Tagarchief: biologisch-dynamische landbouw

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…en de landbouwcrisis (1)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Manfred Klett in Driegonaal*

.

De productieomstandigheden in industrie en landbouw
.


Aan het begin van het proces waardoor in de industrie toegevoegde waarde wordt gecreëerd, staat de inventieve geest van de mens. Natuurwetten, stoffen en krachten van de levenloze natuur worden losgemaakt uit hun natuurlijk verband en door menselijke werkzaamheid met elkaar in wisselwerking gebracht. Dit resulteert in producten die in de geschapen natuur niet voorkomen, zoals machines, kunstmest of bestrijdingsmiddelen.

Deze producten vinden vervolgens als koopwaar ingang in de economische kringloop. De verwachting dat een uitvinding een succes wordt, geeft een bank aanleiding een krediet beschikbaar te stellen voor de inrichting van een fabriek. Dat wil zeggen, de geest van de mens – de idee – creëert kapitaal, en dit stolt door arbeid tot gebouwen, productiemiddelen, grondstoffen, energie enzovoorts. Max Weber – Duitse econoom en socioloog (1864-1920) – stelde vast: “Een levenloze machine is gestolde geest.”[1]

1 Max Weber: Wirtschaft und Gesellschaft, Tübingen 1980, p. 834.

De geest nu streeft verder naar de verwezenlijking van de uitvinding; hij zet aan tot arbeid. Pas door arbeid ontstaat de fabrieksinstallatie en daarin, in verschillende werkfasen, het uiteindelijke product. Kenmerk van het industriële productieproces is het creëren van waarde enkel doordat de inventieve geest het verloop van de menselijke arbeid bepaalt en deze op allerlei manieren modificeert. De uitwendige uitdrukking van deze geest moet in de gevarieerde constellaties van het kapitaal worden gezocht.[2]

2.Rudolf Steiner: Nationalökonomischer Kurs, GA 340, Dornach 2002, voordracht van 25 juli 1922, p. 33; in het Nederlands: Economie. De wereld als één economie, Nearchus 2016.

De natuur in de vorm van grondstoffen en energie verschuift daarbij verder naar de achtergrond naarmate meer menselijke intelligentie aan het productieproces te pas komt, dus naarmate een grotere arbeidsdeling optreedt. Door arbeidsdeling wordt bovendien de productie goedkoper, wat de expansiedrift van industrie en nijverheid verder in de hand werkt, totdat ook de laatste dienst gecommercialiseerd is. Kapitaal heeft enerzijds zijn ontstaan te danken aan de vindingrijkheid van de mens en aan de arbeidsdeling, anderzijds zorgt het ervoor dat de arbeidsdeling mateloos wordt doorgedreven. Hierdoor dreigt het industriële productieproces volledig van de natuur en, via de digitalisering, van de werkende mens losgekoppeld te worden. De industrie wordt zo tot oppermachtige tegenpool van de landbouw en dreigt de perken te buiten te gaan die het industriële proces van twee kanten zouden moeten beteugelen: de natuur en de rechtsorde.

Het productieproces eindigt met de voortbrenging van waren waar het basisidee van de uitvinder en de kennis en vaardigheden van een groot aantal mensen in een tegenwoordig wereldwijde arbeidsdeling aan hebben bijgedragen. De door het kapitaal, dat wil zeggen, de gestolde idee, aangestuurde arbeid heeft zich in het eindproduct gematerialiseerd en daar een waarde aan verleend. Bij de ruil van waarden op de markt wordt hier vervolgens een prijs op geplakt. Als je naar de waardescheppende factoren kijkt – uiteindelijk is dat de geestgeleide arbeid – valt de prijs niet te berekenen. Bij zijn totstandkoming spelen onweegbare factoren en drogbeelden mee die met name het gevolg zijn van het feit dat grond, kapitaal en menselijke arbeid als verhandelbare waar worden beschouwd en zodoende als kostenfactor in de prijsvorming worden opgenomen. Het lijkt echter alsof de prijzen – volledig afwijkend van de werkelijke waarde van de producten – berekend kunnen worden doordat alles wat betrokken is bij de productie, als koopwaar wordt voorgesteld en daarmee tot een kostenfactor wordt gemaakt die in geldwaarde uitgedrukt kan worden. Zo zijn in de prijs van een industrieel product alle productiekosten opgenomen, inclusief de arbeidskosten en een reserve, het afschrijvingspercentage, waardoor de verbruikte productiemiddelen (slijtage van machines en dergelijke) geherfinancierd en gemoderniseerd kunnen worden.

Voor de industrie geldt dat een productiemiddel zichzelf niet vernieuwt. De plaats waar het gemaakt wordt, is gescheiden van de plaats waar het wordt ingezet. In het industriële productieproces worden eindige hulpbronnen verbruikt in de vorm van grondstoffen en energie. Er wordt afval geproduceerd, en de productiemiddelen zelf zijn onderhevig aan slijtage en verval. Hierdoor ontstaat vuil dat zich als hypotheek op een verre toekomst op de aarde ophoopt, bijvoorbeeld kernafval. Dit vormt een belasting voor water en lucht en verstoort de warmtehuishouding, voor zover het niet tegen hoge kosten opnieuw in de energie- en grondstofkringloop opgenomen kan worden. De groei van de industriële productie heeft zijn grenzen; de energie- en grondstofbalans ervan is negatief. Hoe kleiner het aandeel van de natuur aan de industriële productie is, dus hoe sterker menselijke intelligentie het productieproces domineert, bijvoorbeeld in het geval van de productie van computerchips, des te verder gaat de arbeidsdeling en des te minder plaatsgebonden wordt de productie. Hoogtechnologische producten kunnen op een willekeurige plaats op aarde geproduceerd worden om van hieruit aan de wereldwijde vraag naar deze producten te voldoen.

De landbouw is, in tegenstelling tot de industrie, ingebed in de hele huishouding van de natuur, de oikos. De toegevoegde waarde wordt tot stand gebracht door de natuur. Uit de wederzijdse relatie tussen levenloze (fysische), levende en bezielde natuur en onder de invloed die de kosmos heeft op alle ritmische processen, ontstaat als voortbrengsel van de natuur de graankorrel, de wortel, de melk enzovoorts. Dat gebeurt strikt plaatsgebonden. De natuur is degene die produceert; de mens komt erbij en stuurt door zijn werk haar scheppende kracht. De productiemiddelen zijn niet de machines, de tractor, de maaidorser enzovoorts – deze vervangen en verhogen alleen de prestaties van de menselijke hand en de dierlijke trekkracht – maar de vruchtbare bodem, de vruchtvormende, voedsel voortbrengende planten en de huisdieren, die elk hun eigen bijdrage tot de productie leveren. In figuurlijke zin vormen deze het productie-kapitaal in de landbouw. Ze zijn productiever, kwantitatief en kwalitatief, naarmate ze op iedere bedrijfslocatie in een inniger, elkaar wederzijds versterkende relatie staan. Ze verenigen zich op natuurlijke wijze tot levensgemeenschappen, tot kleinere en grotere biotopen.

Het is aan de arbeid en aan de geestelijke inspanning van de mens voorbehouden om hetgeen door de natuur is aangelegd, tot een hoger geheel, tot een zo mogelijk in zich gesloten organisme te vormen – het landbouwbedrijf. Gezien de kosmisch-aardse productieomstandigheden in de landbouw kan het vormgevend principe alleen een veelzijdig gestructureerd organisme zijn. Dit vormt in zijn geheel het productiemiddel van de landbouw en staat daarmee lijnrecht tegenover het productiemiddel van de industrie, het mechanisme. Het mechanisme is op eenzijdigheid gebaseerd, het organisme op alzijdigheid.

Onderken je en erken je ten volle de betekenis van de polariteit van de productieomstandigheden in de industrie, die uit de geest van de mens voortkomen, en die in de landbouw, die door de natuur gegeven zijn, dan kan in de landbouw strikt genomen geen kapitaal worden gevormd. Want de arbeid die door de geestelijke kracht van de mens aan de natuur besteed wordt, stolt niet tot een productiemiddel dat zich zoals de machine naast de natuur plaatst; er worden geen grondstoffen, energieën en natuurwetten uit hun natuurlijk verband geïsoleerd en nieuw gecombineerd. Integendeel, het geestelijke werk bestaat erin het begrip van de geslotenheid van het organisme als geheel te doordenken, en het fysieke werk is erop gericht de in de natuur werkzame productieve krachten daarin hun plaats te geven en ze met elkaar in wisselwerking te brengen. Als een landbouwbedrijf vorm krijgt overeenkomstig zijn productieomstandigheden, is het een totaliteit die continu in wording is, die de handelende mens insluit en die zich in het productieproces zelf reproduceert. De kapitaalvorming in de landbouw, in figuurlijke zin gesproken, moeten we derhalve vooral zoeken in een proces in de tijd, namelijk in de instandhouding en ontwikkeling van de productiemiddelen – de cultuurbodems, de gewassen en de huisdieren – in de context van het hoger geheel van het bedrijfsorganisme.

Industrie en landbouw verhouden zich tot elkaar zoals technologie tot kunst. De puur technologische aanpak streeft naar regeltechniek, naar automatisering. De mens staat buiten het productieproces of maakt zichzelf helemaal overbodig. De landbouw is, naar zijn diepste wezen, een kunst juist doordat de werkende mens zichzelf als hele mens met al de kracht van zijn geestelijke ziel in dienst stelt van de productieve krachten van de natuur. De landbouw heeft de werkende hand nodig, vele handen zelfs. De industrie heeft de inventieve geest en het kapitaal nodig dat de menselijke werkkracht tot een arbeidsdeling dwingt of geheel overbodig maakt.

De landbouw brengt producten voort, met name levensmiddelen, waar iedere mens dagelijks behoefte aan heeft. Deze treden op de markt met de industrieproducten, dus onder arbeidsdeling geproduceerde waren, in een waardeverhouding die haar neerslag vindt in de prijzen. De prijs van het industrieproduct wordt door verdergaande arbeidsdeling steeds lager. De prijs van een landbouwproduct is alleen al door de wisselende milieuomstandigheden, het optreden van plagen enzovoorts niet te berekenen. Het proces van prijsvorming bij landbouwproducten blijft volledig in het duister. De voortbrengingskracht van elk agrarisch bedrijfsorganisme is immers verschillend. Zonder een prijscompensatie in het kader van economische samenwerkingsverbanden waarin “de waarde van de waren door hun wederzijdse verhouding wordt bepaald”, [3] zou dan elk bedrijf zijn eigen marktprijzen moeten hebben.

3 Zo liet Rudolf Steiner zich uit in de zogenaamde eerste Hochschulkurs op 10 oktober 1920. Geciteerd naar Roman Boos: Landwirtschaft und Industrie, Darmstadt 1957, p. 110-111.

In de CSA-beweging wordt dit inderdaad bij benadering in praktijk gebracht. [4]

4 CSA: community-supported agriculture, ook gemeenschapslandbouw of pergola-landbouw genoemd. Zie hierover onder andere: Trauger Groh, Steven Mc Fadden: Höfe der Zukunft, gemeinschaftsgetragene/solidarische Landwirtschaft (CSA), Darmstadt 2013,276 pp.

In beginsel geldt dat de landbouw vergeleken met een industrieel bedrijf noodzakelijkerwijs duurder produceert omdat het prijsdrukkende principe van de arbeidsdeling onverenigbaar is met de productieomstandigheden in de landbouw, die je zou kunnen omschrijven als ‘diversiteit in een totaliteit’. Men probeert de productiekosten te verlagen door over te gaan op een meer industriële manier van produceren. De heelheid van het bedrijfsorganisme wordt hiervoor verbroken, de onderdelen worden uit elkaar gehaald. Elk afzonderlijk deel wordt door een aanzienlijke inzet van kapitaal tot een eigen agro-industriële onderneming, die onder schijnbaar calculeerbare randvoorwaarden met een hooggespecialiseerde massaproductie zonder concurrentie op goedkope wijze de markt beheerst. Deze prijsverlaging is echter een illusie omdat de rekening voor de hieruit voortvloeiende kosten buiten de markt om bij de gemeenschap wordt gelegd. Hierbij gaat het om kosten die ontstaan door de vernieling van het milieu en door de vermindering van de voedingswaarde van de producten, en de kosten van de subsidies – het gesubsidieerde onbenul. Als deze verborgen kosten bij de producentenprijs van de industriële landbouw opgeteld zouden worden, zou deze zijn hegemonie op de markt verliezen. Het zou duidelijk worden dat de geproduceerde waarde slechts schijn is.

Hoe een prijs in de landbouw tot stand komt, is een enigszins verborgen verschijnsel. [er stond hier ‘occult’, maar dat lijkt me te zwaar aangezet]. Door initiatieven zoals fair trade of producenten- en consumentengemeenschappen begint er een beetje licht in te komen. Berekenen kun je de prijs van de primaire landbouwproductie als zodanig niet. De waardebepalende factoren voor deze prijzen zijn:

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de wisselwerkingen tussen de lokale factoren aarde, water, lucht en warmte en de geomorfologische landschapsvorm

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de scheppende krachten van de levende wezens in de natuur (planten, dieren enzovoorts) en hun activiteiten in de ritmes van het jaarverloop

• de door ideeën geleide arbeid van de mens

• de harmonische afstemming van alle organen van het bedrijf tot het geheel van het bedrijfsorganisme.

Door het samenwerken van deze factoren ontstaat, tegengesteld aan de waardevorming in de industrie, een objectieve waarde van de producten, zoals die van tarwe, melk, brood, kaas enzovoorts. De prijs zou rechtvaardig zijn als hij met deze objectieve waarde zou overeenkomen of er tenminste in de buurt zou komen. Maar hoe kun je deze prijs bepalen?

Daarnaast wordt de waardevorming van de primaire landbouwproductie door twee kenmerken bepaald: ten eerste, het vermogen om in het productieproces zichzelf te reproduceren, en ten tweede, de mogelijkheid om tot voedingsmiddel voor mens en dier te worden. De tarwekorrel bijvoorbeeld is samen met de bodem waarin hij gezaaid wordt, productiemiddel voor de volgende oogst, maar hij is ook broodgraan. De koe reproduceert zichzelf in het kalf, en verbonden met dit proces heef ze het vermogen om meer melk te geven dan voor het grootbrengen van het kalf nodig is. De productiemiddelen in de landbouw hebben de eigenschap dat ze in het productieproces zichzelf kunnen voortbrengen en tegelijk tot voedingsmiddel voor mens en dier kunnen worden. De taak van de boer bestaat erin de omstandigheden van plantenteelt en veehouderij zodanig vorm te geven dat beide vermogens in het productieproces op een hoog niveau duurzaam met elkaar in evenwicht zijn. Dat wil zeggen, hij moet hier en nu de tarwe zo verbouwen, de koe zo houden, voeren, verzorgen en fokken dat deze levende productiemiddelen tot in de verre toekomst hun bijzondere eigenschappen kunnen behouden of zelfs nieuwe eigenschappen kunnen verkrijgen naarmate de voedingsbehoeften van de mens veranderen.

Het is met name dit feit dat ten grondslag ligt aan de principiële tegenstelling in de manier van produceren tussen industrie en landbouw. Deze komt ook tot uitdrukking in het gegeven dat de agrarische productiemiddelen – bodem, planten, dieren – dankzij hun vermogen tot zelfvernieuwing niet afgeschreven hoeven te worden. Wat de afschrijving als kapitaalreserve in de industrie is, is in de landbouw de waarde-behoudende en -ontwikkelende kracht van het bedrijfsorganisme als geheel. De vervanging van menselijke werkkracht en dierlijke trekkracht door machines heeft voor de landbouw evenwel hoge afschrijvingen met zich meegebracht, die echter geen betrekking hebben op het productiemiddel als zodanig. Het is niet de maaidorser die het graan voortbrengt, en niet de melkmachine die de melk produceert, maar het leven, de verbanden scheppende krachtenwereld die in plant en dier werkzaam is. De prijs van landbouwproducten zou dan ook pas redelijk zijn als hij overeen zou komen met hun objectieve waarde. Een criterium hiervoor zou kunnen zijn of de prijsstructuur van de primaire productie van het agrarisch bedrijfsorganisme – dus zonder verdere verwerking – de bedrijfskosten en het levensonderhoud van alle medewerkers en hun families van een oogstperiode tot de volgende dekt. [5]

5 Rudolf Steiner formuleerde voor deze prijsbepaling de volgende gedachte: de prijsstelling moet zodanig zijn “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.” (Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23, Dornach 1976, p. 132; in het Nederlands: De kernpunten van het sociale vraagstuk, Steinervertalingen 2004, p. 107).

Hiervoor zijn marktstructuren vereist waarbij landbouwers, verwerkers, groot- en detailhandelaren en ook consumenten die hier mee gestalte aan willen geven, in een regionale kring bij elkaar komen. In tegenstelling tot de industrie is de landbouw op een regionale economie georiënteerd. Afhankelijk van de productieomstandigheden vindt landbouwproductie in alle verscheidenheid overal plaats waar mensen leven en waar de vereiste omstandigheden gegeven zijn. Het is alleen maar logisch dat de kortste weg van de producent naar de consument de goedkoopste is, waarbij tegelijkertijd de kwaliteit het beste behouden blijft.

Ook de landbouw produceert in de loop van het kosmisch-aardse productieproces afval, maar geen vuil. Het afval is afkomstig uit de levende en bezielde natuur. Het zijn plantaardige en dierlijke resten die in de schoot van de natuur terugkeren en zich omvormen tot humus, de vruchtbaarheidsdrager van de bodem. In een bedrijf dat beheerd wordt in overeenstemming met het organisme-principe, regenereert de stof- en krachtenhuishouding zich grotendeels zelf. Tegenover het verbruik van energie en grondstoffen in de industrie staat de opbouw door de zelf geproduceerde mest en de nieuwvorming van humus. De zuivere primaire landbouwproductie heeft, als je rekening houdt met alle bodemopbouwende maatregelen (bemesting, vruchtwisseling, grondbewerking), een positieve energiebalans. Dit gegeven wordt tegenwoordig door het hoge kapitaalgebruik in de vorm van stikstofmeststoffen, bestrijdingsmiddelen, van buiten aangevoerde voedermiddelen en energie in zijn tegendeel veranderd. Ook het verlies van bodem door erosie moet hier worden genoemd, dat in de industriële landbouw al op licht hellende terreinen optreedt, met name bij verbouw van maïs. Met het oog op de gehele economie en op de toekomst van de aarde heeft de landbouw echter de taak om de negatieve energiebalans van de industrie te compenseren.

Het is duidelijk dat we de polariteit van industrie en landbouw radicaal moeten doordenken en de consequenties hiervan voor onze hele cultuur rigoureus moeten overwegen. Zonder een overbrugging van dit geweldige spanningsveld kunnen we niet tot een gezond economisch leven komen. Eerst moeten de prijzen van de agrarische producten worden vastgesteld, en wel in het regionale kader van de markt en van de samenwerkingsverbanden met verwerking en handel. Deze kunnen vervolgens als oriëntatie dienen voor de prijsvorming in de op arbeidsdeling gebaseerde economie. De proportionaliteit van de prijzen in industrie en nijverheid moet in de toekomst worden bepaald aan de hand van de primaire landbouwproductie.

Je hoeft alleen maar naar de ongelijkheid in productieomstandigheden in industrie en landbouw te kijken om te beseffen dat het vormgevende principe voor het creëren van toegevoegde waarde dat bij het wezen van de landbouw past, in eerste instantie het organisme is. Het organismeprincipe behoorde altijd onlosmakelijk bij de ontwikkeling van de landbouw, zij het onder steeds wisselende culturele omstandigheden. Wat nu een wetenschappelijk gefundeerd, bewust inzicht moet worden, was in vroegere tijden het resultaat van een uit het volksinstinct voortkomende, wijsheidsvolle handelwijze. De bewustzijnsontwikkeling van de mensheid en daarmee de geschiedenis van de landbouw weerspiegelen zich in grote lijnen in de manier waarop de mensen  vanuit een steeds bewustere beleving van hun eigen fysiek organisme het in de natuur werkzame organismeprincipe geleidelijk aan tot het fundament van een ware landbouwkunst hebben gemaakt.

De biologisch-dynamische landbouw wordt toegepast in 58 landen, op 268.000 hectare.
In Nederland zijn er 50 gecertificeerde BD-boeren die samen 10.000 hectare bewerken (dat is 0,4% van het landbouwareaal).

Uit langlopend onderzoek blijkt dat biologische en biologische landlandbouw in verhouding tot de gangbare landbouw enerzijds minder opbrengst per hectare realiseren (85% maar anderzijds aanmerkelijk minder kosten met zich meebrengen: 8% van de kosten van gewasbescherming; 57% van de kosten van bemesting; 62% van de kosten van energie.

Uit hetzelfde onderzoek blijkt: ten opzichte van de gangbare landbouw scoort de BD-landbouw beter op verschillende landbouwkundige aspecten, zoals de bodemvruchtbaarheid, gemeten in humus (+18%); bodemactiviteit (+83%); mineralendynamiek (+37%). Het onderzoek toont ook aan dat het gebruik van BD-preparaten een positief effect heeft op de bodem en op de voedingswaarde van de gewassen.

Deze tekst is afkomstig uit:

Manfred Klett: Van agro-industrie naar landbouwkunst.
Karaktertrekken van de biologisch-dynamische landbouw. Een landbouw voor de toekomst.
Nearchus / Kolisko ISBN 9789492326935

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3387-3185

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3 e.v.]*

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

Je kan – dat overkwam mij bij het lezen van zo’n artikel – van binnen warm worden, je dankbaar voelen ‘dat er zulke mensen zijn’.

Iets positiefs ervaren: als we dat onze leerlingen eens konden meegeven.

In Trouw van 6 november 2024 stond een bericht over Jelmer Zandbergen, boer in het Gelderse Doorwerth.
Hij vond tijdens het oogsten op zijn akker met wortelen veel rupsen van de koninginnenpage.
Voor hem was het meteen duidelijk: wij kunnen hier niet verder oogsten. ‘Vlinders, daar moeten we zuinig op zijn. De biodiversiteit kachelt achteruit en om dat te keren moeten we voorzichtig zijn, zeker ook met insecten.”

Hij oogst de wortelen niet verder en kan ze dus niet verkopen in zijn boerderijwinkel.
Maar zijn klanten steunen hem en staan garant voor de gederfde inkomsten.

Met elkaar laten zij de vlinders overwinteren.

Zandbergen is tuinder op het biologisch-dynamische bedrijf Veld en Beek.

Boeren hebben een verantwoordelijkheid als het gaat om biodiversiteit, vindt tuinder Zandbergen. “Je moet je afvragen: wat wil hier zijn? Wij zitten op een hoge zandwal. Een grutto zal je daarom hier niet snel zien. Wij hebben hier wel een kerkuil, de graspieper, de veldleeuwerik en boerenzwaluwen. Als nu de koninginnenpage zich aandient, hebben we daar rekening mee te houden.”

Voor mij is dit een voorbeeld van Steiners zo ware uitspraak dat we als mens met de wereld sterk zijn verbonden.

Tuinder Zandbergen maakt het met zijn klantenkring werkelijk waar.

.
Wat kunnen wij doen? O.a. grond vrijmaken voor een gezonde landbouw,
via Grondbeheer.

.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5]* alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3357-3158

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-2/1)

.

Als de leerlingen in klas 6 tuinbouw hebben gehad, hebben ze al wat ervaren van de manier waarop je voedingsplanten kweken kan.
In de 7e klas kan daarop worden teruggekomen en nu het in deze tijd zo actueel is hoe wij onze voedingsproducten verkrijgen, is het zeker niet verkeerd om over de ‘biologische’, maar ook over de ‘biologisch-dynamische’ kweekmethode te spreken. 
Dat moet niet verward worden met ‘antroposofie in het onderwijs’. De B.D-methode bestaat en waarom zouden leerlingen daarmee geen kennis maken.
Opmerkelijk is dat het artikel uit 1990 hier reeds duidt op wat we nu als ‘stikstofprobleem’ kennen.

Wolfgang Schmid, WeledaBerichten nr. 151 september 1990
.

WAT IS BIOLOGISCH-DYNAMISCHE LANDBOUW?

.

Doordat in de loop van de geschiedenis de mens, die leefde van de jacht en het plukken en bereiden van kruiden, ten slotte werd tot wat we tegenwoordig agrariër noemen, onderging ook het landschap een grote verandering. Het natuurlijke landschap werd door de mens veranderd in cultuurlandschap. Om die ontwikkeling te begrijpen is het nodig om te zien wat kenmerkend is voor een natuur- en een cultuurlandschap.

Het natuurlandschap

Dit wordt gekenmerkt door natuurlijke plantengroeperingen, die ontstaan door bepaalde omstandigheden van bodem en klimaat. Zij kunnen door plaatselijke klimatologische omstandigheden heel verschillend zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Binnen die groeperingen is er geen “onkruid” en zijn er geen “schadelijke insecten” naar ons begrip, want de veelvuldige onderlinge relaties tussen planten en dieren (vanaf de micro-organismen tot aan de grote dieren) scheppen een evenwicht. De kringloopprocessen van substanties en energieën zijn principieel gesloten. Daardoor zijn er ook geen problemen door het verlies van stoffen (bijvoorbeeld het uitspoelen van nitraten).

Het cultuurlandschap

Hier is de mens niet meer slechts een deel van de natuur maar hij geeft daaraan in belangrijke mate vorm. Bossen worden gerooid, de grond wordt bewerkt. Cultuurplanten worden verbouwd op allerlei manieren. De gevarieerdheid van de plantenfamilies vermindert, de productie van de land- en tuinbouw wordt vergroot. Daardoor wordt het mogelijk de veestapel te vermeerderen. Het bestand aan dieren in een cultuurlandschap kan 100 keer zo groot zijn als het bestand aan in het wild levende dieren van een natuurlandschap. Door de bewerking van de grond gaat er lucht in doordringen, humus wordt zeer snel omgezet. De kringloopprocessen van de substanties worden bespoedigd – maar ook kwantitatief op een belangrijk hoger niveau gebracht – omdat het kweken van groenvoer (klaver, luzerne enz.) een grotere veestapel mogelijk maakt. Daardoor komt er meer mest, er ontstaan grotere opbrengsten maar ook grotere hoeveelheden overblijfselen na de oogst. Echter: ook het gevaar dat substanties uit de kringloop worden losgelaten wordt groter (uitspoelen van nitraten, kali en ook van subtiele bodemdeeltjes).

Moderne landbouw

Tegenwoordig wordt de landbouw in hoge mate beïnvloed door het materialistisch georiënteerde denken. Nadat de scheikunde werd toegepast in de landbouw, ging men natuurprocessen steeds meer tot chemische reacties reduceren. Met behulp van de bedrijfswetenschappen konden de verschillende gebieden van de landbouw afzonderlijk op hun rentabiliteit worden getoetst. Dientengevolge kon een differentiatie van de algemene landbouw in koeien- en varkensmesterijen, bedrijven zonder vee enz. tot stand komen. Intensivering was dus ook door specialisering mogelijk. Veel landbouwers zijn tegenwoordig genoodzaakt industrieel vervaardigde of toebereide stikstof-, fosfor- en kalikunstmest te kopen. Door de daarmee gepaard gaande vermindering van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem en de aantasting van de gezondheid van het gewas is de toepassing van synthetisch-chemische bestrijdingsmiddelen onontkoombaar. Ten gevolge van die ontwikkeling zijn thans vele agrariërs genoodzaakt ten dele alleen nog maar op beschadigingen (schimmelziekten, insecten) en op tekorten van de voedselverzorging van de planten te reageren. De specialisering in de landbouw werd echter ook in hele landschappen zichtbaar: zo zijn er tegenwoordig streken, waarin bijvoorbeeld de runderen werden afgeschaft. Daardoor verdween ook de verbouw van groenvoer in de gedaante van klaver- en luzernegras uit het landschap. Aan de andere kant wordt regionaal de veestapel (dikwijls varkens) zo enorm geconcentreerd, dat men met de ontstane hoeveelheden mest geen raad meer weet. Het gevolg is, dat dierlijke mest, eens een waardevol product, tot een afvalprobleem, uiteindelijk een milieuvraagstuk wordt waar men zich het hoofd over breekt.

Vragen over de kwaliteit

Men moet zich afvragen, welke kwaliteiten via op die manier gekweekte producten aan de voeding van de mens worden toegevoegd. Want wij zien kunstmatige voeding van de planten door middel van minerale synthetische kunstmest, profylactische en therapeutische toepassing van chemische pesticiden bij de bestrijding van ziekten en ongedierte, dikwijls ook massale fokkerijen waar de regelmatige toepassing van antibiotica onontbeerlijk is geworden. Hoe staat het met de vitaliteit van deze voedingsmiddelen (chemische resten), met de inpassing in het milieu van zulke producten. Is zulk voedsel geschikt om niet alleen de maag van de consument te vullen, maar ook om voor zijn geestelijke en psychische ontwikkeling een basis te bieden?

De biologisch-dynamische landbouwmethode

Reeds in het begin van de jaren twintig beseften enkele antroposofisch georiënteerde landbouwers de problemen die een uitsluitend materialistisch bedreven landbouw zou veroorzaken. Op hun verzoek hield Rudolf Steiner in 1924 in Koberwitz bij Breslau acht voordrachten met de titelGeesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327] Deze zogenaamde “landbouwcursus” is de basis voor de biologisch-dynamische landbouwmethode.

Een belangrijk principe hiervan is, dat de landbouwer zijn bedrijf als een organisme ziet en het dienovereenkomstig opbouwt. In een organisme werken verschillende organen harmonisch samen; zij hebben gedifferentieerde functies en houden het organisme in leven en vruchtbaar. De geestelijke ordening van een organisme moet door de landbouwer tot het vormgevend principe van zijn bedrijf worden verheven. Om dit te bereiken moeten eerst de natuurlijke voorwaarden en de mogelijkheid van het bedrijf worden onderkend: het klimaat, de jaarlijkse hoeveelheid neerslag, het landschap enz. Op grond daarvan kan dan de opbouw van het bedrijf beginnen: welke diersoorten heeft de boerderij nodig, hoe groot kan de veestapel zijn, welk teeltplan maakt de grond vruchtbaar en verschaft aan het bedrijf het nodige economische succes?

Deze soort van landbouw heeft niet de chemie als basis, maar allereerst het waarnemen van wetmatigheden van het levende, ook van hetgeen in het psychisch-geestelijke gebied van landbouw werkzaam is. Het voornaamste streven in een biologisch bedrijf is het levend-maken van de bodem.

Verzorging van de bodem en de mest

Voedings- en werkzame substanties worden hier niet geleverd door de chemische industrie, maar zijn afkomstig van overblijfselen van de oogst, van het verbouwen van stikstof aantrekkende planten, peulvruchten, dierlijke mest, de mineralen in de bodem en van humus. De overdracht daarvan naar de planten vindt plaats door een geweldig aantal micro-organismen (schimmels, bacteriën, algen enz.) en ook grotere dieren (wormen, mijten enz.) in de grond. Dit reusachtige leger van levende wezens, het zogenaamde bodemleven, moet worden gecultiveerd. Daardoor is voor de biologisch-dynamische landbouwer de humus bereidende en leven stimulerende rotting van dierlijke meststoffen een hoogst belangrijke zaak. De mest wordt, voordat hij wordt uitgestrooid, met behulp van de biologisch-dynamische compostpreparaten, die in kleine hoeveelheden worden toegevoegd, gedurende korte of langere tijd gecomposteerd. Deze preparaten bestaan uit op een bepaalde manier bereide geneeskrachtige planten (duizendblad, kamille, brandnetel, eikenschors, paardenbloem en valeriaan) en beïnvloeden de rotting van de mest in hoge mate. De op zo’n manier bereide mest activeert het leven en de processen in de bodem, het afbreken van de organische substanties, het produceren van voedingsstoffen, de opbouw van humus en daardoor ook de bescherming tegen plantenziekten.

Over de preparaten koehoornmest en koehoornkiezel geeft het artikel van Bruno Busse  uitsluitsel.

Kwaliteit

Ten gevolge van de bijzondere mestverzorging, de zorgvuldige bedrijfsvoering en de toepassing van de biologisch-dynamische preparaten is de plant in staat, zich harmonisch tussen kosmos en aarde te ontwikkelen. Langs die weg kan zij bijzonder vitale substanties vormen als grondslag voor een gezonde voeding. Deze levensmiddelen komen onder de benaming “Biodijn” [naam niet meer in gebruik] (voor producten uit landbouwbedrijven die bezig zijn, om te schakelen naar de biologisch-dynamische landbouwmethode) en “Demeter” (voor producten van totaal omgeschakelde bedrijven) op de markt.

Milieubeheer door biologisch-dynamische landbouw

Naast alle beschreven maatregelen kent het biologisch-dynamische bedrijf aan de vormgeving van het landschap ter wille van het behoud van de vruchtbaarheid en het gezond houden van het bedrijfsorganisme een grote betekenis toe. Het planten van bessenstruiken, het aanleggen van heggen of het in stand houden van oeverweiden vergroot niet alleen de schoonheid van een landschap, maar vergroot ook de veelzijdigheid van de flora en fauna en bevordert zo het in stand houden van een evenwicht tussen schadelijk en nuttig gedierte.

Zo bezien is de biologisch-dynamische landbouwmethode niet alleen een richting die ons optimale en gezonde levensmiddelen verschaft, maar door haar wordt ook een cultuurlandschap ontwikkeld, waarin de mens weer op zijn verhaal kan komen en waarin de levens- en zielenkrachten van de natuur kunnen regenereren.

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2779-2607

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-3)

.
Wanneer in de 7e klas – de 1e klas van de middelbare vrijeschool – de ‘bovenbouw’ – een periode ‘voedingsleer‘ wordt gegeven, kunnen we in deze tijd bijna niet meer om de ‘landbouwproblematiek’ heen en dat geldt zeker in de daarop volgende jaren, vanuit verschillende vakgezichtspunten.
Onderstaand artikel uit 1993 wijst al op de grote problemen die eraan komen, als de landbouw en de veeteelt op zo’n intensieve manier bedreven worden als nu gebeurt. Nu, 30 jaar later, zien we die problemen levensgroot voor ons.

Tegelijkertijd is de ‘biologische’ landbouw in opmars. (Ik laat even buiten beschouwing hoe ver we van een gezonde landbouw afstaan, als de landbouw die gezond is, ‘biologisch’ moet worden genoemd.
Zonder allerlei ingewikkelde proeven, volstaat het gewone proeven om vast te stellen dat biologische groente lekkerder smaakt dan niet-biologische en dat geldt vooral voor de producten die op biologisch-dynamische manier zijn geteeld.
Om ook daarover in en periode te kunnen vertellen, geeft dit artikel wat meer algemene achtergrondinformatie voor de leerkracht.

Julius F. Obermaier, Weledaberichten nr. 130 sept. 1993
.

HOE GAAN WIJ OM MET DE AARDE, DE BASIS VAN HET LEVEN?

.

Als men nagaat, hoe de landbouw zich door duizenden jaren heen heeft ontwikkeld, dan ziet men hoe daarin als het ware in golven steeds weer nieuwe inzichten verwerkt werden. In de laatste tijd worden die golven korter, daardoor konden ook bedenkelijke dwalingen ten gevolge van denkfouten ingeburgerd raken. Thans zien wij de ons allen bekende gevolgen van de beschadigingen op vele gebieden van het leven en het milieu.

In de landbouw zien de boeren en tuinders, dat de cultuurplanten de aangekweekte eigenschappen verliezen en dat daardoor voortdurend het zaaigoed moet worden vernieuwd. Planten en dieren die sinds tijden bij een bepaald milieu hoorden, vinden de leefruimte niet meer waarin zij kunnen gedijen. De mensen worden niet op de juiste manier gevoed omdat het aspect van voor de mens bevorderlijke kwaliteit ontbreekt. 

Nog andere verschijnselen, zoals bijv. de toenemende erosie van de bodem, de aangetaste gezondheid van de dieren of de toename van schadelijke insecten en schimmels zijn aanleiding dat wij moeten erkennen dat de verzorging en gezondmaking van de aarde een van de belangrijkste taken is van onze tijd.

Er bestaan verschillende opvattingen omtrent de wegen waarlangs dit doel te bereiken valt. “Terug naar de natuur”, roepen sommigen en bedoelen daarmee de ongeschonden wereld van vroeger. Sinds de chemisch-synthetische gifstoffen over de hele aarde zijn en worden verspreid, is het duidelijk, dat hier geen wegen kunnen worden gewezen die naar de toekomst leiden. “Vooruit in harmonie met de natuur en op zoek naar een nieuwe landbouw”, zeggen anderen die hopen op die manier een verdere ontwikkeling in te luiden.

Vanuit dit gezichtspunt is de biologisch-dynamische landbouwmethode te begrijpen. De bodem, de planten, de dieren vragen erom dat zij worden behandeld en verzorgd in overeenstemming met hun aard. Om dit te bereiken wordt in de biologisch-dynamische land- en tuinbouw met de samenhangen in de natuur op een nieuwe manier rekening gehouden. Het beeld van een agrarisch geheel, een organisme, is hierbij stellig treffend. Het vat de daarin werkende mensen, de hofstede, de dieren, alles wat er op de akker geteeld wordt en ook de bodem in één geheel samen: al deze factoren zijn als het ware de organen uit wier samenwerking het juiste voedsel kan ontstaan.

Een dergelijk agrarisch organisme kan men overal ter wereld doen ontstaan wanneer men uitgaat van de plaatselijke omstandigheden. In de biologisch-dynamische werkgemeenschappen in vele streken van de wereld wordt hieraan voortdurend gewerkt.

Ervaringen uit vroeger tijden en geheel nieuwe resultaten van geesteswetenschappelijk onderzoek gaan hand in hand wanneer het op de praktijk aankomt. De oorsprong van onze huidige tuinbouw is te vinden in de middeleeuwse kloostertuinen. Daar werd met het verbouwen van groenten en kruiden begonnen; ook de fruitteelt is zo ontstaan. Door de traditie ontstond er in de loop der eeuwen een land- en tuinbouw en een veefokkerij die aangepast was aan de aard van planten en dieren. Op vele plaatsen kon men tot in het begin van onze eeuw nog zien, hoe zorgvuldig dit werd gehanteerd. Daardoor bestond er een agrarische cultuur, die in de eerste plaats op de verzorging van de natuurrijken was gericht. De technische mogelijkheden waardoor men in de natuurlijke processen kan ingrijpen, kwamen pas in de laatste decennia op.

Als men de vroegere kennis samenvat dan blijkt, dat men het bewerken van de bodem en het verzorgen van zijn vruchtbaarheid in de loop van het jaar als de grondslag van alle verdere handelingen zag. Het verbouwen en de daarbij behorende maatregelen tot aan de oogst volgden hierop. Gedurende het hele jaar voltrok zich het voederen van het vee en het winnen van de mest. Hierin mondt de veehouderij uit in de vruchtbaarheid van de grond; deze sluit de kring en bepaalt tevens de nodige hoeveelheid veevoer in het teeltplan. In de tuinbouw is er een andere kringloop.

De kundigheid van de landbouwer blijkt uit de juiste afstemming ten opzichte van elkaar van bovengenoemde factoren. Tevens wordt duidelijk, dat men geen afstand kan doen van de veehouderij. Vooral de koemest is belangrijk omdat die de krachten bevat die het meest waardevol voor de bodem zijn. De biologisch-dynamische compostpreparaten doen deze mest op de composthoop dan nog rijpen, zodat er een optimale kwaliteit ontstaat. De stoffen en krachten ervan bewerkstelligen dat de bodem levend blijft. Alle andere dierlijke mest en composten van plantaardig afval worden eveneens zo geprepareerd. Steeds ontstaat er na een aantal maanden een humusrijke mest die ertoe bijdraagt dat de cultuurplanten zich al naar gelang van hun aard kunnen ontwikkelen.

Basissubstanties van de biologisch-dynamische compostpreparaten zijn bekende geneeskrachtige planten zoals kamille, duizendblad, brandnetel en ook eikenschors. Na een rijpingsproces in een dierlijk omhulsel, dat zich ’s winters in de grond afspeelt, heeft men er slechts geringe hoeveelheden van nodig om de composthopen daarmee een of meer keren te prepareren.
Als de compost op die manier is toebereid is er voor het leven van de bodem al veel gedaan. Het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner heeft twee veldpreparaten opgeleverd om de opgroeiende planten daarna de kans te geven dat zij op de juiste manier tussen aarde en hemel komen te staan. Deze preparaten worden, eveneens in heel geringe hoeveelheden, een uur lang geroerd en daarna gesproeid: het preparaat hoornmest op de grond, het preparaat hoornkiezel op de groene plant. Ook hier geldt voor de toebereiding een speciaal procedé.
Door de hoornmest kan de plant beter wortelen. De hoornkiezel helpt de plant om de lichtkrachten beter te verwerken. Het resultaat is onder andere dat in de grond een dichter wortelstelsel en boven de grond meer gerijpte substantie ontstaat.

Als de bodem door middel van de preparaten is ontsloten, kunnen daarin de kosmische ritmen in het wasdom werken; in de grondbewerking, de verzorging van het gewas en de oogst kan dit principe volgens plan worden betrokken. Dit is natuurlijk bevorderlijk voor de kwaliteit en de kwantiteit van het gewas. Als men de compost- en sproeipreparaten gebruikt zoals de ervaring dat heeft geleerd, dan heeft dat twee grondleggende vernieuwingen in de landbouw tot gevolg. Vooreerst ontstaat er een optimale kwaliteit van de planten. Voorts wordt door de handelwijze van de mens als hij de biologisch-dynamische preparaten toebereidt, laat rijpen en toepast, het plantaardige en het dierlijke principe als het ware een trede hoger geheven. Het natuurlijke wordt in zeker opzicht dichter bij de mens gebracht. Dit veredelt de natuur en is tegelijkertijd van waarde voor de mens.

Op de hierboven beschreven manier is het mogelijk, de nieuwe agrarische cultuur in haar praktische toepassing overal in te voeren waar mensen uit inzicht daartoe besluiten. Alleen op die manier kan de aarde als grondslag voor het leven in stand worden gehouden, worden genezen en ontwikkeld.
.

Ritmen in de landbouw

De mens in het midden van de natuurrijken

Plantkunde: alle artikelen

B.d.-vereniging in Nederland

Het is mogelijk gezamenlijk grond aan te kopen om de b.d.-landbouw verder te ontwikkelen.

.

2753-2582

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3/20)

.

Irene Storm, Jonas 21, *15-06-1979
.

in de tuin:

KOSMISCHE RITMEN

Op landbouwgebied onderzoekt Maria Thun al ruim 26 jaar* de invloed van de kosmos op het leven van de planten op de aarde. Ze is hiertoe gekomen naar aanleiding van een voordracht van Rudolf Steiner, waarin hij vertelde dat zon, maan en sterren een be­langrijke uitwerking hebben op de planten­groei en dat het van groot belang zou zijn, dit in de toekomst nader te onderzoeken. Ook in de huidige natuurwetenschap begint steeds meer het besef door te breken, dat planten niet alleen door chemische toevoe­gingen geregeerd worden, maar dat ritme van zon en maan in hun samenspel met de aarde, van beslissende invloed zijn.
Van welke gedachte is Maria Thun uitge­gaan? Zij begon haar onderzoek door de maan – waarvan de omlooptijd ± 28 dagen duurt – in zijn baan te volgen en wel speciaal de relatie van de groei van de plant met de stand van de maan in de dierenriem. De maan beschrijft zijn baan om de aarde en gaat daarbij door de twaalf sterrenbeelden (bijvoorbeeld, ram, stier, vissen) van de die­renriem. De maan heeft steeds 2 à 3 dagen nodig om door een bepaald sterrenbeeld te ‘wandelen’.

Van ieder sterrenbeeld gaan bepaalde vor­mende krachten uit, die we kunnen terug vinden in de verschillende delen van de plant: in wortel, stengel en blad, bloem en vrucht. Door dit ‘wandelen’ van de maan door een sterrenbeeld, veranderen de krach­ten die de plant ontvangt. Met behulp van experimenten heeft zij dit kunnen aanto­nen. Het bleek bijvoorbeeld dat radijsjes, die gezaaid waren bij een stand van de maan in het sterrenbeeld de kreeft, een extra bladgroei hadden, vergeleken met radijsjes die gezaaid waren terwijl de maan in de maagd stond. In het laatste geval bleken de wortels extra gestimuleerd te zijn, wat – bij radijs natuurlijk gunstig is. Verder bleek dat ook bij de stand van de maan in de schorpioen en in de vissen, de bladgroei gestimuleerd werd. Bij een stand van de maan in de tweeling, de waterman of de weegschaal bleek de bloei juist gestimu­leerd te worden.

De twaalf beelden van de dierenriem konden op de volgende wijze in vier groepen van drie verdeeld worden, waarbij iedere groep een bepaald plantendeel stimuleert (zie schema).

ritme en planeten

We kunnen bij deze indeling de verschillende op aarde werkende elementen – vuur, lucht, water, aarde – verbonden met de verschil­lende delen van de plant, terugvinden. Het zaad kan slechts ontstaan door de warm­tekrachten (vuur) en rolt dan als een soort vruchtbare as uit de plant. De bloem ver­breidt zijn geur slechts door de lucht en lokt daarmee onder andere de in de lucht vlie­gende insecten. Het water doorstroomt het blad, waarin de meeste chemische
omzet­tingen zich afspelen. De wortel is het meest aan de minerale wereld (aarde) aangepast.
In de praktijk wordt de kennis van Maria Thun al veel toegepast. Gewassen waarvan je de wortels wilt oogsten kunnen het beste op de zogenaamde worteldagen gezaaid worden. Dat zijn dus de dagen, wanneer de maan door het teken van de maagd, stier of steen­bok gaat.

Veel proeven in verband hiermee, zijn met radijsjes gedaan, omdat dit een snelgroeiend en makkelijk gewas is. Twee jaar* geleden in het maartnummer, heb ik hierover al eens ge­schreven. Als u toen niet in staat was die proeven zelf te doen, dan kunt u het mis­schien alsnog eens proberen, (worteldagen in juni zijn: 2 juni in de na­middag, 4, 5, 6, 7 en 14 juni de hele dag, 15 juni tot 4 uur, 22, 23, 24 tot 6 uur, 25 juni tot 7 uur*)
U moet er wel rekening mee hou­den, dat ook alle bodembewerkingen een in­vloed uitoefenen op het uiteindelijke resul­taat en dat niet alleen het tijdstip van het zaaien van belang is. Met andere woorden ook het spitten, schoffelen en wieden op het stukje grond waar de radijsjes gezaaid wor­den, moet op worteldagen plaats vinden. Door de ritmische invloeden van de andere planeten, zoals mars, jupiter, venus, die ook door de dierenriem ‘wandelen’, worden de werkingen van de maan soms ongunstig be-invloed. Er kan bijvoorbeeld een ziekte of schimmelvorming optreden, als zaden op da­gen gezaaid worden of als planten op dagen verzorgd worden als een bepaalde planeet door een dierenriembeeld gaat, waar een on­gunstige werking vanuit gaat. De regeneratiekrachten nemen soms zelfs zo sterk af, dat dit bij een volgende generatie planten nog te merken is. Ook het tegenovergestelde kan echter plaats vinden, namelijk dat planten heel snel tot ontwikkeling komen en een sterk vitaliseringsproces doormaken.
Niet alleen de stand van de maan in de die­renriem is belangrijk voor de planten, maar ook de afstand van de maan ten aanzien van de aarde is belangrijk. De maan is gedurende veertien dagen verder van de aarde verwij­derd en gedurende 14 dagen dicht bij de aar­de. De baan die de maan beschrijft rond de aarde is niet precies rond, maar is elliptisch. Wordt de afstand van de maan tot de aarde groter, waarbij de maan ook stijgt, dan wer­ken deze ‘stijgkrachten’ ook op de sap­stroom in de planten. Het is dan niet bevordelijk de planten te snoeien of te planten. Bij dalende maan, dus als de afstand maan-aarde kleiner wordt, is het wel gunstig om te snoei­en en te planten. De plantensappen stijgen in deze tijd niet zo sterk en het gevaar van ‘leegstromen’ (‘bloeden’) is veel kleiner. Door de gedane onderzoekingen kunnen nu door het ritme waarin de maan haar omloop maakt, bepaalde zaaidagen vast gelegd
wor­den en aan de hand daarvan is de zaaikalender** van Maria Thun ontstaan. In de zaaikalenders schrijft zij een interessan­te inleiding.
**zaaikalender

.

Ritme: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle klassen

.

541-496

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-10)

.

RITMEN IN DE LANDBOUW

He, ho spant de wagen an,
zie de wind trekt regen over ’t land,
haal de gouden garven,
haal de gouden garven,
He, ho etc.

Van deze internationaal bekende canon zijn verschillende tekstversies in omloop. Ik heb deze gekozen omdat deze me zeer aanspreekt en omdat deze met landbouw te maken heeft. Je kunt je gemakkelijk voorstellen hoe dat toegaat: een groepje mensen zingt, terwijl zij werken aan de kar en verzamelen wat het land geschonken heeft, deze canon. Zo zal het ongetwijfeld ook goed gaan, in dat lekke­re ritme.

Dit verhaal had anders kunnen beginnen. Toen Adam en Eva uit het paradijs verdreven werden, sprak de engel Gabriël tot hen vol­gens een tekst van een middeleeuws spel:

Int zweet uws aanschijns eet u broot
Adam  – en Eva ghy met noot
draegt uwe kinders ondert harte,
vermenichvuldigt sy u smarte 

Zwaar zo’n oordeel. Ze gaan er onder gebukt. Duidelijk komt het woord hart tevoorschijn, verwijzend naar het ritme-orgaan bij uitstek in het lichaam van de mens en vele diersoor­ten.
Een kind moet onder dit hart, onder het ritme, gedragen worden. Dan pas zal het groeien en langzamerhand een eigen ritme gaan veroveren, een eigen hartslag en bloeds­omloop en tenslotte – na de geboorte – een eigen ademhaling. Een soort overdracht, of anders gezegd, een soort bevruchting van de ritmevermogens van het moederhart op het kinderhart. Daar moet hard voor gewerkt en zelfs hard voor geleden worden. Het ritme­lichaam van de moeder stelt zich geheel op deze situatie in. Het offert zich als het ware op om een nieuwe levenskiem te behoeden. Geen leven zonder deze offerkracht van het hart, geen leven zonder de ritme-impuls die boven het kind onvermoeibaar zijn werk ver­richt.
En nu Adam, de oerlandbouwer. Zwetend op de akker, want dat was zijn opgave: ‘be­bouwt het veldt met noeste vlyt!
Met als hulp de spade verricht hij zijn arbeid, onver­moeibaar, dag in dag uit. Op een van de glasvensters van de kathedraal in Chartres (waar dit verhaal is geschreven) staat deze spittende Adam afgebeeld. Ook daar die middeleeuwse interpretatie. En ook bij Adam het ritme-aspect. Immers, het wer­ken met een schop gaat het best, het soepelst, het minst krachtopslorpend, als het in ritme gebeurt. Een bekend verschijnsel volgens boeren. Als je iets ritmisch doet gaat het soe­pel. Je komt ‘erin’ zoals dat heet, namelijk in het werk. Je stapt ritmisch in de handeling van het omgaan met de aarde. Je kunt het dan ook lang volhouden.
Adams handwerk is te vergelijken met Eva’s lichaamswerk in dienst van het kind. Met dat verschil, dat Adam werkt in de buitenwereld en ingrijpt in de omgeving. Zijn kind is de aarde waar alleen volledige overgave en offer­kracht geboden is. Pas dan kan er van werke­lijke bevruchting sprake zijn. Als het werk gedaan is en het zaad uitgeworpen – overi­gens ook een toonbeeld van ritmisch hande­len; helaas zie je dat nauwelijks nog -, dan pas wordt de aarde bevrucht en kan nieuw leven zich ontplooien.

Maar er is nog iets nodig, dat eigenlijk met een hoofdletter geschreven moet worden. Iets dat de bron is van het natuurleven, de schepper van de plantenwereld, namelijk de zon. Dit geweldige, allesbeheersende wereld­orgaan is één groot ritmeverschijnsel. De zon bepaalt het ritme van dag en nacht, winter en zomer, licht en donker enzovoort. Zij is een wereldhart en voor ons een aardehart. Het oerbeeld van het hart zou je moeten zeg­gen.
Het ritmische voorbereidingswerk maakt het mogelijk dat dit zonnegeheim zich met de kiem van de plant kan verbinden en de plant kan scheppen. Net zoals het moederhart bo­ven het kind, werkt nu de zon boven de aar­de (akker). Het lijkt me geen toevallige ver­gelijking, maar een waarheid waar de
middel­eeuwer volledig mee vertrouwd was.

ritme beekman

Ik wil nog een ander beeld geven vanuit de vergelijking die hierboven is weergegeven. Het komt er dan anders uit te zien, maar dat hindert niet: alle fenomenen wijzen naar het­zelfde grondmotief.

Als de eicel bevrucht wordt, treedt een mo­ment van chaos in. Volledige oplossing van de bestaande substantie en het ontwikkelen van een nieuwe van waaruit de embryonale groei begint. Ook dan is er nog weinig orde, omdat er sprake is van celtoename, maar ge­leidelijk komt er structuur en inhoud en de aanvankelijk woekerende cellenklomp (morula) begint vorm te krijgen. Er ontstaan bin­nen en buiten meerdere cellagen en het begin van organisatie en differentiatie. Let wel: uiteindelijk zal een kind ontstaan, het is nau­welijks te geloven, laat staan voor te stellen. Nu de aarde.

De ritmische omvormingen, het ploegen en spitten brengt de aarde eveneens in een cha­os. Een bestaande orde wordt ingrijpend (let­terlijk) veranderd om een nieuw begin moge­lijk te maken. Als het zaad is geworpen, ge­beurt daarmee ook iets dergelijks (aanwijzing van Rudolf Steiner uit de Landbouwkursus). Het rustende zaad zal zelf innerlijk volledig gechaotiseerd worden. Dit gebeurt ’s winters en heeft zijn hoogtepunt in de tijd tussen Kerstmis en Driekoningen: de twaalf heilige nachten.

De eiwitsubstantie van het zaad ondergaat zo’n intensieve verandering dat inwerking vanuit de omgeving van de aarde mogelijk wordt. Een kosmische bevruchting. Zonder deze zal een zaad niet tot een nieuwe plant kunnen uitgroeien, omdat het niet ‘bevrucht’ is, geen inhoud heeft opgenomen, geen infor­matie om het modern te zeggen. Pas daarna treedt er rust op en de aanleg van een kiem wordt zichtbaar: organisatie en dif­ferentiatie. Samengevat:

ritme beekman 2

In beide gevallen zijn de opeenvolgende fa­sen gekenmerkt door rustige, maar zeer rit­misch geordende ontplooiingen. Tenslotte zien kind zowel als plant het licht en komen beiden onder de levenbrengende ritmekracht van de zon te staan.

Zo te zien schijnen chaos en ritme bij elkaar te horen, twee aspecten van het leven te vor­men. Ik wil dat toelichten met een voorbeeld uit de biologisch-dynamische landbouw. Eén van de karakteristieken van deze
landbouw­methode is het gebruik van preparaten. Het gaat er nu niet om uiteen te zetten welke soorten daarvan zijn ontwikkeld, maar om een bereidingswijze en wel van het kiezel- en het koemestpreparaat. Zowel fijn verdeelde kiezel(kwarts) als speci­aal voorbereide koemest, worden in tonnen met water geroerd. Tijdens het langdurige roeren worden twee bewegingen met elkaar afgewisseld: rechtsomdraaien en linksomdraaien, waarbij met een takkenbos, een roede, geroerd wordt.

Bij de overgang van rechts naar links en vice versa, is het water enige tijd in volledige cha­os. Na de chaos treedt opnieuw ritmische orde in als er wordt verder geroerd. Ritme-chaos-ritme-chaos enzovoort. Opvallend is de soepelheid waarmee het ritmisch draaien ge­paard gaat, waarbij het water een draaikolk­achtige trechtervorm aanneemt, en de grote kracht die nodig is om de chaos te overwin­nen.
Chaos vraagt sterke kracht, ritme levert zelfs kracht op: een spannende polariteit. Kort ge­zegd is dit nodig om de kosmische wereldor­de een toegang te verschaffen tot het water en de substantie daarin, die op deze manier verrijkt wordt. Een soort bevruchting van water en preparaat met invloeden uit de om­geving. Na deze behandeling is een preparaat ‘dynamisch’ en geschikt voor toepassing op gewas of bodem. Ritmische voorbereiding om straks de natuurritmen beter in de groei­processen te betrekken. Overigens kennen we deze verschijnselen ook in ons lichaam. Het water is hier het bloed en de preparaatsubstantie is hier… (je kunt je daar verschillende voorstellingen van ma­ken, zoals zuurstof, koolzuurgas en voedings­stoffen uit het stofwisselingsgebied). En de chaos treedt op in het hart, als het bloed uit zijn ritmisch-pulserende stroom plotseling in een ruimte wordt toegelaten en aan werve­lingen en draaiingen wordt onderworpen. De wandstructuur van het hart helpt hier extra mee de beweging te bevorderen. Maar er wordt veel kracht gevraagd om deze chaos te overwinnen en om te zetten in een nieuwe, ritmisch voortgaande orde: de bloedstroom. Doorstroom en snelheid – chaos en stilstand -doorstroom en snelheid enzovoort. We laten daarbij de vraag liggen welke invloeden van buitenaf dan op dit chaosmoment kunnen inwerken.

Galenus (Romeins arts en natuuronderzoe­ker) vermoedde of wist dat de ‘pneuma’ toe­gang tot het bloed kreeg en nieuwe impulsen verschafte. Deze werd gezien als geest, mis­schien op te vatten als wereldgeest, in ieder geval een omgevingskwaliteit. In schema samengevat:

ritme beekman 3

Het roeren van een preparaat wordt als een organisch gebeuren begrijpelijk. Net zo min als het hart een mechanisch-pompend orgaan is, is het prepareren een mechanische hande­ling.

We hebben nu nog geen antwoord op de vraag wat ritme in de landbouw eigenlijk is. Wel zagen we een aantal fenomenen, die met ritme te maken hebben en aantonen dat het omgaan met de landbouw geen geïsoleerde bezigheid is. Sterker nog, er is bijna geen be­roep denkbaar dat meer in de omgeving is in­geschakeld dan het agrarische. En dan moet de omgeving in zeer wijd verband worden ge­zien.

De kunst van de harmonie tussen verschillen­de aspecten van de natuur: De plantenwereld leeft op zijn manier mee met de omgeving, seizoenen, kosmische orde. De dierenwereld kent zijn eigen ritme van voortplanting, rust en activiteit. De aarde staat in een sterke relatie tot zowel plant- en dierenwereld als kosmische wereld. De mens die dat alles verzorgt en in zijn of haar bewustzijn heeft, staat vaak onder druk van de economische omstandigheden. Niet alles is haalbaar, er moeten concessies ge­daan worden, het menselijk leven heeft ook zijn eigen wetten.

Niet te benijden is de mens die zijn of haar krachten moet inzetten om ‘met noeste vlyt het veldt te bebouwen’.
Wel te benijden aan de andere kant, want er is geen gebied waar directer aan de omvor­ming en gezondmaking van de aarde gewerkt kan worden dan in de landbouw.
.

(Willem Beekman, Jonas 23, 11-07-1980)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

539-495

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.