Tagarchief: carnaval

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (16)

.

koningsoffer oorsprong van carnaval

Carnaval zou zijn oorsprong vinden in een koningsoffer om van de goden vruchtbaarheid af te smeken.

Een koningsoffer in het Mid­den-Oosten, duizenden jaren voor Christus, zou de oor­sprong van carnaval zijn. De eerste landbouwers vereerden een Maangodin. In tijden van onvruchtbaarheid, de winter, brachten ze het allerhoogste offer om de vruchtbaarheid terug te krijgen: hun koning. Deze ‘heilige koning’ werd versierd met twijgen en een kroon van meidoornen, met twijgen gegeseld aan een hei­lige thau-boom (in de vorm van een T gesnoeid) en ten­slotte geroosterd en opgege­ten. Koningen hadden het be­grijpelijk niet op dit kanniba­lisme en gingen op zoek naar een ‘dod’, een plaatsvervan­ger. Eerst werd dat hun eerst­geboren zoon (denk aan het ver­haal van Abraham en Isaak; de Israëlische koning Saul(us) zou zijn eerstgeboren zoon nog geofferd hebben). Maar al snel werd dat een andere zoon of verwant, een konink­lijke krijgsgevangene en ten­slotte een gewone gevangene, een (zieke) misdadiger of een slaaf.

Pseudo-koning
In Mesopotamië werd deze man Zoganes genoemd. Hij kreeg voor enkele dagen zijn vrijheid terug, werd versierd met koninklijke gewaden en werd als een koning op een scheepswagen rondgereden. (In die tijd kwam vruchtbaar­heid van overstromingen, en dus moest een vruchtbaarheidssymbool per boot arrive­ren). Slaven mochten ook en­kele dagen meester spelen en zich zo kleden. De pseudo-ko­ning trouwde tenslotte een priesteres, maar de volgende dag werd hem de koninklijke mantel uitgetrokken, hij werd gegeseld en gedood. Het mensenoffer verdween met verlies aan macht van de Maangodinnen Belili (Belial in de bijbel), de leeuwengodin Anat, de bi-seksuele duif-go­din Asima en de godin van de onderwereld Hekate (Sjeool). Daarvoor in de plaats kwam de mannelijke Perzische zonne-godmens (Mitra, Nimrod, Tammuz, Marduk), die het stoffelijke, gesymboliseerd door een stier, versloeg en aan het begin van de lente op­steeg naar het hemelse ver­blijf van het licht. In Egypte werd in de lente een ark-vormige boot rondgedragen, met daarop een hou­ten stier (apis) met een zon tussen de horens (symbool van zonnewende) en het fallisch symbool van de god Osiris. In Griekenland werd de god van vruchtbaarheid Dionysos op een wagenschip rondgereden.

De Romeinen namen zowel de zonnegod als het slavenfeest maar ook het verkleed­feest over (Bacchusfeest of Sa­turnaliën). Zij kenden ook het koningsoffer: wie in een cake een boon aantrof, werd ‘bonenkoning’, die eindigde met rituele zelfdoding op het altaar van saturnus. Een chris­ten-soldaat, Dasius, die de bo­nenkoningrol weigerde en werd vermoord, is heilig ver­klaard.
De Germanen trokken, ver­kleed als vrouwen, hun vruchtbaarheidsgod Frey op een scheepswagen door de straten. Kelten duwden bran­dende wielen (symbool voor de zon) van de heuvels.

Kerstenen
Al in 325 (concilie van Nicea) probeerde de katholieke kerk het voorjaarsfeest te kerst­enen in een 40-daagse vasten en het feest van Pasen. Zon­der veel succes, want de syno­de in Leptines in 724 ging te­keer tegen ‘Spurcalibus in februario‘. De synode van Benevento in 1091 bepaalde Aswoensdag als begin van de vasten.

In 1195 komt in een Franse tekst carne levare (weglaten van vlees) als oorsprong van het woord carnaval voor; an­deren denken dat het afstamt van carne vale (vlees vaarwel) of carrus navalis: scheepskar. In Frankrijk werd een dikbui­kige stropop op Aswoensdag als dronkaard terecht gesteld. De gewoonte om stoffen (vij­gen, dadels en noten in Grie­kenland, meel -later kalk- en eieren in Romeinse tijd, later confetti, snoep en op Aswoensdag roet) over de hoof­den uit te gooien, heeft waar­schijnlijk te maken met een vruchtbaarheidsritueel: een zaaier die zaad rondstrooit.
In de middeleeuwen probeer­de de kerk de feestgangers te temmen door hen binnen de kerkmuren te halen. Met een averechts resultaat. Zatlappen kozen er een ‘ezelspaus’ om voor te gaan in een ezelsmis, waarbij ze ezelsklanken ‘ia, ia’  uitstootten  en  schijfjes bloedworst aten in plaats van een hostie. Na de middeleeuwen werd de greep van de kerk op de samenleving min­der, en werd de burgerlijke overheid mikpunt van spot: verklede hofhoudingen trek­ken dan door de straten.

Verbod reformatie
De reformatie verbiedt het carnaval. (Tussen 1629 en 1789 is carnaval in Den Bosch verboden als ‘paepsche stoutigheyt’). Rome probeert het carnaval meer te koppelen aan het veertigdaagse vasten. De eilandstaat Venetië houdt de grote maskerade echter vol tot ver in de achttiende eeuw, en leent dan ‘Furstin Venetia’ aan Keulen. In 1827 herleeft carnaval in Koblenz, 1833 Münster en in 1838 in Mainz. Het Rijnland met een carna­valsvereniging, een prins, vorst of president en een Raad van Elf en Tanzmariechen staat model voor Zuid-Nederland: 1840 Momus in Maastricht, 1842 Jocus in Venlo, 1881 Marotte in Sittard, 1886 Patentoate in Beek, 1889 Militophile in Valkenburg en 1898 Bokkerieesj in Heerlerheide. Bergen op Zoom heeft als het Krabbegat een nog oudere traditie (1816), ge­volgd door Oeteldonk (1882) in Den Bosch.

Na de Eerste Wereldoorlog wordt carnaval her en der ver­boden. Na de Tweede Wereld­oorlog proberen de autoritei­ten het te ordenen als een ge­meenschapsfeest, zodat het een tijdlang ook populair wordt boven de grote rivie­ren, aangemoedigd door radio en tv. Intussen is het voor ve­len een verkleed- en zuipfeest, zonder enige bijbeteke­nis.

 Jan Meulemeesters, Brabants Dagblad  19 februari 2001

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

92-89

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten- carnaval (15)

.

CARNAVAL

carnaval 13

Een masker uit het Zwitserse Sankt-Gallen

Tenslotte heeft de winter lang genoeg geduurd en verliest de duisternis zijn beklemmende greep. In je buik tintelt de drang naar het nieuwe, naar nieuw leven. Het is tijd voor de lente en er kolkt iets uitbundigs in je bloed. Drank, voedsel, grappen, grollen, liederen, tromgeroffel, opwindende dansen jagen boze en kwaadaardige geesten weg uit het verdorde leven. Drie dolle dagen danst een narrenschip vol gemaskerden op de golven en staat de wereld op z’n kop. Een reis naar de ziel van Vastenavond, carnaval.
De wind buldert over het dorre,  dode  landschap. Donkere wolken tollen in zwarte nachten en verlengen met hun duistere handen de donkerte tot diep in de morgen van de dag. De bloedsomloop van de natuur ligt stil. In zulke kolkende nachten komt het ko­ninkrijk van Hades tot leven, staat de achterdeur tot zijn schimmenrijk op tocht.
Boze machten en geesten regeren in de Rauhnächte, de winternachten van het Germaanse volksgeloof. Demonen en doden domineren de Cyclus van de Twaalf Nachten en de Twaalf Dagen, het gapende gat tussen de zon- en de maancyclus rondom de jaarwisseling. Diep in dat heidense begin van onze ge­schiedenis ligt de bron van een bijna vergeten volkscultuur. Daar is het eer­ste ontwerp gemaakt van de huidige feestneus, zijn de eerste zinnen gesta­meld van de ‘paarden op de gang’ ,de ‘bloemetjes op het gordijn’ .
Oog in oog met de onberekenbaarheid van dood, magie, duiveluitdrijving en ongetemde natuurkrachten verbergen de mensen hun gezichten achter mas­kers om niet door de geesten herkend te worden. Geesten worden herkenbaar gemaakt door ze een vreselijk afschrik­wekkend masker op te zetten. Angst voor het bovennatuurlijke overwintert in de harten van de mensen.
Pas als de dagen langer worden en de nacht steeds vroeger wegvlucht voor de groeiende stralen licht, voelen de men­sen zich sterker worden. Ze verzamelen zich rond oplaaiende vuren en mét de potten zoete honingdranken groeit het vertrouwen in de eigen kracht. Er ont­waakt een drang naar nieuw leven. Opnieuw gaan de maskers op, maar nu bruist de dwaasheid in het bloed. De lente tintelt, maakt vrolijk en overmoe­dig. Met allerhande werktuig, veel ka­baal van rammelende potten en spette­rend vuur worden de boze geesten te­ruggejaagd in de dorre tuin van Hades om plaats de maken voor nieuw leven.

Toen: de vruchtbaarheidsrituelen van de Germanen, nu: de lentekolder in de kop. Drank vloeit en overmoedig achter hun masker tarten de mannen prins­heerlijk elk gezag. Niemand die weet wie achter het masker zit. De Germanen vieren het lentefeest, de Romeinen, de Grieken, de Egyptenaren, de Japanners. In alle uithoeken van de wereld tot in het diepste oerwoud en de kaalste poolvlakten trekken gemasker­de mannen ten strijde tegen de geesten. Overal is het masker aanwezig en een lange stoet vermomde mensen trekt in polonaise de volksgeschiedenis in op weg naar de drie dolle dagen van van­daag. Een geschiedenis die door nie­mand werd opgeschreven, door nie­mand werd afgebeeld: te volks.

Gelukkig ligt nog net op de grens van de vergetelheid Binche, in het Belgische Henegouwen. Zelfs de kinder­kopjes zijn er met bonte confettistrooisels afgevoegd en geven kleur aan het kamerbrede Belgische straatgrauw.
Binche, ‘Hoofdstad van het Carnaval’, staat in uitdagende letters bij de ingang tot het Waalse stadje. Pas op het einde van de lange hoofdstraat ligt het bewijs: het Internationale Museum van het Carnaval en het Masker. Een huis met 12.000 mas­kers uit de hele wereld en een biblio­theek van dik 3.000 boeken waarmee de geschiedenis van het masker op de voet kan worden gevolgd. Een tocht langs de vele gezichten van een volks­cultuur in een stad waar in 1394 en in 1397 het carnaval al gevierd werd.
In oud-Frans wordt in geschriften ver­haalt over wanorde onder de bevolking en een oproep aan de rechters om pa­raat te blijven om zo bandeloosheid en branden aan te pakken. In 1397 worden knechten erop uit gestuurd omdat er een ernstig gebrek is aan rivierwijn, waarschijnlijk bier. Ze weten in Binche nog steeds van wanten. En hoe. Zes weken voor carnaval reeds, geheel in de traditie van de Germaanse winterfeesten, slaat de kolder de inwoners van Binche in de kop. Zes zondagen achter elkaar duurt de voorbereiding op de uiteindelijke hoogtijdag: de Vette Dinsdag. Dan dansen de Gilles, de prachtig versierde mannen met hun verentooi, op het staccato van trommels door de straten om met hun korte bezems de heksen te verjagen.

carnaval 14

Zwitsers masker uit begin deze eeuw, voorstellend de te overwinnen winter

Marcel Sweertvaegher is gids in het museum en waarschijnlijk is hij ook om zijn pretogen gevraag om gasten in de geheimen van het masker in te wijden. Een machtig bronzen beeld markeert de ingang tot het museum: de Gille, de gemaskerde danser, het symbool van het carnaval in Binche, de poortwachter tot de boeiende geschiedenis van het masker. Een geschiedenis die reikt van het prachtige hout­snijwerk van eeuwen her tot aan het glimmende plastic masker van vandaag. Niet alleen het carnavalsmasker, want het masker is universeel. Overal in de wereld heeft de mens in het holst van de nacht het masker opgezet om de go­den en de natuurkrachten te tarten, om zijn kracht te onderstrepen, om de saamhorigheid te bevestigen en natuur­lijk om zich te vermaken.
Altijd als de mens in de geschiedenis ie­mand anders wil zijn, wil ontsnappen uit de werkelijkheid, gaat hij achter een masker zitten en speelt hij zijn rol in een andere werkelijkheid. Met een masker op zijn er ineens ande­re mogelijkheden: je kunt je beste vrienden en kennissen negeren zonder dat ze het in de gaten hebben, en je kunt met iemand die je helemaal niet kent een praatje beginnen, zelfs als dat in het normale dagelijks bestaan onmo­gelijk zou zijn. Je kunt de wereld op z’n kop zetten. Achter het masker kun je even makkelijk over jezelf praten alsof je het over een ander hebt.
„Pas als de roes van die krankzinnige carnavalsdagen over is en we weer met beide benen op de grond staan, komen we tot de toch wel pijnlijke ontdekking dat wij achter het masker misschien meer onszelf waren dan ooit in ons nor­male dagelijkse leven. Ja, dat wij zelfs vaak in ons gewone doen in wezen die rollen spelen die het verst van onze wa­re ik afliggen en ons achter een voor anderen ondoordringbaar masker ver­schuilen”, aldus de maskerkenner Werner Mezger.

Dat zijn gedachten die meelopen door de fascinerende maskerge­schiedenis. Honderden meters wande­len langs de etalage van de volksver­momming. En plotseling worden din­gen duidelijk. Hoe in de intimiteit van kleine gemeenschappen de maskers een hoofdrol hebben gespeeld bijvoor­beeld.

Zoals bij de stromannen, de bunzings, in de Elzas. Als een stroman verkleed bezoekt een man alle huizen in het dorp, hoort alle misère aan en uiteinde­lijk als hij alle ellende van het dorp ach­ter zijn masker heeft opgeslagen, wordt hij het bos ingejaagd. Weg ellende.
Overal proef je het diepe respect voor de traditie. Vooral in de diepe dalen van de Alpen en in de afgelegen hoeken van Europa, waar het carnaval zich afspeelt in de intieme sfeer tussen de dorpsbe­woners, zonder de vervelende aanwe­zigheid van toeschouwers die volledig buiten de traditie staan, aldus Marcel Sweertvaegher. Langzaam trekt de sprookjeswereld van kleur en vorm voorbij, getuigenissen van de geest en de bedrevenheid van een volk. En je begint je te schamen over inlegkruisjes, over hele grote bloemkolen en andere banale uitingen van vermaak. Je hoofd wordt bijna even rood als een van de vele maskers. Waar en wanneer is toch de traditie over de hoeperdepoep op de stoep uitgegleden? Waar is de rode draad gebleven die ons verbond met de woeste, kolkende Germaanse nachten?
‘Binche’ knoopt de losse delen aan el­kaar. Gooit de deuren open van de eeu­wen die achter ons liggen. Dan zie je in narrenpakken of in ‘oude wijve’-kleding gestoken dronken jongeren over het middeleeuwse platteland trekken. Spottend met elk gezag, herrie makend om de boze wintergeesten te verdrij­ven. Koebellen om de buik, dorsvlegels in de hand.

„Vrouwen moesten thuisblijven, die wa­ren te makkelijk door de geesten te beïnvloeden.” Marcel Sweertvaegher tart de vrouwenemancipatie. Heeft het over vrouwen die besmeurd werden met korrels klei. „Het was een vrucht-baarheidsgebaar, ze werden met zaad bestrooid. De kleikorrels werden in de geschiedenis uiteindelijk stukjes pa­pier: confetti, wat niets anders is dan zaad.”
En de pastoors in de dorpen keken met lede ogen toe. Maar zij konden tegen het gebral en gelal niets beginnen, de traditie zat te diep geworteld. Als je ze niet kunt verslaan, dan lijf je ze maar in. Dus werd het heidense lentefeest door de katholieke kerk gekerstend. Het nieuw-leven-verhaal werd geplakt aan de laatste dagen voor de vasten, de voorbereiding op het paasfeest.

De orgie van de middeleeuwen kreeg een stralenkrans. „Het chris­telijk carnaval is een orgie van de zege­pralende geest, die zijn gezel, het lijf, een vrolijk feest ten afscheid biedt, ver­zekerd, dat dit scheiden niet voor eeu­wig is. Het is het lentefeest van de altijd jeugdige geest, die de frisheid van nieuw bloed heeft gevoeld”, zo schreef Anton van Duinkerken, katholiek emancipator uit de eerste helft van de­ze eeuw, tientallen jaren geleden in Het Eeuwige Carnaval.

En binnen in het museum trekt de stoet van gemaskerde, vermomde, verklede mensen uit de hele wereld voorbij. De pogingen van overheid en kerk om het feest af te remmen, mislukten. De stad wordt veroverd en de burgers ontdek­ken dat ze zich drie dagen lang van hun kleinburgerlijke bestaan kunnen bevrij­den door het masker op te zetten en de wereld een slag linksom te laten draai­en. De heer die op straat durft te la­chen, de timmerman die met de vrouw van de magistraat danst. „De levende eenheid is boven alle verschil van me­ning uitgegroeid”, zo weet Van Duin­kerken er een draai aan te geven.

Nog steeds komen de maskers voorbij, tooit de hele wereld zich in kleur pracht en praal. Maar het zijn vergeten maskers, vergeten symbolen, ingehaald door mensen bij wie de wortels van de  traditie gerooid zijn en op de altaren van de moderne commercie  en haar platte humor.

Alleen een bedevaart naar Binche kan nog enige redding brengen.

carnaval 12

duivelsmasker uit Tirol

 

Hans Jacobs, Eindhovens dagblad 8 februari 1997

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

91-88

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (14)

.

CARNAVAL

Als ik aan dit stukje begin te schrijven zit ik op een luw plekje in de tuin, met de smeltende sneeuw nog om me heen. De zonnewarmte is weldadig en de vermoeidheid van een schoolweek valt geleidelijk van me af. Iets van de lente zit al in de lucht. De sfeer van de winterfeesten Advent, Kerstmis, Driekoningen is aan het vervagen.

Het eerstvolgende feest is carnaval. De naam carnaval heeft waarschijnlijk te maken met het lentefeest uit het oude Babylonië. Daar dacht men het heelal als een oceaan waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer. De weg leidde door de dierenriem en eindigde in een zwart gat, namelijk dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Hier bevond zich de ‘Zee van het dode Water”, het rijk van de dood.
Deze voorstelling vinden we ook beschreven in het Gilgamesj-epos: de held Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek – is op zoek naar onsterfelijkheid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water, om daar te sterven en uit de dood te herrijzen. Tijdens de lentefeesten werden in Babyloniê optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur, werden meegevoerd. Ook het godenbeeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over het water naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meegevoerd in de stoet langs de hoofdstraat, ten teken dat de zon uit de ‘Zee van het dode Water’ was herrezen.  (Boot op wielen – carrus navalis : carnaval.)

Bij de Grieken werd Dionysos, de god van het ontluikende leven, op dezelfde wijze in een optocht meegevoerd, vergezeld door een vrolijke saterschare. De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd, met grote maaltijden, dans en drinkgelagen. Ook hier werd gevierd dat het leven de dood overwint, zoals de lente de winter overwint.

Geleidelijk werd het aantal personages op deze ‘carrus navalis’ uitgebreid, en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling : het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over. (Vergelijk bij ons ook de praalwagens van het bloemencorso.)

Het verkleden en vermommen was aanvankelijk het naar buiten tonen van krachten die in de mens werkzaam zijn. Zo kwam men tot de uitbeelding van duivels, monsters, dieren, reuzen e.d. Hiermee hangt samen het “belang van het afleggen van het masker”: het demasqué, dit wil zeggen de mens wil niet langer een rol spelen maar met zichzelf te voorschijn komen.

De katholieken gingen het carnaval vieren voorafgaande aan de vastentijd;  een tijd die een beroep deed op zelfdiscipline, werd voorafgegaan door enkele dagen waar allerlei sociale normen werden losgelaten. Het naar buiten laten komen van een stuk van zichzelf is (was) hierbij wel aan de orde, maar de bewustwording hiervan niet of nauwelijks.

De vastentijd is bij de katholieken op de achtergrond geraakt. De bisschoppelijke vastenaktie, een geldinzameling voor allerlei goede doelen, is nog een laatste overblijfsel. Merkwaardig dat het belang van lichamelijk vasten : het zich onthouden van bepaalde spijzen en dranken, buiten de kerken weer in de belangstelling komt. Vasten krijgt hier weer de betekenis van reiniging (denk aan het gebruik van berkenthee, brandnetelthee, juist in het voorjaar). Een reiniging die van belang is om de opstandingskrachten in onszelf de volle kans te geven.
.

Uit een schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool, februari, nadere gegevens onbekend.

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

90-87

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (13)

.

Carnaval

“Wees U zelf”, zei ik tot iemand. Maar hij kon niet. Hij was niemand.
(de Genestet)

Kinderen vinden het heerlijk om zich te verkleden.  Zij zijn nog niet zo samengegroeid met hun uiterlijk. Dat is nog in opbouw. Hun inner­lijk betrekt de woning die wordt opgebouwd langzaam. Het duurt zo’n 21  jaar. Dan is de mens volgroeid,  “volwassen”. Dan worden wij geacht zelf in onze aardse woning aanwezig te zijn, ons zelf te zijn, iemand te zijn. Maar dat lukt ons lang niet altijd. De ene mens slaagt er va­ker in dan de ander. Met ons zelf valt niet te manipuleren. Onge­looflijk geraffineerd zijn de middelen waarmee de kwade, zelf­zuchtige machten ons trachten te verhinderen onszelf te zijn. Zij zoeken naar vooruitgang, macht,  “geluk” op aarde ten koste van anderen. Ons ware wezen, ons ware, innerlijke Zelf hoeft zichzelf niet te zoeken. Het hoeft alleen naar te zijn.– “Is dat wat u beweert nu werkelijk uw eigen mening, beste schrijver, of praat u anderen na?”— “Zegt gij dit uit uzelf, of hebben anderen het u van mij gezegd?” vraagt Christus aan Pilatus, wanneer deze aan hem vraagt of Hij de Koning der Joden is.  (Joh. 18-34) – Vragen wij iets uit onszelf, of is het alleen maar nieuwsgierigheid?- We mogen bij anderen, in de Bijbel,  de Koran, bij schrijvers, leraren, vrienden of bij wie dan ook een bevestiging zoeken, doch de werkelijke zekerheid vinden wij slechts bij onszelf. En voor iemand die zichzelf niet is, is zijn uiterlijke verschijning, zijn “woning”, of, zoals men het in India noemt,  zijn “voertuig” niet het belangrijkste. Wat wij gewoonlijk “ik” noemen, hoort bij het voertuig, waarin ons ZELF rijdt. We hoeven maar een ander pakje aan te trekken, anders te “doen, het venster op onszelf, ons “gezicht ” te bedekken, onze herkenningsmelodie, onze “stem” te verdraaien…. en we zijn onherkenbaar geworden. Wij zelf zijn a.h.w. in een ander voertuig gestapt, maar toch niet iemand anders geworden. Daaraan kunnen wij beleven,  dat wij niet ons voertuig zijn.

Henk Sweers, gedeelte van een artikel uit Jonas 11.  februari 1977
Verschenen in een schoolkrant. van de Haarlemse vrijeschool. Nadere gegevens onbekend

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

89-86

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (12)

.

Warrige feesten in het voorjaar

Iets onzekers, ook iets mysterieus schuilt er in de warrige tweede maand van het kalenderjaar. Het nieuwe jaar begon vroeger op 1 maart met de lente!

Het Maria Lichtmisfeest gaat op 2 februari vooraf. Men wis­selde zijn dienst, zocht iets nieuws. De werkgelegenheid was nog niet zon probleem. Alles nieuw!
Dit jaar* valt de Vastenavond, eigenlijk “Fazelnacht”  (d.i. een vruchtbaarheidsnacht) vroeg. Pasen valt al op 26 maart. Veertig dagen duurt de vastentijd, die begint klokslag 12 in de vastennacht. Dat is de tijd van het démasqué, dan komt de waarheid aan het licht en daarmede de ernstige ingetogen­heid van de Aswoensdag. Maar daarvoor kon men de gekste ver­mommingen aandoen, pretmaken, lachen, drinken, kortom de bloemetjes buiten zetten. Er schuilt een grote aantrekkings­kracht in om verkleed, gemaskerd feest te vieren. Men is “incognito”, onbekend en ongekend, men kan doen wat men wil. En men wil vooral niet lijken op de persoon die men in het dagelijks leven is!

Er zijn veel grappige misverstanden mogelijk. Een zekere vrijheid is boeiend en prikkelend bovendien. Ook treurige en lugubere zaken worden ongestraft gedaan door gemaskerden. Moordpartijen en gewelddadigheden zijn niet uitgesloten. De beroemdste carnavalsstad was Venetië en daar heeft half Europa het feestvieren geleerd. Vele vermommingen waren af­geleid van de beroemde “Commedia del Arte”, blijspelfiguren die een vast type waren geworden: de melancholische Harlekijn, de liefelijke Colombine, de rijke en gierige Vader Pantalone, de geleerde Dottore, de slimme bediende,  de listige koppe­laarster,  zij vermaakten zich in een wereld van schone schijn, glitter en muziek,  een gevaarlijke wereld, die men, ietwat beneveld door drank of verliefdheid, niet altijd oplettend tegemoet trad.

Voor kinderen is het verkleden een kostelijk festijn, niet het maskeren: dat moet worden afgeraden voor kleintjes. Het masker moet de persoonlijkheid verbergen en het kleine kind heeft nog geen persoonlijkheid. Het carnavalsfeest is ouder dan het christendom, al schijnt het een solide christelijke basis te hebben. De kerkvorsten hebben zich aangepast om de gelovigen geen jolig feest te ontnemen.
Of men met het huidige, moderne zelfbewustzijn nieuwe inhoud aan het carnavalsfeest zou kunnen geven, is een interessante vraag. Eigenlijk zou men een vernieuwing van het oude mysteriefeest (voorchristelijk dus) kunnen nastreven door de andere mens werkelijk te ontmoeten, waarbij het masker van het dage­lijkse leven zou kunnen verdwijnen, althans voor enige tijd zou worden afgedaan. Dat is dan ook weer een diep-religieuze aangelegenheid.

Overigens waren er in het vroege voorjaar nog wel meer feesten, die ook oeroud waren en door de geestelijkheid werden getolereerd. Zij verschilden zeer van elkaar naar plaats, duur en handeling. Eén ding hadden zij gemeen: volkomen gekkigheid. Men sprak ook van “narrenfeesten”. Behalve in de middeleeuwen weten wij ook van zulke feesten in het oude Rome en in Babylon.

De mens was zeer streng ingekapseld in een samenleving die harde en strenge wetten en gebruiken had. De meeste ver­grijpen werden met de dood bestraft. Rome was bijvoorbeeld een asiel, d.w.z. een vrijplaats voor vluchtelingen, ont­heemden, vogelvrij verklaarden, bannelingen en ook doodge­wone gevluchte schurken, dieven en moordenaars. Daarom waren de wetten van Rome zeer hard.

In de mensen leefde echter het bewustzijn, dat er een omme­keer mogelijk was, die door de goden werd toegestaan. Ook in christelijke traditie weet men, dat God de rijken en almachtigen kan vernederen en de armen verhogen.

In Rome had men het “Alle Zottenfeest” of Saturnalia. Heer werd knecht of slaaf. En slaaf werd heer. Een soldaat werd generaal, de generaal soldaat. Wat een komische veranderingen! Het werd sportief gehanteerd.

In de middeleeuwen had men de “narrenfeesten”, meestal gevierd tussen Kerstmis en de zondag na Driekoningen. Geestelijken deden maskers voor, trokken vrouwenkleren aan, dansten in de kerk, sneden brood en vlees op het altaar, zongen schunnige liederen en wat niet al.
Na de dag van spotternijen was ieder weer gewoon, zowel geeste­lijke als leek. Het voldeed aan een grote behoefte blijkbaar. Liefelijk was het “Ezelsfeest“, dat gevierd werd op 2 februari. Een mooi meisje – het was een eer daarvoor uitgekozen te worden – zat fraai aangekleed op een lief ezeltje. Een jonge­man liep er naast, leidde het ezeltje bij de toom en droeg in de andere hand een korfje met twee duifjes. Aan zijn arm hing een mand met timmergereedschap. De gehele stad liep uit – ook de geestelijken en magistraten – om die voorstelling van Jozef en Maria te zien. De duifjes waren voor een reinigingsoffer. Minder aangenaam was een processie in Brussel in 1549 met een zogenaamd “kattenorgel“. Twintig katten zaten op een wagen in een krat opgesloten. Hun staarten waren verbonden met een orgelregister, waarop een organist als beer verkleed speelde. Bij het indrukken van de toetsen werd de kat aan de staart getrokken en liet een krijsend gemauw horen. Allerlei burgers in wolven-, beren- of hertenpakken gehuld dansten er om heen. Men vond de kattenmuziek zeer zuiver volgens een tijdgenoot. Keizer Karel de Vijfde met zijn hele keizerlijke familie kwam op het balkon van het stadhuis om ernaar te kijken. De narrenfeesten zijn geleidelijk verdwenen. Alleen carnaval heeft zich weten te handhaven.

P.C.V. (Paul C.Veltman). Schoolkrant en datum onbekend.

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

88-85

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (11)

.

Carnaval

Het einde van de winter is in zicht. De zon stijgt en krijgt meer kracht, de levenvormende krachten in en om de aarde worden actiever. Ook de mens wil weer actief worden.
Om het ontluiken van de natuur te vieren, reden de Germanen aan het begin van de lente met een gewijde ossenwagen in de vorm van een schip door het land, ter ere van de gesluierde vruchtbaarheidsgodin Nerthus (of Nerval), de Moeder Aarde. Nerthus bracht vrede, blijdschap en vruchtbaarheid waar de wagen langskwam.
Langs de route werd uitbundig feestgevierd en de wapens werden neergelegd. De mensen verkleedden zich en hulden zich in doeken om verborgen te zijn net als de godin Nerthus zelf. Tenslotte werden de wagen en de kleden waarmee hij bedekt was, gewassen op een geheime plaats in zee. De mensen baadden zich ook in de zee of meer en verrezen eruit met nieuwe verwachtingen als nieuwe mensen, een ritueel vergelijkbaar met de doop.

Rudolf Steiner heeft het ‘een herinnering van de mensen aan het eerste incarneren van de mensenziel in het lichaam’ genoemd. Het ongeborene komt over het water, uit de wereld van het stromende, bewegende, op het land; zal vaste vorm aannemen.

We zien nu nog steeds wagens in de carnavalsoptochten. De naam ‘carnaval’ is zeer waarschijnlijk afgeleid van ‘Carrus Narvalis’, dat betekent ‘wagen van Nerval’. Ook andere verklaringen, zoals ‘Carne Vale’ (vaarwel vlees) en ‘Carne Levale’ (opleving van het vlees) lijken zinnig.

Wanneer is het nu eigenlijk carnaval?
Carnaval is het eerste feest in een reeks waarvan de datum niet vastligt. Dit gold oorspronkelijk voor elk feest, men bepaalde het juiste moment namelijk door naar de stand van zon en maan te kijken.

Als we beginnen met het moment van het paasfeest, dan weten we ook wanneer carnaval en Pinksteren (en alle speciale dagen die daarmee samenhangen) vallen. De paasviering vindt plaats de eerste zondag na de eerste volle maan na de eerste lentedag (dat is als dag en nacht even lang duren). De voorbereidingstijd voor Pasen begint 40 dagen ervoor (de zondagen niet meetellen) met Aswoensdag. Carnaval vieren we de drie dagen die daar weer aan vooraf gaan.

In sommige streken duurde de hele carnavalstijd vanaf 11 november (de naamdag van St.-Maarten, beschermheilige van bekeerde dronkaards).

Klokslag 12 in de nacht van Aswoensdag begint de vastentijd, de tijd om boete te doen en tot inkeer te komen vóór het gedenken van het lijden van Christus. Het carnavalsfeest bevatte allerlei heidense elementen die door de
kerk niet uitgeroeid konden worden. Paus Gregorius de Grote besloot daarom, in 602 na Chr., dat, direct volgend op het carnaval, de vastenperiode zou beginnen met Aswoensdag en 40 dagen zou duren.

Wat eerst ‘vruchtbaarheidsnacht’ was (Vaselnacht) werd zo door de kerk tot vastennacht gemaakt.

Vastentijd?
Vasten wil zeggen: sober leven, dus niet feesten en sober eten, dus geen vlees eten. In plaats van vlees werd er vis gegeten. Dat was het voedsel voor de armen omdat die dat zelf konden vangen, en dus was vis eten een gebaar van solidariteit met de armen.

Op Aswoensdag halen gelovigen een ‘askruisje’; op hun voorhoofd wordt met de as van op Palmzondag gewijde palmtakjes een kruisteken gemaakt. De as staat symbool voor trouw en boetedoening, maar ook voor reiniging en nieuw leven. Februari (afgeleid van februare – reinigen) is de maand van schoonmaak, reiniging van buiten en van de ziel. Reiniging is ook nodig wanneer je iets nieuws wilt laten groeien. De vastentijd is ook een goed moment om je ziel te reinigen en je bewust te worden van je zwakke punten en onvolkomenheden. Carnaval gaat altijd gepaard met verkleedpartijen (denk aan de gesluierde Nerthus). Door je te verkleden, verander je je uiterlijke omhulling, het voertuig waarin je je levensweg aflegt en dat je slechts bestuurt. Je eigen IK, je werkelijke wezen, blijft dezelfde. Je kunt je even als een ander voordoen en de draak steken met alles wat normaal is. Als je je vermomming weer aflegt, kom je als herboren tevoorschijn.
Een karakteristiek aspect van het carnavalsfeest is ook de bespotting van de samenleving, kerk en overheid, burgerij en gevestigde orde. Ook kun je het accent leggen op bezinning en extra aandacht voor de mensen die het minder goed hebben. Kijk in je geweten naar de dingen waarmee je bezig bent, het doel dat je in je leven beoogt.

Kunnen we de moed opbrengen om in de ‘Faselnacht’, de vruchtbare nacht, onze maskers af te rukken en in eerbied en bewondering elkaar werkelijk te zien?

Artikel uit een schoolkrant van vrijeschool ‘De Zevenster’ Uden. Nadere gegevens ontbreken.

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

87-84

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (10)

.

CARNAVAL

Toen bij ons thuis in december de doos met kerstversieringen geopend werd, bleek tussen de dingen verdwaald een zwart-fluwelen masker te liggen. Onze kleuters pakten dat meteen en waren in een mum van tijd gehuld in allerhande lappen, kappen en franjes,  liepen blazend, sissend en brullend door het huis, en iedereen, die volgens hun inzicht iets had gedaan, dat niet in de haak was, werd naar hun “hol” gesleept “voor straf”. ’t Ging onstuimig toe onder het mom van het masker: een oer-weten bleek daar om­hoog te komen, van midwinter, van vroeger tijden in onze streken.

In Germaanse landen vierden de mensen, nog vol overgave levend in het na­tuurlijk ritme van het bestaan, midwinter en lentebegin op deze wijze: een wilde dans van maskers en schimmen, reeds aan het begin van de winter hier en daar opduikend, met een eerste bloei in de tijd tussen, winter- ­en jaarkentering (naar onze begrippen zo tussen kerstmis en nieuwjaar en op z!n hoogtepunt in de tijd van het toenemende licht en de ontwakende natuur. De dreigingen van de winternacht en de bevrijding van de winterse verstarring, ondergang en overwinning, dood en leven, dit zijn de achter­gronden van het ontstaan van gebruiken, waarin de mensen, hunkerend naar het veilig lichte, en de spanning van het donker belevend, zich ont-spanden.

In de tijd van maskers en schimmen werden voor een korte tijd de strenge sociale wetten van de groep opgeheven; vooral de ongehuwde jonge mannen, anders strikt gebonden in hun optreden, werden op vele plaatsen de dragers van deze gebruiken (zoals nu nog op sommige Waddeneilanden tijdens ’t  “Sinterom“).

Bij deze “natuurlijke” achtergrond van de feesten kwam nog een heel directe voorstelling, waardoor deze gebruiken misschien pas goed konden worte­len, dat was de dodencultus. De verering van de doden, het geloof in hun door de dood niet te breken werkzame kracht, deze gedachte vinden wij over­al op aarde aanwezig, bij alle volkeren, in alle tijdperken. En altijd is er een tegenstrijdig beleven, aan de ene kant is er de vrees, want de bo­venaardse kennis, de bovenmenselijke macht waarover de doden beschikken, is onpeilbaar voor de mens. Aan de andere kant houden de mensen van de doden: het zijn de voorouders van het eigen leven, aan wie zij alles te dan­ken hebben, en aan wie ook een toekomstig welslagen te danken zal zijn.

Als nu de geesten,  de zielen der doden, in de nachten tussen midwinter en jaarwisseling onder de hoede van vrouw Ferchta, d.i. vrouw Holle, naar het aardse terugkeren om te kijken bij de levenden, waren de mensen werkelijk bereid de berechting door de “wilde Jagd” te aanvaarden, hun straf op zich te nemen, en zo verzoend te worden en gerechtigd verdere zegeningen te ontvangen. Huis en hofstede hadden van onder tot boven in orde te zijn, luiheid werd door vrouw Holle gestraft (je kunt in Noord-Duitsland nog me­nige huisvrouw haar waslijnen voor de Kerstnacht binnen zien halen. Op je vraag hoor je dan: “dat brengt ongeluk voor t nieuwe jaar.’ Jazeker: als vrouw Holle en de haren erin verward mochten raken.) Je mocht geen nieuws­gierigheid naar het wezen buiten tonen; symbolisch vinden wij dat nog te­rug b.v. op Texel en Terschelling, waar in de winternamiddagen de straten door “Sinterklazen” en anderen worden schoongeveegd. Wie zich na bet aanbreken van de avond nog buiten vertoont, kan door de “witte midwintermannen” (gehuld in witte lakens en met een dicht net voor het  gezicht) en de afschuwelijke heks “Rix van t Oerd” op de mesthoop gedragen worden. Op uitnodiging komen deze midwintermannen en hun gevolg graag in huis voor een versnapering: het dodenoffer. (In Finland houdt men op sommige boer­derijen nog vast aan een oud jul-gebruik: in een hoek van de kamer, of in een apart vertrekje, wordt een tafel gedekt met alles wat het boerengezin tijdens dit ‘oogstfeest’ nuttigt – voor de dode zielen. En opdat niemand deze nachtelijke gasten zou horen – ‘dat is onbehoorlijk’ – wordt de kamer dik met stro uitgelegd.)

Deze kosmische en mythische voorstellingen zijn het in wezen, die tijdens deze donkere weken worden na-voltrokken met deze masker-optredingen: mas­ker: dat is het woord “masca” van de Longobarden en betekent oorspronke­lijk het net, waarmee de doden omhuld werden;  later omschreef men de terugkerende “boze” geest zelf met “masca”. Het masker vervreemdde zijn drager van de rest van de groep. Daardoor werd, wat dit maskerwezen deed en zei, des te indringender ervaren en beleefd door deze gemeenschap. (Het kon zelfs gebeuren, dat de beleving van zo’n masker als belichaming van een gestalte uit andere kosmische regionen zo sterk was, dat – nog in de 18e eeuw – iemand, die in de vermomming van het Ferchta-masker overleed, geen christelijke begrafenis kreeg.)

Maar het is niet alleen deze duister-dramatische stroming, die is geworden tot de “dolle dagen” van onze tijd. Er is nog een andere, en die heeft ons naar men aanneemt, de naam van het feest gebracht: carnaval. Een stroming van heel ver, uit het oude Babylonië.

Daar was het ’t feest van de landbouwers, de viering van de komende lente en de terugkerende zon: de zon had haar kracht ingeboet, de natuur was ge­storven – maar nu, met het stijgende licht, werd alles weer herboren. Men dacht het  heelal als een oceaan, waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer; de weg van de jaarlijkse tocht, die door de dierenriem leidde, om te eindigen in een zwart gat, nl. dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Daar was voor de Babyloniërs en Sumeriërs de “Zee van het dode Water”, het rijk van de dood. Deze voorstelling vinden wij beschreven in het Gilgamesj-epos:  de held,  Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek -is op zoek naar onsterfelijk­heid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water,  om te sterven en uit de dood te herrijzen.

Tijdens de lentevieringen werden in Babylonië optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur werden meegevoerd.  Ook het goden­beeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over t wa­ter naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meege­voerd in de stoet langs de hoofdstraat van de stad: zo werd de reis van de zonnegod over de wereldoceaan naar het dodenrijk, aan het langs de weg zich verdringende volk getoond (een eerste schouw—burg).  Boot op wielen of te wel “carrus navalis”. Carnaval.

De Grieken namen deze gebruiken over: bij hen echter was Dionysos de god van het ontluikende leven,  die op de boot werd neergezet, vergezeld door een vrolijke saterschare.  De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd met grote maaltijden,  dans en drinkgelagen. Maar ook hier was het niet  al­leen het feest van de lente,  ook hier een viering ter nagedachtenis van de doden: het leven overwint de dood,  zoals de lente de winter overwint. Ge­leidelijk aan werd het aantal personages op deze “carrus navalis” uitge­breid,  en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling: het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over.  (Onze praalwagens van het bloemencorso, in Babylonië hebben zij hun oorsprong).

Toen de Romeinen Germaans gebied introkken en de eerste steden stichtten, bv. Keulen, maakten ook de gebruiken van hun lenteviering hier hun entree. En hier begon “ons” carnaval: Germaanse schimmen en maskers met hun strak en straffend optreden versmolten, of bestonden naast het uitbundige lentevieren uit verre landen.

Carnaval is niets voor ons noorderlingen? Toch vieren wij nog een klein restje carnaval, als wij op oudejaarsavond naar Wim Kan luisteren, naar zijn schertsend of bijtend relativeren van het dagelijks gebeuren. En als wij, rond de jaarwisseling, een lijstje met goede voornemens schetsen, dan zijn wij, als onze voorvaderen, in gevecht met het boze duister, ver­langen naar licht en helderheid. Onze tijd heeft een ander licht zien ver­schijnen, dat zijn boodschap van verlossing en verzoening uitstraalt boven ons bestaan: het licht van het kerstgebeuren.

Carnaval – we mogen het best een beetje meebeleven met onze kinderen, dit heidens-heilige feest, ter nagedachtenis aan ons verleden.

(zie ook: “Carnaval”  door Boris Raptschinsky;
en “Ons eigen volk in het feestelijk jaar” van D.J. van der Ven)

 E.Eshuis-Schütt, schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool in febrauri, jaar onbekend.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

86-83

.