Tagarchief: sprookje

VRIJESCHOOL – Sprookje ‘De twaalf broers’ (1-8)

.
Een sprookje van Grimm (nr. 9)

.
Ulrich Schlechtinger, die Kommenden, nadere gegevens onbekend
.

Sprookjesbeelden  willen altijd méér uitdrukken dan alleen maar wat betrekking heeft op de beschreven feiten. Deze beelden zijn als vensters waardoor we de hogere waarheden kunnen zien.

.

Het geheim van getallen in de sprookjeswijsheid

.
In dit sprookje spelen getallen een grote rol en die worden ook de sleutel om dit sprookje te begrijpen.
De getallen scheppen een ordenend patroon in het tapijt van het lot.
Van de twaalf broers wordt alleen de jongste bij naam genoemd; hij heet, zoals in de Bijbel Benjamin. Dus de twaalf is verdeeld in elf en één. De zuster wiens geboorte op handen is wanneer het verhaal begint, is de dertiende. Zij vertegenwoordigt het begin van een nieuw tijdperk als we een ontwikkelingscyclus in twaalf fasen verdelen.

Voordat wij rond 600 na Christus van de Arabieren het decimale stelsel overnamen, was twaalf het leidende getal. We kennen de termen vandaag de dag nog steeds: een dozijn, een gros; alle tijdsindelingen zijn nog steeds gebaseerd op het oude Indiase systeem: 60 seconden en minuten, 12 uur, 12 maanden. Een muziekoctaaf heeft 12 halve tonen. Als we de getallen optellen die betrekking hebben op de hemel en de mens, dan is 7+5 weer gelijk aan 12. Twaalf is het afrondingsgetal, daarmee wordt iets afgerond. –
Maar wanneer een tijdperk ten einde loopt, treedt decadentie op. De 13 is omgeven door duisternis en bijgeloof – uit angst: wat zal het nieuwe onverwachte brengen? In het gewone taalgebruik zeggen we: Nu heeft de klok 13 uur geslagen; of als het de hoogste tijd is, het is 5 voor 12.
Twaalf is een samengesteld getal dat veel mogelijkheden heeft: 3 + 4 + 5;  3 x 4;  4 x 3;  5 + 7;  2 x 6.
In dit sprookje komen de volgende getallen voor: 20 x de twaalf; 6 x de 11; 11 x de naam Benjamin; 3 x de naam van de koningsdochter en 4 x de gouden ster op het voorhoofd van de koningsdochter.

Als twaalf afronding uitdrukt, waarom zouden de twaalf broers dan moeten sterven zodat het koninkrijk in handen valt van de dertiende – de dochter? Het woord afgerond – het Duits heeft ‘Vollendung – daar zit het woord einde in – betekent: iets is klaar, tot een einde gekomen. Er zou een einde komen aan de ontwikkeling als er geen ruimte was voor het nieuwe. Met de geboorte van het 13e kind begint een nieuwe cyclus van twaalf – 13 is de nieuwe een, de eerste en het begin van de toekomst.

De 12 kisten zijn niet leeg, maar gevuld met houtkrullen. Geeft dat niet aan dat de dode zonen er toch later niet in gelegd zullen worden? Er staat ook geen straf op het overtreden van het koninklijk gebod als de koningin de twaalf doodskisten twee keer aan Benjamin en haar dochter laat zien. De ouders hebben niet de dood op het oog, maar ze willen de op de dood lijkende transformatie die in het sterven het nieuwe voortbrengt.
De twaalf broers moeten in de toekomst niet langer leiding geven aan de ontwikkeling, maar ze moeten terugtreden. Ze moeten het koninklijk hof en later het huis in het bos verlaten en de leiding aan hun zuster overdragen. In twee fasen moeten ze zich losmaken van wat zij zagen als de erfenis van hun vader.
De 12 is dus het teken van de tijd die rijp is geworden in de ruimte, waar net als in het zaad alle groei en ontwikkeling tot stilstand is gekomen. De 12-voudige ontwikkelingsmogelijkheden zijn uitgeput, de erfenis is opgebruikt. Daarom kan de koning het koninkrijk niet aan hen overdragen.
Wanneer de koning dit wijselijk voorbereidt en regelt om de toekomst te dienen, kan de moeder dit nog niet volgen: “ze zat de hele dag te treuren”, staat er. Ze leeft zoveel mogelijk volledig in en voor het heden.
Ze heeft een zeer nauwe band met haar jongste, Benjamin, die altijd bij haar was. Er wordt benadrukt dat ze hem naar de Bijbel Benjamin noemde (zie hieronder).
Ze heeft het eerst ook alleen maar over Benjamin en pas veel later over de 11 broers en verdeelt zo de eenheid 12 in 2 delen: de één en de elf. De 11 zijn de dragers van het verleden, de 13 staat voor de toekomst en Benjamin als de 12e is de verbindende schakel. Benjamin krijgt van zijn moeder de opdracht om met de broers het bos in te vluchten. Daarmee gaat ze tegen de wil van de koning in en bereidt Benjamin zo voor dat hij zijn zuster kan herkennen en kan leren lief te hebben. Het verleden moet zich met de toekomst verbinden.

Eén van de broers moet altijd de wacht houden vanaf de hoogste boom, achteromkijkend naar de kasteeltoren, waar de geboorte van de nieuweling wordt aangekondigd. En na 11 dagen is het Benjamin die als 12e het nieuws van zijn moeder ontvangt dat er een dochter is geboren. Als de elf broers dit horen, worden ze boos en zweren wraak op elk meisje: “Waar we ook een meisje vinden, zal haar rode bloed vloeien’. Wat hun geboorte betreft, stammen ze af van de koningin-moeder en verdedigen ze zichzelf, net als zij tegen al het nieuwe; ze willen hun ouderlijke erfenis niet opgeven.

De vraag rijst: waarom bewaart de koning de sleutel van de doodskamer met de twaalf doodskisten niet zelf en overhandigt deze aan de koningin? Wat volgt daaruit? Als de koning de sleutel zelf had bewaard, zouden de zonen zich niet in het bos hebben verstopt en zou de dochter niet op pad zijn gegaan om de broers te zoeken. Een oude stroom in de mensheid mag niet sterven voordat deze zich een tijdje met de nieuwe stroom heeft verenigd. Het nieuwe moet nog steeds op het oude kunnen voortbouwen en er iets uit kunnen opnemen. Dit wordt gegarandeerd door het overhandigen van de sleutel. De koning wil de verantwoordelijkheid voor de voortgang van de ontwikkeling niet alleen dragen, maar samen met de koningin.
Twee keer opent de moeder de doodskamer en toont de doodskisten aan haar liefste zoon en dochter; allebei gaan ze dan van haar en het ouderlijk huis weg.

Man en vrouw vertegenwoordigen een gespleten eenheid, net zoals de wereld uit vele paren van tegenstellingen bestaat. Uit deze twee kunnen de 13 kinderen zich volgens hun eigen wetten ontwikkelen. De koning bereidt alles voor, hij brengt het voort; de vrouw baart het uit haarzelf en zorgt ervoor dat het gevolg heeft: zij heeft de sleutel en doet deze open. Wat de relatie tussen beide geslachten betreft, begint de man met aandacht geven, maar de vrouw opent de harten. Later wordt de sleutel tot stilte aan een vrouw gegeven en moet ze zeven jaar lang een geheim bewaren en het zwijgen beoefenen.

Vragen brengen altijd iets in beweging

Benjamin merkt de emotionele verandering van de moeder op en vraagt ​​waarom ze zo verdrietig is. Door vragen komt er iets in beweging, er gaat iets vooruit. Hij valt op tussen zijn broers, simpelweg omdat alleen zijn naam wordt genoemd. Hij geeft de naam aan de kring van twaalf en wordt als 12e de bemiddelende schakel voor de 13e, die op een dag de oudste zal worden in de nieuwe kring van twaalf.
Omdat hij als eerste van zijn moeder verneemt dat er nog een kind wordt verwacht, verzet hij zich niet tegen het nieuwe – omdat hij heel goed weet welke gevolgen deze geboorte zal hebben voor de 12. Hij bereidt de vlucht naar het bos voor en vertelt dat aan zijn broers. Maar hij zweert niet met de 11 dat hij wraak zal nemen op alle meisjes. Hij is geen jager die doodt, maar hij maakt eten klaar voor iedereen en zorgt voor het huishouden: hij neemt meer moedertaken op zich – later ook samen met zijn zuster. – Als het getal 12 voor de 12e keer in het sprookje verschijnt, herkent Benjamin zijn zuster aan de 12 getoonde hemden – en daarmee is de verbinding tussen oud en nieuw voltrokken Het enige wat nog te vrezen is, is dat de broers geen genade zullen tonen en, in overeenstemming met hun gelofte, hun zuster willen doden. – En het is echt ontroerend hoe zorgvuldig Benjamin de blijde boodschap en het nieuwe aan zijn broers verkondigt; omdat hij een heel ander karakter heeft, omdat hij tussen de twee vrouwelijke figuren, moeder en zuster, staat. Als de elf vragen: “Is er nog nieuws?”, vraagt ​​hij: “Weten jullie niets?” – Hoe kan hij iets nieuws te weten komen als hij de hele dag in huis moet werken? Alleen de elf die elke dag buiten jagen, kunnen iets nieuws ervaren. Benjamin is “in huis”, hij is de innerlijke ziel. Hij weet niet helemaal zeker hoe zijn broers zullen reageren als ze erachter komen dat de zuster aanwezig is. Daarom wil hij van de jagers zeker weten of ze net zo als hij, voelen dat het meisje genade verdient. Zo verbindt hij zich met de 11 broers en vormt opnieuw de eenheid 12, voordat de 12 zich verzoenen met de 13e. “Toen was iedereen gelukkig en hielden ze van elkaar met heel hun hart.” Vanaf dit uur blijven Benjamin en zijn zuster in huis nauwer met elkaar verbonden.

De naam Benjamin komt uit het eerste boek van Mozes, hoofdstuk 35, vers 24 en hfst. 42-45. Jacob had 12 zonen: 6 van zijn vrouw Lea, 2 van Rachels dienstmeisje, 2 van Lea’s dienstmeisje en de 11e en 12e zoon van zijn lievelingsvrouw Rachel zelf: dit waren Jozef en Benjamin. – Jozef werd door de broers aan kooplieden verkocht en kwam in Egypte, waar hij al snel de vertrouwde minister van de farao werd. – Toen er hongersnood uitbrak in Kanaän, het thuisland van Jakob, stuurde hij zijn tien zonen naar Egypte en hield Benjamin als jongste bij zich. Pas toen Benjamin met hem meeging op de tweede reis naar Egypte maakte Jozef zich aan zijn broers bekend. Dit gebeurde op zo’n manier dat Jozef zijn tranen van emotie niet kon bedwingen toen hij zijn echte broer Benjamin zag (de anderen waren halfbroers van Josef) –
Benjamin legde ook hier de verbinding tussen de broers en zussen vast. En Jozef, die eerder door zijn broers dood verklaard was, vergaf zijn broers en zei: ‘Ik ben niet boos op je omdat je me naar Egypte hebt verkocht; God heeft mij hierheen gebracht zodat jullie levens door mij gered konden worden.’ Hij ziet een door God ingesteld, noodlottig verband tussen de intentie van de broers om hem te doden en het feit dat hij nu hun redder kan worden. –
En als derde parallel met deze beschrijvingen in het Oude Testament wordt over de bejaarde vader Jacob verteld, hoeveel hij om zijn jongste zoon geeft en hem bij zich houdt als de andere 10 zonen voor de eerste keer naar farao gaan om graan te kopen.
En hoe de koningin twee keer huilt in het sprookje als ze Benjamin en de dochter de doodskisten laat zien; zo huilt ook Jacob bitter en denkt dat hij zal sterven als hij Benjamin bij de tweede keer naar Egypte mee moet laten gaan.

Hoewel het middelpunt van ons sprookje de zuster is, heeft ze geen naam. Onzelfzuchtig doet ze bij het vervullen van haar opdracht, een stap terug. Maar ze wordt wel drie keer de koningsdochter genoemd: wanneer ze Benjamin ontmoet – wanneer ze de elf broers erkent – en wanneer de koning haar in de boom ontdekt.
En over haar gouden ster op haar voorhoofd wordt vier keer gesproken als teken van het tijdperk dat aanbreekt. Maar de twaalf broers worden nooit de zonen van de koning genoemd.

In tegenstelling tot haar broers, die uit angst om dood te gaan het bos in vluchten, neemt het meisje zelf het besluit het huis van haar ouders te verlaten om haar broers te zoeken. De dood wordt aan de broers aangekondigd omdat de ontwikkeling anders tot stilstand zou komen. Ze zijn volledig toegewijd aan de zorg voor het fysieke; daarom staan ​​de kisten al voor hen klaar. Het ligt in de aard van het lichaam en al het materiële om zijn eigen graf en dood voor te bereiden.

De zuster draagt ​​de ster op haar voorhoofd

Maar de zuster is van nature anders, zij draagt ​​de ster op haar voorhoofd. Ze denkt niet zoals haar broers; in haar denken licht de helderheid van een hemelster op. Alle gedachten die om materiële dingen gaan of die construeren, dienen ook het stoffelijke en hebben uiteindelijk een destructief effect op het leven. In zulke gedachten is er geen goddelijke geest, geen licht en geen leven. Maar in de mens is een streven naar een hoger leven aanwezig. Dit is wat de ster die het meisje draagt ​​laat zien: zij wil dat dienen en een spiritueel wereldbeeld toevoegen aan het materiële wereldbeeld. Nieuw leven moet aan de dood worden ontworsteld. Hier weerspiegelt een paasmotief de wederopstanding.

Als Benjamin ernaar vraagt, laat zijn moeder hem de twaalf doodskisten zien en wijst hem erop: jullie staat op het punt om te sterven. Het meisje neemt eerst iets bovenzintuiglijks waar aan haar broers voordat haar hun doodskisten worden getoond. Ze ziet de twaalf hemden die de broers hebben achtergelaten.
Wat zijn deze hemden?
Een hemd is de eerste bedekking voor het lichaam; het lijkt erg op het lichaam en is op maat gesneden, zodat het de romp en armen bedekt. Bovenaan en onder zijn er openingen voor hoofd, armen en benen. Vijf delen van het lichaam worden dus niet bedekt door het hemd.
Wij werken met onze handen en geven met eigen verantwoordelijkheid vorm aan ons lot. Op plekken waar mensen wonen en werken laten ze onzichtbare omhulsels achter als resultaat van hun handelen en denken.
Goethe wist hiervan toen hij zei: De plaats die een edel mens betreedt, wordt ingewijd.
De zuster neemt dit onzichtbare wat de broers achtergelaten hebben, waar en vermoedt dat haar lot daar ook iets mee te maken moet hebben. Deze hemden als wasgoed zijn voor haar iets onvolmaakts dat veranderd moet worden. Pas na deze waarneming hoort ze van haar moeder over het lot van haar broers en neemt ze de mentale beslissing om naar hen op zoek te gaan. De hemden zijn de leidraad voor haar weg.

Overal waar mensen werken, laten ze gedachtevormen achter die bovenzintuiglijk op hemden lijken, zodat mensen zich later de acties van anderen kunnen herinneren. Als we het ons herinneren, brengen we onbewust iets in onszelf tot leven dat anderen als hun hemd hebben achtergelaten. Elke gedachte, gevoel en handeling laat sporen na in het leven. – De zuster volgt deze sporen van de hemden van haar broers en vindt zonder omwegen hun hut.

Laten we ook opmerken dat deze delicate waarneming plaatsvindt op het moment dat de zuster samen met de moeder kleren aan het wassen is. De twee vrouwen wassen iets schoon dat tijdens het leven vervuild is. De hemden van de broers waren niet meer schoon. In hun hemden, die bij elke geboorte onschuldig en puur lijken, hebben ze geestelijk vuil achtergelaten. De laatste onreinheid zal hun gevoel van wraak in de hemden hebben gedrukt. Vanwege deze schuld werd er een draad van het lot getrokken van de zielen van de broers naar de ziel van de zuster.

Vanuit haar onschuldige hart ziet de zuster aan de hemden deze verbinding en stelt ze ook een vraag aan de moeder van wie deze hemden zijn. Nadat ze de 12 doodskisten te zien krijgt, weet ze dat het haar taak is om haar broers te zoeken en met hen in contact te komen. Haar geboorte is verweven met het lot van haar broers, omdat die tien jaar geleden het ouderlijk huis moesten verlaten.

Door de hemden worden de ziel en het morele niveau van de broers aan haar onthuld, en pas later komt ze oog in oog met hen te staan. En ze is al zo vertrouwd met de geest-zielnatuur van Benjamin dat het herkennen en liefhebben van elkaar voor beiden als vanzelfsprekend is. “Ze omhelsden en  kusten elkaar innig.”

Wanneer Benjamin zijn zus vertelt over de gelofte van wraak, is het net zo vanzelfsprekend dat zij wil sterven om haar broers te verlossen.
In sprookjes komen we voortdurend de drempel van de dood tegen. In het aangezicht van de dood worden nieuwe zielskrachten onthuld. Het meisje staat voor ons  met een ziel van koninklijke grootte.
De naam Benjamin wordt nu voor het laatst genoemd als hij en zijn zuster voor de broers in het boshuis zorgen: zijn naam komt elf keer voor; als de 12e dient hij de 11 broers. Hij voorkomt het ongeluk dat de 11 hun zuster zouden hebben gedood. Benjamins taak is voorbij; Hij neemt weer bescheiden zijn plaats in onder zijn broers en deelt hun toekomstige lot. Hij werkte slechts korte tijd samen met zijn zuster in het huis.

De verandering van de broers in raven –
het breken van de lelies

Nu begint de eigen activiteit van de koningsdochter met de opdracht voor een nieuw tijdperk van ontwikkeling. De broers woonden al 10 jaar in het huis; maar daar gebeurt eigenlijk niets nieuws. Hoe vaak zullen ze elkaar niet hebben gevraagd: “Wat is er iets nieuws?” De ene dag gaat voorbij als de andere. Ze zorgen voor voedsel en zijn bezorgd over hun fysieke welziin.
Van koninklijke opdrachten en doelen is geen sprake. In dit huis zouden de wereld en de tijd stilstaan.
Als de zuster de leiding heeft over het huis, wordt er gesproken over een kleine tuin waarin 12 lelies groeien. De zuster doorbreekt de eentonigheid van de dag en wil de broers blij maken en elk een lelie geven. Ze grijpt onschuldig en schuldig in hun lot in en veroorzaakt zo het vertrek en twee metamorfoses van haar broers: ze worden raven, maken zich los van de aarde, vliegen de lucht in en moeten hun vroegere levensgewoonten (gewoonte wijst op wonen) opgeven; later veranderen ze weer in nieuwe mensen die de geest in de lucht hebben ontmoet.

Ze moeten hun huis verlaten, hun woning in het lichaam – ze moeten lichaamsvrij in de lucht leven – overgegeven aan de geest. Hiervoor waren het volkomen eenzijdige aardwezens. – Nu geeft de zuster voor de tweede keer de reden waarom ze worden verdreven, net zo onbedoeld en onschuldig als toen ze werden geboren. Haar vader wilde hen laten sterven, hun zuster heeft hen getransformeerd zodat hun leven een nieuwe richting en een nieuwe inhoud kan krijgen.
Hun pure levenskrachten zijn opgeslagen in de lelies; ze moeten worden opgeofferd zodat ze kunnen uitgroeien tot hun nieuwe betekenis in het leven. Ze waren hun ware, hogere natuur vergeten; Die moeten ze nu zoeken in het geestelijke, in de lucht.

Vanuit het standpunt van de zuster gezien is het breken van de lelies nog steeds een geschenk voor de broers, omdat geen van hen deze stap van verandering uit zichzelf zou hebben gezet. Ze leren en ervaren dat het lichaam en al het stoffelijke slechts één kant van onze menselijkheid uitmaakt. Iedereen die zich tot de geest wendt, transformeert voortdurend het fysieke in het spirituele en laat het spirituele in het materiële stromen. Zo bouwt de mens mee aan de brug tussen de twee werelden. –
De 12 raven bevinden zich in de lucht dichter bij het licht van de hemel zodat hemelse kennis weer in aardse kennis kan worden geplant. Om deze vooruitgang op gang te brengen, worden de twaalf broers door de zuster in raven veranderd.

Dit heeft nu ook voor haar tot gevolg dat zij dakloos wordt. De zuster moet ook ontwikkelingspijnen doormaken en haar aard veranderen. Als meer gevorderde ziel heeft ze andere taken. Deze worden ons in het sprookje veel gedetailleerder beschreven dan bij haar broers.
Toen ze haar moeder verliet, zei ze: “Ik wil mijn broers gaan zoeken.” Deze eerste beslissing komt uit haar wil. Nu wil ze haar broers verlossen en zegt ze in haar hart: ‘Ik weet zeker dat ik ze zal verlossen.” Deze tweede beslissing komt uit haar hart en geest. Ze transformeert alle drie de zielsvermogens in spirituele organen waarmee ze na 7 jaar transformerend kan ingrijpen en verlossing kan bewerkstelligen.

Omdat de broers zich te diep met het fysieke verbonden hadden, moeten ze in een toestand zonder lichaam, ver van de aarde – dicht bij de geest leven. Hun verlossing bestaat erin hen weer dicht bij de aarde te brengen, zodanig dat zij als nieuw geboren aardse mensen ook de geest in hun lichaam herkennen en ervaren. Daardoor vinden ze een heilzame balans tussen lichaam en geest.

Van de koningsdochter wordt gezegd dat ze op zoek gaat naar een hoge boom, erop gaat zitten, gaat spinnen en geen woord zegt. Haar ziel heeft alleen een kleinere hoogte op een boom nodig; ze blijft nog steeds verbonden met de aarde en vanuit haar wetende hart spint ze boomgedachten.

Het zijn zulke zuivere, plantachtige [bedoeld is waarschijnlijk: niet vervuild door astraliteit] gedachtevormen die alleen de zuivere vrouwenziel kan voortbrengen. En al het andere in haar ziel is stil. Deze stilte betekent niet alleen dat ze niet spreekt, maar dat alle verlangens die nog uit een egoïstische ziel voortkomen, tot zwijgen worden gebracht. Ze beoefent dit 7 jaar lang met volledige onbaatzuchtigheid. – De manier waarop haar ziel op de proef wordt gesteld, wordt voor haar nog moeilijker gemaakt door het feit dat ze na een tijdje in de boom wordt ontdekt door een koning. Haar ster schijnt helder naar de koning toe. Hij draagt ​​haar uit de boom en leidt haar uit haar eenzaamheid naar zijn hof. Als je als een kluizenaar helemaal alleen leeft, is zwijgen niet zo moeilijk. Maar de koningsdochter wil ook de nog moeilijkere proef doorstaan ​​van het zwijgen in het gezelschap van veel mensen – aan het hof van de koning.
Ze weet dat alleen met grotere weerstand de krachten van de ziel zich sterker zullen ontwikkelen.

Aan het hof komt ze ook alle tegenmachten tegen die door de moeder van de koning worden vertegenwoordigd. Nu moet ze leren zwijgen als haar onrecht, haat en laster overkomen. Ze kan zichzelf niet verdedigen tegen het kwaad dat lijkt te winnen. Als een heks moet ze op de brandstapel worden verbrand. Wanneer ze nu ook de vuurdood voor ogen heeft, komt de tijd van de zwijgbeproeving ten einde.
In de lucht verschijnen de raven. Wanneer ze de aarde weer raken, worden ze nieuwe mensen en kunnen ze hun zuster bevrijden. Wederzijdse redding treedt op. Niemand weet wie hij moet bedanken. Iedereen is in de lange tijd innerlijk gegroeid. Dit zou nooit zijn gebeurd als ze bij elkaar waren gebleven in het boshuis.

Laten we nog eens het spoor volgen waar langs het sprookje ons leidt: 12 vertegenwoordigers van een oud tijdperk zien hun cultuur ten onder gaan. Hun woede richt zich niet tegen hun vader omdat ze ongeschikt worden geacht als erfgenamen, maar tegen het nieuwe dat met hun zuster wordt geboren. De vonk van kennis van de 13e wordt ontstoken door wat ze achterlaten als hun hemden en wat moet worden gereinigd. De ster van de koningsdochter neemt de leiding, en de beslissing tot verlossing komt voort uit wat ze weet met haar hart. Het kennen ervan dient het leven omdat het hart erbij betrokken is. Alleen een dergelijke erkenning kan het leven van vandaag en de toekomst dienen. Iedere eenzijdige, materieel georiënteerde kennis is bedrog. Aan de ene kant moeten we, net als de broeders, het sterven ervaren in verbinding met het lichaam; aan de andere kant moeten we vanuit de wil ons ontwikkelen tot het punt waarop we ons tijdelijk van het lichaam losmaken en ons overgeven aan de geest. Dan worden we in gedachten net zo levend als vogels tussen hemel en aarde.

En het is de moeilijke taak van de mens om het een of het ander niet te verwaarlozen of te overdrijven; noch om uit gelukzaligheid in de hemel te willen blijven en onze aardse plichten te veronachtzamen, noch om ons te laten misleiden alsof we een technisch perfect paradijs op aarde zouden kunnen bouwen waar in de toekomst alleen robots ons werk zullen doen. Deze twee afwijkingen komen in het sprookje tot uiting wanneer de moeder Benjamin haar afscheidszegen geeft: ze wil vragen dat de zonen zich in de winter kunnen verwarmen aan een vuur en in de zomer niet hoeven te versmachten van hitte. Dit wijst op de twee zielsvermogens om deze tegenstellingen in evenwicht te kunnen brengen. Omdat aardse dingen de neiging hebben te verstarren en te bevriezen; het liefdeshartvuur kan ons hiertegen beschermen. En elk enthousiasme kan ontaarden in zweverij en mystiek; dan is de innerlijke warmte te heet, de ziel zou gespleten raken, haar gezonde vormende krachten verliezen. Dit wordt tegengegaan door een ordelijke, geduldige en strikte beoefening van meditatie.
Als het nieuwe tijdperk het christelijke tijdperk moet zijn, kunnen we niet doorgaan op de oude paden, maar moeten we moedig de moeilijkheden aanpakken.
Voor zijn twaalf discipelen was Christus ook de dertiende, de nieuwe. Hij wil mensen genezen van de ziekte van de zonde. Wat is zonde dan? Als we ons gedragen zoals de twaalf broers deden voordat ze raven werden. Wanneer we de levende geest steeds meer verliezen of ontkennen.

Fysiek dragen we de dood in ons. In de geest kunnen we de dood overwinnen. Ook onze intellectuele rijkdom aan kennis is doodse kennis; ze begrijpt alles wat niet leeft, ze dient niet langer het leven. Kennis heeft vaak slechts het karakter van het graf. Onze wetenschap van vandaag is net zo perfect als de 12: eenzijdig-perfect – alsof ze aan het einde is gekomen. Veel werkprocessen vinden plaats zonder mensen. – Het is de vrije beslissing van ieder individu hoe en of hij zichzelf wil voorbereiden om het nieuwe te dienen en uit de beperkingen en ketenen te breken.
Laten we de koningsdochter als voorbeeld nemen. Laten we ons verbazen over de grootte van haar hart, haar moed om op te offeren, haar doorzettingsvermogen en iedereen kan tegen zichzelf zeggen: ik weet zeker
dat ik mijn broers kan verlossen. Dat moet uit het hart komen.
En daarom zijn sprookjes christelijk.

.
Grimm

Sprookjes: alle artikelen

Rudolf Steiner over: sprookjes, sagen, mythen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas sprookjes

.

3332-3136

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/5)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’.
.

Otto Julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES
.

Met doorzichtige politieke redenen wordt beweerd dat alle mensen gelijk zijn.
Dat vind je in de sprookjes niet.
Diepgaand kennen zij de menselijke natuur en zijn zij op de hoogte van de essentiële verschillen in de morele kwalificaties van mensen. Ze kennen wie begenadigd is of wie vervloekt, weten welke mensen bij het licht, welke bij de duisternis horen. Het blijft echter onduidelijk of deze mensen zo door God zijn geschapen of dat ze in de loop van hun aardse leven zelf de ene of de andere kant hebben gekozen.
Maar het is goed dat kinderen al een gevoel van waarheid krijgen (ook als het een meer onbewust voorvoelen is) voor de verschillen die ze in hun verdere leven bij mensen kunnen tegenkomen.

Vele, zo niet alle sprookjes hebben de taak om mensen langs de gevaarlijke en pijnlijke wegen naar zelfoverwinning en zelfkennis te leiden. Nu zijn er, zoals we hebben gezien, veel verschillende ‘kamers’ in het ‘koninklijke kasteel’ van het fysieke en mentale bestaan ​​van de mens, die bedoeld zijn voor zijn Ik om in te leven tijdens zijn aardse bestaan. Naast de kelder met de wilde dieren, is er nog een speciale kamer. Alle kamers, behalve deze ene, moeten door de “trouwe Johannes” (nr. 6)* worden geopend voor de zoon van de koning, volgens de wil van de stervende koning.
In deze kamer wordt het mysterie van het mannelijke en vrouwelijke bestaan ​​bewaard, en daarmee ook de grootste uitdagingen en gevaren die op het Ik in het aardebestaan afkomen

De jongere is in eerste instantie trots op de eenheid van zijn persoon. Maar nu moet hij ineens ontdekken dat hij in sommige opzichten maar de helft is. Als hij de andere helft moet ontdekken, komt dit neer op een soort verlamming die hij op een nieuw niveau zal moeten overwinnen. Dit is wat er met de koningszoon gebeurt als hij, achter de rug van ” de trouwe Johannes” naar de verboden kamer kijkend, het beeld van de koningsdochter ontmoet, d.w.z. het oer- en tegenbeeld van het eeuwige vrouwelijke, verborgen in zijn eigen ziel.  Oervreugde en oerverschrikking zijn ermee verbonden. De vrouw is tegelijkertijd de redding en de bedreiging van de man.

Het probleem is echter nog niet opgelost met de dramatische verwerving van de bruid, die het sprookje beschrijft. Voor beiden wachten nog de moeilijkste opgaven. Ze worden gesymboliseerd in het ‘wilde paard’, in het ‘vurige gewaad’ en in de ‘bloeddruppel’. Het egoïsme dat hier ontstaat, moet uiteindelijk op een eeuwenoude, mysterieuze manier worden goedgemaakt door het opofferen van kinderen als symbool van het ‘andere zelf’.
Onze kinderen zullen dit allemaal niet begrijpen, maar ze zullen wel een echte voorkennis verwerven over wat hen zal en moet overkomen, maar wat niet gemakkelijk is om op een menselijke manier mee om te gaan. Hoe dan ook negeert de huidige ‘seksgolf’ de ware realiteit van dit gebied.

Bijzonder merkwaardig zijn die sprookjes waarin de proefpersoon iets moet doen dat kennelijk onmogelijk of zelfs onzinnig is– en dat ook daadwerkelijk doet. Hij is er echter niet bij met zijn gewone dagelijkse bewustzijn en zelf. Hij slaapt. En terwijl hij slaapt, brengen mysterieuze krachten het schijnbaar onmogelijke tot stand. Bijvoorbeeld een berg afgraven, een vijver droogleggen of zelfs het bouwen van een heel kasteel met alle details in één dag. Bijvoorbeeld ‘De Ware Bruid’ (nr. 186), ‘De Gouden Vogel’ (nr. 57).
De Evangeliën spreken ook over een ‘berg’ die zou rijzen op verzoek van degene die werkelijk vertrouwt. Maar uiteraard ligt deze ‘berg’ niet buiten in het landschap (waarom zouden we hem wegdoen?), maar is het, zoals het sprookje zegt, de ‘berg’ die ons berooft van een helder zicht op de wereld. Dus de berg van ons egoïsme en egocentrisme, die de waarheid over onszelf en onze medemensen verduistert.

Maar wie kan in één dag een vijver droogleggen of een heel kasteel bouwen? Zijn dit misschien die gezonde en vernieuwende levenskrachten die ons elke nacht worden gegeven en die ons lichaam vernieuwen terwijl we in een diepe slaap liggen (niet in staat dit zelf te doen)? Maar er zijn dromen waarin we iets ervaren in een symbolische vorm van deze nachtelijke vernieuwingsprocessen die proberen te compenseren voor wat we overdag door onze chaotische gedachten en passies aan onze fysieke gezondheid verstoren.

Of de sprookjes van Grimm nu echte mysteriewaarheden bevatten of alleen maar morele opvattingen of zelfs maar het vrije spel van de menselijke verbeelding – ze betekenen in ieder geval ‘voedsel‘ voor de kinderzielen. Hebben die niet nog maar pas de zo verschillende werelden via de geboorte verlaten en dringen ze niet slechts heel geleidelijk en moeizaam door tot onze werkelijkheid die wordt gedomineerd door natuur- en scheikunde, technologie en geld.
Maar snel daarna, meestal al vanaf het begin van school, zullen ze wel moeten en zal hun Ik zich volledig onderdompelen in de wereld van computers. Maar ze zijn dit aardse bestaan binnengegaan om de aardse stof te gebruiken en daardoor hun Ik te ontwikkelen! Het is des te belangrijker om ze in de kindertijd te voeden met de rijkdom aan creatieve verbeeldingskracht. In werkelijkheid komt de rijkdom van het mineralen-, planten- en dierenrijk uit dezelfde bronnen waar ook onze echte sprookjes vandaan komen.

Maar de ‘natuur’ zoals die nu is, is een ‘natura naturate’, een (zoals Novalis het noemt) ‘versteende stad’ die al lang verlaten is door de creatieve oerkrachten van de evolutie (de natura naturans). Er wordt alleen nog niet ‘doorgegeven, niet langer op grote schaal getransformeerd en vernieuwd.

Hoe mooi voor de kinderen als ze in het sprookje kunnen ervaren hoe mensen in zwanen of raven veranderen en wegvliegen, maar ook weer in mensen kunnen veranderen. Want in de zielenwereld is nog mogelijk wat in de aardse wereld onmogelijk is.

.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3197-3009

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/4)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

.

Otto Julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES

.

Onbedorven kinderen zijn blij als ze meebeleven hoe in het sprookje ‘Repelsteeltje’ (nr. 55)* de boze machten door een enkel woord, door een speciale naam, hun macht verliezen. Ze verheugen zich terecht, omdat ze de geweldige betekenis aanvoelen die woorden en vooral “namen” in de wereld spelen. Wij volwassenen moeten dit feit echter tot ons volle bewustzijn laten doordringen. Natuurlijk moeten we eerst door ons eigen verkeerde gedrag, de vijandelijke krachten toegang hebben gegeven tot ons lot, zoals beschreven in dit sprookje,  net als in veel andere sprookjes. Maar dan kunnen de juiste woorden, uitspraken of namen hulp bieden, want de juiste eigennaam geeft de drager ervan macht.

In de wereld van de moderne wetenschap en technologie heeft het ‘woord’ geen betekenis. Atomen en moleculen hebben geen ‘eigennaam’, ze verwachten eenvoudigweg dat we hun wetten onderzoeken en ze dienovereenkomstig laten werken in onze industriële installaties. In de menselijke wereld is het ‘woord’ echter bijna almachtig. Denk maar eens aan de enorme betekenis van de woorden van de Evangeliën in positieve zin of de woorden van Karl Marx en Lenin in negatieve zin! De menselijke geschiedenis wordt in wezen gevormd door woorden (en de gedachten die er achter liggen).

Weg van mensen hebben woorden bv. B. nog steeds belangrijk bij honden, waaraan men eigennamen geeft en waarvan men de verstrengeling met woorden kan beheersen.
Naast de mens hebben woorden ook bij honden betekenis, we geven ze eigennamen en hun gedrag is door woorden te beïnvloeden.

In strikte zin heeft echter alleen de mens, voor zover hij een persoonlijkheid is, een eigennaam, waarachter de naam van alle namen “Ik” staat.

Namen en woorden zijn sterke krachten binnen de menselijke samenleving. Daarnaast is het woord of de naam echter ook van belang voor het veiligstellen van ons geestelijke bestaan ​​in relatie tot de natuur en het universum. Kinderen vragen dringend om woorden en namen omdat ze ervaren dat alleen op deze manier de mysterieuze en dwingende kracht van de dingen te beheersen is en van het geheimzinnige kan worden ontdaan. Niets is voor een volwassene meer verontrustend dan wanneer de naam van een ding of een persoon onbekend of vergeten is. Je voelt je eraan uitgeleverd.

Maar de juiste woorden en namen worden nog belangrijker voor onszelf en voor de krachten van ons eigen zielenleven. Zolang je bv. alleen maar woede, hebzucht, leedvermaak, etc. ‘hebt’, ben je daaraan overgeleverd. Maar als je die als realiteit kunt zien, misschien met de hulp van een medemens, als je het een naam durft te geven, het aan jezelf durft toe te geven, dan is de kracht ervan op de een of andere manier gebroken. Daarom zeggen wij tegen kinderen: “Kijk eens hoe je je hebt gedragen naar je vriendjes toe.” Door het juiste woord te gebruiken, help je het kind dus aan zelfbeheersing en daarmee aan vrijheid. – Wat dit betreft moeten de volwassenen dit sprookje en vele andere in hun bewustzijn meedragen.

Sommige sprookjes lijken aanvankelijk slechts humoristische producten van de menselijke verbeelding en zijn in die zin ook heerlijk voor kinderen. Bijvoorbeeld: Gelukkige Hans (nr. 83). Maar misschien schuilt er ook een verborgen stukje mysteriewijsheid achter.
Als het begint heeft een mens (“Hans”) een groot bezit (een “goudklompje”) verworven door te werken in het aardse materiële rijk. Maar aardse bezittingen zijn ook een last en zo laat het sprookje ons zien hoe Hans zich geleidelijk van deze last verlost (paard, koe, varken, gans, wetsteen) en uiteindelijk, bevrijd van alle aardse gehechtheden, gelukkig terugkeert naar het thuisland dat hem al te wachten staat: een symbool van het aardse pad van leven, dat bij het sterven leidt van ‘vervreemding’ naar het ware ‘thuis’. Kinderen zullen dit ook vermoeden, ook al kunnen ze het niet formuleren.

Sprookjes prediken geen moraliteit en doen niet in de eerste plaats een beroep op de rede. Ze spreken in beelden en hebben een nadrukkelijke werking op de ziel. B.v. “Koning Lijsterbaard” (nr. 52) Trots, arrogantie, spot en liefdeloosheid leiden vroeg of laat tot een lot dat een karmische compensatie voor misstappen teweegbrengt en in dit opzicht een transformatie van het menselijk karakter, dus  een ‘genezing’ van de “zonde-gerelateerde ziekte.”
Meer dan veel woorden of zelfs bestraffende preken, kan dit sprookje, als het hardop wordt verteld of voorgelezen, een levenslange indruk maken op de zielen van kinderen.

Maar veel andere sprookjes (bijvoorbeeld “Het water des levens”, nr. 97) beschrijven ons hoe de welwillende, behulpzame, vriendelijke persoon advies en steun krijgt van de hele natuur en hoe hij overal in zijn leven duidelijke paden voor zich ziet die hem uiteindelijk naar het ware doel van spiritueel ontwaken en naar vereniging met zijn hogere zelf of met de vrouwelijke kant van zijn wezen leidt, dat wil zeggen dat de ‘prins’ zijn ‘prinses’ vindt.

Natuurlijk zijn het niet de fysieke dieren die de zoölogen kennen (bijvoorbeeld mieren, kikkers, vogels, bijen, vossen, enz.) die naar de zoekende mens komen en hem helpen, maar uiteraard de krachten achter hen van een spirituele wereld, dat wil zeggen dat wat vroeger elementaire wezens van aarde, water en lucht werden genoemd en wier werkelijkheid ook voor ons vandaag de dag zeker zou moeten vaststaan.

De persoon die in harmonie met de wereldorde leeft, vindt een vrije weg, terwijl de persoon die onmenselijk en slecht in de breedste zin van het woord is, tegen onoverkomelijke obstakels aanloopt en uiteindelijk (een prachtige waarheid) wordt ingesloten door torenhoge rotsen, zodat hij zich niet meer kan bewegen, niet vooruit, maar ook niet zijwaarts of achterwaart. Natuurlijk zijn het geen letterlijke rotsen, maar de ‘rotsen’ of ‘bergen’ waar de Evangeliën over spreken en die ons, door onze eigen schuld, ook in onszelf hinderen (‘Het levenswater, nr. 97). en  (“De Gouden Gans, nr. 64).

Ook uiterlijk ongeluk en tegenslagen, waarvan we nu vooral onze medemensen of de zogenaamde ‘sociale omstandigheden’ beschuldigen, komen uiteindelijk voort uit een ‘zelf-tekort’, door zelfzuchtige passie, dat uiteindelijk kan leiden tot lichamelijke ziekte en gebrek.
De sprookjes van Grimm staan ​​vol met dit soort verhalen die je tegelijkertijd laten lachen en huilen.
We zouden nooit anderen, maar alleen onszelf, moeten beschuldigen van ons gedrag. We staan ​​op onze eigen manier ons zelf ‘in de weg’ en ‘in het licht’.

.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3191-3003

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/3)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

.

Otto julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES

We merken op: De sprookjes spreken in “beelden” _ maar de hele natuur, de planten en dieren en, niet in de laatste plaats, de mensen zijn “beelden” waarin kosmische spiritualiteit in haar vele aspecten wordt gepresenteerd.

De sprookjes “Vleerkens vogel” (nr. 46)*, “De roverbruidegom” (nr. 40)* en “De Peetoom” (nr. 42)* zijn verwant. Ze doen verslag van het “Grote Bos” waarin zon of maan en sterren nooit schijnen en in het midden ervan, waar het het donkerst is, staat een huis. Als je het binnengaat, lijkt alles stil en leeg, maar een vaag gevoel van afgrijzen overvalt degenen die binnenkomen en een stem roept: “Keer terug, jij mooie bruid, je bent in het huis van een moordenaar.” In eerste instantie verschijnt aan ons de heer des huizes dan misschien als een aantrekkelijke figuur. Niettemin wekt hij vage afschuw op, want de meisjes die met hem als bruid naar binnengaan, worden al snel worden vermoord en de lichamen worden in stukken gehakt en opgegeten. De heer van het huis is namelijk de Dood, en de bruiden vieren een “bruiloft met de Dood”.

Maar wij zijn allemaal ter dood gedoemd en in zoverre zijn wij zijn bruiden al vanaf het ogenblik dat we ons verbinden met een bevruchte eikiem en daarmee met de aarde. Dit ‘huwelijk met de dood’ neemt toe als we als kinderen worden geboren en uiteindelijk volledige aardse volwassenheid bereiken in de leeftijd van de ‘puberteit’, waarbij de macht van de dood groeit totdat deze uiteindelijk volledig aanwezig is op oudere leeftijd.

De machtige bomen van een oerbos zijn alleen aan de toppen van hun takken, in de ‘kronen’ groen. Verder naar beneden overheerst de materialiteit van het hout, grotendeels verlaten door het leven, want alleen onder de bast bevindt zich nog het dunne gebied van het levende cambium. Maar wanneer een storm uiteindelijk de bosreuzen treft, bezwijken ze onder hun eigen gewicht, ze rotten en veranderen in aarde. In de duisternis van een oerbos kunnen we zeker de “heer van de materie” tegenkomen, de dood. In het Grieks betekent ‘hyle’ zowel het bos als het hout of de materie.

In dit opzicht kunnen de beelden in bovengenoemde sprookjes zeker in verband worden gebracht met een stukje van de buitenwereld, namelijk met de macht van de dood in de ons omringende natuur.

Maar deze sprookjesbeelden verwijzen vooral naar ons mensen, naar processen binnen onze huid met de focus op de organen onder het middenrif. Wat aanvankelijk begint als het voedsel in de mond wordt gekauwd, zet zich vervolgens geleidelijk voort in de maag, de dunne en de dikke darm, met de bijkomende invloeden van de lever en de pancreas. Wat we levend en geheel uit de natuur halen, d.w.z. voedsel, wordt onderworpen aan een proces van ontbinding, vernietiging en dood. Rudolf Steiner spreekt krachtig over het ‘vernietigingscentrum’, dat zich in de regio van onze spijsverteringsorganen bevindt en, juist omdat het aanvankelijk vernietigt, ook de basis van ons eigen leven vormt.

Zolang deze destructieve krachten, buiten ons bewustzijn, diep verborgen in ons werken, zijn ze noodzakelijk en helend. Als ze er echter in slagen om tot ons bewustzijn door te dringen, ons Ik in beslag te nemen en in ons spreken en handelen naar buiten en tot onze medebroeders door te dringen, dan vormen ze de basis van wat we het kwaad in de breedste zin van het woord noemen.
In dit verband wordt er in de Evangeliën gezegd dat men broedermoord pleegt als men zijn naaste beledigt. Als men zegt dat iemand gif en gal tegen zijn medemens spuugt, is dat hetzelfde.

Iedereen kent deze kant van zijn zielenleven en probeert deze te beheersen. Maar het zou heel gevaarlijk zijn om zonder de juiste voorbereiding en voldoende kracht af te dalen in deze diepten van iemands levensorganisatie, dat wil zeggen het verschrikkelijke ‘huis’ met zijn verschrikkelijke bewoners te durven betreden.
Hij zou dan ervaren met welke doodskrachten de mens zich verbindt en moet verbinden, wanneer hij zich in het aardse bestaan ​​belichaamt en de ontwikkelingsstadia doorloopt tot hij op aarde volledig volwassen is, d.w.z. in zekere zin het ‘huwelijk met de dood’ viert.

Hoe belangrijk deze sprookjes ook zijn voor de verstandige volwassene, grote voorzichtigheid is geboden wanneer u ze aan kinderen vertelt. De in stukken gesneden bloedige menselijke lichamen die in een vat liggen of een grote kom zijn ware beelden, maar toch te veel voor kinderen.
In de middeleeuwse gedichten over de Danse Macabre was het idee van het huwelijk van de menselijke ziel met de dood nog springlevend. In onze veeleisende en welvarende samenleving is ‘dood’ absoluut taboe. Niettemin moeten kinderen hem op een passende manier leren kennen om zich bewust te worden van hun onsterfelijke ziel.

De tegenovergestelde pool van bovengenoemde sprookjes kennen we in de ‘Stukgedanste schoentjes’ (nr. 133)*. Hier ligt de nadruk niet op het lot van het lichaam, maar wordt er naar de onsterfelijke ziel gevraagd.
Wie kan zeggen waar menselijke zielen naartoe gaan als ze hun lichaam verlaten, of ze nu in slaap vallen of sterven? Ook in dit sprookje moet je ‘wakker’ zijn, dat wil zeggen een bewustzijnsniveau bereiken dat onafhankelijk is van je lichaam, om te kunnen doordringen in de gebieden waarin, zoals het sprookje zegt, de twaalf koningsdochters ’s nachts een “sterrendans” dansen met hun prinsen.

Iedereen die zich meldt voor de proef en faalt, riskeert zijn leven. Zo was het in de oude mysteriën wanneer iemand, zonder de nodige voorbereiding, in een driedaagse slaap zijn lichaam verliet, maar vervolgens de weg terug niet vond en daardoor stierf.

Zoals in veel sprookjes is het ook hier een ‘soldaat’ die de test doorstaat. Hoe komt dat? Omdat soldaten volgens de sprookjes mensen zijn die veel hebben gevochten en geleden en daardoor bijzondere Ik-krachten hebben verworven die ze nu nodig hebben voor de mysteriewijding.

Volgens de oude traditie wordt het ‘hiernamaals’, waar de twaalf prinsessen elke nacht heen gaan, beschreven als een paradijselijk landschap met bomen van goud, zilver en edelstenen en ook nog met een breed meer of een stroom, aan de andere oever verrijst een paleis. Dit meer is waarschijnlijk hetzelfde als het water van de doden bij de Grieken, waarover de veerman van de doden Charon met zijn boot mensenzielen naar het hiernamaals vervoert. Er zijn ook dromen die soortgelijke beelden bevatten.

Als de soldaat geacht wordt wakker te blijven om achter de prinsessen aan te sluipen, mag hij natuurlijk niet de wijn drinken, die, als de ‘wijn van de wereld’, de menselijke ziel aan de stoffelijke wereld bindt en haar in slaap laat zinken en  waardoor verhinderd wordt dat zij schouwend hogere sferen bereikt.

Het vermogen om (in hogere zin) wakker te kunnen zijn, is een basisthema van de mysterietaal van het sprookje.

*in Grimm

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3186-2998

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de wijsheid van de sprookjes (1-7/2)

.

OTTO JULIUS HARTMANN  (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.

Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’

In onderstaand artikel laat hij zijn gedachten gaan over dood, geboorte en ontwikkeling, met voorbeelden uit ‘Vrouw Holle’, ‘Roodkapje’ en ‘Sneeuwwitje’.
.

Otto julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
.

OVER DE WIJSHEID VAN DE SPROOKJES
.

Een patiënte vertelt hoe zij in verband met een ernstige chirurgische ingreep door de totale narcose aanvankelijk in diepe bewusteloosheid wegzakte, maar vervolgens plotseling ontwaakte in een nieuw, heel ander bewustzijn en het volgende ervoer: “Ik bevond mij op een wonderbaarlijke weide, en een ongeëvenaard gevoel van geluk stroomde door mij heen. In de verte zag ik duidelijk figuren die net zo gelukkig leken te zijn als ik. Maar op het ogenblik dat ik mij thuis wilde voelen in dit nieuwe, onvergelijkbaar mooie landschap, kwam er een bijzondere lichtfiguur op mij af. Ze droeg een groot ei in haar stralende handen, en ik voelde een warme golf van sympathie, toen ze zo ongeveer dit tegen mij zei: ‘Je kunt hier niet blijven, je moet nog wel naar de aarde terug’.” Het bericht gaat nog verder, maar houdt niet direct verband met wat ons nu bezighoudt.

Vrouw Holle” is een speciaal soort sprookje (nr. 24*). Op het eerste gezicht lijkt het een humoristische fantasie met een morele inslag, aangezien het over twee meisjes gaat, één lui en één hardwerkende, één egoïstisch en één bereid om offers te brengen. De diepere betekenis is echter
1. de beschrijving van de pijn van het aardse bestaan ​​(bloedige handen door zwaar werk),
2. in de put springen en wakker worden op de “hemelse weide” (dat wil zeggen sterven en overgaan in een heel ander soort bestaan). Ook daar bij Vrouw Holle moet werk worden verricht.
3. Maar dan wordt de menselijke ziel, ondanks alle aardse ontberingen die zij heeft doorstaan, gegrepen door een nieuw aards verlangen en wordt een wedergeboorte toegestaan ​​door de krachten van het hiernamaals.
Ze moet door de poort van conceptie en geboorte gaan en krijgt tegelijkertijd een lot toegewezen, een karma, dat de rechtvaardige gevolgen vertegenwoordigt van haar vorige leven, zowel in het verleden van deze wereld als in het huidige hiernamaals. Hoe dan ook, Moeder Aarde is blij haar kind terug te mogen verwelkomen, en ze genieten allebei van elkaar.

Maar nu is het ene meisje een Goud-Marie, het andere een Pek-Marie. ‘Goud’ hebben we graag; het is een goed lot dat ons in staat stelt in alles te slagen. Je zou graag van ‘pek’ af willen, maar het kleeft stevig aan het diepste innerlijk van de mens en je kunt er je hele bestaan ​​op aarde niet vanaf komen. Maar je kunt je voorbereiden op een beter toekomstig lot, misschien zelfs een gouden lot, als je de pek van je huidige bestaan ​​moedig draagt ​​en vooral je karakter in positieve zin verandert. Dit sprookje is bijzonder betekenisvol omdat het verwijst naar herhaalde levens op aarde.

Als je naïeve kinderen het sprookje van “Roodkapje” (nr. 126) vertelt, worden hun zielen aanvankelijk droevig als ze de gevaren voelen waaraan Roodkapje wordt blootgesteld. Maar eindelijk juichen ze als ze Roodkapje en grootmoeder uit de donkere buik van de wolf zien komen. De volwassene ziet echter alleen de groteske en lachwekkende dingen in dit sprookje, dus alleen geschikt voor kinderen. Maar het is juist dit sprookje dat bijzonder duidelijk de ware bedoeling van alle echte sprookjes onthult: verhuld door het lachwekkende of kinderachtige moeten de diepste verbanden van het lot van de mens worden duidelijk gemaakt aan degenen die het weten, maar verborgen blijven voor degenen die het niet weten. Want dit is niets minder dan de zogenaamde “opstanding uit de dood”.

In het Oude Testament wordt ons verteld hoe de profeet Jona werd opgeslokt door een grote vis die hem na drie dagen weer uitspuugde en aan land zette. In de Evangeliën vinden we drie soortgelijke gebeurtenissen: de dochter van Jaïrus, de jonge man in Naïn en de opwekking van Lazarus. [1] In alle drie de gevallen wordt echter uitdrukkelijk gesteld: deze persoon is niet gestorven, hij verkeert slechts in een diepe slaap, waaruit hij door de heerlijkheid van God zal worden gewekt voor een nieuw, totaal ander leven.

Het weer levend maken van een dode, als dat medisch mogelijk zou zijn, is in spirituele zin absoluut zinloos. Want dan zou de “oude Adam” gewoon weer voor ons staan ​​met al zijn tekortkomingen en fouten. Het zou daarom zinloos zijn om zo’n leven van alledag door een bijzonder wonder te verlengen.

Wat er echter werkelijk gebeurt in de bovengenoemde gevallen en waar ‘Roodkapje’ op schijnbaar humoristische wijze naar verwijst, kan worden afgeleid uit de praktijk van oude Grieks-Romeins-Oosterse mysteriewijdingen. Het werd de ingewijde verboden daarover te berichten op straffe van de dood. Alleen Apulejus zei hier iets over in zijn werk “Het Mysterie van Isis”. Na een lang verblijf in het heilige tempelgebied en rigoureuze oefeningen moest de leerling (een neofiet genoemd) wachten op een bijzondere droom waarin de godin hem zelf toegang verleende tot de daadwerkelijke wijding. Door de priester in een bijzondere slaap gebracht, dacht hij dat hij de drempel van de dood overschreed, voor de hogere en lagere goden stond en bijzondere opdrachten ontving. Als hij dan weer terugkeerde naar zijn aardse lichaam, was hij nu een ingewijde (een epope), niet alleen, maar een gelovige. Maar: iedereen die onvoorbereid komt, zal sterven! Hij kan niet terugkeren naar zijn lichaam.

Jezus Christus verwijst ook naar een dergelijke mysterieuze wijding in zijn gesprek met de hoge Joodse hoogwaardigheidsbekleder Nicodemus. Als hij vraagt ​​hoe iemand de koninkrijken van de hemel verwerft, wordt hem geantwoord dat iemand opnieuw geboren moet worden. Maar zoals Nicodemus geleidelijk aan begrijpt, gaat het niet om een ​​tweede geboorte uit de moederschoot, dat wil zeggen ‘van onderaf’, maar eerder om een ​​geboorte ‘van bovenaf’, dat wil zeggen juist als resultaat van een “sterf en word” tijdens de inwijdingsgebeurtenis.

Misschien hoort ook het sprookje ‘Sneeuwwitje’ (Grimm 53) in deze context thuis. Ook hier wordt de dood beschreven als gevolg van de vergiftigde appel, maar deze leidt niet tot de lichamelijke dood. Er valt niets definitiefs over te zeggen, maar een van de krachtigste sprookjesbeelden die we vaker tegenkomen is de ‘glazen kist’ die Sneeuwwitje omhult en waarin, ook in andere sprookjes, koningsdochters slapen , wachtend op degene die hen wekt. Maar het nieuwe, ontwaakte bestaan ​​is nooit een pure voortzetting van het oude, maar eerder een verdere ontwikkeling en verlichting.

Mensenlevens zijn blijkbaar pas echt interessant voor de biograaf in zoverre ze tot iets nieuws leiden en daarom voorbeelden zijn.

*in Grimm

[1] Zie Rudolf Steiner: Het Johannesevangelie (bv. blz.44)

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                          * sprookjes  (Grimm)

.

3177-2989

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/23)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
De koningszoon die nergens bang voor was

Er was eens een koningszoon wie het thuis bij zijn vader niet meer beviel en omdat hij nergens bang voor was dacht hij: ik ga de vrije wereld in, dan valt de tijd mij niet zo lang en ik zal vele wonderlijke dingen zien. Dus nam hij afscheid van zijn ouders en ging weg, steeds verder, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en het was hem om het even waar de weg hem heenvoerde. En zo gebeurde het dat hij bij het huis van een reus kwam en omdat hij moe was ging hij voor de deur zitten om uit te rusten. En terwijl hij zijn ogen de kost gaf zag hij op het erf het speelgoed van de reus liggen – dat waren een paar geweldige ballen en kegels .zo groot als een mens. Na een tijdje kreeg hij zin de kegels op te zetten, gooide er met de ballen naar, hij juichte als de kegels omvielen en was in de beste stemming. De reus hoorde het lawaai, stak zijn hoofd door het raam en ontwaarde een mens die niet groter was dan andere mensen en toch met zijn kegels speelde. ‘Wurmpje,’ riep hij, ‘wat kegel jij daar met mijn kegels? Wie heeft je daar de kracht toe gegeven?’ De koningszoon keek op, zag de reus en zei: ‘O jij lummel, je dacht zeker dat jij alleen sterke armen had? Ik kan alles waar ik zin in heb.’ 

Als een zoon volwassen is geworden, wordt het tijd dat hij het vaderhuis verlaat om de wereld in te gaan en om zichzelf te bewijzen. Dat geldt ook voor de binnenwereld. Het jonge Ik dat sterker aan het worden is, wil een vrije, zelfstandige individualiteit worden. Het oude zelf (de vader) en de ziel waaruit die geboren is (de moeder) kunnen hem niet meer geven wat hij nodig heeft. Hij heeft een opvatting over de wereld nodig en hij moet zo volwassen worden dat hij zichzelf in de hand heeft. Dat heet in het sprookje ‘het koningschap vinden’. Dat betekent vele opgaven volbrengen en de weg daarnaartoe is vol gevaar. Het eerste gevaar is de reus en die is kennelijk des te machtiger, naarmate het Ik sterk is. 
Reuzen zijn imaginaties van grote, ongeslachtelijke, teugelloze natuurkrachten. Door helderziende mensen werden ze gezien als vorst-, ijs- en stormreus. Ze gaan geweldig, maar zinloos tekeer, daarom worden ze groot en dom genoemd. Ook in de mens kunnen deze ‘reuzen’krachten werken, teugelloos, mateloos. En het geheel van onze menselijke natuur in ons, is zo’n reus. Iedereen krijgt ermee te maken, het meest echter degene die zijn koninklijke waardigheid zelfstandig wil verwerven.
De reus speelt graag met ballen en kegels die zo groot zijn als een mens. De bal is, evenals de ring, de uitdrukking voor de kosmos. Hiermee wordt de sferische vorm aangegeven. De natuurmens in ons gebruikt die krachten, onbewust gaat hij ermee om, hij speelt. Het Ik moet die krachten en de gevolgen ervan net zo leren gebruiken, maar vanuit een vrije wil en een bewuste houding. Hij moet zich t.o. die reuzenkracht opstellen en kunnen zeggen: jij hebt niets anders dan je grofstoffelijke wildheid, de kracht die in je fysieke lichaam werkt; maar ik kan deze krachten bewust beheersen.

De reus kwam naar beneden, keek heel verbaasd naar het kegelen en zei: ‘Mensenkind, als jij er zó een bent, ga dan voor mij een appel van de Boom des Levens halen.’ – ‘Wat moet je daarmee?’ vroeg de koningszoon. ‘Ik wil die appel niet voor mijzelf hebben,’ antwoordde de reus, ‘maar ik heb een bruid die ernaar verlangt en ik heb overal in de wereld rondgelopen maar ik kan die boom niet vinden.’ – ‘Ik zal hem wel vinden,’ zei de koningszoon, ‘en ik zou niet weten wat mij ervan kan weerhouden een appel van die boom te plukken.’ De reus zei: Je denkt zeker dat dat zo eenvoudig is? De tuin waarin die boom staat is door een ijzeren hek omgeven en voor dat hek liggen wilde dieren, de een naast de andere en zij houden de wacht en laten geen mens binnen.’ – ‘Mij zullen ze wel binnenlaten,’ zei de koningszoon. Ja, en als je dan al in de tuin komt en de appel aan de boom ziet hangen, dan is hij nog niet van jou – er hangt een ring voor, waar je je hand doorheen moet steken om de appel te kunnen grijpen die je wilt plukken en dat is nog niemand gelukt.’ – ‘Mij lukt dat wel,’ sprak de koningszoon.

De appel is in het Avondland de vrucht van de boom van de kennis. Hij werd het symbool voor de gebeurtenis waarbij de mens uit een hogere bewustzijnstoestand in een lagere ‘viel’ en de paradijselijke hogere wereld verwisselde voor de ons omringende zintuigwereld. De mens werd burger van twee werelden. Door deze ‘val’ verkrijgt hij echter de kennis van goed en kwaad. Deze ‘appel’ hebben Eva en Adam plaatsvervangend voor ons gegeten. Wat is de appel des levens? Het beeld van de tuin wijst naar de plaats waar in rijke mate een volheid aan levenskiemen groeit, waar vruchten en zaden rijpen. Het is de wereld van de groei- en levenskrachten die ons lichaam doortrékken en die overal leven wekken. Het is het bijzondere krachtengebied in de mens dat Aristoteles de ‘vegetatieve ziel’ noemt. Dit is een beschermd gebied: om de tuin bevindt zich een ijzeren hek; je moet een ijzeren wil hebben om er binnen te kunnen gaan. Deze wil moet Ik-karakter hebben, behorend bij een sterke persoonlijkheid (het ijzer in het bloed maakt het Ik krachtig).
Vóór het hek liggen wilde dieren. de een naast de ander en houden de wacht en laten geen mens binnen. Onze gewaarwordingswereld zit vol met driften en begeerten. Deze wilde driften zijn de dieren die ons de ingang in deze tuin van Eden waarin de beste vrucht groeit, versperren. Je hebt een onoverwinnelijk gevoel van vertrouwen in de goddelijkheid van de menselijke ziel nodig om geloof te hebben in dit beeld van het Paradijs en het in zichzelf te vinden. Je moet weten dat je met elke wildheid, ja met al je driften af kan rekenen wanneer dit doel je onwankelbaar voor ogen staat. ‘Mij zullen ze wel binnenlaten’, zegt de koningszoon. ‘Mij lukt dat wel,’ als het over de ring gaat. Wanneer de mens leert dat het Ik-bewustzijn dat zich in de loop van het leven vormt, niet zijn totale Ik is, maar slechts een deel dat bij de stoffelijke zintuigwereld hoort, dan vat hij het op als een schijnvrucht. Doet hij zijn best niet alleen vanuit dit lagere Ik te leven, maar vanuit een hoger Ik, dan overwint hij deze ‘val’ in de afzondering, in de zonde. Het afdalen naar de zintuigwereld heeft naast de kennis van het goede ook de kennis van het boze gebracht. Als de mens zich bewust wordt, dat hiermee ook de keuze tussen goed en kwaad verbonden is, dat het kunnen kiezen hem tot een vrij mens maakt, dan heft hij daarmee de zondeval op. Hij kan in vrijheid het lagere Ik in een hoger transformeren, wanneer hij niet meer uit egoïsme, maar uit onzelfzuchtige liefde handelt. Terwijl hij echter in deze wereld met de doodskrachten vertrouwd raakte en de dood in zich moest opnemen, is er aan gene zijde geen dood, daar is alleen leven. Daarmee komt er in de plaats van de appel, de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad, de vrucht van de boom des levens.
Het sprookje zegt: wie deze vrucht wil plukken, moet door de ring heen pakken. De ring, die in zich gesloten cirkel, maakt het beeld nog duidelijker. Wanneer handelt de mens vanuit de geslotenheid van een op zich staand geheel? Wanneer voor hem begin en eind, geboorte en dood één zijn. Wanneer zijn bewustzijn één geheel wordt, nooit versaagt en hem tot een op zich staande harmonische persoonlijkheid maakt, die zich als eeuwig ziet. Ook in Richard Wagners ‘Ring der Nibelungen’ gaat het om dit persoonlijkheidsbewustzijn. En ook daar is de ring het symbool. Alleen wie door deze ring heen grijpt, kan de vrucht van de boom van het leven plukken.

Hij nam afscheid van de reus en liep over bergen en door dalen, langs velden en bossen tot hij eindelijk de wondertuin vond. De dieren lagen er omheen, maar zij lieten hun koppen hangen en sliepen. Zij werden ook niet wakker toen hij aankwam en hij stapte over ze heen, klom over het hek en kwam ongedeerd in de tuin. Daar stond in het midden de Boom des Levens en de rode appels glansden aan de takken. Hij klom langs de stam naar boven en toen hij een appel wilde grijpen zag hij er een ring voor hangen, maar hij stak er zijn hand zonder moeite doorheen en plukte de appel af. De ring sloot zich vast om zijn arm en hij voelde hoe er opeens een geweldige kracht door zijn aderen stroomde. Toen hij met de appel weer uit de boom was geklommen wilde hij niet over het hek klimmen, maar pakte de grote poort beet en behoefde daar slechts éénmaal aan te rukken en hij sprong onder hevig gekraak open. Toen ging hij naar buiten en de leeuw die voor de poort had gelegen was wakker geworden en rende achter hem aan, maar niet in woede en razernij, integendeel: hij volgde hem deemoedig als zijn meester.
De koningszoon bracht de reus de beloofde appel en sprak: ‘Zie je, ik heb hem zonder moeite gehaald.’ De reus was blij dat zijn wens zo snel vervuld was, haastte zich naar zijn bruid en gaf haar de appel die zij gewenst had. Het was een mooi en verstandig meisje en toen zij de ring niet aan zijn arm zag zei zij: ‘Ik geloof pas dat jij de appel gehaald hebt als ik de ring om je arm zie zitten.’ De reus zei: ‘Ik hoef hem alleen maar thuis te gaan halen,’ en hij dacht dat het een kleinigheid zou zijn, om die zwakke mens met geweld af te nemen wat hij niet goedschiks wilde geven. Hij eiste dus de ring van hem op, maar de koningszoon weigerde. ‘Waar de appel is hoort ook de ring te zijn,’ sprak de reus, ‘als je hem niet goedschiks geeft moet je er met mij om vechten.’

Wie de vrucht van de boom des levens veroverd heeft, kan de poort van deze hof van Eden openen. De wilde dieren (de driften) slapen. Zij zijn getemd. ‘Nu sluimert ieder wild verlangen’, staat er in de Faust. Roekeloosheid is moed geworden: de leeuw volgt de koningszoon en dient hem.
De mooie en slimme bruid van de reus is de onschuldige natuurziel van de mens. Voor haar werd de appel gehaald. Het beeld wil zeggen: nog wordt de levensvrucht op een natuurlijke manier een deel van de menselijke ziel. Het bewustzijn echter dat de mens daardoor heeft gekregen (de ring) mag hij niet meer opgeven; daar moet hij voor vechten, die mag de reus niet hebben.

Zij worstelden een hele tijd met elkaar maar de reus kon de koningszoon die door de toverkracht van de ring sterk was geworden, niet klein krijgen. Toen verzon de reus een list en hij zei: ‘Ik heb het warm gekregen van het vechten en jij ook, laat ons in de rivier gaan baden om af te koelen eer wij opnieuw beginnen.’ De koningszoon die geen bedrog kende, ging met hem naar het water, deed bij het uitkleden ook de ring van zijn arm en sprong in de rivier. Dadelijk greep de reus de ring en liep ermee weg, maar de leeuw die de diefstal had gezien, zette de reus na, rukte hem de ring uit zijn hand en bracht hem aan zijn meester terug. Nu ging de reus achter een eikenboom staan en toen de koningszoon bezig was zich weer aan te kleden, overviel hij hem en stak hem beide ogen uit.

Een sterk Ik gaat dikwijls gepaard met argeloosheid, met een te groot vertrouwen. Vervuld van een kracht die de wereld kan veroveren ontbreekt het de mens aan waakzaamheid waar ’t het kwaad betreft en de sprookjes laten steeds weer zien dat het kwaad niet duidelijk genoeg herkend wordt en de zich steeds opdringende, remmende krachten niet worden herkend. In dit geval: de doffe, reuzennatuurkracht was weliswaar de aanleiding om het totale persoonlijkheidsbewustzijn (de ring) te verkrijgen, maar in het ‘water’ wordt het veel minder. Water is het oerbeeld van de zielenwereld die ervaren wordt (in de zin van: ‘de mensenziel lijkt op het water’ (Goethe), daar golft de gevoelswereld van stemmingen, hartstochten, daar duiken dromen en onbewuste gedachten op. In beeldentaal: in zich verzonken zijn, het Duist heeft hier nog ‘Auftrieb’: een ‘stijgende kracht’) In deze wereld van dromende gevoelens te duiken – en hoe vaak verleidt de reus ons daar niet toe – betekent gevaar voor het Ik-bewustzijn. Je raakt ‘op drift’. Dan helpt de verworven leeuwenmoed – de leeuw.
Nadat de list van de reus niet gelukt was, probeert hij het op een andere manier: hij gaat achter een eikenboom staan en steekt de koningszoon beide ogen uit. In het uiterlijke leven zou iedere rover tevreden zijn met een dikke boom. In het innerlijk leven is de eikenboom de beste verstopplaats en met een bijzondere betekenis. De wildeman met een eikenboom, dikwijls met een uitgetrokken eikenboom in de hand, is een van de meest voorkomende symbolen uit de middeleeuwen. In familie- en stadswapens kwam het voor, maar ook in naamschilden van herbergen (herberg ‘In de wildeman’) en het was eigenlijk een voortdurende vermaning bedacht te zijn op de overmacht van de natuur en zich bewust te zijn van haar kracht door ze te overwinnen. De eikenboom is het symbool van de omhoogstijgende wilskrachten – het Duits heeft ‘aufbäumen’ die diep in de mensenziel als aanleg wortelen. De mens zonder angst heeft in zekere zin een machtige eikenboom in zich. Hierachter gaat graag de reus schuil om ons de ogen uit te steken, d.w.z. hij berooft ons van de mogelijkheden die dingen daadwerkelijk te doorzien, om een echt inzicht te krijgen. Wie zich in het gevoelsleven (n het water) verliest, valt makkelijk ten prooi aan het gevaar dat hij zich in zijn wilsleven te buiten gaat. Hij wordt ‘blind’ voor ieder verstandig inzicht.

Daar stond nu de arme koningszoon blind en hulpeloos. Toen kwam de reus er weer aan, vatte hem bij de hand alsof hij hem wilde leiden en bracht hem naar de top van een hoge rots. Daar liet hij hem staan en dacht: nog een paar stappen dan stort hij naar beneden en valt dood en dan kan ik de ring van zijn arm aftrekken. Maar de trouwe leeuw had zijn meester niet verlaten, hij hield hem vast aan zijn jas en trok hem langzaam aan weer terug.
Toen de reus kwam om de dode te beroven zag hij dat zijn list was mislukt. ‘Kan zo’n zwak mensenkind dan niet vernietigd worden?’ zei hij nijdig tot zichzelf, vatte de koningszoon weer bij de hand en bracht hem langs een andere weg nogmaals bij de afgrond; maar de leeuw die de boze opzet begreep, redde zijn meester ook hier van het gevaar. Toen zij dicht bij de rand waren gekomen liet de reus de hand van de blinde los en wilde hem alleen achterlaten maar de leeuw gaf de reus een duw, zodat hij naar beneden stortte en te pletter viel.

Sommige bergwandelingen naar de top, sommige hoogten heb je te danken aan de reus in je, wanneer je je aan hem overgeeft. Als hij je echter het zicht heeft benomen, kan je niet meer overzien en sta je spoedig aan de afgrond. De moed van het hart, de leeuw, moet de ware leider zijn en de onstuimige natuur doden.

Het trouwe dier trok zijn meester weer van de afgrond weg en leidde hem naar een boom waar een heldere beek langs stroomde. De koningszoon ging daar zitten, maar de leeuw ging liggen en spatte hem met zijn poot water in het gezicht. Nauwelijks hadden enkele druppels zijn oogkassen bevochtigd of hij kon weer een beetje zien en hij zag een vogeltje dat heel dicht langs hem vloog maar zich stootte aan een boomstam. Daarop liet het zich in het water zakken en baadde daarin en toen vloog het op, scheerde zonder zich te stoten tussen de bomen door alsof hij zijn gezicht weer had teruggekregen. Toen begreep de koningszoon het teken Gods, boog zich over het water en waste en bette daarin zijn gezicht. En toen hij zich oprichtte waren zijn ogen zo helder en klaar als nooit tevoren.

Hier wordt getoond hoe hetzelfde element dat een gevaar vormt voor wie erin duikt zonder zijn volledige persoonlijkheid te bewaren, omgekeerd genezend is wanneer de mens de krachtige aanwijzing van het hart ernstig neemt. Er ontstaat nieuw inzicht. Hij wordt helderziend, in de zin van Wagners ‘wereld-helderziendheid’. Nu duurt het niet lang meer en de kennisweg van het Ik leidt naar het gebied van de hogere ziel zelf.

De koningszoon dankte God voor deze grote genade en trok met zijn leeuw verder de wereld in. Nu gebeurde het dat hij bij een slot kwam dat betoverd was. In de poort stond een jonkvrouw, schoon van gestalte en met een fijn gelaat, maar zij was helemaal zwart. Zij sprak hem aan en zei: ‘Ach, kon jij mij maar verlossen van de boze betovering die over mij is uitgesproken!’ – ‘Wat moet ik dan doen?’ vroeg de koningszoon. De jonkvrouw antwoordde: ‘Drie nachten moet je doorbrengen in de grote zaal van het betoverde slot, maar er mag geen vrees in je hart opkomen. Als je het bij de ergste kwellingen die zij je aandoen uithoudt, zonder dat er één geluid over je lippen komt, dan ben ik verlost; zij mogen je niet het leven benemen.’ Toen sprak de koningszoon: ‘Ik ben niet bang, ik zal het met Gods hulp proberen.’ En zo ging hij opgewekt het slot binnen en toen het donker werd ging hij in de grote zaal zitten en wachtte af. Tot middernacht was het stil; maar toen ontstond er plotseling een hevig spektakel en uit alle hoeken en gaten kwamen kleine duivels aanlopen. Zij deden of zij hem niet zagen, gingen midden in de kamer zitten, maakten een vuur aan en begonnen te spelen. Als er een verloor, zei die: ‘Het is niet pluis, er is hier iemand die niet bij ons hoort en het is zijn schuld dat ik verlies.’ – ‘Wacht ik zal je krijgen, jij daar achter die kachel,’ zei een ander. Het geschreeuw werd steeds erger, zodat niemand ernaar had kunnen luisteren zonder bang te worden. De koningszoon bleef heel rustig zitten en was niet bevreesd – maar tenslotte sprongen de duivels van de grond op en stortten zich op hem en het waren er zoveel dat hij ze niet van zich af kon slaan. Zij sleurden hem over de grond, knepen, porden, sloegen en kwelden hem, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. Tegen de morgen verdwenen zij en hij was zo uitgeput dat hij zijn ledematen nauwelijks kon bewegen; maar toen de dag aanbrak trad de zwarte jonkvrouw bij hem binnen. Zij had een klein flesje in haar hand waarin Water des Levens zat, daarmee waste zij hem en weldra voelde hij alle pijn verdwijnen en nieuwe kracht stroomde door zijn aderen. Zij sprak: ‘Eén nacht heb je goed doorstaan, maar er staan er je nog twee te wachten.’ Daarop ging zij weer weg en toen zag hij dat haar voeten wit waren geworden. De volgende nacht kwamen de duivels en begonnen opnieuw met hun spel. Zij stortten zich op de koningszoon en sloegen hem veel harder dan de vorige nacht, zodat zijn lichaam vol wonden zat. Maar aangezien hij alles zwijgend verdroeg, moesten zij hem verder wel met rust laten en met het morgenrood verscheen de jonkvrouw en genas hem met het levenswater. En toen zij wegging zag hij tot zijn grote vreugde dat zij al tot aan haar vingertoppen wit was geworden. Nu moest hij het nog slechts één nacht volhouden, maar dat was de ergste. Het gesprek van de duivels begon opnieuw. ‘Ben je daar nog?’ schreeuwden zij. ‘Je zult gepijnigd worden dat de adem in je keel stokt.’ Zij staken en sloegen hem, wierpen hem heen en weer, trokken hem aan armen en benen alsof zij hem uit elkaar wilden rukken, maar hij verdroeg alles zonder ook maar één geluid te geven. Eindelijk verdwenen de duivels, maar hij lag bewusteloos op de grond en bewoog zich niet. Hij kon zijn ogen dan ook niet opslaan en zien dat de jonkvrouw binnenkwam en hem met het water des levens besprenkelde en overgoot. Maar opeens was hij van alle pijn bevrijd en hij voelde zich fris en gezond alsof hij uit een slaap ontwaakt was, en toen hij zijn ogen opsloeg zag hij de jonkvrouw naast zich staan, die sneeuwwit was en zo schoon als de heldere dag.

Het eeuwig-vrouwelijke, het hoogste doel van de ontwikkeling van de ziel, is verduisterd. De mens wordt belemmerd dit oerbeeld van zijn ziel te ontmoeten. Boze machten laten geen vrijer bij de koninklijke jonkvrouw toe. Je moet haar zonder angst leren kennen. De boze geesten die volgens de oudste overleveringen vooral om middernacht actief zijn, zijn de ahrimanisch-mefistolische. Zij inspireren het materialisme. Ze liegen de mensen voor dat de aardse wereld alleen de ware wereld is. Ze krijgen toegang tot de ziel door de lafheid. Wie laf is, is bang voor zijn hachje, zijn aardse bezit en valt aan de duivel toe. De materialist kent alleen het lichamelijke leven en wil dit als het hoogste niet inzetten of verliezen. De materialistische mens is ook bang voor het spirituele. Hij wil de zekere basis van de uiterlijke feiten niet verliezen. Hij wordt gegijzeld door angst. De ware zoeker naar de geest leert daarentegen dat ondanks zelfzucht en onverschrokkenheid nog steeds vergissing, fouten en leugens in hem actief zijn, want dat zit diep in de mens verankerd en verduistert zijn ziel. 
De laatste proef voor het inzicht moet in drie fasen doorstaan worden, volgens de oude mysterie-overleveringen in drie inwijdingsnachten. Dan wordt het zielenwezen verlicht op het levenspad (in de voeten), in het handelen (in de handen) en in het denkende kennen (in het hoofd) Hij put de wijsheid uit de oerbron en dat is het water des levens voor de mens die tot aan de grens van de dood gekomen is.

‘Sta op,’ sprak zij, ‘en zwaai met je zwaard driemaal over de trap dan is alles verlost.’ En toen hij dat had gedaan was het hele slot van de betovering bevrijd en de jonkvrouw was een rijke koningsdochter. Dienaren kwamen zeggen, dat in de grote zaal de tafel al gedekt was en de spijzen opgediend. Toen gingen zij zitten, aten en dronken met elkaar en ’s avonds werd met grote vreugde de bruiloft gevierd.

De trap is de weg die naar het eeuwig-vrouwelijke leidt. Ook deze opklimmende weg is ten prooi gevallen aan de boze betoveringsmacht. 
Omdat het het laatste is wat de verlossing betreft, stelt die vermoedelijk de vroegste dwaling voor. Het tweesnijdend zwaard in de hand van de rechtschapen man – die koning is geworden – is het enige dat kan helpen: de door de geest vervulde taal. Wie door de mystieke dood is gegaan, wijst aan de zoekende die wil volgen, de weg.

.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

2536-2376

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/21)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
Jorinde en Joringel

Er was eens een oud slot middenin een groot dicht woud.

Tussen wakker zijn en slapen kan zich de droom bevinden. De net niet bewuste beeldenwereld. Deze beelden kunnen ‘ware’ beelden zijn – voorstellingen in beeld van wat zich in begrippen moeilijk laat omschrijven. Lenz gebruikt het woord ‘Wahrtraum’ dat zoveel betekent als ‘voorspellende’ droom. Sprookjes, zegt zij, zijn de ‘Wahrträume’ van de volkeren.

Wat is het voor beeld als we meegenomen worden naar een oud slot, midden in een groot woud. 
Daarmee wordt ons een beeld geschetst van ons eigen lichaam, de behuizing van ons wezen. Eens was dat een grootse en rijke verschijning, met veel mogelijkheden om ‘naar binnen te gaan en naar buitten’, (met deuren en poorten) en nog meer mogelijkheden om naar binnen en naar buiten te kijken (met heel veel vensters). Maar het ligt ver van ons verwijderd, oud en vergeten achter woekerende vegetatie. Wie heeft zo’n landschap niet een keer innerlijk beleefd? 
Vegetatie in de volle levenskracht kan ons wel verkwikken, ook in het bos en in de uiterlijke wereld.
Maar hier heerst de wildernis, hier is het onbegaanbaar, het schemerduister van de onzekerheid is rondom ons. Daar doorheen te gaan en licht te brengen vraagt  een soort doorzettingsvermogen en sterkte om machten te kunnen weerstaan die daar huizen en zich opdringen aan de zoekende ziel. Dat zijn opgaven en beproevingen.

Daar woonde heel alleen een oude vrouw, die een aartstovenares was.

Vaak wonen in een slot een koning, koningin, prinsessen, koks enz., a.h.w. een verzameling van allerlei zieleneigenschappen, maar hier woont heel alleen een oude vrouw. Ze beschikt nog over een magisch weten uit lang vervlogen tijden; aan het oude is nauwelijks nog een herinnering over, maar het ‘spookt’ daar nog rond en valt op de ziel aan.
Geloof maar niet dat wij niet dergelijke gebieden in ons hebben waar dit oude nog op de loer ligt. Wij dragen ook verleden(s) met ons mee en hoe zou het heden eens toekomst kunnen worden als we het verleden niet zouden kunnen overwinnen?

Overdag veranderde zij zich in een kat of in een nachtuil, maar ’s avonds kreeg zij haar menselijke gedaante weer. Zij kon het wild en de vogels naar zich toe lokken en dan slachtte, kookte en braadde zij die. Wanneer iemand tot op honderd passen het slot naderde, moest hij stil blijven staan en kon niet van zijn plaats komen tot zij hem door een toverspreuk bevrijdde; maar als een reine jonkvrouw binnen die kring kwam, veranderde zij haar in een vogel en sloot haar op in een korf en die korf bracht zij naar een kamer in het slot. Zij had wel zevenduizend korfjes met zulke bijzondere vogels in het slot.

Deze aartstovenares heeft duidelijk een dag- en een nachtkant.
De uil slaapt overdag en is ’s nachts actief. Symbool van de wijsheid dat blind is in het wakkere denkleven, maar de ogen zijn open in het rijk van de dromen; de vogel van Pallas Athena die kennis bracht in de wereld van de droombeelden.
De kat, zacht speeldiertje en klein roofdier tegelijk, is overdag slaperig en ’s nachts heel wakker. In Egypte droeg de godin van de liefdesbetovering een kattenkop. Is liefde niet altijd een betovering en heeft deze niet ook haar dag- en nachtzijde? Hier wordt geschetst hoe overdag de nachtkant wakker wordt in de liefdesdrift: de kat sluipt; en in de kennisdrift: de uil zweeft voorbij. En hoewel in de nacht het menselijke weer wakker wordt, maar ook het vuur van de begeerte begint op te laaien, vallen de onschuldige natuurdriften daaraan ten prooi: het wild en de vogels worden geslacht en gebraden.
Magie verlamt de wil en houdt deze vast. De zielenkrachten met de kwaliteiten van de jonkvrouw (de reine jonkvrouwen) komen in deze omgeving in haar ban. De kracht van de kennis, de begaafdheid van het verstand, dus de menselijke krachten verworden hier tot instinctieve, dierlijke, verdoofd: ze worden vogels.

Nu was er eens een jonkvrouw, die heette Jorinde; zij was schoner dan alle andere meisjes. Zij en een schone jongeling, genaamd Joringel, waren met elkaar verloofd. Zij waren in de bruidsdagen en zij beleefden de grootste vreugde aan elkaar.

Mooier dan alle wezenlijke zielenkrachten (als alle ander meisjes) is de ziel zelf. Wanneer deze zover ontwikkeld is dat ze zich het geestelijke aspect van het Ik bewust wordt, – dat ze zich kan overgeven en een kan worden – dan wordt ze de bruid. De individuele mensengeest die van alle kanten wijzer wordt – gedachten wint – die overtuigen – het Duits heeft über-zeugen, waar ‘zeugen’ lichamelijk voortbrengen’ betekent, maar ‘über’ gaat daarbovenuit en betekent ‘geestelijk voortbrengen’ dan kan deze de ziel bevruchten, hij is de bruidegom. 

Om nu eens vertrouwelijk samen te kunnen praten gingen zij in het woud wandelen. ‘Pas op,’ zei Joringel, ‘dat je niet te dicht bij het slot komt.’ Het was een mooie avond, de zon scheen helder tussen de stammen van de bomen door in het donkere groen van het woud en de tortelduif koerde klaaglijk in de oude meibeuken.
Jorinde schreide af en toe, zij ging op een zonnig plekje zitten en weeklaagde; Joringel klaagde ook. Zij waren zo ontdaan, alsof zij moesten sterven; zij keken om zich heen, zij waren in de war en wisten niet welke kant zij op moesten om weer thuis te komen. De zon stond nog half boven de berg en was al half onder. Joringel keek door het struikgewas en zag de oude muur van het slot vlakbij; hij schrok en werd doodsbang. Jorinde zong:

‘Mijn vogeltje met het ringetje rood
Zingt lijden, lijden, lijden!
Het zingt voor het duifje, zingt zijn dood,
Zingt lijden, lij – – tuwiet, tuwiet, tuwiet.’

Joringel keek naar Jorinde. Jorinde was in een nachtegaal veranderd, die zong: ‘Tuwiet, tuwiet.’

Als de dag in schemering verandert en het avond wordt, raakt de mens makkelijk in zo’n tussenstadium, dat het sprookje zo treffend bij Jorinde schetst. De mens verzinkt in dromen en deze kunnen zo sterk worden dat de ziel er niet meer los van komt; ze verzinkt in zichzelf, wordt meegetrokken in een onbewust element. Ze raakt in de ban van de betovering. Vooral meisjes kunnen daaraan ten prooi vallen.
Wanneer de persoonlijkheid zich vormt, de mens een individu wordt en dan met een ander een toekomst ziend, treden ziel en geest met elkaar in een vertrouwd gesprek over de eeuwige bestemming, dan kan als geestelijk octaaf diezelfde stemming de innerlijke mens aangrijpen. Geest en ziel bevinden zich tussen twee werelden. In de beeldentaal worden die dag en nacht genoemd. Nacht en dag zijn twee aspecten van de binnenwereld. De maan was heerser van de opeenvolgende tijd, volgens de maanperioden. denk bijv. aan ‘a fortnight’= veertien nachten, rep. veertien dagen, ‘a sennight’ = zeven nachten, toen in de mensheid de van nature helderziendheid nog beslissend was en ook de voorspellende droom en de profetische openbaring. Het was de zuiver oorspronkelijken tijd van het moederrecht, het vrouwelijke tijdperk van de mensheid. De beeldentaal zegt: de mens was nachtmens en noemt deze tijd ‘nacht’. In het mannelijke tijdperk werd de zon de heerser van de tijd; het denken kwam tot ontwikkeling, natuurlijke helderziendheid en droombeeld-wijsheid verdwenen. De beeldentaal noemt deze tijd ‘dag’. Wakkerheid in de zintuigwereld en activiteit in het denken, dat is ‘dag’. Wakkerheid in het droomleven, passiviteit in het denken, dat heet ‘nacht’. Nacht en dag bevinden zich in de mens: de nacht als het verleden, de dag als het heldere heden. Maar oude, nog oudere toestanden kunnen – het huidige dagbewustzijn verduisterend – naar boven komen. Zo’n crisis beschrijft dit sprookje. De ziel – Jorinde – voorvoelt dit, zingt het als toekomstlied.

Als de ziel bevleugeld was en met hoge vluchtkracht begiftigd, in zich gesloten als een ring en vol actief met de kracht van het bloed (mijn vogel met het ringetje rood, dan zou ze moeten ervaren dat de oorspronkelijke geest moet sterven, geest die als genade een geschonken erfenis was – het duifje. De ziel kan geen bruid meer zijn, tot overgave bereid, bestemd om één te worden. Oeroude magie verduistert, de ziel zinkt in het instinctieve. Haar stem is alleen nog te horen in de nacht, zij wordt nachtegaal. Wie in de ban raakt van een medium of tot een slaaptoestand vervalt, lijkt op deze nachtvogels. Dat hoeft niet altijd een ziekelijke toestand te zijn. In ieder mens kan het diep-vrouwelijke van de ziel tot zo’n beleven vervallen. Dan moet, beeldend gezegd, de bruidegom de bruid beschermen. Het Ik moet wakker blijven; maar hier is ook het Ik in de ban van de betovering geraakt.

Een nachtuil met gloeiende ogen vloog driemaal om haar heen en krijste driemaal: ‘Hoei-hoe-hoe-hoe.’ Joringel kon zich niet bewegen; hij stond daar als versteend, kon niet schreien, niet spreken, geen hand en geen voet bewegen. Nu was de zon onder: de uil vloog in een struik en dadelijk daarna kwam een oude gebogen vrouw daaruit te voorschijn, geel en mager – met grote rode ogen en een kromme neus die met de punt tot aan haar kin kwam. Zij mompelde wat, ving de nachtegaal en droeg die op haar hand weg. Joringel kon niets zeggen en niet van zijn plaats komen; de nachtegaal was weg. Eindelijk kwam de vrouw terug en zei met doffe stem: ‘Gegroet Zachiël, als het maantje in het korfje schijnt, maak los, Zachiël, te rechtertijd.’ Toen kwam Joringel los. Hij viel voor de vrouw op zijn knieën en smeekte haar hem zijn Jorinde terug te geven; maar zij zei dat hij haar nooit terug zou krijgen en liep weg. Hij riep, hij schreide, hij jammerde, maar alles tevergeefs. ‘Hoeh, wat zal er met mij gebeuren?’

In de mysteriën van Eleusis werd er bij maanlicht een offergave in een mand gebracht. We weten nu niet wat er in die korf zat, maar de maan moest schijnen. De lettergreep ‘el’ betekent in het Hebreeuwse ‘God’, Zachariel is de naam van een aartsengel. Wat betekent Zachiel hier? Men gebruikt de naam ook voor de duivel. Wil de verbastering zeggen dat in deze nachtelijke tover, verloren gegane oude resten zijn van wat eens een heilig mysterieweten was? Zoals ook de Hagazussa, de in het woud levende zieneres en priesterlijke hoedster van de stam, tot gedemoniseerde heks werd in een voortdurende neergang? Als de ziel zich wil ontworstelen aan zulke atavistische machten, dan heeft het Ik een nieuwe ontwikkeling nodig. Behoedende, zorgende krachten moeten worden verworven.

Joringel ging weg en kwam tenslotte in een vreemd dorp; daar hoedde hij lange tijd de schapen. Vaak liep hij om het slot heen, maar niet te dicht erbij.

Zoals een herder zijn kudde hoedt en die groter laat worden, het leven verzorgt zoals dat in de natuur voorkomt, dat hij niet zelf schept, maar behoedend beschermt, zo is er een trap van innerlijke ontwikkeling waarop hetzelfde op geestelijk vlak gebeurt. De mens leert behoeden en verzorgen wat hem van boven als een levende openbaring geschonken wordt. Hier brengt hij geen leven voort, maar hij behoedt en verzorgt het en wat bij hem binnenstroomt, wordt steeds meer. Herdersvolkeren leven met dit bewustzijn. Wat ze in de droom als openbaring kregen, namen ze aan. ‘De Heer geeft het de Zijnen in de slaap’. noemt de Bijbel deze toestand. Wat ze uiterlijk deden, was in overeenstemming met het innerlijke leven. (Dat vind je in het verhaal over Abel). Dit nachtbewustzijn in de positieve uitwerking moet het Ik ervaren en op een nieuwe manier nabeleven. Anders zou het Ik de ziel geen recht kunnen doen die op een ongezonde manier ten prooi was gevallen aan de nachtzijde. Het sprookje zegt: Joringel werd herder en hoedde lange tijd de schapen.

Eindelijk droomde hij op een nacht dat hij een bloedrode bloem vond met in het midden een mooie grote parel. Hij plukte de bloem, liep ermee naar het slot en alles wat hij met de bloem aanraakte werd uit de betovering verlost; ook droomde hij dat hij zijn Jorinde daardoor terug had gekregen. Toen hij ’s morgens wakker werd, ging hij zoeken over berg en dal of hij zo’n bloem kon vinden. Hij zocht tot aan de negende dag, toen vond hij de bloedrode bloem vroeg in de morgen. In het midden lag een grote dauwdruppel zo groot als de schoonste parel. Deze bloem droeg hij dag en nacht tot hij aan het slot kwam.

De bloedrode bloem met de parel is het beeld voor de werkzame liefde zoals ons bloed dat meedraagt; maar dat doet het met de onschuld van de plant. Deze liefde moet omsluiten wat als kostbare winst zich verdicht heeft uit de diepten van de ziel, zoals de parel die in het water geboren wordt. Is water niet in alle sprookjes een beeld van de diepe golvende zielenwereld, waarin de gedachten op-duiken of ten ondergaan (het Duits heeft ‘ver-schwimmen’), waarin een beeldenwereld ontstaat en vergaat?
Wat als een kostbaar extract uit de zielenwereld – zo diep als een water – verkregen kan worden, moet omhuld worden en gedragen worden door liefde vanuit het Ik, die ook aardse werkelijkheid heeft zoals de rode bloem die vanuit de aarde groeit. Negen dagen moet Joringel naar de bloem zoeken: de mens heeft negen wezensdelen: de lichamelijkheid in het minerale, plantaardige en dierverwant-zijn; in zijn ziel in het denkende, voelende en willende; in de geest in het geestzelf, de levensgeest en de geestmens. [1] Dat zijn de negen trappen zoals vele sprookjes deze negenheid brengen. De mens moet zich ontwikkelen, wil hij deze negenheid in zijn wezen herkennen.
’s Morgens op de negende dag wordt de bloedrode bloem gevonden. De parel is een dauwdruppel geworden: gift van de nacht aan het begin van de dag. De bloem door de dag en de nacht heendragen betekent: voortschrijdend leren kennen, in het dagheldere werkelijkheidsdenken en in de nachtwakkere beelden, de imaginaties.

Toen hij honderd passen van het slot af was, verstarde hij niet, maar kon doorlopen tot aan de poort. Joringel was zeer verheugd, hij raakte de poort met de bloem aan en deze sprong open. Hij trad binnen en liep over het slotplein, luisterend waar het gefluit van de vele vogels vandaan kwam; eindelijk hoorde hij ze. Hij liep door en vond de zaal waar de tovenares bezig was de vogels in de zevenduizend korfjes te voeren. Toen zij Joringel zag werd zij boos, heel erg boos, zij schold, zij spuwde gif en gal naar hem, maar zij kon niet dichter bij hem komen dan op twee passen afstand. Hij stoorde zich niet aan haar en ging de korfjes met de vogels bekijken; maar er waren vele honderden nachtegalen, hoe kon hij daartussen zijn Jorinde terugvinden? Terwijl hij daar zo stond te kijken, merkte hij dat de oude stilletjes een korfje met een vogel weghaalde en ermee naar de deur liep. Vliegensvlug sprong hij erop af, raakte met de bloem het korfje aan en ook de oude vrouw; nu kon zij niets meer betoveren en daar stond Jorinde, zij viel hem om de hals en was net zo mooi als vroeger. Daarna veranderde hij ook alle andere vogels weer in jonkvrouwen en toen ging hij met zijn Jorinde naar huis en zij leefden lang en gelukkig met elkaar.

Liefde is de hoogste kennende kracht die de mens als vermogen heeft, want die vraagt van ons om zo tot een ander door te dringen, als was men het zelf. Zo’n activiteit die tegelijkertijd onzelfzuchtig is, kan de bancirkel doorbreken die de magische betovering getrokken heeft en heeft de kracht deuren te openen.
De tovenares met de rode bloem aanraken betekent: oude, decadent geworden magie door kennis onschadelijk maken. 
Het korfje met de nachtegaal aanraken betekent: herkennen wat de ziel insloot en isoleerde en wie verwant was geworden aan de dieren, weer veranderen; vanuit het gebonden zijn aan de driften, ontstaat een vrije ziel met Ik-krachten. Het ligt in het wezen van de onzelfzuchtige liefde besloten dat haar kracht verandering teweeg kan brengen bij iedereen die ermee aangeraakt wordt, haar werking is zegenrijk. Ook worden door de liefdesdaad van Joringel de andere zielen die tot het driftmatige vervallen waren en onvrij geworden eveneens bevrijd.

[1] Voor een nadere uitleg van deze begrippen zie: Algemene menskunde voordracht 1 vanaf [1-7-2/1]

Een jeugdvriend van Goethe, Jung-Stilling, heeft dit sprookje opgetekend uit de mond van een oude nicht.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2523-2366

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/20)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VLEERKENS VOGEL

Er was eens een heksenmeester, die nam de gestalte aan van een arme man, ging langs de huizen bedelen en ving mooie meisjes! Geen mens wist waarheen hij ze bracht, want zij kwamen nooit meer te voorschijn. Op een dag verscheen hij voor de deur van een man die drie mooie dochters had; hij zag eruit als een arme vermoeide bedelaar en droeg een mand op zijn rug alsof hij daarin milde gaven wilde verzamelen. Hij vroeg om een beetje eten en toen de oudste dochter naar buiten kwam om hem een stuk brood te geven, raakte hij haar slechts even aan en toen kon ze niet anders: zij moest in de mand springen. Daarop spoedde hij zich met forse schreden weg en bracht haar een duister woud in, naar zijn huis dat daar middenin stond. Van binnen was het huis prachtig. Hij gaf haar wat zij maar wenste en sprak: ‘Liefje, het zal je bij mij bevallen, je hebt alles wat je hartje begeert.’

Wat doet een heksenmeester? Hij gooit twee werelden door elkaar, de wetmatigheden van onze gewone wereld zet hij op zijn kop, werkelijkheid wordt tot schijn en schijn wordt werkelijkheid. 
De heksenmeester in het sprookje doet hetzelfde op een hoger niveau. Hij representeert de zintuigmens in ons, want die is de grote tovenaar. Voor hem geldt alleen de blijde wereld van de kleurenpracht, dus alles wat je met de zintuigen waarneemt. En omdat hij die als zaligmakend weet voor te stellen, wordt de geestelijke wereld die daar werkzaam in is, tot iets zintuiglijks betoverd. 
Waar zit die tovenaar in de mens? De mens heeft nog al wat plekjes. Hij woont diep in het bos, zegt het sprookje. Dat betekent daar waar het plantenleven woekerend groeit, iemands vegetatieve leven. Vandaaruit worden de zielenkrachten gegrepen (de mooie meisjes) en die wil hij beheersen.
Een bruiloft van de ziel met wat aan de zintuigen is gebonden, is het tegendeel van de koninklijke bruiloft die we telkens in de sprookjes tegenkomen. Misschien vertelt het sprookje daarom dat hij ze op zijn rug wegdraagt.

Dat ging zo een paar dagen door, toen zei hij: ‘Ik ga op reis en moet je voor korte tijd alleen laten; hier zijn de sleutels van het huis, je kunt overal binnengaan en alles bekijken, alleen niet in de kamer waarop dit sleuteltje past, dat verbied ik je op straffe des doods.’ Hij gaf haar ook een ei en sprak: ‘Bewaar dit ei zorgvuldig voor mij, ik wil graag datje het steeds bij je draagt, want als het verloren gaat, zou dat een groot ongeluk veroorzaken.’ Zij nam de sleutels en het ei aan en beloofde alles te doen wat hij had gezegd. Toen hij weg was, liep zij het hele huis door van boven naar beneden en bekeek alles. De kamers glansden van het goud en het zilver en zij geloofde, dat zij nog nooit zoveel pracht bij elkaar had gezien. Tenslotte kwam zij ook bij de verboden deur; zij wilde er voorbij lopen, maar zij was zó nieuwsgierig, dat ze geen rust had. Zij bekeek de sleutel die er net zo uitzag als iedere andere sleutel, zij stak hem in het slot en draaide er een beetje aan, toen sprong de deur open, maar wat zag zij toen zij binnentrad? Er stond een groot bloedig bekken middenin de kamer waarin dode, in stukken gehakte mensen lagen, daarnaast stond een houtblok waarop een blinkende bijl lag. Zij schrok zo vreselijk dat het ei dat zij in haar hand hield, in het bekken viel. Zij haalde het er weer uit en veegde het bloed af, maar tevergeefs, het kwam op hetzelfde ogenblik weer te voorschijn; zij veegde en krabde maar zij kon het er niet af krijgen.
Het duurde niet lang of de man kwam van de reis terug en het eerste waarom hij vroeg was de sleutel en het ei. Bevend gaf zij ze hem, maar hij zag meteen aan de rode vlek dat zij in de bloedkamer was geweest. ‘Ben je tegen mijn wil die kamer ingegaan?’ sprak hij. ‘Dan zal je er tegen je eigen wil weer binnengaan. Je leven is ten einde.’ Hij wierp het meisje neer, sleepte haar aan de haren erheen, sloeg haar op het blok het hoofd af en hakte haar in stukken, zodat haar bloed op de grond wegvloeide. Daarop wierp hij het meisje bij de anderen in het bekken.

De wereld van de zintuigen kan voor de ziel op een indrukwekkende manier glanzen: het huis van de tovenaar straalt door zilver en goud en het meidje mag, moet ervan genieten. Altijd zijn er nieuwe aspecten te ontwikkelen en onbekende ruimten gaan open. De opgave en de beproeving die de heksenmeester eist is om het ei goed te bewaren. Een ei is een levenskern. Daaruit komt steeds weer nieuw leven voort. In de Oudheid vind je het vaak als symbool op een grafsteen. Het beeld voor de innerlijke kern van de mens die in de dood blijft bestaan, het is het onvergankelijke eeuwige in de mens. Het bewustzijn van het ware Ik. Of het nu hier is of aan gene zijde in de geestelijke wereld: de eeuwige kern van het Ik is de centrale levenskiem. 
De heksenmeester haalt eerst de oudste dochter. De eerstgeborene is dat deel van de ziel dat zich het eerst ontwikkeld heeft, de waarnemende, voelende ziel. Die ontwikkelt zich al in het kind. Die moet tot het huwelijk gedwongen worden, dus een zintuiglijke ziel worden. Of ze de bloedkamer binnengaat of niet, ligt in haar vrijheid, hij geeft haar de sleutel.
Deze plaats is een geestelijke ruimte waarin het bloed aan het zintuiglijke leven gebonden is en dat de ziel gevangen kan houden. Daar heerst de lagere natuur van driften en begeerten. De beproeving is dit te leren kennen, maar toch de zuiverheid van het eeuwige Ik-bewustzijn te bewaren.
Als de oudste dochter, de voelende ziel, het ei in haar bezit heeft, dat leeft het weten van de eeuwigheid van de \ik-kiem in het voelen. Daar moet het in reinheid bewaard worden. Maar ‘zij laat het ei in het bloed vallen’. Het eeuwige wordt als een innerlijk diepe beleving van de lagere natuur van het bloed uitgeleverd. Daardoor valt de ziel aan de heksenmeester toe. Ze kan zich niet meer staande houden – het Duits heeft hier – be-haupt-en, met als kern ‘hoofd’, wij zouden nog kunnen zeggen ‘het hoofd bieden’, en wordt ont-hoofd, de eenheid die ze is gaat verloren, die valt uiteen.

‘Nu ga ik de tweede halen,’ sprak de heksenmeester en ging weer in de gedaante van een arme man naar het huis om te bedelen. Nu bracht de tweede dochter hem een stuk brood en hij ving haar net zoals de eerste, door haar slechts even aan te raken en daarop nam hij haar mee. Het verging haar niet beter dan haar zuster, ook zij liet zich door nieuwsgierigheid verleiden, opende de bloedkamer en keek naar binnen en moest dat bij zijn terugkeer met haar leven bekopen.

De tweede dochter kennen we als de ziel die zich naar het denken richt, en het vergaat haar evenzo. Zij moet de wereld van de heksenmeester die aan de zintuigen is gebonden, met haar denken verhelderen, ophelderen. Vanuit het denken zou zij de kiem van haar eeuwige Ik zuiver moeten bewaren, maar ook zij laat deze ‘in het bloed vallen.’ En ook zij verliest haar eenheid, verliest haar hoofd en de kracht van de zintuigmens overwint.

Daarop ging hij de derde halen, maar die was schrander en slim. Toen hij haar de sleutel en het ei had gegeven en was vertrokken, borg zij eerst het ei zorgvuldig weg, daarna bekeek zij het huis en ging tenslotte de verboden kamer binnen. Ach, wat zag zij daar! Haar twee lieve zusters lagen daar in het bekken, jammerlijk vermoord en in stukken gehakt. Maar zij begon hun ledematen uit te zoeken en aan elkaar te leggen, hoofd, romp, armen en benen. En toen er niets meer aan ontbrak begonnen de ledematen te bewegen, voegden zich aaneen en beide meisjes openden hun ogen en werden weer levend en zij kusten en omhelsden elkaar vol vreugde. Bij zijn terugkomst eiste de man meteen de sleutel en het ei op en toen er geen spoor van bloed op te bekennen viel sprak hij: ‘Jij hebt de proef doorstaan, jij wordt mijn bruid.’ Hij had nu geen macht meer over haar en moest doen wat zij verlangde. ‘Welaan,’ antwoordde zij, ‘eerst moet je een mand vol goud naar mijn vader en moeder brengen en het er zelf op je rug heendragen; onderwijl zal ik de bruiloft voorbereiden.’ Daarna liep zij naar haar zusters die zij in een kamertje had verstopt, en zei: ‘Het ogenblik is gekomen waarop ik jullie kan redden – de booswicht zal jullie zelf weer naar huis dragen, maar zodra jullie thuis zijn, moet je mij hulp zenden.’ Zij liet beide meisjes in een mand kruipen en bedekte hen helemaal met goud, zodat er niets van hen te zien was; daarna riep zij de heksenmeester binnen en zei: ‘Breng nu de mand weg, maar pas op dat je onderweg niet blijft staan om uit te rusten, ik kijk uit mijn venstertje en let erop.’
De heksenmeester tilde de mand op zijn rug en ging ermee weg, de mand was echter zo zwaar dat het zweet hem over zijn gezicht liep. Toen ging hij zitten om een beetje uit te rusten, maar dadelijk riep er een uit de mand: ‘Ik kijk uit mijn venstertje en zie dat je zit uit te rusten, wil je wel eens doorlopen.’ Hij dacht dat zijn bruid hem dat toeriep en ging weer verder. Nogmaals wilde hij gaan zitten maar er werd dadelijk geroepen: ‘Ik kijk uit mijn venstertje en zie dat je zit uit te rusten, wil je wel eens doorlopen.’ En zo vaak hij stilstond werd er geroepen en dan moest hij weer verder tot hij eindelijk steunend en buiten adem de mand met het goud en met de beide meisjes het huis van hun ouders binnenbracht.

De bruid echter bereidde thuis het bruiloftsfeest voor en nodigde de vrienden van de heksenmeester daarvoor uit. Daarna nam zij een doodskop met grijnzende tanden, zette hem een hoofdtooi op met een bloemenkrans, plaatste hem voor het zolderraam en liet hem van daar naar buiten kijken. Toen alles klaar was ging ze in een vat met honing zitten, sneed daarna een veren bed open en rolde daarin rond zodat zij eruit zag als een wonderlijke vogel en geen mens haar kon herkennen. Toen liep zij het huis uit en onderweg ontmoette zij enkele bruiloftsgasten die vroegen:

‘Zeg, Vleerkens Vogel, waar kom je vandaan?’
‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
‘Wat doet dan daar de jonge bruid?’
‘Zij keerde van onder tot boven het huis,
Door het zolderraam kijkt zij nu uit.’

Tenslotte kwam zij de bruidegom tegen die langzaam naar huis terugliep. Hij vroeg net als de anderen:

‘Zeg Vleerkens Vogel, waar kom je vandaan?
‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
‘Wat doet dan daar de jonge bruid?’
‘Zij keerde van onder tot boven het huis,
Door het zolderraam kijkt zij nu uit.’

De bruidegom keek naar boven en zag de versierde doodskop; hij dacht dat het zijn bruid was, knikte haar toe en groette haar vriendelijk. Toen hij echter samen met zijn gasten het huis was binnengegaan, kwamen de broers en de familieleden van de bruid aan die waren gezonden om haar te redden.
Zij sloten alle deuren van het huis zodat niemand kon ontsnappen, staken het huis in brand en zo kwam de heksenmeester met zijn trawanten in de vlammen om.

Pas de derde dochter wordt de situatie meester. Die kennen we als de willende ziel. Het is in de ziel de kracht die zich het laatst heeft ontwikkeld als hoogste zielenkracht. ‘Wil’ mag niet worden verwisseld met begeerte of wens, ook niet met een eenzijdige koppigheid. Er moet inzicht zijn en in het handelen slimheid, zelfs list, zegt het sprookje. Voor ze het huis verder onderzoekt, legt ze het ei weg. Ze beslist zelf over wat ze doet. Ze weet dat ze de wereld van de schitterende zintuigbeleving wakker binnen moet gaan. En zo komt ze te weten hoe de slagkracht van het boze haar beide zielenzusters vernield en gedood heeft. Maar omdat zij het ei bewaard heeft, kan zij de voelende en denkende ziel genezen  en weer heel maken. (Hoe vaak zeggen we niet: ik voel me verscheurd, verdeeld, (terneer)geslagen, uit elkaar gerukt, maar ook: ik heb me weer teruggevonden, heb mijn positieven weer bij elkaar, voel me weer ‘composed’.)
Nu ze de tovenaar overwonnen heeft, kan ze de oorspronkelijke heelheid van de ziel weer herstellen. Ze stuurt de beide zusters weer terug naar het ouderlijk huis. Die vinden weer aansluiting van het oude Zelf, bij het oerwezen van de ziel.
En omdat kennis en de overwinning van het kwaad wijsheid in zich dragen, worden de zusters met goud bedekt terug-gedragen
En nu laat de derde dochter, de door de doorstane beproeving volledig tot bewustzijn van zichzelf gekomen wilsziel, zien wat van de zintuigmens geworden is. Eens maakte die ook de hoge vlucht van de geest. Want de wereld van de zintuigen was nog niet in de kale zintuiglijke wereld weggedrukt. Er leefde nog een geestelijke wereld in die voor hem oorspronkelijk nog waarneembaar was,
De witte zielenvogel met de veren dragende bevlogenheid was zijn deel. Hij was een – het Duits heeft – Fitcher- vertaald als Vleerkens vogel. Fitcher komt uit het IJslands, fitfuglar, een watervogel, wit als een zwaan.
Maar nu is er in het huis van het lichaam – voor zover dat van hem is, want ieder mens heeft zijn eigen ‘huis’- geen leven meer. De mens die alleen in de zintuigen leeft, ontwikkelt zich niet verder, hij vergaat met de stoffelijkheid waarin hij opgaat. In waarheid beleeft hij alleen nog doodsprocessen, want stof vergaat en de geest blijft.
De hoogstmogelijke blik (het venster in de gevel) laat hem de bruid zien die hij door het doden van het leven verworven heeft.
En verder laat de ziel die de geestvolle wil bezit aan de vogel wat er van zijn zielenvogel is geworden. Want ze zegt: ‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
Op aarde gaand, zonder de dragende zielenvogel, met geplukte veren bedekt, list en bedrog verspreidend met op de achtergrond de schijnlevende, grijnzende dood – dat is het beeld van de ziel zonder geest.
Alle oorspronkelijke krachten waaruit de ziel stamt (ouders en verwanten), moeten samen sterk staan en het geestesvuur aansteken, dat voor de heksenmeester en zijn trawanten de dood betekent.

Wikipedia

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2517-2360

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/19)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VROUW HOLLE

Een weduwe had twee dochters; de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. 

Vrouwelijke gestalten zijn een beeld voor de ziel en voor de wiskrachten van de ziel. Wanneer de levende verbinding met het geestelijk-mannelijke ontbreekt en de ziel op zichzelf is aangewezen, is sprake van een ‘weduwe’. Wanneer deze ‘stief’moeder wordt – het Duitse ‘stiefe’ is ook ‘stijf’, betekent dit dat zij niet meer beschikt over de levende geest, maar materialistisch is geworden. Ze let alleen nog op de zintuiglijke wereld.
Maar iedere ziel is veelzijdig. Uit het oude ontstaan nieuwe wezenlijke krachten, ontwikkelen zich en hebben een doel voor ogen: het zijn de ‘dochters’. 
De ene is meer verwant aan het ‘geest-vaderlijke’: actief, scheppend; de andere, dochter van de stiefmoeder, is passief en lui. En daarom staan ze open voor het edele – schoonheid en voor het onedele – de lelijkheid.

Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vingers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar beneden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het ongeluk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen.

Spinnen is een heel oud beeldwoord voor het denken. Tegenwoordig hebben we het in negatieve zin over bijv. gedachtespinsels; het Duits heeft ‘ausspintisieren’ voor ‘iets denkend zitten uit te broeden’. We hebben het bij iets logisch over ‘het vasthouden van de draad’. En op straat zitten en spinnen betekent het niet meer in een afgesloten plaats de gedachten in stilte koesteren, maar openlijk, in het openbaar op de zintuigwereld richten. Maar daar bevindt zich ook de scheppende diepte, het geheimzinnig opborrelende beleven van de ziel: de bron.
Waar zo intensief gedacht wordt – ‘tot bloedens toe’, moet het gedachtegoed ondergedompeld worden in de ‘reinigende bron’ (de spoel schoonwassen). Maar uiteindelijk is de mens geen meester meer over zijn gedachten, ze vallen weg. 
Want het denken en de inhoud van de gedachten van de ijverige dochter zijn van geestelijke aard en de geest wil ‘de diepte’ in: de spoel zinkt in de bron. 
De stiefmoeder, de vertegenwoordigster van de stoffelijke zintuigwereld, kan niet helpen – in tegendeel – haar hardheid is de aanzet tot nog meer verdieping: de sprong in de diepte moet gewaagd worden. Maar daar geldt wat daarvoor gedacht werd, niet meer: de spoel is verdwenen. Op een ander niveau volgt een nieuw ontwaken.

Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood; het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar.’ Toen ging zij er naar toe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit.

Voor het innerlijke schouwen is ‘de andere kant’ een groen en bloeiend vlakte. Vanuit de ‘ding’wereld van zintuigen is het meisje nu aangekomen in de sfeer waar voortdurende groei is en levende ontwikkeling. Nu worden er eisen aan haar gesteld en wordt ze op de proef gesteld. In de stoffelijke wereld is het brood wel een van de belangrijkste voedingsstoffen voor het lichaam; in de andere wezenlijke wereld gaat het om de belangrijkste voeding voor de ziel en dat is het kennen van de geest. Een christelijke leerregel is: wij zijn op aarde om God te leren kennen. Kennis van de geest is ‘het brood’ voor de ziel.
Haard, oven, bakoven geven in huis warmte. Het warmtepunt in het huis van het lichaam is het hart, in de droom en het sprookje verschijnt dit vaak in hert beeld van de oven. Daar, wil het sprookje zeggen, in het centrum van de innerlijke hartenwarmte heb je dat geest-kennen verkregen, terwijl er aan de andere kant je wezen werd gedacht, gesponnen. Maar nu moet je actief zijn, je wil gebruiken om het weer aan het licht te brengen; 

Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder.

De oude helderziendheid waaruit de sprookjes stammen, zag in de mens het omhooggroeiende ruggenmerg-zenuwsysteem dat op een boom lijkt dit als symbool. Ook daar wordt kennis vergaard, maar andere dan bij het hart. De vrucht van de boom, de appel, is het symbool van de zondeval geworden als de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Die moet nu geplukt worden.

Tenslotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang, kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen, zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’

Zonder twijfel was vrouw Holle ooit een van drie grote moeder-godinnen die sinds het oudste Keltendom vereerd werden. Wellicht is zij de aarde-moeder. In sommige streken zag men haar als een laatste herinnering aan de lieftallige Freia, de schoonste godendochter uit het geslacht van de Wanen, de stralende goden uit de vroege tijd die als vrouw Hulda waakt over de zegeningen van de velden en over de boom die in het rijk staat, die goud en zilver schenkt wanneer je hem schudt.
Later beschouwde men haar als de brengster van het spinnen. Bij de oudere mens ging de activiteit van de hand samen met die van het hoofd, zoals de taal nog toont. Ze werd de beschermster van het spinnen, loofde de ijverigen en strafte de luien.
En toen men haar niet meer zegen brengend door het land zag gaan, zag men haar toch in haar rijk dat wel verduisterd werd voor de blik tot een geheimzinnige grot (Duits Höhle) en men noemde haar vrouw Holle. Wie de drempel overgaat van het nu naar het hiernamaals – en dat gebeurde in oudere tijden vaak – beleefde deze macht van de lotspelingen.

Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen; in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heimwee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Tenslotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje eronder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent geweest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daarop werd de poort gesloten en het meisje bevond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku,
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aankwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het Duits heeft een uitdrukking: ‘Het weer is, zoals de mensen zijn’.
Dat wordt nog wel gebruikt.
Ik ken in het Nederlands geen equivalent. In deze tijd is het vooral opmerkelijk dat mens en klimaat – en dus ook het weer – met elkaar in verband worden gebracht: de mens als veroorzaker van de opwarming van de aarde.
Volgens een oude zienswijze, aldus Lenz, zag men vroeger dat er een direct verband bestond tussen de zielenwereld van de mens en de elementaire processen in de natuur. De zielen die hun lotsopdracht op de juiste manier vervullen en hun beproevingen doorstaan, zoals onze vlijtige dochter, verstoren de harmonie van de natuur niet, maar ze schikken zich erin en werken mee aan het scheppende proces.
Naar het beeld van het sneeuwen kan je nog op andere manier kijken: de zuivere sneeuwkristallen met hun ontelbare sterrenvormen, van boven komend en de aarde met een helder wit kleed bedekkend, kunnen toch wel gezien worden als een gelijkenis voor de edele, zuivere krachten van een hogere wereld? Zeer zeker wil het sprookje er ook op wijzen dat een ziel die de draden van het leven altijd goed spint en voldoende goede gedachten gevormd heeft, meewerkt aan die werkelijkheid. Het woord van vrouw Holle: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt’, laat ons zien dat zij tot de goede machten behoort die zich ontwikkelen. Want het leven op aarde is een scholingsweg voor de hogere wereld, en wat ‘aan de andere kant’ afgerond wordt, werkt door in het leven op aarde. In de overgang van de geestwereld naar de stoffelijke – de jonkvrouw staat onder de poort – wordt haar de rijkdom van de spirituele ervaring en verandering geschonken: het goud van de wijsheid valt op haar neer en dat is wijsheid die je3 niet kan verliezen. Vrouw Holle geeft haar de spoel terug, die met bloed bedekt in de bron was gevallen: met een gereinigd nieuw denken kan nu worden begonnen. Ze wordt bij terugkeer goed ontvangen, want alles van haar komt ten goede aan hem die niet veranderd zijn.
De luie dochter legt zichzelf op wat de ijverige mens in het denken verwerft. Kennis van de geest kan zij niet verkrijgen (geen brood), noch vanuit 
hartekracht die nooit in haar aanwezig waren, noch dat ze goed leert onderscheiden tussen goed en kwaad (geen appels), want zij kende het goede niet. Zij kan zich niet schikken in de orde van de bovenzintuiglijke wereld, want door haar luiheid kon ze dat ook al niet in de stoffelijke wereld. De heerseres van de bovenzintuiglijke wereld moet haar wegsturen. Haar loon is pek. De spoel krijgt ze niet terug. Wie niet gelouterd, niet veranderd het goud van de wijsheid wil afdwingen, maakt zijn wezen duister, verliest de blik op het licht, ze wordt armer dan ze daarvoor was. En deze duisternis blijft.

Het meisje vertelde alles wat haar overkomen was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag hetzelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervolgens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde echter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen,’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van Vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had gehoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s ochtends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoorde, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten,’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er, zo lang zij leefde, niet meer af.

Is hier de kraaiende haan die beiden begroet, de verkondiger van de dag en was dit een nachtbeleven? Deze wereld waar onder en boven gelijk zijn, kent ruimte noch tijd; dat beleven we in de droom. Er zijn heel wat verhalen bekend van mensen die meegemaakt hebben dat ze in een elementaire wereld terechtkwamen. Ze zeggen dat ze jarenlang bij de dwergen in dienst waren of zalig genoten bij de elfen en bij wonderbaarlijke woudvrouwen of bij vrouw Holle en voor hun omgeving ging het maar om een paar uur of een dag. Ook dat zou in dit sprookje kunnen.
Maar de mens is én een deel van de mensheid en van de wereld en dan kunnen zich daarin nog veel diepere lotsbeschikkingen spiegelen, lotsbeschikkingen die buiten de tijdspanne van een leven op aarde uitgaan. 
Het binnengaan van een bovenzintuiglijke wereld waarin de ziel de ervaringen opgedaan in het aardse leven duidelijk te zien krijgt en met een soort afrekening te maken krijgt en uiteindelijk een terugkeer naar de zintuigwereld, gezegend met de gevolgen van het afgerekend zijn als zegen of belasting, duiden evenzeer op de reïncarnatie van de mens. 
De kennis van de reïncarnatie van de mens was bij de Keltisch-Germaanse stammen algemeen bekend; Julius Caesar, Diodorus van Sicilië maken er melding van. De Edda, de Germaanse godenleer, spreekt ervan in de Karaliederen. Het weten ervan is niet decadent geworden zoals in het Oosten, waar de reïncarnatie geworden is tot slechts een ‘zielenverhuizing’.
In het Avondland is de gedachte van de reïncarnatie een tijd lang verdwenen, de mens moest zich met al zijn kracht richten op de materiële wereld. In een paar sprookjes zijn er nog echo’s van dit oude weten hoorbaar.
Als we op deze manier naar ons Holle-sprookje kijken, dan verschijnt de haan niet alleen om de dag te verkondigen, hij wordt veel meer nog tot het symbool van het instinctieve Ik. Zijn roep duidt dan voor dit leven op dat dit nieuw ontwaakte Ik en op de voorbestemming van het lot: een met wijsheid begaafde mens te zijn of een pechvogel.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2512-2355

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/18)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

HET SNUGGERE SNIJDERTJE

Lenz begint met een anekdote over Goethe. Zijn moeder las hem het sprookje van het snijdertje voor en sloot het ergens af om morgen weer verder te gaan. “Het is niet waar’, zei de kleine Wolfgang, ‘dat rot snijdertje krijgt de prinses niet!’
En daarmee sprak het kind dat geestelijk zo zeker was, nietsvermoedend zijn levensprobleem uit. Want Goethe streed zijn hele leven tegen het snijdertje ter wille van de prinses.

Waar gaat het bij een kleermaker om. Hij moet de stof versnijden en naar eigen maat weer samenstellen tot een geheel, steeds de schaar en naald en draad hanterend en met veel aandacht, want de maten moeten blijven kloppen.
Het nieuwe geheel dat ontstaat, is totaal anders dan het oude en het is helemaal zijn eigen werk. Geen wonder dat we de kleermaker in ere moeten houden, want er hangt veel van hem af.

En dan de innerlijke kleermaker. Hoeveel hangt er niet van hem af. Onvermoeibaar is hij met het geheel bezig waar hij met een scherp verstand delen van maakt en met subtiele fijngevoeligheid de stukken naar eigen inzicht dan weer in elkaar zet en opnieuw tot een geheel vormt. De beeldentaal noemt het intellect ‘snijdertje’. Het is die schranderheid die minder een groot omvattend gebied probeert te begrijpen, dan wel die zich dapper op iets kleins stort en die zelf zijn schranderheid wel bijsnijdt. 
Als dit in de mens de boventoon gaat voeren, bestaat echter wel het gevaar dat hij tot een iel, spitsvondig en ook wel een geheel wordt met eigendunk. Want iets groots kleinmaken en naar eigen goeddunken weer in elkaar zetten, kan gemakkelijk trots maken.
Dan kan zo’n kleermakertje uitroepen: ‘Zeven in één klap’, ook al gaat het maar om vliegen. 

Goethe zou zo’n kleermaker dus nooit hebben kunnen verdragen. 
Als hij zich echter voegt naar de gemeenschap, zit hij daar terecht bij en wij kunnen hem goed gebruiken.

Er was eens een prinses die geweldig trots was. Als er iemand kwam die met haar wilde trouwen, gaf zij hem een raadsel op en als hij het niet kon raden, werd hij bespot en weggestuurd. Ook liet zij bekend maken dat degene die haar raadsel oploste, met haar mocht trouwen, wie het ook was. Tenslotte waren er ook drie kleermakers bijeen, en de twee oudsten vonden dat zij zoveel fijne steekjes goed gemaakt en goed getroffen hadden, dat het niet anders kon, of zij zouden het er ook hier goed afbrengen. De derde was een kleine, waardeloze spring-in-’t-veld die zijn vak niet eens goed verstond, maar vond, dat hij er een beetje geluk bij moest hebben, want waar zou het anders vandaan moeten komen. De twee oudsten zeiden tegen hem: ‘Blijf jij maar thuis, met dat kleine beetje verstand van jou kom je toch niet ver.’ Het kleermakertje liet zich echter niet van de wijs brengen en zei, dat hij er nu eenmaal zijn zinnen op had gezet, en het heus wel zou klaarspelen en hij ging op weg met een gezicht alsof de hele wereld van hem was.

Zij meldden zich alle drie bij de prinses en zeiden dat zij haar raadsel maar eens aan hen moest voorleggen, zij waren daarvoor de juiste lieden, want zij hadden zo’n spits verstand dat het wel door het oog van een naald gehaald kon worden. Toen sprak de prinses: ‘Ik heb tweeërlei haar op mijn hoofd, wat voor kleur heeft het?’ – ‘Als dat alles is,’ zei de eerste, ‘dan is het zeker zwart en wit, net als haar dat je peper en zout noemt.’ De prinses zei: ‘Misgeraden, laat de tweede antwoorden.’ De tweede zei: ‘Als het geen zwart en wit is, dan is het zeker bruin en rood, zoals de zondagse jas van mijn vader.’ – ‘Misgeraden,’ zei de prinses, ‘laat nu de derde antwoorden, ik zie aan hem, dat hij het weet.’ Toen stapte het kleermakertje parmantig naar voren en zei: ‘De prinses heeft een zilveren en een gouden haar op haar hoofd en dat zijn de beide kleuren.’ Toen de prinses dat hoorde werd zij bleek en was bijna flauwgevallen van schrik, want het snijdertje had precies in de roos geschoten en zij had vast geloofd daar zou geen mens ter wereld achter kunnen komen.

In dit sprookje wordt het snijdertje met de prinses geconfronteerd en daarbij is hij helemaal niet timide. Hij weet heel goed dat zij niet zoveel heeft met het alledaagse, maar dat er bij haar iets is wat uit twee werelden komt, die tegenover elkaar staan: de zon en de maan, zoals goud en zilver. Bij deze prinses is er een haar van beide aanwezig; zij zoekt met hooghartige vragen naar een ‘vrijer’. Nu wordt ze geconfronteerd met een ‘snijder’ en uiteindelijk wordt zij de zijne.

Toen zij weer tot zichzelf kwam zei zij: ‘Daarmee heb je me nog niet gewonnen, je moet nog één ding doen: beneden in de stal ligt een beer bij wie je de nacht moet doorbrengen. Als ik morgen opsta en je leeft nog, dan mag je met mij trouwen.’ Zij dacht op die manier het kleermakertje kwijt te raken, want er was nog nooit iemand levend uit de klauwen van de beer gekomen. Maar het kleermakertje liet zich niet afschrikken, was heel opgewekt en zei: ‘Wie waagt, die wint.’

De tweede opdracht voor het snijdertje is belangrijker. Hij moet het met de beer in de kelder zien uit te houden. De beer beweegt zich weliswaar op vier poten, maar kan toch ook op twee poten rechtop gaan staan, wonderbaarlijk mensachtig en hij kan zelfs dansen.
Het is het beeld van dofheid en zwaarte die wel naar omhoog streven en rechtop lichter en makkelijker zich zouden willen bewegen, maar zij trekken de mens steeds weer omlaag. Deze aardezwaarte is buitengewoon sterk, soms gepaard gaand met een bepaalde goedmoedigheid en het kan in positieve zin ook duiden op stevig op aarde staan en standvastigheid. Zo opgevat staat de beer op het wapenschild. Als deze zwaarte echter tot activiteit komt, samen met smeulende drift, dan kan de beer gevaarlijk worden.

Tegen de avond werd ons snijdertje naar de beer gebracht. De beer kwam dadelijk op het kereltje af en wilde hem met zijn klauwen een warm onthaal bereiden. ‘Rustig, rustig,’ zei het kleermakertje, ‘ik zal je wel kalmeren.’ En toen haalde hij heel gemoedelijk, alsof er geen vuiltje aan de lucht was, een paar noten te voorschijn, beet ze kapot en at het binnenste op. Toen de beer dit zag kreeg hij er trek in en wilde ook noten hebben. Het kleermakertje tastte in zijn zak en gaf hem een handvol, maar dat waren geen noten, maar kiezelstenen. De beer stak ze in zijn bek, maar hoe hij ook beet, hij kon er niets mee beginnen. Hé, dacht hij, wat ben ik voor een domkop, dat ik niet eens een paar noten kan kraken, en hij zei tegen het kleermakertje: ‘Toe, kraak jij die noten eens voor me.’ – ‘Nu zie je eens wat voor een kerel jij bent,’ zei het kleermakertje, ‘je hebt zo’n grote bek en je kunt niet eens een nootje stukbijten.’ Toen nam hij de stenen, verwisselde deze behendig, stak een noot in zijn mond en ‘krak’ daar was hij in tweeën. ‘Ik wil het toch nog eens proberen,’ zei de beer, ‘als ik dat zo zie, vind ik, dat moet ik toch ook kunnen.’ Het kleermakertje gaf hem weer stenen en de beer beet er uit alle macht op, maar jullie geloven toch ook niet dat hij het voor elkaar kreeg, is het wel?

De vraag luidt: wat is sterker – het intellect of de dofheid en zwaarte. Hoe wordt het snijdertje de beer de baas? We weten wat het betekent: ‘noten kraken’ en kennen de uitdrukking (Duits) Kopfnüsse – een moeilijk probleem. De walnoot verschaft het beeld. Het hoofd waarin de hersenen rusten als de kern in een noot, is de schaal, de harde noot. Het kleermakertje ‘kraakt de noot’, d.w.z. het intellect lost denkproblemen op. Wie nog dom en traag is, niet in het heldere wakkere leeft, moet het leren. De kleermaker laat aan de beer zien dat deze geen stenen van noten kan onderscheiden, dus goede, vruchtbare gedachten niet van onvruchtbare, materialistische en hij laat de lompe beer de kern halen uit iets waar die niet in zit. En dat brengt beweging op gang.

Toen dat voorbij was haalde het kleermakertje een viool onder zijn jas vandaan en begon een deuntje te spelen. Toen de beer de muziek hoorde kon hij het niet laten te gaan dansen. En toen hij een tijdje had gedanst, beviel hem dat zó goed, dat hij tegen het kleermakertje zei: ‘Hoor eens, is dat fiedelen moeilijk?’ – ‘Kinderlijk eenvoudig… kijk, de vingers van de linkerhand leg ik hierop en met de rechterhand strijk ik er met de strijkstok vrolijk op los van je hopsasa en je falde-raldera.’ – ‘Zó spelen, dat zou ik toch ook graag kunnen,’ zei de beer, ‘dan kon ik dansen zoveel ik wilde. Wat vind je ervan, wil je mij dat leren?’ – ‘Heel graag,’ zei het kleermakertje, ‘als je er aanleg voor hebt. Maar laat mij je klauwen eens zien, die zijn verschrikkelijk lang, ik moet wel je nagels een beetje afknippen.’ Toen werd de bankschroef erbij gehaald en de beer legde zijn klauwen erin. Het kleermakertje draaide ze vast en zei: ‘Wacht nu maar totdat ik met de schaar kom,’ liet de beer brommen zoveel hij maar wilde en ging in de hoek op een bos stro liggen slapen.

Als het intellect ook nog muzikaal wordt (als de kleermaker op de viool speelt) en kunstzinnig harmoniserend werkt, dan wordt de zwaarte uiteindelijk overwonnen: de beer danst en zou zelf ook graag muzikaal worden. In ieder geval heeft het kleermakertje nu macht over hem.

Toen de prinses ’s avonds de beer zo geweldig hoorde brommen dacht zij niet anders dan dat hij van plezier bromde omdat hij het kleermakertje had afgemaakt. De volgende morgen stond zij dan ook onbezorgd en vrolijk op; maar als ze naar de stal kijkt, staat me dat snijdertje heel monter er voor en is zo gezond als een vis. Nu kon zij geen tegenwerpingen meer maken, want zij had het in het openbaar beloofd en de koning liet een koets komen, waarin zij met het kleermakertje naar de kerk zou gaan om te trouwen. Toen zij waren ingestapt gingen de twee andere kleermakers die vals van aard waren en hem zijn geluk niet gunden, naar de stal en schroefden de beer los. De beer rende razend achter de koets aan. De prinses hoorde hem snuiven en brommen; zij werd bang en riep: ‘O, de beer komt achter ons aan, hij wil je pakken!’ Het kleermakertje was er vlug bij, ging op zijn hoofd staan, stak zijn benen buiten het raampje en riep: ‘Zie je de bankschroef? Als je niet vlug verdwijnt, ga je er weer in.’ Toen de beer dat zag, keerde hij om en liep hard weg. Ons snijdertje reed daarna rustig naar de kerk, trouwde de prinses en leefde met haar zo vrolijk en blij als een
boomleeuwerik. Wie het niet gelooft, betaalt een daalder.

De trotse koningsdochter kon nu geen kant meer op: ze moest het snijdertje accepteren. Het intellect heeft zich bewezen, de prinses kan het intellect ziel geven: nu kunnen ze trouwen. 
Maar op de achtergrond zijn de twee andere kleermakers nog die jaloers zijn op de vermogens van de derde. (We kennen de drieheid van deze jongens of broers uit verschillende sprookjes en we weten hoe vaak ze hun broer die zich ontwikkeld heeft, willen remmen). Zij zijn er schuld aan dat de berendofheid zich nog een keer wil laten gelden. Maar het snijdertje weet daar wel raad mee: hij gaat op zijn kop staan.

Hieronymus von Herzogenbusch, Bosch genaamd, de grote symboolmaker, laat vaak het op-zijn-kop-staan zien. Het betekent: volledige ommekeer. Niet alleen maar op de vaste grond van de feiten staan, maar van tijd tot tijd ook thuis zijn in een hogere wereld, daar komt het op aan. 
Wanneer het intellect zo beweeglijk is geworden dat het ‘boven en beneden’ beheerst, zijn de berendofheid en de zwaarte voor altijd overwonnen en niets staat de bruiloft meer in de weg.

Ill. uit Grimm Sprookjes – uitgeverij Lemniscaat

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2502-2348

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/16)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

BONTEPELS

Er was eens een koning, die een vrouw had met gouden haar en zij was zo mooi, dat haars gelijke op aarde niet te vinden was. Maar het gebeurde dat zij ziek werd en toen zij voelde, dat zij weldra zou sterven, riep zij de koning en sprak: ‘Als je na mijn dood weer in het huwelijk wilt treden, neem dan iemand, die even schoon is als ik en die net zulk gouden haar heeft als ik; dat moet je mij beloven.’ Nadat de koning haar dat had beloofd, sloot zij de ogen en stierf.

De koning was lange tijd ontroostbaar en dacht er niet aan een tweede vrouw te nemen. Eindelijk spraken zijn raadslieden: ‘Het kan niet anders, de koning moet weer trouwen, zodat wij weer een koningin hebben.’ Nu werden overal heen boden uitgezonden om een bruid te zoeken, die even schoon was als de gestorven koningin. In de hele wereld was er echter geen te vinden en al had men er een gevonden, dan was er toch geen enkele met zulk gouden haar. En dus kwamen de boden onverrichter zake terug.

Nu had de koning een dochter, die even mooi was als haar gestorven moeder en ook zulk gouden haar had. Toen zij was opgegroeid, keek de koning haar eens aan en zag, dat zij in alles geleek op zijn overleden gemalin en plotseling voelde hij een hevige liefde voor haar. Toen sprak hij tot zijn raadslieden: ‘Ik wil met mijn dochter trouwen, want zij is het evenbeeld van mijn overleden vrouw en anders kan ik toch geen bruid vinden, die op haar lijkt.’ Toen de raadslieden dat hoorden, schrokken zij en spraken: ‘God heeft verboden dat een vader met zijn dochter trouwt, uit deze zonde kan niets goeds voortkomen en het rijk wordt mee in het verderf gestort.’ De dochter schrok nog meer toen zij het besluit van haar vader hoorde, maar hoopte hem nog van zijn plan af te brengen. 

Evenals bij Doornroosje duidt het begin van dit sprookje op het ‘gouden tijdperk’. Daarin was de ziel nog een eenheid, in een toestand die het sprookje ‘koningschap’ noemt. De ziel was nog omgeven door een grote glans van wijsheid. Dat was een geschenk, uit genade gekregen: zij droeg gouden haren. Maar alles is in ontwikkeling, ook aan het oeroude tijdperk komt een eind, verduistering treedt in: de koningin sterft en ‘haars gelijke was op aarde niet te vinden.’
Uit de oude ziel is een nieuwe ziel geboren – zoals de dochter uit de moeder. Zij heeft evenals haar moeder de doorlichtende spiritualiteit, in het sprookje zie je dat aan ‘het even mooi als de moeder’ en ook aan de gouden haren.
Zou de vader met de dochter trouwen, dan zou er geen ontwikkeling kunnen plaatshebben, dan zou de tijd stil blijven staan, in de oertijd van de mensheid. Maar de dochter weet dat de paradijselijke toestand niet kan blijven voortduren en dat zij haar ‘oer’vaderland moet verlaten. De weg van de mensheid gaat verder in de afdaling naar de aarde om er later uit eigen kracht weer uit op te stijgen. Het meisje kiest vrijwillig de armoede en eenzaamheid. Zo kan het Vader-Geestprincipe in de wereld weer worden gevonden.

Toen zei zij tegen hem: ‘Voordat ik uw wens vervul, moet ik eerst drie gewaden hebben, één goud als de zon, één zilver als de maan, en één zo stralend als de sterren; dan wil ik nog een mantel hebben, vervaardigd uit duizenderlei bont en huiden en elk dier uit uw rijk moet een stukje van zijn huid daarvoor afstaan.’ Zij dacht echter: zoiets is onmogelijk te krijgen en ik breng mijn vader daarmee van zijn slechte gedachten af. Maar de koning hield vol en de vaardigste jonkvrouwen in zijn rijk mochten de drie gewaden weven, één goud als de zon, één zilver als de maan, en één zo stralend als de sterren; en zijn jagers moesten alle dieren in het hele land vangen en een stuk van hun huid aftrekken; daarvan werd een mantel gemaakt van duizenderlei bontsoorten. Tenslotte liet de koning, toen alles klaar was, de mantel halen, spreidde hem voor haar uit en sprak: ‘Morgen is de bruiloft.’

Toen nu de koningsdochter zag, dat er geen hoop meer was, haar vader tot andere gedachten te brengen, besloot zij te ontvluchten. ’s Nachts, toen iedereen sliep, stond zij op en nam van haar kostbaarheden er drie mee, een gouden ring, een gouden spinnewieltje en een gouden haspeltje; de drie gewaden van zon, maan en sterren deed zij in een notendop, trok de mantel van de vele soorten bont aan en maakte haar gezicht en handen zwart met roet.

De koningsdochter wil drie gewaden hebben; die zijn zo teer dat ze ze zelf in een notendop kan doen. Het vaderlijk Zelf is in staat drie kosmische ‘omhullingen’ te geven. Als de tijd daar is, zullen ze zich ‘ontplooien’ en zal zij ze zelf uit de notendop halen.
De beelden van sprookjes en mythen zijn voor het intellect ontoegankelijk, maar wij mensen gebruiken wel beeldende woorden: in het Duits heet ‘een harde kop hebben’, ‘een harde noot hebben (eine harte Nuss); wij spreken over ‘de kersenpit’. De hersenen liggen in een schaal. Voor Paracelsus een aanwijzing dat walnoten en hersenen ‘iets’ met elkaar te maken hebben, volgens hem versterken die de hersenen; de natuur geeft overal signalen af.
In het hoofd, in de denkende grote hersenen, liggen de vermogens verborgen = de drie gewaden – die zich eens zullen kunnen ontplooien – als de tijd rijp is.
En een mantel uit allerhande pelsstukjes, komt hier nog bij.
In een sprookje zijn de dieren onze driften en instincten. En ook al is de mens als kroon op de schepping met zijn hogere wezen verwant aan de engelen, met het lagere is hij verwant aan de dieren.
De sluwheid bij de begeerte zien we in de listige vos; het paardenverstand dat beteugeld moet worden, zodat je je niet ‘vergaloppeerd’; leeuwenmoed; de koppigheid van de ezel en soms zijn domheid; het drammerige van de stier.
Van alles wat warmbloedig is en haar heeft, zit er een stukje in de mantel. De ziel kleedt zich met deze mantel en gezicht en handen worden zwart, de driftmatige natuur overheerst, de blik en het handelen verliezen de lichtkracht.

Toen beval zij zich in Gods genade aan, ging weg en liep de hele nacht door tot zij in een groot bos kwam. En omdat zij moe was, kroop zij in een holle boom en viel in slaap.
   De zon ging op, maar zij sliep door en zij sliep nog toen het al volop dag was. Nu gebeurde het, dat de koning, aan wie dit bos toebehoorde, er ging jagen. Toen zijn honden bij de boom kwamen, snuffelden ze, liepen er omheen en blaften. De koning sprak tot de jagers: ‘Ga eens kijken wat voor wild zich daar heeft verstopt.’ De jagers volgden het bevel op en toen zij terugkwamen, zeiden zij: ‘In de holle boom ligt een wonderlijk dier, zoals wij nog nooit hebben gezien: zijn huid bestaat uit duizenderlei soorten bont; maar het ligt te slapen.’ De koning sprak: ‘Probeer het levend te vangen, bind het dan op de wagen en neem het mee.’ Toen de jagers hel meisje beetpakten, werd zij verschrikt wakker en riep hun toe: ‘Ik ben een arm kind, door vader en moeder verlaten, ontferm u over mij en neem mij mee.’ Toen zeiden zij: ‘Bontepels, je bent geschikt voor de keuken, kom maar mee, dan kan je de as aanvegen.’

De nacht en de dag vertegenwoordigen twee werelden: de nacht is de tijd van dromen, een mythologische tijd, de kindertijd van de mensheid; de dag is de tijd van denken, wakker en wakker geworden denken. Midden op de dag duidt op het logische verstandsdenken. De mens die in beelden leeft, slaapt in de ‘boom van de zenuwen’ in, de zenuw-zintuigmens wordt wakker. Alle rijkdom is verdwenen en bij het wakker worden klinkt: ‘Bontepels, je bent geschikt voor de leuken.’
Ze bevindt zich nu wel in het rijk van de koning die eens haar gemaal zal worden. De gemaal van de ziel is het Ik. Bontepels is vanuit de zielenwereld van het vaderzelf, in de wereld van het Ik binnengegaan, en daartoe moet ze zich verder ontwikkelen. Ze is nog arm en moet van onderop beginnen. De kenniskrachten hebben haar opgejaagd: de jagers van de koning, en die brengen haar op de plaats waar de loutering en de ontwikkeling kan beginnen.

   En zij zetten haar op de wagen en keerden terug naar het koninklijk slot. Daar wezen zij haar een hokje aan onder de trap, waar geen daglicht binnenviel en zeiden: ‘Pelsdiertje, daar kan je wonen en slapen.’ Toen werd zij naar de keuken gestuurd, droeg daar hout en water aan, stookte het vuur op, plukte het pluimvee, maakte de groente schoon, veegde de as bijeen en deed al het vuile werk.

Kijken we naar de mythe van de vogel Feniks die zich als offer verbrandt en uit de as weer opnieuw wordt geboren. Dit oeroude motief herinnert ons aan de voortdurende loutering en verandering, aan dood en opstanding. Goethe vat dit samen in de woorden:

‘Und solang du das nicht hast,
Dieses: Stirg und werde!
Bist du nur ein trüber Gast
Auf der dunklen Erde

Wel vertaald als:

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.

Of:

Maar zolang het je niet past
‘Sterf en leef dan!’ te aanvaarden,
Ben je maar een droeve gast.
Op de donkere aarde. –

Sterven en worden moeten plaatsvinden in het hart. Bontepels moet bij de haard zijn en de as vegen. De haard, de vuurplaats in het huis, wordt het symbool voort de warmtebron in het huis van het lichaam, voor het hart. Dien vanuit de kracht van je hart, wil het sprookje ons leren; verbrand al het lagere in de louterende vlammen, louter je in het vuur van de geestdrift en wat achterblijft, veeg dat op, waardoor de vlammen steeds kunnen oplaaien. Draag ‘hout’ aan, draag en verdraag alles wat droog en verdroogd is, ver-hout, waarin het leven is gestorven – ook de dorre gedachten zijn daarmee bedoeld. Draag ‘water’ aan: denk aan wat bij water aan woorden hoort: de bron (aanboren), het opborrelen; het ‘scheppend’ zijn; zich ‘verdiepen’, (laten) stromen, stromend leven – je zal makkelijk herkennen wat wordt bedoeld. Het betekent in de ziel, de ‘dorstende’ ziel, het ‘smachtende’ hart verkwikken door het goede, het ware en het schone.
Een Oudchinese spreuk zegt:

‘O, hoe wonderbaarlijk
Hoe mysterieus:
Ik schep water, ik draag brandhout.’

Zo leidde Bontepels lange tijd een echt armoedig bestaan. Ach, gij schone koningsdochter, wat moet er van u worden! Maar eens geschiedde het, dat er feest gevierd werd in het slot; toen zei zij tegen de kok: ‘Mag ik even naar boven om te kijken? Ik zal buiten de deur blijven staan.’ De kok antwoordde: ‘Ja, ga er maar heen, maar over een half uur moet je terug zijn om de as aan te vegen.’ Zij nam haar olielampje, ging naar haar hokje, trok de pels uit en waste het roet van haar gezicht en handen af, zodat haar volle schoonheid weer aan het licht kwam. Daarna maakte zij de noot open en haalde er haar kleed uit, dat straalde als de zon. En toen dat gebeurd was, ging zij naar boven, naar het feest, en allen gingen voor haar opzij, want niemand kende haar en zij dachten niet anders dan dat zij een koningsdochter was. De koning evenwel trad haar tegemoet, reikte haar de hand, danste met haar en dacht in zijn hart: Nog nooit hebben mijn ogen zo’n mooi meisje gezien. Toen de dans ten einde was, neeg zij diep voor hem en toen de koning omkeek, was zij verdwenen en niemand wist waarheen. De schildwachten, die voor het slot stonden, werden geroepen en ondervraagd, maar niemand had haar gezien.

Nu gaat het om de ontwikkeling. Zal ze verder kunnen komen? De menselijke ziel heeft gedaan waartoe ze in staat was. Door haar volle inzet kan nu een andere kracht worden aangesproken: het Ik in de glans van zijn koningschap, de hogere mens, die zal haar tegemoet komen.
Bij Assepoester volgt de ziel die aangesproken is de oproep, in dit sprookje wordt geschilderd hoe de ziel vanuit de eigen wil en op eigen kracht, opklimt. Zij ging naar boven!, naar het feest; en terwijl Assepoester haar gewaad door de goedheid van de duif van boven krijgt, pakt Bontepels dit zelf uit de notendop. De grote hersenen zijn het orgaan voor de ontwikkeling van de wijsheid geworden. Als hij denkt, gebruikt de mens vermogens die in hem als aanleg aanwezig waren, maar nu pas door hem ontwikkeld kunnen worden: het gouden gewaad.
In de schilder- en beeldhouwkunst van de middeleeuwen wordt dit gouden gewaad weergegeven. Wat de ziel uitstraalt, die voor de helderziende mens bekend is, werd als eivormige aura afgebeeld. Als de figuur van Christus zelf in de mandorla met regenboogkleuren verschijnt – het beeld van de hoogste geest-uitstraling – betekent de gouden aura: wijsheid en werkzaamheid van de ziel. De moderne mens kan dit niet meer waarnemen. We zeggen nog wel dat deze of gene ‘een uitstraling’ heeft; iets ‘lichtends’ om zich heen.

Zij was echter naar haar hokje gesneld, had vlug har kleed uitgetrokken, gezicht en handen zwart gemaakt, de pelsmantel om de schouders geslagen en was weer Bontepels. Toen zij nu in de keuken kwam, aan het werk wilde gaan en de as aanvegen, zei de kok: ‘Laat dat maar tot morgen en kook voor mij de soep voor de koning, ik wil boven ook eens een kijkje gaan nemen; maar laat er geen haar in vallen, anders krijg je voortaan niets meer te eten.’ De kok ging weg en Bontepels kookte de soep voor de koning en maakte een broodsoep klaar, zo lekker als zij maar kon en toen die klaar was, haalde zij uit haar hokje haar gouden ring en deed die in de schaal, waarin de soep werd opgediend. Toen het dansen was afgelopen, liet de koning de soep brengen en at die en het smaakte hem zo goed, dat hij geloofde nog nooit zo’n lekkere soep gegeten te hebben. Maar toen hij op de bodem kwam, zag hij daar een gouden ring liggen en hij kon maar niet begrijpen hoe die daarin was gekomen. Toen beval hij dat de kok bij hem moest komen. De kok schrok toen hij het bevel hoorde en zei tot Bontepels: ‘Je hebt vast een haar in de soep laten vallen; als dat zo is, krijg je een pak slaag.’ Toen hij voor de koning verscheen, vroeg deze wie de soep gekookt had? De kok antwoordde: ‘Ik heb ze gekookt.’ Maar de koning zei: ‘Dat is niet waar, want ze was op een andere manier en veel beter toebereid dan anders.’ Hij antwoordde: ‘Ik moet bekennen, dat ik ze niet heb klaargemaakt, maar het pelsdiertje.’ De koning sprak: ‘Ga haar zeggen dat zij boven moet komen.’
  Toen Bontepels kwam, vroeg de koning: ‘Wie ben je?’ – ‘Ik ben een arm kind, dat geen vader en moeder meer heeft.’ Hij vroeg verder: ‘Wat doe je in mijn slot?’ Zij antwoordde: ‘Ik deug nergens anders voor dan om laarzen naar mijn hoofd gesmeten te krijgen.’ Hij vroeg verder: ‘Waar heb je de ring vandaan, die in mijn soep lag?’ Zij antwoordde: ‘Ik weet van geen ring.’ De koning kon niets uit haar krijgen en moest haar weer laten gaan.

Voor Bontepels was het een diepe beleving, maar ze keert wel terug naar het leven van alledag, maar wel met een nieuw vermogen: ze kookt voor de koning. De kok bereidt uit de gaven van de aarde de voeding voor ons lichaam en moet weten wat hiervoor gezond en te verdragen is. Innerlijk hebben we een gave nodig die het voedsel voor ons wezen bereidt. Dit vindt in ieder mens plaats met een onbewuste zekerheid. Je kan snel onderscheiden of je stenen voor brood krijgt, of je geestelijk honger en dorst hebt. Dit nog oorspronkelijke en onbewuste handelen en onderscheiden noemt het sprookje ‘de oude kok’.
Wanneer de samenspraak tussen het vrouwelijke van de ziel en het mannelijke van de geest zo onbewust tot stand komt als hier, dan mag de ziel zelf het voedsel bereiden. In de tijd van leren en louteren heeft ze kennis verkregen en daar mag ze vol uit aanbieden (een schaal vol broodsoep). En nog meer: door de armoede van het aardse bestaan die ze verdragen heeft en overwonnen – als arm kind zonder vader en moeder – kan ze schenken wat zij als aanleg op haar weg meegenomen heeft: wat in zich gesloten is, besef van de tijdloze eeuwigheid van haar Ik, de ring. Ze legt deze in de broodsoep: het in zichzelf afgesloten Ik-bewustzijn rust in de kennis die de ziel verworven heeft (in het brood). Deze kennis is dubbel door de hartewarmte gegaan – eerst werd het brood in de warmte van de oven gebakken en, nu als broodsoep, nog een keer op het haardvuur gekookt. Dit proces kan het intellect niet bevatten: ‘Ik weet van geen ring.’
Zo’n hoge ontwikkelingstrap kan een gevaar in zich hebben. Daarom volgt de onderzoekende vraag: ‘Wie ben je?” en het deemoedige antwoord: ‘Een arm kind, zonder vader en moeder.’
Het oude, overgeleverde is ten einde, de ziel is volledig op zichzelf aangewezen. Van de ring weet ze niets. Weet de deemoed of en in hoeverre de binding aan het geestelijke al tot ontwikkeling is gekomen. Weet hebben daarvan zou hoogmoed kunnen betekenen.

Na enige tijd was er weer een feest en evenals de vorige keer vroeg Bontepels aan de kok of zij mocht gaan kijken. Hij antwoordde: ‘Ja, maar kom over een half uur terug en kook voor de koning de broodsoep die hij zo graag eet.’ Zij liep vlug naar haar hokje, waste zich snel, nam uit de noot het gewaad dat zo zilver was als de maan en trok het aan. Toen ging zij naar boven en leek wel een koningsdochter; de koning trad op haar toe en was blij dat hij haar terugzag en omdat juist de dans begon, dansten zij samen. Maar toen de dans ten einde was, verdween zij weer zo snel, dat de koning niet kon zien waar zij heenging. Zij vloog echter naar haar hokje, trok haar bontvelletjes weer aan en ging naar de keuken om de broodsoep te koken. En toen de kok boven was, haalde zij het gouden spinnewieltje en deed het in de schaal, zodat de soep daar overheen werd gegoten. Daarop werd de soep aan de koning gebracht; hij at en het smaakte hem even goed als de vorige keer. Hij liet de kok komen, die ook ditmaal moest toegeven, dat Bontepels de soep had klaargemaakt. Bontepels verscheen weer voor de koning, maar zij antwoordde, dat zij er alleen maar was om laarzen naar haar hoofd gesmeten te krijgen en dat zij niets afwist van het gouden spinnewieltje.

Nu gaat Bontepels weer naar het feest en nu met het zilveren gewaad. Terwijl het gouden gewaad op een zonnekleed lijkt en wijsheid betekent die verwarmt, leven schenkt en wekt, dus verwant is aan de zon – zonder de zon zouden we niet kunnen denken – wijst het zilveren gewaad ons erop dat het diepere van de ziel met de maan verwant is. De maan werkt in op de ritmen van het leven, zaad en kiem, wat nog niet geboren is, groeit volgens het ritme van de maan. De diep verankerde aanleg van de erfelijkheid, het aangeboren temperament, de nachtzijde van ons wezen, het hangt eveneens met de maan samen. Om deze aanleg van ons wezen te beheersen, vraagt een intensieve kracht; we moeten denkend tot wijsheid komen; het betekent een omwerking van het karakter tot in de erfelijkheid toe. Wanneer een sanguinicus grondig, een flegmaticus snel, een cholericus beheerst en een melancholicus vrolijk is geworden, heeft deze aan het zilveren gewaad gewerkt. Dit wordt ook weer uit de notendop gehaald, d.w.z. door het werken met het hoofd, door denkend inzicht gewonnen. Nu is een nieuwe trap van kennis mogelijk (een nieuwe schaal broodsoep – en daarin het gouden spinnenwieltje. Het gouden spinnenwiel – het tegenbeeld van de spintol die Doornroosje verwondt – kan nu gebracht worden. Waarom? Omdat de mens nu pas tot in de voortplantingskrachten en tot in de erfelijke aanleg veranderd is. Nu komt het niet meer op gedachte-inhoud aan, dus op wijsheid die je lerend en oefenend je eigen kan maken, maar op de eigen activiteit van het denken, de manier waarop wij de gedachten aan elkaar rijgen, spinnen. Hoe anders denkt een cholericus niet dan een flegmaticus! Het spinnen beheersen op het niveau van een meester, in het denkproces al wijsheid ontwikkelen, is het gouden spinnenwieltje, in sommige sprookjes de gouden spintol. Bontepels brengt het aan de koning: tot nog toe was het denken vrouwelijk en vanuit de ziel, nu is het subjectief-zielenproces een objectief-geestelijk proces geworden. Het denken neemt Ik-karakter aan, Modern gezegd: het bezielde denken wordt vergeestelijkt. Weer vindt de bevraging plaats en opnieuw komt uit het antwoord de deemoed naar voren.

Toen de koning voor de derde maal een feest aanrichtte, ging het niet anders dan de vorige keren. Weliswaar zei de kok: ‘Je bent een heks, pelsdiertje, je doet altijd iets in de soep, waarvan die zo lekker wordt, dat het de koning beter smaakt dan wat ik klaarmaak,’ maar omdat zij er zo om smeekte liet hij haar er voor een poosje heengaan. Nu trok zij een gewaad aan, dat straalde als de sterren en betrad daarmee de zaal. De koning danste weer met de schone jonkvrouw en vond dat zij nog nooit zo mooi was geweest. En terwijl hij met haar danste, stak hij, zonder dat zij het merkte, een gouden ring aan haar vinger en hij had bevel gegeven dat de dans flink lang moest duren. Toen die uit was, wilde hij haar bij haar handen vasthouden, maar zij rukte zich los en sprong zo vlug tussen de mensen, dat zij voor zijn ogen verdween. Zij vloog zo snel zij kon naar haar hokje onder de trap; maar omdat zij te lang, ja, meer dan een half uur was gebleven, kon zij het mooie gewaad niet meer uittrekken, wierp er alleen de pelsmantel overheen en maakte zich in de haast ook niet helemaal zwart: één vinger bleef wit. Bontepels snelde nu naar de keuken, kookte de broodsoep voor de koning en legde er toen de kok weg was, de gouden haspel in.

Nu de ziel zich door voortdurend met het hogere Ik in samenspraak te zijn, zich verbonden heeft met de geestelijke wereld, kan ze denkend de wetmatigheden van de wereld meedenken; ze is een microkosmos in de macrokosmos geworden. Ze neemt het sterrengewaad uit de noot; het is het hoogste dat de mens kan winnen. Nu is er een nieuwe omvang van denken mogelijk geworden, een derde schotel broodsoep. En de gouden haspel – als aanleg meegekregen – kan nu worden gebruikt en aangeboden.
Zoals de haspel de gesponnen draden tot garen windt en het garen een kluwen kan worden, zo kunnen ook door de eerdere ontwikkelingen de gedachtedraden ineen raken. Ze verbinden zich tot omvattende ideeën.
‘Niets verhaspelen’, zeggen we met het oog op het spreken, want de gedachten die zich in het woord uiten, zijn in de taalgeest, in de idee van de taal als op een haspel. Dit vermogen lag in de ziel; in de individuele persoonlijkheid kan de mens nu in ideeën leven (de koning krijgt de haspel).

De koning liet, toen hij de haspel op de bodem vond, Bontepels roepen. Toen ontdekte hij de witte vinger en zag de ring, die hij daar onder het dansen had aangeschoven. Toen greep hij haar hand en hield die vast en toen zij zich wilde losrukken en wegspringen, viel haar pelsmantel een beetje open en de glans van het sterrenkleed werd zichtbaar. De koning greep de mantel en rukte hem af. Daar kwam het gouden haar te voorschijn en zij stond daar in haar volle pracht en kon zich niet langer verbergen. En toen zij roet en as van haar gezicht had afgeveegd, was zij mooier dan men ooit iemand op aarde had gezien. Maar de koning sprak: ‘Jij bent mijn lieve bruid en wij scheiden nooit meer van elkaar.’ Daarop werd de bruiloft gevierd en zij leefden gelukkig tot aan hun dood.

Het sterrengewaad is een bezit geworden dat niet meer verloren gaat; daarmee kan de ziel vrijgesprolen worden van allerlei driftmatigs vanuit de natuur. de mantel met alle stukjes huid valt af. Het gouden haar, eerst nog uitdrukking van geschonken licht, wordt uitdrukking van een denken dat uit eigen kracht, eigen loutering en omvorming verkregen is, het verlichte denken. Het schouwen in dromen in het verleden, heeft plaats gemaakt voor het denkende schouwen in de toekomst: ‘Ze was zo mooi dat haar gelijke niet op de aarde te vinden was’. Zoals de blik verlicht wordt (het gezicht), zo wordt ook het handelen verlicht (de handen zijn niet meer zwart). De bruiloft wordt gevoerd, in de beeldentaal ‘de koninklijke bruiloft’. En omdat lichaam en ziel veranderd zijn, mag je deze bruiloft een chymische bruiloft noemen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 65-grimm-bontepels-1.jpg

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2480-2327

/

./

./

./

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/15)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.
ASSEPOESTER
.

Er was eens een rijke man wiens vrouw ziek werd en toen zij voelde dat haar einde naderde, riep zij haar enige dochtertje bij zich aan bed en sprak: ‘Lief kind, blijf vroom en goed, dan zal de goede God je altijd helpen en ik zal vanuit de hemel op je neerzien en bij je zijn.’ Daarop sloot zij haar ogen en stierf. Het meisje ging iedere dag naar het graf van haar moeder, schreide en bleef vroom en goed. Het werd winter en de sneeuw bedekte het graf met een wit laken en toen de zon dit in het voorjaar weer had weggenomen, trouwde de man met een andere vrouw.

Die vrouw bracht twee dochters mee die uiterlijk mooi en blank waren maar innerlijk lelijk en zwart. Er brak een slechte tijd aan voor het arme stiefkind. ‘Moet die domme gans bij ons in de kamer zitten?’ zeiden zij, ‘wie brood wil eten moet het verdienen; eruit met die keukenmeid.’ Zij namen haar mooie kleren weg, deden haar een oud grijs jak aan en gaven haar klompen aan de voeten. ‘Kijk eens hoe fraai onze trotse prinses uitgedost is,’ riepen ze lachend en brachten haar naar de keuken. Daar moest het meisje van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat hard werken, voor dag en dauw opstaan, water halen, het vuur aanmaken, koken en wassen. Bovendien deden de zusters al het mogelijke om haar verdriet te doen, bespotten haar en strooiden de erwten en linzen in de as, zodat zij ze weer moest gaan zitten uitzoeken, ’s Avonds als zij moe was van het werken mocht zij niet in een bed gaan slapen maar moest bij de haard in de as gaan liggen en omdat zij er daardoor altijd stoffig en vuil uitzag noemde men haar Assepoester.

De vader van Assepoester is een rijke koopman. Een koopman heeft dagelijks met het leven te maken: hij moet creatief zijn, iets durven wagen om zijn bezit veilig te stellen en nieuw bezit vergaren. Vandaag is hij rijk, morgen kan hij failliet zijn. 

De mens die de geestelijke wereld niet meer direct beleven kan, ook zijn koninklijke waardigheid niet meer heeft, wanneer alleen de rijkdom van de traditie er nog is waarvan hij de herkomst niet eens meer weet en die weliswaar wijsheidsschatten – goud – gebruikt, morgen echter arm en berooid kan zijn, lijkt op een koopman. Zijn ziel is ‘een rijke vrouw’, maar deze sterft – het beste deel van ziel trekt zich terug in een hogere wereld.

Uit oude, rijke zielenkracht, uit de niet-verbroken eenheid van het wezen is een jonge kracht geboren, de dochter.
Zij moet nog opgroeien en twijfel en vergissing leren overwinnen. Op eigen kracht moet zij het Ik vinden dat hoger staat dan het twijfelende, onzichtbare vader-zelf. Als dit toekomstige Ik-wezen meer moet worden dan een rijke vrouw, dan heeft ze nog een zware weg te gaan. Want wanneer in de mens van de traditie, de handelaar in geest, de spirituele ziel is gestorven – de ware wederhelft – komt al snel de onechte – ‘de andere vrouw’. Zij wordt de meesteres in het huis van het lichaam en is voor het echte kind een boze stiefmoeder; want ze is alleen maar op de wereld van de zintuigen gericht, houdt alleen van zichzelf en wat op haar lijkt en vervolgt het goede overal en altijd.

Haar twee dochters zijn uiterlijk mooi en blank, maar innerlijk lelijk en zwart. Met hen doen bedriegerij en schijnheiligheid hun intrede. En wat als omhulling, als aura om de wezenskern is, verarmt en komt onder invloed van boze krachten. De volheid van innerlijk bewegen en willen verdwijnt. Waar de ziel in de rijkdom van het gemoed gekleed was als in een kleurrijk gewaad, wordt het nu grijs – een oud grijs jak. Het in het leven staan ‘verhout’ – de klompen. Van ’s ochtends tot ’s avonds bedreigen deze anti-krachten haar ziel, bespotten en vernederen deze en maken haar tot keukenmeid.

Dit beeld vinden we in talrijke sprookjes: het schetst een innerlijk proces dat iedere ziel in de mensheid van het Avondland wel min of meer doormaakt.
We zagen ook al dat de vuurplaats, de haard, de belangrijkste plaats in het huis was. Daar straalde de warmte, daar was het middelpunt.
In het huis van het leven is die plaats het hart. Haard en oven kunnen in een droom het gebied van het hart symboliseren, voor zover het hart het middelpunt van de warmte is.
Een mens kan van een vurige of gloeiende oven dromen, wanneer een warme vriendschap of een brandende liefde bezit van hem heeft genomen, maar ook van een uitgedoofde, koude oven, wanneer er warme gevoelens gedoofd zijn.
Ook al krijgt de echte ziel geen ruimte meer in het innerlijk, dan is ze toch nog werkzaam in het hart en zorgt ervoor dat de vonk niet dooft.
Daar trekt zij zich terug, je kan ook zeggen: daar drijven de tegenwerkende krachten haar naartoe. Alleen in haar hart kan ze nog leven, vandaaruit kan ze nog werkzaam zijn. Alle daden en ervaringen worden in de beeldentaal vuur aanmaken, koken, water dragen, as omkeren, genoemd, kortom, ze kan alleen vuur en as dienen.

Nu ging de vader op zekere dag naar de jaarmarkt en hij vroeg aan de beide stiefdochters wat hij wel voor haar zou meebrengen. ‘Mooie kleren,’ zei de ene, ‘parels en edelstenen,’ zei de tweede. ‘Maar jij, Assepoester, wat wil jij hebben?’ ‘Vader, als u op de terugweg bent, breek dan voor mij het eerste twijgje af dat tegen uw hoed stoot.’ Hij kocht nu voor de stiefzusters mooie kleren, parels en edelstenen en op de terugweg, toen hij door een groen bosje kwam, reed hij rakelings langs een hazelaarstwijg die hem de hoed van het hoofd stootte. Die brak hij af en nam hem mee. Toen hij thuiskwam gaf hij de stiefdochters wat zij gewenst hadden en Assepoester gaf hij de hazelaarstwijg. Assepoester bedankte hem, ging naar het graf van haar moeder en plantte daar het twijgje en zij schreide daarbij zo hevig dat haar tranen het besproeiden. Het groeide echter en werd een mooie boom. Assepoester ging er iedere dag driemaal heen om eronder te zitten schreien en te bidden en telkens kwam er een wit vogeltje in de boom zitten en als zij een wens uitsprak wierp het vogeltje naar beneden wat zij gewenst had.

Uit de zonnemysteriën van Egypte stamt de mythe van de vogel Fenix die zich als een offer laat verbranden en uit de as herboren weer oprijst. Vuur en as horen bij elkaar: de as blijft bij de verbranding over. 
Wanneer het hart brandt voor een reine begeerte, een edele wilsdaad, waar het lagere in een voortdurende loutering verbrandt, ontstaat de innerlijke substantie die het sprookje ‘as’ noemt.
Loutering betekent omwerking, een voortdurend ‘Stirb und Werde’ – sterf en word. Wanneer de mensenziel dit wil volbrengen, moet zij een ‘assepoester’ worden.
De vader, de mensengeest die handelaar is geworden, is nog geen deel van dit ‘sterf en word’. Hij heeft zich met de materialistisch verharde ziel verbonden. Zijn inzicht is beperkt. Hij let niet op het lijden dat in het innerlijk van de ziel verdragen moet worden. Daarom wil Assepoester een twijgje dat onderweg op zijn reis ‘tegen zijn hoed stoot’.
Hoed en kap dekken ons vanboven af, maken een afsluitende beweging; zij zijn een beeld voor ons eigen denken, hersen-gebonden denken dat onze persoonlijke verantwoording en onze persoonlijke kennis uitmaakt.
In het Duits zijn er uitdrukkingen mee: ‘Ich nehme es auf  meine Kappe’ = mijn verantwoording; ‘da geht mir den Hut hoch’ = ik word razend;
in het Nederlands hebben we bijv. ‘dat gaat boven mijn pet’.
Iets levend, een uitlopende tak, moet tegen deze hoed stoten en dat gebeurt met een hazelaartwijg.

Bij oude boerenwijsheid hoorde om op de vier hoeken van een tuin en langs de haag hazelaarstruiken te zetten omdat deze kosmische krachten aantrekken en goed voor de aarde zijn. Hazelnoten hebben een hoge voedingswaarde, ze zijn goed voor de zenuwen en geven levenskracht. Het zal zeker een goede reden hebben dat de wichelroedelopers juist hazelaartakken gebruiken. 
De hazelaar die tegen het leven kan, die levenskracht verzamelt, werd overduidelijk het symbool van de levensboom. Hij wordt geprezen in de volksliedjes. Een twijgje behoedt je bijv.. voor  de ‘slang’.
De Keltische mythologie zegt: De salmo van de wijsheid zwemt in de donkere wateren onder de negen hazelaarbomen.
Wat moet er gebeuren wil deze innerlijke levensboom groeien en gedijen?

Wanneer de ziel herinneringen heeft aan haar moederlijke oorsprong en de verinnerlijking verzorgt door gebed, groeien in haar de levenskrachten, zoals een boom omhoog groeit. 
Subtiel wordt er op een wetmatigheid gewezen: op herhaling en ritme. Niet één keer bidden geeft de ziel genoeg kracht, maar telkens en telkens weer. 
Alle herhaling werkt op de innerlijke mens versterkend.
Wanneer je regelmatig bidt – drie keer per dag – zegt het sprookje, ontstaat er een geestelijke kracht in je die als een tweede, hogere natuur in ons tot bloei komt, die een levensboom wordt. Dan daalt de genade van pure geest op je neer, het witte vogeltje. Dit witte vogeltje is niets anders dan de duif zoals we die in de Bijbel zien.

Nu gebeurde het dat de koning een groot feest gaf dat drie dagen zou duren en waarop alle mooie jonge meisjes uit het land werden uitgenodigd, opdat zijn zoon een bruid zou kunnen kiezen. Toen de twee stiefzusters hoorden dat zij daar ook verwacht werden, waren zij opgetogen. Ze riepen Assepoester en zeiden tegen haar: ‘Kam ons haar, borstel onze schoenen en maak onze gespen vast, wij gaan naar de bruiloft in het paleis van de koning.’ Assepoester gehoorzaamde maar zij huilde, want zij was ook zo graag mee gaan dansen en zij smeekte haar stiefmoeder haar te laten gaan. ‘Jij, Assepoester,’ zei zij, ‘jij, die er zo stoffig en vuil uitziet, wil jij naar de bruiloft? Jij hebt geen kleren en geen schoenen – hoe wil jij dansen?’ Toen Assepoester echter niet ophield met smeken, zei ze tenslotte: ‘Ik heb een schotel linzen voor je door de as geschud, als je er de linzen in twee uur weer uitgezocht hebt, dan mag je mee.’ Het meisje ging door de achterdeur de tuin in en riep: ‘Tamme duifjes, tortelduifjes en alle vogeltjes onder de hemel, kom en help me linzen lezen.’

De goede in het kopje,
De slechte in het kropje.

Daar kwamen door het keukenvenster twee witte duifjes aanvliegen en daarna de tortelduifjes en tenslotte zwermden alle vogeltjes van de hemel naar binnen en streken neer om de as. En de duifjes knikten met hun kopjes en begonnen pik, pik, pik, pik en toen begonnen ook de andere pik, pik, pik, pik en zo zochten zij alle goede zaadjes uit en deden ze in de schotel. Er was nauwelijks een uur verstreken of zij waren klaar en vlogen alle weer naar buiten. Toen bracht het meisje de schotel naar haar stiefmoeder en verheugde zich want ze dacht dat zij nu mee mocht naar de bruiloft. Maar de stiefmoeder zei: ‘Nee, Assepoester, je hebt geen kleren en je kunt niet dansen en je wordt alleen maar uitgelachen.’ Maar toen het meisje begon te huilen zei ze: ‘Als je twee schotels linzen in één uur voor mi j uit de as kunt zoeken dan mag je mee,’ en zij dacht: dat kan zij toch nooit. Toen de twee schotels linzen in de as geschud waren ging het meisje door de achterdeur naar de tuin en riep: ‘Tamme duifjes, tortelduifjes en alle vogeltjes onder de hemel, kom en help mij linzen lezen.’

De goede in het kopje,
De slechte in het kropje.

Daar kwamen door het keukenvenster twee duifjes aanvliegen en daarna de tortelduifjes en tenslotte zwermden alle vogeltjes van de hemel naar binnen en streken neer om de as. En de duifjes knikten met hun kopjes en begonnen pik, pik, pik, pik en toen begonnen ook de andere pik, pik, pik, pik en zo zochten zij alle goede zaadjes uit en deden ze in de schotels. En eer er een half uur voorbij was waren zij klaar en vlogen zij alle weer naar buiten. Toen bracht het meisje de schotels verheugd naar haar stiefmoeder want zij was er zeker van dat zij nu mee mocht naar de bruiloft. Maar de stiefmoeder zei: ‘Het helpt je allemaal niets, je gaat toch niet mee, want je hebt geen kleren en je kunt niet dansen. We zouden ons voor je moeten schamen.’ Daarop keerde zij haar de rug toe en spoedde zich met haar twee trotse dochters naar het feest.

Zolang Assepoester het hazelboompje nog niet had geplant, was ze hulpeloos overgeleverd aan de aanvallen van de boze stiefzusjes. Maar ze oefende geduldig het lijden te dragen. Nu ‘groeit’ haar kracht. Ze hoort de oproep voor de koninklijke bruiloft en wil daar gehoor aan geven. Vanzelfsprekend verdubbelen de tegenkrachten nu hun inspanning. De linzen die in de as gegooid worden vormen weliswaar een hindernis, maar het zijn ook ‘zaadkorrels’. De actief geworden ziel roept nu ook hulpkracht op. Door de overwinning op de beide tegenkrachten – de twee stiefzusjes – verwerft ze twee bijzondere krachten – de twee witte duifjes. Wanneer deze neerdalen, volgen veel andere geestelijke krachten (de vogeltjes) en die brengen wat als beproeving opgelegd werd, tot een goed einde. 
De linzen worden niet alleen maar uit de as gehaald, de goede en de slechte worden onderscheiden. Er is een ontwikkelingsstap gezet: de ziel heeft leren onderscheiden, wat een echte zaadkorrel is en echt vrucht kan dragen en wat slecht is. Nu weet ze vruchtbaar van onvruchtbaar te onderscheiden. De gave van de geest neemt het onvruchtbare mee – de duiven verzamelen de slechte in hun krop. 

Nu moeten we naar de twee zussen kijken.
In de aard van de zaak kennen we ze heel goed. Want in iedere mensenziel zitten ze en iedereen moet zich op de een of andere manier met hen uiteenzetten. Zij hebben ‘mooie voeten’, d.w.z. ze leven graag op aarde en ze stellen zich positief op, maar voor de gouden schoen is bij de een de teen, bij de ander de hiel te groot. Ze leven ‘op een te grote voet’.
Vroeger zette men zijn voet bij het gaan meer van bovenaf naar breneden en daardoor liep men lichter en eleganter dan tegenwoordig. Kijk daarvoor naar vazen uit het antieke Griekenland. Kinderen hebben ook vaak nog deze gang op de tenen, ook mensen uit het Verre Oosten. Zij verslijten de schoenen meer aan de neus, minder aan de hak. En zoals men de aarde in zekere zin aan de bovenkant aanraakte, liet men minder zijn afdruk op aarde achter. Tegenwoordig is de gang zwaarder en de voet drukt meer op de grond, zelfs bij het dansen. De moderne mens zet meer af met zijn hiel, de hak. Van Fichte, de filosoof van het Ik, wordt verteld dat hij steeds zijn hakken versleet.

De voet en de schoen representeren onze verhouding tot de aarde. Doordringen we het aardse slechts oppervlakkig, dan zijn we niet aards. Zijn we er te intens mee verbonden, zijn we aards. De onaardse ziel onttrekt zich graag aan de plichten van alledag. Ze maakt zich daar graag van los en zweeft naar een hogere wereld, maar niet naar een wereld van spiritualiteit, maar naar een ingebeelde schijnwereld (op de tenen lopen). Ze denkt ‘iets beters te zijn’, is arrogant, ijdel en trots en drijft de mensen in een roes, in een illusie, in een lege waan. De hoogste leider van deze geweldige tegenkrachten die de mens in het Paradijs al tot grootheidswaan opriep, zich gelijk te stellen aan God: Lucifer (= de rode duivel).
De andere, de zuster die naar de aarde zoekt, van wie de hiel voor de gouden schoen te groot is, is degene die te zwaar aan de materie hangt. Zij kan voor het hogere niet enthousiast worden, leeft in de lagere regionen van het bestaan en zoekt het aards gewin. 
Dat verhardt de mens en maakt hem sclerotisch en verlamt zijn elan. Alleen wat de zintuigen waarnemen, is de waarheid. De hoogste leider is door en door een leugengeest, die in de Bijbel Satan genoemd wordt (de zwarte duivel). Uit de Oudperzische cultuur stamt de naam ‘Ahriman’. 
Sinds spirituele waarheden niet meer onderkend worden, heeft men van de twee duivelse krachten er één gemaakt. In werkelijkheid heeft de wereld met twee elkaar tegengestelde kwade krachten te maken. 
In veel zieleneigenschappen kun je de polariteit van het kwade herkennen en vanzelfsprekend ook het noodzakelijk goede midden:

eerzuchtig                       ijverig                           lui
overgevoelig                   harmonieus                 afgestompt
zweverig                          geaard                           materialistisch
hoogmoedig                   bescheiden                   slaafs
uitbundig                        gevoelvol                      gevoelsarm
verkwistend                   matig                             gierig
overmoedig                    moedig                          laf
besluiteloos                   standvastig                    star

Tussen beide extremen moet de mens zijn weg vinden, niet zozeer door ze te bestrijden, dan wel door met de kracht van het midden aan zichzelf te werken en ze te louteren. Uit de ambivalentie van de driften moet hij er het beste van maken door ze te harmoniseren. 

Assepoester heeft haar midden gevonden. De overwinning op het tweevoudig kwaad bracht haar tweevoudige kracht – de beide witte duiven. Zij komen opnieuw wanneer de echte bruid wordt aangekondigd.

Toen er niemand meer in huis was, ging Assepoester naar het graf van haar moeder onder de hazelaar en riep:

‘Boompje, schud je heen en weer,
Werp goud en zilver op mij neer.’

Toen wierp de vogel een gewaad van goud en zilver naar beneden, en muiltjes die met zijde en zilver bestikt waren. Vlug trok Assepoester alles aan en ging naar het bruiloftsfeest. Haar zusters en haar stiefmoeder herkenden haar echter niet en dachten dat zij een vreemde koningsdochter was, zo mooi zag zij er uit in haar gouden gewaad. Aan Assepoester dachten zij helemaal niet, want die zat immers thuis in het vuil, linzen uit de as te zoeken. De koningszoon kwam haar tegemoet, nam haar bij de hand en danste met haar. Hij wilde verder met niemand dansen; hij liet haar hand niet los en als iemand anders haar ten dans kwam vragen, zei hij: ‘Zij danst alleen met mij.’

Nu wordt de ziel daadkrachtig, zij wil tegen iedere prijs aan de roep van de koning gehoor geven. 
Het sprookje doet ons hier denken aan het Evangelie van Mattheus 22:
Met het Rijk der hemelen is het alsof een mens, een koning, voor zijn zoon het bruiloftskleed bereidde’
En daar, maar ook hier komt het op het koninklijk gewaad aan.

Goud en zilver werden in de alchemie van de middeleeuwen als behorend bij de zon en de maan gezien; men wist: wanneer de ziel door innerlijke activiteit geestelijker wordt, dan verandert de aura. Het eeuwige dat tijdeloos is, is lichtend om haar heen en de ziener beleefde dat als zonneglans.
Middeleeuwse schilders en beeldhouwers beeldden deze gouden aura, de krans of ovalen stralenaura om het hoofd of de gestalte van heiligen af: de heiligenschijn. Een beeld daarvan kunnen ook de gouden kronen of de voorhoofdsbanden zijn. Is goud het symbool van de zonnewijsheid, zilver is het symbool van de maanachtige overgave, ontvankelijkheid. Sol is mannelijk, Luna is vrouwelijk. ‘Werp goud en zilver over mij heen’: geef mij geestelijke activiteit en de overgave van de ziel!

De houten klomp wordt uitgetrokken en het schoentje van zijde en zilver siert de voet: tegenover het aardse staat nu de kracht te veranderen (zijde) en bereidheid tot overgave (zilver). Die eigenschappen dringen tot de koning door.

In het Evangelie roept de wereld-vader de mensheidsziel op tot het huwelijk met de wereldzoon. 
Het sprookje schetst hetzelfde voor het menselijk innerlijk leven. De mens heeft deel aan dit goddelijke vader- en zoonprincipe. Wanneer de ziel kan zeggen: Niet Ik, maar de Christus in mij, komt in de plaats van het lagere, in het lichaam werkende Ik, het hogere geestelijke. Dit onegoïstische, liefhebbende, eeuwige Ik is de koningszoon, de bruidegom van de zielenbruid. Hij is het eeuwig-mannelijke, dat in het huwelijk treedt met het eeuwig vrouwelijke. Deze ontmoeting moet overdag plaatsvinden, d.w.z. in wat overdag actief is. En wel zo, dat de koningszoon kan zeggen: ‘Zij danst alleen met mij!’ In ritme en harmonie moet het Ik de aarde begrijpen, de aarde loslaten, in de zwaarte en de lichtheid van het lot, d.w.z. de koninklijke kunst beheersen om het leven te even.

Zij danste tot het avond werd en toen wilde zij naar huis gaan. De koningszoon sprak echter: ‘Ik ga mee, ik zal je thuisbrengen,’ want hij wilde weten waar dit mooie meisje thuishoorde. Zij ontglipte hem echter en klom in de duiventil. Nu wachtte de koningszoon tot de vader kwam en zei tegen hem dat het onbekende meisje in de duiventil was geklommen. De oude dacht: Zou het Assepoester zijn? Hij liet een bijl en een houweel halen om de duiventil stuk te slaan maar er was niemand in. Toen zij thuiskwamen lag Assepoester in haar vuile kleren in de as en een walmend olielampje brandde in de schoorsteen, want Assepoester was vliegensvlug aan de achterkant van de duiventil naar beneden gesprongen en naar de hazelaar gehold. Daar had zij haar mooie kleren uitgetrokken en ze op het graf neergelegd. De vogel had ze weer meegenomen en daarna was zij in haar grauwe jakje in de keuken bij de as gaan zitten.
De volgende dag begon het feest opnieuw. Toen haar ouders en stiefzusters vertrokken waren, ging Assepoester naar de hazelaar en zei:

‘Boompje, schud je heen en weer,
Werp goud en zilver op mij neer’.

Nu wierp de vogel een nog prachtiger gewaad naar beneden dan de vorige dag. En toen zij in dit gewaad op het bruiloftsfeest verscheen, was iedereen verbaasd over haar schoonheid, maar de koningszoon had op haar gewacht, nam haar meteen bij de hand en danste alleen met haar. Als er anderen kwamen om haar ten dans te vragen zei hij: ‘Zij danst alleen met mij.’ Toen de avond viel wilde Assepoester weggaan, maar de koningszoon ging haar achterna, want hij wilde weten welk huis zij binnenging. Zij ontglipte hem echter en holde hard van hem weg, de tuin in achter het huis. Daar stond een mooie grote boom waar de verrukkelijkste peren aan hingen. Zo behendig als een eekhoorntje klom zij tussen de takken en de koningszoon wist niet waar zij gebleven was. Hij wachtte tot de vader kwam en zei tegen hem: ‘Het onbekende meisje is mij ontglipt, ik geloof dat zij in de perenboom is geklommen.’ De vader dacht: Zou het Assepoester zijn? Hij liet een bijl halen en hakte de boom om, maar er zat niemand in. Toen zij in de keuken kwamen lag Assepoester daar in de as zoals altijd, want zij was aan de andere kant uit de boom naar beneden gesprongen, had haar mooie kleren aan de vogel in de hazelaar gebracht en haar grijze jakje weer aangetrokken.
Op de derde dag ging Assepoester, toen haar ouders en zusters weg waren, weer naar het graf van haar moeder en zei tegen het boompje:

‘Boompje, schud je heen en weer,
Werp goud en zilver op mij neer.’

Nu wierp de vogel een gewaad naar beneden, zo prachtig en glanzend als geen van de vorige nog geweest was. En de muiltjes waren helemaal van goud. Toen zij in dit gewaad op het bruiloftsfeest kwam was iedereen sprakeloos van verbazing. De koningszoon danste alleen met haar en als er iemand haar ten dans kwam vragen zei hij: ‘Zij danst alleen met mij.’
Toen het avond werd wilde Assepoester weggaan. De koningszoon wilde haar thuisbrengen maar zij ontglipte hem zo snel dat hij haar niet kon inhalen. Maar hij had een list bedacht. Hij had de hele trap met pek laten bestrijken en toen het meisje naar beneden snelde, bleef haar linker muiltje eraan vastkleven. De koningszoon nam het op en zie, het was klein en sierlijk en helemaal van goud. De volgende dag ging hij ermee naar de man en zei: ‘Geen andere zal mijn gemalin worden dan diegene wie deze gouden schoen past.’

De beelden van de duiventil en de perenboom worden in veel jeugduitgaven van het sprookje weggelaten en dat terwijl ze de kroon op het hele verhaal zijn, want wat zou het gouden muiltje zijn zonder duiventil en perenboom.
Het Duits heeft als uitdrukking: ‘Bei dem geht es zu wie in einem Taubenschlag’, en daarmee wordt iemand bedoeld die veel te veel afwisselende gedachten heeft, misschien wel spirituele invallen, maar zonder structuur, want zijn hoofd lijkt een duiventil.
Als je naar een perenboom kijkt met al zijn vruchten zoals de middeleeuwer, voor wie de natuur nog sprak, kan je dit beeld makkelijk herkennen. Zoals de peer op een druppel lijkt en in pure zoetheid wegvloeit, wegsmelt, zo lijkt de hele boom te druppelen, een bron. Het sprookje zegt: die boom staat in de tuin.
Onze voorouders noemden de sfeer van het gevoel ‘midgard’, de middenmens. De perenboom is een speciaal beeld van de ‘zenuwboom’ in het gebied van het gevoel.
Maar ook de middensfeer is slechts een doorgang, zoals het hoofd. De opdracht van de ziel op dat ogenblik is: terug in het grijze kleed, in de as, totdat de vervolmaking bereikt is. 
Nu begint het oude Zelf, de koopman, wakker te worden. ‘Zou dat Assepoester zijn’? En hij hakt de duiventil en de perenboom om, om de koningszoon ter wille te zijn. 
Maar het denken (de duiventil) en het voelen (de perenboom) kunnen voor de langere duur niet de woonplaats vormen. Hier zal de koningszoon Assepoester dan ook niet vinden. Als hij haar in de duiventil had gevonden, dan was er wel wat geest in het hoofd geweest, maar meer niet. Had hij haar in de perenboom gevonden, dan was ook de volle menselijkheid niet bereikt, alleen maar de uitbundige rijkdom van het gevoelsleven. Pas als de mens in de wil komt, vanuit zijn wil handelt en werkt, is de vervolmaking bereikt. Deze wil is het gouden spoor waarlangs de koningszoon de bruid vindt; de schoen is de maatstaf! Waar in het leven en het lot wijsheid heerst, waar onze opdracht op aarde gewenst is, daar past de gouden schoen.

De beide zusters verheugden zich zeer want zij hadden mooie voeten. De oudste ging de kamer in om te passen en haar moeder stond erbij. Maar zij kon er met haar grote teen niet inkomen en de schoen was te klein. Toen gaf haar moeder haar een mes en zei: ‘Snij je grote teen af – als je eenmaal koningin bent, behoef je toch niet meer te lopen.’ Het meisje sneed haar teen af, wrong haar voet in de schoen, verbeet de pijn en ging naar buiten naar de koningszoon. Hij nam haar als zijn bruid bij zich op het paard en reed met haar weg. Zij moesten echter langs het graf waar de twee duifjes in de hazelaar zaten. Die riepen:

‘Roekoe, roekoe,
Bloed in de schoen.
De schoen is te klein, dat is niet pluis
De ware bruid, die zit nog thuis.

Hij keek naar haar voet en zag hoe het bloed eruit vloeide. Hij wendde zijn paard en bracht de valse bruid weer terug en zei dat dit niet de ware was en dat de andere zuster de schoen maar eens moest aantrekken. Deze ging de kamer in en hoewel haar tenen er heel gemakkelijk ingleden, was haar hiel te groot. Toen gaf haar moeder haar een mes en zei: ‘Snij een stuk van je hiel af, als je eenmaal koningin bent, behoefje toch niet meer te lopen.’ Het meisje sneed een stuk van haar hiel af, wrong haar voet in de schoen, verbeet de pijn en ging naar buiten naar de koningszoon. Hij nam haar als zijn bruid bij zich op het paard en reed met haar weg. Toen zij langs de hazelaar kwamen riepen de twee duifjes die daarin zaten:

‘Roekoe, roekoe,
Bloed in de schoen.
De schoen is te klein, dat is niet pluis
De ware bruid, die zit nog thuis.

Hij keek naar haar voet en zag dat het bloed uit haar schoen vloeide en rood optrok in haar witte kousen. Hij wendde zijn paard en bracht de valse bruid weer naar huis.

Wie zoals de beide zusters gelooft dat je de maatstaf voor een volmaakte levensweg snel kan aanpassen door in zweverigheid of materialisme het mes te zetten, wordt door de geestesduif veroordeeld. Bloed in de schoen. Geweld trekt bloed aan.

‘Dit is ook de ware niet,’ zei hij, ‘hebt u niet nog een dochter?’ – ‘Neen,’ zei de man, ‘alleen is er nog een klein vuil Assepoestertje van mijn overleden vrouw, maar dat kan onmogelijk de bruid zijn.’ De koningszoon zei dat hij haar naar boven moest sturen, maar toen zei de moeder: ‘Och nee, die is veel te vuil, die kan zich niet vertonen.’ Maar hij stond erop en Assepoester werd geroepen. Zij waste eerst haar handen en haar gezicht en toen ging zij naar de koningszoon en boog voor hem. Daarop gaf hij haar de gouden schoen. Toen ging zij op een krukje zitten, trok haar voet uit de zware klomp en gleed in het muiltje en het zat als gegoten. En toen zij zich oprichtte en de koningszoon haar in het gelaat keek herkende hij het mooie meisje waarmee hij gedanst had. Hij riep: ‘Dit is de ware bruid!’ De stiefmoeder en de beide zusters schrokken en werden bleek van ergernis. Maar hij nam Assepoester bij zich op het paard en reed met haar weg. Toen zij langs de hazelaar kwamen, riepen de twee witte duifjes:

‘Roekoe, roekoe,
Geen bloed in de schoen.
Het schoentje past, zo is het juist,
Hij brengt de ware bruid naar huis.’

En toen zij dat hadden geroepen kwamen zij allebei aanvliegen en gingen op Assepoesters schouders zitten, de een rechts en de ander links, en daar bleven zij.

Wanneer de beide tegenmachten door onophoudelijke zelfopvoeding overwonnen zijn, wordt de mens voortdurend genade deelachtig (de duiven gaan op de schouders van Assepoester zitten.

Toen nu de bruiloft met de koningszoon gevierd zou worden wilden de beide valse zusters bij Assepoester in het gevlij komen en delen in haar geluk. Bij het ter kerke gaan van de bruidsstoet liep de oudste aan haar rechterzijde en de jongste links. Toen pikten de duifjes ieder een oog uit. Bij het uitgaan van de kerk liep de oudste links en de jongste rechts en toen pikten de duifjes ieder het andere oog uit. En zo werden ze voor hun boosheid en valsheid voor het leven met blindheid gestraft.

Wanneer de beide tegenkrachten nog een laatste poging doen, bij het ter kerke gaan, roepen ze beiden de gevolgen van hun huichelarij over zich af: ze verliezen voor altijd het zicht, kunnen niets meer helder zien, zijn ‘met blindheid geslagen’. De geestesduif heeft ze berecht. 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 21-grimm-assepoester-3.jpg

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2472-2319

/

./

./

./

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/13)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

De Bremer stadsmuzikanten

Een man had een ezel, die al jaren lang onverdroten de zakken naar de molen had gedragen maar wiens krachten nu begonnen af te nemen, zodat hij steeds ongeschikter voor zijn werk werd. Toen dacht zijn meester erover hem maar weg te doen om hem niet langer in de kost te hebben; maar de ezel kreeg in de gaten, dat de wind in de verkeerde hoek zat, smeerde ’m en ging op weg naar Bremen. Daar, zo meende hij, kon hij wel stadsmuzikant worden. Toen hij een poosje gelopen had, trof hij op de weg een jachthond aan die lag te hijgen als iemand die moe is van het harde lopen. ‘Wat lig jij daar zo te hijgen, Pak-aan,’ vroeg de ezel. ‘Ach,’ zei de hond, ‘omdat ik oud ben en met de dag zwakker word en ook op jacht niet goed meer mee kan komen, heeft mijn meester mij willen doodslaan en toen heb ik de benen genomen; maar waarmee kan ik nu mijn brood verdienen?’ – ‘Weet je wat,’ sprak de ezel, ‘ik ga naar Bremen om daar stadsmuzikant te worden, ga mee en kom ook bij de muziek. Ik speel op de luit en jij slaat op de pauken.’ De hond vond dat best en zij trokken verder. Het duurde niet lang of zij zagen een kat langs de weg zitten die een gezicht trok als drie dagen slecht weer. ‘Wat zit jou zo dwars, ouwe snorrepoetser?’ sprak de ezel. ‘Wie kan er nu vrolijk zijn als zijn leven op het spel staat?’ antwoordde de kat. ‘Omdat ik een jaartje ouder word, mijn tanden stomp worden en ik liever achter de kachel zit te spinnen dan op muizenjacht ga, heeft mijn meesteres mij willen verdrinken; ik heb mij weliswaar nog uit de voeten kunnen maken, maar nu is goede raad duur: Waar moet ik heen?’ – ‘Ga met ons mee naar Bremen, jij kunt ’s nachts toch zo goed muziek maken? Nu, daar kun je stadsmuzikant worden.’ De kat vond dat wel een goed idee en ging mee. Daarop kwamen de drie voortvluchtigen langs een hofstede en daar zat op het hek de hofhaan te kraaien alsof zijn leven er vanaf hing. ‘Jij kraait dat het iemand door merg en been gaat,’ sprak de ezel, ‘wat is er met jou aan de hand?’ – ‘Nu heb ik mooi weer voorspeld,’ sprak de haan, ‘omdat het vandaag Onze-Lieve-Vrouwe-dag is, de dag waarop zij de hemdjes van het Christuskindje gewassen heeft en die wil drogen; maar omdat er morgen voor de zondag gasten komen, heeft de vrouw des huizes toch geen erbarmen en zij heeft tegen de keukenmeid gezegd, dat zij mij morgen in de soep wil hebben en nu moet ik mij vanavond de kop laten afsnijden. Nu kraai ik uit volle borst zolang het nog kan.’ – ‘Och kom, Roodkop,’ zei de ezel, ‘trek liever met ons mee, wij gaan naar Bremen. Iets beters dan de dood kun je overal wel vinden. Je hebt een goede stem en als wij samen muziek maken dan zul je eens wat horen!’ De haan vond dit een goed voorstel en met zijn vieren trokken zij verder.

In de sprookjes van de gebroeders Grimm worden maar twee steden genoemd: Rome en Bremen. Rome als oude mysterieplaats is bekend. Maar hoe zit het met Bremen? In een sprookje zal een plaatsnaam niet zomaar genoemd worden, daar moet een diepere reden voor zijn.
Rond Bremen lag een grote mysterieplaats. Steencirkels, dolmen, inwijdingsgraven lagen kilometers ver over het land verspreid en daar vind je nu als stille getuigen nog resten van terug.
De vraag is nu of er in dergelijke plaatsen een wijsheid werd gekoesterd waar de inhoud van dit sprookje naar zou kunnen verwijzen.

Als we eens naar het sprookje kijken, zien we dat het een dierensprookje is, d.w.z. het gaat over de instinctieve natuur van de mens, die weerspiegeld wordt in de symbolen ezel. hond, kat en haan.

Het symbool van de ezel hebben we al leren kennen in ‘Het ezeltje‘.
Het is ons fysieke lichaam zoals het oorspronkelijk zijn aanleg van de schepper kreeg, openstaand voor de geest en in staat om vanuit de geest te handelen; dat ons met geduld door het leven draagt.
Het sprookje zegt dat hij oud is en dat de dood op hem wacht. Hij heeft verjonging en vernieuwing nodig. Hij wil nu ten uitvoer brengen wat die meesters zeggen wilden die op de kathedraal van Chartres een ezel in steen gebeeldhouwd hebben die opgericht als een mens een luit vasthoudt. Hij wil kunstzinnig bezig zijn en in harmonie leven met de wereldharmonie.

De eigenschap die bij een diersoort het meest opvalt, bepaalt het symbool. Bij de hond is dat zijn voortreffelijke reukorgaan. En wanneer we zeggen – Duits: ‘Da haben ich einen Riecher gehabt’, – ‘daar heb ik lucht van gekregen’ – dan bedoelen we de hond in ons. Hoe we er lucht van krijgen, is niet zo’n makkelijk te volgen proces en ook of we ernaar handelen of niet. Het gaat dus wel om een meer verborgen instinct, ver van het bewustzijn vandaan.

De Grieken gaven hem een plaats op de grens van leven en dood. Toen Herakles, de grote Griekse ingewijde, die de eerste was die de beproevingen voor zijn inwijding doorstond, de hellehond Cerberus uit de onderwereld haalde, moeten we deze sage begrijpen in de trant van het naar boven halen, het bewust maken van dit instinct bij de hoeder van de overgang van deze ene naar de andere wereld.

De vele hondenrassen bezitten verschillende kwaliteiten en zo is het ook met het innerlijk van de hond. Er kan in het innerlijk van de mens – beeldend gesproken – een grote meute honden rondlopen. De grootste wakkerheid wordt gevraagd, want alle driften kunnen zich naar een goede of een slechte kant uiten. De valse hond leidt naar de weg van het kwaad en het gemene, naar de innerlijke hel. Hij is de snuffelaar die iets op het spoor komt en wantrouwig volgt. De manier van denken van de hond is het cynisme en de cynicus is de mens die in de waarste zin van het woord ‘honds’ is. Is hij het innerlijke houvast kwijtgeraakt en volgt hij alleen nog zijn hang naar het valse, dan is hij geen pad-vinder meer, maar een driften-volger en drukt daarmee het woord – Duits- Schweinehund’ uit.
De goede hond in ons daarentegen helpt mee het juiste pad te vinden, op weg naar echte menselijkheid en naar het begrijpen van ons levenslot. Hij is de belichaamde speurzin. Zo hoort hij op het schilderij van Dürer bij de ridder die de dood en de duivel moet weerstaan.

We vinden ook een hond in de graalsage van Tinturel. Daar heet een van de edelste honden ‘Garde-vias, met een kostbare, lange leiband, waar een hele tekst op staat om geliefden de juiste weg te wijzen. ‘ Vind de weg naar de Graal, word een zoeker naar de Geest!’

Wanneer de natuurlijke speurzin aan kracht verliest en dreigt dood te gaan omdat de wegwijzende kracht verloren gaat, moet deze vernieuwd worden. De oude slagkracht moet weer herwonnen worden. De ezel weet dat en zegt: ‘Jij moet op de pauken slaan.’

Makkelijker dan de hond laat de kat zich kennen. Haar driften bevinden zich meestal boven ‘de drempel’. Ons gewaarwordingsleven kunnen we redelijk overzien en daarin zitten die driften. Wit of gekleurd, om het even of zelfs zwart zoals bij de heks, dat is de vraag.
Wat valt op: dit schijnbaar zo fluweelzachte wezen kan lange tijd argeloos op de vloer behaaglijk uitgerekt liggen, plotseling echter klaarwakker zich opmaken voor de sprong om de prooi te pakken – een sierlijk huisdier en een gespannen, azend roofdier tegelijkertijd. Overdag slaperig, ’s nachts een en al leven. Daarmee is de kat een beeld van de drift die minder met het dagwerk van doen heeft, dan met de nacht.
De ezel zegt tegen de kat: ‘Ga met ons mee naar Bremen, jij kunt ’s nachts toch zo goed muziek maken?’
De lichamelijke natuur (de ezel) weet dat het instinct van de hang naar liefde harmonisering nodig heeft, de kat moet zich bezighouden met muziek.

De vierde in het gezelschap is de haan. Wie naar een haan kijkt zoals die rond de boerderij rondstapt, met enige trots, de kop omhoog, zich steeds als belangrijk voordoend naar de kippen, vooroplopend en zijn roep in de lucht slingert alsof alles in de wereld op hem en zijn stem aankomt, wie ziet hoe vlug zijn kam opzwelt dus het bloed naar de kop stijgt, zal het niet zo moeilijk vinden, het symbool te herkennen.
De haan heeft ook een bepaalde relatie met de zon, hij is de verkondiger van de dag.
Dat lijkt wel op het Ik van de mens, voor zover die als Ik-drift wordt beleefd, graag belangrijk doend, al te belangrijk, (haantje-de-voorste; haantjesgedrag!) en denkt graag dat hij dominant is. Hij schreeuwt voortdurend zijn mening de wereld in, is snel geprikkeld en beledigd en wil steeds zijn dominantie laten blijken. Dit Ik is het, dat ’s morgens de impuls geeft voor het wakker worden. Want het geldt alleen voor overdag.

Ook de Edda bericht over de haan.
De zieneres, de Völuspa zegt in haar profetie:

(nr 35):

Daar zat op de heuvel
de harp bespelend
de wakkere Egther
de wachter van reuzen;
en naast hem kraaide
in het kreupelbos
een felrode haan,
die Fjalar heet.

36

En Guldenkam
bij de goden kraaide,
die wekt de helden
in Heervaders hal;
een andere kraait
onder de aarde,
een bloedrode haan
in de hal van Hel.

Fjalar, de bloedrode haan, die in het kreupelhout zat, of in een andere vertaling in het vogelbos, vertegenwoordigt het driftmatige Ik dat in het bloed pulseert en van het bloed afhankelijk is. In de roes van het zelfgevoel klimt het naar de dominantie. En het zenuwleven wordt echt een ‘boom in het kreupelbos’.

Naast dit bloeds-Ik hebben we nog een ander Ik, ons tijdloze, eeuwige Ik. Instinctief beleefd is het de haan met de gouden kam; die roept op tot een spiritueel ontwaken. En er komt nog een derde Ik-bewustzijn bij dat de mens zich verovert in het moeizaam bezig zijn in de stoffelijke wereld. Hiermee kan hij weliswaar alleen maar het levenloze, het dode begrijpen. Dikwijls houdt het zichzelf voor vergankelijk en sterfelijk. Zijn naam is Roestkop.
Wanneer alle drie de hanen schel kraaien, breekt de dag Ragnarok aan, de godenschemering.
Wanneer de mens zich op alle drie de bestaansniveaus wil handhaven, ook de duistere stoffelijke wereld wil veroveren, verduistert de goddelijke wereld; die moet nu uit vrijheid door de Ik-persoonlijkheid opnieuw worden gevonden.

‘Och kom, Roodkop,’ zei de ezel, en hier wordt Fjalar bedoeld, het ego dat in het bloed verankerd zit.

Zij konden echter de stad Bremen niet in één dag bereiken en kwamen ’s avonds in een bos waar ze de nacht wilden doorbrengen. De ezel en de hond gingen onder een grote boom liggen, de kat en de haan zochten hun toevlucht in de takken, de haan echter vloog tot in de top, waar hij het veiligst zat.

Nu zitten de dieren voor het eerst in de ‘boom’. Wie zich het zenuwsysteem als boom kan voorstellen en een woord als -Duits – aufbäumen = oprichten kan navoelen, zal het niet moeilijk vinden om het proces te begrijpen waarom het hier gaat. In het zenuwsysteem wordt orde aangebracht. Vier instincttypen beginnen als een gesloten instinctnatuur tot eenheid te komen.
De vierledige mens komt in de sprookjes op vele manieren aan het licht.
Het helderziende imaginatieve weten van een vierledige mens die voor het eerst door Aristoteles in begrippen vervat werd, was voor de pedagoog die de sprookjes schiep gedurende de hele middeleeuwen vanzelfsprekend bekend.

Bij het fysiek-minerale lichaam – hier in het beeld van de ezel – komt het tweede deel, de ‘vegetatieve’ ziel waar het leven en de voortplanting van de soort bij hoort. Daar zit ook de aanleg en het temperament. Daar leeft ook die merkwaardige speurzin die door de beeldspraak ‘hond’ genoemd wordt.
Daar bovenuit gaat de waarnemende ziel waarvan de wezenlijke drift, de hang naar genegenheid, naar liefde, in het beeld van de kat verschijnt. Boven in de boom wordt de mens zich bewust van zijn ego of ervaart die zoals hier als instinctief vermogen, als haan.

Nu kan de vraag opkomen: waarom schetst het sprookje deze vier dieren of wezenskrachten terwijl deze hun einde nabij zijn? En waarom moeten ze elkaar eerst ontmoeten, terwijl ze in de mens al gemeenschappelijk aanwezig zijn? 
Het sprookje schetst een crisis.
In de kindertijd van de mensheid kon de mens op zijn instincten vertrouwen. Door de natuur werkten de aparte driften als eenheid samen. Gedurende de tijd,  hoe meer deze toestand ten einde liep, vielen ze uit elkaar. Er moest een nieuwe ordening komen, het Ik moest de leiding nemen.

Wanneer de haan boven in de boom ‘het lichtje ziet branden’ kan deze leiding beginnen.

Voor hij ging slapen keek hij nog één maal in alle vier windrichtingen; toen dacht hij, dat hij in de verte een lichtje zag branden en hij riep tot zijn makkers, dat er niet ver weg een huis moest zijn, want er scheen licht. De ezel sprak: ‘Dan moeten wij ons maar op weg begeven om daar alsnog naar toe te gaan, want deze herberg hier is maar slecht.’ De hond was van mening, dat een paar botten waar nog wat vlees aanzat hem ook niet onwelkom zouden zijn. En zo begaven zij zich op weg in de richting van het licht en zagen het al gauw helderder schijnen en groter worden tot zij bij een hel verlicht rovershuis kwamen. De ezel, die de grootste was, ging naar het raam en keek naar binnen. ‘Wat zie je, Grauwtje?’ vroeg de haan. ‘Wat ik zie?’ antwoordde de ezel, ‘een gedekte tafel met heerlijk eten en drinken en er zitten rovers omheen, die het zich goed laten smaken.’

Als het lichaam als de omhulling van ons wezen wordt ervaren, verschijnt het in het beeld van het huis. Dit beeld komt zo vaak voor en zo doelgericht dat de dieptepsychologie het tot een archetypisch beeld rekent. Wij zeggen bijv. als een kind niet goed gedijt, dat ‘het niet lekker in zijn huisje zit’ (of in de uiterlijke begrenzing: zijn vel). 
Stervende mensen dromen vaak dat ze hun huis moeten verlaten, kinderen daarentegen dat ze een huis moeten vinden.
Je huis binnengaan betekent: tot jezelf komen, in je lichamelijkheid wakker worden, je thuis voelen in je lichaam. Ja, de mens woont altijd in het huis van  het lichaam. Je kan je huis verwaarlozen, er niet respectvol mee omgaan of het goed verzorgen, er blij mee zijn. Of er ontevreden mee zijn. Zelfs in die mate dat je het laat ‘verbouwen’. 

 ‘Dat zou wel iets voor ons zijn,’ sprak de haan. ‘Ja, ja, ach, zaten wij er maar!’ zei de ezel. Toen beraadslaagden de dieren hoe zij het moesten aanleggen om de rovers eruit te jagen en eindelijk bedachten zij er wat op. De ezel moest met zijn voorpoten op het raamkozijn gaan staan, de hond op de rug van de ezel springen, de kat op de hond klimmen en tenslotte vloog de haan boven op de kop van de kat. Toen dat gebeurd was begonnen zij op een teken allen tegelijk hun muziek te maken: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide; daarop stortten zij zich door het raam de kamer in, zodat de ruiten rinkelden. De rovers vlogen bij het ontzettende geschreeuw overeind, dachten niet anders of er kwam een spook naar binnen en vluchtten in doodsangst het bos in. Nu gingen de vier makkers aan tafel zitten, namen de resten van de maaltijd voor lief en aten alsof zij vier weken zouden moeten vasten.

De vierheid die zich inmiddels ontwikkeld heeft, herkent het ‘huis’ en ziet dat er in dit huis geen goede krachten wonen. Krachten die gedachteloos de natuur uitbuiten zonder die als door god geschapen te beleven en te erkennen, lijken op rovers. Ze plunderen egoïstisch de wereld zonder iets daarvoor terug te geven. Wanneer de zintuigen alleen sensatie willen, huizen daar zulke rovers.
Om die te verdrijven moeten ze alle vier als eenheid optreden. In de ‘boom’ was het al geoefend. Nu laat ieder zich in zijn eigen taal horen en daarmee kunnen ze bezit nemen van het lichaamshuis en de vierledige mens wordt de heer des huizes.

Toen de vier muzikanten klaar waren doofden zij het licht en ieder van hen zocht, al naar zijn aard, de gemakkelijkste slaapplaats uit. De ezel ging op de mesthoop liggen, de hond achter de deur, de kat bij de haard dichtbij de warme as en de haan ging op de hanenbalken zitten – en daar zij moe waren van hun lange tocht, sliepen zij dan ook weldra in. Toen het middernacht was geweest en de rovers vanuit de verte zagen, dat er geen licht meer brandde in het huis en alles rustig scheen te zijn, sprak de hoofdman: ‘Wij hadden ons toch niet zo de schrik op het lijf moeten laten jagen,’ en hij beval een van de rovers naar het huis te gaan en de zaak te onderzoeken. Degeen, die erop uitgestuurd was vond alles in rust; hij liep de keuken in om licht te maken en aangezien hij de vurige ogen van de kat voor gloeiende kolen aanzag, hield hij er een zwavelstokje bij, opdat het vlam zou vatten. Maar de kat liet niet met zich spotten, sprong in zijn gezicht en blies en krabde hem. De man schrok geweldig en wilde door de achterdeur naar buiten hollen; maar de hond, die daar lag, sprong op en beet hem in zijn been; en toen hij over het erf langs de mesthoop rende, gaf de ezel hem nog een fikse trap met zijn achterpoot; de haan echter die door al het lawaai klaar wakker was geworden, riep vanaf zijn balk naar beneden. ‘Kukeleku!’ Toen liep de rover zo hard hij maar kon terug naar zijn hoofdman en sprak: ‘O, wee! In het huis zit een afschuwelijke heks, die tegen mij blies en met haar lange vingers mijn gezicht kapot gekrabd heeft; en voor de deur staat een man met een mes, die mij in mijn been heeft gestoken en op het erf ligt een zwart monster, dat mij met een houten knuppel heeft afgeranseld; en boven op het dak, daar zit de rechter die riep: “Breng hier die schurk”. Toen heb ik gemaakt, dat ik wegkwam.’ Vanaf dat ogenblik durfden de rovers het huis niet meer in, de vier Bremer muzikanten beviel het er echter zo goed, dat zij er niet meer uit wilden. En degene die dit het laatst verteld heeft, zijn mond is nog warm!

We leren in dit sprookje hoe de instinctnatuur van de mens bezit neemt van het lichaam.
Ieder kind heeft hiermee te maken. Het moet een persoon worden, ‘heer des huizes’ zogezegd. 
Hierdoor maakt het sprookje deel uit van de groep sprookjes die over de individualiteit gaan. Wel zeker werd het als een impuls voor de Ik-ontwikkeling gegeven.
 

Je kan het best al wel aan vijfjarigen vertellen.

Aannemelijk is dat die mysterieplaats bij Bremen zorg droeg voor een wijsheid die de mens wilde bijstaan een daadkrachtig persoon te worden met een sterk Ik. 
Tradities bleven lange tijd bestaan en werden doorgegeven, ook al was dat slechts van mond tot mond. 
Wanneer dit sprookje ontstaan is, hoe dan ook kan Bremen het reisdoel van onze vier muzikanten genoemd worden. 

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2457-2305

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/12)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

HET EZELTJE
.

Als we de ezel waarnemen, ook zijn gedrag, weten we wel dat als we bijv. ergens willen komen, we beter met een paard kunnen gaan. Het is meer een lastdier, dan een rijdier. Wie ooit met kinderen – of kleinkinderen – een ezeltocht gemaakt heeft, weet dat je dat beter niet zonder appels mee te nemen kan doen. Want vaak is voor de ezel het verse gras langs de kant interessanter dan een ritje met iemand op je rug. De appel wil dan nog weleens helpen hem weer in beweging te krijgen. En loopt de ene, dan volgt vaak de andere gedwee: het is ook een echt kuddedier. Maar zet hij eenmaal de poten schrap, dan is er geen beweging in te krijgen. Vandaar dat we hem ; koppig’ noemen – of dom – wanneer hij onze zin niet doet. Maar met die domheid valt het wel mee: zegt het spreekwoord niet dat hij zich meestal geen twee keer aan dezelfde steen stoot? 
In de bergen weet hij feilloos de weg die hij rustig en bijna ‘weloverwogen’, in alle rust, bewandelt. 

Franciscus van Assisi noemde zijn lichaam ‘broeder ezel’ en wees daarmee op onze lichaamsnatuur, het fysieke lichaam, als drager van ziel en geest. ‘Wat ben ik toch een ezel’, is een uitdrukking die we soms op onszelf van toepassing achten.
We kunnen in de ezel dus wel twee naturen opmerken.

In het oude Egypte vinden we het ezeltje al. Plutarchus schrijft over hem in ‘Isis en Osiris’, waarin hij deze mythe vertelt:
=In de oudste tijden leefde de god Osiris met zijn zuster en echtgenote Isis tussen de gelukkige mensen. Het was de gouden tijd. Op een dag bracht de broer van Osiris, Typhon, (Seth) hem een kist in de vorm van een menselijk lichaam en kreeg hem zover erin te gaan liggen. Typhon sloot de kist en Osiris stikte, Seth-Typhon wordt uitgebeeld met een ezelskop of rijdend op een ezel.
Isis huilt en jammert. 
Osiris, die ook het ‘schouwende oog’ genoemd wordt, is niet meer onder de mensen. Maar de Egyptische mythe verhaalt: In het leven na de dood vindt de mens hem weer; daar, aan gindse zijde, wordt de mens, wanneer hij de loutering heeft doorstaan, bij de hemelpoort door de goden ontvangen met de woorden: ‘Jij, Osiris, jij hebt het zonneoog weer hersteld dat op aarde door duistere macht weggenomen was.’

Daaruit kunnen we opmaken dat Osiris als goddelijk wezen niet alleen onder de mensen werkte, maar ook als hoger zelf in ieder mens. Maar dit tijdperk komt tot een eind. Opgesloten in de kist die de vorm van een menselijk lichaam heeft, wil zeggen: het lichaam van de mens verdicht zich en verhardt, zodat het Osiris-Zelf zich daarin niet meer kan uitdrukken en zichtbaar worden. Daarmee dooft het licht in het schouwende oog: de helderziendheid verdwijnt.

Maar de ingewijde die een loutering heeft ondergaan en een ontwikkeling heeft doorgemaakt en de spirituele wereld uit eigen ervaring kent, kan dit leven al tot een ineerlijk schouwen komen en de hogere mens, Osiris, doen verschijnen.
In Mozarts Zauberflöte wordt deze weg geschetst.

Een imaginatief schouwen zag het lichaam dat door Seth was veranderd, in het beeld van de ezel. Want als het goddelijk oog, de bovenzintuiglijke waarneming verdwijnt, wordt de fysieke zintuigwaarneming des te krachtiger. Waar de wijsheid van het bovenaardse verdwijnt, wordt het aardse weten belangrijker.
Voor de kosmos werd de mens ‘dom’, voor de aarde ‘slim’. 
En zo zien we de wil tweeslachtig worden en daarmee ook het handelen.
Maar ondanks deze paradox in onze lichamelijke natuur, vinden we er ook een vermogen iets te (ver)dragen, geduld en een sterk uithoudingsvermogen – net zoals bij de ezel.

Bij de uittocht uit Egypte namen de Joden het symbool van de ezel mee en voegden dat in hun kabbala in. Daarin is het beeld iets veranderd, in een man met een ezelskop en een boek, Tharak, dat betekent: blind geloof. 
Later vinden we het symbool weer terug in het oude Rome, maar nu als karikatuur, zoals we weten van de kerkvader Tertullianus, met het opschrift ‘God van de christenen’, d.w.z. de leer van bepaalde christenen: leer te geloven, zonder te zien.

In de Bijbel is er sprake van een sprekende ezel. Bileam krijgt raad van zijn sprekende ezelin. Hier werkt de natuur van het lichaam inspirerend, die heeft nog weet van een  diepere samenhang. De mens kon die imaginatief waarnemen.

Die kennis lag ook ten grondslag aan de ‘Gouden ezel’ van Apulejus’. Deze roman die uit de tweede eeuw na Christus stamt, wordt in het algemeen als een schelmenroman beschouwd. Maar in waarheid zit daar een diep mysterieweten in, dat toen niet mocht worden uitgesproken.
Een jongeman wordt in een ezel veranderd en alleen wanneer hij rozen vreet uit de hand van een Isis-priester, wordt de verandering ongedaan gemaakt. Dat gebeurt na vele avonturen; dan wordt hij in de mysteries van Isis ingewijd.
Met de titel ‘De gouden ezel’ wilde Apulejus zeggen dat de lichamelijke natuur nog vol wijsheid zit.

Later droogt deze wijsheid op. de ezel is niet meer van goud, ook al spuugt hij soms nog goudstukken, zoals in het sprookje van ‘Tafeltje dek je’. Maar ja, je moet wel lang bij je meester hebben geleerd en het juiste woord weten: dan geeft de ezel van voren – bewust – en van achteren – onbewust – nog wijsheid door.
Maar uiteindelijk heb je toch niet neer dan een gewoon grauw ezeltje.

Shakespeare wist wel wat hij deed, toen hij in de ‘Midzomernachtsdroom’ de wever een ezelskop liet opzetten: de mens die overdag de meeste gedachtespinsels weeft. 

De vraag is nu: hoe verander je deze grauwe ezel, hoe maak je dat het lichaam weer open komt te staan voor de geest, de geest wil volgen.

Op een vaas uit Sumerië staat een ezel met een harp; op de zuidkant van de kathedraal van Chartres staat een ezel gebeeldhouwd, met een snaarinstrument – een symbool dat je vaker op de Franse kathedralen vindt. 
In Lübeck in de Mariakerk op het koorgestoelte speelt een ezel op het orgel. 

Maak muziek, lijken deze beelden te zeggen, dan verander je je verkommerde lichamelijke natuur, je verbreekt de betovering van de ezel.

Dat vinden we ook in het sprookje:

Er leefden eens een koning en een koningin die heel rijk waren en alles hadden wat zij wensten, alleen geen kinderen. De koningin klaagde daar dag en nacht over en sprak: ‘Ik ben als een akker waar niets op groeit.’ Eindelijk vervulde God haar wens; maar toen het kind ter wereld kwam zag het er niet uit als een mensenkind, maar het was een jong ezeltje.

In het gouden tijdperk van de mensheid was de geest van de mens rijk aan openbaringen die hem vol genade waren geschonken; hij was omhuld met de mantel van een omvattende waarde en droeg de kroon van de wijsheid; hij was een koning gelijk en zijn ziel een koningin. Maar ze hadden geen kind. D.w.z. het gouden tijdperk duurde lang. Ovidius en Hesiodes spreken over twintigduizend jaar. Toen vond er een bewustzijnsverandering plaat en et werd een nieuw soort mens geboren. Zijn lichaam stond niet meer zo open voor de geest, wilde de geest niet meer volgen, het trok meer naar het dierlijke en leek niet meer op zijn goddelijk oerbeeld.

Toen de moeder dat zag begon zij pas goed te jammeren en te weeklagen, zij had liever helemaal geen kind gehad dan een ezel en zij zei dat men hem in het water moest gooien, dan konden de vissen hem opeten. Maar de koning sprak: ‘Nee, nu God hem heeft geschonken, zal hij ook mijn zoon en erfgenaam zijn, na mijn dood op de koninklijke troon zitten en de koningskroon dragen.’

De ziel is in twijfel en wil de feiten niet onder ogen zien. Maar de innerlijke heer en meester zegt: ‘God heeft ingestemd met de bewustzijnsverandering, ook met het dierlijke in de mens, en dit zal eens het koningschap veroveren, ook al zal dat heel anders zijn. Het eerste is nog genade, maar het tweede moet door hard werken worden bereikt, met pijn en moeite. Maar de men bereikt daardoor een verheven doel: hij wordt een persoon, hij vindt zijn Ik.
Niet het egoïstisch lagere zal hij vinden – dat is maar een fase – maar het onzelfzuchtige, hogere en liefhebbende, dat is het ware Ik.

En zo werd het ezeltje opgevoed, groeide en ook zijn oren werden mooi lang en stonden recht overeind. Verder was hij vrolijk van aard, sprong in het rond, speelde en had vooral veel plezier in muziek, zodat hij naar een beroemde speelman ging en zei: ‘Leer mij de kunst zodat ik net zo goed op de luit kan tokkelen als jij.’ – ‘Ach, lieve kleine heer,’ antwoordde de speelman, ‘dat zal u moeilijk vallen, uw vingers zijn daar heus niet geschikt voor en veel te groot, ik ben bang dat de snaren dat niet uithouden.’ Er viel niet tegen te praten, het ezeltje moest en zou luit spelen, was volhardend en vlijtig en leerde het tenslotte net zo goed als zijn leermeester.

Het Duits heeft voor ‘je er niet onder laten krijgen’ – ‘de oren mooi stijf houden – die Ohren fein steifhalten.’Dat is het eerste wat het jonge Ik dat toegroeit naar een persoonlijkheid als impuls met zich mee moet dragen.
Hier is het hoofdmotief van het sprookje. de weg naar verandering wordt ingezet: met muziek. Muziek in de ruimte zin: ritmisch en harmonisch leven met een spirituele wereld.
De ezel wordt toehoorder, een kunstenaar. 
Daar zou je aan Socrates kunnen denken. Toen bij de Grieken het helderziende vermoigen verloren ging en de mens afgelsoten raakte voor de kosmos, aards, maar wakker, was ghij het die het intellectuele denken beoefende en het onderwees, zoals een koningszoon in een ezelsvel. Zijn innerlijke stem zei hem: ‘Socrates maak muziek’, maar hij luisterde niet.

Wie de toverfluit leert bespelen, verdrijft de lage driften; gaat ongedeerd door het vuur van de lagere hartstochten; gaat niet reddeloos in de golven van de onbeheerste gevoelens ten onder en komt uiteindelijk in de zonnetempel om te worden ingewijd. De mens moet echter wel zijn leermeester vinden die hem in deze kunst onderwijst. En hij moet met geduld en vlijtig volhardend zijn.

Eens was het heerke in gepeins verzonken aan het wandelen en kwam bij een bron – hij keek erin en zag in het water, dat zo helder was als een spiegel, zijn ezeltjesge-daante. Hij was daarover zo bedroefd, dat hij de wijde wereld introk en slechts één trouwe metgezel meenam.

Ook zelfkennis kan daarbij niet ontbreken. De mens wordt zich bewust dat hij niet meer op het ware oerbeeld lijkt. Wie oppervlakkig leeft, wordt hierdoor niet zo geraakt, maar wie dij een meester in de leer is, wordt er diep door geraakt. hij weet dat in het erfrijk van zijn vader niet kan blijven en op eigen kracht moet hij verder.

Zij trokken heuvel op  heuvel af en tenslotte kwamen zij in een rijk waar een oude koning heerste die één enkele dochter had die wonderschoon was. Het ezeltje zei: ‘Hier zullen wij een tijdje blijven,’ klopte aan de deur en riep: ‘Er staat een gast buiten, doe open zodat hij kan binnengaan.’ Toen er echter niet werd opengedaan ging hij zitten, nam zijn luit en tokkelde daar met zijn voorpoten liefelijk op. De poortwachter sperde zijn ogen wijd open, liep naar de koning en zei: ‘Daarbuiten zit een jong ezeltje voor de poort dat net zo goed luit speelt als een volleerd muziekmeester.’ – ‘Laat dan die muzikant bij mij binnenkomen,’ sprak de koning. Maar toen er een ezeltje binnentrad begon iedereen om de luitspeler te lachen. Men wilde dat het ezeltje aan het ondereind van de tafel bij de knechts zou gaan zitten eten maar dat was niet naar zijn zin en hij zei: ‘Ik ben geen gewoon stalezeltje, ik ben een heel voornaam ezeltje.’ Toen zeiden zij: ‘Als je dat bent, ga dan bij het krijgsvolk zitten.’ – ‘Nee,’ zei hij, ‘ik wil bij de koning zitten.’ De koning lachte en zei goedmoedig: ‘Ja, zoals je wenst, ezeltje, kom maar bij mij zitten.’

Wie is de koning met deze enige, wondermooie dochter? De wondermooie dochter is de individuele ziel en haar vader is de heer en meester in de sfeer van de ziel. 
De koningszoon komt vanuit het rijk van het vaderlijke zelf in het rijk van de ziel. De muziek verleent hem de toegang. 
Nu wordt hij op de proef gesteld. Is de mens zich bewust van zijn waardigheid. ‘Ik ben geen gewoon stalezeltje’, zegt de koningszoon, dat betekent: het Ik is van een voorname signatuur en als zodanig niet verwant aan het dier. Dat kan niet samengaan. ‘Ga dan bij het krijgsvolk zitten’! Maar het Ik heeft geen strijdbare natuur, het verlangt slechts naar het koningschap van de ziel. 

Daarna vroeg hij: ‘Ezeltje, hoe bevalt mijn dochter je?’ Het ezeltje draaide zijn kop naar haar toe, keek haar aan, knikte en zei: ‘Buitengewoon goed, zij is de schoonste die ik ooit heb gezien.’ – ‘Nu, dan moet je ook naast haar zitten,’ zei de koning. ‘Dat wil ik wel,’ zei het ezeltje en ging naast haar zitten, at en dronk en wist zich keurig netjes te gedragen.

Wie het koningschap nastreeft, komt in de buurt van ik-verwante ziel en begint die te herkennen. 
Het is een subtiel element in het sprookje, dat het op goede manier wijst. Goede discipline betekent beheersing van de vorm. Dat moet de mens ook zien te verkrijgen, juist omdat de lichaamsverwantschap met het dier steeds om beheersing vraagt.

Toen het edele diertje geruime tijd aan het hof van de koning had doorgebracht, dacht hij: Wat geeft het allemaal, ik moet toch weer naar huis, en hij liet zijn kop treurig hangen, trad voor de koning en wilde afscheid nemen. Maar de koning had hem lief gekregen en sprak: ‘Ezeltje, wat scheelt je? Je kijkt zo zuur als azijn! Blijf bij mij, ik zal je geven wat je maar wilt. Wil je goud hebben?’ – ‘Nee,’ zei het ezeltje en schudde zijn kop. ‘Wil je kostbaarheden en sieraden?’ – ‘Nee.’ -‘Wil je mijn halve rijk?’ – ‘Ach nee.’ Toen zei de koning: ‘Als ik maar wist waarmee ik je plezier kon doen – wil je mijn mooie dochter tot vrouw?’ – ‘O ja,’ zei het ezeltje, ‘dat zou ik wel willen’ en opeens was hij heel vrolijk en opgewekt, want dat was nu juist wat hij gewenst had.

Als het Ik voor de belangrijkste beslissing staat, volgt nog een beproeving en deze is tweeledig. Liefde streeft naar eenwording; maar mag een Ik dat nog steeds een vel draagt hiernaar verlangen. Zou de heer en meester van de ziel het Ik niet op de proef moeten stellen wat voor hem het belangrijkste is: Wijsheid – goud, schoonheid – kostbaarheden, regentschap – het halve rijk of het eeuwig-vrouwelijke van de ziel zelf?

En zo werd er een grote en prachtige bruiloft gevierd, ’s Avonds toen bruid en bruidegom naar hun slaapkamertje gebracht werden, wilde de koning weten of het ezeltje zich wel vriendelijk en netjes zou gedragen en hij beval een bediende zich daar te verstoppen. Toen zij nu beiden daar binnen waren schoof de bruidegom de grendel voor de deur, keek om zich heen en toen hij dacht dat zij helemaal alleen waren wierp hij opeens zijn ezelshuid af en stond daar als een schone koninklijke jongeling. ‘Nu zie je wie ik ben,’ zei hij, ‘en je ziet ook dat ik je niet onwaardig was.’ Daar was de bruid blij om, kuste hem en beminde hem vurig. Maar toen de ochtend aanbrak sprong hij op, trok zijn dierenhuid weer aan en geen mens had kunnen vermoeden wie daar in stak.

Wat er nu volgt, zijn beelden van de koninklijke bruiloft, zo heet dit proces. De men die zich actief steeds probeert te veranderen, wordt door de ziel geaccepteerd, ze wordt één met hem. Deze bruiloft voltrekt zich in twee of drie fasen in de nacht. ’s Nachts huist het Ik niet in het lichaam – je bent er niet – het maakt zich los van de wereld en gaat op in de wereld die zijn eigenlijke thuis is. De slaap is heilig – zei mijn vroeger. In deze wereld kan het \ik zich in zijn ware gedaante vertonen. ‘Nu zie je wie ik ben en ik ben je niet onwaardig’. 
Maar ’s morgens moet het dierenvel weer worden aangetrokken.

Het duurde niet lang of ook de oude koning kwam aanlopen. ‘Kijk eens,’ riep hij uit, ‘is het ezeltje al wakker? Jij bent zeker wel heel bedroefd,’ zei hij tegen zijn dochter, ‘dat je geen echt mens als man hebt gekregen.’ – ‘O nee, lieve vader, ik heb hem zo lief, als was hij de allermooiste en ik wil hem mijn hele leven lang behouden.’ De koning was verbaasd, maar de dienaar die zich had verstopt, kwam hem alles vertellen. De koning sprak: ‘Dat kan niet waar zijn.’ – ‘Waak dan zelf de volgende nacht, u zult het met eigen ogen aanschouwen. En weet u wat, heer koning: neem de huid weg en werp die in het vuur, dan moet hij zich wel in zijn ware gedaante vertonen.’ – ‘Dat is een goede raad,’ zei de koning en ’s avonds, toen zij sliepen, sloop hij naar binnen en bij het bed gekomen, zag hij daar in de maneschijn een knappe jongeling liggen en de huid lag afgestroopt op de grond. Toen nam hij hem weg en liet buiten een geweldig vuur aanmaken en de huid erin werpen en hij bleef er zelf bij tot hij helemaal tot as was verbrand. Maar omdat hij wilde zien hoe de berooide zich zou gedragen, bleef hij de hele nacht wakker en luisterde. Toen de jongeling bij het eerste ochtendgloren was uitgeslapen, stond hij op en wilde zijn ezelshuid aantrekken maar die was niet te vinden. Hij schrok en zei, bedroefd en angstig: ‘Nu moet ik zien te vluchten.’ Maar toen hij buiten kwam, stond daar de koning die sprak: ‘Mijn zoon, waarheen zo haastig, wat ben je van plan? Blijf hier, je bent zo’n schone jongeman geworden, je mag niet van mij weggaan. Ik geef je nu mijn halve rijk en na mijn dood krijg je het helemaal.’ – ‘Dan wens ik dat het goede begin ook een goed einde heeft,’ zei de jongeling, ‘ik blijf bij u.’ Toen gaf de oude koning hem het halve rijk en toen hij een jaar later stierf had hij het gehele rijk en na de dood van zijn vader nog een erbij en hij leefde in grote heerlijkheid.

De mens kan dienen en heersen en dikwijls weet de dienaar in hem meer dan de heerser, die zou zich vaker door de dienaar moeten laten adviseren. 
Het is de dienaar die als eerste de verandering ontdekt. Maar alleen de heerser kan de huid in het outerende vuur van zijn geest verbranden en het i\k vrijspreken en erkennen: ‘Blijf hier, je bent zo’n schone jongeman’.
Weer een fijn trekje in het sprookje om hier het woord ‘schoon’ – Duits ‘schön’ te gebruiken, want dat is verwant aan schijnen, glanzen. 
‘Door jou schijnt weer je echte mensenwezen door, je lijkt weer op je ware oerbeeld.’

Nu valt de koningszoon een nieuw rijk ten deel dat hij kan besturen als een geest die volledig ontwaakt is en in hoge mate bezield en daardoor komt hem ook het rijk van zijn vader toe vanwaar hij gekomen is.

Geen ander sprookje heeft de humor zoals in dit ‘Ezeltje’. De verteller was waarschijnlijk ook een meester in het snarenspel dat het ezeltje aangeleerd werd en dat hem uiteindelijk de weg voorbereidde om zich te vervolmaken. 

Het spreekwoord zegt in het Duits: ‘Welcher Esel nicht kann Laute schlagen, der muss Säscke zur Mühle tragen.’

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2451-2300

.

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/11)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

DE ARME MOLENAARSKNECHT EN HET KATJE

In een molen leefde eens een oude molenaar die vrouw noch kinderen had en er waren drie molenaarsknechts bij hem in dienst. Toen zij enige jaren bij hem hadden gewerkt, zei hij op een dag tegen hen: ‘Ik ben oud en wil rustig bij de kachel gaan zitten; trekken jullie erop uit en wie het beste paard voor mij mee naar huis brengt, die krijgt de molen en in ruil daarvoor moet hij mij tot aan mijn dood verzorgen.

Alles wat een mens in zijn leven als ervaringen opdoet, lijkt op een oogst die binnengehaald wordt. Net zoals het graan gemalen moet worden zodat het meel wordt en later ons belangrijkste voedsel, brood, zo moeten wij ook de vrucht van het leven verwerken zodat er kennis ontstaat, voedsel voor de geest. Daarom moet er in de mens een kracht werkzaam zijn die in de beeldentaal van het sprookje de molenaar heet. 
En de drie basiskrachten in de mens – voelen, denken en willen – lijken in dit opzicht op de drie molenaarsknechten. 

De derde van die knechts was het jongmaatje dat door de anderen voor niet wijs werd gehouden en zij gunden hem de molen niet, die hij trouwens niet eens wilde hebben. En zo trokken zij er met hun drieën op uit en toen zij bij het dorp kwamen zeiden de oudste twee tegen domme Hans: ‘Blijf jij maar hier, jij vindt van je leven geen paard.’ Hans ging echter toch mee en toen het donker werd, kwamen zij bij een hol waarin zij zich te slapen legden. De twee slimmerds wachtten tot Hans was ingeslapen, toen stonden zij op, maakten dat zij wegkwamen en lieten Hansje liggen. Zij vonden dat zij dat handig hadden gedaan. Jawel, maar het zal jullie toch slecht vergaan. Toen nu de zon opkwam en Hans ontwaakte lag hij in een diep hol; hij keek om zich heen en riep: ‘O God, waar ben ik!’ Hij stond op, krabbelde uit het hol naar boven en ging het bos in en dacht: ik ben hier moederziel alleen en verlaten, hoe moet ik nu aan een paard komen!

In het sprookje zien we vaak dat de ‘oude’ vader, koning, molenaar zich terugtrekt. Wat komt er dan voor deze oude, geestelijke kracht, terug. Dikwijls is dat de jongste – van de drie – en meestal heeft deze één opvallende eigenschap: hij is onwetend, dom of onnozel. En dan heet hij ook nog Hans (Johannes) wat niet zonder betekenis is (Lenz belooft verderop meer over deze naam te zeggen, maar dat doet ze nauwelijks)
Uit de menskundige beschouwingen van Steiner weten we dat de wil ‘jonger’ is dan het denken. De wil is – evenals ‘het jongere’ in ontwikkeling: op de toekomst gericht. ‘Wil’ heeft ook vele aspecten: instinct, drift, begeerte – zie Steiner in de ‘Algemene menskunde‘. Aan de wil kan altijd gewerkt worden. Je kan ook in bepaalde aspecten ervan ‘vast’ blijven zitten: we spreken over een onbuigzame wil, waarbij starheid of hardnekkigheid op de loer liggen. We spreken over ‘een vrije wil’ of juist over de onmogelijkheid die te hebben – een wetenschappelijk dispuut!. Wanneer is de wil vrij. Zijn de vele strubbelingen in de tijd waarin we leven, geboorteweeën die bij het verkrijgen van een vrije wil horen? 
De wijze sprookjesverteller zegt dat deze wil ‘rein’ en ‘met het hart’ zich op doelen moet richten die de slimmeriken als ballast beschouwen. 

Waar gaat het bij het paard om? Met name in het Duits zijn er een paar uitdrukkingen waarin het beeld van het paard duidelijk is: ‘Er hat ein Pferdeverstand, sitzt auf hohem Ross’, = hoogmoedig. In het Nederlands kunnen we het paard achter de wagen spannen, en er zijn meer uitdrukkingen waarin het paard er niet al te best afkomt: over het paard getild, een hinkend paard, een dood paard enz. Het is duidelijk dat je heer en meester over het paard moet zien te worden. Plato vergelijkt het verstand met een paard dat de mens moet beteugelen; je moet vast in het zadel zitten, je niet vergalopperen. 

In dit sprookje wordt verteld hoe Hans aan zijn paard komt. Er zijn natuurlijk verschillende wegen waarlangs je de wil kan sterken, die de mens ‘met verstand’ door het leven draagt, zodat hij ten slotte een met Ík’- begaafde, verstandige wilsmens wordt.

De beide andere broers – voelen en denken – houden zich verre van de wil. De wil moet het alleen aanpakken en op weg gaan.

Terwijl hij zo in gedachten voortliep kwam hij een kleine lapjeskat tegen die heel vriendelijk zei: ‘Hans, waar ga je heen?’ -‘Ach, jij kunt mij toch niet helpen.’ – ‘Ik weet wel wat je wilt hebben,’ zei het katje, ‘je wilt een mooi paard hebben. Ga met mij mee en wees gedurende zeven jaar mijn trouwe knecht, dan zal ik je een paard geven, mooier dan je van je levensdagen gezien hebt.’ -Nou, dat is me ook een wonderlijke kat, dacht Hans, maar ik wil toch wel eens zien of het waar is wat zij zegt.

In het sprookje zijn dieren beelden van onze instincten en driften, vergelijkbaar met wat in vele fabels voorkomt. ‘De domme’ weet dat er in de instincten een bepaalde natuurwijsheid werkt en dat je er veel aan kan hebben wanneer je er op de juiste manier mee omgaat. Zo kan je ook niet verstandig worden als je niet eerst te rade gaat bij je instincten. Maar het moeten wel de juiste zijn, je moet weten wat je wil leren, vooral bij de kat.
Als je naar een kat kijkt, hoe die voortsluipt op fluwelen pootjes, lang zo maar ligt met slaperige ogen om dan ineens op te springen of bij de jacht lang onbeweeglijk ligt te wachten om ineens toe te slaan. ’s Nachts leeft ze echt, vooral bij volle maan – en dat herkennen we in de kat die Hans ontmoet.
In het oude Egypte werd de godin van de liefdesbetovering Bastet, afgebeeld met een kattenkop. 
Hans vertrouwt op zijn natuurlijke instinct. 

Zij nam hem mee naar haar betoverde kasteeltje en zij had daar niets dan katjes in dienst die vlug de trappen op- en afsprongen en vrolijk en opgewekt waren. Toen zij ’s avonds aan tafel gingen, moesten er drie muziek maken – één speelde op de bas, de tweede op de viool en de derde nam de trompet en blies zijn wangen op, zo flink als hij maar kon.

In geen ander sprookje, volgen Lenz, wordt de sfeer zo uitbundig beschreven: ‘aan tafel gaan’, ‘muziek maken’. ’s Avonds, zegt ze, krijgen de mensen na het werk verlangen naar intimiteit; nu komt het erop aan met deze sterke verlangens in harmonie te komen. 
Er worden duidelijk drie gebieden geschetst: de benedenmens – de bas; de middenmens – de viool; de bovenmens: – de trompet.

Toen zij hadden gegeten werd de tafel weggenomen en de kat zei: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ – ‘Breng hem dan maar naar bed,’ zei zij tegen de katjes.

Nu komt er in de loop van de gebeurtenissen een cruciaal punt: de kat zegt: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ Dat betekent: ik laat mij door de kattendrift – de instinctieve drijfveer, verlangen naar liefde – niet op sleeptouw nemen, daar ga ik niet mee aan de rol. “Ik weet mij te beheersen’,  had hij ook kunnen zeggen.

Daarop lichtte er één hem bij in zijn slaapkamer, één trok hem zijn schoenen uit, een ander zijn kousen en tenslotte blies er één het licht uit. De volgende morgen kwamen zij terug en hielpen hem bij het opstaan – één trok hem zijn kousen aan, één bond zijn kousenbanden vast, één bracht zijn schoenen, één waste hem en één droogde met haar staart zijn gezicht af. ‘Wat is dat lekker zacht,’ zei Hans.

Met gevoel en ook aanschouwelijk schetst het sprookje hoe zijn hele wezen ontspant, wat een mens mag ervaren als hij zich beheerst overgeeft aan de verzorgende krachten en die ’s morgens weer in zich meedraagt.

Hij moest echter ook de kat dienen en iedere dag houthakken. Daarvoor kreeg hij een zilveren bijl, wiggen en een zaag van zilver en de hamer was van koper. Nu, hij hakte het hout klein en bleef daar in huis wonen; hij had er zijn natje en zijn droogje, maar zag niemand anders dan de lapjeskat en haar personeel.

De voortplantingskrachten in de mens hebben met de maan te maken. En met deze op de juiste manier om te gaan betekent: het zilveren werktuig gebruiken. Het dient ertoe wat verhout is, klein te maken. “Houterig’ denken is het abstract-intellectuele denken, dat net zo veel en zo weinig met zijn geestelijke oorsprong  te maken heeft als het dorre hout met de levende boom. Maar ook dit denken is belangrijk en moet worden beoefend. Concrete begrippen opstellen, analyseren betekent in de beeldspraak: ‘houtjes hakken’. Zo wordt voor ‘brandhout’ gezorgd: denken kan een innerlijk vuur doen branden dat verwarmt. Omdat de held Hans heet hoeft het niet te verwonderen [het waarom hiervan wordt niet uitgelegd] dat naast de zilveren bijl ook een koperen hamer komt. De wijze alchemisten van de middeleeuwen die in de werkzaamheid van de stof nog scheppingskrachten beleefden, zagen het koper als zinnebeeld voor de vroomheid. Ze noemden de toestand van de kinderlijke vroomheid; de kopertoestand. Met de slagkracht van de actieve vroomheid (de koperen hamer) kan men nu de braakliggende maankrachten (de zilveren werktuigen) hanteren. Zo zou je, volgens Lenz, het beeld kunnen duiden. 

Op een keer zei zij tegen hem: ‘Ga het gras op mijn weiland maaien en droog het dan,’ en zij gaf hem een zeis van zilver en een slijpsteen van goud, beval hem echter alles ook weer netjes in te leveren. Hans ging erheen en deed wat hem bevolen was; na gedane arbeid bracht hij de zeis, de slijpsteen en het hooi naar huis en vroeg of zij hem nu zijn loon wilde geven.

Werd het analyserende, abstracte denken bij het ijverig houthakkerswerk geoefend, dan gaat het vervolgens om het vegetatieve te lijf te gaan (het gras maaien) – leven, groei, voortplanting kunnen weelderig woekerend worden. Nu gaat het erom als oogst binnen te halen wat deze aan jeugdige bloeikracht schenken. In het instinct van de kat (het Duits heeft ‘Kätzchen-Liebes-Instinct) ligt veel natuurlijke wijsheid besloten; we hebben de gouden wetsteen waarmee de oordeelskracht steeds weer scherpgemaakt moet worden (de zilveren zeis) en een goed geslepen oordeelsvermogen is op dit terrein noodzakelijk. Hans is weer een stap verder gekomen in zijn ontwikkeling en mag weldra op zijn paard hopen.

‘Nee,’ zei de kat, ‘eerst moet je nog iets voor mij doen – daar heb je balken van zilver, een timmermansbijl, een winkelhaak en wat er verder nodig is, alles van zilver, en daarmee moet je voor mij eerst nog een klein huisje bouwen.’ Hans bouwde het huisje en toen het klaar was zei hij, dat hij nu alles had gedaan en nog steeds geen paard had. Toch waren de zeven jaren voor hem omgevlogen alsof het een half jaar was.

Alles wat met de innerlijke maankrachten heeft te maken moet nog verder ontwikkeld en gevormd worden. En daarmee heeft de drijfveer van de liefde een behuizing gekregen en alles wat in deze sfeer leeft, is vast en gevormd. Zeven jaar heeft deze ontwikkeling geduurd. Tussen het veertiende en eenentwintigste jaar voltrekken in het algemeen deze processen zich in de mens. Het abstracte en concrete denken moeten worden geoefend, oordeelskracht ontwikkeld en de ‘maanmens’ volmaakt worden.

De kat vroeg hem of hij haar paarden wilde zien? ‘Ja,’ zei Hans. Zij ging naar het huisje toe en toen zij de deur openmaakte stonden daar twaalf paarden, o, die waren zo trots en blonken en glansden dat zijn hart opsprong van vreugde. Toen gaf zij hem te eten en te drinken en sprak: ‘Ga naar huis, ik geef je je paard nog niet mee, over drie dagen kom ik het je brengen.’

Het getal twaalf komt vaker in de sprookjes voor als een kosmisch getal. De twaalf beelden van de dierenriem vormen samen een horizon, verdeeld in het twaalftal kosmische krachten die aan de microkosmos mens werken. Hans heeft voortdurend zijn verstandskracht geoefend. Daardoor heeft hij een omvattend wakker denken verkregen (twaalf paarden) en daarmee het verstand dat hem als Ik het meest verdienstelijk is: zijn eigen paard.  

Hans maakte zich dus klaar om te vertrekken en zij wees hem de weg naar de molen. Maar zij had hem niet eens nieuwe kleren gegeven; hij moest de oude haveloze kiel aandoen waarin hij gekomen was en die was hem in die zeven jaar aan alle kanten te klein geworden. Toen hij thuiskwam waren de beide andere molenaarsknechts er ook weer; zij hadden weliswaar ieder een paard meegebracht, maar het ene was blind en het andere kreupel. Zij vroegen: ‘Hans, waar is jouw paard?’ – ‘Dat komt over drie dagen.’ Toen begonnen zij te lachen en zeiden: ‘Haha, die Hans, waar wil die nu een paard vandaan halen, het zal me wat moois zijn!’ Hans ging de kamer binnen maar de molenaar zei dat hij niet aan tafel mocht komen, hij zag er zo haveloos en verwaarloosd uit dat zij zich zouden schamen als er iemand binnenkwam. Daarop brachten zij hem buiten een beetje eten en toen zij  ’s avonds gingen slapen, wilden de andere twee hem geen bed geven, zodat hij tenslotte in het ganzenhok moest kruipen en daar op wat hard stro gaan liggen.

Toen de andere twee oudere broers naar huis waren gekomen, toonde ieder wat ze verkregen hadden. De oudste, die alleen voelend leeft, heeft een verstand gekregen dat niets doorziet en geen inzicht heeft – zijn paard was blind. De tweede molenaarszoon, die van het denken, heeft een verstand ontwikkeld dat in het leven niet verder komt, geen ontwikkeling doormaakt – zijn paard is kreupel. Hans is in zijn ontwikkeling al veel verder gekomen dan het niveau van een molenaarsjongen, maar dat wordt pas duidelijk wanneer de liefdesdrijfveer (de kat) zichtbaar geworden is. Het sprookje zegt:

Als hij ’s morgens ontwaakt, zijn de drie dagen al om en daar komt me een koets met zes paarden aanrijden, die glansden me toch dat het een lust was en een bediende had nog een zevende paard aan de teugel, dat was voor de arme molenaarsknecht. Maar uit de koets stapte een beeldschone koningsdochter en ging de molen binnen en die koningsdochter was de lapjeskat bij wie de arme Hans zeven jaar in dienst was geweest. Zij vroeg aan de molenaar waar zijn jongste knecht was. Toen zei de molenaar: ‘Die kunnen wij niet binnen laten komen, die ziet er zo haveloos uit, die zit in het ganzenhok.’ Daarop zei de koningsdochter, dat zij hem dadelijk moesten halen. Dus haalden zij hem en hij moest zijn kieltje bijeenhouden om zich te bedekken. Toen pakte de bediende prachtige kleren uit en kreeg opdracht hem te wassen en aan te kleden en toen hij klaar was, was er geen koning die er mooier uitzag dan hij. Daarna wilde de jonkvrouw de paarden zien die de andere molenaarsknechten hadden meegebracht en het ene was blind en het andere kreupel. Nu liet zij de bediende het zevende paard brengen; toen de molenaar dat zag zei hij, dat zó’n paard nog nooit bij hem op het erf was geweest. ‘En dat is voor de derde molenaarsknecht,’ zei zij. ‘Dan krijgt hij de molen,’ zei de molenaar. Maar de koningsdochter sprak: ‘Daar is het paard en je molen mag je houden’ – en daarop neemt zij haar trouwe Hans bij de hand, laat hem in de koets plaatsnemen en rijdt met hem weg. Eerst rijden zij naar het kleine huisje dat hij met het zilveren gereedschap heeft gebouwd en nu is het een groot slot en alles wat erin is is van zilver en goud. Daar is zij met hem getrouwd en hij was zo rijk dat hij voor zijn hele leven genoeg had. Daarom moet niemand ooit zeggen dat iemand die dom genoemd wordt het daarom niet tot iets kan brengen.

Het bonte katje is een mooie, koninklijke jonkvrouw geworden, d.w.z.: de natuurkracht die helemaal in het instinctieve, onbewuste werkte, is nu een zielenkracht geworden zoals die bij de mens hoort- die werd tot liefde. En de ‘domme Hans’ – de wil in de reinheid zoals we die bij Parcival zien – kan zich met deze kracht van de liefde verbinden. 

Illustratie van Anton Pieck van de drie musicerende katten

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2444-2293
.

.

.