Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (30)

.

MICHAËL

Als de zomer op z’n einde loopt en de planten zich terugtrekken op vruchten en zaden, dan worden wij mensen actief: kinderen gaan weer naar school. Het programma van de volksuniversiteit valt in de bus. Allerlei cursussen
be­ginnen en hebben aan belangstelling geen gebrek.
Als in de zomer de bijen af en aan vliegen in de hete zon, bak­ken wij bruin of zitten rustig in de schaduw. We nemen de zomer in ons op. In de herfst lijkt het of we de zomer mee naar binnen genomen hebben en haar energie omzetten in daden.
Niet alle mensen houden de zomer zo vast. Er zijn er ook die wat met de bladeren mee sterven. Ze worden triest als het weer buiten en werklust is hun vreemd. Maar ook mensen die de zomerkrachten wel in zich voelen, merken dat bij de verwezenlijking van hun initia­tieven ook hun beperkingen zich doen gelden. Beginnen is niet zo moeilijk, volhouden wel. Als iets dan even niet wil is de verleiding groot je aan te sluiten bij het moedeloze weer buiten.

In deze tijd vieren we op de vrijescholen het feest van de aartsengel Michaël. Michaël verslaat de draak, zo staat in Openbaringen. De attributen van Michaël zijn het zwaard en de weegschaal. Ogenschijnlijk twee tegengestelde werktuigen. Een zwaard hanteer je anders dan een weegschaal.
Het zwaard als een wapen tegen bedreigingen die van buiten komen. Het vereist een slagvaardige hand. Een weegschaal moet in rust gehanteerd worden. Het zwaard staat voor strijd. De weegschaal staat voor evenwichtig­heid. Pas als de schalen in evenwicht zijn, vervalt de weegschaal zijn functie.

Als we nu eens het zwaard hanteren om onszelf te overwinnen, bereiken we dan geen prachtig evenwicht? Let wel dat is een zware strijd. We zijn helemaal vrij om hem niet aan te gaan. Het Michaëlsfeest is het feest van de moed. Moed hebben we nodig om de zomer in ons vast te houden. Moed om tegen de draken van onze innerlijke belemmeringen te vechten. Michaël werkt mee als we die strijd aangaan.

Jaarfeesten hebben oeroude wortels, zo ook het Michaëlsfeest op 29
september. Sommige van die wortels komen nog aan het daglicht. Het was vroeger een oogstfeest. Kermis is ook afkom­stig van oogstfeesten. Op kermisdag in Aalst werd een stropop, die Machielken heette op een baar gelegd en op de markt begraven. Machielken is een volksnaam voor St.-Michaël. Het gebruik voert terug op oude in­wijdingsriten bij de Germanen. Inwijding in het mysterie van Wodan, die zowel de god van de dood als de vruchtbaarheid was. De Germanen ge­loofden dat de vruchtbaarheid uit de dood voortkwam.

Michaël betekent: Wie is als God? De naam als een vraag. Het boek Genesis verhaalt dat God de mens schiep naar zijn beeld. Christus zei tegen zijn discipelen: “Gij zijt Goden”.

Er zijn echter draken die ons dwars zitten.

Laten we ze moedig bestrijden.

.

(Ad Tiemens, Tobiasschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

278-273

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (29)

.

MICHAËL IN DE KLEUTERKLAS

De zomer neemt weer afscheid van ons.  s Avonds wordt het al vroeg donker, de vogels trekken weg, de dagen worden kouder. De zon heeft gedurende de zomer al haar warmte geschonken aan het koren, de vruchten en alles wat in de herfst op aarde rijpt zodat wij in de winter kunnen profiteren van wat de zomer ons gaf. De aarde heeft in de herfst alle zonnekracht in zich opgenomen.

Overal wordt het graan binnengehaald, vruchten geoogst, kortom, wij maken ons klaar voor de winter zodat we kou en donker kunnen doorstaan. In ons rijpt in deze tijd van het jaar vaak het plan om iets nieuws te gaan doen waar we ons gedurende de winter aan kunnen wijden. Er is veel moed nodig om de donkere tijd tegemoet te gaan en datgene te volbrengen wat we ons voornamen.

In de kleuterklas beginnen we al weken voor het Michaëlsfeest, dat op 29 september gevierd wordt, met de voorbereidingen. Op de jaargetijdentafel
staat een grote bos koren. Soms nemen de kinderen dingen mee die ze gevonden hebben, een takje hei, een grote zonnebloem, een mandje kastanjes. Kleuters zijn nog helemaal open voor alles wat er vanuit hun omgeving naar hen toekomt.
Ze willen zich graag met de aarde verbinden en rapen daarom alles wat ze in het bos of park vinden op.

Elke dag beginnen we met het spel van de boer die het koren oogst en naar de molenaar brengt om het tot meel te maken zodat de bakker het brood kan bakken. Alle bewegingen worden met overgave meegedaan. Onder het vrije spel naaien we zakjes om het graan in te doen dat de boer zo ijverig voor ons gemaaid heeft. De grote kleuters kunnen hierbij al helpen. Heerlijk is het om met een korenmolentje zelf het graan te mogen malen en later voor het Michaëlsfeest brood te bakken in de klas. Ook worden er veel Michaëlsliedjes gezongen.

O Michaël, Michaël hoor ons aan
en laat ons met u medegaan
door ‘t  donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.

O Michaël Michaël ga vooraan.
Wij moeten allen mede gaan
door ’t donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.

Op de dag van het feest komen de kleuters vol verwachting in de klas. ‘Juffie, vandaag gaan we feestvieren!’

De jaargetijdentafel staat vol van alles wat geoogst is: noten, druiven, eikels, kastanjes. De boer met paard en een wagen vol graan. Ook het appel­vrouwtje is gekomen en heeft een mand vol rode sterappels meegebracht. De dag wordt geopend met een mooi Michaëlslied, maar ook de naam ‘Michaël’ alléén kan al voldoende zijn wanneer het met de juiste gezindheid uitgesproken wordt. Dan doen we samen een klein spel voor het Appelvrouwtje.

Appeltjes, appeltjes, glanzend en rond
rollen en tuimelen over de grond.
Rol niet te ver en verscholen in ‘t groen
wil ik je rapen, in ’t mandje weer doen.
Eet ik je later zo glanzend en rond.
Van appeltjes, appeltjes word ik gezond.
Tijdens het vrije spel zijn er altijd een paar kinderen die juffie willen helpen de tafel versieren met takken, gekleurde bladeren en bloemen. De zelf versierde kaarsen zorgen voor een feestelijk licht en ontbreken niet. Wanneer iedereen aan tafel zit, deelt het appelvrouwtje haar appels rond. Met een plukje schapenwol poetsen de kinderen ze prachtig glimmend en rood tot ze er zelf rode wangen van krijgen. Iedere appel krijgt een rood doekje om en wordt zo omgetoverd in een appelvrouwtje.

Het is goed als een feest gezamenlijk gevierd kan worden. Na het eten komen dan ook de kinderen uit de andere klas op bezoek om samen naar een poppen­spel te kijken. Er heerst een aandachtige stemming en de kinderen worden vanzelf stil als de dappere ridder Sint-Joris verschijnt. Hij beklimt de hoge berg waar een boze draak woont die het prinsesje wil verslinden. Bovenop de berg ontvangt Sint-Joris van de aartsengel Michaël het sterrenzwaard waarmee hij de draak verslaat. Zo redt hij het prinsesje en kan met haar trouwen.

Met het beeld van de draak moeten we in de kleuterklas nog erg voorzichtig zijn. Voor de kleuter is de wereld GOED en dat moeten we in alles wat we doen naar voren laten komen zodat dit in het verdere leven zijn vruchten kan afwerpen. Iets anders is het wanneer het kind dit beeld van de draak en Michaël, die hem verslaat, in de vorm van een poppenspel een keer per jaar ziet in een eerbiedig feestelijke stemming. Het is niet de bedoeling dat de kleuters zelf draak gaan spelen, ook niet in de poppenkast, waar ze zelf zo helemaal in de rol kruipen.

We besluiten de ochtend met een wandeling door het bos waar de kinderen van alles verzamelen in hun mandjes. In de komende tijd maken we van alles wat we gevonden hebben iets moois, we vormen het om, we gaan ermee aan ’t werk, zodat het vrucht kan dragen voor de omgeving.

Gesterkt door alles wat de zomer ons geschonken heeft kunnen we moed en kracht vinden om de koude winter tegemoet te gaan, de duisternis te overwinnen en zo de heilige Kersttijd tegemoet te gaan waarin we het Kerstkind kunnen ontvangen.

Wanneer de kinderen met rode wangen en schitterende ogen tevreden en vol vreugde naar huis gaan met hun appelvrouwtje en zakje meel, waarvan thuis een koek of brood gebakken moet worden, weten we dat het een goed feest geweest is.

(C. de Pree, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

279-262

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (28)

.

WAT IS EEN MICHAËLSFEEST?

Is dat een vreemde vraag? Neen, zeker niet. Sommigen blijven het antwoord schuldig, anderen weten het heel zeker. Toch kan men zich afvragen of de vraag goed gesteld is. Een Michaëlsfeest ‘is’ niet, hoogstens ‘wordt’ het. Ieder jaar is het anders, wordt het anders. Het Michaëlsfeest kan men in Nederland ongebruikelijk noemen. Een feest van de toekomst is het wel, het heeft nog alle mogelijkheden. Ieder jaar moet men zich inspannen om er vorm aan te geven.

Het jaarverloop speelt zich af in drie grote feesten. Stelt men het jaar als een kring voor, dan liggen het Sint-Jansvuur en de Kerstster recht tegenover elkaar, is Sint-Jan boven-midden, dan is Kerstmis onder-midden. Er is een tweede hoofdlijn, die staat dan niet vertikaal maar horizontaal. Rechts ligt Pasen in het midden van de boog. Daar tegenover ligt de herfsttijd. En daar behoort het vierde feest, het herfstfeest. Dat is tevens het Michaëlsfeest.

Waarom is Michaël in de herfst van de jaarkring? Sint-Michaël? Nu, eigenlijk is Michaël helemaal geen gewone heilige. Hij is een aartsengel. Een boeren-aartsengel, want hij bevordert de goede oogst en hij is verbonden met het werk dat tot een oogst leidt. Op allerlei gebied. Bij voorbeeld op het gebied van de moraliteit. Michaël wordt vaak met een weegschaal voorgesteld, waarin de mensenzielen worden gewogen. En tegen de tijd, dat men alle gestorvenen op Allerzielen gedenken gaat, is ook het beeld van de aartsengel met de weegschaal present. Zo blijkt dit alles uit de rijke Middeleeuwse traditie. In Zuid-Europa komt Michaël als het ware uit de lucht vallen. Legenden spreken over zijn verschijnen op de Monte Gargano aan de Adriatische zee.
Plotseling komt er een sprong van de Michaëlverering naar Normandië, waar een onbekend rotseiland in weinige jaren tot een befaamd centrum van zo’n verering wordt. De Mont Saint-Michel is nog steeds een grote bezienswaardigheid en zo een trekpleister voor toeristen, helaas ook wel een beetje vercommercialiseerd en verloederd. Minder bekend is de Michaëlsberg aan de overkant van het Kanaal in Engeland, waar men zo waar een “Michelmas”feest kent en wel op 29 september, de aan Michaël ook in West-Europa gewijde dag. De Michaëlsdag valt in de tijd waarin dag- en-nacht­evening juist heeft plaatsgevonden, een weegschaalevenement. Overigens is de Mont Saint-Michel met zijn prachtige gotiek een indrukwekkend monument in de woeste ritmiek van eb en vloed aan de Normandische kust. Soms is het weegschaalmoment daar ook sterk beleefbaar. Men moet er wel rustig de tijd voor nemen. Bij bestudering van de wezenlijke trekken van Michaël blijkt uit vele legenden, dat deze aartsengel wiens naam “aangezicht van God” betekent,  ook een speciale opdracht in de wereld heeft met betrekking tot de bestrijding van het kwaad. Wel, het kwaad is overal, dat weten we, maar het is ook een zeer vaag en ab­stract begrip. Is het kwaad absoluut kwaad? Men is sterk geneigd om het “kwaad”- voor de een als een “goed” voor de ander voor te stellen. Daardoor kan het kwaad ook zo enorm gedijen in een onverschillige of sceptische omgeving.

In de Middeleeuwse legenden bestrijdt Michaël met een lichtend zwaard de boze krachten van duisternis, valsheid, oneerlijkheid en geweld. De strijd wordt geleverd tegen een wezen, dat wel het Boze in absolute zin representeert: een monsterlijke Draak of een Duvel.
Die Duvel kan twee aspecten vertonen, de verleidende, hoog­moedige kracht van de Duvel uit het Paradijsverhaal of het ijs­koude, leugenachtige van de Vorst der Duisternis uit de Perzische mythologie.

Michaël is echter veel ouder dan de Middeleeuwen. De bekende plaats in de Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament, is opgeschreven door een man die de Christus nog in zijn jeugd had gekend. En duikt men verder in de Oudheid dan blijkt, dat het thema van het Boze overal in de grote cul­turen van de mensheid te vinden is. Alleen draagt de grote bestrijder van het Boze niet altijd de naam Michaël, die typisch voor het Hebreeuws-Joods-Christelijk taalgebied is. Men komt in de oude Hindoe-overleveringen een machtige Indra tegen, die gezeten op zijn Wolkenolifant de vurige Wadjra (een soort bliksemknots) naar de vreselijke Draak van van de Droogte slingert en zo de mensheid redt.
In de Perzische cultuur is Angramanyoes, de “Erge Boze” die geheel de schepping van de Lichtgoden trachtte te bederven door de aarde woest, de planten giftig, de dieren woest en giftig te maken en de mensenziel te verpesten met bedrog, heerszucht en gewelddadigheid. De schone en heilige Mithra neemt de strijd ter hand.
Overigens riep ook de Lichtgod Ahoera Mazdao de mens door middel van zijn profeet Zarathustra op om medestrijder tegen het Boze te worden, de aarde te beploegen, wilde dieren te temmen, planten te kweken en de ziel te zuiveren door korte, maar vaak herhaalde gebeden.
De keuze is groot! Van de boosaardige krachten die door een licht en de engelfiguur worden bestreden, is ook iets te vinden in Babylonië. Ja, daar is een mythologie van goddelijke en hiërar­chisch geordende wezens. Deze wezens staan voor de taak om een nieuwe wereld te scheppen. Dit wordt onmogelijk gemaakt door de monsterlijke kracht van Tiamât, een soort oermoeder der Duis­ternis, die oorspronkelijk een goede en heilzame moeder was, maar geleidelijk een monster werd, die iedere vernieuwer opat of vervolgde met een duistere stoet van demonen. Geen van de goden, ook niet de “beroemde Drie”, Anoe (hemel­vader), Enlil (de luchtgod) en Ea (watergod). Geen van de oudere goden kan Tiamât bestrijden. De slimme Ea echter tracteert de goden op een maaltijd met goede spijs en drank – met rietjes -. Hij schuift zijn zoon Mardoek naar voren, tussen de vrolijke en elkaar kussende goden. Mardoek durft wel. Hij wenst dan verder de leiding van de goden op zich te nemen. De goden stemmen toe. In het Babylonische scheppingsepos “Enoema Elish” wordt dit alles beschreven.

Mardoek, de Babylonische Michaël, trekt tegen Tiamât op met knots, bliksemschichten, pijl en boog en een “net” vol winden.

De woedende wind, die hem volgde,
liet hij los in haar gezicht,
toen Tiamât haar reuzenmuil
open deed om hem te verzwelgen!
Hij dreef de woedende wind naar binnen;
zij kon haar muil niet meer sluiten
en de woeste wind beukte haar buik.
Haar lijf werd verlamd en haar muil hing open.
Hij schoot een pijl, die haar openscheurde,
snijdend door het ingewand, splijtend haar hart.
Zo bedwong hij Tiamât, bluste uit haar leven.
Staande op haar lijf verpletterde hij de schedel.
Toen spleet hij haar als een oester in tweeën.
Eén helft maakte hij boven tot de Hemel,
en van de andere maakte hij de Aarde .. .”

De Babyloniërs zijn niet zachtzinnig in hun poëzie, maar het gebeuren is duidelijk “Michaëlisch”: een lichtende macht van boven doodt een duister geheel beneden en geeft de stoot tot verdere ontwikkeling.

Ingevoegd uit ander artikel van P.C.Veltman

Mardoek, de Babylonische Michaël, in de strijd met Tiamât) naar een Babylonisch reliëf)

uit het Enuma Elish (de schepping van de wereld)

Toen Tiamât haar muil opensperde
om de god te verzwelgen, dreef hij de woedende wind die hem volgde
en liet hem los midden in haar gezicht,
dreef de woeste wind naar binnen.
Zij kan haar muil niet meer sluiten!’…..

Michael bordtek 6Interessant is het gegeven, ook bekend uit andere mythologieën, dat het Boze oorspronkelijk iets goeds is, dat “zijn tijd gehad heeft” en dan later tot iets kwaads wordt.

Was Lucifer ook geen machtige engel voordat hij neerstortte?

Ook in de geschiedenis zijn gebeurtenissen bekend, die een sterk Michaëlisch karakter dragen. Het zijn gebeurtenissen die, verstandelijk bekeken, tot de onmogelijkheden behoor­den en dus “ongeschied” hadden moeten zijn. Eén zo’n ge­beurtenis – het is vandaag* 20 september en het is ruim 2466 jaren geleden – was de overwinning van een klein Grieks volk op een Perzisch miljoenenleger, dat Europa was binnen­gevallen. De slag ter zee bij Salamis dwong de machtige koning Xerxes tot de aftocht.

Er is een geval van een Frans boerenmeisje, dat een leger aanvoerde, een Engels leger uit Frankrijk verdreef en een kroonprins tot koning liet kronen. Dit geval is ruim vijf en een halve eeuw geleden. Er is er nog een, dicht bij huis, uit 1574 in Leiden. Wie de feiten rustig bestudeert, kan verbaasd zijn over een Michaëlisch gebeuren in eigen huis. Genoeg hierover.

Het spreekt vanzelf, dat de strijd tegen de draak voor de moderne mens een verinnerlijkt, dus ander karakter dient te dragen.

Daarover zou veel te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Het is de grote verdienste van Rudolf Steiner, dat hij voor de moderne mens het wezenlijke van het Michaëlgebeuren weer toegankelijk heeft gemaakt. Het opnieuw vorm geven aan een Michaëlfeest zou een belangrijke nieuwe cultuurimpuls kunnen zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens ontbreken)

,

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

276-261

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (27)

.

HET MICHAËLSFEEST

Wat valt er nou eigenlijk te vieren eind september? De tuin is lang niet meer zo mooi als een paar maanden geleden. De tijd van verwelken, afvallen, verdorren komt eraan. Een hoop rotzooi op de grond die je moet opruimen. En dan blijft het kaal over. Nog even en de herfststormen zorgen voor een verdere ontluistering; het gaat regenen, het wordt koud en mistig: het slechte jaargetijde komt eraan. Ja ja, en dan zijn er wel de vruchten, die de zaak wat op kunnen fleuren, maar die betekenen dan toch maar mooi het einde van de zomer en voorraad voor de magere maanden. Wat valt er nou te vieren?

In het voorjaar, daar valt er wat te genieten. En in de zomer. Dan kan er zo’n vredige, volle stemming komen, als de warmte van buiten je omspoelt en draagt, als de planten en bomen hun wezen aan je tonen en je tegemoet geuren. Het frisse voorjaarsgroen van de meidoorn, wat kon je daarvan genieten! Daarin kan je helemaal meegaan. Dan is het in de natuur voortdurend een beetje feest en je kunt het gemakkelijk meevieren.

Merkt u hoe wonderlijk dat eigenlijk is? Meeleven met de natuur, dat is toch goed? Ook voor de kinderen, verantwoord, antroposofisch misschien wel? In het voorjaar en de zomer is dat goed: meeleven met de natuur: het stemt je blij, het geeft je ruimte.

Als we dat voortzetten in de herfst, merken we snel, dat dat niet goed voor ons is, ook niet voor onze kinderen. We worden er somber van en prikkelbaar, als de bladeren vallen.

Om die stemming te overwinnen, is kracht nodig. Michaël helpt ons een handje, als we ’t willen proberen. Hij gaat over dit jaargetijde en maakt in de natuur duidelijk waar het om gaat.

Waar gaat het dan om, waar halen we die kracht vandaan om niet mee te verwelken met de natuur.

Laten we eens naar de bomen kijken. In de loop van het voorjaar en de zomer hebben ze bladeren gekregen. Groene bladeren, in het begin licht en gevarieerd, later donkerder en meer gewoon groen. Soort voor soort (de krentenboompjes zijn al druk bezig, de berken beginnen) verkleuren de bladeren. Iedere soort is te herkennen aan zijn kleur. Na verloop van tijd vallen ze op de grond, worden bruin, gelijkvormig opgenomen in de bodem. Klaar als een klont! Hoe komen de blaadjes eigenlijk bovenaan de boom, zodat ze later naar beneden kunnen vallen?

Wat gebeurt er eigenlijk met het groen, met de andere prachtige kleuren en tinten? Hoe gaat dat eigenlijk: opgenomen worden in de bodem? Als we houtskool roodgloeiend zien verdwijnen in het vuur, weten we wat er vrijkomt, als het hout verdwijnt. Warmte immers.

Wat zou er vrij komen als de bladeren hun groen verliezen, verkleuren,
hun kleur verliezen, afvallen, vergaan. Dat zou je eens moeten kunnen zien, vindt u niet? Een machtig schouwspel!

Zoals de plant, de boom zich in de zomer verbindt met zijn bladeren, zich openbaart in de bloem, zo laat de plant weer los uit de bladeren, uit de bloem, als hij verwelkt, verkleurt, vergaat. We zien dan het wezenlijke niet meer.      

In het voorjaar, in de zomer heerst verbinding. Daar kunnen en mogen wij ons ook gerust verbinden met de natuur. In het najaar zet de ontbinding in, de scheiding, de differentiatie. Daar moeten we ons niet mee verbinden, daar mogen we vol nieuwsgierige verbazing tegenover staan. Dan zult u merken: dat geeft kracht, de moed van Michaël.
(E.P.Schoorel, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

275-260

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (26)

.

MICHAËL

Op het punt in het midden van de gang van de zon van haar hoogste naar haar laagste punt – het begin van de herfst – staat het Sint-Michaëlsfeest.

In de natuur is de groei tot staan gekomen, zelfs teruggang is reeds te bemerken, bloemen zijn uitgebloeid, bladeren beginnen te kleuren en te verdorren. Duidelijk is te merken dat met het terugtrekken van de zon de groeikrachten de aarde gaan verlaten. De planten trekken hun krachten terug in verborgen delen, veel dieren verdwijnen zoals vlinders en vogels.
De natuur wordt stil en komt tot rust. Het noordelijk deel van de aarde hult zich in nevelen en wolken.

Maar tussen dit alles dat naar verval en afsterven gaat, zien we het wonder van vrucht en zaad.
In het zaad weten we verborgen de kiem van het leven. Het is niet alleen een verwelken, verdorren, een afsterven dat er in de herfst geschiedt, het is een samentrekken, een verinnerlijken van alles wat het leven betreft.

Ook de mens maakt deze verandering mee, zowel in de kringloop van het jaar als in zijn levensloop.

In het voorjaar tot de late zomer wordt de mens gedragen door de uiterlijke natuur. Wanneer de herfst aanbreekt laat de natuur de mens alleen. De mens moet de ommekeer van buiten naar binnen doormaken.

Bladeren vallen zonlicht daalt
korter zijn de dagen.
Donker wordt het om ons heen
ik wil mijn licht nu dragen.

Bladeren vallen zonlicht daalt
loos de stormen loeien.
Donker wordt het om ons heen
maar mijn licht zal groeien.

Bladeren vallen zonlicht daalt
grijze nevels zweven.
Donker wordt het om ons heen
ik wil mijn licht U geven.

Een christelijk herfstfeest in de naam van Michaël kunnen wij alleen dan werkelijk vieren wanneer wij belijden dat er een nieuwe wereldbeschouwing daagt, die het ook de helder denkende moderne mens weer mogelijk maakt overtuigd te zijn van het bestaan van de werkelijkheid en werkzaamheid van engelen en aartsengelen.

De aartsengel Michaël toont ons de ene keer de weegschaal voor het zoeken naar evenwicht en de andere keer het zwaard van de strijd.

(Sarie Kodde Dingemans, nadere gegevens onbekend)

Gedicht:

HERFSTDRADEN

Nu leven er
nu beven er
aan takken en aan bladen
in ’t zwartgeworden najaarshout
in ’t vlammend-gele najaarsgoud
de lange zilverdraden.

Ze waaien en
ze zwaaien en
ze zijn van ’t licht doorblonken.
Er schuiven langs hun gladde lijn
wat smalle streepjes zonneschijn
als lange zilvervonken.

De draden zijn ‘t
de waden zijn ‘t
die ’t najaar nog wil weven
om heel die rijke najaarsgloed
om al wat spoedig sterven moet:
het laatste zomerleven

(bron onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

274-259

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 
.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (25)

.

MICHAËLI (VRUCHTDRAGING) HERFSTFEEST

Nu de zon reeds geruime tijd over haar hoogtepunt heen is en daar­door haar krachten steeds minder van invloed kunnen zijn in de aarde, merken we aan alles dat de groei- en bloeikrachten zich terugtrekken naar binnen.

Door de loeiende herfststormen verliezen de bomen hun blad en trekken de levenssappen zich terug om zich voor te bereiden op de taak straks de nieuwe loten tot ontwikkeling te brengen. Planten sterven zelfs geheel af, maar hebben hun opgedane levenskrachten in het nieuwe ver­borgen zaad overgedragen. De dieren kruipen weg, voor een winterslaap of sterven doordat ze niet opgewassen zijn tegen kou en uitputting. Vogels trekken naar warmere oorden, de enkele die hier overwinteren hebben niet of nauwelijks de kracht zich te laten horen. Wij mensen keren terug in onze huiskamers en hullen ons in dikke, warme kleding. De natuur komt tot rust.

Maar in al dat schijnbaar levenloze zijn alle kiemkrachten aanwezig van het leven. De herfst is een verinnerlijken van alles wat leeft. Daar waar voor plant en dier erg sterk het leven afhankelijk was en zal zijn van externe invloeden, is het voor ons mensen behalve dat, meer een taak van de interne, geestelijke factor.

Wij hebben, na ons de gehele zomer opengesteld te hebben voor de zon, buiten zijn, vakantie, overdadige natuur, het erg moeilijk om daar een alternatief voor te scheppen. We moeten ons nu met die krachten die we hebben opgedaan, proberen te verdiepen in onze gedachten. Het is net als met het zaad, zij dragen onze geest ver buiten ons uit en leven soms ver van ons. Ook komen zij niet alle tot hun recht, voeren niet tot de daad. Zij vormen wel het voedsel voor ons geestelijk leven naar de aard van hun soort. We merken dat nu het stoffelijke vergeelt, verbleekt, er iets anders vrij moet komen wat niet zo vanzelfsprekend gebeurt als het je over­geven aan lente en zomer.

Het leven in de herfst vereist moed en kracht om tegenover het uiter­lijke verval, de innerlijke kracht te doen werken; om in plaats van veel te ontvangen, ons door ontbering heen te slaan met eigen vermogens. Daarbij leert de mens de levenskrachten (het zaad) in zichzelf te ontwikkelen.

En met dat gegeven in onszelf rijst het beeld van de aartsengel Michaël strijdend tegen de draak voor onze ogen op. De strijd van het lichtende tegen de duisternis.

Door nu het Michaëlsfeest met elkaar te vieren, proberen we iets tot leven te brengen van wat er in die strijd bedoeld wordt. In de herfst merk je dat je met zoveel mogelijk overwonnen duisternis en gewonnen licht de lange donkere winter aan kunt. Het is de strijd tegen heb­zucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest. Het is heerlijk te ervaren wat de natuur ons nu geeft, de vruchten van een lange lente en zomertijd. Weldra zijn deze vruchten op en mogen we hernieuwd pogen of we dezelfde kwaliteit vruchten van onze eigen innerlijke arbeid kunnen gaan plukken.

Zo proberen wij in onze peuter- en kleuterklassen ook het Michaëlsfeest te vieren. Niet zozeer het strijden van Michaël en de draak wordt naar voren gebracht, maar het vieren van een herfstfeest, een oogstfeest. We maken een herfsttafel, met alle vruchten uit de natuur. De vruchten en zaden uit het bos en die van het land. We rijgen, maken vogeltjes en kabouters van dennenappels en eikeltjes, we maken ook rozebotteljam of vlierbessensap.

We drogen de bladeren en maken er mooie dingen van. We kunnen vliegers in elkaar zetten en de wind er mee laten spelen. Wandelen in het bos is in deze tijd altijd een groot feest. Het verhaal van Joris en de draak en ook enkele sprookjes van Grimm passen in de Michaëlstijd:

Repelsteeltje:
na een goede oogsttijd komt de molenaar vertellen dat zijn dochter van stro goud kan spinnen, de mensen kunnen dit niet, Repelsteeltje het mannetje dat op een been om het vuur danst moet helpen.

Gelukkige Hans:
de jongen die al het verworvene ruilt voor dingen waar hij niets mee kan doen totdat uiteindelijk de slijp­steen ook nog in de vijver valt. Dan dankt hij God dat hij van deze steen bevrijd is. Een beeld waar wij ons lang mee bezig kunnen houden. Deze sprookjes kunnen verteld worden, maar ook als een poppenkastspel of tafelspel gegeven worden.

Wij hebben getracht u zo wat ideeën te geven voor het Michaëlsfeest, natuurlijk kunt u zelf ook nog van alles bedenken.

(Marijke Wouters Toke Moeskops, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

273-258

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (24)

.

SMEDEN IN DE MICHAËLSWEEK

De spreekwoorden de handen aan de ploeg slaan’ en ‘het ijzer smeden als het heet is’, worden nog wel gebruikt, maar de eigenlijke handeling, die bedoeld wordt, kunnen we tegenwoordig nog maar weinig zien, om over het doen maar niet te spreken. Nu is het dan enkelen van ons gelukt ha­mer en aambeeld binnen de school te halen. Wat mogelijk heeft gemaakt, dat daar 6 klassen aan hebben kunnen werken tijdens onze Michaëlsviering. Drie klassen, een 7e, 8e en 9e heb ik op drie achtereenvolgende dagen bezig gezien en daar wil ik u een beeld van geven.

Natuurlijk moest eerst het vuur aangemaakt worden. Dit geeft vooral in het begin veel rook van de kolen, de geur hiervan deed mij herinneren aan kolenkachel en stoomlocomotief. Onder het toevoeren van lucht begint het gloeien en als de staven ijzer erin gelegd worden en de eerste eruit komt, roodgloeiend, dan klinkt er uit zo’n groep verbazing, verwondering. Er is er dan altijd wel een die als eerste gaat slaan en daarachter wordt het dringen. Afgesproken wordt wie achter wie komt. Nu is het niet meer alleen de geur van de kolen, maar ook de warmte die je voelt stralen en het geluid van de hamer op het aambeeld. Je moet die hamer in een heel bepaald soort ritme slaan. De zwaarte van de hamer laat nl. niet toe dat je snel achter elkaar of onregelmatig slaat. Het wordt bij iedereen een langzame, regelmatige slag, het geeft rust.

Voor de 7e klas was de hamer wel wat zwaar, hij ging met moeite omhoog. Daar werd snel iets op gevonden: de een hield de staaf vast, de ander sloeg met beide handen. De interesse was in deze groep zo groot dat ve­le taken werden verdeeld en afgewisseld, zodat iedereen wel een keer het een of ander mocht doen; zoals lucht toevoeren met behulp van een handbewogen schoepenrad, vuur onderhouden,  staven aangeven, het slaan natuur­lijk, het vasthouden van een tang met daarin een beitel om punten te maken.

De 8e klas kon heel wat beter overweg met de zwaarte van de hamer. Ook in deze groep werden de verschillende taken graag opgenomen. Al werd er nu soms wel wat te hard gedraaid, waardoor er teveel lucht werd toegevoerd, de smidse te heet werd en het metaal verbrandde. Overigens een mooi schouwspel, de boven het vuur springende sterretjes van brandende metaal­deeltjes. Maar al gauw was dit fenomeen bekend, en wist men [stukje tekst onleesbaar] s sterretjes, langzamer draaien. In deze groep werd het ijzer op zijn heetst opgediend.

Waren het in de 7e klas pijlpunten voor de draak, in de 8e klas ontston­den naast deze pijlpunten ook zwaarden.

Ook in de 9e klas verbrandde het ijzer wel eens en werd er aanvankelijk te hard geslagen. Hier kwam men op het idee een 9 en een 8 te maken voor op de deur van de klas. Dat bracht een stuk vormgeving met zich mee, waarover je moest denken. Waar te slaan, hoe te slaan om die vorm te krijgen? Zo gebeurde het meerdere malen, dat bij dit afvragen ‘waar zal ik slaan, hoe zal ik de staaf vasthouden’, het metaal al was afgekoeld, de gloed was verdwenen en het slaan geen zin meer had. De ware betekenis van het spreekwoord, ‘het ijzer smeden als het heet is’, werd ondervonden! Maar de 9 en de 8 kwamen er, en hangen nu boven de deur. Enkele 9e-klassers hebben daarna nog met veel kracht gesmeed aan een groot zwaard, dat niet meer gereed kwam, maar waaraan volgend jaar wordt doorgewerkt.

Toen de 8e klas zijn ijzer zo heet tot verbranden toe op het aambeeld bracht, brak er een flink onweer los boven Zeist; de slag van de hamer op ons aambeeld vermengde zich met de slag van de donderhamer van Donar.

(E.  Sneek, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

272-257

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (23)

.

DE AARTSENGEL MICHAËL

Elk jaar weer, in het begin van de herfsttijd, vieren wij op school het feest ter ere van de aartsengel Michaël.

Wat is dit voor een feest, dat onder de traditionele christelijke feesten niet wordt gevonden? En bovenal: wie of wat is Michaël?

De overleveringen geven ons twee beelden. Het ene is dat van Michaël, die Lucifer uit de hemel stoot. Het andere is dat van Michaël als drakendoder, op vele oude schilderingen staat hij afgebeeld als een strijdbare figuur, in blinkend harnas ge­stoken, met zwaard of lans; de draak ligt doorstoken ter aarde.
Aan deze twee beelden kunnen we proberen een gevoel te ontwikkelen voor wat het we­zen van Michaël ons wil zeggen.

Maar met onze gebruikelijke wijze van denken en voorstellen stuiten we direct op problemen. Wat moet ik denken, wat moet ik me voorstellen bij het begrip “aartsengel”? We leven immers in een tijd waarin we gewend zijn alleen dat voor waar te houden, wat zichtbaar en vooral ook tastbaar is. Wij erkennen in het algemeen al­leen datgene als werkelijk, dat los van onze eigen persoon ook voor alle andere men­sen op gelijke wijze waarneembaar is. Van andere, bijv. religieuze zaken, maakt ie­der zich zijn eigen voorstellingen, die voor iedereen weer anders kunnen zijn; het behoort tot je privé-leven wat je daarmee doet.

Omdat we echter niet meer gewoon zijn een niet-materiële, geestelijke wereld te er­varen en aanvaarden, verliezen we het begrip voor de ware aard van bijv. een aarts­engelwezen. En als er dan toch over zo’n bovenmenselijk geesteswezen wordt gespro­ken, maken we ons er onwillekeurig een “menselijke” voorstelling van: Michaël als een gevleugelde jonge ridder. Zo vinden we hem terug op de vele schilderingen. Maar, deze “vermenselijkte” beelden ontstonden in een tijd, waarin de mensen zich nog nauw verbonden voelden met bovenzinnelijke, niet materieel waarneembare krachten en mach­ten. Achter de menselijke afbeelding van Michaël beleefde men nog diens onzichtbare, hogere wezen.

Is dat voor ons in 1973 ook nog mogelijk, het ervaren van bovenzinnelijke krachten en machten? Hebben die ooit bestaan? Bij de (historische) beschouwingen over de mensheidsontwikkeling gaat men er meestal eenvoudigweg van uit dat de mensen in vroegere tijden op dezelfde manier dachten en voelden als wij tegenwoordig: alleen in een veel minder ontwikkelde en gerijpte vorm. Men verklaart ontstaan en inhoud van de religies en wereldbeschouwingen veelal uit dit nog ongerijpte denken. Er wordt gewoon aangenomen dat de mensen vroeger in hun onwetendheid op fantasievolle wijze allerlei religieus getinte hulpvoorstellingen “bedachten” om  de verschijnse­len om hen heen te kunnen begrijpen, Verschijnselen, die wij nu met onze moderne natuurwetenschappen pas echt menen te kunnen verklaren.

Als je er zo over denkt is een aartsengel Michaël in feite niet veel meer dan een mooi plaatje, een interessante hulpvoorstelling uit het nog “weinig verstandige” denken van vroeger. En zeker niet iemand ter ere van wie je een feest zou moeten houden.
Maar ik wil U nu vragen met mij mee te gaan in een geheel andere gedachtegang, die dit alles in een totaal ander licht zal plaatsen. Deze zienswijze gaat ervan uit, dat alles wat de mensen vroeger als levende werkelijkheid ervoeren, ook werkelijk­heid was en zelfs nog is; dat de verschillende opvattingen door de tijden heen niet berusten op “minder verstandig” (vroeger) of “verstandig” (nu); maar dat deze ver­schillen in inzicht berusten op een veranderend bewustzijn, met steeds andere en nieuwe vermogens.

Ter illustratie hiervan twee voorbeelden: in het oude Indië beleefde de mens zich als geheel ingebed in de godenwereld, de aardse materie was voor hem niets anders dan een dunne sluier van illusies (Maya) waarachter de ware werkelijkheid van de geestelijke wereld zich bevond; nú is God dood verklaard en onze enige werkelijkheid is datgene wat we kunnen meten, tellen en wegen. De oude Indiërs “onwetend en bijge­lovig” en wij eindelijk “verstandig”? Nee, zowel de geestelijke wereld van de oude Indiër als de materiële wereld van ons zijn reëel. De grote culturen laten door­gaans slechts een eenzijdig onderdeel van het ware beeld zien, maar daardoor zijn ze nog niet onwaar.

Laten we dit nog wat verder uitdiepen om tot het eerste beeld van Michaël te komen. In oude tijden liep de mens nog aan de hand van de goden. Zelfstandig denken en han­delen, zoals nu, kon hij niet. Hij stond daarentegen, op dromerig helderziende wijze, geheel open voor de goddelijke raadsbesluiten, die hij gewillig en onvoorwaardelijk uitvoerde. Hoe is het anders te begrijpen, dat bijv. de Perzen 6000 j. v. Chr. in staat waren wilde grassen te veredelen tot kostbaar broodgraan? Iets wat de huidige geleerden met al hun kennis niet kunnen herhalen!

De goden bestonden niet alleen in de fantasie. Het waren krachten; zulke reële krach­ten dat de mensen er in hun (nog zeer onbewuste) dadenleven ook daadwerkelijk door geleid konden worden.

De goede goden hadden echter ook hun tegenmachten. Eén van die tegenmachten, voorge­steld als Lucifer, wilde zich meester maken van deze goddelijk-geestelijke denk­krachten om de mensheid op dwaalwegen te kunnen leiden. Lucifer, letterlijk licht­drager, streefde ernaar de mens een volledig kosmisch bewustzijn te geven, d.w.z. kennis en inzicht aangaande de diepste oer-gronden van het zijn. Maar als de mens­heid hier reeds zeer vroegtijdig mee in aanraking gekomen zou zijn, dan zouden wij onze lange en moeizame ontwikkelingsgang door het leven met en in de aardematerie voortijdig hebben verzaakt. Het is onze opgave door vele levens heen met behulp van de aardematerie tot zelfstandige, ik-bewuste mensen te worden. Want wij hebben ons individuele ik-bewustzijn, zoals we dat nu kennen, uitsluitend kunnen ontwikkelen dankzij het feit dat we de geestelijke wereld steeds verder de rug toekeerden en ons steeds diepgaander met de materie hebben verbonden. Waren we geheel in de goddelijk-geestelijke werelden gebleven met ons bewustzijn, dan was dat onscherp en dromend gebleven. We zouden onze persoonlijkheidskern voortdurend verliezen aan al het overweldigend geestelijke gebeuren om ons heen.

In de gang door de materie zijn we tot onszelf gekomen. Door de sterke gebondenheid aan ons lichaam kunnen we onszelf beleven tegenover iets:  ik denk wat ik denk en ik denk dat God niet bestaat. Een uiterst belangrijke stap in onze ontwikkeling tot in­dividualiteit en zelfstandigheid.

Duswat Lucifer wilde, was te vroeg. Eerst moest de mens zich nog diepgaander met de aarde verbinden. En om deze weg open te houden, greep Michaël, de beheerder van het zuivere kosmische denken, krachtig in en verdreef Lucifer uit de hemel. Een volgende stap in deze ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid vinden we dan in het beeld van Michaël met de draak. Rudolf Steiner wijst erop hoe in de 15e eeuw een geheel nieuwe bewustzijnsfase ontstaat. De tijd van Kopernikus en Galileï breekt aan. Het natuurwetenschappelijk denken, dat alles materiëel-mechanisch tracht te verklaren, komt zeer snel op. De mens wordt hierdoor steeds meer tot een zelfstan­dig wezen, dat zelf wil gaan uitmaken wat goed voor hem is. Een geweldige denkkracht leeft in ons op; uitvindingen, ontdekkingen, nieuwe staatsvormen, een enorme drang alle uithoeken van de wereld te ontdekken en te veroveren.

Wat is er gebeurd, zo plotseling? Michaël heeft de kosmische denkkracht aan de men­sen op aarde afgestaan op het moment dat zij daar rijp voor waren. Niet langer lopen we volgzaam aan het handje van de voor ons denkende en beslissende goden. De denkkracht is nu in ons, binnen het fysieke voertuig van onze lichamelijkheid. En weer dreigt een gevaar. Een andere tegenmacht treedt op: die van de duisternis, de “donkere draak”, in het Perzisch aangeduid als “Ahriman.” De Ahrimanische macht wil deze van oorsprong kosmische denkkracht geheel in dienst stellen van de materie en ons denken uitsluitend richten op het tastbare en meetbare. Deze macht is de ei­genlijke inspirator van ons materialisme, dat het besef van en de omgang met de geestelijke wereld totaal tracht uit te roeien.

Toch hebben wij ook veel aan Ahriman te danken: zijn heerschappij bracht ons een grandioze techniek en een hoge mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de natuur. Maar de Ahrimanische machten willen meer. Zoals Lucifer ons van de aarde wil wegvoeren, in de onbewuste en onvrije geestelijke ‘zaligheid’ ( in drugs), zo wil Ahriman ons juist voorgoed aan de aardse materie vast kluisteren. Hij wil ons geheel afsnoeren van elke band, hoe teer ook, die we nog hebben met de hogere werelden. En daarmee dreigt hij ons af te snijden van de ware bron van al het leven. Daarom kan ons moderne denken zo kil, bloedeloos en onpersoonlijk, zo “Ahrimanisch” zijn, We drei­gen onze ontwakende vrijheid weer hard te verliezen. Maar ook hier levert Michaël een verbeten strijd.

De strijd van Michaël tegen de Ahrimanische drakenmachten speelt zich af in onze ei­gen ziel. Wij mensen moeten het uiteindelijk zelf doen. Michaël is sterk afhankelijk van het bewustzijn dat wij voor dit gevecht der goden opbrengen én van onze bereid­heid de draak ook in onszelf op te sporen en hem daar te bestrijden. Met de restan­ten van ons vrije, nog niet verahrimaniseerde denken kan ieder, die dat wil, de rea­liteit van de Michaëlkracht ervaren. Zonder de hulp van Michaël is onze strijd ver­loren, want onze wil is reeds te zeer verzwakt door onze verslaving aan het puur materiële bestaan.

En toch zal Michaël niet zomaar ingrijpen; onze nieuw verworven vrijheid wordt door hem geëerbiedigd als een kostbaar goed. Michaël dringt ons niets op, hij wacht af tot wij ons uit eigen inzicht en vrije wil tot hem wenden. Pas dan doorvlamt Michaël ons in onze wil en doet hij een vuur ontbranden dat ons de kracht en het enthousiasme schenkt waarmee we ons weer een levend denken kunnen veroveren: op de drakenmacht van het abstracte intellect.

Misschien kunnen we nu inzien waarom het van zo’n grote betekenis is het aartsengel­wezen Michaël in zijn volle geestelijke werkelijkheid te leren begrijpen, juist in onze tijd. Steeds verder gaat de mechanisering van de samenleving èn steeds meer wordt de levende mens gezien als een hoopje moleculen zonder geestelijke achtergrond. In dit licht staat ons streven naar een Michaëlfeest. Een feest dat vraagt om leven­de krachten voor onze stervende cultuur.

In de herfst verdorren de bladeren, ze worden hard en materieel; maar ook vlammen ze fel gekleurd op, als in innerlijke gloed en vastberadenheid. De plantenwereld legt zijn zaden in de aarde: het beeld van materiesamentrekking: binnenin ontstaat de vuurkracht die het door de duistere winter heenvoert tot kiem van een nieuw leven.

 (Maarten Ploeger, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend)

 

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

271-256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (22)

.

MICHAËL

De viering van Sint-Michaël op de vrijescholen op 29 september is een
ty­pisch schoolfeest. Een feest van de school. Thuis is er van een feest dan meestal weinig te merken. En wat er dan op school gebeurt, is ook niet altijd even duidelijk. Doen ze iets bijzonders of vertellen ze alleen over Michaël? Het is een gebeurtenis die telkens ook even zo plotseling voorbij is als hij er was, zonder merkbare sporen achter te laten. Kortom: het is naast Sint-Jan eigenlijk het minst vanzelfsprekende van de vier grote christelijke jaar­feesten.

Inderdaad, bij Michaël hoort geen Advent; het plotselinge, onverwachte,
geconcentreerde zijn er meer kenmerkend voor dan het afwachten, het zich in­houden of het luisteren. Eigenlijk kan je de hele zomer en de nazomer als de “voorbereidingstijd” zien, een tijd waarin de zomerzonnewarmte naar bin­nen wordt genomen en waar rijping van de vruchten en nieuwe zaadvorming als nog geconcentreerdere warmtevorm plaatsvinden. Eind september zijn de vruch­ten dan overstelpend aanwezig. Bij Michaël horen de gaven des velds, de ge­schenken van de zomer, de hoorn des overvloeds. Toch hebben we hier niet met een dankfeest in de oude joodse zin te maken (het Loofhuttenfeest).

Het valt ons steeds moeilijker de uitbundigheid van deze vruchtenrijkdom op Michaëlsdag zelf aanwezig te laten zijn. Het zelf oogsten is daarvoor eigen­lijk een voorwaarde, en waar kun je dat tegenwoordig? Zo kan het een schok betekenen wanneer je op Michaëlsdag plotseling ergens buiten voor een deur de vruchtenkrans ziet hangen; appels, peren, druiven… Je wist niet dat de indruk zo sterk, zo overweldigend kon zijn. Een dergelijke ervaring kan dan een hulp zijn dit feest opnieuw te leren zien: de natuur heeft zijn werk voor ons gedaan en trekt zich abrupt terug en de mens voelt zich achtergelaten met de vraag “zie wat je ermee doet”. Je begrijpt dan met een feest te maken te hebben dat er eigenlijk nog niet is, dat nog geen vaste vormen heeft en ook nog niet kan hebben, het is een wordend feest, er moet eigenlijk iets ge­vierd worden dat er nog niet is. Een merkwaardig feest, waar krachten in de mensenziel worden aangesproken, die eigenlijk nog niet sterk genoeg zijn, nog onderontwikkeld en we beginnen te voelen dat dit feest pas in de toe­komst zijn volle betekenis zal kunnen krijgen.

Zo wil het Michaëlfeest vieren dus ook zeggen, het durven loslaten van wat reeds bereikt is aan ervaring, zekerheid, routine of traditie en het wakker en open zijn voor het nieuwe en onbekende zodat vanuit elk moment opnieuw geoordeeld en gehandeld kan worden. Daarvoor is de hulp nodig van “Sint Mi­chaël en de engelen” zoals de dag in de oude legenden ook officieel heet. Daar waar ik de verantwoordelijkheid geheel zelf wil dragen, als enkeling soms tegen alles in, kan dit alleen geschieden vanuit het besef daarin door de engelrijken gedragen te worden. Waarom het mensenrijk dan de tiende hiërar­chie wordt genoemd, kan je juist in deze tijd iets beginnen te zeggen.

De dichter Morgenstern drukt uit hoe hem deze verbinding bewust is geworden, wanneer hij zegt:  “Ich verbrenne an meinen eigenen Massstab”. Het eigen ik wil zich zelf zien vanuit een hoger, algemener gezichtspunt. Het wil zich zelf zuiveren en vernieuwen door het geestesvuur in zich op te nemen. Dit offeren van het eigene, wil zeggen zelf Michaëlstrijder worden. Een afglans van dit hemelvuur kan dan in de mensenziel oplichten, dat als “aardevuur” Michaël tegemoet gebracht wordt en dat onvergankelijk is:  “Nur wer sich selbst verbrennt, wird den Menschen ewig wandernde Flamme!” zegt Morgenstern, maar ook onze eigen dichter Achterberg heeft deze dwingende opgave, misschien meer in afwachtende, wensende vorm, in de volgende regels uitgedrukt:

Gebed aan het vuur

Vrome vuur, breng in mij over
uwen duur en tover;
ik ben een lege schuur,
een lover,
een landweg op het middaguur,
een afgezette passagier,
een in beslag genomen koffer,
een offerdier.

(M.Matthijsen, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

270-255

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (21)

.
Hoewel dit artikel geschreven is over een concrete situatie in Rusland, is het m.i. nog steeds actueel wanneer i.p.v. Rusland aan andere landen in de wereld wordt gedacht

.

MICHAËL

Een strijd om menselijkheid

Onze tijd heeft een apocalyptisch, een onthullend karakter. Wat verborgen was treedt in het daglicht. Over één aspect daarvan wil ik het hebben.

Solschenitzyn publiceerde februari 1980 een boekje getiteld: ‘Waarschuwing’. In dat boekje stelt hij scherp tegenover elkaar Staat en Volk in het huidige Rusland. Er is een Sovjetstaat en daar tegenover een Russisch volk. Die twee hebben niets met elkaar te maken; tussen hen gaapt een diepe kloof. Wie zich in dienst stelt van de staatsmacht verbreekt zijn banden met het volk. In bijtende woorden schildert Solschenitzyn de systematische cultuurvernietiging door de Staat: het volk moet een willoze, vergetende massa worden, die er alleen voor dient de heersende kaste in stand te houden.
Volkerenmoord wordt niet geschuwd om dit doel te bereiken. Waarom is dat zo? Omdat deze tendens tot nivelleren inherent is aan het wezen van de staat, niet alleen in Rusland, maar overal. In Rusland en in alle andere landen met een dergelijk regime onthult zich dit wezen het duidelijkst door zijn almachtige positie. Het gaat om een wezen, een wezen, dat de “machtheb­bers” in zijn greep heeft.

Tegen deze staatsmacht komen steeds weer volkeren of volksgroepen in opstand. Men wil de eigen aard van het volk niet alleen redden, maar zelfs tot religie verheffen. Men tracht staten te grondvesten op de openbaringen van grote geestelijke leiders van weleer. Wéér ontstaat er een staatsmacht, die onbarm­hartig optreedt tegen alle groeperingen, die een ander volksgeloof, andere volkstradities hebben. De tendens is hier niet in de eerste plaats gericht op nivellering, maar op uitstoting van alle vreemde elementen. Daarbij wordt de klok zover mogelijk teruggezet.

Deze twee tendenzen  zijn naast elkaar, tegenover elkaar, maar ook door elkaar te vinden. Het is vaak niet gemakkelijk om ze van elkaar te onderscheiden, omdat de methodes, waarnaar gegrepen wordt, weinig van elkaar verschillen en omdat het in beide gevallen om staatsmacht gaat.

Vroeger sprak men wel van communisme tegenover fascisme, als over twee polaire ideeënstelsels. Maar van ideeën kan men eigenlijk niet spreken. Voorzover ze gebruikt worden zijn het kruiwagens, meer niet. En in de praktijk leiden ze beide regelrecht tot onmenselijkheid.

En hoe is het nu met ons in het “vrije” Westen? Kunnen we buiten een staat, kunnen we buiten een volkstraditie? Als er geen staat is, zijn er geen rechts­regels, als er geen volk is heb je geen “Huis”.We kunnen niet zonder deze twee wezens en toch moeten we het midden ertussen bewaren. Dat midden is onze eigen persoon, een persoon, die niet van twee kwaden het minste kiest, maar van twee kwaden het beste maakt, omdat hij ze geen van beide toebehoort. Volk en Staat hebben hun grenzen en ik, voorzover ik met hen te maken heb, ook.
Een grens is het tegengestelde van een compromis. Een compromis wil zeggen: Ik sta jou een grensoverschrijding toe op voorwaarde, dat ik dat ook mag op een ander punt. Vaak is echter de winst, die ikzelf meen te boeken, slechts schijnbare winst. Het is dus grenzenverdoezeling. En via de verdoezeling sluipt ook bij ons het kwaad, te ver, binnen.

Op veel terreinen zijn we daaraan gewend geraakt. Ook in de school. En hoe reageren wij daarop? Door ons vast te klampen aan het beeld van wat eens een Vrije School was. Dat beeld dreigt soms een stukje religie te worden. Het is moeilijk om een school op te bouwen, die door zijn eigen dragers veranderen kan. En de strijd om innerlijk evenwicht, die wij hiervoor moeten leveren, is een onderdeel en misschien een belangrijk onderdeel van de veel grotere strijd om dat evenwicht in de wereld, die tevens een strijd is om menselijkheid. Om kracht te vinden voor deze strijd kunnen wij ons het beeld voor de geest roepen dat Rudolf Steiner voor ons gemaakt heeft en dat de naam draagt van de Mens­heidsrepresentant: Hij, die de mensheid vertegenwoordigt. En wie is dat?

Dat is de enkele mens, het individu, die de polen Ahriman en Lucifer (de wezens, die ik hiervoren bedoelde) scheidt en vasthoudt, die tussen hen evenwicht houdt. Zo wordt ieder mens een mensheidsrepresentant. Niemand heeft dat zuiverder onder woorden gebracht dan de Russische dissident Vladimir Boekovski. Op het moment, dat mensen zoals hij op een punt van hun leven komen, dat ze van God en iedereen verlaten zijn, komt hij tot het volgende inzicht:

Alleen-zijn is een enorme verantwoordelijkheid. Met zijn rug tegen de muur beseft de mens: Ik ben het volk, ik ben de natie…….

“Waarom juist ik” , vraagt in een menigte iedereen zich af. “Alleen kan ik niets bereiken.” En allen zijn verloren.

“Als ik het niet doe, wie dan wel?” vraagt de mens, die met zijn rug tegen de muur staat. En hij redt allen.

(Wijnand Mees, Zeister vrijeschool, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

269-254

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (20)

.

HET MICHAËLSFEEST IN DE KLEUTERKLAS

De grote vakantie is weer voorbij. Uitgerust en vol verwachting stappen de kleuters weer de klas binnen. De grote kinderen hebben echt het gevoel weer “thuis” te zijn. Zij nemen nu de plaats in van de kinderen die vorig jaar de oudsten waren. De nieuwe kleuters moeten hun plekje nog vinden. Sommige kijken vol verwondering naar wat de grootsten al kunnen, weer andere kleintjes proberen stoer mee te doen. Maar allemaal zijn ze vol verwachting voor wat er gaat gebeuren. Na een paar weken als iedereen zijn plekje heeft gevonden wordt er door juffie op een morgen een nieuw lied gezongen:

De hemelpoort zal opengaan.
Sint Michael zie ik daar staan.
0, sterke held u volgen wij,
En waar gij gaat staat gij ons bij.

“Dat ken ik!” roept een meisje eigenwijs en doet extra goed haar best. Heerlijk is het om in deze tijd met de kinderen een heel kort spelletje te spelen van een prinses die door een boze trol meegenomen wordt naar zijn hol. Dan komt de prins, bevrijdt het prinsesje en neemt haar mee naar zijn kasteel waar de bruiloft gevierd wordt.

Aan het eind kan iedere kleuter genieten van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes, of van de wolf die de twee kippetjes Witveertje en Zwartveertje verslindt. En nog meer genieten de kinderen wanneer ze horen hoe de boze wolf overwonnen wordt.

Maar ook buiten in de natuur is van alles te beleven in deze tijd. De mooie nazomer loopt ten einde en de herfststormen komen. De luchten zijn nu prachtig, groot verschil tussen licht en donker kunnen we waarnemen. De dagen worden korter, de vogels trekken weg, bladeren en vruchten vallen op de aarde. Alles verinnerlijkt zich. Ook de mensen trekken zich in hun huizen terug en gaan zich klaarmaken voor de winter. In de tuin bloeien nog de laatste bloemen in uitbundige kleuren en hoog boven alle andere de goudgele zonnebloem. Op de akker rijpt het koren. We spreken dan ook in ons ochtendspelletje van de boer die het koren gaat maaien. Wanneer wij ijverig gemaaid hebben wordt het koren gebonden. “Ik heb de dikste bos”, roept een grote jongen en laat zien hoe dik zijn bos koren wel is. Wanneer het koren droog is wordt er gedorst en gewand en daarna brengen we het samen, met paard en wagen, naar de molenaar en vragen hem of hij het voor ons tot meel wil maken. Het paard krijgt water als dank omdat het alle zware zakken naar de molen gebracht heeft. Als we een paar weken veel koren gemaaid en gemalen hebben gaan we naar de bakker en vragen we of hij van het meel brood voor ons wil bakken voor het Michaëlfeest. Natuurlijk helpen wij de bakker en de hele klas geurt naar vers gebakken brood. Op een dag komt een van de kinderen met een grote zak eikeltjes en kastanjes aanstappen. Tijdens het vrije spel maken wij daar van alles van; spinnenwebben, dieren, poppetjes, kabouters. Van de eikels van de Amerikaanse eik kunnen we goed tollen maken, een rond stukje karton knippen en kleuren en met een prikker in de eikel prikken en dan maar tollen!

Vruchten horen bij de herfst. We vinden in overvloed, overal, in de
boom­gaard, langs de weg en in het bos; kastanjes, eikels, beukennootjes en hazel­noten. Met mandjes gaan de kinderen het bos in en rapen alle vruchten op die ze vinden, ook mooie gekleurde bladeren waar we een lange slinger van rijgen en door de klas hangen. Want al die schatten die de natuur ons geeft zijn natuurlijk niet alleen om naar te kijken, maar om iets mee te doen. We maken er iets van voor de toekomst. De meest nabije toekomst is de donkere koude winter. De vruchten die de herfst ons schenkt gebruiken we om deze toekomst te kunnen verdragen en daar moeten we hard voor werken. In de vruchten leeft een nieuwe kiem, de mogelijkheid voor een nieuw leven. De vruchten geven een beeld voor de toekomst en deze vruchten worden door onze kinderen met grote overgave verzameld. Zijn onze kinderen zelf ook niet de toekomst? In de vrucht verzamelt zich het zonnelicht opdat in de toekomst iets nieuws kan ontstaan. Opdat de duisternis, de draak, overwonnen kan wor­den. Vruchten zijn het kosmische licht. Wanneer we het kleine kind dit laten beleven in alles om hem heen,  geven we het de mogelijkheid om later zelf de donkere tijden te kunnen overwinnen en de strijd aan te durven met de draak. Daarom vieren we het Michaëlfeest in de kleuterklas.

Wanneer de kinderen op 29 september op school komen kan na al deze voorbe­reidingen het Michaëlfeest gevierd worden.

In het midden van het “vertelhuisn, op een mooie doek, liggen alle vruchten die de herfst ons geeft en ook een bos koren waarbij de boer staat, met de kippen die alle graantjes wegpikken. Een van de kinderen komt op school met een grote zonnebloem “voor Michaël”. Een ander meisje dat thuis een grote tuin heeft, brengt een mand met appels mee. Deze ochtend is een bijzondere ochtend, want we zeggen niet de gewone spreuk, maar de spreuk van Michaël. Veel Michaëlliedjes worden gezongen en daarna gaan we spelen.

Maar juffie gaat niet op haar eigen plekje zitten, nee, ze gaat de tafels vast klaarmaken. Al gauw komen er kinderen die graag mee willen helpen. Tussen de bladeren worden appels en noten gelegd. Het brood wordt gesneden en gesmeerd. Bij een feest hoort ook licht en we zetten de kaarsen, die we al versierd hadden met sterren en draken op tafel en als iedereen zit neemt elke kleuter een appel en met een plukje schapen­wol worden de appelwangen net zo lang gepoetst tot ze glimmen. Een rood hoofddoekje wat we er omheen knopen maakt van de appel een appelvrouwtje en de schapenwol is het haar.

Natuurlijk gaan we ook naar buiten. Daar laten we onze zelfgemaakte
molen­tjes draaien of gooien zakjes zand met lange slingers er aan hoog in de lucht. Wat een plezier hebben de kinderen wanneer die wapperen in de wind en dan met een doffe plof op aarde komen. Tot slot wordt in de klas het poppenspel van Repelsteeltje gespeeld en na een laatste lied gaan de kinde­ren tevreden naar huis om daar het feest verder te vieren.

(C. de Pree, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel      kleuters

Peuters/kleuters: alle artikelen

.

268-253

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (19)

 

.

MICHAËLSFEEST

“In spring, de boog gaat in.”

Men kan de wisseling van seizoenen in de loop van één jaar als een soort ademhaling beleven.
In de zomer is de aarde groot geworden. De aarde, als totaliteit van mineralen, planten en dieren, breidt zich uit naar de periferie. De bomen hebben hun bladertooi naar buiten gebracht. De planten bloese­men, het stuifmeel vliegt op, de geuren van de bloemen verbreiden zich. Ook de dieren zijn overal zichtbaar. De vlinders fladderen rond, de leeuwerik stijgt al zingend steeds hoger. Kortom: de aarde ademt zich geheel uit.

Na de zomer begint alles zich weer terug te trekken. Het zaad is in de aarde gevallen, de bladeren verdorren, de sapstroom neemt af. Ook de dieren trekken zich terug in hun holen, korven en stallen. Naar de midwinter toe ademt de aarde steeds meer in.

Zoals op één uit- en inademing bij de mens vier hartslagen plaatsvin­den, zo zijn er in één jaarcyclus ook vier concentratiepunten, waar het duidelijkst de kwaliteit van dat jaargetijde beleefbaar is; mid­zomer, middenherfst, midwinter en middenlente. Tot uitdrukking ko­mend in de jaarfeesten van Johannes de Doper (midzomer), Michal (herfst), Kerstmis en Pasen.

Het gebaar van in- en uitademing, dat de aarde maakt, vindt men bij de mens in de loop van het jaar terug. In de zomer is ons innerlijk het meest naar buiten gekeerd, we beleven de ontmoeting met de na­tuur. We geven ons er in zekere zin (vooral in de vakantie) aan over en worden er af en toe wat dromerig bij. In de zomertijd zijn we van nature wat gemakkelijker “buiten ons zelf” (uitgeademd). Naar de winter toe komen we meer “tot ons zelf”, we zijn meer naar binnen gekeerd (ingeademd). De mens is in de winter wakkerder, meer tot beschouwen en nadenkendheid in staat.

Zomer en winter zijn gemakkelijke tijden van het jaar, omdat ze zo extreem, zo uitgesproken zijn. Óf helemaal uitgeademd, óf helemaal ingeademd. Daar kun je even in verwijlen; net zoals de ademhaling op zijn diepste punt van in of uit even stilstaat. De tijden daar­tussen zijn veel moeilijker, omdat het overgangstijden zijn. Het is telkens weer anders, je moet a.h.w. op een rijdende trein springen. Sommige mensen krijgen daarom in lente of herfst klachten. Maagzwe­ren komen juist in deze seizoenen voor. En ook depressies treden vaker op in de tijd, dat de blaadjes aan de bomen komen of er weer vanaf vallen.

Wat zou je in de herfst kunnen doen, om deze overgangstijd zinvol door te maken? In vroegere tijden was Michaeli een boerenfeest; het oogstfeest. De vruchten en de granen werden binnengehaald. Voor ons is dat moeilijker. We komen van vakantie terug en moeten weer iets hervatten. Hebben we iets te oogsten? Ik geloof, in principe wel. Maar onze vruchtbomen en graanvelden zitten meer binnen. Het zijn al die indrukken en belevenissen van de lente- en zomertijd, die nu in onze ziel verder zijn gerijpt. Het is goed om deze met de kinde­ren nog eens in herinnering te roepen en te verwerken en op deze manier te “oogsten”. De noodzaak tot oogsten ligt niet buiten, maar binnen.

In de herfsttijd is een geliefkoosd spel: het touwtje springen. Twee kinderen zwaaien het touw rond en er staat een hele rij klaar om er in te springen. “In spring, de boog gaat in.” Het is een hele toer om nét op het goede moment naar binnen te gaan én om er weer uit te springen. En daar gaat het juist om in deze tijd van het jaar: om er op het juiste moment in te springen. De Michaël-herfsttijd is de tijd van het initiatief, van het willen van binnen uit.
Sint-Joris passeerde een stad, die belaagd werd door een draak, die elk jaar mensenoffers verlangde. Net op het moment, dat hij aankwam, moest de dochter van de koning geofferd worden. Toen “sprong hij er in.”

(J.van Dam,  nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

Touwtjespringen


.
267-252

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (18)

.

DE ENGEL VAN DE GOEDE WIL

De reiniging
Het overvalt me ieder jaar weer: de ‘opruimwoede’ eind augustus, als we terug zijn van vakantie. Alles wat in het afgelopen jaar is blijven liggen, si­tuaties in het huis die allang veranderd hadden moeten worden, maar waar ik niet de tijd voor vond – ineens heb ik er geweldig veel zin in om dat allemaal aan te pakken en opnieuw vorm te ge­ven. Het is als met de dakgoot: eens in het jaar moet je de ‘proppen’ oprui­men, zodat het regenwater weer kan stromen, anders krijg je lekkage. Het is of je een soort bezinksel van het afge­lopen werkseizoen moet opruimen, voordat je aan het nieuwe kunt begin­nen. Dat ‘bezinksel’ ontstaat in de zo­mervakantie, in een tijd die ogenschijn­lijk met leegte en nietsdoen te maken heeft. Je ondergaat een soort ‘reini­ging’, je bekijkt alles met een frisse blik, met ‘andere’ ogen.
Zolang het gaat om het verschuiven van kasten in je huis of het uitzoeken van kinderkleren, is het vrij gemakke­lijk om je goede voornemens in een daad om te zetten. Zodra het echter intermenselijke relaties betreft, wordt de zaak ingewikkelder. Want ook dat treedt op in deze tijd: het scherp zien van vastgelopen situaties, van hoe het eigenlijk allemaal zou moeten, en vooral de ergernis over de onaangena­me eigenschappen van andere mensen die datgene, wat jij van plan bent te verwezenlijken, in de weg staan. Gebrek aan geduld, aan zelfbeheersing en een zeker wijs inzicht doet de goe­de wil in on-wil verkeren.

Wachter op de drempel
Na deze roerige begintijd ontmoeten we op de drempel naar de herfst toe een machtige gestalte, die ons kan hel­pen onze goede wil gericht te hanteren. Van oudsher is de 29ste september gewijd aan de aartsengel Michaël, de aanvoerder van alle engelen in de strijd tegen het boze, zoals dat beschreven staat in de legenden. We komen zijn naam tegen in het boek Daniël uit het Oude Testament en in de Openbaring van Johannes. Alle volkeren van het Avondland hebben door de eeuwen heen de strijdende engel afgebeeld, in steen, in hout, als schildering. Zijn attributen zijn het zwaard en de weeg­schaal. Het zwaard lijkt ons vanzelf­sprekend voor een strijdend wezen. Het werkt vernietigend, het kan de dood brengen. Toch heeft het ook an­dere eigenschappen, die ons te denken geven. Het zwaard glanst, het is scherp, het loopt spits toe, en als de strijdende het hanteert, gelijkt het een flitsende, stekende zonnestraal. In de taal vinden we uitdrukkingen, die ontleend zijn aan deze eigenschappen van het zwaard, zoals: ‘Dat woord stak hem’ .of ‘Die gedachte flitste door me heen’ of ‘Dat is een scherp denker’.
Daar waar de mens gedachten wil uiten in woorden, daar gebruikt de taal het beeld van het zwaard. Gedachten kun­nen messcherp zijn en helder en recht op de man af, maar we weten allemaal ook hoe diep je iemand kwetsen kunt met een enkel woord! Het andere werktuig dat Michaël bij zich heeft, is de weegschaal. In zijn functie is dit instrument volkomen te­gengesteld aan het zwaard. Het wijst op bezonnenheid, op het wikken en wegen van voor en tegen. Een goed voorbeeld van Michaël als zielenweger is te zien in de Bourgondische plaats Beaune. Daar hangt in het juweel van een gasthuis het reusachtige schilderij van Rogier van der Weijden (15e eeuw), dat een hele muur in beslag neemt. Michaël als stralend middelpunt van het schilderij, houdt de weeg­schaal moeiteloos tussen duim en wijs­vinger. In de koperen schalen zitten kleine, naakte mensfiguren, wat altijd aanduidt dat er sprake is van mensen­zielen, vrijgekomen van het aardse li­chaam. In de ene schaal, die hoger hangt dan de andere, knielt een reine ziel, de handen biddend opgeheven, de blik omhoog gericht; in de andere schaal, vlak boven de grond, zit een klagende gestalte, bestemd voor hel en vagevuur. De blik van de engel is niet op de zielen gericht, maar recht naar voren: de grote weger is even objectief als het instrument dat hij hanteert. Zijn vleugels zijn bezaaid met ‘pauwen­ogen’ ten teken dat de ogen van vele geestelijke wezens dit wegen van zie­len volgen met hun aandacht. Ook in 3 hymnen en liederen wordt Michaël zo beleefd, als wachter op de drempel van de geestelijke wereld.

Wat geeft de doorslag?
Toch blijft bij dit alles een vraag han­gen: wat wordt er eigenlijk gewogen, en wat geeft de doorslag? Want dat wordt niet duidelijk op het schilderij in Beaune.

Nu bestaat er in Noord-Europa een an­dere afbeelding van dit gebeuren, die ons kan helpen een antwoord te vin­den. In het zuiden van het eiland Gotland voor de Zweedse kust staat een kerk in de plaats Vamlingbo. Op de noordelijke wand van deze kerk is een groot fresco geschilderd, dat een ver­rassend levendig beeld geeft van Mi­chaël als zielenweger. We zien de Duitse keizer Hendrik II op zijn sterfbed. Tij­dens zijn leven heeft deze keizer veel gedaan voor de innerlijke versterking van de kerk. Als symbool van dit stre­ven schenkt hij de vijf priesters aan zijn sponde een gouden kelk.
Naast dit gebeuren hangt de weegschaal van het oordeel. In de ene schaal zit de ziel van de gestorven keizer (met kroon op) en bij de andere schaal zijn allerlei duiveltjes druk bezig ‘be-zwaren’ aan te dragen tegen het opnemen van deze ziel in de hemel, in de vorm van ge­bundelde gewichten. Twee duistere fi­guren zijn zelfs bij machte om de schaal met Hendrik erin met stokken omhoog te duwen, zodat de verzwaar­de schaal omlaag dreigt te gaan. Dan grijpt Michaël in. Het is of hij op het laatste moment komt binnenvlie­gen met ruisende vleugels en waaiend gewaad. Licht pakt hij het midden van de weegschaal tussen duim en wijsvin­ger. In de andere hand draagt hij iets dat ten slotte de ‘door-slag’ blijkt te ge­ven: de gouden kelk die de keizer bij zijn leven schonk aan de kerk. Echter niet de aartsengel zelf, maar een heili­ge legt uiteindelijk de kelk in de schaal bij de ziel van de keizer, die bijna te licht bevonden werd. Hendrik II be­hoorde tot die innerlijk gedrevenen, die van tijd tot tijd opstonden om de zuivere kern van het Christendom te beschermen tegen de uiterlijke pracht en praal van Rome. Het heeft hem be­zield, zijn leven lang. En dit streven, dit willen van het goede, dat is de in­houd van de kelk die de doorslag geeft. Doet de kelk ons niet denken aan een mens, rechtop staande op de aarde, de armen iets gebogen geheven naar de hemel? Het is het oeroude gebaar waarmee de priesters als vertegenwoor­digers van de mensen door de eeuwen heen de wisselwerking tussen hemel en aarde mogelijk maakten.

Zij die van goeden wille zijn
Een kind tekent een huis: een vierkant met een driehoek erop. Ik kijk ernaar en het boeit mij. Vier hoekpunten heeft het huis, vier hoekpunten heeft ook het jaar dat je iedere keer moet opbouwen als een huis, van Kerstmis tot aan de volgende Michaëlsdag. In het natuurlijke verloop van het jaar ligt Michaël tegenover Pasen. Beide feesten vallen vlak na de dag- en nacht­evening. Er is ook een diepere samen­hang, waar een oude Russische legen­de van vertelt. In een soort lofzang wordt beschreven hoe de engel Micha­ël als enige bij het kruis van Golgotha achterblijft om de wacht te houden. Hij kan niet weggaan, maar hij mag ook niets doen om het ontzaglijke lij­den ongedaan te maken. De duisternis wordt dichter, zoals ook in de evange­liën verhaald wordt, en ten slotte slin­gert Michaël zijn speer, die als een bliksemschicht de voorhang van de tempel doormidden scheurt. Het god­delijke mysterie is van nu af aan een ‘openbaar geheim’. De machtige vleu­gels van de aanvoerder der engelen rui­sen van heilige toorn over het onschul­dige lijden aan het kruis. Zijn liefde voor de zoon Gods is onmetelijk groot, maar ‘de wet moest worden vervuld’. Zo staat Michaël voor ons als de strij­der tegen het duister, tegen het boze in dierengedaante, tegen de draak. Zo­lang je jong bent, is dit een heerlijk beeld om mee te leven: de heilige ver­ontwaardiging over allerlei onrecht en misstanden om je heen krijgt daardoor een schone vorm. Maar als je ouder wordt, merk je dat de draak in jezelf nog het moeilijkste te temmen is. De moed uit vroeger jaren verkeert in dee­moed. Je bent niet meer tevreden als het je eens lukt om een bepaalde heb­belijkheid terug te houden of om te vormen. Die hebbelijkheid steekt bij de eerstvolgende gelegenheid weer de kop op, en als je dan niet op je hoede bent, gaat het mis. Het is als in de sprookjes: voor iedere afgeslagen drakenkop groeit weer een nieuwe op! Wat geeft dan het houvast om de moed niet op te geven, om niet te ver­twijfelen? Dat is de overtuiging dat de goede wil uiteindelijk de doorslag geeft. Wat wij in het diepst van ons hart volbrengen willen: dat werkt. Merkwaardig genoeg leer ik dat in de omgang met mijn kinderen. En wie staat er dichter bij de geestelijke we­reld dan een jong kind?

Ten slotte
Iedere keer dat je je over een wieg heenbuigt, waarin een klein mensen­kind ligt te slapen, komt de vraag in je op: wat wil jij hier doen op de aarde? Vaak immers wordt dit pas duidelijk bij het afsluiten van de biografie, na de dood, als de levensloop van de ge­storvene overdacht wordt door de mensen die hem hebben gekend. En misschien is dat wel de moeilijkste opgave die Michaël ons stelt in deze tijd: ook tijdens het leven in andere mensen die goede wil leren herkennen, die je zelf in je hart voelt branden. Want dan pas houden zwaard en weeg­schaal elkaar in evenwicht.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 2, 21-09-1979)
.

Vamlingbo: fresco

bron

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

265-250

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (17)

.

KOSMISCHE ACHTERGRONDEN VAN HET MICHAËLSFEEST

Meteoren aan de sterrenhemel

Het Michaëlsfeest is voor de meeste mensen onbekend en aan weinig traditie gebonden. Het kan alleen zinvol gevierd worden als men zoekend is naar de impuls die de ach­tergrond van dit jaarfeest vormt.|

Waar het gaat om het Michaëlsfeest voor de kinderen, is de ons omringende natuur een goed uitgangspunt. Ook het oude boeren Michaëlsfeest droeg het karakter van een jaargetijdenfeest: een oogstfeest. Vanuit de natuurervaring kan men zo tot zinvolle jaar­feestvieringen komen.

Een andere mogelijkheid om enige toegang te vinden tot de achtergronden van de jaar­feesten, in dit geval het Michaëlsfeest, wordt geboden door gebeurtenissen die zich aan de sterrenhemel afspelen. In juni valt het Sint-Jansfeest op het mo­ment waarop de zon op onze breedte haar grootste hoogte bereikt heeft en juist weer aan de afdaling in de dierenriem is begon­nen. De dagen zijn lang, het etmaal wordt overheerst door het licht. Men kan in die dagen het gevoel krijgen dat de zon de mens mee omhoog trekt, en buiten zichzelf voert. De processen waaraan mens en natuur in de zomertijd onderhevig zijn, kan men zwavelprocessen noemen; onder zwavel wordt dan niet de chemische stof verstaan, maar — in navolging van een oude traditie — warmteprocessen.

Om de weg naar de aarde terug te vinden en in de wintertijd de aardse taak weer op te nemen, is een tegengesteld proces nodig, aan te duiden als ijzerproces. IJzer is de stof die ook in het bloed wordt aangetroffen en een mens mogelijkheid geeft als persoonlijk­heid op aarde te leven.

Wanneer men dan de waarneming van de sterrenhemel bij de beschouwing betrekt, dan blijkt hoe men ver van de storende stadslichten in augustusnachten kan genie­ten van een rijke ‘sterrenregen’. Kosmische vonken schieten langs de hemel. Deze ‘vallende sterren’, meteoren, vluchten uit één punt van de sterrenhemel: het ster­renbeeld Perseus. Vandaar de naam voor de­ze elk jaar terugkerende ‘sterrenregen’: de Perseïden. Deze meteorenvlaag kan in ver­band worden gebracht met de naderende Michaëlstijd. Kosmisch ijzer wordt door de fel oplichtende meteoren naar de aarde ge­bracht. Het vluchtpunt, radiant, van de Per­seïden, het sterrenbeeld Perseus, is een Michaëlisch beeld: Perseus verricht een Michaëlische daad als hij Medusa het hoofd af­slaat. Het wezen dat over het derde oog be­schikte, het oude orgaan der helderziend­heid, wordt gedood. Aan de atavistische ver­mogens van de mens komt een einde; de weg naar de ontwikkeling van het vrije den­ken wordt geopend. De kosmische vonken die de zomernachten verlichten, vinden hun oorsprong in het geheven zwaard van Per­seus.

De kosmische oorsprong van de Perseïden is ook op nog andere wijze met de Michaëlische impuls verbonden. Astronomisch is vastgesteld dat de banen van deze meteorie­ten voordat zij op de aarde terecht komen, dezelfde zijn als de baan van een komeet die in 1862 gezien is, de komeet Swift-Tuttle. Men heeft berekend dat deze ko­meet een elliptische baan rond de zon had, met een omlooptijd van 120 jaar. Uit het jaarlijks verschijnen van de Perseïden mogen we afleiden dat de komeet Swift-Tuttle een komeet in afbraak is.

Wat is nu de achtergrond van dergelijke af­braakprocessen die ook andere kometen kennen? Om op deze vraag een antwoord te kunnen vinden, is het nodig daarbij gees­teswetenschappelijke gezichtspunten te be­trekken.

Rudolf Steiner heeft kometen beschreven als kosmische verschijnselen die ook nog aan andere impulsen gehoorzamen dan aan de bekende wetten van de aantrekkings­kracht, waaraan ons zonnestelsel zijn be­rekenbaarheid ontleent. Hij karakteriseert ze als kosmische reinigers van de astrale atmosfeer: kometen nemen, zegt Steiner, slechte astraliteit in zich op, ontlasten daarmee de kosmos. Kometen verschijnen als de kosmos gereinigd moet worden. Elke komeet vervult daarmee een zuiverende taak, daarbij kunnen kometen dragers zijn van spirituele impulsen die hun uitwerking op de geschiedenis van de mens­heid hebben.

De oorspronkelijk geheel onverwacht ver­schijnende komeet kan een deel van zijn kometenkwaliteit verliezen door geheel in de sfeer van de berekenbaarheid gevangen te raken: de komeet ondergaat een verande­ring in zijn gedrag, hij gaat zich in een vaste, elliptische baan bewegen, waardoor zijn terugkeer berekend kan worden. Daarmee is weer een stukje kosmos vastgelegd in de wereld van maat, gewicht en getal.

Geestelijke tegenmachten kunnen zich van de komeet meester maken en daarmee de aanvankelijke positieve zending van de ko­meet doen omslaan in het tegendeel. De in­teresses van deze tegenmachten liggen daar waar de mensheidsontwikkeling omgebo­gen kan worden, waar de mens gevangen kan worden in onvrijheid. Een kosmische draak bedreigt de menselijke ontwikkeling.

Michaël heeft zich in de strijd om de vrij­heid van de mens verbonden met het lot van de mensheid.

In de kosmos speelt zich een geestelijke strijd af die op aarde in de fysieke wereld zichtbaar wordt doordat wij kunnen waar­nemen hoe kometen in brokstukken uit el­kaar vallen, opdat zij niet langer kunnen bij­dragen tot de macht van die wezens die zich tegen de vrijheid van de mens keren. Michaël bereidt uit het gif van de tegenstan­der een kosmisch medicijn dat de mensheid te hulp komt op haar weg naar de vrijheid. Het kosmische ijzer daalt in lichtende me­teoren op de aarde neer. IJzer waaruit de mens zich het Michaëlisch zwaard kan sme­den.

Geen uiterlijk wapen geeft Michaël in de hand: het is het wapen van de menselijke moed.

(Rinke Visser, Jonas nr. 2, 26-09-1975)

Michaël Perseus

Memling Laatste oordeel

Hans Memling: Laatste oordeel

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

264-249

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (16)

.

MICHAËLSTIJD

Het was warm deze* zomer. Veel mensen hebben het nauwelijks aangekund, die overvloed van licht en warmte. Je wordt er moe van als het lang duurt. Het is alsof een soort koorts je te pakken krijgt. Heel sterk kun je dat ervaren als je een tijdje geen echt dak boven je hoofd hebt, in een tent woont. Van lezen komt niks, je ergens in verdiepen lukt ook niet.

De buitenwereld zuigt je naar buiten, bijna gewelddadig.

Wat we deze zomer zo sterk hebben ervaren, is elke zomer wel te merken, zelfs in zomers met veel regen. Je leeft buiten jezelf, je bent wakker in de buitenwereld. Om vandaaruit weer goed aan het werk te komen heb je een tegenwicht nodig, iets dat je van binnen uit wakker maakt.

In ons bloed komt een element voor dat onmisbaar is voor ons menselijk bewustzijn: het ijzer. IJzerkrachten zijn het die ons na een zomer vol buitenwereld weer houvast van binnen kunnen geven. Deze ijzerprocessen worden in onze streken ingeleid door een ster­ke ijzerimpuls die onze aardedampkring vanuit de kosmos krijgt: in groot getal schiet in de loop van de zomer een regen van kosmische ijzervonken langs de hemel. Deze “sterrenregen” die wij elke zomer weer kunnen waarnemen, kunnen we zien als een eerste inzet van de naderende Michaëlstijd. De Perseïden trekken hun lichtende sporen langs de nachthemel, ontspringend uit het reddende zwaard van Perseus de grote held, die de ko­ningsdochter Andromeda uit de macht van een vreselijk zeemonster bevrijdde.

In de herfst beleven we het moment waarop de tijd van het uiterlijke licht korter wordt dan de duisternis. De nacht wordt langer dan de dag.

De tijd is gekomen om ons te richten op het innerlijk licht. Maar tevens is het tijd om met de kracht van het ijzer geen uiterlijke veldslagen te winnen, maar sterk te staan tegen be­dreigingen die ons menszijn willen aantasten. Het slagveld is in ons. In beelden spreken we dan over de “strijd tegen de draak”. Aan ons is het om die beelden te vertalen in de taal van ons bewustzijn: de draak te herkennen.

(Rinke Visser, vrijeschool Haarlem, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

263-248

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.