erosie nog volop aanwezig is.

Het gaat daarbij mijns inziens voornamelijk om drie dingen:

Aanwezig zijn in de situatie. Tegenwoordigheid van geest in de meest letterlijke zin. Eigenlijk gaat het hier tegelijk om de kwaliteit van onzelfzuchtigheid. Voor zover je zelfzuchtig bent, ben je niet in de situatie maar in jezelf. Dan wordt een cultische handeling onwaar.

Voorbereiding. Iets sacramenteels ontstaat niet zo maar. Daar moet je naar toe leven, daar moeten condities en vormen voor worden geschapen, innerlijk en uiterlijk.

Spirituele oriëntatie. Voor het eigen bewustzijn moet in het handelen een relatie bestaan tot een geestelijke werkelijkheid, tot iets wezenlijks in de letterlijke zin van het woord.

VANUIT DEZE DRIE ELEMENTEN kunnen we proberen een ‘christelijke infrastructuur’ te scheppen, om het in de woorden van Bernard Lievegoed te zeggen. Waar zouden we die kunnen vinden? Ik noem een paar voorbeelden.

Een aantal grote cultuurplaatsen vinden we in de antroposofische werkgebieden. Ik denk daarbij aan de heilpedagogische instituutscultuur, aan de onderwijscultuur in “De Vrije Scholen, aan het nieuwe sacramentalisme in de biologisch-dynamische landbouw en de antroposofische geneesmiddelenbereiding, aan de cultische kwaliteit van de euritmie en andere geestelijk georiënteerde kunstuitingen.

Bij het zoeken naar kleinere, minder geïnstitutionaliseerde plaatsen waar een nieuwe cultuur ontstaat, kunnen we denken aan:

Gezinscultuur. Dit begrip wordt in antroposofische kringen veel gebezigd. Het omvat een groot aantal deellandschappen zoals de cultuur van het koken, eten, slaapvoorbereiding, speelgoed en verjaardagen. Er is daar genoeg over geschreven en in gepraktiseerd. Ik volsta met het gebied te noemen.

Grens- of drempelcultuur. Met grens of drempel is hier niet bedoeld ‘Die Schwelle’ in esoterische zin, maar de grenzen in ruimte, tijd en soorten activiteit, bijvoorbeeld het betreden en verlaten van een ruimte. Ook het aanbellen en voeten vegen hoort daarbij! Of het nu om het betreden van de ruimte van de groepsavond is of het betreden van andermans woon- of werkruimte; je gaat over een drempel en aan gene zijde is het anders met betrekking tot wat je zegt, hoe je je gedraagt, hoe je je kleedt, enz. En dat vraagt een moment van extra bewustzijn. Dat wordt ons soms moeilijk gemaakt. In Hoog Catharijne in Utrecht weet je op een bepaald moment niet meer of je nog in het station bent, op de ‘openbare weg’ of ongemerkt al in een winkel. En overal gaan deuren automatisch open en dicht. De drempels vervagen en daarmee het bewustzijn voor de geleding van het sociale leven met betrekking tot de ruimte waarin het zich afspeelt. Als we opbellen beseffen we vaak te weinig dat we daarmee zonder kloppen andermans ruimte binnendringen. Hoe vaak beginnen we niet met onze boodschap zonder te vragen of het stoort? En hetzelfde geldt voor het verlaten van een ruimte: men kan zich daarbij een klein, al is het maar innerlijk ‘ceremonieel’ voorstellen, in de zin van: wat voor ruimte laat ik hoe voor wie achter?

Het openen en sluiten van een groepsavond, een vergadering, een gesprek. Ook. daarbij ga je over een drempel en betreed je een nieuwe sociale ruimte. Met welk bewustzijn doe je dat, welk ritueel verbind je ermee, hoe is dat voorbereid? (Ook uiterlijk, koffiekopjes van tafel voor je met het eigenlijke werk begint!)

De cultuur van festivals, congressen, conferenties en vergaderingen. Mensen komen voor korte of langere tijd bijeen. Hoe gaan ze daar met elkaar om, hoe luisteren ze naar elkaar, met welk ‘commitmenf of welke vrijblijvendheid nemen zij aan werkgroepen deel, hoe kunstzinnig is het dagritme, hoe is de aankleding van de ruimte en de materiële verzorging? Ik denk hierbij aan de poging van Miha Pogacnik om met het Idriart-initiatief een nieuwe festivalcultuur te introduceren; ik denk aan de zorgvuldige wijze waarop Rudolf Steiner het Pinkstercongres in München inrichtte en aan de vele pogingen van leden om jaarfeesten en conferenties en ook kortere bijeenkomsten tot spirituele gebeurtenissen te maken. Zou zo’n spirituele gebeurtenis het karakter kunnen hebben van ‘een omgekeerde cultus’?

Tot zover mijn voorbeelden. Ieder kan ze naar believen aanvullen, van water geven aan kamerplanten en het opslaan van een boek tot en met momenten dat men ineens het gevoel heeft dat het leven zelf één groot mysteriedrama is waarin men zelf als priester celebreert.

Ik wil nog op twee schaduwzijden wijzen. Elk ritueel, elke cultische handeling kan tot routine worden en daarmee wordt ze onwaar en onwerkzaam: een spreuk zeggen, een kaars aansteken, een minuut stilte, een krans leggen, alles moet steeds opnieuw gewild en bewust gedaan worden!

Het andere gevaar is het misbruik van het ritueel ten behoeve van manipulatie. In het Derde Rijk is met het ritueel van de vlaggen, de groet, de liederen, de parades en dergelijke een ware magie bedreven. Maar ook in het bedrijfsleven wordt het ritueel gebruikt om mensen te binden en ontzag voor de leiding af te dwingen: het rituele uitreiken van lintjes en decoraties, het vieren van jubilea, het protocol in de hogere kringen, de glans van bepaalde statussymbolen, het zijn even zovele karikaturen van wat in dit artikel bedoeld wordt.

IK KOM TENSLOTTE NOG EEN KEER TERUG op het citaat uit het begin: het sociale leven moet het karakter krijgen van een ‘offerwijdingshandeling’. Laten we dat woord nog eens precies bekijken en het in verband brengen met de eerder genoemde drie deugden.

Onzelfzuchtige interesse heeft de kwaliteit van aandacht, eerbied, toewijding, religieuze overgave. Empathie, medelijden, erkenning vraagt om een volledig uitschakelen van de eigen sympathie- en antipathiekrachten, om een offeren van de eigenheid om ruimte te maken voor de ander. Bij het handelen in het sociale gaat het altijd om het dienend handelen. Is met mijn handelen de ander gediend, is mijn handelen een antwoord op een vraag? Wat zijn de consequenties voor de ander? Daarbij worden de hoogste gewetenskrachten aangesproken. Het mantrische woord ‘offerwijdingshandeling’ blijkt een drieluik te zijn waardoor de drie eerder genoemde sociale kiemkrachten in de ziel in het blikveld verschijnen.

In de toespraak die Rudolf Steiner op 26 september 1920 (nog niet in een GA opgenomen) houdt bij het begin van de eerste ‘Anthroposophische Hochschulkurs’ in het Goetheanum spreekt hij over kunst, wetenschap en religie. In de loop van die toespraak ontstaat een nieuw perspectief, namelijk dat van kunst, wetenschap en een religieus-sociaal willen. Daarmee duidt hij aan dat het sociale leven in de toekomst steeds meer een religieus karakter moet krijgen. Reeds in 1918 in de voordracht ‘Was tut der Engel in unserem Astralleib?’ (9 oktober 1918; De werking van de engelen, uit GA 182) duidt Rudolf Steiner in deze richting wanneer hij zegt dat in de toekomst ‘iedere ontmoeting van mens tot mens een religieuze handeling, een sacrament [zal] zijn. En om het religieuze leven in stand te houden zal niemand een aparte kerk met instituties op het fysieke plan nodig hebben.’

In dit artikel heb ik getracht het landschap te verkennen dat opdoemt wanneer het sociale leven een religieuze kwaliteit krijgt. Ik denk dat het ceremoniële, het rituele, het cultische en het sacramentele gradaties van dit religieuze zijn. Er ligt nog een lange weg voor ons om hierin helderheid te krijgen, maar vooral om dit tot levenspraktijk om te vormen. De voorbeelden in dit artikel mogen zichtbaar hebben gemaakt dat op allerlei plaatsen deze weg reeds oefenend gegaan wordt.

[1] Het is mij tot nu toe niet gelukt om helder te krijgen wat precies het verschil is tussen  sacramenteel, cultisch, ritueel en ceremonieel. Wie helpt daarbij? In dit artikel gebruik ik de begrippen door elkaar,

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

2514-2357

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (84)

.

HET ABP EN HET AMBTENARENPENSIOEN
.

Ik herinner me nog vaag dat er in de jaren 1970 protest ontstond tegen het feit dat ambtenaren geen keus hadden bij het zelf regelen van hun pensioen.
Stevig in de wet verankerd ligt vast dat iedere ambtenaar = dus ook alle leerkrachten = VERPLICHT maandelijks hun bijdrage aan het fonds af moeten staan – dat hield de werkgever al meteen van je salaris in.
.

Tijdens mijn loopbaan bij het vrijeschoolonderwijs heb ik niet meegemaakt dat die regeling – bijv. belicht vanuit de driegeleding – ter discussie zou moeten staan. 
Zelf stond ik er ook niet zo bij stil. Het was toch geweldig dat je spaarde voor later!
Het heeft heel lang geduurd voor ik me eens afvroeg: waar gaat dat geld dan naartoe? Waar wordt het in belegd?
.

Af en toe was er wel protest, zoals dit in 2018, politiek geladen: ‘ABP. stop met investeren in Israëls kolonisering!’
En als je hier kijkt, is er meer.

Op dit ogenblik loopt er een actie dat het ABP oproept niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, maar in te zetten op verduurzamen van ons klimaat.
Voor de zorg om onze aarde.

Zo’n actie komt voor de vrijeschoolleraar wél veel dichterbij. Proberen wij in ons onderwijs, bijv. bij vakken als dier- plantkunde en mineralogie niet juist EERBIED te wekken voor onze aarde? Haar als een levend organisme te beschouwen dat geen egoïstische uitbuiting verdient, maar juist een zorgvuldig en verantwoord omgaan?

Vandaar mijn oproep om deze petitie te tekenen en er veel zwaarder op aan te dringen mede te kunnen bepalen waar je pensioenpremie – die tenslotte toch van jou is – heen gaat.

Toelichting door FOSSIELVRIJ NL

Terwijl pensioenfonds ABP zégt een groen pensioenfonds te zijn, stemt ABP tégen klimaatresoluties bij fossiele bedrijven. Dat blijkt uit onderzoek dat wij afgelopen week naar buiten brachten [1].

ABP laat dus na om invloed aan te wenden bij fossiele bedrijven, terwijl ze beloven dit wel te doen. ABP misleidt hun eigen deelnemers met groene woorden.

Het is belangrijk dat we ABP om uitleg vragen. We kunnen ABP hier niet mee laten wegkomen. Als genoeg mensen kritische vragen stellen, zal ABP écht klimaatbeleid moeten opstellen en uitvoeren: groene daden in plaats van slechts groene woorden.

Kom nu in actie! Stuur in één minuut een email naar ABP bestuursvoorzitter Corien Wortmann om uitleg te vragen over hun beleid. Kies bijvoorbeeld één van de 25 vragen die wij hebben klaargezet.

Hoe werkt het? Wij hebben 25 vragen klaargezet over ABP’s ‘engagementbeleid’. Kies één van de vragen en plak die in de mail. Wij hebben een voorbeeldmail voor je klaar gezet, maar hoe persoonlijker je de mail maakt, hoe beter.

Al jaren beweert ABP dat ze in fossiele bedrijven blijven beleggen, omdat ze op die manier meer invloed zouden kunnen uitoefenen op bedrijven als Shell, BP en Chevron. Op aandeelhoudersvergaderingen kan ABP stemmen op resoluties die zijn ingediend. Wat blijkt? ABP stemt tegen 79% van de resoluties waarin een fossiel bedrijf wordt opgeroepen om doelstellingen te stellen die in lijn zijn met het Parijs-Akkoord. ABP steunt slechts 45% van alle klimaatresoluties bij fossiele bedrijven.

ABP werkt hard aan een groen imago, en dit imago is belangrijk voor ABP. 59% van de ABP-deelnemers wil namelijk een duurzaam pensioen [2]. Maar investeren in fossiele bedrijven die enkel van plan zijn om meer kolen, olie en gas op te stoken, hoort hier niet bij.

Laat jij ABP’s bestuursvoorzitter weten wat je vindt van de resultaten uit dit nieuwe onderzoek? Laat nu je ongenoegen horen en stel een kritische vraag.

Samen kunnen we zorgen voor een écht groen, fossielvrij ABP!

Een strijdbare groet,

Hiske, Fossielvrij NL en 350.org

[1] Discussiestuk ‘Aanjager of Obstakel? Een analyse van ABP’s rol in de energietransitie’

[2] Verslag Duurzaam en verantwoord beleggen 2019, ABP

350.org en Fossielvrij NL bouwen een wereldwijde klimaatbeweging. Je kunt je bij ons aansluiten op Facebook, ons volgen op Twitter en Instagram, en een vaste donor worden om deze beweging te helpen groeien en sterk te maken.

Inmiddels – 2025 – is er bij het ABP een verandering in opvattingen ontstaan die gezien bovenstaande, positief mag worden genoemd.

Sociale driegeleding: verzekeren en beleggen als schijnzekerheden

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

.

2479-2326

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-4)

.

Zo langzamerhand bestaat elk terrein waarvoor Rudolf Steiner vernieuw(en)de ideeën heeft gegeven, wel zo’n 100 jaar.

Dat geldt ook voor de sociale driegeleding.

De vrijeschoolbeweging heeft deze driegeleding tot op heden niet in de armen gesloten. Het lijkt of ze niet beseft dat alleen een echte vrijeschoolpedagogie tot zijn recht kan komen wanneer er vrijheid van onderwijs- d.w.z. van inrichting – is.

Ook op economisch gebied bevatten Steiners ideeën nog zoveel kiemen voor een veel socialer leven dan we nu op onze planeet aantreffen.

Rudolf Steiner hield er verschillende voordrachten over die o.a. zijn weergegeven in de GA (GesamtAusgabe =verzameld werk) onder de nr. 340 en 341
Deze zijn uitgegeven onder de titel ‘Economie – de wereld als één economie.
De vertaler – Frans Wuijts – schreef ook een nawoord, waarvan hier een gedeelte volgt:
.

Objectief leren waarnemen en denken

ANDERS KIJKEN NAAR ECONOMIE

Vindt een onderneming in het economische leven bestaansrecht in het verdienen van geld of in het voorzien in behoeften van mensen in de samenleving? 

Een voorbeeld uit de achtste voordracht. Hierin bespreekt Steiner de begrippen Vraag’ en ‘aanbod’. Hij neemt ons mee naar de markt met kramen en producten en wijst ons op wat wij waarnemen. Wij zien op deze markt het aanbod en dat wat men vraag noemt. Maar dat klopt volgens hem niet. Deze begrippen zijn krakkemikkig en ondeugdelijk. “Er is een aanbod wanneer iemand waren op de markt brengt en deze voor een bepaalde prijs te koop aanbiedt,” zegt hij. “Ik beweer echter: nee, dat is geen aanbod, dat is een vraag. Wanneer iemand waren op de markt brengt en deze wil verkopen, dan is dat bij hem een vraag naar geld. (…) En wanneer ik vraag wil ontwikkelen, dan heb ik aanbod in geld nodig.”

Zowel de theorie als de praktijk van de doelstellingen, motieven en gedragingen van ondernemingen én consumenten zijn hier in het geding. De meeste ondernemingen formuleren doelstellingen zoals ‘het maximaliseren van de aandeelhouderswaarde’.

Dit is echter een motief dat haaks staat op de objectieve functie die een onderneming in het economische leven vervult: namelijk het voorzien in behoeften van mensen.

“Er is maar één geldige drijfveer in de economie,” zei een directeur van een grote onderneming, “en dat is het egoïsme. Kijk maar om je heen!” Zijn waarneming klopt als een bus. Het gericht zijn op het eigen belang kan men in de praktijk waarnemen als de belangrijkste drijfveer bij zowel de onderneming als de consument. Voor ondernemers gaat het meestal om een streven er zelf beter van te worden met behulp van – in moderne termen – het ‘verdienmodel’. En voor de consument geldt dat hij, in dezelfde geest, een zo laag mogelijke prijs najaagt.

Dienende functie

In het verlengde van Rudolf Steiner wijzen Rudolf Mees*, Lex Bos* en anderen op veranderingen in de economische denkwijze. We groeien toe naar een economie waarin vrijwel niemand meer voor zichzelf, maar in wezen louter voor ‘de ander’ werkzaam is. Zo voorzien landbouw, veeteelt en visserij in onze dagelijkse voedsel behoeften, openbaar vervoer in de mogelijkheid ons te verplaatsen, de industrie in behoeften aan goederen en de bouw in huisvestingsbehoeften. Alle voorzien op één of andere manier daadwerkelijk in behoeften van mensen. Objectief beschouwd zijn deze productieve activiteiten altruïstisch van karakter, ofwel ‘sociaal’ in de betekenis van ‘de behoefte van anderen tot uitgangspunt nemen van je handelen’. Objectief gezien, dus zonder morele connotaties als ‘egoïsme is slecht’ en ‘altruïsme is goed’. Organisaties in het economische leven vervullen in objectieve zin een ‘sociale’ of dienende functie. Men werkt voor de behoeften van de anderen, de consumenten/afnemers, ook al zeggen we (bijvoorbeeld als we een eigen bedrijf starten) dat ‘we voor onszelf beginnen’. De drijfveer, de beweegreden of het motief van waaruit of waarmee dit gebeurt, is vrijwel steeds tegendraads aan de objectieve externe functie, en is ‘anti-sociaal’, ‘egoïstisch’, ‘gericht op het eigen belang’. Echter, aan het horloge om onze pols hebben mensen uit de gehele wereld op de één of andere manier een bijdrage geleverd: tijdens het delven of bewerken van de grondstoffen, het transporteren ervan, het fabriceren, het leveren van de benodigde energie hiertoe, het financieren, verkopen etc. Dit geldt voor alle gebieden waarin mensen in deze tijd economisch actief zijn.

De tegengestelde bewegingen respectievelijk krachten van het (bewuste) handelen uit eigen belang en het objectieve (minder bewuste) altruïsme zijn op een bijzondere wijze in elkaar verstrengeld. Ze zijn beide doorgaans niet tegelijk actief helder bewust en daardoor ontstaan er spanningen, treden er fricties op en vinden verspillingen plaats. Want de aandeelhouders van een onderneming verlangen een hoog dividend en de deelgenoten van een coöperatie een zo hoog mogelijke nabetaling; medewerkers willen een aantrekkelijke beloning en toeleveranciers een aanvaardbare prijs. De ‘doelstellingen’ van de verschillende ‘stakeholders’ conflicteren, omdat elke belanghebbende vanuit hetzelfde anti-sociale, op eigenbelang gerichte motief denkt en handelt en instinctief niet anders wil, het zelfs de gewoonste zaak van de wereld vindt. Het gevolg is wel een gesjor aan de uiteinden van hetzelfde touw in tegenovergestelde richting. Of aan verschillende touwen met een knoop in het midden. Als er echt te hard getrokken wordt, dan zal het touw uiteindelijk ergens breken. Of nog erger…

Sociale hoofdwet

Welk motief zit er achter het economisch handelen tot duurzame behoeftebevrediging? Ik denk dat het geheim schuilt in het volgende principe: als iedereen zich richt op het eigen welzijn of gewin, dan overleven slechts de sterksten; als iedereen zich daarentegen richt op het welzijn van het geheel komt iedereen aan zijn trekken. In de door Steiner geformuleerde ‘sociale hoofdwet’ komt dit beginsel op een bijzondere wijze tot uitdrukking. Deze luidt: “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat, en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.”

Weliswaar is een gemeenschap van mensen erop aangewezen dat men voor elkaar zorgt, altruïstisch handelt, maar tegelijkertijd hebben de mensen de neiging zoveel mogelijk voor zichzelf in de wacht te slepen, egoïstisch te handelen. Deze egoïstische neiging doorkruist de werking van de sociale hoofdwet en moet in zijn effecten onschadelijk worden gemaakt, wil de sociale hoofdwet volledig tot gelding komen. Naar Steiners overtuiging moet egoïsme in het economisch leven zelfs ‘met wortel en tak’ worden uitgeroeid. Een beroep op de integriteit van de mensen is daartoe niet genoeg: de economie moet zó worden ingericht dat het onmogelijk wordt iets van de eigen inspanningen voor zichzelf op te eisen. Waar het dan op aankomt, is “dat het werken voor de medemens en het verwerven van een inkomen twee volledig van elkaar gescheiden zaken zijn”. Een dergelijke inrichting voorkomt dat mensen de sociale arbeid (arbeid die alleen door samenwerking met anderen mogelijk is) voor eigen gewin benutten, ten koste van de gemeenschap. De enige motivatie om voor de gemeenschap te werken is dan de wil om dat te doen.

De voordrachten van Steiner geven een aanzet tot een nieuw objectief waarnemen van en creatief denken over economie. Om zodoende met een nieuwe blik te kijken naar de economische processen, de aard van het geld (in de verschillende vormen van koopgeld, leengeld en schenkgeld), naar het vinden van de juiste prijs voor een product, naar de vraag of de waarde van de grond aan de economie zouden moeten worden onttrokken ter voorkoming van vergaande kapitaalstuwing in grond, naar de betekenis van arbeid voor de samenleving enzovoort. Deze nieuwe blik kan tot nieuwe oplossingsrichtingen voeren. ||

*er staan artikelen van deze auteurs op deze blog – zie ‘alle artikelen’

Uitgegeven bij Nearchus

,

Sociale driegeledingalle artikelen 

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

2443-2292

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/5)

.

Helaas ontbreekt nr.4 

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.
.

Lex Bos, Jonas 13, 25-02-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 5

.

In de eerste twee artikelen van deze serie is het arbeidsbestel onderzocht naar zijn drie bestanddelen: de capaciteiten van de mensen, het werk dat ze doen en de beloning die zij daarvoor ontvangen. Het blijkt dat het huidige arbeidsbestel gekarakteriseerd kan worden door een catastrofale hiërarchisering en vervlechting van deze elementen. In het derde artikel zijn de consequenties daarvan onderzocht voor de individuele mens en voor de samenleving. Deze gaan in de richting van een biografische negatie en een wegbereiding voor een totalitaire staat.
In het vierde artikel is gesproken over elementen van een ‘ontvlechtings-strategie’. Wanneer we in deze richting processen in gang willen zetten, komen vraagstukken aan de orde als een nieuwe, meer persoonlijke en doorzichtige relatie tussen producent en consument en een gezond maken van het schenkingswezen. Dit laatste heeft als voorwaarde de ontwikkeling van het bewustzijn dat de bron van alle ‘meerwaarde’ (van alle creativiteit) bij de natuur en de menselijke capaciteiten liggen. Deze worden ons geschonken. De consequenties hiervan gaan in de richting van nieuwe eigendomsvormen, nieuwe kapitaal-overdracht-procedures en nieuwe bank-achtige organen.

In het laatste artikel zal aangeduid worden in welke richting een organisatie-interne ontvlechting kan gaan. We komen daarmee weer terecht in het centrale thema van de arbeid.

Om de componenten van het arbeidsbestel te ontvlechten is onder andere nodig een innerlijk overwinnen van elk gevoel van eigendoms-aanspraak op hetgeen de natuur mij schenkt aan stoffelijke gaven en op hetgeen het totale culturele leven (inclusief dat van vorige generaties) mij schenkt aan capaciteiten (c.q. aan mogelijkheden die te ontwikkelen). Naarmate dit grondgevoel groeit, ontstaat er ook een basis voor concrete acties. Die kunnen te maken hebben met het zoeken naar, via het experimenteren met, tot en met het juridisch vastleggen van nieuwe eigendomsvormen, een nieuwe vorm komt b.v. tot uitdrukking in de scheiding van beheer en gebruik. Een stichting kan dan bijvoorbeeld een onroerend goed of een productiemiddel ‘bezitten’ (het woord past dan niet meer) zonder zich op enigerlei wijze eraan te kunnen verrijken of het ten eigen nutte te kunnen aanwenden. Zij kan het alleen onder bepaalde voorwaarden aan bijvoorbeeld een werk-maatschappij ten gebruike uitgeven.

1. Nieuwe kapitaal-overdrachtprocedures

Als binnen een organisatie in feite niemand meer recht heeft op de winst, hoe vinden dan de besluitvormingsprocessen plaats die de overschotten hun bestemming geven? Welk deel vloeit terecht terug als substantie in de eigen onderneming, welk deel wordt terecht als nabetaling aan de medewerkers uitgekeerd en welk deel wordt terecht als schenking naar het geestelijk-culturele leven overgemaakt?

En wat is bij dit alles de inhoud van het woordje ‘te-recht’? (l).Dat hangt ervan af in hoeverre het oude (Romeinse) eigendomsgevoel in feite al overwonnen is. De procedures en rechtsvormen die men vindt zullen altijd een spiegel zijn van hetgeen er feitelijk in de zielen van de betrokken mensen leeft.

2. Nieuwe bank-achtige organen

Het schenken van overschotten aan het geestelijk-culturele leven kan natuurlijk niet ‘zo maar in de ruimte’ gebeuren. Het vraagt om nieuwe organen die een goede oriëntatie hebben over de behoefte aan schenkingsgeld in (bepaalde sectoren van) het geestesleven en van daaruit een soort bemiddelingsfunctie op zich kunnen nemen in de sfeer van het schenkgeld. Ondernemingen die een deel van hun overschotten wegschenken, komen direct voor de vraag te staan, hoe zij hun kapitaalbehoefte dekken wanneer geen (of minder) zelffinanciering mogelijk is. Deze vraag wijst naar nieuwe condities waaronder leengeld (2) kan worden verstrekt. Ook daarvoor moeten nieuwe organen worden geschapen (3).

3. Arbeid en organisatie

Een derde gebied van waaruit de ontvlechting kan worden aangepakt, betreft de arbeidsorganisatie zelf. We kunnen hierbij meer in concerto aansluiten bij de ‘driepoot-analyse’ van dit artikel. We moeten volstaan met de opsomming van mogelijke maatregelen. Elk zou aanleiding kunnen zijn voor gedetailleerde concretisering met praktische voorbeelden (hoofdstukken uit een nog te schrijven boek dat zou kunnen heten ‘aspecten van een arbeidsbestel-therapie’ of ‘inleiding tot een ontvlechtings-agogiek’). De beperkte ruimte van dit artikel laat alleen aanduidingen toe. De suggesties hieronder zullen aan realiteitswaarde toenemen naarmate de processen in de twee eerder genoemde gebieden voortgang vinden.

Discriminaties opheffen

Een bedrijf dat grondig af wil rekenen met de interne standenstaat staat versteld tot in welke uithoeken deze is doorgedrongen. Van het onderscheid ‘wc’ en ‘heren’, via het soort ingang waardoor men binnenkomt, tot en met rangen en titels. Van de kleding via het eenzijdig tutoyeren tot en met de aankleding van de werkplek. Een aantal onderscheidingen is functioneel (wie voor zijn werk een groot bureau nodig heeft moet dat hebben, maar niet omdat het de
functiebekleder status moet verlenen), maar de meeste zijn relikwieën van een oude standenhiërarchie. Een arbeidsorganisatie die tot het inzicht is gekomen dat deze gesaneerd moet worden vindt een rijk jachtgebied en voor jaren werk.

Mensen en functies in beweging brengen

De moderne management-literatuur spreekt — uit overwegingen van arbeidsmotivatie en efficiency — over de noodzaak van taakroulatie, taakverdieping en taakverruiming, over de noodzaak van ‘ont-hiërarchisering’ van de bedrijfsstructuur en over de noodzaak van horizontaal organiseren (daarmee is bedoeld het inrichten van projectgroepen dwars door de functionele zuilen heen, dus bestaande uit mensen van verschillende disciplines en verschillende afdelingen). Al zulke maatregelen kunnen ook bijdragen aan een dynamiseren en daarmee ontvlechten van de arbeidsbestelcomponenten.

Bewustzijn voor capaciteit, arbeid en beloning

Het openbaar maken van alle lonen en salarissen, van onkostenvergoedingen, van secundaire en andere arbeidsvoorwaarden inclusief de motieven waarmee de verschillen worden gerechtvaardigd en voorts het bespreken daarvan in (qua inkomensniveau) gemengde groepen kan veel emoties in beweging brengen, maar ook bewustzijn wekken. Men zou daarbij ook in kunnen gaan — historisch en taalkundig — op de verschillen tussen loon, salaris, honorarium, en op de vraag of deze verschillende benamingen nog reëel zijn. Misschien zou men ten behoeve van het saneren van discriminaties alleen nog maar over inkomen moeten spreken.

In het kader van deze gesprekken ontdekt men wellicht ook dat het onderscheid, dat in de boekhouding gemaakt wordt tussen direct productieve en indirect productieve arbeid discriminerend én nietszeggend is en dus moet worden afgeschaft. En tenslotte wordt het dan misschien ook duidelijk dat men in de bedrijfscalculatie arbeid niet onder de onkosten kan opvoeren in dezelfde categorie als materiaal en energie.

Het zou zeer bewustzijn-vormend werken wanneer men in plaats daarvan in de calculatie duidelijk onderscheid zou maken tussen
– onkosten (materiaal, energie, verplichtingen in verband met rente en aflossingen, uitbesteed werk e.d.)
– inkomens voorschotten . kapitaalvorming

Over deze verschillende calculatiebestanddelen is het volgende te zeggen:

De onkosten
zijn het meest harde gedeelte in de calculatie. Wat de zogenaamde ‘loonkosten’ betreft: arbeid kan niet betaald worden zodat deze ook niet in de calculatie tegen een bepaalde prijs kan worden opgevoerd. Bovendien kunnen inkomens in feite pas worden betaald als ze verdiend zijn.
Er kan dus in de calculatie alleen sprake zijn van inkomensvoorschotten. Tenslotte is er een post kapitaalvorming (marge, nagestreefd overschot). Aan het einde van het boekjaar — als de concrete resultaten zichtbaar zijn — kan bepaald worden wat daarvan wordt weggeschonken, wat wordt uitgekeerd (dan pas heeft het inkomen zijn definitieve hoogte van dat jaar) en wat wordt geïnvesteerd in de eigen onderneming.

Eerder in dit hoofdstuk werd gewezen op de noodzaak om daarbij procedures te vinden die het particuliere en het bedrijfs-egoïsme binnen de perken houden (4).

Een ander hulpmiddel — hier en daar ook reeds gepraktiseerd — om de componenten te ontvlechten, — althans de noodzaak daartoe in het bewustzijn te roepen — is het voeren van drie soorten beoordelingsgesprekken (tussen chef en medewerkers) op verschillende tijdstippen in het jaar. Het eerste is bijvoorbeeld een ontwikkelingsgesprek: ‘hoe verloopt je ontwikkeling, hoe zie je die zelf, hoe zien wij die, wat zou je er bij willen leren, zoek je nieuwe uitdagingen, welke perspectieven heb je hier nog?’ Dit gesprek kan streven naar een biografisch-consultatief niveau. Een tweede gesprek is een werkgesprek. Het heeft een heel ander karakter: zakelijk, evaluerend ‘wat waren de taken waar je voor stond, welke verantwoordelijkheden had je, wat heb je daarvan terechtgebracht, welke factoren hebben de kwaliteit beïnvloed, wat kun je daar volgend jaar aan doen?’ Dit gesprek kan gevoerd worden in het morele perspectief van: ‘voor wie werk ik eigenlijk, van welke gemeenschapsmiddelen maak ik daarbij gebruik en hoe ga ik daarmee om?’ Het derde gesprek is het sociale gesprek waarin ook het inkomen aan de orde komt: ‘hoe is je plaats in de werkgemeenschap, wat voor soort collega ben je, voel je je gediscrimineerd, waar zitten onrechtvaardigheden in je positie, in je arbeidsvoorwaarden?’ Dit gesprek kan worden gevoerd in het perspectief van het behoefte-inkomen.

Daarmee zijn we — na lange omtrekkende bewegingen — bij de kernproblematiek aangekomen. ‘Wat komt mij toe in verhouding tot anderen?’ En dat begrip ‘anderen’ kan zich verwijden tot de mensheid waarvan meer dan een derde hongert. Vragen kunnen gesteld worden of de inkomenshoogte iets te maken heeft met opleiding, functie, anciënniteit.

Naarmate in de gesprekken hierover het bewustzijn toeneemt, kunnen voorzichtige pogingen worden gedaan bepaalde, voor het inkomen niet relevante zaken, uit de arbeidsvoorwaarden te elimineren. Er kunnen binnen afdelingen en daarna in groter verband gesprekken op gang worden gebracht over de vraag wat eigenlijk behoeften zijn, of die bij iedereen gelijk zijn, wat het verschil tussen behoefte en begeerte is, welke emotionele weerstanden er zijn (en waar die vandaan komen) tegen ontkoppeling van inkomen en prestatie en zo meer.

Het heeft geen zin het proces verder te beschrijven. Wie —in samenhang met al het voorgaande — deze weg inslaat (samen met anderen) beleeft duidelijk grenzen, maar wordt zich daaraan ook bewust hoe wezenlijk, en hoe toekomstgericht hij bezig is. En daarom kan het proces slechts tot hier beschreven worden.

4. Macro-sociale aspecten

Nadat we een drietal ingangen hebben beschreven die op meso-sociaal niveau (organisaties) mogelijk zijn (consumentenoriëntatie, schenkbewustzijn, arbeidsvormen) willen we volledigheidshalve tot slot nog op enkele aanzetten wijzen die vermoedelijk alleen macrosociaal mogelijk zijn.

– gegarandeerd minimumloon als een soort algemene volksverzekering. Wij spraken hier reeds over in verband met de uitlating van prof. Kuiper. Vermoedelijk zou een dergelijke inrichting verrassende gevolgen hebben op de sociale verzekering (eenvoudiger) .

Het soort werk
dat wordt aangeboden. Als de primaire werknoodzaak wegvalt, wordt zichtbaar welk soort werk in welk soort organisaties door mensen geambieerd wordt. Daar zullen de ‘werkgevers’ zich dan veel bewuster op moeten instellen.

Het bewustzijn
ten aanzien van vervelend, vuil werk dat ten behoeve van de gemeenschap gedaan moet worden en waar we niemand meer mee kunnen ‘inzepen’ (tenzij we de gastarbeiders als vierde stand onder onze welvaartsstaat blijven schuiven). Misschien wordt uit de opeenhoping van stadsvuil zichtbaar dat niemand meer vuilnisman wil zijn. We zouden dan allemaal — van ‘hoog tot laag’ — een paar uurtjes per jaar dit werk moeten doen…

-sociale verzekeringen
Het begrip ‘passend werk’ zou geheel moeten verdwijnen in het kader van de AAW en AWW. Ervan uitgaande dat de werkloze of de arbeidsongeschikte een uitkering (een inkomen) krijgt waardoor hij in principe de levensstandaard die hij gewend is, kan voortzetten, zou de helpende instantie samen met de persoon moeten kijken naar de vraag ‘hoe kunnen we dit sociaal-biografisch gegeven van jouw arbeidsongeschiktheid c.q. werkeloosheid als een kans gebruiken waaruit zowel voor jou als voor de samenleving een zinvolle nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt?’ Vanuit deze startvraag zouden in principe alle wegen in de richting van nieuwe opleidingen en ander werk mogelijk moeten zijn.

-belastingen 
Reeds eerder werd gesproken over de wijze waarop de fiscus onze
schenkingswil verlamt en met haar pompsysteem het geestelijk-culturele leven verarmt. Een omvorming van het fiscale systeem in een meer humane richting (5) zal vermoedelijk nog wel even duren.-

-examens
Een belangrijk deel van het cement waarmee de componenten van het arbeidsbestel aan elkaar zijn gekit, vormen de examens. Ze markeren de sporten van de opleidingshiërarchie, ze geven toegang tot bepaalde functies en ze geven recht op een bepaald inkomen. Hoewel het de allergrootste onzekerheden zou oproepen, zou het juist daarom zeer effectief zijn wanneer opleidingsinstituten de moed zouden hebben (en de praktische wegen daartoe vinden) om examens en cijferlijsten als selectiemiddel en ingangs- en uitgangscontrole af te schaffen en in plaats daarvan elke leerling/student een kwalitatieve beschrijving te geven (bij volwassenen mede door henzelf te schrijven) van het leerproces, van het soort ervaringen en van de biografische ontwikkeling die gedurende de opleidingstijd werden doorgemaakt. Een voorbeeld daarvan zijn de getuigschriften die in de vrijescholen aan het eind van ieder jaar en bij het verlaten van de school worden meegegeven.

Samenvatting en slot

We zijn deze artikelenserie begonnen met de stelling dat het arbeidsbestel ziek is. We hebben gewezen op problemen van gastarbeiderdom, werkeloosheid, vlucht in de ziekte en arbeidsongeschiktheid, afnemende werkmotivatie e.d. Werk wordt gezien als straf. Het neemt een groot deel van het leven in beslag en toch nemen de meeste mensen er innerlijk geen deel aan. Om iets te kunnen presteren moet je iets geleerd hebben. Een groot deel van het onderwijsbestel is gericht op het werkleven. De school wordt toeleverancier van capaciteiten. Daarmee wordt leren voor veel mensen tot iets dat net zo vervelend is als werken. Is er een uitweg?

Ja, zeggen de meesten: door het loon dat je krijgt kun je in je vrije tijd aan je eigenlijke leven beginnen. Hoe korter werken en hoe meer loon hoe meer in de vrije tijd het ware leven geleefd kan worden. Maar in hun vrije tijd en in hun wooncultuur worden diezelfde mensen object van vrijetijdindustrie, van geïndustrialiseerde tour-operators en van technocratische nieuwbouw-projectontwikkelaars. Wat zij aan de ene kant proberen te ontvluchten komt hen van de andere kant tegemoet.

Om de drie sferen van leren, leven en werken weer gezond te maken moeten we dieper graven naar de oorzaak. Daarvoor hebben we in deze artikelen onderzocht hoe de componenten van ons arbeidsbestel zich tot elkaar verhouden: capaciteit (leren), functie (werk) en loon (leven). We hebben gezien dat deze alle drie hiërarchisch geordend en heilloos verknoopt zijn. De vervlechting leidt tenslotte tot een ontkenning van de mens als geestelijk zich ontwikkelend wezen, en bereidt de weg voor een centralistische eenheidsstaat. Een gezond maken van ons arbeidsbestel vraagt om een radicale ontvlechting van capaciteit, loon en werk. Deze ontvlechting is een van de wegen waarlangs het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven de relatieve autonomie kunnen verkrijgen die nodig is voor een gezond maken van het maatschappelijk bestel in zijn geheel.

In de laatste twee artikelen werd getracht om een veelheid van wegen te tonen waarlangs met deze ontvlechting kon worden begonnen. Het is een taaie materie omdat ze zowel wettelijk als psychologisch sterk verankerd is. Toch krijgt men de indruk dat het arbeidsbestel zodanig aan het vastlopen is, dat er openingen komen voor wezenlijke vernieuwingen. Het is van belang dat we dan weten in welke richting deze vernieuwing kan gaan.

*(phaw) het artikel is uit 1977. Toen was er nog volop wilskracht binnen de vrijescholen om als alternatief voor de examendictatuur het vrijeschooleindgetuigschrift als een waardevol of zelfs beter alternatief opgang en ingang te doen vinden. Die ontwikkeling heeft zich niet doorgezet en is uiteindelijk ondergesneeuwd door de overheidseisen en – maatregelen, waartegen de vrijescholen als beweging niet krachtig genoeg waren, m.i. door gebrek aan wilskracht de idee van de driegeleding op het gebied van de geestelijke vrijheid vorm te geven.

1) zie het artikel van prof. Brüll inTerecht of onterecht?’**, Vrij Geestesleven Zeist, 1976
2) zie voor de begrippen koop-leen-schenkgeld het artikel van prof. Brüll in ‘Maatschappijstructuren in beweging’. Vrij Geestesleven Zeist, 1973
3) De Stichting Triodos en de Coöperatieve waar-borgvereniging Ferment, beide Hoofdstraat 20 te Driebergen, zijn vanaf 1968 bezig op dit gebied praktische vormen te ontwikkelen.***
4) De medewerkersgroep van het NPI / Instituut voor organisatieontwikkeling te Zeist+ probeert sinds enige jaren met deze materie praktisch ervaring op te doen.
5) zie het artikel van prof. Brüll over het belastingstelsel inTerecht of on-terecht?’. Vrij Geestesleven Zeist, 1976.

**2e hands per 19/12/20
***Triodos nu
+bestaat niet meer

 

.

Deel 1 van deze serie
Deel 2 van deze serie
Deel 3 van deze serie
Deel 4 ontbreekt

Sociale driegeledingalle artikelen

.

2417-2266

.

.

 

.


VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/3)

.

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 11, 28-01-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 3
.

.In het eerste artikel van deze serie is gesteld hoe ons arbeidsbestel gekarakteriseerd wordt door een heilloze verknoping van de drie belangrijkste bestanddelen: de capaciteit die men inbrengt, het werk dat men doet en de beloning die men daarvoor krijgt. Alle drie gebieden worden gekenmerkt door een sterke hiërarchische ordening: zowel het onderwijsbestel waarin capaciteiten ontwikkeld worden, als de organisaties waarin gewerkt wordt als de salarisschalen die de beloningshoogte regelt.

In het eerste artikel werd de verknoping van opleidingsniveau en functieniveau besproken. De psychologische en de organisatorische consequenties werden onderzocht: resp. hoogmoed en verstarring.
In het tweede artikel werd gekeken naar de vervlechting van wijkniveau en beloningsniveau. Arbeidskracht wordt verkocht op de arbeidsmarkt. De prijs ervoor is het loon. Loonkosten verschijnen naast machinekosten en energiekosten in de boeken. Ze zijn uitwisselbaar. De illusie ontstaat dat de ‘bedrijfsbenen’ aan de touwtjes van het ‘bedrijfshoofd’ zitten en het lagere dus door het hogere wordt gedirigeerd. Dit harlekijn-model is onwaar, roept maatschappelijk steeds meer verzet op, maar wordt door de verknoping van loon en arbeid in stand gehouden.
In het tweede artikel werd ook gekeken naar de vervlechting van opleidingsniveau en wijkniveau. We zien hoe mensen (avond)studies volgen alleen maar om daarvoor een hoger inkomen te claimen, ongeacht het werk dat zij doen. Ook leeftijd leidt tot plaatsing in een hogere salarisschaal.

In het volgende artikel zullen we dieper ingaan op de fundamentele menselijke en maatschappelijke consequenties van deze verknoping van capaciteit, werk en loon. Ook op de samenhang met de sociale driegeleding zal worden ingegaan.

De ‘loon-capaciteit’ knoop

Wanneer we de derde zijde van de driehoek in ogenschouw nemen moeten we ons ook hierbij weer realiseren dat we een kunstgreep voltrekken. In de werkelijkheid zijn de drie componenten steeds tezamen aanwezig. Ten einde dieper in de driepoot van ons arbeidsbestel binnen te dringen, bekijken we steeds een relatie tussen twee factoren. Bij de hier aan de orde zijnde relatie is de mens zelf weer in het geding. We praten over zijn capaciteit die hij door opleiding en ervaring verworven heeft c.q. denkt te hebben. De verknoping met het loon betekent nu dat iemand op grond van zijn opleiding en verworven kennis aanspraak maakt op een bepaald inkomen, ongeacht de functie en de prestaties in die functie.

Een academicus verwacht, ook al komt hij meestal met twee linkerhanden zijn eerste baan binnen, op een bepaald niveau ,‘ingeschaald’ te worden. ‘Je verkoopt je opleidingsniveau.’ Wie met veel moeite zich van het mavoniveau tot havo heeft opgewerkt, komt met een hoogwaardiger product op de arbeidsmarkt en verwacht een hogere prijs. Dit is de achtergrond van het feit dat veel opleidingen vercommercialiseren, doordat het
studiemotief minder te maken heeft met een interesse voor het vak maar meer met de rendabiliteit van de investering: wat kost zo’n opleiding, welke offers moet ik brengen en welke inkomenseisen staan er later tegenover, welke opbrengsten kan ik straks verwachten?
Deze verknoping heeft vergaande consequenties: het effent de weg voor mechanisatie en werkloosheid; het maakt mensen loon-gericht i.p.v. werk-gericht, waardoor men het doel (behoeftebevrediging van de consument) uit het oog verliest; het leidt tot verstarring, omdat elke verandering in de werksituatie weerstand oproept. En tenslotte leidt het feit dat de bedrijfshiërarchie eigenlijk een salarishiërarchie is tot een steeds sterker benadrukken van de macht van de hoogst betaalden.

Een andere uitwas van deze knoop is in sommige gevallen de avondstudie. Met veel moeite wordt nog een studie boekhouden volbracht, een examen handelscorrespondentie afgelegd, een Schoeversdiploma gehaald omdat men daarmee aanspraak maakt op een hogere salarisklasse. In de arbeidsvoorwaarden staat b.v. opgenomen dat wie over een SPD (staatspraktijkdiploma) beschikt op een bepaald niveau wordt ingeschaald.

Op een wat andere wijze komt deze verknoping tot uitdrukking in de automatische inkomensverhoging met het toenemen van de anciënniteit. Daarachter ligt de filosofie dat iemands capaciteiten toenemen — dat hij meer waard wordt voor de organisatie — naarmate hij langer in dat bedrijf is. De schalen geven precies aan hoe veel die waarde-toename is voor elk jaar dat men ouder wordt. Pikante bijzonderheid is dat de hiërarchische standenstaat ook hier om de hoek kijkt. Hoe hoger het inkomen, hoe langer de schaal doorloopt. Een bankwerker is met 23 jaar al aan z’n plafond, een research-ingenieur kan tot z’n vijftigste nog ‘periodieken’ claimen. En zo worden jaarlijks honderdduizenden beloond, omdat zij ook dit jaar niet het initiatief hebben genomen van baan te wisselen, en ondanks het feit dat zij ook dit jaar nauwelijks van hun ervaringen geleerd hebben…

Wanneer we het loonbegrip naar z’n immateriële kant bekijken komen we weer in de eerste knoop terecht (capaciteit-werk). Men verwacht zich in zijn werk te kunnen uitleven. Wat men geleerd heeft, wat men kan, wil men kwijt in z’n werk. Eigenlijk verwacht men ook dat dat werk de mogelijkheid biedt tot capaciteitstoename. Men wil zich in en door zijn werk ontwikkelen. Boven bepaalde materiële inkomensgrenzen speelt deze immateriële beloning (bevrediging in de positie, uitleven in het werk) een grote rol. Daarmee zijn we — zoals gezegd — weer bij de eerste knoop terug. Dat wijst op de verknoping van de drie knopen. We moeten nu de totaliteit weer beschouwen.

Ontvlechting gewenst

We hebben in de voorgaand hoofdstukken de relaties tussen de drie hoekpunten van ons arbeidsbestel geanalyseerd en getracht de daarachter liggende paradigma’s bloot te leggen. In hun combinatie en wisselwerking ontstaat het beeld van een hecht doortimmerd bouwwerk. Elke verandering in een van de drie poten, elke poging tot ontvlechting van een van de drie knopen wordt bij voorbaat door de andere twee onmogelijk gemaakt.

Alvorens op de vraag in te gaan hoe concrete ontvlechting mogelijk is, moeten we ons met de veel fundamentelere vraag bezighouden waarom die ontvlechting überhaupt nodig en gewenst is. Wat zijn dan wel de schadelijke gevolgen van deze vervlechting? Aan het begin van dit artikel hebben wij een aantal actuele maatschappelijke verschijnselen genoemd (werkloosheid, afnemende werkmotivatie, gastarbeiders, e.d.) dat een fundamentele herbezinning op ons arbeidsbestel op z’n minst rechtvaardigt.

We hebben in de titel van dit opstel van een heilige driepoot gesproken. Daarmee is verwezen naar een beeld uit de Griekse mythologie. In de Delphische mysteriën speelde het orakel een grote rol. Dicht bij deze mysterieplaats was een spleet in de aarde. Daaruit stegen dampen op. Wanneer nu iemand levensraad kwam vragen bij het orakel, zette de tempelpriesteres — de Pythia — zich op haar gouden driepoot boven de spleet. Haar bewustzijn verhief zich tot de sfeer waarin zij het antwoord op de vraag kon vinden. Dat kleedde zij dan in raadselachtige taal zodat de vraagsteller alleen door grote wakkerheid en innerlijke activiteit de zin van het antwoord kon gaan doorgronden. De vragen en de antwoorden van het orakel hadden bijna steeds betrekking op het menselijk lot en op de juiste ordening van maatschappelijke verhoudingen (bijvoorbeeld: wie moet er regeren?).

De Pythia gezeten op een driepoot, spreekt een orakel. Zij houdt in de ene hand een laurier en in de andere een schaal, waarschijnlijk met water uit een aan Apollo gewijde bron. Schaal uit de 5e eeuw v. C.

We hebben het beeld van de driepoot gebruikt omdat men — in het beeld blijvende de vraag kan stellen welke Pythia er momenteel op deze driepoot celebreert. Uit welke sfeer haalt zij haar antwoorden op de vragen die door het arbeidsbeleid gesteld worden met betrekking tot de maatschappelijke ordening en het persoonlijk lot.

Wat de maatschappelijke kant betreft: de drievoudige verknoping van opleidingsniveau, functieniveau en inkomensniveau is de ideale voedingsbodem voor een totalitair centralistisch regiem.

Laten we een recent voorbeeld noemen. Het is bekend dat de overheid reeds thans een stevige greep heeft op de organisatie van het volksgezondheidsbestel. Wanneer men vervolgt hoe zij deze greep tracht te verstevigen kan men het spel langs de drie zijden van de driehoek exact waarnemen. Een van de ingrepen is in de inkomenssfeer: via de ziekenfondspremies, de behandelingsvergoeding, de verplichte pensioenen en dergelijke tracht zij het inkomen van artsen en specialisten in de greep te krijgen. Het ideaal in de verte is de overheidsarts met een door diezelfde overheid vastgesteld ambtenarensalaris.

Een tweede aanval voltrekt zich via de functie. De overheid stelt beroepsnormen vast, maakt categorieën van specialisaties en heeft via het uitreiken van vestigingsvergunningen de mogelijkheid deze normen ook praktisch te hanteren.

Een derde invalshoek loopt via de diploma’s. We lezen in de NRC van 13 juli ’76: ‘met ingang van 1.1.77 zal de richtlijn van kracht worden waarbij de diploma’s van artsen uit EG-lidstaten wederzijds worden erkend…De specialisaties zijn in drie groepen verdeeld… Er is een comité-consultative ingesteld dat maatregelen beraamt om op den duur alle opleidingen op gelijk niveau te brengen en daarmee het gehalte van alle artsen in de EG…

Aantasting vrijheid

Het behoeft weinig fantasie dat een overheid door dit spel over drie banden (wettelijk vastgestelde opleidingsniveaus gekoppeld aan wettelijk vastgestelde functie-inhouden, gekoppeld aan wettelijk vastgestelde inkomens) een steeds steviger greep op dit deel van het maatschappelijk leven krijgt. Dat hiermee een fundamenteel stuk menselijke vrijheid wordt aangetast behoeft geen betoog.

De beperkte omvang van dit artikel laat niet toe om ook voor andere maatschappelijke sectoren (landbouw, industrie, dienstverlening en dergelijke) vergelijkbare tendensen aan te tonen. De lezer zal weinig moeite hebben ze zelf te vinden. Ze wijzen in dezelfde richting: overal waar de hier beschreven verknoping voortschrijdt, wordt de weg geëffend voor een heilloos overheids-centralisme. De Pythia die hier boven de driepoot zichtbaar wordt lijkt op de ‘invisible hand’ van Adam Smith die op geheimzinnige wijze alle individuele egoïsmen omvormt tot een algemeen welzijn (waarbij dan iedereen wel de laatste rest van individuele vrijheid moet hebben ingeleverd).

De Pythia heeft nog een ander gezicht. Ze versluiert de blik voor de menselijke biografie, ja maakt deze in zekere zin onmogelijk. Wat gebeurt er in een menselijke relatie wanneer deze als het ware afgekocht wordt met geld. Er heeft een ‘eerlijke’ ruil plaats gevonden: de een heeft zijn arbeidskracht geleverd, de ander een som gelds: ‘wat heb ik verder met jou te maken?’

Wat gebeurt er in een relatie tussen mensen die in feite voor elkaar werken (de een produceert wat de ander consumeert en omgekeerd) maar dat niet willen weten omdat ieder in de voorstelling leeft dat hij voor zijn loon, voor zichzelf werkt?

Identificatie

Wat gebeurt er in de biografie en in het zelfgevoel van mensen wanneer zij geïdentificeerd worden met het beroep dat ze uitoefenen en de opleiding die ze gehad hebben? Het zegt toch niets over mijn individualiteit dat mijn vooropleiding halverwege de mavo geëindigd is? Toch roepen de diplomacraten me steeds toe: ‘jij bent een gesjeesd mavo-baasje ’. Het zegt toch niets over mijn individualiteit dat ik bankwerkers-capaciteiten heb, maar de vakbond, en de fiscus en de sociale verzekering roepen mij luide toe ‘je bent een bankwerker’. Ik ga daar langzamerhand zelf in geloven. Als ik werkloos word, vind ik alleen bankwerkers-werk ‘passend’. En ik vind ’t heel normaal, als ik arbeidsongeschikt word en onder de AAW val, dat ik dan eerst door een arts word bekeken op rest-capaciteit als bankwerker, dan door een arbeidsdeskundige vanuit de vraag onder welke voorwaarden en met welke voorzieningen ik in welk bedrijf nog als bankwerker tewerk kan worden gesteld en vervolgens door een wetstechnicus die zich afvraagt wat de loonwaarde is van deze restcapaciteit en op welke aanvullende uitkering ik als bankwerker recht heb.

De paradigma’s achter deze sociale verzekeringswetgeving maken het bijvoorbeeld voor een team van geneeskundigen, arbeidskundigen en wetskundigen bijzonder moeilijk om iemand die voor zijn huidig beroep ongeschikt is geworden te benaderen vanuit de vraag ‘welke betekenis kan deze arbeidsongeschiktheid hebben voor deze mens, welke biografische opening wordt hier geboden, welke kans ligt er om later nieuwe ervaringen op te doen?’

Hiermee is de kern van de problematiek geraakt. Door de beschreven verknopingen worden de mensen niet alleen van elkaar vervreemd maar ook van zichzelf. Zij gaan geloven dat zij hun functie zijn. Zij zwemmen specialistische fuiken binnen waar zij niet meer uit kunnen en waarbij hun zelfgevoel steeds meer samengroeit met het specialisme dat zij uitoefenen. Zij lopen vast in een functionele structuur en krijgen hun lot niet meer in beweging omdat ze bang zijn geworden van mobiliteit.

Het is een smartelijke ervaring wanneer men merkt dat de voorstelling als zou arbeid tegen een prijs (het loon) verkocht kunnen worden het bewustzijn afdempt voor het feit dat de mens op aarde als unieke individualiteit een biografie leeft en dat de bronnen en doelen daarvan ver uitreiken boven het beperkte bereik van het arbeidsbestel waarin wij in dit leven een rol vervullen.

En hier zien we hoe de twee Pythia-gezichten in feite bijeen horen. Want een mens die gaat twijfelen aan zijn biografische uniekheid zakt af naar het niveau van het arbeids-respectievelijk het consumptietje. En voor een termietenstaat geldt maar één ordeningsprincipe: een centralistisch dirigerende overheid…

Onttroning

We zullen in het vervolg van dit artikel spreken over de onttroning van deze Pythia. Het doel daarvan is de ruimte te scheppen voor biografisch bewustzijn in het kader van een maatschappelijke structuur met een menselijk gelaat. We moeten ons daarbij wel realiseren dat ons deze verknoopte driepoot ook al uit het innerlijk van de mens tegemoet treedt. De paradigma’s zijn reeds in het onderbewustzijn verankerd.

Eliot Jaques — een psycho-analytisch psychiater en teven organisatie-adviseur – heeft een boek geschreven over billijke beloning (1). Hoofdstuk XII wijdt hij aan de zogenaamde work-payment-capacity nexus. Hij beschrijft een groot aantal gevallen waarin het capaciteitsniveau, het functieniveau en de beloningshoogte op verschillende wijze gerelateerd waren (ik werk beneden m’n niveau maar de betaling voor dat werk is correct c/p ; ik word voor m’n capaciteiten rechtvaardig betaald maar het werk is beneden niveau pc/w ; werk en capaciteit passen bij elkaar, maar eigenlijk krijg ik te veel geld p/cw etc).

Als psychiater hoorde Jaques hoe de mensen zulke situaties beleefden, welke schuldgevoelens, angstgevoelens, minderwaardigheidsgevoelens en dergelijke ze opriepen. Zijn conclusie was dat er in de door hem onderzochte mensen een verrassend overeenkomstig oordeel (innerlijke stem) was met betrekking tot de in dit artikel genoemde paradigma’s: een bepaald niveau van capaciteit moet zich in een overeenkomstige functie kunnen uitleven en dat geeft het recht op een daarbij horend inkomensniveau.

Drieledigheid

Het arbeidsbeleid is een onlosmakelijk deel van de samenleving. Hoe hangen de
componenten van dat arbeidsbestel samen met de maatschappelijke structuur? Anders geformuleerd: is er in de maatschappij structuur als geheel sprake van een ongezonde vervlechting van bestanddelen waarvan de verknopingen in het arbeidsbestel een afschaduwing zijn?

Dat is inderdaad het geval. In 1919 heeft Rudolf Steiner in schrift (2) en door actie geijverd voor een nieuwe maatschappelijke orde. Hij beschreef de Europese crisis als veroorzaakt door een heilloze verstrengeling van het geestelijk-culturele leven (kunst, wetenschap, religie, opvoeding, onderwijs, gezondheidszorg) van het economische leven (productie, handel, consumptie) en het sociaal-politieke leven (spelregels voor het samenleven van mensen en groepen).
Hij toonde aan dat de principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap (onderlinge hulpverlening) leidende beginselen zijn voor respectievelijk het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven, maar dat diezelfde principes in de andere bereiken chaotiserend en vernietigend werken. Een verdere vervlechting van deze maatschappelijke sub-systemen zou — zo was Steiners visie — alleen maar de bodem kunnen bieden aan staatscentralisme. Een dergelijke maatschappijvorm zou lijnrecht ingaan tegen de ontwikkeling van de mens in de richting van vrijwording, emancipatie, sociale verantwoordelijkheid en dergelijke.

Zijn therapie ging in de richting van een sociale driegeleding: een gelijkwaardig naast elkaar plaatsen van een relatief autonoom geestesleven, politiek leven en economisch leven en een vervlechting daarvan, niet bureaucratisch-institutioneel, maar doordat concrete mensen (op den duur alle) bewust verantwoordelijkheden op zich nemen voor het vormgeven aan de subsystemen en aan hun samenspel (als student, als docent, als patiënt, als burger, als producent — ondernemer en arbeider —, als consument, enzovoort).

In het kader van dit artikel kunnen we deze gedachten niet verder uitwerken. Voor details zij naar actuele publicaties verwezen (3).
Goethe heeft in zijn sprookje van de groene slang en de schone lelie dichterlijk-beeldend op deze problematiek gewezen. Hij beschrijft een rijk dat beheerst wordt door een gemengde koning, bestaande uit een legering van goud, zilver en brons. De tijd van deze koning is voorbij en er breekt een tijd aan waarin drie koningen — een gouden, een zilveren en een bronzen — tezamen zullen heersen.

Is onze blik eenmaal gericht op de problematiek van de gemengde koning dan gaan we deze overal herkennen. Dit opstel tracht de gemengde koning in het arbeidsbestel ‘aan de kaak te stellen’ en te laten zien dat zijn tijd afgelopen is.

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de gemengde arbeidsbestelskoning van dezelfde familie is als degeen die wij hiervoor beschreven. Achter capaciteit en opleidingsniveau verrijst het geestelijk-culturele leven. Alles wat wij aan capaciteiten in de sociale ruimte binnen dragen ten behoeve van het arbeidsproces is resultaat van de wisselwerking tussen een individu en het hem corrigerende geestesleven (opvoeding, overdracht van waarden en normen etc.). Achter werk en functieniveau verschijnt het economische leven. In onderlinge arbeidsverdeling werkt de een voor de behoeftebevrediging van de ander. Door de arbeidsverdeling ontstaan gespecialiseerde organisaties en daarbinnen gespecialiseerde functies. Die zijn het kader waarbinnen de mens zijn capaciteiten ter beschikking stelt.

En achter het loon en het inkomensniveau verschijnt het rechtsleven. De centrale vraag wat een rechtvaardig loon is, vindt haar uitgangspunt in het rechtsgevoel van de betrokkenen. Wetenschappelijk (vanuit het geestesleven) vaststellen wat een rechtvaardig loon is, is even absurd als te denken dat — zoals Adam Smith dat deed — uit het marktmechanisme van vraag en aanbod een rechtvaardig loon resulteert.

Sociale hoofdwet

Wanneer we de gemengde koning in het arbeidsbestel aanpakken, zitten we tevens in het hart van zijn ‘grote broer’. In 1905 publiceert Steiner voor ’t eerst iets op het gebied van sociale vraagstukken (4). Hoewel in die opstellen nog geen sprake is van sociale driegeleding zijn alle kiemen ervan reeds aanwezig. Het is van belang te weten dat hij in deze eerste publicaties de zogenaamde sociale hoofdwet publiceert. Deze wet staat in duidelijke oppositie met Adam Smith die van mening is dat de som van alle egoismen vanzelf (via de ‘invisible hand’) tot een algemeen welzijn leidt.

De sociale hoofdwet luidt: het welzijn van een totaliteit van samenwerkende mensen is des te groter, hoe minder de enkeling de opbrengsten van zijn prestaties voor zichzelf opeist, dat wil zeggen, hoe meer hij van deze resultaten wegschenkt aan zijn collega-werkers en hoe meer zijn behoeften niet uit zijn eigen prestaties maar uit die van de anderen worden bevredigd.’

Deze hoofdwet wijst in feite reeds op de ontvlechting van de drie componenten van het arbeidsbestel. Er is sprake van capaciteit (grondslag voor prestaties) die ter beschikking worden gesteld (niet verkocht) omdat andere mensen daardoor bevrediging van hun behoeften kunnen ervaren. Het werk ontleent zijn zin en motivatie aan de behoeftige medemens, niet aan het feit dat men daardoor in eigen levensonderhoud voorziet of dat men er zijn capaciteiten in kan uitleven. Over loon wordt in deze wet schijnbaar niet gesproken. In feite is dit gebied als het ware uitgespaard. Als men zijn capaciteiten niet verkoopt, en de resultaten van zijn werk niet voor zichzelf opeist, blijft als enige mogelijkheid met betrekking tot het inkomen een overleg in de rechtssfeer over de relatieve inkomenshoogte.

Inrichtingen

Van belang is nog op te merken dat Steiner geen morele eisen stelt, maar dat hij in het vervolg van zijn artikel uiteenzet dat de mens uit inzicht in zijn eigen a-sociale gedragingen en inkomens-egoïsme en uit inzicht in het desastreuse effect van deze a-sociale gedragingen voor de gemeenschap, inrichtingen schept die het onmogelijk maken dat mensen hun arbeidskracht verkopen en de resultaten van hun werk voor zichzelf opeisen.

In het laatste gedeelte van dit opstel zullen we enkele van zulke inrichtingen beschrijven en hoe er in het klein mee geoefend kan worden. In feite is daarmee een aanzet gegeven voor een strategie ter ontvlechting van de componenten van ons arbeidsbestel.

(1) E.Jaques: Equitable Payment, Heineman London 1961
(2) R.Steiner: Die Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23 Rudolf Steiner Verlag Dornach
Vertaald
(3) Bos, Brüll, Henny: Maatschappijstructuren in beweging, deel 1, 2, 3; Uitgeverij Vrij Geestesleven Zeist 1973, ’74, ’76.
(4) R.Steiner: Anthroposophie und soziale Frage, GA 34  3 Aufsatze 1905, Rudolf Steiner Verlag Dornach.
Niet vertaald

Deel 1 van deze serie
Deel 2 
van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5
van deze serie

Sociale driegeledingalle artikelen

.

2411-2261

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-8/2)

De artikelenreeks is van jaren geleden. Er is veel veranderd, maar waar het om gaat, toch ook weer niet zoveel. Het meer inhoudelijke staat nog altijd. Uiteraard zijn uiterlijke zaken, namen e.d. voorbeelden, wél uit die tijd, maar evenzo goed weer in te vullen met wat we nu hebben.

In een serie van vijf artikelen gaat onze medewerker Lex Bos in op de structuren van en de ontwikkelingen in ons (maatschappelijk) arbeidsbestel. Aan het begin van elk artikel wordt een korte samenvatting van het vorige toegevoegd.

Lex Bos, Jonas 10, 14-01-1977
.

DE HEILIGE DRIEPOOT VAN ONS ARBEIDSBESTEL 2

In het vorige artikel werd het arbeidsbestel gekarakteriseerd door een sterke verknoping van het
opleidingsniveau, het werkniveau en het betalingsniveau. Bepaalde in het onderwijs verworven capaciteiten behoren bij bepaalde functies en deze geven recht op een bepaald inkomen. In het eerste artikel van deze serie werd het zoeklicht gezet op de relatie tussen capaciteit en werk. Zowel het onderwijsbestel als het werk (in het kader van organisaties) is hiërarchisch geordend. Gewezen werd op de psychologische en de maatschappelijke consequenties van deze hiërarchische verknoping. Psychologisch leidt deze tot discriminatie en gevoelens van meer en minder waardigheid, maatschappelijk en organisatorisch leidt deze tot verstarring en fixaties.

In dit tweede artikel zullen we de vervlechting van werk en loon bekijken, alsmede die van loon en capaciteit.

In het voorgaande is geprobeerd de beloningscomponent buiten beschouwing te laten. Hier en daar verscheen hij reeds. En wie het eerste artikel in deze serie er nog eens op na leest, voelt in vrijwel iedere zin hoe de ‘Dritte im Bunde’ (de derde in het gezelschap) mee-aanwezig is. Door deze component wordt de verknoping nog veel hechter.

Prof. Kuiper van de V.U. heeft onlangs de suggestie los gelaten om iedereen, bijv. vanaf 18 jaar recht op een minimum inkomen te geven of hij werkt of niet. Zijn argument was dat nu reeds ca 1/5 van de beroepsbevolking om een of andere reden niet werkt en toch een inkomen (uitkering) heeft, terwijl ons rechtsgevoel zich daar niet tegen verzet. Wel nu, suggereerde Kuiper, waarom die zaak niet veralgemenen? De storm van verontwaardiging die hij hiermee heeft opgeroepen bewees hoe diep in ons gevoel arbeid en loon verknoopt zijn. ‘Alleen wie door de poort van de arbeid schrijdt heeft recht op de inkomens-wei daarachter te grazen’, zegt de een, en: ‘Wie in staat is tot werken en het niet doet is een parasiet, een klaploper’, vindt de ander. Een diep verworteld paradigma is de opvatting dat arbeid koopwaar is. Loon is de prijs van de koopwaar arbeid. Hoe schaarser het goed, hoe hoger de prijs. Op de arbeidsmarkt wordt de prijs van de arbeid volgens de wetten van vraag en aanbod bepaald. En ook als politieke factoren het economisch prijsmechanisme doorbreken is het paradigma niet minder van kracht. Dan staan vakbonden tegenover georganiseerde werkgevers. Proberen de laatsten het rendement van het geïnvesteerd kapitaal op een redelijk peil te houden, zo streven de eersten naar zo voordelig mogelijke condities waaronder arbeid wordt aangeboden. Door de koppeling met het loon wordt de hiërarchie van capaciteit en werk nog aanzienlijk versterkt. Een loonbedrag is exact en kwantitatief . Het werk wordt geclassificeerd en de punten van de schaal corresponderen met salarisbedragen. Zo ontstaat een heel systeem van op elkaar aansluitende salarisschalen. Dat geeft de hiërarchische standenstaat een veilige verankering in de emotioneel geladen inkomenssfeer.

Ook bedrijfseconomisch is het paradigma achterhaalbaar: loonkosten verschijnen als onkosten in de bedrijfscalculatie. Wanneer bepaalde producten gemaakt of bepaalde diensten geleverd moeten worden, wordt geschat c.q. berekend hoeveel materiaal daarvoor nodig is, hoeveel machine-uren, hoeveel energie etc. en tenslotte ook hoeveel boekhouders-uren, bankwerkers-uren, toezichthouders-uren.

De prijs van de uren is bekend, soms kan er nog over onderhandeld worden. Zo komt de onkostenpost loon tot stand. Daar worden de sociale ‘lasten’ (sic!) nog bijgeteld. De ondernemer kan nu gaan rekenen of het goedkoper is het werk uit te besteden of te mechaniseren i.p.v. er dure arbeidskrachten voor aan te nemen. Doordat arbeidsonkosten en machine-onkosten als vergelijkbaar in de boekhouding verschijnen, doordat machinekracht (c.q. machine-intelligentie) en arbeidskracht (c.q. mensen-intelligentie) als uitwisselbaar beschouwd worden, heeft de mechanisatie gemakkelijk spel. Bedrijfseconomisch is er geen speld tussen te krijgen, dat het voordelig, ja noodzakelijk is, bepaalde arbeid door machines te vervangen.

Macro-economisch leidt dit tot de merkwaardige paradox dat steeds meer mensen uit het arbeidsproces worden uitgeschakeld, omdat machines het goedkoper lijken te kunnen doen, terwijl steeds meer werk van b.v. verzorgende, verplegende, dienstverlenende, educatieve en helpende aard ongedaan blijft omdat het, bij het huidige loonniveau onbetaalbaar wordt. Aan de ene kant een groeiend leger werklozen, aan de andere kant een groeiend reservoir van onverrichte arbeid. En ondertussen kreunen de werkgevers onder de enorme sociale lasten die de loonkosten opdrijven. Ze moeten verder mechaniseren en mensen ontslaan. De lonen zijn te hoog. En die loonkosten zijn (o.a.) zo hoog omdat de toenemende bedragen voor werkloosheidsuitkeringen de sociale lasten zo opdrijven. Een van die benauwende duivelskringen waar onze tijd zo rijk aan is.

In het bovenstaande is gewezen op de maatschappelijke consequentie van de verknoping ‘werk – loon’. We willen nu nog wijzen op meer intern-organisatorische en psychologische consequenties. Wanneer mensen arbeid verrichten in het kader van functies die in geld worden uitgedrukt (‘This is a $ 20.000.-job’) is te verwachten dat zij zich steeds meer
loon-gericht in plaats van werk-gericht zullen opstellen. Dit is inderdaad een algemeen verbreid verschijnsel. Er is bij veel werknemers een opvallende onverschilligheid t.a.v. de consument waarvoor men werkt en het product dat men maakt.

Dit leidt tot voor een levende bewegelijke organisatie uiterst verstorende verschijnselen. O.a. is er het ‘opblazen’ (belangrijk maken) van functies door het inlijven (feitelijk of alleen maar op papier) van allerlei activiteiten die de functie in waarde (en dus in prijs) doen toenemen. In taakomschrijvingen verschijnen dan kreten als ‘coördinatie van werkzaamheden met afdeling x en y, overleg over prioriteiten met stafgroep z etc.’. Dat verhoogt de ‘communicatieve zwaarte’ van de functie en dat kan via de puntenclassificatie en de loonschalen net een paar tientjes in de week schelen.

Natuurlijk zijn er door het bedrijf aangestelde professionele functie-classificeerders die zulke zeepbellen weer doorprikken (en door de vakbond aangestelde
controle classificeerders die ze weer volblazen!). Maar het ‘spel’ is vaak onaangenaam en leidt tot harde uiteenzettingen in bedrijfscommissies en ondernemingsraden.

Het complement van dit verschijnsel is de chef die aan een medewerker vraagt of hij een leerling wil coachen, of hij bepaalde control werkzaamden zelf wil verrichten, of hij 1 dag in de week in de buitendienst wil meelopen etc. etc. en die van deze medewerker te horen krijgt dat hij daarvoor niet gehuurd is. In zijn arbeidscontract is van dergelijke werkzaamheden geen sprake. Of hij zegt dat deze functieverandering in feite een functieverzwaring betekent en dat derhalve eerst her-classificatie nodig is.

Een extreme vorm van dit verschijnsel, waarbij het geld tussen de baas en zijn mensen staat en een soepele samenwerking onmogelijk maakt, is het stukwerksysteem. De prestatie wordt gemeten en er wordt een norm gesteld. Zoveel stuks per uur levert het basisloon op. Elke tien stuks extra betekent zoveel gulden premie. In feite heeft de arbeider hiermee een vrijheidsruimte gekregen waarmee hij zich volledig kan afschermen tegen de leiding.

Ik heb regelmatig meegemaakt hoe extra werkzaamheden, methode-veranderingen, wijzigingen in productievolgorde e.d. op de grootste weerstanden stuitten, zodat ze voor de arbeider een inkomensderving betekenden. Ook maakte ik mee hoe een groep arbeiders om 3 uur het werk beëindigde. De baas sprak zijn verontwaardiging uit, want er was nog een grote achterstand in de productie. De arbeiders zeiden: ‘Wij hebben voor vandaag genoeg verdiend. Dat wij nu niet werken betekent voor ons een zelf gekozen inkomensderving. Dat is ons probleem en niet het jouwe’.

Zo wordt de werkmotivatie steeds meer loongericht en schuift de geldcomponent steeds meer tussen de mensen die het werk verrichten.

De ‘Equal-pay’-filosofie versterkt deze tendens nog. Deze filosofie betoogt dat het volstrekt onbelangrijk is, wie met welke opleiding onder welke omstandigheden het werk verricht. De functie wordt betaald. Of een man of een vrouw, een jeugdige of een oudere, een leerling of een geroutineerde er instapt is niet relevant…’

Tenslotte nog een laatste consequentie van de ‘werk-loon-knoop’ die we hier bespreken. Door de directe koppeling van een functie aan een loonbedrag is het vanzelfsprekend dat iemand die een functie van f 40.000.- bemant meer waard is, dus hoger staat in de hiërarchie dan iemand die f 20.000.- verdient. De bedrijfs-hiërarchie is in feite een salaris-hiërarchie. Hoe hoger, hoe machtiger, hoe meer inkomen. Deze hiërarchie wordt nog extra doortimmerd met rangen en titels (commies, referendaris, procuratiehouder, directeur, hoofd-directeur). Hoewel in alle bedrijven een dagelijkse strijd wordt gevoerd tegen titel-inflatie en rang-erosie, wordt het middel nog steeds gebruikt om het oeroude beeld van de piramide overeind te houden. Wat betekent dit voor de arbeidende mens? Het beeld van de piramide roept de voorstelling op dat het hoofd (de top, de machtigen, de ‘hoge salarissen’) dirigeert en dat de handen en voeten (de werkers, de uurloners) alleen uitvoeren. In veel organisaties gaan de mensen zich ook steeds meer gedragen naar deze voorstelling. Handen en voeten doen niets meer uit eigen initiatief. Zij wachten op directieven van het hoofd. Het hoofd groeit daardoor uit tot een waterhoofd. (Groeiende stafafdelingen op het hoofdkantoor, de ‘over-head’-kosten groeien de directie boven het hoofd etc.) en is steeds onmachtiger het geheel te leiden.

Steiner* heeft erover gesproken dat een dergelijk verziekt arbeidsbestel zo lang zal blijven bestaan als men het onderscheid maakt tussen sensibele en motorische zenuwen. In de klassieke neurologie wordt onderscheid gemaakt tussen zogenaamde sensibele zenuwen die de zintuigindrukken naar de hersenen leiden en de motorische zenuwen die de opdrachten van de hersenen naar de spieren zouden sturen. Een soort harlekijn-model waarbij de
ledematenspieren via zenuwtouwtjes door het hoofd gedirigeerd worden. Steiner heeft beschreven (en de ‘officiële’ neurologie begint na meer dan een halve eeuw schoorvoetend te volgen) dat de zogenaamde motorische zenuwen in feite ook sensibel zijn. Het enige verschil met de sensibele zenuwen is, dat zij niet de buitenwereld via oog, oor, neus, smaak etc. waarnemen, maar de eigen binnenwereld, met name de beweging van de ledematen, de spanning van de spieren, de stofwisselingsprocessen die daarmee samenhangen, het
lichaamsevenwicht e.d.

In feite komt het bewegingsorganisme van de mens tot activiteit als resultaat van een directe wisselwerking tussen het menselijke Ik en de omgeving. Via de motorische zenuwen wordt deze beweging waargenomen en tot bewustzijn gebracht. Het harlekijn model leeft nog zo sterk in de voorstellingswereld van de mensen (als gepopulariseerde medische natuurwetenschap) dat het onbewust ook aan onze organisaties ten grondslag wordt gelegd. En de verknoping van loon en werk kan deze onrealistische voorstelling m.b.t. het functioneren van sociale organismen alleen maar continueren, ja, tot een soort schijn-realiteit maken…Het gaat er dan inderdaad naar uitzien dat de hoger betaalden aan de ledematentouwtjes van de lager betaalden trekken. En wie hanteert de touwtjes van de hoogst betaalden?

*Dr. R. Steiner, Algemene menskunde

Deel 1 van deze serie
Deel 3 van deze serie
Deel 4 ontbreekt
Deel 5 van deze serie


Sociale driegeledingalle artikelen

2403-2253

.

.

.

.