Tagarchief: 3e klas heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (4-2)

.


VAN HOLEN TOT PAALWONINGEN


Duizenden jaren lang woonden de mensen uit het stenen tijdperk in natuurlijke grotten en holen. Deze diepe, donkere holten werden zeer gewaardeerd door onze voorouders: Allereerst waren het door de natuur geboden schuilplaatsen die goed te verdedigen waren tegen aanvallen van wilde dieren.
Bovendien boden ze beschutting tegen regen en kou.

Maar na een zekere tijd ruilde de mens deze schuilplaats voor een geriefelijker en gezonder onderkomen. Men had zich bekwaamd in het vervaar­digen van gereedschap en jachtwapens. Men kon dus het hout bewerken en vaartuigen bouwen. Het bouwen van een hut aan het water bood aanzienlijke voordelen: het onderkomen was in ver­houding veel geriefelijker en veiliger. De paalwoningbewoner kon vis vangen om in zijn behoefte aan voedsel te voor­zien. Hij had drinkwater bij de hand en hij kon gemakkelijk aanvallen van vijanden afwenden.

De oudste nederzettingen van paalwoningen ontstonden in de loop van het nieuwe stenen tijdperk (6000 tot 4000 jaar v. Chr.). Ze kwamen tot bloei in het daaropvolgende late stenen tijdperk  (3500-2500 v. Chr.) en zetten zich voort in de bronzen- en ijzeren tijdperken (van 2500-1000 v. Chr.)   Ze kwamen voornamelijk voor in een gebied dat te vergelijken is met het tegenwoordige Duitsland, Zwitserland en Italië.

3e klas 1

In het jaar 1854 zakte, als gevolg van een langdurige droogte, het waterpeil van het Meer van Zürich tot ver beneden normaal.

De bewoners van het dorp Obermeilen benutten de kans om hun akkers uit te breiden door een stuk van het meer met een dam af te sluiten. Tijdens het aan­leggen van die dam kwamen de arbeiders een laag zwarte klei tegen, waar een woud van palen tot vier meter diepte in geheid was. Tussen de palen vond men een grote hoeveelheid voorwerpen, zoals gereed­schappen van steen en beenderen, handgemaakte potten, overblijfselen van kookplaatsen en ander huisraad.
Voor de eerste keer had men een grote nederzetting van paalwoningen uit het stenen tijdperk ontdekt, woningen die op palen boven het water waren ge­bouwd.

De gebruiksvoorwerpen die uit de modder te voorschijn kwamen waren vier tot zesduizend jaar geleden voor het laatst gebruikt. Later heeft men in heel Europa tientallen zeer gaaf bewaarde overblijfselen van paalwoning-neder­zettingen ontdekt en onderzocht.

Bouwen op palen

Om zo’n paaldorp te bouwen, waren tientallen mannen enige jaren bezig. In die tijd leefden de gezinnen bij elkaar in stammen. Er was geen gebrek aan mankracht.
Als bouwplaats voor zulke nederzettingen gaf men de voorkeur aan meren en moeras­sen. Rivieren waren minder geschikt vanwege hun steeds veranderende waterstan­den: de perioden van droogte en gevaarlijke overstromingen.

Allereerst werden boomstammen, voorzien van een scherpe punt, in de modderachtige bodem geslagen. De palen staken ongeveer twee meter boven de waterspiegel uit. Op de palen werd een vloer van boomstammen gelegd, die men vastzette met behulp van houten pennen. Op de zo tot stand gekomen vlonder ging men hutten bouwen.
De hutten waren vierkant of rond. Ze werden ook uit boomstammen opgetrokken. De kieren tussen de stammen werden dichtgesmeerd met klei. Deze klei, verhard onder invloed van zon en lucht, veranderde in een zeer sterke pleisterlaag.

3e klas 2

3e klas 3

3e klas 4

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

862-794

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (6)

.

OVER ‘HAND’ELINGEN

De heemkundeperioden vond ik altijd heel fijne perioden. Je voelt dat je met de kinderen voor het eerst eigenlijk, met het ‘echte’ leven te maken krijgt. In de artikelen over heemkunde vind je suggesties om met de kinderen dit echte leven ook te kunnen beleven.

Wanneer de kinderen kennis maken met de ‘handvakken’ is het belangrijk dat ze leren zien dat de handen essentieel zijn om al die verschillende ambachten te kunnen uitoefenen. In de vierde klas, bij de dierkunde, kun je daarop dan weer terugkomen.
En dat er samenhang is tussen de hand – in bepaald opzicht tussen delen van het lichaam – en het ontstaan van gereedschap, dat zich in vele gevallen ontwikkelde tot machine.

Ik gebruikte vaak – uit het Oude Testament – Thubal-Kaïn als ‘uitvinder’ van gereedschap. Zo zat hij eens sterk na te denken, hoe hij iets kon maken waardoor de getemde dieren niet meer zouden kunnen ontsnappen. Hij had palen nodig en zag wel dat die in mooie rechte boomstammen staken. Terwijl hij zo nadacht, kauwde hij achteloos op een grashalm daarbij de kaken in een wilskrachtige beweging heen en weer bewegend. Plotseling was de halm doormidden. Een stukje nog in de mond, de rest op de grond. Dit bracht hem op het idee ‘iets’ te maken, zoals zijn tanden, daarmee kreeg je iets doormidden. Zo bootste hij de ribbels van de tanden na in een stuk ijzer – hij was tenslotte smid – en ontwierp een zaag.

Wanneer je de kinderen vraagt naar gereedschappen en hoe die zijn afgekeken van menselijke handelingen, komen zij met van alles: je vuist als hamer; je nagel als schroevendraaier; duim en wijsvinger vlak bij elkaar als tang enz. enz. Zelfs iets wat niet direct met de hand gedaan wordt, kan ‘handig’ zijn. Uit het eenmaal ontstane gereedschap ontwikkelden zich andere vormen: nog grotere vuisten: mokers; maar ook heel kleine hamertjes met een speciale slagkant om bv. koper mee te slaan.

En het kan vaak groter en sneller. Het koren werd in vroeger tijden afgeslagen met  een zeis. Toen de eerste maai- en dorsmachines (2 handelingen in 1 machine!) ontworpen werden, waren de snijmessen nog steeds in de vorm van een zeis – alleen minder gebogen en naast elkaar gebracht, a.h.w. 2 zeisen tegelijk. Wie erop gaat letten ziet in de machines nog altijd de ‘oer’ –handbeweging terug.

Zo ook bij de ploeg. Wanneer je in zand voren wil trekken, houd je je hand vanzelf zo als nu het ploegblad nog steeds is. Eggen: de vingers als een soort klauw. En natuurlijk op de echte eg: veel meer vingers, zoals nu met de sterke tractoren meer dan 1 ploeg de aarde omgooit.

Dat de tractor over paardenkrachten (pk’s) beschikt duidt weer op het paard dat ooit voor het landwerk werd gebruikt.

Techniek is in veel gevallen: een oorspronkelijk menselijke beweging omgezet in een die sneller gaat, meer tegelijk kan enz. Die oorspronkelijke beweging op te sporen vanuit een machine is ook een interessante weg voor kinderen.
(De elektrische klopboor als combinatie van een hamer (vuistje) en een boor (de draaiende vinger die met de nagel een gaatje uitpeutert) en dat alles in een razend tempo: hoge toeren met slagkracht).

Het met de kinderen teruggaan naar de oude ambachten, is geen nostalgisch onderwijs dat de kinderen verre wil houden van wat er in deze tijd in die beroepssfeer gebeurt. Deze vorm van onderwijs wil daar juist méér begrip voor wekken door terug te kijken naar de ‘bron’.

Het is belangrijk ‘mens en wereld’ in samenhang te brengen – daar is heemkunde een bijzonder middel toe.

.

Pieter HA Witvliet

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

hand en intelligentie

.

486-449

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (5)

.

DE AMBACHTENPERIODE VAN DE DERDE KLAS

Een van de leukste periodes van de derde klas is de ambachtenperiode. De kinderen kijken er heel lang naar uit, want van oudere zusjes of broertjes hebben ze natuurlijk al lang gehoord, dat je dan veel uit­stapjes gaat maken, dat er ambachtslieden in de klas komen, kortom, dat er veel te beleven valt.

Wij zijn eind januari met deze periode begonnen en we zijn uitgegaan van ons dagelijks brood. En de eerste die voor de grondstoffen van het brood moet zorgen is de boer. Wij hebben een akker kunnen huren van de gemeente Leiden. Die was al geploegd, daarna heeft de klas geëgd en in maart hebben we tarwe gezaaid. Direct na het zaaien hebben we vier prachtige vogelverschrikkers gemaakt om de vogels ervan te weer­houden al het net gezaaide graan op te eten en het heeft geholpen. Vorige week stond het graan al 10 cm boven de grond. Oogsten kunnen we pas in klas 4 en dan zullen we het graan laten malen in molen de Put als we het gedorst en verzameld hebben.

Ons eerste uitstapje was naar deze molen de Put, een nieuw gebouwde graanmolen die bij het Galgewater staat. Via een grote steile trap gingen we de molen in. Eerst had de molenaar ons al laten zien hoe de zeilen opge­spannen werden en hij liet ons zien, dat het hele houten bovenstuk van de molen geheel los op het stenen onder­stuk stond. Door het grote gewicht van de molen blijft deze staan en hoeft niet verankerd te worden. Niet alle kinderen hadden daar evenveel vertrouwen in toen we bovenin stonden en de hele molen bewoog zodra de wieken gingen draaien. Het piepte, kraakte en schudde en sommigen werden wat wit rond de neus en waren blij weer vaste grond onder de voeten te voelen.

Anderen vroegen de molenaar honderduit over de molenstenen, de wieken,  tandwielen, etc. die hadden de hele dag wel willen blijven!

We kochten meel waar we op carnaval pannenkoeken van ge­bakken hebben en gingen weer terug naar school. Later bezochten we nog een houtzaagmolen en een poldermolen. Tijdens deze bezoeken was er niets meer te merken van de vrees voor het enorme geweld van het draaien der houten raderen, de enorme zagen die heen en weer gingen en het scheprad dat het water menshoog deed opspatten. De kinderen waren nu zo vertrouwd geraakt met de molens, dat die angst overwonnen was.

In de klas hebben we lied­jes gezongen over molens. En voor elke molenaar (alle drie jonge vrijwilligers, die deze molens in hun vrije tijd draaien – Molen de Put en Molen d’Heesterboom bij de firma Noordman op zaterdag en de poldermolen tussen Rijnsburg en Oegstgeest langs het Oegstgeesterkanaal op zondag, (alle drie een bezoekje waard), zei de klas het volgende versje uit volle borst op:

“Wij zijn molenaar en werken met de wind.
We vrezen geen gevaar en zijn altijd gezwind.
Begint het nu te waaien
Spannen wij de zeilen aan.
De molen gaat aan ’t draaien,
Zo malen wij het graan.
Begint het dan te stillen
Gaan wij met lust en vlijt
De steen wat scherper billen.
Zo werken wij altijd.”

(“billen = met hamer en beitel de inkepingen in de molensteen wat scherper inhakken. )

Zo staat er ergens op een molen ook geschreven:

“As de meulen staet in t kruus
Is de mulder an ’t billen of nait thuus.”

Als de molenaar zijn werk gedaan heeft en het graan gemalen is, dan gaat het meel naar de bakker. En van het meel, gemengd met gist en water, bakt de bakker ons dagelijks brood. Bakker Verhoog uit Voorschoten liet ons zien en proeven, dat er behalve brood nog vele lekkere taarten en gebakjes van het meel gemaakt worden.

heemkunde 2

In de klas hebben we zelf voor bakker gespeeld en deeg gekneed en bruine bolletjes gebakken en daar­na heerlijk opgegeten.

Ook van de bakker hebben we liedjes gezongen en versjes opgezegd zoals het volgende, dat door meester Stoop gemaakt is:

“De bakker laat zijn oven laaien
nog voor het eerste hanenkraaien
Meel en water, gist en zout
worden bij elkaar gesjouwd.
Hij roert en duwt en tilt het op.
Het deeg krijgt flink wat op zijn kop.
Nu kan het warm en stil genieten,
rijzen, hoog de lucht in schieten.
Brood wordt het deeg pas in de oven,
luchtig droog en warm van boven.”

Het volgende uitgangspunt was onze kleding. We zongen en speelden over de spinster, de wever, de schoenmaker, de klompenmaker,  etc.
De spinster kwam in de klas. Dat was onze “oude” euritmiejuf Manja Wodowoz-de Boon en zij vertelde ons over de verschillende wolsoorten en ieder kind mocht een keer zelf spinnen. Ook Anneke Barendsen hielp de kinderen met het spinnen. Een weefgetouw hadden we ook in de klas. De klompenmaker in Zoeterwoude hebben we bezocht en deze liet zien, hoe hij van een blok popu­lierenhout binnen een uur een prachtige, met hout­snijwerk versierde, klomp maakte.

Een waar feest was het bezoek van de nettenboetsters uit Katwijk. Vier dames op klompen, wat witte schorten aan en rooie zakdoeken om, stapten de klas binnen. Ze haalden een groot net te voorschijn, sneden er grote gaten in en gingen aan het werk. Hun handen gingen net zo snel als hun mond en de kinderen keken hun ogen uit. Ze vertelden over het werk vroeger. Hoe koud het was op de boetzolder ’s winters en dat ze niet mochten praten met elkaar, alleen mocht bij uitzondering een lied uit de bundel van Johannes de Heer gezongen worden. ’s Middags kregen ze één kopje thee, maar dat er dan eerst iemand een emmer heet water moest gaan kopen voor 3 cent in de water-en-vuurwinkel. U begrijpt, dat dit wonderlijke verhalen zijn voor de kinderen van nu die alle luxe van elektriciteit en een warmwaterkraan van jongsaf kennen.

heemkunde 1

Heerlijk waren natuurlijk ook de verhalen om bij te griezelen van de vissers in de storm op zee en dat de boetsters soms netten moesten repareren van schepen die net binnen waren gevaren en nog dezelfde dag weer moes­ten vertrekken, zodat de netten niet gespoeld of uit­gekookt konden worden, maar direct met vissenkoppen, krabben, zeewier en inktvistentakels er nog in geboet moesten worden! De kinderen smulden van deze verhalen. Al gingen de handen van de boetsters ondertussen razend­snel en werd het ene gat na het andere gemaakt,  toen we zelf gingen proberen te boeten bleek het nog niet zo eenvoudig als het leek. Sommige kinderen lukte het wel, maar op de vraag van de dames of ze later dan misschien nettenboeter of -boetster wilden worden, riepen allen hartgrondig nee. Jammer, vonden de boetsters, want het is een uitstervend beroep en ze kunnen hun kennis en vaardigheid aan niemand overdragen, want er is geen be­langstelling voor.

Over de nettenboetsters leerden we het volgende vers:

‘We slaan er de pezen en boeten het net.
Ook wordt er vakkundig een stuk in gezet.
We maken de scheuren al zijn ze vaak groot.
Daarmee verdienen we ons dagelijks brood.
Twee pezen, twee zijen, het net is gereed.
En honderd netten vormen een vleet.
Zo’n hele vleet neemt de logger dan mee.
Dus zonder ons kunnen de vissers niet naar zee.

Aan het eind van de periode werden we nog bezocht door pottenbakker. Hij liet alle kinderen een vaasje of schaaltje maken, glazuurde en bakte ze voor ons, zodat het kind ook nog een concreet aandenken aan deze periode had.
.

 (Ria Buscop, vrijeschool Leiden?; nadere gegevens onbekend)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

 .

485-448

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (4-1)

.

HUIZENBOUWPERIODE IN DE DERDE KLAS

Op de lang verwachte morgen waarop in de derde klas de huizenbouwperiode begon,  stapten de kinderen – vele met zware tassen beladen ~ ongeduldig de klas binnen. Van thuis meegebrachte hamers, troffels, voegspijkers en zagen gingen van hand tot hand en werden met kenners­blik gekeurd. Maar ook gingen de kinderen nieuwsgierig langs de vogel­nesten, slakkenhuisjes, zeeappels, die op een tafel waren uitgestald. Huizen?

Daarover ging ons eerste gesprek. Ook sommige dieren maken ‘huizen’ – maar hoe komt het dat zwaluwen altijd dezelfde nesten maken, dat slakken nooit eens een buitenissige kronkel bouwen? Hoe komt het dat mensen steeds weer verschillende huizen kunnen bouwen? Een open vraag, die bleef staan tot het einde van de periode. In de vier daar­op volgende weken ‘groeide’ langzamerhand het huis van fundament tot nok. We maakten zelf bakstenen ‘gezand en ‘geplaamd’, heiden met katrol en gewicht, tekenden plattegronden, goten met – kippengaas – ge­wapend beton, metselden een grote plantenbak,  bouwden met zand….

Vlak bij school konden we van dag tot dag het bouwen van een nieuwe woonwijk volgen,  terwijl de uitvoerder ons voorging van spouwmuur naar spant. Maar ook in de klas schoten huizen als paddenstoelen uit de grond – niet met stenen, maar met woorden:

Wij mengen kalk,  zand en cement
Met water in ons instrument.
Rommel, dommel, dommel, dan
Draait die molen om en om.
Ho maar, Keesie! Goeie specie!

Zodra meester met de troffel specie aanmaakte, werd het onvermijdelijk : ‘Ho maar, meesie!  …’

De huizenbouw – gedichten en prozateksten werden op schrift gesteld, begeleid door tekeningen. Met zelfgemaakte héél kleine heipaaltjes (om een lucifer de grond in te slaan]) met bouwtekeningen, waterpas en schietlood kwamen de kinderen naar school.

In de derde klas verlaat het kind zijn oude, sprookjesachtige klein kinderparadijs. Hij opent zijn ogen voor de werkelijkheid om hem heen. Het is de taak van de opvoeder, hen een zinvolle en overzichtelijke realiteit te laten beleven. Dat wordt geprobeerd in een dergelijke periode.
Op deze leeftijd verinnerlijkt zich langzamerhand het zielsleven van het kind. Het beleven van een ‘buiten’ en ‘binnen’ van een omhulling die buiten- en binnenwereld scheidt, (dat is immers de functie van een huis), is tegelijk beeld voor datgene, wat zich in de kinderen afspeelt.
We eindigen, zoals we begonnen waren: met vragen. Het antwoord daarop was tegelijk voorspel van de dierkundeperiode, die in de vierde klas gegeven wordt. We spraken over de menselijke hand, die tot ‘alles’ in staat is – én de dierlijke poot of  klauw, die ‘gevangen’ is in zijn eenzijdigheid, zodat het dier ook in zijn gedragingen gevangen is. Op zulke momenten kunnen de kinderen iets beleven van die vrijheid die de mens tot mens maakt.
In hogere klassen wordt zo’n essentieel vraagstuk stap voor stap verder ontraadseld. Door alle klassen van de vrijeschool lopen zulke ‘rode draden’, die niet leiden naar ontnuchterende feitenkennis, maar naar het begin van wezenlijk inzicht.
.

(Vrijeschool Bergen, nadere gegevens onbekend)
.

een paar voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

484-447

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (3)

.

Van zoet tot brood.

Wat moet er niet een werk verricht worden, hoeveel handen zijn er nodig, hoeveel zweetdruppels worden er gezweet om te maken, dat wij iedere dag opnieuw ons dagelijks brood kunnen nuttigen.
Dit is in het kort de strekking geweest van een periode ‘zaakonderwijs over het brood’ die de 2e en 3e  klas net heeft ge­consumeerd.
We begonnen met te spreken over het geschikt maken van de grond door bemesten,  ploegen en eggen. Al deze bewer­kingen werden door middel van gebaar en beweging, aan de hand van verschillende versjes, zo goed mogelijk ingeleefd en nage­bootst. Daarna werd er gezaaid en toen trad er een wachttijd in, waarin het zaad ontkiemde en tot koren kon gaan groeien en rijpen. Deze wachttijd voor de boer is niet een tijd waarin niets ge­beurt, nu is het de taak van de elementen, om in te grijpen en van zon, wind en regen zal het afhangen hoe tenslotte de oogst zal uitvallen. Over deze periode heeft de boer nog altijd geen zeggenschap.

Jan Ligthart heeft dit afhankelijk zijn van de natuur uitgedrukt in het kleine spreukje:

Wij ploegen, wij  eggen, wij zaaien op het land,
Maar wasdom en gedijen ligt in Gods hand.

De klas heeft deze wachttijd gebruikt om vier verschillende korensoorten,  die men hier in ons land op de velden kan ont­moeten,  beter te leren kennen.  Het waren de tarwe, de rogge, de gerst en de haver. Zij werden zo behandeld als of ieder van hen een eigen karakter bezat,  een eigen persoonlijkheid was.

De haver met zijn speelse beweeglijke pluimen, was de vrolijk­ste van de vier.  De gerst met zijn lange baardnaalden en om­laag knikkende aren maakte een beetje een droefgeestige, kla­gerige indruk.  De tarwe wat stijf,  zonder naalden en zich als het ware helemaal concentrerend op het maken van dikke, voedzame korrels, leek daarnaast nogal prozaïsch. En tenslotte was daar dan nog de strijdlustige rogge, die er prat opging dat hij het best aandurfde om op de schrale zandgrond te tonen wat hij waard was.

Na dit meer beschouwelijke intermezzo, waarin over iedere korensoort een kleinigheid werd opgeschreven en waarbij veel werd getekend, brak de oogsttijd aan. Nu was er wel weer veel werk aan de winkel.  Het maaien,  dorsen, wannen, malen en bakken zijn allemaal aan de orde geweest.

Tenslotte hebben wij  een schoolreisje gemaakt naar de “Ervekots”, een oude Saksische boerderij in de Achterhoek.
(Hierover hoort U meer van een van de ouders)
Dank zij de hulp van een van de moeders, Mevr. de Veld,  hebben wij ook van alles kunnen proeven. Wij zijn begonnen met roggebrood met stroop,  daarop volgden: door enkele kinderen met Mevr. de Veld samen gemaakte
havermoutkoekjes. Iedereen was het er over eens,  dat het roggebrood naar de strijdlustige rogge smaakte en de havermoutkoekjes (die heel smakelijk en bros waren uitgevallen) naar de vrolijke haver. De gort (van gerst afkomstig) met krenten en stroop, viel niet bij iedereen in de smaak. Sommigen kregen er geen theelepel van door hun keelgat. (Herinnert U zich nog de gortepap uit Uw jeugd?) Anderen daarentegen verorberen er drie borden van, (dat moeten kinderen zijn met uitzonderlijke sterke magen).
En tenslotte als bekroning van deze periode hebben wij in de klas ieder ons eigen broodje gemaakt, dat de volgende dag bruingebakken weer terug kwam op school en heerlijk smaakte!
Nu is deze periode voorbij en men kan zich afvragen hebben de kinderen veel geleerd?
Vanuit het standpunt: weten en kennen bekeken, is het misschien niet veel geweest, maar er is wel veel beleefd en men hoopt door dit beleven de gevoelens van eerbied en dankbaarheid voor het dagelijks brood – dat wij iedere dag maar weer zo vanzelfsprekend accepteren, verdiept en versterkt zijn.

Nu nog een ander facet: in zijn boekje  “de opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie” zegt Rudolf Steiner: Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van gelijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten”.

Wanneer men met de kinderen over het koren spreekt,  biedt men hun onwillekeurig een schat van gelijkenissen aan. Hoeveel het zijn geweest, realiseer ik mij nu pas. Nu ik dit artikeltje voor U zit te schrijven. Vele daarvan vindt men terug in het Nieuwe Testament, als wij denken aan de gelijkenissen van de zaaier of de zuurdesem die het brood doortrekt. En dan wil ik eindigen met het volgende beeld uit Johannes 12: “Ik zeg U, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort”.
Hier is in een enkel beeld samen gevat, wat wij ieder jaar mee kunnen beleven in de tijd van Pasen tot Pinksteren. Met de Goede Vrijdag wordt de kruisdood herdacht- het sterven.

Maar zoals bovengenoemde gelijkenis ons zegt,  door het teniet gaan van het zaad,  dat in de aarde is gevallen,  zullen wij later veel vredige vrucht mogen ontvangen,  zoals met het eerste Pink­sterfeest, velen de openbaring van de Heilige Geest deelachtig zijn geworden. En wat speelt zich af tussen de zaaitijd en de oogsttijd? Het ontkiemen en gaan groeien van de nieuwe plant, wat met Pasen,  als lente- en Opstandingsfeest herdacht en ge­vierd wordt.

(nadere gegevens onbekend)

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

De grassen en ons broodgraan

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

483-446

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde 3e klas (2)

.

EEN PERIODE HEEMKUNDE IN DE DERDE KLAS

De oude ambachten

De kinderen in de derde klas krijgen oog voor het feit hoe ZINVOL een handeling is. In de lagere klassen leerden ze spelenderwijs hun motoriek te verfijnen en stimuleerde de leerstof spelenderwijs hun denkvermogen. In de vierde klas verliezen de kinderen hun intuïtieve band met hun omgeving vaak dusdanig, dat de omgeving en medemens als “vreemd” be­leefd worden.

De acht- à negenjarige kinderen zien hun medemens echter voornamelijk als individuen, die met een zeker gemak hun weg in de wereld weten te vinden. Onze huidige wereld zit echter zeer gecompliceerd in elkaar en is voor kinderen vaak niet meer te begrijpen.

DE OUDE AMBACHTEN geven de derde klassers een mogelijkheid zich te identificeren met medemensen die hun plaats in de maatschappij hebben en zinvol werk verrichten voor het gemak en genot van anderen. In de oude ambachten valt ook de ZAKELIJKE omgeving t.o.v. mens en natuur nog goed te ont­dekken. Door de kinderen in meerdere ambachten wat mee te laten werken kan het RESPECT voor de werkende mens en de door de mens gemaakte producten groeien.

Het leven op de BOERDERIJ kan in zo’n periode een goed begin zijn, omdat daar vele ambachten verzameld zijn en vele am­bachten daar hun oorsprong hebben.

Deze derde klas is eerst opgewarmd door verhalen uit het Oude Testament. Kaïn was de eerste landbouwer, Abel de eerste schaapherder. Jabal temde wilde dieren en bouwde de eerste huizen, Jubal bracht de muziek en de muziekinstrumenten aan de mensen, Tubal-Kaïn is de vader van alle smeden. Daarna hebben we naar aanleiding van verhalen over de boerderijdieren ze met hun typische karakter met behulp van gedichten nagespeeld. Bij het varken bijvoorbeeld liepen er eerst vier kinderen door de klas te wroeten terwijl we het eerste ge­deelte van een varkensgedicht reciteerden. Daarna dirigeerde ik het knorrenkoor en gingen de vier wroeters over elkaar slapen, terwijl wij spraken:

Er lagen vier biggetjes in het land te ronken.
Ze sliepen in ’t slik aan de waterkant en stonken.
Ze waren zo zat van het smakken en smullen,
ze konden niet eens meer hun staarteindje krullen.

Bij de geit deden we het volgende spel, nadat we gehoord hadden hoe de geiten voor gezonde, dikke bomen zorgen door alle onderbegroeiing op te eten. We gingen in een kring zitten en twee kinderen waren een paal. Daaromheen kon aan een touw een geit rondlopen die alles op mocht knabbelen waar hij bij kon. Dat was rekken en strekken!  Zo verzamelde de geit schoenen, sokken, truien en haarbanden terwijl er in koor gesproken werd:

Wit geitje, gebonden
aan koord en paal
weidt ronden op ronden
zijn kantje kaal

Het scharrelt en krabbelt
zo danig en dol;
en knaagt en knabbelt
zijn buikje vol.

Elke keer spraken we het gedicht opnieuw en was er een nieuwe geit.
Zo kwamen de koe, het paard, de haan, de kippen en de schapen ook aan bod.

Zo waren we spoedig rijp voor een bezoek aan boer Roodenburg. Vele ouders reden ons in auto’s naar Wassenaar en daar ont­vingen boer en boerin Roodenburg ons onder de walnotenboom. Eerst walnoten zoeken en eten en daarna de stallen in. We mochten de varkens voeren in stinkende donkere stallen. We mochten wat hooi voeren aan pinken op de grup. We hebben naar de stier gezocht tussen meer dan 50 koeien.  “Ik heb hem gevonden,” klonk het meer dan eens. “Hij heeft geen uier!” “Hij heeft veel kortere horens!” En: “Hij heeft zijn trouwring door zijn neus!” klonk er schaterlachend. We bezochten het oude broodbakhuisje naast het washok en mochten allemaal hout in de huidige allesbrander stoppen (huisverwarming). En dan!  Eten in het stro naast een pasgeboren kalfje. Wat een aandacht kreeg het beestje. Lekker knus en warm in het stro kregen we ook allemaal nog verse melk van de koeien die we net bezocht hadden. Na het eten gingen we de weide in. Gedwaald door het hakhoutbosje, gekeken naar het slotenschonen én de boswachter ontmoet,  juist toen er drie hazen opschrokken en zigzaggend voor ons vluchtten. Tenslotte het hek overgeklommen en de strobalen allemaal weer keurig de berg opgetrokken.

In de klas reciteerden we het volgende gedicht:

Dagelijks werk voor alle boeren:
Elke dag de beesten voeren.
Hooi en haver voor het paard.
Stro en stronken voor likkebaard  (geit).
Kuilgras, hooi en bieten toe
of maïs en brokken eet de koe.
Kippen krijgen velerlei graan.
De varkens nemen alles aan.
Schapen vreten takken en stro
De kat krijgt alle muizen cadeau.
Nu zijn we toch de hond vergeten,
die moet dan maar dieven eten.

We zijn echter ook het land gaan bewerken. Bij de Cronestijn-schooltuinen mochten we graan gaan telen. Piet Anker leende ons een oeroude paardenploeg uit zijn museum “De Gesloten Beurs” (Vlietweg). In twee ploegen, de witte en de zwarte paarden, trokken we de ploeg door het land. Elke voor met een nieuwe boer en om en om trekkend. De “paarden” raakten spoedig nat van het zweet en telkens moest de “boer” ze aanmoedigen met een “Hu, paard! Hu!” Gelukkig was er een pauze en konden we in het in aanbouw zijnde leslokaal eten bij de timmerman en -vrouw. Na de pauze ploegden we de rest en toen lag er 2 are zij aan zij, net als in ons ploegspelletje waarbij geklonken had:

De boer, hij ploegt zijn akker om.
Hij keert de klei in felle zon.
Al koel en klef ligt zo de klei,
van buik op rug en zij aan zij.

Het ploeglied heeft op het land echter minder geklonken dan in de klas, want daarvoor waren ze al spoedig veel te moe en was het soppen in de modder veel te inspannend.

Ploeglied:
Hé, hó, span de paarden in.
Stevig trekken, kijk, ze hebben zin.
Akker laat het groeien.       2x      (5 strofes totaal)

Een week later zijn we gaan zaaien. Allemaal een echte zaai­doek om met zijn speciale knoop! Toen heeft het zaailied wél stevig geklonken, want op het ritme werd gezaaid. Alle handen graaiden en spreidden zich in een soepele 8-beweging op het ritme van het lied. De korrels vlogen met duizenden in grote bogen door de lucht en vielen door de zaaikunst mooi regelmatig verspreid op het land. Het lied zoemde nog weken daarna in de klas:

Zaailied
Joe hé, joe hé, de akkerman zaait.
De vogeltjes zingen, de korreltjes springen.
Joe hé,  joe hé, de akkerman zaait.

Ja, nu hadden we een reusachtige vogelvoerakker! Daarom zijn we toen nog gaan eggen. Dwars door het pas ingezaaide land trokken we de eg en heel langzaam verdwenen alle korrels om rustig in de donkere akker te ontkiemen. En dan? We wachten nu al maanden!
In de klas is ook wat graan gezaaid en zo kunnen we het toch nog vervolgen.  Maar in deze periode gaan we weer naar het land om te kijken en later nog eens om onkruid weg te eggen. Dan willen we het nog zien bloeien en tenslotte gaan
we het graan van de zomer oogsten, dorsen met vlegels, schonen in de wind, zeven, malen en tot brood bakken.

Nu zijn we echter net begonnen met een tweede periode heemkunde (de eerste was in november (1988). In deze periode gaan we meer naar de verschillende gereedschappen en hun gebruik kijken. We gaan op bezoek bij de molenaar, de bakker, de pottenbakker, de klompenmaker, de melker, de kaasmaker, de smid, de schoenmaker, de visser (netten boeten), de spinster en de plankenzager (molen).

We hebben net een kraal gemaakt van palen en takken ertussen gevlochten. Ook hebben we een pad gemaakt zoals een straten­maker en wel rond het kippenhok. Eerst zand gehaald,  gewicht leren verdelen in de kruiwagen, gegraven, zand gestort en toen passen tot alle stenen in verband en sluitend lagen. Invegen met zand én…. schone schoenen!

Nu zijn we bezig van het boerengeriefhout gereedschap te maken. Sommigen maken een bezem van wilgentakken, anderen een hooivork of een herdersstaf van essenhout. Er wordt hard gewerkt in de derde.

(Martin Stoop, nadere gegevens ontbreken)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

481-444

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde (1-1)

.

HEEMKUNDE

Wij, volwassenen,  weten veel van de wereld om ons heen. Daarvoor hebben vakken als aardrijkskunde, scheikunde, biologie en natuurkunde gezorgd. Dat is kennis.
We hebben ook een verantwoording voor die wereld. Dat houdt in dat we ons geweten, of onze morele kant, met die kennis samen gebruiken om die wereld goed te beheren.

Tjonge, wat een zware aanhef voor een artikel over heemkunde voor de lagere klassen. Eens kijken wat dat met elkaar te maken heeft.

Er is echter een tijd in ons leven, dat de morele kant en de kenniskant nog één zijn en dat duurt voort tot in de lagere klassen van de onderbouw. Even een voorbeeld uit de tweede klas. Stelt u zich eens voor dat u langs een laan loopt met hoge, rechte populieren. Maken ze geen statige, deftige indruk, zoals ze daar ieder takje zo snel mogelijk hoog in de lucht steken? Heel anders van karakter is dan die knoestige oude appelboom in de boomgaard ernaast. Hij is dan wel niet zo hoog als de populieren zijn,  maar hij heeft al vele mensen en dieren gediend, met zijn glanzende, sappige appels. Voor kleine kinderen is het vanzelfsprekend dat twee bomen, die er zo uitzien een gesprek met elkaar kunnen hebben, waarin hun karakters naar voren komen. Ze zien de wezens en de dingen om zich heen nog als zijnde van hetzelfde plan, “antropomorf* dit is: in een menselijke vorm.
Zo kunnen in een eerste klas nog heel goed verhalen verteld worden over de zon, de maan, en de sterren. Het kennisaspect (sterrenkunde?) komt eigenlijk nauwelijks aan bod. Wel komt er veel over deze helpers aan de orde, wat door de kinderen als vanzelfsprekend herkend wordt. De zon als schenker van warmte, en licht en de maan die zich met zijn bleke licht soms helemaal niet durft te laten zien. Maar dan komt hij later weer heel moedig met z’n volle gezicht de donkerste nacht toch nog verhelderen. Ook stenen, lucht, water, planten en dieren spelen een rol in de eerste klas.

In de tweede klas wordt de heemkunde op onze school in de vorm van een “bomenperiode” gegoten.

In de derde klas wordt het kennisaspect weer wat meer aangesproken. Op de boerderij met al z’n dieren en planten waarmee de kinderen een gevoelsband hebben,  blijkt al gauw dat alle wezens elkaar aanvullen, ja zelfs nodig hebben. De mensen hebben de planten nodig, vooral de granen. De planten hebben de dieren nodig voor o.a. bemesting en bestuiving.  De mensen verzorgen weer de planten en de dieren. Ook de plantenwereld op zich past zo in elkaar, dat we voor elkaar verantwoordelijk zijn.

Voor het bouwen van een huis, dat alle mensen nodig hebben, zijn vele vaardigheden nodig. Dat kan één mens alleen niet! (smeden, stenen bakken, metselen, timmeren, stukadoren enz.) Daarom zijn er vele ambachten die samen het uiteindelijke werkstuk (het huis) tot stand brengen.

Buiten het horen van verhalen in alle drie de klassen, waarin alles zo levendig   mogelijk beschreven wordt, is er natuurlijk voor alles een gepaste verwerking.   Versjes, geïmproviseerde en vaste toneelstukjes, recitaties, tekeningen en schilderingen laten alle aspecten van het onderwijs aan de orde komen. Voor de leerkracht is het een hulp dat hij bij het aanbieden van verhalen en de verwerking ervan, gebruik kan maken van de 4 temperamenten.

Om een voorbeeld te noemen: het cholerische temperament, waarbij de jambe (kort-lang) heel goed past, kan een hulp zijn bij het maken van een gedicht over de eik.

De eik

De eik die kan
de storm wel aan
ja stevig stoer
zo blijft hij staan

Of de flegmatische trocheus (lang~kort) bij de linde

De linde

Zie de grote lindeboom
staat verzonken
in haar droom
rond haar blaad”ren
rond haar kruin
ronde vruchtjes
geel en bruin

zie haar schaduw valt zo wijd
als haar kroon is uitgespreid,
of haar onbewogen laat
alles wat zij gadeslaat

Hoewel het misschien voor de hand lijkt te liggen dat je bij onderwijs over dit thema er veel op uittrekt om buiten te gaan kijken hoe de bomen er uitzien, gebeurt het toch vrij sporadisch. Bijvoorbeeld als een soort afsluiting van de periode.

Het is de bedoeling dat de leerkracht vooraf met zijn beeldend vermogen, vanuit z’n vertellen en vanuit de andere klassenactiviteiten iets oproept dat de kinderen herkennen.
(Wat fijn dat er bij ons zulke sterke eiken in de straat staan!) Of de ogen worden geopend voor wat er in de omgeving te zien is. (Die bomen op het kerkhof dat zijn échte treurwilgen).

Als de kinderen, naast het onbezorgd spelen en omgaan met planten en dieren, lucht en water, ook op een morele manier kennis met de natuur hebben gemaakt, kunnen ze er later ook gemakkelijker liefde voor opvatten.

Nu wil ik graag even teruggrijpen op het begin van dit stukje. De volwassene die naar kennis en geweten met de hem omringende wereld omgaat. De bodem voor het geweten wordt namelijk al heel vroeg gelegd. Dat is de gevoelsband met de natuur die het kind in zijn vroegste jeugd kan krijgen. De heemkunde tot het 10e levensjaar kan daar een waardevolle bijdrage aan leveren.

In de 4e klas gaat het objectieve kennisaspect een wezenlijker rol spelen. In plaats van dromend in de wereld op te gaan, ervaren de kinderen voor het eerst hun eigen ik tegenover de wereld.
.

(Mathieu Baeten, nadere gegevens onbekend)
.

Heemkunde: alle artikelen

Temperamenten: artikelen  onder nummer 15

Rudolf Steiner over vertellen; alle artikelen

.

480-443

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (1)

 

HEEMKUNDE 3E KLAS

De heemkunde van de 3e klas krijgt weleens de naam ‘boerderijperiode’ of  ‘(oude) ambachtenperiode’, ‘huizenbouwperiode’ en wellicht meer.

Het is heemkunde als directe voorloper van de aardrijkskunde in klas 4: vanaf ‘thuis’ de grotere en verdere wereld in.

Ja, hoe leid je de beroepen en ambachten in? Men kan uitgaan van een gesprek over het bekende verhaaltje (een sprookje is het niet) van Grimm: Het mooie Pieternelletje en Pief Paf Polleken. Vele kinderen zullen het zich nog herinneren. Bij het behandelen van stof voor oudere kinderen moet men de zorgvuldige voorbereiding in de leerstof van de lagere klassen zoeken. Nu, dat grappige Pief Paf Polleken wordt in de derde klas bekeken vanuit de invalshoek van de ambachten.

De jongelieden bevallen elkaar wel. Maar dan is het tijd voor het zakelijke.

‘Mooie Pieternelletje, hoeveel heb je als bruidsschat?’
‘Veertien penningen opgedoft,
‘Derde half stuiver opgepoft,
‘Een half pond appeltjes,
‘Een handvol kappertjes,’Een handvol klappertjes
en nog zo wat:
Is dat geen prachtige bruidsschat?’

En Pief Paf Polleken, wat is je handwerk?’ 

‘Ben je kleermaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een schoenmaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een boer?’
‘Nog veel beter’
‘Een meubelmaker?1
‘Nog veel beter’
‘Een smid?’
‘Nog veel beter’
‘Een molenaar?”
‘Nog veel beter’
‘Ben je misschien een bezembinder?’
‘Juist, dat ben ik,
is dat geen prachtig handwerk?’

Een komische dialoog. De kinderen mogen hem naspelen. Het zijn precies zeven beroepen in het verhaal. Zes ervan zijn vrijwel onmisbaar in een gewone mensengemeenschap. Vrijwel, want kleren, schoenen en meubels zou men nog zelf kunnen maken met handigheid, vlijt en inzicht.

Dat geldt niet meer voor de smid, de machtige heer van vuur en ijzer, de boer, de sterke bewerker van aarde en granen, de molenaar, de heer van wind en broodmeel.

Bezems kan werkelijk iedereen maken, maar het is zo’n werk! Een zeer eenvoudig beroep of handwerk dus. Sprookjes beginnen soms met ‘Er was eens een arme bezembinder’.

In principe schildert de leraar, hoe de molenaar te werk gaat, maar soms zijn de kinderen al heel uitgeslapen op het gebied van de techniek.

Een molen wordt bezocht. Eventueel wordt een modelletje van een molen gemaakt.

Men kan niet alles doen, een keuze moet gemaakt worden. De kinderen tekenen hun ervaringen op. De eerste opstelletjes ontstaan. En natuurlijk wordt er veel getekend.

Een bakker biedt ook vele mogelijkheden. Brood bakken kan zelfs in de klas, wanneer de moeders draagbare oventjes hebben. Voor het bezoek aan een ‘warme bakker’ kan een hele ochtend uitgetrokken worden. Het gelukt soms ook om een smid te vinden. In ieder geval kan er verteld worden.

Meubelmaker, glasblazer, schoenmaker, kleermaker, pottenbakker, zij kunnen allen de revue passeren.

Het bezoek aan pottenbakker of glasblazer is fascinerend. Belangrijk is, dat de kinderen hun tekeningen of opstelletjes aan de gastvrije handwerkers brengen.

Men behoeft niet steeds het woord dankbaarheid in de mond te nemen. Maar het is van het grootste belang, dat waardering voor het handwerk, interesse voor het materiaal en de werkmethode van de leerkracht uitstralen. De dankbaarheid voor het gebodene komt dan vanzelf. Maar het bedanken is op zichzelf een kunst, die geleerd wil worden. Het is ook mogelijk om ieder beroep, dat met de kinderen wordt behandeld, uitdrukking te laten vinden in een gedicht. Een gedicht bewaart de essentiële dingen beter dan proza en blijft ook beter in het geheugen hangen. Twee onderwerpen behoren ook in de derde klas thuis: het boerenbedrijf en de huizenbouw. Het bezoeken van boerderijen en bouwerijen is het eindstadium, dat lange tijd is voorbereid.

Het spelelement kan aanwezig zijn in het reciteren van gedichten en de juiste bewegingen die bij het beroep horen én bij het gedicht.

De graansoorten tarwe, rogge, gerst en haver worden groot en mooi uitgetekend. Ook boerderijen worden getekend en de betekenis van de verschillende ruimten uiteengezet.
Kleine boerderijtjes van karton ontstaan uit groot enthousiasme. De gang van
graankorreltjes tot boterham wordt zorgvuldig behandeld.

Het koren
Kaal ligt de aarde, kaal is de grond.
Geen vrolijke bloemen kijken meer rond.
De vogels vertrekken naar ’t warmere land.
Kaal staan de bomen langs wegen en kant.
Maar de landman ploegt en de landman graaft.
Hoe zijn paardje zwoegt,
hoe zijn paardje draaft!
Zij trekken de voren, waar zij gaan.
Daar kan het koren groeien en staan.

De Zaaier
De zaaier zaait met vaste hand
En strooit de korrels op het land.
Hij strooit met fors en breed gebaar
De aardeschoot ontvangt het maar.
De korrels rusten, kalm en zacht
Door heel de lange winternacht.

De Boer
Wij ploegen en wij eggen,
Wij zaaien op het land.
Maar wasdom en gedijen,
Die zijn in Godes hand.

Graankorrel
In het omgeploegde akkerland
Werd ik gelegd door mensenhand.
Toen kwam de milde regen
Als eerste lentezegen.
Maar nog leek ik dor en dood
Te liggen in de aardeschoot.
Dat was, omdat ik rustte,
Totdat de zon mij kustte.
Ja! toen hief ik mij omhoog,
Zocht de lichte hemelboog!
En ik was niet meer alleen.
Want vele andere halmen
Wiegden om mij heen…

Maailied
Zongebrand! Goud op ’t land
Zie je nu het koren staan:
Eerst gezaaid, dan gemaaid
En geoogst wordt ’t gouden graan.
Zet de schoven recht naar boven,
Bindt de halmen bij elkaar!

Zon en regen brachten zegen,
Vormden korrels groot en zwaar.
Aan de Aarde die ’t bewaarde.
Aan de regen en de wind.
Aan de zon en aan de mensen,
Brengen wij nu dank, m’n kind!

Dorslied
Klip en klap, klip en klap!
Klinkt het luid in het rond.
Klip en klap, klip en klap!
Door de stille avondstond,
’t Zijn de boeren op hun vloeren,
Die daar werken vlijtig aan.
En zij kloppen met hun vlegels
Alle korrels uit het graan.

Malen
De molenaar, de molenaar
Is flink aan ’t werk, wat doet hij daar?
Hij maalt er de korrels
Van al het gouden graan,
Terwijl daar de wieken
Al klapperend gaan.
En als dan des avonds
Het werk is volbracht.
Dan rookt hij tevreden
Zijn pijpje en lacht!

Bakken
De bakker, de bakker,
Die krijgt nu zijn deel
Van alle volle zakken
Met glanzend wit meel.
Dan kneedt hij het deeg
In een grote, houten trog.
De zakken zijn leeg.
Maar de bakkersknecht werkt nog!
Hij vormt met de handen
De broden rond en zwaar.
Hij schuift ze op een schep
In de hete oven daar.
Hij stookt flink het vuurtje,
Het wordt een felle gloed
En binnen een goed uurtje
Is ’t brood al gaar en goed!

Het Brood
Bruin gebakken, rond en gaar,
Ligt het brood op tafel klaar.
Heb je dan ook wel bedacht
Wie dat alles heeft gebracht?
Warme zon gaf gloed en kracht.
Aarde heeft het voortgebracht,
Boer, die het naar binnen haalde,
Molenaar die ’t graan vermaalde
En de Bakker bakken deed.
Wat je nu zo lekker eet.
Dank hen allen voor dit brood
Daar groei je van en je wordt groot!

De huizenbouw
Holen, rieten hutten*, tenten, huizen, van alles kan besproken worden.
Waarom bouwt de mens een huis? Bescherming, omhulling, warmte zoeken ook de dieren. Bij de mens draagt een afgesloten ruimte ook bij tot individualisering en socialisering. Bijen leven met een heel volk in een nest of kast, maar de mens kan ook andere mensen in zijn huis ontvangen en gastvrij zijn. Die andere mensen behoeven niet tot hetzelfde volk of ras te behoren.

De kinderen zoeken van alles uit, komen met allerlei aandragen, brengen boeken mee, plaatjes van iglo’s, wigwams, paalwoningen, modelletjes van Bedoeïenentent, berghut of Japans lakhuisje. Er heerst een koortsachtige activiteit in de klas.

Herinnering aan de vertelstof uit het Oude Testament komt op: Vroeger woonde de Heer in een tent, de Tabernakel! Later bouwde Salomo een stenen tempel, een Godshuis. Die tempel was drieledig van bouw, zoals een mens. De meeste culturen vertonen deze drieledigheid in hun tempels: voorhof met altaren, middenhof (al of niet met zuilen en heilige voorwerpen) en het ‘heilige der heiligen’.

Zonder dat de kinderen het met zoveel woorden horen, speelt een onbewust weten bij hen mee: het kind zelf bereikt in de derde klas het stadium, dat zijn lichamelijkheid een ‘huis’ gaat worden voor de ontwikkeling van zijn ziel en geest. Een kleine fase wordt afgesloten.

Het huis is een oerbeeld voor het lichaam, dat betrokken gaat worden door het wezen van de mens zelf. ‘Het huis’ kan wel een uitdrukking van het wezen zijn, maar niet het wezen zelf.

Men begint dan over de bouwmaterialen te spreken, waaruit het huis zal worden opgebouwd. De kinderen weten al heel wat: er moeten stenen, balken, planken, palen, betonelementen, latten, buizen, dakpannen zijn. Dat alles wordt neergelegd op het bouwterrein. Het wordt aangevoerd per schip of vrachtwagen.

De vraag: ‘Ligt daar nu een huis?’ wordt met bulderend gelach van de kinderen begroet. Losse materialen zijn nog geen huis, evenmin als losse woorden een zin vormen die zin heeft!

Eigenlijk blijken de kinderen veel intelligenter — niet intellectueler natuurlijk — dan vele, zelfs geleerde mensen, die menen, dat mens en heelal door toeval ontstaan zijn en dat nog wetenschap noemen bovendien. Neen, wat rondgooien van balken, stenen, buizen en pannen doet nog geen huis ontstaan. Er is een plan nodig, een ontwerp, een architect die het maakt, een aannemer en een uitvoerder en natuurlijk vele bouwers, bouwvakkers.

Een of ander huizenbouwspel wordt ingestudeerd. Zo’n spel vind je niet in de literaire tijdschriften: de leerkracht moet het zelf maken, of een spel krijgen van een oudere collega en het eventueel verrijken met eigen vindingen, er is geen auteursrecht op. Wanneer de jonge Mozart een thema van de oude Haydn gebruikte, betekende dat een eer voor de oude meester. Zodoende. Een voorbeeld:

Komt, krachtig aan het werk!
Een huis hecht en sterk,
Dat willen wij bouwen.
Helpt zwoegen en sjouwen!
Voor ’t heien wilt halen
De puntige palen!
Brengt balken en staken
Voor deuren en daken.
Ook stenen en pannen.
Dan kunnen de mannen
Vol ijver aan ’t werk!

Dit wordt gereciteerd met lopen, stampen of ritmisch klappen. Er wordt een tekening gemaakt van elke fase. Andere kinderen weer beginnen van klei stenen te maken, of een klein huisje. Misschien gelukt het soms van echte stenen een huisje in de klas te bouwen. Er wordt in groepen gewerkt.

De recitatie gaat, met de gehele klas. In het gedicht zijn we aan het grondwerk toe.

(spitbewegingen)
Wij spitten met spaden
De grauw-grijze grond
De klodders en kluiten
Zij vliegen in ’t rond!

(elk pakt zijn voorman bij de benen. Die loopt op de handen)

Dan duwen we dapper
Kruiwagens door ’t hek
En dragen de grond
Naar een andere plek.

Morgen kan er geheid worden. Er wordt niet alleen over het heien verteld, maar de kinderen beelden het ook uit. Eén is de paal. Die zakt steeds meer door de knieën, twee maken een stelling. Eén laat zijn vuisten als heiblok fungeren.

Richt recht de paal   /   juist op zijn plaats!
Het heiblok valt   /   met groot geraas.
De eerste klap   /   klinkt luid in ’t rond.
De lange paal   /   zakt in de grond.
Heft hoog het blok   /   trekt stevig neer!
Nu slap het touw   /   het blok valt weer!
Steeds dieper zinkt   /   de grote paal.
Steekt in de grond   /   haast helemaal.
Dan valt het blok   /   nog één keer neer
-Een doffe plof   /   en dan niet meer!

Ongetwijfeld is een moderne heimachine even boeiend als zo n oude heistelling. Toch moet men niet dadelijk het nieuwste technische bespreken. Dit is niet zo goed te doorzien voor een kind. De oude heistelling wel. En daarom gaat het.

Een heel belangrijk punt bij de huizenbouw is het metselen. Over de bereiding van specie wordt gesproken. Ook over steenfabricage. Verschillende soorten steen worden genoemd. Over baksteen en natuursteen wordt verteld.

Het tekenen van alles, wat er aan het huis gebeurt, is voor de derdeklassers moeilijk. Ze kennen immers nog geen perspectief. Maar ze mogen zelf metselen, met hun leerkracht en een stel enthousiaste ouders. Op het toneel wordt het dan:

Voor het metselen maken wij
In een trog de metselbrij!
Meng de kalk met flink wat zand,
Roer gestadig met je hand.
Water moet er ook nog bij.
Anders stolt de dikke brij.
Dan cement, een beetje maar
En de brij is voor elkaar.
Draag de rose stenen aan,
Wilt nu aan het metselen gaan.
Strijk de specie op de kant
Met de troffel in je hand.
Dan komt weldra steen na steen
Van de grote muur bijeen.

Nu, de kinderen zien, dat metselen moeilijker is dan het eerst leek. Er komen nog andere leuke dingen: het stellen van kozijnen en deurposten, heel nauwkeurig.

Om het huis worden stellingen gebouwd. Op de vloer van beton is een woud van blank, geurig timmerhout verrezen. De muren van het huis worden voltooid. De grote dakbalken, de spanten worden aangebracht. De overkapping wordt gevierd met vlag en ‘pannenbier’.

Wat geklap in ons huis!
Wat gebons en gedruis!
Overal, hoog en laag, wordt getimmerd vandaag.
Tikketak! Op het dak zitten wij met gemak.
Plank na plank, tikketok! Slaan wij vast tot de nok.
Komt het klaar deze dag?
Hijs dan hoog onze vlag!
De mannen drinken met plezier
Het helder, schuimend pannenbier!

Dakpannen leggen ‘als schubben van een vis’; afwerken van muren en houtwerk, het buizen werk voor gas, water en elektriciteit, het schilderen, het glaswerk, alles komt klaar.

Alles wekt ook een enthousiasme bij de kinderen. De huizen van papier en hout, de tekeningen, het spel met de benodigde rekwisieten, het komt alles voor elkaar.

Tot slot van de huizenbouwperiode — het kan drie tot vier weken zijn — kan nog gereciteerd worden:

Ons huis is klaar. We gaan er wonen.
Het werk zal steeds de maker lonen.
Bewaar het nu voor ons, o Heer!
Zie op ons werk genadig neer!

De derde klas is de klas van het Oude Testament tenslotte. De kinderen zijn door de heemkunde gebracht tot een overzicht van de praktische wijze waarop de mens gebruik maakt van de natuur en zijn eigen gaven.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*het kan zijn dat deze link  maar tijdelijk op te roepen is

voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

478-442

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.