Tagarchief: dier en mens

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-4)

.

Dr. med. Werner Hassauer, Weledaberichten 140 dec. 1986
.

POORTEN VAN HET LEVEN: GEBOORTE EN DOOD

De bestemming van de mens

De mens als zielen- en geestwezen

Als men de tegenwoordig gangbare mening over geboorte en dood hoort, wordt de geboorte over ’t algemeen als een vreugdevolle, het gemoed positief beïnvloedende gebeurtenis gezien, terwijl de ontmoeting met de dood als iets treurigs, soms tragisch wordt beleefd.
De geboorte van een mens brengt de ouders en wie er verder deel aan heeft in een stemming van blijde verwachting; de dood daarentegen veroorzaakt bij de nabestaanden smart, verdriet en tranen.
Als wij echter de betrokkenen zelf zien, de mensen die het proces van de geboorte of van de dood aan den lijve ervaren, dan zijn de feiten omgekeerd: het kind, de pas geboren mens, huilt en schreeuwt omdat het zich hoogst onbehaaglijk voelt; de schrijver van dit artikel heeft als arts bij de enkele duizenden kinderen die hij hielp geboren te worden, nog nooit een pasgeborene van plezier en welbehagen horen juichen. De stervende daarentegen voelt na een eventueel lang lijden het stervensproces als de verlossing van pijn en leed en als men mensen, die eigenlijk al “gestorven” waren, die echter door reanimatie weer in dit leven werden teruggehaald daarover vraagt, dan vertellen zij bijna zonder uitzondering van een wonderbaarlijke toestand van bevrijding waarin zij zich bijzonder wel voelden, maar waaruit zij plotseling werden weggerukt. Zij voelden zich daarna weer gekluisterd in de smartelijke benauwing van het lichamelijk-aardse bestaan.
Beide toestanden, de geboorte zowel als de dood, zijn – hoe de betrokkenen dit dan ook beleven – ervaringen, die een belevende ziel vooropstellen, ook en in ’t bijzonder bij de mens die wordt geboren.
Als dat juist is, ontstaan hieruit enkele vragen, nl. wanneer begint eigenlijk het menselijke wezen dat gaat ontstaan, een ziel te zijn? Is die er onmiddellijk volledig ontwikkeld, of ontwikkelt zij zich uit een soort van psychische kiemcel net zo, als het lichaam ontstaat uit de fysieke kiemcel? Wat doet de ziel tijdens het geboorteproces? Welke relatie heeft zij met het fysieke lichaam? Is zij het product van het lichaam, een soort van functie daarvan? Of is zij volledig onafhankelijk van het lichaam, heeft zij daarmee niets te maken, bestaat zij om zo te zeggen parallel daaraan? Hoe ziet het zielenwezen eruit bij het kind, hoe bij de volwassene? Blijft het altijd eender of kan het zich ontwikkelen? Hoe verhoudt dit zielenwezen zich tot wat men geest noemt? Zijn ziel en geest slechts verschillende benamingen voor hetzelfde? Wat doet de ziel als de mens slaapt, als hij sterft? Sterft zij dan ook? Indien niet, waar gaat zij dan heen? Wat heeft het te betekenen, dat zij hier op aarde is? Heeft haar bestaan zin, of is zij slechts aan een toeval onderworpen? Wat voor toeval? Is zij een speelbal van zuiver natuur- en scheikundige wetten of is zij onderworpen aan eigen “toevallige” psychische wetmatigheden? Hoe kan men die doorgronden?
Het is duidelijk; de ene vraag volgt op de andere; deze reeks kan nog lang worden voortgezet. Wij willen proberen, hierin enige orde te scheppen en in het hierna volgende op grond van observaties enige antwoorden te vinden.

Laat ons uitgaan van de waarneming van het zielenwezen van de volwassene, omdat dit voor ons het gemakkelijkst toegankelijk is. Wij behoeven immers slechts onszelf te observeren. Het behoeft geen betoog dat in ons een psychische component aanwezig is, want wij hebben gewaarwordingen, zintuigelijke indrukken, reageren met onze binnenwereld op de buitenwereld. Wij kennen vrees, tevredenheid, vreugde, verdriet, sympathie, antipathie, waarmee wij reageren op de indrukken uit onze omgeving. Het gehele brede palet van de reacties van ons innerlijk op waarnemingen en indrukken van de buitenwereld kunnen wij ziel, psychisch spectrum noemen. Dergelijke psychische elementen vertonen natuurlijk ook de dieren en het zou onzinnig zijn als men zou willen ontkennen dat bijvoorbeeld een hond geen ziel heeft. Als men dit psychische van de mens tot aan de geboorte volgt, dan is het onbetwistbaar, dat ook het pasgeboren kind in bovenbedoelde zin een ziel heeft. Wij zullen nog moeten nagaan, hoe het met de ziel vóór de geboorte en na de dood gesteld is.

Voorlopig moet de vraag gesteld worden, wat na het hierboven gestelde de mens van het dier onderscheidt. Dan blijkt, dat in het zielenwezen op zichzelf het verschil zeker niet ligt, want beiden hebben zij immers een ziel. Als wij echter mens en dier in hun psychische gedrag nauwkeuriger gadeslaan, dan ontdekken wij al spoedig een fundamenteel verschil. Het dier reageert op indrukken uit de buitenwereld altijd op een bepaalde manier, afhankelijk van de soort. De reacties, zou men haast zeggen, zijn geprogrammeerd. Een dier geeft er zich geen rekenschap van of het al of niet juist heeft gehandeld; het handelt naar zijn aard steeds juist. De mens kan in zijn gedragingen net zo zijn als het dier, maar hij heeft ook de mogelijkheid, de programmering door sympathie of antipathie te doorbreken, hij kan op grond van sympathie of antipathie reageren, maar hij hoeft dat niet te doen. Een element van vrijheid duikt hier op, een specifiek, slechts aan de mens voorbehouden en mogelijk element. Goethe zegt hierover: ”Het dier wordt door zijn organen geïnstrueerd: de mens instrueert de zijne en beheerst ze.” (Spreuken in proza) 

De mogelijkheid van zo’n gedrag stelt voorop – nauwkeurige waarneming toont dit aan – dat er in de mens een gebied moet zijn, dat hem afstand laat nemen van zijn eigen zielsgewaarwordingen, van zijn sympathie- en antipathiereacties en het daaruit volgende noodzakelijke gedrag. Er moet een gebied bestaan, dat hem in staat stelt, vrij te zijn wat zijn reacties en beslissingen betreft, wat hem tenslotte ook vrij laat zijn in wat hij waarnemen wil, waar hij zijn aandacht op wil richten, in dit gebied is de mens geheel en al mens, individualiteit, totaal onafhankelijk van de psychische bewogenheid ten gevolge van sympathie en antipathie. Als hij zoekt naar een benaming voor dit aller oorspronkelijkste en intiemste gebied van zijn wezen, dan zal hij dit ”ik” noemen. Daarmee is iets omlijnd, dat absoluut slechts hemzelf als mens aangaat. Doordat hij zich totaal daarmee identificeert, verenigt hij zich met zijn eigen wezen, zijn ik. Hij verenigt zich met wat hem tot mens, tot individualiteit maakt. Als men deze gedachtegang tot dusver heeft gevolgd, dan heeft men tegelijkertijd zichzelf als individualiteit beleefd. Men merkt echter ook, dat wij over ’t algemeen nog ver ervan zijn verwijderd, ons “ik” in zijn volle werkelijkheid te hebben ervaren. In zoverre zijn wij ook nog niet vrij. Wij zijn pas op weg, mens te worden. Maar al te zeer vallen wij nog ten prooi aan de golvingen van antipathie en sympathie in ons zielenwezen. Maar desniettemin hebben wij de mogelijkheid tot menswording, een ontwikkeling naar de vrijheid en daardoor tot zelfstandig oordelen en handelen ten opzichte van goed en kwaad omlijnd. In het vrije inzicht en aanvaarden van die mogelijkheid ligt de ontwikkeling op weg naar de mens.

Het ik, de eigenlijke geestelijke kern van de mens, is – zoals de waarneming laat zien ~ in een voortdurende strijd betrokken met het lichaam en de omgeving. Het gebied, waar dit plaats vindt, zou men het zielengebied van de mens kunnen noemen. De ziel is dan het verbindende element tussen buiten- en binnenwereld, tussen materie en geest, tussen lichaam en ik.

Laat ons nu nagaan, hoe het ik, de menselijke individualiteit, zich gedraagt in het verloop van het leven tussen geboorte en dood. Wij hebben geconstateerd, dat wij van geboorte tot dood steeds ziel zijn, steeds reageren vanuit ons innerlijk op de buitenwereld. Zijn wij ook steeds een ik, respectievelijk is ook steeds ons ik volledig aanwezig in ons lichaam? Wat doen bijvoorbeeld ons ik en wat wij ziel hebben genoemd, in de slaap? Wij moeten constateren, dat deze beide er dan niet zijn, zich niet in ons lichaam bevinden. Maar wij hebben beperkte reacties van onze ziel op invloeden van de buitenwereld, want wij kunnen worden wakker gemaakt. Bewustheid omtrent ons ik ontstaat echter slechts, als dit ik verbonden is met het lichaam. In de slaap ontstaat a.h.w. elke keer een hiaat in de continuïteit van ons bewustzijn, waarin wij met ons ik niet aanwezig zijn. Als wij evenwel ons hele leven overzien, dan worden wij gewaar, dat er toch een continuïteit in onze levensloop is, een biografische draad, die door ons leven heenloopt ondanks de schijnbare hiaten door de slaap in ons bewustzijn. Wij knopen met hetgeen er als de som van onze ervaringen van ons ik uit ons voorafgaande leven aanwezig is, ’s ochtends steeds weer aan op het punt waar wij ’s avonds wat ons bewustzijn betreft zijn opgehouden. Ons ik als de vergaarder van onze ervaringen moet dus de nacht hebben doorstaan, hoewel wij dat niet bewust beleefden en het niet met ons lichamelijk bestaan was verbonden.

De som van onze ervaringen, onze goede en verkeerde beslissingen en daden blijft in ons ik bewaard. Dit moet dus iets van voortdurende, eeuwige aard zijn. Wij mogen daarom veronderstellen, dat het ook over de dood heen blijft bestaan, dus ook wanneer het ons lichaam niet alleen gedurende de slaap korte tijd verlaat, maar als zich een duurzame scheiding van onze geestelijke kern van het lichaam voltrekt. Nu willen wij ons afvragen, hoe de omstandigheden zijn bij die andere hoeksteen van ons aardse leven, bij de geboorte. Als wij nauwlettender toezien merken wij, dat de graad van bewustheid omtrent het bestaan van ons ik gedurende ons leven zeer variabel is en in hoge mate afhangt van de leeftijdsfasen. Als kind en jong mens beseffen wij nog maar heel vaag en
onvolkomen wat ons in de bovenbedoelde zin tot mens maakt. Wij zien, dat ons ik-bewustzijn niet onmiddellijk bij de geboorte maar pas later, ongeveer vanaf het 2e-3e jaar en daarna heel langzaam ontwaakt. In de eerste levensjaren hebben wij in ’t geheel geen bewustzijn van ons ik, wij herinneren ons van die tijd ook niets. Geen bewustzijn van het ik te hebben betekent echter – zoals wij zagen – niet dat het ik als geestelijk wezen niet bestaat. Anders zou elke avond, als wij inslapen, ons ik moeten uitblussen en ’s ochtends, als wij ontwaken, opnieuw moeten ontstaan. Dit is stellig niet het geval zoals wij op grond van het gegeven van de continuïteit van onze biografie hebben gezien. Wij mogen daarom het bestaan van ons geestelijke wezen ook in de kindertijd tot aan de bewuste ervaring ervan veronderstellen en concluderen dat onze individualiteit ook vóór de geboorte, zelfs vóór de conceptie bestaat. Ons ik als een geestelijk wezen met continuïteit, voortduring, zelfs het kenmerk van eeuwigheid, kwam hierboven reeds ter sprake.

Wij spraken over een som van levenservaringen die ons ik gedurende het leven op aarde opdoet, over een som van oordelen, beslissingen en daden. Deze som van ervaringen, die men de kwintessens van ons aardeleven zou kunnen noemen, blijft – zoals wij zagen – na de dood bestaan, zij bepaalt de grond van rijpheid van ons ik. Wat wordt er nu verder uit die toestand van rijpheid van het ik? Niemand zal immers willen beweren, dat ons ik al zover gerijpt en ervaren zou zijn, dat het niet verder zou kunnen rijpen, niet nog meer levenservaringen zou kunnen opdoen. Zou de biografie van ieder van ons min of meer onvoltooid afbreken en in een soort van “niets” oplossen? Dan zou ons bestaan zinloos zijn!.

Als wij de uitgangspunten van onze biografie nagaan, onze begaafdheden die wij meekrijgen, onze gezonde of zieke constitutie waarmee wij geboren worden, het milieu en nog vele andere factoren die ons bij de geboorte omringen, dan moeten wij vaststellen dat wij eigenlijk onze levensloop uit heel verschillende “startblokken” beginnen. En als wij het verdere verloop van ons leven overzien met onze ontmoetingen, lotgevallen, successen, ons falen enz. dan kunnen wij wederom slechts vaststellen, dat er veel oneffenheden, ongerijmdheden, ook onrechtvaardigheden bestaan.

Waarom is dit zo? Bestaat er iets als een rechtvaardige wereldorde? Indien dit zo is, hoe passen de geconstateerde ongelijkheden daarin? Hoe is dat, als een onvoltooide biografie, de onrijpheid van het ik in een leven na de dood verder gaat in een voortgezette verandering en rijping van de opgedane levenservaringen tot aan het stadium, dat die levenservaringen, de verkeerde en juiste oordelen, de rechtvaardige en onrechtvaardige beslissingen, de schuld veroorzakende, respectievelijk slechte en goede daden door een rechtvaardige, ook rechtende wereldorde worden beoordeeld; als dit dan gedurende een verder levens-rijpingsproces in een nieuw aardeleven uitmondt en als zodanig de uitgangspositie oplevert voor de verdere vorming van het lot van het individu? Vanzelfsprekend moeten dan die uitgangsposities van de individuen verschillend zijn, heel verschillend dikwijls, afhankelijk van de vrucht van een vorig aardeleven. Pas op die manier wordt ook het in ieder mens diep verborgen verlangen gestild naar een orde scheppende gerechtigheid in de wereld. Slechts zo is ook werkelijk de continuïteit van het ik, waarvan hierboven sprake was, gegarandeerd. Niets gaat er verloren van hetgeen eens is bereikt. De mens als geestelijk wezen, als individualiteit, krijgt het kenmerk van eeuwigheid, maar niet in de betekenis van een duur zonder meer, maar van een onsterfelijkheid met de kenmerken van ontwikkeling en rijping, met de mogelijkheid hogere treden van het bestaan te vinden. De mens kan, zo gezien, werkelijk mens worden, een “wezen, aan God gelijk”, zoals de Bijbel als doel van de schepping vermeldt. Het wereldgebeuren wordt zinrijk en de rechtvaardigheid van een wereldorde daagt, waarin wij als mensen in die zin vrij kunnen worden, zoals hierboven is betoogd als mogelijkheid van de menswording.

De mens als lichamelijk wezen

In tegenstelling tot het eeuwigheidskarakter van ons ik heeft ons lichaam geen duurzaamheid; het is aan de vergankelijkheid onderworpen zoals al het aardse. Zijn bestaan is begrensd door de beide hoekpijlers van het aardse leven, geboorte en dood. Binnen deze beperking heeft het ook met een ontwikkeling te maken. Die bestaat uit een opgaande fase, waarin het lichaam groeit en zich ontplooit en in een neerwaarts gaande fase, waarin ouderdomsprocessen steeds meer de overhand krijgen. Bij nauwkeuriger toezien merken wij, dat deze opbouwende en afbrekende processen er al vanaf de geboorte zijn en gedurende de duur van het aardse leven bepalen hoe wij ons voelen. Wel is echter de intensiteit van opbouw en afbraak gedurende de afzonderlijke levensfasen verschillend. In de kinder- en jeugdjaren zijn de opbouwende krachten van ons lichaam zo intens, dat zij in hoge mate de afbrekende krachten overheersen, zodat wij die bijna niet merken. Pas langzamerhand beginnen – na een fase van evenwicht tussen beide krachten in het midden van het leven – de afbrekende ouderdomskrachten de overhand te krijgen, tot zij ten slotte in de ouderdom zo sterk de opbouwende krachten domineren, dat zij de dood van het fysieke lichaam veroorzaken. Er zijn dus in ons lichamelijk bestaan twee tegengestelde ritmen: grote intensiteit van de opbouwende krachten in het begin, langzamerhand intredende vermindering gedurende het leven tot aan het ophouden van de opbouw bij de dood; daar staat tegenover: geringe intensiteit van de afbraak bij de geboorte, toename daarvan gedurende het leven, grootste intensiteit daarvan ten slotte, eindigend met het absolute overwinnen van de opbouw in het ogenblik van de dood.

Als wij onze levensprocessen nog nauwkeuriger gadeslaan, dan zien wij dat aan dit grote ritme van ons lichaam gedurende het hele leven een kleiner ritme ondergeschikt is, waarin hetzelfde gebeurt, alleen niet tot in de consequentie van de dood: dat is het ritme van waken en slapen, het dag-nacht ritme met zijn korte fasen. Gedurende zijn verloop beschikken wij over veel opbouwende kracht ’s morgens als wij ontwaken uit de slaap. Hieraan teren overdag in toenemende mate afbrekende krachten, tot wij ’s avonds vermoeid de slaap zoeken om onze uitgeputte opbouwende krachten in de nacht te regenereren. Niet zonder reden noemde men vroeger de slaap de kleine broeder van de dood; men zei ook wel: de dood is een lange slaap, de slaap is een korte dood.
Wij ontdekken verder ook, dat er altijd een verheviging van afbraak- en vermoeidheidsprocessen in ons lichaam plaatsvindt – of anders gezegd, de vitale opbouwprocessen worden teruggedrongen – als wij met ons ik van ons lichaam bezit nemen, d.w.z. dat onze bewustzijnsprocessen toenemen, als wij “present” zijn. Gedurende de slaap zijn wij met ons ik en onze bewustzijnsprocessen buiten ons lichaam; dientengevolge hebben nu de in het lichaam werkzame opbouwkrachten de overhand en wij regenereren ons lichaam.

In het begin van ons leven zijn wij ons nog heel weinig bewust van ons lichaam en van de omgeving. Daardoor prevaleren de lichamelijke opbouw- en groeiprocessen. Op latere leeftijd zijn wij met ons ik, wat ons bewustzijn betreft, steeds meer aanwezig en worden de opbouw-, de regeneratieprocessen steeds meer teruggedrongen, tot wij in de dood in een hoger bewustzijnsproces belanden, nl. als onze lichamelijke levensprocessen het begeven.

Wij zien nu, dat levensprocessen, d.w.z. opbouw-, groei- en regeneratieprocessen aan de ene kant en bewustzijnsprocessen, d.w.z. afbraak-, afstervings- en doodsprocessen aan de andere kant een polariteit zijn. Bewustwording is een afbraak, een doodsproces dat zich slechts kan ontwikkelen ten koste van de groei- en regeneratieprocessen en omgekeerd.

Dit feit is een fundamenteel gegeven dat in de tegenwoordige materialistische wetenschap nog niet volledig ingang heeft gevonden. Want wat resulteert daaruit? Het inzicht, dat in de mens twee krachtrichtingen zijn: de ene, die de mens in zijn lichamelijk bestaan weliswaar opbouwt, hem evenwel niet tot bewustzijnsprocessen en dus tot inzichten – ook niet omtrent zijn eigen wezen – laat komen en een andere stroming van krachten, die hem in staat stelt, bewustzijn en dus ook inzichten te ontwikkelen, die evenwel tegelijkertijd het lichaam moet afbreken en vernietigen. M.a.w. bewustzijnsprocessen ontwikkelen zich nooit uit vitale opbouwprocessen via wat dan ook voor gecompliceerde processen van de materie, zoals tot dusver de wetenschap veronderstelt. Wij hebben een vitaal proces in ons lichaam, waarin de materie zich inpast en waardoor voeding, groei, regeneratie en reproductie kan plaatsvinden. Daar staat polair tegenover een geestelijk proces, dat vitaliteit afbreekt, materie vernietigt en in de vernietiging bewustzijn, ook zelfbewustzijn ontwikkelt. Beide polaire processen behoren bij het wezen van de mens en zijn in hun samen- en tegenwerking het spanningsveld van ons menszijn hier op aarde.

De bestemming van de mens-de mens als vrij wezen

Nu kunnen wij ons afvragen: waar ligt de oorsprong van de beide beschreven polen van het menselijke wezen? D.w.z. waar vandaan komt de mens als geestelijk en als ‘lichamelijk wezen?

Wij zagen de mens als geestelijk wezen: duurzaam eeuwig – een wezen, dat zich door verschillende aardelevens in een ontwikkelings-, d.w.z. rijpingsproces ter vervolkoming bevindt. Bij zijn oorsprong ontspruit dit geestelijke wezen, het ik van de mens, uit de vereniging met de goddelijke wereld van de Schepper, uit de godheid zelf, zoals dit in de verschillende mythologische scheppingsverhalen wordt beschreven.

In de Bijbel vinden wij de ons bekende scheppingsmythe. Daar wordt in grootse beeldentaal het oorspronkelijke één zijn van de mens met de hele schepping en de Schepper zelf in het beeld van het Paradijs verteld. Door de invloed van de Verzoeker maakt de mens zich dan los van die eenheid, wat tot gevolg heeft dat hij dan met de zintuiglijke wereld wordt geconfronteerd. De reeds beschreven tweeheid van goddelijk-geestelijke wereld enerzijds en de materiële zintuiglijke wereld anderzijds gaat zich manifesteren. De laatstgenoemde verschijnt daarbij als schepping uit de eerste. Het resultaat van deze scheiding is de dualiteit geest-materie, geest-natuur, geestelijke individualiteit- lichamelijk bestaan of hoe wij dit alles willen benoemen
Mythologisch in beelden, wordt dit proces van scheiding in de Bijbel als verstoting uit het Paradijs beschreven. Individualisering betekent hier: losmaking van een goddelijke vonk uit het algemeen-goddelijke, verzelfstandiging van een geestelijk deel, een ik. De vrucht daarvan is de mogelijkheid van individuele zelfstandigheid en vrijheid. Of dit ontwikkelingsmoment nu zo wordt uitgewerkt, dat het zich volledig naar de materiële wereld, d.w.z. de natuur, de fysieke dingen, het lichamelijke bestaan keert of dat het naar geestelijke gebieden streeft, is een bestanddeel en het eigenlijk kenmerk van de vrijheid. In onze tijd lijkt de mens, resp. de mensheid de voorkeur te geven aan de materiële wereld. Het is vanzelfsprekend dat dit problematische situaties veroorzaakt. Het zou wel eens een weg kunnen blijken, die niet is gebaseerd op een inzicht in wezenlijke realiteiten en die naar eenzijdigheden leidt. Dit beleven wij elke dag als wij niet blind zijn voor de werkelijkheid. Maar ook het streven naar een uitsluitend geestelijk bestaan zonder de materiële zintuiglijk wereld te willen leren kennen, zien wij in het streven naar het uitsluitend transcendente en ook in alles wat naar toestanden van de roes neigt. Dit nu, wat de fysieke gegevens negeert, moet echter in illusies uitmonden. Wij vinden maar al teveel voorbeelden hiervan in onze huidige omgeving.

Op grond van deze gezichtspunten ontdekken wij een nieuwe weg voor ons menselijke streven, die de beide genoemde mogelijkheden in hun polariteit tot een evenwicht, maar ook in de zin van Goethes zienswijze tot een intensivering leidt. Hier gaat het erom, dat vooreerst de mogelijkheid om vrijheid te vinden, die door de individualisering van het geestelijke principe in het ik werd veroverd, volledig wordt gerealiseerd: hier sta ”ik”, uniek in de wereld, met alle mogelijkheden vrij te zijn. Ik kan nu – potentieel- die vrijheid egoïstisch gebruiken, d.w.z. tegen mijn medemensen, tegen de natuur. M.a.w.: ik kan macht uit de vrijheid ontwikkelen, bijvoorbeeld dictator, tiran of iets dergelijks worden.

Ik kan de schepping uitbuiten, alles in dienst stellen van mijn machtswellust, mijn egoïsme. Ik kan zelfs zover gaan, dat ik mijzelf, de mensheid, de aarde vernietig.

Ik kan echter ook vanuit het besef, hoe groots de idee van de vrijheid is, zeggen: ik beleef mijzelf in mijn waardigheid als geïndividualiseerd geestelijk wezen, als een ”ik” en handel uit het volle bewustzijn van die vrijheid. Ik besef, dat ik een goddelijke vonk bezit: mijn ik dat mij tot mens maakt. Die goddelijke vonk is geboren uit het geestelijke, is daaruit geïndividualiseerd. Ik heb door dat proces de verbinding (de religio) met de godheid verloren, ben eenzaam en geïsoleerd geworden. Met mij zijn op dezelfde wijze de andere mensen, “door God verlaten geworden”, zij hebben de verbinding met de geest verloren. Met ons is de gehele materiële wereld zelfstandig, materie geworden. Ik wil nu bewust, uit vrijheid een weg zoeken die mij weer naar een verbinding met het geestelijke leidt, mij weer in een goddelijk-geestelijke wereld laat binnengaan, nu echter in het volle bezit van mijn geïndividualiseerde geestelijke wezen, van mijn ik, van mijn vrijheid. Maar ik wil niet de aarde, de mij omringende natuur de rug toekeren om dwepend in iets geestelijks te verdwijnen, maar ik wil de aarde volledig accepteren doordat ik haar beleef als goddelijke schepping. Ik wil van haar aanvaarden, wat ik voor de instandhouding van mijn lichaam, voor de bevrediging van mijn lichamelijke behoeften nodig heb, zonder evenwel in egoïstische uitbuiting te vervallen. Ik wil de aarde verzorgen en haar als milieu beschermen en als waardig goddelijk schepsel cultiveren. Dit is ons mensen toevertrouwd als grondslag voor ons fysieke bestaan, niet in de zin van door macht afgedwongen uitbuiting, maar als een plaats waar een krachtige uit de geest en het wezen van de mens ontsproten cultuur kan gedijen.

In de vervulling van zo’n taak word ik waarlijk vrij, vind ik mijn bestemming als vrij mens. Niet macht is dan mijn doel, maar besef en liefde en vanuit die beide: ontwikkeling van vernieuwende impulsen. Ik besef: uit de geest ontwikkelde de mens, de mensheid zich om zelfstandigheid en vrijheid van het eigen geestelijke wezen te veroveren. Vanuit die vrijheid zoekt de mens bewust het geestelijke wederom waarbij zijn geïndividualiseerde geestwezen ten volle behouden blijft. In liefde neemt hij op die tocht de hem omringende schepping van de materiële wereld mee, die hem de basis schenkt voor zijn lichamelijke bestaan.

De beantwoording van de vraag naar de oorsprong van de mens als lichamelijk wezen is allicht gemakkelijker dan de vraag naar zijn oorsprong als geestelijk wezen.

Wij hebben gezien, dat ons lichaam vergankelijk is, niet duurzaam bestaat. Het is niet moeilijk in te zien, dat een levend wezen steeds een ander op aarde levend wezen nodig heeft, dat hem in de tijd voorgaat en waaruit hij ontstaat of waarvan hij afstamt. Al het levende ontstaat slechts uit het levende, d.w.z. het ene lichaam uit het andere. Dit is een feit, dat zich dagelijks op duizendvoudige wijze om ons heen sinds onheuglijke tijden voltrekt, ieder kan het waarnemen. En juist dit een ieder bekende feit staat in de meest krasse tegenstelling tot de verklaring van de materialistische wetenschap omtrent het ontstaan van het leven, van de levende lichamen. Vanzelfsprekend neemt ook een materialistisch georiënteerde wetenschapper het door ons genoemde feit waar, dat al het leven slechts van iets levends afstamt. Als het echter erop aankomt, het ontstaan van het allereerste leven te verklaren, vindt hij plotseling een hypothetische “generatio spontanea” uit, een soort van theoretische oer-verwekking, volgens welke uit de oorspronkelijk aanwezige, levenloze materie – iets anders kan de materialist zich niet voorstellen – door een hoogst gecompliceerde, maar totaal onduidelijke en onverklaarbare samenbundeling, of wat voor complicatie dan ook, het leven zou zijn ontstaan. Wat een merkwaardige, wonderlijke, maar totaal onlogische en bovenal elke wetenschappelijke denktrant tegensprekende zienswijze! Een zienswijze, die juist die wetenschappelijke denktrant weerspreekt, die slechts wil laten gelden, wat uiterlijk zintuigelijk kan worden waargenomen. Waargenomen echter kan worden, dat materie, dode materie, altijd ontstaat als het leven zich daaruit terugtrekt, dus wanneer zich een doodsproces voltrekt. Nooit en te nimmer heeft men gezien, dat iets doods, iets wat levenloos is, plotseling uit zichzelf ging leven!

Waarneembaar is ook, dat een levend organisme dode stof, bijvoorbeeld mineralen, opneemt en deze – doordat het leeft – integreert, met leven doordringt, tot levende organische substantie maakt. Dit proces volbrengen wij voortdurend, bijvoorbeeld in onze stofwisseling.
Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde, dat er eerst een levend organisme moet zijn dat de dode materie met leven doordringt. Als het leven zich terugtrekt ontstaat dode, levenloze substantie.

Wanneer het leven zich uit een gevormd organisme losmaakt, dan blijft er voorlopig iets over wat wij een lijk noemen, dat zich na verloop van tijd in de levenloze natuur oplost. Door deze observaties zijn wij in onze gedachtegang bij twee polariteiten aangekomen: wij hebben aan de ene kant de polariteit dode materie-levende, door het leven gegrepen materie ontdekt, aan de andere kant hebben wij de polariteit levende materie-gevormde materie gevonden. Omtrent beide polariteiten hebben wij ons hierboven reeds een inzicht verschaft. Wij hebben ons bezig gehouden met het proces dat dode materie in het gebied van het leven wordt opgenomen. Met betrekking tot de polariteit levende materie-gevormde materie hebben wij gezien, dat vormgevende processen altijd afbraakprocessen zijn, d.w.z. processen die het levende, de opbouw afremmen tot een zeker eindpunt. In dit verband is dat een vorm, een gestalte. Leven en gestaltevorming, levend-opbouwende en gestalte gevende, afbrekende processen staan polair tegenover elkaar. Zij bepalen als zodanig onze lichamelijke constitutie. Als zij in evenwicht zijn voelen wij ons gezond; als in de krachtsverhouding de ene of de andere kant domineert, dan voelen wij ons in een onevenwichtigheid betrokken, wij worden ziek. Voortdurend moeten wij in ons aardeleven naar het evenwicht van beide krachten, die van het leven en die van de vormgeving, van de opbouw en van de afbraak zoeken. In het bereiken, respectievelijk het steeds weer opnieuw uitbalanceren van dit evenwicht ligt ook een van de bedoelingen van ons bestaan op aarde.

Wij kunnen op grond van het voorafgaande nu zeggen: in het aardse gebied geboren worden betekent voor het geestelijke wezen van de mens, dat hij zijn geestelijke vaderland, de wereld van de goddelijke oorsprong, verlaat. Zo gezien sterft de mens voor de geestelijke wereld als hij fysiek wordt geboren. De fysieke dood daarentegen leidt het geestelijke wezen “mens” weer terug naar zijn eigenlijke vaderland. De mens wordt voor de geestelijke wereld opnieuw geboren als hij fysiek sterft. De scheiding van het geestelijke vaderland is evenwel noodzakelijk als het menselijke wezen zelfstandigheid en vrijheid wil verkrijgen. Een dergelijke ontwikkeling kan echter alleen in deze aardse wereld plaatsvinden. Geboorte en dood, zo gezien, zijn dus in de ene en in de andere richting gebeurtenissen die door goede machten in de wereld werden geplaatst om de mens de mogelijkheid te schenken dat hij zijn wezen ontwikkelt en vervolmaakt. Zonder geboorte en dood zou er ook geen opstanding zijn. Als wij dit inzien en aanvaarden kunnen wij met Goethe met betrekking tot de zin van ons bestaan op aarde en onze ontwikkeling als aardeburgers zeggen:

”Und so lang du das nicht hast,
dieses Stirb und Werde,
bist du nur ein trüber Gast
auf der dunklen Erde”

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.
(bron)

Wij verwijzen ook naar het boek van de auteur ”Die Geburt der Individualitat”, waaraan het bovenstaande – door de schrijver voor de Weleda Berichten bewerkt en aangevuld – is ontleend.

De publicatie is verschenen bij Verlag Urachhaus, Stuttgart.

.

Algemene menskunde: voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2762-2591

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 295)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 295  3e voordracht

n.a.v. een verhandeling  van ‘L’ over het paard, zegt Steiner:
(we weten niet wat ‘L’ heeft gezegd)

Bei Tierbeschreibungen wird es nun aber ganz be­sonders wichtig sein, daß wir in jeder Einzelheit besonders ins Auge fassen, daß der Mensch eigentlich das ganze Tierreich ist. Das ausge­breitete Tierreich ist der Mensch. Nicht wahr, solche Ideen kann man den Kindern nicht theoretisch beibringen. Das soll man auch nicht

Bij beschrijvingen van dieren zal het echt heel belangrijk zijn, dat we er in detail de aandacht op vestigen dat de mens eigenlijk het hele dierenrijk is. Alle dieren samen, dat is de mens. Natuurlijk kan men de kinderen zulke ideeën niet theoretisch bijbrengen. Dat moet men ook niet doen.-
GA 295/37
Praktijk van het lesgeven/37

(voor het melancholische kind): Ja, was ich bei diesen Tierbeschreibungen bitten würde, das wäre nur, möglichst darauf Rücksicht zu nehmen, daß das Kind angeleitet wird zur Beobachtung der Tiere, daß in solchen Beschreibungen wirk­liche Naturgeschichte liegen könnte. Daß die Tierbeobachtung als solche gefördert würde.

Ja, wat ik alleen zou willen vragen bij deze beschrijvingen van dieren: probeer er zo veel mogelijk op te letten dat het kind ertoe wordt aangezet om de dieren goed te bekijken, dat er in zulke beschrijvingen werkelijk van biologie sprake zou kunnen zijn.
GA 295/46
Praktijk van het lesgeven/45-46

GA 295  14e voordracht  

blz. 152

Es besteht bei den alten Ägyptern der Mangel, daß sie unperspektivisch sehen. Es malt der alte Agypter das Gesicht im Profil und den übrigen Körper en face. Diese Eigentümlichkeit der Auffassung müßte man den Kin­dern schon beibringen.
Dann müßte man herstellen den Zusammenhang des ägyptischen Zeichnens und Malens mit dem naturgeschichtlichen Prinzip, das sie hatten, daß sie die Menschen mit Tierköpfen machten und so weiter. Schon in alten Zeiten ist die Vergleichung des Menschen mit den Tieren sehr weit getrieben worden. Man könnte dann dem Kinde dasjenige beibringen, was veranlagt ist in jedem menschlichen Kopf und was zum Teil das Kind heute noch sieht. Die Ägypter haben noch diese Ver­wandtschaft der Menschenphysiognomie mit den Tieren wahrgenom­men. Sie waren noch auf dieser kindlichen Stufe der Anschauung.

De oude Egyptenaren hebben het gebrek dat ze niet perspectivisch kijken. De oude Egyptenaar tekent het gezicht in profiel en de rest van het lichaam en face. Deze kenmerkende manier van kijken moet men de leerlingen eigenlijk bijbrengen. Dan zou men het verband moeten leggen tussen het Egyptische tekenen en schilderen en het principe dat hun natuurbeschouwing kenmerkt, namelijk dat ze mensen met dierenkoppen afbeeldden enz. Al in oude tijden werd de vergelijking van de mens met  dieren heel ver gevoerd. men zou het kind dan kunnen bijbrengen wat er in het hoofd van ieder mens in aanleg aanwezig is en wat het kind tegenwoordig gedeeltelijk nog ziet.* De Egyptenaren namen deze verwantschap van de menselijke fysionomie met de dieren nog waar. Zij bevonden zich nog in deze kinderlijke fase van waarnemen.
*zie Algemene menskunde‘ 12e vdr.
GA 295/152
Praktijk van het lesgeven/140-141

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

.

1382-1293

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (20)

.

Mineralen ~, planten -, dierenrijk       

GESTOLDE FASEN IN DE EVOLUTIE

Steen, plant en dier, ze beho­ren tot onze directe omgeving. Tot ieder van de drie hebben we echter een andere ver­houding.
Hoe kunnen we ze zien in ‘de draad’ van de mense­lijke evolutie? Een beschouwing naar aan­leiding van de aanwezigheid van deze drie natuurrijken in de kerststal.

Wanneer tegen Kerstmis allerwegen onder kerstbomen kerststalletjes worden opgesteld, met het Jezuskind in het kribje en Jozef en Maria aan weerszijden, ziet men bijna altijd ook os en ezel.

Lange tijd geleden zag ik veel kerststallen in Bohemen, met veel meer dieren erom heen. Men kreeg de indruk dat het de bedoeling was het hele dierenrijk te vertegenwoordigen. Er waren ook rijkelijk veel planten te zien, terwijl stenen ook nooit ontbraken. Aanvan­kelijk heb ik daar niet bij stil gestaan, doch langzamerhand is het tot mij door gaan drin­gen dat dit op een traditie berust, waarin een vroegere wijsheid zich nog uitspreekt, die wij langzamerhand uit het oog dreigen te verlie­zen. Het Kerstkind wordt geboren en dieren, planten en stenen – de rijken der natuur -staan ‘peet’. Waarom?

Ik meen, dat slechts de onthullingen van Rudolf Steiner hier licht kunnen brengen.
De drie natuurrijken, stenen, planten en dieren, die vóór het verschijnen van de mens op aar­de ontstaan zijn worden gewoonlijk be­schouwd als deel van zijn evolutie, dat wil zeggen dat de mens tenslotte uit het dieren­rijk voortgekomen is. Dit laatste moet men dan weer uit het plantenrijk ontstaan denken en dit ten slotte weer uit het minerale rijk. Het is hier niet de plaats om deze gedachtegang ter discussie te stellen. Hoogstens kun­nen wij zeggen dat 200* jaar intensief weten­schappelijk denken voor het raadsel van de verhouding van de mens tot deze drie rijken, geen bevredigende oplossing heeft gevonden.

Belicht vanuit de antroposofie is de mens nooit een dier, nooit een plant en nooit een mineraal geweest, doch hij heeft het dierenstadium, plantenstadium en minerale stadium doorlopen.
Hier mag niet verzwegen worden dat een moderne onderzoeker, Erich Blechschmidt, onafhankelijk van deze gegevens, tot het inzicht gekomen is dat de mens nooit een dier, doch altijd een mens geweest is. Rudolf Steiner spreekt erover, dat de mens in een eerste stadium, dat het minerale ge­noemd kan worden, slechts een fysiek lichaam geschonken kreeg, dat uit een ‘warmte-vorm’ bestond.
In een volgende fase werd de mens het leven geschonken, terwijl zijn sub­stantie zich ten dele tot ‘lucht’ verdichtte.
In de derde fase werd de mens de ziel geschon­ken en de substantie verdichtte zich verder ten dele tot het ‘vloeistofachtige’.
In de vier­de fase tenslotte werd de mens zijn geest ge­schonken, terwijl de substantie zich ten dele nog verder verdichtte tot ‘aarde’, dat wat wij nu de minerale wereld noemen.
Wat hiernaast vermeld moet worden is, dat van elke fase een gedeelte zich afsplitst wat zich niet verder ontwikkeld heeft, zodat wij een rijk gekregen hebben dat alleen het ‘lichamelijke’ element bevat, een tweede rijk dat lichaam en leven vertoont en een derde rijk dat lichaam, leven en ziel bevat.
Het zal de lezer niet veel moeite kosten, te herken­nen dat wij hier met het mineralenrijk, plan­tenrijk en dierenrijk te doen hebben, waarbij men zich voor ogen moet houden, dat de ge­leidelijke verdichting, die van warmte naar lucht, naar water en naar aarde plaats heeft gevonden en heeft geleid tot het beeld van de rijken zoals zij nu zijn. Men kan begrijpen dat het minerale rijk dus het langste verleden heeft en de mens pas betrekkelijk aan het be­gin van zijn ontwikkeling staat.

Vreugde
Ik zou nu verder drie formules willen uitspre­ken, waarvan ik hoop dat men zal kunnen merken dat zij in een logisch verband met het voorafgaande gedacht kunnen worden en ook de rijken geleidelijk aan in een geheel nieuw licht doen zien.

Het dierenrijk is de belichaming van een over­maat aan begeerte, die voor de mens een be­lemmering geweest zou zijn zijn mensenfa­se te beginnen.
Het plantenrijk is de belicha­ming van een overmaat aan vitaliteit, die voor de mens een belemmering geweest zou zijn in zijn dierenfase te komen.
Het mine­ralenrijk is de belichaming van een verdichting, die de mens belemmerd zou hebben tot de plantenfase te komen. Wij kunnen nu ook zeggen: daardoor is de mens in staat te leven op het mineraal, van de plant, met de dieren, onder de mensen.
Wanneer dit over mineraal, plant, dier en mens gezegd is, moeten wij niet verzuimen te beseffen wat het zeggen wil, ons op de vaste grond te kunnen verheffen, wat een vreugde wij kunnen ondervinden door het ‘kunnen staan’.
De plant daarentegen is de bron van het menselijk leven. Wat een vreugde beleven wij niet aan het plantenrijk.
Op drievoudige wijze kennen wij de plantenzegen, die ik als volgt pleeg aan te geven:
wij hebben mooie planten om naar te kijken, dikke planten om van te eten en onvolledige planten – die nog, wat ‘te zeggen hebben’ – om mee te genezen.
Wat zijn dieren? Wezens die ons dienen, doch ook onze vrienden zijn. Er zijn weinig woorden voor nodig om ons eraan te herin­neren welk een vreugde wij aan dieren kun­nen beleven. Wanneer wij echter tevens den­ken aan de zo-even gegeven definitie, veran­dert dit gevoel vóór alles in een van dank­baarheid.

Wanneer tenslotte over het ‘onder de mensen’ leven ook als een bron van vreugde gespro­ken wordt, hoor ik in gedachten stemmen, die veel kritiek op hun medemens hebben en deze gedachte in twijfel zouden willen trek­ken. Laat men zich echter eens voorstellen wat het betekent, eenzaam te zijn, naast het samen-zijn met onze medemensen. Laten we niet vergeten hoe sterk de liefdeband met an­dere mensen zijn kan.

Verantwoordelijkheid
Men spreekt te veel over het slechte in de mens en vergeet daarbij het goede dat in alle mensen te vinden is, dat wij elk ogenblik van de dag meemaken. Doch wij moeten dan niet in de eerste plaats denken aan de regerings­leiders, de bekende staatslieden. Ik wil geen kwaad van hen zeggen, doch ik zou erop willen wijzen, dat het werkelijk goede ge­zocht moet worden in de kleine dingen, die zich voortdurend om ons heen afspelen, klei­ne attenties, kleine offers, een vriendelijke blik, een helpende hand. Waardoor kunnen wij dankbaar zijn? Door­dat in elk mens iets van dit goede leeft. Het is het zelfde mysterieuze iets in de mens, waardoor hij zijn vrijheid beleeft en zijn ver­antwoordelijkheid voelt, ook wanneer dit niet elk ogenblik aan den dag treedt. Het is er, in elk mens op de wereld. Vroeger was dat niet zo. Mag ik nog een keer in een enke­le formule uitdrukken hoe in vroegere tij­den de mensen met hun leiders, die destijds vaak koningen genoemd werden, leefden?
‘De volkeren hingen aan de koning, de ko­ningen hingen aan de hemel.’ Dit betekent, dat de mensheid tenslotte nog geheel afhan­kelijk was van richtlijnen, die direct vanuit de geestelijke wereld aangegeven werden. Niet alleen in mythologische verhalen, ook het hele Oude Testament getuigt van deze af­hankelijkheid van de mens. De mens was nog niet goed. ‘God was goed.’
Dit veranderde op dat ogenblik, dat datgene wat de mensheid eens van buitenaf geleid had, in de mens ging wonen: toen een godde­lijk wezen de mens volgde in datgene, wat altijd genoemd wordt ‘de zondeval’. Het is zelfs niet moeilijk om wat over het ontstaan van het dierenrijk gezegd is, ook hiermee in verband te brengen.

Offer
Door dit alles heen loopt ‘de draad’ van de menselijke evolutie. Het algemeen herkennen van deze evolutie in de natuur, een paar hon­derd jaar geleden, heeft een golf van enthousiasme in de wetenschappelijke wereld ver­oorzaakt. Wanneer we ons een ogenblik voor de geest halen dat mens-zijn onverbrekelijk verbonden is met ontwikkeling, met evolutie dan moeten we even terugdenken aan de rij­ken, die door hun achterblijven ons het mens-worden mogelijk gemaakt hebben.
Stenen, planten en dieren kunnen zich nooit ontwikkelen. Dit geldt zeker voor die wezens die de rijken geschapen hebben en ze in stand houden. Zij zijn daardoor buitengeslo­ten van de evolutie, doch men moet dit vóói alles zien als een grandioos offer.
Wat tot nu toe gezegd is, leeft in het gedicht van Christian Morgenstern

‘Die Fusswaschung’:

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein-
und aller Gottheit Vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein. *

Wat ‘mensenkind’ betekent, is hopelijk tus­sen de regels door uit het voorafgaande dui­delijk geworden. Het is datgene, wat met het woord ‘het goede’ aangeduid is. Dit alles heeft echter zijn gevolgen. De scheppende wezens die met de drie rijken verbonden zijn, kunnen weer opgenomen worden in de stroom der evolutie, wanneer zij daartoe bevrucht worden door hetgeen wat de mens tegenover de rijken doet, dat wil zeggen dat hij ze leert begrijpen, dat hij leert dankbaar te zijn en dat hij op de juiste manier met ze om leert gaan. Wat dit laatste betreft, wil ik hier liever niet in verwijten treden, die ons op de lippen kunnen komen wanneer wij er aan denken wat de mens dieren, planten en mineralen op het ogenblik aandoet. Laten wij terugkeren naar de eerste zinnen, toen gezegd werd dat de rijken ‘peet staan’ bij de geboorte van dat­gene, dat de bron kan worden van hun ‘be­vrijding’.

*Hoe dank ik U, Gij stille steen,
en neig ik nederig mij tot U:
aan U dank ik mijn planten-zijn.

Ik breng U dank, Gij plant en steen
en maak een buiging naar U heen:
het dieren-zijn viel mij ten deel.

Ik dank U, steen en plant en dier,
en buk mij diep voor U terneer:
door U pas kwam ik tot mij zelf.

Wij danken U, Gij mensenkind,
en knielen, liefdevol en vroom:
want door Uw komen zijn wij hier.

Zo dankt het een het ander steeds
en alles telkens weer elkander:
het zijn omvat slechts dankbaarheid.

(Leen Mees, Jonas 8/9, 14-12-1984)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmisjaartafel

.

393-371

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (2-1/5)

.

DIERKUNDE IN DE IVe EN Ve KLASSE

Een artikel uit 1927.

Geen onderwijs, dat zóó vanzelfsprekend de warme belangstel­ling en liefde van het kind heeft, als het dierkunde-onderwijs; waar­mee op de Vrije School in de 4e klasse begonnen wordt, om in de 5e over te gaan tot plantkunde en in de 6e tot de mineralogie.

Van klein kind af heeft het dier hem geboeid, eerst als een wezen, dat hem zóó na staat, dat hij het eigen gedachten en gevoelens toe­schrijft, met wien hij babbelt en speelt als met een kameraadje. De diersprookjes zijn werkelijkheid voor hem, met gretige aandacht volgt hij deze vertelsels, wier oorsprong teruggaat tot in het ver­leden, toen de menschheid kinderlijk en naïef, als onze kleuters, in een totaal andere verhouding stond tot de natuurrijken en bovenal tot de dieren.

Evenals de menschheid de evolutie van sprookje tot fabel door­maakte gaat het de kinderen. Naarmate zij zich ontwikkelen, begin­nen ze oog te krijgen voor het karakteristieke van de verschillende dieren, bewuster en duidelijker gaat hij het dier als deels anders geaard, deels overeenkomstig wezen voelen; zoo naderen zij den tijd, dat ze het dierkunde onderwijs kunnen ontvangen.

Geen systematische indeeling van het dierenrijk in hoofdafdeelingen, klassen, orden en families geven wij het lagere schoolkind. Dat komt pas veel later, tijdens den middelbaren schoolleeftijd, als zijn ontwikkeling zoover gevorderd is, dat hoofdzakelijk aan het verstand geappelleerd moet worden. Hier echter is het 9-jarige kind nog lang niet aan toe, het leeft nog geheel in zijn gevoelsleven, in den stroom van sympathieën en antipathieën.

Als superieur aan het dier is hij zich gaan voelen, en ’t behoort niet tot de uitzonderingen, dat hij hiervan gebruik en misbruik ma­kend, zich in zijn meerdere macht doet gelden.

Wat dus ons uitgangspunt moet zijn: is hem tegenover de ver­schillende natuurrijken te wijzen op zijn plaats als mensch, hem zich-zelven te doen voelen als geestelijk en lichamelijk wezen tegenover en te midden van dier, plant en mineraal.

Wij gaan niet uit van het dierenrijk om op te klimmen tot den mensch en hem deze, als hoogste vertegenwoordiger der dieren te beschrijven, zoodat hij zichzelven als een hooge diersoort leert be­schouwen — neen — we gaan uit van den mensch als hoogste der aardeschepselen, als geestelijk wezen verhevener dan het dier, vrijer dan het dier en ook anders dan het dier. Komend uit geestelijke werel­den, terugkeerend tot geestelijke werelden, zijn oorsprong vindend in tijdperken, die nog veel verder terugreiken, dan die waarin het dier ontstond, is niet de mensch laatste van de dierenrijk, maar eerste der aardeschepselen, tegenover de in ontwikkeling teruggebleven dieren. Heilig is zijn plaats, maar groot aan verplichtingen tevens.

Fier is ’s menschen gestalte. Verticaal de stand van het ranke lijf, dragend het fijne, ronde hoofd, in tegenstelling tot de horizontale romplijn van het dier en den kop, die hangt aan den hals.

Hoog welft de menschelijke schedel in stevige omsluiting de teere hersenen en zintuigen voor letsel behoedend. Edel is de vorm van het menschelijk hoofd, als een weerspiegeling van den hoogen hemel­koepel. Dan volgt het langer gerekte lijf, de zetel van hart en lon­gen, van spijsverteringsorganen. En eindelijk de slanke ledematen, die hooger doel kunnen dienen, dan die van het dier. Want het meest specifiek menschelijke zijn onze handen, die geen wezen heeft als wij, ook een aap niet, bij wien ze meer als een tweede paar voeten, dan als eigenlijke handen dienst doen.

Menschelijke handen kunnen een sociaal doel dienen, dierlijke handen, juister pooten, slechts een egoïst doel.

In het hoofd kunnen nobele gedachten gewekt worden, maar zoolang ze in het hoofd besloten blijven, hebben ze slechts in de ideeënwereld waarde, sociale waarde krijgen ze pas, als de lede­maten gehoor geven aan den wil tot de daad en hunne medewer­king verleenen.

Met het werk zijner handen en het gesproken woord stelt de mensch zich sociaal te midden van zijne medemenschen.

Zoo moet het kind het waarachtig menschelijke leeren onderschei­den, om met dieper eerbied, dan een materialistisch-natuurwetenschappelijke zienswijze mogelijk maakt, zichzelven te midden van het dierenrijk te leeren zien.

En nu het dier!

Doffer in zijn bewustzijnsvormen, sterk gebonden aan eigen
licha­melijkheid, aan oer-instincten, aan lust en onlustgevoelens, vertoont zich het dier.

De primitiefste dieren, nauwelijks van een plant in leefwijze
on­derscheiden, zijn het meest aard-gebonden en vertoonen een zekere overeenkomst met het oudste deel van den mensch n.l. met het hoofd, dat vegeteert op de rest van het lichaam. De eenvoudige ronde vorm, de beperkte bewegingsmogelijkheid, het vegetatieve bestaan, men vindt het alles bij de laagste diersoorten, protozoën, holtedieren en stekelhuidigen terug, zelfs de merkwaardige inktvisch, die al tot de hoofdafdeeling der weekdieren behoort is eigenlijk niet anders dan een groote levende rompachtige kop met 8 of 10 lange pootachtige uitstekende lippen.

Komen wij tot de beschrijving van de overige weekdieren bijv. de slakken, dan vinden we daar een sterk uitgesproken rompvorm. Kop en pooten zijn bitter klein, maar ’t dier is eigenlijk een langgerekt lichaam. Evenzoo de wormen tot zelfs de vischsoorten toe.

Pas bij de hooger gewervelde dieren vindt men krachtig ontwik­kelde ledematen, om bij den mensch daarvan de hoogste volmaking aan te treffen.

Komen wij nu, na deze zeer globale beschouwing tot de bespre­king van de verschillende meer bekende diersoorten, dan is het goed met het negenjarige kind eenige typische vormen meer uitvoerig te bespreken, en van deze bijzondere representanten uitgaande een groote groep van dieren daaromheen te rangschikken.

Gaan wij bijv. uit van de drieheid leeuw, koe(stier), adelaar, reeds eeuwen geleden als symbolen der evangelisten gekozen.

De koninklijke leeuw, het zonnedier bij uitnemendheid. Zijn krachtige ademhaling en bloedsomloop zijn onderling in hooge mate evenwichtig.
Geweldig zijn de weelderige manen,, die als zonnestralen rond den indrukwekkenden kop staan. Zonnekleurig is zijn huid, in de heete zonverzengde streken zijn woonplaats.

Geheel anders de koe, het spijsverteringsdier bij uitnemendheid. Reeds bij de Oud-Indiërs als heilig dier aanbeden, zet de koe het gras in zijn lichaam om tot kostelijk voedzame melk. Niet voor niets is de romp zoo groot en plomp, niet voor niets heeft het dier vier magen en een darmkanaal, dat 22 maal zoo lang is als zijn lichaam. Ongeveer 1/8  van eigen lichaamsgewicht wordt dagelijks door de koe als voedsel verteerd. Dit goedige, phlegmatische dier.

Weer geheel anders is de adelaar. — Een vliegend hoofd zou men hem kunnen noemen. Evenals de mensch met zijn gedachtenleven ’t oneindige wil doorgronden, steeds hooger en hooger vlucht wil nemen zoo verheft de adelaar zich hooger en hooger in de ijle luch­ten. Ver boven ’t bereik van andere dieren op ongenaakbare berg­kammen bouwt hij zijn nest. Eenzaam, fier en zelfbewust is het be­staan van dezen vogel als van den denker.

Geheel overeenkomstig aan zijn groot vliegvermogen is zijn lichaamsbouw. De pooten, schraal, dun en licht van bouw zijn de minder belangrijke ledematen. Op de vleugels komt het bij de vogels aan. Hoe mooi en doelmatig is hun bouw! Hoe stevig de
schouder­gordel met 2 paar sleutelbeenderen. Op den hoogen kam van het borstbeen kunnen sterke vleugelspieren zich vasthechten. De rugge-, lenden- en heiligbeenwervels zijn vergroeid, om het lichaam meer stevigheid te geven. De staart dient als roer. De groote beenderen zijn hol en met lucht gevuld; bovendien heeft de vogel luchtzakken, die met de longen in verbinding staan. De lucht in deze luchtzakken wordt door de lichaamstemperatuur, welke bij een vogel ± 42° C. bedraagt, verwarmd. Omdat warme lucht lichter is dan koude, komt dit het vliegvermogen ten goede.
Iedere vogel draagt dus eigenlijk een warme-lucht-vogel in zich.
Van warme lucht doordrongen, daarin specifiek in zijn element, leeft de vogel zijn luchten-bestaan, vliegend alle aardezwaarte over­winnend.

(T. Gischler  in ‘Ostara”  1e jrg. nr.2, blad van de Haagse vrijeschool, dec. 1927.)

.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: dierkunde

 

227-214

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.