Tagarchief: Michaël

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (2)

.  vliegerliedjse bij vlieger

voor veel meer (knutsels en liederen) :      Tineke’s doehoek en Antroposofie en het kind    vrijeschoolliederen
vliegerliedje bij vlieger

bladeren zie spatwerk;
dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje;
draak van grillige tak;
draak vliegende;
grasmatje;
herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels;
herfsttafel;
kaars met draak;
kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin;
kijkdoos; koffertje;
kransen en slingers;
mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad;
schimmenspel van een michaëlsverhaal;
slang; slingers zie kransen;
spatwerk met bladeren;
transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant;
versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier;
vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger;
vrouwtje appelwang;
waaiewindje;
weegschaal;

.

.
KNUTSELEN

draak van grillige tak
Van een grillige tak kun je met bladeren en dennenappels een mooie draak maken, vooral als je een krabbenpoot als staart (of kop) gebruikt.

Jonas 4, 21-10-1977
.
grasmatje weven
Een raamwerk maken van 4 stokken, spandraden worden er gewoon omheen geslagen. Voor de inslag nemen wij materiaal uit het bos zoals takjes, grassen, riet,  bladeren, hei enz. Wanneer het matje klaar is, kunnen we het verder versieren met trosjes bessen, rozebottels, hazelnoten en al wat verder het seizoen nog biedt.
.
herfsttafel
De herfst is een dankbaar jaargetijde voor onze seizoenen­tafel. De nieuwe ouders onder u zullen zich misschien afvragen: wat is dat en hoe moet dat, zo!n seizoenentafel? Welnu, op een mooie plaats in uw kamer of hal zet u een lage tafel, plank of kist, die u bekleedt met een lap stof, waarvan de kleur en het materiaal aangepast zijn aan het seizoen.

Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
Een boomstronk kan dienst doen als kabouterhuis, maar ook kunnen we met St. Michaël daar de draak in verstoppen. Boven de tafel hangen we een mooie plaat of ansichtkaart met een herfsttafereel.
Het fijne van zo’n tafel is, dat de kinderen ook hun ge­vonden schatten bij b.v. een boswandeling hierop kunnen uitstallen en zo het hele jaar door ook binnenshuis mee kunnen’leven met alles, wat zich in de natuur afspeelt. Kaboutertjes voor het kabouterhuis zijn makkelijk zelf te maken.
Materiaal: restjes gekleurd vilt en schapewol. Knip het manteltje van het dwergje. Naai de naad van de capuchon dicht en haal er op de aangeduide plaats een draad door om te rimpelen. Doe een plukje goed uitgeplozen wol in het manteltje, trek de draad aan en knoop die vast. Knip aan de onderkant de wol weg, waardoor een plat vlak ontstaat: nu kan het dwergje staan. Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
De draak kunnen we maken van gekleurd papier en zijn lijf opvullen met appeltjes en andere vruchten. Met het St.-Michaëlsfeest kunnen de kinderen dan met zelf gemaakte zwaarden en schilden op zoek gaan naar de draak, deze verslaan en opeten.
.
bron onbekend
.
In het gelijknamige artikel is sprake van allerlei knutsels die hieronder verspreid zijn te vinden. Het artikel gaf als voorbeelden:

herfstknutsel 7
herfstknutsel 6
herfstknutsel 4

Het genoemde droogpersje:

herfstknutsel 5 droogpersje

herfstknutsel 3

herfstknutsels
Jonas 4, 21-10-1977

 

michael 6
 
Annet Schukking/ Hanneke v.d. Bij, Jonas, 18-09-1981)
 (bron onbekend)
.
kaars voor de Michaëlstijd
Neem hiervoor een dikke witte kaars en versierwas in allerlei kleuren: een groen-oranje draak kronkelt zich om de kaars heen – onderaan donkergroen en blauwpaars – naar boventoe worden de kleuren lichter; uit de muil komt vuur.
(Als we lang kneden zijn de kleuren goed te mengen, maar als de handen door het kneden té warm worden, blijft de was niet meer plakken – dan deze afkoelen onder de kraan).
Met het branden van de kaars wordt de draak langzaam verteerd. Geef kleinere kinderen een kleinere kaars. Ook zij kunnen dan hun eigen draak laten verbranden.
Michael kaars

kastanjes en eikels|
Ritsel, ’n herfstdanseresje is een heuse marionet van een kastanje en eikels, aan elkaar rijgen, neus een bosbes, rokje van blaadjes.

Michaël herfstknutsel 1

Michaël herfstknutsel 2

Het gewei van dit hert is gemaakt van twee esdoornvruchtjes

Michaël herfstknutsel 3

kastanje uithollen; stokje erin. Klaar is de pijp.

Michaël herfstknutsel 4

Een spin. Prikstokjes zig-zag in een kastanje; knoop een draad aan één van de stokjes, wikkel de draad om en om rond de stokjes. einde van de draad vasthouden, spin loslaten en…roets, daar gaat hij naar beneden.

Vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken)
.

kijkdoos
Een (schoenen)doos
Gewoon met lijm in de doos plakken zodat het een gezellig tafereeltje wordt. Wanneer u de deksel van de doos vervangt door een vel transparant gekleurd papier (rood of oranje), ziet het er helemaal betoverend uit.

herfstknutsel 8

Ideeën:
eikeltjes, kastanjes, herfstbladeren, paddenstoeltjes van bijenwas, kaboutertjes van vilt of bijenwas, droogbloempjes, takjes boerenwormkruid, trossen besjes, rozenbottels, grassen en granen.
.
koffertje om in te verzamelen
Beplak een kartonnen kinderkoffertje met gedroogde bladeren, bestrijk het met blanke lak en verzamel hierin herfstschatten.
.
kransen en slingers

lantaarntje
Op een feestelijk aangeklede Michaëlsherfsttafel kan een klein tafellantaarntje een gezellig lichtje zijn.
Een reep goudkarton van ca 60 cm lang en 20 cm hoog.
drie of vier raampjes erin uitknippen, transparant papier erachter en versieren met wat gedroogde bloemen, gras of blad.
.

mozaïek van zaden
Een zeldzaam zonnige zomer was het. In een bijna tropische warmte heeft het fruit zich overvloedig rijp laten stoven. Nu is het geoogst, gegeten, verwerkt of opgeslagen. Al eerder zijn de vele kleurige bessen verdwenen, de meeste waarschijnlijk in vogelmagen. Ver­dwenen voor het oog weliswaar, maar niet uit de kringloop van de natuur, waar het nu juist spannend wordt. Want in bessen zit zaad en in het zaad zit de toekomst van de plant. Het hangt er maar van af wat er met het zaad gebeurt, maar als het goed terecht komt, zal het in het voorjaar ontkiemen en uitgroeien tot een nieuwe boom of struik.
Ja, waar komt het terecht? Een boom als de lijsterbes bijvoorbeeld zou natuurlijk dom­weg z’n vruchtjes kunnen laten vallen in de verwachting dat daar dan wel nakomelingen uit opgroeien. Dat zou natuurlijk een on­voorstelbaar gedrang geven aan de voet van de boom en al die kleine lijsterbesjes zouden het ook niet zo best doen in de schaduw van de oude. Dat gebeurt dus niet. Als je over een heide-achtig terrein loopt, zie je dat de lijsterbessen verspreid staan. Hoe komen die bomen daar? Ze groeien in ’t wild, zijn niet door mensen geplant. Het zijn inderdaad de vogels die voor de verspreiding zorgen. Ze eten de bessen, verteren wel het vruchtvlees maar niet het zaad. Integendeel, het zaad on­dergaat in de vogelmaag een proces dat de kiemkracht bevordert. Daarna wordt het met een beetje mest op een of ander plekje gede­poneerd, waar het na de winter ontkiemen kan.
Het is trouwens interessant om te ontdekken hoe veelzijdig en inventief de verspreidings­technieken van zaden zijn. Behalve vogels doen ook mieren hieraan mee en helpen zo bijvoorbeeld het wilde viooltje. Maar veel bo­men en planten zorgen ook zelf voor de ver­spreiding van hun zaadjes door ze te voorzien van allerlei vernuftige voortbewegingshulp­middelen en hun dan snel de vrijheid te ge­ven. Zo zijn er de vliegers, zoals de gevleu­gelde (berk), de parachuutjes (paardebloem), de molentjes (esdoorn), de pluizen (distel), die zich op de wind laten meevoeren. Weer anders doen de klitten het, die zich met klei­ne haakjes aan dierenvachten vasthechten en dan bij het reinigen van de vacht afgeworpen worden, de zwemmers die het water verkiezen (kokosnoot) of de schutters zoals de springbalsemien!
Maar een echte zaaier is de mens: hij kiest bewust, veredelt, verzorgt en oogst, zaait weer en heeft zo zijn aandeel in de kringloop van de natuur. Daarnaast heeft hij ook zijn fantasie, zijn creativiteit. Een klein deel van de oogst mag gebruikt worden voor versie­ringen. Zo kun je bijvoorbeeld kettingen rij­gen van diverse boontjes, zoals kapucijners en kievitsboontjes: eerst een paar uur weken tot je er een scherpe stopnaald door kunt prikken. Of je kunt een sierknoop maken van de afgezaagde onderkant van een dennenappeltje. De achterkant gladschuren en een klein schroefoogje indraaien of een broche­speldje aan bevestigen. Een wat preciezer werkje is het maken van mozaïeken van zaden, heel mooi als je ze in hout inlegt en later met een stevige transpa­rante lak verglanst, als versiering van houten voorwerpen. Maar ’t kan ook eenvoudiger, bijvoorbeeld een deksel van een rond spanen doosje met zaden beplakken en dan eveneens, als ze goed vastzitten, lakken, waardoor ze ook niet meer losgestoten kunnen worden. Snij een aantal donkere jeneverbessen in twee helften, één plak je in het middelpunt van het deksel. Daaromheen straalsgewijs acht on­gepelde rijstkorrels. Knip nu twee mallen uit dun karton, één voor de binnenkring en één voor de gegolfde rand, dat wil zeggen van bin­nen open. Leg de eerste mal op het dekseltje (even vastzetten met prittstift), smeer lijm op de open ruimte en strooi er bijvoorbeeld gierst (goudgeel) op, goed alle gaatjes vullen. Neem de mal weg en leg de tweede er op. Halve jeneverbessen in de golven lijmen, de rest als boven vullen met bijvoorbeeld ra­dijszaad (paarsachtig). Mal wegnemen en de buitenrand vullen met zaad van koekoeks­bloemen of maanzaad (zwart). Probeer zelf andere zaden, andere figuren en andere combinaties. De tuin, het veld en de markt bieden volop materiaal!
.
Annet Schukking, Jonas 3, 01-10-1982
.
slang
Knip of scheur twee even lange repen papier. Leg de beide repen haaks op elkaar en maak de op elkaar liggende uiteinden vast met plakband of lijm. Vouw beurte­lings de repen over elkaar heen, tot het papier op is. De eindjes maakt u weer vast met plakband of lijm. Vouw een neus en plak van een stukje papier een tong vast. De slang kan gekleurd worden of van gekleurd papier gevouwen worden. Met dezelfde techniek kunt u allerlei dieren maken door de breedte van de repen papier te variëren.

herfstknutsel 2
Michaël herfstknutsel 5 weegschaal
Michaël herfstknutsel 5   1   weegschaal

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (36)

.

SINT-MICHAËL: EEN FEEST VAN DE TOEKOMST

Vele mensen zijn nog verknocht aan oude vormen van beschaving. Ten onrechte. Veel uiterlijke vormen moeten verdwijnen en zijn reeds verdwenen. Er zullen nieuwe gevon­den moeten worden. Zo is het ook met de jaarfeesten. Er is nog van enkele oude fees­ten iets uiterlijks overgebleven: een Sinter­klaas die snoepgoed en geschenken brengt, een kerstboom met elektrische lichtjes, eitjes en hazen en kippetjes met Pasen.
Wat kunnen wij er nog voor wezenlijks en werkelijks aan beleven?

Toch is het vieren van feesten een noodza­kelijkheid. Zoals een werkweek van zeven dagen zonder een zondag onleefbaar is, zo is een jaar zonder feestdagen niet om dóór te komen. Voor kinderen niet en voor volwas­senen niet. De vakantie is achter de rug. Of hij werkelijk geslaagd is, dat heeft op de eer­ste plaats van ons zelf afgehangen. Zoals voor de meeste mensen de vakantie iets is waar je naar uit kijkt als naar een oase in de dorheid van de dagelijkse sleur, zo zouden er door het hele jaar verspreid feestdagen moeten zijn als lichtpunten van vreugde en troost, waar je naar toe kunt leven. Die feesten zijn er altijd geweest. Maar de mens is in deze tijd zo zelfstandig geworden, zo op zichzelf aangewezen, dat geen en­kel feest, geen enkel ‘vrij-zijn’ hem van bui­tenaf die troost en vreugde kan verschaffen. (Vakantie betekent vrij zijn, de Duitsers noe­men het nog ‘Ferien’, dat betekent feest).
In vroeger tijden werd er door de feesten iets gegeven. De goddelijke wereld schonk zijn gaven aan de aarde. In de feesttijden ontving de mens van de hemelse machten de kracht en de vreugde die hij in zijn aardse leven no­dig had. Waarvoor dienen de feesten nu? De mens kan zich bezinnen. Hij kan zichzelf herinneren aan dat wat hij volbrengen wil. Hij kan zichzelf zijn opdracht inprenten. Verschillende aspecten heeft die opdracht. Ieder jaargetijde kan voor de mens de aan­leiding zijn, om een ander aspect van zijn taak in zichzelf te beleven. Zijn levenstaak ligt op de aarde. De opdracht echter ontvangt hij uit die wereld, die in en achter alle zintuigelijk waarneembare, stoffelijke dingen ver­borgen is. Als de mens die goddelijke wereld niet erkent, dan staat hij alleen tegenover de wereldslang ‘Nijdhouwer’, het monster van de genotvolle hebzucht, de draak van de zelf­zucht. Hoe kan hij dat gedrocht overwin­nen? Lukt hem dat niet, dan betekent dat voor hem de dood. Op de eerste plaats een geestelijke dood, die erger is dan de lichame­lijke.

Onze middelen tot zintuigelijke waarneming zijn uitermate geperfectioneerd. De telescoop laat ons dingen zien in het heelal, die ons blote oog niet kan waarnemen. Dat is niet de geestelijke wereld. De microscoop laat ons een onzichtbaar klein levend wezen zien. Dat is niet de geestelijke wereld. Die vergroting is een leugen. Ik rek dat wezentje een paar duizend maal uit… Dat is geen wer­kelijkheid meer. Het is een spook, een mon­ster geworden. Een vlieg van zo’n tien meter lang is toch ook geen werkelijkheid? Geluk­kig niet! Op stoffelijk gebied kan deze ‘geperfectioneerde’ waarneming ons onschatba­re diensten bewijzen. Maar toch zou zo’n microscopisch monster ons moeten stem­men tot nadenken over de werkelijkheid der dingen. In symbolische taal gesproken: dat monster, die draak moet ons uitdagen om hem te overwinnen, omdat wij anders zelf een prooi worden van hem. En zijn wij al niet hard op weg om aan die draak ten offer te vallen? Is dit geen tragi­sche tijd, waarin lucht en water en voedsel door de adem en de uitwerpselen van die draak worden vergiftigd? Men merkt het, maar de diepste oorzaak ziet men niet. Wat houdt de mens tegenwoordig ervan terug, het goddelijk-geestelijke in alle dingen te er­kennen? Nog steeds wil de mens alles passief slikken. De microscoop, de telescoop, de chemische analyse moeten hem alles vertel­len. Hij gaat voor de wereld zitten als voor een televisiescherm. Het instrument van zijn eigen geest, zijn eigen ziel wil hij niet vol­doende perfectioneren. Hij lijdt aan een soort psychische moedeloosheid, als het geen psychische lafheid is.

Het nieuwe stoelt op het oude. De jaarfees­ten in hun nieuwe vorm zullen moeten terug­gaan op oeroude vormen, die ontstaan zijn toen de mensheid nog kon schouwen in de geestelijke wereld; toen zij de goddelijke we­zens, die in de aarde, in de lucht, in het zon­licht belichaamd zijn, nog kon ontmoeten. Helder en duidelijk neemt de mens de wisse­ling van de seizoenen waar met zijn fysieke ogen. Als hij nog niet geheel van de natuur is afgesnoerd, beleeft hij in zijn gevoel nog iets van wat er zich afspeelt in weer en wind, in de opeenvolging der jaargetijden. Maar ach­ter deze fysiek en psychisch waarneembare wereld strekt zich nog een veel wijdsere gees­telijke wereld uit, die slechts met geestelijke vermogens waarneembaar is. Die geestelijke vermogens bezit ieder mens. Ze zijn alleen nog meestal versluierd door wat hij zo helder waarneemt met zijn zintuigen en vertroebeld door de onbewuste emoties die hij daarbij beleeft. De geestkracht die in alles en door alles werkt zullen wij niet alleen moeten aan­vaarden, maar ook gewaar worden en steeds meer gaan kennen.

De bomen worden kaal. De dorre bladeren dwarrelen neer. De vlinders, de kevers zijn verdwenen. Vele dieren beginnen hun win­terslaap. De hele natuur, die in het voorjaar en in de zomer haar krachten aan ons mee­deelde, schijnt te gaan sterven. De mens is nu aangewezen op zichzelf. Nu zal hij in zijn geest actief moeten worden. Nu heeft hij zielenmoed nodig. Want er is moed voor nodig om jezelf als normatieve derde geplaatst te zien midden tussen twee polen, om je eigen wereld te zien in twee werelden: opkomst en ondergang, goed en kwaad, licht en duister­nis, leven en dood. Hebben wij genoten van de zomerzon, dan moeten wij ook af kunnen dalen in de winterkou. Hoe intensiever men in voorjaar en zomer het bloeiende leven kan ervaren, hoe dieper men ook het sterven en de dood in najaar en winter beleeft. Wat blijft de mens anders over dan mee te ster­ven? Dit verwelken, dit verlammen, dit dood­gaan kan niet verder gaan dan zijn sensitiviteit. Moet hij dan zijn bewustzijn laten opgaan in de natuur, zoals in de hoogzomer? Nee. Hem blijft over zijn zelfbewustzijn. Dit moet de mens in de herfst stellen tegenover de stervende natuur. Weer is hier sprake van strijd en overwinning. Strijd tegen hebzucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest.

Tegenover Kerstmis staat in de krans van de jaarfeesten het Sint -J ansfeest. Tegenover de helderste zonnedag de diepste winternacht. Wat staat er tegenover het lentefeest, het feest van de opstanding uit de dood? De on­dergang in de dood. Kan dát een feest zijn? Er zou helemaal niet meer sprake kunnen zijn van welk feest dan ook, als in de mid­winternacht niet het zonnekind geboren werd, dat de drager werd van het goddelijk wezen: Christus. Christus heeft zich verbon­den met het aardewezen. Door Hem, met Hem, in Hem kan de mens zijn eigen zelf, zijn onsterfelijk geestelijk wezen wedervinden.
En zo moet het vroegere Herfstfeest, het oogstfeest, het Dankfeest verdiept worden en een plaats gaan veroveren in de tijdkrans van de feesten als één van de vier hoogte­punten van het jaar: Kerstmis en Sint-Jan, Pasen en Sint-Michiel.
Met een soort profe­tische blik stelde men in de middeleeuwen op de 29e september het feest in van de aartsengel Michaël. Over hem wordt in het boek der Openbaringen (12:2-12) verteld, dat hij de draak versloeg en uit de hemel verdreef. Daar wordt de draak ook genoemd: de Slang van het Oerbegin, Diabolos en Sata­nas. Hoewel veel kerken en kloosters aan Sint-Michaël gewijd zijn en hoewel zijn feest in de Rooms-Katholieke kerk een feest is van de hoogste rang, in de volksoverlevering neemt het bijna geen plaats in. Dat kan ook niet, omdat het ‘zelf’, het bewuste ‘ik’ van de mens eerst in deze tijd ontwaakt. Het is dan ook een feest voor de tijd van nu en voor de toekomst. Dit nieuwe feest moet ons er aan herinneren, dat wij, met hulp van de Christus, nu zelf de leiding moeten zoeken van de geestelijke wereld, zelf de strijd moe­ten opnemen tegen de machten, die ons de hemelse wereld willen ontnemen en op aarde ten prooi doen vallen aan de dood der mate­rie. Daar is bewustzijn voor nodig en moed en vooral ook een wilsbesluit. De wil om te trachten bewust inzicht te krijgen in de bo­venzinnelijke wereld. In abstracte gedachten zal ons dat niet lukken. Wij zullen zó concreet moeten denken en ons de werkelijk­heid van die wereld zó reëel moeten maken, dat wij nieuwe sociale vormen en nieuwe feesten kunnen scheppen.

Geestelijke feiten kunnen slechts in beelden worden weergegeven. Daarom komt in dit feest van zielenmoed en wilskracht ons het beeld te hulp van Michaël die over de draak zegeviert of van Sint-Joris die de draak over­wint en zo de prinses (de menselijke ziel), redt van de dood.

Met Pasen is Christus in het graf gelegd en is Hij opgestaan uit het graf. Met Sint- Michiel staat de mens op. Hij kan gerust in het graf worden gelegd, want hij heeft ingezien, dat hij in dit aardse leven wel sterft, maar dat zijn ziel kan verrijzen uit de dood. Hij heeft ervaren, dat, als hij innerlijk levend wordt in dit stoffelijke leven, dat innerlijk leven de aardse dood overwint.

Wanneer dag en nacht weer aan elkaar gelijk zijn bij de intrede van de herfst en de nacht de dag gaat overwinnen, dan staat vóór ons Sint-Michiel-die-de-draak-overwint als een geweldige uitdaging om méé te strijden. Dan spoort de kracht van Sint-Michiel ons aan om niet slechts de fysieke en chemische krachten te leren kennen en dienstbaar te maken, maar veel meer nog om met werke­lijke geestdrift die kracht te leren kennen, waardoor wij de verrezen Christus tijdens ons aardeleven in onze ziel kunnen opnemen. De kracht van Michaël zal ons helpen om in Christus het reële eigen-leven te vinden, ook als wij gestorven zijn. Deze kracht zal de aarde zuiveren van het kwaad, zodat het Christuskind met Kerstmis in haar geboren kan worden.

Sint-Michielsfeest. Een feest van nu en van de toekomst. Het feest van de nieuwe mens vol wezenlijk enthousiasme. Een feest van ware Mensenmoed.

(Henk Sweers,Jonas 2, 24=09-1976)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

287-271

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (35)

.

DE HERFST EN HET MICHAËLSFEEST

Jaargetijden en jaarfeesten doordringen elkaar, maar zijn toch in zekere zin tegengestelde bewegingen. Jaargetijden bewegen zich in de ons omringende wereld en doordringen ons van daaruit, mits we de wereld van de natuur dan wel ontmoeten natuurlijk. Jaarfees­ten daarentegen moeten we van binnenuit vieren en de wereld indragen als cultuurgoed.
In de jaargetijden staat de inwerking van de zon op de aarde centraal, in de jaarfeesten, is het universele Godswoord de spil waarom alles draait. Kerst en Pasen en ook Johanni dui­den dit onverbloembaar aan. Michaëli is daarin een minder eenvoudig te doorgronden feest.

Wanneer we eerst kijken naar het jaargetijde, de herfst, dan bespeuren we hoe de zonnekracht aan de hemel afneemt, maar hoe ze zichtbaar wordt op de aarde in de rijping der vruchten, de kleuring der bladeren, de bloei van zonnebloemen, de maïs­kolven, pompoenen; kortom in alles wat een eindstadium is van plantaardige groei. Voor de aardse plantenwereld is het werk volbracht, maar vanuit het sterven van de plant in uiterlijke zin nemen aarde en mens kiemen, zaden op voor een nieuw leven dat na de winter weer zal ontspruiten. De plantenwezens ballen samen in de vaak uiterst kleine zaden, die zich weer terugtrekken in de aarde. De stoffelijke plant neemt af, de idee plant neemt daarmee juist toe.

Met deze beweging in de natuur gaat ook de mens mee. Vanuit de zomer vol expressie en beweging keren we weer in onszelf terug. Van buiten naar binnen, ook heel reëel van het eten in de tuin weer naar het zitten rond de haard. Het meedrijven op de getijdenstroom, kan echter geheel onbewust gebeuren: de mens kan dromen in het weer van de dag. Of hij leeft zo inge­kapseld in geconditioneerde ruimten, auto’s, tussen apparatuur en allerlei andere mechanische geluidenmakers,  dat hij de stem van de natuur nog maar heel flauwtjes opnemen kan. Voor de mens die zijn verbinding met de loop van de natuur wil bekrachtigen bestaat er de Zielekalender* van Rudolf Steiner waardoor men zich in het eenvoelen met de natuurbeweging kan laten inspireren, en kan komen tot zelfkennis.

Nu de jaarfeesten.
We noemden Kerst als geboortefeest. Pasen als Opstandingsfeest, Johanni  als geboortefeest en Michaëli. We kunnen vanuit de andere jaarfeesten inzien hoe Michaëli ons oproept als mens om ook een opstanding door te maken; “Stirb und Werde”. We kunnen bij het naar binnen keren in deze tijd het gevaar lopen te verharden, innerlijk net zo te worden als het uiterlijke zaad in de wereld. We verliezen de zomerse beweeglijkheid en komen niet tot een in ons opgewekt enthou­siasme, tot een beleving van ons ik, onze persoonlijke kiemkracht waarmee we tot scheppers en herscheppers kunnen worden, niet slechts uiterlijk, doch ook in onze eigen ziel. Dit ge­vaar lopen we ook wanneer we Michaël te eenzijdig benaderen. Ik denk zelf bij Michaël altijd aan twee metalen: ijzer en koper. IJzer hangt samen met het zwaard dat Michaël draagt; het is symbool van strijd, van onverzettelijkheid en kracht. Het metaal hangt ook samen met de Marskrachten die bijvoor­beeld in het Romeinse Rijk zo sterk inwerkten. Het ijzeren zwaard kan ons juist doen vervallen tot verharding en egoïsme. Michaëls opgave vinden we slechts dan, wanneer we ook de ko­peren weegschaal in onze beleving betrekken; symbool van evenwicht, harmonie, in zekere zin ook genezing.
Wanneer we deze weegschaal op ons eigen zieleleven betrekken en zoeken naar een innerlijk evenwicht tussen denken en handelen, dan ont­staat ook genezing doordat ons voelen zich vult met kunst­zinnigheid. Met het koper hangt Mercurius** samen. We zien hier door de sterkende Michaëlskrachten heen de helende krachten van Rafaël stralen.

Krachtig en moedig trekken wij door de wereld, maar wij doden niet, ook niet de draak van de materialistische gezindheid, maar wij temmen, wij houden de dingen terug en scheppen een evenwicht, wij genezen ons zelf en de wereldordening door in onze ziel het beeld van Michaël en de draak in moed en har­monie, genezing;  in ijzer en koper  in zwaard en weegschaal te laten oplichten.

(Reyer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

*Rudolf Steiner ‘Weekspreuken‘.
Bij ‘Antrovista‘ staat iedere week de nieuwe spreuk

**De auteur gaat er niet verder op in; meestal wordt het koper in samenhang gezien met Venus.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

286-270

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (34)

.

DE KRACHTEN VAN MICHAËL

‘De krachten van Michaël kan de mens zich alleen verwerven, doordat hij met zijn van liefde doordrongen wil zichzelf omvormt tot een instrument voor de geestelijk -goddelijke krachten’.

(Rudolf Steiner)

Het is een warme en zonnige dag in de late zomer, de lucht is helder en de hemel toont zijn prachtige diepblauwe welving. Tussen het donkergroen geboomte liggen korenvelden; het milde geel van de halmen, die zich in de zachte wind heen en weer bewegen, zodat het lijkt alsof er golven doorheen stromen en het hele veld leeft, laat zien hoeveel zonlicht er is opgenomen, dat het koren rijp is en wacht op de mens die het oogst.

Hoeveel menselijke arbeid is er nodig geweest, dat het koren zo rijk tot wasdom kon komen en wat moet er nu nog allemaal door mensenhand gedaan worden om de vruchten der aarde te verwerken? Met verbazing en eerbied benaderen wij de intense rijkdom van de natuur. Overal roept zij ons op om haar veelvuldige kwaliteiten op te zoeken en de geheimen, die haar leven in zich draagt in iedere verschijning te ontdekken. Hier helpt kennis ons niet, hier moeten wij bewegen, ons hele organisme in beweging brengen, het willen in ons waarnemen brengen, onderduiken in de wereld buiten ons, proeven, ruiken, aanvoelen in het aanschouwen, zodat iedere verschijning iets uitspreekt van haar wezen en voor ons zichtbaar wordt als een gebaar van het leven en weven van het wereldwoord. Wat in dit waarnemen spiritueel beleefd kan worden is euritmie! Hetzelfde geldt voor iedere handeling, die de werkende mens verricht aan de aarde om in de natuur cultuur te laten ontstaan. Onze handelingen worden tot gebaren, die zich willen geven aan de aardeprocessen, gebaren, die door de aarde worden opgeroepen en die wij verrichten als dienst aan haar. Een handeling, die afgelezen is aan de levenskrachten in de natuur werkt opbouwend en cultuur scheppend. Een beweging, die de processen in de natuur navoltrekt wordt euritmisch. Als zodanig wordt werkelijk euritmisch bewegen arbeid aan de aarde.

Tussen ronde met mos begroeide granietrotsen staan enkele witte recht omhoog strevende slanke berkenbomen met hun in de wind wiegende bladerkroon die van binnenuit al goud wordt nu in de late zomer. De slanke, naar boven strevende takken geven het zonlicht de kans om tot op de aarde te schijnen dicht bij de stam. Aarde en hemel worden juist door deze boom, die zo oneindig veel water in de lucht afgeeft, met elkaar verbonden. De bladeren in de toppen zijn nog groen, zij zullen het laatst afvallen. De gouden bladeren stralen vanuit het binnenste van de kroon, het licht van de zomer wegschenkend. Het oog kan kwaliteiten proeven, zoals het frisse groen van het berkenblad, of het geel van de totale berkengestalte, dat straalt als licht. De omgeving van de berk heeft iets vrolijks, wat men als lichtrood kan ervaren. Het gebaar in zijn geheel is warm blozend, men voelt zich opgeheven en perifeer gehouden. Recht en strevend, maar heel levend, niet streng, verschijnt de boom; het oog tast en voelt een harde kwaliteit.

De nieuwe weg in de kunst is niet te vinden in het voelend dromen of het dromend vormen van de dingen.

Veeleer wil het het gebied van de ziele-geesteswereld met het gebied van het stoffelijk gevormde verbinden; zo een weg vormend voor de mens, die deze verbinding tot stand wil brengen en opnieuw op de fenomenen van de natuur afgaan. Het leven in de kunst als spirituele kracht kan eerst door het werken van de geest in de natuur, wetenschappelijk fenomenologisch ontdekt, de mensen weer enthousiast maken. Men moet weer kunnen ontdekken hoe de geest in de natuur levend werkzaam is, in de fenomenen het openbare geheim zien, want dat is de bron, die de kunst onmiddellijk waarneembaar wil maken. Het opvoeden van de zintuigen in het waarnemen van de wereld en het doorlichten van de innerlijke nacht zijn de twee zuilen, waar de weg op gebouwd is, die men kan gaan en die aan de tijdgeest gehoor geeft. Dat betekent scholing, voortdurend omwerken, bereid zijn alles weer opnieuw aan te pakken, ontwikkeling. Dat wederom vraagt beweging van de mens, van zijn gehele organisatie, van de wil, die vloeiend en beweeglijk wordt. De euritmische beweging werkt in directe zin aan het veranderen van de menselijke wezensdelen.

In het hart heeft de mens op aarde zijn houvast, daar leven wij tussen aarde en kosmos in ons spirituele zwaartepunt. Ons aardse bewustzijn houdt in het hart zijn evenwicht; wanneer wij te sterk in onszelf verkrampt raken, dan ervaren wij smart; verliezen wij ons te sterk, dan krijgen wij de neiging ons bewustzijn te verliezen. Onze aardse oriëntering in de ruimte hangt heel intiem met het hart samen. In een andere ‘ruimte’ en in een ander bewustzijn leven de gestorvenen, in de voor ons aardse bewustzijn aangrenzende wereld.

De kunst vormt de brug tussen materie en geest, de brug tussen het innerlijk beleven en het uiterlijk aanschouwen. De kunst wil het (uiterlijk) zintuiglijk waarneembare gespiritualiseerd laten verschijnen, en het innerlijk in de ziel waarneembare uiterlijk vormen zodat een levende gestalte kan verschijnen. In de euritmie beweegt de mens zo, dat het ziele-geesteswezen in de beweging verschijnt. Wij hebben dus in de euritmische bewegingen in de ruimte verbonden tijdskwaliteit, die doordrongen is van het geestes-zielewezen. Dat maakt euritmie tot een kunst, die de brug kan vormen tot de gestorvenen.

Rudolf Steiner noemt de euritmie als kunst een initiatie-impuls. In deze zin wordt dagelijks gewerkt aan de transsubstantiatie van het woord door de euritmie. Wij beschouwen het als onze opgave voor dit werk een omhulling te scheppen zowel materieel als ook spiritueel.

(W.BarFod in Mededelingen Avin, nr.10, 1982)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

285-269

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (33)

.

MICHAËLSTIJD  

Nu de zon het hoogtepunt van haar baan reeds voorbij is en de dagen korter en korter worden, is in de natuur de groei tot staan gekomen. Bloemen verwelken, bladeren beginnen geel te worden en te verdorren. We gaan ons voorbereiden op de komende winter. Kale bomen, dieren in winterslaap. Het land ligt koud en verlaten.

Dan komt het voorjaar. Het leven opent zich weer, de dieren komen weer terug, we zien broedende vogels en bloeiende bloemen. We kunnen er weer volop van genieten. Hierna volgt de volle warme zomer waarin alles zich vol kan ontplooien. Zo zeer dat het leven als het ware in de lucht hangt – boven de aarde zweeft. Dit weer gevolgd door zijn voltooiing. Rijpe vruchten, rijpe zaden, koren dat gemaaid wordt. Het leven wordt samengebald in deze vruchten en keert weer terug naar de aarde.
We denken daarbij aan vallend fruit in een boomgaard en aan het geritsel en geplof van eikels, kastanjes en beukennootjes in het bos. We zien het wonder van vrucht en zaad en in het zaad zit de kiem van het leven verborgen.
Herfst: grijze luchten, wilde winden en koude regenvlagen. Het in de zomer zo verwelkomde leven gaat ons weer verlaten. De mens blijft verlaten en eenzaam over.
Gelukkig staat aan het eind van september het beeld van Sint-Michaël. Sint-Michaël de dappere, verheven strijder tegen de draak. Hieruit kunnen we de moed putten om ons te wapenen tegen het najaar, de winter in te gaan, te durven.

Een voorjaarsregentje snuif je op, kun je lachend en blij tegemoet gaan.

Bij regenvlagen van het najaar steek je je handen in je zakken en bibber je soms van de kou. Je komt je warme huis in en geniet van de warmte.

Een beeld van een voor de hand liggende inkeer.
Ieder mens leeft met de keuze tussen goed en kwaad en
ook hier doemt juist in deze tijd de helpende Michaël op.
De blik gericht op de toekomst.

Kijken we in de toekomst dan kunnen wij onze blik richten
op het naderende kerstfeest.

.

(Madeline van Gilst, geen nadere gegevens)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

281-266

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (32)

.

HEMEL, HEL EN MICHAËL

Wanneer je iets koopt in een winkel, vraagt de verkoopster: ‘Is het voor een cadeautje?’ Als je dan ‘ja’ zegt, wordt het verkochte in een mooi papiertje verpakt en gaat er een lintje om of komt er een bloemetje op. Zeg je: ‘Nee, het is voor mïjzelf’, dan krijg je het in een grauw papier of in een reclamezakje. Men gaat er dus altijd vanuit dat een mens zichzelf nooit iets cadeau doet, dat voor een geschenk de verpakking belangrijk is, maar dat de verpakking van iets jouzelf niets kan schelen. We leven immers in een wegwerpmaatschappij! Je krijgt soms de indruk, dat de wereld voor het allergrootste deel uit verpakkingsmateriaal bestaat. En dat niet alleen in de letterlijke zin!
Wanneer je ‘ja’ kunt zeggen tegen het leven en het als een geschenk kunt zien, dan ziet het er heel anders uit dan wanneer je denkt dat het een zware last is of dat het alleen maar een aangelegenheid is voor jezelf. En, afgezien van de inhoud, dus afgezien van het leven zelf, is het voor een mens toch wel be­langrijk in wat voor uiterlijke vorm het hem wordt aangeboden. De uiterlijke vorm is nu nog meestal reclame en grauwheid. Het is maar een geluk, dat de natuur in de schoon­heid van zon en wolkenluchten, de kleurenpracht van haar bloemen en de uitbundige glans van haar groen ons haar leven anders schenkt. Is een sieraad in een roodfluwelen doosje niet beter aanvaardbaar dan in een onooglijk zakje?

Van ons innerlijke leven, het hele jaar door, zijn de jaarfeesten de uiterlijke verpakking. Natuurlijk is er een nauwe relatie tussen verpakking en inhoud. De ver­pakking moet verwachting wekken en de in­houd aantrekkelijker maken. Je zou deze vergelijking kunnen doortrekken tot in de fysica toe: Men ziet de ‘snelheid’ als een functie van ‘weg’ en ‘tijd’. De auto heeft bijvoorbeeld een snelheid van 120 km per uur. We schrijven: V(elocitas) (= snelheid)
120 : 60 = 2 : 1, dat is dus: 2 km per minuut. Maar dat teken, dat ‘is’, is in wezen
hele­maal niet juist. De snelheid is geen resultaat van de weg en de tijd. De snelheid is er. Wij gaan dat met ons verstand ontleden abstraheren uit wat er in werkelijkheid gebeurt: de ruimte en de tijd. Zonder het rijden van de auto waren tijd en ruimte op dat moment van geen belang. Maar dan was er ook geen snelheid. Snelheden (beter gezegd: de ver­schillen in snelheid) zijn iets reëels in de we­reld. Op zichzelf zijn ruimte en tijd dat niet. Het komt op de beweging aan en juist daar­door kan ik de snelheid zelf niet meten. De ruimte meet ik door landmeting of met een duimstok en de tijd met een horloge. Dank­zij die gegevens kan ik de snelheid bepalen en in cijfers uitdrukken. Als de auto zich niet voortbewoog had ik niets aan de kilome­terpaaltjes en mijn chronometer. Je zou dus kunnen zeggen dat de voortbeweging in een bepaalde snelheid de inhoud is, het cadeau, en dat ruimte en tijd de verpakking zijn. Even nauw als de af te leggen weg en de daar­voor benodigde tijd samenhangen met de snelheid van mijn auto, hangen de uiterlijke vieringen van de jaarfeesten samen met mijn innerlijke belevenis.
Nu is er wat betreft de jaarfeesten, waarvan Kerstmis en Sint – Jan, Pasen en het Michaëlsfeest de voornaamste zijn, evenzeer aan de buitenkant als aan de binnenkant, evenzeer in de uiterlijke viering als in de innerlijke belevenis ervan, een enor­me vervlakking opgetreden. Wat is de oorzaak? Men is niet meer in staat om dat wat geestelijk is, wat buiten het be­reik van de zintuigen ligt, als iets concreets te zien. Men houdt het goddelijke in de we­reld voor een abstractie en wat men met de hersenen uit de realiteit abstraheert houdt men voor iets concreets. Er is geen verband meer tussen binnen- en buitenkant.
De vruch­ten en de noten en de bonte herfstbladeren hebben bij de meeste mensen weinig te ma­ken met hun belevenis van de stervende natuur. Doordat de relatie tussen binnen- en buitenkant ontbreekt, kan men aan beide kanten nog maar heel weinig beleven, want de ene kant is vrijwel zinloos zonder de an­dere. En men zal nooit tot die belevenis kun­nen komen, als men niet ziet wat in de we­reld om ons heen werkelijk concreet is. Het komt er in wezen op aan, dat men bij­voorbeeld van Amsterdam in Utrecht komt, niet dat men 30 km in een kwartier aflegt. Wat heeft de mens eraan, dat hij alles afweet van pentatoniek en kwintenstemming, maar niet in staat is met kleuters één liedje te zin­gen? Zolang men het verband ziet tussen bin­nen en buiten, zal men het feit dat kleuters zingen en dat iemand van Amsterdam in Ut­recht komt, als een zuiver persoonlijke aan­gelegenheid beschouwen. Ook kan, zolang men dat verband niet beleeft, de tragiek, dat de aarde onder onze voeten wegsterft, nooit in samenhang worden gebracht met het feit, dat men haar alleen maar ziet als een bolletje materie, dat rondtolt in de ruimte.
En nu komt Michaël met de vraag: wie is eigenlijk die men die dat verband moet leg­gen en die altruïstisch van Amsterdam naar Utrecht moet komen en kleuters moet laten zingen en die het reële van het irreële moet leren scheiden? Michaël zegt: ‘Het is fijn dat het cadeau zo mooi verpakt is, maar voor wie is het eigenlijk bestemd?’ ‘Het gaat om de mens, die zich bewust moet worden, dat hij een bovenzinnelijk wezen is!’

Als in de natuur het leven zich begint te­rug te trekken, als het herfst is
gewor­den, dan ga je jezelf afvragen: ‘Wie ben ik? Wat doe ik hier? Waar ga ik heen?’ Als antwoord houden de kerken ons voor, dat we op aarde zijn om God te dienen en daar­door in de hemel komen. Of, dat we moeten kiezen tussen God en de duivel, tussen hemel en hel, tussen leven en dood. Dan wordt ons geleerd, dat de ziel gered moet worden, als het lichaam sterft. Maar welk geloof kan ons leren, hoe de ziel met het lichaam samen­hangt en hoe zij daarin werkt? En welke we­tenschap laat ons, door de materie heen, het bovenzinnelijke zien? Wie is het die de strijd moet voeren tussen weten en geloof, tussen egoïsme en altruïsme, tussen goed en kwaad? Het is niet waar, dat de mens moet kiezen tussen goed of kwaad, hemel of hel, geloven of weten. Hij moet wetend geloven en gelovig weten. Hij moet leven tussen hemel en hel. Wie kan er voor 100 procent iets goed doen? Wie is ervoor 100 procent fout? Het gaat om de middenweg. Een weg midden-tussen-door kun je alleen maar zelf gaan. Want vroeger werd van buitenaf, door de kerken, door morele wetten, door tradities enzo­voort, aan de mens aangegeven wat goed en wat verkeerd was. Nu is de mens helemaal op zichzelf aangewezen. Het is een moeilijke weg. Maar doordat de mens nu in staat wordt gesteld zelf te bepalen wat goed en wat kwaad is, komt hij tot zelfbewustzijn. Zowel de wanorde als de orde, zowel de onregelmatig­heden als de regelmaat komen op hem af. Wie stelt orde op eigen zaken? Wie brengt regelmaat in eigen leven? Orde en regelmaat bestaan hierin, dat het werkelijke ik van de mens, dat een geestelijk wezen is, zich ont­wikkelt in harmonie met de geestelijke we­reld, dit is de wereld die buiten het bereik van de zintuigen ligt.

Michaël betekent: ‘Wie is als God?’ Het ant­woord op deze vraag kan alleen de mens ge­ven: ‘Dat ben ik!’ Michaël wijst ons op wat de mens in wezen is. Niet zijn lichaam – dat hééft hij. Niet zijn ‘persona’ – dat is zijn ‘masker’. Niet z’n manieren en vele menin­gen – die zijn hem door opvoeding en milieu bijgebracht. Niet zijn ‘ikke, ikke’ – dat is z’n schaduw. Wat brengt de mens tot dat zelfbe­wustzijn? Dat wat ik alleen maar tegen mij­zelf zeggen kan: ‘ik!’

In deze tijd beleven wij duidelijk twee polen, twee extremen:
1: weg met de materie! Vlucht weg van de aarde! Die biedt alleen maar angst en ellende. Een hel. En hoeveel middelen zijn er tegenwoordig niet om die te ontvluchten? Maar die vlucht is ook een vlucht uit zijn eigen zélf, omdat dan iets anders de mens meevoert.
2: Geen hemel! Een geestelijke wereld bestaat niet of zal voor de mens nooit kenbaar worden! Zelf­zucht, geldzucht, machtstrijd enzovoort, zijn het gevolg. Ook in dat geval is de mens zijn werkelijke zélf vergeten. De evolutie van de mensheid is nu zo ver, dat het werkelijke wezen van de mens ontwaakt. Daarom is het Michaëlsfeest een nieuw feest, een feest voor deze tijd. Een herfstfeest. Wij zien dat milieu en maatschappij neigen naar een herfstige ondergang. Hoe stellen wij ons daar tegenover op? Met Michaëls zwaard.

Het zwaard helpt en beschut. Het kan echter ook verwonden en doden. Maar in de hand van een eerlijk strijder is het in alle sprookjes en in alle mythologieën: de geweldige kracht van zélf te zijn!

Michaël houdt ons de weegschaal voor. Op de ene schaal ons denken, ons hoofd en op de andere ons gevoel, ons hart. Wij moeten nu voor ons zelf gaan afwegen en leren den­ken met ons hart en leren voelen met ons hoofd. Wij moeten trachten evenwicht te brengen tussen ‘koppie, koppie’ en ‘ik voel het zo, dus het is goed’. Wij moeten leren doen, zélf doen! Maar gebeurt het dat de weegschaal zelf wordt weggehaald en de twee schalen naast elkaar gezet. Dan valt er niets meer te wegen. Men kijkt naar de bin­nenkant en de buitenkant, maar vergeet dat, waar het de buiten- en binnenkant van is. Op het gebied van de materie kiest de ene mens voor dit, de andere voor dat: zeer per­soonlijk. Zoveel harten, zoveel zinnen. Op het gebied van het hoofd heerst de abstractie, van de wiskunde. Op dat gebied zijn we het allen samen eens. Zeer onpersoonlijk. De weg die daar tussenin ligt is de weg die Mi­chaël ons wijst en die ons steeds dichter brengt bij de werkelijkheid van ons zelf. En evenals alle andere feesten is ook het Michaëlsfeest een Christusfeest. Want Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Wij moe­ten proberen waar te zijn tegenover anderen maar ook tegenover ons zelf. Dat is een le­vensweg voor ieder persoonlijk, die ieder gaat op zijn eigen, nieuwe wijze en die toch alle mensen verbindt in één groot streven. Het lichaam beweegt zich langs een weg in de ruimte. De ziel leeft en baant zich een weg in de tijd. De geest van de mens gaat met Christus voort in zijn eigen tempo: de snelheid der eeuwigheid. Dat steeds meer te gaan beseffen is het feestcadeau van Michaël.

(Henk Sweers, Jonas, nr.3, 28-09-1984)
 .

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

280-265

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (31)

.

MICHAËL

Feestvieren is voor buitenstaanders vaak een kenmerk van de vrijescholen, het feesten-kunnen-vieren. Wanneer het “lukt”, zit dat niet in de grondige voorbereiding, en ook vaak niet in een perfect geregelde organisatie, maar er is iets waardoor er het besef van ‘feest’ bij de kinderen ontstaat. Het feesten vieren is ook een opdracht die Rudolf Steiner aan de vrijescholen meegegeven heeft, omdat het momenten in een jeugd kunnen zijn, waar je in een later leven krachten uit kan blijven putten. Dat realise­ren we ons te weinig – de scholen, maar ook de gezinnen – wat een kracht in de kinderziel geplant kan worden door het gemeenschappelijk bewust wil­len vieren van de jaarfeesten.

Bij dat feestvieren wordt er iets vast gelegd (Duits: Fest), de stromende tijdsmomenten van het jaar worden geordend en vastgeklonken aan het ritme van de seizoenen, aan het leven van de aarde. Novalis heeft eens geschre­ven “jedes festlegen verarmt”, een diep waar woord, dat ons niet alleen bij de discussies over het voor en tegen van de vaste paasdatum voor ogen kan staan. Het michaëlsfeest is echter dat feest dat van nature het minst gevaar loopt “vastgelegd” en dus “verarmd” te worden. Er is geen bepaald moment dat “herdacht” kan worden, niet de overwinning op de draak, die immers naar de aardesfeer is verwezen. Er valt de 29e september aan niets terug te denken, alleen vooruit moet men denken. Hoe moeilijk dat is en hoe onbekend wij volwassenen ook met de inhouden van zo’n soort ‘toekomst-feest’ nog zijn, de kinderen blijken hier onze ware helpers. Wanneer het “help ons hier strijden’ klinkt, krachtig en zuiver gezongen, dan tovert de ernst maar ook de zekerheid van de overwinning, de vreugde reeds op hun gezichten.

Een oude Russische legende verhaalt dat toen de schepper de mens geschapen had en er voor hem die uit goddelijke volmacht, zelf nog zonder naam, alle schepselen op aarde een naam zou geven, God de vier aartsengelen Michaël, Gabriël, Raphaël en Uriël riep en hen uitzond naar de vier rijken der we­reld om de naam te zoeken. Van vier sterren vandaan droegen de engelen de heilige letters aan. En God beval de aartsengel Michaël de naam van de mens uit te spreken. Uit hoge geestesmacht noemde Michaël als de stem van God, de naam van de mens: Adam. Zo kreeg de mens door Michaël zijn naam, zijn roeping en zijn bestemming.

Michaël spreekt de naam uit zoals de mens is, bestemd is en dus eens weer zal zijn,  en behoedt dit ongeschonden beeld van de nog niet “gevallen” mens.

En wanneer wij met de woorden van Vondel zingen:

“help ons hier strijden, wil ons bevrijden

dan roepen wij Michaël aan als de eigenlijke bevrijder van het oerbeeld dat elke mens verborgen in zich draagt; dat te bevrijden van drakenmachten is onze taak! En wanneer wij ons voornemen daartoe de wapens op te nemen, dan kan Michaél ons in deze tijd in dit voornemen sterken. Alleen wanneer wij daar zelf aan werken kan deze grotere toekomst-mens geboren worden.

Twee beelden mogen deze verandering die de mens door oefening aan zich­zelf kan bewerken, verduidelijken.

In Vézelay, een klein stadje in Noord Frankrijk, staan op de latei onder het tympaan van de S.-Madeleine de volkeren der aarde in steen afgebeeld. Uiterst rechts het volk ‘met de grote oren’ (groter dan hun hoofden!), d.w.z. dat volk dat door de oefening, de scholing van het gehoorszintuig tot waarneming van het spirituele is gekomen,  dat het waarnemen van de sferenharmonie na de zondeval heeft “terug veroverd”. Dat zijn de mensen die zich in hun daden stalen aan het wapengekletter waarmee de
Michaëlstrijders hun hemelse daden begeleiden en dat voor deze “helderhorenden” opnieuw waarneembaar is geworden. Zo vraagt de zintuigmens er om te worden omgewerkt.

Het andere beeld is uit de Germaanse mythologie. Daar is het Freyr, een uit het oude geslacht der Wanen, die een schip bezit, Skidbladnir genaamd, een wonderlijk vaartuig, dat, wanneer alle zeilen zo klein mogelijk worden opgevouwen, in een noot kan worden opgeborgen, maar wanneer zijn zeilen uitstaan is het even groot als alle ruimten in de wereld.
Waarom de noot? De noot is het beeld van het menselijk hoofd, daarin opgeborgen ligt het menselijke, hersengebonden denken, samengevouwen en klein. Maar wanneer het geoefend wordt, kan het daaruit bevrijd worden, want het bezit de op­dracht werelden te omspannen. Wanneer dit kleine, menselijke denken zich openstelt voor gedachten die van een geestelijke realiteit zijn doortrok­ken, dan oefent het zich, dan openen zich de zeilen en wachten slechts op elke zucht van de wind.

Zo vraagt ook het denken van de mens erom te worden omgewerkt, om los te geraken van hetgeen vast, vertrouwd en versleten is. Michaël impulseert de mens tot daden, maar vooral tot de daad aan zichzelf.
.

Magchiel Matthijsen, vrijeschool Zeist, 01-09-1975)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

279-264

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (30)

.

MICHAËL

Als de zomer op z’n einde loopt en de planten zich terugtrekken op vruchten en zaden, dan worden wij mensen actief: kinderen gaan weer naar school. Het programma van de volksuniversiteit valt in de bus. Allerlei cursussen
be­ginnen en hebben aan belangstelling geen gebrek.
Als in de zomer de bijen af en aan vliegen in de hete zon, bak­ken wij bruin of zitten rustig in de schaduw. We nemen de zomer in ons op. In de herfst lijkt het of we de zomer mee naar binnen genomen hebben en haar energie omzetten in daden.
Niet alle mensen houden de zomer zo vast. Er zijn er ook die wat met de bladeren mee sterven. Ze worden triest als het weer buiten en werklust is hun vreemd. Maar ook mensen die de zomerkrachten wel in zich voelen, merken dat bij de verwezenlijking van hun initia­tieven ook hun beperkingen zich doen gelden. Beginnen is niet zo moeilijk, volhouden wel. Als iets dan even niet wil is de verleiding groot je aan te sluiten bij het moedeloze weer buiten.

In deze tijd vieren we op de vrijescholen het feest van de aartsengel Michaël. Michaël verslaat de draak, zo staat in Openbaringen. De attributen van Michaël zijn het zwaard en de weegschaal. Ogenschijnlijk twee tegengestelde werktuigen. Een zwaard hanteer je anders dan een weegschaal.
Het zwaard als een wapen tegen bedreigingen die van buiten komen. Het vereist een slagvaardige hand. Een weegschaal moet in rust gehanteerd worden. Het zwaard staat voor strijd. De weegschaal staat voor evenwichtig­heid. Pas als de schalen in evenwicht zijn, vervalt de weegschaal zijn functie.

Als we nu eens het zwaard hanteren om onszelf te overwinnen, bereiken we dan geen prachtig evenwicht? Let wel dat is een zware strijd. We zijn helemaal vrij om hem niet aan te gaan. Het Michaëlsfeest is het feest van de moed. Moed hebben we nodig om de zomer in ons vast te houden. Moed om tegen de draken van onze innerlijke belemmeringen te vechten. Michaël werkt mee als we die strijd aangaan.

Jaarfeesten hebben oeroude wortels, zo ook het Michaëlsfeest op 29
september. Sommige van die wortels komen nog aan het daglicht. Het was vroeger een oogstfeest. Kermis is ook afkom­stig van oogstfeesten. Op kermisdag in Aalst werd een stropop, die Machielken heette op een baar gelegd en op de markt begraven. Machielken is een volksnaam voor St.-Michaël. Het gebruik voert terug op oude in­wijdingsriten bij de Germanen. Inwijding in het mysterie van Wodan, die zowel de god van de dood als de vruchtbaarheid was. De Germanen ge­loofden dat de vruchtbaarheid uit de dood voortkwam.

Michaël betekent: Wie is als God? De naam als een vraag. Het boek Genesis verhaalt dat God de mens schiep naar zijn beeld. Christus zei tegen zijn discipelen: “Gij zijt Goden”.

Er zijn echter draken die ons dwars zitten.

Laten we ze moedig bestrijden.

.

(Ad Tiemens, Tobiasschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

278-273

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (29)

.

MICHAËL IN DE KLEUTERKLAS

De zomer neemt weer afscheid van ons.  s Avonds wordt het al vroeg donker, de vogels trekken weg, de dagen worden kouder. De zon heeft gedurende de zomer al haar warmte geschonken aan het koren, de vruchten en alles wat in de herfst op aarde rijpt zodat wij in de winter kunnen profiteren van wat de zomer ons gaf. De aarde heeft in de herfst alle zonnekracht in zich opgenomen.

Overal wordt het graan binnengehaald, vruchten geoogst, kortom, wij maken ons klaar voor de winter zodat we kou en donker kunnen doorstaan. In ons rijpt in deze tijd van het jaar vaak het plan om iets nieuws te gaan doen waar we ons gedurende de winter aan kunnen wijden. Er is veel moed nodig om de donkere tijd tegemoet te gaan en datgene te volbrengen wat we ons voornamen.

In de kleuterklas beginnen we al weken voor het Michaëlsfeest, dat op 29 september gevierd wordt, met de voorbereidingen. Op de jaargetijdentafel
staat een grote bos koren. Soms nemen de kinderen dingen mee die ze gevonden hebben, een takje hei, een grote zonnebloem, een mandje kastanjes. Kleuters zijn nog helemaal open voor alles wat er vanuit hun omgeving naar hen toekomt.
Ze willen zich graag met de aarde verbinden en rapen daarom alles wat ze in het bos of park vinden op.

Elke dag beginnen we met het spel van de boer die het koren oogst en naar de molenaar brengt om het tot meel te maken zodat de bakker het brood kan bakken. Alle bewegingen worden met overgave meegedaan. Onder het vrije spel naaien we zakjes om het graan in te doen dat de boer zo ijverig voor ons gemaaid heeft. De grote kleuters kunnen hierbij al helpen. Heerlijk is het om met een korenmolentje zelf het graan te mogen malen en later voor het Michaëlsfeest brood te bakken in de klas. Ook worden er veel Michaëlsliedjes gezongen.

O Michaël, Michaël hoor ons aan
en laat ons met u medegaan
door ‘t  donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.

O Michaël Michaël ga vooraan.
Wij moeten allen mede gaan
door ’t donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.

Op de dag van het feest komen de kleuters vol verwachting in de klas. ‘Juffie, vandaag gaan we feestvieren!’

De jaargetijdentafel staat vol van alles wat geoogst is: noten, druiven, eikels, kastanjes. De boer met paard en een wagen vol graan. Ook het appel­vrouwtje is gekomen en heeft een mand vol rode sterappels meegebracht. De dag wordt geopend met een mooi Michaëlslied, maar ook de naam ‘Michaël’ alléén kan al voldoende zijn wanneer het met de juiste gezindheid uitgesproken wordt. Dan doen we samen een klein spel voor het Appelvrouwtje.

Appeltjes, appeltjes, glanzend en rond
rollen en tuimelen over de grond.
Rol niet te ver en verscholen in ‘t groen
wil ik je rapen, in ’t mandje weer doen.
Eet ik je later zo glanzend en rond.
Van appeltjes, appeltjes word ik gezond.
Tijdens het vrije spel zijn er altijd een paar kinderen die juffie willen helpen de tafel versieren met takken, gekleurde bladeren en bloemen. De zelf versierde kaarsen zorgen voor een feestelijk licht en ontbreken niet. Wanneer iedereen aan tafel zit, deelt het appelvrouwtje haar appels rond. Met een plukje schapenwol poetsen de kinderen ze prachtig glimmend en rood tot ze er zelf rode wangen van krijgen. Iedere appel krijgt een rood doekje om en wordt zo omgetoverd in een appelvrouwtje.

Het is goed als een feest gezamenlijk gevierd kan worden. Na het eten komen dan ook de kinderen uit de andere klas op bezoek om samen naar een poppen­spel te kijken. Er heerst een aandachtige stemming en de kinderen worden vanzelf stil als de dappere ridder Sint-Joris verschijnt. Hij beklimt de hoge berg waar een boze draak woont die het prinsesje wil verslinden. Bovenop de berg ontvangt Sint-Joris van de aartsengel Michaël het sterrenzwaard waarmee hij de draak verslaat. Zo redt hij het prinsesje en kan met haar trouwen.

Met het beeld van de draak moeten we in de kleuterklas nog erg voorzichtig zijn. Voor de kleuter is de wereld GOED en dat moeten we in alles wat we doen naar voren laten komen zodat dit in het verdere leven zijn vruchten kan afwerpen. Iets anders is het wanneer het kind dit beeld van de draak en Michaël, die hem verslaat, in de vorm van een poppenspel een keer per jaar ziet in een eerbiedig feestelijke stemming. Het is niet de bedoeling dat de kleuters zelf draak gaan spelen, ook niet in de poppenkast, waar ze zelf zo helemaal in de rol kruipen.

We besluiten de ochtend met een wandeling door het bos waar de kinderen van alles verzamelen in hun mandjes. In de komende tijd maken we van alles wat we gevonden hebben iets moois, we vormen het om, we gaan ermee aan ’t werk, zodat het vrucht kan dragen voor de omgeving.

Gesterkt door alles wat de zomer ons geschonken heeft kunnen we moed en kracht vinden om de koude winter tegemoet te gaan, de duisternis te overwinnen en zo de heilige Kersttijd tegemoet te gaan waarin we het Kerstkind kunnen ontvangen.

Wanneer de kinderen met rode wangen en schitterende ogen tevreden en vol vreugde naar huis gaan met hun appelvrouwtje en zakje meel, waarvan thuis een koek of brood gebakken moet worden, weten we dat het een goed feest geweest is.

(C. de Pree, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

279-262

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (28)

.

WAT IS EEN MICHAËLSFEEST?

Is dat een vreemde vraag? Neen, zeker niet. Sommigen blijven het antwoord schuldig, anderen weten het heel zeker. Toch kan men zich afvragen of de vraag goed gesteld is. Een Michaëlsfeest ‘is’ niet, hoogstens ‘wordt’ het. Ieder jaar is het anders, wordt het anders. Het Michaëlsfeest kan men in Nederland ongebruikelijk noemen. Een feest van de toekomst is het wel, het heeft nog alle mogelijkheden. Ieder jaar moet men zich inspannen om er vorm aan te geven.

Het jaarverloop speelt zich af in drie grote feesten. Stelt men het jaar als een kring voor, dan liggen het Sint-Jansvuur en de Kerstster recht tegenover elkaar, is Sint-Jan boven-midden, dan is Kerstmis onder-midden. Er is een tweede hoofdlijn, die staat dan niet vertikaal maar horizontaal. Rechts ligt Pasen in het midden van de boog. Daar tegenover ligt de herfsttijd. En daar behoort het vierde feest, het herfstfeest. Dat is tevens het Michaëlsfeest.

Waarom is Michaël in de herfst van de jaarkring? Sint-Michaël? Nu, eigenlijk is Michaël helemaal geen gewone heilige. Hij is een aartsengel. Een boeren-aartsengel, want hij bevordert de goede oogst en hij is verbonden met het werk dat tot een oogst leidt. Op allerlei gebied. Bij voorbeeld op het gebied van de moraliteit. Michaël wordt vaak met een weegschaal voorgesteld, waarin de mensenzielen worden gewogen. En tegen de tijd, dat men alle gestorvenen op Allerzielen gedenken gaat, is ook het beeld van de aartsengel met de weegschaal present. Zo blijkt dit alles uit de rijke Middeleeuwse traditie. In Zuid-Europa komt Michaël als het ware uit de lucht vallen. Legenden spreken over zijn verschijnen op de Monte Gargano aan de Adriatische zee.
Plotseling komt er een sprong van de Michaëlverering naar Normandië, waar een onbekend rotseiland in weinige jaren tot een befaamd centrum van zo’n verering wordt. De Mont Saint-Michel is nog steeds een grote bezienswaardigheid en zo een trekpleister voor toeristen, helaas ook wel een beetje vercommercialiseerd en verloederd. Minder bekend is de Michaëlsberg aan de overkant van het Kanaal in Engeland, waar men zo waar een “Michelmas”feest kent en wel op 29 september, de aan Michaël ook in West-Europa gewijde dag. De Michaëlsdag valt in de tijd waarin dag- en-nacht­evening juist heeft plaatsgevonden, een weegschaalevenement. Overigens is de Mont Saint-Michel met zijn prachtige gotiek een indrukwekkend monument in de woeste ritmiek van eb en vloed aan de Normandische kust. Soms is het weegschaalmoment daar ook sterk beleefbaar. Men moet er wel rustig de tijd voor nemen. Bij bestudering van de wezenlijke trekken van Michaël blijkt uit vele legenden, dat deze aartsengel wiens naam “aangezicht van God” betekent,  ook een speciale opdracht in de wereld heeft met betrekking tot de bestrijding van het kwaad. Wel, het kwaad is overal, dat weten we, maar het is ook een zeer vaag en ab­stract begrip. Is het kwaad absoluut kwaad? Men is sterk geneigd om het “kwaad”- voor de een als een “goed” voor de ander voor te stellen. Daardoor kan het kwaad ook zo enorm gedijen in een onverschillige of sceptische omgeving.

In de Middeleeuwse legenden bestrijdt Michaël met een lichtend zwaard de boze krachten van duisternis, valsheid, oneerlijkheid en geweld. De strijd wordt geleverd tegen een wezen, dat wel het Boze in absolute zin representeert: een monsterlijke Draak of een Duvel.
Die Duvel kan twee aspecten vertonen, de verleidende, hoog­moedige kracht van de Duvel uit het Paradijsverhaal of het ijs­koude, leugenachtige van de Vorst der Duisternis uit de Perzische mythologie.

Michaël is echter veel ouder dan de Middeleeuwen. De bekende plaats in de Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament, is opgeschreven door een man die de Christus nog in zijn jeugd had gekend. En duikt men verder in de Oudheid dan blijkt, dat het thema van het Boze overal in de grote cul­turen van de mensheid te vinden is. Alleen draagt de grote bestrijder van het Boze niet altijd de naam Michaël, die typisch voor het Hebreeuws-Joods-Christelijk taalgebied is. Men komt in de oude Hindoe-overleveringen een machtige Indra tegen, die gezeten op zijn Wolkenolifant de vurige Wadjra (een soort bliksemknots) naar de vreselijke Draak van van de Droogte slingert en zo de mensheid redt.
In de Perzische cultuur is Angramanyoes, de “Erge Boze” die geheel de schepping van de Lichtgoden trachtte te bederven door de aarde woest, de planten giftig, de dieren woest en giftig te maken en de mensenziel te verpesten met bedrog, heerszucht en gewelddadigheid. De schone en heilige Mithra neemt de strijd ter hand.
Overigens riep ook de Lichtgod Ahoera Mazdao de mens door middel van zijn profeet Zarathustra op om medestrijder tegen het Boze te worden, de aarde te beploegen, wilde dieren te temmen, planten te kweken en de ziel te zuiveren door korte, maar vaak herhaalde gebeden.
De keuze is groot! Van de boosaardige krachten die door een licht en de engelfiguur worden bestreden, is ook iets te vinden in Babylonië. Ja, daar is een mythologie van goddelijke en hiërar­chisch geordende wezens. Deze wezens staan voor de taak om een nieuwe wereld te scheppen. Dit wordt onmogelijk gemaakt door de monsterlijke kracht van Tiamât, een soort oermoeder der Duis­ternis, die oorspronkelijk een goede en heilzame moeder was, maar geleidelijk een monster werd, die iedere vernieuwer opat of vervolgde met een duistere stoet van demonen. Geen van de goden, ook niet de “beroemde Drie”, Anoe (hemel­vader), Enlil (de luchtgod) en Ea (watergod). Geen van de oudere goden kan Tiamât bestrijden. De slimme Ea echter tracteert de goden op een maaltijd met goede spijs en drank – met rietjes -. Hij schuift zijn zoon Mardoek naar voren, tussen de vrolijke en elkaar kussende goden. Mardoek durft wel. Hij wenst dan verder de leiding van de goden op zich te nemen. De goden stemmen toe. In het Babylonische scheppingsepos “Enoema Elish” wordt dit alles beschreven.

Mardoek, de Babylonische Michaël, trekt tegen Tiamât op met knots, bliksemschichten, pijl en boog en een “net” vol winden.

De woedende wind, die hem volgde,
liet hij los in haar gezicht,
toen Tiamât haar reuzenmuil
open deed om hem te verzwelgen!
Hij dreef de woedende wind naar binnen;
zij kon haar muil niet meer sluiten
en de woeste wind beukte haar buik.
Haar lijf werd verlamd en haar muil hing open.
Hij schoot een pijl, die haar openscheurde,
snijdend door het ingewand, splijtend haar hart.
Zo bedwong hij Tiamât, bluste uit haar leven.
Staande op haar lijf verpletterde hij de schedel.
Toen spleet hij haar als een oester in tweeën.
Eén helft maakte hij boven tot de Hemel,
en van de andere maakte hij de Aarde .. .”

De Babyloniërs zijn niet zachtzinnig in hun poëzie, maar het gebeuren is duidelijk “Michaëlisch”: een lichtende macht van boven doodt een duister geheel beneden en geeft de stoot tot verdere ontwikkeling.

Ingevoegd uit ander artikel van P.C.Veltman

Mardoek, de Babylonische Michaël, in de strijd met Tiamât) naar een Babylonisch reliëf)

uit het Enuma Elish (de schepping van de wereld)

Toen Tiamât haar muil opensperde
om de god te verzwelgen, dreef hij de woedende wind die hem volgde
en liet hem los midden in haar gezicht,
dreef de woeste wind naar binnen.
Zij kan haar muil niet meer sluiten!’…..

Michael bordtek 6Interessant is het gegeven, ook bekend uit andere mythologieën, dat het Boze oorspronkelijk iets goeds is, dat “zijn tijd gehad heeft” en dan later tot iets kwaads wordt.

Was Lucifer ook geen machtige engel voordat hij neerstortte?

Ook in de geschiedenis zijn gebeurtenissen bekend, die een sterk Michaëlisch karakter dragen. Het zijn gebeurtenissen die, verstandelijk bekeken, tot de onmogelijkheden behoor­den en dus “ongeschied” hadden moeten zijn. Eén zo’n ge­beurtenis – het is vandaag* 20 september en het is ruim 2466 jaren geleden – was de overwinning van een klein Grieks volk op een Perzisch miljoenenleger, dat Europa was binnen­gevallen. De slag ter zee bij Salamis dwong de machtige koning Xerxes tot de aftocht.

Er is een geval van een Frans boerenmeisje, dat een leger aanvoerde, een Engels leger uit Frankrijk verdreef en een kroonprins tot koning liet kronen. Dit geval is ruim vijf en een halve eeuw geleden. Er is er nog een, dicht bij huis, uit 1574 in Leiden. Wie de feiten rustig bestudeert, kan verbaasd zijn over een Michaëlisch gebeuren in eigen huis. Genoeg hierover.

Het spreekt vanzelf, dat de strijd tegen de draak voor de moderne mens een verinnerlijkt, dus ander karakter dient te dragen.

Daarover zou veel te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Het is de grote verdienste van Rudolf Steiner, dat hij voor de moderne mens het wezenlijke van het Michaëlgebeuren weer toegankelijk heeft gemaakt. Het opnieuw vorm geven aan een Michaëlfeest zou een belangrijke nieuwe cultuurimpuls kunnen zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens ontbreken)

,

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

276-261

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (27)

.

HET MICHAËLSFEEST

Wat valt er nou eigenlijk te vieren eind september? De tuin is lang niet meer zo mooi als een paar maanden geleden. De tijd van verwelken, afvallen, verdorren komt eraan. Een hoop rotzooi op de grond die je moet opruimen. En dan blijft het kaal over. Nog even en de herfststormen zorgen voor een verdere ontluistering; het gaat regenen, het wordt koud en mistig: het slechte jaargetijde komt eraan. Ja ja, en dan zijn er wel de vruchten, die de zaak wat op kunnen fleuren, maar die betekenen dan toch maar mooi het einde van de zomer en voorraad voor de magere maanden. Wat valt er nou te vieren?

In het voorjaar, daar valt er wat te genieten. En in de zomer. Dan kan er zo’n vredige, volle stemming komen, als de warmte van buiten je omspoelt en draagt, als de planten en bomen hun wezen aan je tonen en je tegemoet geuren. Het frisse voorjaarsgroen van de meidoorn, wat kon je daarvan genieten! Daarin kan je helemaal meegaan. Dan is het in de natuur voortdurend een beetje feest en je kunt het gemakkelijk meevieren.

Merkt u hoe wonderlijk dat eigenlijk is? Meeleven met de natuur, dat is toch goed? Ook voor de kinderen, verantwoord, antroposofisch misschien wel? In het voorjaar en de zomer is dat goed: meeleven met de natuur: het stemt je blij, het geeft je ruimte.

Als we dat voortzetten in de herfst, merken we snel, dat dat niet goed voor ons is, ook niet voor onze kinderen. We worden er somber van en prikkelbaar, als de bladeren vallen.

Om die stemming te overwinnen, is kracht nodig. Michaël helpt ons een handje, als we ’t willen proberen. Hij gaat over dit jaargetijde en maakt in de natuur duidelijk waar het om gaat.

Waar gaat het dan om, waar halen we die kracht vandaan om niet mee te verwelken met de natuur.

Laten we eens naar de bomen kijken. In de loop van het voorjaar en de zomer hebben ze bladeren gekregen. Groene bladeren, in het begin licht en gevarieerd, later donkerder en meer gewoon groen. Soort voor soort (de krentenboompjes zijn al druk bezig, de berken beginnen) verkleuren de bladeren. Iedere soort is te herkennen aan zijn kleur. Na verloop van tijd vallen ze op de grond, worden bruin, gelijkvormig opgenomen in de bodem. Klaar als een klont! Hoe komen de blaadjes eigenlijk bovenaan de boom, zodat ze later naar beneden kunnen vallen?

Wat gebeurt er eigenlijk met het groen, met de andere prachtige kleuren en tinten? Hoe gaat dat eigenlijk: opgenomen worden in de bodem? Als we houtskool roodgloeiend zien verdwijnen in het vuur, weten we wat er vrijkomt, als het hout verdwijnt. Warmte immers.

Wat zou er vrij komen als de bladeren hun groen verliezen, verkleuren,
hun kleur verliezen, afvallen, vergaan. Dat zou je eens moeten kunnen zien, vindt u niet? Een machtig schouwspel!

Zoals de plant, de boom zich in de zomer verbindt met zijn bladeren, zich openbaart in de bloem, zo laat de plant weer los uit de bladeren, uit de bloem, als hij verwelkt, verkleurt, vergaat. We zien dan het wezenlijke niet meer.      

In het voorjaar, in de zomer heerst verbinding. Daar kunnen en mogen wij ons ook gerust verbinden met de natuur. In het najaar zet de ontbinding in, de scheiding, de differentiatie. Daar moeten we ons niet mee verbinden, daar mogen we vol nieuwsgierige verbazing tegenover staan. Dan zult u merken: dat geeft kracht, de moed van Michaël.
(E.P.Schoorel, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

275-260

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (26)

.

MICHAËL

Op het punt in het midden van de gang van de zon van haar hoogste naar haar laagste punt – het begin van de herfst – staat het Sint-Michaëlsfeest.

In de natuur is de groei tot staan gekomen, zelfs teruggang is reeds te bemerken, bloemen zijn uitgebloeid, bladeren beginnen te kleuren en te verdorren. Duidelijk is te merken dat met het terugtrekken van de zon de groeikrachten de aarde gaan verlaten. De planten trekken hun krachten terug in verborgen delen, veel dieren verdwijnen zoals vlinders en vogels.
De natuur wordt stil en komt tot rust. Het noordelijk deel van de aarde hult zich in nevelen en wolken.

Maar tussen dit alles dat naar verval en afsterven gaat, zien we het wonder van vrucht en zaad.
In het zaad weten we verborgen de kiem van het leven. Het is niet alleen een verwelken, verdorren, een afsterven dat er in de herfst geschiedt, het is een samentrekken, een verinnerlijken van alles wat het leven betreft.

Ook de mens maakt deze verandering mee, zowel in de kringloop van het jaar als in zijn levensloop.

In het voorjaar tot de late zomer wordt de mens gedragen door de uiterlijke natuur. Wanneer de herfst aanbreekt laat de natuur de mens alleen. De mens moet de ommekeer van buiten naar binnen doormaken.

Bladeren vallen zonlicht daalt
korter zijn de dagen.
Donker wordt het om ons heen
ik wil mijn licht nu dragen.

Bladeren vallen zonlicht daalt
loos de stormen loeien.
Donker wordt het om ons heen
maar mijn licht zal groeien.

Bladeren vallen zonlicht daalt
grijze nevels zweven.
Donker wordt het om ons heen
ik wil mijn licht U geven.

Een christelijk herfstfeest in de naam van Michaël kunnen wij alleen dan werkelijk vieren wanneer wij belijden dat er een nieuwe wereldbeschouwing daagt, die het ook de helder denkende moderne mens weer mogelijk maakt overtuigd te zijn van het bestaan van de werkelijkheid en werkzaamheid van engelen en aartsengelen.

De aartsengel Michaël toont ons de ene keer de weegschaal voor het zoeken naar evenwicht en de andere keer het zwaard van de strijd.

(Sarie Kodde Dingemans, nadere gegevens onbekend)

Gedicht:

HERFSTDRADEN

Nu leven er
nu beven er
aan takken en aan bladen
in ’t zwartgeworden najaarshout
in ’t vlammend-gele najaarsgoud
de lange zilverdraden.

Ze waaien en
ze zwaaien en
ze zijn van ’t licht doorblonken.
Er schuiven langs hun gladde lijn
wat smalle streepjes zonneschijn
als lange zilvervonken.

De draden zijn ‘t
de waden zijn ‘t
die ’t najaar nog wil weven
om heel die rijke najaarsgloed
om al wat spoedig sterven moet:
het laatste zomerleven

(bron onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

274-259

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 
.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (25)

.

MICHAËLI (VRUCHTDRAGING) HERFSTFEEST

Nu de zon reeds geruime tijd over haar hoogtepunt heen is en daar­door haar krachten steeds minder van invloed kunnen zijn in de aarde, merken we aan alles dat de groei- en bloeikrachten zich terugtrekken naar binnen.

Door de loeiende herfststormen verliezen de bomen hun blad en trekken de levenssappen zich terug om zich voor te bereiden op de taak straks de nieuwe loten tot ontwikkeling te brengen. Planten sterven zelfs geheel af, maar hebben hun opgedane levenskrachten in het nieuwe ver­borgen zaad overgedragen. De dieren kruipen weg, voor een winterslaap of sterven doordat ze niet opgewassen zijn tegen kou en uitputting. Vogels trekken naar warmere oorden, de enkele die hier overwinteren hebben niet of nauwelijks de kracht zich te laten horen. Wij mensen keren terug in onze huiskamers en hullen ons in dikke, warme kleding. De natuur komt tot rust.

Maar in al dat schijnbaar levenloze zijn alle kiemkrachten aanwezig van het leven. De herfst is een verinnerlijken van alles wat leeft. Daar waar voor plant en dier erg sterk het leven afhankelijk was en zal zijn van externe invloeden, is het voor ons mensen behalve dat, meer een taak van de interne, geestelijke factor.

Wij hebben, na ons de gehele zomer opengesteld te hebben voor de zon, buiten zijn, vakantie, overdadige natuur, het erg moeilijk om daar een alternatief voor te scheppen. We moeten ons nu met die krachten die we hebben opgedaan, proberen te verdiepen in onze gedachten. Het is net als met het zaad, zij dragen onze geest ver buiten ons uit en leven soms ver van ons. Ook komen zij niet alle tot hun recht, voeren niet tot de daad. Zij vormen wel het voedsel voor ons geestelijk leven naar de aard van hun soort. We merken dat nu het stoffelijke vergeelt, verbleekt, er iets anders vrij moet komen wat niet zo vanzelfsprekend gebeurt als het je over­geven aan lente en zomer.

Het leven in de herfst vereist moed en kracht om tegenover het uiter­lijke verval, de innerlijke kracht te doen werken; om in plaats van veel te ontvangen, ons door ontbering heen te slaan met eigen vermogens. Daarbij leert de mens de levenskrachten (het zaad) in zichzelf te ontwikkelen.

En met dat gegeven in onszelf rijst het beeld van de aartsengel Michaël strijdend tegen de draak voor onze ogen op. De strijd van het lichtende tegen de duisternis.

Door nu het Michaëlsfeest met elkaar te vieren, proberen we iets tot leven te brengen van wat er in die strijd bedoeld wordt. In de herfst merk je dat je met zoveel mogelijk overwonnen duisternis en gewonnen licht de lange donkere winter aan kunt. Het is de strijd tegen heb­zucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest. Het is heerlijk te ervaren wat de natuur ons nu geeft, de vruchten van een lange lente en zomertijd. Weldra zijn deze vruchten op en mogen we hernieuwd pogen of we dezelfde kwaliteit vruchten van onze eigen innerlijke arbeid kunnen gaan plukken.

Zo proberen wij in onze peuter- en kleuterklassen ook het Michaëlsfeest te vieren. Niet zozeer het strijden van Michaël en de draak wordt naar voren gebracht, maar het vieren van een herfstfeest, een oogstfeest. We maken een herfsttafel, met alle vruchten uit de natuur. De vruchten en zaden uit het bos en die van het land. We rijgen, maken vogeltjes en kabouters van dennenappels en eikeltjes, we maken ook rozebotteljam of vlierbessensap.

We drogen de bladeren en maken er mooie dingen van. We kunnen vliegers in elkaar zetten en de wind er mee laten spelen. Wandelen in het bos is in deze tijd altijd een groot feest. Het verhaal van Joris en de draak en ook enkele sprookjes van Grimm passen in de Michaëlstijd:

Repelsteeltje:
na een goede oogsttijd komt de molenaar vertellen dat zijn dochter van stro goud kan spinnen, de mensen kunnen dit niet, Repelsteeltje het mannetje dat op een been om het vuur danst moet helpen.

Gelukkige Hans:
de jongen die al het verworvene ruilt voor dingen waar hij niets mee kan doen totdat uiteindelijk de slijp­steen ook nog in de vijver valt. Dan dankt hij God dat hij van deze steen bevrijd is. Een beeld waar wij ons lang mee bezig kunnen houden. Deze sprookjes kunnen verteld worden, maar ook als een poppenkastspel of tafelspel gegeven worden.

Wij hebben getracht u zo wat ideeën te geven voor het Michaëlsfeest, natuurlijk kunt u zelf ook nog van alles bedenken.

(Marijke Wouters Toke Moeskops, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

273-258

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (24)

.

SMEDEN IN DE MICHAËLSWEEK

De spreekwoorden de handen aan de ploeg slaan’ en ‘het ijzer smeden als het heet is’, worden nog wel gebruikt, maar de eigenlijke handeling, die bedoeld wordt, kunnen we tegenwoordig nog maar weinig zien, om over het doen maar niet te spreken. Nu is het dan enkelen van ons gelukt ha­mer en aambeeld binnen de school te halen. Wat mogelijk heeft gemaakt, dat daar 6 klassen aan hebben kunnen werken tijdens onze Michaëlsviering. Drie klassen, een 7e, 8e en 9e heb ik op drie achtereenvolgende dagen bezig gezien en daar wil ik u een beeld van geven.

Natuurlijk moest eerst het vuur aangemaakt worden. Dit geeft vooral in het begin veel rook van de kolen, de geur hiervan deed mij herinneren aan kolenkachel en stoomlocomotief. Onder het toevoeren van lucht begint het gloeien en als de staven ijzer erin gelegd worden en de eerste eruit komt, roodgloeiend, dan klinkt er uit zo’n groep verbazing, verwondering. Er is er dan altijd wel een die als eerste gaat slaan en daarachter wordt het dringen. Afgesproken wordt wie achter wie komt. Nu is het niet meer alleen de geur van de kolen, maar ook de warmte die je voelt stralen en het geluid van de hamer op het aambeeld. Je moet die hamer in een heel bepaald soort ritme slaan. De zwaarte van de hamer laat nl. niet toe dat je snel achter elkaar of onregelmatig slaat. Het wordt bij iedereen een langzame, regelmatige slag, het geeft rust.

Voor de 7e klas was de hamer wel wat zwaar, hij ging met moeite omhoog. Daar werd snel iets op gevonden: de een hield de staaf vast, de ander sloeg met beide handen. De interesse was in deze groep zo groot dat ve­le taken werden verdeeld en afgewisseld, zodat iedereen wel een keer het een of ander mocht doen; zoals lucht toevoeren met behulp van een handbewogen schoepenrad, vuur onderhouden,  staven aangeven, het slaan natuur­lijk, het vasthouden van een tang met daarin een beitel om punten te maken.

De 8e klas kon heel wat beter overweg met de zwaarte van de hamer. Ook in deze groep werden de verschillende taken graag opgenomen. Al werd er nu soms wel wat te hard gedraaid, waardoor er teveel lucht werd toegevoerd, de smidse te heet werd en het metaal verbrandde. Overigens een mooi schouwspel, de boven het vuur springende sterretjes van brandende metaal­deeltjes. Maar al gauw was dit fenomeen bekend, en wist men [stukje tekst onleesbaar] s sterretjes, langzamer draaien. In deze groep werd het ijzer op zijn heetst opgediend.

Waren het in de 7e klas pijlpunten voor de draak, in de 8e klas ontston­den naast deze pijlpunten ook zwaarden.

Ook in de 9e klas verbrandde het ijzer wel eens en werd er aanvankelijk te hard geslagen. Hier kwam men op het idee een 9 en een 8 te maken voor op de deur van de klas. Dat bracht een stuk vormgeving met zich mee, waarover je moest denken. Waar te slaan, hoe te slaan om die vorm te krijgen? Zo gebeurde het meerdere malen, dat bij dit afvragen ‘waar zal ik slaan, hoe zal ik de staaf vasthouden’, het metaal al was afgekoeld, de gloed was verdwenen en het slaan geen zin meer had. De ware betekenis van het spreekwoord, ‘het ijzer smeden als het heet is’, werd ondervonden! Maar de 9 en de 8 kwamen er, en hangen nu boven de deur. Enkele 9e-klassers hebben daarna nog met veel kracht gesmeed aan een groot zwaard, dat niet meer gereed kwam, maar waaraan volgend jaar wordt doorgewerkt.

Toen de 8e klas zijn ijzer zo heet tot verbranden toe op het aambeeld bracht, brak er een flink onweer los boven Zeist; de slag van de hamer op ons aambeeld vermengde zich met de slag van de donderhamer van Donar.

(E.  Sneek, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

272-257

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (23)

.

DE AARTSENGEL MICHAËL

Elk jaar weer, in het begin van de herfsttijd, vieren wij op school het feest ter ere van de aartsengel Michaël.

Wat is dit voor een feest, dat onder de traditionele christelijke feesten niet wordt gevonden? En bovenal: wie of wat is Michaël?

De overleveringen geven ons twee beelden. Het ene is dat van Michaël, die Lucifer uit de hemel stoot. Het andere is dat van Michaël als drakendoder, op vele oude schilderingen staat hij afgebeeld als een strijdbare figuur, in blinkend harnas ge­stoken, met zwaard of lans; de draak ligt doorstoken ter aarde.
Aan deze twee beelden kunnen we proberen een gevoel te ontwikkelen voor wat het we­zen van Michaël ons wil zeggen.

Maar met onze gebruikelijke wijze van denken en voorstellen stuiten we direct op problemen. Wat moet ik denken, wat moet ik me voorstellen bij het begrip “aartsengel”? We leven immers in een tijd waarin we gewend zijn alleen dat voor waar te houden, wat zichtbaar en vooral ook tastbaar is. Wij erkennen in het algemeen al­leen datgene als werkelijk, dat los van onze eigen persoon ook voor alle andere men­sen op gelijke wijze waarneembaar is. Van andere, bijv. religieuze zaken, maakt ie­der zich zijn eigen voorstellingen, die voor iedereen weer anders kunnen zijn; het behoort tot je privé-leven wat je daarmee doet.

Omdat we echter niet meer gewoon zijn een niet-materiële, geestelijke wereld te er­varen en aanvaarden, verliezen we het begrip voor de ware aard van bijv. een aarts­engelwezen. En als er dan toch over zo’n bovenmenselijk geesteswezen wordt gespro­ken, maken we ons er onwillekeurig een “menselijke” voorstelling van: Michaël als een gevleugelde jonge ridder. Zo vinden we hem terug op de vele schilderingen. Maar, deze “vermenselijkte” beelden ontstonden in een tijd, waarin de mensen zich nog nauw verbonden voelden met bovenzinnelijke, niet materieel waarneembare krachten en mach­ten. Achter de menselijke afbeelding van Michaël beleefde men nog diens onzichtbare, hogere wezen.

Is dat voor ons in 1973 ook nog mogelijk, het ervaren van bovenzinnelijke krachten en machten? Hebben die ooit bestaan? Bij de (historische) beschouwingen over de mensheidsontwikkeling gaat men er meestal eenvoudigweg van uit dat de mensen in vroegere tijden op dezelfde manier dachten en voelden als wij tegenwoordig: alleen in een veel minder ontwikkelde en gerijpte vorm. Men verklaart ontstaan en inhoud van de religies en wereldbeschouwingen veelal uit dit nog ongerijpte denken. Er wordt gewoon aangenomen dat de mensen vroeger in hun onwetendheid op fantasievolle wijze allerlei religieus getinte hulpvoorstellingen “bedachten” om  de verschijnse­len om hen heen te kunnen begrijpen, Verschijnselen, die wij nu met onze moderne natuurwetenschappen pas echt menen te kunnen verklaren.

Als je er zo over denkt is een aartsengel Michaël in feite niet veel meer dan een mooi plaatje, een interessante hulpvoorstelling uit het nog “weinig verstandige” denken van vroeger. En zeker niet iemand ter ere van wie je een feest zou moeten houden.
Maar ik wil U nu vragen met mij mee te gaan in een geheel andere gedachtegang, die dit alles in een totaal ander licht zal plaatsen. Deze zienswijze gaat ervan uit, dat alles wat de mensen vroeger als levende werkelijkheid ervoeren, ook werkelijk­heid was en zelfs nog is; dat de verschillende opvattingen door de tijden heen niet berusten op “minder verstandig” (vroeger) of “verstandig” (nu); maar dat deze ver­schillen in inzicht berusten op een veranderend bewustzijn, met steeds andere en nieuwe vermogens.

Ter illustratie hiervan twee voorbeelden: in het oude Indië beleefde de mens zich als geheel ingebed in de godenwereld, de aardse materie was voor hem niets anders dan een dunne sluier van illusies (Maya) waarachter de ware werkelijkheid van de geestelijke wereld zich bevond; nú is God dood verklaard en onze enige werkelijkheid is datgene wat we kunnen meten, tellen en wegen. De oude Indiërs “onwetend en bijge­lovig” en wij eindelijk “verstandig”? Nee, zowel de geestelijke wereld van de oude Indiër als de materiële wereld van ons zijn reëel. De grote culturen laten door­gaans slechts een eenzijdig onderdeel van het ware beeld zien, maar daardoor zijn ze nog niet onwaar.

Laten we dit nog wat verder uitdiepen om tot het eerste beeld van Michaël te komen. In oude tijden liep de mens nog aan de hand van de goden. Zelfstandig denken en han­delen, zoals nu, kon hij niet. Hij stond daarentegen, op dromerig helderziende wijze, geheel open voor de goddelijke raadsbesluiten, die hij gewillig en onvoorwaardelijk uitvoerde. Hoe is het anders te begrijpen, dat bijv. de Perzen 6000 j. v. Chr. in staat waren wilde grassen te veredelen tot kostbaar broodgraan? Iets wat de huidige geleerden met al hun kennis niet kunnen herhalen!

De goden bestonden niet alleen in de fantasie. Het waren krachten; zulke reële krach­ten dat de mensen er in hun (nog zeer onbewuste) dadenleven ook daadwerkelijk door geleid konden worden.

De goede goden hadden echter ook hun tegenmachten. Eén van die tegenmachten, voorge­steld als Lucifer, wilde zich meester maken van deze goddelijk-geestelijke denk­krachten om de mensheid op dwaalwegen te kunnen leiden. Lucifer, letterlijk licht­drager, streefde ernaar de mens een volledig kosmisch bewustzijn te geven, d.w.z. kennis en inzicht aangaande de diepste oer-gronden van het zijn. Maar als de mens­heid hier reeds zeer vroegtijdig mee in aanraking gekomen zou zijn, dan zouden wij onze lange en moeizame ontwikkelingsgang door het leven met en in de aardematerie voortijdig hebben verzaakt. Het is onze opgave door vele levens heen met behulp van de aardematerie tot zelfstandige, ik-bewuste mensen te worden. Want wij hebben ons individuele ik-bewustzijn, zoals we dat nu kennen, uitsluitend kunnen ontwikkelen dankzij het feit dat we de geestelijke wereld steeds verder de rug toekeerden en ons steeds diepgaander met de materie hebben verbonden. Waren we geheel in de goddelijk-geestelijke werelden gebleven met ons bewustzijn, dan was dat onscherp en dromend gebleven. We zouden onze persoonlijkheidskern voortdurend verliezen aan al het overweldigend geestelijke gebeuren om ons heen.

In de gang door de materie zijn we tot onszelf gekomen. Door de sterke gebondenheid aan ons lichaam kunnen we onszelf beleven tegenover iets:  ik denk wat ik denk en ik denk dat God niet bestaat. Een uiterst belangrijke stap in onze ontwikkeling tot in­dividualiteit en zelfstandigheid.

Duswat Lucifer wilde, was te vroeg. Eerst moest de mens zich nog diepgaander met de aarde verbinden. En om deze weg open te houden, greep Michaël, de beheerder van het zuivere kosmische denken, krachtig in en verdreef Lucifer uit de hemel. Een volgende stap in deze ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid vinden we dan in het beeld van Michaël met de draak. Rudolf Steiner wijst erop hoe in de 15e eeuw een geheel nieuwe bewustzijnsfase ontstaat. De tijd van Kopernikus en Galileï breekt aan. Het natuurwetenschappelijk denken, dat alles materiëel-mechanisch tracht te verklaren, komt zeer snel op. De mens wordt hierdoor steeds meer tot een zelfstan­dig wezen, dat zelf wil gaan uitmaken wat goed voor hem is. Een geweldige denkkracht leeft in ons op; uitvindingen, ontdekkingen, nieuwe staatsvormen, een enorme drang alle uithoeken van de wereld te ontdekken en te veroveren.

Wat is er gebeurd, zo plotseling? Michaël heeft de kosmische denkkracht aan de men­sen op aarde afgestaan op het moment dat zij daar rijp voor waren. Niet langer lopen we volgzaam aan het handje van de voor ons denkende en beslissende goden. De denkkracht is nu in ons, binnen het fysieke voertuig van onze lichamelijkheid. En weer dreigt een gevaar. Een andere tegenmacht treedt op: die van de duisternis, de “donkere draak”, in het Perzisch aangeduid als “Ahriman.” De Ahrimanische macht wil deze van oorsprong kosmische denkkracht geheel in dienst stellen van de materie en ons denken uitsluitend richten op het tastbare en meetbare. Deze macht is de ei­genlijke inspirator van ons materialisme, dat het besef van en de omgang met de geestelijke wereld totaal tracht uit te roeien.

Toch hebben wij ook veel aan Ahriman te danken: zijn heerschappij bracht ons een grandioze techniek en een hoge mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de natuur. Maar de Ahrimanische machten willen meer. Zoals Lucifer ons van de aarde wil wegvoeren, in de onbewuste en onvrije geestelijke ‘zaligheid’ ( in drugs), zo wil Ahriman ons juist voorgoed aan de aardse materie vast kluisteren. Hij wil ons geheel afsnoeren van elke band, hoe teer ook, die we nog hebben met de hogere werelden. En daarmee dreigt hij ons af te snijden van de ware bron van al het leven. Daarom kan ons moderne denken zo kil, bloedeloos en onpersoonlijk, zo “Ahrimanisch” zijn, We drei­gen onze ontwakende vrijheid weer hard te verliezen. Maar ook hier levert Michaël een verbeten strijd.

De strijd van Michaël tegen de Ahrimanische drakenmachten speelt zich af in onze ei­gen ziel. Wij mensen moeten het uiteindelijk zelf doen. Michaël is sterk afhankelijk van het bewustzijn dat wij voor dit gevecht der goden opbrengen én van onze bereid­heid de draak ook in onszelf op te sporen en hem daar te bestrijden. Met de restan­ten van ons vrije, nog niet verahrimaniseerde denken kan ieder, die dat wil, de rea­liteit van de Michaëlkracht ervaren. Zonder de hulp van Michaël is onze strijd ver­loren, want onze wil is reeds te zeer verzwakt door onze verslaving aan het puur materiële bestaan.

En toch zal Michaël niet zomaar ingrijpen; onze nieuw verworven vrijheid wordt door hem geëerbiedigd als een kostbaar goed. Michaël dringt ons niets op, hij wacht af tot wij ons uit eigen inzicht en vrije wil tot hem wenden. Pas dan doorvlamt Michaël ons in onze wil en doet hij een vuur ontbranden dat ons de kracht en het enthousiasme schenkt waarmee we ons weer een levend denken kunnen veroveren: op de drakenmacht van het abstracte intellect.

Misschien kunnen we nu inzien waarom het van zo’n grote betekenis is het aartsengel­wezen Michaël in zijn volle geestelijke werkelijkheid te leren begrijpen, juist in onze tijd. Steeds verder gaat de mechanisering van de samenleving èn steeds meer wordt de levende mens gezien als een hoopje moleculen zonder geestelijke achtergrond. In dit licht staat ons streven naar een Michaëlfeest. Een feest dat vraagt om leven­de krachten voor onze stervende cultuur.

In de herfst verdorren de bladeren, ze worden hard en materieel; maar ook vlammen ze fel gekleurd op, als in innerlijke gloed en vastberadenheid. De plantenwereld legt zijn zaden in de aarde: het beeld van materiesamentrekking: binnenin ontstaat de vuurkracht die het door de duistere winter heenvoert tot kiem van een nieuw leven.

 (Maarten Ploeger, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend)

 

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

271-256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.