Tagarchief: 5e klas aardrijkskunde

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – gezichtspunten voor klas 5 t/m 10

.

Dit al tientallen jaren oude artikel gaat uit van de beschouwing dat de aarde een totaliteit is. De grote samenhang van het niet-levende en het levende.
De auteurs schetsen een overzicht van aardrijkskundige lesstof waarin deze samenhang tot uitdrukking komt.

De omstandigheden van de Hibernia school waren destijds anders dan de vrijescholen in Nederland die immers een duidelijke scheiding kennen in basisschool (klas 1 t/m 6) en middelbare school, klas 7 t/m 12: de bovenbouw, waarin klas 7 en/of 8 soms onderscheidend ‘middenbouw’ worden genoemd.

De klassenleerkracht die – ik maakte het in de jaren 1970 nog mee in Den Haag – tot en met 8 meeging met zijn klas, kon vanaf klas 5 al rekening houden met bepaalde onderdelen van de aardrijkskunde als een soort voorbereiding op wat nog ging komen in 6, 7 en 8. En ook de daarop voortbouwende aardrijkskunde vanaf klas 9. Ik herinner me werkbesprekingen van onder- en bovenbouwleerkrachten om de verschillende onderdelen op elkaar af te stemmen. Dat was veel makkelijker dan later: we zaten in hetzelfde gebouw.

Die afstemming is waarschijnlijk helemaal verdwenen. Nog in de hand gewerkt door het gebruik van methodes ‘van buitenaf’.

Desalniettemin levert het artikel talloze gezichtspunten op die je kan omzetten naar aardrijkskundige inhoud voor de klassen 4 -6 en uiteraard ook voor de hogere klassen.
Ook zie je ‘vakkenintegratie”: in klas 6 wordt bv. meetkunde gebruikt. 

Klas 3, 4 en 5, m.n. 6 <1>
Klas 7 <2
Klas 8 <3>
Klas 9 <4>
Klas 10 <5>

L. Gienapp / E. Heyder, Wanne-Eickel, Hibernia School Newsletter, 1968/69, nummer 2.

.

De aarde als geheel

I.

<1> In de 6e klas dagen we onze kinderen uit om iets nieuws te doen: we bekijken de aarde als geheel.
Tot dan toe hadden de kinderen met heemkunde (3e klas) en de eerste aardrijkskunde (4e klas) geleerd over hun directe omgeving, vervolgens over Nederland en in de 5e klas over Europa, in steeds grotere cirkels.
Aan de hand van levendige verhalen werden ze door vele landschappen geleid en ervoeren ze hoe mensen overal leven en werken – anders in de bergen dan aan zee, en weer anders in het bos of in de grote steden.

Nu wordt de hele aarde hun thuis. We gaan weer uit van hun eigen locatie en vatten nu wat de kinderen dagelijks meemaken samen tot nauwkeurige observaties: Wie van jullie heeft ooit een zonsondergang gezien? — De kinderen vertellen; sommigen zijn vast al eens aan zee geweest, anderen hebben misschien vanaf een berg de zon zien ondergaan. Maar ook wie niet op reis is geweest, heeft kunnen zien hoe de zon, vooral in de winter, bloedrood achter de daken van de huizen verdween. De kinderen vertellen veel mooie dingen die hen met vreugde vervullen; en met een nieuwe vraag vat de leerkracht de aandacht van de klas op een bepaald punt samen: Hoe lang duurt een zonsondergang? — Vermoedens en schattingen worden hardop uitgesproken. Een exacte berekening? Ja, dat is mogelijk: in 24 uur staat de zon op dezelfde plaats, ze heeft in die tijd een volledige cirkel doorlopen. We komen op de gradenmaat terecht; 360 graden vormen een volledige cirkel, dus de kwartcirkel van ons hoogste punt tot aan de horizon is 90 graden. Nu nemen we onze handen te hulp en stellen vast dat we met gestrekte arm negen handbreedtes boven elkaar moeten stapelen om deze 90 graden te bedekken, dat wil zeggen dat een handbreedte overeenkomt met 10 graden. Op het bord ontstaat de volgende berekening:

360 graden in 24 uur (of 1440 minuten)

10 graden in = 40 minuten

Dat betekent dat we met onze hand, als we die helemaal stil houden, met gestrekte arm veertig minuten lang de zon kunnen bedekken, of, nog verder gerekend, dat de zon acht minuten nodig heeft om bij zo’n poging achter een van onze vingers langs te gaan. Het is zo spannend dat je er zeker van kunt zijn dat de kinderen ’s avonds soortgelijke experimenten zullen doen. De volgende dag gaat men verder met de overige veranderingen in de stand van de zon en later worden ook de banen van de maan, de planeten en de vaste sterren meegenomen. Uit observaties en overwegingen ontstaat voor het kind geleidelijk aan het begrip van de ordening van het hemelgewelf, waaruit zich dan weer het idee van een aardbol in relatie tot de hemellichamen kan ontwikkelen. Zo wordt het gezichtsveld van de kinderen dit jaar aanzienlijk verbreed en naarmate de periode vordert, komt het gezicht van onze aarde steeds meer naar voren, continenten en oceanen vormen bepaalde figuren, de twee machtige bergketens in Amerika en Azië tekenen een groot kruis op de aarde – ijskappen, onbewoond door mensen, bedekken de polen – zeestromingen en handelsroutes verbinden steden en landen met elkaar. We prenten ons deze vorm in en leggen daarmee de basis voor veel overwegingen die ons de komende jaren bezig zullen houden. <1>

<2> Als de kinderen – zoals eerder beschreven – in de vierde klas leren zich los te maken van hun omgeving om tot het ‘beeld’ te komen, dan komt in de vragen van de zevende klas duidelijk de wens tot uiting om door het beeld heen tot begrip en inzicht te komen:

Waarom is het in Afrika warmer dan bij ons?

Is het waar dat de zon in Finland nooit ondergaat?

Waarom zijn de dagen in de zomer langer dan in de winter?

Is het in Afrika nooit winter?

Geldt in Moskou een andere tijd dan bij ons?

Wat is een datumgrens?

Wat betekent een schrikkeljaar?

Kinderen van deze leeftijd zoeken naar verbanden die ze kunnen doorgronden. Wat ze in hun directe omgeving zien, is niet meer voldoende. Observaties, die ze misschien al veel eerder hebben gedaan, willen nu worden verklaard, omdat kinderen aanvoelen dat mensen in staat zijn om ook datgene te onderzoeken en te begrijpen wat ze niet kunnen zien. Er gaat een groot gebied van nieuwe innerlijke ontdekkingen open! Dag na dag wordt deze kracht nu geoefend door nauwkeurig te observeren en de juiste verbanden te leggen om de antwoorden op de vragen te vinden: geldt in Moskou een andere tijd dan bij ons? Ja, hoe zit dat precies?

We stellen ons de aarde voor terwijl ze ronddraait. De ene helft wordt altijd door de zon beschenen, de andere helft ligt in het donker; sommige mensen hebben dag, andere nacht. Als het stukje aarde waarop we leven zich nu naar de zon toe draait, verschijnt de zon voor ons in het oosten boven de horizon, het is zonsopgang. ’s Middags zijn we het dichtst bij de zon, die hoog aan de hemel staat en fel en warm schijnt. Daarna verwijderen we ons langzaam van de zon, die voor ons in het westen ondergaat. Eerst wordt het schemerig, daarna donker. Als we het verst van de zon verwijderd zijn, is het voor ons middernacht. We richten onze tijd dus op de zon en als de Russen, de Engelsen, ja, alle mensen dat ook doen, moeten de klokken op aarde natuurlijk verschillende tijden aangeven!

Uit de observaties en beelden die we hebben gekoppeld, komt een wet naar voren die voor iedereen die aandachtig heeft gevolgd, duidelijk is. Het antwoord ligt duidelijk en helder voor ons innerlijke oog; en op dezelfde manier kunnen, onder begeleiding van de leraar, de antwoorden op vele andere vragen worden gezocht en gevonden.

Dan volgt een pauze van een heel jaar. De ideeën zakken weg, de krachten worden op andere gebieden verder getraind. <2> <3>En wanneer in het achtste schooljaar de aardrijkskundeperiode begint, kan men ervan uitgaan dat de leerlingen gewend zijn geraakt aan het zien van verbanden en het correct leggen van verbanden.

Als we nu weer uitgaan van het weer, dat ons allemaal aangaat, en de eigen observaties van de leerlingen samen doornemen en met elkaar in verband brengen, kunnen we laten zien dat de winden en zeestromingen zich volgens heel bepaalde wetmatigheden over de aarde verspreiden; de leerlingen zullen begrijpen waardoor bijvoorbeeld de woestijngordel van de aarde ontstaat, of hoe bepaalde omstandigheden moeten samenkomen om een onweer te veroorzaken. Zelfs wat ons zo grillig en toevallig lijkt, ons weer, wordt geregeld door wetten die overal op aarde gelden en die we kennen en grotendeels kunnen berekenen.

Juist op deze leeftijd, rond het veertiende jaar, wanneer de jongere de instinctieve en emotionele zekerheid van zijn kindertijd verliest, kan de hoop hem bemoedigen en inspireren dat hij door juist denken een kracht zal verwerven die hem de wereld opent en nieuwe zekerheid geeft. <3>

II.

<4> Als onze leerlingen in het zevende en achtste schooljaar de aarde als geheel hebben leren kennen, een levendig beeld hebben gekregen van hoe haar oppervlak wordt gevormd door oceanen en continenten, hoe wind en weer op haar inwerken, hoe de landschapsgordels zich om haar heen uitstrekken en hoe dieren en mensen op haar leven, dan richten we ons in de twee aardrijkskundeperiodes van het negende en tiende schooljaar op de vraag hoe dit grote aardse organisme zich ontwikkelt; hoe de aarde als geheel met al haar schepselen is ontstaan.

Eerst zoeken we in het negende leerjaar alle waarnemingen op die ons vertellen over veranderingen in het aanzien van de aarde. Dan horen we bijvoorbeeld dat bij Pozzuoli drie zuilen van een tempel zijn opgegraven, waarover al in 200 v. Chr. wordt bericht. Op de zuilen zijn sporen te vinden van boorwormen, dieren die alleen in zee leven. De tempel moet dus tussen 200 v. Chr. en nu lange tijd in zee hebben gestaan. De aarde moet daarvoor minstens zes meter zijn gezakt en daarna weer zijn gestegen, zodat de kust zich overeenkomstig kon verschuiven. Iets soortgelijks horen we uit Zweden, waar vissers nu gras maaien waar ze vroeger met hun boten visten. Vervolgens bespreken we dat ook het gebied waarin we leven in hoogte verandert en dat het terrein waarop onze school staat in de komende tien jaar al enkele meters ten opzichte van het zeeoppervlak zal dalen. Wat hier in onze regio te maken heeft met de nawerkingen van de mijnbouw, laat ons op kleine schaal zien wat er op grote schaal binnen de continenten gebeurt.

De verschijnselen zijn vergelijkbaar. Net zoals er in mijnbouwgebieden verzakkingen en breukzones kunnen ontstaan die vervolgens leiden tot mijnschade, vinden we in het aardoppervlak dergelijke grote breukzones, vinden we plooien en verzakkingen. We ontdekken dat overal waar deze breukzones zich bevinden, er in het bijzonder aardbevingen of vulkanisme heerst, en we vinden als oorzaak van deze veranderingen aan het aardoppervlak krachten die vanuit het binnenste van de aarde werken.

Bij verder onderzoek komen we andere krachten tegen. Wind en weer, hitte en vorst hebben van buitenaf een veranderend effect op het aardoppervlak. We zoeken alle sporen van erosie op, we zien hoe het water zijn sporen in het aardoppervlak graaft, we ontdekken hoe verschillend de valleien zijn gevormd, die door het water en die door ijs zijn ontstaan. Wat we kunnen waarnemen aan de kleine gletsjers in onze hoge bergen, voert ons terug naar vervlogen tijden, toen grote delen van ons continent bedekt waren met ijsmassa’s, wat we kunnen zien aan de van oost naar west stromende rivieren, in de zogenaamde oerstroomdalen, maar ook in de vruchtbare grond van het Münsterland of in de granieten zwerfkeien. Verder gaan we in op de opbouw van de aardkorst, en opnieuw komt alle ervaring uit de mijnbouw ons te hulp: we zien, hoe het aardoppervlak is opgebouwd uit lagen die uit heel verschillende materialen bestaan. We zoeken naar dergelijke dwarsdoorsneden door het aardoppervlak en horen hoe ingewikkeld het soms is als door plooien iets wat dieper ligt, naar boven wordt geworpen. Ten slotte horen we nog dat nauwkeurige metingen hebben aangetoond dat de continenten niet alleen op en neer gaan, maar ook in horizontale richting naar elkaar toe en van elkaar af bewegen, en dat als gevolg van deze continentale verschuiving het aanzien van de aarde in grote tijdsperioden volledig verandert. In de loop van het tijdperk rijst steeds meer de vraag of men iets te weten kan komen over de geschiedenis van de aarde, of men kan zeggen hoe zij er vroeger uitzag, en nog vroeger, en in heel oude tijden. Tegelijkertijd hebben de leerlingen ook geleerd dat men het aanzien van de aarde kan lezen als in een boek, dat men aan de vorm van een vallei kan zien waardoor deze is ontstaan, dat men kan verklaren waarom de gesteenten op een bepaalde manier over de aarde zijn verdeeld. <4>

<5> In het tiende schooljaar horen we nu hoe de wetenschap op een geweldige manier het boek van de aardlagen heeft ontcijferd en hoe zich uit de taal van de fossielen, uit het lezen van de aardlagen, beeld voor beeld het verleden van de aarde ontvouwt. Daarbij praten we niet alleen over hoe het aardoppervlak gevormd was, maar horen we tegelijkertijd welke planten en dieren er toen leefden.

We zien hoe er in de geschiedenis van de aarde lange tijdperken zijn geweest waarin planten, dieren en gesteenten samen zijn ontstaan en zich steeds opnieuw hebben veranderd. Elke laag van de aardkorst toont ons nieuwe vormen. We zien hoe uit eenvoudige, onopvallende levende wezens steeds hogere vormen ontstaan, hoe machtige vormen ontstaan die we vandaag de dag niet meer kennen; we leren dat niet alleen de levende wezens veranderingen hebben ondergaan, maar dat ook de gesteenten en mineralen steeds nieuwe bestaansvormen hebben aangenomen, dat ze pas geleidelijk zijn gestold tot het harde gesteente van de aarde, tot de heldere kristallen en tot de aders van de ertsen. We horen hoe gebergten die veelzijdig zijn, maar qua hoogte toch onopvallend, zoals bijvoorbeeld ons Sauerland, tot de heel oude formaties van deze aarde behoren en hoe andere, die vandaag de dag heel hoog oprijzen, zoals bijvoorbeeld de Alpen, in de zin van de aardgeschiedenis heel jong moeten worden genoemd.

Nu we de aardse tijdperken hebben leren kennen in hun karakteristieke verschijningsvormen en opeenvolging, houden we ons bezig met de vraag naar de wetmatigheid die daarin heerst. Deze vraag richt zich in het bijzonder op het ontstaan van levende wezens en de mens, waarvan de uiterlijke sporen pas helemaal aan het einde in de jongste aardlagen te vinden zijn. We maken kennis met de pogingen van de menselijke geest om de sporen van de schepping te ontrafelen, de grandioze pogingen van Darwin en Haeckel om het ontstaan van de soorten te verklaren. Maar we merken ook de grenzen van deze eerste pogingen tot verklaring, die voortkwamen uit enthousiasme, vooroordelen en misvattingen. Als het dan aan het einde van een dergelijk tijdperk op basis van alle eerder beschreven observaties en alle daarmee samenhangende overwegingen mogelijk wordt om aan te tonen hoe de opeenvolgende tijdperken van de aardgeschiedenis fasen zijn van een schepping die een gemeenschappelijk doel heeft: de schepping van de mens – hoe we al in de eenvoudigste vormen het oerbeeld van het menselijk lichaam kunnen herkennen, hoe dit oerbeeld steeds meer werkelijkheid wordt in de opkomende dierfiguren, dan doet de jonge mens de ervaring op die op deze leeftijd doorslaggevend is. Het zijn grote, wijze ordeningen die zich openbaren in de scheppingsgeschiedenis van de aarde en de mens en die hij geroepen is te ontrafelen om zich in hun dienst te stellen. <5>

.

Aardrijskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Aardrijkskunde klas 5 

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3470-3267

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (7)

.

Erika Buris, Wanne-Eickel, Hibernia Schule, nr.1, 1968

.

Er wordt een kaart getekend

Tussen hun negende en tiende levensjaar moeten onze kinderen een belangrijke drempel overschrijden; ze krijgen een heel nieuwe relatie met hun omgeving. Een heerlijk gevoel van geborgenheid en nabijheid tot alles wat om het kind heen gebeurde, gaat verloren; daarmee ook de kracht om te leren uit het directe meeleven, uit het nadoen. Een nieuw gevoel, dat zich in de voorgaande schooljaren al aankondigde, neemt de plaats in; onze kinderen kunnen nu met innerlijke rust waarnemen, zich een beeld vormen van wat ze beleven. Daarvoor is ‘afstand’ nodig, en die afstand tot de omgeving en de gebeurtenissen daarin winnen onze kinderen nu. Maar daarbij moeten ze, zoals bij alle ontwikkelingsfasen, geholpen worden.

Een belangrijke hulp bij dit proces van afstand nemen krijgen de kinderen bij het tekenen van kaarten. Ze kunnen nu voorzichtig zo worden begeleid dat ze van het beleefde landschap – waarin ze zelf nog helemaal staan – tot het kaartbeeld komen.

Dit moet natuurlijk grondig worden voorbereid. We zijn daarbij uitgegaan van het meest voor de hand liggende, het bekende, door eerst een plattegrond van het klaslokaal te tekenen. We moesten ons voorstellen dat we er niet meer in stonden, maar op enige afstand erboven stonden en er van bovenaf op neerkeken. Voordat we begonnen met het tekenen van de plattegrond, werd er veel gemeten met voet- en staplengtes, werd de lengte in verhouding tot de breedte bekeken en werden de verkregen maten vergeleken.

We klommen toen naar een nog hoger uitkijkpunt; de kinderen wisten meteen: daar kunnen we natuurlijk meer overzien! – en er werd een plattegrond van het hele schoolgebouw en het schoolterrein getekend. Bij het maken van deze tekeningen werd duidelijk rekening gehouden met de windrichtingen, die de kinderen al in een eerdere les over lokale geschiedenis hadden geleerd. Door naar het verloop van de dag te kijken, herkenden ze namelijk het gebied van de zonsopgang eerst als ‘ochtend’ en dat van de zonsondergang als ‘avond’; ook werden middag en middernacht in relatie tot de stand van de zon gezien. De kinderen kregen zo een levensecht verband met de hele ruimte en zijn richtingen.

Bij het tekenen van het schoolterrein kwam ook de ‘schaal’ ter sprake: dat niet alleen voor dergelijke tekeningen de juiste schaal moet worden gebruikt, maar dat het ook in het leven van ieder mens belangrijk is om voor zichzelf de juiste, namelijk een hoge schaal te vinden en toe te passen voor zijn eigen daden, gedachten en gevoelens.

Om de kinderen persoonlijk te laten ervaren hoe ze het natuurlijke landschap kunnen overzien en loslaten voor het tekenen van kaarten, hebben we in deze periode een excursie gemaakt. We hebben daarvoor een gebied gekozen waar je vanaf de top van een berg in een rivierdal kunt kijken. Dat hebben we ook met veel  plezier gedaan; we ontdekten dat ons bospad een heel eind langs de kronkelende rivier liep, zodat we zelf konden wandelen wat we eerder hadden gezien. De volgende dag werd daar samen een soort plattegrond van getekend; sommige kinderen merkten toen al op: dat lijkt bijna op een kaart!

En kort daarna waagden we ons echt aan het tekenen van de eerste kaart – eerst van het kleinere gebied tussen Lippe en Ruhr, maar daarna van het grotere gebied tussen Lippe-Ruhr-Wupper-Sieg en in het westen tot aan de Rijn, dus een groot deel van Noordrijn-Westfalen, nadat dit vanuit veel verschillende gezichtspunten grondig was besproken.

Daarmee is een derde, belangrijk punt in dit vak bereikt, namelijk dat de ervaring en het beeld samensmelten tot een teken en zo een ‘schrift’ worden dat je vervolgens ook weer kan lezen. Het is in feite dezelfde weg die al met de schoolbeginners wordt bewandeld bij het leren van de letters, die ook door middel van verhalen en beelden aan het kind worden bijgebracht.

Zo kan je in grote lijnen het traject zien dat met de kinderen moet worden afgelegd om hen geleidelijk aan de noodzakelijke abstractievaardigheid bij te brengen, maar dan wel een abstractie die de grond onder de voeten niet verliest, maar nog steeds de verbinding met de werkelijkheid en met het eigen gevoel en beleven in zich heeft.

Met deze zeer beknopte beschrijving mag duidelijk zijn geworden dat we bij dit vak drie belangrijke educatieve aspecten voor ogen hebben:

1. Afstand en overzicht krijgen,

2. Maten vinden,

3. De gebarentaal zelf vormgeven en als een schrift begrijpen.

In het vijfde leerjaar gaan we over van streekkunde naar aardrijkskunde; dit gaat verder dan wat we zelf eerder konden afleggen, opmeten en bewandelen. We moeten metgezellen zoeken die ‘namens’ ons door de landen trekken: dat zijn de rivieren. Door de loop van de rivieren te volgen, overbruggen we het verschil in hoogte tussen zeeën en bergen. Zo komen we bij het dynamisch kaarttekenen. Als een levendig, pulserend netwerk van aderen wordt een land doorkruist door rivieren, aan de oevers waarvan het menselijk leven en doen zich afspeelt, kleurrijk en veelzijdig, serieus en mooi.

De leerkracht begon hier ‘in het klein’, in de klas. 
Je kan ook het principe ‘van het geheel naar de delen’ wat grootser toepassen door eerst zo hoog mogelijk te gaan staan om vandaar naar beneden te kijken. En dat kan het beste vanaf een toren. Vanaf een heel hoge – ik had het geluk dat vanaf de Martinitoren in Groningen te kunnen doen – zie je beneden de platte grond al. 
Een (latere) leuke opdracht is ook de kinderen ‘de weg van huis naar school’ te laten tekenen  (of andere varianten)- voor zover de afstand dat toelaat. 

.

Tekenen en schilderen van kaarten: Schilderen in klas 6 – 8

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeldaardrijkskunde    klas  5

.

3468-3265

.

.

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde 5e klas – Rijnsagen (1-3)

.

Wanneer in de 5e klas met aardrijkskunde buiten Nederland wordt begonnen, wordt logischerwijs voor de Rijn gekozen die, aansluitend bij de 4e klasstof, voor ons land buitengewoon belangrijk is.

Rond de Rijn zijn allerlei sagen ontstaan, waarvan de Lorelei wel de bekendste is.
Maar er zijn er meer. 

Nu het lezen onder druk staat, is het misschien een idee om deze sagen in een soort boekje te bundelen en (klassikaal) te lezen. Het boekje zou door de kinderen geïllustreerd kunnen worden.

.

ca.  14 min. verteltijd

Liefdesteen en Sterrenberg  (Liebenstein en Sterrenberg)

.

De VIJAndige broers
.

In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een van prachtigste burchten aan de oevers van de Rijn.
In de tijd waarin ons verhaal zich afspeelt, werd hij bewoond door een oude paladijn van Koenraad, de Staufenkeizer, door de verkiezing op de vlakte van Oppenheim bij Mainz.
Twee zonen stonden de bejaarden krijgsheld ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang onder de aarde. Sedert die tijd klonk er zelden vrolijk gelach door de hoge gewelven.

Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame mannenslot. Met haar kwam er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit het geslacht van Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn sterfbed vertrouwde hij zijn enig kind, een bloeiend meisje, aan de zorg toe van zijn bloedverwant, de heer van Sterrenberg.
De blonde Angela – zij verdiende deze naam – werd spoedig de lieveling van ieder op het slot. Zij vereerde dankbaar de grijsaard als haar vader en beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met zusterlijke genegenheid.
Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap van de jeugdige ridders veranderde spoedig in ontluikende liefde. Beide broeders dongen heimelijk naar de gunst van de jonkvrouw.

De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte zich van zijn vaderhart meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde liefde koesterde,  toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de vurige geest van Koenraad, de jongsten zoon.

Reeds vanaf het eerste ogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot gekomen was, had hij de wens gekoesterd, dat de sierlijke jonkvrouw in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die de naam van zijn vader droeg en eenmaal de familieburcht bezitten zou.

Hendriks liefde was te schuchter, hij verzweeg de oplaaiende liefdesvlammen. Zijn broeder echter maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor Angela voelde en spoedig bemerkte de grijsaard met droefheid, dat het jonge meisje de genegenheid van deze ridder beantwoordde. Ook voor de broer bleef het geluk van de beide jongelieden niet verborgen, en diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht tot sterven veroordeeld was, omdat het hem niet vroegtijdig gegeven was die te kunnen uiten.
En Angela?
Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die op de trekken van de oudste broer te lezen stond. Het ontroerde haar, toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde; maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zozeer, dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de trekken van de ridder wierpen.
Op die tijd kwam Bernard van Clairvaux uit Frankrijk naar de Rijn en predikte over een nieuwe kruistocht tegen de ongelovigen. Duizenden raakten enthousiast door de bezielende rede van de heilige monnik.
Ook op de vesting Sterrenberg werd zijn oproep vernomen. Hendrik besloot aan de kruistocht deel te nemen. Hij kon niet langer op de burcht blijven, waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem dorstende geest van de jongste ridder werd zeer opgewonden door de onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige Morgenland bood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die de vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oosterse palmen op de vlakten van de Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart van zijn vader, die hem smeekte, hem niet te verlaten.
Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons.

“Wie blijft op de burcht van mijn voorouders, als jullie hem verlaten om daar misschien nooit meer terug te keren?” riep hij smartelijk uit. “Ik smeek je, mijn oudste zoon, evenbeeld van je moeder, heb medelijden met het grijze haar van je vader! En jou, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de tranen van je verloofde.”

Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van de grijsaard. “Ik zal u niet verlaten, vader,” sprak hij aangedaan.

“En jij, Angela?” vroeg de jongste op trotse toon aan de huilende jonkvrouw, jij moet het offer van de scheiding brengen en een laurierboompje planten om daar voor mij een krans van te maken als ik terugkom.

II

De volgenden dag verliet de jonge ridder de burcht van zijn vader.

Het jonge meisje leek de eerste tijd ontroostbaar van verdriet. Zij huilde om de afwezige geliefde en sliep daarna in als een moe gehuild kind. En toen ze wakker werd en om zich heen keek, kwam de boosheid die haar een beschuldiging influisterde en het beeld van hem, die zich om ijdele roem van haar gescheiden had, vertroebelde zoals een spiegelbeeld op het water dat verstoord wordt.

Meer dan vroeger bleven haar blikken op de fiere jongeling rusten, die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij bewonderde hem, zoals hij door ontelbare bewijzen van reine vriendschap haar leed trachtte te verzachten. Veel van zijn wezen was haar vroeger niet opgevallen: zijn grote moed op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteren van wapens; ze bewonderde het nu.

Het leek er echter op dat hij haar ontliep, bang dat hij de geesten van de onbeantwoorde liefde zou wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter voelde zich daardoor steeds meer tot de ridder aangetrokken. Zij trachtte hem duidelijk te maken, dat haar liefde voor de jongste broer niets geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk met de persoon zelf verdwenen was. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij bemerkte, dat hij van wie zij werkelijk begon te houden, voor haar slechts broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor een woord van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.

De verandering van haar gevoelens was de ridder niet verborgen gebleven, maar trots onderdrukte hij elk opkomend gevoel voor de verloofde van zijn broer.

De grijsaard was hoogst gelukkig, toen Angela bij hem eens haar hart uitstortte. Hij bad God bewogen, de twee verliefde mensen bij elkaar te brengen; hij geloofde dat ze in Zijn geest een paar zouden kunnen worden.
In zijn dagdromen zag hij Angela al met een jongetje op schoot, met blauwe ogen en blonde haren, evenals zijn overleden vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan de opvliegende jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land vertoefde en snel onderbrak hij zijn dromen.

Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting bouwen. Hij gaf haar de naam van Liefdesteen, bestemde haar voor zijn tweede zoon, als hij van de kruistocht terugkeerde. Nauwelijks was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.

Enige tijd later was de kruistocht ten einde. De heren van de Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mee, dat graaf Koenraad een schone voorname Griekse vrouw mee zou brengen, met wie hij in het Morgenland getrouwd was.

Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn ogen. De mededeling leek hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar de toren en richtte haar blikken naar het Zuiden.

III

Eens op een namiddag vertoonde zich een groot schip op de Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de kantelen en riep de broer. Het schip kwam naderbij; men hoorde het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning onderscheiden.
Plotseling stiet de jonkvrouw een vreselijke kreet uit en wierp zich huilend in de armen van de geschrokken ridder. Deze kromp ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schone vrouw vlijde zich tegen hem aan.

Het schip legt aan.
Het eerste springt Koenraad aan wal.

De twee personen op de kantelen waren verdwenen. Een schildknaap naderde de ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, door zijn vader aan hem nagelaten, zijn eigendom was.

Dezelfde dag kondigde hij zijn bezoek op de Sterrenberg aan. Toen hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broer hem zeggen, dat hij de trouweloze, die zijn verloofde verlaten had, slechts met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.

De beide burchten werden in schemering gehuld. Op de weide die de vestingen scheidt, stonden twee broeders voor een strijd op leven en dood.

Dat was een verschrikkelijke tweekamp.

Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen kruisen. De beide tegenstanders, met gloeiende hoofden boven de pantserhemden, hadden dezelfde kracht, dezelfde moed. Rood druppelde het bloed uit de armplaat van de oudste.
Toen bogen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met doodsangst op het gelaat, wierp zich tussen de strijders. Het was Angela. Wanhopig klonk haar smeken:

“In naam God, die u ziet, houdt op! In naam van uw gestorven vader, stop de broedermoord. Degene voor wie jullie de zwaarden trekken, gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u, ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals uw broeder.”
De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad boog het hoofd diep en hield de hand voor zijn ogen. Hij waagde het niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand van de huilende jonkvrouw.
“Dank, zuster,” fluisterde hij. “Kom, de trouweloze verdient je tranen niet.

Door de schaduwen van de bomen werden zij aan het oog onttrokken. Zwijgend tuurde de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en huilde.

IV.

Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster Marienburg. Achter de muren vond Angela rust. Tussen Sterrenberg en Liefdesteen verhief zich na verloop van enige maanden een dikke muur, als stil bewijs van de vijandschap der beide broers.

In het nieuwe slot volgde het ene feest op het andere. De mooie Griekse vrouw vierde daar, te midden van de ridders van de Rijn, de triomfen van haar schoonheid.

Op burcht Sterrenberg heerste diepe droefheid. Het was de ridder niet gelukt het besluit van de jonkvrouw te veranderen. Sedert haar verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan de voet van de berg liet hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan. Weinige maanden daarna stierf hij. Op dezelfde dag, zo beschikte het lot, dat hen gescheiden had, luidden de doodsklokken van het klooster Marienburg en verkondigden de dood van de verloren geliefde.

De heer van Liefdesteen mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke Griekse vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein genoten had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zich van de tinnen van zijn vesting in de diepte.

De burchten vervielen aan de ridder Brömser van Rüdesheim. Kerk en klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks door duizenden pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl beneden in het klooster Bornhofen dagelijks de klokken luiden en de plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerst boven tussen de verlaten ruïnes, nog heden in de volkstaal “de Broeders” genaamd, treurige rust. Slechts dan, zo heeft de Lorelei ons verraden, wanneer de volle maan in de zomernacht haar bleke stralen werpt, hoort men op de weide, die de vestingen scheidt, de zwaarden van de vijandige broeders kletteren.

.
Liebenstein

Sterrenberg

.

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas

.

3427-3225

.

.

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde 5e klas – Rijnsagen (1-2)

.

Wanneer in de 5e klas met aardrijkskunde buiten Nederland wordt begonnen, wordt logischerwijs voor de Rijn gekozen die, aansluitend bij de 4e klasstof, voor ons land buitengewoon belangrijk is.

Rond de Rijn zijn allerlei sagen ontstaan, waarvan de Lorelei wel de bekendste is.
Maar er zijn er meer. 

Nu het lezen onder druk staat, is het misschien een idee om deze sagen in een soort boekje te bundelen en (klassikaal) te lezen. Het boekje zou door de kinderen geïllustreerd kunnen worden.

.

ca. 12 min. verteltijd

St.Goar

De Lorelei

I.

Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots.
Als de boot van de schipper bij het vallen van de avond over het water glijdt, kijkt hij met angst en eerbied omhoog naar de onmetelijk hoge rotsachtige top. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de sage de grijze top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van een schone, valse nimf, die eens daar boven op de berg gezeten en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig voorval voor altijd verdreven werd.

Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?

Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over de groenachtig gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op de top.
Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar trotse gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.

Wee de schipper, die op dit uur de rots passeerde. Hij werd door het gezang betoverd. In zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen sloeg.
Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, dromend dat hij dicht bij haar zou zijn, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste ogenblik verraderlijk tegen de rots, die het meedogenloos verpletterde.

De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van de Rijn. Nooit zag men de ongelukkige weer.

De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging elke avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht door de kus van de aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende dageraad de grijze morgennevel uit de dalen verdreef.

II.

Ronald was een fiere jongeling en een van de vermetelste strijders aan het hof van zijn vader, de paltsgraaf van de Rijn. Ook hij hoorde van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.

Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid bracht een oude, ervaren schipper, hem naar de rots. In het Rijndal brak de schemering reeds aan, toen de boot de reusachtige berg naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.

Daar verschijnt opeens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de avondster. Heeft de beschermengel van de dromende jongeling deze zo-even aan de hemel geplaatst om de verblinde te waarschuwen?
Hij kijkt omhoog, voor een ogenblik afgeleid.
Een zachte kreet van de oude man aan zijn zijde.

“De Lorelei!” fluistert hij angstig, “zie haar, de tovenaarster!”

Ronald antwoordt niet. Hij zag haar al. Ook hem ontglipte een zachte kreet. Met wijd opengesperde ogen keek hij omhoog. Daar stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.

Aan de rand van de afgrond zit zij en brengt haar goudblond golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en laat, niettegenstaande de duisternis en de verre afstand, haar bekoorlijkheid zien. Heimelijk verlangen straalt uit twee vochtige, grote ogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betoverende blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in de stille zomernacht.

Dan zwijgt zij.

In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe verschiet. Dan kijkt ze naar de stroom onder haar en een schitterend ogenpaar rust lang in de starre blik van de jongeling. Haar ogen lijken op een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.

Een lichte rilling gaat door het lichaam van de jongeling. Nog steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel bedwelmd leest hij daarop het tedere sprookje van de liefde. Rots, vloed, alles smelt met de grootse hemel samen, zijn oog ziet slechts haar aan de rotswand; slechts de blankheid van haar borsten, de saffieren van haar schitterende ogen. Te langzaam kruipt de bark door de vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij meent haar stem te horen, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.

Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in de stroom.-De oever wenkt.

“Lore!”

Een dodelijke gil weerklinkt en overstemt de kreet van de liefde. Klagend weerkaatst de echo het geluid door de rotsen.

De golven zuchtten en likten liefkozend het ongelukkige slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een kruis. Op dit ogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, deze keer treurig en als een zucht wegstervend, het spookachtig gezang van de Lorelei.

III

De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valse tovenaarster dood of levend bij hem te brengen. Op de namiddag van de volgenden dag zeilde een goed bemande boot de Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber kijkt het oog van de stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van de breedgeschouderde man te lezen. Hij had toestemming gevraagd de duivelse verleidster van de top van de rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood wachtte–want haar toverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan goedgekeurd.

IV

De eerste schaduwen van de schemering gleden schuchter over de slapende aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een van de aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte.

Een licht gouden wolk omhulde de top van de berg. De mannen dachten, dat dit het avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw omgaf, die juist aan de rand van de rots verscheen. Dromerig keek zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu nam zij het parelsnoer van haar borst en met welbehagen bevestigde de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over haar trekken.

“Wat zoeken de zwakke zonen van de aarde op deze hoogte?”
Verachtelijk plooiden zich haar volle lippen.

“Jij, tovenaarster!” schreeuwde de aanvoerder toornig en met een spottende lach voegde hij erbij: “Jou! Om je op de bodem van deze rivier te zien neerstorten.”

Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.

“O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!” riep de jonkvrouw uit. Ver over de afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, af en slingert het triomfantelijk in de stroom. Dan klinkt zegevierend van haar lippend het gezang:

“Vader, gezwind, gezwind!
Stuur de witte paarden aan uw kind!
Zij wil rijden op golven en wind!”

Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en sneeuwwit schuim bedekte de oever. En twee golven met schuimende koppen, lijkend op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemloze diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.

V.

Dodelijk verschrikt keerden de dienaren van de paltsgraaf terug en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.

Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan de oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van talloze mensen.

Vanaf die dag zag men de Lorelei nooit weer. Maar wanneer de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nerdaalt, en zijn stille gezellin, de bleke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over de groenachtig gouden vloed spant, dan klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stille warmen= zomernacht.

Zij verdween, de Lorelei, maar haar betovering bleef.

Meer

Er zijn heel wat illustraties, maar vele voldoen niet aan de beschrijving in deze sage, o.a. wat de haarkleur e.d. betreft.

Rudolf Steiner noemt de Lorelei in GA 57, voordracht 17 blz. 415
Niet vertaald

.

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

5e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas

.

3415-3213

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde 5e klas – Rijnsagen (1-1)

.

Wanneer in de 5e klas met aardrijkskunde buiten Nederland wordt begonnen, wordt logischerwijs voor de Rijn gekozen die, aansluitend bij de 4e klasstof, voor ons land buitengewoon belangrijk is.

Rond de Rijn zijn allerlei sagen ontstaan, waarvan de Lorelei wel de bekendste is.
Maar er zijn er meer. 

Nu het lezen onder druk staat, is het misschien een idee om deze sagen in een soort boekje te bundelen en (klassikaal) te lezen. Het boekje zou door de kinderen geïllustreerd kunnen worden.

ca. 15 min. verteltijd

Rond Bingen:

de muizentoren
.

Onder Bingen ligt midden in de Rijnstroom op een klein eiland een vesting in de vorm van een toren, de Muizentoren genaamd.
Sedert eeuwen is hieraan de naam van aartsbisschop Hatto uit Mainz verbonden.
Hij zou, zo werd beweerd, een vreselijke misdaad hebben begaan. In de hele Rijnstreek vond men hem een slecht mens en er werd met minachting over hem gesproken. 

Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mens moet hij geweest zijn, een wreed heer voor wie onder hem stonden en hem moesten gehoorzamen.
Hoge belastingen perste hij hun af, liet hen tol betalen en verzon talloze belastingen om aan zijn heers- en pronkzucht te voldoen.
Tussen Bingen en Rüdesheim liet hij in de Rijn de stevige toren bouwen en hief van alle schepen, die stroomaf voeren, tol.

Spoedig daarop mislukte de oogst in het land van de Main.

Droogte en hagel vernielden het toch al schaarse graan en de levensmiddelen werden nog duurder, omdat de aartsbisschop grote hoeveelheden graan op zijn zolder liet opslaan, die hij afsloot. 
De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen smeekten de wrede heer tevergeefs de prijs van het graan, dat hij op zijn zolders had, te laten dalen.
Zijn raadslieden drongen erop aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto bleef ongedaan, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid van de heerser verbittering teweegbrachten en er oproerige stemmen onder het volk, dat zo zwaar op de proef werd gesteld, hoorbaar werden, zette Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.

Op een drong een bedelende menigte jammerend het aartsbisschoppelijk paleis binnen en smeekte de aartsbisschop, die juist aan zijn overdadige maaltijd zat, om voedsel.
Hij had net tot zijn disgenoten op knorrige toon gezegd, dat het beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden.
Toen nu de in lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen en kinderen met holle ogen en bleke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden, kwam er plotseling een flikkering in zijn ogen.
Hij wenkte hen met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in een schuur voor de stad brengen, waar ze zoveel graan zouden krijgen als ze nodig hadden.
Vol blijdschap en van dank vervuld, haastten de ongelukkigen zich op weg; toen zij echter allen in de schuur waren, liet Hatto de deur sluiten en de schuur in brand steken.

Vreselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van de bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn.
De wrede Hatto riep echter spottend tot zijn getrouwen: “Hoor je de korenmuizen piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het niet waar is.”

Verschrikkelijk echter, trof hem de hemelse straf.
Uit de brandende schuur vluchtten horden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken en vielen zelfs de aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden talloze gulzige knagers verdelgden, werd hun aantal steeds groter en hun vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde de aartsbisschop, en daar hij een voorgevoel van Gods oordeel had, ontvluchtte hij per schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in dichte groepen na, en toen hij vol vertwijfeling de toltoren bereikte en dacht in de door water omgeven vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze muizenleger hem ook hierheen. De muizen knaagden met hun scherpe tanden gaten, waardoor ze in de toren konden komen en ze vonden hem al snel, ook al had hij zijn bed aan kettingen omhoog laten tillen. Ze vielen hem aan en hij werd levend opgevreten.

De afschuwelijke man heeft het niet overleefd. Men zegt dat hij uiteindelijk in volle wanhoop zijn ziel aan de duivel beloofde als deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het vuur van de hel tussenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en de ziel op de derde dag voor zich genomen hebben.

Het kan ook zijn dat ‘Muizentoren’ (ook) ontstaan is doordat de aartsbisschop de schepen die tol moesten betalen, liet doorzoeken. Dit ‘snuffelen’ heette toen ‘müsen’, dat wel op ‘Mäuse’ lijkt.
.


Hatto, aartsbisschop van Mainz. Uit de Kroniek van Neurenberg (1493). Hatto wordt afgebeeld terwijl hij levend wordt opgegeten door muizen, zoals beschreven in de legende van de Muizentoren.
Bron

Muizentoren - Wikipedia
De Muizentoren
Bron

.

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas

.

3413-3211

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e/6e klas – aardrijkskunde

.

In dit artikel over de aardrijkskunde in klas 6 wordt de Donau vaker genoemd. Volg je het motief van de west-oosttegenstelling dan kun je niet om deze rivier heen. Wat hieronder beschreven staat, kun je niet allemaal aan de kinderen vertellen. Het is meer bedoeld voor de leerkracht om een sfeerindruk te krijgen van deze machtige rivier.
Je kan de rivier al tekenend in het periodeschrift vastleggen, schetsend met de landen en belangrijke steden erbij.
Toen ik de periode gaf, stonden ons niet veel meer middelen ten dienste dan ‘vertellen’ en ‘tekenen’. Mooi natuurlijk, maar ook eenzijdig. Had ik een mooie documentaire over de Donau kunnen laten zien, ik zou die zeker gebruikt hebben. 
Nu bestaan ze wel, deze bijv. Maar persoonlijk vind ik die te vluchtig, te oppervlakkig.

de donau

Zijn naam klinkt als een sprookje in walstempo. De Donau is een frivole, muzikale rivier, zinnebeeld van Slavische charme en onbezorgde operette-romantiek. Maar hij herinnert ook aan bloedige invallen en onneembare citadellen. Voor het beschrijven van deze rivier, die zeven van de oudste naties van Europa doorstroomt, was niemand beter geschikt dan Paul Morand van de Académie Française.

Zijn kronkelend lint vormt de grootste rivier van Europa op de Wolga na. Maar terwijl de Wolga slechts door één land stroomt, doorkruist de Donau er zeven, zodat zijn loop een ware cursus in politieke aardrijkskunde vertegenwoordigt. Langs de Donau scharen zich talloze schoonheden – historische steden, natuurwonderen – vol tragiek en tegenstellingen. In Beieren schuimt hij als bier, terwijl hij in het oosten glad en rustig als olie voorbijstroomt. Hier is hij een beek, daar een meer, nu eens wild als de bergstroom waarlangs houtvlotten naar het dal geloodst worden, dan weer traag en moerassig, bijna te vergelijken met de rivieren die doodlopen in het zand en door de geologen zelfmoordrivieren worden genoemd.

De bakermat van Rijn, Rhöne en Donau liggen verhoudingsgewijs dicht bij elkaar, maar nauwelijks hebben de drie rivieren het levenslicht aanschouwd of ze gaan uit elkaar. Onmiddellijk na zijn geboorte keert de Donau het westen de rug toe. Zijn lot voltrekt zich in het oosten en hij eindigt zijn leven als rivier waar de zon het hare als hemellichaam begint.

Het Schwarzwald, met zijn grotten die tijdens de Dertigjarige Oorlog deserteurs tot schuilplaats dienden, zijn sparren die als guirlandes aandoen, de lariksen met hun fijne naalden, de als littekens uitgekerfde bronnen en de dikke grasmat die in de herfst zo sterk roodkleurt dat de naam ‘Rode Woud’ op zijn plaats zou zijn, vormt het vruchtvlies waarbinnen het grote kind trappelt voordat het ter wereld komt. In Donaueschingen, in een sparrenwoud voor het kasteel van de graven van Fürstenberg, verenigen een paar watervalletjes, blauw als aquamarijn, hun ijskoude druppels op de bodem van een stenen bekken met een groen geschilderde balustrade waarin de twaalf tekens van de dierenriem zijn uitgehakt. Dit is de oorspronkelijke bron en men kan het kasteel er alleen om benijden dat het achter zijn met smeedijzeren kandelaars verlichte rozenperken in de vorm van een eenvoudige slotgracht datgene bezit wat eens de Donau zal zijn. Boven het bronbekken troont een groot stenen vrouwebeeld, de verpersoonlijking van de Donau. In het nabijgelegen park ‘brengen dan Brigach en Breg de Donau op weg’, zoals men ter plaatse zegt.

Op zijn gemak kiest hij eerst de weg van de minste weerstand. Dat wil zeggen: hij verwijdert zich van het reusachtige waterreservoir de Boden See (die alleen de Rijn toebehoort) – het mooiste meer van Europa en een ware spiegel van wolken en sneeuw – waarvan hij door de glooiende heuvels van Baden gescheiden is. In Tuttlingen buigt de Donau, nu al krachtiger geworden, blauw als een stalen band en door zijriviertjes gevoed, abrupt naar het noorden voordat hij het in Baden-Württemberg gelegen Ulm bereikt, zijn eerste grote stad waar men van oudsher om zijn overgang gevochten heeft. Na Ulm volgt Regensburg. Hier doet de Donau zijn intrede in de historie, die hem in het vervolg overal te hulp zal roepen. Voor de Romeinse legioenen van Tiberius dient hij hetzelfde doel als de noordelijke muur van de limes. De naar Byzantium en Jeruzalem trekkende kruisvaarders volgen hem stroomafwaarts terwijl de horden van Avaren, Goten, Westgoten en Hunnen, de voorzaten der Hongaren, hem gebruiken om vanuit het oosten in het hart van Europa binnen te dringen.

In Donauwörth ziet men de eerste vierkante veerponten, die door de Duitsers ‘Donau-dozen’ worden genoemd.

Bij Regensburg, aan de samenloop van Regen en Naab, bereikt de Donau haar noordelijkste punt. Op de plaats waar de huidige stad ligt hadden de Romeinen zich reeds gevestigd. Regensburg is vooral bekend geworden als zetel van de Rijksdag, en later werd de stad door Napoleon op zijn veldtocht als verblijfplaats gebruikt.

In Regensburg begint dan ook de eerste lijnvaart. Regensburg is gelegen op de noordelijkste punt van de loop van de Donau, aan de samenvloeiing van de Regen en de Naab. De stad ligt op grond die rijk is aan historie: eerst Romeins legerkamp, dan zetel van de Rijksdag, toneel van de vrijages van Karei V en later hoofdkwartier van Napoleon, waar hij ’snachts zijn krijgsplannen beraamde. Het platform boven de Donau waarheen een trap leidt is het Walhalla, de Olympus van het noorden, door de Beierse koning Lodewijk I gewijd aan de grote mannen van Duitsland. Het is niet de enige herinnering aan de legendarische Nibe-lungen: ze zijn bij iedere bocht van de rivier aanwezig, de gehele Donau is hier Wagner-achtig. Zoals alles wat de naïeve Lodewijk van Beieren, neef van Lodewijk XVI en Marie Antoinette, gebouwd heeft, is dit Beierse pantheon een kopie van het Parthenon – en lijkt daarin op de glyptotheek en de pinacotheek in München. Dit alles gaat terug tot het jaar 1842, de tijd van het classicisme en de neogotiek, toen Lodewijk I in een wambuis van zwart fluweel, met gouden ketting en een bepluimde baret, in gezelschap van zijn schone geliefde, de danseres Lola Montez – een Ierse die uit Sevilla beweerde te komen en die hem uiteindelijk de troon zou kosten – langs de oever van de Donau wandelde. Het liefdespaar verzamelde hier stukken marmer om er het Walhalla achter hun bronzen poort mee te beleggen, waar de Walkuren in de dodenhal de vergulde Asen aankondigen. Dit Noorse heidendom, waar we tegenwoordig om glimlachen, werkte op de klerikale partij van Beieren als een rode lap op een stier, zodat München voor de revolutie van 1848 werd opgedeeld in ‘ultra-montanen’ en ‘lolamontanen’. Zou Lodewijk II van Beieren zijn hartstocht voor ‘oudduitse’ kastelen soms van deze grootvader geërfd hebben die zijn kleinzoon overigens verachtte vanwege zijn afkeer van vrouwen.

Steeds talrijker worden de grote steden en elk slaat zijn brug over de rivier, brengt de ontembare Donau onder zijn juk. Tussen Passau en Linz varen de schepen van de Beierse Lloyd. Onder de hangbrug van Passau vertoont het water als een vlag drie kleuren: met het water, groen als jade, van de gesmolten sneeuw vermengen zich het melkachtige water van de uit Tirol komende Inn en het blauwzwarte van de Ilz die uit Bohemen stamt. Dit alles speelt zich af rondom de oude burcht Oberhaus, die Napoleon met gemak veroverde.

Nu nadert de Donau Linz, de hoofdstad van Opper-Oostenrijk. Op het hoofdplein, dat afloopt naar de oever van de rivier en omgeven is door bouwvallige, eerbiedwaardige burgerhuizen met gevels in vakwerk, rijst de Drievuldigheidszuil op. Men heeft hem daar neergezet uit dankbaarheid voor het feit dat de stad voor de pest en de Turken gespaard is gebleven. De kerken, dommen, kloosters en gotische torens beginnen aan de horizon te wijken voor de uivormige torens die als voorboden aandoen van het orthodoxe Rusland en van de moskeeën. Tussen de Frans-Jozeftoren en de Jagermayr spoelt de Donau langs bochtige promenades, de torens van de stadswal van Maximiliaan en hellingen met kaarsrechte sparren. De talrijke, op steil oprijzende rotsen gebouwde en door een huid van naaldbomen of een pels van kastanjes omgeven ridderburchten zijn zo verheven dat hierbij vergeleken de beroemde kastelen langs de Rijn slechts brave Zwitserse chalets lijken. Hun torens rijzen in duizelingwekkende hoogte op boven ravijnen en watervallen en dreigend grijpen hun getande linnen in de horizon. Obernzell, zetel van de prins-bisschoppen van Passau, Viechtenstein, dat de grens tussen Beieren en Oostenrijk beheerst, de vestingen, waarvoor de beroemde maalstromen van de Donau als slotgracht dienen, Marsbachzell, met zijn toren, Wilherin, met zijn fraaie barokkerk, Niederwaldsee, waar Frans Jozef met zijn lievelingsdochter Valerie Kerstmis vierde, het oeroude Persenbeug, waar de hertog van Reichstadt zijn vakantie doorbracht, de indrukwekkende ruïnes van de feodale burcht Aggstein, Greinburg, de bakermat van het geslacht Saksen-Coburg, Krems, dat door Matthias Corvinus werd platgebrand, Tulln, het nog eerder dan Wenen gestichte Comagena van de Romeinse legioenen, en ten slotte Dürnstein, waar Richard Leeuwenhart werd gekerkerd.

Deze Richard I van Engeland had met zijn ziekelijke trots vóór Jaffa alle kruisvaarders tot zijn vijand gemaakt. In een uitbarsting van woede had hij zelfs het vaandel van de hertog van Oostenrijk met voeten getreden. Tijdens de terugkeer van zijn kruistocht strandde zijn schip tijdens een storm op de kust van Dalmatië. Aangezien hij onverwijld naar Londen wilde terugkeren, waar zijn broer Jan zonder Land met Filips Augustus tegen hem samenzweerde, besloot Richard Leeuwenhart onvoorzichtig genoeg de kortere landweg via Oostenrijk en Duitsland te nemen. Hij bereikte de Donau bij Dürnstein, waar hij in de dorpsherberg wilde overnachten. Hij had er geen enkel vermoeden van dat in de onmiddellijke nabijheid zijn vijand, de hertog van Oostenrijk, resideerde. Dit was een onverwachte gelegenheid om de schending van de Oostenrijkse vlag te wreken. De herberg werd omsingeld. Richard, gewaarschuwd, vermomde zich als koksmaat en vluchtte naar de keuken. De gerechtsdienaren betrapten hem toen hij aan het braadspit stond te draaien en herkenden hem onmiddellijk aan zijn buitengewone postuur. Richard werd in de burcht Dürnstein gevangengezet en moest een eerste losgeld van zestigduizend pond aan hertog Leopold betalen, die hem aan de keizer van Duitsland uitleverde. Ook die had met zijn voormalige medekruisvaarder een appeltje te schillen. Kosten: honderdduizend
goudmarken. De burgerij van Londen moest diep in de buidel tasten. Het oponthoud aan de Donau van hun doorluchtige koning was hen duur komen te staan.

Tussen de kastelen staan oude abdijen, die de opdracht hadden de Slaven te kerstenen en de Hunnen of Turken tegen te houden. Sommige zijn nog als vestingen gebouwd, andere zijn reeds barok van bouw, roze of amandelgroen, woonplaats van de cisterciënzers of zetel van Wagners goden, oude schuilplaatsen van de Hussieten – Spitz, Stein en dan Melk…

Het reusachtige klooster Melk, een verrukkelijk bouwwerk uit de barok, beheerst de ingang tot de Wachau. Het is de verblijfplaats van de trouwe onderdanen van de Nibelungenkoning, de talloze dwergen wier onderaardse arbeid het onderwerp vormt van de bekendste Germaanse sagenreeks.

Melk, het mooiste klooster aan de Donau, waar de Babenbergers resideerden, het eerste geslacht dat, lang voor de Habsburgers, over Oostenrijk regeerde. Melk op zijn rots aan de toegang tot de Wachau, met zijn terrassen hoog boven de rivier, de prelatenhof, de marmeren zaal, de benedictijnse bibliotheek, even schitterend als die van de Hofburg.

Wenen heeft in de loop van zijn historie voor de Donau niet de plaats ingeruimd die hem toekomt. Terwijl het hem eerst ten dienste heeft gemaakt aan zijn verdediging en vervolgens aan zijn economie en industrie, heeft het hem in zijn stadsplanning laakbaar veronachtzaamd. Het keert de rivier de rug toe, verkleint zijn terrein en breidt zich uit ten koste van de uiterwaarden. Ten tijde van de slag bij Wagram was de Donau nog een reeks eilanden en natuurlijke armen rijk die dienst deden als slotgrachten voor de toenmalige vestingwerken. Ook bestonden er bevloeiingsvelden en uiterwaarden. Na 1870 begon men de rivier in te dammen en er een kunstmatige bedding voor te bouwen. De Donau bij Wenen, zoals ik hem ooit gekend heb, was nog niet zo getemd als tegenwoordig. De zomeruitspanningen onder de wilgen op de eilanden liepen gevaar bij hoog water weggespoeld te worden. Ik was op een avond zo’n herberg binnengegaan om iets te drinken toen een van die koele Weense donderbuien losbarstte zoals die in de herfst dikwijls voorkomen. Plotseling blies een rukwind het blauwrood geruite tafelkleed weg en keerde de bladeren van de populieren om zodat men alleen nog hun witte onderkant zag. Geschrokken sprongen de dansers en de gasten die zaten te eten op de tafels, terwijl de muzikanten op het dak klauterden en, begeleid door het schreeuwen van de watervogels, onverdroten hun wijsjes uit de ‘Bettelstudent’ verder speelden.

Na de ‘Anschluss’ veranderde Wenen in een industriestad. Om de Donau in zijn natuurlijke omgeving te zien, moet men de Kahlenberg of de Leopoldsberg beklimmen die eens voor de belegeraars de sleutel tot de stad Wenen vormden. Vanaf het Wienerwald tot aan de eerste bergen van Bohemen kan de blik vrij rondzwerven over Wenen met zijn betoverende bosgordel, zijn Gansehaufel, een paradijs voor watersporters, zijn wijnbergen en de koepels van de Hofburg en de Belvédère waar de Stephansdom bovenuit steekt.

Sinds de Russen zich in 1955 terugtrokken varen er weer schepen tussen Wenen en Passau. Sinds 1968 kan men ook weer stroomafwaarts naar Boedapest en sinds 1970 over Servië, Roemenië en Bulgarije tot aan de Zwarte Zee varen. Over het water, dat de kleur heeft van de ‘Wiener Melange’, de Weense koffie met melk, en dat aanzwol door het water van de Inn, de Salzach, de Traun, de Enns, de Ybbs en de Wien, voer men eens tot in het zicht van de Schlossberg van de Hainburg, de oude romaanse burcht met de nog intact zijnde vestingmuren, die de toegang tot Hongarije beheerste. Nickelsdorf ligt reeds in het Burgenland waarom Wenen en Boedapest zo vaak gestreden hebben. Ten slotte moet er nog op een merkwaardig Weens gedenkteken gewezen worden dat gewijd is aan allen die in de Donau zijn verdronken.

Voordat de Donau de Hongaarse grens passeert, stroomt hij een stuk door Slowakije en beroert hij ter linkerzijde het aan de voet van de Kleine Karpaten gelegen Bratislava, het vroegere Pressburg. Even terug, in de Moravische Vlakte, aan de samenvloeiing met de March, ligt Deveny. Wat een alleraardigst welkom bereidde de hoofdstad van Slowakije ons toen we hem ten tijde van de Kleine Entente voor het eerst bezochten. De vlaggen van de geallieerden wapperden voor de tochtramen, de schepen leken op een gordel van witte schelpen rondom de Martinusdom en de gotische burcht, terwijl op de Grosse Schütt, het grootste riviereiland van Europa, de gebruinde badgasten wuifden naar ons jacht, dat onder de toen overal gerespecteerde vlag voer van de Europese, respectievelijk Internationale, Commissie.

Kort na Bratislava wordt de rechteroever van de Donau Hongaars. In Komorn, waar de wieg van Franz Lehar stond, verlaten we Slowakije. Mohacs ligt reeds in de poesta, de onafzienbare tarwezee. In de zomer is het hier zo heet dat de aarde de rivier zou opslurpen, ware het niet dat ze verse lafenis krijgt van de laatste uitlopers van de Alpen en de Karpaten – het water van de Leitha, de Drava, de Sava, de Tisza en de March. Na Györ, met zijn kathedraal die op een met muskaatwijngaarden begroeide heuvel troont, en Esztergom, de residentie van de primaat van Hongarije en de eerste voorpost van Boedapest, maakt de Donau samen met de rivierarm van de Kleine Donau een hoek van negentig graden om recht naar het zuiden verder te stromen. Nu zijn beide oevers Hongaars.

Boedapest maakt de indruk van een Turkse stad. De meeste Hongaarse monumenten en paleizen zijn pas in de 19de eeuw gebouwd, zoals bijvoorbeeld het beroemde parlementsgebouw, naar men zegt het grootste ter wereld, met een architectuur die herinnert aan het Parijs van het Tweede Keizerrijk.

Hij bereikt de stad bij het Margareteneiland en vloeit onder acht bruggen door. Op de rechteroever ligt Boeda met zijn oude citadel, op de linker Pest. Onvergetelijk was de Hongaarse zonsondergang toen de stoomboot aan de aanlegsteiger van het Eötvosplein afmeerde. Op de heuvel van Boeda werden langzamerhand overal de lichten ontstoken. De twee grote hotels op de oever, Dunapalata en Hungaria, de casino’s op het Margareteneiland en de lantaarns van de dagjesmensen op de stranden maken Pest tot de aanlokkelijkste stad van Europa. De gedempt over het water klinkende klanken van cimbalen, de nu eens driftige, dan weer weemoedig klinkende violen van de zigeuners vermengden zich romantisch met het kreunen van de om de bolders geslagen trossen.

Nu is de Donau weer wat hij in de tijd van de Turken was, ‘een krijgsweg’, en aan de voet van de Blockberg heeft Sint-Joris de draak overwonnen.

Zodra de rivier de bruggen achter zich heeft gelaten, worden zijn oevers even vlak als die van de Amazone. Schepen bevaren de stroom tussen Esztergom en Mohacs, de laatste grote stad in het zuiden van het land, toneel van de verschrikkelijke nederlaag tegen Süleyman, die Hongarije gedurende honderdvijftig jaar tot een Turkse provincie maakte.

Na zijn uitstapje in zuidelijke richting keert de Donau zich eindelijk oostwaarts en bereikt hij Servië. Nauwelijks heeft men geleerd ‘niets aan te geven’ in het Hongaars (Semmi elvamolni valóm mines) en in het Tsjechisch (Nemam nick procleni) te zeggen, of men moet het opeens in het Servisch leren.

In Kalemegdan, aan de samenvloeiing van de Sava en de Donau, keek ik tijdens mijn gedwongen oponthoud tussen twee zittingen van de Commissie in Belgrado, de saaiste hoofdstad van Europa, vanaf een terrasje urenlang naar de twee lange rivieren. Ze maakten op mij de indruk van strak gespannen touwen die gebruikt worden om straten af te zetten. Op de zeven heuvels, waarboven een half vervallen citadel uit torent, is Belgrado herbouwd in een stijl die in reisgidsen als ‘gedurfd modern’ wordt omschreven. Bezienswaardig zijn slechts zijn station en zijn reisbureaus, die kloosters, watervallen, Adriatische stranden en de vis- en weergaloze jachttochten aanprijzen waarom [het vroegere] Joegoslavië beroemd is. Men vraagt zich af hoe het kwam dat Kelten, Avaren, Slaven en Turken elkaar om het bezit van deze onaantrekkelijke stad afgeslacht hebben. Het antwoord is dat ze het slechts deden om toegang te krijgen tot de Donau.

Na zijn weg door Servië vormt de rivier nu de grens met Roemenië. Wantrouwig beloeren beide landen elkaar over het water heen. De Transsylvanische Alpen fronsen het voorhoofd bij het zien van de afwijzend aandoende Balkan.

Nadat de woeste rivier de engte van Kasan en de sombere IJzeren Poort in Servië heeft verlaten, wordt hij een zegen voor een van de vruchtbaarste vlakten ter wereld

De Donau begint te zigzaggen en maakt haakse sprongen als een vluchtende haas. Hij nadert het beroemdste ravijn van Europa, in de koelte waarvan draaikolken en stroomversnellingen hun rendez-vous houden en waar steile rotswanden zo dicht naar elkaar toe schuiven dat hij hier een diepte van tegen de 50 meter bereikt. Het is de grootste stroomversnelling van Europa, de laatste hindernis die de rivier in de weg staat, de laatste trede waarover hij zich naar beneden stort. Achttien uur heeft men nodig om per boot vanuit Belgrado hier te komen.

Men kan ook over de Ijzeren Poort heen vliegen. Vanuit het toestel geniet men een verrukkelijk vergezicht over zijn engten en breedten, kronkels en rondingen, bochten en diepten. Maar uit de hoogte gezien verliest de ingeklemde rivier reliëf. De verrassingen en de gevaren van de stroom zijn niet waarneembaar. Men verbaast zich pas werkelijk en steeds opnieuw als men het traject per boot aflegt (en reizen is zich verbazen, anders is een reis niet meer dan een verplaatsing).

Verrassend is vervolgens de wisselende breedte van het wateroppervlak. De ene keer – bij het Buffelbekken – is hij 300 meter breed en vlak daarop verwijdt hij zich tot 1000 meter. Nu eens reikt de blik tot aan de einder, dan weer waant men zich gevangen in een door de rotsen gevormde, hermetisch afgesloten ketel; maar plotseling wijken de steile wanden weer uit elkaar en maken ze op het laatste moment een doorvaart vrij waarin het water zo bruist dat men bang is dat het schip tegen de rots te pletter slaat zoals een slingerende auto tegen een muur. Met één beweging van het stuurrad echter is het gevaar geweken. En plotseling doemt in dit barbaarse landschap het fata morgana van een bazaar op: witte huisjes, minaretten, moskeeën, de ruïnes van een Osmaanse vesting. Het is het eilandje Ada-Kaleh, waarheen indertijd de Turken een goed heenkomen zochten en waar ze zich in vrede durfden vestigen.

Waar de Donau zijn weg door het ravijn begint (djendap in het Servisch), is hij nog Servisch-Hongaars; dan wordt hij Servisch-Roemeens en vervolgens Roemeens-Bulgaars. Aan deze vermenging van nationaliteiten stoort hij zich niet – het is niet de eerste die hij meemaakt. Golubac, met zijn reusachtige torens, de machtigste vesting aan de Donau en schildwacht van de IJzeren Poort, was eeuwenlang inzet van verbitterde gevechten. Romeinen, Hunnen, Turken, Serven, Hongaren, Oostenrijkers en Walachijers hebben elkaar hier wederzijds afgemaakt. Tussen 1337 en 1867 werd de stad elfmaal door de Turken ingenomen en weer door de christenen heroverd, waaraan men de strategische betekenis van de IJzeren Poort kan afmeten. De Donau stroomt door het lange ravijn. De rots van Bubajik karakteriseert de ingang tot een kleine Bosporus. Steile rotswanden, engten en bekkens tot aan Kladovo, waar de op twintig bogen rustende brug van Trajanus door Hadrianus verwoest werd, naar men zegt uit afgunst. De laatste Servische posten Mihalivac en Prahovo wijzen reeds op de nabijheid van Bulgarije. Om de gevaarlijkste stroomversnellingen te vermijden vaart de boot door het Sip Kanaal. Het decor van rotsen is verdwenen; hier begint de vlakte en daarmee de eentonigheid.

Nadat de Donau als overwinnaar in de strijd tussen water en rotsen uit de bus is gekomen, kan hij van het leven gaan genieten. Hij is nu een rivier die op een zee begint te lijken – even saai… Hier ligt het ‘Kleine Walachije’ (Oltenia), met zijn grote, bloeiende steden Turnu Severin en Craiova, de rijke tarwevlakte en het thuisland van de taaie Olteniër die ‘tweeëndertig kiezen bezat’. Traag stroomt de rivier in de richting van de Zwarte Zee, die reeds het slop van Europa werd genoemd. Het graniet van de Dobrogea op zijn rechteroever ontzegt hem elke toevoer; alleen van links, vanuit de Karpaten, voeden hem waterrijke, soms wilde, soms kalme, maar altijd vruchtbaarheid brengende zijrivieren, zoals de Jiu, de lieflijke Oltul, de Dambovita waaraan Boekarest ligt, de Argesul, de lange Siretul en de eindeloze Proet, die eens de grens met Rusland vormde. Vandaaruit drongen de legers van Catharina de Grote door tot bij Izmail, om de Balkan van het juk der ongelovigen te bevrijden. Daar bestormde de beroemde maarschalk Soevorov, wiens durf legendarisch is geworden, aan het hoofd van een handjevol kozakken en tegen de aanwijzingen van zijn hoogste bevelhebber in, de Turkse vesting, stak de kleine riviervloot van de Osmanen in brand en sabelde de Janitsaren neer van pasja Anduslu die had gezegd: ‘Eerder zal de Donau terugstromen dan dat ik me overgeef.

In de herfst van 1918 liet een andere grote strateeg, maarschalk Franchet d’Esperey, langs dezelfde route maar in omgekeerde richting, dus van zuid naar noord, zijn nieuw Frans Donauleger opmarcheren, dat uit Saloniki kwam en van de Frans-Roemeense troepen van generaal Berthelot versterking had gekregen. Terwijl de Duitse maarschalk Mackensen, verzwakt door het overlopen van de Tsjechische en Hongaarse soldaten naar de vijand, terugtrok, waagde Franchet d’Esperey tegen de bevelen in de oversteek van de Donau en trok tegen Wenen op.

Daar Europa zich bewust was van het gevaar dat het bedreigde wanneer het Rusland toestond zich meester te maken van de monding van de Donau, riep men onmiddellijk na de Krimoorlog de Europese Donau Commissie in het leven, die over de rivier en over het naleven van de internationale verdragen moest waken. De commissie was een onafhankelijk, fictief koninkrijkje met een eigen vlag, ouderwetse jachten, ambtenaren van alle nationaliteiten, een gouden standaard en veel vrije tijd die wij als leden benutten om te jagen op zilverreigers of lammergieren en in boten met vierkante zeilen op steur te vissen. In onze oude huizen in de stijl van Napoleon III stopten we ons vol met speenvarken en kaviaar. Men waande zich in Braila en Galati als in luilekkerland. Over dit alles is sindsdien de oorlog heen gewalst en Europa heeft deze diplomatieke voorpost evenzeer opgegeven als het gehele Oostblok.

Voorbij Galati splitst de Donau zich in drie armen die zich tot honderd kilometer van elkaar verwijderen. Ze monden uit in de Zwarte Zee, in de haventjes waar het graan van de Donaulanden wordt overgeslagen. Deze tak van handel is in handen van de daar wonende Grieken, die deze bezigheid al sinds de Oudheid uitoefenen. In de top van de driehoek liggen Sfintu Gheorghe, Sulina en Kilija; tussen deze plaatsen strekt zich de delta uit. Een uniek landschap dat op geen enkele andere delta lijkt – zelfs niet op de door Lawrence Durrell verheerlijkte Nijldelta – tijdloos en zo reusachtig dat men er een gehele provincie in onder zou kunnen brengen. De vissers in hun krokodilkleurige boten die men hier en daar ziet doen denken aan amfibieën uit de oertijd. Wonen ze er ook in? Nauwelijks, want waar is de vaste grond en waar het water? Noch de strandlopers, noch de drijvers van een watervliegtuig zouden hier een goede ondergrond vinden. Over duizenden hectaren, zo ver het oog reikt, strekken zich slechts van bloedzuigers vergeven eindeloze rietvlakten uit met bruine of violette pluimen die als zijde ritselen in de wind. Overal ruikt het naar karpers en uitwerpselen van vogels, een moerasrijk dat krioelt van de vissen en vogels van de meest uiteenlopende soorten. Hier leven de vraatzuchtige aalscholver, de Egyptische zilverreiger, de Skandinavische wilde eenden en de Siberische zwanen.

Maar ook de mens heeft geleerd zich dit landschap ten nutte te maken. Het reusachtige moerasgebied, de ‘balta’, is het vaderland van een volk van paalwoningbouwers: vluchtelingen die zich hier verscholen houden zoals eens de Venetiërs die voor de inval van de Goten vluchtten – dienstweigeraars die hun oproep trachten te ontlopen, Russische ‘Skoptzi’, die hun geloof tegen het nieuwe evangelie van Moskou verdedigen en zigeuners die sinds de 17de eeuw in deze omgeving kamperen. Ze varen voorbij in hun zwarte boten die aan gondels herinneren. Het zijn de ‘Lipovans’, de leveranciers van de Vilkov-kaviaar. Hun belangrijkste bezigheid bestaat uit het vangen van de ‘morun’ voor de markt van Vilkov. Dit is de exporthaven voor de kaviaar. een troosteloos, armzalig dorp dat leeft van deze kostbare lekkernij. Op grote tafels wordt de enorme vis, die zo blank is als een naakt vrouwenlichaam, levend opengesneden. De kaviaar wordt uit zijn ingewanden getrokken, ter plaatse ingezouten, in ronde metalen dozen gestopt en naar de hoofdsteden van het Westen verzonden. De tegenstelling tussen de wanstaltige, modderige, als uit de oertijd stammende wezens die hier jammerlijk te gronde gaan en de chique restaurants die verschrikkelijke prijzen vragen, wekt walging en woede op bij ieder die het ziet. We konden dit schouwspel niet langer verdragen en keerden terug naar ons jacht, waar onze chef-kok reeds een smakelijke visborsjtsj aan het bereiden was die slechts te vergelijken is met de Portugese bouillabaisse van Setubal. In verschillende pannen lagen rivierbarbelen, brasems en steuren opgestapeld, met graten, kieuwen, vinnen, vismelk en al, het geheel vermengd met papaprika-olie en geroosterde uien. Twee uur later waren daarvan nog slechts een paar kopjes bouillon over – een waar aftreksel van vis dat we over de van de eieren van waterhoen, snip en eend gebakken omeletten goten.

Bij de Zwarte Zee eindigt de Donau en zijn verhaal. Laat ons op de kaart nog een keer de schoonheid bewonderen van de grote rivier die daar ligt neergevleid als een naakte oosterse van Ingres. Om het Hongaarse Giurgiu te verbinden met het Bulgaarse Roese heeft men over de Donau een brug geslagen. Deze draagt de fraaie naam ‘Brug van de Vriendschap’… alleen mag niemand bij haar in de buurt komen.

Lengte: 2860 kilometer, de op een na langste rivier van Europa. (De Wolga is de langste ca. 3500 km)
Bron: De Donau ontstaat uit de samenloop van de Brigach en de Breg, twee beekjes in het Schwarzwald.
Na de samenvloeiing onder Donau-eschingen vormen de beide bronriviertjes de Donau (680 m boven de zeespiegel).
Monding: In de Zwarte Zee in de vorm van een delta, die 4000 km² beslaat, sterk begroeid is met riet en waar talrijke vogelsoorten (bijvoorbeeld pelikanen) wonen.
Doorstroomde en aangrenzende gebieden: Duitsland. Oostenrijk, Tsjechië Slowakije, Hongarije. Kroatië, Servië, Bulgarije, Roemenië en Oekraïne. Belangrijke zijrivieren: Iller (165 km), Lech (248 km), Isar (283 km), Inn (517 km), Traun (180 km), Drava (720 km). Sava (933 km), March (365 km). Tisza (997 km), Grote Morava (245 km na de samenloop van de westelijke en de zuidelijke Morava), Aluta (600 km). Sereth (700 km) en Proet (950 km). Stroomgebied: Vanaf het Schwarzwald tot aan de Zwarte Zee 817 000 vierkante kilometer.
Waterafvoer: In zijn bovenloop tot aan Ulm heeft het regime van de Donau het karakter van dat in een middelgebergte, mei maxima in voorjaar en herfst. Na het opnemen van de Alpenrivieren, in het bijzonder de Inn, krijgt de Donau het karakter van een rivier uit het hooggebergte, met de grootste waterafvoer in de maanden juni en juli. Dit karakter behoudt hij tot aan de Hongaarse grens. De
gemiddelde afvoer bedraagt bij Ulm 163 m³, sec., in Wenen 1875 m³/sec. en bij de monding 6300 m³/sec.
Hydro-elektrische centrales: Het theoretische waterkracht potentieel van de Donau wordt op 46.5 miljard kWh geschat. Bij de IJzeren Poort werd in 1972 de grootste centrale in Europt buiten de Sovjet-Unie in gebruik genomen door Joegoslavië en Roemenië samen gebouwd en met een capaciteit van 11 miljard kWh.
Verkeer: De Donau is sinds 1856 internationaal water. Vanaf Ulm is hij over 2580 kilometer bevaarbaar, vanaf Regensburg voor vrachtschepen tot 1300 ton. De mondingsarm bij Sulina is voor zeeschepen bevaarbaar.
Toerisme: cruises langs de steden.
Geschiedenis: In de 17de eeuw is de Donau de grote invalsweg naar Europa voor de uit het oosten binnendringende Hunnen, Tartaren, Mongolen en Turken. 1699: overwonnen door de Habsburgers trekken de Osmanen zich aan de overkant van de Donau terug. 1809: overwinning van de Napoleontische legers bij Wagram. 1945: de Russische strijdkrachten drijven de Duitse troepen terug in de Hongaarse laagvlakte.

.

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde

,

1577-1476

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – aardrijkskunde

.

polariteiten in europa

Mensvorming door aardrijkskunde (3)

Vóór in de loop van de 6e klas op een meer systematische manier de blik op de totale aarde gericht wordt (deel 1), moeten de kinderen naast Midden-Europa het hele werelddeel Europa hebben leren kennen. Dat betekent dat er in de 5e en 6e klas samen drie aardrijkskundeperioden moeten plaatsvinden, waarbij de Europaperiode zowel in de 5e als in de 6e kan.

Tegenstellingen in Europa

Bij de behandeling van Midden-Europa zal de leraar al veel landschappelijke tegenstellingen aan de orde hebben gesteld die hem nu helpen de blik van de kinderen op de grotere tegenstellingen van een heel werelddeel te richten. Opnieuw vraagt de leraar zich af hoe hij deze polariteiten leert kennen, vooral omdat hij bepaalde landen niet zelf heeft bezocht. Hier kan het boek ‘Vom Genius Eurpas‘ van Herbert Hahn een goede wegwijzer zijn. Hierbij gaat het niet alleen om uiterlijk zichtbare tegenstellingen, maar ook om preciezere verschillen. Die kom je op het spoor wanneer je onderzoekt wat het aandeel van de elementen aarde, water, lucht en licht evt. warmte in het landschap is. Ga je met dit gezichtspunt eerst van Midden-Europa naar het noordwesten en zuidoosten, kun je ervaren hoe in Nederland en verder naar Groot-Brittannië het element water groter wordt, terwijl in de Donaulanden in de bekkens die door de gebergten omsloten worden, de elementen aarde en warmte overheersen. In de Scandinavische landen kunnen we daarentegen een bijzonder samenspel van land en water waarnemen; het licht-warmte-element trekt zich daarentegen duidelijk terug. In Zuid-Europa heeft het warmte-lichtelement weer de overhand, ondanks de vele eilanden en schiereilanden; de directe invloed van het water is beperkt tot de smalle kunststroken.

Een noordwest-zuidoostpolariteit

Om onder een nieuw gezichtspunt aan te sluiten bij iets wat bekend is, kun je nog een keer – vanuit je herinnering – naar Nederland kijken, toen de leerlingen leerden kennen hoe de bevolking vertrouwd is met het water. De Rijn geeft in zijn loop voornamelijk de noordwestelijke richting aan en in het mondingsgebied treffen we de grote zeeschepen aan die naar Engeland gaan, die met hun reusachtige laadruimten de functie van een beweeglijke brug hebben waarover mensen, auto’s en handelswaren gaan. Het vaste land gaat a.h.w. over het water verder!
In Groot-Brittannië vertoont het waterelement zich heel anders dan in Nederland. Land en water grijpen zo in elkaar dat er geen plaats is die verder dan 100 km van zee ligt. Engeland, maar ook Schotland en Ierland liggen open voor de zee en de atmosfeer. Het weer wordt dus sterk beïnvloed door de zeelucht. het verandert snel. De weersgesteldheid slaat als de golven op de kust. De Golfstroom stroomt nog langs de Schotse kust, houdt sneeuw en vorst tegen en maakt het mogelijk dat op beschutte plaatsen subtropische planten groeien.

In West-Europa wordt de atmosfeer sterk door de vochtige zeelucht bepaald. Schotland, westkust.

In Zuid-Europa heerst droge warmte en verdort de vegetatie. Dolinen bij Cetinje (Montenegro)

Anders dan in Holland heeft het eigenlijke Engeland weliswaar tegenwoordig minder waterwegen, maar de kalklagen van de diepere bodem zijn eens in de zee gevormd. Daaromheen ligt in Cornwall, Wales, Ierland en Schotland oeroud rompgebergte, ouder dan alle bergen in Midden-Europa. Vooruitspringende stukken rots verdwijnen in zee, fjorden en meren (lochs) liggen in de dalen, waardoorheen rivieren langs watervallen en stroomversnellingen zich een weg banen naar de zee. Water en rotsen bepalen voor een groot deel het landschap van Noordwest-Europa.

Waarheen brengt de Donau ons, die bij de kinderen vanuit de vorige periode misschien als iets geheimzinnigs en vreemd in de herinnering achtergebleven is, wanneer deze uit Midden-Europa oostwaarts stroomt? Wat is kenmerkend voor de ‘Donaulanden’ van Zuidoost-Europa?

De Alpen, dit jonge plooiingsgebergte, houden in het oosten nog helemaal niet op, maar gaan over in losse bergketens met een eigen naam die als een slang naar het oosten schuifelt tot aan de ‘Zwarte Zee’ en ze omsluiten een uitgestrekt bekkenlandschap. Daardoor moet de Donau meer dan eens een omweg maken, zodat de loop steeds langer wordt. Het lijkt erop alsof de bergen haar van de zee vandaan willen houden en met de vochtige zeelucht tevens het waterelement verre van de bekkens. Daardoor ontstaat er een droog klimaat dat alleen ’s zomers warmte brengt.
Tegenover het ‘oceaan’klimaat van Noordwest-Europa staat het ‘continentale’ klimaat van de Donaulanden.
In deze Europese landschappen die zo verschillend zijn, plaatst de leraar nu het werk dat de mens verricht; hoe de Midden-Engelse industriegordel zich ontwikkelde tot het oudste gebied in de wereld met ‘zware industrie’ door de aanwezigheid van steenkool, hoe het houden van schapen ooit de basis is geworden voor de huidige textielindustrie zodat hier zoveel meer mensen wonen dan in Zuidoost-Europa. Want in de Donaulanden met de bergen die rijk zijn aan bos (Siebenbürgen heette ooit ‘transsylvanië’- het land aan de andere kant van het woud) hebben zich weliswaar vele volkeren zich gevestigd, worden er veel verschillende talen gesproken, maar economische activiteiten kwamen minder tot ontwikkeling. Dat is met voorbeelden ter vergelijking wel aan te tonen (paardenfokkerijen op de Hongaarse poesta’s – schapenteelt in de Schotse hooglanden; wijn in Tokaj – Schotse whisky-distilleerderijen enz.) Hier liggen aanknopingspunten voor wat in de 10e klas wordt behandeld.

De west-oostpolariteit

In een mildere variant vinden we de zojuist beschreven polariteit in de tegenstellingen tussen Frankrijk en België en het Europese Rusland weer terug. Het gebaar dat het landschap maakt is meer gesloten en ruimtelijk groter, waarbij het oceaankarakter van het ene en het continentale van het andere gebied blijft bewaard.
Frankrijk ligt – duidelijker dan Engeland rond het Londens bekken – rond het ruimtelijke grotere Parijsbekken, het Île de France, met naar buiten lopende lagen van afzettingsgesteente. Om de kern liggen ook hier aan de randen oude rompgebergten: Ardennen, Vogezen, Centraalmassief en Bretagne. Daarbij komen nog als een soort buitenkring de jonge ketens van de Alpen en de Pyreneën. Het waterelement is in dit eigenlijke West-Europa meer versluierd:  nog steeds is het klimaat vochtig, maar wat is Frankrijk al doortrokken met licht! Ook hier komen we het water tegen en wel in de vele kanalen die door de mens gegraven zijn, die met behulp van talloze sluizen zelfs door bergachtige streken lopen.

West-Europa (Frankrijk) water en licht zijn bepalend. Het Loiredal

Oost-Europa. Het licht-luchtelement boven het uitgestrekte Russische landschap. (Nowgorod)

Wat ons tegemoet kwam op de Hongaarse poesta’s aan vreemdsoortige verten, wel begrensd door bergen, gaat volkomen verloren op de Russische laagvlakte die veel meer waterstromen telt dan Hongarije. Bovendien zijn het water en het warmte-element niet zo belangrijk meer dan in West-Europa: in het noorden van Rusland is er permafrost, de winterkoude doet de havens aan de Oostzee en aan de Zwarte Zee meer dan eens bevriezen, de Wolga stroomt in de benedenloop door een zoutsteppe en mondt uit in een reusachtige zouten binnenzee, de Kasspische Zee. Het lucht-lichtelement echter vertoont zich in Rusland in een zachte atmosferische sfeer en het Russische woord voor ‘leven’ betekent mede ‘in het licht zijn’ (sswjétje). De Taiga is een woudgordel die wat haar karakter betreft zo nergens in Europa wordt gevonden; door de lössachtige zwarte aarde van de Oekraïne geeft de natuur deze streek een bijzondere vruchtbaarheid.
In deze omlijsting moet de leraar schetsen wat de mens in het westen en het oosten van Europa van zijn thuisland gemaakt heeft. Alleen de Franse kathedralen en de russisch-orthodoxe kerken al zijn zo verschillend en zijn de weerspiegeling van een verschillend religieus beleven. Je moet over de beide wereldsteden, Parijs en Moskou vertellen, het langzaam groter worden van de Franse steden vergelijken met de uit de grond gestampte industriesteden van de oude Sowjetunie, zeer zeker ook de arbeidsvoorwaarden voor de typische beroepen. Hierbij hoort ook het verschil in winning van de bodemschatten in de Belgische mijnstreek en in de toendra (Workuta). Dat er ook in Oost-Europa verschillende volkeren wonen die een eigen verleden hebben, mag juist in onze tijd niet onvermeld blijven.

Noord- en Zuid-Europa

Vanuit het hart van Europa strekken zich in noordelijke en zuidelijke richting schiereilanden uit: Scandiniavië naar de Noordelijke IJszee en daarmee naar een koudepool, ook al komt de Golfstroom nog tot het Kola-schiereiland en Moermansk een ijsvrije haven laat zijn; Spanje, Italië en Griekenland tot aan de verwarmde Middellandse Zee en tot aan Afrika, van tijd tot tijd liggen deze gebieden onder het woestijnzand dat daar vandaan komt .

Terwijl de drie zuidelijke schiereilanden duidelijk van elkaar gescheiden zijn, is de drieheid van Scandinavië compacter, het aarde-element is sterker. Voorbij de Oostzee met haar bochten dringt het waterelement echter ver door naar het oosten, naar het Ladogameer en het Onegameer. Het verzacht de strenge wintertemperaturen, want water heft klimaattegenstellingen op. Net zo wordt ook het Finse merengebied ten gevolge van de geringe hoogtepositie niet zo koud, terwijl het Noorse hooggebergte geen extreem lage temperaturen kent, omdat het zich helemaal in de richting uitstrekt van de warme westkust.
De oppervlakte van de aarde ziet er hier zo uit dat de tegenstellingen – zoals bij een organisme – vereffend worden.
Met het bespreken van Noord-Europa komen aan bij het geologisch oudste deel van ons werelddeel; bij Schotland kwamen we het al tegen. Over het nog geheel door het water bepaalde ‘bruggenland’ Denemarken met de eilanden voeren meer wegen naar Noorwegen, Zweden en Finland, waaronder de ‘vogeltrekroute’. De reis met het spoor (de oude naam ‘traject’ wordt nog gebruikt) is een bijzonder spannend hoofdstuk!
Bij het schetsen van de drie Scandinavische landen vind je vele verrassingen:

-het licht dat naar de pool toe in de loop van het jaar verandert: wat een sfeer wanneer boven de poolcirkel de zon in juni niet ondergaat en in december niet opkomt (Christiane Ritter: Eine Frau erlebt die Polarnacht)
-de drie formaties uit de ijstijden (fjorden in Noorwegen, tunneldalen in Zweden, het ‘land van de 1000 meren’ – Finland)
-het verschil in loef en lij van een berg (in Bergen (Noorwegen) regent het 13 maanden per jaar!)
-de tegenstelling van fjeld en flord en daartussen een echt ‘watervallandschap’; hoe passen de planten zich aan aan deze extreme toestanden?

Noord-Europa. Licht en kleur op een fjeld in Noorwegen.

De mens die in Noord-Europa woont, moet iets bijzonders presteren en de leerlingen ontmoeten nieuwe vormen van de arbeidswereld: zo trekken de Lappen met hun rendierkudden over de staatsgrenzen en laten zich moeilijk overhalen een vaste woonplaats te kiezen. Hout als grondstof wordt op verschillende manieren verwerkt.
Nog altijd bestaat het beroep van houtvlotter. Maar aan de benedenloop van de rivieren staan grote zagerijen en vele fabrieken waarin meubels, papier en cellulose worden gemaakt.
De natuur levert echter ook rijke ijzererstslagen (Kiruna), alleen, die liggen midden in het gebergte, zodat men twee ertswegen moest aanleggen om deze belangrijke grondstof te kunnen verschepen. (“Hoe gaat zo’n transport van erts in zijn werk?’, zouden de leerlingen willen weten).
Vaak zie je aan de oevers van een ford een reusachtig fabriekscomplex: in machtige buizen stort het water van de fjordenwand naar beneden het turbinehuis in en wekt elektriciteit op. Voor de fabriek lost een zeevrachtboot, die tot hier kon varen, zijn lading: een onopvallende bruine massa, bauxiet en op het fabrieksterrein vormen zich stapels aluminiumblokken. Noorwegen is een belangrijke producent van dit metaal, hoewel het alleen maar beschikt over waterkracht en arbeidskrachten.
Naast de oorspronkelijke beroepen heeft Scandinavië ook hoogontwikkelde techniek die overal in de steden eveneens van invloed is op het leven.

Zuid-Europa. Oude cultuur in een door en door zonnig landschap (Kreta)

In Zuid-Europa bevinden we ons in het jongste deel van ons werelddeel; het is doortrokken met jong plooiingsgebergte en actieve vulkanen laten zien dat de aarde daar nog leeft. De drie zuidelijke schiereilanden zijn duidelijk verschillend in hun vorm: van west naar oost worden ze fijner van vorm. Ook hier vinden we – zoals in Noord-Europa – de tendens dat de landmassa door het waterelement omspoeld wordt en er meer water binnendringt, maar zo dat het de continentale uitdroging tegengaat. De in de zomer vanuit Afrika aankomende ‘woestijntendens’ (het regent alleen in de winter) zou in het meer op het vaste land liggende Griekenland tot een vergaande uitdroging leiden, wanneer het niet in zoveel schiereilandjes en eilanden opgedeeld zou zijn.
Het compacte Spanje daarentegen is helemaal door de zee omringd, d.w.z. door vocht omgeven. – Met het stijgen van de dagelijkse zonneboog, wordt tegelijkertijd het lichtelement groter. Dat is van invloed op de landbouw, kenmerkend voor de olijfbomen en zuidvruchten als ook voor alle planten die een bepaalde droogte kunnen overleven, wanneer ze genoeg warmte en licht krijgen. Waar het ‘woestijnkarakter’ van de bodem te groot wordt, heeft de mens sinds heugenis verschillende vormen van kunstmatige bevloeiing ontwikkeld.
Bij de behandeling van het economisch leven van de mensen in Zuid-Europa staan heel andere activiteiten op de voorgrond dan in Scandinavië. Je moet de kinderen er ook op wijzen, dat de mensen hier al in de Griekse en Romeinse oudheid een hoge cultuur bezaten. Dat de huidige economische structuur onevenwichtig is en er een duidelijk verschil bestaat tussen arm en rijk, tussen dun- en dichtbevolkte streken, kan je makkelijk aangeven (Calabrië, Povlakte).

Wij zijn vanuit Midden-Europa straalvormig met de kinderen naar drie verschillende gebieden van Europa gegaan, waarbij we steeds weer verschillende tegenstellingen uitwerkten. Dan kan je nog verdiepen, wanneer je bijv. Noorwegen en Portugal als twee landen met elkaar vergelijkt die allebei door de natuur van het land aangewezen zijn op de zee en waarvan de bevolking deze uitdaging ook is aangegaan.

Als resultaat van de periode moeten de kinderen een indruk hebben gekregen van de bijzondere en veelvormige structuur van Europa wat betreft het landschap, de economie, de bevolking en de geschiedenis. Dat hierdoor ons werelddeel in vergelijking met de andere continenten zich op een bepaalde manier onderscheidt, wordt pas in de volgende jaren duidelijk.
.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst 7/8-1991

.

deel 1deel 2;  deel 4;  deel 5

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde

.

1575-1475

.

.

VRIJESCHOOL – 4e en 5e klas – aardrijkskunde

.
In een eerste bijdrage heeft Christoph Göpfert een exposé gegeven over het aardrijkskunde-onderwijs van klas 4 t/m 12, zoals dit gebaseerd is op aanwijzingen van Steiner, zijn basale vorm heeft gekregen.
In de volgende artikelen gaat Göpfert het leeprlan voor de afzonderlijke klassen na.
In onderstaand artikel gaat het voornamelijk over klas 4, met steeds verwijzingen naar klas 5.
Zijn voorbeelden zijn typisch Duits. Je zou de conclusie kunnen trekken dat je er voor je eigen Nederlandse onderwijs niets aan hebt. Maar dat is niet zo. De algemenere gezichtspunten gelden ook voor de Nederlandse leraar en de Nederlandse kinderen. Bovendien kunnen zijn voorbeelden een inspiratie zijn ze te ‘vertalen’ naar de Nederlandse situatie. Ik publiceer het artikel dus hier om je een indruk te geven van hoe je te werk kan gaan en het vinden van een eigen weg, is wel zo bevredigend.
In het Duits wordt voor aardrijkskunde in dit artikel ook het woord Heimatkunde gebruikt, dat wij vertalen in ‘heemkunde’ en dat geven wij in klas 3. Ik heb Heimatkunde dan ook steeds vertaald in aardrijkskunde waar mij dit aan de orde leek. Verder heb ik hier en daar een link of een opmerking geplaatst.

VAN HEEMKUNDE NAAR KENNIS VAN MIDDEN-EUROPA

mensvorming door aardrijkskunde (2)

Wie als leerkracht zijn eerste aardrijkskundepriode moet geven, staat voor een interessante opgave, m.n. wanneer hij niet uit de plaats komt, waar de school staat. Hij moet er dus rekening mee houden dat de kinderen meer van de streek weten dan hij. Maar dat kan een uitdaging betekenen die plaats waarvoor hij gekozen heeft, zijn werkplek, te leren kennen en hij zal eerst zelf op ontdekkingsreis moeten gaan. Wat hij zo ontdekt, zal zeker enthousiasmerend op zijn lessen werken.
Het uitgangspunt voor aardrijkskunde vormt natuurlijk de plaats waar de school staat met de directe omgeving, omdat de kinderen die allemaal kennen. Daaromheen liggen de woonplaatsen van de leerlingen die een veelvoud aan aardrijkskundige plaatsen oplevert die alle met een ‘school’weg met de school zijn verbonden. Het kleine kind ervaart zijn leefruimte al heel precies: hij kent de straat waarin hij woont, de school die soms niet te voet te bereiken valt, misschien ook een winkelcentrum. Meestal wordt de weg met de auto afgelegd en daardoor ontstaan er ‘lege’ stukken waar het kind nog geen weet van heeft. De aardrijkskunde heeft dus wel een eerste taak: van de aparte bekende plaatsen een gesloten ruimtelijke voorstelling te maken.

Rudolf Steiner hechtte aan dit oriënteren in de omgeving veel waarde. Hij gaf heel concrete aanwijzingen hoe je in de eerste aardrijkskundeperiode al eenvoudige kaarten kan tekenen en daarbij zelfs al bepaalde symbolen moet gebruiken. Dat vraagt van de kinderen al meteen een eerste proces van abstraheren, want het moet, hoe de straat eruit ziet, de huizen, het water, veranderen in het perspectief van een vliegende vogel en ze mogen eigenlijk niet meer als kleine voorstellingen op de kaart geschets worden. Wellicht helpt het om een toren te beklimmen of een ander hoog punt in de buurt van de school.

het oriënteren in de ruimte vanuit het lokaal

Het oriënteren in de ruimte kan in de klas beginnen: door het raam volg je de zonnebaan en daarmee bepaal je de windrichtingen
(zie op deze blog [4])
De plaats van het lokaal in het schoolgebouw moet bepaald worden. Voor de eerste keer doet zich nu het probleem van de afstand voor en hoe je die op een plattegrond overbrengt. Van de individuele stappen van het kind kun je langzamerhand overgaan naar de met een objectieve maat gemeten afstanden.
(zie op deze blog [9] )
Misschien ook door de vraag: ‘Hoe lang loop je van school naar…..?
In de omgeving van de school is veel te ontdekken! Natuurlijk kun je niet steeds de omgeving in, maar je kan de kinderen wel laten vertellen over wat zíj zien op weg naar school of als ze in de omgeving ergens spelen. Eerst gaat erom je alles voor te stellen. En dan kun je daaruit op het bord een kaart laten ontstaan. Voor iedere school is het weer anders. Daarom twee voorbeelden:
1. In Krefeld vertellen de vierdeklassers over het plateauvlakke land rond de school waar je zo lekker fietsen kan. Het loopt oostelijk naar de Rijn en bestaat uit kiezel en zand. Door verder te vragen blijkt echter dat deze ‘lage terrassen’ merkwaardig in de lengte lopende diepten vertonen die als een rivier meanderen. In een paar ervan liggen volkstuintjes, in andere plassen. Al gauw komen de kinderen erop dat hier eens de Rijn gestroomd heeft: het zijn oude Rijnarmen!
Je kan vragen stellen over de hoofdstraat in de stad en van waar tot waar die loopt, naar oudere en nieuwere gebouwen. Langzamerhand ontstaat er een rijk beeld van het wonen rondom de school: een middeleeuwse burcht met de erbij behorende ommuurde stadsdelen, een vissersplaats, nu bijna verdrongen door de chemische industrie en ten slotte het pas later ontstane Krefeld met een plattegrond als een schaakbord. Zo ontwikkel je met de kinderen eerst grofweg een beeld van de uitbreiding van hun woonplaats en de verkeerswegen in de omstreken: straten, het spoor, de snelweg – en in ons geval de Rijn met de hoge bruggen. De verder gelegen omgeving, die de kinderen al kennen door de uitstapjes met het gezin en waarvan het natuurlandschap weer anders is dan dat waar de school staat, moet al gauw in de periode ter sprake komen. Voor Krefeld betekent dat de hogere, d.w.z. de oudere rivierterrassen, de moreneheuvels uit de ijstijd en de ondergrondse steenkoolbergen die zich van het Ruhrgebeid tot de linker Rijn uitstrekken. Dit soort tegenstellingen in het landschap geven de leerkracht de gelegenheid de eerste, zij het op het niveau van de kinderen, te vertellen over de kracht van de natuur die de leefwereld van de kinderen gevormd heeft.

2. Op de school in Hamburg-Bergstedt wordt de heemkunde natuurlijk betrokken op Hamburg en omstreken, maar begint ook weer met de plaats waar de school staat, aan een laan tussen twee dorpskernen, opgenomen door het eindmorenelandschap van de laatste ijstijd; daar zijn de grote zwerfkeien in de zandbodem blijven liggen die in de oude dorpskerk ingebouwd zijn. Het dichtbij gelegen dal van de Alster, diep doorsneden en met meerdere oude sluizen, is leidraad voor het vervolg van de les, want die loopt van Schleswig-Holstein via de binnenstad van Hamburg naar de Elbe. Op die manier kan je de ‘sprong’ van de randpositie van de school naar het centrum van de woonplaats voltrekken, daarvan ook stukjes lopen. Om het stadcentrum van Hamburg te bespreken, zijn er genoeg spannende thema’s die begrijpelijk kunnen maken hoe de grote stad van nu is ontstaan: de nog maar pas geleden uitgegraven fundamenten van de oude Middeleeuse dom, de opgestuwde Alster (rivier), het stadhuis en de beurs, de eerste, kleine haven, de resten van de stadsmuren, de huidige wereldhaven, de bruggen over de Elbe en de Elbetunnel.

Steeds moet je als leerkracht voor ogen houden dat het in de aardrijkskunde, zoals in iedere aardrijkskundeperiode om de huidige omstandigheden gaat, niet om een historische beschouwing. Dat geldt ook, wanneer je – zoals Steiner uitlegt (zie deel 1) – in de eerste jaren van het aardrijkskundeonderwijs de economische omstandigheden van een gebied moet bespreken. In de heemkunde gaat het er dus om de vierdeklassers vertrouwd te maken met het economisch leven van de plaats waar ze wonen.

Het economisch leven van de woonplaats

Als opstapje hiervoor kun je vragen naar het beroep van de ouders, naar wat de kinderen onderweg zien aan beroepswerkzaamheden. Daarbij zul je zelden nog ‘oer’beroepen tegenkomen, zoals boer en ambachtsman, veel eerder op de moderne beroepen, die bijv. met ‘verkeer’ te maken hebben (daar horen ook de tankstations bij), de verschillende winkels en vooral met handel en industrie. De kinderen zullen vanuit de huiselijke omgeving soms kleine bedrijfjes kennen, de een of andere fabriek, kantoorgebouwen. De leerkracht moet een weg vinden hoe hij de 10-jarigen een aanschouwelijke voorstelling geeft van de werkzaamheden die in die gebouwen plaatsvinden. Hij moet niet doen alsof de omgeving van de kinderen nog zo is als in 1919, toen R.Steiner zijn methodisch-didactische aanwijzingen gaf.
Veel van wat de kinderen vertellen zal onvolledig zijn of verkeerd begrepen; wat niet van belang is naast wat er wél toedoet. Dan moet je als leraar ordenen en schiften en dan vertellend een beeld van het bijzondere karakter van de huiselijke omgeving schetsen, waarbij de economische activiteiten een bijzondere nadruk krijgen. Straatnamen die de herinnering oproepen aan oude beroepen (touwslagersweg, klokkengietersmuur, bleekveld), zijn voor de voorstelling van de kinderen een hulpmiddel en verhalen tegelijkertijd over het verleden van de stad. Dat is een bijzonder boeiend hoofdstuk dat door de leerkracht wél gevolgd moet worden tot aan de huidige omstandigheden. Daarbij moet je het begrip ‘huiselijk’ niet te klein nemen: de hele omgeving hoort erbij, vooral, zoals in het geval van Krefeld en Hamburg een rivier een natuurlijke verbinding schept. Daarmee gaat meteen een deur open waar je doorheen gaat met de volgende klas op weg van de thuisomgeving naar Midden-Europa.
Rudolf Steiner hechtte er veel belang aan dat er in de aardrijkskunde meteen kaarten werden getekend. Dat moet de leraar om het op het bord te zetteb, goed voorbereiden, want in de 4e klas gebruik je geen wandkaarten en atlassen. Aan thema’s voor het tekenen van een kaart geen gebrek: naast het schoolterrein kunnen ook de weg van huis naar school getekend worden, de stadswijk waarin de school ligt, met de economische bedrijvigheid, het historische en het moderne stadscentrum enz. Rivieren en bossen in de omgeving maken een goede oriëntering mogelijk, evenals verkeerswegen. Natuurlijk wel allemaal wat algemeen en vereenvoudigd. Ook hoe de gebouwen eruit zien of (vanuit de fantasie van de kinderen) hoe het historisch gezien toeging. Door dergelijke en andere praktische activiteiten leggen de kinderen vanuit hun wil een verbinding met de aardrijkskundestof.

De uitbreiding van de aardrijkskunde naar Midden-Europa

In oudere aardrijkskundige leerboeken wordt voor de aardrijkskunde de volgorde aangehouden: plaatselijke omgeving, Duitsland, Europa, overige werelddelen; de aanpak verloopt dus in concentrische cirkels. Omdat de vrijeschool de afschaffing van het leren kennen van landen afwijst vanuit menskundige achtergronden, zoals dat nu* aanbevolen wordt ten gunste van een analyse van afzonderlijke bestaansfuncties die ervoor in de plaats moet komen, houden veel klasseleerkrachten zich aan de genoemde volgorde. Dat houdt het gevaar in dat men de kinderen te vroeg went aan denken in staatsgrenzen, omdat je als leerkracht dan je stof inricht naar die landen. Dat vind je bij Steiner niet! Veel meer vind je bij hem de thematiek van de eerste aardrijkskundeklassen in de economische activiteit in bepaalde gebieden en dat is iets wat boven de staten uitgaat.
Zo zal dus de tweede aardrijkskundeperiode, d.w.z. die van de vijfde klas, niet met Duitsland, maar met Midden-Europa beginnen. De leerkracht moet dus eerst zelf een begrip ontwikkelen van Midden-Europa. Daarbij zal hij dan Bohemen als het natuurlijke midden van Europa samen nemen met Oosternrijk, Zwitserland en – aan de randen – Polen en Nederland. Pas dan kan er voor de kinderen een veelzijdig beeld ontstaan van een veel groter gebied dan de huiselijke omgeving met heel andere levensomstandigheden.
Afhankelijk van de plaats waar de school staat, d.w.z. wat in de 4e klas als aardrijkskunde besproken werd, zal de weg naar Midden-Europa een andere zijn. Maar steeds zal je aan een rivier houvast hebben, want die brengt je naar Midden-Europa. Wij blijven bij onze voorbeelden!

Ontdekkingsreizen over rivieren en langs de kust

Vanuit zo’n havenstad als Hamburg (ook Magdeburg en Dresden zouden kunnen) maak je met de kinderen al vertellend, stroomaf- en opwaarts, economische ontdekkingsreizen: vanuit Hamburg de Elbe stroomopwaarts vind je marsland en geestgrond met verschillende landbouw, je komt bij eilanden en (Duits heeft)Hallingen: uit kwelders ontstane eilandjes van de Noordzeekust (die niet hetzelfde zijn!) Tegengesteld daaraan is de Oostzeekust met de oude hanzestadjes en het Noordoostzeekanaal is fascinerend door de reusachtige sluizen. Eerst moet je steeds schetsen hoe het landschap eruit ziet en hoe het ontstaan is, dan op de beroepen ingaan die daar konden ontstaan: de boeren op de mars- en geestgronden, de vissers en andere beroepen van de scheepvaart, de toeristenindustrie, maar ook de moderne aardolie-industrie.
Stroomopwaarts bereik je de nieuwe landen van de bondsrepubliek (de eenheid van de beide Duitslanden was nog maar net hersteld) met het zwaar getekende landschap: de Leipziger Bucht met de meedogenloze bruinkool- en kalizoutmijnen, het oude Saksische industriegebied met het Ertsgebergte, het Thüringer Becken und ten slotte Bohemen, zo rijk aan geschiedenis met de hoofdstad Praag. In het Elbezandsteengebergte is een excursie mogelijk over een bijzondere bergformatie. De bespreking van deze door waneconomie getroffen gebieden moet op een tactische manier gebeuren, zodat er in het kind geen gevoel van troosteloosheid ontstaat. Aan de andere kant kun je je ogen hiervoor niet sluiten. Er voor het eerst op wijzen dat de weg van het communisme geen vruchtbare was, is misschien op z’n plaats. Met het oog op de historische rol die de gebieden hebben gespeeld, is er veel opbouwends te vertellen over de kunstschatten, het natuurschoon.
Wanneer je Polen (en daarmee Oost-Europa) bij je behandeling wil betrekken, kan dat heel organisch als je de Oostzeekust tot aan de Danziger bocht volgt tot de landtongen. Het Poolse laagland verschijnt dan als een grote ruimtelijke voortzetting van de Noordduitse laagvlakte met de Oder en de Weichsel als nog twee grote stromen, vergelijkbaar met de Elbe, maar wel met een heel eigen karakter. Ook de Sudeten als zuidelijk grensgebied van Polen kennen de kinderen al door de bespreking van Bohemen. Op deze manier kan een overzicht in vogelvlucht van Polen de basis vormen voor een latere bespreking van Oos- en Zuidoost-Europa.

Van de zee tot in het hooggebergte

Wanneer de school in een plaats staat die in het stroomgebied van de Rijn ligt, houdt de stap van de aardrijkskunde naar Midden-Europa grotere tegenstellingen in, want er wordt een ruimte overbrugd van de zee tot in het hooggebergte. Als het vertrekpunt bijv. in het Ruhrgebied ligt (Krefeld), kan de economie ervan en de bevolkingsdichtheid een eerste thema over Midden-Europa zijn waarbij de omschakeling van het werk in de bergen naar nieuwe industrieën natuurlijk besproken moet worden. Hier moet de leerkracht aanschouwelijk vertellen over het werken in de eerste kolenmijnen en over de lopende band bij Opel; tegelijkertijd is dat een stukje economische geschiedenis.
Stroomafwaarts ligt Nederland voor de deur dat met het Ruhrgebied economisch nauw verbonden is en de belangrijkste poort voor de wereldhandel naar Midden-Europa. Het Hollandse landschap met het samengaan van land en water, de kanalen, de grachten, de bruggen en tunnels, de grote inpolderingen, de kleurig gemengde bevolking, laat een bijzonder aspect van Midden-Europa zien waarover veel te vertellen is. In een stad als Leiden, Amsterdam of Rotterdam leren de kinderen een type stad kennen die heel verschillend is van hun eigen woonplaats.
Met de Rijn stroomopwaarts vinden we verschillende vormen van het middengebergte: de veel voorkomende vulkanen in de hoogvlakte van het leisteengebergte van de Rijn, de diep ingeslepen dalen, de ruïnes van burchten die getuige zijn van een roemrucht verleden, de wijnbouw langs de zonnige hellingen. De zeer afwisselende loop van de Moezel en de Saar met hun klassieke meanders brengen ons stroomopwaarts in de industriegebieden van Lotharingen en het Saarland. Onderweg hebben we in Trier de andersgevormde bouwwerken van de Romeinen gezien die het onderwerp vormen van een geschiedenisperiode. Hier heb je nu bijv. een punt waarbij je de verbinding van de aardrijkskunde naar een ander vak kan leggen.
Zuidelijk van de Main treffen we weer andersgevormde middengebergten aan waarvan de rode zandsteen op het graniet rust waarin vele kristallen schitteren. In de mineralogieperiode van de 6e klas wordt verder uiteengezt wat hier maar even aangestipt wordt. Weer als een heel ander gebied verschijnt voor ons: de Bovenrijnselaagvlakte tussen het Zwarte Woud en de Vogezen, door heel bijzondere processen ontstaan, gezegend met een bijzonder klimaat (de lente begint vier weken eerder dan in het hoge Zwarte Woud) en door de mensen intensief gebruikt (wijn- en fruitbouw langs de wijn- en bergstraten). Het Rijndal laat ook zien hoe een dal verkeer aantrekt, wat een ‘verkeersader’ is. Naast de spoorlijn en de autoweg is vooral de moderne rijnscheepvaart interessant die als gevolg van het ingrijpen van de mens (de bochten eruit, zijkanalen enz) nu wel tot aan Bazel kan komen. Een verhaal hoe je als kapitein op een moderne duwboot leeft, mag niet ontbreken. Dat door de chemiegiganten en door het zakken van de grondwaterspiegel zich ook problemen voordoen, mag niet ongenoemd blijven.
In een derde middengebergtelandschap kunnen – afhankelijk van wat de leerkracht aan stof uitzoekt – de zijrivieren van de Rijn, de Main en Neckar ons naar het gelaagde afzettingsgesteente van Franken (Haut-Rhin) en Württemberg brengen. Over grotten, onderaardse rivieren, kastelen, kloosters en het vlees uit Zwaben (Duits Schwaben) kan verteld worden.

Wanneer we met de kinderen ten slotte via Bazel de Rijn naar zijn bron vervolgen, komen we nog langs opmerkelijke plaatsen: de waterval van Schaffhausen, het Bodenmeer dat zo groot is dat die de ‘Zwabische zee’ genoemd wordt en de Alpenrijn die middenin de met sneeuwbedekte bergreuzen ontspringt. Wanneer je een bergwandeling beschrijft, kan je de kinderen kennis laten maken met dit ‘plooiingsgebergte’, met de gletsjers en wat die doen bij het vormen van dalen en meren en je gaat weer in op de leefomstandigheden van de mensen daar. Je moet niet blijven stilstaan bij het leven op de alm, maar ook de toeristen, de elektriciteitswinning en de grandisoe verkeersbouwwerken (keertunnels van het spoor, kabelbanen) erbij betrekken. Wanneer je de behandeling over de Alpen uitstrekt, kun je ook veel waarnemen aan het reliëf, je kan hoogteverschillen laten vaststellen een opdracht waaraan Steiner een bepaald belang hecht (vgl. deel 1)

Met de kennis gevoelens verbinden!

Aardrijkskunde geven in het ‘midden van de kindertijd’ – en daar hoort de 5e klas bij – betekent de kinderen een schat aan feitenkennis bij brengen die volledig verzadigd moet zijn met belevingen. De leerlingen een deel van de wereld leren kennen, maar zo dat met de feiten gevoelens verbonden zijn. De samenhang van oorzaak en gevolg blijft nog achterwege. Natuurlijk moet de leerkracht exemplarisch werken, moet een keuze maken uit de hierboven genoemde voorbeelden, accenten leggen. Aan de andere kant moet hij ook een bepaalde topografische kennis van Midden-Europa aanleggen, dat willen de vijfdeklassers ook graag. Daarvoor wordt op een bepaald ogenblik in de periode de wandkaart geïntroduceerd en wellicht de atlas waarin de kinderen graag op ‘ontdekkingsreis’ gaan. Aan het eind van de periode moet er bij de kinderen een innerlijk beeld van Midden-Europa ontstaan zijn met zijn driedeling in laagland, midden- en hooggebergte, met daarin als kamertjes de kleinere gebieden die door het landschap en de bevolking alle een heel eigen uitstraling hebben. In het Fichtelgebergte heb je het eigenlijke middelpunt van Europa voor je.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst jrg. 55-5-1991

.

deel 1   deel 3  deel 4   deel 5

Aardrijkskunde 4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

.

1561-1461

.

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – overzicht klas 4 t/m 12

.

MENSVORMING DOOR AARDRIJKSKUNDE

mogelijkheden van een miskend vak

De politiek-maatschappelijke omwenteling die we vandaag op aarde doormaken, gaat ook aan de kinderen niet voorbij en dat moet ook niet. Alleen daarom al komt het aardrijkskunde-onderwijs tegenwoordig een belangrijkere plaats toe dan wellicht vroeger, want het kind moet door school de wereld leren kennen en de jongeren moeten als ‘tijdgenoten’ hun intrede doen in het leven.
Aan de andere kant staan de opgroeiende jongeren nu bloot aan meer bedreigingen vanuit de maatschappij die een harmonische ontwikkeling zwaarder maken. De fasen waar ze doorheen gaan vanaf de schoolrijpheid tot aan het volwassen worden, zijn er om in ieder van hen bepaalde vaardigheden te ontwikkelen. De ontmoeting met hoe het in de wereld is, die van het 10e tot het 12e jaar nog vol zit met gevoelsmatige gewaarwordingen, nog niet logisch verklaard, roept in het beleven van het kind allerlei gevoelskwaliteiten op die aan de mens die later gaat oordelen, menselijke warmte geven. Wanneer er daarentegen door bepaalde verschijnselen in onze cultuur of door pedagogisch verkeerde inschattingen door de volwassene een vervroegd oorzaak-en-gevolgdenken in het kind opgeroepen wordt (wat men ‘vervroeging’ noemt), leidt dit tot een verarming van deze gevoelskracht.
Tegen deze achtergrond zijn de aanwijzingen van Rudolf Steiner voor het belang van de aardrijkskunde als een centraal vak bijzonder actueel. Het leerplan dat daaruit is ontstaan, is een voorbeeld voor de manier waarop Steiner de lesstof als een impuls voor of een harmonisering van de ontwikkeling van het kind, gekozen heeft.

De opbouw van het aardrijkskundeleerplan

Voor de leerkracht die aardrijkskunde moet geven, is het allereerst belangrijk dat deze zich bewust wordt van zijn eigen visie op de aarde: is deze voor hem uiteindelijk het resultaat van fysisch-chemische processen of kan hij deze als een organisme zien dat zich ontwikkelt volgens bepaalde levenswetmatigheden? Alleen het laatste maakt de werking van het aardrijkskunde-onderwijs mogelijk, waar Steiner op hoopte.
Heel algemeen kan aardrijkskunde ervoor zorgen – aldus Rudolf Steiner, maar je kan het ook direct zelf waarnemen -, dat een klas levendiger wordt, dat er andere vaardigheden bij de leerlingen naar boven komen dan die je tot nog toe kende.¹). Dat hangt samen met het feit dat door de aardrijkskunde een verbinding ontstaat tussen het leven van het kind en het leven op aarde en dat het kind op deze manier in de loop van de schooljaren de meest verschillende uitingen van menselijk leven leert kennen.²) Dat zorgt ook voor een bepaalde harmonie met de andere lesstof, omdat je vanuit alle mogelijke vakken lijntjes naar de aardrijkskunde kan trekken, anderzijds kan je ook in de aardrijskundeperioden op vragen komen die dan weer in een ander vak verder behandeld worden (biologie, geschiedenis, rekenen, enz.) Het komt erg op de fantasie van de leerkracht aan hoe hij dat organiseert.³)

De belangstelling voor de wereld die door het aardrijkskunde-onderwijs gewekt moet worden, heeft echter nog een diepere werking dan alleen maar het verruimen van het blikveld.
In de eerste plaats geeft het aan het kind levensmoed. Omdat het het ‘naast elkaar in de ruimte’ leert kennen, staat het – volgens Steiner – liefdevoller t.o.v. zijn medemens, d.w.z. dat aardrijkskunde ook een morele kant heeft.
In Steiners tijd kwam er op het lesrooster van de gewone school steeds minder aardrijkskunde voor en nu is het zover dat voor bepaalde leerjaren het vak verdwenen is en ‘dat betekent niets anders dan een aversie tegen de naastenliefde die zich in onze tijd steeds verder terug moest laten dringen.’ 4) In de methodische uitvoering van het onderwijs heeft de leerkracht echter ook mogelijkheden om het ontwikkelingsproces van het kind of van een klas te sturen; hij kan er in zekere zin mee fluctueren. Want alles wat de ziel van het kind aanspreekt, dus het beschouwelijke deel van de les, het schilderachtig beschrijven van andere landen, verhindert dat het Ik van het kind te sterk of te vroeg doordringt in zijn lichaam, door de rest van zijn organisme ‘opgezogen’ wordt, d.w.z. te snel psychisch verhardt. Zo zal de leerkracht dus bij dergelijke beschrijvingen bepaalde leerlingen in het bijzonder op het oog hebben, hun wellicht ook specifieke opdrachten geven.
Het tegenovergestelde bereikt de leerkracht wanneer hij feiten in zijn onderwijs meedeelt, bijv. de hoogtes van verschillende bergtoppen of zeediepten of de vorm van een werelddeel als een wiskundige vorm door de leerlingen laat uitwerken. Dan komt er een meer ‘ideëel element’ (Steiner) in de les, wat het Ik in het organisme trekt en dromende kinderen wakker maakt.

van de economische naar de culturele beschouwing van gebieden op aarde (klas 4 – 8) 

Het eigenlijke aardrijkskunde-onderwijs begint in de 4e klas, wanneer de kinderen de afstand tussen henzelf en de wereld voelen die voor het 10e levensjaar zo kenmerkend is. Deze afstand maakt een ‘kijken’ naar de wereld mogelijk. Uiteraard krijgen de kinderen natuurlijk daarvoor al, in de 3e klas, ‘kennis van de aarde’ vooral op praktisch gebied. Want in de heemkundeperioden met beroepen, huizenbouw en landbouw beleeft het kind wanneer het ook deze mensendingen doet, wat in de heemkunde van de 4e klas, de eerste aardrijkskundeperiode, bekeken wordt: hoe de mens in de omgeving van het kind weet te bestaan.
Op het ‘midden van de kindertijd’, van de 4e tot de 6e klas, leeft het kind vooral in zijn ‘ritmisch systeem’ (adem, hart) en zijn spieren zodat het speels, vrij zich beweegt. De nu noodzakelijkerwijs sterker wordende lichamelijkheid wordt gesteund door het onderwijs ook sterker op aardegebonden thema’s te richten; je gaat kijken naar hoe de mensen in verschillende landschappen deze economisch benutten. Niet schoolmeesterachtig, maar in de 5e klas, wanneer Midden-Europa aan bod komt, de voorstelling oproepen dat verder weg van de Noordzee Amerika ligt. Voorbeelden van economisch leven in de landbouw, in de bergen, in de industrie, steden, verkeer. Daardoor leert het kind, vóór het vanaf z’n 12e zelf een sterkere verbinding met de uiterlijke wereld krijgt, hoe de volwassenen deze verbinding door het economisch leven leggen. En de 11-jarige beleeft het economisch nut van de aarde nog zonder egoïsme.
De 6e klas heeft in het aardrijskundeleerplan een bijzondere plaats. In GA 2945) staat iets waar vaak overheen gelezen wordt: in deze klas moet er een systematisch overzicht worden gegeven van alle vijf werelddelen! Bedoeld is wellicht het topografisch-morfologisch (vorm) vergelijken wanneer de continenten qua individuele vorm met elkaar vergeleken worden (omtrek, rivieren, gebergten, klimaat, vegetatie enz.) Deze aanwijzing wordt door Steiner ook gefundeerd door een opmerking dat pas met het 12e jaar het ‘eigenlijk aardrijkskundige’ door het kind begrepen wordt, d.w.z. de wetmatige structuren van de aarde en daarbij hoort met name de morfologie.6). Ook door wat je bij de meteorologie en de mineralogie van de 6e klas al besproken hebt, ontstaan vruchtbare verbindingen. Bovendien moet het behandelen van economie met een paar markante voorbeelden die buiten Europa liggen (rijst, koffie) aangevuld worden.
In de 7e en 8e klas leeft het kind meer in zijn ‘bottensysteem’ 7) en het neemt zijn plaats in de wereld prominenter in. Terwijl in de andere vakken nu de causaliteit meer op de voorgrond treedt en bijv. natuur- en scheikunde belangrijk worden, kan het je in eerste instantie verbazen dat in de aardrijkskunde nu juist niet natuurkundig-economische afhankelijkheid in het middelpunt komt te staan, maar aard en cultuur van de individuele bevolking. Het lijkt wel of het gewicht van vakken die naar de materie gaan niet te groot moet worden en dat de aardrijkskunde een tegenwicht geboden wordt door het behandelen van de mentaal-psychische kant van de volken.
Bovendien leert de leerling bij de individuele volken verschillende vormen van de menselijke aard kennen, juist voordat deze zelf op zijn jeugdige leeftijd zijn individuele ziel tot uitdrukking gaat brengen.
Als pedagogen kunnen we dus de ontwikkeling van de klassen 5 tot 8 door het aardrijkskunde-onderwijs naar twee richtingen sturen: eerst brengen we het kind door het bekijken van de economische verhoudingen meer naar de aarde; dan richten we de blik weer omhoog naar hoe de mensen denken en voelen. Wanneer Rudolf Steiner dit soort merktekens plaatst, moet je er als leerkracht op letten deze niet te laten vervagen door in de 5e of 6e klas al meteen de geestelijke verhoudingen bij de verschillende gebieden op aarde te behandelen of in de 7e of 8e de economische omstandigheden nog te veel te benadrukken.

Ontwikkelingsstappen van de jeugd

Wanneer de jonge mens naar de bovenbouw gaat (9e klas) toont hij ons een bepaalde zielenconstellatie die jaarlijks een bepaalde groeifase doorloopt; daar willen we eens samenhangend naar kijken: terwijl de 9e- klasser de wereld als eenheid zou willen begrijpen, waarin geest en materie als één grote beweging samengaan, valt dat voor de 10e-klasser die 16 wordt behoorlijk uit elkaar. Hij ervaart een wereld vol met tegenstellingen. Daaraan komt het leerplan van de vrijeschool tegemoet waarin voor de verschillende vakken polariteiten zijn te vinden die de jonge mens echter niet tot een versplinterd wereldbeeld brengen, maar er een levende kiem voor moeten planten zodat deze polariteiten later op een hoger niveau getild kunnen worden.
In de 11e klas begint voor de jonge mens de schrede naarbinnen, de eigen zielenruimte wordt ontdekt en daarmee het centrum waarin de tegenstellingen van de wereld opgelost kunnen worden.
Sterker betrekt de leerling de buitenwereld en z’n medemens op zichzelf, gevoelens spelen een rol bij het begrijpen van de wereld, er kan een broederlijke stemming ontstaan.
In het 12e schooljaar voltrekt zich voor de achttienjarige dan voorzichtig de stap van een meer in de gevoelssfeer liggende beleving naar een objectief-geestelijk bereik. Het langzaam sterker wordende Ik wordt als een nieuwe kracht in het wezen van de jongere bemerkbaar. Vragen naar achtergronden en de grote samenhangen in de wereld worden nu heel terecht gesteld en de jonge mensen kunnen de antwoorden nu ook aan. Het is een ‘filosofische’ leeftijd. Sommige denksystemen hebben een bepaalde aantrekkingskracht. Daarom is het belangrijk dat de jonge mens veel en vooral niet alleen maar materialistische denkvormen leert kennen. In alle vakken van klas 12 moet er gestreefd worden naar een geestelijk overzicht waardoor de leerling zijn eigen standpunt als mens en zijn medeverantwoordelijkheid voor de toekomst van de aarde leert begrijpen.

Van de fysische aarde naar de geestelijke constellatie van de mensheid (klas 9 -12) 

Hoe wordt aan deze ontwikkelingsstappen van de jonge mens door het aardrijkskundeleerplan van de bovenbouw tegemoetgekomen? Net zoals bij klas 4 tot 8, is er een soort weegschaal gevormd waardoor de ontwikkeling in evenwicht gehouden wordt. Eerst hebben we een soort tegenwicht tegen het tumult in de ziel waarmee de jeugd te maken krijgt; de fysische aarde wordt besproken: in de 9e klas uitvoerig de aardlagen, de geologie – de jonge mens moet niet de grond onder zijn voeten verliezen! Of je nu met de steensoorten begint, het ontstaan van de huidige oppervlaktevorming, m.n. de plooiingsgebergten of vanuit het huidige geologisch oppervlak van het eigen land terug naar de aardlagen van het continent dat gaat ontstaan – steeds moet het gesteente als een vroege fase van het leven zichtbaar worden. 8)  Zo kunnen we laten zien hoe de wereld van de gesteenten die we anders voor dood houden een deel zijn van omvattende levensprocessen van de aarde. Daarmee komen we aan het bovengenoemde verlangen van de negendeklasser tegemoet, de aarde te leren kennen als een door wetmatigheden gevormde eenheid.
Wanneer in de 10e klas verdere lagen van de aarde bekeken worden, met name de water- en luchtlaag, dan wordt alleen al door het begrip laag, omhulsel steeds weer duidelijk dat we bij de aarde met een levend organisme van doen hebben. De antithese waar deze leeftijd behoefte aan heeft, kan je laten beleven wanneer je de stof zo groepeert dat die van de bouw van het inwendige van de aarde (geologie) tot aan de stratosfeer gaat. Voor wat je inhoudelijk bij de water- en luchtlaag zou willen behandelen, biedt Theodor Schwenk in zijn boeken ‘Das sensibele Chaos‘ en ‘Bewegungsformen des Lebendigen’ rijk materiaal. Zelfs die bekende processen zoals het meanderen van een rivier of het ontstaan van ons weer worden hier vanuit een andere kant bekeken.
Voor de 11e klas stelde Steiner cartografie en astronomie voor als inhoud van de aardrijkskundeperiode. Beide verruimen de horizon van de leerling: de cartografie (na het veldmeten van klas 10) richt de blik op verschillende methoden om de ronde vorm van de aarde op een plat vlak af te beelden en heeft ook een interessant historisch aspect. De astronomie toont de ‘thuisplaneet aarde’ in het geheel van de kosmos als een nietig deel, zoals ook de jonge mens op deze leeftijd zich als een zielenstofje binnen de mensheid ervaart. Beide gebieden zijn terecht. Maar het is de vraag of deze thema’s in plaats van een aardrijkskundeperiode moeten komen of dat deze ook naast het hoofdonderwijs gegeven kunnen worden; de cartografie bijv. in de wiskunde-oefenuren, de astronomie bijv. in een middagperiode. Dat hangt natuurlijk ook van de ‘vakleerkrachten’ af die op een school werken en die hun werkgebied adequaat kunnen vertegenwoordigen.

De feitelijke geografische thema’s mogen in de 11e klas geenszins achterwege blijven, vooral niet met het oog op de ecologische problemen. Hier biedt zich een leerstofinhoud aan die van het bekijken van het fysische aardegeheel (9e, 10e klas) naar de behandeling van de mens als bewoner van de aarde loopt, met name de mens in het economisch verkeer. Ook hier is sprake van een ‘laag’. Want wanneer de mens zijn natuurlijke levensbehoeften wil bevredigen, schept hij ook de laag voor zijn ziel. Daarbij komt het er vooral op aan dat de leraar deze economische aardrijkskunde zo levend geeft, dat deze ook tegemoet komt aan het verlangen van de 11e-klasser, ook zijn eigen innerlijk te ervaren.
Wanneer in de 12e klas de blik van de jonge mens meer op het geestelijke gericht wil zijn, kan de aardrijkskunde hiervoor een plaats inruimen, wanneer het gaat over de geestelijke component van de mensheid in de verschillende gebieden op aarde, d.w.z. een soort aardrijkskundige volkerenkunde van de huidige tijd. Dit thema kan gebaseerd worden op een aanwijzing van Steiner waarin hij ‘etnografie’ voorstelt, die zeker niet bedoeld was als in de geest van de universiteitsvolkerenkunde, die zich alleen bezighield met de natuurvolkeren, maar als het bezig zijn met alle nu levende volkeren en culturen. Daarbij is het begrip ‘cultuurkring’ bijzonder vruchtbaar gebleken want dit omvat mede ras, volk, culturele eigenheid en landschap. De door Steiner ook nog voorgestelde paleontologie zou je bij de biologie onder kunnen brengen die in dit
schooljaar een overzicht geeft van de 12 dierstammen. Op deze manier zou de pendelslag tussen de ontwikkeling van de ziel en de leerstof tot rust komen. De sterker wordende individualiteit heeft het goede begrip om de veelvormige manieren van tot uitdrukking komen van de menselijke geest in de individuele volkeren, te begrijpen en de aarde als ‘drager van het Ik’ te begrijpen.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst jrg.55-4-1991 

.

¹) Rudolf Steiner: GA 295
²) Rudolf Steiner: GA 294
³) idem
4) Rudolf Steiner: GA 302
vertaald/ 52-53
5)  Rudolf Steiner: GA 294
6)GA 301, 12e vdr.
Vertaald /blz. 196 e.v.
7) Je kan dit waarnemen aan het sterker ‘bottiger’ worden van de handdruk van de leerling van klas 6, zowel bij jongens als meisjes. Dat gaat samen met een sterker merken van alles wat hard en stevig, materieel is in de buitenwereld, vandaar dat er op deze leeftijd voor het eerst natuurkunde en ook scheikunde gegeven gaat worden.
8) Walter Cloos, Lebensstufen der Erde

deel 2;   deel 3;   deel 4;   deel 5

Aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over  aardrijkskunde

.

1555-1456

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 295)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 295 [1]

8e werkbespreking 29-08-1919. blz. 94/95   vert. blz. 88 [2]

N.:  Beim Geographieunterricht wird der sanguinische Schüler nicht recht mit-kommen; er hät verschwommene Vorstellungen. Dä würde ich Zeichenunterricht be­fürworten, Motive aus der Landkarte.

Rudolf Steiner: Wenn man den Geographieunterricht recht anschau­lich gestalten würde, wenn man namentlich die Länder, die Verteilung der Vegetation in den Ländern, die Verteilung der Bodenprodukte in den Ländern, durch graphische Darstellungen zeigt, in dieser Weise also den Unterricht recht anschaulich gestaltet, wird man gerade da bemerken, daß man nicht leicht eine allgemeine Stumpfigkeit des Schülermaterials findet. Dadurch kann man leicht gegen eine allgemeine Stumpfheit ankämpfen. Wenn man das auch noch dadurch be-lebt, daß man gerade beim Geographieunterricht versucht, das Land zuerst zu beschreiben, es dann aufzeichnet, es aufzeichnen läßt auf die Tafel, hineinzeichnet Flüsse, Gebirge, Verteilung von Vegetation, von Wald und Wiese, und dann Reisebeschreibungen mit den Schülern liest, dann wird man sehen, daß man meistens sehr wenig für Geographie un­begabte Schüler findet, ja, daß man die Geographie benützen kann, um Schüler zur Lebhaftigkeit zu bewegen und zum Herauskitzeln anderer Fähigkeiten. Man wird geradezu bemerken, wenn man die Geographie als solche interessant machen kann, wie in den Schülern andere Fähig­keiten aufgeweckt werden.

N.: In de aardrijkskunde zal de sanguinische leerling niet goed meekomen; hij heeft wazige voorstellingen. Daarbij zou ik het tekenen als hulpmiddel gebruiken, motieven van de landkaart.

Als men de aardrijkskunde heel aanschouwelijk zou behandelen, als men met name de landen, de verdeling van de vegetatie, de verdeling van de bodemproducten in de landen, grafisch in beeld brengt, als men dus op deze manier het onderwijs heel aanschouwelijk maakt, dan zal men juist hier merken dat de leerlingen niet vervallen tot een algemene dufheid. Daardoor kan men gemakkelijk de strijd aanbinden met een algehele dufheid. Als men dat dan nog verlevendigt, door juist in de aardrijkskunde te proberen om het land eerst te beschrijven, het dan te tekenen, te laten tekenen op het bord, en men de rivieren, de gebergten, de verdeling van de vegetatie, van bos en wei erin tekent en als men dan reisbeschrijvingen leest met de leerlingen, dan zal men zien dat er meestal maar heel weinig leerlingen zijn die geen aanleg voor aardrijkskunde hebben. Sterker nog, men kan de aardrijkskunde benutten om leerlingen tot levendigheid aan te zetten en andere vermogens wakker te kietelen. Als men de aardrijkskunde als zodanig interessant kan maken, dan zal men absoluut merken dat er in de leerlingen andere vermogens gewekt worden.
GA 295/94-95

12e werkbespreking 3-9-1919, blz. 133  vert. 124

M. macht geographische Ausführungen über Gegenden am mittleren und unteren Rhein

Rudolf Steiner: Beim Kartenzeichnen sollte man die Gebirge braun, die Flüsse blau zeichnen. Den Fluß sollte man immer seinem Lauf ge­mäß vorn Ursprung an zeichnen, nie von der Mündung aus. Eine Karte für die Bodenverhältnisse und die Naturgrundlage, Kohle, Eisen, Gold’ Silber; dann eine zweite für die Städte, die Industrie und so weiter.
Ich mache darauf aufmerksam, daß es wichtig ist, eine Auswahl zu treffen und so zu gliedern, daß man öfter einmal zurückkommt auf die­ses Gebiet. Auch ist die Art des Vortrages da recht wichtig. Versuchen Sie, sich recht in den Stoff hineinzulegen, so daß das Kind immer das Gefühl hat, man schildert, sich absolut hineinlebend, wenn man Indu­strie schildert, immer so, als wenn man selber dort arbeitete. Beim Berg­bau wieder so und so weiter. Möglichst lebendig! Je lebendiger man schildert, um so mehr arbeiten die Kinder da mit.

Bij het tekenen van kaarten moet men de bergen bruin, de rivieren blauw kleuren. Men moet de loop van een rivier altijd volgen uitgaande van de oorsprong, nooit van de monding. Eén kaart voor de bodemgesteldheid en de natuurlijke grondstoffen, kolen, ijzer, goud, zilver; en een tweede kaart voor de steden, de industrie enzovoort. Ik wijs erop dat het belangrijk is om een keuze te maken en de stof zo in te delen dat men meerdere malen terugkomt op dit gebied. Ook de manier van vertellen is heel belangrijk. Probeer u echt in te leven in de stof, zodat het kind altijd het gevoel heeft dat u zich helemaal inleeft als u vertelt, dat het lijkt, als u de industrie beschrijft, alsof u er zelf werkt. Ook bij de mijnbouw enzovoort. Zo levendig mogelijk! Hoe levendiger men schetst, des te meer werken de kinderen mee.
GA 295/133

In de 14e werkbespreking, 5-9-1919, vert. blz. 139 is sprake van:
wiskundige aardrijkskunde:

M.    gibt eine Einführung in die Grundbegriffe der mathematischen Geographie für Schüler im dreizehnten Jahr, Beobachtungen am Sonnenaufgang und an der Sonnenbahn.

Rudolf Steiner: Sie können, wenn Sie die Kinder hinausbestellt ha­ben, das später sehr gut in die Zeichnung verwandeln lassen und darauf sehen, daß ein gewisser Parallelismus besteht zwischen der Zeichnung und dem, was die Kinder draußen angesehen haben. Es ist nur ratsam, nicht zuviel auf einmal von diesem Linienhaften zu geben. Es ist sehr wichtig, daß man diese Dinge den Kindern beibringt, aber wenn man zuviel zusammenfaßt, dann bringt man es so weit, daß die Kinder es nicht mehr auffassen. Man kann es einfügen in Geographie und Geo­metrie. Der ungefähre Abschluß solcher Ausführungen würde sein, daß man den Begriff der Ekliptik und der Koordinaten entwickelt.

M. geeft een inleiding in de grondbegrippen van de mathematische geografie voor leerlingen van twaalf jaar en ouder. Waarnemingen omtrent de zonsopgang en de baan van de zon.

Als u de kinderen naar buiten hebt laten gaan, dan kunt u dat later heel goed in een tekening laten verwerken. Dan moet u erop letten dat er een zekere parallellie bestaat tussen de tekening en dat wat de kinderen buiten hebben waargenomen„Maar het is wel raadzaam om niet te veel van die lijnen tegelijk te geven. Het is heel belangrijk dat men de kinderen deze dingen leert, maar als men te veel samenvat, dan komt men op een punt dat de kinderen het niet meer opnemen. Men kan dit onder geografie en geometrie laten vallen. Men moet met deze uiteenzettingen ongeveer zo ver komen dat men de begrippen ecliptica en coördinaten uitlegt.
GA 295/150

A führt das gleiche Thema, Sonnenaufgang und Sonnenuntergang, für kleinere Kinder aus und versucht, den Gang der Sonne und der Planeten durch eine sche­matische Zeichnung klarzumachen.

Rudolf Steiner: Nun, es wird diese Auffassung immer mehr an Be­deutung abnehmen, weil das seither Angenommene über diese Bewe­gungen nicht ganz richtig ist. In Wirklichkeit hat man es zu tun mit einer solchen Bewegung (Rudolf Steiner zeichnet an die Tafel):
Da ist zum Beispiel (1. Stellung) einmal hier die Sonne; da ist Saturn, Jupiter, Mars, und da ist Venus, Merkur, Erde. Nun bewegen sich die alle in der angegebenen Richtung (Schraubenlinie) so hintereinander fort, daß, wenn die Sonne dann da herübergekommen ist (2. Stellung), so ist Saturn, Jupiter, Mars hier, Venus, Merkur und die Erde da. Und jetzt dreht sich die Sonne weiter und geht dahin (3. Stellung). Dadurch wird der Schein hervorgerufen, als wenn sich die Erde um die Sonne drehte. In Wahrheit geht die Sonne voran, und die Erde kriecht immer nach.

A. behandelt hetzelfde thema, zonsopgang en zonsondergang, voor kleinere kinderen en probeert de loop van de zon en de planeten duidelijk te maken met behulp van een schematische tekening.

Nu, deze opvatting zal steeds meer aan belang inboeten, omdat het niet juist is wat men tot nu toe heeft aangenomen over deze bewegingen. In werkelijkheid heeft men met zo’n beweging te maken (Rudolf Steiner tekent op het bord):

volgorde:

De zon is bijvoorbeeld eerst hier (le positie); daar zijn Saturnus, Jupiter, Mars en daar zijn Venus, Mercurius en de aarde. Nu bewegen die zich allemaal in deze richting (schroefsgewijs) achter elkaar aan en wel zo, dat als de zon daar is gekomen (2e positie) Saturnus, Jupiter en Mars hier zijn en Venus, Mercurius en de aarde daar. En dan draait de zon verder en gaat daarheen (3e positie). Daardoor wordt de schijn gewekt dat de aarde om de zon zou draaien. In werkelijkheid gaat de zon voorop en de aarde kruipt er altijd achteraan.

1e leerplanvoordracht 6 sept. 1919 blz. 161  vert. 149

Dann wird man im vierten Schuljahr von diesem Unterricht aus den Übergang finden, um – noch immer in freier Weise – über das zu spre­chen, was der nächstliegenden Geschichte angehört. Man kann zum Beispiel dem Kinde erzählen, wie, sagen wir, wenn es gerade der Tat­sache nach sich ergibt,  der Weinbau in seine (des Kindes) eigene Hei­matgegend gekommen ist, w ie der Obstbau gekommen ist, wie diese oder jene Industrie aufgetreten ist und ähnliches.
Dann auch aus der nächstlie  den Geographie. Also man beginnt zunächst, so wie ich es Ihnen dargestellt habe, mit der nächstliegenden Geographie.

Dan zal men in het vierde schooljaar van deze lessen uit de overgang vinden om het – nog steeds op vrije wijze – te hebben over dingen die behoren tot de meest ‘dichtbije’ geschiedenis. Men kan de kinderen bijvoorbeeld vertellen hoe de wijnbouw, als dat tenminste van toepassing is, terecht is gekomen in de geboortestreek van het kind, of hoe de fruitteelt er is ontstaan of de een of andere industrie en dergelijke.
En dan dingen van de aardrijkskunde van de naaste omgeving. Men begint in de aardrijkskunde dus het eerst met de naaste omgeving, zoals ik u dat heb laten zien.  zie: GA 294 11e vdr.

Daneben beginnt man eben in der Geographie damit, so wie ich es gezeigt habe, Bodenkonfigurationen, und was in wirtschaftlicher Be­ziehung damit zusammenhängt, für einen gewissen Teil der Erde, den mehr naheliegenden, dem Kinde beizubringen.

Daarnaast [Steiner verwijst hier naar zijn opmerkingen over geschiedenis in de vijfde klas] begint men dan in de aardrijkskunde met de bodemgesteldheid, zoals ik dat heb laten zien, en wat hier in economisch opzicht mee samenhangt, van een bepaald deel van de aarde, een dicht-bii gelegen gebied. GA 294 11e vdr.

blz. 162  vert. 150

In der Geographie setze man dasjenige fort, was man im fünften Schuljahr gepflegt hat, indem man andere Teile der Erde berücksich­tigt, und versuche dann, den Übergang zu finden von den klimatischen Verhältnissen zu den Himmelsverhältnissen, wovon wir gestern Nach­mittag einige Proben hier vorgeführt haben.

6e klas In de aardrijkskunde gaat men door met datgene wat men in de vijfde klas heeft behandeld, waarbij men andere delen van de aarde onder de loep neemt en de overgang probeert te vinden van de klimatologische omstandigheden naar de hemellichamen, waarvan we gisteren enkele voorbeelden hebben gezien. (die zijn niet genoteerd).

Dann versuche man in der Geographie die Dinge über die Himmels-verhältnisse fortzusetzen und mit der Betrachtung der geistigen Kul­turverhältnisse der Erdbewohner, der Erdenvölker, zu beginnen; im­mer im Zusammenhang mit dem, was man über die materiellen Kul­turverhältnisse, namentlich die wirtschaftlichen Verhältnisse, in den zwei ersten Jahren, in denen Geographie getrieben wurde, für die Kin­der gewonnen hat.

7e klas: Dan probeert men in de aardrijkskunde verder te gaan met de sterrenkunde en een begin te maken met de beschouwing van de geeste-lijk-culturele omstandigheden van de aardebewoners, de volkeren op aarde – steeds in samenhang met wat men de kinderen heeft geleerd over de omstandigheden van de materiële cultuur, met name de economische omstandigheden, in de eerste twee jaar dat men aardrijkskunde gaf.
GA 295/161 e.v.

In de 2e leerplanvoordracht, 7 sept.1919 gaat het nog verder over de 7e klas:

blz. 165    vert. 152

Und man ver­suche mit dem, was an physikalischen und chemischen Begriffen ge­wonnen wird, eine zusammenfassende Anschauung hervorzurufen über Erwerbsverhältnisse, Betriebsverhältnisse – also diesen oder jenen Be­trieb – und Verkehrsverhältnisse; das alles im Zusammenhang mit dem physikalischen, chemischen und geographischen Unterricht, aus der Naturgeschichte heraus.

In de zevende klas keert men weer terug naar de mens en probeert men vooral datgene over te brengen waar ik gisteren op heb gewezen, namelijk wat een mens moet weten over voeding en gezondheid.65 En men probeert om met behulp van de natuur- en scheikundige begrippen die men heeft ontwikkeld een algemeen beeld te geven van handel en bedrijfsleven – een of andere bedrijfstak dus – en verkeer. Dat alles in samenhang met natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde, uitgaande van de ‘natuurlijke historie’.
GA 295/165

[1] GA 295 Duits
[2] vertaald

.
aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1542-1446

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – Aardrijkskunde – De Rijn (3)

 

DE RIJN
.

De Rijn is een rivier met vele gezichten. We kennen de Rijn als de romantisch voortkabbelende rivier, omzoomd door de donkere bossen van het Zwarte Woud en de terrasvormige wijngaarden. De rivier slingert als een zilveren lint door West-Duitsland en op berghellingen getuigen de kastelen van de vroegere roofridders van een rijke historie. Maar natuurlijk is de Rijn meer dan een toeristische bezienswaardigheid. Het is een buitengewoon belangrijke scheepvaartweg vanaf Bazel tot aan de Noordzee. Talloze rijnaken, duw- en sleepboten maken de rivier tot een van de drukst bevaren scheepvaartroutes van Europa. Talloze rijnaken met graan, erts, steenkolen en vele andere producten maken van de Rijn een verkeersweg. Langs de Rijn bevinden zich dan ook talloze industrieën, die van deze min of meer goedkope aan- en afvoerweg voor grondstoffen en producten dankbaar gebruik maken.
Deze industrie bepaalt het derde ’gezicht’ van de Rijn.

Het aspect van de vervuiling, waaraan diverse fabrieken zich schuldig maken door het lozen van hun afvalstoffen, krijgt in West-Europa steeds meer belangstelling. De Rijn wordt dan ook het ’Riool van Eu­ropa’ genoemd. Deze weinig verheffende naam zegt eigenlijk al genoeg over de mate van watervervuiling. Deze sterke vervuiling is des te ernstiger, omdat aan het einde van deze rivier (in Nederland dus) het water van de Rijn als drinkwater dient voor een groot gebied rond Rotterdam.

Hoewel deze vervuiling lijkt af te nemen, is het nog maar kort geleden dat men erin slaagde in het water van de Rijn foto’s te ontwikkelen! De hoeveelheid chemische stoffen was voldoende om een vrij scherpe afdruk te verkrijgen…
(In 2014 werden er door allerlei maatregelen die eerder van kracht werden geen kritische waarden meer overschreden)

Ongeveer in het midden van Zwitserland, in het Sint-Gotthardmassief, ontspringt de Rijn. De naam ‘Rijn’ is waarschijnlijk afkomstig van een dialect uit het gebied van de zuidelijke Alpen. Daar betekenen de woorden rio, rin en rue ‘waterstroom’.

De Rijn stroomt door verschillende landen. In Zwitserland, waar de Rijn ontspringt, is de rivier nauwelijks bevaarbaar vanwege de vele stroomversnellingen en de Waterval van Schaffhausen. Vanaf Bazel fungeert de Rijn als grensrivier tussen Frankrijk en West- Duitsland. Bij Lobith stroomt de rivier Neder­land binnen om de watermassa vervolgens te verdelen over de Rijn, Waal en IJssel. De Rijn wordt aan zijn oorsprong gevoed door twee kleinere rivieren, de Voor-Rijn en de Achter-Rijn. Vervolgens zoekt de Rijn over een afstand van 1320 kilometer zijn weg naar de Noordzee.

rijn 4 - 0006

De boven-Rijn

De Rijn ontspringt op de Sint-Gotthard (Zwitserland) als een bergrivier, die met hoge snelheid naar beneden raast. Door deze hoge snelheid worden grote hoeveelheden zand en steen meegesleurd. Men heeft eens berekend dat per jaar 5 miljoen ton aan puin wordt meegesleurd. De Boven-Rijn komt in het Bodenmeer enigszins tot rust. Het meegevoerde puin zakt naar de bodem van het meer en een ’schone’ Rijn kan zijn tocht voortzetten. Vervolgens stroomt de rivier westwaarts, richting Bazel. Bij Schafhausen tuimelt het water met tomeloos geweld van een hoogte van 25 meter naar beneden. De waterstand van de Rijn is sterk afhankelijk van de seizoenen. De Rijn is voor een deel een gletsjerrivier en als zodanig is de waterstand het hoogst, als de sneeuw in de Zwitserse Alpen begint te smelten. 

De Midden-Rijn

Onder de Midden-Rijn verstaan we het gedeelte van de rivier tussen Bazel en Keulen. Bij Bazel wijzigt de Rijn zijn westelijke koers met 90 graden en buigt naar het noorden. Aanvankelijk was het gebied, waar de Rijn door stroomde, een moerasachtige vlakte. Door de zogenaamde ’Rijn-correctie’ (1817-1870) werd de Rijn in een vaste baan gedwongen. De rivier zoekt zijn weg door een vruchtbare landbouwstreek met grote steden: Mühlhausen, Colmar, Straatsburg, Freiburg, allemaal steden die niet direct aan de Rijn liggen. Ze zijn er echter allemaal door een kanaal mee verbonden. Straatsburg, tegenwoordig een Franse stad, is sedert 1949 de zetel van de Raad van Europa. Deze stad ligt in de Elzas, een gebied dat bij herhaling als gevolg van oorlog dan weer het bezit was van Frankrijk en dan weer van Duitsland. Aan de Franse zijde van de rivier verbindt een kanaal de steden Bazel en Straatsburg. Bij Mainz stroomt de Main in de Rijn. Vanaf hier wordt de rivier ook geleidelijk breder. De breedte neemt toe van 100 tot 300 meter. Aan de noordpunt van de uitgestrekte Rijnvlakte wordt het landschap weer heuvelachtiger en bereiken we het schilderachtigste deel van de rivier. Wijngaarden, kastelen en plezierboten vormen hier het schilderachtig decor van de voornaamste verkeersader van Europa. Bij Koblenz vindt de Moezel nog aansluiting bij de Rijn en tussen Bonn en Keulen verdwijnt het berglandschap. De bergen maken plaats voor een laagvlakte, het verval wordt geringer en als een brede, machtige en rustige stroom vervolgt de Rijn zijn weg door het industriegebied van West-Duitsland (het Roergebied) 

De Beneden-Rijn

Vanaf Keulen in noordelijke richting betitelen we de Rijn als Beneden-Rijn. Vanaf Düsseldorf zien we aan beide oevers een grauw, grijs en stoffig gebied van fabrieken, mijnen, hoogovens en chemische industrie.

De Rijn was een ideale en goedkope aan- en afvoerweg voor de benodigde grondstoffen en voor de eindproducten van de industrie. Naast de aanwezigheid van de Rijn is natuurlijk ook de rijkdom aan delfstoffen (vooral steenkool) in deze streek van groot belang geweest voor de vestiging van de industrie. Bij Lobith stroomt de Rijn over de Duitse grens en vervolgt zijn weg door Nederland. ‘Nederland’ in de letterlijke zin van het woord, want het peil van de Rijn met haar zijrivieren in Nederland ligt op een aantal plaatsen nauwelijks boven de zeespiegel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het westen van Nederland in vroeger tijden één groot moeras was. Door allerlei technische voorzieningen zoals dijken en dammen werd de Rijn min of meer gedwongen te stromen als de mens het wilde. Vroeger mondde de rivier uit bij Katwijk. De Kromme Rijn en de Oude Rijn, nu smalle rivieren, geven nog de oude rivierloop aan.

Tegenwoordig stroomt het water via een drietal routes naar zee. Bij Nijmegen splitst de Waal zich af en in de omgeving van Arnhem neemt de IJssel een deel van het Rijnwater mee naar het IJsselmeer. Voorbij Wijk bij Duurstede gaat de Rijn verder als Lek. Op deze wijze vormt de Rijn een verbinding met de grote havenstad Rotterdam. Amsterdam, de andere havenstad, ligt ver van de Rijn, maar is evenals vele Duitse steden toch verbonden met de rivier door het Amsterdam-Rijn-kanaal.

De Rijn: legende en werkelijkheid

Aan de oostelijke oever van de Rijn, tussen Kaub en St. Goarshausen (West-Duitsland) bevindt zich een opvallend steile rots, die meer dan 120 meter boven de waterspiegel uitsteekt. Volgens de legende was deze rots de verblijfplaats van een beeldschone jongedame, die Lorelei heette. Enkele teleurstellingen in de liefde hebben haar ertoe gebracht dat ze zichzelf verdronk. De geest van Lorelei huist nu op de rots.
Haar blonde haren glanzen in het zonlicht en met haar fraaie gezang brengt ze de Rijnschippers in de war, dat ze vergeten het schip in de juiste koers te houden. Het schip loopt te pletter en de schipper verdrinkt in de draaikolken aan de voet van de Loreleirots.
Het laatste wat de wanhopig worstelende schipper nog hoort is de schaterlach van Lorelei die haar zoveelste slachtoffer heeft gemaakt.

Aldus de legende. De werkelijkheid is natuurlijk wel wat anders. Deze houdt in dat de Rijn vanaf de binnenhaven Bazel over een afstand van 1000 kilometer een goede scheepvaartweg is, zij het dan dat de mens op verschillende plaatsen heeft moeten ingrijpen om dat te bereiken.
Lastig bevaarbare bochten werden afgesneden, dijken moesten worden aangelegd om de stroom binnen zijn oevers te houden en op sommige plaatsen – overlaten en uiterwaarden -geeft men de rivier zelfs de kans om zijn overtollige water kwijt te raken.

Op die wijze is de Rijn, eens een grensrivier van het machtige Romeinse Rijk, tot een nuttige verkeersader geworden voor Zwitserland, West-Duitsland, Frankrijk en Nederland.

rijn 8

De Rijn [1]   [2]

In deel [1] iets over ‘economische aardrijkskunde’

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

873-804

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – Aardrijkskunde – De Rijn (2)

.

DE RIJN
.

De Rijn is het pompende hart van Europa, de grote vaarweg, grens en verbinding tegelijk, die tussen de volkeren zwerft. Hij is het brand­punt waaromheen de daden en dromen van een geheel werelddeel zich hebben geconcentreerd – een ononderbroken van zuid naar noord stromende band die goud en wijn, ijzer en staal, met zich meevoert en waarboven de fluisterende schaduwen van onvergete­lijke helden zweven. 

Het huilen van een sirene verscheurt de gouden herfstnevel. De trossen van het 2000 ton metende motorvrachtschip Lurelei wor­den losgegooid en het schip maakt zich – spijtig, lijkt het wel – los van de grauwe kade van Mainz. En meteen neemt de Rijn bezit van de mannen. De dieselmotor puft gelijkmatig. De man aan het roer deelt korte bevelen uit. Nasaal davert zijn stem uit de boordluidspreker. Nu gaat het erom zich in de eindeloze rij slepen in te voegen. Stroomopwaarts worden in
kon­vooi graan en olie vervoerd. Een dapper, aamborstig sleepbootje braakt vieze rook uit. Wodan, die eens de reizigers veilig over de wateren van de rivier loodste, zal zich tegenwoordig in dit lawaai en ge­krioel waarschijnlijk nog maar nauwelijks durven vertonen. Toch kan men er niet omheen aan Siegfried en de Götterdammerung uit Wagners Ring der Nibelungen te denken.

De ene lange sleep volgt zonder onder­breking op de andere. De grauwe golven klotsen tegen de grauwe keien van de oever. Rode en zwarte boeien groeten elkaar van de ene kant van de waterloop naar de andere. ‘Hoort het ernstige lied van een schipper”, zong de dichter. De Rijnschippers mogen dan broederlijk vereend een inter­nationale gemeenschap vormen – zingen hoor je ze nog maar zelden.

Mistflarden lossen op boven de met wijn­gaarden begroeide oeverhellingen en de wijnbergen van de Rheingau zijn gedompeld in een zwakke goudglans. Rijngoud en Rijnwijn. Het goud van de Rijn – zeker, onderdeel van een legende, maar tevens werkelijkheid. Want in een recent verleden, tot het jaar 1897 om precies te zijn, zeefden goudzoekers het oeverzand in de laagvlakte van de Boven-Rijn waar eens de Kelten als eersten het edelmetaal ontdekt hadden.

En hoe welluidend zijn de namen van de Rijnwijnen, die de rivier zo vrolijk bege­leiden. De wijnen van de Elzas – 139 soor­ten -, Sylvaners, Traminers en Rieslings. Badense wijnen van de vulkanische Kaiserstuhl. Wijnen uit de Rheingau: Johannisberg, Geisenheimer, Stemberger, Eltviller, Rüdesheimer… Rijn en wijn, twee woor­den die op elkaar rijmen. De wijnbouwers zijn even hecht met hun grond verbon­den als met hun tradities. Maar ook met hun sagen. Zo zou koning Wenceslaus in de veertiende eeuw zijn rijk en zijn kroon voor een paar grote vaten Rüdesheimer hebben verkocht en van Karel de Grote wordt verteld dat hij als geest iedere nacht over de wijnbergen van de Rheingau zwierf om ze te beschermen en te zegenen. Tot beneden aan de oevers van de rivier groeien de wijnstokken. ‘De Rijn, die is dronken, de Rijn, waarin de wijnstokken zich spie­gelen…’ Op de heuvels doemt een burcht op: Rheinstein. De rivier ploetert verder, begeleid door de tussen wijnbergen ver­scholen dorpen met hun geveldaken en torentjes: Kaub, Oberwesel, Boppard…

In hun zonderlingheid en onberekenbaar­heid lijken de lotgevallen van de rivieren opvallend op die van de mensen. Terwijl de Rijn, waarvan het lange, zijdeachtig glanzende lint dwars door Midden-Europa trekt, het noorden met het zuiden verbindt, vormt hij een scheidslijn tussen het oosten en het westen. Waarom? Kan de geschie­denis antwoord geven op die vraag? ‘De rivieren’, zegt Pascal, ‘zijn wegen die dolen’. In de loop der tijden heeft de Rijn ver gezworven… Hij is een weg geweest voor krijgers, kerkvorsten en kooplieden, maar hij heeft ook gefungeerd als grens – en vaak minder een natuurlijke dan een willekeurige.

Zo was het reeds kort nadat zich mensen aan zijn oevers hadden gevestigd. Reeds aan het einde van de jongere steentijd vormt hij de grens tussen Kelten en Germanen en later, wanneer de Romeinse legioenen in dit randgebied van het rijk doordringen, grens tussen Rome en de Germanen Op zijn linkeroever ontstaan grote legerplaatsen. In hun kleine vestingen bieden de legioenen het hoofd aan de stammen van de rechteroever. De limes, de versterkte grens, wordt weldra over de rivier heen naar het oosten vooruitgeschoven. De Romeinse kampen veranderen in steden. Maar de storm van de volksverhuizing die over hen heenraast, legt ze in puin en as. Onder Karel de Grote worden de Rijnlanden opgegeven ten gunste van de gebieden aan de Maas. Dan varen de aanhangers van Thor met hun drakenschepen de stroom op en weer wordt het land verwoest. Een somber hoofdstuk in de historie van de Rijn.

Spoedig verschijnt er aan de einder een lichtpuntje, dat steeds helderder wordt: het christendom. De heilige Bonifatius. de heilige Apollinaris, de heilige Gregorius en de heilige Martinus werken allen in het Rijnland. Aan beide oevers van de rivier rijzen kerken en overal ontstaan kloosters. Het Rijndal wordt tot ‘papensteeg’, tot een van de centra van geestesleven in het avondland. Hier staat de wieg van het Heilige Roomse Rijk. De rivier wordt weer een belangrijke verkeersweg, de handelssteden beleven een enorme bloei.

Het gouden tijdperk van de Rijn breekt aan. Omdat de meest uiteenlopende invloeden voortdurend met elkaar in aanraking komen, ontvouwt zich een stralende middeleeuwse cultuur, die in de loop van de 15de eeuw zijn hoogtepunt bereik. Aan de oevers van de Rijn bloeien kunst, literatuur en techniek. Spoedig echter volgen weer donkere tijden. De tot veel staatjes versplinterde Rijnlanden zijn ten prooi aan economische schommelingen en de politieke druk van de groeiende grootmachten. Het is een periode van neergang. De landen aan de Rijn raken in verval. Aan het ene einde ontstaan de Zwitserse kantons, aan het andere de Verenigde Nederlanden. Frank­rijk en de Habsburgers laten de rivier weinig ruimte. De Dertigjarige Oorlog en de veldtochten van Lodewijk XIV verwoesten hem met vuur en zwaard. De scheepvaart ligt stil. Terwijl men de Rijn in de 18de eeuw gerust een Franse rivier kan noemen, wordt hij in de 19de eeuw een Pruisische.
Eeuwen zijn vergleden, maar nog steeds is de Rijn een twistappel waardoor hevige gevechten losbranden. Want de rivier vormt nu de grens tussen Frankrijk en Duitsland, een symbool dat aan beide zijden nationaal fanatisme, gepaard aan oorlogszucht, doet opvlammen. De Franse kroon, maar ook de grote  revolutie streeft ernaar hem tot haar natuurlijke grens te maken. Op de sokkel van het standbeeld van Arndt in Bonn kan men nog steeds de woorden lezen die de dichter in 1814 beroemd maakten: ‘De Rijn, Duitslands rivier, maar niet Duitslands grens”. In 1840, een tijd vol spanningen, schrijft Becker zijn agressief Rijnlied. Musset antwoordt met zijn niet minder uitdagende “Le Rhin allemand’. Nergens komt de oorlogszucht die zich met de rivier verbond zo treffend tot uitdrukking als in dit dichtersduel.

En toch zijn alle grote veldheren uit de geschiedenis – of bijna alle – op zeker ogenblik zonder veel moeite deze als onneembaar te boek staande rivier overge­stoken: Julius Caesar in het jaar 55 v.C, Attila aan het hoofd van zijn Hunnenhorden, Karel de Grote en keizer Frederik Barbarossa, Lodewijk XIV (de Zonne­koning, die er op 12 juni 1672 onder tromgeroffel en klaroengeschal bijna droog­voets doorheen waadde, heeft meer dan één dichter van zijn tijd geïnspireerd), Hoche, Marceau en Napoleon, Blücher en de keizers der Hohenzollern… een lange lijst. Of het nu voetvolk was of grote legeraanvoerders waren, allen zijn hem telkens weer en op alle mogelijke manieren overgestoken, in de zomer via doorwaadbare plaatsen, in de winter over het ijs en vooral over de be­roemde pontonbruggen, te beginnen met de legioenen van Julius Caesar en eindigend met de infanteristen van generaal Eisenhower.

In Sankt Goar, niet ver van de Loreleirotsen, staat een kapelletje. Als matrozen op de grote vaart zijn de Rijnschippers tientallen jaren na moeilijke uren op de rivier hierheen getrokken om dankgebeden te zeggen. Er zijn ook nog andere ‘rivierkerken’. Ze herinneren allemaal aan de tijden dat in de Rijn stroomversnellingen, riffen, draaikolken, ondiepten en blinde klippen de beklagenswaardige schippers be­laagden. Reeds de oorlogs- en handels­schepen van de Romeinen bevoeren de rivier. In de middeleeuwen, toen de handels­scheepvaart volop bloeide, gebruikte men voor de vaart stroomafwaarts riemen en zeilen, terwijl de schepen stroomopwaarts door tientallen paarden aan touwen werden getrokken. De ware heersers over de stroom waren toen de in gilden georganiseerde rivierschippers, die de waterloop onder elkaar verdeelden: de bewoners van Holland en Keulen bezaten het alleenrecht op de Beneden-Rijn, die van Mainz het monopolie op de Midden-Rijn, de in het machtige gilde Tribut de l’Ancre’ aaneengesloten schippers van Strasbourg beheersten de vaarten stroomafwaarts vanaf hun stad tot aan Mainz en de schippers van Mainz de vaarten stroomopwaarts tot aan Basel. In 1816 voer de eerste stoomboot, de ‘Prins van Oranje’ van Rotterdam naar Keulen. Maar pas vanaf 1850 begint het grote tijdperk van de Rijnscheepvaart, want nu kan men tegen geringe kosten zware vrachten over de rivier verplaatsen, hetgeen op grond van de snel voortschrijdende industrialisatie van dit gebied van grote betekenis is. Onder het beschermheerschap van Pruisen wordt scheepvaart tussen Bingen en Nederland groots opgezet.

Aangezien het verkeer op de rivier zich tijdens de gehele 19de eeuw steeds sterker uitbreidt, wordt de Rijnscheepvaartwet uit­gewerkt. Maar dit is een lang verhaal, waar­van de oorsprong teruggaat tot in de middeleeuwen. Indertijd was het Heilige Roomse Rijk eigenaar van het water van de Rijn en toezichthouder op de rivier.

In deze hoedanigheid voerde het de eerste aanleggelden in. Toen het begon uiteen te vallen en zijn macht te verliezen, trokken de vorsten aan de oevers van de rivier dit privilege aan zich. Misbruiken van allerlei aard behoorden spoedig tot de orde van de dag. Bij ontelbare aanlegplaatsen was de rivier met kettingen versperd, zodat de hulpeloze schippers zich steeds weer verplicht zagen af te meren en tol te betalen. Pas de Franse Revolutie stelde op 16 november 1792 krachtens een decreet het recht op vrije scheepvaart op de Rijn in. Maar op de praktische uitvoering van dit recht moest men nog de gehele 19de eeuw wachten. Tegenwoordig is de Rijn definitief vrij. Zijn wateren zijn exterritoriaal en staan onder bescherming van een speciale internationale commissie.
De strijd om de vrije scheepvaart mag tot het verleden behoren, de inspanningen voor de technische vooruitgang op de Rijn gaan onverdroten door. Na riemen en zeilen, stoom en diesel maken zich nu de meest verschillende technieken meester van zijn loop om steeds betere prestaties te bereiken. Het in Amerika ontwikkelde duwsysteem werd voor het eerst in 1957 toegepast en de duweenheden – duwschip en aken die per dag 150 tot 200 kilometer afleggen, varen dag en nacht. Tot voor enkele jaren* was de scheepvaart op de Rijn slechts mogelijk vanaf het ochtendgloren tot aan de avondschemer, maar dank zij het duwsysteem en de radar zijn thans ook nachtvaarten algemeen gebruikelijk. In vergelijking met ’s werelds andere grote stromen, de vijfmaal zo lange Amazone, de Yangtse Kiang die viermaal, de Wolga die driemaal en de Donau die ongeveer dubbel zo lang is als hij, is de Rijn voor­waar een kleine rivier. 
Maar is hij tegelijker­tijd niet even ‘koninklijk als de Donau, geheimzinnig als de Nijl, glinsterend van goud als een rivier van Amerika, omrankt met legenden en sagen als een rivier van Azië’, zoals althans Victor Hugo beweert?

Rhein, Rhin, Rijn: het stromende water van de Kelten, het snelle water, het levende water. Overigens stammen de namen Rijn en Rhöne af van hetzelfde Keltische woord. Maar ondertussen is de oude, wilde rivier een slachtoffer van de beschaving geworden. Slechts vaag herkent men aan de horizon nog het vermoeide, gebogen silhouet van de oude vader Rijn. die machtige, goed­gezinde godheid, en met spijt stelt men vast dat de watermannen en -geesten zich onher­roepelijk van zijn duizendjarige oevers heb­ben afgewend, verjaagd door de toeristen die zich in drommen op de terrassen van de trotse, vervallen burchten verdringen, die in lawaaiige uitspanningen werden omgezet. In het teken van onze moderne tijd wordt op de rivier over vrachtkosten, vlooteenheden en tonnages gesproken in plaats van over sprookjes en wonderen.

De Rijn ontspringt in het Adula-Massief  aan de voet van de Rheinwaldhorn op een hoogte van 2902 meter. Maar hij ontspringt zoals bekend, ook in het Gotthard-Massief aan de voet van de Piz Badus en van de Oberalp op een hoogte van 2344 meter waar hij de afvloeiing vormt van het kleine amethistkleurige, tussen eeuwige sneeuw  en rotsen verscholen Tomameer. Eerstnoemde bronrivier is de Hinter Rhein. de andere de Vorder Rhein. Het wilde, ruige Bündnerland is voor beide wilde bergstromen een vorstelijke wieg. De Vorder Rhein stort zich in de brede, geleidelijk aflopende lengtegroeve van het Bündner Oberland, dat de oostelijke tegenhanger vormt van het Walliser RhônedaL Het Tavetschdal: Raetoromaanse dorpen, kerken met uivormige torens, overdekte houten bruggen. De melkachtig groene beek bruist donderend voort tussen berkenbossen en Alpenhutten waarover een geur van vers hooi ligt. En de Rijn is nog een echte bergstroom wanneer hij Rechenau bereikt,  waar hij zijn broer ontmoet. Hier, benden het slot. vermengen de Vorder en Hinter Rhein eindelijk hun licht en hun donker water. De Hinter Rhein stroomt vanuit het Rheinwald naar beneden, een met dichte naaldwouden overdekt, donker,  hooggelegen dal. Abrupt duikt hij in een smalle, 500 meter diepe kloof, waar hij tussen de leisteenwanden van de Via Mala als waterval de eerste trede neemt. Na Reichenau worden de twee bergrivieren dan definitief lotgenoten. De Rijn baant zich nu snel een weg naar Chur, de stad die uit voorzorg ietwat afzijdig boven het water is gelegen. En reeds nadert hij de diepblauwe Boden See, het Zwabische meer dat slechts een verbreding van het rivierdal lijkt te zijn. De Boden See is voor de Rijn wat het Meer van Genève is voor de Rhône. Hij legt de onstuimige rivier aan banden. De Rijn loutert zich in dit meer, waarin hij jaarlijks ongeveer 3 miljoen kubieke meter slib afzet. Wanneer de rivier het meer als afvoer van het benedenmeer verlaat, is hij anders geworden, helderder en rustiger.

Stein am Rhein: eerste getuige van de middeleeuwse cultuur die eens langs de Rijn bloeide. Met zijn met erkers versierde vak­werkhuizen en zijn hoge, bont beschilderde voorgevels lijkt het alsof de tijd hier in dit bekoorlijke, ouderwetse stadje stil is blijven staan. Maar nauwelijks heeft men deze fraaie plaats verlaten of men bevindt zich midden in de 20ste eeuw. Schaffhausen doemt al op met zijn bruine puntgeveldaken die samendrommen aan de voet van de met torens bewapende Munot. En daar is ook al de Rheinfall, een van die ‘ver­schrikkelijke schoonheden’ die de mensen ten tijde van de romantiek kippenvel be­zorgden: van een hoogte van 21 meter en over een breedte van 160 meter donderen de watermassa’s in de diepte – een toe­ristische trekpleister zonder weerga. Laat ons liever aan Goethe denken, die in deze vloed ‘de bronnen van de oceaan’ zag en in de hoog opspattende, nietige waterdrup­peltjes het volmaakte lichtspel van de schepping.

Voorbij Schaffhausen begint een andere wereld. De Rijn stroomt nu tussen de hellingen van het Schwarzwald en de laatste uitlopers van de Zwitserse Jura voort en vanwege het verval versnelt zich zijn loop, Stroomversnellingen en een sterke stroming betekenen voor ons tegenwoordig elektriciteit uit waterkracht. Deze natuurkracht wordt zowel in de hooggelegen dalen van de
Rijn in Graubünden benut als tussen Konstanz en BaseL waar daarnaast echter ook de scheepvaart werd bevorderd.

Kilometerpaal 388: naar Basel is het niet ver meer. Basel met zijn rode dom en zijn klokken. BaseL dat Montaigne vier eeuwen geleden met Blois vergeleek. Basel dat af­scheid neemt van de alpijnse Rijn en met open armen de grote Rijnscheepvaart ont­vangt. De rivier is hier 200 meter breed en wendt zich in een grote bocht noordwaarts. Basel is de Zwitserse haven voor de grote vaart: de vlag met het witte kruis op de rode achtergrond komt men tot op de Noordzee tegen.

Na Basel doet zich de langgerekte vruchtbare laagvlakte van de Boven-Rijn aan de rivier voor. Eerst stroomt hij langs de donkere wouden van de Hardt en dan trekt hij door de gelijkmatige vlakte waar hij zich verschanst tussen bomenrijen, wil­genhout en biezen. Hier bevinden zich nog enkele dode rivierarmen en moerassen die een bonte vogelwereld herbergen: wilde ganzen, kieviten, eenden en kapmeeuwen. Maar het is nog niet zo lang geleden dat de rivier, die hier over een rulle bodem van kiezel stroomt, op dit traject vrijwel ongenaakbaar was. Een groot aantal armen, moerassen, eilanden en zandbanken vormde een van de meest afwisselende rïvieriandschappen van Midden-Europa.
Met de aanleg van het Elzaskanaal waartoe de industriëlen uit Mulhouse het initiatief namen, kwam kort na de Eerste Wereldoorlog het grote keerpunt. Nu stroomt de rivier van sluis naar sluis, van de ene centrale naar de andere: Ottmarsheim, Fessenheim, Rheinau. Gerstheim. De oorspronkelijke plannen voor de aanleg van het kanaal ondergingen vervolgens een dusdanige wijziging dat ook de Rijn zelf genormaliseerd werd. Opgesloten tussen twee evenwijdig lopende oevers vormt hij met een breedte van 200 tot 250 meter een kaarsrechte waterweg, slechts onderbroken door sluizen die zelfs door de grootste Rijnschepen kunnen worden gepasseerd.
Aan de oevers de vervallen versterkingswerken van 1939: de Maginot- en de Siegfriedlinie. Het op een ronde bergtop gebouwde Alt-Breisach kijkt uit over Neu-Breisach, dat zich aan gene zijde van de Rijnpoort van Vauban uit­strekt. En spoedig kondigt een torenspits, die als een vinger Gods ten hemel rijst, de nabijheid van Strasbourg aan. In het zuiden van de stad ligt de buitenhaven. Strasbourg is de zetel van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. Dank zij zijn ligging aan de rivier werd Strasbourg tot een Europese hoofdstad waarin sinds 1949 de Raad van Europa vergadert. Tussen Hüningen en Lauterberg, op zijn weg door de Elzas, heeft zich de eigenlijke industrialisering van de Rijn voltrokken. Na de toevoer van de Lauter behoren beide oevers van de rivier, die nu de Pfalz binnenkomt, tot Duitsland. Dan volgt Karlsruhe, het Versailles van de groot­hertogen van Baden, met zijn reusachtige olieraffinaderijen die geheel Zuid-Duitsland bedienen. Hier wacht de Rijn, althans wat het transport van brandstoffen betreft, ernstige concurrentie in de vorm van de pijpleiding van Lavéra, die in Karlsruhe, de eerste etappe van de grote Rijn-Rhöne-verbinding, eindigt. Daarna, aan de mon­ding van de Neckar, het industrie- en haven­gebied van Mannheim-Ludwigshafen. De Rijn stroomt door zijn eerste industriegebied. Ook in de Pfalz bevinden zich langs de oevers sporen van vervlogen tijden. Hier liggen de drie mooiste monumenten van de christelijk-romaanse bouwkunst. Eerst Speyer met zijn dom waarin verschillende Duitse keizers begraven zijn. Dan Worms waar geschiedenis tot legende en epos werd : het is de stad van de Nibelungen, waar Kriemhilde en Brunhilde elkaar uit liefde voor Siegfried verscheurden en waar de blonde held aan zijn tragische einde kwam. En ten slotte het gouden Mainz, stralend middelpunt van de middeleeuwse wetenschapschap en het humanisme, vaderstad van Johannes Gutenberg die daar de boekdrukkunst heeft uitgevonden  en misschien de meest kenmerkende van alle steden langs de Rijn.

Bij Mainz stroomt de Rijn vlot voort. Over een afstand van 700 tot 800 meter komen de zich in zijn water spiegelende wijnbergen van de Rheingau plotseling dicht bij elkaar. Het is de Binger Engte, de doorbraak door het Leisteenplateau. In lange op de golven dansende sloepen staan de loodsen in hun zwarte oliegoed al klaar om aan boord te komen. Het is hun taak de schepen  veilig door de engte te brengen. En voortdurend klinkt het doffe hijgen van de rivier die zware arbeid verricht. Een opstopping – het is onmogelijk in te halen. Rechts doemt uit het water de beroemde palts bij Kaub op. Met zijn imposante hoofdtoren en zijn vele kleine torentjes doet het aan als een fantastisch, midden in de stroming ankerend schip. Bacharach -Bacchus aan de Rijn? Hij zou er wel op de juiste plaats zijn. temidden van de alom­tegenwoordige wijn. De Sieben Schwestern (Zeven Gezusters, een rotsrif dat bij laagwater boven de golven oprijst, laten hun spitse tanden zien. En dan. omstuwd door schuimende golven, de  Lorelei. ‘Bij Bacharach aan de Rijn woont een tove­nares. ..” Deze steil omhoogrijzende rots. aan de voet waarvan de rivier heel nietig lijkt, is 132 m hoog.

In Sankt Goar. waarboven het in 1245 ge­bouwde slot Rheinfels uitsteekt, staat het ene oude vakwerkhuis naast het andere. Aan de hemel zweven valken. Sankt Goarshausen, op de andere oever, hurkt aan de voet van de burcht Katz. Deze houdt nog steeds het slot Maus in de gaten, dat een bocht verder stroomafwaarts ligt. Spoedig nadert de Rijn de kastelen Liebenstein en Sterrenberg, de twee ‘vijandelijke broeders’ uit de tijd dat de kruisvaarders van het Heilige Roomse Rijk optrokken tegen Jeru­zalem.

De Rijn bereikt Koblenz, waar hij zich onder de strenge blik van de vesting Ehrenbreitstein met de Mosel verenigt. De Mosel brengt hem zijn prikkelende wijn, zijn groenste water en vooral zijn ijzer uit Lotharingen. In het westen strekt zich de Eifel uit, het vulkanische, bosrijke land van de tovenaars, met zijn lila heidetapijt en met zijn merkwaardige cirkelvormige meren die men maren noemt. Reeds tekent zich aan stuurboord het Zevengebergte af, de zeven hoopjes die van de spade van de zeven reuzen afgleden toen deze tussen de burcht Drachenfels en de Rolandseck een doorgang voor de Rijn groeven.

De Rijn keert terug in het heden. Daar liggen Rhöndorf, waar Adenauer zijn rozen kweekte, Bad Godesberg, de congresstad, en ten slotte Bonn, met zijn elegante Rijn­promenade. Het Bundeshaus, waarin de Bondsdag en de Bondsraad vergaderen, spiegelt zich in de Rijn. Even verder stroomafwaarts de prachtige Beethovenhalle. die eraan herinnert dat Bonn de geboortestad van dit genie is. Vanaf nu stroomt de Rijn door vlak land. ver­breedt zich, wordt rustiger en nadert lang­zaam Keulen.

Na Keulen wint de scheepvaart nog meer aan betekenis. Steeds grotere schepen onder­houden het verkeer op de stroom. Bij zijn loop door het Ruhrgebied verliest de Rijn zijn lichte kleur en verandert hij in het vuile water van een industriegebied. Zonder de vlag te strijken laat hij zich welkom heten door Düsseldorf met zijn Kö –  de Königsallee -, zijn herinneringen aan Heine en Schumann en de industriegigant Mannesmann. Zijn water wordt steeds viezer. Jaar in jaar uit torst hij de last van 125 miljoen ton steenkool, 25 miljoen ton ijzer en meer dan 15 miljoen mensen.

Maar spoedig wordt de Rijn weer zich­zelf, vooral bij Xanten, waar volgens de sage Siegfried geboren werd. Emmerich is de grensstad. De rivier komt nu in de Lage Landen. De Nederlandse Rijn – de rivier van Rembrandt, Rembrandt van Rijn – die onder een eindeloze hemel breder wordt. Op zijn gemak stroomt hij voort. Silhouetten van molens met grote, feeste­lijke wieken. In de lucht hangt een zoute geur. De Rijn, vermoeid al, splitst zich in Waal, Lek, Neder Rijn en Kromme Rijn, doolt door het land en verliest zich in een weelderig, vlak weidelandschap. Maar ook dit behoort tot het verleden, want zijn talloze trage armen zijn veranderd in kanalen. Sinds tientallen jaren probeert de mens het water aan zich ondergeschikt te maken. Kilometers lange dijken door­kruisen de vlakte. Hoewel de Maas hier de Rijn tot zeer dichtbij nadert, heeft men de twee gescheiden. De Rijn zelf heeft men een nieuwe loop toegewezen door een nieuwe bedding voor hem te scheppen. Rotterdam is het laatste, door niets te overtreffen symbool van dit werk van mensenhanden. Dokken zover het oog reikt. Een woud van masten. De grootste Rijnhaven en de op één na grootste haven van de wereld.

De Rijn is uitgeput. Zijn noodlot voltrekt zich en hij sterft in een grauwe, met witte schuimkoppen overdekte zee.

rijn 1

Lengte: 1320 kilometer. Bronnen: In de Bündner Alpen. De Vorder Rhein ont­springt aan het Tomameer aan de voet van de Badus op een hoogte van 2344 meter; bij Reichenau verenigt deze zich met de Hinter Rhein, die in het Adula-Massief bij de Rheinwaldhorn op een hoogte van 2902 meter ontspringt. Monding: In de Noordzee, in het westen verweven met het stesel van de Maas. De Waal, de zuide­lijkste mondingsarm, is met tweederde van de watervoorraad de hoofdader in het mondingsgebied van de Rijn. Doorstroomde en aangrenzende gebieden: Zwitserland, Liechtenstein, Oostenrijk, de Bonds Republiek Duitsland, Frankrijk, Nederland. Zwitserland: De Hegauer Aach, die af­watert in de Boden See, voedt de Rijn met het water van de bovenloop van de Donau dat bij Immendingen (BRD) in de kalksteen verdwijnt. De Rijn verschuift zijn waterscheiding tegen het systeem van de Donau in en vergroot zo zijn stroomgebied. Nog in het begin van de Nieuwe Tijd (10 miljoen jaar geleden) vormde de Alpen-Rijn een deel van de Donau en watert hij af naar het oosten. Bij Koblenz (Zwitserland) mondt de Aare uit in de Rijn; de Aare overtreft laatstgenoemde zowel wat betreft waterafvoer (560 tegen 460 m3/sec. als wat betreft zijn stroomgebied 17800 tegen 16000 km2). Belangrijkste zijrivieren: Neckar (371 km), Main (524 km), Lahn (245 km). Sieg (131 km), Wupper 105 km). Ruhr (235 km), Emscher (98 km),  Lippe (255 km) en links de Mosel (545 km) Stroomgebied: Bij Basel 36 500 km2 tegen 224000 km2 bij de monding. Waterafvoer: Het regime van de Rijn toont elkaar overlappende invloeden van het hooggebergte (hoogwater in de zomer, laagwater in de winter), het middelgebergte (voorjaars-smeltwater en het Atlantische klimaat bij de linker zijrivieren (wintermaximum). Na Basel wordt het zomermaximum minder: Daarvoor in de plaats komt een tweede hoogwaterstand in de lente. De hoogwaterstand van de zomer blijft echter tot aan de monding duidelijk merkbaar. Ge­middelde afvoer op de plaats waar de Rijn in de Boden See stroomt 230 m3 sec.: deze werkt compenserend op de afvoer van de Hoge Rijn vanaf Untersee. Bij Basel 1060 m3 sec., bij Worms 1400 m3 sec. en mj Andernach 1940 m3 sec. Bijna de helf van de totale waterafvoer komt uit Zwitserland. Hydro-elektrische centrales: De bovenloop van de Rijn is met een totale productie m 15 miljard kWh* sterk ontwikkeld. Stroomcorrecties en afwatering: Voorbij het Leisteenplateau, vanaf Bonn, stroomt de rivier, aan beide zijden bedijkt, in meanders verder. Nog in historische tijden verlegde de Rijn bij hoogwater zijn loop en overstroomde hij grote delen van de uiterwaarden. Dode rivierarmen en venen getuigen nog van de vroegere loop van de rivier. Vooral in het mondingsgebied heeft men moerassen ontwaterd en herschapen tot landbouwgrond (polders). Verkeer: De Rijn is een van de drukste waterwegen ter wereld. Door verbetering van de zijrivieren en door de aanleg van een dicht net van kanalen zijn de Neder­landse, Belgische, Franse en Duitse in­dustriegebieden onderling en met de open zee verbonden. De haven van Basel be­reikbaar voor vrachtschepen tot 2000 ton. De binnenvaart is groter dan het verkeer van en naar zee. Op het traject Rheinfelden (laatste binnenhaven) tot aan de grens van Nederland en Duitsland bedraag: de jaarlijks vervoerde vracht 150 miljoen ton*. De belangrijkste haven is Dnisburg-Ruhrort. met een overslag 32 miljoen ton per jaar. Toerisme: Cruises op de Rijn – romantisch met name tussen Bonn en Bingen – zijn zeer geliefd. Geschiedenis: Van 250-150 v.C. vestigen de Kelten zich tussen de Rijn en de Seine. Van 58-51 v.C veroveren de Romeinen Gallië. In de 6de eeuw onderwerpt Clovis de Galliërs. 15de eeuw: Bloeitijd van de Rijnlandse cultuur. Front in beide wereldoorlogen.

rijn 2Dit beekje is de Rijn in zijn bergachtige wieg, de Vorder Rhein bij Sedrun in Zwitserland. De ‘jonge’rivier – geologen schatten zijn leeftijd op 400 miljoen jaar – heeft twee bronrivieren, want de Vorder Rhein verenigt zich een eind verderop met de Hinter-Rhein, die vanaf het Adula-Massief naar beneden stroomt.

rijn 3Mens en rivier hebben een gemeenschappelijk verleden van vele duizenden jaren. Aan de oever van de Boden See bij Unteruhldingen heeft men aan de hand van opgravingen dit paaldorp uit de steentijd en de bronstijd (2000-1000v.C) gereconstrueerd.

* 1977

Aardrijkskunde: de Rijn [1]  [3]

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas w.o. aardrijkskunde

.

558-512

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – aardrijkskunde – De Rijn (1)

.

LANG LEVE DE RIJN!

Weinig rivieren in Europa hebben zo’n grote economische en culturele betekenis gehad als de Rijn. En nog steeds is dat zo. Daarom is de Rijn een goede keuze om de eerste grote stap over de grenzen te maken.

Nederland is voor een deel geschenk van de Rijn die een grote delta vormde en die in de Noordzee vooruit schoof. Er kan veel verteld worden over hooggebergte en laagland, over kleine en grote industriegebieden, over scheepvaart en wijnbouw. De cultuur van de vele steden langs de Rijn geeft aanleiding om historische, kunstzinnige en legendaire opmerkingen te maken. Opstellen en tekeningen kunnen alles illustreren.

Men kan het hele gebied van Alpen tot monding door de kinderen laten vormen uit hout en klei. Zelfs de sneeuw ‘op de toppen van de Alpen’ kan soms uit de schooltuin gehaald worden.

Een samenhangend gedicht om de kinderen in beweging te krijgen, mag in de rhetorische fase van het leerplan niet ontbreken. De keus valt op een epische versmaat, het Griekse distichon. Er wordt bij gelopen, geklapt, gestampt en gereciteerd in groepen.

De Rijn

Op de toppen der Alpen / bedekt met een sneeuwwitte mantel
In de eenzaamheid / daar is geboren de Rijn!
Soms klinkt een dond’rend geraas / van lawines of brekende gletsjers. Soms een adelaarskreet / nimmer een mens’lijke stem.

Voor-Rijn, Midden-Rijn / zij komen van de Sint-Gotthard.
Banen zich bruisend een weg / beide nog smal als een beek.
Achter-Rijn ontspringt / op de hoge toppen van ’t Rheinwald,
Wordt door een driehonderdtal / machtige gletsjers gevoed.

Voortdurend zenden die hem  /  hun koude, bruisende waat’ren
Uit het rijk van het ijs  / nevel en eeuwige sneeuw.
Kolkend en wit van het schuim / stort de razende Rijn in zijn bedding. Wringt zich kronk’lend omlaag  /  schuurt zich een kloof in de rots.

Dan verenigen zich / de drie wakkere, woeste riviertjes
En vervolgen hun weg / vormen tesamen één Rijn!
Reeds snelt de Rijn voorbij / wat lager en vriend’lijker oevers:
Alpenweiden zijn daar / vrolijk gekleurd in hun bloei.

Bij Chur wendt zich de Rijn / met een forse ruk naar het noorden,
Neemt de Ill in zich op / stroomt daarna uit in een meer.
’t Lange Bodenmeer /  ontneemt de Rijn alle woestheid:
Helderder is hij en kalm / als hij het meer weer verlaat.

Na een buit’ling omlaag / de waterval van Schaffhausen,
Neemt hij met vreugde de Aar / Limmat en Reuss in zich op.
Dan zet hij kronkelend koers / naar het roemrijke Basel in ’t westen.
Niet meer een kind, maar een man / rustig en goed voor zijn werk!

Tussen Vogezen en Schwarzwald / de Franse kant en de Duitse,
Stroomt de brede rivier / schepen bevaren hem nu
Naar het noorden toe / gaat rustig de Rijn door de vlakte.
Breed is het dal en schoon / vruchtbaar, welvarend land.

Graanveld, weide en boombaard / vol noten en tamme kastanjes,
Zijn een lust voor het oog / ook is bekend er de wijn.
Straatsburg ligt aan de Rijn / met zijn spitse, Gotische toren.
Zetel is deze stad / van ’t Europees Parlement.

In het Schwarzwald snort / de draaibank in steden en dorpen: Overvloedig is ’t bos / Kunstig besnijdt men het hout.
Grillige Neckar komt / in de Rijn bij de haven van Mannheim.
Steeds meer schepen draagt /  nu de rivier op zijn rug!

Bij het Gouden Mainz / komt de lange Main hem versterken.
Hunsrück en Taunusrug / stuiten de Rijn in zijn loop.
Maar als een held doorbreekt / dan de Rijn dit Leisteengebergte,
Slijpt zich een diep, grillig dal / Kronk’land van Bingen tot Bonn.

Op de Loreley-rots / zit een schone, zingende jonkvrouw.
Elk die hoort haar gezang /  vindt in de golven zijn graf!
Hier heeft de Rijn weergalmd / van kreten en wapengekletter.
Want op iedere top /  ligt een onneembare burcht.

Maar ook klonk er het lied / van minstrelen en reizende zangers:
Liefde- en heldendicht /  heeft er de harten verheugd.
Schoon is de streek: de kastanjes / beschaduwen vriend’lijke stadjes
En de wijnstok klimt / langs elke helling omhoog.

Maar bij Bonn verlaat / de Rijn de rotsrijke dalkloof:
Breed is de vlakte waarin / hij nu zijn wateren stuwt.
Langs de reuzen Dom / van Keulen, met dubbele spitsen.
Zet hij breed en traag  / kronkelend koers naar de zee.

Rechts, tussen Lippe en Ruhr  /  krioelt de vlakte van leven:
Ononderbroken stampt  /  kreunt de machine er voort!
Als een afgebrand bos / staan de schoorstenen stadig te roken.
Spuwen hun rook en hun roest /  over de roetzwarte stad,

In een geel-rosse gloed / staan de hoogovens tegen de hemel.
Brakende als een vulkaan / gloeiende massa’s metaal!
Dan, tussen Wezel en Kleef  / bekend door de Zwaneridder,
Stroomt de Rijn bedaard / naderend Nederlands grens.

Door het lage land / vol sappige weiden met koeien.
Onder bewolkte lucht / vloeit nu de Rijn naar de zee.
Dijken geleiden hem / gesplitst in Rijn, Waal en IJssel,
Naar het Hollandse duin / Dat is het eind van de reis!

Voor hij zijn monding bereikt / passeert hij een machtige haven: Duizenden schepen per jaar / varen er in en er uit.
In Rotterdam klopt het hart / van de handel op zee en in ’t Rijndal: Scheepvaart heeft aan ons land /  vreugde en rijkdom gebracht.

Zelfs de grond waarop /wij allen leven en werken,
Is voor een heel groot deel / ’t gulle geschenk van de Rijn.
Zwitserland aan zijn bron / en Nederland aan zijn monding…
Is er een betere rivier? / Laten wij loven de Rijn!

Misschien lijkt het, of zo’n gedicht erg lang* is. De kinderen vinden het niet lang. Alles, wat hun over de Rijn verteld is, komt in de meest beknopte vorm in het epische gedicht voor. Dichtregels blijven in het geheugen beter bewaard dan een prozaverhandeling.

Voor één boek zou men een uitzondering kunnen maken: Selma Lagerlöfs Niels Holgerson, een voorbeeldige behandeling van de aardrijkskunde van Zweden, en dat op zeer kunstzinnige wijze.

Hoeveel handen werken voor ons?

Ieder kind van de groep gaat na, wat er thuis op de ontbijttafel staat. Zo krijgen we een aardige inventarisering. We gaan vragen, waar dit alles vandaan komt. Brood — waar komt de tarwe vandaan? Voor een klein deel uit eigen land, maar voor het grootste deel uit Canada of uit Zuid-Amerika. Boter— waarvandaan? Koffie — waarvandaan? Thee — waarvandaan?

De kinderen worden wel enthousiast, wanneer zij merken, hoe zij alleen al in deze kleine dagelijkse behoeften praktisch met de gehele aarde betrekkingen hebben. Voor een paar producten gaan we alles eens uitvoerig uitzoeken. Voor thee komen we bij voorbeeld terecht op de blauwige berghellingen van Preanger op Java. De pluksters met brede, grote hoeden plukken zorgvuldig met de hand de rijpe theeblaadjes, die dan gesorteerd, geroosterd, verpakt, vervoerd naar de haven, verscheept, uitgeladen in een Nederlandse haven, vervoerd naar een fabriek. Daar nogmaals gesorteerd, gebroken, in kleine, leuk ontworpen pakjes gedaan, naar de grossier vervoerd, van grossier naar de detailhandel, vandaar in moeders boodschappentas, alles vóórdat de met kokend water behandelde thee het kopje dampende thee op de ontbijttafel mogelijk maakt. Dat éne kopje zou er niet zijn zonder kruidenier, grossier, chauffeur, lossers en laders, zeelui, inpaksters, pluksters, om nog maar te zwijgen van alle administratief personeel van theeplantages, havenbedrijf, groothandel en wat dies meer zij.

Het is belangrijk, dat deze gedachte bij de kinderen wordt gewekt: honderden, ja duizenden mensen werken voor ons. Zeker, zij ontlenen aan dit werk een levensonderhoud, maar dat doet er evenmin veel toe als de prijs, die moeder uit vaders loonzakje voldoet in de winkel.
[Zie bv. dit artikel: betaal ik de juiste prijs?]

Wie meent, dat het voldoende is, dat de ouders betalen, wordt het Griekse verhaal van koning Midas voorgehouden. Koning Midas had een dierbare vriend van Dionysos, de god van de wijn gered en kreeg daarvoor het recht een wens te mogen doen. Koning Midas wenste, dat alles wat hij aanraken zou, in goud zou veranderen. Ai gauw bleek hoe verderfelijk het geschenk was. De arme koning kon niet eens meer eten en drinken, hoewel hij alles op aarde in goud had kunnen veranderen.

Een zeer wijs beeld uit de Griekse mythologie. Niet goud of geld heeft waarde, maar de dingen die je er voor kopen kan. Als iemand schoenen wil of kan maken, krijg je zelfs voor een gouden berg geen voetbedekking! Die tienduizenden handen, die voor ons werken, zonder dat wij hun eigenaars kennen, maken indruk op de kinderen. We kunnen er, ondanks betaling, zeker dankbaar voor zijn!

Oriëntatie blijft belangrijk

In de grote zaal blijkt het zeer goed mogelijk ook de topografie van de Rijn in beweging te krijgen. De parallel lopende gebergten aan weerszijden van de rivier worden voorgesteld doorliggende kinderen. De zijrivieren worden met een krijtlijn aangegeven. Zwabische Jura rechts, Zwitserse Jura links, Schwarzwald rechts, Vogezen links en zo voort.

Een Rijnstad wordt aangegeven door een kind, dat de kathedraal heeft getekend en uitgeknipt, vervolgens in de lucht gestoken. Zo ziet ieder op een rij de kenmerkende kathedralen, die mooi uitgetekend zijn. Later in het jaar gaat de klas in koor de landen noemen, waar men doorkomt, wanneer men naar de vier windstreken uit Nederland vertrekt. Naar het westen: Engeland, Ierland, Noord-Amerika. Naar het oosten: Duitsland, Polen, Rusland, Siberië, Japan. Naar het zuiden: België, Frankrijk, Spanje, Afrika, Zuidpool. Naar het noorden: Noorwegen, Noordpool.

Welk werelddeel heb je aan je rechterhand, wanneer je in Europa met je neus naar Afrika staat?

Welk werelddeel aan je linkerhand in hetzelfde geval?

meer over: oriëntatie

Nederland en de strijd tegen het water

Een prachtig onderwerp: watermolens maken. Polders en droogmakerijen in een waterdichte bak met klei zichtbaar gemaakt. Geschiedenisverhalen: de ietwat gekleurde berichtgeving van de Romeinen. De rampen uit de laat-Karolingische tijd. De ijverige monniken uit het jaar 1000.
De verplichtingen van de eigenerfde boer: de dijk onderhouden.

Zeer strenge straffen voor plichtsverzuim — in het gat van de dijk begraven worden —- of afstand van zijn land doen — spa in de dijk steken en achterlaten. Hoe wordt een goede dijk gelegd?

Wat is het verschil met oude zogenaamde paaldijken?
De goede Leeghwater.
De rampen van 1421 en 1953.
Het Deltaplan globaal.
De ook esthetisch fraaie werken in het Haringvliet en de Oosterschelde.

De kinderen zullen met des te meer plezier het schone gedicht: ‘Denkend aan Holland” reciteren.**

‘Denkend aan Holland
Zie ik brede rivieren
Traag door oneindig
Laagland gaan….’
.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

Pieter HA Witvliet:

*als je het gedicht aan de kinderen wilt leren, kost het wel veel tijd. Dat gaat toch ten koste van de stof, waarin je je ook moet beperken: er is zoveel wat je zou kunnen doen.
Mogelijkheden: reciteren door de leerkracht – de leerlingen lopen het
reciteren door verschillende kinderen – die lopen niet; de anderen wel.
Eén of 2 coupletten uit het hoofd laten leren door  verschillende leerlingen, zodat de klas als geheel het gedicht toch kan opzeggen; enz.
.

De sage van de Lorelei
Andere Rijnsagen

**Denkend aan Holland =(herinnering aan Holland)

Aardrijkskunde: de Rijn  [2]    [3]

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

Aardrijskunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas

.

492-455

.