Tagarchief: denken voelen willen

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-3/1)

Rudolf Steiner: Een op menskundig inzicht gebouwde pedagogie moet er absoluut van uitgaan, de ontwikkeling, de levensvoorwaarden af te lezen aan de menselijke natuur. Als de opvoeder goed kan ‘aflezen’, kan hij het kind zó helpen, dat de eigen aard van het kind te voorschijn komt. Alleen dan is de opvoedkunst echt gezond.
Wegwijzers 360


In [1-7] komen de verschillende mensbeelden aan bod.
Het mag in eerste instantie verwonderlijk aandoen: mensbeelden, maar wanneer je ziet dat Steiner vooral wil karakteriseren, een onderwerp van alle kanten wil belichten, kan je daar makkelijker in meegaan. Het maakt alles levendiger, genuanceerder omdat je standpunt – je vertrekpunt steeds anders is.

Op ‘Antroposofie een inspiratie‘ heb ik al uitvoerig stilgestaan bij het drieledig mensbeeld.
.

Kees v.d. Zwet, antroposofie Noord-Holland, 2017*
.

In de antroposofie wordt de mens gezien als één geheel. Een geheel dat bestaat uit verschillende lagen die weer onderverdeeld worden in meerdere indelingen. Het doel daarvan is om de mens op verschillende niveaus te kunnen beschouwen zodat inzicht verkregen kan worden in het reilen en zeilen van de mens. Dit kun je op jezelf toepassen maar ook op een ander, denk bijvoorbeeld aan een arts of een leraar die op deze manier naar een persoon kan kijken. Rudolf Steiner besprak in lezingen over de menskunde onder andere het drieledig mensbeeld bestaande uit lichaam, ziel en geest en het vierledig mensbeeld, fysieklichaam, etherlichaam, astraallichaam en het ik. Naast deze twee indelingen beschreef Steiner ook een andere drieledigheid, namelijk die van de ziel met de drie zielenkrachten denken, voelen en willen. Drie krachten die, als ze in balans zijn, zorgen voor een gezond, evenwichtig en vrij leven waardoor de mens zijn pad op aarde op de juiste manier kan doorlopen. Deze zielenkrachten komen tot uiting in en via de menselijke gestalte, bestaande uit het hoofd, de romp en de ledematen. Het lichaam wordt in de antroposofie dus ook weer in drie delen opgesplitst. Maar denken, voelen en willen zijn ook thema’s die idealiter elke zeven jaar om en om een leidende rol spelen in een mensenleven. En die gedurende een dag in de juiste mate afgewisseld en gevoed moeten worden, wil het allemaal in balans blijven. Net als waken en slapen, inspanning en ontspanning is het belangrijk om het denken, voelen en willen als een ademhaling af te wisselen. Maar hoe zit dat dan? Waar bevindt zich bijvoorbeeld de wil, hoe uit dat zich, hoe gebruiken therapeuten of leraren dit principe en hoe is het allemaal met elkaar verbonden?

Denken Voelen Willen in de menselijke gestalte

Het denken (bovenpool) vindt voornamelijk plaats in het hoofd en dringt via de zenuwbanen door in het hele lichaam. In het denken zijn wij vrij. Wil dit goed functioneren dan is hier koelte en stilte nodig. Bij te veel warmte, bijvoorbeeld door koorts of een te hoge buitentemperatuur kun je niet meer helder denken. Naast de juiste temperatuur moeten de hersenen ook volkomen stil en bewegingsloos zijn. Kenmerkend voor het bewustzijn van de bovenpool, is dat hier een helder (dag) bewustzijn heerst. Hiermee zijn we in staat naar de wereld, de mensen om ons heen en onszelf te kijken. Dit beschrijft een ideale situatie. Echter, in de tijd waarin we nu leven zie je dat we steeds meer in het denken schieten en dus te veel in het bewustzijn leven. Dit gaat ten koste van de vitale krachten. Tijdens de slaap worden deze vitale krachten weliswaar hersteld, maar als er roofbouw wordt gepleegd doordat het etherlichaam (dat o.a. zorgt voor groeiprocessen) niet genoeg de kans krijgt om het lichaam opnieuw op te bouwen, ontstaat er een disbalans. Al dat denken kan ook leiden tot slapeloosheid omdat je maar blijft piekeren en dat doet de opbouw nog verder stagneren. Ziekte, stress, depressie, starheid en burnout kunnen hier directe gevolgen van zijn. Het is dus van groot belang het hoofd zowel symbolisch als letterlijk koel én stil te houden.

Het voelen (middenpool) vindt plaats in onze romp, tussen de bovenpool en de onderpool. Ze werken alle drie op elkaar in. Bij het voelen kom je namelijk pas uit als je als mens het denken en willen in de juiste proporties afwisselt. Zit je te veel in het denken, dus in de bovenpool, dan kun je vaak niet meer bij je gevoel komen en komt er nog maar weinig uit je handen. En als je alleen maar blind gaat voor wat je wilt, dan bestaat de kans dat je het gevoel/contact met je hoofd (denken) verliest. Er ontstaat dan wederom een disbalans tussen de polen met alle gevolgen van dien. Het voelen fungeert dus als bemiddelaar tussen het denken en het willen en zorgt voor balans en harmonie. En in het voelen is het dat we ons eigen mens-zijn het meest beleven.
Gedurende de dag en ons leven schommelen we heen en weer tussen sympathie en antipathie en openen en sluiten ons voor de indrukken van de buitenwereld. Als het ware is dat een ademhaling van opnemen en weer loslaten. De middenpool is dan ook een ritmisch gebied. De organen, het hart en de longen horen bij het voelen. Zij reageren alle direct op onze emoties en gevoelens. Kenmerkend voor het bewustzijn van het middengebied is het droombewustzijn. We hebben met ons denken en ons willen (die ons gevoel sturen) eigenlijk geen bewuste invloed op hart, organen en longen. Alles wat zich daar afspeelt, gebeurt vrijwel zonder dat we dat door hebben of er invloed op uit kunnen oefenen. Niet echt in ieder geval. We kunnen als we ons best doen het kloppen van het hart én de ademhaling met de longen een beetje sturen, maar uiteindelijk gaat je lichaam vanzelf weer ademhalen als je dat een tijdje hebt ingehouden.

Het willen (onderpool) komt tot uiting via onze ledematen en de stofwisselingsorganen. Hier heerst in een gezonde situatie warmte, beweging en zijn grote regeneratievermogens aanwezig. Onze stofwisselingsorganen zijn levendig. De vertering van wat we tot ons nemen zowel lichamelijk (voeding) als geestelijk (indrukken en gebeurtenissen) vinden hier plaats. Via het bloed heeft de stofwisseling contact met het hele lichaam. Met onze ledematen staan we handelend in de wereld. We kunnen bewegen en gestuurd door de wil in actie komen.
Kenmerkend voor het bewustzijn van de wil is dat deze leeft in een diep onbewust, slapend bewustzijn. Hierdoor is het vaak lastig om onze wilsimpulsen te doorgronden. Waarom wil of doe je iets per se wel of niet? We hebben het hier overigens niet over bijvoorbeeld de wens dat onze kinderen met mes en vork eten, maar over de grotere, diepere drijfkracht die ons in bepaalde richtingen duwt. Door het observeren van ons handelen in de wereld kunnen we bewust worden van de doorwerking van onze wil, die eigenlijk een link heeft naar de tijd voordat we geboren werden. Voordat je weer incarneert op aarde bedenk je namelijk voor jezelf een plan. Wat wil je gaan doen/betekenen in je volgende leven? Zodra je geboren bent, worden die plannen echter onbewust. Je herinnert je ze niet meer. Toch doe je dingen in je leven of neem je stappen die misschien willekeurig lijken, maar zit daar dus wel degelijk een wil, een hoger plan achter. Een voorbedachte wil als het ware.

Denken Voelen Willen in de ontwikkeling van de mens

Hoewel dit denken, voelen, willen thema gedurende je hele leven evenwichtig gevoed dient te worden en in de juiste balans moet zijn of worden gebracht, heb je een voorsprong als je als kind deze drie zielenkwaliteiten vanwege je opvoeding op de juiste manier hebt kunnen verankeren in je lichaam. Het evenwichtig ontwikkelen van deze drie krachten in de eerste 21 levensjaren staat centraal in het vrijeschoolonderwijs en vormt de basis van de werkwijze van therapie. Want alleen wanneer alles in balans is, zul je als volwassenen een vrij mens kunnen zijn.

In een ideaal scenario wisselen denken, voelen en willen in de ontwikkeling van de biografie van de mens elkaar elke zeven jaar af. Van geboorte tot de dood kun je het leven (de biografie) van de mens in periodes van zeven jaar verdelen. In de de eerste vier zeven jaar periodes (van 0 tot 28 jaar) loopt de ontwikkeling van zowel ziel, geest en lichaam gelijk op. Met als focus de lichamelijke groei. In de periodes daarna stopt de lichamelijke ontwikkeling en verschuift het aandachtspunt naar de persoonlijkheid en weer later naar de innerlijke voortgang. Uiteindelijk takelt het lichaam langzaam af en wordt de mens steeds meer geest.

0-7 jaar
In de eerste zeven jaar verovert het kind zijn fysiek lichaam en leert het deze onder controle te krijgen zodat hij het kan gebruiken als instrument. Het kind reageert nog heel erg vanuit de wil op de wereld om zich heen. Via nabootsing van de volwassenen, maakt het kind zich de wereld eigen zodat het zich er veilig kan voelen. Het leert kruipen, lopen en praten en later denken. In deze zeven jaar vormt zich ook het geweten. Het is daarom van groot belang dat je als ouder of opvoeder nabootsingswaardig gedrag laat zien. Het kind vertrouwt de wereld volledig, zodat het gewoon alles nabootst wat er is. Van een echt bewustzijn is in deze fase van het leven nog geen sprake. De ontwikkeling van het fysieke lichaam vraagt zoveel energie dat het jonge mens zich min of meer in een droomtoestand bevindt.

7-14 jaar
In de tweede zeven jaar heeft het kind zich het fysiek lichaam eigen gemaakt en verschuift de focus naar het verwerven van de emotionele vaardigheden. Dit is ook de periode dat het kind zichzelf begint te zien als een eigen individu en minder vanuit de nabootsing zal gaan leven, maar meer vanuit de navolging. Hij zal zijn ouders, de leerkrachten en andere volwassen om zich heen gaan toetsen op hun navolgzaamheid. Er ontstaat een innerlijk voelen en een bewustzijn. Zo rond het negende, tiende jaar zie je dan ook dat kinderen zich af gaan vragen ‘Oké, ik doe dit wel, maar wil ik dat ook echt?’. Kinderen die deze fase op een gezonde manier doormaken, ontwikkelen een goed empathisch vermogen en gevoel voor kunst en schoonheid.

14-21 jaar
In de derde periode van zeven jaar, van pubertijd naar volwassenheid maakt de mens weer een flinke ontwikkeling door. Het analytische en abstracte denken krijgt steeds meer vorm. Hij zal zich meer gaan richten op zijn omgeving en de cultuur waarin hij leeft. Jonge mensen vormen in deze periode een eigen oordeelsvermogen door de wereld vanuit het denken te begrijpen. Ze gaan op zoek naar hun eigen weg en de biografie van de mens wordt steeds duidelijker.

Als de mens volwassen is gaat de ontwikkeling van het denken voelen en willen door. In eerste instantie in de groei en ontwikkeling van de ziel en later in de groei en de ontwikkeling van de geest. Eigenlijk kan je zeggen dat zodra je volwassen bent en je zelfstandig hebt leren denken, je de weg terug gaat. Nu kun je je gevoelens een plek gaan geven in plaats van je erdoor te laten beheersen. Ook ben je in staat je eigen wil in de wereld te zetten. Je kunt verwerkelijken wat je echt in de wereld wil gaan doen.
In het onderstaande schema zie je een overzicht van de zevenjaarsperiodes.

Bron: gezichtspunten nr. 16 | Biografie en Ziekte – Jan Staal

In het onderwijs

Het vrije(school)onderwijs wordt door sommigen wel de school van denken, voelen, willen genoemd. Dit thema is inderdaad een van de pijlers van ons onderwijs. Het komt te pas en te onpas terug en als vrijeschoolleerkracht raak je er eigenlijk nooit op uitgekeken omdat je er steeds weer nieuwe dingen in kunt ontdekken.
Dit denken, voelen en willen zien we terug in de driegeleding van de mens. Voor ons als leerkracht zit achter die driegeleding nog een heel verhaal. Er zit een gelaagdheid in die te maken heeft met de leeftijd van een kind en daar delen we ons onderwijs ook op in.
Het willen staat centraal in de leeftijd van nul tot zeven. In deze periode bestaan kinderen in de wereld simpelweg door te doen. Ze bootsen letterlijk na wat er in hun omgeving gebeurt. En dat doen ze vanuit hun wil, die tot uiting komt via de ledematen en de beweging. Het denken hebben ze nog niet echt tot hun beschikking en ook hun gevoel is nog erg in de wil verankerd. Die nabootsingskracht wordt extra gevoed als ze zinvolle dingen om zich heen zien. Daarom is het ook zo belangrijk dat je als ouder of opvoeder, maar ook als kleuterjuf nabootsingswaardig gedrag laat zien. Kinderen lezen als het ware door de volwassenen om hen heen, heen; hoe ze bewegen, hoe ze doen en wat ze zeggen. Al die informatie wordt door kinderen verinnerlijkt en eigen gemaakt. Met als doel zich thuis te kunnen voelen in deze wereld. De kleuterjuffen geven dus onder andere ‘les’ vanuit het nabootsen. Zij creëren een omgeving waarin het kind vanzelfsprekend mee doet met wat zij doet.

Als kinderen de basisschoolleeftijd bereiken, verschuift de focus naar het voelen. Dit is de tweede zevenjaarsperiode (zeven tot veertien) en de manier van leren verschuift van nabootsen naar navolgen. De kinderen hebben al enigszins een eigen filter en volgen je niet meer zo automatisch als in de kleutertijd. Ze zullen nu meer van binnenuit gaan voelen of ze iemand navolgingswaardig vinden of niet. Als het goed is lukt mij dat als leerkracht en willen ze doen wat ik doe omdat ze voelen dat het goed is. In dat gevoel zit een basis van vertrouwen en tegelijkertijd de afweging: wil ik iets nou wel of niet doen? Die twee polen, wel of niet meedoen zetelen in het gevoel. Natuurlijk gaat alles veel meer vanzelf als kinderen lekker in hun vel zitten en vanuit hun enthousiasme iets oppakken. Maar als ik het bijvoorbeeld over het kofschip ga hebben, zullen de meesten dat niet heel enthousiast ontvangen. De tegenzin die er in eerste instantie is, wordt als het goed is dan toch enigszins opzij geschoven omdat ze bij mij aanvoelen dat het belangrijk is om te leren.
Het beeld is ook een kernwoord in deze fase. Kinderen leren het meest doordat ze beelden en verhalen aangereikt krijgen. In klas vijf behandel ik de Griekse mythologie en die verhalen zijn een soort waarheid op zich. Dat zijn verhalen eigenlijk altijd. Het zegt namelijk iets over hoe je met anderen omgaat en hoe het met de geestelijke wereld zit. Door het beeld en de kracht waarmee kinderen zelf beelden maken, zakken ze in hun gevoel. Beelden zetelen in het gevoel, daarom heeft het een grote opvoedende waarde en gebruiken wij het zeker ook in deze fase van ons onderwijs.

Na het voelen komen ze terecht in het denken. In de leeftijd van veertien tot eenentwintig is het de bedoeling dat kinderen gaan leven vanuit hun eigen oordeel. De feitenwereld komt aan bod. Ook al zullen ze ook in deze fase nog voor een deel dingen doen omdat de leerkracht het zegt, het verschil met de vorige fase is dat ze nu in staat zijn de feiten voor zich te laten spreken. Een jongere kan nu zelf bedenken of iets wel of niet handig is om te leren en niet alleen omdat de leraar het zegt. Het eigen oordeel ontwaakt. Ze worden langzamerhand iemand die zijn eigen leven vorm kan gaan geven.

Het bijzondere aan deze manier van lesgeven is dat wij het kind in een omgekeerde beweging opvoeden. Vanuit de wilspool via het gevoel naar het denken. Toch proberen wij als leerkrachten elke dag en in elk lesonderdeel (rekening houdend met de leeftijdsfase) voeding te geven aan alle drie de gebieden. Als een ademhaling waarin de drie krachten elkaar op harmonieuze wijze afwisselen zodat het ene niet overbelast raakt en het andere juist te weinig aan bod komt. Als je naar de onderbouw kijkt, kan je zeggen dat het meer denkende deel aangesproken wordt in de periodeles, aan het begin van de dag. Denk aan rekenen en taal. Op het midden van de dag doen we aan kunstzinnige vormen en het echte bewegen doen we idealiter in de middag. Het mooie is dat ik tijdens zo’n periodeles ook weer inspeel op alle drie de krachten, alleen dan meestal in een omgekeerde volgorde. Ik begin met de spreuken en iets van bewegen, daarna kom ik bij het zingen (de gevoelskant plus al iets van het denken) en dan kom ik bij het eigenlijke denkdeel van een periode, bijvoorbeeld de vervoegingen van de werkwoorden.

Zo probeer ik elke keer weer uit wat wel en niet werkt. En dat blijft een zoektocht, want soms heb ik iets prachtigs bedacht maar merk ik dat het helemaal niet aankomt zoals ik had bedoeld. Of blijkt iets ‘gewoons’ juist boven verwachting enthousiasme op te roepen. Dat is de kunst van het lesgeven: de wisselwerking tussen je eigen voorbereiding en het concrete gebeuren in de les. Soms ervoor kiezen m’n eigen leerlijn door te zetten, soms iets bedenken wat op dat moment beter is om te doen.’

0-0-0

Meeta Hiep, kleuterjuf
.

Denken voelen willen in het kleuteronderwijs

In de kleuterklas staan vier woorden centraal: nabootsing, gewoonte, eerbied en fantasie. Deze krachten zijn belangrijk voor het kind van nul tot zeven. Ze helpen de kinderen namelijk de willekeurige bewegingen van hun lichaam om te vormen tot gecontroleerde bewegingen die ze gericht in kunnen zetten. Zo maken ze van hun lichaam hun eigen instrument. Wij zien en gebruiken deze krachten als opvoeders van de wil, want dat is waar de focus op ligt bij een kind in de leeftijd van nul tot zeven. Als kleuterjuf sta ik voor de taak ze daarbij te helpen. Dat betekent onder andere dat ik nabootsingswaardig gedrag moet laten zien. Daarvoor moet ik soms echt bewust nadenken hoe ik mij beweeg in de klas en wat ik allemaal wel of juist niet doe. Als we bijvoorbeeld naar buiten gaan en ik met de kleuters in een rij over de gang loop, liggen daar vaak allemaal jassen, tassen en schoenen op de grond. Daar wil je natuurlijk niet over struikelen, dus moet het aan de kant. Als ik dat even snel opzij zou schuiven met mijn voeten, dan doet iedereen me vervolgens na. En dat wil je niet. Je wilt niet dat er tegen spullen aan wordt geschopt. Ik moet me dus bedenken dat ik toch even buk om het op te hangen. Dat is namelijk het gedrag dat ik ook bij de kinderen wil zien. Als je gewenst gedrag zo vaak mogelijk herhaalt en de kinderen dat automatisch nabootsen, wordt iets vanzelf een gewoonte.

En dat is gelijk de tweede kracht die belangrijk is voor kinderen om eigen te maken. Gewoontes zorgen er namelijk voor dat het leven vanzelf lijkt te gaan. Ze maken het leven makkelijker, want je hoeft er niet teveel over na te denken. Je merkt overigens pas dat dit zo werkt als je je gewoontes laat varen. In eerste instantie voelt dat misschien fijn. Geeft het je een vakantiegevoel van niks hoeven: geen wekker zetten, nergens op tijd hoeven zijn, geen brood smeren, geen eten maken. Toch zal je na een tijdje merken dat als je niks meer hoeft, niks meer echt vanzelf gaat. Opeens moet je dan heel hard werken, want er moet toch gewoon gegeten worden en wie maakt dat dan? En als er niemand is die uit gewoonte de tafel gaat dekken, kost alles veel meer energie en tijd. Gewoontes slaan we op in ons etherlichaam. Daar zitten ze net zo sterk als een herinnering opgeslagen, zodat je ze niet vergeet. Opvoeden is in feite ervoor zorgen dat kinderen zelfstandig worden waardoor ze een vrij mens kunnen zijn. Wat je ze daadwerkelijk meegeeft is een ‘gewoontepakket’. Een pakket dat is samengesteld door de ouders en opvoeders thuis en de leerkrachten op school. Daarmee stuur je ze de wereld in.

Eerbied is een andere opvoeder van de wil. In feite worden alle kinderen ermee geboren en is het eigenlijk niet iets dat je ze kunt leren. Het enige wat je kunt doen als ouder/opvoeder en als kleuterjuf is zo min mogelijk in de weg staan, zodat de eerbiedskrachten waarmee ze geboren worden zoveel mogelijk intact blijven. In de kleuterklas creëren we een omgeving waarin er ruimte is voor eerbied. De spreuken waarmee we elke dag beginnen werken allemaal in op dat gebied. Kinderen hebben enorm veel eerbied voor de natuur. Zo gebeurde er vandaag weer iets moois. Alles stond klaar op tafel om te kunnen eten, toen er een kindje een dode mier vond. En die moest natuurlijk eerst begraven worden, voordat we konden gaan eten. Koude thee of niet. Dat ritueel mag ik dan niet in de weg staan. Hoe onhandig dat moment misschien ook is. Vorige week vrijdag vierden we het Michaëlsfeest. Toen het appelvrouwtje binnenkwam, stond er een jongetje op die zei: ‘Ohhhh echte appelen’. Hij was echt helemaal verwonderd dat het echte appelen waren. Daar werden wij kleuterjuffen dan weer enorm blij van.

De laatste kracht is die van de fantasie. En dat is zo’n heerlijk middel. Die gooit alles om en laat niets bij het oude. Die vind een uitweg in doodlopende situaties en brengt een glimlach in de ernst. Een kind tot aan de peuterleeftijd kan alle spullen om hem heen gebruiken als speelgoed. Een stukje hout wordt een boot, een lapje stof een knuffel. In een pop zonder echte ogen, neus en mond zien zij allerlei gezichtsuitdrukkingen. Het ene moment krijst het van de honger en het andere moment lacht het breeduit. Dat zijn de scheppingskrachten van de fantasie.

                                                                             0-0-0

Anna Robadey

Denken voelen willen in de schildertherapie

In het begrip ‘schildertherapie in licht, kleur en duisternis’, klinkt al een drieheid. Wanneer de twee polariteiten van licht en duisternis elkaar ontmoeten, ontstaat in het midden iets nieuws: de kleuren.
Een zonsondergang is altijd een bijzonder moment. Voor onze ogen veranderen de kleuren van geel naar oranje naar vermiljoen en naar karmijn. Zelfs nadat de zon verdwenen is, gaat het kleurenfeest door. Als er veel licht is, verschijnen er koelere kleuren, als het licht afneemt worden de kleuren steeds warmer.
Wat we in de buitenwereld en in het bijzonder in de atmosfeer kunnen waarnemen, is ook in de mens terug te vinden. Ons hoofd, met onze zintuigen en ons denken heeft een verbinding met het licht. Het is goed om het hoofd koel te houden om helder te denken, te veel warmte daar kan bijvoorbeeld hoofdpijn veroorzaken. Een chirurg heeft veel licht nodig om de precieze handelingen van een operatie te verrichten. In zulk licht delen we echter niet graag een gezellige maaltijd met vrienden.

Onze stofwisseling heeft een verbinding met de duisternis. Dit is de plaats waar omzettingen plaatsvinden in een warme omgeving. Onze wil heeft warmte nodig om in actie te komen en geeft ons een relatie met de aarde. Te veel licht en bewustzijn in dit gebied geeft ons kou en die kan verschillende verstoringen c.q. ziekten veroorzaken.

Door de ontmoeting van licht en duisternis ontstaan de kleuren en door de ontmoeting van denken en willen is er een continu ontstaan van kleurrijke gevoelens. In dat ritmische middengebied leven de longen, maar speciaal het hart waar we naar wijzen wanneer we “ik” zeggen.

Wanneer een van deze gebieden niet goed functioneert door te veel of te weinig activiteit of doordat ze niet op elkaar afgestemd zijn, kunnen onevenwichtigheden en ook ziektes het gevolg zijn. Het is dan de taak van de therapie, via de objectieve kwaliteiten van de kleuren om een ontwikkelings- en/of genezingsproces op gang te brengen.

                                                                         0-0-0

*Hoewel de artikelen nog oproepbaar zijn, is mijn ervaring dat ze zomaar ook verdwenen kunnen zijn.
Vandaar publicatie (ook) hier.

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3259-3067

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-3-2)

.

Dr. Hans Ghristoph Kümmell, arts, Weledaberichten nr. 149 december 1989

.

HET HART, EEN HEEL BIJZONDER ORGAAN

.

Het hart, midden in het organisme gelegen, is nog altijd een heel bijzonder orgaan; niet alleen in psychisch opzicht, waardoor het vroeger als het centrum van alle diepe persoonlijke gevoelens – vooral van de liefde in de meest omvattende zin – werd gezien, maar ook vanuit het fysieke aspect.

Veelzijdige functies

Net als bij andere organen is men bij het hart van de buitenkant naar het binnenste doorgedrongen. Zo ontdekte men verschillende binnenruimten die men ging onderzoeken. Het hart is een holle spier. Uiterlijk weet men intussen heel veel over het hart. Sinds lange tijd is bekend, dat het weefsel ervan uit spieren bestaat die de beweging van het orgaan mogelijk maken. In dit weefsel zijn bepaalde cellen ontstaan, die als een soort zenuwen een ritme veroorzaken. Men weet ook, dat in de hartwanden verschillende heel kleine waarnemingsorganen (receptoren) liggen, die een waarnemingsfunctie hebben, t.o.v. druk, uitbreiding, verwarming, zuurgraad, tekort aan zuurstof enz. Onlangs [art. uit 1989] heeft men verder ontdekt, dat het hart ook een klierfunctie heeft doordat het een hormoon produceert dat de nieren stimuleert om meer water en zouten uit te scheiden als in de kleine kamers van het hart onverwacht veel bloed binnenstroomt. Alleen al uit deze opsomming blijkt het bijzondere van het hart dat als spier zoveel verschillende, ten dele tegengestelde, functies laat zien. Hierbij komt nog, dat het een heel bijzondere stofwisseling heeft.

Historisch overzicht

Een kort historisch overzicht over de ontdekkingen in deze eeuw m.b.t. het hart en de mogelijkheden van ingrepen moge het beeld completeren.
In 1927 werd de eerste hartkatheter in een experiment op het eigen lichaam gebruikt. Daardoor werd voor het eerst de binnenkant van het hart bij een levend mens zichtbaar. In de jaren veertig werd de diagnostiek van hartafwijkingen bij levende mensen door die kathetertechniek d.m.v. röntgenfoto’s uitgewerkt en, aansluitend daaraan, in toenemende mate de operatie van hartafwijkingen systematisch aangepakt. De in het begin van de jaren vijftig ontwikkelde hart-longen-machine maakte steeds ingewikkelder operaties aan dit voortdurend zich bewegend orgaan mogelijk, doordat met behulp daarvan het bloed buiten het hart werd omgeleid.
Door sterke onderkoeling kan bovendien het hartweefsel aan een langdurig
zuurstoftekort worden blootgesteld, waardoor ook gecompliceerde afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd. Daarop volgde het zichtbaar maken van de kransslagaderen met behulp van de katheter, contraststoffen en van röntgenstralen en in 1957 de eerste pacemaker. De eerste harttransplantatie vond plaats in 1967. Men heeft het hart inderdaad uiterlijk veroverd!

De dubbele geaardheid van het hart

Door deze bewonderenswaardige technische prestaties wordt in hoge mate duidelijk, dat het mogelijk is geworden, talloze hartafwijkingen gunstig te beïnvloeden en te verbeteren. Maar er blijkt tevens, dat wij thans onderscheid moeten maken tussen de uiterlijke kant van een orgaanfunctie en een innerlijke, die met het bewustzijn te maken heeft.

Het bijzondere van het hart is, dat het die beide kanten evenwichtiger vertegenwoordigt dan welk ander orgaan ook: voor de uiterlijke functies van het organisme is dat een absolute voorwaarde. Anderzijds geeft het aan ons gevoelsleven de meest persoonlijke en intieme kleur. Het hart is zowel een lichamelijk als psychisch orgaan. Die dubbele geaardheid is slechts begrijpelijk als men haar ziet tegen de achtergrond van de tweevoudige natuur van de mens. Wij zijn als mensen in staat door middel van onze bewegingen een bewustzijn van onszelf en van onze omgeving te ontwikkelen. Die tegenstelling wordt begrijpelijk op grond van de hoogst belangrijke ontdekking van Rudolf Steiner omtrent de driegeleding van de mens. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om beide kanten van zo’n orgaanfunctie te doorgronden.

Rudolf Steiner gaat daarbij uit van de voornaamste psychische krachten: voorstellen (denken), voelen en willen. Wij kunnen die verwezenlijken omdat de lichamelijke organisatie in drie functionele eenheden is geordend, die enerzijds zelfstandig actief zijn, elkaar anderzijds echter zodanig doordringen dat zij de totale menselijke organisatie vormen. De ene functionele eenheid is samengevat in de zintuiglijke waarnemingen en de aan het voorstellen en denken ten grondslag liggende processen in de hersenen: dit is het zenuw-zintuigstelsel. Diametraal daar tegenover vormen alle stofwisselings- en bewegingsprocessen een eenheid, die het willen bemiddelt. De derde functionele eenheid ligt evenwicht scheppend tussen die beide gebieden. Zij verenigt alle ritmische processen in een zelfstandige organisatie die het voelen bemiddelt.

Als men het hart bekijkt, ziet men dat het al in zijn bouw deze drie functies belichaamt: uit één en hetzelfde spierstelsel ontwikkelt zich een weefsel dat een zenuwfunctie heeft, het reeds genoemde leidingssysteem voor de overbrenging van prikkels. Dit behoort tot ons meer bewuste zielenleven. Voorts ontwikkelt zich een spiergedeelte dat duidelijk op de beweging is gericht en verbonden is met een zeer actieve stofwisseling; tevens kan het uit de cellen van de hartspier hormonen produceren. Dit gedeelte van het hart behoort tot de meer onbewuste kant van ons zielenleven.
En doordat het hart deze tegenstellingen ritmisch bemiddelt, draagt het zijn eigen ritme over op het totale organisme.
In het hart worden de kant van het bewustzijn van de mens – uitgedrukt door het individueel geworden gevoelsleven – en de actieve kant van de mens in evenwicht met elkaar gebracht. Heen en weer, op en af vindt hier plaats; wij vinden gevoelens, die door het bewustzijn worden opgehelderd en gevoelens die onderduiken in het onderbewustzijn in voortdurende onderlinge afwisseling. Ook worden hier de doelstellingen beleefd die al of niet tot daden moeten worden.

Kortom: hier wordt afgewogen in ritmische golving. Ziel en lichaam grijpen in dit ritmisch bewogen spel op subtiele wijze in elkaar.

In het ademhalingsritme, het andere ritmische centrum, kan het innerlijk, het gevoel, al min of meer bewust vorm krijgen in de spraak. In het hartritme daarentegen kunnen de meest persoonlijke gevoelens worden opgenomen in de besluiten en in daden tot uiting komen. Alleen de gevoelens die door heldere voorstellingen worden gedragen, die heel persoonlijk (niet egoïstisch bedoeld) zijn geworden, kunnen ”van harte” tot daad worden. In de loop van het leven moet dit proces steeds helderder worden, wil het hart, ook in uiterlijke zin, geen geweld worden aangedaan. Niet alleen de uiterlijke schadelijke invloeden, maar ook de niet geheel geïntegreerde gevoelens, wensen en begeerten maken het hart ziek. Het hart is in dit opzicht ons belangrijkste identiteitsorgaan: psychisch-geestelijk, lichamelijk en wat onze levenshouding betreft. Deze opvatting baant de weg naar de mogelijkheid met het hart psychisch waar te nemen, dat wil zeggen onze door de kracht van het inzicht geschoolde en daardoor individueel geworden gevoelswereld tot maatstaf voor ons handelen te maken.

De hartfunctie – die op de ademhalingsfunctie tot in het subtielste is afgestemd, maar ook in de andere lichaamsfuncties, zoals lichamelijke belasting, voedselopname en waarnemingsprocessen, subtiel is geïntegreerd, vormt de fysiologische grondslag voor de overweging van ons heldere waakbewustzijn in ons droomachtig-slapende zielenleven dat onderduikt in de lichaamsfuncties.
Als men de hartfunctie zuiver mechanisch opvat, dan doet men het proces van de individualisering van het zielenleven tekort. Dit dient men bij mechanische ingrepen te bedenken, die immers tegenwoordig steeds meer plaats vinden. Aan de andere kant kan echter ook een hartoperatie een individuele ontwikkeling aan de gang zetten, bijvoorbeeld bij kinderen met een aangeboren hartafwijking.

Relaties met de omringende wereld

Tot dusver hebben wij het hart als het centrum van de mens wat betreft zijn individualisering in lichamelijk, psychisch en geestelijk opzicht leren kennen. Maar ook op het gebied van het dagelijkse leven is het duidelijk een centrum. Alles wat uit het milieu komt, zoals adem, voeding en zintuiglijke indrukken, wordt in het hart verenigd, doordat het bloed uit de verschillende functiegebieden het hart binnenstroomt en het in de menselijke individualiteit integreert. De invloed van licht, lucht, warmte en van de kosmische omgeving wordt in het hart vermenselijkt.

De krachten van de planeten worden bijvoorbeeld langs allerlei wegen in de menselijke organen veranderd; hiervan is sprake in het voorafgaande artikel. [niet op deze blog] Met het hartritme correspondeert op het kosmische niveau het ritme van de zons-op en -ondergang, dat via de kringloop van het jaar net zo wordt gevarieerd als ons hartritme door de ademhaling wordt bepaald.

Allerlei ziekten

De mogelijkheden dat het hart ziek wordt zijn veelvuldig. De meeste ziekten in dit verband ontstaan door te sterke afbraakprocessen. Zij dringen vanuit het zenuw-zintuigstelsel, waar ze op hun plaats zijn, door in de ritmische organisatie. In de huidige samenleving spelen gebrek aan beweging, vooral aan innerlijke bewogenheid, een rol, evenals de oppervlakkige verwerking van onze waarnemingen ten gevolge van een overvloed van zintuiglijke indrukken.

In de therapie moet worden geprobeerd, die eenzijdigheden te overwinnen door het hart in het milieu te betrekken.

Hierbij is van belang, dat een evenwicht tussen extremen op verschillend niveau wordt bereikt. Dit kan men vooral beleven bij het ervaren van warmte: hoe uiterlijke warmte wordt overgeleid in innerlijke warmte. Dit gebeurt het allermeest door het hart en zijn functie. De uitdrukking daarvan is, dat het spier-bloed-systeem het warmste in het organisme is. Dit aspect kan zowel in de medicamenteuze therapie als bijvoorbeeld door de heileuritmie en het therapeutische gesprek tot gelding komen.

Het hart in het taalgebruik

Ten slotte wijzen wij nog op de taalgenius, die deze bijzondere individuele basis van de mens, het hart, in allerlei uitdrukkingen duidelijk maakt. Ook hier vinden wij een innige lichamelijk-psychische ineenstrengeling. Het hart kan slaan, kloppen, hameren, het kan sidderen, maar ook smachten en jubelen, stilstaan, maar ook gloeien, stokken en versagen, breken. Echter ook karaktereigenschappen worden vaak met het hart verbonden: het kan warm en week, trouw en bedroefd, koel, klein, van steen, ruim of trots zijn. En de mens kan barmhartig, of harteloos zijn.
In Goethes, “Dichtung und Wahrheit”, zijn autobiografie, lezen wij: “Omdat ons het hart altijd nader ligt dan de geest en ons dan voor problemen plaatst als de geest zichzelf wel weet te helpen, leken mij de aangelegenheid van het hart steeds de belangrijkste.”

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde voordracht 2: alle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Meer over het hart

.

2774-2603

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (5-2)

.
Annelon Geluk, Motief 196, okt. 2015*

adhd

Ook gevoel en wil vragen aandacht

CONCENTRATIEPROBLEMEN

Een groeiend aantal kinderen is snel afgeleid en heeft moeite om de aandacht vast te houden. Bij veel van hen wordt tegenwoordig de diagnose AD(H)D vastgesteld. Vanuit een antroposofische visie heeft het ‘ik’ dan onvoldoende grip, waardoor er te weinig sturing, zelfbewustzijn en zelfcontrole is. De informatiemaatschappij van vandaag en de eenzijdige nadruk op cognitie in het onderwijs, maakt volgens Annelon Geluk dat het denken, voelen en willen uit balans raakt.

Bij kindertherapeuten en -coaches komen veel hulpvragen binnen op het gebied van het denken. Dit ligt volgens mij mede aan onze snelle informatiemaatschappij, waarin we heel regelmatig voor een kort moment uit onze aandacht worden getrokken. Hierna duurt het een paar minuten voor je weer op je hoogste niveau van concentratie bent. Op deze manier duurt het veel langer voor je een taak af hebt.

En in het onderwijs heerst een grote waardering voor de cognitie. Het liefst ziet de minister kleuters al Cito-toetsen maken. Dit is een benadering die niet goed past bij de ontwikkeling van kinderen. Een kleuter speelt en bootst de wereld om zich heen na in het vrije spel. Pas na de kleuterklas is een kind toe aan het leren en al het denkwerk wat hierbij hoort. Ook is niet ieder kind in staat de strakke leerlijn te volgen in bijvoorbeeld rekenen of schrijven. Het huidige onderwijs vraagt veel van de denkkracht van een kind. Naast deze denkkracht heeft een kind ook het gevoel en de wil die aandacht vragen.

Rust en regelmaat

Het komt in het reguliere veld veel voor dat behandeling van AD(H)D enkel mogelijk is als er medicatie wordt gebruikt. Ritalin wordt het meest voorgeschreven, een medicijn met methylfenidaat, met als doel dat een kind meer rust krijgt. Bij de cognitieve gedragstherapie leert het kind om het gedrag te veranderen.

De aanpak die volgens mij goed helpt, is het bieden van rust en regelmaat. Jij moet de sturing geven die een kind niet aan zichzelf kan geven. Het helpt dus om ritme en regelmaat in te bouwen in het dagelijks leven. Daarnaast is de rust heel belangrijk, omdat dit kinderen laat ontspannen en tot zichzelf komen. Vanuit de ontspanning is het weer mogelijk om goed de aandacht te richten.

Therapie

Sommige kinderen komen terecht bij een kindertherapeut of kindercoach. Zij helpen kinderen met diverse hulpvragen. Antroposofische therapieën zijn erop gericht om kinderen weer in balans te brengen. Bij de lichaamsgerichte therapieën, zoals uitwendige therapie, bakeren en ritmische massages, kan een kind zijn grens beter beleven en beter bij zichzelf blijven. Onze huid is de fysieke uitdrukking van deze grens. Euritmie helpt ook bij het vinden van de balans tussen binnen en buiten.

Met behulp van de antroposofie worden muziektherapie, spelbegeleiding, verhalentherapie en kunstzinnige therapie toegepast. Bij kunstzinnige therapie kan een kind door middel van tekenoefeningen leren om controle te krijgen over het bewegen. Antroposofische en homeopathische geneesmiddelen ondersteunen kinderen in hun ontwikkeling. Het kan een kind helpen om zijn evenwicht te vinden.

In de beeldende kunstzinnige therapie kunnen kinderen innerlijk in beweging komen. In de kunstzinnige therapie schilder ik volgens de nat-in-nat techniek met kinderen om het gevoel aan te spreken. Boetseren en speksteen bewerken doe ik om de wil en de vormkracht aan te spreken. Het werkt heel ontspannend om met je handen bezig te zijn. Door het aanspreken van de tastzin kan een kind zich ontspannen. Dit kan op vele manieren, zoals spelen met zand, boetseren en deeg kneden. Een kind wordt zich bewust van de grens van zijn huid. Kinderen met concentratieproblemen kunnen hierdoor tot rust en tot zichzelf komen.

Hulpmiddelen en oefeningen

Bij kinderen met concentratieproblemen is de afwisseling tussen inspanning en ontspanning iets wat je als leerkracht steeds in gedachten kunt houden. Als kinderen ingespannen hebben gewerkt, dan moeten ze zich daarna even ontspannen door te bewegen. Dit hoeft maar een paar minuten te duren en kan van alles zijn, bijvoorbeeld een klapspelletje of stampoefening. Kinderen met concentratieproblemen hebben vaak moeite om stil te blijven zitten. Er zijn speciale wiebelkussens waarbij een slechte zithouding wordt gecorrigeerd, zodat rugklachten worden voorkomen. En ook tijd kan voor kinderen heel abstract zijn. Een digitale klok is abstracter dan een analoge klok, omdat kinderen de tijd plotseling zien veranderen in plaats van de secondewijzer gelijkmatig langs de cijferplaat zien lopen. Een zandloper is concreet wat betreft het aangeven van een hoeveelheid tijd. Als een taak binnen een bepaalde tijd gedaan moet worden, dan kun je een kind de zandloper om laten draaien. Met de zandloper heeft een kind goed zicht op hoeveel tijd er is voor een taak.

Een prikkelarme ruimte zorgt ervoor dat een kind minder snel wordt afgeleid. Speelgoed in afgesloten bakken bewaren, een lichte tint verf op de muur en weinig decoratie helpt om een rustige omgeving te creëren. Structuur kun je op vele manieren bieden, bijvoorbeeld door een duidelijke dagindeling met vaste gewoontes. Structuurkaarten helpen om de dag overzichtelijk te maken. Maak samen met de kinderen een aantal kaarten waarop activiteiten afgebeeld zijn die regelmatig plaatsvinden, als opstaan, eten, school, thuis. Met de kinderen kun je de inhoud van de dag bespreken en de kaarten in de juiste volgorde leggen. Gebruik er niet teveel, want dan wordt het onoverzichtelijk. Kinderen weten wat ze kunnen verwachten van de dag en voelen houvast door de structuur die de kaarten bieden. Ontspanningsoefeningen, zoals ademhalingsoefeningen, brengen kinderen meer tot zichzelf. Door de rust die een oefening teweeg brengt, kunnen kinderen vanuit deze innerlijke rust waarnemen. Oefeningen die de tastzin aanspreken zijn gericht op het ervaren van de grens en het verschil tussen binnen en buiten. Bij het spelen met klei, bijenwas of schelpenzand ervaart een kind de grens van zijn huid en dit kan heel rustgevend werken. Vormtekenen helpt bij het sturen van de beweging en versterkt het concentratievermogen.

Bewegend leren 

Een kind heeft van nature een bewegingsbehoefte die in het onderwijs vaak te weinig aandacht krijgt. Ik zie dat op de vrijescholen hier steeds meer aandacht voor komt. [1] Op diverse scholen vinden experimenten plaats met bewegend leren. Hierbij is er een combinatie tussen bewegen en leren, om kinderen de stof eigen te maken op een manier die bij de ontwikkeling aansluit. Het doel is om te leren, en bewegen is hierbij een hulpmiddel. Dat zou nog eens de nieuwe manier van lesgeven kunnen worden waarmee een hoop concentratieproblemen voorkomen worden! 

Annelon Geluk is kunstzinnig therapeute (beeldend) en heeft een eigen praktijk in Den Haag: Kunst & Geluk. Ze heeft haar opleiding genoten aan Hogeschool Leiden, Kunstzinnige Therapie Beeldend. 
*(Deze informatie is misschien niet actueel meer)

[1] Opmerking Pieter HA Witvliet:
Als de waarneming van mevrouw Geluk juist is, zou dit betekenen dat de vrijescholen NU pas het belang van ‘beweging’ zouden gaan inzien. En dat zou betekenen dat er dus al geruime tijd te weinig beweging in dit onderwijs zou zijn, terwijl het belang van (kunstzinnige) beweging  altijd een pijler van de vrijeschooldidactiek is geweest. Een nieuwe tendens is wel ‘de beweeglijke klas‘.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen 

Zintuigen: waaronder de tastzin: alle artikelen

.

2506-2350

,

,

.

VRIJESCHOOL – Michaël, drieledigheid en sociale driegeleding

.
In het volgende artikel wordt de gedachte van de driegeleding benaderd vanuit een antroposofisch perspectief.

H.P. van Manen, mededelingenblad Antroposofische Vereniging, 29 sept. 1973
.

Michael als genius van de drieledigheid

Het drieledige beeld van de mens is een van de belangrijkste ontdekkingen van Rudolf Steiner. Het is het kernstuk van zijn geesteswetenschap in die zin, dat het op de allerdirectste wijze beantwoordt aan de naam Anthropo-Sophia: het bewuste inzicht in het ware wezen van de mens.

Deze ontdekking van 1916 komt – het is overbekend – kort geformuleerd op het volgende neer. De op aarde levende mens heeft een drievoudige ontplooiïngswijze van de ziel in denken, voelen, willen; deze is weer verankerd in de drie elkaar tot een eenheid doordringende, onderling echter zeer verschillend geaarde orgaanstelsels van het fysieke lichaam:

het zenuw-zintuigstelsel met het hoofd als centrum,
het ritmische systeem – ademhaling en bloedsomloop – dat in de romp zijn voornaamste organen heeft,
en de ledematen-stofwisselingsmens die, meer centrifugaal, vooral in onderlichaam en benen, armen en handen verschijnt.

Wie als leraar, arts of heilpedagoog dagelijks met dit mensbeeld probeert te werken, vindt het zoiets natuurlijks en vanzelfsprekends, dat hij makkelijk twee dingen vergeet. Ten eerste het feit, dat de huidige cultuur het nog allerminst heeft opgenomen. En in de tweede plaats hebben wij vaak slechts een vaag besef van de herkomst en de wordingsgeschiedenis. Waar komt dit ware beeld van de mens vandaan? De hier volgende beschouwing is een poging tot beantwoording van deze vraag.

Het ware beeld van de mens.. . Het eerste oplichten van deze oer-imaginatie in de kosmos wordt aangeduid door het scheppingswoord in Genesis: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld’. Dit is het woord dat klonk in de hiërarchie der elohim en dat vanuit hun zonnemiddelpunt de andere hiërarchieën in beweging zette. ‘Ons beeld’ is natuurlijk te zien als het beeld van de allerhoogste godheid, dat wil dus zeggen van de goddelijke drieëenheid.

Dit scheppingsoerbeeld is sindsdien in zeer hoge regionen van de geestelijke wereld bewaard gebleven. Iedere mensenindividualiteit ontmoet het, bewust of onbewust, in de ‘wereldmiddernacht’, dat is het hoogste punt van onze ontwikkeling na de dood.[1] Dan laten de goddelijke machten ons als het ware terug- en omlaagzien naar de aarde. Dan schouwen wij daar echter niet de aarde maar het scheppingsideaal van de goden; het beeld van de mens. Dit is de schoonste en meest verheven belevenis in ons leven tussen dood en nieuwe geboorte. Het vervult ons met de wil om terug te keren naar de aarde om daar te kunnen meewerken aan de verwerkelijking van dit godenideaal.

In dit verband begrijpen wij dan ook het trefzekere woord van Novalis; Der Mensch ist die Religion der Götter. Immers, zoals in de tempels der mensen de goden en hun beelden doel en middelpunt waren, zo is in de werkzaamheid der goden de mens het centrale doel.

Nu zijn er in de godsdiensten der mensen altijd priesters geweest, die het godenbeeld verzorgden en voorgingen in de cultus. Zo is er ook onder de hiërarchische wezens een, die te zien is als de voorganger in deze religie der goden’, namelijk Michael. Het is bekend dat deze naam een vraag is in het Hebreeuws: Wie is als God? – Quis ut Deus? zoals het Latijnse bijschrift bij sommige middeleeuwse afbeeldingen van de aartsengel luidt. Men kan deze vraag die van Michaels wezen uitgaat ook zo formuleren: Waar in de kosmos leeft en kiemt een wezen, dat het beeld van de Triniteit weerspiegelt?

Wat deze naamvraag uitdrukt is het palstaan voor het onvolmaakte, vooreerst nog duistere deel van de kosmos, waarin deze kiem leeft, namelijk de aarde en de mensheid. Men leze in dit verband in de Prolog im Himmel van Goethe’s Faust de woorden die Michael in de lofzang der aartsengelen spreekt. Tussen de stormachtige vernietigende ontwikkelingen op de aardeplaneet vindt teer maar onweerstaanbaar een nieuwe fase van het scheppingsproces plaats. Dat hiermee de rijping van de mens wordt bedoeld, blijkt uit de verdere inhoud van de Prolog en uit het hele verdere Faustdrama. – Rudolf Steiner beschrijft in de brief ‘Michaels Erfahrungen und Erlebnisse während der Erfüllung seiner kosmischen Mission’ zeer precies deze functie. In de alleroudste tijden is het hele kosmische gebeuren nog uitsluitend een in elkaar spelen van goden en goddelijke daden. Nur in einer Ecke im Felde dieses Götterhandelns ist etwas wie die Menschheit bemerkbar. Sie ist ein Teil in dem Götterhandeln. – Die geistige Wesenheit aber, die von Anfang an ihren Bliek auf die Menschheit gelenkt hat, ist Michael. Er gliedert gewissermassen das göttliche Handeln so, dass in einer kosmischen Ecke die Menschheit bestehen kann.’

Er was natuurlijk nog een ander, nog hoger wezen, dat ook zijn blik en zijn hele werkzaamheid op de mens gericht heeft, – de Christus. Men kan dan ook zeggen, dat Michael steeds in dienst van de Christus heeft gestaan. Nu vindt in deze op de mens gerichte en door Michael geleide religie der goden een eenmalig offer plaats. De Christus verlaat de sfeer van de zon, vanwaaruit ook Michael werkt, en daalt af naar de aarde om het ware beeld van de mens te redden en te verwezenlijken. Dit tekent zich al af in de jeugd van het kind Jezus. Wij vinden het zelfs in zijn drieledigheid aangeduid, heel teer maar heel treffend, in het Lucasevangelie (2 : 40): ‘Het kind nam toe aan kracht en aan wijsheid en de genade van de allerhoogste was met hem’. Men kan zonder moeite herkennen: de kracht duidt op wat in de wil leeft, de wijsheid leeft in het hoofd. Maar hoe moeten wij in concreto de genade van de allerhoogste zien in dit groeiproces? Kennelijk zo, dat het ritmische systeem van het opgroeiende kind helemaal was ingebed in de beschermende, levenschenkende stroom van het Christuswezen, het geestelijke hart van de kosmos. Dit was ‘met hem’, het was nog niet volledig in hem. Pas met de doop in de Jordaan is deze kracht helemaal in hem ingedaald. Zo zien wij het afgebeeld in Rudolf Steiners
‘Menschheitsreprasentant’, die zoals bekend de Christus uitbeeldt zoals Hij in het heilige land gestalte had aangenomen. De stroom van genade is zichtbaar in het gewaad. ‘Das Gewand sollte stromende Liebe sein’, zei Rudolf Steiner zelf. [2]
Tussen het diepernstige gelaat en het ordenende, scheppende gebaar zien we deze stroom het sterkst om de romp en het hart. – Zo werd het hoge ideaal der goden op aarde verwezenlijkt. Het zou nog lang duren voordat in de mensheid een bewustzijn van dit feit zou ontstaan. Het inzicht dat in Christus het oerbeeld van de mens hersteld en gerealiseerd was, leefde al bij Paulus. Het ontstaan echter van een bewust inzicht in de drieledige natuur van dit oerbeeld was een aparte ontwikkeling, die ook weer in fasen van de geestelijke wereld naar de mensheid toe verliep.

In verschillende voordrachtscycli wijst Rudolf Steiner erop, hoe pas 300 jaar na het Mysterie van Golgotha die mensenzielen, die op aarde met Christus verbonden waren geweest, in het leven na de dood tot een werkelijk bewustzijn kwamen van wat zich in Palestina had afgespeeld. [3] Zo konden de tot bewustzijn gerijpte zielen der apostelen de in de 4e eeuw op aarde levende kerkvaders inspireren. Wel was het zo, dat het begripsvermogen van de toenmalige leiders der christenheid nog maar gebrekkig in staat was deze inspiraties op een adequate manier op te vangen. Zo ontstonden verscheurende theologische disputen, die dan door concilies beslist moesten worden. Men denkt dan in de eerste plaats aan het allereerste concilie, dat in 325 door de toen zelf nog heidense keizer Constantijn de Grote in Nicea belegd werd. Hier was de inzet het geschil tussen de twee Alexandrijnse theologen, Arius en Athanasius, over de drieëenheid. Het was Athanasius, die de formule had gebracht van de goddelijke drieëenheid: de ene ondeelbare godheid, die zich in drie gedaanten openbaart als Vader, als Zoon en als Heilige Geest.
Arius maakte daarentegen een duidelijk onderscheid, in wezen en naar niveau, tussen Vader, Zoon en Geest.
Rudolf Steiner heeft er meer dan eens op gewezen, hoe de meer nuancerende visie van Arius de geestelijke werkelijkheid concreter en levender weergaf dan de abstracte formule van Athanasius, die tot kerkelijk dogma werd verheven. Arius, wiens leer dus ketters werd verklaard, heeft dan ook alle recht op onze sympathie. En toch moet erkend worden, dat het hooggegrepen triniteitsdogma van Athanasius op een zeer belangrijke inspiratie berustte. Het werd niet ten onrechte het kernleerstuk van de middeleeuwse katholieke theologie. (- Dat het allengs tot een dode letter is geworden heeft twee redenen. De eerste is, dat de christelijke dogmatiek zich te streng en te lang heeft gehouden aan het tweede mozaïsche gebod: Gij zult geen beelden maken! Wat beeldend denken was, kwam al gauw in de reuk van ketterij te staan. Nu in de 20e eeuw een honger naar beelden is opgestoken, staan de kerken met lege handen.
De tweede reden hangt samen met het door Rudolf Steiner in zijn wereldhistorisch belang ontdekte concilie van 869 in Constantinopel. Hier werd de mogelijkheid om het mensenwezen in drieën geleed te zien afgesneden. Daarmee verviel een mogelijkheid om de mens te zien als onderdeel en evenbeeld van een drievoudig geordende kosmos. Het ligt echter buiten het kader van deze beschouwing om het verband te bespreken tussen enerzijds de driedeling geest-ziel-lichaam en anderzijds de drieledigheid van de lichamelijke mens.)

Waar kwam de inspiratie van de drieëenheidsgedachte vandaan? Een indirect antwoord op deze vraag vinden wij mijns inziens in de voordrachtscyclus van 1909 ’Der Oriënt im Lichte des Okzidents’. In de laatste voordracht daarvan wordt gewezen op een ontwikkeling die ook in de 4e eeuw en in de geestelijke wereld plaats vond, nu echter niet zozeer in de kring der apostelen als wel in de kring van de grote ingewijden.
Er vond een soort intiem concilie plaats. Drie zeer hoge ingewijden, Boeddha, [4] Zarathoestra en Skythianos, kwamen bijeen en werden onderwezen door een vierde, die dus in deze constellatie een hoogste positie innam. Deze vierde was Manes, de stichter van het manicheïsme, die in 276 in Babylonië de marteldood was gestorven. Zijn leer is te zien als een zeer koene en grootse poging om het christendom te verbinden met de geestelijke rijkdommen van het heidendom. Verder is in dit verband belangrijk een nog ouder gegeven uit het werk van Rudolf Steiner, dat namelijk Manes in de toekomst, dat wil zeggen in de middeleeuwen, de leider van de graalmysteriën zou worden. De inhoud van deze bovenzinnelijke leer was volgens Rudolf Steiner datgene wat later als rozenkruizerwijsheid op aarde zou verschijnen. Dit is een mededeling die veel vragen oproept.
In de eerste plaats de vraag: wat wordt hier met rozenkruizerwijsheid bedoeld? Het merkwaardige is, dat op deze vraag een vrij eenvoudig antwoord te geven is. Wanneer men bestudeert wat naderhand over het rozenkruizerdom bekend is geworden uit de 17e eeuwse geschriften van Johan Valentin Andreae en anderen, aangevuld met de desbetreffende beschrijvingen van Rudolf Steiner, kan men tot de volgende samenvattende conclusie komen. Het was en is het streven van Christian Rosenkreuz en de zijnen om in alle rijken der schepping het beeld van de goddelijke drieëenheid te herkennen en tot zijn recht te doen komen, in de kosmos, in de natuur en in de mens. Men neme de tria principia der alchemie: zout, kwikzilver en zwavel. Of de drievoudige Latijnse rozenkruizerspreuk, waarin de hele wijsheid van deze stroming als in drie graankorrels is samengevat. [5]

Van hieruit terugredenerend kan men tot een zeer helder vermoeden komen van wat toen, in de 4e eeuw, in de geestelijke wereld gebeurd moet zijn. Toen, drie eeuwen na het mysterie van Golgotha, openbaarde zich aan de verst ontwikkelde mensenzielen, de hoge ingewijden en de apostelen, het drievoudige beeld van de hoogste godheid, dat, zoals wij zagen, tegelijk het oerbeeld is van de mens.

Een in dit verband moeilijker te beantwoorden vraag is, welke plaats in dit alles de toekomstige leider van het rozenkruizerdom innam, de individualiteit van Johannes-Lazarus, ‘de leerling dien Jezus liefhad’.[6] Het valt op dat Rudolf Steiner hem niet noemt in verband met het bovenaardse beraad van Zarathoestra, Boeddha en Skythianos onder leiding van Manes. Mijn persoonlijke vermoeden is, dat de ziel van de leerling, die aan het hart van Jezus lag bij het avondmaal, nu als een schaal datgene opving wat in het samenzijn der vier hoge ingewijden ontstond. Uit drie geestelijke wereldrichtingen brachten drie grote individualiteiten, die door de duizenden jaren langs verschillende wegen grote delen van de mensheid hadden geleid, hun wijsheid bijeen, die door de grote samenvatter Manes tot een eenheid werd samengevoegd. Zodanig, dat deze wijsheid een stralend kleed van het drievoudige beeld van de hoogste godheid kon zijn. Nam de Johannesziel deze inhoud op zoals hij bij het avondmaal de afscheidswoorden van Christus in zijn hart had opgenomen?

Van de 15e tot de 19e eeuw werkte op aarde, in Europa, het rozenkruizerdom in zijn oorspronkelijke vorm. De rozenkruizers werkten niet voor het front van de cultuur en toch ook niet in afzondering en eenzaamheid, maar op een totaal onopvallende manier in de wereld levend. Voor deze stroming bijna geheel terugtrad – om nog wel vanuit en via de geestelijke wereld te werken -, werd in de 18e eeuw nog een poging ondernomen door de Graaf van Saint-Germain om begrip te winnen in vorstelijke en adellijke kringen voor noodzakelijke veranderingen in de samenleving. Aan een kleine elite werd gegeven wat in wezen al de leer van de sociale drieledigheid was. De drie meditatiewoorden Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, die eerst niet au sérieux genomen en later als slogan misbruikt werden, zijn de geconcentreerde samenvatting van deze leer. Weer herkennen wij het rozenkruizer-streven: ook in de menselijke samenleving moet het beeld van de drieëenheid leven.
En Michael? In dezelfde tijd, dat Christian Rosenkreuz en de zijnen op aarde hun pionierswerk verrichtten, bereidde Michael in de geestelijke wereld de toekomst voor. Alle met hem verbonden wezens, zoals vele mensenzielen die zich in het leven tussen dood en nieuwe geboorte bevonden, vele hiërarchische wezens en ook groepen natuurgeesten, verzamelde hij om zich heen in de ‘Michaelsschool’, die in de karmavoordrachten van 1924 beschreven is. Het hoogtepunt daarvan was de kosmische cultus aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw, een gebeuren dat zich in grootse ‘glorieuze’ imaginaties voltrok.

Over de inhoud van deze kosmische imaginaties heeft Rudolf Steiner weinig gezegd. Maar dat weinige wijst een duidelijke richting. In deze grootse beelden werd de toekomst onthuld. En een directe weerspiegeling in miniatuur bezitten wij in het toen, eind 18e eeuw ontstane sprookje van Goethe.

In dit sprookje is alles imaginatief. Dat wil zeggen, het is een bewegelijk spel, waarin op speelse en tegelijk streng wetmatige wijze beelden tot gebeurtenissen worden, die weer afgelost worden door nieuwe taferelen, om tenslotte geheel veranderd weer terug te keren. Twee van deze imaginatieve taferelen, die onderling sterk samenhangen en een centrale plaats in de vertelling innemen, zijn de beide tempelscènes. In de eerste tempelscène verschijnt de door de opgegeten goudstukken lichtgevend geworden groene slang in de onderaardse rotonde waar drie beeldzuilen zijn, een gouden koning, een zilveren koning en een koning uit erts, alle drie in zittende houding. Dan staat er nog een vierde, gemengde koning, die niet harmonisch aandoet maar wel duidelijk de heersende is. Het gesprek tussen de koningen en de slang en de later binnentredende man met de lamp gaat, zoals het hele sprookje, om drie geheimen waar nog een nieuwe vierde wijsheid bij moet komen.

Nu kan men, met een zeker recht, de vraag stellen wat zo’n beeld betekent. Zo’n vraag is ook te beantwoorden. Maar de kunst is om met het antwoord niet het leven van het beeld te doden. Dat vermijdt men enigszins, als men in gedachten houdt, dat een echte imaginatie nooit alleen maar één betekenis heeft maar een sleutel is die op verschillende situaties past. Zo ook met deze drie koningen en de vierde. Men kan er zonder moeite de drie soevereine gebieden in herkennen, geestesleven, rechtsleven en economie, waarin de menselijke samenleving zichzelf bewust zou moeten ordenen; een ordening die nog wordt tegengehouden door de onharmonische, zwaarlijvige mengvorm van de eenheidsstaat. – Dit is een zeer overtuigende samenhang met de werkelijkheid, een waaraan Goethe zelf vermoedelijk niet gedacht heeft. Men kan er echter met evenveel recht de drie zielekrachten in herkennen, zoals zij zich in het inwijdingsproces van elkaar emanciperen om dan door het ontwaakte Ik tot een nieuwe eenheid in de drieheid te worden gecoördineerd. Deze ontwikkeling van denken, voelen en willen is vooral in de tweede tempelscène duidelijk zichtbaar. Door een reeks van gebeurtenissen en vooral door het offer van de groene slang is de onderaardse tempel omhooggekomen in het heldere daglicht. De drie koningen verrijzen van hun zetels, waarbij de man met de lamp hun namen roept: ’. . . die Weisheit, der Schein und die Gewalt’ (wijsheid, schoonheid en kracht). De vierde koning zinkt tot een vormeloze klomp ineen. Dan wordt de jongeling, die uit zijn bijna dodelijke slaap al wel tot leven maar nog niet tot bewustzijn gekomen is, door de man met de lamp langs de koningen geleid. Van de ertsen koning ontvangt hij het zwaard waarmee hij zich omgordt. ‘Das Schwert an der Linken, die Rechte frei! rief der gewaltige König. Sie gingen darauf zum silbernen, der sein Szepter gegen den Jüngling neigte. Dieser ergriff es mit der linken Hand, und der König sagte mit gefalliger Stimme: Weide die Schafe! Als sie zum goldenen König kamen, drückte er mit vaterlich segnender Geharde dem Jüngling den Eichenkranz aufs Haupt und sprach: Erkenne das Höchste!’

Men ziet hoe hier de drieledigheid doorheenschemert, niet alleen van de drie ziele-functies maar ook van de menselijke gestalte. Dat wordt nog duidelijker in de aansluitende woorden, die het hier beschrevene als het ware bevestigen:

‘Der Alte (d.i. de man met de lamp) hatte wahrend dieses Umgangs den Jüngling genau bemerkt. Nach umgürtetem Schwert hob sich seine Brust, seine Arme regten sich, und seine Füsse traten fester auf; indem er das Szepter in die Hand nahm, schien sich die Kraft zu mildern und durch einen unaussprechlichen Reiz noch machtiger zu werden; als aber der Eichenkranz seine Locken zierte, belebten sich seine Gesichtszüge, sein Auge glanzte von unaussprechlichem Geist.’

De belangrijkste vraag die hier gesteld kan worden is: hoe kunnen wij door deze sprookjesbeelden heen zien wat zich toen, in de bovenaardse cultus, aan beelden ontvouwde? Wat gebeurde hier eigenlijk? In de eerste plaats krijgt men de indruk dat de man met de lamp, die de geheimen der drieheid door en door kent, de rol die de wijsheid der rozenkruizers in deze cultus speelde zichtbaar maakt. Hiermee kon Michael, die zelf in het sprookje onzichtbaar blijft, het beeld van de mens en tegelijk het ideaal van de toekomstige menselijke samenleving zo tot openbaring brengen, dat het de Drieëenheid duidelijker en fonkelender dan ooit te voren weerspiegelde. Daarmee voerde Michael de ‘religie der goden’ in een nieuw stadium. Het was een stralend bovenaards morgenrood, de voorbode dus van het licht dat in de 20e eeuw op aarde zou moeten opgaan.

Dat verklaart ook het opmerkelijke feit, dat in het hier geciteerde tafereel van Goethe’s sprookje de drieledigheid van de menselijke gestalte er weliswaar op een schone manier doorheen schemert, maar toch nog niet in alle concrete duidelijkheid te voorschijn komt. Dat laatste had men toch eigenlijk wel van Goethe mogen verwachten! Immers, het waarnemen van de drieledigheid is een geestelijke waarneming via onze lichamelijke zintuigen. Van deze vorm van waarneming was Goethe de eerste en onbetwiste meester! Wat betekent anders goetheanistisch waarnemen? Waarom, zo moeten wij vragen, bleef deze goetheanistische ontdekking van de drieheid in de menselijke lichamelijke organisatie voorbehouden aan Rudolf Steiner? Eenvoudig omdat het toen nog niet ‘an der Zeit’ was. Pas toen in 1879 Michael weer het directe toezicht op de mensheidscultuur had gekregen en nadat in 1899 het ‘donkere tijdperk’ ten einde was gegaan, zodat weer nieuwe mysteriecontacten tussen mensen en goden gelegd konden worden, was het mogelijk om het drieledige mensbeeld op aarde te brengen. Want deze schijnbaar eenvoudige ontdekking moest inderdaad uit de geestelijke wereld gehaald worden. Pas in 1916 was Rudolf Steiner, die aanknoopte bij het rozenkruizerdom en werkte volgens de methode van Goethe, hiertoe in staat. Daar was een worsteling van tientallen jaren aan voorafgegaan. Zeven jaar later werd dit geboorteproces bezegeld bij de geestelijke grondsteenlegging van de antroposofische vereniging aan het begin van de Weihnachtstagung. Zelf zei hij toen, direct nadat hij de drievoudige spreuk al gedeeltelijk had doen klinken: ‘Wenn ich heute zurückschaue geradc auf dasjenige, was geholt werden konnte aus den Geisteswelten, wahrend die furchtbaren Kriegsstürme die Welt durchwogten, so muss dieses paradigmatisch zusammengefasst werden in dieser Dreiheit von Sprüchen, die eben an euer Ohr getönthaben. – Wahrgenommen konnte jene Dreigliederung werden, . . . seit Jahrzehnten. Ich selber konnte sie erst zur Reife bringen im letzten Jahrzehnt wahrend der kriegerischen Stürme.’

Deze zeven jaar tussen de conceptie van het drieledige mensbeeld in 1916 en de grondsteenlegging van 1923 zijn ook de tijd waarin de sociale driegeledingsbeweging opkwam en weer terugebde. Natuurlijk is er een diepgaande samenhang tussen de drieledigheid van het menselijke en die van het sociale organisme. Dit verband werd in het voorafgaande al twee keer aangestipt. Het zou echter een aparte en zeer uitvoerige beschouwing vereisen om deze samenhang op een verantwoorde manier zichtbaar te maken. Wel is in dit verband nog van belang een opmerking van Rudolf Steiner begin 1923, dat de toenmalige driegeledingsbeweging nooit de kunst had verstaan ‘sich auf anthroposophischen Boden zu stellen’.[7 ]Mijns inziens bedoelde hij hiermee, dat het de Dreigliederungsbewegung ontbroken had aan een spiritueel meditatief fundament. Dit fundament werd echter zichtbaar en meer nog hoorbaar in de grondsteen, die op eerste kerstdag 1923 in woordvorm gelegd werd in de zieleruimte van die mensengemeenschap, die een totaal nieuw sociaal bouwwerk moest worden.

Bij deze grondsteenlegging werd de tweede tempelscène uit Goethe’s sprookje tot werkelijkheid: de mensenziel wordt langs drie beeldzuilen gevoerd en door deze drievoudig tot ontwaken geroepen. Hij wordt aangesproken in ledematen, ritmisch systeem en in het hoofd om zich zo te scholen, dat hij door zijn denken, voelen en willen in een werkelijke communie met de wereld kan treden. Dit gebeurt onder aanroeping van de drie maal drie engelkoren en van de goddelijke drieëenheid. Dit alles bezegeld door de drievoudige zinspreuk van Christian Rosenkreuz. – Het vierde deel van de grondsteen, waarvan het correlaat ook in Goethe’s sprookje te vinden is – waar het zelfs als het vierde en onuitspreekbare geheim de beslissende rol speelt -, verbindt dit neerdalen van het scheppingsoerbeeld van de mens in het mensheids-bewustzijn met het wezen dat de aarde als kosmische offer- en kiemplaats koos. Het drieledige mensbeeld moet het bewegelijke, levende omhulsel worden voor de Christus om in het denkende voorstellen van de mensen te kunnen leven. Als een metamorfose daarvan zal de wereldsamenleving zich in drieën moeten geleden. Zoals het ‘ik’ van de mens in willen, voelen en denken en de ziel in ledematen, romp en hoofd leeft, zo moet het Mensheids-Ik zich kunnen ontplooien in de cultuur, de rechtsorde en de economie.

Wij zagen hoe het oerbeeld van de mens als evenbeeld van de Triniteit aan het begin der schepping verschijnt. Wij zagen hoe het in Christus tot een unieke aardse verwezenlijking kwam. Wij zagen verder hoe het daarna pas etappegewijs uit de geestelijke wereld naar het bewustzijn van de mensheid toekwam: via het bovenaardse beraad der hoge ingewijden in de 4e eeuw leefde het in kiemvorm en als streven bij de rozenkruizers. Het moest daarna in de geestelijke wereld terugkeren om in de imaginatieve cultus door Michael tot een vernieuwing te worden gevoerd. Schijnbaar van zijn beeldkarakter ontdaan, geheel samengetrokken tot een woordkristal, verscheen het kerstmis 1923 in de geestelijke sfeer van de aarde. In deze grondsteenwoorden en in het beeld dat daaruit kan oprijzen vinden wij, voorzover dat op ons bestaansniveau mogelijk is, het antwoord op de vraag: Quis ut Deus –

Wie is als God?

.

Sociale driegeledingalle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Michaël – alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël

.

2334-2190

.

.

.

.