Tagarchief: klas 8 vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Michelangelo

.

HET EPOS VAN MICHELANGELO

.

Wat gebeurde er achter die hoge schutting? De stad Florence wist het niet. Maanden-, nu al jarenlang hoorden de voorbijgangers het gerinkel van staal op steen, het geklop van hamer op beitel. Maar iedereen wist dat dat stuk marmer verknoeid was door een andere beeldhouwer, die het onpraktisch smal en dun had uitgehouwen en er vlak boven de basis een diepe, driehoekige houw in had geslagen. Vele kunstenaars hadden het al bekeken, maar het stadsbestuur wist tientallen jaren geen raad met deze onoverwinnelijke reus.

Toen, op een maandagmorgen (13 september 1501), kwam de jonge Michelangelo Buonarroti met een beitel in de hand aanstappen om zijn krachten te beproeven. Twee en een halfjaar zwoegde hij eraan. Toen de juryleden zagen wat hij had gedaan, kenden zij hem een beloning van 400 gouden florijnen toe (een waarde van ongeveer 7000 gulden in 1966) en mocht hij een plaats voor zijn werkstuk kiezen. Michelangelo koos schaamteloos de opvallendste plaats — vóór het grote paleis op het Plein der Edelen.

Michelangelo

.

Veertig mannen zwoegden vier dagen lang met windas en rollen om het beeld naar zijn standplaats te brengen. Met vaste blik trotseert David zijn vijand, de reus Goliath. Iedere fout in het originele blok marmer is veranderd in volmaaktheid. De langgerektc, dunne vorm is het stevige lichaam van een hoogopgericht atleet geworden; de houw bij de basis is de ruimte tussen de krachtige benen. Iedere pees en spier, iedere ader in de gespannen ledematen is gevormd met een precisie alsof er inderdaad het warme bloed van een jonge vechter doorheen stroomt. “David” is, net als  alle grote werken van Michelangelo, meer dan een beeld; het is een levende waarheid — nog even levend als 500 jaar geleden.

Michelangiolo di Ludovico Buonarroti Simoni werd geboren in 1475 in Caprese, in midden-Italië, dicht bij de oorsprong de Tiber. De vrouw van een steenhouwer werd zijn min; hij had zijn beroep met de moedermelk ingezogen, gekscheerde hij later.
Zijn moeder stierf toen hij zes jaar was en het zou bijna 60 jaren duren voordat hij weer de tederheid van een vrouw ondervond. Hij groeide op in een ruwe mannenwereld, met egoïstische middelmatige broers die hun hele leven op zijn zak teerden en een inhalige, klaaglijke vader. Op school ging het niet best met de jongen. Hij tekende altijd, ook thuis op de muren. Dus kreeg hij slaag. Omdat dit niets hielp, kreeg hij meer slaag, en harder. Maar de kunstenaar bleef ongebroken.

Buonarroti senior wilde geldelijk profijt trekken uit de weerspannige jongen en stuurde hem op 13-jarige leeftijd naar het atelier van de beroemde gebroeders Ghirlandaio in Florence.
Hier kreeg hij zijn enige schilderlessen. Op een dag bestudeerden enkele leerlingen een vrouwenfiguur, getekend door Domenico Ghirlandaio; Michelangelo pakte een dikker potlood en corrigeerde de tekening, en, wat erger was, Domenico zag dat de brutale knaap gelijk had. Het gevolg was dat Michelangelo werd weggestuurd van het atelier (met een uitstekend getuigschrift).
Hij belandde in de kunstfabriek van Bertoldo, de beeldhouwer die klassieke beeldhouwwerken nabootste voor Lorenzo de Medici, de rijkste bankier van Europa en de officieuze dictator  van Florence, wiens bijnaam “De Luisterrijke” luidde.

Aan Michelangelo werd de ruwe bewerking opgedragen van blokken marmer in de tuinen van de Medici. Iedere dag werden zijn jonge schouders sterker, zijn blik zekerder — zo zeker dat toen Lorenzo toevallig een beeldje in handen kreeg dat de jongen had gemaakt uit een stukje afvalmarmer, hij hem meenam naar zijn paleis, hem kleedde in fluweel en liet bedienen samen met zijn zonen. Aan die vorstelijke tafel, waaromheen zich dichters en geleerden schaarden, nam voorlezen de plaats in van babbelen. Hier hoorde de jongeling de verheven gedachten van Plato, de machtige verzen van Dante. Een tweede talent, het dichterschap, werd in hem geboren; hij zou de auteur worden van 77 sonnetten die in hun oprechtheid als uit zijn ziel gehouwen schijnen.
Zijn ziel was groot als die van een profeet uit de oudheid vol verheven visioenen en zedelijke hartstocht. En toch was zijn karakter vol erbarmelijke, menselijke fouten. Hij was arrogant, lichtgeraakt en scherp van tong en in een vechtpartij met een oudere leerling liep hij een gebroken neusbeentje op. Die misvorming is altijd gebleven en ging dieper dan zijn gezicht. Want de man die schoonheid aanbad, vond zichzelf nu afstotelijk. Hij was niet groot, had heel brede schouders en was misschien geen knappe jongeman, maar de jaren zouden zijn gerimpelde gezicht onvergetelijk maken — de bittere, krachtige mond, de lichtbruine ogen vol van een haast bijbelse droefheid en liefde.

In 1492 stierf Lorenzo en zijn zoon Piero wist geen betere bezigheid voor Michelangelo te bedenken dan hem op een wintermorgen te laten halen en hem een reusachtige sneeuwpop te laten maken op de binnenplaats van het paleis. Weldra verliet de jonge kunstenaar de stad en belandde langs allerlei omwegen in Rome.
Daar maakte Michelangelo zijn eerste meesterwerk — een  Madonna die de gestorven Christus op haar schoot heeft. Hij hoorde bezoekers het werk aan een andere kunstenaar toeschrijven en daarom sloop hij op een avond de Sint-Pieter binnen en hakte er zijn naam in; de “Piëta” is het enige werk dat Michelangelo van een handtekening heeft voorzien.

Toen Julius II paus werd, maakte hij grootse plannen voor monumenten en gebouwen waarvan hijzelf dikwijls het middelpunt moest worden. Zo verhaastte hij de afbraak van de oude Sint-Pieter om zelf de hoeksteen voor een nieuwe kerk te kunnen leggen. Michelangelo was toen in Florence, maar Julius dacht dat de historie van hem de grootste graftombe zou verwachten die ooit gebouwd was en daarom liet hij de grootste kunstenaar komen.

Zo begon zijn vriendschap met Michelangelo, een vriendschap die voor de helft uit ruzie bestond. Julius was geestdriftig over Michelangelo’s plannen voor de graftombe. Er zouden niet minder dan 40 beelden van heiligen en profeten op voorkomen, allen geschaard om de baar van de Paus. Michelangelo vertrok naar Carrara om marmer te kopen, maar toen hij eindelijk terugkwam om Zijne Heiligheid te vragen, de vrachtkosten te betalen, liet paus Julius, nu gewikkeld in een dure oorlog tegen Bologna, hem de deur wijzen. Michelangelo schreef onmiddellijk een woedende brief aan de Paus en vluchtte toen, geschrokken van zijn eigen onbezonnenheid, naar Toscaans grondgebied, onbereikbaar voor de pauselijke macht. De Paus eiste dat Florence hem zou arresteren en terugsturen. Koelbloedige Florentijnen haalden in plaats daarvan de kunstenaar over, Julius in Bologna te ontmoeten, en om hem te vrijwaren voor gevangenneming verleenden ze hem de rang van gezant.
De Paus was vergevensgezind nu Bologna was verslagen en Michelangelo keerde met hem naar Rome terug.
Maar de een of ander had Julius ervan overtuigd, dat het ongeluk brengt als je tijdens je leven je eigen graftombe laat bouwen. Bovendien waren de opkomende schilder Raphael en zijn bloedverwant Bramante, de architect van de nieuwe Sint-Pieter in aanbouw, jaloers op Michelangelo. Zij haalden Julius over van Michelangelo te eisen dat hij het plafond van de pauselijke particuliere kapel, de zogenaamde Sixtijnse kapel, zou beschilderen. “Ik ben geen schilder,” protesteerde de beeldhouwer. “Laat Raphael dat maar doen.” Maar Julius hield aan en de daaropvolgende vier jaren was Michelangelo praktisch een gevangene   — eerst van de Paus, later van zijn eigen inspiratie.

Nooit had enige kunstenaar een afschrikwekkender opdracht gekregen. De Sixtijnse kapel is een donker, smal,  hokkerig bouwsel, meer hoog dan breed. De ruimte van het plafond wordt onderbroken door koekoekachtige ramen, waardoor allerlei ongebruikelijke hoeken en bochten ontstaan. Dit alles, 900 vierkante meter, moest worden beschilderd in fresco-techniek, dat wil zeggen met kleuren die vermengd zijn met water, niet met olie, en die worden opgebracht op nog natte kalk. In de tijd dat de kalk droogt, drogen ook de kleuren en de kunstenaar moet dus in een hoog tempo werken.

Michelangelo beklom de ladders, liep over de steigers, ging op zijn rug liggen en schilderde boven zijn hoofd. Hij werkte als een slaaf van zijn eigen scheppingsdrift en vergat vaak te eten en te slapen; hij stuurde de ene assistent na de andere weg en sloot de deur voor iedereen, behalve een oude bediende — en Paus Julius.
Julius had geen verstand van kunst, maar wel gevoel voor schoonheid. Hij wist ook dat het leven maar kort is. “Wanneer is het nu eindelijk klaar?” tierde hij vaak.
Ten slotte zei Julius: “Het is klaar, zeg ik je. Kom van die steiger af’, of ik laat je eraf gooien.” Sidderend, want hij was er een keer afgevallen, stemde Michelangelo erin toe, het werk prijs te geven aan de blikken van society,
kunstenaars en geestelijkheid. Daar boven hen, als Genesis geschilderd tegen het uitspansel, was het verhaal van de Schepping, van de Zondeval en de Zond­vloed! God is geschilderd terwijl Hij met een gebiedend gebaar de Hemelen scheidt. Hij ademt het stof leven in, en zie, daar staat Adam, naar Zijn beeld; Gods vinger laat die van Adam juist los terwijl de Mens zijn Schepper met verering aankijkt. En
onder de bescherming van de arm des Almachtigen richt Eva, gretig en bevreesd, haar blik op haar heer en meester. Profeten en sibillen vullen de moeilijke plekken. Het plafond telt 343 hoofdfiguren, stuk voor stuk subliem; elk onderdeel heeft de kracht van beeldhouwwerk.

Dezelfde oudtestamentische grootsheid komt tot uitdrukking in de marmeren “Mozes”, een fragment van de nooit voltooide graftombe voor Paus Julius — zo majestueus dat het de somberheid van de kerk die het herbergt verlicht. Het is alsof de Profeet zich met zijn tenen vastklampt aan de Berg Sinaï terwijl de donder en bliksem van de Heer rondom hem schijnen te woeden; hij houdt de tafelen der wet in zijn handen en zijn ogen schitteren van verontwaardiging. Volgens de overlevering heeft Michelangelo, toen hij dit beeld had voleindigd, het een laatste hamerslag gegeven en bevolen: “Spreek nu!”

Maar terwijl Michelangelo door zijn kunst zulke nooit verouderende waarheden tot uitdrukking bracht, waren de tijden waarin hij leefde vol godsdienstige onenigheden. Wereldse buitensporigheden hadden niet alleen de financiële maar ook de morele schatten van het Vaticaan tot op de rand van een bankroet gebracht. Het resultaat was dat half Europa tot opstand kwam in de protestantse revolutie. Franse, Duitse en Spaanse legers drongen Italië binnen, dat zelf werd verscheurd door een burgeroorlog. Paus Clemens, die nu in het Vaticaan zetelde, rukte op tegen Florence. In haar nood riep de stad der kunstenaars haar grootste zoon terug. Maandenlang zwoegde Michelangelo aan het versterken van heuvels en het plaatsen van kanonnen.

Uit het bloedvergieten en de angst van deze tijden groeit Michelangelo’s werk van diepste vredigheid — de graftombe van de Medici’s. Om deze tombe te bezoeken — en de stroom van bezoekers laat nooit af— gaat men naar de kapel naast de kerk van San Lorenzo in Florence en betreedt een ruimte, door Michelangelo ontworpen, die een vinger legt op de polsslag en de rusteloze geest doet bedaren. Daar staan, tegenover elkaar bij de muren, de twee graftomben, een voor Lorenzo de Medici, een voor zijn broer Giuliano. Gekleed in een licht harnas, zijn hand op het zwaard dwars over zijn knieën, staart de jonge Giuliano hunkerend naar de jaren die hij niet meer mocht meemaken. Deze figuur wordt gewoon “Het Actieve Leven” genoemd; haar tegenhanger “Het Beschouwelijke Leven” toont een peinzende Lorenzo, aarzelend de hand voor de mond, terwijl de helm de ogen beschaduwt die langs eenzame paden de dood tegemoetzien.

En weer legde een nieuwe Paus (hoe snel volgden zij elkaar op, hoe velen heeft Michelangelo overleefd!) de ouder wordende kunstenaar een uitputtende taak op de schouders. De muur van de Sixtijnse kapel achter het altaar moest nog versierd worden. En zo schilderde de beeldhouwer “Het Laatste Oordeel”. Michelangelo was nu oud — ouder dan zijn leeftijd, uitgeput door zijn worsteling met reusachtige opdrachten. Korte tijd had hij een innige vriendschap met een adellijke vrouw, Vittoria Colonna. Haar openbaarde hij, als voor niemand anders, zijn flinkere en verheven gedachten. Toen de dood haar overviel, werd hij haast een kluizenaar in een donker huisje in Rome. Hij leefde als een arm man, terwijl hij in feite zijn broers onderhield en een fortuin in contanten had verborgen in zijn atelier. Heimelijk schonk hij grote bedragen aan arme deugdzame meisjes, opdat ze een goed huwelijk konden doen.

Toch begon Michelangelo nog na zijn 70ste aan een nieuwe carrière als architect. Hij was nog een leerling toen hij werd aangewezen om de Sint-Pieterskerk te voltooien, die 50 jaar na het leggen van de hoeksteen nog een dakloze huls was. Vele bouwers hadden eraan gewerkt; het enige dat alle plannen gemeen hadden was de grootte, want dit moest de grootste kerk ter wereld worden. Het was een zo langdurige taak dat Michelangelo tussendoor tijd had, allerlei andere gebouwen overal in Rome te ontwerpen – kerken, paleizen, bruggen, musea. Zijn stijl beheerste op den duur de Eeuwige Stad als een machtige lofzang waarvan de akkoorden tot steen zijn verstild.

Sommige van Michelangelo’s plannen voor de Sint-Pieter werden nooit uitgevoerd, maar de grote dubbelplatige koepel is helemaal van hem en ze is een roemrijke kroon op deze schitterende kerk en op zijn leven. Uitvoerders zeiden dat het onmogelijk was, maar langzaam, laag voor laag, rees de grote stenen bult omhoog, schitterend van proporties, iedere laag als een uitdaging aan de zwaartekracht voortkruipend naar het middelpunt.
“Ik ben zo oud,” zei hij, “dat de dood aan mijn mantel trekt.” Maar voordat hij op 89-jarige leeftijd stierf, zag Michelangelo Buonarroti zijn werk bijna voltooid — de grootste en prachtigste koepel ter wereld. Vol licht en orgelgeschal en jubelend koorgezang, een wijde en luchtige climax van macht, bevat deze koepel — als iets ter aarde dit kan — een laatste echo van deze titanische geest.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

767-702

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Tolstoi

.

HIJ SCHREEF EN BELEEFDE OORLOG EN VREDE

In de romans van Leo Tolstoi is het leven rijker dan waar ook in de letterkunde. Daar vindt men oorlog en vrede, liefde en avontuur, geboorte en dood — een caleidoscoop van gedenkwaardige taferelen.
Een verdwenen Rusland, met zijn schitterend keizerlijk hof, zijn bals en duels en kranige officieren, zijn grondbezitters, virtuoos rijdende kozakken en domme horigen, zijn uitgestrekte, besneeuwde slagvelden en zijn nachten van roekeloos hazardspel en braspartijen met de zigeuners. De talloze personages staan ons nader dan de mensen die op dit ogenblik door de straten van Moskou en Leningrad lopen. Want dit was het leven zoals Tolstoi het zelf heeft geleefd en weergegeven met een begrip, waarvoor zijn grote christelijke liefde de enige verklaring is.

Tolstoi

Er was geen spoor van genialiteit in Tolstoi’s vroegste jaren. Hij werd in 1828 geboren op Jásnaja Poljána, de uitgestrekte bezitting van zijn vader, graaf Tolstoi, ongeveer tweehonderd kilometer ten zuiden van Moskou. Zijn moeder, prinses Maria Wolkonski, bracht voor haar echtgenoot een fortuin ten huwelijk mee en gaf haar kinderen het trotse bloed van Ruslands hoogste aristocratie. Volgens zijn eigen dagboeken leidde de jongeman het leven van een nietsnut, vrouwenjager en speler. Niemand had toen kunnen vermoeden dat dit maar één fase was — de vreemde, onvermoeibaar zoekende schrijver zou er in zijn lange leven heel wat doorlopen voordat hij ten slotte een “heilige” werd, niet alleen voor christenen maar ook voor aanhangers van andere godsdiensten, en, niet te vergeten, voor tallozen in Europa, Azië en Amerika die hun geloof nog niet hadden gevonden.

Zijn oorlog met zichzelf nam geen eind, en tot het laatst toe bleef vrede een hersenschim. Met een diplomatieke loopbaan voor ogen bezocht hij de universiteit van Kazan om er oosterse talen te studeren. Maar de man die even vloeiend Frans sprak en schreef als Russisch, die binnen drie maanden het Oudgrieks beheerste en met gemak Duits, Italiaans en Engels leerde, werd afgestoten door de trage, vormelijke methodes van het academisch onderwijs. Daarom stapte hij over naar de studie in de rechten. Ook dat werd een mislukking, want hij vond het recht geestdodend en zonder verband met de zedelijke gerechtigheid. Toen zijn speelschulden hem dwongen Moskou te verlaten, sloot de jonge Tolstoi zich aan bij een regiment aan de Kaukasische grens, dat de voortdurende aanvallen van de Tartaren afsloeg. De ongerepte natuur van dat oord, de besneeuwde bergtoppen en de droge, hoge lucht wekten een verrukking in hem die haast tastbaar aanwezig is in zijn prachtig verhaal De kozakken en in Hadzji Moerat. Het laatste werd pas vijftig jaar later geschreven, en niets bewijst zozeer dat Tolstoi iedere indruk niet alleen in zich opnam, maar ook zolang hij leefde in de oorspronkelijke luister kon bewaren.

Toen in 1853 de Krimoorlog uitbrak, liet de jonge officier zich naar het front overplaatsen. Zijn verhalenbundel Sebastopol geeft een onthullende kijk op de tragische heldenmoed van de Russische troepen, maar ook op de harteloze domheid van de legerleiding.
Als een schrijver van naam kwam hij na vier en een half jaar soldatenleven in zijn wereld van oppervlakkig vermaak terug. Hij was toen zevenentwintig. Maar niets was verspild aan die aartsverspiller; al wat hij had geleerd en beleefd als soldaat vindt men terug in Oorlog en vrede. Hoe schitterend het gezelschap ook was waarin hij zich bewoog, toch was Tolstoi nog vrijgezel, al voelde menige vrouw de aantrekkingskracht van zijn valkenblik en zijn zinnelijke mond. Hij maakte reizen door Frankrijk, Zwitserland en Duitsland, maar ware schoonheid was voor hem alleen in zijn geboorteland te vinden, waar de eindeloze steppen hem meer in verrukking brachten dan de Alpen.

Het allermeest hield hij van Jásnaja Poljána, waar hij nu heer en meester was. Maar de jonge graaf Tolstoi was een nieuw soort grondbezitter: hij voelde zich nederig tegenover de vrome, ongeletterde boeren. Hij richtte een school op voor hun kinderen die niet konden lezen en begon zijn lijfeigenen te bevrijden van menslievendheid die zij met wantrouwen gadesloegen. Zijn idealisme, zijn eerzucht, zijn eenzaamheid en zijn wisselende stemmingen brachten zijn innerlijk in een toestand van gisting.
Steeds vaker kwam hij op bezoek bij de familie Behr, het gezin van een hofarts, met drie aantrekkelijke dochters. Dit levendig en gastvrij huishouden werd door Leo Tolstoi als zijn tweede tehuis beschouwd. Het werd vereeuwigd als de familie Rostow in Oorlog en vrede.

Toen Leo op een dag een brief met een aanzoek overhandigde aan Sonja, de middelste en mooiste van de dochters, zei zij onmiddellijk ja. Hij was vierendertig en had een verleden; zijn verloofde was een onschuldig meisje van achttien. Leo, die als altijd verscheurd werd door twijfel aan zichzelf, vond dat hij niet het recht had met haar te trouwen als hij niet eerst zijn zonden biechtte; daarom gaf hij haar de dagboeken waar alle
bijzonderheden in stonden. Het meisje was zo dapper haar belofte te hernieuwen en het paar werd in de echt verbonden — het begin van
een leven van hartstocht en pijn dat achtenveertig jaar zou duren.
Zij was een praktische vrouw, hij was een weidse dromer. Zij
hield van de vermaken van het stadsleven en had eerst een hekel
aan het landelijk verblijf waar hij zich het gelukkigst voelde. Maar
daar staat tegenover dat zij hem dertien kinderen schonk, de
behartiging van zijn zakelijke belangen op zich nam en uit vrije
wil het reusachtige, steeds weer herziene manuscript van Oorlog en vrede tot zeven maal toe eigenhandig overschreef.
Oorlog en vrede is het heldendicht van Napoleons oorlog tegen Rusland in 1812; er wordt in beschreven hoe die oorlog als een vloedgolf over de meer dan vijfhonderd verschillende personages van het verhaal heen slaat. De meer dan levensgrote slagveldtaferelen met hun cavalerie-charges, slachtpartijen en staaltjes van heldenmoed, de brand van Moskou, de terugtocht van het Franse leger door de meedogenloze sneeuwstormen, alles wordt beschreven met een ongeëvenaarde breedheid van blik. En de persoonlijke verhalen die door het nationale drama heen zijn gevlochten, wekken ons diepste medeleven, want Tolstoi kon in het hart van een ander lezen als in een open boek. Doelend op Natasja, de bekoorlijke vrouwelijke  hoofdpersoon, zei Tolstoi’s jonge schoonzuster Tanja eens vol verbazing: “Ik kan me voorstellen dat je grondbezitters, vaders, generaals en soldaten kunt beschrijven, maar dat je in de huid van een verliefd meisje kunt kruipen – dat kan ik maar niet begrijpen.”

Deze reuzenroman, waar hij zeven jaar voor nodig had, was onmiddellijk een succes. Nu nog wordt hij in heel de beschaafde wereld gelezen en geprezen. Maar zolang zijn schrijversloopbaan duurde heeft Leo Tolstoi het gevoel gehad dat het eigenlijk een soort van zonde was, blij te zijn met loftuitingen. Waar hij aan toegaf, dat waren de eenvoudige genoegens van het buitenleven op Jásnaja Poljána: spelletjes met de kinderen, paardrijden en jagen, met het hele gezin om de samowar heen zitten in de winteravondschemering, het ontluiken van de berkenblaadjes in het voorjaar en het binnenhalen van de gouden oogst. Hier had hij zijn wortels en de volgende bloesem die daaruit ontsproot was een nieuwe grote roman, Anna Karenina, die de fascinerende tegenstelling beschrijft tussen een goed huwelijk op het land en een overspelige verhouding in hogere kringen.
Maar sterker nog dan zijn schrijverstalent was Tolstoi’s morele kracht. Elke fout in zijn gedrag bezorgde hem de ergste gewetenswroeging, en nog heviger leed hij onder de ellende van zijn medemensen. In de tsarentijd was Rusland net als nu het meest despotisch geregeerde land van Europa, maar de inmiddels beroemd geworden schrijver nam keer op keer risico’s om voor de vrijheid van anderen te strijden. Zo wierp hij zich op als kampioen voor de vrijheid van spreken, overtuigd dat politieke “misdrijven” – kritiek op de regering of de staat —juist tekenen van een gezond volksleven waren. Het hielp niet dat zijn stukken, verhalen en brochures waarin deze denkbeelden tot uiting kwamen, door de censuur verboden werden. Ze werden in andere talen overal in Europa gedrukt en duizenden Russen schreven de vertalingen over en lieten ze in het geheim circuleren.

In zijn hartstochtelijk speuren naar religieuze waarheid had Tolstoi een tijdlang zijn heil gezocht bij de Russische orthodoxe kerk. Maar hij kwam tot de ontdekking dat vlammende kaarsen, oude iconen, glinsterende mozaïeken en wierookgeuren een mens nog niet tot christen maken. Hij durfde hardop zeggen dat achter de waardigheid en het ceremonieel van vele priesters een ontstellende domheid schuilging. “Het Koninkrijk Gods is binnen in u,” riep hij uit. Daarna kreeg hij de kerk tegen zich. Op den duur kwam het zover dat Tolstoi zijn geloof alleen nog op de woorden van Christus grondvestte. “Gij zult den boze niet wederstaan,” staat er in de Bergrede. Volgens Tolstoi betekende dit dat iedere vorm van geweld, elke soort van gewapende macht in strijd is met de leer van Jezus. Nu was het leger woedend op de eens zo kranige soldaat. Er was maar één ding dat Tolstoi beschermde tegen de gezamenlijke toorn van tsaar, kerk en leger, en dat was de ontzaglijke invloed van zijn boeken over de hele wereld. De heersende machten hadden de moed niet, de bekendste Rus van zijn tijd tot martelaar te maken.

Uit vele landen stroomden bezoekers toe om de ziener met zijn witte haar en diepliggende ogen in levenden lijve te ontmoeten. Talrijk waren de mensen met wie hij briefwisseling onderhield. Onder hen was een jongeman uit India: Gandhi heette hij. Door Tolstoi kwam India’s toekomstige geestelijke leider veel te weten over de macht van het lijdelijk verzet zoals Christus dit predikt.
En net als de Mahatma ondernam Tolstoi het waagstuk, met zijn hervormingsplannen een begin te maken binnen het kader van het dorpsleven. In zijn school voor boerenkinderen ging hij verder dan de meest vooruitstrevende opvoedingstheorieën. Tolstoi gooide de gebruikelijke Russische en Europese leerboeken op de rommelzolder, omdat hij ze vervelend en verouderd vond; hij gaf de voorkeur aan de boeken die hij uit Amerika kreeg. Dit alles stuitte de inspecteurs van het openbaar onderwijs zo tegen de borst, dat zij de school sloten.

Iemand die de christelijke ethiek zo naar de letter opvolgt als Tolstoi dat deed, moet wel geringschatting koesteren voor comfort, tactiek, gezondheid en bezit — en dat is moeilijk voor de mensen die met hem leven en van hem houden. Hoe meer hij vergeestelijkte, des te praktischer moest Sonja zijn. Zij moest ervoor zorgen dat haar zoons een goede opleiding kregen, zij moest haar dochters introduceren in de uitgaande wereld van Moskou, zij moest zijn zaken behartigen. Ondertussen zwierf hij over de wijde vlakten van zijn dierbaar Jásnaja Poljána, zelf net een boer in zijn oude kiel en met zijn profetenbaard, ingesponnen in een eigen wereld van de geest en de natuur. Op zijn moeizame speurtocht naar eenvoud kwam de oude man tot de overtuiging dat het bezit van geld en goed niet strookte met wat zijn geloof was; hij verdeelde zijn landerijen onder zijn kinderen en besteedde een grote portie van zijn winstgevende auteursrechten aan zaken van openbaar belang. Om zijn brood te verdienen boog hij zijn hoofd  met het sneeuwwitte haar over een schoenlapperswerkbank en ging schoenen maken. Sonja huilde en maakte hem verwijten. De toestand tussen deze twee mensen werd onhoudbaar. Om maar niet meer bij zijn vrouw te hoeven zijn ging Tolstoi eindelijk het huis uit, in gezelschap van zijn dokter. Niemand wist er verder iets van. Het was hartje winter. Algauw sloot zijn dochter Alexandra zich bij hen aan. De reis met de trage, onverwarmde trein was nog niet ver gevorderd toen Tolstoi plotseling longontsteking kreeg. In Astapowo werd hij uit de trein naar het huis van de stationschef gebracht. Sonja kwam toegesneld, maar om de zieke opwinding te besparen, werd ze uit zijn kamer geweerd. Pas toen hij het bewustzijn al verloren had, werd ze toegelaten om woorden van liefde te fluisteren in zijn oren die niets meer hoorden, om zijn handen te kussen die niets meer voelden. Nu was het te laat voor die twee tegengestelde naturen, die elkaar toch zo hartstochtelijk hadden liefgehad; laat om tot het begrip te komen waarom ze in hun lang gemeenschappelijk leven hadden geworsteld.

Tolstoi’s laatste woorden zijn onthullend voor de geest die op het punt stond de aarde te verlaten. “De waarheid . . . .” zei hij heel op het laatst, en toen nog, als een getuigenis afgelegd voor het allerhoogste Gerecht: “Ik heb velen lief.”

Op 7 november 1910 verspreidde zich door de hele wereld het bericht dat deze oproerige, geniale ziel verlost was uit het lichaam waartegen hij zo had gestreden. Volgens zijn wens werd hij begraven in de bossen van Jásnaja Poljána. Er waren geen godsdienstige plechtigheden bij het graf van de man die de moed had gehad, met fouten en al, een leven in navolging van Christus te beproeven. Later hebben Sowjetpropagandisten gepoogd hem tot held te maken van de communistische revolutie, die hij nooit heeft beleefd. Maar de prediker van de geweldloosheid zou het op de huidige machthebbers niet begrepen hebben — Leo Tolstoi behoort veeleer toe aan allen die volgens zijn leer trachten te leven, die de mensheid liefhebben en bovendien hun hart hebben verpand aan de grootse literatuur waarin die mensheid wordt uitgebeeld.

.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

760-696

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Sikorsky

.

de reddende engel met de molenwieken

.

Op een sombere dag in 1938 zat ik aan mijn bureau in East Hartford, in de staat Connecticut, met tegenzin op een be­zoeker te wachten. Als eerste vicepresident van United Aircraft was mij de taak toebedeeld om een gewaardeerd vriend zijn werk te ontnemen en misschien zelfs een einde te maken aan schitterende carrière. Hij was een van ’s werelds grootste uitvinders op luchtvaartgebied — Igor Iwanowitsj Sikorsky.
In afwachting van het ogenblik van onze ontmoeting, riep ik mij de meteoorachtige opkomst van dit Russische genie voor de geest: hoe hij als 22-jarige jongeman in zijn geboorteplaats Kiev het wereldvliegrecord brak met een vliegtuig dat hij had ontworpen en geconstrueerd met de hulp van zijn medeleerlingen van het polytechnisch instituut; hoe hij als bouwer van reuzenvliegtuigen een snelle triomf beleefde en de held van zijn landgenoten werd. Ik dacht aan zijn ontsnapping naar de Verenigde Staten na de bolsjewistische revolutie, aan de honger die hij leed in het begin van de jaren twintig, toen hij en andere uitgewekenen hun schamele bezittingen botje bij botje legden om op een boerenplaats nabij een vliegveld vliegtuigen te bouwen uit afgedankte oude rommel. Ten slotte kwamen dan zijn grote vliegtuigen die het kenteken van Sikorsky, de “gevleugelde S”, over de hele wereld droegen.

Daar stond hij in de deuropening, een kleine, professorale figuur die men niet in verband zou brengen met een vliegtuigmotorenfabriek.
Zijn dunne, zwarte hangsnor gaf hem het aanzien van een Tartaar, maar uit zijn zachte donkere ogen sprak de mystiek van een heilige uit het Verre Oosten. Hij kwam een paar stappen de kamer in, klapte zijn hakken tegen elkaar en boog. Zijn correcte, gereserveerde houding zou de indruk kunnen wekken dat wij vreemden voor elkaar waren; in werkelijkheid hadden we jaren nauw samengewerkt.

Vlak voor de economische depressie had United Aircraft de Sikorsky-fabriek te Strafford, in Connecticut, aangekocht en in 1930 werd ik belast met de leiding ervan. Ik merkte al gauw dat het de wonderlijkste fabriek van de wereld was. Het bedrijf was tot barstens toe vol met charmante, beschaafde, temperamentvolle uitgeweken Witrussen — sommige uitgesproken begaafd – die hun grote uitvinder naar de vrijheid waren gevolgd. Toen groothertogin Marie een bezoek bracht aan de fabriek, stonden gewezen aristocraten op van hun banken en de machines stopten zolang de hooggeboren dame audiëntie verleende. Als de Community Grand Opera van Bridgeport, die heel wat zangers onder Sikorsky’s Russen telde, een voorstelling gaf, was het succes van een aria minstens even belangrijk als een vliegtuigorder, en de bezielende leider van de groep, een voormalige kozakkengeneraal kon — de depressie ten spijt — niet van de loonstaat worden geschrapt.

In deze wereld was de vriendelijke, mystieke Sikorsky koning. In zijn werkkamer hing een vergroting van het historische kiekje van hemzelf en wijlen tsaar Nicolaas, staande in de neus van het eerste viermotorige verkeersvliegtuig ter wereld — zijn schepping. De icoon in een van de hoeken getuigde van zijn diepgeworteld godsvertrouwen. Sikorsky gaf een landgenoot nooit een bevel. “Als u er niets op tegen hebt,” placht hij te zeggen, of: “Als dit denkbeeld niet indruist tegen uw eigen technische principes . . .” Maar zijn prestige was zo groot dat een voorstel van hem een bevel werd. Als iemand met een idee bij hem kwam placht hij te zeggen: “Uitstekend! Laten we het nu zo uitwerken” — en terwijl hij bedrijvig aan het tekenen ging bracht hij gewoonlijk ingrijpende wijzigingen aan. Wanneer het onderdeel dan later in productie kwam was het ontwerp eigenlijk van Sikorsky — maar de werknemer geloofde dat het van hem was.

In een poging om deze sympathieke individualisten samen te smelten tot een doelmatig productieapparaat, doken we in de boeken en stelden vast dat de productiekosten veel te hoog waren. “Er zijn grenzen,” zei Fred Rentschler, toentertijd president van de maatschappij, “aan de bijdrage die United Aircraft kan uittrekken voor steun aan Russische uitgewekenen.”
Ik gaf dus de productieafdeling opdracht om twintig percent op de kosten te bezuinigen, wat inhield dat er personeel ontslagen moest worden. Sikorsky ging volkomen akkoord. Maar later kwam ik erachter dat de loonlijst van de constructieafdeling met eenzelfde bedrag was gestegen. En toen die begroting besnoeid was gingen de directe arbeidskosten weer omhoog. Een meesterknecht in de werkplaats bijvoorbeeld, die de ene dag tijdelijk op non-actief was gesteld, dook de volgende dag weer op aan de tekentafel, en weer later aan de draaibank. De ingenieurs en afdelingschefs konden eenvoudig de noodzaak van kostenverlaging niet begrijpen.
Sikorsky probeerde het mij uit te leggen. “Van deze mensen die alles kwijt zijn en die herhaaldelijk de dood voor ogen hebben gehad, kan men niet verwachten dat zij zich zorgen maken over de financiële verliezen van een onpersoonlijke moederonderneming, hoe welwillend die zich ook heeft betoond.”

De rustige kracht die van Sikorsky’s persoonlijkheid uitstraalde, en zijn waarlijk intuïtief technisch genie vormden tezamen een flinke creditpost op de twijfelachtige balans. Men moest geloven in deze man. Dus organiseerden wij de zaken zo goed en zo kwaad als het ging en zetten allerlei plannen voor een nieuw vliegtuig op stapel.

Onder zijn opvallende zwarte vilthoed leek Sikorsky alles wat er over vliegtuigbouw te weten viel met zich mee te dragen, en van onder die hoed vandaan kwamen de befaamde vliegende klippers, de amfibievliegboten die in de jaren dertig de weg baanden voor het thans de wereld omspannende net van luchtlijnen. Maar door te bewijzen dat zijn vliegboten veilig in één sprong de oceaan konden overvliegen, had hij ongelukkigerwijze zelf de weg vrijge­maakt voor hun vervanging door landvliegtuigen. Omstreeks 1938 hadden wij een fabriek met een voortreffelijke bezetting, maar geen orders. Er zat niets anders op: het mes moest erin.
Toen het besluit was genomen om de Sikorsky-productie te staken, dacht ik aan de woorden van een collega: “Ergens zit er in die Russische kaviaar een parel verborgen. Als je hem kunt vinden, red hem dan.” Terwijl ik naar de wachtende Sikorsky keek kwamen die woorden mij weer in de herinnering.
“Het spijt me u te moeten meedelen,” zei ik, “dat wij besloten hebben de productie in de fabriek van Stratford stop te zetten. Mocht u echter een persoonlijk researchprogramma in gedachten hebben dat onze middelen niet te boven gaat, dan zullen wij dat graag in overweging nemen.”
“Als u er geen bezwaar tegen hebt,” zei Sikorsky, zou ik graag een paar opmerkingen willen maken van geheel persoonlijke aard. Ik ben uitermate vereerd door het vertrouwen dat men blijkbaar in mij stelt, en dit vertrouwen is wederkerig. Echter, wat Sikorsky ook heeft mogen bijdragen tot de ontwikkeling van de luchtvaart, het is de vrucht geweest van vele en de meest uiteenlopende persoonlijkheden. U zult dus begrijpen dat ik geen verantwoordelijkheid voor nieuwe onderzoekingen op mij kan nemen zonder de zekerheid dat mijn kleine groep creatieve medewerkers mij kan blijven assisteren.”
Zich met een ernstig gezicht naar mij overbuigend, ging hij verder: “Wat ik zeer dringend voor onze onderzoekingen zou willen aanbevelen is de terugkeer naar mijn eerste liefde: het hefschroefvliegtuig.”

Tot dat ogenblik waren er geen bruikbare hefschroefvliegtuigen vervaardigd. Toen Sikorsky twintig was had hij eens een lomp toestelletje in elkaar geflanst dat niet van de grond loskwam, maar hij beweerde dat het “een poging had gedaan”. Nu, dertig jaar later, verlangde hij ernaar zijn jeugddroom die deskundigen als louter dwaasheid beschouwden, waar te maken. Ik had geen vertrouwen in het idee, maar terwijl ik luisterde naar het hartstochtelijke pleidooi van deze aan zijn droom verknochte mens – een pleidooi dat, naar ik weldra begreep, zorgvuldig was voorbereid — vergat ik mijn twijfel en zag ik alleen nog maar Sikorsky’s visioen.

Hij gaf een indrukwekkende samenvatting van de hele geschiedenis der luchtvaart om te bewijzen hoe reeds herhaaldelijk het “onmogelijke” tot stand was gebracht. Dit bracht hem op het hefschroefvliegtuig. “Dit project zal de grootste inspanning van ons vergen,” zei hij, “maar wij moeten de oplossing niet alleen met het ‘verstand’ zoeken. Er zal veel technische ‘intuïtie’ voor nodig zijn en vertrouwen in eigen scheppingskracht. Op de balans van een bedrijf is voor dit soort dingen geen kolom onder het hoofd  ‘activa’ beschikbaar.” Met een kleine handbeweging stapte hij van het onderwerp “geld” verder af.

“Deze ontwikkeling is van zoveel belang voor de toekomst van de samenleving dat het onze taak is er een begin mee te maken,” vervolgde hij. “Ontegenzeggelijk betekent het hefschroefvliegtuig een radicale en mogelijk ‘onmogelijke’ omwenteling, maar de praktische mogelijkheden zijn vrijwel onbegrensd. Als geen ander vervoermiddel zal het kunnen opereren zonder zich te bekommeren om daartoe aangewezen landingsterreinen. Daardoor zal het de ernstige belemmering wegnemen die de vooruitgang ondervindt van de aan vliegvelden gebonden vliegtuigen met vaste vleugels. Het is geen concurrent van het vliegtuig, maar een aanvulling ervan. Als Sikorsky deze machine van de toekomst niet schept zal een ander het doen. Door scholing en ervaring zijn wij het best toegerust voor deze taak. En ten slotte” — hij pauzeerde even voordat hij zijn laatste en afdoende argument ter tafel bracht – “zal het hefschroefvliegtuig, in tegenstelling tot het gewone vliegtuig, gebruikt worden om mensenlevens te rédden en niet om ze te vernietigen!”

Hij kreeg het geld dat hij dacht nodig te hebben voor de bouw van een prototype. Toen hij na een waardig afscheid dankbaar vertrok om de vier ingenieurs die hij van de debacle had kunnen redden te gaan optrommelen, had ik intuïtief het gevoel dat ik “de parel had gered”.

Sikorsky begon dadelijk vierentwintig uur per etmaal te werken aan zijn “mogelijk onmogelijke” verticaal vliegende machine.
Na een paar maanden ontving ik op kantoor zijn eerste rapport — waarschijnlijk het levendigste rapport dat ooit door een ingenieur is gemaakt. Het bestond uit een spoel met een kleurenfilm. Toen ik die afdraaide zag ik iets dat leek op een enorm meccano-speeltuig – een samenstel van naakte metalen buizen waarin een motor hing — uit een hangar rijden, waarna de motor werd proefgedraaid. Spoedig volgden er meer filmrapporten en daarna kwam de periode van “gekluisterde vlucht”. Terwijl hij moeite had om zijn evenwicht te bewaren zat Sikorsky in de neus van de onberekenbare, snorrende vogel en vocht met de bedieningsorganen om stabiliteit te verkrijgen. Ten slotte slaagde hij erin de machine van de grond te krijgen. Maar overeenkomstig onze voorschriften werd de hoogte van het toestel beperkt door een bal die met een ketting aan het onderstel was bevestigd, zodat zijn leven in geval van een ongeluk zo min mogelijk gevaar liep.
Deze kluister was Sikorsky een doorn in het oog. Op een dag rukte de machine bal en ketting van de betonnen startplaats omhoog, en toen belde hij mij op. “Wij zijn nu zover gekomen dat toestemming om onze boeien te slaken noodzakelijk wordt,” kondigde hij vastberaden aan. “Daar u zelf vlieger bent zult u begrip hebben voor het feit dat het gevaar niet schuilt in het vliegen door de lucht, maar in het raken van de grond. Daarom vraag ik nu eerbiedig permissie om veiligheid na te streven in de vrije vlucht.”

De verfilmde rapporten die nu volgden boden mij het gedenkwaardige schouwspel van ’s werelds eerste helikopterpiloot, die zichzelf leerde om ’s werelds eerste bruikbare hefschroefvliegtuig te besturen. De besturing van een hefschroefvliegtuig is veel ingewikkelder dan die van een gewoon vliegtuig. Om horizontaal te vliegen moet aan de rotor een lichte helling worden gegeven die de machine in de gewenste richting trekt. Maar om te voorkomen dat deze hefschroef het toestel een draaiende beweging geeft, is een kleine verticale staartschroef aangebracht die het draaimoment opheft en die helpt bij de besturing. Sikorsky moest al deze bewegende onderdelen coördineren om een soepele besturing te verkrijgen. Het “berijden” van deze pionierhelikopter leek wel op het temmen van een wild, steigerend paard. Zoals hij daar in zijn gewone pak en met zijn keurige vilthoed op het hoofd op de “stoep” van zijn toestel zat, leek hij op een verstrooide professor die probeert zich iets van zijn aantekeningen te herinneren, en ik verbaasde me erover dat hij ooit met het ding had leren vliegen.

Terwijl ik hem zo zag stijgen en dalen, naar links en naar rechts zag schieten en achteruit zag zweven, viel het mij aanvankelijk niet op dat hij geen enkele keer vooruitkwam. Ten slotte belde ik hem erover op. “Dat is een moeilijkheid die wij nog niet hebben opgelost,” antwoordde hij vriendelijk. De moeilijkheid wérd opgelost. Het ging erom de besturingsorganen zo te bedienen dat precies het vereiste vermogen werd afgegeven voor de voorwaartse beweging; te veel vermogen zou het toestel schuin omhoog hebben doen schieten.

Hierna volgden nog vele proefvluchten en wijzigingen voordat “Igors nachtmerrie” eindelijk een in de praktijk bruikbaar luchtvaartuig werd.

Nu begon zijn loopbaan als redder van vele levens. Op een keer werd een vergadering in de Sikorsky-fabriek op dramatische wijze onderbroken door het bericht dat tijdens een storm een aak in Long Island Sound was losgeslagen van de sleepboot en vlak bij de kust was gestrand. Een hefschroefvliegtuig steeg op. En terwijl het als een kolibrie boven de schipbreukelingen zweefde die op de aak samengedrongen zaten, liet de piloot een reddingslijn neer en hees ze in veiligheid. De “engel van barmhartigheid”, zoals het toestel later werd genoemd, had vlakbij huis een demonstratie gegeven.

Sinds het eerste model — de VS-300 — hebben vele duizenden Sikorskyhefschroefvliegtuigen de lucht met hun lome schroefbladen doorkliefd en boven slagvelden, zeeën en bergen tienduizenden mensen gered.
Geïnspireerd door zijn voorbeeld hebben andere uitvinders vele voortreffelijke typen van hefschroefvliegtuigen ontworpen. Sikorsky houdt echter vast aan zijn beginsel van één enkele rotor. “Twee rotoren,” zegt hij, “gedragen zich als twee vrouwen in één keuken. Je zou denken dat ze tweemaal zoveel werk konden verzetten, maar ieders prestatievermogen zakt met 35 percent.”

Een van de aardigste dingen die ik mij herinner, gebeurde toen de historische VS-300 naar zijn laatste rustplaats werd gebracht- het Henry Ford museum te Dearborn, in de staat Michigan. Een grote menigte was samengestroomd. Sikorsky klom in het toestel, vloog naar de tribunes, hield stil voor Henry Ford en liet het vliegtuigje een buiging maken als een olifant in een circus. Bij menig ander zou dit een stunt voor fotografen zijn geweest; Sikorsky bedoelde met dit gebaar niets anders dan wat het was — een groet aan een collega.

Ofschoon hij reeds in 1957 aftrad als technisch directeur van Sikorsky Aircraft, bleef hij zijn maatschappij daadwerkelijk dienen als adviseur van haar enorme nieuwe fabriek te Stratford — die vele miljoenen dollars heeft gekost — waar hefschroefvliegtuigen worden vervaardigd voor militair gebruik en voor commerciële doeleinden in alle landen ter wereld. Sikorsky hield zich speciaal bezig met de ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden voor de reuzenhefschroefvliegtuigen van de toekomst, die zullen worden voortbewogen door gasturbines.

Sikorsky’s wezenlijk belangrijke werk vond gewoonlijk in de late avonduren plaats. Dan zat hij dikwijls in het donker en “dacht op muziek”. Als onverdroten mysticus gelooft hij dat sommige schilders en schrijvers de gave bezitten om door de sluier van de tijd heen te zien en vage toekomstbeelden te aanschouwen.

Misschien,” zegt hij in alle bescheidenheid, “geldt dat ook enigszins voor ingenieurs.”

.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

755-691

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Einstein

.

HIJ BRACHT DE KOSMOS IN KAART

.

De constructie van de atoombom is waarschijnlijk de belangrijkste gebeurtenis in de moderne geschiedenis. Ze heeft ons begrip van de oorlog radicaal gewijzigd en is de grondslag geworden waarvan de nuchterste conceptie van wereldstrategie moet uitgaan. En toch is de man, die hier in eerste instantie aansprakelijk voor was, een groot deel van zijn leven een vooraanstaand pacifist geweest, wiens denkbeelden door velen als fantastisch en wereldvreemd werden beschouwd. Het was een brief van Albert Einstein aan Franklin D. Roosevelt die er de stoot toe heeft gegeven dat Amerika de atoombom ging ontwikkelen.

Einstein

Het was Einsteins “Speciale Relativiteitstheorie” die de basis heeft gelegd voor het vrijmaken van de atoomenergie.

Zijn hele leven is Albert Einstein achtervolgd door dingen die hij nooit had begeerd — publiciteit, roem, aanbiedingen van geld en macht. Hij is veel misverstaan en er is veel twistgeschrijf om hem geweest. Honderden geleerden hebben een groot deel van hun loopbaan besteed aan het verklaren, of aan pogingen tot weerlegging, van zijn ontdekkingen. Ofschoon hij geloofde in de vrijheid van het individu en in de democratie, heeft men hem beurtelings uitgemaakt voor een “bolsjewiek” en een “werktuig van Wall Street”. Ofschoon hij een onwankelbaar godsvertrouwen bezat, werd hij aangevallen om zijn atheïsme.

Tot grote verbazing van de slechts het wetenschappelijk onderzoek dienende natuurkundige werden hem bedragen tot bijna een ton geboden voor het aanbevelen van allerlei producten, van likdoornpleisters tot auto’s. Zijn borstbeeld prijkt in bibliotheken universiteiten overal ter wereld, en in Duitsland is een monument voor hem verrezen. Hij is de enige Amerikaanse staatsburger geweest aan wie het presidentschap van een ander land is aangeboden. Dit alles speelde zich af rondom een man die niet meer vroeg dan in stilte te mogen denken en werken. “Ik ben gelukkig omdat ik van niemand iets verlang,” zei hij eens. “Maar natuurlijk vind ik het prettig als ik bij mijn collega’s waardering vind.”

Toen in 1933 de nazi’s in Duitsland aan de macht waren gekomen, verliet Einstein zijn geboorteland en trok naar de Verenigde Staten. Daar werd hij opgenomen in de staf van het Instituut voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek in Princeton, New Jersey. Hij was gelukkig in Princeton; hij vond er de rust waarnaar hij altijd had verlangd. De buren vonden het niet gek dat hij met lange haren liep omdat hij er een hekel aan had naar de kapper te gaan, of dat hij gemakkelijk zittende kleren droeg — een wijde pullover en een slobberig hangende broek.

Van het eerste ogenblik af dat hij zijn intrede deed in het Instituut, is Einstein meer dan louter waardering om zijn vakkennis ten deel gevallen. Mannen van wetenschap, gewoonlijk gereserveerd in hun uitingen, gebruikten onbeschroomd woorden als “bijna een heilige”, “nobel”, “beminnelijk”, wanneer zij het over hem hadden. “Zelfs in een gedachtewisseling over theoretische fysica,” zei een wiskundige, “straalt hij humor, warmte en vriendelijkheid uit.” Toch bleef Einstein, na bijna een halve eeuw een beroemdheid te zijn geweest, voor iedereen behalve zijn vrienden en naaste buren een teruggetrokken figuur.

Iedere werkdag ’s ochtends om half elf trok hij een oude zwarte jas aan — en ’s winters zette hij er nog een zwarte gebreide muts zoals zeelui wel dragen, bij op — stapte zijn houten huis uit en wandelde de ruim twee en een halve kilometer naar het Instituut. Zijn lange, onverzorgde haren en zijn druipsnor waren wit. Zijn ogen stonden, hoewel ze u geduldig en met vriendelijke belangstelling aankeken, dikwijls vermoeid en waren rood omrand. Hij sprak zacht, zijn Engels gekleurd met een licht Duits accent.

In zijn ruime, gerieflijke werkkamer met het riante uitzicht op een stukje bos, placht hij zich onmiddellijk te zetten aan de verdere uitwerking van zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld, waarop hij zich gedurende meer dan drie decenniën geheel concentreerde. Deze theorie verbindt de twee grote krachten van ons fysisch heelal, gravitatie en elektromagnetisme, en toont derhalve de onderlinge relaties aan die er tussen alle bekende natuurkundige verschijnselen bestaan.
Hij ging achterovergeleund in zijn stoel zitten en begon in een klein, keurig handschrift te schrijven op de grote blocnote die hij op een knie in evenwicht hield. Wanneer hij met een probleem vastliep, bleef hij er, nu en dan een lok haar om een vinger windend, net zo lang kalm en geduldig over zitten peinzen tot hij weer verder kon gaan. Elk van zijn theorieën was het resultaat van maanden en jaren onvermoeibaar werken aan wat hij noemde “gedachte-experimenten”.  Potlood en papier vormden zijn wetenschappelijke uitrusting; zijn geest was het laboratorium. Hij kon op dwaalsporen raken, verkeerde conclusies trekken — hij gaf het nooit op.

Het juiste antwoord, voelde hij, moest kunnen worden gevonden, omdat “God wel een raadsel, maar nooit boosaardig is.”
Einstein was diep overtuigd van de eenvoud en logica van het ordenend beginsel in de natuur. “Een soort geloof heeft mij er mijn hele leven voor behoed moedeloos te worden tegenover de grote moeilijkheden waarop ik bij mijn onderzoekingen stuitte.”
Wanneer hij zijn eigen conclusies op hun juistheid toetste, vroeg hij zich af: “Zou dit de manier kunnen zijn waarop God de wereld heeft geschapen?” Als creatief wetenschappelijk werker zag hij van een ontdekking zowel de “schoonheid” als de “juistheid”.
Evenals vele grote mannen was Einstein bescheiden en verlegen. Toen hij in Washington op een vergadering over Palestina binnenkwam, rees iedereen overeind om hem toe te juichen. Van zijn stuk gebracht, fluisterde hij een vriend toe: “Ze moesten maar eerst eens afwachten wat ik zal zeggen.”
Op een diner te zijner ere putte de ene spreker na de andere zich uit in loftuitingen op zijn genie. Einstein wist niet waar hij zich bergen moest. Ten slotte wendde hij zich tot de schrijfster Fannie Hurst en bracht haar op de begane grond terug met de nuchtere mededeling: “Weet u, ik draag nooit sokken.”

Op een aanbod president van Israël te worden antwoordde Einstein met zijn gewone bescheidenheid dat hij zich onbekwaam achtte voor het vervullen van een functie, die veelvuldig contact met mensen inhield. Het leek hem beter, zei hij, de studie voort te zetten van de stoffelijke natuur, waarvan hij “enige kennis” bezat. Einstein heeft nooit met hart en ziel tot een bepaalde maatschappelijke groep behoord. Hij stelde zich niet gemakkelijk voor andere mensen open. Dit was niet een uitvloeisel van zijn werk, maar lag veeleer in ’s mans aard. Deze terughoudendheid sprak reeds uit de eerste foto’s die er als kind van hem waren genomen.

Hij werd op 14 maart 1879 geboren te Ulm in Duitsland, maar bracht zijn eerste jeugdjaren door in München. Door zijn stille verlegen aard had hij weinig omgang met andere kinderen. Het duurde zo lang voor hij leerde spreken, dat zijn ouders vreesden dat hij achterlijk was. Zijn onderwijzers vonden hem een buitenbeentje. Hij had weinig vriendjes en deed niet mee met spelletjes. Zijn manier om zich te vermaken bestond in het componeren van kleine godsdienstige gezangen op de piano, om ze op eenzame wandelingen voor zich heen te neuriën. Zo tegen zijn twaalfde jaar had hij zich reeds op eigen houtje aan de studie van wiskunde en natuurkunde gezet. Op school kon hij echter lang niet in alle vakken goed meekomen. Ofschoon hij uitblonk in wiskunde en fysica, had hij geen aanleg voor talen. Hij wilde in Zwitserland verder studeren, maar zakte voor het toelatingsexamen tot de polytechnische school te Zürich. Een jaar later probeerde hij het nog eens en slaagde.

De eerste twee jaar na beëindiging van de studie had Einstein drie baantjes bij het onderwijs, raakte ze alle drie weer kwijt, leefde van de hand in de tand en trouwde met Mileva Marec, die eveneens natuurkunde had gestudeerd en hem twee zoons schonk.
In 1902 — hij was toen 23 — kreeg Einstein een betrekking als inspecteur bij het Berner octrooibureau. Het baantje vergde niet al te veel van zijn krachten en hij kon zich aan zijn eigen studie blijven wijden. Hij had zich de opgave gesteld tijd met ruimte, massa met energie te verbinden. Soms wanhoopte hij aan de mogelijkheid van slagen, en uitgerekend op de dag voordat hij het juiste bewijs vond, zei hij tegen een collega-inspecteur: “Ik geloof dat ik het maar opgeef.”

Op 26-jarige leeftijd stuurde hij, in de wereld der natuurwetenschappen nog een volslagen onbekende, zijn “Speciale Relativiteitstheorie” naar een wetenschappelijk tijdschrift. Hij vatte zijn theorie samen in wat nu de beroemdste vergelijking op het gebied van de natuurwetenschap is: E = mc2; globaal uitgedrukt: energie is gelijk aan massa maal het kwadraat van de lichtsnelheid. De vergelijking toonde aan dat, indien alle energie, opgehoopt in honderd gram van welke materie ook, kon worden vrijgemaakt, dit een kracht zou opleveren, overeenkomend met de explosiekracht van ruim drie miljoen ton TNT. Ofschoon de theorie een omwenteling teweeg bracht in de voorstelling, die de mens zich van het heelal had gevormd, beseften slechts weinig fysici op dat ogenblik de wereldschokkende betekenis ervan. Jarenlang was E= mc2 een onderwerp voor levendige discussies; na de ontploffing van de atoombom op Hirosjima was het grimmige werkelijkheid geworden.

Einstein deed meer dan de theoretische basis leggen voor de vervaardiging van de atoombom. Tegen het einde van de jaren dertig wisten vele geleerden dat de nazi’s er koortsachtig naar streefden tot ontwikkeling van de atoomkracht te komen. De Amerikaanse geleerden trachtten bij de militaire autoriteiten van de V.S. belangstelling te wekken voor een soortgelijk project, maar vonden weinig gehoor. Zij deden toen een beroep op Einstein om zijn invloed aan te wenden. Op een avond in 1939 stelde hij de brief op die een van de belangrijkste documenten van de Amerikaanse geschiedenis zou worden. “Recente onderzoekingen,” schreef hij aan president Roosevelt, “wekken de verwachting dat het element uranium in de naaste toekomst zal kunnen worden omgezet in een nieuwe en belangrijke bron van energie……Van deze nieuwe energie zou ook gebruik kunnen worden gemaakt voor de constructie van bommen.”
President Roosevelt machtigde onmiddellijk het Manhattan-Project de ontwikkeling van de atoombom ter hand te nemen, en de Verenigde Staten waren begonnen met de noodlottigste bewapeningswedloop die de geschiedenis te zien heeft gegeven.

Einstein bleef aan het werk met dezelfde voortvarendheid die hij 50 jaar had gedemonstreerd. Zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld was het resultaat van 35 jaar ingespannen arbeid. De kwintessens ervan is samengevat in vier vergelijkingen, die slechts twee regels van deze bladzijde zouden beslaan. In deze reeks vergelijkingen verbond hij de natuurkundige wetten die de krachten van licht en energie beheersen met de geheimzinnige zwaartekracht waaraan alle stoffelijke dingen zijn onderworpen.
Einstein geloofde dat zijn theorie “in hoge mate overtuigend” was, maar kon niet met zekerheid zeggen dat ze juist was.

Albert Einstein is op 18 april 1955 in Princeton gestorven. Hij was toen 76 jaar, en tot het laatst heeft hij zich ingespannen om nog meer geheimen van tijd en ruimte te ontraadselen. De kans op mislukking heeft hem nooit ontmoedigd. Hij wist dat de mens nooit de werkelijkheid zal kunnen doorgronden en dat “de schoonste ervaring die wij kunnen opdoen de belevenis van het mysterie is.”

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

Einstein wordt door Rudolf Steiner in verschillende voordrachten genoemd, m.n. om zijn relativiteitstheorie.

( )um einmal die ganze Relativitätstheorie in ihrer Berechtigung und Unberechtigung darzustellen. Ich glaube, die Leute sollten doch einmal einen Begriff bekommen von folgendem: Nicht wahr, man kann doch ein Problem der Relativitätstheorie so behandeln: eine Kanone wird in Freiburg i. Br. abgeschossen, man hört sie in einiger Entfernung, man kann die Entfernung berechnen. Man geht jetzt dazu über, zu berechnen, wie die Zeit sich ändert, wenn man sich dem Schall entgegenbewegt oder vom Schall weg. Die Fortpflanzungszeit wird verlängert, wenn Sie von Karlsruhe nach Frankfurt sich bewegen. Dann, wenn Sie sich nach der anderen Rich­tung bewegen, wird die Zeit verkürzt, bis Sie zu null kommen, wenn Sie die Kanone in Freiburg selber hören. Sie können über Freiburg hinausgehen, dann müssen Sie dazu kommen, die Kanone zu hören, bevor sie losgeschossen wird. Das ist der Grundfehler, der darin steckt.

Om nu eens de hele relativiteitstheorie recht te doen, maar ook om aan te tonen waar ze niet terecht is. Ik geloof dat de leerlingen toch een keer een begrip moeten krijgen van het volgende: Je kan een probleem van de relativiteitstheorie zo behandelen: in Freiburg i.B. wordt een kanon afgeschoten, op een bepaalde afstand hoor je dat; die afstand kan je berekenen. Nu ga je berekenen hoe anders de tijd wordt, wanneer je in de richting van de knal gaat of ervandaan. De geluidsvoortplantingstijd wordt langer als je van Karlsruhe naar Frankfurt gaat. Als je de andere kant op gaat, wordt de tijd korter, tot aan 0 toe, wanneer je het kanon in Freiburg zelf hoort. Je kan Freiburg dan voorbij gaan, dan zou het moeten gaan gebeuren het kanon eerder te horen dan het afgeschoten is. Dat is de basale fout die erin zit.
GA 300C/159
Niet vertaald

Ook op andere plaatsen: gebruik daarvoor deze zoekmachine

742-679

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lincoln

DE PALENSPLIJTER

Lincoln

Vijf gebeurtenissen, die naar tijd en plaats slechts in een ver verwijderd verband met elkaar stonden, hebben Abraham Lincoln tot president der Verenigde Staten gemaakt. Noch door zijn karaktereigenschappen en welsprekendheid, noch door zijn politieke wijsheid was Lincoln in het uur van het grootste gevaar aan het hoofd van zijn volk komen te staan, indien toevallige omstandigheden daar niet toe hadden meegewerkt.

Welke omstandigheden? Een uitnodiging om een lezing te komen houden tegen een honorarium van tweehonderd dollar. Het feit dat een jongeman zakte voor zijn toelatingsexamen voor Harvard. De onverwachte zin voor publiciteit, die een politicus in Decatur, Illinois, aan den dag legde. Een drukker die zijn belofte niet nakwam. En ten slotte een nachtelijke politieke samenzwering in een hotelkamer. Indien dit alles nogal ongerijmd lijkt en geheel verschillend van de algemeen aanvaarde historische versie, laten wij dan de gebeurtenissen zelf eens bezien — die toen schuilgingen achter de politieke opwinding van die dagen en nu verbleekt zijn omdat zij al zoveel jaren achter ons liggen – en vaststellen hoe Lincoln nu eigenlijk aan de macht is gekomen.

Eerst dienen wij kennis te maken met een mismoedig man in zijn kale advocatenkantoor in Springfield, Illinois. Dat was in de herfst van 1859. Lincoln was toen 50. Meer dan twintig jaar had hij het beroep van advocaat uitgeoefend, waarmee hij ongeveer 3000 dollar per jaar verdiende, hoewel het kantoor nog niet lang geleden aan enige zaken goed had verdiend. Zijn aardse bezittingen bestonden uit het huis, waarin hij woonde, 80 hectare land in de districten Crawford en Tama, in de staat Iowa, en wal bouwgrond en nog wat kleine percelen in de buurt van Council Bluffs, Iowa, die hij met een wissel had betaald. Zijn inkomen in geld was niet groot, en zijn kredietwaardigheid evenmin.
Onder zijn confrères begon men over hem te praten als kandidaat voor het presidentschap. Hijzelf kwam daartegen op. Waarom,  vroeg hij, zou de Republikeinse Partij hem in overweging nemen, terwijl men vooraanstaande figuren als William H. Seward uit New York of Salmon P. Chase uit Ohio had? Niettemin wilde hij zelf wel president worden en nam daarvoor merkwaardig ge­noeg zijn toevlucht tot het houden van lezingen, misschien als middel om bij het publiek bekend te worden. Bovendien had hij het extra inkomen nodig en hij had dus wel belangstelling voor een aanbod van tweehonderd dollar plus onkosten voor een lezing in de Plymouth-kerk te Brooklyn. Het aanbod was nog om een andere reden aantrekkelijk. Het zou hem in de buurt van zijn oom Robert brengen, die in de herfst naar Cambridge was gegaan in de hoop op Harvard toegelaten te worden. Maar op het toelatingsexamen was Robert op vijftien van de zestien onderwerpen gezakt en was toen naar de Philips Exeter Academie in New Hampshire gegaan. Lincoln was benieuwd hoe zijn zoon het maakte en de lezing gaf hem een goede gelegenheid hem te bezoeken.
Nadat men de Plymouth-kerk voor Lincoln had besproken, vernamen de organisatoren dat hij zou spreken over een politiek onderwcrp en zij kozen toen een andere plaats van samenkomst, het Cooper Union-gebouw in het hartje van New York, dat meer mensen kon bevatten. Hoewel het op die 27ste februari een stormachtige avond was, kwamen er ongeveer vijftienhonderd mensen en met een toegangsprijs van 25 cent kwam men tot een recette van 367 dollar. De Newyorkers hadden al dikwijls over die lange advocaat uit het westen gehoord en waren benieuwd hem te zien.
Zelfs Lincolns vrienden maakten zich zorgen over de indruk die hij zou maken. “Maar,” aldus een van hen die de lezing bijwoon­de, “hij hield het enorme gehoor geboeid met zijn logica en aan het eind kreeg hij een oorverdovend en langdurig applaus.” De volgende dag drukten de Newyorkse kranten de volledige redevoering af, met het gevolg, dat in heel Nieuw-Engeland de Repu­blikeinse leiders een dringend beroep op Lincoln deden om langs zijn reisroute naar Exeter spreekbeurten te komen vervullen. In de daaropvolgende week gaf hij elf lezingen in Connecticut, Rhode Island en New Hampshire en maakte daarbij, gezien de latere gebeurtenissen, een onuitwisbare indruk. Robert Lincoln zou later altijd beweren, dat, indien hij niet gezakt was voor het toelatingsexamen voor Harvard, zijn vader die winter waarschijnlijk niet naar New York en Nieuw-Engeland zou zijn gekomen en misschien nooit president zou zijn geworden.

Laat ons nu terugkeren naar Springfield, waar Lincoln voor het eerst begon te geloven dat een kandidaatstelling voor het presi­dentschap tot de mogelijkheden behoorde. Seward, de eminente en populaire Republikeinse leider, had zich in Illinois reeds een sterke positie verworven. Daarom begon Lincoln aan invloedrijke werkers voor de partij brieven te schrijven. Hij wist dat hij geen kans zou hebben, tenzij hij op de Nationale Conventie van de partij zijn eigen staat achter zich had. Hij schreef Norman B. Judd aan, die Noord-Illinois vertegenwoordigde in het nationale partijbestuur, en vroeg hem: “Kunt u mij vanuit uw hoekje van de wijngaard een handje helpen?” Judd deed het zo goed, dat hij gedaan kreeg dat de Nationale Conventie in Chicago werd gehouden.

Lincoln had een andere goede vriend in Richard J. Oglesby uit Decatur, die een voor de grensstreek in de jaren ’60 zeldzaam gevoel voor publiciteit bezat. De vergadering voor de staat Illinois zou in Decatur worden gehouden en Oglesby stelde zich ten doel, de afgevaardigden hun steun aan Lincoln te laten geven.
Oglesby had gehoord, dat Lincoln in zijn jeugd in de buurt vau Decatur samen met John Hanks, die nog altijd in de streek woonde, palen had gespleten. Hij ging Hanks dus opzoeken en vroeg hem of er nog enkele van die palen in gebruik waren. Hanks herinnerde zich dat zij een omheining hadden gemaakt op een boerderij een kilometer of vijftien ten westen van de stad, van gespleten acacia- en notenboomstammetjes. Oglesby nam de oude John Hanks daarop mee in zijn sjees en reed naar de boerderij, waar zij ontdekten dat de omheining nog altijd dienst deed. Zij namen er twee gespleten stammetjes uit, sjorden die vast op de sjees, namen ze mee naar Decatur en verstopten ze in Oglesby’s schuur. Een week later stond Oglesby op het juiste ogenblik in de vergadering op en deelde mee dat een vroegere Democraat de vergadering iets kwam aanbieden. Daarop verscheen de oude John Hanks ten tonele met de stammetjes die hij en Lincoln in 1830 hadden gespleten. Er was een bord aan bevestigd met:

ABRAHAM LINCOLN
DE PALENSPLIJTER
KANDIDAAT VOOR HET
PRESIDENTSCHAP IN 1860

De vergadering werd wild enthousiast. Seward en zijn aanhang leden een verpletterende nederlaag en op staande voet zegde Illinois officieel zijn steun toe aan Lincoln. En dat niet alleen; John Hanks en zijn palen werden een vaste verschijning op alle politieke vergaderingen. “Abraham Lincoln, de palensplijter” werd een nationale politieke leuze.

Maar er wachtten nog twee beslissende gebeurtenissen in dit spel van het lot. De Nationale Conventie van de Republikeinse Partij kwam op woensdag 16 mei 1860 in Chicago bijeen. Op donderdag werd het kiesprogramma aangenomen. Die avond zou de partijkandidaat worden benoemd. Over het resultaat scheen geen twijfel mogelijk. Seward was de eerste keuze. Proefstemmingen onder de passagiers van vier treinen, die de stad binnenliepen, gaven Seward 860 stemmen, Lincoln 144 en alle anderen samen 288. De stemming van de afgevaardigden scheen louter een formaliteit en op die donderdagavond nam iedereen als vaststaand aan, dat Seward kandidaat en daarna president zou worden.
Maar de tellijsten, die de drukker beloofd had tegen negen uur af te leveren, kwamen niet opdagen. Na enige tijd werden er boodschappers uitgestuurd om ze te gaan halen. Na een half uur waren die nog niet terug, de afgevaardigden werden rusteloos en ten slotte kwamen er twee met het voorstel, de vergadering tot de volgende ochtend tien uur te verdagen. Aldus werd besloten en zo werd een onbekend en onbetrouwbaar drukkertje een werktuig van het lot. Want in die nacht veranderde de loop der geschiedenis.

Toen de vergadering verdaagd was, gingen Lincolns vrienden koortsachtig aan het werk. Hun redenering was, dat Seward, indien hij benoemd werd, Pennsylvania, Indiana en Illinois niet zou kunnen winnen en zonder ten minste twee van die staten plus New Jersey zou de Republikeinse zaak verloren zijn.

Dit argument sloeg in bij vele weifelende afgevaardigden. Maar men had hele groepen nodig, niet alleen individuele stemmen en de nacht vorderde. In afzonderlijke hotelkamers begonnen twee van Lincolns politieke agenten de strijd om hele staatsdelegaties. Lincoln, die zich in het op 250 kilometer afstand gelegen Springfield bevond, moet iets vermoed hebben, want hij zond hun een boodschap: “Doe niets dat mij bindt.” De onderhandelaars waren verbijsterd. Eerst werden ze nijdig, maar toen besloten zij snel: “Wij doen alsof wij die boodschap nooit ontvangen hebben.”
In de tijd die hen nog van de dageraad scheidde, maakten zij twee afspraken. In ruil voor twee posten in het kabinet beloofden  Pennsylvania en Indiana hun stemmen op Lincoln te zullen uitbrengen.
Toen de vergadering de volgende ochtend weer bijeenkwam, had Seward een flinke voorsprong in de eerste ronde, terwijl verscheidene staatsdelegaties voor eigen kandidaten stemden. In de tweede ronde gingen Pennsylvania en Indiana als eersten naar Lincoln over. In de vierde ronde kwam Ohio zich bij hen voegenm rn toen was het pleit beslist. Van de 466 stemmen, uitgebracht in de laatste ronde, waren er 354 voor Lincoln. Met zijn benoeming als Republikeins kandidaat was het presidentschap voor hem verzekerd, want de Democraten, hopeloos verdeeld over de kwestie van de slavernij, hadden drie afzonderlijke kandidaten aangewezen.
In november werd Lincoln tot president gekozen, met veertig percent van het totale aantal stemmen.
Zo had een vreemde reeks op zichzelf staande gebeurtenissen tot gevolg dat hij in het Witte Huis kwam. Maar was het wel toeval? Was het louter een kwestie van politieke intrige? …. Of móést het zo zijn? Is het niet mogelijk, dat op die beslissende dag de hand van het lot op Abraham Lincolns schouder rustte?

Meer over Lincoln

Zie ook: Trevithick;    Stephenson

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

737-674

.

,

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Voltaire

.

DE VONK DER REDE
.

‘Met geen uwer woorden ben ik het eens, maar uw rechgt van meningsuiting zal ik tot aan mijn dood verdedigen.’

Ve­len schrijven deze beroemde zin aan Voltaire toe. Ze vloeide evenwel uit de pen van één zijner biografen die zo op vol­maakte wijze Voltaires leven van strijd voor vrijheid van denken samenvatte. Hij was in een tijdperk van kwezelarij de eerste ver­lichte denker, en hij veranderde het in het Tijdperk van de Rede. 

Men heeft Voltaire wel een cynicus genoemd omdat hij zich het recht voorbehield te twijfelen aan hetgeen hij niet kon ge­loven. Voltaire is ook wel een atheïst genoemd. Hij gaf hiervan uitleg aan zijn Schepper, niet aan degenen die hem beschuldigden:

O verborgen God die spreekt uit Zijne werken
Hoor mijn laatste woorden nu:
Zo ik dwaalde, ik dwaalde zoekend naar Uw Wet,
Doch mijn dwalend hart was immer vol van U.

Dit zijn woorden uit een berouwvol, nederig hart. Nimmer be­streed Voltaire het eenvoudige geloof, wel echter bespotte hij de bijgelovige goedgelovigheid, die onterende vervalsing van het geloof.

Het kind dat als man het pseudoniem “Voltaire” zou voeren, werd op 21 november 1694 te Parijs geboren en Francois-Maric Arouet gedoopt. Op zevenjarige leeftijd verloor hij zijn moeder. Hij had een zwakke gezondheid en was erg klein voor zijn leef­tijd. Deze vurige kabouter had een schelmse lach en een onna­tuurlijke liefde voor de wetenschap. Op zeventienjarige leeftijd gaf hij het voornemen te kennen, letterkundige te worden. Papa Arouet, een maatschappelijk streber, die bovendien benauwend vroom was, vond dat een onfatsoenlijk beroep en dwong de jongen te gaan werken op een advocatenkantoor, waar hij glorieus mis­lukte. Hij werd daarna in diplomatieke dienst naar Nederland gezonden, alwaar hij prompt probeerde een meisje van arme ouders te schaken, en met schande overladen naar huis terugge­zonden werd. En nog steeds wilde hij schrijver worden.
“Schrijver zijn betekent honger lijden,” riep papa Arouet uit, en hij pro­beerde het lot een handje te helpen door hem te onterven. Binnen tien jaar was de jonge “monsieur Voltaire” een beroemd man.

Zijn succes was ook een beetje te danken aan de omstandigheid dat de censors bijna al zijn boeken verboden en na twee opvoerin­gen meestal ook zijn toneelstukken. Het gevolg was, dat de voor­aanstaande Parijzenaars de premières van zijn stukken in drom­men bijwoonden en de bijtende volzinnen in het geheugen prent­ten; zijn boeken deden de ronde alsof het de vlugschriften van de een of andere ondergrondse organisatie waren, en ook in het bui­tenland werden ze gretig gelezen. De officiële beschuldiging, die luidde dat Voltaire de openbare zeden bedierf, sloeg niet op de burgerlijke fatsoensnormen; het betekende wat het tegenwoordig in Rusland zou kunnen betekenen — dat kritiek op de regering de hoogste graad van “immoraliteit” was. De toneelstukken en fantastische romans speelden weliswaar gewoonlijk in exotische en vreemde landen, maar iedereen begreep de politieke dubbel­zinnigheden en schudde van het lachen. Nu is vrolijkheid een vlam die regeringen niet kunnen doven. Voltaire werd derhalve veroordeeld tot bijna een jaar gevangenisstraf in de Bastille.

Aan hem begaan onrecht kon Voltaire wel verdragen, maar niet het onrecht dat anderen werd aangedaan. Toen de beroemdste toneelspeelster van Frankrijk, Adrienne Lecouvreur, een vreselijke doodsstrijd streed, hoorde Voltaire die aan haar sponde zat, de priester van haar verlangen dat ze haar kunst als een zondig kijkspel zou verloochenen. Adrienne Lecouvreur weigerde fier. De priester verliet haar zonder geestelijke bijstand te hebben gegeven, en ze werd door de politie in een naamloos graf begraven. Vanaf die dag koesterde Voltaire haat — niet tegen het christen­dom, zoals wel wordt beweerd, maar tegen onchristelijkewreed­heden. “De man die mij zegt: ‘Geloof als ik, of God zal u ver­doemen,” vermaande hij, “zal al gauw zeggen: ‘Geloof als ik of ik zal u doden.”

Het duurde niet lang of Voltaire werd ten tweede male in de Bastille geworpen. Onder de belofte dat hij Frankrijk zou verlaten, werd hij vrijgelaten, waarop hij scheep ging naar Engeland. In Londen werd hij getroffen door de liefde — in plaats van de vrees — die men voor de koning koesterde. Hij kwam ook diep onder de indruk van de begrafenis van Isaac Newton in de Abdij van West­minster — in Frankrijk zou men zo’n onbelangrijk man als een geleerde niet hebben geridderd, laat staan met zoveel pracht begraven. Hij verbaasde zich over de macht en de onafhankelijk­heid van het parlement en bovenal over de rechtspleging in Engeland.

Voltaire heeft in zijn leven slechts één Amerikaan gekend, Benjamin Franklin, en die bewonderde hij zeer; maar hoeveel meer zou hij zich verwant hebben gevoeld met Jefferson die later schrijven zou dat “alle mensen gelijk geschapen zijn,” en dat ze “het onvervreemdbare recht hebben op vrijheid, leven en het nastreven van geluk!” Want dat waren gedachten waaraan Vol­taire lang voordat Thomas Jefferson werd geboren uitdrukking had gegeven.

In 1729 kreeg de toen 35-jarige Voltaire toestemming om naar Frankrijk terug te keren. Hij maakte handig gebruik van een ver­gissing die de regering bij het uitgeven van loterijbriefjes had be­gaan en wist een syndicaat op te richten dat alle briefjes opkocht. Hij schepte openlijk genoegen in zijn aldus verworven rijkdom. Hij hield van comfort, mooie kleren en fraaie rijtuigen. Hij was zich echter scherp bewust van het lijden om hem heen dat hij niet, zoals de genotzieke rijken en de op weelde gestelde geestelijkheid, gemakshalve toeschreef aan “Gods wil”. Hij had fouten in over­vloed. Hij was zelfzuchtig en twistziek; hij placht zich met om­standige leugens uit moeilijkheden te draaien, en als hij in we­zenlijk gevaar kwam te verkeren, koos hij het hazenpad. Niettemin bezat hij een van de belangrijkste zedelijke waarden: hij zag de mens als een vrij individu dat verantwoordelijk was voor zijn eigen daden, met zijn geweten als rechter.

Hij verafschuwde wreedheid en onverdraagzaamheid en be­streed ze op een geestige manier die voortkwam uit zijn gevoel voor rechtvaardigheid, door “woede te veranderen in een lach en vuur in licht.”

“Het is mijn vak,” zei hij, “om te zeggen wat ik meen.” En wat hij dacht vulde 99 boekdelen met toneelstukken, gedichten, romans en artikelen. Hij schreef ongeveer 8000 brieven aan be­roemde mensen. Catharina de Grote van Rusland schreef te hopen dat haar antwoordbrieven niet zo veelvuldig waren dat ze hem verveelden. Christiaan VII van Denemarken maakte zijn verontschuldigingen voor het feit dat hij niet alle hervormingen tegelijk doorvoerde. Gustaaf III van Zweden schreef dat hij poog­de te leven naar de door Voltaire gestelde maatstaven van men­selijkheid, en Frederik de Grote, toentertijd kroonprins van Prui­sen, kwam incognito om aan de voeten van de meester te zitten.

Degenen met wie Voltaire briefwisseling onderhield hadden moeite om zijn adresveranderingen bij te houden, want hij werd vaak gedwongen, onder te duiken. Herhaaldelijk lieten de censors zijn boeken in het openbaar verbranden, en geheel Europa kon bij het licht van die vlammen zien wat Voltaire dacht van hoge militairen, wondergenezingen, de goddelijke rechten van konin­gen, en het Heilige Officie van de inquisitie. Met één zin kon hij iemand vernietigen: kardinaal Mazarin, zo schreef hij, was schul­dig aan “alle goede daden die hij niet had begaan”.
In 1749 aan­vaardde Voltaire een veel vroeger gedane uitnodiging van Frede­rik de Grote om het nieuwe en boerse Pruisische hof te Potsdam met zijn aanwezigheid op te luisteren. Al gauw werd Voltaire, die zich ergerde aan het militarisme van de Pruisische Junkers, en die zich amuseerde om hetgeen het hof zich aanmatigde, Frederik een doorn in het oog, die hem gestadig meer last be­zorgde. Hij joeg Voltaire van het hof weg. Door wraakgierige invloed van Frederik, vond Voltaire daarop vrijwel elke grens voor hem gesloten.

In 1755 vond de bejaarde filosoof in de kleine, vrije Republiek van Genève een toevlucht. Drie jaar later kocht hij grond in Ferney, een kilometer of zes buiten Genève, op Frans grondgebied. Vrijwel een ieder die in Europa iets betekende, kwam hem daar opzoeken. Daar amuseerde Voltaire, het broodmagere lichaam gehuld in een prachtige geelsatijnen mantel, en de bekende schelmse lach op het gerimpelde gelaat, zijn gasten met de meest onderhoudende tafelgesprekken in Europa. Men kwam voor drie dagen en bleef drie maanden. “God behoede me voor mijn vrien­den!” verzuchtte hij. “Ikzelf bescherm me wel tegen mijn vijan­den.”

Ontelbare slachtoffers van godsdienstige en politieke vervol­gingen stelden zich onder zijn bescherming. Hij liet huizen voor hen bouwen en hielp de vaklieden onder hen, hun eigen zaak te beginnen — timmerlieden, schoenlappers, melkveehouders, we­vers en pottenbakkers. Het duurde niet lang of hij had een heel dorp op zijn landgoed, en hij bouwde er een kerk en een school voor de dorpskinderen. Men zou mogen hebben verwachten dat hij zijn laatste jaren in rust en vrede zou slijten, maar zijn bitterste strijd en zijn belangrijkste werk wachtten hem nog. In het jaar 1762 — een jaar waarin godsdienstfanatici nog immer de jaardag van de kettermoorden herdachten — vond men in een winkel in Toulouse een jongeman dood in een strop. Het gerucht wilde dat hij een protestant was die zich tot het katholicisme had willen bekeren, en dat zijn vader, Jean Calas, een zwak en zachtmoedig man, zijn grote, potige zoon had opgehangen. Galas werd na afgrijselijke martelingen terechtgesteld zonder dat hij een beken­tenis had afgelegd. Naarmate Voltaire zich meer in deze zaak ver­diepte, werd hem de erbarmelijke toestand van het strafrecht zoals dat in bijna geheel Europa — behalve in Engeland — ge­pleegd werd, steeds duidelijker. Er was geen jury geweest; men had de aangeklaagde geen rechtsbijstand verleend; de getuigen a charge legden in het geheim hun verklaringen af, en de rechters gedroegen zich als openbare aanklagers. Erger nog, Voltaire kwam erachter dat het merendeel der strafwetten zelfs niet op schrift stond, maar in de hoofden van de juristen werd bewaard en werd “uitgelegd” zoals dat voor het bewerkstelligen van een veroordeling het beste uitkwam.

Voltaire bestreed deze misstanden met inzet van al zijn invloed en zijn gehele vermogen. Drie jaar lang, zo zei hij, kon hij zich in feite geen lachje veroorloven. Hij wijdde doorwaakte nachten aan het bestormen van advocaten, geestelijken, koningen en de ganse Europese pers met de eis dat de zaak Calas werd heropend. Op het laatst moest de koning zelve voor de aandrang van het publiek zwichten, en de hele zaak opnieuw in beschouwing ne­men. De dode werd onschuldig verklaard. Deze zaak zette een hervorming van de sinds 800 jaar door de regeringen verwaarloos­de strafwetten aan het rollen.

De zaak Calas was nog niet gewonnen, of de slachtoffers van gelijksoortige onrechtvaardigheden klopten bij Voltaire aan. Niets wekte zijn woede meer op dan de macht van de geestelijkheid om leken die de godsdienstige wetten hadden overtreden te beschul­digen, te martelen en terecht te stellen. Hij eiste dat de geestelijk­heid zich van het bedrijven van politiek en het plegen van recht zou onthouden, en zich om de verwaarloosde zielszorg zou be­kommeren. Hiermee stelde Voltaire zich bloot aan een stortvloed van scheldtaal, maar stapje voor stapje wist hij het verschil tussen wetsovertreding en zondigen duidelijk te maken.

Deze stekelige oude man aanbad zijn vaderland en was bezeten van een onbedwingbaar verlangen, vóór zijn dood nog eenmaal zijn geliefde Parijs te aanschouwen. Op een februaridag in 1778 hield een Franse douanier een rijtuig aan om het op smokkelwaar te controleren. “Niets aan te geven,” klonk een vrolijke oude stem vanuit het rijtuig. “Ik ben de enige contrabande.” De douanier wierp het portier open. “Mon Dieu” riep hij uit, “het is monsieur Voltaire!” Miljoenen mensen kenden zijn rimpelige oude glim­lach.

Parijs haalde hem uitgelaten binnen. De Académie Française die hem tot zijn benoeming tot lid in 1746 jarenlang had afgewe­zen, opende haar armen. Op de trappen van de Comédie Française verzamelden zich alle acteurs om de toneelschrijver te begroeten. Zijn nieuwe toneelstuk kreeg een denderend applaus waaraan geen einde wilde komen. De feestelijkheden werden de oude man in mei echter te veel, en hij stierf op 83-jarige leeftijd. Hij liet ons in zijn laatste wil zijn gehele geloofsbelijdenis na.

“Ik sterf,” liet hij zijn secretaris opschrijven, “in aanbidding van God, in liefde voor mijn vrienden en in afschuw van bijgeloof.”

De geestelijkheid weigerde hem te begraven, en zijn lijk zou het lot van dat van Adrienne Lecouvreur hebben gedeeld, als zijn vrienden zijn lichaam niet tussen zich in hadden genomen, de wachtposten niet in de waan hadden gebracht dat Voltaire nog leefde, en het lijk niet haastig buiten de stad een behoorlijke begrafenis hadden gegeven.

Ten slotte echter begreep het Franse volk, dat worstelde met zijn tirannen, de man die had uitgeroepen: “Ontwaak, volk! Slaak uwe ketenen!”

In 1791, toen de Revolutie in volle gang was, werd het lichaam van Voltaire naar Parijs teruggebracht, waar het triomfantelijk een nacht lang te midden der puinhopen van de Bastille lag opgebaard. Een kwartmiljoen mensen verdrong zich langs de erewachten om zijn stoffelijk overschot eer te be­wijzen, alvorens het werd overgebracht naar het Panthéon, waar Frankrijks grote mannen begraven liggen. En terwijl de stoet voorwaarts ging, wapperde er een banier in de wind, met de woorden:

“Hij gaf de menselijke geest vleugels. Hij bereidde ons voor op de vrijheid.”

 

alle biografieën

702-641

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -biografieën – Peter de Grote

.

DE “ECHTE” TSAAR
.

De huidige* machthebbers in Rusland koesteren een buiten­sporige bewondering voor tsaar Peter de Grote. Zij noemen hem “de echte”. Ze stellen hem bijna op één lijn met Lenin. De redenen zijn duidelijk. Peter maakte Rusland, dat door West-Europa veracht en als minderwaardig beschouwd werd, tot een krachtige militaire mogendheid. Hij versloeg het Westen door Rusland een westerse beschaving op te dringen — en hij deed het alleen, dwars tegen alle gezapige traagheid en heftige tegenstand in.

De tsaren vóór Peter hadden zwakke pogingen gedaan om van West-Europa te leren. Er waren wat beroepssoldaten en technici binnengehaald. Maar zij werden afgezonderd in een kleine voor­stad van Moskou en mochten slechts weinig contact hebben met de Russen. Peter bracht een groot deel van zijn jongelingsjaren door in deze buitenlandse voorstad. Een Zwitserse avonturier, François Lefort, en een Schot, Patrick Gordon, behoorden tot zijn beste vrienden. Wat zij hem over het Westen vertelden wekte bij hem een intense nieuwsgierigheid — hij wilde meer weten.
Toen hij zelf de regering in handen kreeg stelde hij zich als eerste doel “vensters op de wereld” te krijgen. Er waren twee mogelijkheden: de Oostzee en de Zwarte Zee. De Oostzeekust was in handen van Zweden, de grote staat in het Noorden, met veel invloed in alle Europese aangelegenheden; de Zwarte Zee behoorde aan de Turken toe.
De tsaar was al jarenlang zeer geïnteresseerd in de scheepsbouw en de scheepvaart, en ten einde de Turken te kunnen aanvallen besloot hij een vloot te bouwen, de eerste in Ruslands geschiedenis. Onmiddellijk werden er horden werklieden zonder veel omslag de wouden langs de Don ingestuurd om het benodigde hout te hakken, en scheepsbouwers werkten dag en nacht. Peter werkte zelf mee, hij was de ijverigste scheepsbouwer van allemaal. Er werden tien­tallen kleine oorlogsschepen gebouwd.

Peter viel nu de Turkse havenstad Azof over land en over zee aan. Hij voerde het bevel over de vloot vanaf een galei dat hij zelf gebouwd had. Hij wist Azof een tijdlang te bezetten maar het avontuur bracht de zwakheid van Rusland aan het licht: de troepen waren slecht geoefend; de verbindingen waren abomi­nabel; er stond geen doeltreffende industriële productie achter het leger. Peter besloot een nieuw Rusland te maken naar het model van het Westen; hij zou naar West-Europa gaan om de militaire en industriële technieken daar te leren.

De delegatie die in maart 1697 uit Moskou vertrok was een vreemd uitziend gezelschap. De hooggeplaatste afgezanten, aan­gevoerd door Lefort, droegen schitterende oosterse gewaden en zoveel juwelen als ze maar konden plaatsen. Iedere afgezant had een gevolg van dienaren, en voorts clowns, dwergen en hans­worsten, alles bij elkaar zo’n 270 mensen. Een van de leiders, die zich Peter Mikhailow noemde, was eenvoudig gekleed en droeg geen juwelen. De tsaar had besloten incognito te gaan.

Om de scheepsbouw te leren ging Peter naar de kleine Neder­landse havenstad Zaandam. Hier leefde hij als een gewoon werk­man, hij sliep in een huisje waar hij zijn eigen potje kookte, en stond bij het aanbreken van de dag op om te gaan werken bij de werven. Tijdens bezoeken aan andere delen van Nederland steeds met een notitieboekje in de hand — inspecteerde hij hout­zaagmolens, korenmolens en allerlei fabrieken, waarbij hij voort­durend vragen stelde. En overal waar hij kwam nam hij technici en handwerkslieden aan — en stuurde ze ook naar Rusland met de belofte van een goed loon.

Zijn weetgierigheid strekte zich ook uit naar de geneeskunde en de chirurgie. In Amsterdam zag hij toevallig eens een tandarts aan het werk. In Rusland kende men geen tandartsen. Peter nam de man mee naar zijn kamers, leerde hoe hij zijn gereedschappen moest gebruiken, en kocht ze van hem. Dagen achtereen oefende hij op de leden van zijn gevolg, waarbij hij zonder onderscheid gezonde en rotte kiezen trok.

De delegatie reisde verder naar Engeland. Een waarnemer heeft beschreven hoe de Russen door de straten van Londen liepen en “kwistig parels en ongedierte verspreidden.” In Deptford hervatte Peter zijn studie van de scheepsbouw.

Toen hij naar het vasteland van Europa terugkeerde, begon Peter zijn studie te beperken tot zaken van praktische aard — vervoermiddelen, mijnbouw, fabricagemethoden, militaire op­leiding. Hij had weinig belangstelling voor cultuur. Ondertussen had hij van een barbaarse methode gehoord om misdadigers te executeren — radbraken. Hij vroeg het eens te mogen zien. Toen men hem zei dat er geen misdadiger beschikbaar was die zo’n straf verdiende, werd hij ongeduldig. “Waarom maakt u zich zo druk om een mensenleven?” vroeg hij. “Neem maar een van mijn bedienden.”

De tsaar was nu gereed om een geheel nieuw Rusland te maken. Hij probeerde het uiterlijk van zijn volk te verwestersen door hun oude klederdrachten en hun baarden en snorren te verbieden; op een avond joeg hij de voornaamste edellieden de schrik op het lijf door hen te grijpen en zelf hun baard af te knippen. Hij probeerde zelfs de tafelmanieren te veranderen. Hij liet boeken over etiquette rondgaan waarin de Russen verteld werd dat ze geen botten meer mochten afkluiven als ze aan tafel zaten en niet op de vloer mochten spuwen en dat ze binnenshuis geen hoed moesten dragen.

Hij begon een nieuw economisch systeem in te voeren: een productievere industrie en verbeterde landbouw. Rusland werd afgezocht naar kolen- en ijzerertslagen. Het vervoer werd sterk verbeterd door de aanleg van verbindingskanalen. Nieuwe soorten vee werden ingevoerd en de schapenteelt werd bevorderd.

Het doel van de hervormingen was militaire macht — een modern beroepsleger op westerse wijze geoefend en gebaseerd op een stelsel van algemene dienstplicht. Geen enkele van Peters hervormingen had de bedoeling het lot van zijn volk te verbeteren. Dat gold voor alle standen. De oude adel werd beroofd van zijn onafhankelijkheid. Ze werd verdrongen door grote aantallen nieuwe edelen die door Peter in de adelstand waren verheven. De kerk die vroeger een grote onafhankelijkheid had, werd volledig onder het gezag van de tsaar gebracht. Zelfs de nieuwe industriëlen wonnen er niet veel bij. De winsten werden afgeroomd door nieuwe en vernuftige belastingmethoden. Het ergst van alles was het lot van het volk. Voordat Peter aan de regering kwam waren sommige kleine boeren lijfeigenen, anderen waren betrekkelijk vrije
land­eigenaren. Peter maakte er allemaal lijfeigenen van, aan wie het op gevaar van strenge straffen verboden was bij hun eigenaar weg te lopen. Ze werden gebracht waar ze het meest nodig waren. Men kwam aan arbeidskrachten voor de nieuwe fabrieken door een verplichte arbeidsdienst voor lijfeigenen.

Vele jaren lang, terwijl Peter zijn strijdmacht opbouwde, werd Karel van Zweden elders in Europa beziggehouden. Vandaar dat Peter naar de Oostzee begon op te dringen. Ten slotte kreeg hij vaste voet aan de kust, waar de Newa uitmondt. Nu kon Peter het plan ten uitvoer brengen dat hij al zo lang gekoesterd had. Voor hem was Moskou, de hoofdstad van het oude Rusland, een sta-in-de-weg voor het nieuwe. Hij wilde een nieuwe, moderne hoofdstad bouwen, een zeehaven met het gezicht naar het Westen in plaats van het Oosten.

Hij bouwde Sint Petersburg, dat tegenwoordig Leningrad heet. Het was een ongelooflijke prestatie. Voordat de funderingen konden worden gelegd, moesten er honderdduizenden palen geslagen worden in de moerassen langs de oevers van de Newa. Er was weinig gereedschap beschikbaar, maar er waren
arbeids­krachten in overvloed. Peters lijfeigenen groeven in de modder met stokken en hun blote handen. Ze werden opgejaagd met de zweep — door de snikhete zomer en de bitterkoude winter. Soms hanteerde Peter zelf de knoet. Volgens de verhalen zijn er bij de bouw van de stad 200 000 mensen omgekomen.

Eindelijk kwam de krachtmeting met Karel en Zweden. De laatste veldtocht tijdens de barre winter van 1708 lijkt op die waarin later Napoleon en Hitler verslagen werden in Rusland. Peters leger trok terug voor Karel, en ontweek de strijd. De Russen verwoestten het land tijdens hun terugtocht. De Zweden stierven van honger en koude; tegen het voorjaar was er nog maar een schaduw van het leger over. In de slag bij Poltawa verpletterde Peter hen volkomen. Bij de Vrede van Nystadt in 1721 kreeg hij de Oostzeekust van Finland tot aan de rivier de Njemen in het tegen­woordige Polen vast in handen.

In zijn laatste jaren leefde Peter aan de grens van krankzinnig­heid, misschien overschreed hij die grens wel. Vroeger had hij wreedheden bedreven met een bepaald doel; nu deed hij het om de wreedheid zelf. Hij liet vrouwen en priesters afranselen, martelen en ombrengen — zonder enige reden. Hij wantrouwde iedereen. Er ging een golf van haat tegen hem over Rusland en er werden vele aanslagen op zijn leven gepleegd.

Peter stier fin 1725 op 52-jarige leeftijd. Op eigen kracht had hij Rusland tot een nieuwe natie gemaakt, sterk in de oorlog, een machtige agressor. Hij had zichzelf absoluut dictator gemaakt.

Maar het valt te betwijfelen of zijn leven iets had bijgedragen tot het geluk van enig levend mens op aarde.
*geschreven rond 1960

697-637

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Oscar Wilde

.

DE GEESTIGSTE PRAATVAAR VAN ENGELAND
.

In 1856 werd in Ierland een groot humorist geboren. Hij had een onvoorstelbare fantasie, was gevat en geestig als geen ander, en bovendien een van de beminnelijkste en opgewektste mensen van de moderne tijd. Dat is in elk geval de herinnering die zijn vrienden aan Oscar Wilde bewaren. Een vooraanstaand kunstcriticus noemde hem “de grootste figuur in de bewust gecultiveerde kunst van het converseren, die ooit de Engelse taal heeft gesproken”. Hij vond altijd de juiste woorden voor het juiste ogenblik, in plaats van die de volgende morgen te bedenken en te wensen dat hij dat had gezegd. Niemand anders is ooit zó vaak aangehaald.

“Plicht is wat wij van anderen verwachten.”
“Ik kan aan alles weerstand bieden, behalve aan verleiding.”
“Ik moet uw uitnodiging wegens een latere afspraak helaas afslaan.”
 is ooit zó vaak aangehaald.
“De vrouwen houden van ons om onze tekortkomingen. Als we er maar genoeg hebben, vergeven ze ons alles, zelfs het feit dat we meer verstand hebben.”
“Neemt u mij niet kwalijk, ik had u niet herkend — ik ben heel wat veranderd.”

Oscar Wilde’s conversatie was geen alleenspraak. Hij kon aan­dachtig en geboeid luisteren en verstond de kunst het gesprek zó te leiden dat verstand en geestigheid van anderen het best naar voren kwamen. Over zijn eigen zaken sprak hij uitsluitend met zijn beste vrienden. Hij schreef nooit anderen de wet voor, sprak nooit iemand tegen, en matigde zich nooit enig gezag aan — behalve een enkele maal over het onderwerp “manieren”.

Voor anderen was hij steeds attent; hij kon hartelijk meelachen wanneer hij in de maling werd genomen, en was buiten­gewoon gul. Zijn geld schonk hij even vlot weg als zijn gedachten. Wat hij uit luiheid niet voor zichzelf deed, kon hij zonder be­denken voor anderen doen — en niet uit plichtsgevoel. Van alle beroemde geestige causeurs was hij misschien de enige die nooit grof werd of geestig wilde zijn ten koste van anderen. Hoe hoog de vlucht van zijn fantasie ook ging, hij bleef steeds kies en vrien­delijk, en zijn uitspraken waren vaak diepzinnig — vooral de opmerking: “Het mensdom neemt zichzelf te ernstig — dat is de erfzonde.”

“De tragedie van de ouderdom is niet dat men oud is, maar dat men jong is.”

“Zelfverwijt is vaak een weelde waaraan wij ons te buiten gaan. Wanneer wij onszelf iets verwijten, menen wij, dat niemand anders het recht heeft ons daarover een verwijt te maken. De biecht geeft ons absolutie — niet de priester.”

Wilde was ook oprecht in zijn hartstochtelijke liefde voor schoonheid, waarvoor hij een soort kruistocht ondernam tegen het negativisme der moralisten van het Victoriaanse tijdperk. Hij zag ook het geweldige toneeleffect dat school in het conflict tussen een gezond schoonheidsgevoel en een ziekelijk zondebesef; en daar hij, zoals de meeste humoristen, een geboren toneelspeler was, buitte hij die mogelijkheid tot het uiterste uit.

Toen hij nog student was, beweerde hij dat hervorming van de kleding belangrijker was dan hervorming van de godsdienst. En toen hij na het beëindigen van zijn studie naar Londen ging, ver­scheen hij daar met lavendelkleurige handschoenen en gaf zich uit voor professor in de esthetica. In Londen verscheen hij ’s avonds op feesten “gekleed in een gegalonneerde fluwelen jas, kniebroek, zwartzijden kousen, een wijd hemd van zachte stof met liggende boord en een grote wapperende matgroene das”. Hij verhief de lelie en de zonnebloem tot symbolen van zijn ere­dienst, niet wegens hun schoonheid, maar omdat ze zo’n bespotte­lijke indruk maakten in het knoopsgat van een grote man.

Want Wilde was groot, en bovendien sterk en moedig. Hij ver­dedigde zijn opvattingen tegen ieder die hem aanviel — of ze nu alleen kwamen of met een heel stel. Toen hij in Dublin aan het Trinity College studeerde, maakte een beruchte vechtersbaas, de schrik van de universiteit, eens hatelijke opmerkingen over een van zijn gedichten; Oscar liep op hem toe en gaf hem een klap in zijn gezicht. Dat moest worden uitgevochten, en tot ieders verbazing sloeg de dichter de vechtersbaas buiten westen.

Later, in Oxford, vond een aantal van zijn medestudenten, ten einde het alledaagse te verdedigen, het noodzakelijk zijn kamer binnen te dringen en zijn smaakvolle interieur kort en klein te slaan. Vier aangeschoten helden vielen bij hem binnen; de anderen bleven op de trap toekijken. De eerste indringer vond onder aansporing van Oscars laars dadelijk de weg terug naar zijn kameraden. De tweede kreeg een opstopper die hem bovenop de eerste deed belanden. De aftocht van de derde werd een luchtreis. De vierde werd door Oscar naar zijn kamer gedragen en aldaar onder een stapel meubilair begraven. Daarna nodigde hij de toe­schouwers, die nu eensgezind pro-Oscar waren, uit om iets te komen drinken.

Nog steeds in Oxford zag men hem eens, niet zonder gevaar voor zichzelf, tijdens een variété-voorstelling van de éne loge naar de andere klauteren om de aldus bezochte bezoekers uit te nodigen voor een feestje, dat hij na afloop wilde geven. Maar hij was te lui om zijn atletische krachttoeren voor iets anders te ge­bruiken dan uit zelfverdediging of voor de aardigheid. “Ik doe niet aan spelen in de open lucht,” bekende hij later, “behalve dan domineren. Jazeker — ik heb in Frankrijk wel eens domino ge­speeld op een caféterras.”

Maar als hij klein, tenger of gemakkelijk te intimideren was geweest, had Wilde nooit zulke vertoningen kunnen opvoeren. Eenvoudig door zijn aanmatiging, gecombineerd met zijn weer­galoze, aanstekelijke geestigheid, had hij zich op 27-jarige leeftijd al in twee werelddelen beroemd gemaakt, zonder dat er ook maar iets van hem in druk was verschenen dat de moeite van het lezen waard was.

Ondanks zijn sprekende ogen en mooie voorhoofd was hij toch geen uitgesproken knappe verschijning. Hij had een onregelmatig gebit en een enigszins wasachtige gelaatskleur. Zijn handdruk was slap en zijn sterke spieren zagen er niet uit als spieren, maar als vlees. Hij had geen krachtige trekken, en zijn voorkomen had iets opvallends, dat deed denken aan een levensgrote pop. Door die hoedanigheden werden de mensen vaak eerst afgestoten, even­als door het aanmatigende “De Grote Estheet”, zoals hij zich noemde. Maar zijn welluidende stem en zijn aangename, ongekunstelde lach, en de ongelooflijke stroom van opgewekte verha­len, grappen, fantasieën, parabels, spreekwoorden en diepzinnige gedachten die steeds bij hem opwelden, deden dat gevoel spoedig wijken. Wanneer hij ergens binnenkwam en begon te praten, ver­zamelde iedereen zich al spoedig om hem heen.

“Niets heeft zoveel succes als buitensporigheid,” was zijn motto, en dat paste hij niet alleen in zijn uiterlijk toe, maar ook in zijn opmerkingen.

Toen men hem eens vroeg hoe hij die dag had doorgebracht, zei hij plechtig: “Ik heb de hele morgen aan de drukproef van een van mijn gedichten gewerkt, en er een komma uitgehaald, ’s Mid­dags heb ik die komma er weer ingezet.”

Op een dag vervoegde zich bij hem een bedeesd mannetje, dat mededeelde: “Ik kom voor de belasting.”
“Belasting! En waarom zou ik belasting moeten betalen?” antwoordde Wilde met de grootste verontwaardiging.
“Maar meneer, u bent hier toch het gezinshoofd. U woont hier immers, u slaapt hier.”
“Ja zeker, maar ik slaap heel slecht, weet u.”

Hij speelde toneel, en hij wist heel goed welke uitwerking zijn pose had. Toen hij eens een voorbijganger hoorde zeggen: “Daar gaat die verdomde idioot van een Oscar Wilde,” merkte hij tegen zijn metgezel op: “Het is toch merkwaardig hoe spoedig men in Londen bekend wordt.”

Ook in Amerika werd hij al gauw bekend, en in 1882 ging hij er de onvermijdelijke serie lezingen houden. Ofschoon hij het hart van zijn impresario brak door te weigeren met een lelie op Broadway te gaan flaneren, zorgde hij toch voor zoveel uit­bundigheid in zijn kleding, en voor zoveel geestigheid in zijn opmerkingen tegen de journalisten, dat de tournee een daverend succes werd. Geen enkele publiciteitsstunt heeft ooit overvloediger resultaat afgeworpen dan de enkele woorden die Wilde op de kade uitte, toen een douanebeambte hem vroeg of hij iets aan te geven had: “Alleen maar mijn talent.”

Wilde’s tournee door de Verenigde Staten werd een soort wraakneming voor Mark Twains tournee door Europa. In Inno­cents Abroad had Mark Twain zich uitbundig vermaakt met de overbeschaafdheid van Europa. Op dezelfde manier vermaakte Wilde zich met het Amerikaanse gebrek aan beschaving.

“In Amerika bestaat het leven uit niets dan rochelen en spu­wen,” zei hij.

“De Amerikaanse gewoonte om schilderijen dicht bij het pla­fond te hangen leek mij eerst onzinnig. Pas toen ik gezien had hoe slecht de schilderijen waren besefte ik, dat er iets te zeggen valt voor die gewoonte.”

Toen hij wereldberoemd was geworden en veel geld had ver­diend, werd Wilde het komediespel moe en besloot te proberen of hij tegen een beetje werken bestand zou zijn. “De Oscar uit de eerste periode is dood,” verklaarde hij bij zijn terugkeer uit de Verenigde Staten. “De tweede Oscar heeft niets gemeen met die langharige heer, die met een zonnebloem langs Piccadilly flaneer­de.” (Later heeft Wilde toegegeven dat hij nooit met een zonne­bloem langs Piccadilly heeft geflaneerd. “Dat had iedereen kun­nen doen. Mijn speciale prestatie is dat ik de hele wereld heb doen geloven dat ik dat gedaan heb.”)

Zijn kortstondig experiment met werken begon hij als redac­teur van het tijdschrift Woman’s World. Van één kant van het werk genoot hij enorm — achterover leunen in een stoel en praten met mensen die voor het blad wilden schrijven, maar nog liever trof hij dergelijke adspirant-medewerkers in het Café Royale. Dat leek over het geheel ook eenvoudiger dan naar zijn redactie­bureau te gaan. Hij hield zich aan zijn eigen stelregel: “Stel nooit uit tot morgen wat je overmorgen kunt doen.” Brieven beantwoorden deed hij uit principe niet. “Ik heb mensen gekend die met veelbelovende vooruitzichten naar Londen kwamen, en een paar maanden later volslagen wrakken waren geworden doordat ze de gewoonte hadden brieven te beantwoorden.” Hij hield het bijna een jaar uit als redacteur.

Wilde’s heldhaftige pogingen om tot werken te komen waren noodzakelijk geworden door dat éne alledaagse feit dat hem over­kwam: hij werd smoorverliefd en trouwde. Zijn bruid was rijk genoeg om hem eten en onderdak te geven, maar haar inkomen voldeed toch niet helemaal aan zijn motto: “Geef mij de luxe, dan heb ik de nooddruft niet nodig.”

Constance Wilde was heel mooi, en even begaafd in het zwij­gen als haar man in het praten. “Ik houd van haar,” zei hij, omdat ze nooit iets zegt, en ik mij altijd afvraag waar ze aan denkt.”

cI)e juiste grondslag voor het huwelijk is wederzijds misverstand,” zei Wilde vaak. En zijn eigen huwelijk was jarenlang een succes. Hij had twee zoons, die hij verafgoodde, en door de fantastische verhalen die hij steeds vertelde beschouwden ze hem als volmaakt. Zijn eigenlijke schrijversloopbaan ontstond uit zijn liefde voor hen.

Zijn eerste boek van enige omvang — dat door velen nog altijd als zijn beste wordt beschouwd — was een bundel sprookjes, die uitkwam toen hij 32 jaar oud was. Toen hij ze opgeschreven had waren die verhalen, volgens zijn vrienden, lang zo goed niet als toen hij ze oorspronkelijk aan zijn jongens had verteld. Maar toch zijn ze in hun soort het mooiste dat ooit in het Engels is geschreven.

Pas enkele jaren later vond Wilde de voor de hand liggende wijze om zijn conversatietalent in literatuur om te zetten: toneel­stukken schrijven. Zijn eerste toneelstuk, Lady Windermere’s waaier, verscheen in 1892. Het was niet veel meer dan een vernuftige aaneenschakeling van zijn eigen geestigheden die hij zich kon herinneren, maar het sloeg onmiddellijk in en werd een blijvend succes. Wilde had eindelijk zijn bestemming gevonden, en in 1894, toen hij zijn meesterstuk The Importance of being Earnest (De Ernst van Ernst) schreef, was hij de populairste toneelschrijver van Londen en een van de beroemdste auteurs ter wereld.

Hij liep toen tegen de veertig, en was volgens zijn vrienden nooit één dag ongelukkig geweest. Toen gebeurde er iets nood­lottigs — niemand weet precies wat. Misschien was het zijn succes. Zelf had hij gezegd: “Er zijn op deze wereld maar twee tragische dingen. Het ene is: niet te krijgen wat je hebben wilt; het andere is dat wél te krijgen. Dat laatste is veel erger, dat laatste is een echte tragedie.” Of misschien was het een hormonale stoornis. Hij begon er grof en pafferig uit te zien, en gaf toe aan homo­seksuele neigingen die hem, behalve de laatste jaren, nooit hadden belet een normaal, gezond leven te leiden.

Zijn laatste vier levensjaren behoren tot de meest tragische en beklagenswaardige in de Engelse literatuurgeschiedenis. Het waren jaren van schande, gevangenisstraf, ballingschap, armoede, en wat het ergste van alles was — zwijgen! En daarna, als enig toevluchtsoord voor zijn gebroken geest, de dood. Dat verhaal is al dikwijls verteld — en ook verkeerd verteld. De waarheid daarover zou iedereen, die belang stelt in karakter en lot van de mens, moeten lezen. Maar dat aspect moet niet te veel nadruk krijgen. Wij moeten niet langer gedogen dat die episode ook over de voorafgaande veertig jaren van vreugde, vriendelijkheid en edelmoedigheid en van onnavolgbare geestigheid een ongezond, naargeestig licht werpt.
.

alle biografieën

Vertelstof: Alle artikelen

.

648-595

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Garibaldi

.

ITALIË’S BEVRIJDER

Iedereen wil vechten voor zijn eigen vrijheid, maar de ware held is de man die anderen vrij maakt. Voor de Italianen is “de “Bevrijder” Giuseppe Garibaldi, geboren op 4 juli 1807, die niet alleen voor de vrijheid vocht in de Oude Wereld, maar ook in de Nieuwe. Met een glimlach zo warm als de zon van Sicilië en een stem die tijdens een veldslag zo helder schalde als die van Caruso, was hij de verpersoonlijking van zijn prachtige land dat, tot hij het te hulp kwam, als natie nog niet bestond.

Italië was toen namelijk verdeeld onder de grote mogendheden en hun vazallen. Op de rijke noordelijke vlakten van Venetië tot Milaan drukte de ijzeren vuist van het Oostenrijkse keizerrijk. De Pauselijke Staten met hun sterke politiemacht strekten zich als een knellende band om het “been” van het Italiaanse schier­eiland, als een bloedstelpend drukverband. De voet, het zuiden van Italië, en het eiland Sicilië werden bestuurd door “Koning Bomba”, die zo genoemd werd omdat hij zijn onderdanen met bommen bestookte. Overal waren spionnen, invallen door de politie, gevangennemingen zonder arrestatiebevel of berechting, en er waren vuurpelotons. Alleen in het gedeeltelijk vrije konink­rijk Sardinië (dat eiland plus het noordwesten van het vasteland van Italië grenzend aan Frankrijk) heerste een Italiaanse koning.

In het begin van de vorige eeuw vochten Italiaanse patriotten zonder vast plan. De man die hen zou leiden was toen nog een jonge zeeman die doelloos tussen de Middellandse-Zeehavens voer, en aldus een taai lichaam kreeg en vaardig met de hand werd, terwijl zijn vriendelijke gezicht gebruind werd door weer en wind en zijn blauwe ogen scherper werden door het afzoeken van de zee. Hij hoorde verhalen fluisteren van een ondergrondse beweging die “Jong Italië” heette en geleid werd door de ver­bannen patriot Mazzini. Op een donkere nacht in Marseille vond hij deze Mazzini, een tengere vurige intellectueel die zich wijdde aan de droom van een vrij, verenigd Italië met een republikeinse regeringsvorm. Van hem vernam Garibaldi meer over de Risorgimento, de opkomende vrijheidsbeweging.

De jonge zeeman kreeg een rol toebedeeld in Mazzini’s samen­zwering om de koning van Sardinië van de troon te stoten. Hij moest dienst nemen bij de Sardinische Marine en zich met zijn bondgenoten meester maken van een schip en dan de versterkin­gen van Genua bombarderen. Maar toen het ogenblik om toe te slaan was aangebroken, viel het hele plan in duigen, doordat Mazzini het verkeerde tijdstip had gekozen. Garibaldi ontsnapte slechts aan zijn arrestatie door over de grens naar Frankrijk te vluchten. Daar las hij in een krant dat een krijgsraad hem ter dood had veroordeeld.

Zo kwam het dat Garibaldi op 29-jarige leeftijd als man zonder vaderland zijn geluk ging beproeven in de Nieuwe Wereld. In Rio de Janeiro bemachtigde hij een oude schuit van 20 ton, maak­te die zeevaardig voor de kustvaart en doopte haar de Mazzini. Er waren toen twee revoluties in het zuiden van Brazilië. De staten Santa Catarina en Rio Grande do Sul hadden zich onafhankelijk verklaard van de Portugese keizer, en de banneling bood deze schijnrepublieken zijn diensten aan. Hij leed schipbreuk, liep kogelwonden op en werd zelfs gemarteld, maar hij behaalde zijn enige werkelijke successen toen hij Braziliaanse koopvaardijsche­pen aanhield en zich meester maakte van lading en bemanning.

Toen hij eens de kust afzocht met zijn verrekijker, ontdekte kapitein Garibaldi een meisje, zo mooi, dat hij onmiddellijk zijn sloep liet strijken. Ineens drong het tot hem door dat de vloot voorraden nodig had. De eerste die hij ontmoette was Senhor Ribeiro, een handelaar in touw, die zijn klant in zijn huis uit­nodigde. Het meisje dat de koffie bracht, die in het gastvrije Brazilië voorafgaat aan de zaken, was zijn dochter Anita, het meisje dat hij door de verrekijker had gezien. Zij was achttien jaar, en met haar lichaam dat gespierd was door veel paardrijden, haar ovale gezicht omlijst door blauwzwart haar, haar glinsteren­de en sprekende zwarte ogen, was zij voor Garibaldi de enige vrouw ter wereld. De koopman wuifde haar weg naar het achter­huis. Maar zij had in de diepe ogen van de boekanier met zijn blonde baard gekeken en hem in het Italiaans horen mompelen: “Jou wil ik hebben!”

Op staande voet vroeg Garibaldi haar vader om haar hand; hij werd afgewezen, en Anita werd in haar kamer opgesloten, waar haar broers haar moesten bewaken. Zij moeten echter haar zijde gekozen hebben, want de geliefden speelden het klaar om elkaar te schrijven. Op een nacht toen een sloep van de kleine vloot van de rebellen naar het strand voer wachtte Anita daar. Toen zij aan boord stapte, verliet zij voor altijd de veilige haven.

Korte tijd later werden Garibaldi’s vluchtende schepen be­stookt door drie Braziliaanse oorlogsschepen; door de schok viel Anita bewusteloos bovenop een stapel dode mannen. Zodra zij bijkwam, ging zij de gewonden verbinden met repen katoen die ze van haar rokken scheurde, en later toen de kanonnier naast haar getroffen werd, bediende zij het kanon, laadde, richtte en vuurde op bevel van haar kapitein. Dat waren hun wittebroods­weken. Toen deze opstand mislukte wist Garibaldi met zijn vol­gelingen naar het binnenland, naar de pampa’s, te ontkomen. Daar gebruikte het groepje de ruïnes van een verlaten plantage als schuilplaats, en hier bracht Anita haar eerste kind ter wereld. Drie maanden later vluchtten zij door het bergachtige oerwoud tot ze een veilige wijkplaats bereikten binnen de grenzen van de republiek Uruguay.

Het gezin vestigde zich in de hoofdstad Montevideo, maar de vrede kon Giuseppe Garibaldi geen voorspoed brengen. Hij was technicus, onderwijzer, cargadoor, importeur van macaroni — hij probeerde van alles, maar steeds weer ging het mis; zijn leven lang had hij geen aanleg voor zaken. Er scheen in een alledaagse wereld geen plaats te zijn voor Garibaldi’s talenten. Toen werd Uruguay in 1843 binnengevallen door de dictator Rosas van Argentinië. Vijf jaar later stond het Argentijnse leger nog steeds voor Montevideo. Rosas gaf de grootste schuld hiervan aan een bende met rode hemden aan. Hoewel zij zwaar in de minderheid waren, hadden zij hem twee maal verslagen in een openlijk gevecht. Deze “Roodhemden” noemden zich het Italiaanse le­gioen, dat bestond uit onbetaalde vrijwilligers die door Garibaldi waren opgetrommeld voor de verdediging van het land dat hun gastvrijheid bood. Toen ze eens op zoek waren naar uniformen, hadden ze in een pakhuis een partij rood linnen aangetroffen die brandschade had opgelopen.  Anita en de andere Italiaanse vrouwen knipten en naaiden. En sindsdien is een rood hemd steeds het uniform geweest voor Garibaldi en al zijn volgelingen.

Hun militaire successen verzekerden de vrijheid van Uruguay en kregen grote bekendheid in de hele wereld. Als geschenk ont­ving de aanvoerder zowel bij wijze van stille wenk als eerbetoon een zwaard van het genootschap Jong Italië. Toen hij de blinkende snede ervan betastte, moet Garibaldi zich herinnerd hebben hoe op de berghellingen van zijn vaderland de olijfbomen zilverkleurig worden als de wind waait, en hoe de Middellandse Zee tussen de heuvels schittert.

Dus stapte Garibaldi in 1848 weer in Italië aan land met een gevolg van 60 Roodhemden, en nog steeds met het doodvonnis boven zijn hoofd. Maar hij werd begroet door juichende menigten, en een hartelijke uitnodiging van de koning van Sardinië, die bedreigd werd door de keizer van Oostenrijk. Toen de koning weigerde zo’n doodgewone avonturier tot officier aan te stellen, voerde Garibaldi zijn Roodhemden op eigen gezag aan tegen de Oostenrijkers. En toen de geregelde troepen van de koning bij Milaan verslagen werden en Sardinië om vrede smeekte, luidde Garibaldi’s enige vraag: “Waar gaan we nu vechten?”

Het antwoord kwam uit het hart van Italië — Rome. Daar was het volk in opstand gekomen; de paus was gevlucht en had zich onder bescherming gesteld van “koning Bomba” van Napels. Nadat de eens zo roemruchte Romeinse Republiek gedurende 18 eeuwen aan de vergetelheid was prijsgegeven, werd ze door het volk opnieuw uitgeroepen. Ook nu vormden het Oostenrijkse Keizerrijk, de Paus, “Koning Bomba” en het bemoeizieke Spanje een bedreiging, terwijl bovendien Frankrijk in het geweer kwam. Lodewijk Napoleon zette namelijk plotseling 10 000 man keur­troepen aan land aan de kust bij Rome en liet ze oprukken naar de Eeuwige Stad. Maar Garibaldi kwam de stad verdedigen met zijn Roodhemden achter zich en daarachter de Bersaglieri, de meesten nog onder de twintig, met hun keurige donkerblauwe uniformen en schitterende haneveren op hun hoed. Daarachter burgervrijwilligers, arbeiders, in hun kiel, landarbeiders, winke­liers, oude mannen, jongens. In hun midden marcheerde Vader Ugo Bassi, de monnik in een rood hemd die zelfs voor de deur van de kerk de opstand predikte. Voort trokken zij, door de straten van Rome, een leger dat als een rivier tot een woedende stroom aanzwol.

Dit “uitschot”, zoals de vijand het minachtend noemde, van ongeveer 2000 man kreeg tot taak de verdediging van de Janus­heuvel, het sterkste punt buiten de stadsmuren. Op 30 april zag Garibaldi 7000 blinkende Franse bajonetten naderen. Stoutmoe­dig liet Garibaldi zijn mannen vooruitgeschoven posities innemen tussen de rozen en pijnbomen van de tuinen in de omgeving. Van het middaguur tot de avond woedde de “Slag van de Rozen”; toen smeekte een doodsbleke en geschokte Franse generaal om wapenstilstand. Nu kwamen uit het zuiden troepen van “koning Bomba”. Garibaldi werd erop uitgestuurd om hun opmars te ver­tragen. In plaats daarvan dreef hij ze terug tot op Napolitaans gebied, waar het volk hem met zoveel gejuich begroette dat de gehele zuidelijke helft van Italië onmiddellijk bevrijd had kunnen worden als de “Bevrijder” niet op staande voet was teruggeroepen en berispt omdat hij had “aangevallen zonder toestemming”.

Nu richtten de Fransen weer hun kanonnen op de Janusheuvel. En weer werden de volgelingen van Garibaldi met de verdediging ervan belast — maar ze werden door de besluiteloze autoriteiten zo lang tegengehouden dat de Fransen inmiddels de onneembare stellingen hadden veroverd. Een maand lang sloegen de Italianen vele aanvalsgolven af, onder voortdurend granaatvuur. Te mid­den hiervan zag Garibaldi aan de deur van zijn hoofdkwartier Anita staan, die hij veilig en wel in het huis van zijn moeder in Nice had gewaand. Hoewel zij zwanger was, was zij naar hem toe gekomen om hem terzijde te staan, bereid om daar te sterven.

Het is nu zo vredig op de Janusheuvel, waar de merels in de pijnbomen fluiten en met het stille zonlicht op de muren waarin eens gaten geschoten werden door Franse kanonnen en die bespat werden met Italiaans bloed. Maar hier stierven de zonen van de adel, de boeren, de kantoorbedienden en de arbeiders; hier verlo­ren de Roodhemden vrijwel alle officieren uit de dagen van weleer in Montevideo. Het Republikeinse Rome gaf zich over. Maar Garibaldi niet. Hij zwoer dat hij zou doorvechten, vanuit de bergen. Dus reed hij op de laatste dag van Rome’s vrijheid door de straten van de stad, met een bleke Anita op een zwart paard naast hem. Vierduizend mannen volgden hem, allen in het rode hemd dat voor een ieder de dood als vogelvrije betekende — of de roem.

Die terugtocht door Italië blijft een nationaal epos. Zo’n 65 000 soldaten vormden het net om deze patriotten zonder land te vangen. Heen en weer trekkend door de woeste Apennijnen, leidde Garibaldi zijn mannen door de mazen van het net. Hij leek wel overal tegelijk te zijn, en gaf aldus voedsel aan de geruch­ten over reusachtige legers onder zijn bevel. In werkelijkheid slonk het aantal van zijn volgelingen, want de hoop werd ook steeds minder. Aan het eind van de hete julimaand stonden er er nog slechts 1500 wanhopige mannen met hun aanvoerder voor de poorten van San Marino. Dit kleine republiekje verleende al eeuwenlang alle politieke vluchtelingen asiel. Garibaldi deed er nu een beroep op voor zijn hongerige en uitgeputte volgelingen. Hij zelf bleef er niet, evenmin als Anita en nog een handvol andere taaie rakkers. Zij ontsnapten door de vijandelijke linies, staken de Rubicon over waar Caesar dat reeds vóór hen had gedaan en be­reikten de kust bij de uitmondingen van de rivier de Po. Nu nog even verder en ze zouden scheep kunnen gaan naar Venetië.

Maar die hele laatste dag had Anita geijld van malariakoorts, terwijl zij meelijwekkend om water smeekte onder de brandende augustuszon. Garibaldi droeg haar zo naar de wachtende boten, maar weldra staken de Oostenrijkers van wal om hun de pas af te snijden. Garibaldi’s schip ontkwam aanvankelijk, maar dreef af naar de kust, waar hij zijn stervende geliefde door de invallende duisternis naar het ruisende pijnbos droeg. In de verte kon hij het geblaf van bloedhonden horen, en soms een schot en een kreet als ze zijn mannen te pakken hadden. In de nacht blies Anita de laatste adem uit en ontsnapte zo voor altijd. Ze legden haar in een graf in de duinen.

Hij was dus vervlogen, dacht de wereld, de schone droom van een vrij en verenigd Italië. Onopgemerkt bleef de Italiaanse kaarsenmaker, die op States Island, New York, woonde, of later, de zeeman die handel dreef op Lima of Canton, Manilla of Boston. Maar de troon van Sardinië werd nu bezet door de jonge Victor Emmanuel II, een echte liberaal, en via de politieke bannelingen hoorde Garibaldi dat de nieuwe koning hem zou toestaan terug te keren. Zo kocht de zwerver in 1855 een boerderij op het rots­achtige eilandje Caprera, bij Sardinië, en daar leidde de eenzame man een rustig leven.

Maar in heel Italië leefde de hoop, die zo lang onderdrukt was, weer op. De minister-president, door de jonge koning van Sar­dinië benoemd, was graaf Cavour, scherpzinnig, gezet, bijziend en een toegewijde monarchist. Toen hij Lodewijk Napoleon, de keizer van Frankrijk, de zijde van Italië had doen kiezen in een nieuwe oorlog met Oostenrijk, haalde Cavour Garibaldi uit zijn eenzaamheid tussen de rotsen. Tijdens een onderhoud met Cavour begreep Garibaldi dat de Italianen zich eerder zouden verenigen onder een bestaande monarchie dan ten gunste van een republiek die nog gesticht zou moeten worden. Daarna diende Garibaldi de kroon en daarmee zijn land.

Maar het prachtige zuiden was nog geketend. Daar had de zoon van “Bomba”, Franciscus, die nu koning der Beide Siciliën was, de gevangenissen volgestopt met patriotten. Cavour en Victor Emmanuel durfden geen vinger uitsteken; openlijke interventie zou welhcht de lont in het kruitvat van Europa kunnen ontsteken. Zij moedigden de Bevrijder in het geheim aan, maar boden hem geen hulp. Garibaldi moest zijn eigen schepen maar zien te vinden, en zijn eigen vrijwilligers bijeen krijgen. Als hij faalde, moest hij er alleen voor boeten; als hij won, was de zege voor de koning.

In alle stilte bracht hij zijn leger bijeen — mannen met een vurig hart en een helder hoofd. Het waren er precies 1000 — “De Duizend” noemt Italië ze nog steeds. Stoutmoedig landden ze op de westkust van Sicilië; daar ging de groen-wit-rode vlag van de Italiaanse vrijheid wapperend de prachtige lucht in.

De mensen op Sicilië leefden op. Ze sneden telegraaflijnen door, overmeesterden schildwachten, blokkeerden aanvoerwegen, tot grote verwarring van het leger van koning Franciscus, en leidden zo De Duizend langs verborgen paden naar hun doel, Palermo. Maar in de woeste bergen werden zij plotseling tegengehouden door 4000 goed getrainde soldaten van de koning. Terwijl zij zich verwoed naar boven vochten, zag Garibaldi om zich heen zijn mannen gewond langs de helling neerstorten, waaronder zijn jonge zoon Menotti, de jongen die Anita op de pampa ter wereld had gebracht. “Generaal, wat moeten we doen?” klonk het overal op de berg des doods. Daar klonk Garibaldi’s antwoord: “Hier maken wij Italië, of we sterven!” Zijn mannen hoorden het, de vijand hoorde het, Italië hoorde het, de wereld hoorde het. Met getrokken zwaard vooruit springend, leidde Garibaldi de charge die een numeriek veel sterkere vijand in paniek op de vlucht joeg.

Er werd een ander leger het veld in gestuurd. Garibaldi liet zijn kampvuren als lokaas branden, sloop achter de vijand om en viel Palermo binnen; na drie dagen van straatgevechten ver­overde hij een stad die verdedigd werd door 20 000 man. Toen stak hij de Straat van Messina over, en terwijl hij naar het noorden marcheerde, rolde hij het koninkrijk van koning Franciscus op als een karpet, en dreef een leger van 100 000 man voor zich uit als vee dat naar de markt wordt gebracht.

Heel Italië was in alle staten van opwinding, maar niemand was zo opgewonden als Cavour. Als de grootste Italiaanse ver­overaar sinds Julius Caesar, en gesteund door het volk dat hys­terisch van heldenverering was, moest Garibaldi zeker van plan zijn — zo dacht Cavour — zichzelf aan het hoofd te stellen van de nieuwe natie. Maar toen Garibaldi Napels in zijn macht had, stelde hij het ogenblik van de overgave uit tot de komst van Victor Emmanuel. Op 7 november 1860 reed de eerste koning van Italië met Garibaldi naast zich in triomf Napels binnen.

In een grootmoedig gebaar bood de jonge vorst de Bevrijder een titel en een kasteel aan. Met een tinteling in zijn ogen weigerde Garibaldi ieder geschenk. Italië te hebben mogen dienen was op zichzelf al een beloning.

Hij ging terug naar zijn boerderij op de rotsen van Caprera en nam niets anders mee dan een paar zakken zaad. Maar de oogst van wat Garibaldi gezaaid had was een vrij en verenigd volk.

Elders gevonden anekdote:

Heldendaden van Garibaldi
Marsala ligt op het westelijkste puntje van het eiland Sicilia. Het stadje is vooral bekend vanwege de gelijknamige wijn. Minder bekend is dat Garibaldi hier aan land kwam om het volk te bevrijden van de dominazione, overheersing, door de Bourbon-dynastie. Deze Italiaanse vrijheidsstrijder deed dat in 1860 samen met i Mille, zijn duizend roodhemden.

Sicilia heette indertijd nog il Regno delle due Sicilie, het Koninkrijk der beide Siciliën. De reden waarom Garibaldi’s stoomboten niet werden gebombardeerd, is opmerkelijk. Zijn boten lagen namelijk tussen Engelse vrachtschepen vol wijn. I Borboni waren bang dat ze ook de Engelse schepen zouden raken, en dat zou jammer zijn van de marsala… Zo ontsprongen Garibaldi’s schepen de dans.

In eerste instantie waren de inwoners van Marsala niet blij met de komst van Garibaldi. Maar na zijn veelbelovende speech werd het volk enthousiast over de nieuwe tijden die werden voorgespiegeld. Zo enthousiast dat de Marsala Superior wijn toen is omgedoopt tot Garibaldi dolce.

Ter ere van de heldendaden tijdens de Risorgimento, Italiaanse eenwording, is er in Marsala een Museo Garibaldino, opgericht. Het meest bijzondere stuk? Dat is zeker de damasten fauteuil waarop Garibaldi uitrustte nadat hij in Marsala voet aan wal had gezet.

alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

641-598

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Johann Strauss

.

DE WALSKONINGEN

Het onstuimigste ritme dat ooit de voeten van de mensheid in beweging heeft gebracht is wel dat van de wals, die zo’n honderd jaar geleden haar grandioze uitbarsting beleefde. De brave oude driekwartsmaat der boerendansen werd als bij to­verslag tot een wonderlijk stralend sieraad, dat ’s werelds muziekstad bij uitstek in extase, en een keizerlijk hof in verrukking bracht. Haar duizelingwekkende triomftocht was het werk van een vader en een zoon, die allebei Johann Strauss heetten. In hun walsen klinken nu nog de echo’s van dat Wenen van weleer — de deels gelukkige, deels weemoedige stemming en de dolle festijnen, bedwelmend als champagne.

De oudste van deze meesters van de lichte Muze werd in 1804 in een Weense achterbuurt geboren. Zijn ouders hadden een ver­lopen cafeetje. Het ziekelijke kind was nog geen jaar oud, toen het lichaam van zijn vader uit de Donau werd opgehaald; misschien had hij zich uit wanhoop verdronken. De moeder, die niet wist hoe ze er moest komen, zocht haar toevlucht bij een andere kaste­lein, die na verloop van tijd van haar kind begon te houden — het was een onstuimige knaap, met een zwarte haardos en fonkelende ogen. Zijn stiefvader die vaak had opgemerkt dat de jongen bij elk wijsje dat hij hoorde, de maat begon te slaan en net deed of hij viool speelde, bezorgde hem een echte viool. Zelfs op school kon de jongen niet met zijn vingers van de snaren afblijven. Een van de onderwijzers, die naar zijn zelfverzonnen “recitals” had ge­luisterd, vertelde aan de ouders welk een enorm talent de jongen had. Maar voor deze mensen was een beroepsmusicus niets anders dan een nietsnut, alleen goed genoeg om van de ene kroeg naar de andere te zwerven, met een wijsje in ruil voor een hap eten. Zij deden Johann in de leer bij een boekbinder.

Daar richtte de teleurgestelde jongen te midden van lijm en papier zo’n ravage aan, dat hij een pak ransel kreeg, wegliep en ten slotte, louter door die wilde uitbarsting van woede, bij zijn ouders het pleit won. En zo werd Johann, vijftien jaar oud, alt­violist in een derderangs kapel. Naast zijn zwarte krullebol zag men het blonde hoofd zitten van Joseph Lanner, ook een hoofd dat propvol zat met melodietjes. Toen Lanner een eigen kapel begon, deed Johann mee. Hun succes groeide snel, Lanners sen­timentele danswijsjes waren erg in trek. Maar toen Johanns eerste compositie onder Lanners naam werd uitgevoerd, stak de jaloezie het hoofd op en Strauss nam woedend ontslag. Veertien van Lanners beste musici gingen met hem mee; dit werd de kern van het eerste Strauss-orkest.

Nu Johann eenmaal zelfstandig was, en getrouwd — met de gitzwarte Anne Streim, die even eigenzinnig was als hijzelf — kreeg de eerzucht hem te pakken. Hij nam compositielessen bij een vriend van Beethoven en begon walsen te schrijven in een vrije en zwierige stijl, zoals men nog niet eerder had gekend. Zijn orkest kreeg het ene engagement na het andere. Toen hij 26 was, had hij tweehonderd musici in dienst en zijn podium stond in de prachtig­ste balzaal van Wenen. Het duurde niet lang of Europa brandde van verlangen om deze adembenemende, verrukkelijke walsen te horen. In de eerstvolgende paar jaar vierden hij en zijn mannen triomfen met een serie tournees door Duitsland, Nederland en België. Parijs werd veroverd en in 1838 staken zij het Kanaal over ter gelegenheid van de kroning van de 19-jarige koningin Victoria.

Onder de warme, fluwelige klank van de violisten uit Wenen verdween de Victoriaanse preutsheid als sneeuw voor de zon. De wals, die tot voor kort als ”shocking” gold, vulde elke balzaal; om al zijn engagementen na te kunnen komen rende Strauss kriskras door het land in een tempo dat al even overmoedig was als de melodieën die voortdurend uit zijn pen vloeiden. Met de gepas­sioneerde voordracht en fanatieke gebaren van een kunstenaar die bezeten is van zijn eigen muziek vuurde hij als Stehgeiger zijn spelers aan; nu eens vlijde hij zijn wang tegen de viool, dan weer hief hij het instrument triomfantelijk in de hoogte om er de ver­rukkelijke klank tot de laatste noot uit te persen.

Maar deze roofbouw op zijn talent eiste ten slotte van zijn gestel het onmogelijke. In verscheidene steden stond hij met hoge koorts op de planken. In Calais stortte hij in, maar hij wilde niet rusten. In Linz raakte hij volkomen van streek en strompelde in nachtgewaad door de straten. Toen hij eindelijk Wenen bereikte, was hij meer dood dan levend. Voor de herstellende zenuwpatiënt werd de woning van de familie Strauss tot een gevangenis. Zijn vrouw hield haar humeur in bedwang en suste hun vijf kinderen. Maar op een dag meende de zieke walskoning een spook te horen — er klonk een wals van Strauss, gespeeld op een viool. Verdwaasd ging hij kijken: de kinderen hadden weliswaar pianolessen, maar de viool was voor hen een verboden instrument. Daar stond zijn oudste zoon Johann voor de spiegel, de viool op de echte Strauss-manier onder de kin, met het onvervalste Strauss-elan te fiedelen. Papa werd razend en eiste uitleg. De jongen zei rustig, dat hij pianoles gaf aan kleine kinderen en met het daarmee verdiende geld zelf vioolles nam. Kwaad stopte Strauss de viool achter slot en grendel, maar moeder bezorgde de jongen stilletjes een andere uit vaders collectie. Het eind van het lied was dat Johann II naar de handelsschool werd gezonden, waar hij er wel voor zorgde dat hij werd weggestuurd.

Nu was de familie Strauss in twee kampen verdeeld. De ver­bitterde vader liet zijn gezin in de steek voor een onbeduidend modistetje, Emilie geheten. Ondanks al zijn successen kon de weinig spaarzame Strauss zich de luxe van twee huishoudens niet permitteren, en de zorg voor één ervan kwam op de schou­ders van de jonge Johann terecht. Deze had een betere muzikale opleiding genoten dan zijn vader, en bezat ook meer zelfbeheer­sing. Met negentien jaar was hij rijp voor zijn debuut als kapel­meester. Men had hem een zaal toegezegd die even goed was als die van de oude Strauss. De kranten, die dit duel tussen vader en zoon alleen maar toejuichten, zorgden voor een groots opgezette reclame. “Strauss Vater” zei tegen een ieder die het horen wilde, dat hij vóór het concert van zijn zoon hoopte te sterven.

Vroeg in de avond waren alle zitplaatsen ingenomen en al gauw was er geen ruimte meer om te staan. “Strauss Vater” leidde die avond een eigen concert, maar zijn impresario had dicht in de buurt van “Strauss Sohn” een troepje jongelui geposteerd om een rel te schoppen. De jonge kapelmeester betrad bleek, maar vast­beraden het podium, alleen zijn ogen schoten vuur. Hij opende het programma met vier van zijn eigen walsen en het joelen en fluiten van zijn vaders vrienden werd overstemd door applaus. Een polka en een quadrille volgden, en daarna weer nieuwe com­posities in driekwartsmaat, allemaal van de jonge Johann zelf, en alle even verrukkelijk en meeslepend, totdat aan het eind van het concert vriend en vijand om het hardst stond te juichen en te applaudisseren. Negentien maal moest hij terugkomen om te buigen, wat meer was dan zijn vader ooit te beurt was gevallen. Plotseling gaf Johann zijn mensen een teken, waarop een uit­smijter werd ingezet die niet op het programma stond, de mooiste van alle walsen die de oude Strauss ooit had gemaakt: Lorelei-Rheinklänge. Toen het laatste akkoord was weggestorven stond de zaal als één man op, men bestormde juichend het podium en droeg de edelmoedige jongeman triomfantelijk op de schouders naar buiten. En toen trots en genegenheid het ten slotte wonnen, kwam tussen vader en zoon een verzoening tot stand.

Maar in 1849, juist op een dag dat hij ’s avonds een groot feestconcert zou leiden, stortte de oude Johann in. Het was roodvonk, maar dat drong pas tot de buitenwereld door toen hij was over­leden, en zijn vrouw en zoon het ontzielde lichaam in de verlaten woning van zijn vriendin vonden. Emilie had alles meegenomen, het beddegoed incluis, en was ervandoor gegaan. De jonge Strauss werd door verdriet en afschuw gekweld, want hij had zijn leven lang een onoverwinnelijke afkeer van de dood gehad. Toen hij enkele jaren later zijn moeder verloor, vluchtte hij de stad uit en kwam pas na de begrafenis terug. Deze sombere trek in zijn wezen was wel de tegenhanger van de vrolijke luchthartigheid die wij van hem kennen. Wie goed luistert, hoort ook in zijn walsen diezelfde ondertoon van melancholie, die hij tracht uit te wissen met een stortvloed van opgewekte melodieën. Hierin was hij een typische Wener van die dagen.

Na de dood van Johann I verenigden zich de beide partijen der Strauss-vereerders om de nieuwe walskoning eensgezind te huldi­gen. Met Johanns muziek werden nu grote zaken gedaan, zodat er assistentie nodig was, niet alleen van zijn broers Joseph en Eduard, maar ook van een legertje arrangeurs en verscheidene kapellen. Johann zag zich gevangen in een tredmolen, hij kon het aantal engagementen nauwelijks verwerken. Hij vloog door de stad van het ene orkest naar het andere, leidde in elk programma een paar nummers persoonlijk, en liet de rest over aan zijn broers. Hij werd iets dat vrij zeldzaam is, een rijk musicus, en hij zag zich gecon­fronteerd met alle gevaren van de roem.

Een afdoende bescherming hiertegen was ongetwijfeld zijn zeer verstandige huwelijk. Henriëtta (“Jetty”) Treffz was tien jaar ouder dan hij, had een warm hart en een koel hoofd. Met muziek en contracten was ze volledig op de hoogte, ze had zelf gezongen in de opera van Dresden. Zij maakte een eind aan de koortsachtige haast waarmee hij zijn energie verbruikte, en in de ontspannen­heid van zijn intense geluk met Jetty vond hij de inspiratie voor zijn vele grote walsen, die sedertdien tot in den treure herhaald zijn, maar nog niets aan originaliteit hebben ingeboet.

Na een strelende, als verdroomde inleiding, barst deze muziek uit in een onstuimig kloppend ritme, veerkrachtig en meeslepend. De “Grosser Walzer” is niet gecomponeerd voor de dansvloer maar voor de concertzaal, en in al die stukken vindt men de schoonheid van een kleine symfonie -— An der schönen blauen Donau, Künstlerleben, Wein, Weib und Gesang, G’schichten aus dem Wienerwald, Kaiserwalzer.

In de zomer van 1872 organiseerde Boston een Wereld-Vredes­feest en het honorarium dat men Strauss bood om daar te komen dirigeren was al te verleidelijk. Bij zijn aankomst ontdekte hij dat de muzikale manifestaties op touw gezet waren in de trant van “hoe groter hoe mooier.” In een reusachtige hal, met een abomi­nabel slechte akoestiek, zou hij vanaf een hooggelegen platform het concert leiden met behulp van honderd assistent-dirigenten, die allemaal tegelijk zijn directie volgden. Elke assistent stond dan weer voor zijn eigen orkest, of voor een deel van het monsterkoor; er waren 1087 instrumentalisten en 20 000 koorleden. Het signaal voor het koor om in de ”Blauwe Donau” uit te barsten was een kanonschot. Strauss werd er wel misselijk van, maar hij had toch zoveel succes dat hij onmogelijk kon voldoen aan alle verzoeken van zijn bewonderaars om een lok van zijn pikzwarte haar. Het bleek noodzakelijk om voor dit doel steeds een voorraad zwart hondenhaar op zak te hebben, dat zijn ruige Newfoundlander hem verschafte. Maar in Amerika is hij nooit meer geweest.

Enige tijd na zijn terugkeer in het luchthartige, verwende negentiende-eeuwse Europa, waar het muzikale klimaat zo be­vorderlijk was voor zijn scheppingen, kreeg hij bij toeval een Franse klucht in handen, die zijn rusteloze fantasie dadelijk in vuur en vlam zette. Hij sloot zich op in zijn werkkamer, vergat te eten, en begon de plezierige koldertekst, compleet met gemaskerde bals, persoonsverwisselingen en knallende champagnekurken, op muziek te zetten. Hij werkte nachten achtereen, en in iets meer dan een maand was die verrukkelijke, spotzieke, fascinerende partituur gereed, die wij kennen als Die Fledermaus, de helderste ster die ooit aan de operettehemel heeft geflonkerd. Sinds de première, die plaats vond op 5 april 1874, heeft het stuk glansrijk zijn weg gevonden op alle podia van de westerse wereld, en nog lang na onze dagen zullen deze frisse, blijmoedige melodieën een daverend applaus blijven ontketenen.

Midden in de triomfantelijke golf van succes werd in 1878 Johanns loopbaan onderbroken door het plotselinge overlijden van zijn beminde Jetty. Toen hij haar koudgeworden hand aan zijn lippen bracht, overviel hem weer zijn oude afschuw van de dood; hij vluchtte uit Wenen weg en liet alle noodzakelijke beslomme­ringen over aan zijn broer Eduard. Na enkele weken van algehele verwarring was hij plotseling weer getrouwd. Angelika Diettrich was zangeres, had een knap gezichtje, een middelmatige stem en, zoals haar man weldra ontdekte, niet de minste moraal. Ze was aanmerkelijk jonger dan hij, en liet niet na hem dit op een sarren­de manier te laten merken. Strauss begon er oud uit te zien, zijn muziek verloor haar sprankelende geest en was als het ware aan­getast door al het afschuwelijke dat in zijn leven gekomen was. De ene operette na de andere viel als een baksteen. De enige goede daad die Angelika hem ooit bewezen heeft was: ervandoorgaan.

Maar op zijn 58ste werd Johann opnieuw verliefd; en de liefde was wederkerig. Adele Deutsch, met wie hij na zijn echtscheiding trouwde, was mooier dan Angelika en even verstandig en toege­wijd als Jetty. Zij gaf hem zijn jeugd, zijn vrolijkheid en zijn kunst terug. Onder haar zorgzame, tedere handen hervond hij de weg naar de roem — ditmaal met “Der Zigeuner baron,”” een operette die zelfs nog melodieuzer en afwisselender is dan de Fledermaus. Met zijn montering in Hongaarse stijl en zijn rijkdom aan vurige zigeunerritmen, heeft de Zigeunerbaron meer gedaan voor de ver­draagzaamheid binnen de Oostenrijks-Hongaarse dubbel-monarchie dan al Franz Josefs politiespionnen bij elkaar.

Strauss was nu méér dan Walskoning alleen — hij heerste on­betwist over het ganse rijk der Lichte Muziek op twee continen­ten. In mei van het laatste jaar van de briljante negentiende eeuw vernam Wenen dat de geliefde componist ziek was. Midden in een concert van het Strauss-orkest, op 3 juni, verscheen in de zaal een boodschapper, die de kapelmeester een briefje overhandigde. Deze las het, wenkte het orkest onmiddellijk af, en zette toen onder doodse stilte zachtjes een andere melodie in. Geleidelijk volgden de anderen, de strijkers met het omfloerste geluid van hun sordines. Het was de “Blauwe Donau.” Wenen had het begrepen.

 

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

.

636-584

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Galileï

.

STOUTMOEDIGE ONTDEKKER

GalileïIn de kathedraal van Pisa is nog altijd de lichtkroon te zien die de vonk deed ontgloeien in een van de grootste genieën die ooit hebben geleefd. Op die bewuste dag in 1581 had iemand de kroon opzij getrokken om hem aan te steken en hem toen weer laten terugzwaaien aan zijn ketting. Statig slingerde hij boven de hoofden der gelovigen heen en weer in grote, geleidelijk kleiner wordende schommelingen. En een 17-jarige jongen keek er ge­boeid naar en vergat zijn gebeden te zeggen. Het gezonde ver­stand zou hebben gezegd dat een slingerend voorwerp langer moest doen over het doorlopen van een grote boog dan van een kleine, maar de jeugdige Galileo Galileï constateerde dat dit niet het geval was. Hij controleerde het heel nauwkeurig: hij bezat weliswaar geen horloge, maar hij mat de slingertijden aan zijn eigen polsslag. En de klop van zijn hart zei hem dat hij juist had gezien.

De jonge Galileï had een glimp opgevangen van de harmonie die in het heelal heerst. Geestdriftig begon hij thuis proeven te nemen met slingers van verschillende lengte en gewicht, opge­hangen aan de balken van de zoldering of aan boomtakken, tot zijn huisgenoten er dol van werden. Hij vond een slinger uit, waarvan men de slingertijd kon laten samenvallen met de polsslag van een mens en waarbij deze slingertijd werd aangegeven op een wijzerplaat. Zo konden artsen, in een tijd waarin horloges nog een zeldzaamheid waren, de polsslag van een patiënt opnemen.

Deze jongen, geboren in Pisa, op 15 febuari 1564, was de zoon van Vincenzo Galileï, een verarmde edelman met een uitgespro­ken talent voor wiskunde en een grote liefde voor muziek. Maar daar de hogere wiskunde van geen enkel nut was in de lakenhan­del, die deze edelman tot zijn schande genoodzaakt was te drijven, wilde hij niet dat zijn zoon zijn tijd verknoeide met “die onnutte wetenschap”. In de muziek vond Vincenzo troost voor zijn mis­lukking in het leven en de driftbuien van zijn vrouw. Dus leerde hij de jongen de luit en het orgel te bespelen.

Van zijn moeder had de jonge Galileï de scherpe tong en de opvliegendheid, waarmee hij zich later vele vijanden zou maken. Van zijn vader erfde hij de aanleg voor wiskunde. Zijn eerste onderwijs kreeg hij bij de monniken van het klooster “Santa Maria” in Vallombrosia, in de buurt van Florence; hij leerde graag en goed. Toen hij 13 jaar was geworden schreef Galileo naar huis dat hij monnik wilde worden. Vader Galileï vond echter voor de jongen de tijd gekomen om aan het werk te gaan. Dus kwam zoon Galileo bij zijn vader in de lakenhandel, waarvoor hij echter in het minst niet deugde. Daarom liet zijn vader hem in 1581, toen de jongen 17 was, maar naar de universiteit van Pisa gaan om medicijnen te studeren.

De studie voor arts omvatte in die dagen ook de bestudering van de filosofie van Aristoteles. Ofschoon die op dat tijdstip al bijna 2000 jaar dood was, stond twijfel aan zijn alwijsheid prak­tisch gelijk met ingaan tegen de leer van de Kerk. De Kerk hield bovendien nog altijd vast aan de opvatting die de Griekse astro­loog Ptolemeus meer dan duizend jaar geleden had verkondigd, namelijk dat de aarde het middelpunt was van het heelal, dat ver­der bestond uit een kleine maan en zon en een paar speldenknoplichtjes, de sterren, die alle om de aarde draaiden. De jonge Galileï, vervuld van wrevel tegen dit kleine heelal en de kleine zielen die erbij zwoeren, zocht naar bewijzen in plaats van zich voetstoots neer te leggen bij de geijkte leerstellingen van de Kerk. In zelfstudie ontdekte hij Archimedes, de grootste van alle Griekse wis- en natuurkundigen. Het duurde niet lang of de leergierige student had, uitgaande van de wet van Archimedes, zijn “balansje” uitgevonden voor het bepalen van het soortelijk gewicht van verschillende stoffen. Hij werkte ook een eenvoudige methode uit om het zwaartepunt van vaste lichamen te bepalen. Zijn faam verbreidde zich snel onder de beoefenaars der wetenschap. In 1589 kreeg de 25-jarige Galileï, mede dank zij de voorspraak van invloedrijke mannen die zijn gaven hadden onderkend, een leer­stoel in de wiskunde aan de universiteit van Pisa.

Eenmaal binnen de muren van de academie waagde de jeugdige professor het Aristoteles te weerleggen. Theoretiserend zonder zijn conclusies te toetsen aan waarneming en experiment, had Aris­toteles beweerd dat een lichaam sneller valt naarmate het zwaar­der is. Verteld wordt dat Galileï alle professoren bijeenriep aan de voet van de beroemde Scheve Toren en van de top van deze toren twee stenen, de ene omtrent tien keer zo zwaar als de andere, tegelijkertijd naar beneden liet vallen. Beide stenen bereikten de grond op precies hetzelfde ogenblik. De professoren vertrouwden echter meer hun boeken dan hun ogen. Dat verhinderde Galileï niet verdere proeven te nemen, zowel met vrij vallende als met van een helling afrollende lichamen. Hij wist niet alleen te be­wijzen dat alle vallende lichamen steeds sneller gaan vallen, maar ook dat die versnelling gelijkmatig toeneemt, onverschillig of het zware of lichte, grote of kleine lichamen zijn.

Galileï was ook zeer geboeid door de problemen van het in zijn tijd nog nieuwe vuurwapen. Kanonniers wisten al wel reeds dat ze hoger moesten mikken als zij een voorwerp op afstand wilden raken, maar zij deden het op de gis. Galileï toonde aan dat de baan die een projectiel beschrijft een parabool is, en berekende nauwkeurig de elevatie, nodig om een doelwit op een gegeven afstand te raken. Daarmee legde hij de grondslag voor de leer der bewegingsverschijnselen — wat wij tegenwoordig dynamica noemen. Met de grondbeginselen die hij ontvouwde introduceerde hij een geheel nieuwe gedachte in de fysica: de wet der traagheid — dat alle in stilstand zijnde materie de neiging heeft in stilstand te blijven, of, eenmaal in beweging, zich met een gelijkmatige snelheid in een rechte lijn te blijven voortbewegen, tenzij een uit­wendige kracht daarop wijzigend inwerkt. Wij noemen dit “de eerste wet van Newton“, omdat de grote Engelsman haar voor het eerst nauwkeurig heeft geformuleerd, maar Galileï heeft de betekenis van dit beginsel het eerst doorgrond. Hij was de eerste mens die heeft gezien dat de wet der traagheid geldt voor alle aardse en alle hemellichamen.

Vóór Galileï was de proefondervindelijke methode nog vrijwel onbekend. Daar de faculteit van Pisa haar niet kon of niet wilde toepassen, trachtte men de jonge experimentator weg te intri­geren. Ongelukkigerwijs had hij zich schamper uitgelaten over een pompeuze maar onpraktische machine voor het uitbaggeren van de haven van Livorno, een bedenksel van de halfbroer van de Groot-Hertog van Toscane. En wat nog erger voor hem was, hij kreeg gelijk: het dure pronkstuk begaf het al gauw. De professoren wisten, samenspannend met deze invloedrijke prutser, te bewer­ken dat Galileï’s salaris werd verminderd. Verbitterd nam hij ontslag en keerde naar de lakenhandel terug. Gelukkig had Galileï evenveel vrienden als vijanden, en hun bemiddeling leidde ertoe dat de Republiek Venetië hem uitnodigde te komen doceren aan de universiteit van Padua. De betaling was goed, en er heerste een geest van intellectuele vrijheid.

In de 18 jaar die hij te Padua doorbracht schreef Galileï o.a. een aantal verhandelingen over de bouw van vestingwerken, be­legeringswerktuigen en bruggen. Hij vond de voorloper van de rekenliniaal uit, de z.g. “proportionaal-passer”, voor het bereke­nen van interest en het trekken van vierkants- en derdemachts-wortels. Ook construeerde hij een kwadrant voor hoekmetingen en de graadverdeling van het astronomische kompas. Dit instrument vond zoveel aftrek dat hij assistenten in dienst moest nemen om aan de vraag te kunnen voldoen. Vele van deze van een geraffi­neerd vakmanschap getuigende precisiewerktuigen bestaan nog.

In Padua trok Galileï zulke volle collegezalen dat hij zijn colle­ges soms in de open lucht moest houden. Zijn leerlingen kwamen van heinde en ver, zelfs uit Zweden en Schotland — onder hen bevonden zich toekomstige grootheden, die de kennis van hun meester verder zouden dragen tot in de uithoeken der aarde, of beschermers der wetenschap zouden worden, zoals aartshertog Ferdinand, de latere Duitse keizer. Tot hen sprak Galileï over het heelal, waarin niets stilstaat maar alle dingen (in tegenstelling tot wat Aristoteles had geleerd), alle atomen, alle sterren, bewegen. En over de Griekse wijsgeer en wiskundige Pythagoras die, levend vóór Aristoteles, had gezegd dat ook de aarde beweegt en dat ze niet het middelpunt van het heelal is, maar slechts een van de planeten of een van de sterren die aan de nachthemel flonkeren als in een oeverloze zwarte zee.

In 1609 hoorde Galileï bij geruchte dat de assistent van een Nederlandse brillenmaker bij toeval had ontdekt dat men, kijkend door twee lenzen op ongeveer 30 cm afstand van elkaar gehouden, de dingen groter zag. Ofschoon hij geen model had maakte Galileï zelf een telescoop en beklom daarmee de Campanila, het hoogste bouwwerk van Venetië. Hijgend kwamen de Doge en de senatoren van Venetië hem in hun fluweel achterna. En ja, daar op het hoogste topje van de toren konden zij, kijkend door de lenzen van Meester Galileï, de mensen in de straten van Venetië duidelijk en als van dichtbij zien lopen. De Senaat verhoogde het salaris van Galileï en benoemde hem tot professor voor het leven. Hij ging telescopen voor de verkoop maken.

Het instrument dat hij voor eigen gebruik hield noemde hij liefkozend “Oude Ontdekker”. Het vergrootte 33-maal. In die gedenkwaardige nacht waarin Galileï de Oude Ontdekker op het uitspansel richtte, ontrolde zich voor zijn zoekende blik plotseling het verhevenste schouwspel waarop sterfelijke ogen ooit hadden gerust — het perspectief van de oneindigheid, haar duisternis doorfonkeld met de lichtjes van ontelbare zonnen. Waar het blote oog slechts een nevelsluier had ontwaard, onthulden nu de lenzen de Melkweg als een snoer van sterren, en voorbij deze sterren waren weer andere sterren te zien. In die nacht is de moderne astrono­mie geboren.

Overdag tuurde Galileï door zwartgemaakte lenzen naar de zon. Hij nam waar dat haar vlammende schijf vreemde donkere vlekken vertoonde — de zonnevlekken, zoals wij ze thans noemen – en uit het feit dat ze zich duidelijk waarneembaar over het oppervlak van de zon bewogen, leidde hij af dat ook de zon, even­als de aarde, om haar as draait. Maar als dit zo was, zou de zon dan niet eveneens, hoe onbegrijpelijk het ook mocht schijnen, in een eigen baan door de ruimte snellen? Hij richtte zijn kijker op Jupiter en ontdekte dat de drie heldere sterren, die wij op één lijn zien met Jupiter, geen vaste sterren waren maar om deze planeet draaiden, met andere woorden, manen van Jupiter waren. Later ontdekte hij nog een vierde satelliet van Jupiter — wij ken­nen er thans 12. Hier was een planetenstelsel in het klein — voor een man die kon waarnemen en uit het waargenomene conclusies trekken, het bewijs voor het bestaan van een groter planetenstelsel.

De Poolse astronoom Copernicus had dus gelijk gehad toen hij in 1543 verkondigde dat de aarde iedere dag een omwenteling om haar as maakt en de planeten om de zon draaien. En Giordano Bruno had gelijk gehad toen hij de theorie van Copernicus aan de universiteiten doceerde — ook al was hij daar in 1600 te Rome levend voor verbrand.

Dat was slechts tien jaar vóór Galileï zijn Oude Ontdekker op de hemelen richtte. Geen wonder dat sommige professoren weiger­den door zijn lenzen naar het uitspansel te kijken. Duizenden anderen deden het echter wel en werden erdoor overtuigd — ge­leerden, adellijke personen, kardinalen, paus Paulus V zelf. Maar  naijverige filosofen zochten en vonden steun bij onwetende fanatici om Galileï aan te klagen bij de Inquisitie, de kerkelijke rechtbank voor geloofsonderzoek, die alles wat indruiste tegen het
vastge­stelde geloof veroordeelde en vonniste. Want de bewegingen der hemellichamen, die Galileï’s kijker en intellect hem hadden ont­huld, waren, zeiden zijn belagers, in strijd met de Heilige Schrift.

De Inquisitie verbood hem zijn opvattingen over het zonnestel­sel te verkondigen, en 16 jaar lang gehoorzaamde hij. Toen waag­de hij het in 1632 zijn Samenspraak tussen de twee grootste wereldstelsels — dat van Ptolemeus contra dat van Copernicus — te publiceren. In deze discussie slaat de verdediger van het Ptolemeïsche stelsel, een “Simplicio” genoemd personage, geen al te best figuur. Wat door Galileï’s vijanden werd aangegrepen om paus Urbanus VIII in te fluisteren dat Simplicio bedoeld was als een karikatuur van Urbanus zelf.

De drukker van de Samenspraak werd gelast de verkoop van het boek te staken — ofschoon het reeds over heel Europa aftrek had gevonden. Galileï zelf werd naar Rome ontboden. En zo moest hij dan, reeds naar de 70 lopend en met een ziek lichaam, ge­plaagd door een dubbele breuk en hartkloppingen, voor de com­missie van onderzoek van het Heilig Officium verschijnen. Hij werd met foltering bedreigd als hij zijn wetenschappelijke in­zichten niet herriep. Na vier maanden gevangenschap en verhoor onderwierp hij zich, ten diepste vernederd, aan het Vaticaan.

De overlevering wil dat Galileï, zodra hij zijn overtuiging dat de aarde om de zon draait had afgezworen, zou hebben gemompeld: “En toch draait ze.” Zo hij het al niet heeft gezegd, gedacht zal hij het stellig hebben. Hij moest neerknielen en met zijn handen op de Bijbel het afzweringsformulier voorlezen waarin hij “be­kende” dat de theorie van Copernicus een grove vervalsing was, en beloofde haar nooit meer, op straffe des doods, te verkondigen of erover te spreken. Daarna werd hij tot gevangenisstraf
veroor­deeld en zijn boek werd op de Index van verboden lectuur ge­plaatst. En daarop heeft het, de pogingen van grote katholieke geleerden om het geschrapt te krijgen ten spijt, gestaan tot 1835.

Door tussenkomst van de Groot-Hertog van Toscane werd de gevangenschap van Galileï gewijzigd in levenslang huisarrest. Maar ofschoon hij nu een gevangene in zijn eigen huis was, om­ringd door spionnen, bleven de groten der aarde hun opwachting bij hem maken, begerig te kunnen rondvertellen dat zij de nu ver­vallen oude gelaatstrekken en de doordringende blauwe ogen van de geketende adelaar van zeer nabij hadden mogen aanschouwen.

Met gevaar voor zijn leven liet Galileï fragmenten van het nieuwe manuscript waaraan hij werkte binnensmokkelen in landen waar nog vrijheid van denken en spreken bestond. Indien hij niets anders had geschreven dan dit laatste boek, Gesprekken over twee nieuwe wetenschappen, dan zou Galileï reeds een titaan van de geest zijn, de grondlegger van de moderne mechanica. In dit werk legde hij de eerste beginselen neer van de wetten waaraan lichamen die in water drijven of zich erin verplaatsen zijn onder­worpen, en kondigde hij reeds een geluidsleer aan. Hij leverde musici het proefondervindelijke bewijs voor de wiskundige basis waarop de verhouding tussen grondtoon en boventonen berust. Aan werktuigkundigen liet hij zijn inzichten aangaande spanning en wrijving na. Hij nam de zwaartekrachtwerking waar die een groot lichaam uitoefent op een kleiner.

Galileï is, 78 jaar oud, gestorven in 1642 — het jaar waarin Isaac Newton werd geboren. Zelfs na zijn dood joeg hij zijn vijan­den nog angst aan. Zij vielen zijn vrienden lastig, trachtten niet slechts zijn werken maar zelfs zijn gebeente verborgen te houden. Laten wij niet al te streng over hen oordelen; zij deelden slechts in het bijgeloof en de vooroordelen van hun tijd. Laten wij liever bedenken dat Galileï zelf een diep gelovig man was. Hij geloofde dat God Zich op ieder ogenblik van de dag en de nacht openbaart in de majesteit van de wetten der natuur. De wetenschap is het instrument waarmee wij deze wetten registreren, en de opmars van de wetenschap, verklaarde Galileï, is niet te stuiten.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

.

634-582

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Nobel/ von Suttner

.

DE MAN EN DE VROUW ACHTER DE NOBEL­PRIJS VOOR DE VREDE
.

Ten overstaan van een illuster internationaal gezelschap wordt telkenjare op 10 december in Oslo een van de hoogste eerbewijzen ter wereld uitgereikt — de Nobelprijs voor de Vrede. Terzelfder tijd worden in Stockholm Nobelprijzen uitge­reikt voor grote prestaties op het gebied van natuurkunde, schei­kunde, medicijnen en literatuur. Achter de Vredesprijs doemt de gemelijke, excentrieke figuur op van Alfred Nobel, die zijn fortuin maakte met ontplofbare stoffen, en achter Nobel staat weer het verhaal van een onversaagde, welhaast vergeten vrouw — baro­nesse Bertha von Suttner, die twintig jaar lang de spijkerharde magnaat heeft opgepord en bepraat om aan haar anti-oorlogs­campagne deel te nemen en die hem op die manier tot zijn prach­tige daad geïnspireerd heeft.

De man

In 1861 zat een groep Parijse bankiers op een dag ongeduldig te luisteren naar een jongeman die zei dat hij een geweldig idee had. Het was een Zweed, een magere, ziekelijke, nerveuze knaap, die echter zeer zelfverzekerd optrad.
“Messieurs,” kondigde hij dramatisch aan, “ik heb een olie waarmee de wereld opgeblazen kan worden!”
De bankiers schrokken op, maar de jongeman ging rustig verder met de uiteenzetting over zijn nieuwe springstof. Even later legden zijn toehoorders hem het zwijgen op. De hele zaak leek onmogelijk en bovendien, wie wilde er nu de wereld opblazen?

Toen Napoleon III evenwel over de jonge Zweed hoorde, wendde hij zich tot een financier. En Alfred Nobel ging met een wissel van 100.000 franc naar Stockholm terug. Zo werd de grond­slag gelegd voor het kapitaal van Nobel.

Voor Alfred Nobel was er niets geheimzinnigs aan krachtige springstoffen. Zijn vader, Emmanuel Nobel, had er jarenlang in geliefhebberd en hij had een zeemijn uitgevonden die Rusland in de Krimoorlog had gebruikt. Alfred was op een na de jongste van vier broers en hij was de kleinste van allemaal. Zijn moeder had een voortdurende strijd gestreden om hem in leven te houden. Als jongmens reisde hij door Europa en Amerika, en in Parijs ont­moette hij een meisje waarop hij wanhopig verliefd werd. Zij stierf. Triest en verbitterd keerde Alfred op 21-jarige leeftijd terug naar de fabriek van zijn vader en daar ging hij vastberaden aan het werk — want werk, zo besloot hij, was alles wat het leven hem te bieden had.

Emmanuel Nobel was ervan overtuigd dat nitro-glycerine grote mogelijkheden bezat als springstof, hoewel het in die tijd hoofd­zakelijk als stimulans bij hartziekten werd gebruikt. Onder be­paalde omstandigheden kon het ontploffen, maar niemand wist precies welke die omstandigheden waren. Soms viel er een bus met het goedje met een plof op de grond en er gebeurde niets. Soms veroorzaakte een lichte schok al een vernietigende ont­ploffing. Alfred en zijn vader stelden zich ten doel de nitro-glyce­rine te bedwingen. Langzamerhand nam Alfred de leiding in deze onderzoekingen. Hij kwam tot de theorie dat er maar één manier was waarop de soepachtige vloeistof absoluut zeker tot ontplof­fing kon worden gebracht. Daartoe moest men de vloeistof in een stevige, afgesloten bus doen en door een sterke primaire explosie tot ontbranding brengen. Hij ontwikkelde het slaghoedje — een uitvinding die nog steeds de basis vormt van de hele nitro-gly­cerine- en dynamiet-industrie.

Nadat hij zich van de hulp van Louis Napoleon had verzekerd, gingen Alfred en zijn vader hoopvol aan het werk, maar de nitro­glycerine wilde zich nog steeds niet gedragen. In mei 1864 werden de jongste zoon, Emil, en vier arbeiders door een ontploffing ge­dood. De oude Emmanuel was er kapot van en kwam er nooit meer bovenop. De Nobels hadden geen vergunning om met spring­stoffen te werken en de overheid maakte een einde aan hun werk. Alfred ging er halsstarrig mee door. Hij verhuisde zijn fabriek naar een schuit die in een meer voor anker lag. Hij was tegelijk scheikundige, fabrikant, boekhouder en demonstrant. Hij gunde zich nauwelijks tijd om te eten en het lukte hem zijn spijsvertering voor zijn hele verdere leven te ruïneren. Hij zou de wereld laten zien, zei hij, dat zijn nitro-glycerine veilig was.

Binnen een jaar gebruikte de Zweedse regering zijn “soep” om rotsen op te blazen voor een station van de Stockholmse onder­grondse, en hij opende fabrieken in vier landen. Hij was al te optimistisch. Het schrikbewind van de nitro-glycerine zou nog beginnen. Op een morgen in 1865 vloog de fabriek van Nobel in Noorwegen de lucht in. Een paar weken later probeerde een spoorwegarbeider in Silezië bevroren nitro-glycerine met een bijl in stukken te hakken. Zijn benen werden 800 meter verder terug­gevonden. In april ontploften er 70 kisten nitro-glycerine aan boord van een schip in de haven van Panama. De kade en een goederenloods in de buurt werden zelfs vernield, en een ander schip werd ernstig beschadigd. Er werden zestig mensen gedood en de schade beliep 3,5 miljoen gulden. Een paar dagen later ver­loren 15 mensen het leven en werd een blok huizen in San Francisco vernield door een nitro-glycerine ontploffing.

Kort na de ontploffing in San Francisco arriveerde Alfred Nobel voor zaken in New York en hij had dozen “soep” bij zich. Hij was er helemaal niet welkom. De mensen meden hem en de hotels weigerden hem een kamer. Toen hij aankondigde dat hij een openbare demonstratie zou geven in een steengroeve kwamen er ongeveer 20 mensen naar het vuurwerk kijken, en zelfs die hielden zich op een afstand. Hij goot een klein beetje van de verschrikke­lijke olie op een vlak stuk ijzer en hief toen een hamer op. De toeschouwers zochten dekking. Er klonk een hevige knal, maar Nobel was ongedeerd. Hij troonde hen dichterbij en legde op een droge, wetenschappelijke wijze uit dat alleen de olie die door de hamer was geraakt was ontploft. Je kon niet alle olie laten ont­ploffen zonder deze eerst in een afgesloten ruimte te brengen. Daarna stak hij het plasje olie met een lucifer aan. Het brandde, maar ontplofte niet. Twee uur lang liet Nobel zien wat hij met de geheimzinnige geweldenaar kon doen. Hij besloot de voorstelling met een paar echte ontploffingen, om aan te tonen wat er ge­beurde als de geweldenaar zijn gang kon gaan. De menigte ging overtuigd naar huis.

Ofschoon het kantoor van Nobel nu werd overstroomd met orders en hij een fortuin voor het grijpen had, ging hij dat jaar bijna failliet. Verschillende landen vaardigden wetten uit waarbij het gebruik van de “soep” van Nobel werd verboden, en de rederijen weigerden het te vervoeren. Er moest een veilige nitro­glycerine worden uitgevonden. Dus vond Alfred Nobel het uit, hoewel velen beweren dat het een toeval was.

In het noorden van Duitsland komt een lichte, vochtabsorberende grondsoort voor die kieselguhr heet. De arbeiders van Nobel kwamen zaagsel te kort en gebruikten de aarde bij het ver­pakken van de blikken nitro-glycerine. Het verhaal gaat dat een van de blikken lekte en dat Nobel merkte hoe de nitro-glycerine door het kieselguhr werd opgeslorpt of het vloeipapier was. Hij vermengde drie delen “soep” met één deel kieselguhr en zijn gebed werd verhoord. De massa was zo kneedbaar als stopverf en kon in cilinders verpakt veilig verscheept worden. Nobel noemde het dynamiet. Binnen tien jaar produceerden de 15 fabrieken van Nobel per jaar 3 miljoen kilo van de nieuwe springstof.

Op zijn veertigste jaar was Nobel een eenzaam, vermoeid en zwaarmoedig man, die buiten zijn werk weinig interessen had en buiten zijn medewerkers weinig kennissen. Hij had zelfs geen huis. Hij werd “de rijkste vagebond van Europa” genoemd.

Hij probeerde zichzelf te veranderen. Hij nam zijn intrek in een weelderig gemeubileerd huis in Parijs. Hij was een verstokte vrij­gezel en omringde zich met luxe; hoewel hij alleen het allereen­voudigste voedsel mocht eten, omdat zijn spijsverteringsorganen waren aangedaan door het inademen van nitro-glycerinedampen, had hij een uitstekende kok. Hij bezat raspaarden en een prachtig rijtuig waarmee hij eenzame rijtoeren maakte in de parken. Hij was een vaste bezoeker van een literaire salon en had een intense maar droefgeestig getinte belangstelling voor poëzie, toneel en filosofie. Hij ging weer de werken van de Engelse dichter Shelley lezen, de afgod van zijn jeugd, en hij dacht erover te gaan schrij­ven. Maar hij sprak zes talen, alle even vloeiend, en kon maar niet besluiten welke taal hij zou gebruiken. Zelfs in een gesprek ging hij van de ene taal op de andere over. Hij verviel ongemerkt in de taal die het beste bij het onderwerp paste.

Nobel las geweldig veel en niet alleen technische boeken. Hij hield van die schrijvers die zijn geloof in de voortdurende voor­uitgang van de mensheid versterkten. Vele van zijn brieven — hij schreef er vaak 50 per dag — bevatten diepgaande besprekingen van nieuwe romans, toneelstukken en gedichtenbundels. Hij begon aan twee romans, die hij nooit heeft voltooid, en tegen het einde van zijn leven schreef hij een toneelstuk waardoor hij
vol­komen in beslag werd genomen. Hij ging eens naar Londen voor een zakelijke bespreking, waar hij vijf minuten over zaken praatte en toen zijn toneelstuk te voorschijn haalde om het voor te lezen. Het stuk zou juist worden uitgegeven toen hij stierf. Zijn executeurs vonden het beter de uitgave op drie exemplaren na te ver­branden.

Nobel draaide Parijs de rug toe nadat de Franse regering, ver­ontrust omdat hij zijn rookzwak buskruit aan Italië had verkocht, zijn werk aan beperkende bepalingen onderwierp. Hij bracht de rest van zijn leven in strikte eenzaamheid door in San Remo, Italië. Toen zijn broer Ludwig stierf, die een fortuin had verdiend in de olie, dachten de Franse kranten dat het Alfred was. En hij had de bijzondere voldoening zijn eigen levensbeschrijvingen te lezen. Ze waren niet complimenteus.

In San Remo bracht hij het grootste deel van zijn tijd door met het werken aan synthetische rubber en kunstzijde. Zijn hart begon het op te geven en hij ging naar specialisten. Hij lachte toen zij hem nitro-glycerine voorschreven. Hij kocht een sfygmograaf en sloeg de curve gade die de onregelmatigheid van zijn pols aangaf. Hij wees zijn vrienden welke mate van afwijking voor hem dodelijk zou zijn. Hij stierf op 10 december 1896.

In het begin van het volgende jaar werden zijn testamentaire beschikkingen bekendgemaakt. En toen bleek dat Nobel, on­danks zijn twijfel — hij voorspelde eens dat zijn brisante springstoffen eerder een einde aan de oorlog zouden maken dan vredes­bijeenkomsten, omdat steeds dodelijker wapens de beangste naties ertoe zouden brengen hun legers te ontbinden — had besloten zijn ruim twintig miljoen gulden belopend vermogen te bestemmen voor een fonds waaruit vooraanstaande bevorderaars van de vrede een prijs zou worden toegekend. Later had hij daaraan prijzen voor wetenschap en letterkunde toegevoegd.

Aanvankelijk was hij niet van plan geweest een eeuwigdurende vredesprijs in te stellen. Hij opperde dat deze na 30 jaar opgeheven zou worden, want hij was van mening dat de wereld tot barbaars­heid zou vervallen als de internationale vrede niet binnen die tijd was verzekerd. Dat zei hij in 1893. Precies 30 jaar later leidde een Oostenrijkse huisschilder in München een putsch.

De vrouw

Het was Nobels eenzaamheid die tot het instellen van de vre­desprijs leidde. Zijn correspondentie werd in zes talen gevoerd en het was niet gemakkelijk een goede secretaresse te vinden die tevens een volmaakte talenkennis bezat. Het kwam zo ver dat hij het haatte een secretaresse aan te nemen, omdat hij er tegenop zag haar weer te ontslaan.

In 1876, toen hij in Parijs woonde, probeerde hij het opnieuw en het was Bertha Kinsky, een jonge, onbemiddelde Boheemse gravin, die op zijn advertentie solliciteerde. Zij was een dochter van een veldmaarschalk in het Oostenrijkse leger. Haar vader was voor haar geboorte gestorven en had een nooddruftig gezin achtergelaten. Opgroeiend in de midden-negentiende-eeuwse droomwereld van de verarmde Weense aristocratie, leerde Bertha zich volmaakt te bewegen; zij beheerste verscheidene talen en schreef zelfs romantische toneelstukjes. Zij studeerde stemvorming in Parijs, maar in 1873, toen het familiekapitaal opraakte, ging ze in betrekking bij baron Von Suttner als gouvernante voor de vier dochters. Daar leerde ze ook de aardige zoon van de baron, Arthur von Suttner, kennen. “Als hij binnenkwam,” schreef Bertha later, “werd de hele kamer licht en warm.”

Er bloeide een romance tussen hen op, maar Arthurs moeder maakte bezwaar omdat de gouvernante niet alleen geen geld had, maar ook zeven jaar ouder was dan haar zesentwintigjarige zoon. Op haar aandrang nam Bertha ontslag. De opgeluchte barones was zo vriendelijk haar opmerkzaam te maken op een advertentie: “Een welgestelde, ontwikkelde oudere heer, woonachtig te Parijs, zoekt een dame, eveneens van rijpere leeftijd, bekend met vreemde talen, als secretaresse en huishoudster.” Bertha schreef op de advertentie en kreeg een hartelijk antwoord van een zekere Alfred Nobel die, volgens de barones, de uitvinder was van het dynamiet. Er werd een afspraak gemaakt en Bertha ging naar Parijs.

Er stond beide partijen een verrassing te wachten. Toen Bertha aankwam, was het geen “oudere heer” die haar tegemoetkwam, maar een sombere man van 43 jaar met een donkere baard en vriendelijke, verlegen manieren. De “dame van rijpere leeftijd” die Nobel had verwacht, bleek een knappe, rijzige vrouw te zijn, jong voor haar 33 jaren, met fijnbesneden trekken en grote, spre­kende, donkere ogen. Hoffelijk en vormelijk bracht Nobel zijn adellijke secretaresse naar het hotel waar hij een suite voor haar gereserveerd had, en bood haar een lunch aan. Hij praatte uit­voerig over politiek, kunst, het leven en de toekomst van de mens­heid, en Bertha bleek goed te kunnen luisteren. De volgende morgen nam zij haar plaats in op het kantoor van Nobel.

Bertha’s kennismaking met de munitie-industrie maakte een diepe indruk op haar. Haar chef en zijn medewerkers hielden een vinger op de politieke pols van de hele wereld en wisten zo te manoeuvreren dat ze hun ontplofbare stoffen onpartijdig aan alle strijdende partijen konden verkopen. Toch was Nobel in zijn hart een negentiende-eeuwse mensenvriend die vast bleef geloven dat de mensheid zichzelf eenmaal verbeteren zou. Hij stuurde grote bedragen aan liefdadigheidsinstellingen — maar sprak er cynisch over en zei tegen Bertha, dat er alleen maar hoop voor de wereld was als de mensen met betere hersens geboren werden. Onder het dicteren door gaf hij altijd een hele reeks geestige, sarcastische commentaren ten beste.

Hoewel haar werk haar buitengewoon boeide, kon Bertha Arthur von Suttner niet vergeten. Elke dag kreeg zij een brief van hem; zijn zusters schreven dat hij eenzelvig was en bijna niets zei. Op een dag dat Nobel in Stockholm was om de oprichting van een nieuwe dynamietfabriek te regelen, kreeg Bertha een brief van Arthur, waarin stond: “Ik kan niet zonder je leven.” Zij schreef haar werkgever een brief om hem te bedanken en zich te veront­schuldigen, beleende haar enige sieraad en kocht een kaartje voor de eerstvolgende trein naar Wenen. Het jonge paar trouwde enige weken later in een klein kerkje en verdween toen naar Mingrelië, een miniatuurprinsdom in de Kaukasus, dat negen jaar tevoren bij Rusland was gevoegd. Hun wittebroodsweken daar duurden negen — voor het merendeel magere — jaren. Arthur werkte overdag als boekhouder in een behangselfabriek en Bertha gaf piano- en zanglessen aan de adellijke jongedames in de buurt.

Toen Rusland in 1877 de oorlog verklaarde aan Turkije, werd de Kaukasus één grote legerplaats. Bertha zag de jonge mensen te voet de oorlog inmarcheren en in hospitaaltreinen terugkeren. Zij hielp de diepbedroefde moeders troosten en wijdde zich aan het maken van verbandstof en aan kantinewerk. In haar Weense jeugd had de oorlog een ver avontuur geleken, vanwaar met medailles behangen helden terugkwamen om te walsen. Nu was zij omringd door de vuiligheid en de ellende zelf en ze werd woe­dend op de staatslieden en de generaals die zoveel mensen de dood instuurden, maar voelde zich tot machteloosheid gedoemd.

De oorlog gaf de veelzijdige Arthur echter wel een goede kans, die hij aangreep door een serie artikelen te schrijven voor een Weens dagblad. Toen de oorlog afgelopen was, ging hij op de ingeslagen weg voort met onderhoudende stukjes over de Kaukasus en zijn bewoners, en bijna voor hij het wist was hij een bekend free-lance journalist. Bertha, die een tikje jaloers was, schreef een kort verhaal dat zij met het oog op mannelijke vooroordelen, ondertekende met “B. Oulot”. Zij stuurde het naar de Weense Presse en kreeg per omgaande een bemoedigende brief plus een cheque.

Tijdens hun ballingschap in de Kaukasus hadden de Von Suttners zes romans en een menigte artikelen geschreven. Toen zij in 1885 in triomf naar Wenen terugkeerden, vergaven Arthurs ouders hun de vlucht van vroeger en boden hun zelfs een suite aan in het kasteel, waar de knappe gouvernante eens boven haar stand verliefd was geworden.

Intussen hadden Bertha en Alfred Nobel hun Parijse gesprekken per brief voortgezet. Hij was opgetogen over haar letterkundig succes. Hij was grijzer en melancholieker geworden, maar was nog steeds de volmaakte gastheer toen hij de Von Suttners in Parijs ontving, hun zijn particulier laboratorium liet zien en vertelde over zijn experimenten. Hij nam hen ook mee naar zijn literaire salon. Toen zij daar de conversatie hoorde over Bismarck en de mogelijkheden van een nieuwe oorlog, voelde Bertha zich ge­schokt door de luchthartige toon waarop men praatte over onheil en dood. Zij hoorde er echter ook voor het eerst over een vredes­beweging — de Internationale Vereniging voor Vrede en Ar­bitrage in Londen — en sloot zich daar onmiddellijk bij aan.

Nobel waardeerde het idealisme van de barones, maar amu­seerde zich over haar onstuimigheid. Toch vatte hij een levendige belangstelling op voor haar vredesbeweging; hij zond geld, hoewel hij vond dat de beweging meer dan aan geld behoefte had aan een praktisch programma. Hierdoor geprikkeld besloot de barones de vredesbeweging een boek te geven dat de mensen zou schokken. Zij stortte zich op het opsporen van feiten over de oorlog — niet de romantische oorlog van de salons en de paleizen, maar de barre werkelijkheid. Zij sprak met legerchirurgen en las hun rapporten, vond officieren in actieve dienst die bereid waren haar precies te vertellen, hoe een man ineenkromp als hij neergeschoten werd, hoe hij zich gedroeg als hij op sterven lag, hoe hij er drie dagen daarna uitzag en hoe hij riekte. Het resultaat was een indrukwekkende roman, De Wapens Neer, waarin ze al haar hartzeer en woede uitstortte.

Het boek voorzag in een grote behoefte en sloeg geweldig in. Het veroverde de wereld in twaalf talen en werd in Rusland zonder toestemming van de auteur nagedrukt. Baronesse von Suttner was beroemd. Tolstoi vergeleek haar boek met De Negerhut van Oom Tom en hoopte dat het voor de afschaffing van de oorlog zou doen, wat de roman van Harriet Beecher Stowe voor de  afschaffing van de slavernij had gedaan. Maar het eerbewijs dat ze het meest op prijs stelde, kwam van Nobel. Hij prees de “grootheid van haar ideeën”, en voorspelde dat deze “wapenen” verder zouden dragen dan de nieuwste kanonnen “en alle andere helse machines”.
De barones buitte deze gelegenheid uit door hem hem te vragen een vredescongres in Bern bij te wonen. Hij kwam incognito en, hoewel hij niet op de vergaderingen wilde komen, vroeg hij toch wel om de verslagen. “Breng me op de hoogte, overtuig me,” zei hij, “dan zal ik iets groots voor de beweging doen.”

Naarmate Nobels gezondheid achteruitging, werd hijzelf zachtaardiger. “Ik druk uw beide handen,” schreef hij aan de barones, “de handen van een goede, geliefde zuster.” Tegen het eind van 1896 schreef hij: “Ik ben zeer verheugd te zien dat de vredesbeweging veld wint.” Drie weken later stierf hij. De eerste Nobelprijs werd uitgereikt in 1901. Henri Dunant, die de vredesprijs van dat jaar deelde met Frédéric Passy, schreef aan de barones: “Deze prijs, geachte mevrouw, is uw werk, want gij zijt het werktuig geweest waardoor Alfred Nobel een toegewijd dienaar van de vredesbeweging is geworden en gij hebt hem op het denkbeeld gebracht, de voornaamste begunstiger ervan te worden.”

Het zou dwaasheid zijn te veronderstellen dat de cynische miljonair-uitvinder zijn fortuin alleen op deze manier belegd heeft doordat de barones zo aangedrongen had. Hij heeft het plan zorgvuldig overwogen en met vele deskundigen besproken, en hij heeft slechts een deel van zijn schenking voor dit speciale doel bestemd. Maar wel had de barones al vroeg in hem idealisme bespeurd waarmee hij, onder het mom van norsheid, niet goed raad wist, en met bekoorlijke vastberadenheid de weg geëffend voor datgene, wat haar het naast aan het hart lag. Het was dan ook passend dat de vrouw die op 10 december 1905 bij de beroemde plechtigheid naar voren kwam om de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst te nemen, baronesse Bertha von Suttner was.

.

alle biografieën

.

629-578

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Eiffel

.

ZIJN “MONSTERLIJK WANGEDROCHT” WERD DE TROTS VAN PARIJS

Anderhalf miljoen toeristen* maken elke zomer een luchtreis in de eerbiedwaardige liften van de Eiffeltoren om op 300 meter hoogte te genieten van een adembenemend panorama: de drukke, kleurrijke boulevards, de prachtige ge­bouwen, heel de voorname charme van het met parken en
plant­soenen versierde Parijs. De meesten zullen dat uitzicht hun leven lang niet meer vergeten, en dat is precies wat Gustave Eiffel in 1889 bedoeld heeft toen hij het wonder van technisch vernuft deed verrijzen — op twee na het hoogste bouwwerk ter wereld.**

Het is wel merkwaardig dat, terwijl de roem van de Eiffeltoren tot in alle uithoeken van de aarde is doorgedrongen, Gustave Eiffel zelf betrekkelijk onbekend is gebleven. “Ik zou eigenlijk jaloers op die toren moeten zijn,” heeft hij eens gezegd. “De men­sen schijnen te denken dat ik nooit iets anders heb gedaan. Maar er is heus nog wel meer uit mijn handen gekomen!”

Inderdaad: de energieke oude heer met zijn kaarsrechte rug en tintelende ogen had veel meer gepresteerd. Monsieur Eiffel, grond­legger van de moderne staalconstructie, heeft enkele van de groot­ste bruggen ter wereld gebouwd volgens een geheel nieuw systeem, dat een omwenteling teweegbracht in de tot die tijd gevolgde techniek.

Zijn gedurfde, fantastisch schijnende experimenten met bouw­werken van allerlei aard hebben de stoot gegeven tot de over­gang naar een nieuw tijdperk van staal en beton, dat een einde zou maken aan de alleenheerschappij van steen en hout als bouw­materialen. De New Yorkse wolkenkrabbers zijn grotendeels ge­bouwd volgens beginselen die tientallen jaren tevoren al door Eiffel in praktijk waren gebracht. Hij heeft de eerste bruikbare wind­tunnel ontworpen en de grondslagen gelegd voor de constructie van vliegtuigvleugels en luchtschroeven. Louter voor zijn eigen plezier knutselde hij aan allerlei “kleine uitvindingen”, zoals een bruikbaar systeem voor geluidsfilms.

“Het merkwaardigste van grand-père” vertelde een van zijn kleinzoons mij, “was dat hij altijd plezier had in alles wat hij deed. Ik heb nooit iemand zo hard zien werken, en er was geen gelukki­ger mens dan hij.”

Gustave Eiffel werd in 1832 als zoon van welgestelde ouders in Dijon geboren. Hij zakte voor het toelatingsexamen van de Poly­technische School, maar doorliep met succes de Middelbaar Tech­nische School in Parijs, waarna hij in dienst trad bij een maat­schappij voor de aanleg van spoorwegen. Twee jaar lang zat hij braaf aan zijn tekentafel gewone ontwerpen te maken. Zijn moeder — een schrandere, vastberaden vrouw die met veel succes een eigen kolen-en-houthandel dreef — was tot de verdrietige slotsom gekomen dat Gustave het nooit ver zou brengen. Glim­lachend stelde Gustave haar gerust. “Geduld, maman” zei hij. “Ik heb plannen genoeg. U zult nog eens wat zien.”

In de jaren na 1850 breidde het Europese spoorwegnet zich snel uit. Het grootste struikelblok was de bouw van bruggen, die nog steeds in hoofdzaak uit metselwerk bestonden, wat enorme som­men aan lonen van geschoolde arbeidskrachten verslond. Volgens Eiffel zou dit probleem zijn op te lossen door de toepassing van pasklaar gemaakte stalen onderdelen die ter plaatse gemonteerd konden worden door betrekkelijk ongeschoolde werklieden. IJverig zette hij zich aan het verzamelen van alle beschikbare gegevens over de eigenschappen van staal, zoals de maximaal toelaatbare druk, de trekvastheid, enzovoort.

Toen zijn maatschappij van de Zuidfranse Spoorwegen op­dracht kreeg voor de bouw van een 480 meter lange brug over de Garonne in Bordeaux, bracht Eiffel zijn plannen in tekening en stapte ermee naar zijn directie. Het ontwerp gooide alle bestaande theorieën omver, maar zijn berekeningen klopten tot in de kleinste bijzonderheden. Eiffels toelichtend betoog voor de verzamelde le­den der directie was een mengeling van zakelijkheid en geestdrift, waartegen zelfs de twijfelmoedigste toehoorder niet was opgewassen.

Het ontwerp werd aangenomen. En terwijl ervaren Franse ingenieurs vol leedvermaak zaten te wachten op de instorting van de brug, en de smadelijke nederlaag van “die jonge branie”, werden aan de Garonne-oevers Eiffels pijlers, steunbalken en spanten met bekwame spoed gemonteerd tot een spoorbrug die aan de hoogste eisen voldeed en gereedkwam in de helft van de tijd en tegen de helft van de kosten van een “gewone” brug. Met dit eerste werkstuk had de 29-jarige Gustave Eiffel het systeem van de Europese verbindingswegen nieuw leven ingeblazen.

Het succes van de Garonne-brug gaf Eiffel het zelfvertrouwen dat hij nodig had. “Van mijn vader,” zei hij eens, “heb ik leren dromen. Van mijn moeder heb ik de harde werkelijkheid van het zakenleven geleerd. Het was een nuttige combinatie.” Eiffels vader, een oud-cavalerist die nog onder Napoleon had gediend, had altijd grootscheepse plannen die hij nooit uitvoerde. Zijn zakelijke, praktische echtgenote was eigenlijk de stuwende kracht van het gezin. Met vader Eiffels enthousiasme en het geld van maman werd in 1866 de Eiffel-Bouwmaatschappij opgericht. Op de bescheiden koperen plaat aan de deur van het Parijse kantoor stond te lezen: “G. Eiffel, aannemer. Uitvoering van alle soorten staalconstructies.” In de daaropvolgende twintig jaren werd Gustave Eiffel de beroemdste bouwmeester van Europa.

Nog in het begin van zijn loopbaan kreeg Eiffel bezoek van een cliënt die onder zorgen gebukt ging: de beeldhouwer Bartholdi. Enkele jaren tevoren had de kunstenaar een ontwerp gemaakt voor het monumentale Vrijheidsbeeld als een onvergankelijk sym­bool van de vriendschap tussen Frankrijk en Amerika. Voor de uitvoering van het plan waren miljoenen francs bijeengebracht en de kunstenaar was al aan het werk getogen toen van deskundige zijde het ontstellende bericht kwam dat er geen technische midde­len bestonden om de 45 meter hoge bronzen reuzin in de storm­achtige baai van New York op de been te houden.

Monsieur Eiffel stond onmiddellijk in vuur en vlam. “Dat prachtige beeld moet er komen!” riep hij uit. Spoorslags ging hij aan het werk, en het duurde niet lang of hij had de plannen klaar voor een geniaal geconstrueerd stalen geraamte, licht genoeg om op een betrekkelijk klein voetstuk te worden geplaatst en toch voldoende sterk om de zwaarste stormen te weerstaan. Alle sombe­re voorspellingen van de deskundigen ten spijt verrees voor New York Bartholdi’s kolossale beeld — een wonder van stabiliteit dank zij de uit Eiffels werkplaats afkomstige en ter plaatse tot een een­voudig geraamte samengevoegde stalen balken en spanten. Het gevolg was dat men overal ter wereld ging experimenteren met stalen geraamten voor allerlei bouwwerken.

De door Eiffel ontworpen Maria-Piabrug veroorzaakte een nieuwe omwenteling in de bruggenbouw. Naar aanleiding van een door de Portugese regering geopende inschrijving voor een brug over de woeste Douro — de brug moest 60 meter hoog worden en een spanwijdte hebben van 150 meter — besloot Eiffel ter plaatse poolshoogte te nemen. “Onmogelijk,” was het oordeel van een van zijn assistenten toen zij het terrein bekeken. “Misschien,” ant­woordde Eiffel, “maar toch aardig om eens te proberen.”

Terug in Parijs, verdween hij in zijn werkkamer. Een week later ontbood hij zijn chef-tekenaars. “Voila!” verklaarde hij triomfantelijk. “Ik heb het gevonden. We gaan een hangbrug maken!” De concurrentie stond paf toen de Eiffel-Bouwmaatschappij voor een belachelijk laag bedrag inschreef en de verba­zing steeg naarmate de brug vorderde. In plaats van de gewone, kostbare, massieve houten schoringen maakte Eiffel gebruik van stalen kabels, bevestigd aan op beide rivieroevers geplaatste mas­ten, om op deze wijze elk onderdeel van de geweldige boog op zijn plaats te houden tot het volgende stuk aan de beurt was. Nu is deze techniek algemeen gebruikelijk, maar destijds was het een ware sensatie. De Maria-Piabrug, met haar indrukwekkende, de gehele rivierbreedte overspannende en niettemin opvallend lichte boog, heeft de toepassing van constructiestaal vele jaren verhaast.

Sindsdien kwam het ene ontwerp na het andere uit Eiffels han­den — klassieke voorbeelden van eenvoud en kostenbesparing: bruggen in Rusland, Egypte, Peru; dammen, fabrieken, stations, gebouwen van ongekende afmetingen. Ingenieurs in heel Europa namen zijn techniek over. Toen een van zijn medewerkers eens mopperde dat hij veel te openhartig omsprong met gegevens die “zakengeheimen” dienden te blijven, was Eiffels antwoord: “Maar beste man, als ik nu mijn plezier van een uitvinding heb gehad, waarom zou ik dat dan niet ook aan een ander gunnen? Het is eigenlijk heel vleiend voor mij — en ik kan trouwens altijd weer iets nieuws bedenken.”

Geld en roem hadden niet de minste invloed op hem. Tot zijn tachtigste jaar werkte hij dagelijks tot 11 uur ’s avonds aan zijn plannen en ontwerpen. De zondag was voor zijn gezin. Al zijn kinderen en kleinkinderen beschouwden bon-papa als de held hun­ner dromen. Hij gaf zijn “kleintjes” schermlessen en maakte aller­lei uitstapjes met hen in de vrije natuur. Het zondagse diner in bon-papa’s sprookjesachtig mooie huis was steeds weer een opwin­dende gebeurtenis. Altijd waren er gasten: staatslieden, kunste­naars, geleerden, en Eiffel verzuimde nooit ook zijn jongste klein­kinderen aan zijn bezoekers voor te stellen.

Op aandringen van een groep Franse industriëlen besloot de regering omstreeks 1880 tot het organiseren van een wereld­tentoonstelling in Parijs. Eiffel stelde voor om als symbool van deze expositie een 300 meter hoge ijzeren toren te bouwen. Toen het voorbereidend comité bezwaar maakte tegen dit fantastische voorstel, stapte Eiffel met zijn gedetailleerde ontwerp naar de minister van Handel. Het plan werd goedgekeurd, met dien ver­stande dat de Franse regering in de geraamde kosten van acht miljoen goudfrancs slechts een vijfde zou bijdragen. Ter dekking van het restant nam Eiffel een hypotheek op zijn maatschappij.

In januari 1887 werd met de bouw begonnen, nadat twee jaar lang veertig ingenieurs en tekenaars onder Eiffels leiding alle details hadden uitgewerkt van de 15 000 stalen onderdelen die met 2 500 000 klinknagels samengevoegd moesten worden. Het plaatsen van de vier kolossale, een hectare grond omvattende bogen, gekroond door het onderste platform, werd door 250 arbeiders in een jaar tijds verricht.

In stomme verbazing keek heel Parijs zijn ogen uit. Wat men ook verwacht had — een dergelijke gigantische toren zeker niet. En toen brak de storm los. Een door 300 schrijvers en kunstenaars ondertekend manifest eiste de onmiddellijke afbraak van het ”monsterlijke wangedrocht”; ontelbare verzoekschriften stroom­den het ministerie van Handel binnen. De enige die onder al deze opwinding kalm bleef, was monsieur Eiffel. Glimlachend verscheen hij dagelijks op zijn steeds groeiende toren. “Wacht maar tot hij klaar is. Dan zullen ze er trots op zijn,” voorspelde hij rustig.

In maart 1889 was het werk voltooid. Onder het gedreun van 21 kanonschoten hees Gustave Eiffel de driekleur op het hoogste ooit door mensenhanden gemaakte bouwwerk. “De Franse vlag is de enige die zich kan beroemen op een vlaggestok van 300 meter,” zei hij met gepaste trots.

Eiffels schepping moge zijn tijdgenoten nog zo verbaasd hebben, alleen een modern geschoolde ingenieur is in staat deze uitzonder­lijke prestatie op haar juiste waarde te schatten. Nog nooit was een dergelijk bouwwerk tot stand gekomen, nooit had men ook maar gepoogd een oplossing te vinden voor de daaraan verbonden problemen in verband met evenwicht, winddruk, het hijsen van zware lasten tot dergelijke hoogten — en niettemin had Gustave Eiffel geen enkele fout gemaakt en niets aan het toeval overgela­ten. Er was rekening gehouden met de risico’s van het werken op grote hoogte, zoals hoogtevrees en plotselinge windvlagen — gevaren die voor de arbeiders een dodelijke val konden betekenen. Eiffel maakte gebruik van technieken die pas jaren later algemene toepassing zouden vinden. De voetstukken van cement en staal waarop de vier reusachtige bogen rusten, hebben tot voorbeeld gediend voor de hedendaagse funderingen van gewapend beton.

Acht maanden na de openstelling in mei 1889 hadden bijna twee miljoen mensen de Eiffeltoren bezocht. Inderdaad: het “monsterlijke wangedrocht” werd de trots van de lichtstad. Eiffel kon zijn schulden afbetalen en volgens contract bleef hij twintig jaar lang enig eigenaar van de goudmijn in de lucht. Tot de huidi­ge dag worden jaarlijks gemiddeld 1 miljoen* toegangsbewijzen verkocht. Zolang de Eiffeltoren staat, heeft men geen klinknageltje ooit hoeven te vernieuwen.

In 1894 trok Eiffel zich uit de zaken terug en ging zijn toren gebruiken als natuurkundig laboratorium, onder andere voor proefnemingen op het gebied van de aerodynamica, die leidden tot de constructie van een windtunnel waarin hij modellen van zijn bouwwerken kon plaatsen om hun stabiliteit te bepalen. Op 75-jarige leeftijd publiceerde hij zijn bevindingen, die ingenieurs in staat stelden het weerstandsvermogen van een gebouw tegen wind­druk te berekenen en de meest economische oplossing te vinden voor de bouw van het stalen geraamte. Een en ander heeft zijn nut bewezen bij het bouwen van de eerste wolkenkrabbers.

Eiffel was nu gelukkiger dan ooit. Hij kocht een van de eerste in Frankrijk vervaardigde automobielen, waarmee hij door Parijs raasde op weg van zijn toren naar zijn windtunnel, of omgekeerd. Zijn familieleden protesteerden tevergeefs. “Je bent maar eens jong,” verklaarde bon-papa, die er acht kruisjes op had zitten.

Toen hij op 15 december 1923 als gastheer aanzat aan een diner ter ere van zijn 91ste verjaardag, voelde hij zich nogal ver­moeid en besloot zich wat vroeger terug te trekken. Nadat hij zijn huisgenoten goedenacht had gewenst, ging hij naar bed. Hij is niet meer opgestaan. Twaalf dagen later was de grote bouwmeester dood. Zijn nalatenschap aan de wereld omvat meer dan de toren die zijn naam draagt — want over de gehele aarde verspreid vindt men duizenden bouwwerken die hun bestaan danken aan het genie van Gustave Eiffel.

*In 2019 zes miljoen!
**In 2019 al lang niet meer

.

alle biografieën

.

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

578-531

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Schweizer

.

De wijsgeer van het oerwoud

Het dorp Lambarene ligt aan de rivier de Ogowe, vieren­zestig kilometer ten zuiden van de evenaar in Gabon, het voormalige Frans Equatoriaal Afrika. De streek weerspiegelt ’s werelds begin — wolken, rivier en woud voegen zich er samen tot een oerlandschap, dat er onwaarschijnlijk antiek uitziet. Het grootste deel van het jaar gelijkt de lucht op stoom, oprijzend uit een waas van groen. Dat is het decor voor een van de beroemdste zendingsinitiatieven ter wereld — het veelbesproken oerwoudziekenhuis van dr. Albert Schweitzer.

Schweitzer was onbetwistbaar een groot man — een van de grootste van deze en van alle tijden. Hij had vier verschillende loopbanen: in de wijsbegeerte, medicijnen, theologie en muziek. Hij schreef doorwrochte boeken over Bach, over Jezus en over de geschiedenis der beschaving, en hij was de grootste autoriteit ter wereld op het gebied van de orgelbouw en eveneens een vermaard organist.
Ook wist dr. Schweitzer bijzonder veel — meer dan velen die hun leven aan deze speciale vakken gewijd hebben — van schoonheidsleer, tropische dierkunde, antropologie en landbouw; verder was hij een bekwaam timmerman, metselaar, dierenarts, botenbouwer, tandarts, tekenaar, monteur, apotheker en tuinman.

Schweizer

Albert Schweitzer, geboren in 1875 te Kaysersberg in de Elzas, was een ziekelijk kind, wat men de sterke, gezonde man van later niet zou aanzien. Hij was ook — en dat is nog vreemder — laat met lezen schrijven, en hij kon slecht leren. Daarom dwong hij zichzelf, toen hij opgroeide, om juist die onderwerpen te leren beheersen, die hem moeilijk afgingen, zoals Hebreeuws. In de muziek was hij een wonderkind. Hij componeerde een psalm toen hij zeven was, begon orgel te spelen op zijn achtste, toen zijn benen nog maar net tot aan de pedalen reikten, en als jongen van negen viel hij in voor de organist tijdens een kerkdienst.

Hij studeerde wijsbegeerte aan de universiteit van Straatsburg en een proefschrift over Kant bezorgde hem zijn eerste doctors­graad. Hij studeerde theologie en werd in 1900, dus op zijn vijf­entwintigste, hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk in Straats­burg. Hij studeerde muziekleer en begon zijn loopbaan als con­certorganist. Toen hij zesentwintig jaar was, bezat hij doctorstitels in de wijsbegeerte, de theologie en de muziek. Intussen begon een stroom van boeken van zijn hand het licht te zien, die nooit op­gehouden is. Toen, op zijn dertigste, liet hij plotseling zijn drie loopbanen varen om geneesheer te worden en voorgoed naar Lambarene te trekken als zendingsarts.

Waarom geneeskunde? Omdat hij genoeg had van woorden en iets wilde gaan doen. Waarom Lambarene? Omdat het een van de ontoegankelijkste en primitiefste plekken van heel Afrika is, een van de gevaarlijkste ook, en omdat daar geen arts was. Familie en vrienden trachtten hem ervan af te brengen, maar hij zei dat hij voelde “iets te moeten terugdoen” voor het geluk, dat hem ten deel was gevallen. Hij gehoorzaamde letterlijk aan het gebod van Jezus: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven zal verliezen om mijnentwil . . . die zal het behouden.”

Schweitzer werkte van 1905 tot 1912 aan zijn medische studie en op achtendertigjarige leeftijd werd hij arts. Deze jaren waren de moeilijkste en ook de vermoeiendste van zijn leven. Een me­dische opleiding is op zichzelf al afmattend genoeg; toch speelde hij het klaar om wijsbegeerte te blijven doceren, om zijn werk­zaamheden als hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk voort te zetten, om een begin te maken met de definitieve uitgave van Bachs orgelmuziek, en om al die jaren geregeld orgelconcerten te geven!

Hij trouwde in 1912. Zijn vrouw, dochter van een bekende historicus te Straatsburg, volgde een verpleegstersopleiding om hem in Afrika te kunnen helpen. Toen zij in 1913 in Lambarene aankwamen, bleken de omstandigheden geducht moeilijk — wat ze trouwens nog zijn. Elke meter bouwgrond in dat gebied moet uitgekrabd worden in het onmetelijke oerwoud, dat dicht bevolkt is met allerlei onvriendelijke dieren als pythons en gorilla’s, terwijl de rivieren vol krokodillen zitten.
Albert Schweitzer bouwde zijn hospitaal uit het niets op, vrijwel met zijn blote handen. Eenmaal moest hij de hele nederzetting afbreken en verhuizen, omdat de oude hutten te klein waren geworden om zijn groeiende praktijk te herbergen. Afrikaanse patiënten, lijdende aan alle soorten ziekten, van lepra tot elefantiasis, waren niet altijd gemakkelijk te behandelen.
Een van de levensbeschrijvingen van Schweitzer vermeldt, dat ze soms de zalf opaten die hij voorgeschreven had voor een huidaandoening, in één teug een fles medicijn opdronken, waarmee ze enige weken hadden moeten toekomen, of dat ze probeerden andere patiënten te vergiftigen. Na de dood van een van zijn patiënten, die te laat bij hem was gekomen om nog gered te kunnen worden, verdachten ze een tijd lang Schweitzer ervan een vermomde luipaard te zijn die met opzet mensen doodde.

In 1954 brachten mijn vrouw en ik een bezoek aan dr. Schweitzer. Op het vliegveld werden we afgehaald door juffrouw Emma Hausknecht, een verpleegster uit de Elzas, die Schweitzer sedert 1925 had bijgestaan. Ze was een soort algemeen bedrijfsleidster van de hele nederzetting en trad op als Frans-Engelse of Duits-Engelse tolk voor de dokter. Toen wij ons onderdak bezichtigd hadden, ging juffrouw Haussknecht ons voor langs een modderpad tussen de struiken en vruchtbomen naar het nieuwe leprozendorp, dat Schweitzer aan het bouwen was. Ten slotte kwam, dichtbij een open plek, de dokter zelf te voorschijn. Hij had een grote arendsneus, een grijze hangsnor en ogen, die werkelijk door je heen keken. Hij was krachtig gebouwd en hij droeg die dag een zonnehelm, een open wit overhemd, een versleten broek en zware, zwarte schoenen.
Schweitzer bracht ons naar het leprozendorp, waar de ernstigste leprapatiënten woonden. Hier begon de oude dokter onmiddellijk een ploeg werklui achter de vodden te zitten. Zelf nam hij een schop en zong een soort deun op de maat van het graafwerk: “Allez-vous OPP! Allez-vous OPP-upp-OPP ! ! Hupp, upp, OPP!” Bezoekers verbaasden zich soms over het hospitaal omdat het eruit zag als wat het is — een inboorlingendorp. De patiënten kwamen van heinde en ver en brachten soms hun hele gezin mee.
Er waren geen geplaveide paden of wegen. Er was geen stromend water, geen elektriciteit, behalve voor de operatiekamer.

Er leken meer dieren dan mensen rond te lopen. Het ziekenhuis had ongeveer honderdvijftig geiten en er waren allerlei andere beesten, zoals parkieten en een jonge mandril. Dicht bij de eet­zaal zat een wild zwijn achter gaas en een aap met een touw aan een boom. Vier gracieuze antilopen stonden in een ruwe, met ijzerdraad omgeven hertenkamp en werden elke avond na het eten door de dokter gevoerd.

De hoofdafdeling van het ziekenhuis was ondergebracht in een lang gebouw zonder verdieping, verdeeld in smalle, donkere kamertjes die alle op een binnenplaats uitkwamen. De patiënten lagen op houten, met vlechtwerk overtrokken britsen. Buiten elke deur brandde een rokerig vuurtje: daar kookte het gezin van de patiënt. Als een man geen familie had en te ziek was om zelf te koken, vormde hij een ernstig probleem. De meeste patiënten wilden namelijk geen voedsel aannemen van iemand buiten hun stam uit angst voor vergiftiging.

Er was, voor zover ik kon zien, geen apparaat om verband onder hoge druk te steriliseren; water moest gekookt worden in ketels boven open houtvuren. Jarenlang waren de medicijnen en verbandmiddelen schaars. Iedere veiligheidsspeld was kost­baar. Dingen die in de meeste ziekenhuizen heel gewoon zijn, wer­den hier met eerbied behandeld — als ze er tenminste waren. Iemand vertelde me dat Schweitzer niet van ingewikkelde, moderne hulpmiddelen hield. Ten eerste is het onderhoud lastig in een tropisch klimaat. Wat heb je aan rubberkruiken, als ze binnen een week wegrotten? Ten tweede wilde hij dat de Afrikanen zich prettig voelden, in omstandigheden die hen aan thuis deden denken.

Op een ochtend keken we de operatiekamer binnen; we schrok­ken eigenlijk wel even, dat dit zomaar vanaf de binnenplaats mogelijk was. Op de tafel lag een ontklede patiënt, zijn buik droop van de mercurochroom. De arts die de operatie had ver­richt — een normale breuk — kwam een uur later aan de koffie­tafel. Hij had nog geen tijd gehad zich grondig te wassen en ging in zijn hemdsmouwen aan tafel, terwijl zijn armen nog vuurrood van de mercurochroom waren.

Een druk gebruikte open ruimte dicht bij de eetzaal vormde het middelpunt van het ziekenhuisleven. Afrikanen kwamen en gingen met producten uit de tuin in hun onbeholpen kruiwagens. Vrouwen zaten gehurkt op de grond en bonden palmbladeren bij­een voor de dakbedekking; anderen waren druk in de weer met naaimachines op een veranda boven, en weer anderen streken de was met primitieve strijkijzers, gevuld met houtskool. Tussen deze ordelijke bedrijvigheid door liep de dokter en zag toe dat iedereen werkte. De drukte en het geraas deden denken aan een pionierskamp.
Ten tijde van ons bezoek was de eerste geneesheer in Lambarene (Schweizer was toen 79 en in het medische werk niet meer zo actief ) een Hongaar; een der andere artsen was een neef van de oude baas. De verpleegsters, allen Europese vrouwen, leken ons zo teruggetrokken, zo vroom en zo onwerelds als nonnen.
Bij de maaltijden zat Schweitzer aan het midden van een lange tafel, en eventuele eregasten er tegenover. Vlak voor elke maaltijd zei hij een kort gebed in het Frans; direct na het avondeten (geen enkele maaltijd duurde langer dan een half uur) kondigde hij met stentorstem een psalm af en er werden gezangboeken doorgegeven. Hij stapte naar een blikkige piano aan het eind van de zaal en speelde zonder franje maar krachtig en precies de begeleiding, terwijl het gezelschap zong. Dan liep hij naar zijn plaats terug, keek in de lijst van bijbelteksten, klapte een bijbel open en las een paar regels.

Wij vonden Schweitzer een bijzonder gezaghebbende, waakzame en scherpzinnige prater, maar aan tafel sprak hij zelden. De verklaring, die heel aannemelijk lijkt, is dat hij te moe was. Toen hij de eetzaal uitging, vulde hij zijn zakken met etensrestjes om aan de antilopen te geven.
Wanneer de avondrust over de rest van het kamp was gekomen, zat Schweitzer nog tot middernacht of later te werken, brieven te schrijven of post te beantwoorden.
Het is een keer voorgekomen, dat hij tot verbazing van de douane-ambtenaren in Bordeaux aan boord ging met zijn onbeantwoorde post – vier aardappelzakken vol.

Toen hij naar Afrika vertrok, dacht Schweitzer dat hij voorgoed opgaf wat hem het naast aan het hart lag — de kunst en het leraarschap. Maar hij heeft altijd een piano bij zich gehad in Afrika en heeft zo zijn muziek kunnen bijhouden.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben zijn orgelvertolkingen van Bach, op grammofoonplaten vastgelegd toen hij met vakantie in Europa was, grote artistieke waardering gevonden. Hij hield overal lezingen als hij in de beschaving terugkeerde en is door talloze universiteiten geëerd. Bovendien is hij er, door ’s nachts te werken, in geslaagd geregeld nieuwe boeken te doen verschijnen.
In 1952 werd hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend.

Hij heeft altijd een scherp gevoel gehad voor wat belangrijk is en wat niet, en hij bezat een fijn, ironisch gevoel voor humor. In 1949, toen hij voor de eerste (en enige) keer in de Verenigde Staten was om het Goethe-Festival in Aspen, in Colorado, bij te wonen, toonde hij zich bijzonder gestreeld door de aandacht, die de pers­fotografen aan hem besteedden. “Lieve help,” riep hij uit, “ik geloof waarachtig, dat jullie me net zo belangrijk vinden als een bokskampioen!”

Op onze laatste avond in het ziekenhuis werden we na het eten uitgenodigd om met Schweitzer mee te gaan naar zijn kamers. Hij had een kleine slaapkamer en een kantoortje ernaast. Het was daar een warwinkel van boeken, papieren, voorraden, gereed­schappen — er lag een zaag dwars over een stapel manuscripten — lege blikjes, stapels muziek en timmermanswerkstukken. Als hij een hoofdstuk voor een boek klaar had, haalde hij een touwtje door de bladzijden en hing ze achter zijn schrijftafel — “Net een trofee van de fazantenjacht.” (Metalen klemmen zijn onbruikbaar in Lambarene: ze roesten dadelijk.)

Schweitzer bracht ons naar zijn beroemde piano met de orgel­pedalen, een geschenk van de Parijse Bachvereniging. Het in­strument was met zink bekleed tegen het vocht en tegen de witte mieren, en woog drie ton. Het was geweldig ontstemd. Schweitzer, mijn vrouw en ik zaten met ons drieën op de kleine houten bank — er was trouwens geen andere zitplaats — en hij speelde wat Bach. De volgende dag deed hij ons uitgeleide, maar dit korte, nachte­lijke concert was de laatste aanraking, een afscheidsplechtigheid, die Schweitzer typeerde. Het is dit beeld van hem, zittend aan dat gehavende oude wrak van een piano in het hart van het stille, sluipende oerwoud, dat ik mij het liefst voor de geest zal halen.
.

Albert Schweizer
.

alle biografieën

.

470-436

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.