Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/8)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over ‘wreedheden’ gaat, is het een hulp daarover vooral vanuit een ‘figuurlijk – niet letterlijk gezichtspunt na te denken, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun ‘niet fysieke’ aard wil zeggen. 

8.IETS OVER DE WREEDHEDEN

Omdat het bij de sprookjes om innerlijke processen gat, mogen de zgn. wreedheden niet geïsoleerd bekeken worden. Puur voelende kinderen weten dat. Een paar voorbeelden ter verduidelijking:

Afhakken = hand voet

Afslaan = hoofd

Bakken = verbranden

Braden = verbranden

Hand afhakken

Handelen, handeling, handhaven komen van ‘hand’. Het verlies staat voor ‘dat je handelingsonbekwaam wordt/bent. De mens kan zijn lot ‘niet in de hand’ nemen, kan geen beslissingen meer uitvoeren/
Vgl.: iets ‘(geen) handen en voeten (kunnen) geven.

Hangen = ophangen

Hoofd afslaan

Het hoofd staan voor het bewust-zijn, het heldere denken, de beheersing van het zelf; door een gewelddadige invloed van buitenaf kun je het verliezen (het hoofd wordt afgeslagen/gehakt: de eenheid van denken, voelen en willen gaat verloren; zelf kun je je hoofd ‘verliezen’, je kan je niet meer waarmaken – Duits: behaupten.

In het water gegooid worden = verdrinken

In het water gooien = verdrinken

Kinderen alleen laten

Nog onschuldige, onontwikkelde krachten worden prijsgegeven aan het chaotische en wilde van de driftnatuur.

Kinderen (laten) verdwalen = kinderen alleen laten

Koken = verbranden

Ogen uitsteken, ogen uitpikken

Hier wordt het geestelijk kunnen zien bedoeld. Dit betekent dus: het schouwen nemen, de aan-schouwing, het zicht. Vgl. het beeldende (Duits) Eine Sache ‘sticht’ ins Auge; (iets steekt in het oog); ik heb ‘mijn oog erop gericht’. 
Bij Jakob Grimm vind je nog de uitdrukking: Der stof ‘hat kein Auge’ (de stof heeft geen oog) – tegenwoordig zouden we zeggen: niet om aan te zien; verder: is iemand ‘met blindheid geslagen’.
Ook in de Bijbel: ‘Als het oog u hindert, ruk het uit’: bedoeld als: verander je instelling’.

Ophangen

Zonder dat het vermogen om te kunnen staan (symbool: de voeten) verloren gaat, wordt ‘de bodem onder de voeten’ weggeslagen, de verbinding met de aardse werkelijkheid wordt voor de mens onmogelijk. Zich ‘verhangen’ is een beeld voor het denken dat zich te veel in het abstracte is gaan bewegen, zodat het in de lucht komt te hangen.

Opvreten

Met geweld tot je nemen om zo mogelijk de eigenschappen van ‘de prooi’ te verwerven. Dit moet worden begrepen als een aanduiding naart bepaalde praktijken uit het magische tijdperk. In zgn. primitieve stammen wordt zoiets tegenwoordig nog als belangrijk gezien.

Verbranden

Vuur kan twee dingen betekenen:
1.Het vuur van de geest, de vonk, de vlam van het enthousiasme
2.Het vuur van de begeerte, het oplaaien daarvan, de brandende hartstocht, het heksenvuur, de magisch werkende begeertegloed
Dus ook: verbranden: ofwel het reinigende vuur ofwel het verterende vuur. Wanneer het voedsel met het vuur van de geest is bereid, is het voeding; op het vuur van de begeerte wordt het gif, de (ver)wensdrank.

Verdrinken

Ook hier wordt de grond onder de aardse werkelijkheid – het bestaan -weggeslagen; je komt in het element van het stromende, het onzekere; je wordt blootgesteld aan diepten/ondiepten; ‘in het diepe gegooid’ Je kan (ten) ondergaan. Het kan van buiten komen, maar ook door jezelf: ‘je kan in iets verdrinken’, het water kan ‘tot aan de lippen stijgen’; je kan ‘kopje onder gaan’; het Ik gaat ten onder in de stromende ziel.
Het sprookje gebruikt ‘ertrinken’ wanneer het gaat om ‘wegzinken’ (Versenken) ; het zich ‘verdiepen’ wordt tot ‘Versinken’.

Verhangen = ophangen

Verslinden = opvreten

Vierendelen

Volgens Aristoteles bestaat de mens uit vier delen: een mineraal-fysiek deel, een aan planten verwant vegetatief deel, een deel verwant met het driftmatige van het dier en en uit een menselijk Ik-deel.
Vierendelen betekent dan: het ongedaan maken van de deze vier-eenheid en daarmee gaat de mens verloren.

Voet afhakken

Met de voeten staan we stevig op aarde. Dit vermogen gaat dus in één keer en definitief verloren. Je hebt ‘geen been meer om op te staan’; je kan niet meer ‘standhouden’, je kan niet meer ‘vooruitkomen’, geen ‘stappen zetten’.
Vgl. ‘op grote voet leven’;  ‘met beide voeten op de grond staan/in het leven staan’; iets is gebaseerd op waarheid: Duits ‘fusst’ auf Wahrheit; 

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2339-2195

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/7)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over fabeldieren gaat, is het niet zo makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 

7. FABELDIEREN

Draak

De draak is ook vandaag de dag in streken in het Verre Oosten nog het teken van dat goddelijke wezen dat de mens in het Paradijs zijn gelijkenis met God bewust maakte en in hem het verlangen aanwakkerde naar kennis van het goed en kwaad. Daarmee won de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid en langzamerhand het bewustzijn van zijn zelf, zijn Ik. In het Avondland waar de persoonlijkheidsontwikkeling eerder optrad. veranderde het teken, zoals ook het innerlijk van de mens veranderde. Zelfgevoel werd tot egoïsme, Ik-ontwikkeling ook. De zintuignatuur, eens met eerbied voor de natuur en respectvol, raakte op drift. Het lagere egoïsme begon te heersen.

Centaur

Deze gestalte – boven mens, onder paard – is het beeld van die mens die in zekere zin in het instinctieve van zijn verstand gevangen zit, dus het verstand dat nog niet tot zelfstandige kracht is geworden en waarover hij nog geen heer en meester is en het kan sturen, maar hij wordt door deze natuurkracht nog opgejaagd. De nog wilde bergvolken in Griekenland leken nog op centauren, i.t.t. de hooggecultiveerde bevolking van de stadstaten.

Feniks

De imaginatie van de feniks komt uit de feniksmysteriën die van Saba naar het ernaar genoemde Fenicië gebracht worden. De vuurvogel met de gouden of met de regenboogkleurige veren, met het nest dat naar kaneel (cinnamomum) ruikt, is als symbool wijdverbreid. Van tijd tot tijd stort hij zich in het vuur en verbrandt tot as om daaruit nieuw en wedergeboren op te staan. Sterven en opstaan, vergaan en weer geboren worden werd in de ervaring opgenomen. Het beeld duidt op de eeuwige individualiteit van de mens die in de dood afstand doet van het lichamelijke en verder gaat naar een nieuw leven. Ook duidt het op het (Duits Stirb und Werde = sterven en worden, zoals Goethe dat uitspreekt in zijn onvergankelijke wijsheiddwoorden:

Und solang du das nicht hast,
Dieses: Stirb und werde!
Bist du nur ein trüber Gast
Auf der dunklen Erde. 

Wel vertaald als:

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.

Of:

Maar zolang het je niet past
‘Sterf en leef dan!’ te aanvaarden, 
Ben je maar een droeve gast.
Op de donkere aarde. –

Dat wijst op de overwinning van de individuele geest op het lagere sterfelijke en vergankelijke.

Griffioende vogel Grijp

De griffioen neemt het beeld van de leeuw en van de adelaar samen: dapperheid, koenheid van de middenmens met de vlucht van de gedachten, de hoge vlucht van de adelaar, van het hoofd.

Vuurvogel = Feniks

Zeehaasje

Dit symbool is nog zelden te vinden: een haas met een vissenstaart. Het is het beeld voor de onzelfzuchtigheid (van de haas) die nog niet in de zintuigwereld, maar in de zielenwereld, de in beweging zijnde zielenwereld (in het water) thuis is.
.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2331-2187

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/4)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over planten, bloemen en vruchten gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een appel betekent dit, een roos betekent dat.

4.PLANTEN

Aardbei

De aardbei – geen echte vrucht – is volgens oude opvattingen geneeskrachtig bij vermoeidheidsverschijnselen van de hersenen en wordt als hart-versterkend gezien. Ze staat symbool voor de gezond makende kracht van de liefde.

Appel

In tegenstelling tot de vruchten waarvan het vruchtbeginsel zich duidelijk naar boven toe ontwikkelt, groeit zijn vruchtbeginsel zoals bij vele verwante vruchten naar beneden, wordt onderstandig en is tegelijkertijd een opzwellen van de bloembodem, van de verlengde stamper. Hij omhult zijn behuizing twee keer. 
Door deze vorm en als vertegenwoordiger van andere vruchten werd hij terecht tot het symbool van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad, tot vrucht van de zondeval. De mens werd burger van twee werelden. Wordt deze val in de afzondering door kennis van de geest weer op een hoger niveau getild, dan spreekt het sprookje over de appel van het leven, met het oog op de wijsheid over de gouden appel.

Appelboom

Boom van de kennis van goed en kwaad.

Boom

Symbool voor het zenuwsysteem, dat zich als een boom vertakt en ook symbool voor het zenuwsysteem dat de groei- en levenskrachten begeleidt. Beeldend woord in het Duits ‘sich aufbäumen’ = zich oprichten (opbomen).

Eik

De knoestige eik met zijn buitengewoon harde, langzaam groeiend hout gold voor veel volkeren als heilig. Hij was aan de god \mars gewijd. De in de mens aanwezige martiale wilskracht kan in het sprookje verschijnen al het beeld van de eikenboom.

Gras

Het gras dat onze aarde met een levend tapijt bedekt, is het beeld van de elementaire, aardse, vegetatieve levenskrachten. Hooi duidt op het verdrogen van deze levenskrachten.

Hazelaar

Oude boerenwijsheid plantte de hazelaar op de hoeken en langs de hekken, want men roemde zijn eigenschap levenskrachten aan te trekken. Zo werd de struik – ook de boom – tot het symbool van die levens- en wordingskracht die in de mens als een levensboom omhoog groeien.

Hazelnoot

Dat de hazelnoot een buitengewoon hoge voedingswaarde heeft, de zenuwen sterkt alsmede de levenskrachten in het algemeen, komt naar voren in een oud spreekwoord: Duits: ‘Sieben Haselnüsse am Tage und man ist nicht unterernährt’. (Zeven hazelnoten per dag en je bent niet ondervoed).

Hooi = gras

Jeneverbes

De jeneverbes geldt al sinds de oudste tijden als zeer geneeskrachtig. Hij geeft levens- en verjongingskracht.
Bij de Kelten en de Germanen werden jeneverbestakken op de offeraltaren verbrand om wierook te maken.

Jeneverbesboom

De mysterieboom van de Keltisch-Germaanse volkeren.

Knol

Duits Rübe. Een wortel die met voedingstoffen verrijkt is. De krachtige stofwisseling met de aarde duidt op onderbewuste,onder de oppervlakte werkende levenskrachten.

Lelie

De lelie met het bovenstandig vruchtbeginsel (andere symboolplanten zoals de appel zijn onderstandig, de roos boven- en onderstandig, dus een middenvorm) bouwt in haar bol haar eigen basis, wortelt dus niet dieper in de aarde. In het teken van de oude symbooltaal wil zij niet, zoals de roos, met de aarde verbonden zijn. De witte bloemen in een streng gevormde zesheid en het feit dat ze ’s nachts haar geur verspreidt, duiden op haar kosmische gerichtheid. De lelie gold vanaf het begin als symbool voor de maagdelijkheid.

Peer

Sappige, mild-zoete vrucht, vloeiend als druppelvorm gevormd. Die staat voor het stromende, vloeiende gevoel. Wie de gelaatsuitdrukking van de twee madonnabeelden van Dürer met elkaar vergelijkt, de madonna met de appel en de madonna met de peer, komt achter de verschillende symboolwaarde van appel en peer.

Perenboom

Uitdrukking voor het stromende gevoel in het zenuw-zintuigsysteem.

Roos

Met vijf blaadjes bloeiend, altijd een welriekende geur, komt tot bloei aan een sterke stam van doornen voorzien, die krachtig in de aarde wortelt. Deze bloem werd tot symbool van de liefde die uitgroeit boven alles wat verwondt, het boze overwint en onzelfzuchtig zich op de omgeving richt. Beeld van de christelijke liefde.

Walnoot

De walnoot lijkt in haar vorm op de hersenen, die net zo in de schedel liggen als de kern in de noot. In de beeldende taal wordt het hoofd wel als Duits ‘Nuss’ – noot – aangeduid. Nederlands heeft bv. ‘je kersenpit’.

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelenwaaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2329-2185

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/6)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

6.Voorwerpen

Haard = oven

Kuip = vat

Oven

De warmtebron van het huis wordt tot symbool voor de warmtebron in het lichaam: het hart.
Fysieke en psychische ‘hartervaringen’ worden daarin gespiegeld, bijv. wanneer over een gloeiende oven wordt gedroomd.
Vgl, ook de beeldende woorden zoals ‘brandende liefde’, ‘gloeiende liefde’, ‘verkillende vriendschap.’

Spinwerktuigen

Met spindel en spinnenwiel  wordt gesponnen. Deze wijzen naar het denkproces. Zij symboliseren het spinnen van gedachtedraden, de draad van de logica.
In beeldende woorden: Duits heeft: ‘Jemand spinnt’ = iemand denkt iets uit; ‘spintisieren’ = mijmeren, peinzen, piekeren; hij heeft last van ‘hersenspinsels’, hij heeft ‘de draad verloren’, je ‘neemt de draad weer op.’
De spoel is er om er iets op te winden, de gesponnen draden bij elkaar te houden. Spoel en kluwen wijzen zo op meer of minder tot het einde gebrachte gedachtestromen. Komen die ongeordend bij elkaar, duidt dit op een ‘ver’wikkeling, worden ze afgewikkeld, betekent dat een ‘ont’wikkeling.
De haspel is er om de draden bij elkaar te houden. Dat is een beeld voor het vermogen logische gedachten tot een eenheid, een idee te verbinden. Beeldend: iets verhaspelen (door gedachten die in de war zijn.

Ton = vat

Vat

De equivalente woorden ton, kuip e.d.: deze woorden staan in de sprookjes met de betekenis van: kleinst mogelijke behuizing op de kleinste ruimte. Vgl. uitdrukkingen zoals ‘in het nauw gedreven worden’, ‘heel klein voelen’.

.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2325-2181

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/5)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, hier bijv. is het afkomstig van de plant of van het dier, hoe klaargemaakt, hoe ruikt, smaakt het, enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

5.VOEDING

Brood

Zoals het brood het meest voorkomende, belangrijkste voedsel voor ons lichaam is, zo is voor ons geest-zielenwezen de geestelijke kennis van belang, die in het sprookje ‘brood’ wordt genoemd.

Druivensap = wijn

Ei

Dit bevat de kiem voor nieuw leven, is symbool voor voortbrengende nieuwe levenskracht, ook beeld van het zich steeds vernieuwende Ik van de mens.

Honing

Honing is zonnevoedsel, opwekkend, gezondmakend, harmoniserend; in de Oudheid vormde het in de mysteriën het voedsel voor de priesters. Het beeld van de honing duidt op geestelijke krachten van een zonachtige, het denken stimulerende kracht.

Melk

Melk wordt in een levend wezen gevormd in samenhang met de voortplanting onder invloed van maankrachten. In dit opzicht is het geen onmiddellijk aards voedsel, het komt uit het bereik van het organische, uit de vitaliteit, het is kosmisch voedsel. Melk maakt sterk voor de aarde. Als beeld wijst het naar kosmische krachten.

Water

Wanneer het uit het binnenste van de aarde komt, duidt water als drinken op het element van het oorspronkelijke voelen, op hoe het de mens verkwikt.

Wijn

Wijn is het edelste zonneproduct. Zolang de mens een groepswezen was, door zijn binding aan stam en volk, had hij behoefte aan de wijn die het levensgevoel versterkt en het zelfbewustzijn verhoogt. Zo wordt ze in het sprookje gebruikt: als sterker worden van het Ik en de wilskracht.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2322-2178

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/3)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

3.KLEDING, OPSMUK, WAPENS

Edelsteen

Daar de steen in zijn hardheid de uitdrukking is van de materie, wijst de edelsteen naar het veredelde materiële. Hij wordt uit de aarde gewonnen, staat daarom voor edele aardesubstantie.

Hemd

Het hemd is de omhulling van ons lichaam dat ons het eerst wordt aangetrokken. Mythen en sprookjes schetsen het geheel aan elementaire levenskrachten die door het fysieke lichaam stromen – wat Aristoteles de vegetatieve ziel noemt – als een hemd. Het draagt ons onderbewuste gedachteweven en -leven. Het is belangrijk van welk materiaal dit hemd is gemaakt: linnen duidt op ‘gedachten’, zijde ‘de getuige van een lange metamorfose’ wijst op omvormingskracht.

Hoed

De hoed bedekt het hoofd. Hij drukt het denken met het hoofd uit. Zoals de hoed ons afsluit naar boven, zo doet ons hersendenken dat naar de algemene geestelijke wereld. In het Duitse spreekwoord ‘man muss etwas auf seine Kappe nehmen’, wordt op de persoonlijke verantwoordelijkheid van het bewuste denkvermogen gewezen. 
In gewoonten, profane en religieus-cultische gebruiken vinden we een spiegeling van dit proces.

Jas

Dit kledingstuk. over de borst gedragen, wijst op de belevingen van de ziel. Duits heeft: ‘Die Jacke ist ihm zu eng’.

Jurk 

Over het hemd, als een tweede omhulsel wordt in het sprookje de jurk tot beeld van een tweede omhulling. Die staat voor het totaal aan gewaarwordingen, gevoelens, hartstochten, dus voor het innerlijk leven van de gevoelens.
Duits heeft hier ‘Kleid’ dat meer betekenissen heeft.
Dit totale zielenleven hebben de middeleeuwse schilders van heiligenbeelden als aura gezien en weergegeven. Aan de helderziende verschijnt deze in talrijke kleuren, ook als eivormige goudstralende mandorla en met regenboogkleuren. In de sprookjes zijn de kleurengegevens niet zomaar, ze zijn een uitrdrukking van te onderscheiden zielentoestanden. Is het innerlijk leven nog heel driftmatig en verwant aan dat van het dier, dan verschijnt de mens in het sprookje met een dierenhuid.

Kap = hoed

Kroon

De kroon heeft bij de kroning en zalving van een heerser cultische betekenis. De gouden kroon is het zichtbare teken van verlichting en wijsheid die de heerser in de aura van zijn hoofd moet uitstralen. De ijzeren kroon duidt op de aanwezigheid van het Ik en de ijzeren wil.

Mantel

De zielenomhulling van de mens en van wie bij hem horen. In het beeld van de koning of de koningszoon verschijnt de mantel als een omhulling.
De symboolwaarde van de mantel is nog duidelijker voor ons bij de priester in de cultus, in de toga van de rechter, want in deze samenhang is de mantel heel duidelijk symbool, geen kledingstuk.
De rode kleur van de mantel zegt ons dat de taak van de koning is de behoeder te zijn van het bloed van zijn volk.

Parel

Door water omspoeld groeit de parel in de schelp; het tere glazuur herinnert daar nog aan. Een parelketting verliest haar glans, wanneer deze lange tijd niet wortdt gedragen. Als symbool wijst de ‘in het water geborene’ op de zielenwereld. Ze is tegengesteld aan de edelsteen die ons wijst op de tegenovergestelde wereld van het aardse.

Ring

De in zich gesloten cirkel is het teken van de verbinding, van het ‘samen’. Zo kan ook het op zichzelf staande (gesloten) bewustzijn door het symbool van de ring vertegenwoordigd worden.

Rok

Over het onderlijf gedragen, duidt de rok op de bewegingen van de wil.

Schoen

Met de schoenen sta je op aarde. Als beeld drukt het onze relatie tot het aardse uit; dat is echter de relatie met het leven, tot onze opdracht(en) en mogelijkheden. Wie maar één schoen draagt, staat niet vol meer in het leven; wie schoenen heeft met gaten, heeft vaardigheden verloren en wordt ongeschikt voor de levensloop; afgetrapte schoenen duiden erop dat een levensweg ten einde is.
De witte schoen zegt dat de drager ervan kan leven uit reine, onaardse krachten, heeft de aarde nog niet helemaal betreden of heeft zich daarvan weer losgemaakt.
De rode schoen heeft de kleur van het bloed: gezond rood bloed helpt ons aan een goed Ik-bewustzijn en laat ons een daadkrachtig leven leiden. Er moet een goed onderscheid worden gemaakt wat de vossen- of vlammend rode schoen betreft die op egoïsme duidt.
De gouden schoen: wijsheid en lichtkracht in de levensloop.

Vel = zie bij jurk

Vest

Over de borst gedragen duidt het op het gevoelsleven. zie ook de andere kledingstukken. Duits: ‘er hat eine weisse Weste’, = hij heeft een zuiver geweten.

Wapen = zwaard

Zwaard

De kracht van het woord, is de kracht van het zwaard; het zwaard helpt en beschermt, verwondt en doodt echter ook. Het is tweesnijdend – ook het woord.
In de hand van de strijder, betekent ‘zwaard’: eigen, persoonlijke macht van het woord.
Waar ook in het sprookje wapens, zoals pijl, boog, buks, (jacht)geweer, genoemd worden, wordt gewezen op doelgericht en trefzeker handelen.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjes: alle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2319-2175

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/2)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een bepaald beroep nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de gereedschappen, de uitrusting enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n beroep anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

De beroepen vertonen zich meestal in een mannelijk beeld, omdat ze samenhangen met het Zelf, het Ik en voor dit laatste kiest het sprookje voor het mannelijke aspect. Daar drukt de scheppende mens zich in uit. 
Een beroep kan een gegeven zijn om daarmee je opdracht te vervullen, het kan een overgangsfase betekenen, maar ook het doel
Wanneer het sprookje over de ‘boerin’ spreekt, de kokkin, de molenaarsdochter, dan wijst dat naar hetzelfde proces, maar dan vanuit de ziel gezien.

2.AMBT EN BEROEP

Boer

Hij bewerkt de aarde eb oogst de vruchten daarvan. Beeld van de mens of een vermogen van hem: de fysieke levensgrond, het aardse wordt bewerkt, omgewerkt om de beste vruchten te verkrijgen. Beeld voor het verkrijgen van alle wijsheid die aanwezig is op aarde.

Dienaar = knecht

Herder

Hem is het pure en onschuldige leven toevertrouwd dat hij moet verzorgen en voor gevaar moet behoeden. Hij staat voor het vermogen van overgave en bereidheid om wat geestelijk ontvangen is te bewaren en te verzorgen op een sappige weide (gezonde groeikrachten) en voor wilde dieren  (driften) te behoeden.

Houthakker

Hij is in zekere zin het tegenovergestelde van de tuinman: een eenzijdig abstract denkend theoreticus, analyserend, begrippen klovend, daarbij het geheel van het levende uit het oog verliezend. De houthakker staat voor een zekere eindfase in die persoonlijkheidsontwikkeling die eenzijdig de weg van het intellectuele is gegaan.

Jager

Hij staat voor die waakzame, doelgerichte wezenskracht die driften en instincten opzoekt en doodt om te voorkomen dat ze de overhand krijgen; hij verzorgt de dieren en temt ze af en toe. Verder is hij het beeld voort een doelgericht streven in de jacht naar meer kennis.

Kindermeisje

Zielenkrachten die het geesteskind verzorgen en onderhouden, verschijnen in de sprookjes als kindermeisjes.

Kleermaker

Het sprookje noemt het intellect ‘snijder’, want hij gaat het ‘geheel’ te lijf, verdeelt dit en zet die naar eigen ‘maat’staf weer voor iets nieuws in elkaar. Hij werkt analytisch en synthetisch. Wanneer het sprookje over het slimme of dappere kleermakertje spreekt, dan wordt het productieve, voortschrijdende intellect gebruikt. Maar we kennen ook het verwaande kleermakertje (bijv. in ‘De reus en de kleermaker’ (Grimm nr. 183).

Knecht

De knecht, de dienaar, betekent vooral een zielenkracht die het Ik als heerser, dient en handelingen voltrekt die de heerser niet wil doen of niet kan.
Zo is er bij de mens innerlijk een vermogen nodig als aanvulling op het heersende deel. Deze knecht in het innerlijk verkrijgt andere inzichten en heeft soms ook meer wisheid fan het heersende aspect van het Ik.
Knecht kan een noodzakelijke overgangsfase betekenen naar een succesvolle afsluiting.

Kok

Symbool voor dát vermogen dat kan kennen en onderscheiden, die voedsel bereidt voor ziel en geest en dit voedsel smakelijk klaarmaakt. Wanneer hij dit vermogen niet heeft, wordt hij een slechte kok.

Koning

Koning zijn betekent: onbeperkte macht bezittend. In het sprookje duidt het ambt en beroep van koning aan dat de hoogste trap van innerlijke ontwikkeling is bereikt. Het rijk van de koning kan zowel de innerlijke wereld van de geest (bijv. de oude koning – de vader in het sprookje van het Ezeltje) als ook de binnenwereld van de ziel (bijv. de vreemde koning – de vader van de bruid – in hetzelfde sprookjes) omvatten, dus het geheel van de innerlijke mens. In het woord ‘zelfbeheersing’ zit dit innerlijke koningschap al. De koning kan ook zijn macht misbruiken en een boze koning worden.

Koopman..

Hij koopt en verkoopt, handelt met goederen die hij niet zelf geproduceerd heeft. Vandaag kan hij rijk zijn, morgen arm. Hij is het beeld van de mens die niet meer vanuit de volheid van de scheppende wijsheid leeft, maar alleen nog uit des chatten van het verleden die vandaag nog gelden, morgen echter hun waarde verloren kunnen hebben.

Molenaar

Hij is het symbool voor die werkzaamheid die de vruchten van de aarde, vreugde en smart van de aardse ervaring zo weet te verwerken, dat de voorwaarde om tot geestelijke kennis te komen geschapen wordt. Geestelijke kennis is ‘brood’.

Ridder

De ridder heeft een ijzeren harnas en is bewapend; hij trekt te paard ten strijde. Offerbereid wil hij zich inzetten. Taal: een ‘ridderlijk gemoed’. In het sprookje wordt hij de gepantserde wil en het Ik dat zich met doodsverachting inzet, door de kracht van het verstand (paard) gedragen, uitgerust met alle deugden.

Rover

Ook dit is een beroep, ook al is het negatief. Waar rovers inbreken of ergens bezit van nemen, werken ze destructief. De mens kan tot krachten vervallen die niets anders hebben dan begerig zintuigindrukken op te doen , de mooie wereld te plunderen, zonder haar dank te bewijzen.

Schoenmaker

Hij maakt schoenen of herstelt ze. Zoals je met je schoenen over de aarde gaat en staat, zo moet de innerlijke ‘schoenmaker’ in ons het vermogen ontwikkelen, met zekerheid in het leven te staan, goede vooruitgang te boeken, onze levenswandel op de juiste wijze te voeren.

Smid

Zoals de smid in het vuur het ijzererts smeedbaar maakt en naar zijn wil vormt, zo wordt de mens de smid van zijn levenslot wanneer hij de ijzerprocessen van zijn bloed aan zich dienstbaar maakt. Met de natuurkracht van het ijzer in het bloed vormt de innerlijke smid zijn eigen wezen tot persoonlijkheid, tot Ik.

Soldaat

Hij is het beeld voor de innerlijke strijder.

Tuinman

Hij is het beeld voor die wezenskracht die in het innerlijk van de mens het goede, het bruikbare, het waardevolle door liefderijke verzorging tot ontwikkeling brengt. Wie het zaad van ‘het goede woord’ uitstrooit, de ‘wilde’ zielendriften snoeit, wie de zich louterende ziel omringt en verzorgt en geestelijke groei steunt en bevordert, wie met geduld kan wachten, is zover tot ontwikkeling gekomen dat hij tuinman kan zijn.

Visser

Visser is de mens die tast naar de diepten van de zielenwereld en die de gedachten kan ophalen die uit de oergrond opduiken om zich als beelden te openbaren. Dat is het echte zielenvoedsel. Tegenover de visser staat de wever.

Wever

Hij weeft de gesponnen draden tot een weefsel. Overdrachtelijk: losse gesponnen gedachtedraden (hersenpinsels) worden tot een patroon geweven. Aan het weven gaat het spinnen vooraf. Onder spinnen verstaat de beeldspraak het aan elkaar rijgen van gedachten tot gedachtedraden, tot logische draden. Dat vermogen om deze draden tot een geheel samen te voegen, heet ‘wever’.

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2316-2172

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/0)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

De schrijfster maakt een indeling.

Ze gaat in op deze beelden – hier alle bij elkaar in alfabetische volgorde

Aardbei
Adelaar
Afhakken van hand, hoofd, voet
Appel
Appelboom
Bakken
Braden
Beek
Beer
Berg
Bij
Boer
Boom
Bos
Brood
Bron
Bruiloft
Centaur
Dal
Dienaar
Dochter
Dorp
Draak
Druivensap
Duif
Dwerg
Edelsteen
Eend
Egel
Ei
Eik
Ekster
Elf
Ezel
Fee
Feniks
Gans
Geit
Gras
Gras
Griffioen
Grijp vogel = griffioen
Grijsaard
Haan
Haas
Haard
Hangen
Havik
Hazelaar
Hazelnoot
Hemd
Herder
Hert
Hoed
Honing
Hond
Hooi
Hooi
Houthakker
Huis
Hut
Jager
Jas
Jeneverbes
Jeneverbesboom
Jongeling
Jonkvrouw = jonge vrouw
Jurk
Kap
Kasteel
Kat
Kikker
Kinderen (laten) verdwalen
Kindermeisje
Kleermaker
Knecht
Knol
Koe
Kok
Koken
Koning
Koopman
Knaap
Kraai
Kroon
Kuip
Land
Leeuw
Leeuwerik
Lelie
Man
Mantel
Meer
Meisje
Melk
Mier
Moeder
Moeras
Molenaar
Muis
Nachtegaal
Nix
Ogen uitsteken
Ophangen
Opvreten
Oude man = oude vrouw
Oven
Paard
Pad
Parel
Panter
Pauw
Peer
Perenboom
Raaf
Ree
Reus
Ridder
Ring
Rivier
Rok
Roos
Rover
Schoen
Schoenmaker
Slang
Slot
Smid
Soldaat
Spinwerktuigen
Stad
Stiefmoeder
Stier
Tijger
Ton
Toren
Tuin
Tuinman
Undine
Vader
Valk
Varken
Vat
Vel
Verbranden
Verdrinken
Verdwalen
Verhangen
Verslinden
Vest
Vierendelen
Vijver
Vis
Visser
Voorvader = voormoeder
Vos
Vrouw
Vuurvogel = feniks
Walnoot
Wapen
Water
Water
Waterman/vrouw
Weide
Wever
Wijn
Woestenij
Wolf
Wortel
Woud
Zee
Zeehaasje
Zoon
Zwaan
Zwaard
Zwijn

Wordt vervolgd     

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2314-2170

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/1)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchensomt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je in een bos bent, of over een weiland gaat, aan een beekje zit, kan je alle indrukken in je opnemen: wat hoor ik, wat zie ik, hoe ruikt het, enz.
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: het woud betekent dit, de berg betekent dat.

1.LANDSCHAP

Beek – zie rivier

Berg:

We zijn ‘hooggestemd, vol goede moed’; 
We zien ‘van bovenaf’, zien ‘neer’, kennen de ‘verheven’ stemming, het ‘overkoepelende’ weten. 
Er wordt een ‘hogere waarheid’ verkondigd, d.w.z. in de beeldentaal: ‘de berg beklimmen, bestijgen’. 
De mens werd naar de ‘berg’ van/in zijn zielenlandschap geleid om het overzicht te krijgen; daar kan hij wel in verzoeking gebracht worden.

Bos = woud

Bron

Duits heeft ‘Brunn’: Beeld voor de scheppende diepte; voortdurende vernieuwing van de ziel of wat ermee samenhangt.

Duits heeft ‘Quelle’: ‘het bruisende, scheppende nieuwe. Taal:’tot de bron teruggaan; bronnenonderzoek’.

Dal

Laagte, i.t.t. de berg. Het dal van het dagelijks leven waarin de mens zich dienend realiseert. Hier staat hij dicht bij de aarde, maar hij is er niet in. Hij woont beneden aan de berg, maar niet erin.

Dorp

Beeld van het sociale samenleven en – werken.

Gras = weide

Hooi = weide

Huis

Beeld van de lichamelijkheid als ‘behuizing’, ‘onderkomen’ voor de geest en de ziel. In de beeldspraak van de taal: ‘Iemand gaat uit zijn dak’, Duits heeft o.a. ‘Jemand ist aus dem ‘Häuschen’ (Iemand is uit zijn huisje). Iemand heeft ‘einen Dachschaden’ (dakschade); ‘er klopt iets niet in het bovenkamertje’; iemand heeft geen fundament, basis, grond onder de voeten. 
Ook in de vorm van hut, toren, slot.

Hut = huis

Kasteel = slot

Land

In materiële zin staan wij wat de zintuigwereld betreft op ‘vaste bodem’, op ‘zekere grond’; de ‘vaste basis van de feiten’; en we hebben ‘standpunten’. Het grondwoord ‘verstaan’ (begrijpen) heeft als kernwoord ‘staan’. Men ‘zet stappen voorwaarts’, ‘gaat vooruit’ in de wereld die zich als ‘dingwereld’ laat meten en becijferen. In de taal: ‘vaste grond onder de voeten hebben’, ‘stevig op de aarde/de grond staan’; ‘(vast)geworteld zijn’,’met beide benen op de grond’

Meer = zee

Moeras

Wanneer de mens in een situatie raakt, waarin hij noch in het bewustzijn van zijn zintuigen (d.w.z. op het land) noch in zijn zielenbewustzijn (d.w.z. op het water) zekerheid heeft, ‘verliest hij de grond onder zijn voeten’. Deze onheilspellende ‘tussentoestand’ verschijnt als ‘moeras’, taal: ‘in het moeras belanden’, ‘wegzinken’, ‘zompig’. 

Rivier (stroom)

Beeld voor de beweeglijke ziel, het stromende leven, vgl. het woord ‘geestelijke stroming’; ‘alles stroomt’ (Duits: es ist alles in der Fluss’ (Fluss = stroom/rivier); de ‘stroom van de tijd’.

Slot

Het slot dat zich door grootte en rijkdom onderscheidt van het huis, is een beeld voor de ‘behuizing’ van het lichaam. Het wordt gebruikt wanneer het lichaam meer betekenis heeft, ‘voller’ is en rijker beleefd wordt; zo woont het kind overwegend in een slot want het kent de grenzen van zijn lichamelijkheid niet.
‘Stenen slot’ duidt op het hoofd als ‘woning’, omdat de schedel de hardste botstructuur heeft.

Stad

Als grootste bewoning duidt dit woord in de taal op de grootste sociale gemeenschap.

Toren

Lijkt op huis, hut, slot, heeft betrekking op de lichamelijkheid. In het bijzonder duidt de toren op de afzondering, de afgesnoerdheid; aan de andere kant kan de toren niet alleen maar het symbool van de lichamelijkheid zijn, maar eigenlijk ook staan! voor standvastigheid en zelfstandigheid.

Tuin

Gebied van de diverse groeikrachten, waar gezaaid wordt en levenskiemen bedachtzaam worden geplant, zodat er vruchten kunnen rijpen. Zie ook ‘de tuinman’. (nog niet oproepbaar)

Vijver = zee

Water

Symbool voor het gebied van de ziel; wijst op een bewustzijn dat boven het door de zintuigen begrensde bewustzijn uitgaat. In de ‘oerschoot’ van de ziel ‘golven’ gevoelens heen en weer, ‘wellen driften op’; daar kan het ‘kolken’. Droomachtige gevoelens en gedachten ‘duiken op’ en ‘verstarren’ (ijs?) De mens moet zichzelf behoeden voor dromend ‘wegstromen’ of ‘onder gaan’. Taal: ‘iemand gaat kopje onder’, is in zichzelf ‘verzonken’; ‘het water staat tot aan de lippen’.

Weide

Innerlijk veld waar de levenskrachten spruiten, uitlopen, die door de zon beschenen tot bloei kunnen komen. Gras is een bijzondere uitdrukking voor vegetatieve krachten. Hooi is het beeld van het verdrogen daarvan.

Woestenij

Toestand van verarming en verdroging, de kale verdorde vlakte. Taal: ” iemand heeft zijn leven verwoest’; ‘bij hem is alles woest en leeg’

Woud

Het is het gebied waar het vegetatieve leven met woekerende groeikracht met beklemmende dichtheid werkzaam is. Het is een grensgebied tussen de wereld van de zintuigen en de geest. Hier kan de driftnatuur op een bijzondere manier tevoorschijn komen (wilde dieren). Hier worden ontwikkelingswegen gezocht, je kan je vergissen, maar ook de juiste weg vinden. Het woud is beeld voor een innerlijke toestand met meer kanten, die iedere zoeker naar de geest door moet maken.

Zee

Tussen het vaste, de voorwerpen op deze wereld hier en de geestelijke wereld ‘daar’, ligt ‘schommelend’, ‘op  – en afgaand’ de wereld van de ziel; de oneindigheid verschijnt hier in het beeld van de zee of van het meer. Kleinere wateren, zoals vijver, plas duiden op een meer begrensd bereik van de zielenwereld. Zie ook water (hierboven)

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2313-2169

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-2)

.
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

de beeldentaal van de sprookjes

In de inleiding van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ zegt de schijfster Friedel Lenz:

Wilhelm Grimm zegt:

‘Wat de sprookjes gemeen hebben zijn de overblijfselen van een geloof dat in oude tijden teruggaat en dat verwoord wordt in een beeldende opvatting van bovenzintuiglijke dingen. 
Dit mythische lijkt op een edelsteen die kapot gesprongen is en die op de grond ligt waar gras en bloemen rijkelijk groeien en alleen door een scherp oog ontdekt kan worden. De betekenis ervan is allang verloren gegaan, maar wordt nog wel gevoeld en geeft aan de sprookjes de waarde, terwijl ze tegelijkertijd het natuurlijke verlangen naar het wonderbaarlijke bevredigt; nooit zijn ze alleen maar een kleurenspel van inhoudsloze fantasie.’

Hoe komt de mensheid ertoe te spreken in een taal die van inhoud beeldend is? En welke bovenzintuiglijke dingen worden dan in de sprookjes uitgedrukt?

Modern sprookjesonderzoek zegt: sprookjes zijn de ware dromen van de volkeren. In dromen wordt niet gedacht. In een bonte afwisseling komen de beelden in de ziel op. Vandaag de dag zijn deze beelden in de meeste gevallen chaotisch, nabeelden van wat er overdag gebeurde.

Een andere manier van dromen duidt op diepere samenhang. Wij kunnen bijv. dromen dat het huis waarin we wonen, in brand staat. We vluchten voor de brand, worden wakker en – hebben koorts. Het lichaam is het huis, de koorts de brand. Stervende mensen dromen vaak dat ze hun huis moeten verlaten, kinderen daarentegen dat ze een huis zoeken. Of we zijn verdwaald in een bos en vinden maar geen uitweg of rotsen en bergen rijzen hoog voor ons op en we komen niet verder. En dan moeten we zeggen: dit zijn niet alleen maar beelden van het dagelijks leven, of van de gewone chaotische droom, ze spiegelen uitzichtloze situaties waarin wij ons bevinden.

Een derde vorm van dromen is nu wel zeldzaam geworden, maar komt nog voor, vooral bij schokkende gevoelservaringen. Dat is de lotsdroom, de profetische waarheidsdroom die zich binnen in de mens uitspreekt.
Hier kom je op het terrein van de precieze waarheidsbeelden, op het terrein van het bewustzijn dat beelden schept en daaruit stammen ook de sprookjes.

In een vroegere fase van de mensheid hadden alle volkeren zo’n bewustzijn. De droom van ’s nachts is daar een laatste overblijfsel van. De mens leefde toen oorspronkelijk ook overdag, later voornamelijk ’s nachts, met een droomachtig beeldbeleven. Hij zag niet alleen – zoals de moderne mens – de wereld van de tastbare voorwerpen in de buitenwereld van de zintuigen met zijn lichamelijke ogen, maar hij nam ook de wereld waar die daarin werkzaam is. Toen zijn veel plooibaardere wezen in aanraking kwam met andere wezens, vormde hij die in zich na: een wezen sprak zich in een wezen uit met innerlijke waarheidsbeelden. Deze helderziendheid leefde als natuurkracht in hem.

Het was het mythologische tijdperk. Uit het beleven van de goddelijke oerwereld kreeg de mens zijn grootse imaginaties (imago = beeld)  over het ontstaan van de wereld en de mensheid: de mythe. 
Hij kon de goddelijke machten innerlijk zien. Ook de leidende geest van zijn volk beleefde hij niet abstract denkend zoals wij, maar schouwend als een werkzaam wezen. 
Zo werd bijv. de Duitse volksgeest die zich nog niet in één enkel volk kon uitspreken, maar nu eens in deze stam en dan weer in een andere, imaginatief als ‘Wanderer’ wandern = wandelen, rondtrekken, dwalen zonder doel’ beleefd. 

Op deze manier werden voor de mensen het lot en de ontwikkelingen van het volk waartoe ze behoorden of waarmee ze te maken kregen, in de beelden van de grote heldensagen duidelijk.
Vanuit de beleving van zijn eigen wezen en zijn eigen lot vormde de mens een nieuwe manier van vertellen: de sprookjes.

Sprookjes zijn beelden van het innerlijk lot en de ontwikkelingen van de individuele mens.

In het mythische tijdperk werden de waarheidsbeelden geschouwd (droomachtige imaginaties). Tijdens de ontwikkeling van het denken werden ze in woorden gekleed en verteld, De vroegere vertellers waren in het vrouwelijk tijdperk van de mensheid de vrouwen die de stammen leidden, de helderziende vrouwen, de profetessen, zoals Tacitus nog over de grote zieneres Weleda spreekt.
In het mannelijk tijdperk was het de opdracht van de barden en rapsoden, uitgezonden van de mysterieplaatsen van de Druïden bij de Kelten, van de koningshoven bij de vroegere Germanen om mythen, heldenagen en sprookjes te vertellen.

In het middelpunt van onze Germaanse mythen staat die grote bewustzijnsverandering die Simrock in de 19e eeuw in het beeldende woord ‘godenschemering’ samenvatte. Het helderziend waarnemen van een goddelijke wereld verbleekt en de op zich staande verbinding met de wereld die steeds zo als aanwezig werd beleefd, wordt steeds vager. Tegelijkertijd wordt in de mens van het Avondland de zelfstandige persoonlijkheid wakker, het Ik. Deze grandioze gebeurtenis heeft voor iedere individuele mens betekenis voor het lot.

De sprookjes die de gebroeders Grimm met niet aflatende ijver verzameld hebben, spiegelen wezenlijk deze bewustzijnsverandering: een rijk moet worden verlaten, een koningschap opgegeven; je leeft in armoe en wordt op de proef gesteld. Uiteindelijk wordt er op eigen kracht een nieuw rijk en koningschap gevonden. We herkennen de weg van de persoonlijkheidsontwikkeling, het individu-worden. 
De sprookjes tonen de gevaren van deze weg, de opdrachten  die tot een goed einde moeten worden gebracht, de beproevingen die moeten worden doorstaan; wat je bereikt hebt, moet blijvend worden. De hoogste trap die kan worden bereikt is de mens die Christus in zichzelf meedraagt. Dat wordt niet uitgesproken door christelijke namen, maar wordt duidelijk door de daden. Het gaat om het woord in Johannes: ‘Ik heb jullie tot koning gemaakt.”

Het is wel zo dat het beeldende vermogen algemeen was en sommige sprookjes kunnen hier of daar wel onder het volk ontstaan. Maar onze belangrijkste sprookjes laten zo’n diep weten van het mensenwezen zien, zo’n gave leiding van innerlijke ontwikkeling, wijzen zo doelgericht naar een toekomst, dat wij daarin de hand van grote pedagogen herkennen. De namen zijn onbekend, maar zorgvuldig waarnemen van de leerweg en de symboliek die erbij hoort, laat ons in de gangbare vertellingen bepaalde centra zien:

Sprookjes zijn bewuste ‘leerstof’, net zoals de grote opvoedings- en vormingsmiddelen van de volkeren

Tot de 9e eeuw gold in het Avondland de zgn. trichotomie, de indeling van de mens naar lichaam, ziel en geest. De pedagogen die de sprookjes schiepen, hanteerden de leer van de drieledige mens die Aristoteles al begripsmatig had geformuleerd, hoewel de tweedeling van de mens in lichaam en ziel intussen tot dogma verheven was. 

Dit is een belangrijke sleutel om de sprookjes van hieruit te bekijken. De geest van de mens, zijn eeuwige kern, het Ik verschijnt ten tonele in het mannelijke beeld en alle krachten die daarbij horen worden als mannelijk voorgesteld.
De ziel spreekt zich in de beeldentaal van alle volkeren uit als een vrouwelijk wezen en alle zieleneigenschappen verschijnen als vrouwelijke wezens.
Het lichaam als beschermende omhulling vertoont zich als huis, slot, hut, toren.
Ieder sprookje is een klein drama dat zich afspeelt op ons innerlijk toneel. De menselijke figuren zijn personificaties van de krachten van geest en ziel; driften en instincten daarentegen verschijnen in deze samenhang als dieren. De gebeurtenissen worden als handelingen in hun beelden uit de uiterlijke wereld met de dingen, de voorwerpen, genomen, maar moeten als volledig zich in het binnenste afspelende gebeurtenissen worden gezien. Ieder landschap is een innerlijk toneel.
We moeten tegenwoordig met vernieuwde inzet proberen om het sprookje te begrijpen, want de moderne mens begrijpt de beeldentaal niet meer. Hoewel onze taal vol beeldspraak zit.
De meeste woorden zijn uit beelden ontstaan. Taal is verstard beeld. Maar het intellectuele denken ziet het beeld niet meer. De beelden in woorden te herkennen is nog een belangrijke sleutel.

Waarom zijn sprookjes belangrijk voor de geestelijke ontwikkeling van een kind?

Een sleutel om de betekenis van het sprookje en dat bij de opvoeding van het kind te betrekken, kan wel de uitspraak zijn van een tijdgenoot van Goethe: ‘De geschiedenis van een individu dat volledig tot ontwikkeling is gekomen is tegelijk de geschiedenis van zijn soort’ (Wieck).

De ontwikkeling die de mensheid als geheel gaat, wordt in een individueel mens herhaald, de vroege tijd van de mensheid vindt een spiegel in het kind, het herhaalt die mythische tijd. Het kind is nog geen abstract denkend wezen, maar een wezen dat in zijn beleving beelden schept, zoals ieder spel van een kind direct laat zien. En daar komt een belangrijke wetmatigheid bij: de mensheid heeft te maken met de verandering van het bewustzijn. (R.Steiner) Het bewustzijn is voortdurend aan verandering onderhevig en daarmee moet de opvoeding rekening houden.
Het kleine kind herhaalt het mythische tijdperk. Dat speelt zich af tussen het vierde en het achtste jaar, de eigenlijke fase van de beelden.
Hier heeft het kind de echte volkssprookjes nodig met die onvervalste beeldspraak en ook als je met het kind spreekt moet de beeldspraak overheersen.

Na dit mythische tijdperk begon de ontwikkeling van het denken en de mens bevond zich in een droomachtig-helderziend waarnemen, maar ook in het denken. 
De vertellingen spreken zich nu uit in beelden én in gedachten. uiterlijke gebeurtenissen worden in de taal van alledag onder woorden gebracht, de innerlijke in beelden. Deze fase vindt een herhaling in het kind als een beeld-denkfase, vanaf zo het achtste jaar Hier horen de sagen en de legenden bij, ook de heldenverhalen van het eigen volk en andere sagen. Een groot document van deze mensheidsfase is het Oude Testament, dat deze twee talen spreekt.

Met de beginnende aarderijpheid wordt de eigenlijke fase van het denken bereikt. In deze fase hoort pas het kunstsprookje. Dat komt volledig uit een andere sfeer, het is een product van het verstand en de fantasie. Het kunstsprookje is literatuur, het echte sprookje imaginatie.

De uitleg van de hier besproken sprookjes is niet bedoeld voor het kind, vanzelfsprekend. In de kinderleeftijd moet de ziel nog niet vanuit het beeld naar het intellectuele begrip worden geleid. 
Maar ouders, kleuterleid(st)ers, leerkrachten krijgen meer verantwoording bij de keuze van de sprookjes en bij het mondeling vertellen, wanneer ze over de zin en de betekenis van deze oude overleveringen iets weten.

De interpretaties die in dit boek bij elkaar zijn gebracht, zijn gedeelten uit voordrachten die in verschillende steden in diverse landen gehouden werden.
Ze staan hier wel als een afrondend verhaal.
Omdat ieder sprookje een zelfstandig geheel moet blijven, was het niet te vermijden dat bepaalde motieven en beelden steeds terugkomen.

Een klein overzicht van de symbolen die in deze sprookjes voorkomen, staat achterin het boek {3-3]

[3-3/0] In alfabetische volgorde 

Een aantal opvattingen: De beeldentaal van de sprookjes

.

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2310-2166

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (2-2)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

Oversprookjeskan verschillend worden gedacht.

Waarom Rudolf Steiner ze in het leerplan van de vrijeschool opnam als vertestof voor klas 1, kan begrepen worden uit zijn opmerkingen over de sprookjes, zoals deze:

‘Sprookjes zijn geweldige voeding voor de ziel van het kind en een goede engel op de levensreis van de mens’.  (Te vinden in een voordracht die vertaald is inSprookjes

In een andere voordracht, eveneens in bovengenoemd boekje opgenomen, staat: ‘Het tot leven wekken van sprookjesinhouden in de vorm van de
tegenwoordige geesteswetenschap’.

O.a. Friedel Lenz heeft dit als een taak gezien en ze heeft haar bevindingen neergelegd in het boek:Die Bildsprache der Märchen‘.

Inleiding (in vrije weergave)

De uitgever schrijft in de 1e druk van 1970 in het voorwoord – uiteraard gebaseerd op uitspraken van Rudolf Steiner:

Over hoe de mens zich in oudere tijden losmaakte van de grote schepping en langzamerhand bewuster werd; hoe hij niet meer door drong tot de geheimen van het menselijk bestaan en de natuur – hoe zijn manier van waarnemen veranderde. Toen verscheen het sprookje. Want er waren nog mensen die in het levend scheppende iets zagen en gaven de beelden daarvan door.

Een sprookje is anders dan een sage of legende –  bij deze gaat het meer om latere historische of lokale betekenis. Het sprookje heeft meestal niet de beeldenvorm van één volk, ze ontstonden overal: er zijn bijv. Keltische, Byzantijnse, Indische, Arabische. 

Als het direct vanuit een geestelijke bron was ontstaan, bleef er een onvergelijkbare levendigheid in bewaard: de verbinding met een goddelijke oorsprong bleef voor het intellectuele denken bestaan.

Volgens de uitgeverij was er in de dorps- en stamgemeenschappen van het Oosten iemand die verteller was van beroep; hij zou zijn materiaal van ingewijden hebben gekregen en nu zou hij hij het doorgeven aan de ‘grootmoeder’, de vrouw als behoedster. 
Met dit ‘aflossen’ veranderde de betekenis van de sprookjes steeds verder in de richting van een ‘opvoeding voor de ziel’: het schudt je wakker, troost, lost raadsels op; er zit veel humor in, hoop, medelijden, moraliteit, levenswijsheid.

Hoe ziet de beeldenwereld van de jonge mensheid en het kind eruit; wat betekenen reuzen, tovenaars, dwergen, feeën, elfen, de sprekende dieren, planten en stenen? Is het niet wat vermetel om te beweren dat sprookjes spiegelbeelden zijn van een geestelijk scheppingsproces? 

Sprookjes spreken in een ‘beeldentaal’, ze schilderen als het ware met woorden. Maar niet willekeurig vanuit een persoonlijke dichterlijke fantasie. 
Aan de diepere blik wordt getoond – en daar wijst dit boek op – dat de sprookjesbeelden oorspronkelijk door geestelijke wetmatigheden geschouwd werden. Daarin bevinden zich echte, maar op oudere zielenkrachten berustende ‘imaginaties’.

Je kan het woord ‘sprookje’ terug vervolgen naar een oud-Ierse stamvorm die ‘groot’, ‘beroemd’ betekent, maar ook naar ‘boodschap, bericht’. 
Luther gebruikt in zijn lied ‘Vom Himmel hoch da komm ich her, ich bring euch gute neue Mär’, het woord ‘Mär’, dat bij ons nog te herkennen is in ‘mare’, dus als ‘boodschap, verkondiging’. 

Zolang het sprookje van generatie op generatie gezongen of verteld werd, werd het als cultuurgoed mondeling doorgegeven, de inhoud veranderde niet.
Toen de mens wakkerder werd, vanuit een droomachtige toestand van de ziel naar een Ik-bewustzijn groeide, werd het voor hem steeds moeilijker direct één te zijn met deze sprookjesbeelden.

Toen men in de nieuwere tijd het sprookje begon te zien als een literaire kunstvorm en opschreef, zelfs illustreerde, toen de groep van uitgesproken kunstsprookjes kon ontstaan, sloop daarin ook het element van het onwerkelijke, het onware.
Het sprookje werd niet meer als een levenswerkelijkheid serieus genomen.

Sinds de 16e eeuw zien we pogingen het sprookje literair ‘op te poetsen’. 
In ons taalgebied hebben in de 19e eeuw de gebroeders Grimm, Bechstein en Tieck het sprookje onttrokken aan dit verbloemen; ze verzamelden ze, maakten de beginbeelden vrij van alle opsmuk, brachten orde aan. Ze keken naar de schoonheid van de taal. Vanuit een echte fijngevoeligheid en met bewustzijn voor de evolutie schreef Jacob Grimm in het voorwoord bij zijn ‘Duitse mythologie’ van de sprookjes, ‘die de jeugd en het volk tot nu toe gezonde voeding hebben gegeven, waar het niet vanaf moet worden gebracht, hoeveel voedsel men nog voorzet.’
Dat was in 1854. Vijftig jaar later maakte de psycho-analyse van Freud met verstrekkende gevolgen zich meester van alle lagen die zich wezenlijk onttrekken aan de zintuigen. Het sprookje werd tot een drager van symbolen van een onmenselijk onderbewustzijn gedegradeerd.

Met de woorden van Grimm zou hier wel eens ‘een andere spijs naar voren geschoven’ kunnen zijn die echter het verlangen naar de ‘gezonde voeding’ op den duur niet waar kon maken.

De uitgever zegt dat het sprookje overleeft, omdat het niet uitgedacht is, maar waargenomen, dat het uit de echtheid van de ontwikkeling ontsproten is.  

Voor het kind dat stap voor stap het aardse leven aangaat, blijft het logisch. Het staat voor het kind tegenover de karikaturale comic-strips (waarom eigenlijk geen horror-strips?), het werkt de invloeden tegen die de fantasie lamleggen, zoals televisie en film, (toen nog) grammofoonplaat, waarbij het kind innerlijk maar ook uiterlijk in een onnatuurlijke passiviteit terechtkomt. 
De kinderlijke fantasie is nog een laatste voelspriet voor het ons omringende beeldenrijk van de imaginatie. Die beeldenstroom bereikt nog een kind van negen of tien jaar, maar de volwassene moet op dit gebied over het algemeen zijn onvermogen, zijn alleen-staan onder ogen zien. Dat hij zich daaruit kan losmaken en hoe, met welke achtergrond zijn vertellen aan de kinderen waár is, laat Friedel Lenz in haar boek zien.

Zij sluit aan bij de methode die voor het eerst door Rudolf Meyer in zijn werk ‘Die Weisheit der deutschen Volksmärchen‘, werd ontwikkeld.
Friedel Lenz is haar leven lang met sprookjes bezig geweest – niet alleen maar de Duitse van de gebroeders Grimm, maar ook die van andere Europese volken. Dat zij zo’n beslissende verbinding is aangegaan, een groot opgezette studie van de sprookjes is begonnen, vond zijn oorsprong in de behoefte de Evangeliën te leren begrijpen. Haar diepe innerlijke behoefte doorleefde zij met de beeldenwereld van de cultus zoals die in de Christengemeenschap nieuw tot uitdrukking komt. Zo ontstond er een intensieve geestelijke wisselwerking en daarbij kwam in gelijke mate de studie van de antroposofie die Rudolf Steiner bracht. Christelijke religie en geesteswetenschap vormden voor Friedel Lenz de basis voor het werk en de ervaringen. Vanuit haar inlevingsvermogen en haar heldere blik ontwierp ze stap voor stap een sprookjesduiding en daarmee een duiding van het leven die niet alleen gelijkwaardig is aan een verklaring van de wereld met het verstand, maar als blik over geestelijke ontwikkelingsfasen daar nog bovenuit gaat. Met haar werk heeft ze niet alleen maar een ‘weten’ willen verzamelen, want dit was in de kern toch heel oorspronkelijk iets levends. 

En zo hield Friedel Lenz voordrachten, beter: sprookjesuren voor volwassenen waarin ze met een vanzelfsprekendheid haar toehoorders meenam naar die onuitputtelijke levensbeelden. 
Het vertellen vol overgave, de levendige beeldverhalen, de waarachtige verklaringen hadden voor Friedel Lenz tot gevolg dat er een schare trouwe luisteraars ontstond. Zo gaf ze via de kinderen een niet-beschadigde sprookjeswereld terug.
Op deze manier richtte Friedel Lenz zich tientallen jaren in het openbaar tot de volwassenen, ouders, grootouders, kleuterjuffen, leerkrachten, aan iedereen die zijn hart voor de rijkdom en diepgang van de beeldentaal wil openen, om begrip vragend voor dit kostbare geestesgoed .

Net zo is dit boek voor volwassenen bedoeld en het komt uiteindelijk ten goede aan de kinderen.

Omdat kinderen de sprookjes verteld of voorgelezen krijgen, is de uitleg niet voor hen bestemd. De tekst van het sprookje – naar de gebroeders Grimm – is eveneens opgenomen. Hier zijn vijfentwintig van de bekendste en meest wezenlijke sprookjes samengebracht. In een aanhangsel geeft Friedel Lenz nog belangrijke uitleg.

In november 1970 is de schrijfster overleden. De uitgeverij beschouwt haar werk als een testament. Friedel Lenz heeft op haar laatste ziekbed dit boek vanuit haar voordrachten vormgegeven om de oogst van haar levenswerk te bewaren.
Dit werk komt bij haar andere: Iwan-Johannes (1957); Die Keltische drachenmythe (1961) en Mahle, mahlke Grützchen (1965).

Voor de vormgeving van één hoofdstuk dat als nr. 2 had moeten komen, vond ze de kracht niet meer. De verklaring van ‘Sneeuwwitje’ in dit boek is van Dr. Elisabeth Klein die haar werk ter beschikking stelde, waarvoor dank. Zij probeerde in te voelen hoe zij de stijl van haar werk kon aanpassen aan dat van Friedel Lenz.

.

Sprookjes: alle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes

.

2306-2162

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -sprookjes (2-4/1)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

DOORNROOSJE

Heel lang geleden waren er eens een koning en een koningin, die iedere dag zeiden: ‘Ach, hadden wij toch maar een kindje!’ en zij kregen er steeds maar geen. Toen gebeurde het, dat toen de koningin eens aan het baden was, er een kikker uit het water aan land kroop, die tot haar sprak: ‘Uw wens zal vervuld worden; eer er een jaar voorbij is, zult ge een dochter ter wereld brengen.

Lang geleden, zo begint het sprookje, en dat moet je heel letterlijk nemen: vóór onze historisch te vatten tijd, in de mythologische tijd toen ieder mens een gekroonde koning was, voorzien van een volmacht, iemand die iets kon. En zijn ziel was een koningin. Voor de mens vormde de zintuiglijke wereld nog een eenheid met de geestelijke wereld. Wat Novalis bedoelt met ‘de wereld was nog in de wereld’. De dag was vol ware beelden, imaginaties. In deze beelden laten de natuur en de wereld zich aan de mensen zien, het uiterlijke dingbewustzijn van de zintuigwereld bevond zich nog op de achtergrond. Het was in een toestand van de natuur helderziend te kunnen waarnemen, een bewustzijn dat volkomen tegengesteld is aan het dingbewustzijn van ons. De mens stond nog in verbinding met geestelijke wezens.

De mens van het mythologisch tijdperk verlangt met zijn ziel (de koningin) dat er een verandering van bewustzijn komt. Een ander soort ziel moet in het leven verschijnen. Het gouden tijdperk van de mensheid waarover de Griekse geschiedschrijver Hesiodes bericht en de Romeinse dichter Ovidius, moet ten einde gaan; want in de mensheid heerst de wet van de bewustzijnsverandering.

Een instinct geeft aan dat er een nieuw soort ziel – een dochter – zal komen. Het beeld voor dit instinct is de kikker die ‘vanuit het water aan land kruipt.’
En zoals de levende zielenwereld met de diepten en ondiepten, met het opkomen en verdwijnen van gevoelens en beelden op het water lijkt – en alle mythen gebruiken daarvoor het beeldwoord water, zo het land als de vaste bodem van de feiten. Men ging de zintuiglijke wereld zien. Het vaste, het stoffelijke kwam in de plaats van het beweeglijke, het constante in de plaats van het stromende. Vergelijk de droom die voor ieder subtiel innerlijk krachtenspel weer nieuwe beelden vindt, met ons huidig bewustzijn van de dingen die geteld, gemeten en gewogen worden, waar we met zekere resultaten rekening houden – en dan begrijp je de beelden ‘water’ en ‘land’.
De kikker die in het water en op het land leeft, verandert in langere metamorfoses van kieuwademhaling naar luchtademhaling. Hij is uiterst gevoelig voor de weersomstandigheden, vandaar dat hij als weervoorspeller beschouwd wordt. Hij staat voor de mogelijkheid een geestelijke atmosfeer te verstaan, dus weervoorspeller in overdrachtelijke zin te zijn.
Ook duit het symbool op het labiele van dit innerlijke dubbele bewustzijn.

Wat de kikvors gezegd had, gebeurde en de koningin baarde een meisje, dat zó mooi was dat de koning buiten zichzelf was van vreugde en een groot feest aanrichtte. Hij nodigde niet alleen zijn familie, vrienden en kennissen uit, maar ook de wijze vrouwen, opdat deze zijn kind genegen en gunstig gezind zouden zijn. Er waren er dertien in zijn rijk, maar omdat hij maar twaalf gouden borden had, waarvan zij moesten eten, moest een van hen thuis blijven.

Nog wist de mens zich gedragen en geborgen door de kosmos. Macrokosmische krachten ontving hij uit de twaalfheid van de dierenriem en hij beschikte over zoveel wijsheid dat hij deze in zich kon opnemen en zich daarmee kon voeden: hij had twaalf gouden bordjes. De krachten die er tussen de kosmos en de aarde bestaan, verschijnen in de ziel beleefd, als het beeld van de wijze vrouwen of feeën. Goethe verwijst heel duidelijk naar dergelijke krachten wanneer hij in het studeervertrek Faust laat zeggen: ‘Wanneer hemelkrachten op en naar gaan en elkaar de gouden emmer geven.’
Ons sprookje zegt dat er dertien vrouwen in zijn rijk waren.
Wie was deze dertiende in zijn rijk?
Ook de raad van de goden was bij onze voorouders een twaalfheid, met een dertiende, die daar in zekere zin tegenover stond: Loki of Lodur, de be-eindiger, de Noordse Lucifer. Ook aan de sterrenhemel bestaat er naast de twaalfheid van de dierenriem nog een dertiende macht, de zon. Zij maakt de mens tot een dagmens, zodat hij wakker wordt voor zintuiglijke wereld. Maar in het mythologische tijdperk had de nacht nog de overhand, want dat was de tijd van een andere manier van wakker-zijn, het wakker-zijn van het beeldend kunnen schouwen. Zoals Novalis in zijn Hymnen de nacht noemt: ‘de vruchtbare schoot die openbaart’.
Ook tegenwoordig hebben we het nog over het belang van de nachtelijke ervaring: in het Engels ‘a senight’ (seven nights), ‘a fortnight’ (veertien nachten), resp. zeven of veertien ‘dagen’. Nog lang werd de tijd berekend in maanfasen.
Werkt de twaalfheid van de dierenriem in het beeld van de twaalf uitgenodigde wijze vrouwen op ieder mens, dan tekent zich nu op de achtergrond al deze dertiende kosmische kracht af.
Onze voorouders wisten, met Loki, de dertiende van de Asen, ontstaat er een nieuw bewustzijn. Men maakte zich los van een innerlijk beleefde wereld aan gindse zijde en richtte zich op de uiterlijk zintuiglijke wereld.
Ook het scheppingsverhaal beschrijft deze bewustzijnsverandering. Lucifer is de gevallen engel. Hij inspireert de mens tot een zelfstandigheid en een lijken op God en plaatst hem daardoor tegenover het goddelijke en zo onderkent hij goed en kwaad. In de micro-kosmische mens ontwaakt het Ik, de dertiende kracht.
Maar deze dertiende kracht kan men nog niet plaatsen, kan men nog niet bevatten ener is te weinig wijsheid om het te begrijpen. Er is geen gouden bordje. Tot op de dag van vandaag is het getal dertien voor sommige mensen een ongeluksgetal.
Nog steeds komt als een herinnering uit het onderbewuste die oeroude onzekerheid naar boven van het Ik in zijn ontwikkeling naar vrijheid.
Zo komt de dertiende fee dan eerst als vertegenwoordigster van het kwaad – zolang zij niet begrepen wordt als vertegenwoordigster van een nieuw bewustzijn.

Het feest werd met grote luister gevierd en aan het einde ervan schonken de wijze vrouwen aan het kind hun wondergaven: de ene deugdzaamheid, de andere schoonheid, de derde rijkdom, kortom alles wat er op de wereld te wensen is. Net toen er elf hun zegenwens hadden uitgesproken, trad plotseling de dertiende binnen. Zij wilde wraak nemen, omdat zij niet was uitgenodigd en zonder iemand te groeten of zelfs maar aan te kijken, riep zij met luider stem: ‘De koningsdochter zal zich op haar vijftiende jaar aan een spintol prikken en dood neervallen.’ En zonder verder een woord te zeggen keerde zij zich om en verliet de zaal. Iedereen schrok; maar daar trad de twaalfde naar voren wier wens nog niet was uitgesproken en daar zij de boze voorspelling niet teniet kon doen, maar deze alleen kon verzachten, zei zij: ‘De koningsdochter zal niet dood gaan, maar honderd jaar slapen.’

De dertiende vrouw wordt niet uitgenodigd bij het geboortefeest. Men weet haar geen plaats te geven, men bevindt zich nog in de kosmische gebondenheid van de vroege tijd. Men weet zich geborgen bijv. in het sterrenbeeld van de waterman, de vissen, de weegschaal enz. en ervaart hun invloed; maar voor de dertiende kracht, de wordende persoonlijkheid heeft men nog geen gevoel.
Zij benadert de dochter met de vloek: dood door een prik aan de spintol.
In plaats van de dood, wordt het een 100-jarige slaap.
Spinnen en denken zijn oerverwant. In de taal is het beeld blijven bestaan: ‘de draag kwijtraken, de draad vasthouden, hersenspinsel.’ Zoals de draad uit de wol of uit het vlas tevoorschijn komt, zo ontwikkelt de ene gedachte zich uit de andere en wordt tot een gedachtedraad, een logisch weefsel.
Denken brengt de dood van de ziel dichterbij als de koningsdochter rijper wordt, want dat gebeurt als je vijftien jaar oud wordt.

De koning hoopt het noodlot van de bezwering te kunnen afwenden. Maar wanneer het denken ook een lange tijd teruggehouden wordt (de spintollen worden verbrand), wanneer nog steeds het droomachtige helderzien de boventoon voert en ook blijft eten van de gouden bordjes, dan gaat toch dit gouden tijdperk een keer ten onder. De mensheid ontwikkelt zich vanuit het kindstadium verder naar de volwassenheid.
Wat hier in de mensheid gebeurt, vindt ook plaats in ieder individu; want de enkeling herhaalt de lotgevallen van de soort. Het kind-zijn van de mensheid en het volwassen stadium weerspiegelen zich in de kindertijd en in het volwassen worden van de persoonlijkheid.

De koning, die zijn geliefde kind graag voor het ongeluk wilde behoeden, vaardigde het bevel uit, dat alle spintollen in het hele koninkrijk verbrand moesten worden. Alle wensen, die het meisje van de wijze vrouwen had ontvangen, gingen echter in vervulling, want zij was mooi, deugdzaam, lief en verstandig, zodat ieder die haar zag wel van haar moest houden. Toen geschiedde het, dat precies op de dag, dat zij vijftien jaar oud werd, de koning en de koningin niet thuis waren en het meisje helemaal alleen in het slot achterbleef. Toen liep zij overal rond, bekeek grote en kleine kamers, net zoals haar hart haar ingaf, en kwam tenslotte ook bij een oude toren. Zij klom de nauwe wenteltrap op en kwam bij een klein deurtje. In het slot stak een roestige sleutel en toen zij die omdraaide, sprong de deur open en daar zat in een klein kamertje een oude vrouw met haar spin tol en spon ijverig haar vlas. ‘Goedendag oud moedertje,’ sprak de koningsdochter, ‘wat doet u daar?’ – ‘Ik spin,’ zei het oudje en knikte met het hoofd. ‘Wat is dat voor een ding, dat zo vrolijk rondspringt?’ sprak het meisje, nam het spintolletje en wilde ook spinnen. Nauwelijks echter had zij de spintol aangeraakt, of de toverspreuk ging in vervulling en zij prikte zich in haar vinger.

Als de koningsdochter vijftien jaar wordt, zijn de koning en koningin niet thuis.
De vader-Godwereld en de moeder-zielenwereld werken nu niet meer. De jonge persoonlijkheid staat alleen. Het huis van het lichaam, in de kindertijd nog onbekend, in een verregaande droomachtige toestand en als een oneindig groot slot, wordt nu met een hang naar kennis, onderzocht. In het doordgronden en bewuster beleven wordt het steeds kleiner. De begrenzing ervan wordt bewust. Het wordt een toren. Maar de toren is niet alleen het beeld van dit begrensder worden dat de mens meer bij zichzelf brengt. Het is ook het beeld van de zelf-standigheid, de op zichzelf staande stevigte. In de toren van het lichaam gaat de koningsdochter ‘naar boven, het torenkamertje in’. Daar zit de oude vrouw die spint. Onbewust ging het kinderlijke droomleven voortdurend samen met een verborgen denken. Maar nu pakt de koningsdochter de spintol: het zelf bewust denken begint. Maar het verlangen naar dit zelfstandige denken, staat onder invloed van de vloek van de dertiende. Het is het door Loki, door Lucifer beïnvloede denken dat egocentrisch is. 
Zoals Loki tegenover de twaalf Asen staat en een oude wereldorde afsluit, zo gaat ook in de mensheid van het Avondland een wereld ten einde. Het droomachtig zich richten op de kosmos verdwijnt, de eigenwereld van het Ik ontwaakt, de Godenschemering begint. De mens plaatst zich buiten de wereld van de wezens die boven hem regelend werkzaam zijn en wordt burger van de aardse wereld van de voorwerpen die hij met zijn denken voor zich winnen moet. 
Wakker worden in de wereld van nu, betekent echter inslapen voor de andere, de geestelijke wereld.
De oudste heldensagen vertellen ons over de godendochter Brünhilde die door een slaapdoorn geprikt is en in slaap valt, tot degene komt die haar wekt.
In de vijftienjarige mens betekent dit proces een verhoogd ik-beleven. Alleen wat ik zelf denkend aankan, is voor mij de norm. Alleen mijn eigen wereldbeeld zegt me iets. De jonge mens die dit proces doormaakt, sluit zich in zichzelf op. Terwijl hij bezig is met zijn eigen wereldbeeld, is hij naar buiten afwerend, vaak kwetsend, maar eenzaam in zijn binnenste. 
Het sprookje zegt: rondom de toren groeien en woekeren de doorns. Alle vormende, levende kracht doet niets meer. (Vader en moeder, de hofhouding, het personeel, alles slaapt in). De betovering kwam vanuit de bovenkamer.

Maar op hetzelfde ogenblik dat zij zich prikte, viel zij neer op het bed dat daar stond en was meteen in een diepe slaap verzonken. En deze slaap breidde zich over het hele slot uit: de koning en de koningin die waren thuisgekomen en de zaal waren binnengegaan, vielen in slaap, en de hele hofhouding met hen. Ook de paarden in de stal sliepen, de honden op de binnenplaats, de duiven op het dak, de vliegen op de muur, zelfs het vuur dat in de haard flakkerde werd stil en sliep in en het gebraad hield op te pruttelen en de kok die het koksmaatje bij zijn haren wilde pakken omdat hij iets verkeerd had gedaan, liet hem los en viel in slaap. En de wind ging liggen en aan de bomen voor het slot bewoog geen blaadje meer.
Rondom het slot echter begon een doornhaag te groeien die elk jaar hoger werd en tenslotte het hele slot omgaf en er bovenuit groeide, zodat er niets meer van te zien was, zelfs de vlag op het dak niet meer. In het land ging echter het verhaal rond van het mooie slapende Doornroosje – want zo werd de koningsdochter genoemd – zodat er van tijd tot tijd koningszonen kwamen die door de haag heen het slot wilden binnendringen. Het was hun echter niet mogelijk, want de doornen, bleven – alsof ze handen hadden – vast met elkaar verbonden, en de jongelingen bleven er in hangen, konden niet meer loskomen en stierven een jammerlijke dood. Na lange, lange jaren kwam er weer eens een koningszoon in het land die hoorde hoe een oude man van de doornhaag vertelde; daarachter moest een slot liggen waarin een wonderschone koningsdochter, Doornroosje genaamd, al sinds honderd jaar sliep en mét haar sliepen de koning en de koningin en de hele hofhouding. Hij wist ook van zijn grootvader, dat er reeds vele koningszonen gekomen waren om te proberen door de doornhaag heen te dringen, maar zij waren er in blijven hangen en een trieste dood gestorven. Toen sprak de jongeling: ‘Ik ben niet bang, ik wil erheen om het mooie Doornroosje te zien.’ En al raadde de goede grijsaard het hem nog zo af, hij sloeg geen acht op diens woorden.

De tijd waarin de mens zichzelf een vreemde vindt, in zichzelf opgesloten, een goed contact met de buitenwereld vaak niet kan vinden, is bij het individu en in de mensheid toch tijdelijk. Er waren altijd helden van de geest, die de Brünhildes, de Doornroosjes wilden wekken, maar die honderd jaar moeten eerst voorbij zijn, 
Wanneer de tijd vervuld is, komt degene die wakker maakt.
In ons sprookje verschijnt hij in de naam van de roos en hij wekt op door een kus – door liefde. Daarvoor moeten we eens kijken naar het wezenlijke symbool van de roos uit de Middeleeuwen.

De roos wortelt diep in de aarde. Vanuit het houtige en de doornen groeit de mooie bloem met die altijd weer welriekende geur en het intensieve rood. Hemel en aarde hebben in de vrucht een gelijk aandeel. Daardoor is ze het symbool van het evenwichtige midden. Aan de bloem ligt de vijfster ten grondslag.  Het getal vijf is een belangrijk teken.
De mens werd lange tijd beschouwd als een vierledig wezen dat bestaat uit lichaam, leven, ziel en geest. Daar komt het Ik nog bij dat als hoger, liefhebbend Ik tot ontwikkeling moet komen. Vandaar het symbool vijf. Wie ja kan zeggen tegen het leven en er stevig in kan wortelen, wie de moeilijkheden neemt om er sterker door te worden en als een roos al het verhardende, het verwondende overwint, wie onzelfzuchtige liefde als bloem van zijn bestaan ontvouwt en de natuur van zijn bloed reinigt van hartstocht zodat het onschuldig wordt, net als een plant, die kan als symbool de roos nemen. 
Er waren stromingen die een christelijk leven wilden leiden die zich vonden in het teken van de roos. 
Waar in gotische domkerken de dragende balken bij elkaar komen, zie je de roos met vijf bladeren vaak als sluitsteen.
Ook schilders van Madonnafiguren wisten wellicht waarom zij naast de jonkvrouwelijke goddelijke moeder de roos afbeeldden of haar met rozen omringden.  

Nu waren echter juist de honderd jaren om en de dag was aangebroken, waarop Doornroosje weer zou ontwaken. Toen de koningszoon de doornhaag naderde, waren het louter mooie, grote bloemen die vanzelf uiteen weken en hem ongehinderd doorlieten en achter hem sloten zij zich weer tot een haag aaneen. Op het slotplein zag hij de paarden en de gevlekte jachthonden liggen slapen; op het dak zaten de duiven met hun kopje onder hun vleugel. En toen hij in het huis kwam, sliepen de vliegen op de muur, de kok in de keuken hield zijn hand nog nèt zo alsof hij de jongen wilde beetpakken en het keukenmeisje zat voor de zwarte kip die geplukt moest worden. Toen ging hij verder en zag in de zaal de hele hofhouding liggen en bovenaan bij de troon lagen de koning en de koningin te slapen. Toen ging hij nog verder en alles was zo stil, dat men zijn eigen ademhaling kon horen en eindelijk kwam hij bij de toren en opende de deur van het kamertje waar Doornroosje sliep. Daar lag zij en was zó mooi, dat hij zijn ogen niet van haar kon afwenden en hij bukte zich en gaf haar een kus. Toen hij haar met zijn lippen beroerd had, sloeg Doornroosje haar ogen op, ontwaakte en keek hem heel vriendelijk aan. Toen gingen zij samen naar beneden en de koning ontwaakte en de koningin en de hele hofhouding, en zij keken elkaar met grote ogen aan. En de paarden op het plein stonden op en schudden zich, de jachthonden sprongen op en kwispelden met hun staart, de duiven op het dak trokken hun kopje onder hun vleugel vandaan, keken rond en vlogen weg naar het vrije veld, de vliegen op de muren kropen verder, het vuur in de keuken begon weer te branden, flakkerde en bracht het eten aan de kook, het gebraad begon weer te pruttelen, en de kok gaf de jongen zo’n draai om z’n oren, dat hij het uitschreeuwde, en de meid ging verder met het plukken van de kip. En toen werd de-bruiloft van de koningszoon met Doornroosje in alle luister gevierd en zij leefden gelukkig tot het einde hunner dagen.

Het sprookje vertelt niet waar de koningszoon vandaan komt. Hij is het zinnebeeld van het hogere christelijke Ik.
Met het beeld van de heidense jonkvrouw die haar opwekker verwacht, begon het sprookje. Met het christelijke symbool van de bruidegom die in het teken van de roos komt, wordt het afgesloten.

Doornroosje is een sprookje over het lot. Zonder individuele schuld wordt de mens vervlochten met het lot van de mensheid, maar ook zonder persoonlijke verdienste, uit genade, begint de verlossing.

50-grimm-doornroosje-2

.

Sprookjes alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes

.

2293-2151

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – vertelstof

.

In de 3e klas worden de verhalen uit het Oude Testament verteld.
Waarom en hoe? [1]

M.i. is het boek ‘En het werd licht’ van Jakob Streit het best geschikt om uit te vertellen. 
Maar er zijn ook kinderbijbels waarin bv. prachtige illustraties staan die je kan gebruiken voor een bordtekening. ‘De Bijbel voor jongeren‘ bv. is zo’n boek.

Uit dit laatste boek:

David en Goliath

De Filistijnen stonden klaar om te vechten. Op twee heuvels, alleen gescheiden door een smalle vallei, hadden de legers zich verzameld, de Filistijnen op de ene heuvel, Saul en de Israëlieten op de andere.
Plotseling kwam een reus van een man met grote stappen uit het Filistijnse kamp naar de vallei gelopen. Goliath uit Gat stak met kop en schouders boven alle anderen uit. Hij droeg een massief bronzen helm, een bronzen borstschild en ook zijn armen en benen waren mei brons bedekt. Met de ene hand omklemde hij een bronzen dolk en met de andere een reusachtige speer met een ijzeren punt.
‘Ik daag je uit, Saul!’ bulderde Goliath. ‘Ik daag je uit om een van je mannen met mij te laten vechten! Door hem en mij wordt de oorlog dan beslist!’

Bij die woorden begon Saul te beven, en de Israëlieten werden door angst gegrepen.
Drie van Isaï’s zonen waren soldaat in het leger van Saul, en David had zijn schapen alleen gelaten om zijn broers eten te brengen. Toen hij bij het kamp kwam, hoorde hij Goliaths opschepperige uitdaging, en hij zag dat niemand eropin durfde te gaan.

‘Ik zal met de reus vechten,’ zei hij tegen Saul.

‘Maar je bent nog maar een jongen. En Goliath is een beroemd strijder. Toch liet Saul zich ten slotte overhalen. David weigerde wapens en een harnas te dragen. Bij een beek in de buurt zocht hij vijf gladde stenen uit die hij in zijn herderstas stopte. Toen liep hij, met zijn slinger in de ene hand en zijn staf in de andere, naar Goliath toe.

‘Uit de weg, jongen!’ schreeuwde de kampioen, zijn stem vol verachting. ‘Ik vecht niet met kinderen!’

‘U vecht met een dolk en een speer, maar ik vecht met God aan mijn kant,’ zei David. Hij legde zijn staf op de grond en stopte een steen in zijn slinger. Een keer zwaaide hij de slinger rond en toen liet hij de steen schieten. De steen trof Goliath midden op zijn voorhoofd en de reus donderde neer op de grond, dood.

Toen de Filistijnen zagen dat hun grote kampioen dood was, keerden ze zich om en gingen ervandoor. De Israëlieten bleven achter en vierden hun overwinning.

Een slinger. Een schaapherder als David had meestal een slinger bij zich waarmee hij stenen kon gooien naar beesten die zijn kudde bedreigden. Hij legde een steentje op het stukje leer, hield de beide uiteinden van de slinger in zijn hand en draaide hem rond. Wanneer hij een uiteinde losliet, vloog het steentje op zijn doel af.

Zie bv. Oude Testament: wapens

Het is altijd belangrijk dat je als leerkracht op de hoogte bent van alle mogelijke gezichtspunten en opvattingen. Daarbij behoort ‘de stand van de wetenschap’.

Over de Filistijnen werd als nieuwe opvatting vermeld:

De Filistijnen worden gerehabiliteerd 

De aartsvijanden van de Israëlieten, de Filistijnen, waren cultureel veel meer ontwikkeld dan tot nu toe werd aangenomen. Amerikaanse archeologen concluderen dat op basis van recente vondsten in Israël.

Amerikaanse archeologen hebben bewijsmateriaal ontdekt waaruit ze afleiden dat de Filistijnen — in Bijbelse tijden de aartsvijanden van de Israëlieten — niet de barbaarse lomperiken waren waar hun naam sindsdien voor staat. Het blijken juist makers van verfijnd aardewerk en bouwers van grootse gebouwen. Juist de Israëlieten, toen nog herders en boeren in de heuvels van Palestina, waren in die tijd minder cultureel georiënteerd.

Archeologen van de Harvard-universiteit maken dat op uit resten van een Filistijnse stad, die werden opgegraven bij de ruïnes van Askelon aan de Israëlische kust. De ruïnes dateren van vlak voor de verwoesting door de Babylonische koning Nebukadnezar, in 604 voor Christus. De vondsten omvatten potten met inscripties, stenen altaren en woningen waaruit zou blijken dat de Filistijnen gebruik maakten van geavanceerde bouwtechnieken. Volgens de leider van het team, dr. Lawrence Stager, behoren de vondsten tot het beste dat in die tijd is gemaakt.

Omdat het materiaal nog niet openbaar is gemaakt, hebben sommige archeologen, onder wie de Nederlander dr. C. de Geus van de Rijksuniversiteit Groningen, nog hun twijfels. Zij wijzen erop dat het niet zo eenvoudig is om vondsten als Filistijns te identificeren.

De Filistijnen woonden al meer dan een halve eeuw in Palestina toen Nebukadnezar Askelon verwoestte. De Geus denkt dat zij als duidelijk herkenbare groep in die tijd al niet meer bestonden.
Na de verwoesting door Nebukadnezar en de verwoesting van Jeruzalem in 586 voor Christus gingen de Filistijnen, samen met de joden, in Babylonische ballingschap. De joden keerden uiteindelijk naar hun land terug. Van de Filistijnen is nooit meer iets vernomen.

Bij opgravingen in Askelon en elders zijn ook potten gevonden waarmee mogelijk het raadsel van de herkomst van de Filistijnen kan worden opgelost. Bekend was dat de Filistijnen tot de zogeheten zeevolkeren behoorden, die in de dertiende eeuw voor Christus de kusten van Palestina en Egypte bereikten.
Ze kwamen óf uit het Aegeïsch gebied óf uit Klein-Azië, zo luidt de theorie. Het aardewerk maakt het nu waarschijnlijker dat de Filistijnen uit het Aegeïsche gebied kwamen. De potten zijn rood-zwart en lijken opvallend veel op Myceens aardewerk, dat dezelfde kleuren en motieven heeft.

In Egyptische geschriften van de twaalfde eeuw voor onze jaartelling worden de Filistijnen al genoemd. Ze hebben zich, waarschijnlijk als soldaten in Egyptische dienst, in Palestina gevestigd, waar ze geleidelijk assimileerden met de lokale bevolking.
De Israëlitische stammen leefden ten oosten van de Filistijnen, die op hun beurt Kanaänitische steden als Askelon, Asdod, Gath en Gaza innamen en met de plaatselijke bevolking versmolten. Zo raakten zij hun oorspronkelijke indo-Europese taal kwijt en ze schreven waarschijnlijk in een Semitische taal, een variant van het Hebreeuws.
De Geus heeft verscheidene keren opgravingen gedaan in steden die door Filistijnen bewoond zijn geweest. Zolang de vondsten nog niet officieel zijn beschreven in de vaktijdschriften, is hij wat sceptischer over het belang van de vondsten dan zijn Amerikaanse collega’s: ‘Ik ben ervan overtuigd dat het belangrijke vondsten zijn, want Larrie heeft een gouden lepel. Hij vindt altijd wel iets belangrijks waar anderen tien jaar voor niets graven. Maar hij blaast het belang ongetwijfeld ook op. Deze opgraving wordt voor miljoenen guldens door particulieren bekostigd en die willen resultaat zien.’
Voor De Geus persoonlijk is het niet duidelijk waarom de Filistijnen zo’n slechte naam hebben dat het bijvoeglijk naamwoord staat voor cultuurbarbaar. Hij meent dat het woord Filistijn vooral in de Angelsaksische wereld slechte associaties oproept, hoewel hij toegeeft dat ook in het Nederlands iets ‘naar de Filistijnen kan gaan’. Hij acht het zeer waarschijnlijk dat de Filistijnen uit het Aegeïsche gebied naar Palestina kwamen. Ook twijfelt hij er niet aan dat zij een andere, niet-semitische taal spraken. De archeologen vonden in Askelon onder meer haarden, die een centrale plaats innamen in de Aegeïsche cultuur en die in Palestina onbekend waren. ‘Maar er zijn ook raadselachtige dingen. Zo zijn er graven gevonden voor honden. Niemand weet waar dat gebruik vandaan komt. Het stamt in ieder geval niet uit de Semitische wereld, want daar staan honden niet in hoog aanzien.’ De Geus vraagt zich af hoe de archeologen zo duidelijk kunnen spreken van Filistijnse huizen. Volgens hem heeft er zich een lang assimilatieproces afgespeeld waarin de oorspronkelijke Filistijnen om de een of andere reden wel hun naam behielden, maar verder opgingen in hun omgeving.
‘Dat assimileren werkt niet alleen in de taal door. Want als je beweert dat de joden na de Babylonische ballingschap terugkeerden en dat de Filistijnen waren verdwenen, verlies je dat proces uit het oog. Ongetwijfeld zaten er mensen van Filistijnse herkomst bij de groepen die terugkeerden, alleen waren de Filistijnen als groep al lang verdwenen. De eerste groepen zullen uit hoogstens een paar honderd soldaten hebben bestaan, een paar eeuwen later hadden ze hun taal opgegeven en was hun cultuur vermengd met die van de Kanaänieten.’

De Amerikaanse archeologen in Askelon hebben ook bekendgemaakt dat zij inscripties hebben gevonden in een taal die verwant is aan het Hebreeuws. Dat is interessant, maar waar iedereen écht op wacht, is op de ontdekking van inscripties in de oorspronkelijke Filistijnse taal. In het Oude Testament staan twee van die niet-semitische woorden, maar dat is niet genoeg om conclusies uit te kunnen trekken. De vondst van meer inscripties kan een ander beeld van deze cultuur opleveren.
Het zou volgens De Geus interessant zijn te weten wat de Filistijnen zelf vonden van hun gedoodverfde tegenstanders, de Israëlieten. Volgens Stager is dat nog maar een kwestie van tijd, maar ook hier is De Geus wat voorzichtiger. ‘De Filistijnen, in feite de handeldrijvende Foeniciërs, schreven veel meer dan anderen. Maar ze schreven op leer en papyrus en niet op klei, zoals bijvoorbeeld de Jemenieten. Daarom hebben we duizenden Jemenitische kleitabletten en nauwelijks Filistijnse. Het zou prachtig zijn als er inderdaad teksten in de oorspronkelijke taal werden gevonden en dat is niet onmogelijk, want de opgravingen zijn nog maar kort bezig.’

Een soort gelijk bericht:

Filistijnen

Ze hebben eeuwenlang een slechte naam gehad in de geschiedschrijving. Dat hadden zij vooral te danken aan de wijze waarop in de Bijbel over hun handel en wandel werd gesproken. Een lomp, onbetrouwbaar en bruut volkje: dat is altijd het beeld van de Filistijnen geweest, weerspiegeld in de verhalen over de onbetrouwbare Delilah die Samson (figuurlijk) een kopje j kleiner maakte, en de dommekracht Goliath die het moest afleggen tegen David.
Recente* opgravingen hebben Israëlische archeologen tot de conclusie gebracht dat in dit beeld verandering moet worden gebracht. „We moeten af van het idee dat de Filistijnen een onbeschaafd en onontwikkeld volk vormden”, aldus Seymour Gittin, directeur van een archeologisch instituut in Jeruzalem. „Het omgekeerde is waar. De Filistijnen waren knappe bouwers en handelslieden.”

De opgravingen vinden al sinds vijf jaar plaats in Tel Miqne, de plaats waar vroeger de Filistijnse stad Ekron moet hebben gelegen. Het gebied van de Filistijnen omvatte een strook land aan de kust in het zuiden van de huidige staat Israël. Zij kwamen in de dertiende eeuw vóór Christus in dat gebied en waren waarschijnlijk afkomstig van het huidige Kreta. In 603 vóór Christus werden zij door de Babyloniërs ingelijfd.

Deze zomer hebben de archeologen nieuwe vondsten gedaan, waaronder veel olijfpersen. De Filistijnen waren behalve meesters in het bewerken van ijzer op het hoogtepunt van hun macht ook de belangrijkste producenten van olijfolie. Tot dusver zijn 204 olijfpersen gevonden. Dit aantal kan nog veel hoger worden, als het hele gebied is afgegraven (nog slechts drie procent van het terrein is blootgelegd).
„De olijfpersen van de Filistijnen waren high-tech”, aldus Gittin. „Hun persen konden vijftig tot honderd liter produceren, wat zeer veel is in vergelijking met de 25 tot 40 liter die op andere persen werden geproduceerd.”

*In de jaren 1980

[1] Artikelen in Vrije Opvoedkunst:
De verhalen uit het Oude Testament
Over het Oude Testament
Het Oude Testament als oerbeeld van de geschiedenis

Het Oude Testament: vele tekeningen

3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

.

2288-2147

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas vertelstof – Sint-Joris (3-16)

.

RIDDER JORIS

Eens in het verre Morgenland in de tijd na de komst van Jezus Christus leefden er dappere ridders die de ‘ridders van de gerechtigheid’ werden genoemd. Onherkenbaar trokken ze door de landen. Waar een kwaad, wild dier een landstreek vernielde of waar brutale rovers de mensen op eenzame wegen overvielen en beroofden, kwamen zij er op een dag aan.
De wilde dieren werden bestreden, de rovers gestraft of weggejaagd. Niemand wist waar en wanneer die ridders zouden opduiken om de mensen die in nood zaten te helpen. Dat kon diep in het bos zijn, op een afgelegen weg of midden in een drukke stad.
Zo waren deze ridders van de gerechtigheid een vaste hoop voor de zwakken en een schrik voor de booswichten.
Welke eed ze hadden gezworen bij hun ridderschap, wist niemand, maar wel wist men dat ze nooit langer dan drie dagen op dezelfde plaats bleven.

In deze tijd was er een mooie stad aan zee, met de naam Silena. De muren liepen beschermend tot aan de kust. Een hooggelegen slot was de woning van de koning die over dit land regeerde.

Sinds lange tijd heerste er veel verdriet en was er veel leed in deze stad. Van tijd tot tijd dook uit het water een draak op. Half vliegend, half kruipend bewoog hij zich over het land, roofde dieren uit de veekudden, verwoestte hutten en verslond ook mensen. Niemand, ook de soldaten van de koning niet, had tot nog toe dit ondier kunnen weren. De koning liet aan een wijs man in de bergen vragen wat er moest gebeuren. De kluizenaar gaf als raad:

‘Wanneer de zee onrustig wordt, bindt dan twee schapen bij de oever vast waar hij meestal uit het water komt. Hij zal ze opvreten en weer terug gaan in zee.

De raad werd opgevolgd. Toen de draak weer kwam, slokte hij de schapen op en keerde om. Maar er was nog geen jaar voorbij of de draak nam met dit voedsel geen genoegen meer. Hij vrat de schapen wel op, maar ging weer over het land en zijn verwoestingen begonnen weer van voor af aan.

Opnieuw zond de koning boden naar de kluizenaar. Toen deze hoorde dat het allemaal weer erger was geworden, was hij zeer bedroefd en hij sprak: ‘Kom na drie dagen terug om mijn raad te vernemen!’

Toen de boden na deze tijd weer bij hem kwamen, wilde hij de raad eerst niet geven. Doch zij drongen er bij op aan: ‘Zonder uw raad durven wij niet terug te keren. De koning zou ons de schuld geven dat u niet met ons heeft gesproken.’ Toen gaf de kluizenaar de droevige boodschap: ‘Wanneer deze draak weer tevreden gesteld moet worden, wil hij zuiver mensenbloed proeven. Dat kan het lichaam van een jonge vrouw hem geven!’

Deze woorden brachten de boden over aan de koning.

De ontsteltenis was groot. Uiteindelijk bleef er niets anders over dan de jonge vrouwen uit de stad bijeen te brengen en door het lot de ongelukkige te kiezen die het offer zou zijn.

Bij de zee bevond zich een rots die men de drakensteen noemde, omdat de draak daar in de buurt uit het water opdook. Daarheen werd de jonge vrouw gebracht die het rode staafje had getrokken. Ze werd geblinddoekt en aan de steen vastgebonden.
De draak dook op, verslond haar en keerde onmiddellijk weer in het water terug.

Maar onder het volk ontstond gemor, omdat de koning zijn dochter niet mee had laten loten en toen er weer een nieuwe loting moest plaatsvinden, liep een huilende menigte tot voor het slot en riep: ‘Prinses Elees moet ook meeloten! ‘Prinses Elees moet ook meeloten!

De koning kon tegen de wil van het volk niet langer op, want ook zijn raadsheren waren het met deze stemmen eens. Dus stond ook Elees net als de andere jonge vrouwen van de stad in de rij om het lot te trekken. De opperraadsheer had een zakje van zwart fluweel met daarin vele dunne staafjes. Aan de bovenkant zagen die er allemaal hetzelfde uit. De onderhelft was bij alle wit, behalve bij één: dat offerstaafje was aan de onderkant rood als bloed. Bij wie een wit staafje trok, sprong het hart van vreugde op. Elees trok het rode….

Hoewel haar vader en moeder bitter huilden en weeklaagden, werd hun dochter naar de drakensteen gebracht. Toen men haar aan een ijzeren ring wilde vastmaken, zoals men dat gewend was, smeekte Elees: ‘Bind mij niet vast aan de steen. Ik zal niet vluchten en mijn ogen zal ik zelf met mijn witte sluier verhullen.’ Toen deed ze de fijne stof over haar hoofd en ging tegen de rotssteen staan.
Boven op de muur van het slot stonden haar ouders, smeekten de oude goden dat er een wonder zou mogen geschieden en dat hun dochter gered mocht worden.

In de zee begon het te woelen, er ontstonden hoge golven die tegen de drakenrots aanklotsten.

Maar nu verscheen er op de hoogte van de nabij gelegen heuvels een ridder op een wit paard. Zijn uitrusting glansde in het licht van de zon. Hij moet van de gebeurtenissen gehoord hebben, want toen hij diep beneden zich aan het water de jonge vrouw  op de drakenrots aanschouwde, slaakte hij een kreet. Zijn paard sprong heuvelafwaarts op het opschuimende water af. Daar verscheen uit het ziedende water de kop van de draak. Begerig flikkerden zijn tanden in de grote muil. Maar toen het monster uit het water oprees, stond daar de ridder met zijn zwaard en sterke lans. Na een hevig gevecht doorstak hij het schubbige lijf van het ondier. Met een vreselijke doodskramp stortte de draak terug in zee en liet een streep donker bloed achter en zonk.

Toen het tumult met de wapenen begon, tilde Elees de sluier op en maakte van dichtbij de hevige strijd mee.
Toen de draak in de diepe golven verzonk, zag ze de vreemde, wonderbare ridder van zijn paard afstijgen. Hij stootte zijn zwaard in de grond en knielde neer en bad. Met verbazing zag Elees dat hij in de richting van de weggezonken draak het teken van het kruis maakte. Toen zag ze dat er ook op het schild van de ridder een rood kruisteken stond. Nog altijd beefde ze over haar hele lijf door de doorgemaakte schrik.
Toen de ridder haar zijn sterke hand reikte en haar van de steen naar beneden hielp, stroomde er rust en nieuwe moed in haar hart.

Vanaf de stadsmuren waar veel volk de strijd meebeleefd had, hief een groot gejuich aan. De poorten gingen open en de menigte stroomde in drommen naar de drakensteen. Elees en haar bevrijder werden jubelend omringd. Vol geluk sloten de ouders hun dochter in de armen. Ten aanschouwen van het hele volk vroeg de koning naar de naam van de ridder: ‘Onbekende, edele ridder en redder, zeg mij uw naam, dat ik u kan danken en zeg mij in welk teken uw strijd stond.

Toen wees de ridder op het kruisteken op zijn schild en sprak:
‘Joris is mijn naam. In het teken van Christus strijd ik en Michael de hemelse strijder tegen de duisternis geeft mij kracht.’

Het volk verzamelde zich rondom Joris en verlangde van hem dat hij over dit teken zou spreken. Hij klom op de drakensteen en verkondigde aan het volk de boodschap van het kruis van Jeruzalem.

Graag had de koning de koene ridder in zijn land gehouden en hem zijn dochter tot vrouw gegeven. Maar op de derde dag nam hij afscheid om nieuwe daden te verrichten.
Bij zijn vertrek bond Elees haar sluier als aandenken boven aan zijn lans en die wapperde als een vaantje toen hij achter de heuvel van het palmenbos verdween.

Joris 9

Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas vertelstofalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld2e klas

.

2204-2071

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Nu de kinderen thuis zijn….verhalen (1-1)

.

Wil je geen up-date missen, volg dit blog gratis. Aanmelden rechtsboven.
.

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is
Nu de kinderen thuis zijn…..alle artikelen en auteurs/uitvoerenden op alfabet

In alle klassen van de vrijescholen worden dagelijks verhalen verteld – niet voorgelezen – maar vrij voor de kinderen staand, verteld.
Er is meestal wel een voorleesboek ook, maar dat valt niet onder ‘vertellen’; daar is de vertelstof voor. Die is voor iedere klas anders.

Maar nu de kinderen thuis zijn, wordt dat iets moeilijker. 
Leerkrachten doen hun best ‘de verhalen’ aan de kinderen te vertellen, maar de media die ter beschikking staan, halen het niet bij het ‘echte vertellen’.

Toch verschijnen er mooie verhalen, zoals deze hier:

 

Let op, hoe rustig en goed articulerend deze ervaren vrijeschoolleerkracht vertelt. Belangrijk, deze rust en vooral de articulatie: als de kinderen de woorden goed uitgesproken krijgen te horen, gaat (later) het schrijven ervan makkelijker.
Zie daarvoor bv. ‘Dyslexie en touwtjespringen‘.

En deze:

 

Met werkelijk prachtige illustraties van de verteller!

Bron: BVS schooladvies

PERONNIEK   Om voor te lezen – zelf te lezen: klas 1, 2, 3
Een Bretons sprookje, met prachtige platen.
Het boek is overal uitverkocht. Je kan een digitaal exemplaar gebruiken.
Stuur een mail aan vspedagogie@gmail.com o.v.v. Peronniek
(Je ontvangt een bericht van ‘we transfer’ (veilig). Daar kun je het bestand downloaden.)



DIERENVERHALEN  Om voor te lezen – kleuters – zelf te lezen: klas 1, 2, 
Van meesterverteller Jakob Streit
Voor bv. heemkunde klas 1 en 2, maar ook om ‘gewoon’ te vertellen of voor te lezen, of om samen met het kind te lezen.
Boek is vrijwel uitverkocht. Je kan een digitaal exemplaar gebruiken.
Stuur een mail aan vspedagogie@gmail.com o.v.v. Dierenverhalen
(Je ontvangt een bericht van ‘we transfer’ (veilig). Daar kun je het bestand downloaden.)

VERHALEN UIT DE EDDA Om voor te lezen – zelf te lezen: klas 4
De vertelstof van klas 4. Prachtig naverteld door Roger L Green. Boek is vrijwel uitverkocht. Je kan een digitaal exemplaar gebruiken.
Stuur een mail aan vspedagogie@gmail.com o.v.v. Edda
(Je ontvangt een bericht van ‘we transfer’ (veilig). Daar kun je het bestand downloaden.)

FRANCESCO

Franciscus van Assisi, verteld door Jean Dulieu
Stuur een mail aan vspedagogie@gmail.com o.v.v. Franciscus
(Je ontvangt een bericht van ‘we transfer’ (veilig). Daar kun je het bestand downloaden.)

 

Nu de kinderen thuis zijn…..alles wat verzameld is

.

Achtergronden bij de vertelstof op de vrijeschool