Tagarchief: peuter kleuter

VRIJESCHOOL – ‘Geef kinderen de tijd kind te zijn’

.

Rudolf Steiner: Een op menskundig inzicht gebouwde pedagogie moet er daadwerkelijk van uitgaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.
Wegwijzer 360

We weten nog niet met welke concrete plannen de Minister van Onderwijs komt.
Hij, Eppo Bruins‘ is van NSC-huize en in het NSC-verkiezingsprogramma stond o.a. ‘geen onderwijsvernieuwing die niet wetenschappelijk onderbouwd is.’
En: ‘dat het niveau van rekenen en taal omhoog moet.’
Maar het zal toch voornamelijk de staatssecretaris zijn die beleid uitzet voor het primair onderwijs.
Zij,
Mariëlle Paul, is van de VVD en daar vinden we in het verkiezingsprogramma o.a. ‘rekenen en taal voorop; nadruk op basisvaardigheden; tweederde van de onderwijstijd: basisvaardigheden. Alleen nog bewezen effectieve lesmethoden. Onderwijsinspectie controleert of gebruikte lesmethoden wetenschappelijk onderbouwd en bewezen effectief zijn; leerplicht naar het vierde levensjaar; met taalachterstand vanaf twee jaar verplicht naar voorschoolse educatie.’

In het verleden werd de oplossing van het te lage niveau vaak gezocht in: hoe vroeger de kinderen gaan leren, des te beter.

Daar is wel kritiek op gekomen, maar die is niet zo overweldigend begrepen dat bv. de NSC in het verkiezingsprogramma de zin ‘dat het niveau van rekenen en taal omhoog moet’ aanvulde met: ‘maar niet bij peuters en kleuters want de diepste investering die je daar kan doen, is mogelijk maken dat ze leren door spelen.’
Die zin kan bij de VVD geen aanvulling zijn: vanaf twee jaar verplichte voorschoolse educatie.

Mevrouw Paul ziet het als haar taak ‘dat ieder kind zichzelf moet kunnen zijn op school’.

De woorden zijn mooi, maar een holle frase: want ‘zichzelf zijn’ betekent voor de peuter en kleuter nu juist dat hij niet ‘voorschools’ moet leren, maar moet spelen.

Mevrouw Sieneke Goorhuis – zij wordt tot de wetenschappers gerekend – heeft bij herhaling gepleit voor ‘de spelende kleuter’.

Op deze blog staan verschillende artikelen waarin (o.a) zij aan het woord komt.

Zie: Opspattend grind [5]  [16]  [29]  [38]  [42]  [53]  [68]  [88]

Of: Kleuters leren meer van spel dan van school

Ik vond nog iets over haar zienswijze:

Bron Trouw, 27-06-2015
.

Geef kinderen de tijd kind te zijn, bepleit Sieneke Goorhuis. Laat ze spelen, zonder de dwang te moeten leren. 

.

Stop de kleuter niet in een hogedrukpan

De opvoedvraag deze week beschrijft een voorbeeldig jongetje van vijf jaar (Trouw, 24 juni 2015). Op school luistert hij goed, speelt lekker in de huishoek, knutselt met andere kinderen, doet wat er van hem wordt gevraagd. Maar thuis laat hij soms heel ander gedrag zien. Dan wordt hij brutaal, krijst de boel bij elkaar, pest zijn zusje en antwoordt op elke vraag met een ferm ‘nee’. 

Een orthopedagoog stelt voor begripvol met de kleuter te praten. Een ontwikkelingspsycholoog suggereert dat de ouders samen met de juf moeten optrekken: Wat is er op school gebeurd en wat waren de reacties thuis? Mogelijk zijn er verbanden te vinden. 

Afgezien van deze verstandige voorstellen vind ik dat er te veel bij het individuele kind wordt gelegd. De gepresenteerde opvoedingsvraag staat niet op zich. Dagelijks krijg ik mailtjes met ongeveer hetzelfde thema. Stuiten we hier misschien op een maatschappelijk probleem? De verschoolsing van het kleuterleven? 

Kinderen moeten al op kleuterleeftijd leren. Voorbereidende taaloefeningen (letters leren) en rekenoefeningen (cijfers leren) krijgen vorm in lesjes. Weliswaar spelenderwijs, maar het zijn lesjes. De leerkracht bepaalt wat het kind moet leren. Dit staat haaks op hoe kinderen in de peuter- en kleuterleeftijd leren, namelijk vanuit het vrije spel. 

Creativiteit en initiatief 

Er is een groot verschil tussen spelen en spelend leren. Spelen is spontaan. Het is vrij van regels van buitenaf en er is geen vooraf gesteld doel: spel ontwikkelt zich. De kinderen handelen volgens een eigen plan. In het spel met andere kinderen wordt ook geleerd rekening te houden met het perspectief van de ander. 

Spelend leren kent wel een vooraf gesteld doel: dat wat de leerkracht het kind wil leren. Het kind is niet vanuit zichzelf actief, maar moet volgend handelen. Spelend leren op jonge leeftijd doodt de creativiteit bij kinderen en maakt kinderen minder sociaal. Ook worden kinderen, wanneer zij niet snel genoeg begrijpen wat wordt gevraagd, gestigmatiseerd naar vermeend problematisch gedrag en treedt faalangst op die tot vroege schoolverlating kan leiden. 

De kinderen die spelend leren vertonen aan het eind van groep 2 minder sociaal gedrag en minder initiatief dan kinderen die volop hebben mogen spelen, blijkt uit onderzoek. 

De huidige politieke insteek legt te veel nadruk op de cognitieve prestaties. Ondanks positieve geluiden uit de VS, toont Nederlands onderzoek aan dat het vroeg starten met voorbereidende taal- en rekenoefeningen geen effect heeft op de snelheid en accuraatheid van het leren vanaf groep 3. 

Kinderen tot zes à zeven jaar ontwikkelen zich holistisch, waarbij de verschillende ontwikkelingsdomeinen zich spelenderwijs en in interactie met elkaar ontwikkelen. Die ontwikkelingsdomeinen zijn: taalontwikkeling, denkontwikkeling en creatieve ontwikkeling (probleemoplossend denken), ontdekken (wereld oriëntatie), bewegen (grove en fijne motoriek). Spelen is daarbij een integrerende activiteit, omdat in het spel alle genoemde ontwikkelingsdomeinen samenkomen. 

Breinwetenschapper Sergio Bellis toont met onderzoek aan dat spelen een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van het brein.  
Psycholoog David Blokland pleit ervoor het kleuterleven niet in een hogedrukpan te stoppen. “Wij leven in een haastige wereld, maar kinderen hebben nog steeds de tijd nodig om kind te zijn.” Nadruk op cognitieve prestatie leidt tot recalcitrant gedrag. 

.

Spel: alle artikelen

Peuters en kleuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter/kleuterklas

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

3274-3081

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-5)

.
Loïs Eijgenraam, Antroposofisch Magazine, nr 14 2019
.

samen spelen, samen delen

Hoe wordt je kind een medemens?

Als ouder kan het je met trots vervullen als je hoort dat je kind zo veel oog heeft voor anderen. Veel kinderen in Nederland groeien op met het motto ‘Samen spelen, samen delen’ – een gevleugelde uitspraak die het kind vanaf een maand of zeven, acht oud thuis of op de kinderopvang hoort. Waarom vinden wij ‘samen en sociaal zijn’ zo belangrijk?

Tijdens een tienminutengesprek op school vertelt de leerkracht je dat jouw kind ‘het zo goed doet in de groep’: het heeft oog voor andere kinderen, het kan goed delen en is bereid een stapje terug te doen omwille van een positief effect op het groepsproces. Kortom, je kind functioneert prima in het sociale. Laten we eerlijk zijn, dit horen we als opvoeders maar al te graag over onze kinderen, toch? Maar op zijn verjaardagsfeestje weigert zoonlief zijn vriendjes te laten spelen met het zojuist gekregen speelgoed. Vreugde slaat om in tranen en een op de grond spartelende peuter… Herken je dit?

Van een eenheid naar enkeling

Het aardeleven van jouw kind kon pas beginnen nadat de symbiotische gehechtheiddraad, die een eenheid mogelijk maakte, werd doorgeknipt. Je kind werd een enkeling. Een kind wordt niet zomaar een enkeling. De eerste twee en een halfjaar is jouw kind hard aan het werk geweest. Het leerde lopen, spreken en denken. Het greep letterlijk alles in de wereld beet om deze te gaan begrijpen. Zo kreeg jouw kind grip op de wereld. Je kind ontdekte rond ongeveer tien maanden dat ‘weg’ niet weg is, maar tijdelijk niet zichtbaar. Door op zoek te gaan naar de bal die achter de kast rolde en deze terug te vinden, groeit in jouw kind het vermogen innerlijk voorstellingen te maken. Een voorstelling zoals de bal, jouw vertrouwde gezicht en de ervaring dat beide opeens weer verschijnen. Omdat jouw kind nog druk bezig is met het ontwikkelen van de eigen binnenwereld, waarin de wereld verschijnt en verdwijnt, passen daar nog geen andere kinderen in die ook die ene bal willen hebben. Jouw kind moet nog gaan ervaren wat een bal is en een verbinding met de bal aan gaan. Deze veilige, innerlijke binnenwereld wordt opgebouwd in een omgeving waar begrip is voor het solitaire, het op zichzelf gerichte gedrag en het solistische, ‘ik met mijn eigen spel’. Dit in vrijheid doorleefde egocentrisme vormt de bouwstenen voor de volgende leeftijdsfase.

Van enkeling naar speelgenoot

Tussen ongeveer twee jaar en vier maanden en vier jaar en negen maanden groeit in jouw kind een verlangen om alle ervaringen die het heeft opgedaan met anderen ‘te delen’. Je kind is ‘ik’ gaan zeggen. Dit geschenk maakt het mogelijk ‘mijn en dijn’ te ervaren. Dit is van mij en dat is van jou. Het solistisch spel groeit naar naast-elkaar- of parallelspel. Er ontstaan korte ontmoetingen. Wat fijn! In het spel verschijnt de fantasie. De ander is niet alleen een ander mens, maar verstaat ook de taal van mijn spel! ‘Dan was jij de vader en dan was ik de moeder en dan pakte jij mijn pop en dan gingen wij…’ Jouw kind bouwt steeds meer ervaring en vertrouwen op in het speelgenoot zijn. Betekent dit dat het alles deelt? Nee. Een dierbare pop of auto is een voorwerp waaraan ontwikkeld wordt wat het betekent om je te verbinden en te hechten aan iets. Tijdens een verjaardagsfeestje moeten toezien dat anderen met jouw geschenken spelen is nog steeds heel moeilijk. En laten we nog een keer eerlijk zijn; deel jij je nieuwe BMW met de buurman?

Van speelgenoot naar individu

Samenspelen is jouw kind steeds fijner gaan vinden. Wat nog fijner is, is samen plannen maken over wat we gaan spelen en hoe we alles vorm gaan geven. Je kind oefent dit vanaf ongeveer vijf jaar. Het ervaart hoe het voor zichzelf kan opkomen, hoe het zich voegt naar de plannen van anderen. Het zelfvertrouwen groeit als bouwsteen voor een gezonde ontwikkeling tot individu. “Van de kleuterjuf hoor ik dat mijn kind het niet altijd goed vindt dat anderen ook nog mee willen spelen. Moet ik mij hier zorgen over maken?” vraagt een vader van een zesjarige kleuterjongen. Vinden wij, volwassenen, het fijn als wij bij een project dat wij met anderen vormgeven halverwege het proces collega’s toegespeeld krijgen die ook nog mee willen doen? Ze zijn geen procesgenoot geweest en verstaan daardoor onze bedoelingen niet of moeizamer. Getuigt het bewaken van het spelproces door zes-, zevenjarigen juist niet van een serieus nemen van de unieke waarde van het samen-spelen en samen-delen?

Van individu naar medemens

Het samen spelen groeit eind kleuterleeftijd uit tot het vermogen coöperatief te willen zijn. Niet ‘ik voor mij eigen’ maar mijzelf inzetten ten dienste van het geheel. Zo is de cirkel rond. Onze kinderen leren ‘samen spelen, samen delen’ als zij in iedere leeftijdsfase mogen doen waar ze goed in zijn en van volwassenen kunnen nabootsen dat de gehechtheidsdraad aan het aardeleven gaat van eenheid -enkeling – speelgenoot – individu – medemens zijn. Een medemens die de aarde eerlijk deelt met alle andere bewoners. 

Loïs Eijgenraam werkt als adviseur bij BVS Schooladvies, gespecialiseerd in kinderen van nul tot zeven jaar. Daarnaast heeft ze haar eigen praktijk voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning, Ze is auteur van diverse publicaties over de opvoeding van [jonge] kinderen.

.

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3033-2848

.

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (5)

.

Kringspelletjes worden voornamelijk in de kleuterklas gespeeld. Ook in de 1e klas vinden veel kinderen het nog erg fijn, vooral als het ‘nieuwe’ zijn, d.w.z. die ze in de kleuterklas nooit hebben gedaan.

(Dus als 1e-klasleerkracht even verifiëren bij de kleuterjuf/meester.)

’K MOET DWALEN

De kinderen staan, met de handen los, in een kring. Eén kind speelt de springer. Dit loopt aan de binnenkant langs de kring. Onder het zingen maakt hij de passende bewegingen van de tekst: hij zwaait met zijn arm en stamt met zijn voet.
Bij ‘Kom!’ blijft hij voor een kind staat; ze geven elkaar gekruist de handen. Samen dansen ze nu naar rechts verder op de maat van het lied en moeten ervoor zorgen aan het eind weer uit te komen bij de startplek., waar het opgehaalde kind stond. Daar gaat nu de eerste springer staan en het andere kind wordt de nieuwe springer. Zo gaat het verder.
Om iedereen aan de beurt te laten komen, mag een kind dat al geweest is, niet nog eens (tenzij het weinig kinderen gaat. Bij heel kinderen kunnen er meerdere springers tegelijk binnen de kring dansen.

’k Moet dwalen, moet dwalen
Langs bergen en langs dalen
Daar komt een kleine springer in het veld,
Hij zwaait er met zijn hoed
Hij stampt er met zijn voet.
Kom wij willen dansen gaan, dansen gaan,
En de anderen moeten blijven staan.

Muziek      De speelwijze hierbij wijkt af: de springer loopt buiten de kring.

Verklaring

Volgens Mellie Uyldert is de springer de levensgeest die op midwinter als de dagen weer langer worden, zijn krachten komt uit delen aan de jonge mensen door met hen te dansen.
Als hij zwaait met zijn rechterarm en stampt met zijn linkervoet is hij de gestalte van de midwinterheld. Zij ziet een overeenkomst met het hakenkruis als een oeroud teken van de godszoon.

.

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

2887-2708

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Peuter en kleuter – spel (14-2)

.

Freya Jaffke, Weledaberichten 116, december 1978

.
Het spel van het kind – een vormgevend element

.
Als de individualiteit van de mens zich vanuit de toestand van niet-geboren-zijn hier op aarde incarneert dan verbindt zij zich met een lichamelijke omhulling die door de ouders wordt verschaft. Deze is echter zo teer en onaf wat de organen en hun functies betreft, het bewegingssysteem is zo ongedifferentieerd, het zenuw-zintuiggebied is zo open, dat de individualiteit zes tot zeven levensjaren toegemeten krijgt om het lichaam in bezit te nemen en op te bouwen. Dit voltrekt zich volgens de krachten die in zijn lot besloten liggen en in samenhang met de nu aanvaarde levenssituatie. Bij deze activiteit is het contact met de menselijke omgeving van beslissende betekenis, want de mens leert het mens-zijn alleen maar van de medemens. Alles, wat een kind in zijn omgeving kan waarnemen, neemt het met hart en ziel, met een open gemoed op en het integreert dit diep in zijn lichamelijkheid. Het heeft nog niet de bescherming van een bewustzijn dat de gebeurtenissen verwerkt. Het is dientengevolge niet in staat om afstand van indrukken te nemen. Als wij deze gedachte, dat de uiterlijke omgeving invloed uitoefent op de activiteit die het lichaam opbouwt, ernstig opvatten, dan zullen wij ter wille van het kind de grootste zorgvuldigheid in acht nemen ten aanzien van de vorming van de eigen omgeving en van een levenshouding die tot voorbeeld kan strekken.

Het kleine kind verwerkt alle indrukken door de kracht van de nabootsing. Dit komt zo bijzonder mooi tot uitdrukking in het spel van het kind. Als wij zelf maar voldoende plezier, vreugde, rust en vanzelfsprekendheid bij het dagelijkse werk uitstralen, dan kunnen wij vol vertrouwen hopen, dat de kinderen vrolijk en ook echt actief worden. De manier, hoe nu een kind nabootsend zijn ervaringen in de wereld opdoet, hangt niet alleen af van de individualiteit maar vooral ook van het ontwikkelingsstadium waarin het zich bevindt. Drie van zulke stadia kunnen in de eerste 6 à 7 jaren duidelijk onderscheiden worden.

In de eerste tijd (2½ -3 jaar) waarin de mens leert om rechtop te lopen, te spreken en daarmee het begin van te kunnen denken krijgt is de moeder met al haar doen en laten van beslissende betekenis. Eerst kon het kind vanuit de wieg of de box zien wat zijn moeder deed; daarna gaat het haar aldoor meer bij alles wat zij in huis doet vergezellen. Als moeder de kussens opschudt haalt het kind een bankje om dat ook te kunnen doen. Of het pakt net als moeder met plezier was uit een teil om die dan weer onder te dompelen; het veegt nabootsend met de bezem, waarbij het stof wel eens meer verspreid dan opgeveegd wordt. Dit impulsieve aanpakken en grijpen werkt tot diep in de organen door, in ’t bijzonder op de subtielere differentiaties in de hersenprocessen; daardoor wordt de voorwaarde geschapen om later door te denken bijv. een arbeidsproces te kunnen be-grijpen.

Al is het kind samen met zijn moeder tijden bezig, het zal steeds ook weer tevreden in zijn speelhoek terugkeren. Het belangrijkste speelgoed dat wij kunnen geven, of het nu een jongen of een meisje is, is de pop. Het beste een pop van een lap gemaakt, die een hoofd heeft dat gewoon toegebonden en met schapenwol gevuld is.*) Mond en ogen behoeven alleen maar aangeduid te worden. Zo ontstaat er een neutrale gelaatsuitdrukking, die al naar de behoefte van het kind wakker is, slaap uitdrukt, lacht of huilt. Men zou alles wat naar perfectie of natuurgetrouwe nabootsing zweemt ter wille van een gezonde ontwikkeling van de kinderlijke fantasie moeten vermijden. Dit geldt ook voor ander speelgoed. Geperfectioneerd speelgoed, dat eventueel ook nog van technische finesses voorzien is, laat voor de kinderlijke fantasie geen speelruimte meer over; het is, helemaal kant en klaar, veeleer aangepast aan hetgeen de volwassenen verlangen.

In de tweede ontwikkelingsfase (ongeveer tot het vijfde jaar) vermindert de behoefte om de moeder ‘helpend’ te vergezellen. Doordat de kinderlijke fantasie en het geheugen steeds meer tot ontplooiing komen, ontstaat een eigen activiteit en spel. Menige moeder slaakt dan een diepe zucht, behalve als ze weet, dat ook dit weer over gaat. Elk verplaatsbaar meubel, allerlei huisraad kan, met een heel ander doel dan waarvoor het oorspronkelijk bestemd is, gebruikt worden om mee te spelen. Moeders strijkijzer wordt een stoomboot, een touw met aan elke kant een pollepel wordt de telefoon, een voetenbankje wordt een fornuis en straks, ondersteboven, een poppenbed. En hoe dikwijls wordt een daarnet begonnen spel afgebroken of iets heel anders, als er een ander voorwerp wordt ontdekt of daardoor een nieuw idee ontstaat.

Door ‘speelgoed’ uit de natuur, zoals bijv. stukken hout, boomschors, dennenappels, stenen, ongesponnen schapenwol, ook allerlei katoenen lappen, kan deze activiteit die tot creativiteit wil worden, op een gezonde manier uitgelokt worden. Wij laten die dingen uit de natuur in het spel tot iets anders worden; ze brengen tegelijkertijd een relatie tot de natuurrijken die ons omringen tot stand.

Er ontstaat, zou men kunnen zeggen, een ‘gezonde chaos’ om het kind heen; deze zou dagelijks minstens één keer weer in orde moeten worden gebracht opdat er ruimte voor nieuwe ontplooiing ontstaat.

Omstreeks het vijfde jaar begint de derde ontwikkelingsfase, waarin het spelen in toenemende mate continuïteit krijgt. De kinderen beschikken nu over zoveel voorstellings- en herinneringsvermogen, dat zij gebeurtenissen die al ver terugliggen, tot in verbazingwekkende bijzonderheden en in nauwkeurige volgorde in hun spel kunnen herhalen. Zij hebben nu ook even oude speelkameraadjes nodig, waarmee ze plannen kunnen smeden en verwerpen en die handig en met plezier ideeën om te spelen helpen verwerkelijken. Ook nu echter hebben de kinderen absoluut geen meer geperfectioneerd of geen gecompliceerder speelgoed nodig. De fantasie, die tevoren op zo’n gevarieerde manier aan de gang werd gezet, gaat nu een verbond aan met de op een doel gerichte wil en schept zelf de dingen, die voor het spel nodig zijn. De handen zijn nu ook voldoende bedreven, dat er allerlei wat nodig is, zelf gemaakt kan worden. Voor een ‘schilder’ is het bijv. niet moeilijk om van een stok met een lap eraan, een ‘penseel’ te maken; een ‘tandarts’ maakt zelf de verstelbare ‘stoel’ voor de ‘patiënt’ en alle nodige ‘instrumenten’; een ‘kraandrijver’ maakt zelf alles wat hij voor zijn bedrijf nodig heeft van tafels, stoelen en touwen. En de poppenmoedertjes naaien en borduren de mooiste kleren voor de lappenpoppen die nog steeds dezelfde zijn als vroeger.

Door zo’n schaars aanbod van speelgoed wordt er van de kinderen vanzelfsprekend allerlei inspanning verlangd. Maar daarop komt het nu juist aan. Die inspanning verrijkt het kind innerlijk; zij geeft aan het spel een onuitputtelijke overvloed. Alle beweeglijkheid, handigheid en menigvuldigheid van de geactiveerde fantasie gaat hand in hand met de opbouw van het lichaam. Dit wordt het gedifferentieerde omhulsel waardoor de individualiteit zich in dit leven kan openbaren en in dienst van de wereld kan stellen.
.
Spel: alle artikelen

Nabootsingartikelen

Kleuters en peuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- kleuterklassen

*)  Freya Jaffke: verschillende*    boeken

.

*

2734-2563

.

.

.

.

..

.

VRIJESCHOOL – De peuter- kleuterklas

.
Adelheid Krause, Weledaberichten nr. 98 sept. 1973*
.

IETS OVER DE KLEUTERKLASSEN
.

De problemen van deze tijd* wat betreft de kleuterklassen treden steeds meer in de openbaarheid. Dit wordt ook al zichtbaar door de vele eigen initiatieven van de ouders. Men weet reeds lang veel over de betekenis van de eerste levensjaren en er wordt veel geprobeerd, om het grote vermogen tot leren en opnemen van de eerste zeven jaren op intellectuele wijze te benutten. Zouden we er niet beter aan doen het kind tijd te laten voor zijn ontwikkeling en zijn geheugen-krachten niet te vroeg te belasten?

Men moet tegenwoordig veel aandacht schenken aan de kleuterklassen. Er zijn steeds minder kinderen die het geluk hebben onder veel broertjes en zusjes op te groeien. In onze huishoudens zijn het steeds meer de machines die het werk van de mensen overnemen. Waaraan moet het kleine kind zich dan vroeg oriënteren? Aan de mens of aan de machine? Welke moeder heeft nog tijd de was met de hand te wassen, het deeg van een koek te kneden, graan te malen enz. We mogen van geluk spreken dat het in de kleuterklassen van de vrijescholen vaak nog mogelijk is de oorspronkelijke bezigheden van de mens te imiteren. Het gaat hier niet om een gemakkelijke manier van bezighouden, maar om het feit dat het kind beleeft hoe de mens een verhouding heeft tot hetgeen hij doet. In het nabootsen, in het zinrijke bezigzijn van het kind heeft het de mogelijkheid zijn morele en geestelijke krachten tot ontwikkeling te brengen.

Hoe kunnen we nu het werk van de kleuterklassen steunen? Het gaat er niet alleen om dat we onze kinderen onder goed toezicht stellen. Wanneer we met aandacht zo’n ruimte bekijken, dan vinden we vast wel voorbeelden voor de eigen kinderkamer. Het hoeft geen kant en klaar speelgoed te zijn. Een paar dennenappels, een stuk boomschors of zelfs een prachtig stuk boomwortel dat van een wandeling wordt meegenomen, wekken de fantasie van het kind meer op dan al het technisch geperfectioneerde speelgoed. Wat geeft de natuur ons niet allemaal: eikels, kastanjes, schalen van noten, vruchtenpitten, beukennootjes, enz.! Hebt u al eens die eenvoudige poppen van stof in de kleuterklas gezien? Zonder veel moeite kunt u die zelf voor uw kind maken. Bij zulke poppen wordt de fantasie van het kind meer gewekt dan door de meest geraffineerde, duur gekochte poppen.

Van groot belang is een geregeld, persoonlijk contact tussen het ouderlijk huis en de kleuterklas. Wanneer juffie iets van thuis weet, zal ze ook meer begrip voor het gedrag van het kind kunnen opbrengen.

Lang niet altijd wordt in de kleuterklas gemeenschappelijk gegeten. Juffie zal het prettig vinden, wanneer het kind niet iets bijzonders, maar “alleen” een boterham of een appel bij zich heeft.

Het is prettig voor het kind wanneer het praktisch en doelmatig gekleed in de kleuterklas komt, zodat alles wat daar gebeurt geen schade aan de kleren kan veroorzaken. De kinderen kunnen zich dan helemaal aan het spel wijden, zonder bang te hoeven zijn dat ze zich vuil maken. De voorbereidingen voor alle mogelijke feesten gebeurt met de kinderen samen. De ouders merken de spanning van het feest en hebben thuis zeker iets wat er toe bijdraagt, om de feestvreugde te verhogen. Bij een verjaardag bijv. kan het kind zelf ook iets bijdragen. Hij staat dan in het middelpunt en wordt van alle kanten met cadeautjes overladen. Op zo’n dag is het voor het kind heel belangrijk niet alleen van alles te krijgen, maar ook iets te geven. Moeder zou misschien een koek kunnen bakken en die kunnen versieren met een kleine verrassing voor elk kind. Wanneer het kind die koek in de kleuterklas mag uitdelen, zal het zijn verjaardag veel meer beleven dan wanneer het alleen maar van alles krijgt.

Van groot belang is het vertellen van een sprookje gedurende enige tijd, bv. de sprookjes van Grimm. Het vermogen van het kind om iets te beleven, groeit al naar gelang het meer woorden ter beschikking krijgt; het wordt innerlijk
bewegelijker. Aan een gezond kind kan men 2 tot 3 weken hetzelfde sprookje vertellen. Wanneer we dan ook nog oude gekleurde lappen ter beschikking hebben, net als in de kleuterklas, dan kunnen we zien hoe het kind zich steeds meer met de verschillende sprookjesfiguren gaat vereenzelvigen. Wanneer er geen broertjes of zusjes zijn die meespelen, dan zal het zijn poppen erbij betrekken.

Wij houden allemaal van ons kind en willen alleen maar het beste voor hem. Maar gaan we daarbij niet vaak te ver? Me dunkt dat een kind niet echt gelukkig kan zijn, wanneer het alleen maar de mooie spullen uit een speelgoedwinkel bezit. Juist zulke kinderen weten nooit wat ze zullen spelen. Voor kinderen die geen kant en klaar speelgoed ter beschikking hebben, is de dag vaak niet lang genoeg om te spelen. Ook wanneer de fantasie reeds een beetje verloren is gegaan moeten we de kinderen er toe aan zetten iets zelf te verzinnen. De fantasiekrachten werken namelijk vormend op de ontwikkeling van de hersenen.

.

Peuters en kleutersalle artikelen

Spel: alle artikelen

Vrijeschool in beeldde peuter-kleuterklas

.

2728-2557

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (4)

.

Kringspelletjes worden voornamelijk in de kleuterklas gespeeld. Ook in de 1e klas vinden veel kinderen het nog erg fijn, vooral als het ‘nieuwe’ zijn, d.w.z. die ze in de kleuterklas nooit hebben gedaan.

(Dus als 1e-klasleerkracht even verifiëren bij de kleuterjuf/meester.)

’K ZOU ZO GRAAG EEN KETTING BREIEN

Van een rij kinderen, die elkaar met de handen vasthouden, pakt het eerste kind een boom of paal vast. Onder het zingen van het eerste couplet, zo nodig vele malen herhaald, loopt het laatste kind door het poortje, dat gevormd wordt door de boom en het eerste kind, met alle anderen achter zich aan. Daarna begeeft de rij zich door het volgende poortje, waardoor achtereenvolgens alle kinderen met gekruiste armen komen te staan. De kring wordt dan achterwaarts gesloten, zodat de kinderen met het gezicht buitenwaarts staan.

Bij het zingen van het tweede couplet gaan de vastgehouden handen bij de eerste twee regels omhoog en maken de kinderen een halve draai. Daarna huppen ze op Ha ha, enz. met het gezicht naar binnen in een kring rond. Bij het begin van het zingen van het derde couplet staat de kring stil, de kinderen laten de handen los en doen alsof ze de ketting in hun zak steken. Op ha ha! enz. danst de kring weer rond.

Op de eerste regel van het vierde couplet schudden de kinderen verbaasd het hoofd, op de tweede hurken ze en doen alsof ze de ketting uit hun zak halen en in een doosje leggen. Op de laatste regel danst de kring weer rond.

Het liedje:

1. ’k Zou zo graag een ketting breien, [zie onder bij muziek: andere tekst]
’k moet dan naar de Poort van Leien, haha, fifelefa, ha ha, sidonia!
[vaak ook: victoria, 2x]

2. Nu de ketting is geregen
heb ik hem om m’n hals gekregen, ha ha, enz.

3. Nu de ketting is gebroken,
heb ik hem in mijn zak gestoken, ha ha, enz.

4. Wat zal moeder nu wel zeggen?
’k Zal ’m maar in ’n doosje leggen! ha ha, enz.

Als verklaring wordt wel gezegd:

dat dit spel behoort tot de dansen die de loop van de sterren nabootsen. De verborgen bedoeling was, de kosmische ritmen in het mensenleven over te nemen, en, omgekeerd, door deze nabootsing of analogie die ritmen zelf te bevorderen, mee te helpen.
Van de aarde uit gezien s c h ij n e n de planeten zich rondom de aarde te bewegen langs de baan van de Dierenriem. Daarbij s c h ij n e n zij echter af en toe lussen te maken, door op een zeker punt om te keren, achteruit te lopen en na enige tijd opnieuw om te keren. Dit is niet hun wérkelijke beweging! Daar voor ons, aardse schepselen, alle kosmische werkingen echter actueler zijn zoals ze subjectief, voor de aarde, uitwerken, dan hoe ze voor zichzelf of voor de zon zijn, houden wij met deze zogenaamde retrogradeloop rekening. Dit is schematisch uitgebeeld in de dans Rondinella en, wat minder duidelijk, in het breien van de ketting – ofschoon van breien hier geen sprake is. ’t Schijnt dat bij de Leidse Poort te Amsterdam een winkel was, waar men wol en dergelijke handwerkmaterialen kon kopen. Het eerste couplet is oud, de volgende zijn er later bij gemaakt.

Muziek

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

2716-2546

.

.

.