Tagarchief: 10e klas menskunde

VRIJESCHOOL – Klas 7, 8, 9 en 10 – Menskunde

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Christine Britsche, Wanne-Eickel

Menskunde in de middenbouw*
.

*Zie voor de begrippen hier.
.

Rond het twaalfde levensjaar vindt er een ingrijpende verandering plaats in de ontwikkeling van het kind. Dit is het proces van de beginnende aardse rijpheid. Alles wat voorheen nog in beeldende vorm via de dier- en plantkunde aan het kind werd aangeboden, kan vanaf nu meer op intellectuele wijze worden opgenomen en verwerkt.
De vraag die nu bij het kind opdringt: ‘Wat ben ik zelf als mens?’, vindt haar antwoord in de leerstof van de vier menskundeperioden.

In de zevende klas beginnen we met de ademhaling. Om de mysterieuze processen te doorgronden die zich daarbij in ons afspelen, kijken we eerst naar de plant en ontdekken we in de assimilatie een weerspiegeling van de menselijke ademhaling. Wat zich in het bloed en in het groene sap van de plant met behulp van lucht en zonlicht aan stofomzettingen voltrekt, komt overeen met wat zich op mysterieuze wijze in de menselijke ademhaling tussen de zuurstof en het rode bloed afspeelt. Dat dit proces plaatsvindt in een eeuwige afwisseling, die we dan, met achttien ademhalingen per minuut, het ademhalingsritme noemen, kunnen we zelfs aan onszelf aflezen. Daarbij ontdekken we de nauwe verbondenheid van de mens met de omgeving, met name met de plantenwereld, en vinden we al snel voorbeelden, zoals dag en nacht, inademing en uitademing, geboorte en dood.

De verbanden met de buitenwereld komen nog duidelijker tot uiting in de voeding. Wat bij onze ademhaling nog onbewust, bijna als in een droom, gebeurt, verloopt bij de voeding bewust. Terwijl we bij het ademen alle lucht moeten aannemen die onze omgeving ons biedt, kunnen we bij de voeding vrij en bewust beslissen wat en wanneer we eten. Hoe geweldig deze voorziening voor ons mensen is, maar ook welke gevaren ze in zich draagt, kunnen de leerlingen zelf ontdekken als je ze op zoek laat gaan naar oude volkswijsheden over goede en slechte eetgewoonten, zoals bijvoorbeeld:

Droog brood maakt de wangen rood
Goed gekauwd is half verteerd
Het oog eet mee
Honger is de beste kok
Eet matig, maar regelmatig
Zout moet je spaarzaam gebruiken
Te veel koks bederven de brij
Eet ’s ochtends als een vorst, ’s middags als een burger en ’s avonds als een bedelaar.

Aan de hand van deze uitspraken kun je de leerlingen laten zien hoe essentieel een natuurlijke voeding voor onze gezondheid is. De gezondheid is altijd onderhevig aan twee afwijkingen. De ene neigt naar verharding, de andere naar afbraak. Voor beide kunnen de leerlingen zelf weer voorbeelden zoeken en zullen ze enerzijds alle soorten steenvorming in het lichaam opsommen, anderzijds de vele mogelijkheden van zweer- en gezwelvorming noemen. Koorts, als genezende zelfhulp van ons lichaam, blijft bij deze behandeling nooit onvermeld. Het is het genezende middel van het lichaam bij het zoeken naar en herstellen van zijn evenwicht.

Aan het einde van deze periode moeten de leerlingen het belang van het innerlijke evenwicht hebben ingezien, zoals ze dat symbolisch hebben leren kennen in het ritme van de ademhaling, maar ook in alle voedings- en gezondheidskwesties.

Het jaar daarop, in de achtste klas, ervaart de leerling het wonder van de menselijke botstructuur. Op deze leeftijd heeft hij een bijzondere band met de kracht en de sterkte van zijn eigen botten. Dat zien we aan de onbeholpenheid waarmee hij zijn ledematen beweegt. Bij nadere beschouwing van het skelet kan het de leerling duidelijk worden hoe de afzonderlijke botten van boven (vanaf het hoofd) naar beneden (naar de ledematen) steeds meer worden onderverdeeld en verfijnd.
Wat aan het hoofd nog stevig samengevoegd en compact lijkt, zoals een bol = de schedelkapsel, lost zich naar beneden toe steeds meer op en straalt uit in de afzonderlijke kleine, losjes samengevoegde botjes van de tenen en vingers. Als je deze transformatie vervolgens in elk deel van het menselijk skelet met hen opzoekt, vinden ze uiteindelijk zelf de grootse wetmatigheid en ontdekken ze het samentrekken van de vormen naar boven toe en het oplossen van de vormen naar beneden toe; bij het hoofd bijvoorbeeld is het voorhoofd hoofdachtig gevormd, de onderkaak daarentegen ledemaatachtig.
Bij een vergelijking met het dier ontdekken we al in de uiterlijke bouw het verschil met de mens. Het dier vertoont een voor- en achterkant in zijn kop en staart, en leeft dus in het horizontale vlak, altijd naar de aarde geneigd. De mens daarentegen kan zich oprichten. Hij draagt zijn hoofd vrij naar boven, staat met zijn voeten stevig op de aarde en kan zijn handen vrij inzetten om voor zichzelf en anderen te werken. Welk inzicht moet de leerling uit deze vergelijking putten?

De mens die het dierlijke in zijn eigen lichaamsvorm overwint, die niet alleen levend en bezield is, zoals het dier met zijn onbewuste, aangeboren instinctieve krachten — hij toont zich daarentegen volledig getransformeerd en vergeestelijkt. Hij kan zijn krachten, die uit het onbewuste opstijgen, beheersen, ermee omgaan en ze omzetten in gedachten en ideeën. Over dit thema kunnen de leerlingen veel voorbeelden uit de dierenwereld zoeken die instinctieve handelingen weergeven, bijvoorbeeld de trek van vogels naar het zuiden, winterslaap, het zoeken naar voedsel vóór het intreden van de kou en nog veel meer.

Ook worden voorbeelden gegeven die de transformatiemogelijkheden van de mens illustreren: het dier moet eten als het honger voelt, moet vluchten uit angst; de mens heeft dat allemaal niet nodig, hij kan erover nadenken, zijn eigen wil inzetten, zichzelf beheersen en zelf beslissen. 

In de negende klas worden vervolgens de organen van de stofwisseling en hun functies uitvoerig besproken; alles wat onbewust in ons plaatsvindt, in voortdurende wisselwerking met het minerale aspect van de stoffelijke wereld. Het zijn processen die vooral onder het middenrif plaatsvinden, bijvoorbeeld bij de spijsvertering, maar al snel ontdekken we dat niet alleen afzonderlijke organen verantwoordelijk zijn voor de spijsvertering of de stofwisseling, maar dat deze stofwisseling overal in ons lichaam plaatsvindt, in elke kleinste cel, bijvoorbeeld bij de zweetafscheiding via de poriën in de huid.
In tegenstelling tot de lagere stofwisselingspool beschouwen we vervolgens de zenuwpool als centrum met zijn lichamelijke basis, de hersenen, waarvan de werking zich eveneens over het hele lichaam uitstrekt; want we vinden fijne en uiterst fijne zenuwen verspreid tot in onze vingertoppen en spreken dan van ‘vingertopgevoel’.

In verband met deze twee polen kunnen vervolgens op een hoger niveau de bewustzijnsprocessen met hun afbrekende werking in de bovenste pool, de hersenen, worden beschreven, en daarnaast de tegenpool in de stofwisseling met zijn meer opbouwende levens- en regeneratiekracht. Het moet de leerlingen daarbij duidelijk worden dat, waar in een levend wezen een hogere mate van bewustzijn optreedt, de regeneratiekracht afneemt, en dat waar een sterke regeneratiekracht aanwezig is, zoals bijvoorbeeld bij lagere dieren (wormen, insecten), nauwelijks bewustzijn waarneembaar is. Maar als, zoals bij de mens, de onbewust werkende levenskracht is toegenomen en is omgezet in bewuste gedachten, dan kan je de uitspraak begrijpen: „Hij heeft een grote gedachte voortgebracht.”

In de tiende klas kijken we dan terug op drie ‘zelfstandige’ mensen en benaderen we hen nu minder vanuit het fysieke en psychische aspect, maar meer vanuit het geestelijke standpunt. Aan de hand van het voorbeeld van het oog en het oor wordt de zenuw-zintuigmens behandeld, de stofwisselingsmens in zijn onbewuste werking en de ademhalingsmens, die alles doordringt en verbindt. Daarbij moet de leerling ontdekken dat al deze drie functiesystemen zijn opgebouwd als instrumenten waarop hij als mens moet leren spelen, harmonieus en fijn afgestemd zoals in een orkest.

Dat alles in de afzonderlijke levensfuncties op harmonie is gericht, weten de leerlingen nu uit de voorgaande periodes. Nu moeten ze leren begrijpen wat het betekent om zijn temperament te beteugelen of in evenwicht te brengen, welke betekenis een ware zielsverzorging heeft en wat je kan doen voor de eigen karaktervorming. Het besef dat het lichaam van de mens het instrument van de ziel is, moeten ze aan het einde van deze periode meenemen.

Wanneer bepaalde aspecten van de menskunde worden behandeld, verschilt soms per leerplan. Oog en oor komen vaak in de 8e klas ter sprake bv. 

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

9e klas:

10e klas: alle artikelen

.

3559-3343

.

.

.

.