Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (7)

.

PALMPASEN EN PASEN VOOR DE KLEUTERS

In vroegere tijden beleefden de mensen de verandering in de natuur mee. Nu is het meer zo, dat wanneer de paaseieren (veel te vroeg) in de winkel verschijnen, men aan Pasen herinnerd wordt.
Zoals je ziet dat in de herfst alles afsterft, merk je omstreeks deze tijd het ontwaken van de natuur op. De sneeuwklokjes en krokussen zijn er al, iedere plant die je bekijkt begint uit te botten. De natuur ontwaakt, de lentezon laat zijn stralen schijnen. De zon komt steeds hoger te staan. De eieren die in deze tijd zofn belangrijke rol spelen, verbergen een prachtig symbool in zich. Het ei breekt na 21 dagen bebroed te zijn open en we zien een prachtig geel kuikentje voor ons, het wonder van het nieuwe leven.

Tegenover de lichtfeesten in de winter staan de feesten van het nieuwe leven of vruchtbaarheid in de lente.
Vogels maken ook hun nestjes en hiervan zien en horen we over enige tijd ook de jongen.
Aan onze palmpaasstokken beleven we ook het nieuwe leven. De meestal door de kinderen zelf gezochte stokken worden versierd met bovenop de broodhaan – de haan die in het vroege ochtendgloren aankondigt dat er weer een nieuwe dag geboren is. Vervolgens wordt de stok versierd met een gouden cirkel, het zonnerad – de zon immers zorgt voor het ontwaken van de natuur en is eeuwig. Aan de stok bevestigen we ook wat buxusgroen of ander groen van een plant die nooit verdort. We ver­sieren de palmpaasstok ook met vruchten (abrikozen, appel, rozijnen). Het zaad van vruchten immers zorgt ook weer voor nieuw leven. Mooie uitgeblazen beschilderde eieren versieren ook de palmpaasstok van de kinderen.

Op de zaterdag voor Palmpasen gaan onze kinderen met hun eigen stok buiten een wandeling maken en bewonderen alle mooie versierde stokken en zingen daarbij de liedjes die ze geleerd hebben. In deze tijd zaaien we met de kinderen meegenomen zaad in potjes. Ze kunnen nu ook van dichtbij waarnemen hoe vanuit een zaadje een groen sprietje en vervolgens plantjes ontstaan.
Onze kleuters laten we de opstanding vanuit de natuur beleven, dit is ook waar de kleuter het dichtste bij staat, het is een religieus beleven voor onze kleuters.

Het paasfeest in de peuterklas vieren we met het verstoppen van hard gekookte beschilderde eieren en er is één gouden ei bij, wat een hele belevenis is voor diegene die het gouden ei vindt.
We zingen liedjes, doen spelletjes en gaan aan onze paastafel gezellig met elkaar wat lekkers eten en drinken.

We besluiten met een mooi paasverhaal en wensen elkaar heel prettige paasdagen toe.

Thea Verbeek. Nadere gegevens ontbreken.

.

In de kleuterklas

“Ach wat was het donker in de buik  van de wolf”

Aldus Roodkapje. In de paastijd worden bepaalde sprookjes in de kleuterklassen verteld waarin het opstandingsmotief voorkomt. Het christelijk paasfeest is een feest van dood en opstanding, duisternis en licht. Ook in de natuur komen de zaadjes uit hun winterhuisje. Eén week voor Pasen vieren we Palmpasen. Ter her­innering aan de intocht in Jeruzalem maken we met de kinderen palmpasenstokken. In de duinen zoeken we afgewaaide takken. In de klas worden ze tot een kruis opgebonden en met kleurige slingers versierd. De hoepel rond het kruis symboliseert de zon. Vaak worden er ook nog rozijnenslingers aan de stok gehangen. Wanneer er tot slot na lang kneden, rijzen en vormen van het deeg, de zelfgemaakte hanen op de stok worden geprikt, kan de optocht beginnen.
De haan boven­op het kruis roept de natuur wakker en de kinderen zingen:

Pallem-pallem-pasen,
Heikoerei
Over enen zondag krijgen wij een ei
Eén ei is geen ei
Twee ei is een half ei
Drie ei is een paasei.

Drie symbolen die steeds weer in de verschillende paasvieringen een rol spelen zijn: het ei, de haas en het lam.

Het ei kan men zien als de kiem van nieuw leven. Daarom werden eieren onder de aarde verborgen om zo nieuwe levenskrachten te schenken. Nu mogen de kinderen nog altijd op paasmorgen versierde eieren gaan zoeken.

Een oerbeeld over het ei:
“Er was er eens een groot ei, de ene schaalhelft werd aarde, de andere de hemel, het wit de maan en het geel de zon”.

De Grieken offerden eieren op de Dionysosfeesten. De Chinezen vieren 105 dagen na het begin van de winter hun koudvleesfeesten ter ere van de her­leving van de natuur. Men voedde zich met koude rijst, koud vlees  en eieren. (Dit gebeurde ook al 1550 jaar vóór Christus!).

Het kleuren van de eieren had een diepe betekenis De eieren kregen magische kracht door het beschil­deren. De Germanen gebruikten bruin (kleur van  de aarde), geel (kleur van de lentegodin) en rood (kleur van de oppergod Wodan).

Zowel de kinderen als de ouders kunnen dit jaar eieren kleuren. De kinderen met bijenwas op hardgekookte eieren, of met verf op leeggeblazen eieren. De ouders zullen volop kunnen experi­menteren met bloem- en groenteblaadjes, die pastelachtige kleuren op de eieren achterlaten.  Uienschillen laten geel achter, spinazie groen, bieten- of rode koolschillen rood enz.
De haas, als symbool voor het leven komt in vrij­wel alle culturen voor.
In sprookjes en legenden speelt de haas de rol van het zachtmoedige dier dat de redding brengt. Omstreeks deze tijd kunnen we in de volle maan de haas zien. Het lam herinnert ons aan de offerlammeren, die voor het joodse paasfeest in de voorhof van de tempel werden geslacht.

Na het zoeken van de eieren buiten staat binnen de paastafel klaar vol met eieren, boterlammetjes, haasjes en een paasbrood of beschuit met zelf gezaaide sterrenkers.

Met een paasverhaal en het onderstaande liedje wordt de paasochtend afgesloten.

“Wij willen zoeken in alle hoeken”

Van Sinterklaas tot Sint-Maarten‘ vormde de bron voor dit artikel.

 I.Botterweg, vrijeschool Den Haag, datum onbekend

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

110-107

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (7)

.

PALMPASEN

Het palmpasenfeest is in deze eeuw volledig in verval geraakt. Slechts sporadisch kent men nog het liedje:

Pallem-pallem-pasen,
ei ei koerei
op enen zondag
krijgen wij een ei
één ei is geen ei
twee ei is een half ei ,
drie ei is een paasei

Toch is het een gebruik dat eertijds uitgebreid gevierd werd. Dit feest symboliseerde de intrede van Christus in Jeruzalem. Er moet bij de intrede van de nieuwe koning een uitbundige,  kinderlijke vreugde bij de mensen geleefd hebben .
Men wuifde hem met palmtakken toe en bedekte de grond met kledingstukken en tapijten. Niemand vermoedde het drama van Golgotha dat volgen zou.

Het enige wat nu nog herinnert aan deze intrede is de wijding van de palm in de katholieke kerken. Eertijds heeft de christelijke gemeenschap vele (ook voorchristelijke elementen in dit feest verweven.
Dat het een oerchristelijk feest is, komt tot uiting in de kruisvorm waarmee de stokjes van de palmpaas aan elkaar bevestigd waren. Men droeg het kruis! Waar de horizontale en de vertikale stokken aan elkaar verbonden waren, bevestigde men een rond gevlochten broodje. Aan het dwarshout werden slierten aaneengevlochten droge vruchten opgehangen en bovenop het kruis stond een broodhaantje. Met deze soms prachtige palmpaasstokken kwamen de christenen ongetwijfeld in processie samen.

De symbolen verklaren is verre van eenvoudig
Behalve het duidelijke symbool van het kruishout geeft niets ons zekerheid.
Vanwaar de gedroogde vruchten ?  Waren zij een teken van het vergane of was het een teken van het sluimerend zaad,  dat weldra de aarde zou bevruchten ?
Werd de Christus dan ook niet beschouwd als ‘het nieuwe leven’, dat geestelijk wezen, dat door het vergieten van zijn bloed de mensheid en de gehele aarde nieuwe levenskansen gaf ?

Was het haantje bovenop het kruishout een herinnering aan de voorspelling dat Petrus Christus driemaal zou verloochenen vóór de haan driemaal gekraaid had, of was het een herinnering aan een voorchristelijk vruchtbaarheidssymbool ?
Wat was de betekenis van de broodkrans ? Was het een lauwerkrans (vergane glorie) of was het een zonnerad ?

Al deze vragen tonen hoe zeer wij van dit feest zijn weggegroeid. De tijd dat de volwassene met de palmpaas rondliep ligt ver in het verleden…

Het feest is gelukkig door onze kinderen nog enigszins bewaard gebleven.

U ziet dat de palmpaas,  zoals wij die nu kennen slechts vage tekenen van de oorspronkelijke overhoudt.  De gedroogde vruchten zijn vrolijk wapperende linten ge­worden.

Het is voor onze kinderen,  die in het geheel geen besef van de oorspronkelijke,  diep-mystieke betekenis van het feest kunnen hebben,  een machtig vreugdefeest. Het vrolijke wapperen van de linten,  het ononderbroken zingen wekt in hen een grote vreugde op. Die vreugde, die zij voelen als zij, na een lange donkere winter, opnieuw gaan touwspringen.  Die vreugde, die zij in hun botten voelen als zij opnieuw gaan hinkelen of, zich koesterend in de eerste warme zonnestralen,  gaan knikkeren of bikkelen.

Het is voor hen de bode van het nieuwe, alles doorstromende licht.

Walther van Riet, nadere bron onbekend

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

109-106

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (6)

.

Pasen
Het feest van levenshernieuwing en opstanding

Elk voorjaar lopen de bomen en struiken weer uit, komen de sprieten weer uit de grond te voorschijn. In de natuur heerst een schijnbare onsterfelijkheid. Schijnbaar onverwoestbaar is de levenskracht van de natuur, vooral bij het onkruid. Wat sterft is niet be­langrijk, behalve wanneer het eens een heel kostbare zeldzaamheid betreft. Over het al­gemeen is elk levend wezen in de natuur ver­vangbaar, zelfs de lievelingshond. Bij heel primitieve mensen is het ook wel eens zo; wanneer een kind sterft, komt er in een vruchtbaar gezin wel weer een ander. Vroe­ger gold het als vrij normaal dat een deel van de kinderen in een gezin op jonge leeftijd stierf. Ze werden echter wel meegeteld als het aantal gezinsleden werd opgesomd.
Voor de mens in de moderne cultuur ligt het toch wel anders. Het verdriet om een gestor­ven kind kan heel lang duren en een ander kind kan dat speciale kind niet vervangen. Zo ook bij een volwassene; wanneer wij van iemand houden, blijft er bij de dood een ge­mis, ook als we weten van een verdere ver­binding over de dood heen en dat niet alleen weten, maar ook kunnen praktiseren. Ook het bekende woord van Goethe, dat de dood de kunstgreep van de natuur is om zoveel mogelijk leven voort te brengen, geldt niet voor de mens. Het sterven van mensen dient niet tot een verdere vruchtbaarheid van het mensengeslacht. Dit krijgt nog een sterkere betekenis als we bedenken dat geestelijk-psychisch bezien het sterven van mensen wel degelijk vruchtbaar kan worden. De oude christenen wisten reeds dat het bloed van de martelaren het zaad van de kerk vormde en nog steeds is het zo dat mensen hun leven kunnen geven om een zaak, die zij dienen, te bevorderen.
Dit alles kan duidelijk maken dat de mense­lijke natuur anders is geaard dan die van de planten en dieren en dat betekent ook dat de levenshernieuwing in het voorjaar in de men­selijke natuur anders werkt dan bij planten en dieren.

Mensen kennen het merkwaardige verschijn­sel van de voorjaarsmoeheid. Ook is het aan­tal sterfgevallen van oude en zwakke mensen in het voorjaar opvallend groot. We kunnen een poging doen dit verschijnsel iets meer te begrijpen.

Planten en dieren kunnen niet tegen de na­tuurwetten in leven. Als het wel gebeurt komt dat door het ingrijpen van de mens met kunstmatig licht, kunstmatige warmte of chemische beïnvloeding. Wij mensen kun­nen wel tegen de natuur in leven, althans tot aan bepaalde grenzen. Daaraan ligt het feit ten grondslag dat de geest die het natuurwe­zen regelt bij mensen dieper met de stof ver­bonden is dan bij dieren en planten. Dieren bewegen zich niet individueel maar naar groepsaard. Planten en dieren groeien niet individueel uit maar naar de omstandigheden waaronder ze leven en naar de wetten van hun soort. Bij mensen is dat gedeeltelijk ook zo, maar de vormende idee is meer aan de mens persoonlijk gegeven. Geestelijk-psy­chisch is de mens veranderbaar maar tot op zekere hoogte lichamelijk ook. We kunnen dat ook zo uitdrukken dat de dieren en de planten een groepsziel hebben en de mens een individuele ziel. Het bewustzijn van die­ren en planten ligt buiten hen, bij de mens is het ingedaald in zijn stoffelijk lichaam. Er zijn zeker individuele verschillen tussen men­sen die sterk reageren als hun familie of stam en mensen die als enkeling in hun familie uit de boot vallen. Daar zijn dan nog vele tus­senvormen mogelijk, zowel geestelijk-psy­chisch als ook lichamelijk. In een gelaat kan zich de familie uitdrukken maar juist ook de eigen individualiteit.
Terwijl de uitdrukking van een dierenkop bij het ouder worden alge­mener wordt, kan dat bij het mensengelaat juist omgekeerd zijn, het wordt individueler. Tenminste, voor zover de mens een eigen geestelijk leven ontwikkeld heeft. Men kan ook juist een meer gereformeerd of meer vrijdenkersgezicht krijgen bij het ouder wor­den wanneer men zich steeds meer gevoegd heeft in het standaard-denken van een groep. Het verschil tussen menselijke en niet-menselijke natuur, zoals het hier kort is aangeduid, heeft tot gevolg dat de regenererende kosmi­sche krachten in het voorjaar in de planten en dieren veel sterker werken dan in de mens. Mensen hebben door hun eigen wijsheid (= eigenwijsheid) meer een belemmerende zelfs vernietigende functie in dit proces. “En deze belemmerende en vernietigende functie strekt zich ook uit over de natuur voorzover die door de mens wordt gebruikt en misbruikt. De inzichten die tegenwoordig beginnen door te breken en die voor een be­langrijk gedeelte aan Rudolf Steiner zijn te danken, kunnen ons helpen om in dit opzicht verstandiger te worden en ons ingrijpen meer af te stemmen op de kosmische wetten. Ook voor ons eigen lichaam is dat mogelijk en zeer zeker juist. Maar de levenshernieuwing wordt toch elk voorjaar geringer en is nooit definitief. Wanneer men vroeger meende te kunnen voortleven in de kinderen, dan was dat mogelijk omdat men meer in het geslacht leefde dan in de enkeling. De mens met het moderne zelfbewustzijn wenst niet eens meer dat zijn voorouders in hem verder leven. Hij wil zichzelf zijn.

Pasen is voor de natuur een feest van levensvernieuwing. Voor de mens is dat maar zeer beperkt waar. Wat is het dan wel? Voor de mens gaat het om het mysterie van de op­standing. Wat houdt dat in? Het moderne bewustzijn heeft moeite met een lichamelijke opstanding. De voorstelling dat een menselijk stoffelijk lichaam werke­lijk dood is en na drie dagen weer tot leven komt is voor het natuurwetenschappelijk denken onmogelijk. Men vindt daarvoor twee verschillende uitwegen. De ene zou men een spiritualistische opvat­ting kunnen noemen. Men neemt daarbij aan dat de herrezen Christus als een soort geest­verschijning aan de leerlingen verscheen en dat zij meenden een lichamelijke verschijning te aanschouwen. Te goeder trouw hebben ze dit bericht verder gegeven en wij later gebo­renen kunnen ons daarmee verbinden door de Christus als een zuiver geestelijk wezen te vereren. Daarmee is echter aan de fysieke werkelijkheid niets gedaan. Die blijft onver­anderlijk onderworpen aan de dood. Opstan­ding van het lichaam is dat dus ook niet. Ook zijn er die menen dat Christus helemaal niet aan het kruis gestorven is maar slechts schijndood was. Hij kon daardoor nog een korte tijd na Golgotha leven. Dit is de bood­schap van het doek van Turijn bijvoorbeeld.

Maar ook dan gebeurt er met de stoffelijk­heid van het mensenlichaam niets. Het is geen opstanding.

Daarnaast is er de grof-stoffelijke opvatting wanneer men aanneemt dat door een wonder de materie van het lichaam van Jezus weer tot leven is gewekt. Men meent dan de natuurwetenschap voor onbevoegd te kunnen verklaren in geloofszaken een uitspraak te doen. De twee werkelijkheden van natuur­wetten en geloof staan dan gewoon naast el­kaar. Alleen hebben ze wel betrekking op hetzelfde object, het menselijk lichaam en dat maakt het voor het denken toch wel moeilijk. Voor velen ligt hierin toch iets on­waarachtigs.

Een geheel andere weg gaat men wanneer men ernst maakt met de evolutiegedachte. Deze evolutiegedachte is reeds tamelijk gang­baar in de natuurwetenschap, maar op gees­teswetenschappelijk gebied nog nauwelijks opgenomen. (Geesteswetenschap is hier be­doeld in de universitaire zin, filosofie, lette­ren, psychologie, enzovoort, niet als antropo­sofie). Hoewel een scherpe onderscheiding van geest en stof zeker noodzakelijk is, is het toch mogelijk in te zien dat geest de stof kan voortbrengen met behulp van andere stof. Onze geesteshouding vormt tot op zekere hoogte ons lichaam. De handen van een mu­sicus vormen zich anders dan die van een timmerman. Ook kunnen oude mensen soms zeer doorzichtig worden in stoffelijke zin, waarbij ze dan tevens duidelijk spiritueler worden. Dat ook het omgekeerde kan plaats vinden en mensen steeds grover kunnen wor­den, berust op hetzelfde feit. Rudolf Steiner wees erop hoe in het lichaam van Jezus een zo sterke geest woonde, de Christus, dat dit lichaam daardoor vergeestelijkt werd. Tij­dens de tijd tussen de doop in de Jordaan en Golgotha werd dit niet of nauwelijks zichtbaar. Maar na de opstanding werd door hen, die daarop voorbereid waren, een lichaam waargenomen dat niet stoffelijk was.

De verhalen in de evangeliën vertonen wat betreft de tijd na de opstanding een merk­waardig verschil met datgene wat voor die tijd wordt vermeld. Na de opstanding ver­schijnt Jezus plotseling en verdwijnt ook weer. De leerlingen hebben moeite hem te herkennen. Kennelijk is hij anders van gestal­te dan vroeger. Dit krijgt nog meer nadruk als we bij Paulus lezen hoe deze zijn eigen waarneming van de Christus Jezus bij Damascus op één lijn stelt met de ervaring der ove­rige apostelen (1 Kor. 15). En deze waarne­ming wordt in de Handelingen der Apostelen beschreven als een lichtgestalte. (Hand. 9 en 26).

Hoe kunnen we dat een beetje leren denken? Het paradijsverhaal in Genesis maakt duide­lijk dat de mens voor de zondeval geen stof­felijk lichaam had. Immers hij kon niet ster­ven. En sterven betekent het wegvallen van het stoffelijke lichaam. De dood is inherent aan de materie. Deze onstoffelijke mens had wel een vorm, al is dat zeker niet de vorm van ons tegenwoordige lichaam geweest. Na de zondeval verbindt zich dan de mens met de stof. Paulus noemt dit lichaam een soma psychicon, een bezield lichaam. Het lichaam van de herrezen Jezus, de tweede Adam, noemt hij dan een soma pneumaticon, een geestelijk lichaam, een lichaam dat vorm heeft maar geen stof en daardoor onsterfelijk is. Dat wil zeggen dat dit lichaam geen dood meer kent. Dit geestelijk lichaam ontwikkelt zich uit het bezielde lichaam. Eerst was er, zo zegt Paulus (1 Kor. 15) een bezield li­chaam en daarna een geestelijk lichaam. Het bezielde lichaam wordt gezaaid en sterft. Daaruit komt dan het geestelijk lichaam te voorschijn. Maar dat kan het stoffelijke li­chaam niet uit zich zelf. Daarvoor was de daad van de Christus nodig. De Christus was zo sterk dat hij de vormkrachten van het li­chaam van Jezus kon bewaren door de dood heen. Normaal vervalt de vorm van het li­chaam met de dood van de stof. Bij Jezus bleef deze vorm bewaard en deze vorm werd na de opstanding zichtbaar als een lichtgestal­te, zoals ook de eerste mens een lichtgestalte was. Rudolf Steiner noemt dit het fantoom. Paulus noemt het een mysterie. Het is een mysterie omdat het alleen begrepen kan wor­den door wie heeft leren denken in de moge­lijkheid van evolutie, dat uit het stoffelijk li­chaam een doorgeestelijkt lichaam kan ont­staan.

Is dit alleen van theologisch belang voor wie de Christus Jezus willen begrijpen? Voor wie die drang heeft, is het kunnen denken van dit mysterie noodzakelijk. Maar van meer belang is het dat ieder mens ermee te maken heeft voor zijn eigen toekomst. Levenshernieuwing is altijd slechts tijdelijk en voorlopig voor de mens. Ze geeft hem echter de gelegenheid de opstandingskrachten te ontwikkelen door de verbinding met Christus. Deze verbinding met Christus wordt geloof genoemd. Ze kan zuiver gevoelsmatig zijn, ze kan zich uiten in het sacrament, ze kan zich vormen aan het sacrament, maar ze vormt zich ook door het denken over de Christus.
Wanneer dit den­ken intensief genoeg wordt, wordt het tot ge­loof. Geloof is vertrouwen in de kracht van Christus die in ons dit opstandingslichaam langzaam aan bewerkt door vele levens heen. De levenshernieuwing maakt het mogelijk dat aan de stoffelijkheid vanuit de geest ge­werkt kan worden. Wanneer de levensher­nieuwing niet elk voorjaar zou plaats vinden, zouden we te zeer aan de verharding van de materie vervallen en zou de geest daaraan niet meer kunnen werken. Van hieruit doet zich een merkwaardig ge­zichtspunt voor met betrekking tot de zon en de maan met Pasen.
De maankrachten hangen samen met de geboorte, ook met het telkens vernieuwen van het leven. De zonne­krachten hebben te maken met onze toe­komst. Na het begin van de lente moet er eerst volle maan geweest zijn. De afnemende maan geeft sterkere kiemkracht. In die tijd van de afnemende maan valt Pasen op een zondag.

Het fantoom is een lichtverschijning. De Christus sprak eens het woord: Ik ben het licht der wereld. Het licht der wereld is de zon. Christus identificeert zich met de zon, hij is de geest van de zon zoals wij mensen de geest van ons lichaam zijn. Als zonnewezen komt de Christus op de aarde en doortrekt de stoffelijke aarde met licht. Dat gebeurt eerst in zijn eigen lichaam, dat van Jezus, maar dat deelt zich dan mee aan de gehele aarde. Aarde en daarmee de aardemens wor­den langzaam aan steeds meer doortrokken met deze lichtkrachten, dat wil zeggen op­standingskrachten. Daardoor kan de duister­nis van de materie overwonnen worden.

bron onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

108-105

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (5)

.
Henk Sweers, ‘Jonas´ 6 april 1979
 

De paashaas
.

Een jonge vrouw zegt: ‘Ik ben ’t haasje.‘  Zij vertelt, dat haar man is weggelopen, dat zij getrouwd was met een stier en dat ze van hem twee kinderen heeft. Meteen daarna ver­trouwt ze ons toe: ‘Ik ben ‘n maagd.‘ –

Een mens moet wakker zijn om de raadsels van het leven te kunnen oplossen. Astrologie is erg in. Maar waarom krijgt de zon de schuld van allerlei menselijke misluk­kingen, alsof het een noodlot is, waaraan niet valt te ontkomen? Hebben wij niet alle licht, alle warmte en alle leven te danken aan de zon?
Wanneer mensen elkaar niet meer begrijpen, is dat dan niet hun eigen verant­woording?
De mogelijkheden die ik op aarde heb, hangen zeer zeker samen met de kos­mos. Doch dat ik af en toe voor deze of gene ‘onmogelijk’ ben, dat ligt aan mij, – of aan hem -. Of aan allebei? Onbegrip, twist, kort­om alle relatiestoornissen willen zeggen, dat wij nog niet, of niet meer in staat zijn om ons zó vrij te maken, dat wij in de ander zijn ware, werkelijke wezen, zijn ‘zonnewezen’ kunnen ontdekken.

Alles is vergankelijk, behalve de werkelijk­heid, waar al het aards-zintuigelijke een weerschijn, een spiegeling van is. Die werke­lijkheid is bewegelijk, groeiend, maar vergaat niet. Men kan in het bovenzinnelijke, het geestelijke, nooit voortbouwen op iets wat af is. Iedere verworvenheid moet er ieder ogenblik weer worden veroverd. Alles is er in voortdurende ontwikkeling. Dat geldt ook voor de liefde. Wie beweert, dat ware, eeuwige liefde niet bestaat, ontkent het bestaan van een geestelijke wereld. ‘Love is eternal’, schreef Chesterton, ‘even if it is only eternal for a month.’ – ‘Liefde is eeuwig, zelfs al is het slechts eeuwig voor ’n maand.’ (Appreciations and critcismes).

Men moet wel wakker blijven, om haar steeds opnieuw te kunnen scheppen, haar steeds opnieuw te veroveren. Dit hoeft ons niet te verontrusten, want je krijgt toch steeds meer vaardigheid in dat scheppen! Liefhebben is evenzeer een kunst als het hele leven. Wezenlijk leven is eeuwig, wezenlijke liefde ook. Leven en lieven, geen van beiden kunnen op aarde altijd lukken. Geen van bei­den zijn een veroverde toestand. Het zijn onophoudelijke bezigheden. Wat af is staat stil en is dood. Wat óp komt beweegt en leeft. Het blijvende leven is niet te vinden in de aardse materie. De wezenlijke liefde vindt men niet in het zintuigelijk lichaam, maar in dat, waar dit lichaam de schaduw van is. Hoe kan men iets werkelijk kennen, als men al­leen kijkt naar de schaduw ervan? Het blijvende wezen nemen wij wel degelijk waar in de ander. Het is echter moeilijk om ons dat bewust te maken. De aardse materie schuift zich ervoor. Nu en dan ziet men het, herkent men het, maar zeer snel is het weer voor onze waarneming verdwenen. Is men er op bedacht, dan duikt het steeds weer op, kijkend en vooral… luisterend. In onszelf is het ons ‘geweten’ en stelt het ons in staat om moreel te hande­len. Het is dat wat ons bewust doet zijn. Naarmate het in ons wakker is, zijn wij ver­antwoordelijk voor onze daden. Deze wezenskern van iedere mens streeft naar éénheid met de ander zonder daarbij zijn individualiteit te verliezen. Wie over één­heid spreekt veronderstelt reeds een twéé- of meer-dan-tweeheid. Voor liefde is nodig het beminnende en het beminde. Als één van deze twee zijn individualiteit opgeeft, houdt de liefde op te bestaan.
Meer dan ooit wordt in het tijdperk waarin wij leven de persoonlijkheidskern belaagd. Er wordt meedogenloos jacht gemaakt op ieders eigen aard, op het creatieve beginsel, het ware Ik, het Zelf van ieder mens. Dit wezen komt uit de geestelijke wereld, waar het een unieke totaliteit is, een groeiende kosmos op zich en waar het als groeiende eenheid-in -zich deel heeft aan de goddelijk-geestelijke werkelijkheid. In die wereld streven wij allen naar een-heid.

Bij onze geboorte op aarde maakt ons gees­telijk wezen, juist doordat het zelf-bewust-zijn veroorzaakt, ons tot enkelingen. Een al­tijd groeiend wezen komt in een toestand, waar alles naar voltooidheid verlangt, waar alles af is. Het schept in het bewegende aardeleven een tijdelijk verblijf en in de levende ziel een steeds veranderende leger­stee. Maar materieel gezien is de enige werke­lijke zekerheid op aarde: de dood. Zou er geen geestelijke wereld bestaan, zou er geen geestelijk wezen zijn, dan hadden aarde en leven en psyche en bewustzijn geen zin. Het ontkennen van die wereld, het twij­felen eraan en zelfs de opvatting dat zij wel bestaat, maar dat de mens er geen kennis van kan nemen, veroorzaakt genadeloze ‘afzon­dering’, levenslange celstraf. Afzondering zonder uitzicht op vereniging ontneemt aan de mens zijn bestaansgrond en is de oorzaak van alle angst. De enige redding is het streven naar wezenlijke liefde. Wezenlijke liefde be­staat uit bewuste, moreel verantwoorde da­den, waarmee mijn Ik ‘antwoord’ geeft op de daden van anderen.

Wie onbevangen om zich heen kijkt, ziet hoe er gejaagd wordt op dat Ik. Men twijfelt er­aan of noemt het onzin, waardoor alleen de zucht van het aardse ik, de zelfzucht, grenzeloos de kans krijgt. Men streeft naar ge­lijkheid, niet naar eenheid. Bijgevolg raakt men op elkaar uitgekeken, want men ziet toch steeds hetzelfde. De oor­zaak van mislukkingen, bijvoorbeeld van een kapot huwelijk, wordt gezocht in zon- en sterrenstand. De eigen, vrije verantwoorde­lijkheid wordt uitgeschakeld en er gebeuren rampen door… ‘een fout van de computer!’

In de lente staat de natuur weer op uit de dood. Met Pasen verrijst Christus uit het graf van de aarde. Wij vieren het feest van de ver­rijzenis op de eerste zondag na de eerste volle maan na het lentepunt, wanneer de zon precies in het Oosten oprijst en dag en nacht gelijk zijn, maar de levensdag de doodsnacht overwint. Pasen is het feest van de liefde­daad. Wat voor voorstelling wij ons ook ma­ken van God, hoe wij ook het wezen noe­men, dat alles in stand houdt, alles leidt en alles liefheeft, het goddelijk woord, het god­delijk antwoord op de jacht, waarbij ons geestelijk Ik door de binding aan de materie verloren dreigt te gaan, was de menswording van Christus. Hij onderging de dood van de materie, maar behield het leven in al het bovenzinnelijke. Hij verbindt Zijn leven met dat van de aarde. Door Hem, met Hem en in Hem kan het wezenlijke Ik van de mens be­houden blijven. Daardoor kan op aarde de liefde gaan ontstaan.

Vanuit vóórhistorische tijden tot nu toe, maakt men om de geestelijke wereld beter te leren kennen, gebruik van beeldentaal. In sprookjes en kinderspelen, in en op kathe­dralen, in beelden en op schilderijen, in oude tradities en gebruiken, zelfs nog in onze da­gelijkse omgangstaal vindt u beelden, herkenningstekens van het bovenzinnelijke. Als de aardse tegenslagen en aanvallen door onbegrip zó ondragelijk worden, dat het we­zenlijke Ik weer moet wegspringen om zijn identiteit en zijn integere liefde niet in ge­vaar te brengen, dan zegt men: ‘Ik ben ’t haasje’.

Omstreeks 4500 vóór Christus, toen het be­wustzijn van dat hogere wezen in de mens begon te ontwaken, stond de zon in haar lentepunt tussen het sterrenbeeld van de Stier en de Tweelingen. De stier is de imaginatie voor de geweldige aandriften, de bewegende krachten in de stofwisseling en in de libido van de mens. De tweeling is een beeld van de menselijke liefdekracht, het streven naar een­heid, vol vertrouwen en openheid. Tussen die beiden staat Orion, de geweldige knappe jager, gekeerd naar de Stier. De jager is het zinnebeeld van de waakzame, doelgerich­te kracht in de mens, die de driften opspoort, doodt of temt, om ze niet de overhand te la­ten krijgen en om het Ik-wezen voor onder­gang te behoeden. Onder de voeten van Orion staat, – slechts op winteravonden in ons land nog net zichtbaar boven de zuidelij­ke horizon – het sterrenbeeld van de Haas. De haas is het herkenningsteken der werking van het geestelijke Ik. ‘Je kunt nooit weten, hoe een koe (stier) een haas vangt.’ De Christus-haas is de Zonnehaas, de Paas­haas. Hij brengt ons de geestelijke levenskie­men als fraai gekleurde eieren, die binnen hun kalkschaal zon(dooier) en maan(wit) dragen. Als Hij in ons is, en wij allen in Hem, kunnen wij elkaar vinden. Dan hoeven we geen jacht te maken op de karikatuurhazen, die omstreeks Pasen overal opduiken en die onze echte haas en de haas in zijn allerhoog­ste vorm, de Liefde van Christus, proberen te ontluisteren tot een wezenloze grap of een afgezaagde verkoopstunt. Laten we met Pasen innerlijk trachten, bij elkaar ‘Haasje over’ te springen, zoals het middeleeuwse minnelied zingt:

‘Willen wij, willen wij, ‘
’t haasje jagen door de hei,
Ja, het haasje, gij en ikke
Door de dunne, door de dikke,
’t Haasje willen wij jagen gaan, ‘
t Haasje willen wij jagen gaan!
Hup haasje, lieflijk haasje,
Hup haasje door de hei.´                                                       (muziek)

Dat ‘Paashaasje’ willen wij jagen gaan, niet om het te doden, maar om het in de anderen en in onszelf te ontdekken en te laten leven op de aardse hei.

Nog iets over het zoogritueel:

Het zoogritueel

Sim Broekhuizen (1937) deed van 1966 tot 1976 onderzoek naar hazen bij verschillende wetenschappelijke instituten. “Op een dag tipte een jachtopzichter me dat een boer in de uiterwaarden van Brummen jonge haasjes op zijn land had gevonden. Hij had het hele land gemaaid, behalve de pol gras waarin de jonge haasjes lagen. Ik ging met mijn medewerker kijken en we besloten te blijven. We hebben ze de hele zoogperiode geobserveerd, een maand lang, 24 uur per dag. In een caravan aan de rand van het weiland sloegen we apparatuur op, zoals warmtecamera’s.”

Ze ontdekten dat de jonge haasjes eenmaal in het etmaal werden gevoed, op de plaats waar ze geboren zijn. ’s Avonds kwam de moederhaas en werden de jongen gezoogd. Dat gebeurde een uur na zonsondergang. De jongen verspreidden zich naarmate ze ouder werden na het zogen steeds meer. Ze trokken naar de randen van het weiland, maar drie kwartier na zonsondergang verlieten ze hun schuilplek om terug te keren naar de plek waar ze waren geboren – ook toen de graspol eenmaal gemaaid was. “Een kwartier later kwam dan steevast de moeder aangehuppeld. Dat zogen duurde gemiddeld een minuut of drie. Dan keken de jongen nog even van: ‘Is het echt afgelopen?’ en daarna verdwenen ze weer.”

Om te achterhalen of het zoogritueel uniek was voor dit nest of algemeen bij hazen, volgden Broekhuizen en collega’s nog zo’n 25 andere nestjes. Steeds bleek de moederhaas een uur na zonsondergang de jongen te zogen. “De jonge haasjes gingen voor die tijd al bij elkaar zitten. Als ze wat ouder waren, hadden ze soms de neiging om naar de moeder toe te hippen zodra ze haar zagen aankomen, maar dat werd niet geaccepteerd. De moeder ging precies terug naar de plaats waar ze de jongen had geworpen. Het is belangrijk dat zo’n jong haasje daar op tijd is, want anders moet hij 24 uur wachten voordat hij weer melk krijgt.”

Na een maand zogen houdt de moeder het voor gezien en moeten haar jongen zichzelf redden. Vaak is ze dan alweer drachtig van een volgende worp. “De jongen komen nog twee dagen voor niks, en blijven daarna ook weg.” Als de moeder na haar laatste worp in de herfst niet opnieuw drachtig wordt, blijft ze de jongen vaak nog lang zogen. “Het is een ritueel”, zegt Broekhuizen. “Soms worden ze maar 10 seconden gezoogd, maar ze blijft melk geven.”

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

107-104

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (6)

.

Broodrecepten
pasen 5b

door Milange, bron onbekend.

Paasbrood met saffraan

‘Van den Saffraen’

‘Wij bakken, bakken koeken,
De bakker heeft geroepen.
Wie wil mooie koeken bakken,
Die moet zeven spulletjes pakken:
Eieren en mout,
Boter en zout,
Melk en meel,
Saffraan dat maakt de koek mooi geel.
Als vanouds bakt men een paasfeestelijk koffiebrood, geel als de lentezon:

saffraansbrood.

Hiervoor is nodig:
=1/2 l melk
=100-200 gr. boter
=150 gr suiker
=1 ei
=saffraan
=50 – 60 gr gist
=ca 1 kg bloem
afwerking: ei, parelsuiker en amandelen

De gist wordt opgelost in de melk.
Gist met een beetje suiker ook oplossen.
Ei even kloppen
Boter smelten en afkoelen.
In een grote kom wordt het meel gedaan, met een kuil in het midden, waarin melk, gist, ei en boter worden gemengd.
Het meel langzaam onder roeren.
Deeg goed doorkneden en toegedekt op een warme plaats laten rijzen.
Deeg in drieën delen en een mooie vlecht maken.
Op het bakblik nog eens laten rijzen.
Met ei bestrijken en parelsuiker en amandelen versieren.
In warme oven (225-250’) bakken.

Je kunt dit deeg ook uitrollen en er met een puntig mesje paashaantjes 0f -haasjes uitsnijden. Op het blik nog eens laten rijzen.
Met ei bestrijken en versieren met rozijnen, amandelen en inkervingen.
Of je kunt van het deeg een lange rol maken: een stuk ervan tot ring sluiten en van de rest ‘zonnekrullen’ maken en deze aan de ring vastdrukken. In de ringopening kan een rauw ei worden meegebakken, dat na het bakken kan worden beschilderd of gekleurd.

Thea Goedhart, verdere bron onbekend

Brood voor Pasen

In Engeland eet men Goede Vrijdagbroodjes, vers en warm, aan het ontbijt. Deze Hot-cross buns maak je als volgt:

500 gram bloem iets zout
kaneel, kruidnagel, notemuscaat
100 gram gele basterdsuiker
30 gram gist
1 theelepel suiker
3 deciliter melk
1 ei.
60 gram (planten)boter
suiker, melk, krenten,  fijngehakte sinasappelschil

Probeer het deeg de avond te voren te maken. Zeef het bloem met het zout in een kom. Doe er flinke mespunten gemalen kaneel en kruidnagel bij en rasp royaal notemuskaat boven de kom. Voeg de basterdsuiker toe,  roer alles, en maak in het midden een kuil.

Roer de gist uit met een theelepel suiker of honing en een deel van de lauwe melk. Stort de gist in de kuil. Voeg ook de gesmolten maar niet erg warme boter toe en het even los geklopte ei.

Kneed vanuit het midden alles dooreen tot een mooi soepel en vrij stijf deeg. Giet naar behoefte de resterende melk bij. Blijf een kwartiertje kneden tot het deeg van je handen loslaat. Kneed daarna de krenten en de fijngehakte sinaasappel­schil door het deeg. Leg een vochtige doek over de kom en laat hem op een warme plaats rijzen.  Tenminste een paar uur laten staan, maar het kan ook de hele nacht. Tegen die tijd is het deeg wel verdubbeld.

De volgende dag het deeg weer even kneden en verdelen in ongeveer 20 gelijke delen;  deze vormen tot ronde broodjes. Die op een ingevet bakblik zetten met flinke tussenruimten. Dat blik laten we weer een half uur warm en tochtvrij staan. Maak met de achterkant van een mes in ieder broodje een kruis en schuif het blik midden in een hete oven (200-225 ‘C.,  .  cijfer 5 of 6 ).

Na ongeveer een kwartier  zijn de broodjes gaar.

Roer gedurende de baktijd wat (poeder)suiker met iets melk en bestrijk de  broodjes als ze uit de oven komen. Wie dat te veel werk vindt bestrijkt ze alleen met water. Dan glanzen ze ook wel.

Een   Engels liedje om één en ander te illustreren en misschien tussen de happen door aan het ontbijt te zingen:

Hot cross buns! Hot cross buns!
One a penny,  two a penny
Hot cross buns!
If you have no daughters
Give them to your sons
One a penny,  two a penny

Hot cross buns!

brongegevens onbekend

Broodhaantjes

Basisrecept voor 8 à 10 haantjes, ter grootte van een hand

350 gr. meel (volkorentarwe of bloem)
2 1/2 dl. lauw warm water
15 gr. gist
7 gr. zout
1 à 2 leels honing
1 losgeklopt ei

Gist en honing in beetje water oplossen.
Meel in een grote schaal doen en langs de buitenrand ’t zout strooien
In het midden kuiltje maken
Hierin de opgeloste gist doen en afdekken met meel.
20 min. laten staan.
Dan rest van vocht erbij en kneden
Deeg op een warme plaats 15 minuten laten rijzen.
Nu weer goed doorkneden
en dan deeg in vorm maken: een lange worst dubbelvouwen per haantje.
Er komt in het midden een verdikking.
De haantjes 30 à 35 min. laten rijzen en met schaartje dan wat vleugels inknippen.
Nu met ei bestrijken en in een voorverwarmde oven 200 – 225ºC. in 15 à 20 min. gaan bakken.

brongegevens onbekend

Broodhaantje

recept voor 5 broodhaantjes

500 gr bloem
30 gr gist
250 cl melk

10 gr zout
30 gr boter
10 gr suiker

Doe de bloem in een kom. Maak een kuiltje voor de lauwe melk en kruimel daar de gist in. Roer het voorzichtig door elkaar. voeg zout, suiker en boter toe. Kneed alles tot het zacht en soepel is. Laat het op een warme plaats ongeveer 15 minuten rijzen. Vorm een haantje, laat het weer 15 minuten rijzen. Leg het in de oven, ongeveer 10 minuten op stand 7.

Rubriek ‘kind op weg” in ‘Jonas”van 9 april 1976

Paaskoekjes

Een eenvoudig recept voor het bakken van paaskoekjes.
Van het deeg kunnen allerhand paas~ en voorjaarsfiguren gevormd worden, zoals paashaasjes, kuikens, vogelnestjes, mandjes.
De kinderen zullen graag helpen om hun eigen vormen te laten ontstaan.
De koekjesschaal kan met Pasen extra opgemaakt worden door een versiering aan te brengen van sterrekers, die 8 of 10 dagen tevoren is gezaaid* Een dun laagje aarde op een schaaltje, gemaakt van alluminiumfolie, of een schotel kan royal bestrooid worden met de zaadjes. Na vier dagen begint de miniatuurweide op te komen.

Benodigdheden:
225 gram tarwemeel
1 theelepel kaneel
1/2  theelepel nootmuskaat
100 gram boter
50 gram rozijnen
eventueel 25 gram kandij
1o0 gram riet- of basterdsuiker (donkere) sap van 1/2 citroen
1 ei

Doe de bloem en specerijen in een kom en kruimel er tussen duim en wijsvinger de boter doorheen.
Rozijnen en suiker toevoegen en een kuil in het midden maken.
Klop het ei en de citroensap door elkaar en giet het in de kuil.
Kneed het even door en rol het dan uit tot een plak van 1/2 cm. dikte op een met bloem bestrooide aanrecht.
De vormpjes kunnen nu gemaakt worden.
De bakplaat bestuiven met bloem om de gemaakte vormen erop te leggen.
Bak ze lichtbruin in 30 minuten bij een temperatuur van ca. 175°C.

 Diet Pistorius, nadere gegevens onbeken    (kruidenbrood}

Paaskrans

Kruidenbrood

Ingrediënten:
500 gr. bloem,
25 gr. gist,
¼l. lauwwarme melk,
50 gr. boter,
1 ei,
1 theel. zout, ½ theel.  witte peper,
¼ theel. nootmuskaat en gemalen koriander,
1 bosje verse kruiden ( peterselie, kervel en bieslook ),
1 eierdooier,
1 eetl. gecondenseerde melk.

Bloem in een schaal zeven.
Met de hand in het midden een kuiltje maken.
Gist in het midden brokkelen en met de melk en wat bloem door elkaar roeren.
Met een keukendoek bedekt laten rijzen.
Zachte boter, ei en kruiden bij het deeg doen en goed door elkaar kneden.    Verse kruiden fijnmaken en tenslotte erdoor kneden.
Deeg toegedekt nogmaals laten rijzen.
2/3 deel van het deeg tot drie 40 cm lange, restant 1/3 deel van het deeg tot drie 30 cm lange rollen vormen.
Elke drie deegstrengen in elkaar vlechten.
Lange vlecht cirkelvormig op het ingevette blik leggen.
Korte vlecht erop leggen.
Einden van de vlecht met water bevochtigen en samendrukken.
Paaskrans laten rijzen.
Met eierdooier, door elkaar geroerd met gecondenseerde melk, bestrijken.
In de op 180 graden ( gasstand 3 ) voorverwarmde oven 35 min.bakken.

bron onbekend

Paashaas van brooddeeg

1000 gram bloem – 510 gram melk-30 gram basterd suiker-10 gram gist—20 gram zout. Verwarm de melk even zodat de kou er af is.

Doe de bloem in een wijde kom. Meng de melk, gist, suiker en zout in een apart kommetje en werk het dan door de bloem. Werk tot slot de margarine door het deeg. Kneed het deeg 10 minuten. Het deeg is goed als je een dun vliesje kunt trekken zonder dat het scheurt. Scheurt het toch dan nog even doorkneden.
Strooi wat bloem op een bord, leg de deegbal daarop en dek hem met een vochtige doek af. Laat het deeg 10 minuten rusten. Wordt het deeg bij het verwerken stug en taai, laat het dan even rusten, totdat het weer soepel is en zich weer laat verwerken.
Strooi wat bloem op tafel en vorm van het deeg de haas (zie tekening).

pasen 12

Leg het haasje op de ingevette of met aluminiumfolie bedekte bakplaat en bestrijk het met geklutst ei. Geef het ogen van krenten of rozijnen. Leg het ei op de haas en vouw zijn pootjes erover heen (Dit ei eerst 7 tellen in kokend water leggen om barsten tijdens het bakken te voorkomen). Bestrijk het nog een keer met geklutst ei en laat het 30 minuten op de plaat op een warme plaats rijzen.

Verwarm de oven voor. Bak bij een temperatuur van 250°C of zet de oven op stand 6. De baktijd is 10 a 15 minuten.

(Recept uit: Figuren uit deeg van Elyse Sommer, uitg. Strengholt)

Rubriek ‘kind op weg’ in ‘Jonas’ 5 april 1974

Paasbrood

1 kg. bloem;
250 gram boter;
3 eieren;
125 gram suiker;
35 gram gist;
1/4 dl. melk.
Los de gist op in een beetje lauw-warme melk. Laat de boter smelten en roer dan alle ingrediënten goed door elkaar. Kneed het deeg 10 minuten grondig en zet het dan een uur te rijzen onder een vochtige doek. Meng er na het rijzen door:
250 gram even geweekte abrikozen;
3 thee­lepels vanillepoeder;
de geraspte schil van een b.d.sinaasappel;
2 ons gehakte noten; 2 ons rozijnen;
3 theelepels zout.
Kneed het deeg nog eens goed door en laat het nog een half uurtje rijzen in een ingevet­te broodvorm (of vul twee kleine vormen als u geen grote vorm heeft). Zet de vorm een klein uur in een warme oven (stand 4 of 200° C).
Strooi er, als het brood gaar is, poe­dersuiker over.

Bron: ‘Eetidee” in ‘Jonas”17 april 1981

Brooddeeg

De meeste kinderen zullen het heerlijk vin­den om zelf brood te kneden en er figuren van te vormen. Van een handzaam brooddeegje kunnen ze bijvoorbeeld een paashaas maken. Het is natuurlijk het leukste als de haas zo gemaakt wordt dat hij rechtop kan staan. Vouw de voorpootjes losjes over el­kaar en stop er, als de haas gebakken is, een ei tussen.

Brooddeeg voor figuren:
500 gram bloem;
2 theelepels zout;
75 gram heel zachte boter;
1/2 dl. melk;
30gram gist;
2 dl. melk.

Los de gist op in een 1/2 dl. lauw-warme melk en laat dit 10 minuten staan. Maak een kuiltje in de bloem en doe de gistoplossing erdoor. Roer de boter door de 2 dl. lauwe melk en voeg dit mengsel bij de bloem. Doe er zout bij en kneed het deeg een minuut of tien tot het veerkrachtig aandoet. Laat het deeg dan onder een vochtige doek een uur rijzen. Verdeel het deeg in stukken en maak van elk deegje een broodfiguur. Maak met een schaar of mes inkepingen om de figuur vorm te geven en versier de broodfiguur met nootjes, rozijnen, stukjes sinaasappelschil of zo iets dergelijks. Laat ze op een ingevet bak­blik nog wat narijzen en bestrijk ze vlak voor het bakken met eigeel dat goed geroerd is met een klein beetje melk. Bak de broodfi­guren in 20 minuten gaar in een warme oven (stand 5 of 220° C).

Bron: ‘Eetidee” in ‘Jonas”17 april 1981

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

106-103

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (5)

.

palmpasenstok

Na carnaval komt Pasen, dat weet je natuur­lijk best. Maar toch ben ik ieder jaar weer verrast als de kinderen me op het schoolplein tegemoet hollen en roepen: ‘Morgen mogen we een palmpaasstok meenemen’.
Voor de schoolkinderen is dat al bekend; er gaat een houten kruis, voorzien van naam en punt bo­venaan, de volgende dag mee naar school. De thuisblijvers wachten af. Maar zodra op school de versierde stokken voor de ramen te zien zijn, ga ik ook thuis met de jongsten aan het werk: We zoeken buiten mooie rechte stokken en maken daar een kruis(je) van (omwikkel het kruispunt enkele keren strak met soepel ijzerdraad).  Ook kunnen we aan de punt van de vertikale stok door middel van vier draden een hoepel van pitriet of kar­ton hangen; de hoepel als symbool voor de zon, die zich nu steeds sterker met de aarde gaat verbinden, (zie voorbeelden).  Met een reep crêpepapier omwikkelen we eerst de vertikale stok en daarna plakken we gekleurde korte slierten aan het dwarshout. Zachtjes oefenen we de liedjes:

‘palm pasen, palm pasen versier je groene tak
met linten en met ruikertjes
met chocola en suikertjes
kom mee, kom mee op pad
we trekken door de stad.

‘Zeg, jij zingt daar van chocola, heeft dat er ook mee te maken?’ ‘Ja zeker,’ is mijn ant­woord, ‘je mag een lange ketting rijgen van (gedroogde) abrikozen, rozijnen en pinda’s, die hangen we dan aan je stok’.
Blijde ogen kijken me aan.

Ten slotte binden we boven het kruispunt een paar takjes buxus of liguster; takjes met altijd groene blaadjes.
De dag vóór de optocht komen de oudsten met opgewonden verhalen naar huis, ze heb­ben op school broodhanen gebakken en met het zelfgeschreven recept in de hand wordt groot en klein in de keuken verzameld. Op die stok moet natuurlijk een broodhaan, en als je die zelf bakt wordt hij heus anders; je eigen haan!

pasen 3

Opgewonden installeert iedereen zich, al of niet op een kruk voor het aanrecht. Er gaat meel in de kommen. In het meel maken we een kuiltje voor de lauwe melk en daarin brokkelen we de gist. Het is nu doodstil, er wordt niet meer gezongen. Het kneden is heerlijk. Na enige tijd kneden we elkaars deeg, we voelen dat het ene veel warmer, kouder, soepeler, harder is, tenslotte vormen we een haan.
Ook de kleintjes kunnen dat, zeker als ze vrij snel een rozijn, als oog, er­gens bovenaan in het deeg mogen drukken, het beestje kijkt je dan direkt aan.
Dan rennen de groten de keuken uit en ko­men terug met papier, potlood en knopspelden. Op kleine briefjes worden nu met zorg alle namen geschreven, papaase groote haan, mijn haan, Bas zen haan, enzovoort. De briefjes worden met spelden tussen de staartveren geprikt. ‘Kan dat mee de oven in?’ vraag ik voorzichtig. ‘Ja, op school ging het ook goed’. Zingend zitten ze voor de oven met de wekker in de hand.
Dan komt iedereen zijn eigen paashaan tevoorschijn, geurend, knappend bruin gaat hij op de stok. Trots kijken grote ogen om­hoog… naar hun haan. En daar gaat de op­tocht:

Palm, palm pasen
de grote zijn de bazen
van je ei koerei van je ei koerei
mijn palmpaasstok is groter dan jij

Dan is er ineens een achterblijver; de jongste heeft de stok bij de dwarshouten vastge­klampt en schrokt wat er te schrokken valt de kop van de haan naar binnen .
‘Je bent een lelijke aanknager’, reageert nummer twee, de oudste probeert uit te leggen dat het toch echt niet kan in de optocht, dat het nu juist de bedoeling is om die haan op de stok te la­ten zitten…
En tijdens die lange tirade werpt de flegmatische dikzak zich met open mond voor z’n jongste zusje op de knieën, en ja hoor, ze propt het hele hanenlijf erin. En dan, op het moment, dat de teleurstelling voor de oudsten te groot lijkt te worden, kukelt er boven op de kast een papieren haan, hij past precies op de stok en wil graag in de optocht mee. Er wordt even diep gezucht, maar dan zingen ze weer… vandaag, morgen en nog ve­le dagen daarna.

pasen 4

’s Avonds als alle hanen in de diverse bedden slapen, of misschien wel waken, loop ik met de bezem het kruimelspoor na. Als ik dan tenslotte alle resten de keuken inveeg, kijkt daar ineens ‘mamaase kleine haanstje’ mij aan. Groots is het gevoel dat me dan vervult!

Juultje van der Stok  ‘Jonas’  9 april 1976

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

105-102

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (4)

.

PALMPASENSTOKKEN

pasen 5

bron  onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

104-101

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (4)

.

ZON, MAAN, ZON

Het kosmische beeld van pasen

In de voorafgaande artikelen (IN JONAS) over de jaar­feesten St. Michael en Kerst — is steeds ge­probeerd deze feesten vanuit kosmische ge­zichtspunten te benaderen. Voor het paas­feest ligt dit uitgangspunt wel bijzonder voor de hand omdat de paasdatum elk jaar weer door de onderlinge verhouding van zon, maan en aarde bepaald wordt.

In zijn vereenvoudigde vorm luidt de paasregel:
‘Paaszondag is de eerste zondag die volgt op de eerste volle maan nadat de zon het lentepunt overschreden heeft.’
Een prozaïsch aandoende regel, zo op het eerste gezicht, die we eerst wat nader moeten bekijken.
De zon doorschrijdt in de loop van het jaar een gordel van twaalf sterrenbeelden: de beel­den van de dierenriem. Op een sterrenkaart kan men de weg tekenen die het middelpunt van de zonneschijf aflegt in een jaar. Deze lijn, een soort hartlijn van de dierenriem, heet de ecliptica. Behalve de zon houden zich ook de maan en de planeten altijd in de dierenriem op.

Een andere belangrijke cirkel aan de sterren­hemel is de hemelequator. Deze cirkel ver­deelt de hemelbol in een noordelijk en een zuidelijk halfrond.
( Zoals ieder mens het middelpunt is van zijn persoonlijke horizon, zo staan alle men­sen in het middelpunt van deze grote cirkel aan de hemel, die we daarom ook wel mens­heidshorizon mogen noemen.)

Het vlak waarin de ecliptica ligt en het vlak waarin de hemelequator ligt snijden elkaar onder een hoek van 23,5 graden. De helft van de zonneweg ligt dus ‘boven’ de hemelequator, op de noordelijke helft van de sterrenhemel, de andere helft op het zuidelijk hemelhalfrond: ‘onder’ de hemelequator. Als de zon zich in het noordelijk deel van de dierenriem be­vindt, zijn op het noordelijk aardehalfrond de dagen langer dan de nachten; doorloopt zij de zuidelijke dierenriembeelden dan win­nen bij ons de nachten het in lengte van de dagen.

pasen 2

Lentepunt
Tweemaal per jaar overschrijdt de zon de hemelequator: op de twee snijpunten met de ecliptica. Deze gebeurtenissen vinden plaats in de herfst en de lente: als de zon af­dalend naar het zuidelijk hemelhalfrond de hemelequator passeert, begint astronomisch de herfst, opstijgend naar het noordelijk halfrond geeft de zon het begin van de lente aan: in 1976 op 20 maart om 12.50 uur.
Tot zover is de zon de grote bepalende factor.
Nu komt de maan in het spel en wel in zijn relatie tot de zon. Het gaat hierbij om het moment waarop de maan als een grote kosmische spiegel het zonlicht naar de aarde terugkaatst: de volle maan die zich dan in de dierenriem precies tegenover de zon bevindt. Aangezien de zon niet lang daarvoor van het zuidelijk hemelhalfrond naar het noordelijke gedeelte van de dierenriem gewandeld is, is voor de maan precies het tegenovergestelde het geval. Na dit kosmische moment is het wachten op de eerstvolgende zondag: paas­zondag en daarmee richt onze aandacht zich weer geheel op de zon.

                                                              zon –   maan  -zon

Na deze opsomming van astronomische fei­ten moeten we proberen of het ons mogelijk is door de fenomenen heen een beeld te zien van een andere werkelijkheid. Daartoe willen we eerst naar de zon kijken, de zon die net de mensheidshorizon heeft overschreden en begonnen is aan een grote nieuwe dag die zal duren tot de grote zonsondergang: bij het weer terugkeren naar de zuidelijke hemelhelft in de herfst. Wat we waarnemen met onze zintuigen is het fysische ontwaken van de natuur: planten en dieren komen weer tot leven.

Waken en slapen
In de winter heeft de aarde het diepst inge­ademd en het moment van grootste innerlij­ke activiteit en wakkerheid beleefd. Nu moeten we hier zien dat de aarde in de lente buiten zichzelf gaat treden, zichzelf lang­zaam in de kosmos uitademt. De aarde valt in slaap. Het levendige beeld van de aardenatuur is het beeld van de slapende aarde. Er is een tegenstelling tussen wat de uiterlij­ke natuur ons zegt en de geestelijke werke­lijkheid. Waken voor de fysische wereld is slapen voor de geestelijke wereld. Dan valt het paasfeest wel op een heel merk­waardig moment: de opstanding is geen op­standing in de fysische wereld dit wil zeggen in een fysisch lichaam. We zouden daarom, kijkend naar de aardenatuur, moeten ver­wachten dat het feest van de opstanding zou worden gevierd in een tijd dat de stoffelijke natuur afsterft om het geestelijk deel van de aarde te laten herleven.
In het voordrachtswerk van Rudolf Steiner is te vinden, dat er dan ook opstandingsmyste­riën hebben plaatsgevonden in de herfsttijd, omstreeks de tijd waarin wij nu het St.-Michaëlsfeest vieren. Daar beleefde men nog de samenhang tussen geestwereld en natuurwereld. Andere mysteriestromingen daarente­gen beleefden de ontmoeting met de geest in het voorjaar. Hier knoopt onze paasregel bij aan: deze mysteriën richtten zich in het bij­zonder op de maan, in haar functie van spie­gel van de zonnekwaliteiten.
Denkend over Pasen stuiten we op de grote polariteiten van leven en dood, stof en geest, werken en slapen, zon en maan, beeld en werkelijkheid.

Zoekend naar een verbinding met de werke­lijkheid van het paasgebeuren vinden we mis­schien de brug die ons deze tegenstellingen als de elkaar aanvullende aspecten van de­zelfde werkelijkheid doet kennen.

Rinke Visser, ‘Jonas’ 9 april 1976.

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

103-100

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (3)

.

Pasen: kosmisch en innerlijk evenwicht

Voor de vaststelling van de paasdatum geldt de volgende regel:
Pasen valt op de eerste zondag na de lente-volle-maan.
Dit betekent dat aan drie achtereenvolgende voor­waarden moet zijn voldaan:

1.   de aarde moet in haar baan het lentepunt hebben be­reikt;
2.   de maan moet daaropvolgend vol zijn;
3.   de zondag die daarop volgt is Pasen.

1. Bij het lentepunt is een opvallende toestand van even­wicht bereikt; (zoals dit overigens bij het herfstpunt ook het geval is):
– de plaatsen van zonsopgang en -ondergang liggen exact diametraal tegenover elkaar, namelijk oost-west (in de winter zijn namelijk beide plaatsen naar het zuiden, in de zomer meer naar het noorden verplaatst),
–  het zichtbare gedeelte van de zonnebaan (boven de ho­rizon) is even lang als het gedeelte dat onder de hori­zon is gelegen, terwijl het hoogste punt van de zonnebaan precies even hoog bóven de horizon ligt overdag, als het laagste punt er ónder ligt des nachts; hierdoor zijn ook dag en nacht even lang.

2. De toestand van kosmisch evenwicht wordt nog ver­sterkt wanneer aan de tweede voorwaarde is voldaan, namelijk wanneer de maan vol is. De aarde, en daarmee dus ook de mens, staat dan tussen zon en maan in. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde in het midden.
Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar zonnebaan en maanbaan dezelfde ‘helling’ hebben ten opzichte van de horizon, met andere woor­den, de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in tegenstelling tot de winter, waar de zon laag, de maan echter hoog aan de hemel staat en ’s zomers omgekeerd.

3. Kijken we naar de derde ‘voorwaarde’, namelijk dat Pa­sen steeds op een zondag valt (en niet zoals Kerstmis op een vaste datum en dus ieder jaar op een andere weekdag), dan kunnen we vaststellen, dat ook dit feit een taal van evenwicht spreekt. Zoals namelijk de zon in het midden van ons zonnestelsel staat, zo kunnen wij ook in de weekdag, die naar de zon genoemd is, een evenwichtig midden herkennen dat kwalitatieve uiter­sten met elkaar verbindt: De zondag valt namelijk tussen de dagen die met de maan respectievelijk met saturnus (Engels: saturday) in verbinding worden gebracht, met andere woorden twee planeten (in de ptolemeïsche zin van het woord) die elkaars tegenbeelden zijn: de snelste en meest nabije tegenover de langzaamste en verst verwijderde; de maan die haar invloed uitoefent op alles wat met voortplanting en geboorte te maken heeft tegenover saturnus, die gezien wordt als de pla­neet van sterven en dood, waarbij we ook kunnen den­ken aan de christelijke traditie de dienst voor een ge­storvene te voltrekken op zaterdag.

pasen 1
Ook het volgende dagenpaar, vrijdag en dinsdag, waar­tussen de zondag in het midden staat, vertegenwoor­digt een polariteit, namelijk tussen Venus en Mars, schoonheid en kracht, vrouwelijk en manlijk (waarbij de symbolen  ♀  en   ♂  tot in de biologie gebruikt wor­den om de genoemde polariteit tot uitdrukking te bren­gen!).                                                             
Ten slotte staat de woensdag als dag van de bewegelijke en snelle Mercurius (Frans: mercredi) even ver van de zondag als de donderdag, die met de langzaam gaande Jupiter (de planeet van de wijsheid) correspondeert.
In al deze opzichten spreekt de plaats van de zondag de taal van een evenwichtig midden tussen uitersten, tussen polen.

Concluderend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht bereikt is (Wilhelm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’, Uitg. Urachhaus, aan hoe 16 kosmische evenwichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zondag na de lente-volle-maan, dus met Pasen) in die zin, dat het niet een statisch, vastliggend, maar een momentaan even­wicht is, dat in zijn bewegelijkheid overhelt naar de ‘zonnekant’: de dagen worden namelijk langer, de zonnebaan wordt hoger, die van de maan lager; de maan die net vol is geweest, neemt dus af, en tenslotte legt de dag van de week waarop Pasen valt ook de nadruk op de zon.
Dit samenspel van evenwichten en het vinden van het be­wegelijke midden is kennelijk de ritmische tijdsachtergrond voor het gebeuren van Dood en Opstanding op Golgotha.
Op vele oude afbeeldingen van dit gebeuren kun­nen we zien, hoe het kruis in het midden staat met links en rechts daarvan zon en maan.
De evangelist Johannes be­schrijft overigens ook dat er nog twee andere gekruisigden waren, links en rechts van Hem, en voegt er dan schijn­baar overbodig aan toe: ‘… en Jezus in het midden.’

Maar ook bij het Laatste Avondmaal, dat op de avond vóór de dag van de kruisiging viel, bevindt Jezus zich te­midden van zijn discipelen.
Leonardo da Vinci heeft bij de uitbeelding van dit gebeuren (tegen de traditionele op­vatting van tafelschikking in) Jezus niet aan het ‘hoofd’ van de tafel geplaatst, maar in het midden, zodat rechts en links van Hem zes discipelen zitten. Een studie over dit fresco van Hans Feddersen laat zien hoe zelfs spiegelbeel­dig ten opzichte van dit Midden de personen paarsgewijze polariteiten tot uitdrukking brengen. Dit verder aan te to­nen ligt buiten het bestek van dit artikel.

De mens wordt wel eens burger van twee werelden ge­noemd, namelijk van de stoffelijke, zintuigelijke wereld, maar tevens ook van de geestelijke wereld. Hij staat daar tussenin, hij kan als ideaal voor ogen hebben het midden te vinden tussen deze beide uitersten; tussen wereldvlucht en wereldzucht. Maar niet alleen in de dimensie boven-onder staat de mens in het midden. Ook in ‘horizontale’ zin staat hij tussen rechts en links, die de uitdrukking zijn van de twee uitersten geven en nemen. De rechterzijde van de mens is de kant van de daad, van de activiteit, van het (aan)geven; (dat linkshandigheid een uitzondering is, be­vestigt dit feit). De ‘hartekant’ van de mens is die van de ontvankelijkheid, van het ontvangen, van het (luisterend) openstaan voor de ander. Er zijn boeiende studies over de rechter en linker gezichtshelft van de mens, waarbij boven­staande wetmatigheid ook naar voren komt en fenomeno­logisch waarneembaar is.

Ook hier is het gevaar dat we in de eenzijdigheid vervallen van het alleen maar te willen opnemen, de beruchte consumptiehouding; of in het andere uiterste van het alleen maar willen geven, het voortdurend klaarstaan voor ande­ren en dan absoluut ‘uitgeput’ raken, wanneer wij niet voor onszelf uit een krachtbron kunnen putten en daaruit mogen ontvangen.

Maar ook in de ‘derde dimensie’ moet de mens een even­wichtig midden vinden, namelijk tussen voor en achter, tussen datgene wat op ons toekomt en wat achter ons ligt, tussen toekomst en verleden. Het alleen maar omkijken, herinneringen ophalen en geen stap voorwaarts durven zet­ten is al even onvruchtbaar als het andere uiterste, om zonder enige ervaring of waarschuwing te laten gelden blindelings vooruit te rennen en je hoofd te stoten.

Gedurende een godsdienstles, waar we over het zout spraken, dat als één van de substanties bij de doop wordt ge­bruikt, heb ik samen met de kinderen het volgende ‘gedicht’ gemaakt, dat de taal van het kubusvormige zoutkristal tot uitdrukking brengt:

Ik sta op de aarde, stevig en vast
Kijk ook op naar de hemel, vrij van aardelast;
Mijn rechterhand krachtig tot handelen bereid
Mijn linkerhand dankend tot ontvangen geneigd
Met de schat van ervaring die achter mij ligt
Zijn mijn schreden moedig op de toekomst gericht.
Zo staat de mens in het heelal
Zegt mij de eenvoudige vorm van het zoutkristal.

Wij kunnen in de uitspraak van Jezus tot zijn leerlingen: ‘Gij zijt het zout der aarde’ een groot ideaal beluisteren van de mens, staande in een harmo­nisch evenwicht tussen uitersten. In dit verband is het uiterst boeiend te zien, hoe Leonardo da Vinci in één van zijn voorstudies voor het reeds eer­der genoemde Avondmaal, Judas het zoutvat laat omgooien! Het zoeken van ons evenwicht wordt steeds be­dreigd doordat dit evenwicht geen sta­biele, statische, onwrikbare toestand is, maar integendeel een uiterst dynami­sche en bewegelijke.
De bewegelijke paasdatum en het daar­bij behorende kosmische midden zijn daarvan een exacte uitdrukking. Om­gekeerd kan deze kosmische constellatie ons wellicht helpen ons eigen be­wegelijke midden te vinden.

Maarten Udo de Haes,  ‘Jonas’4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

102-99

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (2)

.

De paashaas blijft

De haas is in de nacht veel meer actief dan overdag. Zijn zintuigen zijn goed ontwikkeld, vooral het gehoor. Het is een zoog- en knaagdier, dat zich uitsluitend met planten voedt. Z’n ‘bloem’ (staart) is niet lang. Een hol heeft hij niet. Twee of vier maal per jaar worden er 2 tot 5 jongen geworpen in z’n ‘sas’, meestal ‘leger’ genoemd, een kuiltje in de vlakke grond. Dan is de haas in z’n ‘knollentuin’. Vooral de ‘rammelaar’ (mannetje) staat bekend als uiterst intelligent en slim. Deze eigenschappen zowel als de grote vruchtbaarheid van de moederhaas behoeden hem voor totale ondergang, want de haas is het dier, waarop het meest jacht wordt ge­maakt. Geen zoogdier werd en wordt (?) zó achtervolgd als hij. Hij slaapt niet met open ogen, zoals men beweert, maar wel wordt hij wakker bij ’t allerminste gerucht. Is er gevaar dan drukt hij zich plat neer, houdt zich doodrustig en let scherp op. Dit noemde men het ‘slapen’ van de haas. Wij spreken van ‘hazeslaapjes’, wanneer, in een lichte halfslaap, onze ziel steeds even op speurtocht gaat buiten het lichaam. De Romeinen meenden, dat het eten van hazenvlees voor 7 of 9 dagen lieflijke schoonheid gaf, terwijl nu nog nog de mening heerst, dat hazenvlees een slaap schenkt, die rijk is aan dromen. De ja­gende mens heeft vaak de alertheid van de haas en zijn snelle vlucht-bij ontdekking, verkeerd geïnterpreteerd als bangheid. De haas is niet bang, maar waakzaam en zeer snel.

In Egypte was de haas toegewijd aan de godin Oeroet. In Griekenland aan Artemis en aan Afrodite. In het Noorden aan Ostara. Dit waren allen godinnen van schoonheid, liefde en vruchtbaarheid. En al heeft de kerk dan ook in de 8ste eeuw het eten van haze­nvlees verboden, zij heeft niet kunnen verhin­deren, dat nu nog bij het Ostarafeest (vgl. ‘Ostern’ is Pasen) de Ostara-haas (vgl. ‘Osterhase’ is paashaas) bij ons z’n intree doet. Daarmee acht men het geheim van de paas­haas verklaard. Maar ‘on peut lever le lièvre’ (men kan de haas optillen), zoals de Frans­man zegt. In goed Nederlands: ‘men kan een origineel idee krijgen’! Dit leerde ons het werk van wijlen C.A. Wertheim Aymès: ‘Die Bildersprache des Hieronymus Bosch’. (Ook in het Engels vertaald). De meeste achter­grondgegevens omtrent de haas dank ik aan hem en aan de Heer D. van Bemmelen te Den Haag.

Een zoogdier is altijd een symbool voor iets, dat te maken heeft met een activiteit van het fysieke lichaam van de mens. De haas verte­genwoordigt de activiteit van het Ego, het hogere Ik, in het fysieke lichaam. Van het verre Oosten tot het uiterste Westen, overal treft men het symbool aan van de haas. De Grieken kenden reeds het sterrenbeeld ‘lagoos’, de Romeinen ‘lepus’, aan het zui­delijk halfrond. Beide namen betekenen’ haas’. Ook de Egyptenaren moeten dit sterrenbeeld gekend hebben. Het is te vinden onder Orion en omvat 19 sterren. De Boeddha in de maan werd gezien als een haas  (‘Het Haasje in de Maan’). Men vindt hem in Peru, in China, op munten, op kledingstuk­ken, in sprookjes over de hele wereld, op Griekse vazen, op aardewerklampen uit vroegchristelijke tijd, op alchemistische te­keningen, op beeldhouwwerken uit China, Duitsland en de Elzas, enz… Hij is afgebeeld op schilderijen, o.a. dicht bij de Madonna of in haar hand (Titiaan, Hans Baldung Grien, Holbein e.v.a.). Wij zien hem tenslotte op verschillende schilderingen van Jeroen Bosch, (plus-minus 1460-1516). – C.G. Jung, de be­roemde Zwitserse psychiater, schrijft in zijn boek ‘Psychologie und Alchemie’ (1952): ‘Wonend in het Westen zou ik in plaats van ‘Zelf’ zeggen ‘Christus’; in het nabije Oosten waarschijnlijk: ‘Chadir’; in het verre Oosten: ‘Atman’ of ‘Tao’ of ‘Buddha’ en in het verre Westen misschien ‘Haas’ of ‘Mondamin’ en in de taal van de Kabbala: Tifereth.’

Wat is dat dan, wat Jung het ‘Zelf noemt? Het IK van de mens, die op aarde leeft, woont in de warmte van het bloed. Het symbool moet dus een warm-bloedig dier zijn. Tijdens het leven teert het IK de levens­krachten op, het knaagt aan de levenskrach­ten. Dus moet het door een knaagdier wor­den voorgesteld. Zolang de Ik-kracht  niet verdrongen is door krachten van het kwaad, het boze, d.i. door krachten die de harmo­nische ontwikkeling remmen of tegenwerken, is het Ik zonder verweer en doet het nie­mand enig kwaad. Daarom komt slechts een dier dat uitsluitend planten eet in aanmer­king. De schadelijke krachten worden meest­al voorgesteld door knaagdieren met een lange staart, die van alles eten. (Ratten, mui­zen, eekhoorns)

Wanneer een haas achtervolgd wordt door jachthonden en vermoeid raakt, springt een andere haas voor hem in de plaats en laat zich achtervolgen. Hij offert zich op voor zijn soortgenoot. Nooit geeft de haas geluid. Hij schreeuwt alleen, als hij in doodsnood is. Ook bootst hij de mens na in het ‘opzitten’, de vertikale lichaamshouding. Plutarchus zegt, dat de Egyptenaren de accuraatheid van zijn zintuigen en zijn snelheid als iets godde­lijks beschouwden. — Herinneren wij ons dan nog, dat een haas geen hol heeft en uiterma­te waakzaam is, dan begrijpen wij, dat hij bij uitstek het symbool is van het Ik. Het Ik is onzelfzuchtig, schaadt niemand, komt in actie voor zijn broeders, heeft geen tehuis op aarde en is altijd wakker. Het lagere Ik neemt de zintuigelijke wereld in zich op; het hogere Ik neemt waarnemingen op uit een hogere wereld. Het ziet deze in innerlijke, maar ware beelden, in imaginaties en hoort haar in woorden van binnen, in inspiraties. Het Ik is altijd wakend, laat aan de mens de geestelijke wereld zien en horen, maakt wakker en bewust en stelt hem verantwoor­delijk voor zijn daden. Dit Ik is het Zelf, waar Jung op doelt. Het is het blijvende deel in de mens, dat zijn ‘gewe­ten’ vormt, dat hem tot een moreel wezen maakt en dat voor zijn doen en laten uitein­delijk verantwoording draagt. Doch dit is slechts mogelijk in zoverre dit Zelf of Ik ook werkelijk voldoende aanwezig is. In deze tijd heeft het de fysieke organisatie zeer zelden reeds geheel doordrongen. Het Ik, het Zelf, dat de lichamelijk levende mens en zijn zielenleven nog maar gedeeltelijk kan bestu­ren, wordt gesymboliseerd door de haas. De haas graaft geen hol in de grond.

Het konijn, dat nauw met de haas verwant is, doet dat wel. Daarom is het konijn het beeld voor de volledige penetratie van het Ik in de mens. Het Ik dringt door tot in het merg van de beenderen, daar waar het Ik-dragende bloed gevormd wordt. Over de wereld waartoe dit Ik behoort, kan men alleen maar spreken in beelden en deze moet men nemen uit de uiterlijke fenome­nen. Zij zullen over de hele aarde niet altijd en overal precies hetzelfde zijn, doordat de uiterlijke verschijnselen verschillen. Het Ik wordt belaagd door duistere krach­ten, eveneens gerepresenteerd door knaag­dieren.

De eekhoorn is de egoïstische kennis. In de Germaanse mythologie heet hij Ratatosk (Vliegende Twijfel). Hij is steeds vol twijfel en aarzeling, de schaduwzijde van het ware, geestelijke inzicht. In de bijbel heet dat waaruit hij voortkomt, Diabolos.

De Sa­tan van de bijbel brengt ons de rat. Hij is het beeld van de egoistische hebzucht, de die­naar van de grote zelfzuchtdraak, die de wereld omspant en die de Ik-ontwikkeling tegenhoudt.

De muizen zijn de dagelijkse boosaardigheidjes van de mens. Zij zijn nog veel vruchtbaarder dan hazen en konijnen. Nu heeft ieder symbool twee kanten: Een aardse kant en een die meer naar de hemel, het boven-zinnelijke, is gericht. De aardse kant van deze knaagdieren, ook van de haas, is hun sterk voortplantingsvermogen. De bovenaardse kant hun creativiteit. De ikzucht, de hebzucht, is buitengewoon creatief, slim en scherpzinnig, gericht op aards bestaan en geestelijke macht. Maar het is de spirituele vruchtbaarheid, de ware geestelijke creativi­teit, die ons Ik behoedt voor een totale on­dergang.

Deze ondergang zou onafwendbaar zijn ge­weest, als de hogere, goddelijke wereld niet had ingegrepen. Door de invloed van diabo­lische en satanische machten zou het Ik van de mens geheel ten gronde zijn gegaan. De incarnatie van een goddelijk Ik-wezen in een menselijk lichaam, Zijn offerdood en Zijn opstanding, die de overwinning is op de on­dergang, heeft de mens weer de mogelijkheid gegeven zijn werkelijke leven, het leven van zijn Ik, te behouden en zijn eigen Zelf crea­tief verder te ontwikkelen en te vervolma­ken.

Zo werd het feest van Ostara, van de ver­jonging, van de opstanding in de natuur, voor de christenen het feest van Christus’ dood en verrijzenis. Van Ostara bleef in Duitsland ook nog de naam. Bij ons bleef al­leen het dier, dat haar was toegewijd: de paashaas. Hij brengt ons de nieuwe levenskiemen, de nieuwe mogelijkheden: de paas­eieren. In het ei zijn ook de krachten van zon en maan te vinden: de ronde, gele dooier en het wit. Ook schenkt Pasen het jonge, nieuwe leven: de paaskuikens. Maar wat wordt er niet op de paashaas ge­jaagd! Miljoenen karikaturen van hem wor­den over de wereld verspreid. Hij is verne­derd tot een handelsobject, een commerciële stimulans, een winstmaker, gevuld met winstmakende eitjes. Dat bent U, dat ben Ik! In de bekende Playboyclub in Londen wordt men bediend door ‘bunnies’. Dat zijn ‘ko­nijntjes’, mooie meisjes met blote schouders en blote benen en een grote strik met hoog opstaande punten (oren !) in het haar. Be­gint u te begrijpen wat achter dit alles schuilt? Hoe de Christus en ons Paas-Ik nog steeds wordt achtervolgd door snuffelende, rennende, goed afgerichte honden? In vroe­gere eeuwen waren het dogmaverstarring, zucht naar rijkdom, roem en macht, onver­draagzaamheid, kettervervolging. Het waren ‘honden’ in velerlei soorten. De meesten van die ‘honden’ zijn nog aan ’t werk. Er zijn er vele bijgekomen.

Maar de paashaas blijft. Hij blijft ook zacht­moedig. Voordat de haan bovenop onze le­vensboom, onze Ik-drager, onze palmpaas, gekraaid heeft, zullen wij Christus misschien nog vaker dan Petrus verloochend hebben. Maar direct daarna zegt Christus: ‘Uw hart worde niet ontsteld… Men heeft Mij ver­volgd, men zal ook U vervolgen… Schept moed: Ik heb de wereld overwonnen. (Joh. 14:1;15:20;16:33)

Het zal enorm moeilijk zijn, de paashaas van binnenuit goed te gaan begrijpen en in ere te herstellen. Wie hem tracht uit te roeien, roeit zichzelf uit. Wie hem vanuit zijn onbegrip minacht en bespot, minacht en bespot zich­zelf. Toch zal onze paashaas ons helpen het hoogtij van Pasen steeds dieper te doorleven. Want ‘Christus is waarlijk opgestaan.’

 Henk Sweers, ‘Jonas’ van 8 april 1977.

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

101-98

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (3)

.

Henk Sweers , ‘Jonas’ 09-04- 1976

.

‘DRIE EI IS EEN PAASEI’

De dood schenkt het leven

Er is een tijd geweest, waarin de mensen de veranderingen in de natuur meebeleefden: het verwelken van het leven in de herfst, het ontwaken van de natuur in de lente. Men nam echter niet alleen de uiterlijke feiten als buitenstaander waar, maar men liep de kring­loop van het jaar zelf met zijn hele wezen mee. — Wat gaat er om in de mens als hij zijn lichaamskracht voelt afnemen? Wat gaat er om in de kinderziel, als zij de levenskrachten in zich voelt ontwaken?

Toen de eerste christenen de kruisdood en de herrijzenis van Christus gingen herdenken, konden zij nog meemaken, hoe in de lente hun eigen leven opging in dat van de uiterlijke wereld. Hun religieuze belevenis, hun gevoel van verbonden te zijn met een hogere, bovenzinnelijke wereld inspireerde hen echter tot de gedachte: ‘De goddelijke wereld is in ons in het graf gelegd, maar hij is opgestaan. – Hem kan men begraven, zonder dat hij te gronde gaat.’

Doch hoe beleven wij in deze tijd nog de kringloop der seizoenen? Ons leven wordt steeds meer airconditioned. De heb- en ge­makzucht verblinden ons, en als wij door de zichtbare wereld proberen heen te kijken naar een toekomst, dan zien we slechts ziek­te, dood en… niets. Dan wordt iedere religie een fopspeen, iedere bewering over een bo­venzinnelijke wereld, over een wereld achter de dingen, een zoethouwertje.
En toch: alles wat wij verwachten van een sociale vernieu­wing, van een verbetering van onze maatschap­pij, het zal alleen dan mogelijk zijn, als de mensheid opnieuw en nu zeer bewust geïn­spireerd wordt door de gedachte, dat al het natuurlijke, het zintuigelijk waarneembare in directe samenhang staat met het morele, met het geestelijke. Het kan voor iemand die even dieper kijkt toch geen stom toeval zijn, dat hij hier in deze wereld is, dat zijn om­standigheden zijn zoals ze zijn. Hij zal zich afvragen: ‘Welke rol speel ik zelf in dit alles?’ – En dan heeft hij zichzelf en daarmee de wereld achter de dingen reeds ontdekt. Want als iets beweegt, als er iets gebeurt, dan moet er iets zijn, dat het in beweging brengt, dat het tot een feit maakt. In het zegen brengende licht van de lentezon kan de bewust den­kende mens, als hij het wil, opnieuw de reali­teit ervaren van een wereld, die goddelijk, geestelijk, occult, bovenzinnelijk, achter de dingen is. Hoe men die wereld ook wil noe­men: voor de christen is dat de wereld die Christus voor de mens heropend heeft.

Christus heeft de mens de mogelijkheid ge­geven om zélf de hel van het niets, de ziekte en de dood te overwinnen. Door Zijn daad zette Hij in de plaats van de leugengestalte van de dood-als vernietiger de ware, werke­lijke gestalte van de dood-als-schenker-van-le­ven.

Toen de mens deze wereld achter de dood nog, zij het meer onbewust, kon beleven, ontstonden de oeroude, voorchristelijke ge­bruiken. Wat is de zin ervan? Het zijn alle­maal symbolen, beelden voor datgene wat eigenlijk niet in woorden kan worden weer­gegeven. Deze beeldentaal gebruikt ook de mythologie, gebruiken ook de sprookjes.

Paasei

Probeert u eens even te vergeten wat een ei is. Het is op het eerste gezicht – een witte gepolijste steen. En dan, nadat de hen het 21 dagen heeft bebroed, komt er een levend wezen, een kuiken uit te voorschijn. Een be­ter beeld voor het wonder der opstanding uit de dood is nauwelijks denkbaar. Dit schijn­baar dode ding heeft dus leven in zich! Heb­ben zo alle dingen niet een onzichtbare kracht in zich? De graankorrel, de boon, de plant, de boom, het water, de lucht, de aarde en het zonlicht? En de mens, die wij zien groeien en bewegen, zal die niet op zekere dag voor ons een nieuwe, niet vermoede kracht kunnen openbaren?
Veel mensen beginnen zich bewust te wor­den, dat de gebeurtenissen waarmee zij wor­den geconfronteerd, evenzeer als hun eigen beslissingen geen toevalligheden zijn. De mens draagt nog altijd in zich een bovenzin­nelijke levenskracht. Wie goed om zich heen kijkt, kan in vele van zijn medemensen de opstanding zien. Zou het kind, dat nog heel anders kijkt dan de volwassene, niet onbe­wust iets van die ontwaking mee beleven? Wat een vreugde als het een in de tuin of in het huis verstopt paasei vindt! Laten wij toch zoeken naar de eieren die overal in de wereld verstopt zijn!

Na de lichtfeesten in de wintertijd, begonnen in de lente de feesten der vruchtbaarheid. Maar de mens is niet alleen lichamelijk vruchtbaar. Zijn geest kan vruchtbaar zijn voor de hele wereld. De levensboom, waar­om wij ons schaarden met Kerstmis, is het symbool van de groei- en levenskrachten in de mens, maar ook van de ik-drager, de dra­ger van de geest. Wij zien in de lente dan ook deze levensboom als meiboom terugkeren. Met de palmpaasoptocht draagt ieder kind zijn eigen mei, zijn eigen levensboom. Bo­venop prijkt meestal de haan, het mytholo­gische dier, dat in de prilste morgenschemer de heraut is van de nieuwe dag die komt. Soms was het een zwaan, het symbool van de kracht in de ziel, die omhoog kan vliegen tot grote, geestelijke hoogten.
Vaak is een broodkrans, horizontaal of verticaal, aan de paasstok gebonden. Deze duidt aan: het rad van de zon, de geestelijke zon, die eeuwig is. Aan de stok is altijd groen bevestigd van een boom die nooit verdort. In onze streken meestal van de buksboom (Buxus sempervirens), die dan ook dikwijls Bukspalm heet. Weer een symbool voor het eeuwige leven. Er hangen gedroogde of andere vruchten aan, of de stok is gestoken door één of meer­dere sinaasappels. Vruchten dragen immers het nieuwe levenszaad! De ‘palmpaas’ heeft de vorm van een mei­boom in het klein, doordat een ring ( men noemt het ‘rad’ of ‘wiel’) horizontaal rond­om de stok is opgehangen. Stam, krans en haan vormen de hoofdbestanddelen van de meiboom (Saksisch type). Ofwel het is een lange stok, waaraan appels, sinaasappels, krentenbroodjes enzovoort, zijn geregen, met bovenop de zwaan of de haan (Fries type). Ofwel het is een kruishout (een Chris­tussymbool), met gekleurd papier omwoeld, dat de bovengenoemde ingrediënten draagt (Zuid-Nederlands type) Maar overal hangen er de eieren aan, de paaseieren.

Palmprocessies

Met deze ‘palmpasen’ houden de kinderen een ommegang. Dit is een overblijfsel van de heidense lente-optochten en van de palm­processie. Deze processie werd het eerst in Jeruzalem gehouden. Een non uit de Provence, die in de 4de eeuw een pelgrimstocht maakte naar het Heilige Land, vertelt er over in haar dagboek. De gelovigen kwamen op de Olijfberg tezamen en geleidden vandaar de bisschop, die Christus verbeeldde, naar de stad. Allen droegen palm- of olijftakken. Van Jeruzalem uit verbreidde het gebruik zich over het westen.
In de middeleeuwen hield iedere stad één gezamenlijke processie. Er werd altijd een ‘palm-ezel’ meegevoerd. De ezel is het beeld van ’s mensen stoffelijk lichaam. Eerst was het een levende ezel, maar later werd het, omdat zo’n ezel erg koppig en weerbarstig kan zijn, een ezel van hout. Ook de berij­der, Christus, aanvankelijk door een hoge geestelijke voorgesteld, werd later in hout uitgebeeld. Eerst gedragen op de schouders, later op wielen voortgetrokken. U kunt de ‘palmezel’ nog in enkele musea zien. Het werd steeds meer een uiterlijk kijkspel. De hervorming maakte er een eind aan.
De oude gebruiken gaan van de volwassenen over naar de kinderen. Eerst bootsten zij ’s middags na wat zij ’s morgens hadden ge­zien. Al bezitten wij nog een keur van het dorp Uitgeest uit 1635, waarbij het lopen met Sint-Maartenslichten of met Palm- ofte diergelijcke groenten’ of met ‘Pingsterblommen’ wordt verboden, toch vinden wij dit ge­bruik nog zowel in protestantse als in ka­tholieke streken terug. Een van de meest interessante bijzonderhe­den is het lied, dat in vele varianten bij deze optocht gezongen wordt:

.
Pallem-pallem-pasen,
Ei – koer – ei,
Over enen zondag dan krijgen wij een ei.
Een ei is geen ei,
Twee ei is een hallef ei,
Drie ei is een Paas-ei.

Het oorspronkelijk lied, waar deze kinderdreun een kapot gezongen overblijfsel van is, kennen wij niet. Maar dit overblijfsel is al in­teressant genoeg. ‘Ei — koer –   ei1 komt waarschijnlijk van een Griekse smeekbede (op z’n Latijn uitgesproken), die ook nog te vinden is in de roomse mis: ‘Eleison, Kurië, eleison.’ Ontferm u. Heer, ontferm u.’ —
En dan die merkwaardige drie eieren! De oude Chinese wijzen leerden, dat alles ontstaat uit drie dingen: Twee krachten en het span­ningsveld tussen beide. Twee levende, steeds veranderende krachten en hun onderlinge relatie. Iets is lang en iets anders kort door het verschil tussen beide. Vader, moeder en kind. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een aardse mens, zijn bovenzinnelijk hogere wezen, en dat waar de mens ik tegen zegt. De aarde, de hemel en… het ‘feest’.
Ons redenerend verstand heeft om dit te begrij­pen een norm nodig. Het moet een moment in de tijd, een vorm in de ruimte fixeren. Het levende, altijd groeiende krachtenveld tussen ruimte en oneindigheid, tussen tijd en eeuwigheid, kan slechts betreden worden door ons geestelijk wezen, door ons creatief vermogen, door onze inspiratie, door ons Ik. —
Eén ei, één kiem van een mensen-ik is niets, want iedere mens heeft de andere mens nodig. Twee-ei, twee mensen kunnen gemeenschap hebben en zich voortplanten, maar dat is nog maar de helft van het men­senwezen: het zintuigelijk-lichamelijke. Wat is een half ei? Het is ten dode gedoemd.!
Drie ei (niet drie eieren) de drie-eenheid van het lichaam, en de ziel, en de geest, die hen tot werkelijkheid brengt, dat is het werkelijke paasei: de opstanding uit de dood! – Chris­tus is de waarheid en het leven én de weg.

Paashaas

Uit het oosten kwam de haas naar onze lan­den gesprongen, om hier de paashaas te wor­den, die ons de eieren der opstanding brengt. Een zachtmoedig dier, dat zich snel voort­plant en dus een symbool voor de vrucht­baarheid. Hij heeft geen eigen huis, het hele land is zijn woning. Daarom is de haas ook het beeld voor ons hogere Ik-wezen. Wordt een haas achtervolgd, dan gaat een andere haas voor hem aan het lopen, om zijn ver­moeide soortgenoot te redden.* Zo is hij tenslotte een symbool voor het Christus-wezen, dat onzelfzuchtig is en toch altijd achter­volgd wordt door de zelfzuchtigcn en dat zijn leven geeft voor zijn broeders.
Het kind kent nog niet het werkelijke kwaad, het kent de dood nog niet en is daar­om nog niet aan de eigen opstanding, aan het werkelijke, het christelijke paasfeest toe. Voor hem duurt het paasfeest meer dan één volle week. Want het paasfeest begint reeds met palmzondag, de zondag vóór Pasen. Dit feest heet dan ook ‘Palmpasen’. Het is het begin van de paasweek, het overwinnings­feest van de zichtbare, uiterlijke zon. Die schenkt ons ieder jaar een nieuwe lente en iedere morgen een nieuwe aardedag. Aan haar dankt de aarde het natuurlijke leven. Maar deze natuurlijke zon gaat iedere avond onder. Zo bloeit het leven op, om weer te sterven in de dood.
Het was het stoffelijk li­chaam van Jezus, dat men eenmaal feestelijk binnenhaalde in Jeruzalem. Vijf dagen later liet men het kruisigen. Want het wezen, dat in dat lichaam woonde, het eeuwige licht van de geestelijke zon, dat had men niet gezien. Daarom vertelt het Lucasevangelie ook, dat Jezus, tijdens zijn intocht dichterbij de stad gekomen, Jeruzalem vóór zich zag en zei: ‘Och mocht gij op deze dag toch verstaan, wat tot uw vrede dient, maar thans is het verborgen voor uw ogen.’
Pasen, een week later, is het hoogfeest van het leven, dat geen ondergang kent en dat Christus aan de mens schonk door zélf mens te worden. Hij over­won de dood van de materie en opende de poort naar de geest. Hij onthulde voor onze ogen de toegang tot het wezenlijke vrede­feest.
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldPalmpasen – Pasen

.

100-97

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (1)

.

 J.E. Zeylmans van Emmichoven , ‘Jonas’  22 maart 1974
.

‘BEWEGING’-
EEN ZAAK VAN LEVEN EN DOOD

waarom is Pasen elk jaar op een andere datum?

Het is juist 77 jaar (in 1974) geleden dat de Duitse astronoom Wilhelm Foerster, naar aan­leiding van een conferentie van de internationale Vereniging voor Maten en Gewichten, het Vaticaan het voorstel deed om de datum van het paasfeest eens en voor altijd vast te leggen. Het antwoord van de toenmalige staatssecretaris van paus Leo de Xlll, kardinaal Mariano Rampolla, laat geen twijfel over be­treffende de opvattingen van de roomse kerk omtrent de betekenis van het paasfeest. Wanneer men de voorgestelde hervorming uitsluitend zou bezien in het licht van maatschappelijk voordeel, aldus de kardinaal, zou het project on­getwijfeld gunstig worden ontvangen. Maar de kerk “had ook rekening te hou­den met tradities, dat wil zeggen met het mysterie van dood en opstanding.” In­dien echter de publieke opinie door de geleerde wereld beter zou worden voor­gelicht, en er daardoor een algemeen verlangen zou ontstaan naar een relatief vaste paasdatum, zou de Heilige Stoel zo’n initiatief zeker in overweging ne­men.

Sindsdien zijn er telkens voorstellen geweest om een eind te maken aan de beweeglijkheid van de paastermijn. Zo­als bekend, wordt Pasen elk jaar op een andere datum gevierd, doordat er op het concilie van Nicea in het jaar 325 (dus in de vroege Christenheid) bepaalde afspraken over de astrono­mische berekening van het jaarlijkse paasfeest zijn gemaakt. Daaraan heeft de Christenheid zich sindsdien gehou­den — de methode van de berekening is bij kalenderhervorming van 1582 nog wat geperfectioneerd. – Maar ook nu weer, in deze jaren, wordt er op in­ternationaal niveau overlegd of het niet tijd wordt, een eind te maken aan deze beweeglijkheid van de paasdatum, en Pasen voor de verdere toekomst te “fixeren” in het jaarverloop.

Een commissie voor de wereldraad der kerken is daar bijvoorbeeld al jaren mee bezig. Het tweede Vaticaans concilie heeft zich er ook over beraden en het besluit gevat zich tegen zo’n ka­lenderhervorming niet te zullen verzet­ten (“mits ook in het bijzonder de ge­meenschap der van de Heilige Stoel ge­scheiden broeders daarin zou toestem­men”). En een speciaal bureau van de Verenigde Naties heeft de plannen, sa­men met een voorstel tot invoering van een eeuwigdurende “wereldkalender” (een gefixeerd weekritme inbegrepen) al zo ver klaar, dat het geheel bij wijze van spreken direct ingevoerd zou kun­nen worden. Alleen een aantal rege­ringen heeft nog niet toegestemd, en van de zijde der joodse orthodoxie zijn er bezwaren gemaakt.

SLEUTEL
Veel mensen denken tegenwoordig dat Pasen een stuk mythologie is. En met “mythologie” bedoelen ze dan dat het niet werkelijk gebeurd is. Even af­gezien van de vraag of mythologie niet ook eens werkelijkheid was, blijft het probleem over of Pasen iets werkelijks is. Sedert meer dan negentien eeuwen hebben christenen dat inderdaad zo gesteld. In onze tijd wordt het meer en meer betwijfeld — of ontkend. Even afgezien van de vraag of de twintigste eeuw zich dat oordeel wel kan veroor­loven, en of onze twintigste eeuwse cultuur over zo’n soeverein inzicht en over zo’n morele zekerheid en rein­heid beschikt dat ze Pasen met de term “onwerkelijk” kan afdoen — blijft toch de vraag bestaan wat Pasen zelf is.
Wie zich daarvoor interesseert komt tegenover een vraagstuk te staan dat het hele leven betreft. En één van de sleutels om dat te begrijpen is juist de bewegelijkheid van de datum. Iedereen kent uit eigen ervaring wel, hoe men jaren lang met een probleem leeft, en op een gegeven ogenblik komt de oplossing. Er wordt een inzicht ge­boren, dat misschien in tegenspraak is met wat we tot dan toe gedacht heb­ben. Dat komt bijvoorbeeld vaak voor bij een crisis, waarin een mens een le­vensbeproeving doormaakt. Iemand wordt bijvoorbeeld uit zijn beroep ont­slagen, en hij is er diep van overtuigd dat dat onrechtvaardig was. Of een huwelijk breekt uit elkaar, doordat een van de partners de ander verlaat; deze maakt dan de vernedering door van “verstoten zijn” en voelt zich be­ledigd en verraden. Of een mens wordt in een belangrijke zaak in het ongelijk gesteld, maar hij kan niet inzien waar­om; wrok blijft er over. Velen van ons kennen zulke of soort­gelijke ervaringen. Ze houden ons uit de slaap, “we komen er niet overheen”, steeds opnieuw zijn we ermee bezig, een groot onbegrijpelijk brok dat daar in het zieleleven ligt, een echte levens­beproeving. — Maar het leven gaat ver­der, de tijd brengt nieuwe ervaringen, er ontstaat ondanks het leed toch af­stand tot het gebeurde. En op een dag, misschien jaren of zelfs een tiental jaren later bemerk je dat er andere gedachten over het drama zijn ontstaan: in de terugblik heeft het gebeurde een andere plaats gekregen, allerlei details zijn intussen vervaagd, terwijl er nieu­we gezichtspunten zijn ontstaan die je vroeger nooit zou hebben willen
aan­vaarden, maar die nu ineens wezenlijk zijn geworden. Alles ziet er nu anders uit, ja — er komt een verbazingwek­kende waarneming: er begint dankbaar­heid te ontstaan voor het gebeurde -“als me dat toen niet was overkomen, zou ik later nooit…” De beproeving blijkt achteraf juist de oorzaak te zijn voor een positieve verdere ontwikke­ling, de crisis is vruchtbaar overwon­nen. En je hoort zeggen: “aan die moei­lijkste uren van m’n leven heb ik het allerbelangrijkste te danken, er is iets totaal nieuws in m’n leven ontstaan.” De gebeurtenis, vooral als het een diep ingrijpend gebeuren was, was als “de dood”, je stierf een beetje. Ook je voor­stellingen en denkbeelden, misschien je hele levensopvatting maakten de dood door (“ik voel me een gestorvene”, hoor je in zo’n situatie iemand wel eens zeggen). Ook je eigen — geliefde — ge­dachten over jezelf en anderen zijn in de crisis mee ondergegaan, “ik ben heel anders over het leven gaan denken”. Ook allerlei gebruikelijke gevoelens zijn ondergegaan, als een schip in de storm, je ervaart misschien ineens dat je je tegenstander, of degene die je alles heeft aangedaan, hebt vergeven — niet sentimenteel, maar écht. Je gevoels­leven is veranderd, er is nu iets moge­lijk wat er vroeger niet inzat.

TRADITIE?
Toen kardinaal Rampolla, in zijn ant­woord aan de astronoom Foerster, op diens voorstellen zei dat de kerk ook rekening had te houden “met het mys­terie van dood en opstanding”, heeft hij er misschien niet aan gedacht dat het een puur mysterie is dat mensen op een vruchtbare, vrije manier indivi­dueel een levenscrisis kunnen overwin­nen, en dat dat -in beeld gesproken­ – een zaak van dood en opstanding is. Wie dat echter heeft doorgemaakt weet het uit eigen ervaring. En er zijn veel mensen die dat weten. De kerk­vorst heeft waarschijnlijk meer de tra­ditionele leer (het dogma) van Chris­tus’ dood en opstanding voor ogen ge­had. Hij spreekt tenminste van “een traditie”.

Maar eigenlijk zou het voor een mo­dern onbevangen redelijk gezond ver­stand denkbaar moeten zijn dat het be­ginsel, dat aan deze overlever­ing ten grondslag ligt, een be­ginsel van genezing, van beweging is, van vernieuwing die uit een sterfproces voorkomt, het principe van de wedergeboorte in de dood. Opstan­ding is metamorfose, herrijzenis uit een ondergaande toestand in een nieu­we gestalte. En een mens die dat door­maakt weet ook dat er beweging in zijn leven gekomen is, dat de verstar­de en vastgelopen voorstellingen ge­storven zijn, dat er uit die dood iets nieuws is geboren, bewegelijk als al­les wat nieuw geboren is.

Een feest, elk feest, moet een toon­beeld zijn van dat waarvoor het ge­vierd wordt. Het is een grandioos feit, en volledig in overeenstemming met “het mysterie van dood en op­standing”, dat Pasen door de eeu­wen heen telkens op een andere da­tum plaats vindt — het toont “be­wegelijkheid” in hoge mate en staat in zekere zin tamelijk los van de loop van de zon door het jaar (waaraan Kerstmis, Sint-Jan, de michaelsdag op vaste data gebonden zijn).
Pasen vertoont ten opzichte van de tijd iets van die vrijheid, die ook een mens heeft ten aanzien van de om­standigheden als het erom gaat een crisis vruchtbaar te doorstaan — want dat is altijd een zaak van vrije wil. Geen macht ter wereld kan mij tot herrijzenis dwingen.
Natuurlijk blijft Pasen daarmee toch nog een mysterie, al kun je er in ge­dachten mee omgaan. — De over­winning van de dood, op aarde door Christus volbracht, heeft aan de he­mel elk jaar een beeld getekend, in het schrift van de hemelverschijnse­len: de dagen zijn langer dan de nach­ten geworden, de eerste zondag na volle maan is voorbij, Pasen is ge­vierd — daar staat na zonsondergang aan de avondhemel een smalle zilve­ren maansikkel, en met een merk­waardig asgrijs licht zien we de ge­hele maanschijf verlicht: de schaduw­zijde van de maan ontvangt (zoals Leonardo da Vinci als eerste ontdek­te) dit matte licht door de zonbesche­nen aardel De aarde belicht haar be­geleider, de maan, met een zacht weerkaatst zonnelicht. Iedereen die dit verschijnsel wel eens heeft gezien is getroffen door de raadselachtige sfeer van dit beeld. (Het is soms al een of twee maanden eerder te zien, maar meestal is het na Pasen het mooiste.)
Er zijn nog veel andere motieven te vinden voor de beweeglijkheid van de paasdatum, en het is een onuit­puttelijk motief: de vraag wat Pasen, het feest van Christus’ opstanding  is. Eén ding is wel zeker: wie Pasen wèl wil vieren, maar de datum van het feest wil vastleggen, is in diepe tegenspraak met de betekenis van het feest zelf.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

99-96

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (2)

.

Juffie Aagjen, verdere gegevens ontbreken
.

PALMPASEN

Laatst, toen ik in een weekend thuis kwam, vertelde mijn moeder, dat de kippen na al die koude maanden weer “aan de leg” waren.

Naar aanleiding van dit voorval gingen mijn gedachten uit naar de komende paastijd.

In de tijden dat het nog niet zo vanzelfsprekend was dat je het hele jaar door kon eten wat je wilde, moet het de mensen vrolijk gestemd hebben om in het voorjaar weer eens een vers ei te kunnen eten.
Ook de eerste lentegroentes gaven de eettafel na lange tijd weer een fleurig aanzien.

Al deze dingen horen bij de paastijd, maar wat zegt het feest van Pasen ons nog meer?

Heel vroeger was het het feest van de terugkeer van het leven in de natuur. Later is dit feest verchristelijkt.
Nu vieren wij met Pasen eigenlijk de opstanding van Christus.

Het ei is een prachtig symbool voor deze opstanding: uit die ogenschijnlijk
levenloze eierschaal komt opeens een kuikentje tevoorschijn.

In de week voor Pasen wordt er in de kleuterklas het overbekende liedje gezongen van:

Pallem-pallem-pasen, Ei-koer-ei,
Over enen zondag dan krijgen wij een ei,
Een ei is geen ei,
Twee ei is een hallef ei,
Drie ei is een Paasei.

Het oorspronkelijke lied, waar deze kinderdreun een kapot gezongen
over­blijfsel van is, kennen wij niet. Maar dit overblijfsel is al interessant genoeg. Ei-koer-ei’ komt waarschijnlijk van een Griekse smeekbede (op zn Latijn uitgesproken) die ook nog te vinden is in de roomse mis:
“Eleison, Kurië, eleison” Ontferm u, Heer, ontferm u”.

En dan die merkwaardige drie eieren!
De oude Chinese wijzen leerden, dat alles ontstaat uit drie dingen: twee krachten en het spanningsveld tussen beide.

Twee levende, steeds veranderende krachten en hun onderlinge relaties: vader, moeder, kind.

Één ei, één kiem van een mensen-ik is niets, want ieder mens heeft de andere mens nodig.
Twee-ei, twee mensen kunnen gemeenschap hebben en zich voortplanten, maar dat is nog maar de helft van het mensen-wezen: het zintuigelijk—lichamelijke.
Drie ei,  (niet drie eieren) de drie-eenheid van lichaam,  ziel en geest, die
hem tot werkelijkheid brengt, dat is het werkelijke paasei!

Als ouders en kleuterleidsters kun je dan ook echt genieten, wanneer de kinderen als dolle honden aan het eieren zoeken gaan,  die de paashaas
voor hen zo goed verstopt heeft.
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen – Pasen

.
98-95

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (1)

.
 Walther Van Riet, verdere gegevens ontbreken
.

PALMPASEN
.

In het palmpasenfeest zoals wij dat kennen, vloeien heel wat invloeden samen.
Sterk aanwezig is een voorchristelijk restant van het oude lentefeest. Voorts ook een christelijke invloed, die zich ongetwijfeld steeds sterker heeft doen gelden, namelijk de herinnering aan de intocht van Christus in Jeruzalem.

In Nederland werd dit feestvieren door de reformatie al snel ingedijkt, doch in het katholieke zuiden beleefde het een lange bloei. Velen zullen zich nog herinneren hoe men op palmzondag door het kruis voorafgegaan met “palmen” rond de kerk trok.

Dan werden de palmen gewijd en boven de deur van huis en stallingen opgehangen, heel dikwijls ook achter het wijwatervatje of het kruiske.

De kleine kinderen, die natuurlijk nog geen bewuste verhouding tot het christelijke paasgebeuren vinden, maken er HUN vrolijk lentefeest van.

In dat feest zijn al deze gebruiken verweven: 

De vreugdevolle liederen die de lente bezingen, de bloemen, de dansen rond ( jawel) de meiboom, dit alles naar voorchristelijk gebruik.

Zingend in een grote keten rond de kerk trekken (zoals men dat in het Nederlandse Ootmarsun doet) wordt bij hen zingend door de school trekken’ waarbij dan ook nog de palmtakjes en de palmpasenstokken (kruisen) horen.

Zo’n palmpasenstok is dus een symbolisch kruis, waarop bevestigd: palmtak, broodhaantje, de kraaiende verkondiger van de nieuwe dag, of als U wil de haan die driemaal kraaide toen Petrus Christus verloochende. Verder nog vruchtenslingers, vooral rozijnen, bij ons meestal door papieren slingers vervangen en bloemen als lentesymbool. In sommige streken ook nog de broodring als zonnesymbool.

Zo gaat dan de vreugdevolle jeugdige optocht, tot zij tenslotte als beloning van “de groten” een mooi beschilderd eitje, ook al zon levenssymbool mogen ontvangen.

Zingend trekt de jonge schare de zon tegemoet, zich niet bewust van het drama van Golgotha dat nog volgen moet.

Hier volgt hun lied :

Palm, palm, Pasen
Heikoerei
x Over enen zondag
x Dan hebben wij een ei
Eén ei is geen ei
Twee ei is een half ei
Drie ei is een paasei

x deze woorden zijn intussen bij ons verloren gegaan.
.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Palmpasen (met o.a. voorbeelden van broodhaantjes en palmpasenstok;  bij Pasen: jaartafels
.

97-94

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (18)

.

Carnaval

DE DIERENFAMILIE IN DE SLAAPZAK

Carnaval vieren is niet voor iedereen een even vanzelfsprekende zaak. Of het een feest is waar je je helemaal in thuisvoelt of dat je het als een vreemd massaal gebeuren van buitenaf bekijkt, hangt sterk samen met de geografische plek waar je opgroeit. Voor kinderen is – onder of boven de grote rivieren – vooral het ver­kleden een aantrekkelijk aspect van het carnavalsfeest.

Hannelie Glasl beschrijft hoe zij in de carnavalstijd aan de hand van een Russisch sprookje deze verkleedpartij een bijzondere vorm gaf. Iedereen krijgt hierbij -met heel eenvoudige middelen – de gelegenheid om even helemaal een ander te zijn.

Vol verwachting kijken mij drie paar kinder­ogen aan. Wij zitten in een kring op de grond en ik begin te vertellen. Het wordt een Rus­sisch wintersprookje dat wij straks met z’n allen gaan spelen.

Midden in de winter liep er eens een oude man door het bos en zijn hondje liep achter hem aan. En terwijl die twee daar zo wandel­den, viel er een want in de sneeuw.
Een muis­je tripte er naar toe, glipte vlug naar binnen en riep: ‘Dit is een prachtig huis voor mij!’
Al heel gauw stond er een kikker voor de deur, die vroeg: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel! En wie ben jij?’ ‘Ik ben de kikker Hippelbeen! Mag ik bij je komen?’
‘Dat is goed. Klim maar naar binnen!’ Zo zaten de muis en de kikker heel gezellig met z’n tweeën in de want.
Na een poosje kwam er een haasje voorbij. Die bleef voor de want staan en vroeg: ‘Wie woont er in de­ze want?’
‘Het muisje Haastje-snel en de kikker Hippel­been En wie ben jij?’ ‘Ik ben het haasje Vlugtervoet en ik zou heel graag bij jullie in de want komen wonen!’ ‘Dat is goed, kom maar binnen!’
Nu woonden ze met z’n drieën in de want en hadden het er lekker warm. Toen kwam er een vosje aanstappen. ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippel­been en het haasje Vlugtervoet en wie ben
jij?
‘Ik ben het vosje Guldenvel. Laat mij ook binnenkomen’
Nu zaten ze met z’n vieren in de want en ke­ken vandaar de wereld in. Plotseling kwam er een wolf aanzetten. Hij stond stil voor de want en vroeg: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, kikker Hippelbeen, het haasje Vlugtervoet en het vosje Gulden­vel. En wie ben jij?’
‘Ik ben de wolf Nimmerzat. Laat mij er ook in!’ ‘Nou vooruit, dat moet dan maar!’
De wolf klom bij ze in de wanten toen wa­ren ze met z’n vijven. Maar toen kwam er uit het midden van het bos een everzwijn!
‘Wie woont er in deze want?’ knorde hij. ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippel­been, het haasje Vlugtervoet, het vosje Gul­denvel en de wolf Nimmerzat! En wie ben jij?’
‘Ik ben het everzwijn Platneus, ik zou hier ook graag wonen!’

Ja ze wilden graag allemaal warm en gezellig in de want zitten.

‘O, je bent veel te dik! Je kunt er vast niet in!’
Ach wel ja! Ik zal mijn best wel doen, vind het nou maar goed!’
‘Probeer het dan maar. Wij willen je niet bui­ten laten staan!’

En toen zaten ze met zijn zessen in de want en hadden het heel benauwd. Zij konden zich helemaal niet bewegen. Maar daar kraak­te het in de takken en met lompe stappen kwam er een beer tevoorschijn. Luid, zodat men het door het bos hoorde schallen, brul­de hij: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippel­been, het haasje Vlugtervoet, het vosje Gul­denvel, de wolf Nimmerzat en het everzwijn Platneus. En wie ben jij?’ ‘Boeh, boeh, boeh… dat zijn er een heleboel. Ik ben de beer, Meester Logvoet. Laat mij er in.’

‘Wij kunnen je niet binnen laten, wij hebben geen plaats!’

‘Ga dan een beetje dichter bij elkaar zitten.’ ‘Goed, maar maak jij je dan een beetje klein!’ En warempel, de beer perste zich ook nog naar binnen. Nu waren ze met z’n zevenen in de want. En de want kraakte aan alle kanten, omdat hij zo vol was.

Intussen had de oude man gemerkt dat hij zijn want had verloren. Hij keerde zich om en begon hem te zoeken. Zijn hondje liep vooruit en snuffelde overal rond. En plotse­ling ontdekte het de want. Zij lag in de sneeuw en bewoog alsof zij levend was. Het hondje begon te blaffen. ‘Waf,-waf-waf!’ De zeven dieren in de want schrokken, sprongen vlug naar buiten en gingen er in het bos vandoor. Toen kwam de oude man en raapte de want op.

Nu is het even sturen welk kind er welk dier gaat maken. Maar als ze horen dat iedereen elk dier eens zal mogen spelen is alles goed. Wij moeten immers alles een keer proberen! Nu aan het werk met karton, schaar en lijm. Hoe zien de verschillende dieren er eigenlijk uit? Wat voor eigenaardigheden hebben ze en hoe kun je die het beste tot uitdrukking la­ten komen? Er volgt een levendige discussie en het is verrassend hoe snel de maskers klaar zijn en hoe treffend ze er uit zien!
Na het werk worden de maskers opgezet en een laatste hand gelegd aan de kleding. Men vindt dat de muis nog een staart nodig heeft. Zelfs onze elfjarige kruipt tevreden knorrend onder de tafel rond.

Onze tweede klasser sluipt als slimme vos door de kamer, terwijl de kleuter piepend verschrikt weg roetscht uit angst verschalkt te worden. Vader loopt met grote stappen met een slaapzak onder de arm en laat af en toe een luid gekef horen. Dan valt de ‘want’ en gniffelend wordt de woning door de muis betrokken. Uiterst gespannen wacht ieder zijn zijn beurt af.

Uiteindelijk zit dan, nadat iedereen zijn plek­je veroverd heeft, de hele dierenfamilie opge­propt in de slaapzak – die als want dient -totdat de hond van de oude man ons alle kanten op doet stuiven.

Wat heeft mij er eigenlijk toe gebracht om juist dit sprookje te kiezen voor onze carnavalsviering?
Kinderen vinden het heerlijk om zich te verkleden, om in de ‘huid’ van het nieuwsgierige, watervlugge, scharreldiertje de muis te kruipen. Om helemaal de sluwe vos te zijn of de langzame logge beer, het ever­zwijn dat overal in wroet. Hebben zij niet al die dieren in zich?

Wat een ontdekking is het om elkaar in de verschillende gestalten bezig te zien en tóch te beleven wie die ander eigenlijk is, ondanks zijn vermomming. Een belevenis is het om waar te nemen, dat ze een stuk van het dier in zichzelf overwinnen om dan geheel nieuw weer tevoorschijn te komen. Zo hebben wij gezamenlijk geprobeerd gestal­te te geven aan dit heel specifieke jaarfeest. En wanneer het een beetje lukt, is het een geschenk voor ieder van ons.

Aan de slag:
Benodigdheden:
etalagekarton (niet te dik), in de kleuren rood, grijs, bruin, groen;
crêpepapier in de­zelfde kleuren;
schaar, velpon en een nietapparaat.

Bij het maken gaan we uit van een grondpatroon, een mutsje waarop de snuit, de ogen en de oren zijn aangebracht.

Knip een reep karton van 7 cm breed en zo lang als de omtrek van het hoofd. Plak er een reep crêpepa­pier op van circa 30 cm. Doe dit ruim met enige plooien (fig. 1). Plak letter a en b op elkaar. Bind het crêpepapier met een touwtje aan elkaar, zoals een kaboutermuts. Trek vervolgens de muts bin­nenstebuiten (fig. 2 richting pijl trekken). Zo ont­staat er een mutsje (flg. 3). Bij alle dierfiguren wordt er op dit grondpatroon voortgeborduurd. Al­tijd met dit mutsje beginnen.

Muisje:
Grijs mutsje of lichtblauw. Oortjes eventueel rose. Spitse snuit zoals ik bij het vosje beschrijf. Ronde oortjes en eventueel een lange staart. Snorharen lang en ook de haren boven de kraaloog­jes niet vergeten.

Vosje:
Rood mutsje, gele ogen en snorren. Snuit: Cirkel van rood karton met een straal van 13 cm. Er omheen nog een cirkel met een straal van 14 cm. Het gearceerde gedeelte wegknippen, (fig. 4). Plak a en b (fig. 5).
De snuit in het midden van de mutsband plakken (fig. 6).
Twee spitse oren knippen, bovenkant rafelen, dat wil zeggen knipjes in geven en met de schaar er langs trekken, zodat ze wat gebogen komen te staan (zoals je een krul in een lintje maakt op een pakje).
Uit de onderkant van het oor een driehoekje knip­pen, breng beide punten naar elkaar toe, het oor wordt luisterend gevormd (fig. 7). Geef hem sluwe scheve gele ogen, links en rechts van de snuit op de band. Snorren op de snuit, punt­je van de neus zwart maken en haartjes boven de ogen zoals bij het muisje.

Haasje:
Bruin mutsje met twee lange oren, links en rechts aan de band.

Beer:
Bruin mutsje, snuit met plakstrook waar men a op b moet plakken (fig. 9); c inknippen en later naar buiten buigen. Dan naar binnen buigen. Daar moet de zwarte neus overheen geplakt worden (fig. 10, 11 en 12). Ronde oren.

Everzwijn:
Bruin of grijs mutsje. Snuit botter dan bij de beer en met het bekende ‘stopkontact’. Slagtanden er op aanbrengen (fig. 13). Kleine oogjes en vrij spitse oren.

Kikker:
Groene muts. Ogen bol bovenop de band (fig. 14) Eventueel kartonnen zwemvliezen aan de handen met touwtjes vastmaken.

U ziet dat het er bij het maken niet om gaat dat alles precies volgens voorbeeld gedaan wordt. Het zijn slechts richtlijnen die hier gegeven zijn. Fanta­sie en een beetje handigheid! Veel plezier er mee!

carnaval 15

Hannelie Glasl ‘Jonas’ 20 februari 1981

 

Kan ik er ook nog bij?

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

94-91