Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Diocletianus

.

Diocletianus 243-305

Diocletianus

Een borstbeeld van de keizer Diocletianus, dat tijdens zijn regering werd gebeeldhouwd.

In de tijd dat Diocletianus opgroeide in een dorpje in wat nu Joegoslavië is, raakte het eeuwenoude Romeinse Rijk in verval. De noordelijke provincies werden bedreigd door Barbaren, die in Europa woonden en in het oosten groeide de macht van Perzië. Generaals die geacht werden de provincies aan de grenzen te verdedigen, grepen vaak zelf de macht en riepen zich tot plaatselijk heerser uit. Velen, voornamelijk militairen, streden om de troon van de keizer.

In het begin leek het alsof Diocletianus niet veel anders was. Hij maakte carrière in het leger. Door zijn troepen werd hij tot keizer uitgeroepen, waarop hij de strijd aanbond met de regerende keizer, Carinus. Niet lang daarna werd Carinus vermoord. Diocletianus werd toen tot keizer gekroond. Maar hij wilde meer dan alleen de macht. Hij wilde het keizerrijk in zijn vroegere glorie herstellen. Tegen de tijd dat hij, in 305, afstand deed van de troon, had hij bij alle grenzen vrede gesticht en het leger een nieuw aanzien gegeven. Het leger had echter geen macht meer. Ook had Diocletianus de binnenlandse politieke structuur van het rijk gereorganiseerd. Hij was begonnen met de laatste totale vervolging van de christenen in het Romeinse Rijk. Zijn grote fout was waarschijnlijk het invoeren van een nieuw regeringssysteem, waardoor het rijk uiteindelijk in twee delen uiteenviel.

Naar de mening van Diocletianus was het rijk te groot om door één man geregeerd en bij elkaar gehouden te worden. Volgens hem moest de keizer, vanuit Rome, naar de verafgelegen provincies reizen om zich daar te verzekeren van de trouw van zijn troepen. En hij moest die troepen indien nodig aanvoeren in de strijd. Ook moest hij de doeltreffendheid van de plaatselijke besturen kunnen controleren. Eén man kon niet gelijktijdig in alle provincies zijn of ze zelfs maar regelmatig bezoeken. Daarom koos Diocletianus een medekeizer, Maximianus, om hem te helpen in het westen de orde te handhaven, terwijl hij dat zelf in het oosten zou doen. Net als Diocletianus droeg Maximianus, een vroegere militaire collega, de titel Augustus (mede-keizer). Om de macht zo goed mogelijk te handhaven, koos Diocletianus nog twee assistenten. Die droegen de titel Caesar (mede-bestuurder). Het waren Galerius voor het oosten en Constantius voor het westen. Door middel van het huwelijk werden de twee caesares aan hun augusti (keizers) gebonden. Galerius trouwde met Valeria, de dochter van Diocletianus en Constantius met Theodora, de stiefdochter van Maximianus. Op die manier werd het keizerrijk in vier gebieden verdeeld. Elk deel had een eigen hoofdstad en een eigen keizer.

Het systeem werkte goed. Na verloop van tijd waren de vier keizerlijke leiders in staat de indringers te verdrijven en in het hele rijk de orde te herstellen. In de tussentijd concentreerde Diocletianus zich op de binnenlandse problemen van het rijk. Hij begon de structuur van de centrale regering te veranderen. Hij deed dit op een manier, die waarborgde dat hij alle touwtjes in handen hield. Wanneer dat nodig was, kon hij onmiddellijk tot actie overgaan. Veel van de instellingen van de oude Romeinse regering bleven bestaan, maar sommige kregen een andere functie.

Net als het politieke bestuur was ook de economische situatie in het rijk, na jaren van oorlog, niet al te rooskleurig. Diocletianus probeerde dit te herstellen door de landbouw te stimuleren en een bouwprogramma te laten uitvoeren. Om de handel te bevorderen, gaf hij een betrouwbare munt uit. Er kwamen nieuwe gouden en zilveren munten in omloop. Ook kwamen er kleinere munten om de alledaagse aankopen te vergemakkelijken. Er werden nieuwe wetten afgekondigd die het bezit van eigenaren beschermden, alsmede het recht van schuldeisers en de geldigheid van contracten. Er waren ook minder populaire economische hervormingen, zoals de belastingen op bebouwbaar land en op personen en het beroemde Edict van Diocletianus. Hiermee controleerde hij vanaf 301 de lonen en de prijzen. De bedoeling van het Edict was, de inflatie af te remmen en de uitbuiting van de consumenten te voorkomen. Maar voor de boeren en de handelaren bleek het rampzalig te zijn. Overal werd het Edict genegeerd en ten slotte schafte men het af.

Tegen het einde van zijn regering, in de jaren 303 en 304, liet Diocletianus vier Edicten afkondigen, die waren ontworpen om het christendom te onderdrukken. Maar de vervolging maakte geen einde aan het christendom. Integendeel, het geloof werd enorm versterkt doordat vele martelaren als heiligen werden aanbeden.

In het jaar 305 besloot de oude en zieke Diocletianus afstand te doen van zijn keizerschap. Hij haalde zijn mede-keizer Maximianus over om samen met hem af te treden. Ze wezen hun twee caesares (mede-bestuurders) als hun opvolgers aan. Deze werden toen de augusti (keizers). Op hun beurt benoemden ze twee caesares. Diocletianus trok zich terug op zijn schitterende kasteel bij Salona (in het huidige Split in Joegoslavië). Daar hield hij zich bezig met tuinieren totdat hij acht jaar later stierf.

Door zijn hervormingen en reorganisatie hield Diocletianus het Romeinse Rijk nog zo’n honderd jaar in stand. Maar door het in een westelijk en oostelijk rijk te verdelen, veroorzaakte hij een scheuring, waardoor het rijk later in tweeën zou splitsen. Dit leidde tot de vernietiging van het westelijk deel, waaronder de Eeuwige Stad, Rome.

6e klas Diocletianus rijkHet verdeelde rijk van Diocletianus. Hij regeerde vanuit Byzantium, terwijl Maximianus Rome als hoofstad had.

alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle biografieën

1078-1000

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Elizabeth 1

.

Elizabeth 1

Elizabeth I  1533-1603

Een portret van Elizabeth I. Het werd in 1585 geschilderd door Nicholas Hilliard. Hilliard was waarschijnlijk ook de maker van het Armada-juweel van 1588. Elizabeth stond toen op het hoogtepunt van haar macht. Aan het eind van de regeringsperiode van de ‘Virgin Queen’ was Engeland als wereldmacht naar voren gekomen.

Elizabeth I was een dochter van Hendrik VIII uit zijn tweede huwelijk, met Anna Boleyn. Hendrik VIII werd in 1547 opgevolgd door zijn zoon Eduard VI uit zijn derde huwelijk, met Jane Seymour. In 1553 kwam Maria (de Katholieke) aan het bewind, een halfzuster van Eduard VI, een dochter uit het huwelijk van Hendrik VIII en Catharina van Aragon. Hoe haar regering was, blijkt wel uit de bijnaam die ze kreeg, ‘Bloody Mary’ ofwel Maria de Bloedige. Toen Elizabeth betrokken raakte bij een mislukte opstand, werd ze door haar halfzuster opgesloten in de Tower van Londen. De 21-jarige prinses liet zich echter niet uit haar evenwicht brengen. Ze ging niet in op de beschuldigingen van haar ondervragers. Elizabeth was intelligent en bekwaam. Ze beheerste zeven vreemde talen. Maar bovendien bezat ze, wat voor iemand in haar positie onontbeerlijk was, de gave om zich te handhaven. In de gevaarlijke jaren die volgden, zou haar behoedzame gedrag haar in leven houden. Mogelijk kwam het daardoor, dat ‘Bloody Mary’ het niet aandurfde, haar halfzuster ter dood te laten brengen.

Toen Elizabeth als Elizabeth I koningin was geworden, kreeg ze met nog meer gevaar te kampen. Maar ze was gelukkig in de keus van haar ministers. Hun vooruitziende blik en trouw beschermden haar tegen haar vijanden.

Aan het hoofd van deze ministers stond William Cecil, de latere Lord Burghley. Evenals Elizabeth was Cecil van mening, dat welvaart alleen maar mogelijk was door het voeren van een voorzichtige financiële politiek en het vermijden van oorlog. Engeland kwam tot bloei. De industrie profiteerde van de stroom vakbekwame immigranten die naar Engeland vluchtten vanwege de godsdienstoorlogen op het vasteland van Europa. In 1571 opende Elizabeth de Koninklijke Beurs, gebouwd door de financier Sir Thomas Gresham. Een jaar tevoren was de protestantse Elizabeth door paus Pius V formeel in de ban gedaan. De pauselijke bul hield in, dat de Engelse katholieken hun koningin niet trouw hoefden te zijn. Erger nog: hij riep zelfs op tot ongehoorzaamheid. Deze passage zou overigens tien jaar later worden herroepen. Van dat ogenblik af was iedere katholiek voor wat de regering betrof een mogelijke verrader. Aanvankelijk had Elizabeths betrekkelijk verdraagzame politiek de katholieken (de helft van de bevolking) in staat gesteld hun geloof althans binnenskamers te belijden. Nu werden de wetten vervangen door strengere. Toen de jezuïeten in 1580 heimelijk het land begonnen binnen te komen, liet de regering van Elizabeth hen tot in hun verste schuilhoeken achtervolgen.

De ergste bedreiging voor de koningin was de aanwezigheid van haar nicht, Maria Stuart. Nadat de opstandige adel haar had gedwongen afstand van de Schotse troon te doen, was Maria Stuart naar Engeland gevlucht, in de hoop steun te krijgen van Elizabeth. Ze bleef er voortdurend bij de koningin op aandringen, haar tot haar opvolgster te benoemen. Daarbij was ze tactloos genoeg om te beweren dat zij – en niet Elizabeth – de rechtmatige koningin van Engeland was. Elizabeth liet haar onwelkome koninklijke bezoekster in verschillende kastelen opsluiten. Intussen werden zowel in Engeland als daarbuiten plannen beraamd om de katholieke Maria Stuart op de Engelse troon te krijgen.

Toen een aantal van deze samenzweringen aan het licht was gekomen, liet Elizabeth de samenzweerders terechtstellen. Haar ministers smeekten haar, zich ook van Maria te ontdoen, maar Elizabeth aarzelde om een gekroonde koningin te laten terechtstellen. Toen echter het bewijs werd geleverd dat Maria betrokken was geweest bij een samenzwering met als doel Elizabeth te doden, liet ze haar toch voor de rechter brengen. Zelf tekende ze Maria’s doodvonnis, maar toen het werd uitgevoerd, werd de koningin hysterisch en probeerde ze haar ministers de schuld te geven.

Elizabeth was onvermurwbaar wat een ander belangrijk punt betrof: haar huwelijk. Als kind had ze zich reeds voorgenomen, nooit te zullen trouwen. Mogelijk kwam haar angst voor het huwelijk voort uit het feit dat ze het met de dood in verband bracht. Gezien het lot van haar moeder, Anna Boleyn, en dat van haar vaders vijfde vrouw, Catherine Howard, was dat niet verwonderlijk. Een tweede factor die een rol speelde bij haar tegenzin aangaande het huwelijk was, dat zij er niets voor voelde haar macht met een eventuele echtgenoot te delen. Haar minnaars, die ze zelfs tot op middelbare leeftijd had, heeft ze waarschijnlijk nooit serieus genomen. Ze had hen vanwege hun strategische waarde. Zo bleef ze de hertog van Anjou bijvoorbeeld drie jaar lang aan het lijntje houden door hem een verbond met Frankrijk in het vooruitzicht te stellen. Op die manier zou de agressieve politiek van Filips II van Spanje binnen de perken kunnen worden gehouden. Filips ergerde zich aan de Engelse piraterij die door Elizabeth oogluikend werd toegestaan. Bovendien was hij van mening, dat hij recht had op de Engelse kroon, die Maria Stuart hem had nagelaten. In 1588 stuurde hij zijn Onoverwinnelijke Vloot, de Armada, naar het noorden. Elizabeth bleef er tot op het allerlaatst van overtuigd, dat het niet tot een werkelijke oorlog zou komen. Ze weigerde daarom, haar strijdkrachten van voldoende voorraden te voorzien. Toch slaagde de Engelse zeemacht (grotendeels een schepping van Elizabeth) erin, de Spanjaarden te verdrijven. Door deze overwinning groeide de nationale trots van de Engelsen en de genegenheid voor hun koningin nam toe. Gedurende de laatste vijftien jaar van haar regering werd Elizabeth bijna als een godin verheerlijkt. Vele dichters maakten lofzangen op haar verdiensten. Het toegenomen nationaal bewustzijn kwam tot uitdrukking in een golf van culturele activiteit. Daarvan werd het hoogtepunt wel gevormd door de toneelstukken van William Shakespeare (1564-1616). De oude vorstin, zwaar opgemaakt, voorzien van een pruik en gehuld in de meest fantastische kostuums, diende als levend symbool van de nieuwe grootheid van Engeland. Onder al die uiterlijke opschik ging een scherpzinnige vrouw schuil, die pas op haar sterfbed bekendmaakte wie haar opvolger zou worden: Jacobus VI van Schotland, Maria Stuarts zoon.

Elizabeth 1

Elizabeth I wordt op het hoogtepunt van haar regeringsperiode door haar hovelingen in een draagstoel gedragen. Ze eiste van haar hof totale trouw. Toen haar favoriet, Sir Walter Raleigh, in het geheim in het huwelijk trad, beschouwde Elizabeth dit als een belediging voor haar als vorstin en als vrouw. Dit schilderij wordt toegeschreven aan Robert Peake de Oudere.

7e klas geschiedenis: alle artikelen

alle biografieën

1057-980

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cortez

.

Cortez

Een portret van Hernan Cortez te paard. Het is afkomstig uit een boek van de Tlaxcalan-indianen, dat handelt over zijn verovering van Mexico. De Indiaanse kunstenaar beeldde Cortez af met een hoed, zoals die werd gedragen door hun god Quetzalcoatl. De verschijning van Cortez was voor de Indianen zeer vreemd. Het versterkte hun overtuiging, dat Cortez een god was, die uit ballingschap terugkeerde

HERNÀN CORTEZ  1485-1547

Hoe Hernàn Cortez erin slaagde om met niet meer dan 500 soldaten een rijk met verscheidene miljoenen inwoners te veroveren, zal wel altijd een raadsel blijven.

Hernàn Cortez was afkomstig uit de arme Spaanse provincie Estremadura, waar zijn ouders tot de lagere Castiliaanse adel behoorden. Hij nam deel aan de verovering van Cuba en was al op negentienjarige leeftijd een vooraanstaand lid van de koloniale samenleving daar. In 1517 kreeg hij van gouverneur-generaal Velazquez van Cuba opdracht, naar het westen te varen om gegevens te verzamelen over nieuwe gebieden. Cortez vertrok met 500 manschappen, 16 paarden, 10 kleine kanonnen en 48 geweren. Toen Velazquez, die spijt had gekregen van zijn opdracht, hem terug wilde roepen, waren Cortez en zijn mannen al op weg. Voor de kust van Yucatan werden ze verwelkomd door de plaatselijke Maya-bevolking. Eén van de vrouwen sprak een Azteekse taal en samen met een Spanjaard, die slaaf bij de Maya’s was geweest en die hun taal sprak, trad ze voor Cortez op als tolk. In april 1519 landden de Spanjaarden bij Cempoalla aan de Mexicaanse kust.

Nog geen honderd jaar tevoren hadden de Azteken enkele wrede oorlogen gevoerd, waarbij ze schatting, slaven en mensenoffers van de Maya’s geëist hadden. Het verslagen volk was ervan overtuigd, dat hun god Quetzalcoatl eens zou terugkeren om de vijand te verslaan. Toen Cortez met zijn ‘gevleugelde kano’s met hun donderstemmen’ (de kanonnen) aankwam, meende men dan ook dat de dag van de bevrijding was gekomen.

Voor velen was hij de god, wiens komst was voorspeld, de god van de winden, de goedheid en het licht.

Vlakbij Cempoalla bouwde Cortez een versterking, die hij Vera Cruz noemde. Vervolgens stuurde hij een van zijn schepen terug naar Spanje met een verslag over de gebeurtenissen, op de vijand veroverde voorwerpen en een geschilderd boek over de legende van Quetzalcoatl.

Het was augustus 1519, toen hij met 400 van zijn mannen, duizenden inlandse dragers en 7 kanonnen landinwaarts trok om zich te voegen bij de Tlaxcala, een bergvolk dat in oorlog was met de Azteken. De grote hoofdstad Tenochtitlan telde bijna een miljoen inwoners. Deze stad was gebouwd op een aantal eilanden in een meer dat was omgeven door bergen en vulkanen. Montezuma, de Azteekse keizer, die er niet in slaagde Cortez tegen te houden of hem uit de weg te ruimen, schonk hem een paleis binnen de stad.

Intussen waren in Vera Cruz manschappen vanuit Cuba aangekomen, met de opdracht van de jaloerse gouverneur-generaal, Cortez gevangen te nemen. Razendsnel keerde Cortez terug naar de kust, waar hij zijn tegenstanders versloeg en de overlevenden overhaalde, zich bij hem aan te sluiten.

In Tenochtitlan hadden de achtergebleven mannen inmiddels een groot aantal burgers vermoord, uit angst overvallen te worden. Toen Cortez terugkwam, begonnen de Azteken een beleg. Tijdens de gevechten die volgden werd Montezuma gedood, maar de Spanjaarden werden op de vlucht gedreven. Op de terugweg, die via een
verbindingsdam leidde, vonden vele Spanjaarden de dood in het meer.

Ondanks het grote verlies dat ze hadden geleden, wisten Cortez en zijn mannen een groot Azteeks leger bij Otumba te verslaan. Samen met de Tlaxcala en duizenden Azteekse opstandelingen, vereerden ze Tenochtitlan. Het beleg duurde drie maanden en na afloop stond er vrijwel geen gebouw meer overeind. De Spaanse soldaten maakten zich schuldig aan afschuwelijke wreedheden, hoewel een dergelijk gedrag bepaald niet paste bij Cortez’ godsdienstige opvattingen.

Hoewel er verschillende theorieën over bestaan, zal het waarschijnlijk altijd een raadsel blijven, hoe de 500 conquistadores (veroveraars) van Cortez erin slaagden een miljoenenvolk te verslaan. Sommige deskundigen menen dat er sprake moet zijn geweest van een ziekte die, meegebracht door de Europeanen, onder de Azteken een epidemie veroorzaakte. De ontevredenheid onder de bevolking die herhaaldelijk tot opstanden leidde, zal wellicht ook een rol hebben gespeeld. Cortez, die van de Spaanse regering de titel ‘Marquis de Valle des Oaxaca’ kreeg, zag zijn grootste wens, gouverneur van de nieuwe provincie te worden, niet in vervulling gaan. Hij ondervond voortdurend tegenstand van de koloniale regering en de onderkoning en hij stierf in 1547 als een verbitterd man.

Cortez

Cortez met de Indiaanse prinses Malinche, die zijn tolk werd. Zij vertaalt de woorden van een Azteek om Cortez van dienst te zijn.

alle biografieën

7e klas geschiedenis

VRIJESCHOOL in beeld:  7e klas alle beelden

1054-977

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem de Veroveraar

.

Willem de Veroveraar

Het linkerprofiel van Willem de Veroveraar op een zilveren penny. De munt werd waarschijnlijk in 1068 geslagen. Het ontwerp is toegeschreven aan Theodoric.

Willem, hertog van Normandië, was een van de veroveraars die in de 11e eeuw de kaart van Europa drastisch wijzigde. De Normandiërs waren de afstammelingen van de Vikingen, die aan het begin van de 10e eeuw het hertogdom hadden gesticht. Tegen 1100 hadden ze Zuid-Italië op de vroegere Longobardische en Byzantijnse overheersers veroverd. Ze begonnen na de Eerste Kruistocht al nieuwe staten te stichten in Syrië en Palestina.

Deze harde en oorlogszuchtige mannen hadden een groot talent voor regeren. Na de slag bij Hastings in 1066 werd Willem heer en meester van één van de best bestuurde koninkrijken in Europa. Hij bouwde op deze basis verder. Toen hij stierf, liet hij een voor die tijd op unieke wijze georganiseerde staat na.

Willem was de onwettige zoon van Robert I van Normandië en Herleva, de dochter van een rijke inwoner van Falaise. Hertog Robert stierf toen zijn zoon nog maar acht jaar was. Onmiddellijk ontstond er rond de jongen een golf van geweld en intrige. Drie van zijn raadslieden werden vermoord en aan datzelfde lot kon de jonge Willem ternauwernood ontsnappen.

Op zijn zestiende jaar kreeg de jonge hertog Willem al te maken met een algemene opstand. Het was duidelijk, dat hij op militair gebied zeer begaafd was. Maar toch moest hij de hulp inroepen van koning Hendrik I van Frankrijk. Tijdens de vijf jaar daarna kwam Willem naar voren als een kundig leider.

In plaats van met een dankbare trouwe vazal, zag Hendrik zich geconfronteerd met een machtige buur. Zijn pogingen om de Normandische staat te ontmantelen faalden. Na de dood van de Franse koning Hendrik I in 1060 breidde Willem zijn gebied uit met het aangrenzende graafschap Maine. Hij had bewezen, dat hij de meester was in het roerigste gebied van Frankrijk. Zijn Engelse avontuur stond op het punt te beginnen.

Engeland werd geregeerd door Eduard de Belijder. Deze koning was kinderloos. Tijdens de regering van Kanoet had Eduard als banneling in Normandie geleefd. Toen hij koning werd, had hij Normandiërs als raadsheren aangesteld. In 1051 wees hij Willem officieel als zijn troonopvolger aan. In 1053 trouwde Willem met Matilda, die afstamde van Alfred de Grote van Engeland. Maar er waren in Engeland allerlei ontwikkelingen waardoor Harold Godwinson op de voorgrond kwam. In de 60-er jaren van de elfde eeuw had hij een goede kans, door middel van verkiezingen tot koning te worden gekozen. Toen leed Harold in 1064 voor de kust van Normandië schipbreuk. Hij werd als ‘gast’ meegenomen naar het hof van Willem. Volgens zeggen werd hij daar door een list overgehaald om te zweren, dat hij Willems aanspraken op de Engelse troon zou steunen. Koning Eduard stierf en in januari 1066 werd Harold tot koning gekozen.

Ondanks de tegenstand van zijn eigen raadgevers begon Willem op grote schaal voorbereidingen te treffen voor de invasie van Engeland. Hij bouwde een vloot om zijn manschappen te vervoeren. Hij rekruteerde huursoldaten uit Bretagne, Vlaanderen en uit andere streken. Hij kreeg voor zijn oorlog tegen een ‘meineed-plegende overweldiger’ de pauselijke zegen. Door de harde tegenwind werden zijn troepen gedwongen om de hele zomer van 1066 in Normandië te blijven.

Intussen had Harold langs de hele Engelse Kanaalkust mannen en schepen geposteerd. In september kreeg hij het bericht dat Noorse troepen in het noorden aan land waren gegaan. Hij marcheerde met zijn leger zo snel noordwaarts, dat hij de Noren en hun bondgenoten kon verrassen. Hij vernietigde hen op 25 september 1066 in de slag van Stamford Bridge. Maar in het zuiden was de wind gedraaid. Willem kon zonder tegenstand bij Pevensey aan land gaan.

Harold en zijn keurtroepen haastten zich terug naar Londen. Op 13 oktober 1066 sloegen ze hun kamp op bovenop een heuvel in de buurt van de tegenwoordige stad Battle. Daar hadden ze moeten wachten op versterkingen die onderweg waren. Harolds mannen waren eigenlijk ook te moe om direct weer ten strijde te trekken. Maar Harold besloot, de volgende ochtend om negen uur het gevecht met de indringers aan te gaan. De Engelsen hielden de hele dag stand. Tegen het vallen van de avond deden de legers van Willem alsof ze op de vlucht sloegen. De Engelsen verlieten hun slagorde om hen te achtervolgen. Maar de troepen van Willem verzamelden zich weer. De list slaagde. De Engelsen werden overwonnen en Harold sneuvelde.

De veertigjarige overwinnaar was wreed, hebzuchtig, meedogenloos en mateloos ambitieus. Maar hij was ook een dapper en vindingrijk leider. Hij werd één van Engelands grootste koningen. Vanaf Hastings rukte hij op naar Londen. In de zuidelijke streken liet hij een spoor van verwoesting en dood achter. Hij werd op Kerstdag 1066 in de Abdij van Westminster tot koning gekroond. Er volgden opstanden in 1069, 1072 en 1075, die allemaal werden neergeslagen. Midden-Engeland en het noorden werden door Willem de Veroveraar zo verwoest, dat het land 50 jaar nodig had om zich weer enigszins te herstellen. Willem verdeelde het land en de bezittingen van de verslagen Engelse adel onder zijn volgelingen. Maar de nieuwe Normandische machthebbers kregen maar heel kleine leengoeden, waardoor het voor hen heel moeilijk werd machtsblokken te vormen. Er werden kastelen gebouwd om vandaaruit het vijandige land in bedwang te houden. De grootste van die kastelen waren dat van de koning in Windsor en de Tower van Londen. Aan het eind van zijn regering gaf Willem het bevel om overal landmetingen te verrichten en daarvan aantekeningen te maken. Dit werd bij de Engelsen bekend als het Domesday Book. Het was een omvangrijk en uniek document. Het had zonder het bestuurlijk apparaat dat Willem van zijn voorgangers erfde, nooit tot stand kunnen komen. Willem sneuvelde terwijl hij zijn vijanden in Normandië bestreed. Tijdens zijn regering had de Engelse samenleving een nieuwe vorm gekregen.

Bayeux

Een deel van het beroemde wandkleed van Bayeux. Het toont de Normandiërs die op weg zijn naar de zuidkust van Engeland, enige tijd voor de Slag bij Hastings. Na de nederlaag van de Engelsen en de dood van koning Harold bij Hastings, trokken de troepen van Willem de Veroveraar een spoor van dood en verwoesting door Zuid-Engeland. Daarna werd Londen veroverd. Het wandkleed van Bayeux werd waarschijnlijk aan het eind van de 11e eeuw door Engelse naaisters geweven in opdracht van Odo, de bisschop van Bayeux en halfbroer van Willem de Veroveraar.

alle biografieën

1048-971

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Karel de Grote

.

Karel de Grote 742-814

Karel de Grote

Karel de Grote te paard. Hij draagt zijn keizerskroon en zijn wapenuitrusting.

‘Wanneer ik de bedoeling van de paus had geweten, dan had ik nooit een voet in deze kerk gezet.’
Volgens de overlevering deed Karel de Grote, koning der Franken, deze uitspraak na een kerstmis in Rome in 800.
Tijdens deze mis werd hij door de paus tot keizer van het Westen gekroond. Door Karels toedoen was de paus niet langer in de macht van de Byzantijnse keizers in het Oosten. Hij had de kerk van Rome onverbrekelijk met Europa verbonden.

De Franken hadden heel wat bereikt. Op het hoogtepunt van de Romeinse macht waren ze niet meer dan een barbaars volk. Ze leefden in het Rijndal, net buiten de grens van het Romeinse Rijk. Terwijl de macht van de Romeinse keizers afnam, breidden de Franken hun gebied uit. Clovis, de eerste koning van de Franken, versloeg de Romeinse legioenen bij Soissons. In 486 maakte hij een einde aan de Romeinse heerschappij over het grootste deel van Gallië. Clovis nam het christelijke geloof aan. Ook bekeerde hij zijn volk tot zijn nieuwe geloof. Hij legde de grondslag voor de dynastie van de Merovingers, die het rijk van de Franken meer dan 250 jaar zouden regeren. Aan het eind van die periode hadden de Merovingers alleen nog de koninklijke titel. De echte macht was in de verschillende gebieden van het rijk overgegaan in handen van hofmeiers. Eén van hen was Karel Martel. Hij verdiende een blijvende plaats in de geschiedenis door bij Tours de Arabieren te verslaan en hun opmars in Europa tot staan te brengen. Zijn zoon en opvolger, Pippijn de Korte, onttroonde de Merovingers en riep zichzelf in 751 uit tot koning van de Franken. Hij kreeg daarvoor de toestemming van de paus, omdat die zijn steun nodig had in de strijd tegen de Longobarden, een ander barbaars volk dat gebieden in Italië bezet hield. Ze bedreigden het gebied van de kerkvorst. Pippijn stierf in 768. Zijn twee zoons, Karel en Karloman, erfden het rijk. Dit omvatte het grootste deel van het huidige Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Zwitserland en Oostenrijk. Karel werd de enige heerser, omdat zijn broer in 771 overleed.
Het werk van Pippijn werd door zijn zoon Karel voortgezet. Hij breidde zijn rijk uit met het koninkrijk Lombardije in Noord-Italië, Beieren en Saksen. Ook werd hij koning over de Avaren en Slaven.
De Franken ondernamen ook een poging om Spanje aan hun rijk toe te voegen. In 778 belegerden ze Saragossa. Ze slaagden er niet in de stad in te nemen en trokken zich terug. Op de terugweg gingen ze dwars door de Pyreneeën. Daar werden ze aangevallen door de Basken. De legeraanvoerder Roeland sneuvelde. Hij werd later onsterfelijk in het heldendicht het Roelandslied.
Karel maakte zijn plannen voor de vele veldslagen en het in stand houden van zijn legers altijd alleen. Daarbij stond hij ook nog vaak aan het hoofd van zijn strijdmacht. Ook het bestuur over zijn immense rijk voerde hij vrijwel alleen uit. Karel beschikte in tegenstelling tot de Romeinse keizers niet over ambtenaren. Het rijk was niet in provincies onderverdeeld, er waren geen wegen en goede verbindingsmogelijkheden en er was geen algemene wetgeving. Het centrale bestuur was Karels hof. Dat bestond uit zijn familie en een kleine groep wereldlijke en geestelijke leiders. Alle gebieden behielden hun eigen wetten en werden bestuurd door een plaatselijke edelman en een bisschop. Ze kregen  hun instructies van twee koninklijke boodschappers, een kerkelijke en een bestuurlijke. Ongeveer eens per jaar ontmoetten Karel en zijn hof de plaatselijke bestuurders in een algemene vergadering. Daar werden niet alleen de burgerlijke, maar ook de godsdienstige en militaire aangelegenheden besproken.

Hoewel het bekend is dat Karel ruwe manieren had en een slechte opleiding had gekregen, hongerde hij naar kennis. Hij liet geleerden uit alle delen van zijn rijk aan zijn hof in Aken wonen.

Om het onderwijs in zijn rijk te stimuleren en de godsdienstbeoefening te verbeteren, stichtte hij overal scholen, in het bijzonder in de kloosters en kerken. Die inspanningen leidden tot de zogenaamde Karolingische Renaissance, die niet alleen een belangstelling voor scholing omvatte, maar ook nieuwe kunstvormen en een nieuwe architectuur.
Het rijk van Karel de Grote had een enorme omvang bereikt. Het bevatte ook een deel van het vroegere Westromeinse Rijk. Daardoor werd het de rivaal van het Byzantijnse Rijk, dat in plaats van het Oostromeinse Rijk was gekomen. Byzantium bezat nog een aantal gebieden in Italië, hoewel het grootste deel in handen van de barbaren was. Ook beweerden de Byzantijnen zeggenschap te hebben over de paus en de Kerkelijke Staat. Maar de pausen gaven de voorkeur aan de Franken. Dat kwam omdat ze voor een deel werden beschouwd als betere beschermers en voor een deel omdat de Westerse Kerk een andere mening had over een aantal leerstellingen die door de orthodoxe bisschoppen waren aanvaard. In 799 vluchtte paus Leo III naar het hof van Karel de Grote om aan zijn vijanden te ontsnappen. Karel liet hem veilig naar Rome terugbrengen. Het jaar daarna kwam Karel zelf naar Rome. Daar werd hij met veel pracht en praal ontvangen. Tijdens de kerstmis werd hij door de paus tot keizer gekroond. Na een lange strijd werd hij in 812 door de Byzantijnen als keizer erkend. Ze gaven daarmee ook hun rechten op Rome en de paus op. Karels rijk bleef na zijn dood nog maar één generatie bestaan. Daarna versplinterde het in kleinere delen. Toch had het een diepgaande invloed op het middeleeuwse en tegenwoordige Europa. Want Karel de Grote gaf de Europeanen een gemeenschappelijke erfenis, die was gebaseerd op Romeinse, christelijke en barbaarse grondvesten. Hij was de eerste, die binnen de regering de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten samenbracht. Hij zorgde voor een politieke traditie, waardoor later Duitsland en Frankrijk zijn ontstaan.

alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle artikelen
Karel de Grote

1042-967

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën -Justinianus 1

.

Justinianus I de Grote 482-565

Justinianus 1

Een portret van Justinianus I op een munt, die tijdens zijn bewind werd uitgegeven. Zijn grootste bijdrage aan de geschiedenis was het vastleggen van de Romeinse wetgeving in een wetboek.

Net als vele andere grote leiders beschikte de Byzantijnse keizer Justinianus de Grote over goede raadslieden. Twee bekwame generaals, Belisarius en Narses, hielpen hem zijn rijk in stand te houden en uit te breiden. Tribonianus, een begaafd rechtsgeleerde, hielp hem een wetboek samen te stellen. Twee bekwame bestuurders, Johannes van Cappadocië en Peter Barsymes, gaven zijn heerschappij een eerlijke en doeltreffende vorm. Theodora, de vrouw van Justinianus, ondersteunde hem wanneer tegenstanders hem probeerden af te zetten. Maar het was de keizer zelf, met zijn scherpe geest, zijn aangeboren gevoel voor rechtvaardigheid, zijn kracht en inzicht, die de belangrijkste rol speelde. Onder zijn leiding beleefde het rijk tijdens zijn lange regering een gouden eeuw in het Byzantijnse tijdperk.

Justinianus begon zijn loopbaan als een gewaardeerd raadsman van zijn oom, keizer Justinus I. Hij kwam uit een boerengeslacht in een dorpje in het tegenwoordige Joegoslavië. Al spoedig bekleedde hij een belangrijke positie in het leger. Toen Justinus in 518 keizer werd, adopteerde hij zijn neef en gaf hem een aantal belangrijke taken binnen de regering. Justinianus werd een invloedrijk raadsman. Hij was verantwoordelijk voor een groot deel van de politieke beslissingen van zijn oom. In 527 werd hij door zijn oom als medekeizer aangesteld. Toen Justinus later dat jaar overleed, werd hij de enige heerser. Op het ogenblik van zijn troonsbestijging was Justinianus al in oorlog met de Perzen. De oorlog duurde tot ongeveer 561. Toen werd er na onderhandelingen tot een wapenstilstand van 50 jaar besloten. Perzië gaf bijna alle veroverde gebieden aan de Byzantijnen terug. In ruil daarvoor moesten ze 30.000 goudstukken per jaar aan de Perzen betalen. Justinianus was bij het verdedigen van de grenzen op het Balkanschiereiland tegen de barbaren heel wat minder succesvol. Op een gegeven ogenblik kon de trouwe generaal Belisarius de barbaren net buiten Constantinopel een halt toeroepen door de burgerbevolking te mobiliseren. Sommige van de indringers werden na verloop van tijd uit het rijk verdreven. Anderen vestigden zich op Byzantijns grondgebied. Een aantal van hen sloot zich zelfs bij het Byzantijnse leger aan om toekomstige invallen te helpen voorkomen.

6e klas Justinianus 1Het monogram van Justinianus, een soort gestileerde handtekening.
.

Ook met zijn pogingen om zijn rijk naar het westen uit te breiden, had Justinianus niet al te veel succes. Hij beschouwde het als zijn keizerlijke plicht, de macht over de westelijke provincies van het oude Romeinse Rijk weer in handen te krijgen. Hij ondernam een aantal aanvallen op Noord-Afrika en Italië om de barbaarse heersers daar te onttronen. Belisarius versloeg met veel gemak de Vandalen in Noord-Afrika. Dat was in Italië een stuk minder eenvoudig. De Byzantijnen namen Ravenna in. Ook veroverden ze het omliggende gebied op de Oostgoten. Maar hun opmars werd gestuit door de kundige Oostgotische leider Totila. Deze hield tot 552 stand. Toen sneuvelde hij in een veldslag tegen een enorme Byzantijnse strijdmacht onder aanvoering van Narses. Narses trok verder en veroverde Rome. In 562 hadden de Byzantijnen heel Italië ingenomen. Maar Italië was door de oorlog zodanig verwoest en ontwricht, dat het normale economische en politieke leven niet hersteld kon worden. Kort na de dood van Justinianus zouden de Byzantijnen het grootste deel ervan weer verliezen aan de binnentrekkende Longobarden.

Justinianus besteedde de meeste aandacht aan de hervormingen van het binnenlandse bestuur. Om het recht in zijn land zoveel mogelijk te bevorderen, liet hij door Tribonianus alle Byzantijnse en Romeinse wetten in een wetboek optekenen. Hij maakte ook de financiële administratie veel doelmatiger en kondigde strenge maatregelen af tegen belastingontduikers. Op overheidsuitgaven, waaronder de populaire arenaspektakels, werd bezuinigd.

Zowel de rijken als de armen waren niet tevreden over de belastinghervormingen van de keizer. Dit was voor een deel de oorzaak van een opstand in Constantinopel in 532. De andere oorzaak van de opstand was een meningsverschil over een christelijke leer. Een plunderende menigte benoemde een nieuwe keizer. Maar Theodora, de vrouw van Justinianus, haalde hem over zich te verzetten. Enkele trouwe generaals onderdrukten de opstand door duizenden opstandelingen te doden. Ondanks een bijna onafgebroken periode van oorlog en ontevredenheid, bloeide onder het bewind van Justinianus de Byzantijnse cultuur. De literatuur, de beeldende kunst en de architectuur bereikten een grote hoogte.

6e klas Theodora van ByzJustinianus’ vrouw, keizerin Theodora, en haar gevolg staan afgebeeld op dit mozaïek uit San Vitale, Ravenna. Het dateert uit de 6e eeuw. Theodora was misschien een sterkere persoonlijkheid dan haar echtgenoot. In 532 vervolgde Justinianus belastingontduikers en bezuinigde hij op de overheidsuitgaven, waaronder de populaire spektakelspelen. Rijken en armen waren woedend. Er kwam een opstand en de rebellen kozen een andere keizer. Theodora haalde Justinianus over zich te verzetten. De opstand werd door de strijdkrachten onder leiding van aan de keizer trouw gebleven generaals, op bloedige wijze gesmoord.
.

Veel van wat Justinianus bereikte, ging onder het bewind van zijn opvolgers weer verloren. Er zijn twee van zijn monumenten in stand gebleven. Ten eerste de Aya Sophia, dat nu een museum is en dat bezoekers een idee geeft van de verworvenheden van het Byzantijnse Rijk onder zijn regering. Nog belangrijker is het dat door het Wetboek van Justinianus de Romeinse wetgeving voor het nageslacht bewaard is gebleven. Het vormt nog steeds de basis van de wetgeving van vele landen in de Westerse wereld.

alle biografieën

6e klas geschiedenis

1036-961

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Constantijn de Grote

.

Constantijn I de Grote ca. 280-337

Constantijn de Grote

Een portret van Constantijn I op een gouden medaille, die tijdens zijn bewind werd geslagen.

In het jaar 313 leidde Constantijn de Grote zijn leger in de richting van Rome. Volgens de legende zag hij tijdens die tocht ‘een lichtend kruis, scherp
afgetekend tegen de zon ’. Langs de hemel werden de woorden ‘In dit teken zult gij overwinnen’ geschreven.
Hij was diep onder de indruk. Hij beschouwde het als een boodschap van de god van de christenen. Hij gaf zijn troepen het bevel het teken op hun schilden en wapenuitrustingen te schilderen. In de volgende veldslag, bij de Pons Milvius (een brug ten noorden van Rome), wonnen ze van een grote overmacht. Met deze overwinning veroverde Constantijn de macht in het westelijk deel van het Romeinse keizerrijk.

6e klas Constantijn de GroteConstantijn I was de eerste Romeinse keizer, die tot het christendom werd bekeerd. Hij maakte een einde aan de vervolgingen van de christenen door de Romeinen, die 300 jaar hadden geduurd. Deze illustratie toont de heilige Petrus en Paulus, die in een droom aan Constantijn verschijnen. In die droom ziet hij ook een kruis met de tekst: ‘In dit teken zult gij overwinnen’. Volgens een andere versie van het verhaal zag Constantijn, toen hij zijn leger in de richting van Rome leidde, een kruis van licht afgetekend tegen de zon, met de woorden ‘In dit teken, overwin’.

Het was voor hem een enorme stap naar de alleenheerschappij, die hij later zou verwerven. Ook voor het christendom betekende het een ommekeer in de verstandhouding tot Rome. Constantijn moedigde het verbreiden van de door hem aangehangen christelijke godsdienst sterk aan. Constantijn was langs een lange en gevaarlijke weg bij de Pons Milvius aangekomen. Er gingen vele schermutselingen tussen de mede-keizers van Diocletianus en hun opvolgers aan vooraf. Constantijn was de zoon van Constantius, één van de caesares van Diocletianus. Hij werd grootgebracht aan het hof van Diocletianus in Nicome-dia. Zijn moeder, Helena, was door zijn vader verstoten. Dat had hij gedaan omdat hij een politiek gunstiger huwelijk kon sluiten. Nadat Diocletianus zich had teruggetrokken, werd Constantius een van de twee keizers. Hij regeerde de westelijke helft van het Romeinse Rijk. Hij voerde oorlog in Brittannië en liet Constantijn komen om hem daarbij te helpen. Constantius stierf, tijdens deze oorlog, in 306 v. Chr. Het leger riep Constantijn uit tot troonopvolger. Maar de jonge leider kon de macht niet onmiddellijk in handen nemen. Er waren anderen, die beweerden recht te hebben op zijn positie. Tussen hen brak een strijd uit, waarbij vele doden vielen. Constantijn rekende bij de Pons Milvius zelf af met de laatste van deze troonpretendenten.

Intussen had een andere heerser, Licinius, in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk de macht gegrepen. Hij probeerde al spoedig zijn heerschappij naar het westen uit te breiden. Zijn eerste aanval op Constantijn had geen succes. Er kwam een wankele wapenstilstand. De twee keizers regeerden negen jaar lang in betrekkelijke vrede ieder hun eigen deel van het rijk. In 324 viel Licinius weer aan. Constantijn bracht hem deze keer een beslissende nederlaag toe. Daardoor werd hij de absolute heerser van het Romeinse keizerrijk.

Toen Constantijn en Licinius samen het rijk regeerden, hadden ze in 313 het Edict van Milaan afgekondigd. Hierdoor kwam er een eind aan de vervolgingen van de christenen, die door Diocletianus waren begonnen. Alle godsdiensten werden van toen af toegelaten. Maar Constantijn ging nog veel verder, zowel als heerser in het westen als latere keizer van het hele rijk. Hij zag zichzelf als de dertiende apostel. Hij moedigde de verbreiding van het christendom aan waar hij maar kon. Er werden wetten uitgevaardigd, die christelijke gebruiken ondersteunden. Zo werd de zondag een officiële rustdag en kregen de kerk en de geestelijken bepaalde voorrechten. Keizerlijk land in Rome werd ter beschikking gesteld om een kathedraal te bouwen, de Basilica Constantiniana (tegenwoordig de St. Jan van Lateranen). Ook begon hij met de bouw van de St. Pieterskerk. Direct of indirect was Constantijn ook betrokken bij de bouw van kerken in Alexandrië, Nicomedia, Antiochië, Triëst en vele andere steden.

Wanneer het burgerlijke zaken betrof, was Constantijn minder fantasierijk. Hij deed niet veel meer dan het verbeteren en voortzetten van de bestuurlijke wettelijke, militaire en economische hervormingen, die door Diocletianus waren ingevoerd. Net als zijn voorganger regeerde Constantijn vanuit het oosten, waar hij was geboren. Vandaaruit waren alle delen van het enorme rijk eenvoudiger te bereiken dan vanuit Rome zelf. Op de plaats van het oude Byzantium begon hij in 324 met de bouw van Constantinopel. Hoewel Constantinopel een ‘tweede Rome’ werd genoemd, was het een christelijke stad. Onder de grote aantallen schitterende en belangrijke gebouwen waren veel kerken. In de tijd van Constantijn was Constantinopel de hoofdstad van het hele Romeinse Rijk. Toen het rijk in 395 in twee delen uiteenviel, werd het de hoofdstad van het nieuwe Oostromeinse of Byzantijnse Rijk. In tegenstelling tot het oude Romeinse Rijk werd het Byzantijnse Rijk geregeerd door een christelijke heersende klasse, die oorspronkelijk door Constantijn werd gevormd. Er maakten zowel kerkelijke als burgerlijke autoriteiten deel van uit. Die klasse streefde de groei van een nieuwe christelijke cultuur na, naast de bestaande klassieke cultuur. Het Byzantijnse Rijk bloeide nog lang nadat het West-Romeinse Rijk in handen van de barbaarse stammen was gevallen. Het bewaarde de cultuur en gaf die in de middeleeuwen aan het Westen door.

vertelstof: alle biografieën

6e klas: geschiedenis

1032-957

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Augustus

.

Augustus  

63 v. Chr.-14 na Chr.

Augustus

Dit beeldhouwwerk stelt de keizer Augustus als jonge man voor. Vele Romeinse beeldhouwwerken waren oorspronkelijk gekleurd om een levensechte indruk te geven. De verf is er in de loop van de eeuwen af gesleten.

In Rome brak een burgeroorlog uit, toen Julius Caesar de oude republikeinse regering vernietigde en zichzelf tot dictator uitriep. Maar hij droeg ook de oplossing aan voor het probleem dat hij in de wereld had geroepen. Julius Caesar benoemde zijn achterneef Gajus Octavius, die later Augustus of Gajus Augustus werd genoemd, tot zijn opvolger. Augustus maakte niet alleen een einde aan de oorlog, maar hij vestigde een nieuwe en sterkere regering en reorganiseerde het keizerrijk zo doeltreffend, dat het daarna nog 300 jaar bleef bestaan.

Caesar had zich ongetwijfeld een andere voorstelling gemaakt van de machtsoverdracht. Augustus was nog maar een jongen van 18 jaar, toen zijn oom werd vermoord. Hij ontving het bericht van Caesars dood terwijl hij op school was in Apollonia (tegenwoordig Albanië). Ook kreeg hij te horen, dat hij in het testament van Caesar was benoemd tot troonopvolger en erfgenaam en dat hij door Julius als zoon was geadopteerd. Hij zou verder Gajus Julius Caesar Octavianus heten. Tegen de raadgevingen van zijn familie in, besloot hij naar Rome terug te keren. Hij wilde het testament ten uitvoer laten brengen en daagde daarom Marcus Antonius, die na de dood van Caesar de macht had gegrepen, uit. De leden van de senaat, die dachten dat ze Augustus konden gebruiken om de macht weer bij hen terug te brengen, kozen Augustus tot senator. Het leger, dat Caesar trouw was gebleven, koos de kant van de jonge Augustus en de soldaten eisten dat hij tot consul benoemd zou worden. Augustus slaagde erin Marcus Antonius ervan te overtuigen samen met hem en Lepidus, de hogepriester onder Caesar, een driemanschap te vormen. In 43 v. Chr. schonk de senaat het driemanschap dictatoriale macht om de regering op te bouwen en weer controle over het rijk te verkrijgen. Aanvankelijk was Marcus Antonius de leider van het driemanschap. Hij versloeg Brutus en Cassius, de moordenaars van Caesar. Die waren naar het oosten uitgeweken en hadden in dat deel van het rijk de macht gegrepen. Augustus werd nooit een begenadigd militair leider. Hij leed een rampzalige nederlaag, toen hij een poging deed om in Sicilië de orde te herstellen. Maar vanaf 32 v. Chr. begonnen de zaken zich naar de wensen van Augustus te ontwikkelen. Met de steun van zijn oude vriend Agrippa won hij uiteindelijk in Sicilië. Hij maakte gebruik van schepen die door Antonius ter beschikking waren gesteld. Toen Lepidus zich tegen de groeiende macht van Augustus verzette, werd hij ontwapend en uit het driemanschap verstoten. De oude hogepriester trok zich uit de politiek terug, maar bleef tot aan zijn dood in 23 v. Chr. hogepriester. Daarna kreeg Augustus steeds meer macht over Antonius.

Rome keerde zich tegen Antonius, toen hij delen van het Romeinse gebied in het oosten van het rijk aan Cleopatra schonk. Augustus buitte deze situatie volledig uit. Hij verklaarde de Egyptische koningin de oorlog. Samen met Agrippa, die het bevel voerde over zijn vloot, versloeg hij de gezamenlijke zeestrijdkrachten van Cleopatra en Antonius. De twee geliefden pleegden zelfmoord. In 30 v. Chr. nam Augustus de macht in handen en legde beslag op de goedgevulde schatkist van Egypte. De overwinning van Augustus in Egypte maakte hem tot de enige Romeinse heerser. Hij kreeg de totale macht over al het gebied rond de Middellandse Zee. Daardoor verkreeg hij de reserves om zijn legers te betalen en kon hij beginnen met de taak het rijk te reorganiseren.

Deze taak werd door Augustus met veel geduld en een goed inzicht aangepakt. Hij deed het voorzichtig en tastend, stap na stap, langzaam maar zeker. Om de oplossing voor een probleem te vinden probeerde hij vele ideeën uit. Zijn voorzichtige aanpak resulteerde in veranderingen en het invoeren van nieuwigheden, die goed bleken te werken. Daarom werden ze aanvaard en bleven lange tijd gehandhaafd. Het omvatte een netwerk van wegen waardoor alle delen van het rijk met elkaar werden verbonden, een herziening van zowel de centrale regering als de plaatselijke besturen in de provincies, en het leggen van de basis voor een nieuw ambtenarenapparaat om ervoor te zorgen dat het systeem inderdaad zou werken.

Net als zijn oom Julius, had Augustus de allerhoogste macht. Maar hij was slim genoeg om daar niet de nadruk op te leggen in de gewone instituten van de republikeinse regering. Hij regeerde vele jaren lang als consul, maar had ook de . controle over de provincies, waarin het overgrote deel van zijn leger zich bevond. De senaat bleef het hoogste wetgevende en uitvoerende lichaam in Rome. De omvang van de senaat was echter afgenomen en de leden waren allemaal trouwe volgelingen van Augustus. De Romeinen waren het oorlogvoeren moe en aanvaardden zijn heerschappij, omdat die niet te overheersend was en de alom verlangde vrede en evenwicht verzekerde. De Romeinen waren in het bijzonder verguld met Augustus, toen de keizer besloot allerlei oude gebruiken weer in te voeren. Hij liet oude tempels herbouwen en stond de oude wereldlijke spelen weer toe. Hij moedigde schrijvers als Vergilius, Livius en Horatius aan, het verleden glorieus te beschrijven. Doordat hij de oude Latijnse cultuur trouw was, bleef het rijk in wezen Westers. Augustus regeerde ruim 40 jaar. Hij deed dit ondanks een ernstige slepende ziekte. Hij was zeer geliefd en werd tijdens zijn leven al aanbeden. Zijn lange heerschappij maakte het mogelijk dat de Romeinen met zijn hervormingen vertrouwd raakten. Het rijk bleef drie eeuwen lang bestaan in de vorm die het onder Augustus had gekregen. De rust en het uitstekende communicatiesysteem gaven klassieke ideeën, zowel Griekse als Romeinse, maar ook het christendom dat tijdens zijn regering was ontstaan, de kans om te bloeien, zich te verspreiden en zich te verbreiden. Wat ook de voordelen van het Romeinse Rijk voor de volgende generaties geweest zijn, deze moeten voor een groot deel worden toegeschreven aan de opvolger van Caesar, Augustus.

camee uit tijd AugustusCameeën waren in het oude Rome populair als decoratieve kunst. Deze camee heeft een afbeelding van keizer Augustus, die tot god wordt gekroond. Op de onderste helft van de camee staan soldaten, die nieuw gevangengenomen slaven aanvoeren. Augustus werd tijdens zijn bewind als een god aanbeden.

Vertelstof: alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle artikelen

1028-953

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

Julius Caesar ca. 100-44 v. Chr.

julius caesar 2Julius Caesar was een van de grootste veldheren en staatslieden van het oude Rome. Vrijwel zijn hele leven was hij aan gevaar blootgesteld. Als jonge man koos hij de zijde van een aantal hervormers in de Romeinse senaat tegen conservatieve leden en hun machtige leider Sulla. Hij werd gedwongen te vluchten om zijn leven te redden. Later werd hij, terwijl hij op weg was naar Rhodos om lessen te nemen in het houden van redevoeringen, door piraten gevangengenomen. Nog later, als generaal in Gallië, leidde hij zijn troepen in de strijd tegen de barbaarse stammen. Hij onderwierp het grootste deel van Europa aan Rome.

Caesar behoorde tot een voorname Romeinse patriciërs-familie. Al op jonge leeftijd nam hij de beslissing een loopbaan in de politiek te beginnen. Op 18-jarige leeftijd trouwde hij met de dochter van één van de leiders van de hervormers. Daarmee maakte hij zijn standpunt al bekend. Maar het begin van zijn carrière werd vertraagd toen hij door Sulla werd verbannen, omdat hij weigerde van haar te scheiden. Na de dood van Sulla in 78 v. Chr. keerde hij naar Rome terug. Hij begon de politieke ladder te beklimmen. In 62 v. Chr. was hij al tot praetor gekozen. Dit was het op één na hoogste ambt in de Romeinse regering. Het jaar daarna werd hij gouverneur in Andalusië en Portugal. Hij gebruikte zijn positie, net als de andere Romeinse gouverneurs, om militaire overwinningen te behalen en oorlogsbuit te veroveren. Deze buit maakte het voor hem mogelijk in 59 v. Chr. tot consul te worden gekozen.

Als consul won Caesar het vertrouwen van Pompejus, een populaire en succesvolle generaal die ooit aanhanger van Sulla was geweest. Caesar won zijn trouw, door de senaat te dwingen land te geven aan de gepensioneerde soldaten van de generaal. Daarna haalde Caesar Crassus over om zich bij hun verbond aan te sluiten. Daardoor werd het een driemanschap. Crassus, een oude tegenstander van Pompejus, was één van de leidende staatslieden en de rijkste man van Rome. Toen de termijn van één jaar van het consulschap van Caesar was verstreken, vertrouwde hij zijn politieke zaken in Rome toe aan zijn twee bondgenoten en vertrok naar Gallië, waar hij als stadhouder was aangesteld.

In Gallië kreeg Caesar de kans een leger op te bouwen en door middel van veroveringen grote rijkdommen en glorie te vergaren. Tegen 50 v. Chr had hij heel Gallië veroverd. Hij had er orde en vrede gesticht en het gebied volledig onder de controle van Rome gebracht. Zijn overwinningen werden door een samenhang van drie factoren tot stand gebracht. Voor een deel kwam dat voor rekening van de trouw van zijn leger, dat een groot respect had voor zijn moed en kunde. Voor een deel kwam het door zijn besluitvaardigheid en geïnspireerde tactieken, waardoor de tegenstander vaak volledig werd verrast. Voor een ander deel kwam het door een gebrek aan eenheid van de Gallische stammen. Hij trok naar Duitsland en Engeland (toen Germanië en Brittannië genoemd), maar hij had niet genoeg manschappen om ook deze landen aan het rijk toe te voegen.

Caesars overwinningen in Gallië maakten grote indruk op de Romeinen. Pompejus raakte er echter ongerust door, omdat hij de macht en het aanzien van Caesar ten koste van zichzelf zag toenemen. Ook Crassus was niet helemaal tevreden over de bestaande afspraken en ook hij werd ongerust. Maar Caesar overwon de geschillen tussen de drie mannen en hield het driemanschap in stand totdat hij zijn oorlogen in Gallië had beëindigd. Crassus sneuvelde tijdens de oorlog tegen de Parthen in het oosten.

Zowel Caesar als Pompejus hadden legers. Geen van beiden wilde die macht opgeven, zo lang de ander dat ook niet deed. Toen de senaat besloot Pompejus te steunen en Caesar het bevel gaf zijn opperbevel af te staan, weigerde deze. Hij deed de beroemde uitspraak ‘de teerling is geworpen’. Daarop leidde hij zijn troepen over het riviertje de Rubico*, dat de grens tussen Italië en Gallië aangaf. en marcheerde in de richting van Rome. Dit was het begin van een burgeroorlog tussen aan de ene kant de Romeinen die hém als heerser steunden. en aan de andere kant de Romeinen die de republikeinse regeringsvorm en de macht van de senaat bleven steunen. De troepen die de senaat steunden, stonden onder bevel van Pompejus. Ze trokken zich terug voor de opmars van Caesar en vluchtten uiteindelijk van Italië naar Griekenland. Caesar achtervolgde hen. In de eerste veldslag in Griekenland werd hij misleid. Maar Caesar hergroepeerde zijn strijdkrachten op een strategische plaats bij Pharsalus. Toen de troepen van Pompejus tot de aanval overgingen, werden ze vernietigend verslagen. Pompejus vluchtte weer, deze keer naar Egypte, waar hij werd vermoord. Maar zijn leger marcheerde verder naar Tunesië. Caesar, die hen nog steeds achtervolgde, bereikte Egypte. Daar ontmoette hij Cleopatra. Hij besloot eerst te rusten, voordat hij via Syrië en Pontus (in Klein-Azië) naar Rome terugkeerde. In die landen onderdrukte hij verschillende opstanden. Hij beschreef zijn overwinning in Pontus in drie woorden: ‘Veni Vidi Vici’ (‘Ik kwam, Ik zag, Ik overwon’).

Caesar keerde in 46 v. Chr. naar Rome terug. Hij was toen de absolute heerser. Hij begon allerlei plannen te maken. Sommige daarvan werden pas door zijn opvolgers uitgevoerd. Die plannen dienden om de regering in het rijk te reorganiseren. Maar hij werd twee keer weggeroepen om het rebellerende leger van Pompejus in Afrika en Spanje te bestrijden. Alles bij elkaar had hij minder dan een jaar om zijn plannen ten uitvoer te brengen. In 44 v. Chr. bereidde hij zich voor op een veldtocht tegen de Parthen om in het oosten meer gebied aan het rijk toe te voegen. Een groep van 60 tegenstanders zwoer tegen hem samen en vermoordde hem. Zijn toenemende arrogantie en dictatoriale beslissingen hadden hun wrevel opgewekt.

*Alea iacta est!

Toen Julius Caesar op een ochtend in januari met zijn leger het grensriviertje de Rubicon overstak, onder het uitspreken van de historische woorden ‘alea iacta est! oftewel de teerling (dobbelsteen) is geworpen, ontketende hij een van de beroemdste burgeroorlogen uit de geschiedenis. In 2006 schreef de Britse historicus Tom Holland daarover een boek, simpelweg Rubicon getiteld. In dit uitstekend gedocumenteerde werk, dat bij Uitgeverij Athenaeum in Nederlandse vertaling verscheen, beschrijft Holland hoe onder Julius Caesar de Romeinse republiek in een keizerrijk transformeerde. Bovendien weet Holland van de hoofdrolspelers, zoals de generaals Sulla, Pompeius en Julius Caesar, de politicus Cato en de redenaar Cicero, mensen van vlees en bloed te maken. De vele afbeeldingen en kaarten maken Rubicon tot een regelrechte aanrader van liefhebbers van de Romeinse (en dus de Italiaanse) geschiedenis.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

1021-947

VRIJESCHOOL – 5e klas – vertelstof – Odysseus

.

De zwerftocht van Odysseus

Polyfemus, de éénogige reuzencycloop, was eindelijk in slaap gevallen na een uitgebreide maaltijd bestaande uit mensenvlees. Dit was het ogenblik waarop de gevangen Grieken hadden gewacht. De scherpe stam van een olijfboom was in het vuur gloeiend heet gemaakt. Met vereende krachten stootten de gevangenen de stam door het oog van de reus. Waanzinnig van pijn en woede brulde de cycloop: ‘Broeders, help…, help me toch…!’De cyclopen in de omgeving hoorden het hulpgeroep van Polyfemus en snelden naar zijn hol in de rotsen. Ze konden echter z’n hol niet binnen, want Polyfemus had een groot rotsblok voor de ingang gerold. Alleen Polyfemus had de kracht het rotsblok te verplaatsen. ‘Wat is er aan de hand?’ schreeuwden de toegesnelde reuzen. ’Niemand maakt mij dood…!’ antwoordde Polyfemus vanuit de grot. Verbaasd keken de cyclopen elkaar aan. ’Als niemand je dood maakt, dan heb je zeker een nachtmerrie. Moge Poseidon je daarvan bevrijden.’ Met die woorden draaiden de cyclopen zich om en gingen terug naar hun eigen holen.

De gevangen Grieken konden elkaar opgelucht aankijken. De kans dat ze uit handen van de reus zouden blijven was groter geworden. De list van hun aanvoerder was geslaagd. De cycloop had geloofd dat deze ’Niemand’ heette. Wie was die ’Niemand’? Het was Odysseus, één van de beroemdste helden uit de Griekse mythologie.

De blinde dichter Homerus
In het Oude Griekenland waren tal van verhalen over Odysseus in omloop. De Ilias en de Odyssee zijn de belangrijkste werken die de Griekse dichter Homerus heeft geschreven. Maar wie was eigenlijk Homerus? Waar leefde hij? De geschiedenis van het Oude Griekenland laat deze vragen onbeantwoord. Er wordt verteld dat Homerus blind was. Verschillende steden in Griekenland eisen de eer op dat Homerus op hun grond werd geboren. Sommige deskundigen menen dat de verhalen rond Odysseus van geslacht op geslacht zijn doorverteld. De verhalen werden steeds mooier, spannender en uitgebreider. In de 8e eeuw voor Chr. zou Homerus tenslotte deze verhalen op schrift hebben gesteld als de Ilias en Odyssee.

De held Odysseus
Homerus beschrijft in zijn heldendicht Ilias de avonturen, die Odysseus beleefde na de inname van de stad Troje. Deze stad werd tien jaar lang door de Grieken belegerd. Odysseus veroverde de stad tenslotte door een houten paard, met daarin Griekse soldaten verstopt, de stad binnen te brengen. Dankzij deze list kon Troje worden veroverd. De Griekse koningen keerden met schepen vol buitgemaakte goederen terug. Ook Odysseus en zijn mannen lichtten het anker en voeren terug naar het eiland Ithaca, waar Odysseus koning was. De god van de zee – Poseidon – was Odysseus echter niet gunstig gezind. Poseidon stuurde een verschrikkelijke storm, die de schepen van Odysseus naar vreemde en angstaanjagende stranden dreef. Odysseus was vastbesloten om naar zijn vrouw en zoon op Ithaca terug te keren. Dat gaf hem steeds weer de kracht om alle gevaren het hoofd te bieden, zoals we hierboven kunnen lezen in het avontuur met de cyclopen.

Na een zwerftocht van tien jaar keerde Odysseus eindelijk weer terug naar zijn vaderland. Het werd geen prettige thuiskomst. De edelen hadden van de afwezigheid van hun koning gebruik gemaakt om zijn paleis te bezetten. Eén van hen had zelfs het plan opgevat om met Odysseus’ vrouw Penelope te trouwen. De wraak van Odysseus was verschrikkelijk. Vermomd drong hij zijn eigen woning binnen en doodde alle edellieden. Na een zwerftocht van tien jaar was de held van Troje eindelijk weer heerser over Ithaca.

Een Franse geleerde, Victor Bérard, heeft getracht de reis van Odysseus in kaart te brengen.

Odysseus 1

Homerus heeft vele van de plaatsen die in de ‘Odysseus’ voorkomen, zó nauwkeurig beschreven, dat sommigen menen dat hij er zelf moet zijn geweest. Toch is het waarschijnlijker dat Homerus zijn inlichtingen heeft gekregen uit de verhalen van de zeelieden. Bérard heeft aan de hand van het boek “Odysseus’ het gehele Middellandse Zeegebied afgereisd om de vermelde plaatsen aandachtig te bestuderen. Hieronder zijn gereconstrueerde route.

Odysseus 2

1. Troje, de stad van Klein Azië, waar de zwerftochten van Odyssees begonnen.

2. Het land van de Kikonen, waar een aantal vrienden van Odyssees na een overvloedige maaltijd werd gedood.

3. Het land van de Lotuseters, het huidige Jerba in Tunesië (Noord-Afrika). Wie van de kostelijke lotusvrucht at, verloor alle herinnu ringen aan z’n vaderland.

4. Het land der cyclopen. Door een list slaagde Odysseus aan de mensetende reuzen te ontspannen.

5. Het rijk van Eolus, de god van de wind. Hier werd Odysseus vriendelijk ontvangen. De slimme Eolus gaf hem echter een zak vol storm als geschenk mee. Odysseus’ metgezellen, die dachten dat de zak kostbaarheden bevatte openden deze en een vliegende storm dreef de schepen in de richting van Sardinië.

6. Land der Laistrygonen. Zij waren mensetende reuzen. Een overhaaste vlucht onder een regen van rotsblokken bracht slechts enkelen redding. Alleen het schip van Odysseus bleef gespaard.

7. Het eiland van de tovenares Kirke. Kirke veranderde Odysseus’ kameraden in zwijnen. Gelukkig werd de betovering op aandrang van Odysseus verbroken.

8. De betoverende zangkust van de Sirenen kon worden weerstaan, omdat Odysseus zichzelf aan de mast vastbond en de oren van zijn mannen volstopte met was.

9. Twee verschrikkelijke monsters wachtten Odysseus op in de Straat van Messina. Skylla verzwolg matrozen van schepen die Charybdis in draaikolken schipbreuk liet lijden.

10. De overgebleven mannen van Odysseus werden in een woeste storm gedood, omdat zij zich hadden vergrepen aan de heilige runderen van de zonnegod Helios. Alleen Odysseus bleef gespaard.

11. Het eiland van de nimf Calypso. Negen dagen achtereen dreef Odysseus op zee en klemde zich vast aan een stuk wrakhout. De tiende dag spoelde hij aan op het eiland van de nimf Calypso. Hij zou er zeven jaar blijven.

12. Odysseus vergat zijn land niet. De goden droegen de nimf Calypso op Odysseus te laten vertrekken. Een vlot zou hem naar Ithaca voeren, maar door een storm verging zijn vlot. Zwemmend bereikte hij de kust van het eiland der Faïaken, waar hij door de koningsdochter Nausicaä werd ontvangen. De koning van de Faïaken zorgde ervoor dat Odysseus een schip kreeg. Eindelijk kon hij naar zijn vaderland terugkeren.

13.Vermomd drong Odysseus zijn paleis binnen, waar de edelen de macht over hadden genomen. Penelope, Odysseus’ vrouw, moest zelfs met één van hen trouwen. De pijlen van Odysseus tenslotte doodden alle edelen. Vanaf dat moment waren zijn zwerftochten ten einde. Odysseus was weer koning van Ithaca.

Odysseus 3

De sage van Odysseus
Zoals alle mythen, heeft het verhaal van Odysseus een diepere bedoeling. Met de dappere, ondernemende en slimme Odysseus wordt de ‘mens’ bedoeld. Net zoals de held uit het verhaal verlangt ieder mens ernaar het geheimzinnige te ervaren en te ontdekken. Door het verstand onderscheidt de mens zich van het dier en juist die eigenschap stelt hem in staat om moeilijkheden te overwinnen.

Drie dichters uit verschillende tijdvakken hebben de avonturen van Odysseus beschreven. In de allereerste plaats was dat natuurlijk Homerus, die de mondelinge overlevering op schrift heeft gesteld. Later beschreef de Romein Vergilius hoe Odysseus een houten paard, met daarin soldaten verstopt, gebruikte om de stad Troje te veroveren. Ten slotte beschreef de Italiaanse dichter Dante de reis van Odysseus.

Maar Dante nam de vrijheid de avonturen van Odysseus een ander eind te geven.

Een eind Odysseus waardig: Volgens Dante voer Odysseus tenslotte door de Zuilen van Hercules – de Straat van Gibraltar – om nieuwe werelden te ontdekken in onbekende oceanen. Voordat de grijze Odysseus vertrok, vermaande hij zijn reisgenoten: ‘Vergeet niet dat de mensen niet zijn bestemd om als dieren te leven, maar dat zij dienen te zoeken naar deugd en erkenning…

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas: alle beelden

1016-942

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Ptolemeus l

.

Ptolemeus 1

Ptolemeus I 367-283 v. Chr.

Ptolemeus I was de zoon uit een onbekende Macedonische familie. Door zijn militaire loopbaan bereikte hij onverwacht een hoge positie. Hij diende als generaal onder Alexander de Grote. Hij maakte lange reizen, zelfs helemaal naar India. Hij kreeg veel lof toegezwaaid voor zijn militaire inzichten en werd daarvoor vele malen onderscheiden. Hij trouwde met een Perzische vrouw. Van 323-305 v. Chr. was hij satraap van Egypte en daarna nam hij de koningstitel aan. Hij bewees een kundig diplomaat en regeringsleider te zijn. Hij bouwde een bewonderenswaardig centrum van de Griekse cultuur, werd in Egypte als een god beschouwd en legde de grondslag voor een dynastie die in Egypte bijna driehonderd jaar aan de macht zou blijven.

Ptolemeus kwam na de dood van Alexander de Grote in Egypte aan het bewind. Zijn generaals hadden het enorme rijk onder elkaar verdeeld.
Het rijk bleef in naam bestaan en de generaals deden dienst als plaatselijke bestuurders. Maar in feite was er tussen hen vanaf het begin een strijd om de macht.
Ptolemeus koos binnen deze machtsstrijd voor een voorzichtige koers. Hij richtte zich voornamelijk op Egypte. Hij hechtte het meeste belang aan het veilig stellen van zijn positie. Maar hij aarzelde nooit nieuw gebied in te nemen, wanneer hij dacht dat het hem zou helpen te behouden wat hij al had.

In 321 v. Chr. trouwde hij met Eurydice, de dochter van de heerser over het Europese gedeelte van Macedonië. Hij nam in 317 een andere vrouw. Dit was Berenice, de kleindochter van Cassander, die uiteindelijk de heerser van Macedonië en Griekenland werd. In 305 v. Chr. lieten de ruziënde generaals alle schijn over de eenheid binnen het rijk varen en benoemden zichzelf in hun eigen gebied tot koning. Ptolemeus kroonde Berenice tot koningin en wees zijn eigen zoon aan om hem als Ptolemeus II op te volgen. Tijdens zijn regering was Ptolemeus voor het vormen van zijn leger afhankelijk van Griekse soldaten. Hij zorgde ervoor dat ze hem trouw bleven door hun in Egypte land en bijzondere voorrechten te geven. Andere Grieken werden ook aangemoedigd zich in Egypte te vestigen. Vele van hen kregen overal in Egypte hoge regeringsfuncties. In 332 v. Chr. had Alexander de Grote aan de monding van de Nijl een nieuwe stad gesticht, Alexandrië. Ptolemeus bouwde daar een nieuwe hoofdstad en stichtte er een museum en een bibliotheek. De stad werd het middelpunt van een nieuwe Griekse cultuur. Veel filosofen, geleerden, schrijvers en kunstenaars uit die tijd trokken er naar toe. De stad werd ook een centrum voor wetenschap en handel. De vuurtoren van de haven werd één van de wonderen van de Oudheid genoemd. Ptolemeus leefde er, omringd door de pracht en praal van een Griekse hofhouding, temidden van bevoorrechte immigranten. Dit waren niet alleen Grieken, maar ook Joden, Syriërs en Anatoliërs.

De oude Egyptische cultuur bleef naast de nieuwe Griekse beschaving bestaan. Hoewel de Egyptenaren niet veel macht meer hadden en ze het land met de Grieken moesten delen, behielden ze hun eigen taal, gewoonten en godsdienst. Ptolemeus won hun vertrouwen door de tempels die door vroegere indringers waren verwoest, weer op te rouwen. Hij offerde geschenken aan hun goden en steunde hun priesterstand. Ook vestigde hij in Memphis, de oude hoofdstad, een nieuwe religieuze cultus, die gebaseerd was op de aanbidding van een gezamenlijke Grieks-Egyptische god, Serapis. Ptolemeus werd na zijn dood door de Egyptenaren als god vereerd.
Ptolemeus werd opgevolgd door een lange lijn ztt troonopvolgers die allemaal Ptolemeus heetten. De laatste in die lijn was Cleopatra. Ze regeerde in Egypte, nadat dit land een vazalstaat van het groeiende Romeinse Rijk was geworden. Ze kreeg een kind van de Romeinse veldheer en politicus Julius Caesar. Later trouwde ze met Marcus Antonius. Misschien koesterde ze de hoop dat ze daardoor weer de volledige onafhankelijkheid van Egypte kon bewerkstelligen. Maar de Romeinen haatten en vreesden Cleopatra. In 31 v. Chr. stuurde Rome een vloot naar Alexandrië. Antonius en Cleopatra verzetten zich, maar toen ze inzagen dat ze onmogelijk konden winnen, pleegden ze allebei zelfmoord. Op die manier kwam er een einde aan de door Ptolemeus gestichte heerschappij.

Door de lange heerschappij van de Ptolemeeën werd de Griekse cultuur versterkt en verspreid. Nog belangrijker is, dat ze in Alexandrië een centrum voor de wetenschap stichtten, dat de hele wereld van de Oudheid beïnvloedde en verrijkte.

Ptolemeus 1

Ptolemeus I, die opdracht geeft voor het bouwen van het museum in Alexandrië. Onder het bewind van Ptolemeus werd Alexandrië een centrum van de wetenschap, dat in de wereld van de Oudheid op eenzame hoogte stond. In de volgende eeuwen behield het deze status.

alle biografieën

5e klas geschiedenis

1012-938

VRIJESCHOOL – Vertelstof – mythen

Geen enkel onderwijstype heeft in zijn leerplan zoveel ‘cultureel erfgoed’ als de vrijeschool.
Sprookjes, fabels. legenden, verhalen uit het Oude Testament, volksverhalen en mythen.

Wie (klassen)leerkracht is, weet uit de ervaring, hoe de kinderen vrijwel allemaal opgaan in deze verhalen die rond een bepaalde leeftijd worden verteld.

Soms wordt er ‘op hoger niveau’ gediscussieerd over de waarde van of het gevaar van, of over ‘de ideologie van’ enz.

Lang geleden schreef Edith Boeke  n.a.v. zo’n vraagstelling een artikel, waarvan de inhoud niet achterhaald is – al zijn aanleiding en omstandigheden wel gedateerd.

DE OPKOMST VAN HET MYTHISCH DENKEN

Terug naar af?

In september vorig jaar* werd in Brussel een bijeenkomst gehouden onder de cryptische naam: Het Transpersonale Congres.
In Haagse Post schreef columniste Emma Brunt een week later: ‘Vertegenwoordigers van misdadige therapeutische stromingen, religieuze laaienlichters, alternatieve knollenkwekers met een medicinale kruidentuin en een ongezonde belangstelling voor De Heilige Grond, crypto-fascisten als Mellie Uyldert die wars zijn van ‘rasvermenging’, de Elfen van Findhorn, kortom het hele scala van obscurantistische warhoofden dat de afgelopen twintig jaar campagne heeft gevoerd tegen de rationaliteit in naam van een meer verlichte levenswijze, had zich daar verenigd onder leiding van ene mevrouw Ferguson die dit zootje ongeregeld wil drillen tot een internationale stoottroep, de Aquarian Conspiracy’.
Het feit dat deze ‘reïncarnatie van het bijgeloof’, opgekomen in de jaren zestig, gevestigd in de jaren zeventig, niet in de jaren tachtig is bezweken onder de druk van de economische recessie, zet haar aan het denken. ‘Waren de antroposofen, Baghwan, de Soefi’s, de Yoga-aanhangers, de Zenmeesters en hoe ze verder mogen heten, inmiddels aan het zieltogen, dan zou iedere socioloog vergenoegd opmerken dat hij het wel had zien aankomen, net als ik trouwens’, merkt Emma Brunt niet zonder spijt op. Maar het ‘magisch denken’ en de ‘pseudo-wetenschap’ houden stand en de columniste kan en wil haar ongenoegen daarover niet verhelen.

Deze citaten uit de Haagse Post vormen een topje van een publicitaire ijsberg. Er is het afgelopen jaar veelvuldig geschreven over het verschijnsel dat het ‘mythische denken van de jaren zestig’ kennelijk meer was (is) dan een hedonistisch en narcistisch modeverschijnsel, mogelijk gemaakt door economische groei en aanwas van vrije tijd.
In NRC-Handelsblad van 21 november 1984 stelt Andre Spoor de vraag: ‘Is het mystische denken onweerstaanbaar in opmars?’ Hij doet dat naar aanleiding van een conferentie in New York: The Presence of Myth in Contemporary Life. Spoor concludeert dat de opkomende belangstelling voor mythische elementen niet per se atavistische, reactionaire of obscurantistische trekken hoeft te hebben. Vaak is dat naar zijn mening echter wél het geval.

Vergelijkbare bedenkingen drijven mee in het kielzog van de aantijgingen tegen de antroposofie, als zou deze niet vrij zijn van racistische smetten. In een artikel van de heer Zondergeld, gepubliceerd in ’t Kan Anders, wordt Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, ‘mistige occulte prietpraat’ aangewreven, bijvoorbeeld over Atlantis. (‘een reeds lang en breed achterhaald bij geloof’). Eenzelfde teneur spreekt uit een recentelijk artikel in de Haagse Post, waarin ‘de opmars’ van de antroposofen wordt beschreven. Een laatste voorbeeld uit de vele publicaties over het mythische denken is een uitvoerig en kritisch artikel in een zaterdagbijlage van De Volkskrant door Johanneke van Slooten over de zogenaamde New Age-beweging. Een citaat: ‘De mythe is net een stofzuiger. Hij ruimt alle twijfels, alle problemen op, zodat er weer orde heerst’.

Marge
Wij zullen bij de beoordeling van elk tijdsverschijnsel – en zeker bij dat van de opkomst van het ‘mythische denken’ – steeds rekening moeten houden met het feit dat er altijd vanuit het verleden en vanuit de toekomst iets in de mensen bij elkaar komt. Die ene stroom vanuit het verleden draagt ons oude mythische beelden aan: als gymnasiast moesten we ons nog een Helleense Mythos aanschaffen, ‘een lusthof van bonte verhalen’, speels en grappig, karikaturaal dus, verlucht voor jonge lieden. De Griekse tragedies, voortgekomen uit de mysteriën, mochten eeuwenlang onverdacht literatuur, schilderkunst en muziek inspireren: van speelse wulpserieën van de klassieke Franse schilderkunst tot Sartre’s Les Mouches, Anouilhs Antigone, en talloze herscheppingen van Arthur Miller, Steinbeck, Kafka, Vestdijk, Nijhoff, enzovoort. In deze werken wordt vooral dat ‘tragische’ levensbesef uitgedrukt dat als dimensie ontbreekt aan de westers rationeel christelijke levensbeschouwing. Het vindt zijn weg in de kunst, en dus in de marge.

In toenemende mate zien wij de volgende schizofrenie optreden: er is een manier van denken, van leven en van maatschappelijke ordening die ‘erkend’ wordt: het is de geasfalteerde weg waarover we innerlijk en uiterlijk te lopen hebben; de weg is die van wat ooit het rationalisme is geweest, de natuurwetenschap en de staatserkenning: een patriarchaal hiërarchische ordening. Daardoor ontstaat er aan de kant van de officiële weg, in de marge, natuurlijk van allerlei: op smalle weggetjes, in bosjes en verborgen hoekjes speelt zich van alles af dat op de grote weg niet mag. Kunst is dan in zoverre ‘erkend’ dat zij de wegkant mag opsieren, maar echt meedoen is er niet bij. Kortom: er bestaan uitlaatkleppen te over voor de menselijke ziel, in allerlei alternatieven, die zeker als gemeenschappelijk uitgangspunt kritiek op de brede asfaltweg van een smalle rationaliteit en efficiency hebben. Het zou de rationalisten en materialisten tot zelfreflexie kunnen aansporen: wat schort er aan onze manier van doen en denken?

Hoopgevend in dit verband is dat kritiek op het rationalisme niet alleen uit ‘obscurantistische’ hoeken komt (en die obscure hoeken zijn er zeker; er wordt voortdurend en terecht op de ‘wetenschapskritiek’ van de nazi’s gewezen, op hun irrationaliteit en hun oneigenlijk gebruik van begrippen als instinct en intuïtie) – maar ook van de kant van door en door te goeder trouw zijnde denkers en schrijvers als de christen-marxist Garaudy en de humanistisch-socialist Erich Fromm bijvoorbeeld. De werkelijk zinvolle kritiek komt vooral van de kant van mensen die het politiek en levensbeschouwelijk onverenigbare in hun eigen ziel en denken tot een eenheid proberen te brengen. Zonder innerlijke strijd of zelfreflexie hebben wij geen nieuwe cultuurwaarden te verwachten.

Garaudy bijvoorbeeld streeft naar een volheid van bestaan, waarin plaats is voor het geloof waar Jezus van Nazareth van getuigde en dat Liefde als kern heeft. De traditionele rede kan geen antwoord geven op levensvragen. Jezus van Nazareth is voor de traditionele rede echter evenzeer een mythe als Zeus of Donar.

Erich Fromm bekritiseert de oppermachtige logica en vindt een paradoxale logica, niet alleen bij Hegel of Marx, maar ook bij Heraclites. Ook bij Fromm wordt de laatste werkelijkheid niet door het denken begrepen, maar in de beleving van de eenheid. Er is dus sprake van een zeer wezenlijke en gerechtvaardigde kritiek op de rationele, hiërarchisch-logische manier van denken die zich van de levende werkelijkheid heeft afgesneden en zich heeft prijsgegeven aan de technologie en tot een mechanisch denken is geworden. Deze kritiek wil een kwaliteitsdimensie aan leven, mens en milieu toevoegen; een kwaliteitsdimensie ook aan het eigen beleven.

Een dergelijke behoefte leeft onder een steeds  groter aantal mensen. De Mythe van Moedertje Staat en haar alles dirigerende en wetende Ambtenaren – de priesters van de Farao – voldoet niet meer. De Godin van de Rede is oud geworden, en een mensbeeld waarin het hart als pomp en de melk als motor functioneert, kan de dorst van de ziel niet lessen. Zo is het begrijpelijk dat er mensen zijn die terugkeren tot oude mythische voorstellingen. Begrijpelijk en ook gevaarlijk. Want voor we het weten is de mythe tot ideologie verheven, zoals ook de nazi’s hebben gedaan. Per definitie is de mythe geen ideologie. Maar wat is zij dan wel?

Beeldbewustzijn
Mythen vormen de neerslag van een totaal ander, in lang vervlogen tijden algemeen menselijk bewustzijn: het beeldbewustzijn. Daaruit stammen niet alleen de mythische voorstellingen, maar ook sagen en sprookjes. Om een indruk van dit oude bewustzijn te krijgen, moeten we naar de oude verhalen van heel veel verschillende volkeren kijken: van de Australische Aboriginals, de indianen, Egyptenaren, Babyloniërs, Perzen, Indiërs, Chinezen, de Slaven, Germanen, Grieken tot aan de Lappen en Eskimo’s toe. Totaal verschillende verhalen, totaal verschillende dimensies, maar één ding hebben zij gemeen, er is een sterke samenhang, een directe verbondenheid tussen natuur, cultuur en godsdienst. De inmenging van goden en geestelijke wezens, hoe verschillend ook, is existentieel. De hele natuur is doordrongen van goddelijk-geestelijke wezens van allerlei rangorden:  de hele natuur is terug te voeren op deze, voor het menselijk bewustzijn in oude tijden reëel zichtbare en beleefbare wezens, die in de aarde-natuur, in de kosmos en in de mens werkzaam zijn.

Het oude beeldbewustzijn bedient zich aanvankelijk helemaal niet van begrippen: taal is daar nog die puur magisch-cultische oorsprong van de poëzie (de ‘toverspreuk’). Er is dus in plaats van een begripsbewustzijn (door de westerse mens ontwikkeld tot de ontzagwekkende hoogte van abstractie bij Kant en Hegel), een bewustzijn dat de wereld in en buiten zich direct in beelden beleeft.

Een goed voorbeeld is hier het begrip tijd. Dat begrip is voor ons volledig geabstraheerd en vermaterialiseerd tot de tijdsindeling op een horloge en de uitspraak ‘time is money’. Zo niet voor het oude beeldbewustzijn, van de Grieken in dit geval. Het Griekse woord voor tijd is Chronos. Chronos wordt ook wel met ruimte vertaald. Alles wat in de ruimte bestaat, alles wat dus een materiële vorm heeft aangenomen, is onderhevig aan vertering, gaat ten onder, verslijt. Met andere woorden: tijd werd gezien in beeld als vuur, zelfs als een wezen vuur, wiens activiteit erin bestaat alles te verteren, te verbruiken van het leven van een ander wezen, namelijk Chtoon. In de natuur en mens verteert Chronos Chtoon. In de activiteit van het vuur heeft men tegelijkertijd een beeld van de tijd. Later wordt het wezen Chtoon tot het begrip materie. In de beeldspraak van de poëzie vinden we veel wat wezenlijk terugwijst op het oude beeldbewustzijn. Zo is het beeld bij ons begrip hoop, dat van een opstijgende leeuwerik, en voor die van een opkomende gedachte: een kiemend plantje.

Bloedsbanden
Het beeldbewustzijn was sterk gekoppeld aan bloedsbanden, aan mensengroepen die zich als de vingers aan de hand van hun volk, hun clan,  hun familie beleefden. In de Bhagavad Gita wordt het schokkende moment beschreven waarop Ardjuna door Krishna, de wagenmenner – die zich later als Godheid openbaart – wordt aangespoord de strijd tegen zijn familieleden aan te binden. Hij voelt zich alsof zijn linkerhand met zijn rechter moet strijden. Maar in de loop van het verhaal, dat eigenlijk is opgebouwd uit de leringen (de Yoga’s) van Krishna, komt hij tot een moderner soort bewustzijn: individueler en abstracter. Ardjuna is dan zijn tijd vooruit.
Bij een terugval op de mythologie, zoals bijvoorbeeld bij de nazi-ideoloog Rosenberg, wordt vaak aan deze bloedsbanden en rassen volkskenmerken geappelleerd. Maar die bloedsbanden vormen al lang geen wezenlijke kracht meer. Al bij de oude Grieken putten kunst, staatkunde en filosofie uit mysteriewijsheid uit het Europese noorden, het Aziatische oosten en het Egyptische zuiden. De bloedsbanden van de families werden vervangen door de nieuwe banden die de polis, de stadstaat, schiep.

Schijnwerkelijkheid
Bij de oude Grieken vinden we ook op allerlei manieren de overgang van het oude beeldbewustzijn naar die ons zo vertrouwde van het rationele denken. Het geeft hun verhalen iets herkenbaars, terwijl voor veel westerse mensen de verhalen uit de nog oudere culturen en van de natuurvolken eerder bizar en verheven overkomen.

Zo zien we de Achaeische helden rond koning Agamemnon bij de belegering van Troje: wanneer hun kamp met Gods wraak door pest wordt geteisterd, worden niet alleen zoenoffers gebracht aan de toornige Zeus, maar ook heel rationeel het kamp met zeewater ontsmet. En we zien de priester-arts Hippokrates van Kos zijn patiënten niet alleen in een heilzaam werkende tempelslaap brengen, maar ook notitie nemen van het klimaat waarin de patiënten woonden, de voedingsgewoonten, polsslag en ademhaling.

De grootste historische figuur in wiens werk de overgang van beeld naar rationeel bewustzijn zichtbaar wordt is Plato. Algemeen bekend is zijn ideeënleer. Om deze leer te brengen maakt Plato gebruik yan een beeld: de beroemde allegorie van de grot. De mensen zijn eigenlijk gevangen in de grot. Daarvan zijn zij zich niet bewust. Als enige realiteit ervaren ze de schaduwbeelden van wat zich buiten in het heldere licht van de zon afspeelt. Buiten de grot zijn de wezenlijke dingen; binnen ziet men niets dan hun schaduw. De grot stelt het aardse leven van mensen voor, en wat wij voor wezenlijk houden is schijnwerkelijkheid. Buiten is het licht van de zon (de geestelijke werkelijkheid)  leven de ideeën van alle dingen, dat is zoveel als hun wezen: de hoogste idee en oorzaak van alles is de zon als idee van het goede.

Wanneer we nu kijken naar het Griekse woord idee, dan staat daar eidos of idea. (Ons woord idee is daar dus rechtstreeks van afgeleid.) Nu betekenen deze woorden in de eerste plaats (zie gewoon woordenboek) gezichtsbeeld, gestalte, uiterlijk. Pas daarna volgt als betekenis totaalindruk, denkbeeld, idee. Dit laatste als bijzonderheid bij Plato: ‘Idee, als voorstelling van de formule die de veelzijdige werkelijkheid aan algemene normen bindt’. Deze explicatie is duidelijk al een interpretatie. Voor Plato hadden zijn ideeën nog een gezicht, een gestalte; voor hem manifesteerde het wezen der dingen zich in de idee.

Verbrokkeling
Als moderne mensen, zeker de ‘idealisten’ onder ons, kunnen we dit abstracte wezen van alle dingen, deze ideeën en idealen, misschien beter benaderen, wanneer we er de functie, de functionaliteit voor nemen. Het wezen van de verschillende dingen is datgene waardoor iets functioneert. Een werkelijk ideaal kan niet anders dan werkelijk functioneren. Bij Aristoteles wordt het begripsmateriaal verder uitgewerkt en gesystematiseerd in categorieën, zoals deze filosoof ook de dierenwereld in verschillende soorten onderbracht.

We kunnen in de loop van de geschiedenis waarnemen hoe steeds meer verschijnselen zich als het ware ontvouwen, ontwikkelen en verzelfstandigen vanuit een oorspronkelijke eenheid. Wanneer ziel en natuur en geest, wanneer religie, wetenschap en kunst uit elkaar gaan liggen, ontstaat de ons omringende wereld in steeds fijnere vertakkingen onderdelen en specialismen, onderwerp van onze waarneming, en buiten onze innerlijke belevingswereld geplaatst. Een voortdurend verder analyseren en differentiëren; de eenheid is zoek, de verbrokkeling totaal.

Wild Man
Geen wonder dus als men op congressen (behalve de genoemde te Brussel en New York ook een op Kreta, en wel over ‘Mythos, yesterday en today’) op zoek gaat naar de eenheid, en de mythisch-logische reconstructie van de mens. ‘Misschien kom ik over een week wel herboren uit dit congres te voorschijn en start ik mijn nieuwe leven met een nieuwe mythe, wordt opgemerkt (journaliste Johanneke van Slooten van de Haagse Post maakte het congres op Kreta mee en schreef er een -wellicht terecht – zeer kritische beschouwing over). Ook de aanwezige Duitse schrijver Günter Kunert merkt op dat het ‘zoeken naar de mythe de zucht is naar een nieuwe religiositeit, naar een geloven en niet naar nieuwe kennis of inzichten’. Op dat niveau ligt ook de ideologie-vorming.

De nieuwe ideologieën concentreren zich tijdens dit congres dan vooral rond neo-matriarchale verheerlijking van het oorspronkelijk-vrouwelijke, en de daar natuurlijk direct bij aansluitende mythe van de Dionysische ‘Wild Man’. In een rationele, koude en verburgerlijkte samenleving is de erotiek uiteraard in de marge geschoven, wat zich dan wreekt met de harde seks-en porno business. Wanneer we de mythologieën al te letterlijk nemen, en dus niet meer als beeld, valt er niet alleen op het gebied van de erotiek veel te halen, maar worden de sluizen open getrokken voor anachronismen van allerlei soort.
Iemand die daar rijkelijk uit put is Mellie Uyldert. In een betrekkelijk recent  verleden werden bloedsband-theorieën van de Nationaal Socialisten en het Derde Rijk direct op de oude Germaanse mythologieën geënt: daar liggen de gevaarlijke interpretaties, waar men de historische dimensie van de mythe wil terug halen. Dan roepen de Italianen om hun Romeinse Caesaren, en Duitsers om niet meer bestaande bloedsbanden.

Reactionair
Behalve de sensus historicus (al die verhalen hebben zich ooit eens ergens gedurende de mensheidsontwikkeling op de een of andere manier afgespeeld), kunnen de mythe en het sprookje ook als beeld in hun allegorische betekenis worden begrepen. Het beeld werkt sterk op de ziel (sensus moralis), want het werkt met archetypen zo men wil; met duidelijke beelden van goed en kwaad, met de diepste problemen van dood en leven, met thema’s als opstanding en loutering. Niet voor niets werkten de Griekse tragedies als een loutering van de ziel, een catharsis; en in feite moet iedere werkelijke kunst een dergelijke doorleving mogelijk maken. In die zin gebruiken psychotherapeuten in navolging van Jung en Marie-Louise von Franz de beelden ook als genezingsmiddel.

Tenslotte is er nog een sensus eschatologicus aan ieder verhaal: een interpretatielaag die zich tot in de toekomst uitstrekt. Zo vinden we in de Griekse mythologie veel eschatologie in de zin van een waarschuwend bedacht zijn op de scheiding van het mannelijke en vrouwelijke, als kwaliteit begrepen: het vrouwelijke gevoel dat het mannelijke rationele denken bijstaat in het verhaal van Ariadne en Theseus; het vrouwelijke dat geofferd wordt aan het mannelijke (het offer van Iphigeneia). Verschillende, zowel negatieve als positieve aspecten van het vrouwelijke en mannelijke zijn in deze verhalen herkenbaar voor de menselijke ziel, in wie al deze krachten in verschillende verhoudingen leven.

Zo kunnen we van de mythologieën als beeld veel leren, over onze eigen ziel, en over onze eigen ‘beschaving’. We kunnen er echter geen ideologie aan ontlenen; terug naar het Oude Eenheidsbeleven, de natuur en de bloedsbanden die niet meer bestaan, gaat nu eenmaal niet. Overal waar het verleden onveranderd in het heden wordt geprojecteerd, ontstaat het reactionaire, conservatieve, retarderende kwaad.

Nieuwe imaginaties
En dan is daar met betrekking tot de hernieuwde belangstelling voor mythen en sprookjes, ook de stroom die de mensen uit de toekomst tegemoet komt: de stroom die doet verlangen naar de ontwikkeling van een nieuw beeldend (‘imaginatief’) bewustzijn. Dit imaginatieve bewustzijn kan niet voortborduren op oude beelden; integendeel. Het zal geheel opnieuw in mensen zelf moeten worden ontwikkeld en aangeleerd.

In deze zin – het is goed daar eens duidelijk op te wijzen – onderscheidt de antroposofie zich zeer in het bijzonder van de andere alternatieven: het geeft stap voor stap een bewuste, denkende weg tot dat nieuwe bewustzijn aan. De nieuwe ‘imaginaties’ kunnen denkend begrepen worden; het zijn werkelijke denkbeelden in de zin van totaalbeelden, die niet illustratief, maar levend-
groeiend zijn en voor steeds verdere uitwerking en toepassing vatbaar. Zo ontwikkelde Goethe zo’n eerste imaginatie, toen hij aan de hand van
plantenstudies – niet in de zin van determineren, maar juist van relateren van de verschillende groeifasen tot zijn beeld van de oerplant kwam: het wezen dat aan alle planten ten grondslag ligt, de functie die in alle planten werkzaam is.

Nieuwe imaginaties zullen functionele denkbeelden zijn; geen abstracties of theorieën die de werkelijkheid onrecht doen, maar bruikbare en in de levende werkelijkheid wortelende voorstellingen.

Een belangrijke imaginatie heeft Rudolf Steiner ontwikkeld in de vorm van het beeld van de drieledige mens: de mens die met een zenuw-zintuigstelsel, een ademhalingsstelsel, en een stofwisselingsgebied het belangrijkste middelpunt voor het denken in het hoofd heeft, voor het voelen in het ‘ritmische’ middengebied, en voor het willen in de onderpool van het stofwisselingsstelsel. Aan dit beeld geeft hij een zowel fysiologische als psychologische grondslag, die het uitgangspunt vormen voor een geheel nieuwe, intussen in talrijke scholen gepraktiseerde pedagogie.

Hiermee samenhangend – hoewel zeker niet analoog – is een andere belangrijke imaginatie gegeven: die van de driegeleding van het sociale organisme. Waar alle maatschappelijke, economische en politieke problematiek zich uiteindelijk concentreert rond de vragen van individu en collectiviteit, van vrijheid, gelijkheid en broederschap, wordt door de driegeleding van het sociale organisme (en dat is net zomin een driedeling als dat mensen uit een losse kop, een losse borst en een los onderlijf bestaan) deze problematiek in haar juiste verhoudingen gezien: wij zijn vrij, en optimaal individueel binnen het gebied van het geestesleven, wij zijn volstrekt gelijk aan alle anderen voor het politieke rechtsleven, en wij hebben in allerlei verhoudingen van broederlijkheid en zusterlijkheid met elkaar te maken in het economisch leven.

In zo’n maatschappij krijgt de menselijke beleving die kwalitatieve aanvulling waar zo naar wordt gezocht. Vanuit een creatief, want vrij, geestelijk-cultureel leven, kan de menselijke redelijkheid zich werkelijk in een politiek-actief rechtsleven oefenen, en kan ‘de leer van Jezus van Nazareth, waarvan de kern liefde is’, door ieder van ons in het economische leven worden gepraktiseerd.

Een ‘nieuwe mythe’ zou die van een organische, rechtvaardige, broederlijke wereldeconomie kunnen zijn: de grootste algemeen menselijke band die er bestaat. Dat is meer dan een verhaal. Dat is een functioneel idee.

Edith Boeke†, Jonas 13, *15-02-1985

vertelstof: alle artikelen

drieledige mens

1010-936

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof Germaanse (1-1) mythologie

.

G.Reyngoud, nadere gegevens onbekend
.

germaanse mythologie in de 4e klas

In de vierde klas worden de verhalen verteld van de Germaanse mythologie. In die verhalen vindt men ontzaglijk veel Goden en helden, die een ontwikkelingsweg gaan die vol van dramatiek is.
Ook in andere mythologieën kent men die verschijnselen.
In de Germaanse verhaalstof vindt men echter ook nog een ander aspect en dat maakt deze verhalen juist zo geschikt voor de vierde klas.

De Germaanse Goden strijden tegen de verkilling en verharding brengende reuzen. Zij doen dat aanvankelijk met veel succes, doch dat blijft niet zo.
Zo langzamerhand moeten de Goden steeds meer prijs geven van hun onbezorgdheid, hun optimisme, hun jeugd, hun alom aanwezige gunstige invloeden. De Goden beseffen dat de confrontatie met het “boze” zal gaan komen. Zij begrijpen ook dat de strijd niet zonder kleerscheuren voor het “goede” zal verlopen. Alle Goden weten dat er een zg. “Godenschemering” komt. Alle Goden bereiden zich op die strijd op eigen wijze voor.
De alvader Odin doet dat heel anders dan de felle strijder Tyr en die weer anders dan de krachtige dondergod Thor. De strijd tegen de koude ijsreuzen, die met hun verkillende invloeden de lente in het rijk der mensen onmogelijk trachten te maken, zal de ondergang van de Goden betekenen.

Ondanks het feit dat de Goden dit weten, is hun inzet in de strijd tegen de reuzen er niet minder om.

In de kinderontwikkeling vindt men in de vierde klas een dergelijke dramatiek terug. Definitief wordt de gouden kindertijd vaarwel gezegd, ieder kind moet de confrontatie met de aardewereld nu gaan geloven. Het besef van iets te kunnen of juist niet te kunnen grijpt in de psyche van een kind veel dieper in dan ooit daarvoor. In de leerstof van de vierde klas vindt men twee heel duidelijke voorbeelden van die confrontatie met de wereld en daarmee gepaard gaand het teruggeworpen worden op zich zelf nl:

Bij het rekenen zijn daar de breuken die het tot dan toe, in zich volkomen harmonische probleemloze hele getal, plotseling door elkaar beginnen te rammelen en te breken in talloze moeilijk uitspreekbare onhanteerbare kleine deeltjes die bewerkt kunnen worden volgens wetmatigheden waarvan het kind al snel inziet dat er de eerstkomende jaren rekenkundig nog wel wat te verhapstukken valt.

Bij de Nederlandse taal worden de tijden van het werkwoord behandeld. Plotseling kan bij het kind het besef ontstaan zelf als persoon in de tijdstroom te staan. Dit zijn voor het kind momenten van grote dramatiek, want het betekent dat het kind beseft dat het alleen is. Ook het gevoel van vrijheid groeit gelijk met het gevoel van eenzaamheid.
Als leraar sta je toch steeds weer verrast wanneer je het ene kind na het andere die stap ziet maken. Het ene kind doet het rustig en aandachtig, het andere vol angsten en onzekerheden. Kinderen kunnen zichzelf als het ware gaan verbergen in een quasi kleinkindergedrag anderen doen reuze flink en maken en extra veel kabaal.

Ook zijn er die met grote religieuze vragen op je afkomen, anderen zijn er die aan de lopende band leugentjes en uitvluchten verzinnen. Aangezien je al deze verschijnselen in de derde klas nog niet opmerkte, althans ze drongen zich niet aan je op, val je als leraar in de vierde klas vaak van de ene verbazing in de andere en al te vaak moet je stevig de zaak in de hand houden willen er geen grote emoties van hevige sympathieën en antipathieën in de klas ontstaan.
Ook ouders laten zich vaak door de vierdeklassers verrassen en menige ouder moet oppassen niet door de onstuimige heertjes en dametjes onder de voet gelopen te worden. Voor de leraar is het van belang te wachten met de “psychische” leerstof totdat hij vindt dat de klas eraan toe is.

De Germaanse God Thor heeft eens een tocht gemaakt naar het rijk van de ijsreus “Utgard Loki”. Hij ging daarheen om de reuzen te waarschuwen het voortdurend zenden van koude winden naar het mensenrijk te staken.

Utgard wil dan met Thor en zijn metgezellen een wedstrijd aangaan.

In deze wedstrijd presteert Thor vrijwel het onmogelijke. Hij verlost bijna al de mensen van hun egoïsme, hij overwint bijna de ouderdom enz. Dit prachtige, spannende, maar diep religieuze verhaal wordt door de kinderen ademloos aangehoord.

Hieronder volgt een korte weergave van het verhaal:

Thor nu wilde zijn kracht tonen door gewichten op te tillen. Utgard Loki daagde Thor toen uit het poesje van de reus op te tillen. Thor nam deze kans te baat, trok zijn gordel vast aan en deed zijn best. Helaas! Slechts één pootje tilde hij even van de grond.
Utgard-Loki glimlachte verachtelijk en zei, dat Thor misschien wel dorst had. Thor bevestigde dat en hij kreeg een beker van de reus met de opdracht die in drie teugen te ledigen. Thor zette nu zijn lippen aan de rand, maar ofschoon hij zo’n diepe teug nam, dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog tot bijna aan de rand toen hij het hoofd ophief. Een tweede en derde poging om de beker te ledigen, bleek al even weinig succes te hebben.

Een laatste poging deed Thor om de reuzen te verslaan door te gaan worstelen met de oude voedster van Utgard-Loki, de enige partij die de reus de nietige God Thor waardig keurde. Het eindigde al even ongelukkig en toen de Goden erkenden, de strijd verloren te hebben, werden ze door de reuzen onthaald.
Thor en zijn metgezellen begrepen niet waar zij deze egards aan te danken hadden en besloten op alles voorbereid te zijn en te blijven.

De volgende morgen werden zij begeleid tot de grenzen van het reuzenrijk, waar de reus hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij hem nooit meer zouden uitdagen daar hij genoodzaakt was geweest tovermacht tegen hen te gebruiken.
Hij vertelde dat hun krachten zelfs met de tovermachten nauwelijks te beteugelen waren geweest. Thor had nl. niet een beker leeg gedronken, maar bijna de hele oceaan, waarmee de beker verbonden was.
Voortaan zou de eb telkens weer aan dat feit herinneren.
Thor had niet de kat van Utgard-Loki opgetild, maar de Midgardslang, een slangachtig wezen, gekronkeld om de aarde en gevoed door het egoïsme van de mensen. Bijna was het Thor gelukt deze slang van het mensenrijk weg te trekken, doch met magische spreuken wist de reus het te voorkomen.
De oude voedster waar Thor tegen worstelde was de ouderdom zelf en bijna was het Thor gelukt deze te verslaan. Daarmee zouden de jeugdkrachten voortdurend kunnen blijven toestromen naar het rijk der mensen.
Ook Thors metgezellen kregen dergelijke verhalen te horen. En Thor draaide zich vertoornd om om de reus en zijn kasteel te vernietigen met zijn hamer, doch het kasteel werd in nevelen gehuld en Thor was genoodzaakt terug te keren naar Asgard, het Godenrijk, zonder zijn heilzame les aan de reuzen gegeven te hebben.

toneel
Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde –

Vertelstof:
de Edda – achtergronden; verklarende namen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

1009-935

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Solon

.

Solon     638-559 v. Chr.

Solon

  De grote Atheense dichter en staatsman Solon. Hij wordt door velen nog steeds beschouwd als de ‘vader van de democratie’.
.
Solon was een Atheens dichter. Hij gebruikte zijn kunst om zijn politieke ideeën op de mensen over te brengen. In 594 v. Chr. werd hij gekozen tot archont, hoofd van de Atheense regering. Hij gaf de stoot tot het doorvoeren van hervormingen, die een einde maakten aan de macht van de aristocratie, aan de armoede en aan de onmenselijke wetgeving. Hij was de grondlegger van de Atheense democratie.
Solon was van adel en lid van de heersende klasse. Hij kwam aan de macht, toen Athene in grote moeilijkheden verkeerde. In alle delen van de samenleving heerste grote onrust en dit dreigde uit te groeien tot een revolutie. Veel boeren gingen gebukt onder zware schulden. Sommigen hadden zich garant gesteld voor leningen en werden slaaf, wanneer ze niet konden terugbetalen. De meeste boeren waren overigens ook niet veel meer dan lijfeigenen. Elk jaar moesten ze een deel van de opbrengst van hun land aan de rijke landheren afstaan om hun schulden te betalen. Die ruilden hun oogsten liever in vreemde landen voor luxe artikelen dan dat ze de groeiende stadsbevolking van voedsel voorzagen.

Solon nam een aantal dappere maatregelen. Daardoor werden de economische problemen van Athene in korte tijd opgelost. Hij schonk de vrijheid aan iedereen die door schuld slaaf was geworden. Hij gaf alle landerijen waarvoor huur betaald moest worden, terug en stelde het strafbaar een lening te sluiten met de vrijheid van de persoon als garantie. De uitvoer van alle voedsel werd verboden. Een uitzondering maakte hij voor olijfolie, waar een overvloed van was.

Het duurde heel wat langer om de politieke problemen op te lossen. Solon begon met het opstellen van een nieuwe grondwet. Daarin werd politieke macht niet verkregen door geboorte, maar bepaald aan de hand van de rijkdom. De bevolking werd verdeeld in vier groepen. Dit gebeurde naar de waarde van de producten die ze voortbrachten. Alle burgers kregen een bepaalde politieke invloed. De rijkste groepen behielden de grootste macht. Alle vrije burgers konden zitting nemen in de volksvergadering. Die vergadering nam wetten aan, koos ambtenaren en behandelde bezwaarschriften van de rechtbanken. Uit de drie hoogste groepen werd de Raad van Vierhonderd gekozen. Deze raad zorgde voor de voorbereidingen van het werk in de volksvergadering en maakte de agenda. Alleen de leden van de twee rijkste groepen konden tot archont worden gekozen of de hoogste ambten bekleden.

Vele nieuwe wetten controleerden de macht van de nieuwe regering. De oude wetten waren afgekondigd door de vroegere archont Draco. Die waren zo streng en onmenselijk, dat ze naar hem draconisch werden genoemd. Solon schafte vrijwel de hele door Draco ingevoerde wetgeving af. Er kwamen gematigde en menselijker wetten voor in de plaats. De wetten werden in houten tabletten gegraveerd en in het openbaar tentoongesteld. Iedere burger moest zweren, dat hij de wetten zou gehoorzamen en eerbiedigen.

Solon gebruikte gedichten om zijn hervormingen te verklaren en te rechtvaardigen. Dit had hij al gedaan om op veranderingen aan te dringen, voordat hij aan de macht kwam. Veel mensen in Athene waren echter niet tevreden over zijn menselijke benadering en zijn leer van de matiging. Boeren klaagden erover dat hij het land niet had herverdeeld. De adel was nog steeds verbolgen over de nieuwe grondwet, waardoor ze hun politieke macht moesten delen met gewone burgers. Solon besloot de Atheners de tijd te geven aan zijn hervormingen te wennen. Hij vertrok uit de stad en maakte gedurende tien jaar lange reizen. Bij zijn terugkeer trof hij een verdeeld volk aan, dat rijp leek voor de tirannie.
Na de dood van Solon begon er een periode van tirannie. De democratie werd echter vijftig jaar later, 510 v. Chr., hersteld. In de Gouden Eeuw van de Atheense democratie die daarna volgde, maakten Griekse filosofen ieder een lijst van de wijsgeren die hen het meest hadden beïnvloed. Solon stond op alle lijsten. Zelfs tegenwoordig wordt deze Atheense staatsman-dichter vaak de ‘vader van de democratie’ genoemd.
.
6e klas Griekse vaas
In het Athene van Solons tijd, werd vaak door middel van versieringen op huishoudelijke spullen een klein verhaal verteld. Op deze waterkruik staat de afbeelding van een olijfboom, die wordt geschud om de vruchten op de grond te laten vallen, waar ze door een hulpje worden opgeraapt.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
998-925

.

VRIJESCHOOL – Kleuters: Ik, Jan Klaassen

Poppenkast, bij wie roept dit woord geen goede herinneringen op, wie denkt daarbij niet onmiddellijk aan Jan Klaassen, aan zijn Katrijntje, aan de meestal barse veldwachter, aan de duivel en aan de koning? Is poppenkast zonder Jan Klaassen niet ondenkbaar? Toch worden er hoe langer hoe meer poppenkastvoorstellingen gehouden waar Jan Klaassen niet meer op de speellijst verschijnt of hoogstens alleen maar gastheer is die het spel introduceert. Heeft Jan Klaassen zijn tijd gehad?
“Jan Klaassen en de poppenkast’ is een boekje voor ‘leken’, dat wil zeggen, het richt zich tot de beginnende speler en in de praktijk zal dat meestal een ouder zijn die voor zijn kinderen speelt. Impliciet heeft het de gezinssituatie voor ogen. In het eerste deel maken we kennis met Jan Klaassen en de figuren die bij hem horen. Hoe komt het dat hij zich zo’n eigen plaats veroverd heeft in het Nederlands taalgebied? Wat maakt hem zo herkenbaar en onvergetelijk? Wat vraagt hij van de speler die hem ter hand neemt, want niet ieder spel waar Jan Klaassen zijn neus laat zien, is daarom een echt Janklaassenspel. En wat schenkt hij de speler die hem waardig ter hand neemt? Is Jan Klaassen een opvoeder? Hij heeft er zelf geen weet van, maar de speler kan erachter komen mits hij er niet over spreekt. Want Jan Klaassen doet domme en dappere dingen en kan de kinderen laten lachen. Opvoeden, hij? Hij wordt zelf opgevoed, door Katrijn, door de veldwachter, door alles wat hem overkomt!
In het tweede deel zijn tien heel korte Jan-Klaassenspelletjes opgenomen, voornamelijk bedoeld als inspiratie tot het zelf verzinnen ervan. Het derde deel gaat uitvoerig in op het maken van poppen en poppenkast.
.
Een fantastische opvoeder
Op een avond ga ik naar Kraaybeek in Driebergen om een gesprek te hebben met mevrouw Weissenberg over dit boekje. Kraaybeek is een ‘buiten’, waar appartementen gebouwd zijn voor oudere mensen; de prachtige oude bomen zijn er omheen blijven staan.
Jan Klaassen heeft me in zijn ban en ik ben teveel volwassene om niet te vragen naar de eigenaar van de hand die hem tot leven brengt. Een grootmoeder doet open, ze zou kunnen lijken op Jan Klaassens grootmoeder, zoals ze die beschrijft in het boekje. Nergens een spoor van Jan Klaassen zelf, geen poppenkast, geen poppen. Wel levendige handen; duim, wijs- en middelvinger van de linkerhand voeren herhaaldelijk een onzichtbare Jan Klaassen ten tonele. Ik kijk dan naar die hand en niet naar haar gezicht.

Hoe hebt u Jan Klaassen ontmoet?
‘Dat is heel merkwaardig gegaan. Direct na de tweede wereldoorlog werd ik door het Engelse Rode Kruis verzocht – omdat ik verpleegster geweest ben – om naar Duitsland te gaan en de Duitse jeugd een beetje uiteen te zetten wat zich hier in Nederland eigenlijk afgespeeld heeft in de oorlog. Zodoende kwam ik in een grote jeugdherberg terecht en daar was een opleidingscursus voor poppenkast spelen aan de gang. Daar kon ik gratis aan meedoen, ’s Ochtends, ’s avonds, ’s middags, altijd hadden we poppenkast, en als we ’s avonds bij elkaar zaten, moest ik me van mijn plicht kwijten en over het Hollandse land vertellen.
Er was daar een groep, de Hohenheimers, die zich gespecialiseerd hadden in het Kasparlespel, dat is de Duitse Jan Klaassen.
.
Wie is Jan Klaassen eigenlijk?
‘Jan Klaassen, – nu ja, als je een rij poppetjes neerlegt en een kind, pakweg tussen vier en vijf jaar, vraagt: ‘Nou, wat wil je nu zijn?’ Tien tegen één zegt het kindje dan: ‘Ik ben Jan Klaassen’. En dat is zo. Jan Klaassen is dé mens, van vallen en opstaan. Katrijntje is de huisbakken kant, Jan Klaassen is de hupsakee kant. Samen vertegenwoordigen ze de mens: ‘zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust, nietwaar?’

Jan Klaassen is ‘het Ik’ in de mens. ‘Wie heeft dat gedaan?’ vraagt de veldwachter, ’lk. Jan Klaassen’. Het is haast vanzelfsprekend dat

ieder volk daar zijn eigen versie van heeft.
De Duitse Kasparlefiguur is meer wat wij zouden noemen een brave Hendrik. Kasparle heeft geen Katrijn aan zijn zijde, hij heeft een kameraad. De Hollandse Jan Klaassen heeft meer iets Jan Steen-achtigs. Maar alle Europese volkeren hebben een Jan Klaassen. dat komt omdat Jan Klaassen de ik-ontwikkeling spiegelt.
Jan Klaassen is de enige pop die benen heeft, duidelijk zichtbaar met witte kuiten en zwarte schoenen. Hij is de mens ten voeten uit. De eigenschappen die we allemaal hebben, en die bij een kind nog zo onverbloemd naar buiten komen, laat hij argeloos zien. En de kinderen vinden het zalig. Ze zien zichzelf en daarom voelen ze zich zo verbonden met hem. Wat Jan Klaassen beleeft, zijn ook hun belevenissen en daarom is het heel belangrijk dat in een Jan Klaassenspel goed goed is en slecht slecht. Geen grijzige schakeringen; jonge kinderen hoeven niet zelf tot een juist oordeel te komen, zij moeten nog de kracht van hun oordeel ontwikkelen.
Jan Klaassen moet ook goed kunnen vechten. Als hij bijvoorbeeld met de draak vecht, dan is het heel belangrijk dat zoiets goed uitgespeeld wordt. Je moet er de tijd voor nemen zo, nu is de kop dood. Pats, en nu de buik. En nu de staart nog, ja, gelukt. Nu is hij helemaal dood. De fout van de televisie is dat het te vlug gaat. Een kind heeft tijd nodig. En herhalingen.
Doordat het kind zich zo met hem kan verbinden en van hem houdt, kan Jan Klaassen ook een fantastisch pedagoog zijn. Allerlei huiselijke problemen kunnen via hem opgelost worden. Als je bijvoorbeeld dat probleem van weglopen neemt, dat ieder kind wel heeft, dan kan dat tamelijk dramatisch gebracht worden, Jan Klaassen is weggelopen en komt terug met een groot verband om zijn hoofd. Hij is onder een auto gekomen. Het mag rustig een beetje bloederig zijn, want dat vinden ze heerlijk; het moet niet gruwelijk zijn, maar ook niet te kleinzerig. En dan wil Jan Klaassen het wéér en moet Katrijntje hem op het zeurderige af waarschuwen. Tenslotte kan aan het publiek gevraagd worden wanneer je dan wél kunt oversteken, en dan geven de kinderen het antwoord. Zo kan je enorm veel problemen oplossen’.
.
Geen gooi- en smijtfilmfiguur

Kinderen tussen vijf en acht jaar vinden het ook heerlijk om sprookjes te horen. Als een van de initiatiefneemsters tot het maken van een getrouwe en volledige vertaling van de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm, heeft mevrouw Weissenberg zeer geijverd voor een herwaardering van de volkssprookjes in de begeleiding van het jonge kind. Op vele vrijescholen en ook door sommige poppenspelgezelschappen worden sprookjes in de poppenkast opgevoerd.

.
Wat is het verschil in uitwerking tussen een sprookje of een Jan Klaassenspel in de poppenkast?
‘Sprookjes horen niet in de poppenkast thuis. Sprookjesbeelden zijn tweedimensionaal. Het zijn imaginatieve beelden van grote schoonheid. Je kunt het in de poppenkast nooit zo mooi maken als het in je voorstelling door het vertellen van het sprookje opgeroepen wordt. De beelden van het sprookje moeten tweedimensionaal blijven, anders boeten ze aan kracht in. Ze hebben een heel andere werking op het kind dan Jan Klaassen. Het Jan Klaassenspel is driedimensionaal. Zie je, als je de pop op je hand hebt, is het driedimensionaal hè?’

Ik zie het. Jan Klaassen staat, zoals de mens, driedimensionaal met zijn voeten op de aarde. De drie vingers die hem vasthouden kunnen in drie richtingen kleine bewegingen maken. Als je dan naar de uitwerking daarvan kinderen vraagt, dan moet je denken aan de heileuritmie (mevrouw Weissenberg is ook heileuritmiste geweest):
‘Als je bij verlamde mensen aan bed bent, dan maak je soms hele kleine euritmiebewegingen met je vingers, en dat heeft een enorme uitwerking op de wilskracht van de patiënt. De kleine bewegingen die Jan Klaassen kan maken – want je hebt nu eenmaal geen grotere vingers – dat zijn eigenlijk euritmiebewegingen. Een kind dat in de zaal zit en dat ziet, maakt deze zaak in het groot mee. Het verlengt om zo te zeggen de beweging iedere keer en dat activeert enorm. Waardoor je natuurlijk ook dat enorme tumult krijgt dat in zo’n zaal kan ontstaan. Dat is de activering van het wilsleven van het kind en deze wilsactiviteit moet een uitlaatklep vinden en dat is het vragen en antwoorden dat zo helemaal bij het Jan Klaassenspel hoort. Als je iets anders in de poppenkast brengt, dan wordt het kind wel geactiveerd, maar het krijgt geen gelegenheid om zich te uiten,het kind kan soms ook angstig worden als de spanning van het verhaal te groot is, zonder dat het zich handelend, vanuit de wil, teweer kan stellen. Je bent bang voor die dingen waar je niets aan dóen kan. Maar Jan Klaassen mag je helpen: ‘Pas op, achter je!’
Je kunt zelf meehelpen de dreiging af te wenden. Als het tumult al te groot wordt, ja, dan zwijgt Jan Klaassen eenvoudig tot de kinderen stil zijn. Eén hand op de lippen en misschien ook half afgewend, met zijn oor naar het publiek om het direct te kunnen horen als ze stil zijn.
.
Jan Klaassen speelt zijn spel, de kinderen spiegelen zich al lachend aan hem, maar wat wordt er van de speler gevraagd?
‘Enorm veel, een enorme tegenwoordigheid van geest en vooral ook humor. En wat is eigenlijk tegenwoordigheid van geest en humor? Dat zijn de kwaliteiten van het ik. Bij het kind wordt het ‘ik’ opgeroepen, maar degene die speelt moet ook honderd procent aanwezig zijn, anders is er niets aan, aan zo’n spel. Maar nu komt natuurlijk de inhoud, die staat om zo te zeggen daar tussen in. Ik heb niets tegen zomaar wat, maar het moet toch ook een beetje zinvol zijn, niet alleen maar kletsboem’.
Het spelterrein moet enigszins afgepaald worden, daarbinnen kan nog heel wat onverwachts gebeuren.
Al is in elke speelgoedwinkel wel een set Jan-Klaassenpoppen te koop en is ook de poppenkast een favoriet cadeau, toch wordt in weinig gezinnen het poppenkastspelen beschouwd als iets wat er net zo bij hoort als voorlezen. Een dergelijk pedagogisch hulpmiddel zou – trouwens ook als bron van plezier – wel degelijk zo’n plaats verdienen.
.
Mevrouw Weissenberg, hoopt u met uw boekje het Jan Klaassenspel in de gezinskul-tuur te introduceren?
‘Ja, ik heb jarenlang mijn tijd aan de sprookjes gegeven, maar daarnaast ook veel aan Jan Klaassen gedaan. Natuurlijk niet zo uitvoerig, omdat ik niet met een poppenkast rond kan trekken. Want al zijn de sprookjes in hun tweedimensionale schoonheid ongelooflijk en onovertroffen, de figuur van Jan Klaassen, driedimensionaal als hij is, spreekt hele andere zieleregionen van het kind aan, die in deze tijd veel te kort komen. Deze kwaliteiten moeten weer opgeroepen worden, maar dan wel op een manier dat het niet een gooi- en smijtfilmfiguur wordt. Het kind moet kunnen beleven: ik ben Jan Klaassen. Daarom heb ik mij op die spelletjes geconcentreerd (het tweede deel van het boekje, L.C.) en er af en toe ook wel in kleine kring over gesproken.
Hoe een Jan-Klaassenspel in de huiselijke sfeer tot stand kan komen, dat heb ik in het boekje beschreven. Je kunt haast om zo te zeggen over je arm heenspelen.’
En Jan Klaasen kijkt inderdaad over haar rechterarm heen. Niets lijkt gemakkelijker. Toch weet ik uit ervaring dat de drempelvrees groot is.
Mevrouw Weissenberg: ‘Je maakt het jezelf veel te moeilijk; het moet werkelijk zo eenvoudig mogelijk. Van de Hohenheimers heb ik geleerd dat je hoofdzakelijk met kleuren kunt werken. Als iets in de nacht speelt, neem je een donkerblauwe doek. Is het de hel? Zwart. Is het een koningsslot, nou dan kan je misschien een goudbrokaat ophangen. Meer is niet nodig. Het kind ziet alles. Die vrijheid moet je het kind ook laten. De activiteit van het aanvullen mag je het kind niet ontnemen, met zoveel tierelantijntjes en coulissen en zo. En als je echt iets erbij nodig hebt, een sleutel bijvoorbeeld, dan moet die levensgroot zijn, veel groter dan gewoon. Werkelijk een knoert van een sleutel.’
Behalve een drempel bestaat er ook een reëel onvermogen. Er is geen gewone ouder die een tweeweekse cursus poppenspelen gedaan heeft. Het is moeilijk langzaam en duidelijk te spreken – geen woord teveel en geen woord te weinig. Ze vertelt hoe ze in een
Jan Klaassenwerkgroepje de deelnemers de opdracht gaf zelf een spel te bedenken en hoe de meesten niet verder kwamen dan steeds maar weer een verse verjaardagstaart. Kan je het leren? En hoe dan?

‘Ja, ik kan alleen maar zeggen: dóen. Doe het. Het publiek waarvoor je begint is meestal tamelijk klein en als je je nu een paar van die dingen inprent: duidelijk, langzaam en gezellig – zelf moet je er ook plezier in hebben – dan leer je aan je eigen fouten. Een poppenkast heb je niet nodig. In de posten van een deur twee kleine spijkertjes, een stok, met aan de uiteinden een lusje er aangebonden, in de deuropening hangen, een doek erover en klaar is Kees. Van de Hohenheimers heb ik geleerd staande te spelen. Dan kan je met je poppen lopen en dansen. Fantasie moet je ook oefenen’.

Ze demonstreert me een gesprekje tussen haar linkerhand – Jan Klaassen – en een leeg theekopje dat op tafel staat.
Juist omdat van de speler de volle aanwezigheid gevraagd wordt – hoewel je in het duister achter de pop blijft – moet je je gezicht laten zien, dat is in het begin ‘eng’. In bestaande gespreksgroepen voor ouders zou best een half uur ingeruimd kunnen worden om zoiets samen te oefenen, als kunstzinnige activiteit en ook als sociale oefening.
Tot slot praten we over iets dat me, terwijl ik het boekje las, steeds sterker ging bezighouden.
Naast zich heeft Jan Klaassen zijn trouwe, zorgzame, al te zorgzame en soms zelfs kijverige Katrijntje. Er is de laatste jaren wel onderzoek gedaan naar het beeld van de vrouw en moeder, zoals zij in kinderboeken naar voren komt. Wat daarbij, in het licht van de emancipatie van de vrouw, aan de kaak werd gesteld, wordt voor een groot deel vertegenwoordigd door de pannenkoekbakkende Katrijn. Ik citeer het boekje, bladzijde 31: ‘Katrijn is het beeld voor de dagelijkse omgeving: altijd gedoe en gezeur, maar ja, je moet ermee leren leven; teleurstellingen en tegenslagen zijn er om sterker te worden, en niet om moedeloos het hoofd in de schoot te leggen’.
Het is geen geweldig beeld van het vrouwelijk wezen dat hier naar voren komt, al zou je kunnen verdedigen dat ze niet van emancipatoire trekken ontbloot is: als haar iets niet naar de zin is, zal ze het er niet bij laten zitten.
Mevrouw Weissenberg is een beetje verontwaardigd: ‘Kinderen zijn toch geen feministen. Kinderen zijn goddank nog normaal. Jan Klaassen en Katrijntje zijn samen de mens. Ze vertegenwoordigen twee facetten van de mens. Het is de ziel van de mens, die aan de ene kant enorm de daden kan verrichten en opschepperig kan zijn en Katrijntje is de andere kant in de mens die meer de huisbakken kant is, dat wil zeggen alles wat ons meer of minder aan het dagelijkse bindt. Wie heeft die vuile poten op mijn mooi gepoetste zeil gezet? We hebben allemaal beide kanten in ons, maar in zo’n spel moet je die zaak een beetje uit elkaar leggen. Dat is ook het amusante van het spel. Jan Klaassen moppert trouwens ook: ‘God, wat is ze vervelend’. Jan Klaassen is de actieve kant, Katrijntje meer de passieve kant. Dat hoeft niet direct een waardering in te houden. Jan Klaassens activiteit brengt hem ook iedere keer in twijfelachtige situaties, terwijl Katrijntje iedere keer de trouw opbrengt om het dagelijkse te onderhouden. Ieder mens heeft beide kanten in zich en al wordt het in het spel uit elkaar gelegd, het kind beleeft beide figuren als een zieleneenheid. Het is de volwassene die de polariteit niet meer als eenheid ervaart. Jan Klaassen en Katrijntje samen zijn de mens, één mens. Het kind beleeft zichzelf daarin.
Alles bij elkaar maakt, dat je met een zekere lach en een klein beetje schaamtegevoel naar het spel kijkt. Die innerlijke, iets verlegen lach, dat is zo ongelooflijk gezond.’
.
Lili Chavannes, Jonas 5 sept.1980

.
Jan Klaassen en de poppenkast’, geschreven door mevrouw A. Weissenberg-Seebohm, C. Taudin-Chabot en Christja Mees-Henny.
Uitgeverij Christofoor

.

Ook:
.
.
997-924