VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 300A)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

In de vergaderingen met de leerkrachten worden aan Steiner allerlei vragen gesteld. Voor mij zijn niet alle antwoorden duidelijk.
Vaak krijg ik de indruk dat een preciezere context ontbreekt of dat niet alles op een duidelijke manier in aantekeningen terecht is gekomen.
M.a.w. de antwoorden roepen weer nieuwe vragen op.
Ook wordt dat nog versterkt doordat ik niet weet wat sommige begrippen van toen, nu daadwerkelijk inhouden.

GA 300A

Blz. 115     vergadering van 23-12-1919

Bericht über den Handfertigkeits- und Handarbeitsunterricht.

Dr. Steiner: Was wir vorbringen, sollten wir erst selber lernen, zum Beispiel Bücher einbinden oder Schuhe machen. Wir sollten nicht von außen zuviel hereinbringen.

Bericht over handvaardigheidsonderwijs [Duits heeft 2 begrippen]

We moeten eerst zelf leren wat we gaan doen, b.v. boekbinden of schoenen maken. We moeten niet te veel van buiten halen.
GA 300A/115
Niet vertaald

Blz. 118    vergadering van 01-01-1920

Es wird eine Frage gestellt nach dem Modellierunterricht.

Dr. Steiner: Man könnte eine Säule von einer bestimmten Seite her als Vorlage nehmen, aber man darf bei einem solchen Motiv die Kinder nicht zum sklavischen Nachahmen verleiten. Die Kinder zwingen zum Beobachten, aber sie das Motiv abändern lassen!

Er wordt een vraag gesteld over boetseren

Dr. Steiner: Je zou een pilaar van een bepaalde kant als model kunnen nemen, maar met zo’n motief moet je kinderen niet verleiden om het slaafs na te doen. Dwing de kinderen om te observeren, maar laat ze het motief veranderen.
GA 300A/118
Niet vertaald

Blz. 161    vergadering 23-06-1920

Handarbeit: Stricken entwickelt gute Zähne. Die Kinder werden geschickt durch Stricken.

Handvaardigheid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden vaardig door breien.
GA 300A/161
Niet vertaald

Dit is een van die opmerkingen waarop ik hierboven doelde.
In zijn gezichtspunten over handenarbeid en denken, m.n. dus het breien, legt Steiner een verband met de ontwikkeling van de intelligentie.
In GA 307 zegt hij over het denken en de tanden:

Das Kind entwickelt die Zähne noch wegen etwas ganz anderem als wegen des Essens und wegen des Sprechens. Es entwickelt nämlich die Zähne, so paradox es heute klingt, wegen des Denkens. Beim Kinde bevor es durch den Zahnwechsel gegangen ist, sind die physischen Zähne als solche die allerwichtigsten Denkorgane. Und wie die Zähne gewissermaßen durch den Kiefer vorstoßen, sind diejenigen Kräfte da, die aus dem unbestimmten Schlafesleben, Traumesleben, seelisch nun auch das Denken an die Oberfläche bringen. Und in demselben Maße, in dem das Kind zahnt, lernt es denken, indem es ganz und gar als ein nachahmendes Wesen an die Umgebung hingewiesen ist. Es ahmt nach bis ins Innerste hinein dasjenige, was in seiner Umgebung vor sich geht und in seiner Umgebung sich unter dem Impulse von Gedanken abspielt. Aber in demselben Maße, in dem da in dem Kinde aufsprießt das Denken, in demselben Maße schießen die Zähne hervor. In diesen Zähnen liegt eben die Kraft, die seelisch als Denken erscheint. 

(…) dat het kind de tanden nog ter wille van iets heel anders dan het eten en voor het spreken ontwikkelt. Het kind ontwikkelt namelijk de tanden — hoe paradoxaal het nu ook klinkt – ter wille van het denken! En weinig weet de wetenschap van nu ervan dat de tanden de allerbelangrijkste denkorganen zijn. Bij het kind, voordat het door de tandwisseling heen is gegaan, zijn de fysieke tanden als zodanig de allerbelangrijkste denkorganen. Doordat het kind als vanzelfsprekend in het contact met zijn omgeving vertrouwd raakt met het denken, doordat uit het duistere slaap- en droomleven van het kind het gedachteleven opduikt, is dit hele proces eraan gebonden dat in het hoofd van het kind de tanden doordringen, gebonden aan de krachten die vanuit het hoofd van het kind zich een weg banen. En zoals de tanden in zekere mate door de kaak heen doordringen, zijn die krachten daar die vanuit het onbestemde slaapleven, droomleven, zielsmatig nu ook het denken aan de oppervlakte brengen. En in dezelfde mate waarin het kind tanden krijgt, leert het denken. En hoe leert het kind denken? Het kind leert denken doordat het geheel en al als een nabootsend wezen op de omgeving aangewezen is. Het bootst na tot in zijn innerlijkste wezen datgene wat in zijn omgeving gebeurt en in zijn omgeving zich onder gedachtenimpulsen afspeelt. Maar in dezelfde mate waarin daar in het kind het denken opkomt, schieten de tanden te voorschijn. In deze tanden zit juist de kracht die zielsmatig als denken verschijnt.
GA 307/73
Vertaald/92-93

Wenn der Mensch die zweiten Zähne hat, so hat das Stück dieses Ätherleibes, das die Zähne heraustreibt, nichts mehr am physischen Leibe zu tun. Das ist jetzt sozusagen in seiner Tätigkeit emanzipiert vom physischen Leibe. Wir bekommen mit dem Zahnwechsel die Ätherkräfte frei, die unsere Zähne herausgedrückt haben; und mit diesen Ätherkräften vollziehen wir nun das freie Denken, wie es sich von dem 7. Jahre an beim Kinde geltend macht. Die Kraft der Zähne ist jetzt nicht mehr wie beim Kinde, wo direkt die Zähne die Organe des Denkens sind, die physische Kraft, sondern sie ist die ätherisierte Kraft, welche die Zähne hervorgebracht hat, die nun denkt. 

Wanneer de mens zijn blijvend gebit heeft, dan heeft het deel van dit etherlichaam dat de tanden naar buiten drijft, niets meer aan het fysieke lichaam te doen. Het is nu om zo te zeggen in zijn activiteit geëmancipeerd van het fysieke lichaam. Bij de tandwisseling komen die etherkrachten vrij die onze tanden naar buiten gedrukt hebben; en met deze etherkrachten voltrekken we nu het vrije denken, zoals dat vanaf het zevende jaar bij het kind merkbaar wordt. De kracht van de tanden is nu niet meer zoals bij het kind, waar direct de tanden de organen van het denken zijn, de fysieke kracht, maar ze is de geëtheriseerde kracht. Het is echter de nu in het etherlichaam werkende zelfde kracht die de tanden voortgebracht heeft, die nu denkt.
GA 307/76
Vertaald/95

Meer uit deze voordrachten.

 

Geisteswissenschaft und Medizin (GA 312) – 17e voordracht 6-4-1920

Het gaat om de rol van een goede verhouding tussen magnesium en fluor bij de tandvormig, in de eerste zeven levensjaren.

Steiner: “Het gaat erom dat men zal merken dat als een kind in het vierde, vijfde, zesde jaar onhandig is in armen en handen en benen en voeten, dat wil zeggen, als het niet gemakkelijk is om een vaardige omgang met de armen en benen te bewerkstelligen, vooral met de handen en voeten, het dan de neiging zal hebben om het tandvormingsproces niet goed te regelen. Het is precies in het bewegen van de armen en handen, benen en voeten, dat hetzelfde type zich openbaart dat dan verschijnt in het tandvormingsproces.” In die tijd moet de verhouding tussen magnesium en fluor gezond zijn, maar daarna kun je nog het een en ander doen. Fluor speelt een rol in de stofwisseling van het bewegingsorganisme. In de euritmielessen moet de Kiebitzschritt worden geoefend. (welke euritmie-leraar/es weet dat nog?)

Steiner:

“Als je naar onze handvaardigheidlessen op de vrijeschool gaat, zul je zien dat de jongens net zoveel breien en haken als de meisjes, dat alles door jongens en meisjes op dezelfde manier wordt gedaan. Zelfs de oudere jongens breien nog met enthousiasme. Dit alles wordt niet gedaan uit een gril, maar omdat de vingers behendig, flexibel gemaakt moeten worden, omdat de ziel in de vingers gebracht moet worden. En als de ziel in de vingers wordt geprent, bevordert men vooral datgene wat met het tandvormingsproces te maken heeft.”
GA 312/312
Vertaald/188
Mededeling van Joep Eikenboom

Blz. 241   vergadering 15-11-1920

X.; Könnte die 9. und 8. Klasse Malstunden nehmen?

Dr. Steiner: Man müßte das in den Stunden, die jetzt schon da sind,
hereinbringen. Daß mehr Künstlerisches getrieben werden sollte, das
ist ganz evident. Deshalb war mir zu tun, daß Fräulein Hauck hereinkommt in den Handfertigkeitsunterricht, daß die Handarbeit
künstlerisch gestaltet wird. Zumeist ist das Handarbeitliche philiströs. Ich möchte, daß es wirklich künstlerisch gestaltet wird. Da in
der Handarbeit kann man das Lineare anwenden. Auf dem Papier ist das Lineare etwas unwesenhaft. Es kann die Brücke geschlagen wer­den vom Handarbeitsunterricht zum Handfertigkeitsunterricht. Es gibt doch eine ganze Menge Gegenstände, die man bemalen kann. Es gibt im Haushalt Dinge, die von den Menschen selbst bemalt werden sollten. Wenn die Kinder Puppensachen machen, da könnte viel Kunst entwickelt werden. Da könnte Stil, Farbensinn entwickelt werden; alles könnte entwickelt werden. Wenn man da durchdringt damit, daß der Naturalismus der Puppenbereitung überwunden wird, daß etwas Lebendiges da wäre, lachende Puppen, künstlerisch gestal­tet, da könnte man segensreich wirken.

X.: Kan de 9e en 8e klas schilderlessen volgen?

Dr. Steiner: Dat zou je moeten doen in de uren die er al zijn.
Dat er meer kunstzinnig werk gedaan moet worden, dat is heel duidelijk. Daarom moest ik juffrouw Hauck zover krijgen dat ze naar de handwerkklas kwam, om handwerken te doen, zodat het handwerken kunstzinnig gegeven wordt. Het meeste werk dat met de hand wordt gedaan, is burgerlijk. Ik zou willen dat het echt kunstzinnig is. Binnen het handvaardige kan je lijnen gebruiken. Op papier zijn ze onwerkelijk. Er kan een brug worden geslagen tussen handwerklessen en lessen handvaardigheid. Er zijn veel objecten die je kunt schilderen. Er zijn dingen in huis die mensen zelf zouden moeten schilderen. Als de kinderen poppendingen maken, kan er veel kunst worden ontwikkeld. Stijl en kleurgevoel zouden daarmee kunnen worden ontwikkeld; alles kan ontwikkeld worden. Wanneer je tot de conclusie komt dat bij het maken van poppen het naturalisme overwonnen moet worden [een stroming in die tijd dat alles realiteit moet zijn] dat er iets levendigs bij ontstaat, lachende poppen, kunstzinnig gevormd, zou dat een zegen zijn. [Steiner overpoppenbij zijn opmerkingen over spel]

Geradeso wie man die Kinder daran gewöhnt, daß sie Wechsel schrei­ben lernen, weiß ich nicht, warum man die Kinder nicht daran gewöhnen soll, wie man ein Plakat macht, wie man ein Plakat schön findet und bei einem schönen Plakat auch dessen Schönheit wirklich erkennt. Das häßliche, unmögliche Plakat sollte ebenfalls erkannt werden. Aber die Menschen schauen sich die Sachen an, ohne rasend zu werden. Der Geschmack müßte gebildet werden; Stilgefühl müßte entwickelt werden. Was Stilgefühl betrifft, ist der Unterricht, selbst in künstlerischen Anstalten, etwas Scheußliches. Die scheußlichsten Proben haben wir hier vor kurzem erlebt. 

Net zoals je de kinderen laat wennen aan het leren schrijven van postwissels, [nu allang verdwenen] weet ik niet waarom je de kinderen niet zou laten wennen aan het maken van een poster, hoe je een affiche mooi kan vinden en hoe je het mooie van een poster echt kunt herkennen. De lelijke, onmogelijke poster moet ook herkend worden. Maar mensen kijken naar de dingen zonder boos te worden. Smaak zou gevormd moeten worden; er zou een gevoel voor stijl ontwikkeld moeten worden. Wat het gevoel voor stijl betreft, is lesgeven, zelfs in artistieke instellingen, iets afschuwelijks. Daar hebben we hier kort geleden nog de meest afschuwelijke voorbeelden van gezien.

Blz. 242

Sie kennen das graphische Zeichen der Dreigliederung von den Kernpunkten. Es ist abgeändert worden. Es hat sich darum gehandelt, etwas Aktuelles zu machen. Was tut der Künstler? Er setzt das Motiv, das er macht, so zusammen, daß er das, was links ist, wieder rechts macht. Er macht ein gotisches Fenster daraus. Diese Dinge kommen vor. Es wäre wirklich möglich, daß etwas Schönes erreicht wird in der 10., 11. Klasse. Jetzt will einer unserer Fabrikanten eine Vignette haben für Kindermehl. Daß von innen heraus etwas geschaffen werden kann. Es gibt innere Notwendigkeiten. Heute kennt ja der Mensch bloß ein Kunstobjekt. Das muß so sein, wenn es etwas nachahmt. In Basel gibt es einen Lehrer des Kunstgewerbes, der sagt, er sehe gar nicht ein, wozu es notwendig ist, wenn ich das eine Auge hier male, warum ich das andere nicht hier malen kann. Das hat etwas für sich, solange man nicht mit den Sachen mitgeht. Was ich meine, ist das innerliche Erlebenkönnen. Das meine ich mit dem Stilgefühl. Man muß ein Dreieck erleben können, ein Viereck erleben können. Nicht sich halten an die Imitation, an die Nachahmung. Es macht doch heute jeder nur eine Puppe, indem er nachahmt und nicht innerlich erlebt. Man muß es von innen heraus erleben können, wie eine Puppe weint oder lacht. Dies müßte alles sinnvoll bis auf die Kleidung hin gemacht werden. — Die Mädchen können eine Puppe, die Knaben einen Kasperl machen. Das innerliche Erlebenkönnen, das müßte berücksichtigt werden beim Farbenmalen.

U kent het vignet van de driegeleding van de kernpunten [ GA 24 ] Dat is veranderd. Het ging erom, iets actueels te maken. Wat doet de kunstenaar? Hij heeft een motief en dat zet hij zo neer dat wat links staat, rechts ook weer komt. Hij maakt er een Gotisch raam van. Dit soort dingen gebeurt. Het is echt mogelijk wel mogelijk dat er in de 10e of 11e klas iets moois wordt bereikt. Nu wil een van onze fabrikanten een vignet voor kindermeel. Nu moet er iets van binnenuit gecreëerd worden. Vanuit het innerlijk moet dat op een bepaalde noodzakelijke manier.  Tegenwoordig kennen mensen alleen een kunstobject. Dat moet wel het geval zijn als het iets imiteert. Er is een kunst- en ambachtsleraar in Bazel die zegt dat hij niet begrijpt waarom het nodig is dat als ik het ene oog hier schilder, waarom ik het andere dan niet hier kan schilderen. Op zich heeft het iets, zolang je maar niet in die dingen meegaat. Wat ik bedoel is het innerlijke vermogen om te ervaren. Dit bedoel ik met gevoel voor stijl. Je moet een driehoek kunnen ervaren, een vierkant kunnen ervaren. Je niet aan het uiterlijke nadoen houden. Tegenwoordig maakt iedereen gewoon een pop door deze te imiteren en niet door innerlijk te ervaren. Je moet het van binnenuit kunnen ervaren, zoals een pop huilt of lacht. Dit zou allemaal zinvol gemaakt moeten worden, tot aan de kleding toe. — De meisjes kunnen een pop maken, de jongens een Jan Klaassen. Bij het schilderen met kleuren gaat het om het om het innerlijke beleven.

Es wird gefragt, ob die Kinder Eurythmieschuhe herstellen sollen.

Dr. Steiner: Dadurch würden die Kinder schwächlich und kränklich. Ich glaube, daß es zu Unzukömmlichkeiten kommen könnte. Auf der anderen Seite, ist so furchtbar viel an Eurythmieschuhen zu erzeugen?

Er wordt gevraagd of de kinderen euritmieschoenen zouden moeten maken.

Dr.Steiner: daar zouden de kinderen zwak en ziekelijk van worden. Ik geloof dat het zou kunnen leiden tot wreveligheden. Aan de andere kant, is er nou zo vreselijk veel te ontwikkelen aan euritmieschoenen?
GA 300A/241-242  
Niet vertaald

Vergadering van 16-01-1921

Blz. 270

Door een leerkracht wordt er iets verteld over een leerling. Steiner vraagt dan hoe het met de handvaardigheid staat. Dat wordt verteld, wat er wordt gezegd, is niet weergegeven. Steiner antwoordt dan:

Dr. Steiner: Sie müssen sich bei der Wahl der Arbeiten anpassen an die Bedürfnisse. Es gibt nicht die Möglichkeit, auf alles ein gewisses künstlerisches Tun anzuwenden. Man sollte das Entwickeln des Künstlerischen nicht versäumen, den künstlerischen Sinn nicht ver­dorren lassen. Aber Sie können nicht viel mit dem künstlerischen Sinn anfangen, wenn die Kinder einen Strumpfstricken sollen. Wenn ein Kind einen Strumpf gestrickt hat, kann man immer unterbrechen und irgendeine Niedlichkeit dazwischen machen lassen.
Wir wollen in die Zusammenkunft am Abend soziale Pikanterien hineinbringen, wollen ganz kleine geschmackvolle Bändchen machen lassen mit etwas Anhänglichem aus Papier. Ja nicht ins Fröbeln kommen! Dinge, die man brauchen kann, die im Leben eine Bedeutung haben, die kann man geschmackvoll künstlerisch machen. Keine Konzes­sionen! Nicht Dinge machen lassen, die nur Finessen oder Kokette­rien entspringen. Nicht für vieles wird man Papier anwenden können. Ich hoffe auch noch hineinzugehen.

Dr. Steiner: Bij de keuze van het werk moet je je aanpassen aan de behoeften. Het is niet mogelijk om bij alles een bepaalde kunstzinnige vorm toe te passen. Je mag de ontwikkeling van het kunstzinnige niet verwaarlozen, maar ook niet het kunstzinnige gevoel laten verdorren. Maar met het kunstzinnige gevoel kun je niet veel doen als de kinderen een kous moeten breien. Als een kind een kous heeft gebreid, kun je altijd even stoppen en hem tussendoor iets leuks laten doen.
We zullen vanavond als we bij elkaar komen, iets sociaal interessants gaan doen, we laten smaakvolle linten van papier maken waar iets aan vastzit. Maar geen fröbelwerk! Dingen die je kan gebruiken, die in het leven iets betekenen; die kan je smaakvol kunstzinnig maken. Geen concessies! Geen dingen laten maken die alleen maar ontstaan uit tot in de details willen gaan of voor het uiterlijk fraaie. Papier kan je niet voor veel dingen gebruiken. Ik hoop daar nog op in te gaan.

X.: Die Kinder haben angefangen, Spielzeug zu machen, sind aber noch nicht fertig geworden.

Dr. Steiner: Es ist durchaus nichts einzuwenden, daß die Kinder
Kochlöffel machen. Ganz Fernliegendes brauchen sie nicht zu
machen. Möglichst keinen Luxus.

X.: De kinderen zijn begonnen speelgoed te maken, maar zijn nog niet klaar.

Dr.Steiner: Er is echt niets tegen in te brengen dat de kinderen houten lepels maken. Je hoeft geen dingen te maken die hoog gegrepen zijn. En zo mogelijk geen luxe.
GA 300A/270
Niet vertaald.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3095-2909

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ahriman in het onderwijs (7-3/1)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel  (1) een inleiding tot meer begrip en in dit artikel  (2) is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, 

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ maar een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in artikel (2 – zie boven) wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten. 

Zoals we inmiddels weten, hield Rudolf Steiner in 1919 ter voorbereiding op de te openen 1e vrijeschool in Stuttgart, een cursus die bestond uit 3 delen: 14 dagen lang werd er in de 1e helft van de morgen over ‘algemene menskunde’ (GA 293) gesproken; in de 2e helft over ‘methodische en didactische vraagstukken’ (GA 294) en ’s middags was er a.h.w. ‘oefentijd’ (GA 295) waarbij de deelnemers allerlei opdrachten moesten uitwerken. [1] 

Kosmisch geheel 

Keer op keer houdt Steiner ons voor hoe belangrijk het is dat we leren inzien dat wij mensen een deel zijn van ‘het geheel’, van wat voor Steiner de hele kosmos is.

In onze tijd nu (2023) is het overduidelijk dat we in dit geheel niet zomaar onze gang kunnen gaan, zonder met dit geheel rekening te houden – dit geheel recht te doen, a.h.w. En bijv. de klimaatproblematiek of de stikstof maken pijnlijk duidelijk wat er gebeurt als we ons buiten dit kosmische geheel plaatsen.

In de 2e voordracht van GA 294 – waarin verwezen wordt naar Ahriman – zegt Steiner over ‘dit geheel’ o.a.:

Voordracht 2, Stuttgart 22 augustus 1919

Blz. 32  vert. 44

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daß Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeß, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirk­lichkeit ist, dann können Sie sagen: Ich selber bin ein Atemzug des Kosmos.

Schud de illusie van u af dat u een beperkt mens bent, zie uzelf als wat u bent: een proces in de kosmos, dát bent u in werkelijkheid. Dan kunt u zeggen: ikzelf ben een ademhaling van de kosmos. 
GA 294/32
Vertaald/44

Zie voor soortgelijke uitspraken inWegwijzers‘: 468935100108196213 240241242246248251252262264295311319

Nadat Steiner heeft uitgelegd waarom wij ‘een ademhaling van de kosmos’ zijn, benadrukt hij het belang van dergelijke gedachten die de leerkracht kunnen vervullen met bijzondere gevoelens, bijv. die van eerbied, bewondering (voor het leven) en als we die in ons hebben opgenomen, gaan we er ook de klas mee in, staan we ermee voor de kinderen (zonder er overigens over te spreken). 

Steiner verwoordt dit zo:

Wenn Sie dies so auffassen, daß Ihnen das Theoretische dabei höchst gleichgültig ist, daß es nur ein Vorgang ist und daß es Ihnen gewissermaßen nur einmal recht war, so etwas gehört zu haben, wenn Sie aber daraus ein Gefühl mitnehmen: das Gefühl der unendlichen Verehrung dessen, was sich geheimnisvoll in jedem Menschenwesen zum Ausdruck bringt, dann wird sich dieses Gefühl bei Ihnen verdichten zu dem, was dem Unterrichten und Erziehen zugrunde liegen muß. Wir können nicht bei der Zukunftserziehung so verfahren, daß wir gewissermaßen das äußere Leben des Erwachsenen hineintragen in das Erziehen.

Als u dit zo in u op kunt nemen dat het theoretische aspect u volstrekt onverschillig laat, dat het enkel een benadering is waarvan u zegt: goed dat ik zoiets een keer gehoord heb – maar als u hiervan een gevoel meeneemt, namelijk een gevoel van oneindige eerbied voor het geheim dat in ieder mensenwezen tot uitdrukking komt, dan zal dit gevoel zich in u verdichten tot dat wat ten grondslag moet liggen aan ons lesgeven en opvoeden. Bij een toekomstgerichte opvoeding kunnen we niet zo te werk gaan dat we in zekere zin het uiterlijke leven van de volwassenen inbrengen in de opvoeding.

leven van de volwassenen inbrengen in de opvoeding’:

Dat betekent voor Steiner o.a.: de leerkracht staat niet als een docent voor de klas met een boek in de hand waaruit deze doceert; 
in de lesstof komt geen ‘aftreksel van wetenschappelijke inhoud’; de lesstof moet beeldend en fantasievol worden gebracht.

Steiner schetst dan een toestand hoe het ‘in de toekomst’ zou kunnen gaan – een beeld dat hem met afschuw vervult – maar dat wel werkelijkheid is geworden, sterker nog, het is vandaag de dag zoals het (met toenemende invloed) gaat.

Blz. 33 vert. 44

Es ist ein Bild – schauervoll, höchst schauervoll, daß in Zukunft auf Grundlage demokratischer Wahl die Leute in den Parlamenten zusammenkommen sollen, um Entscheidungen zu treffen über Fragen des Unterrichts und der Erziehung, höchstens auf Grundlage des Gutachtens von Menschen, die nun auch nicht tiefer in der Sache stehen als durch ihr demokratisches Gefühl.

Het is een beeld, een huiveringwekkend, afschrikwekkend beeld, dat er in de toekomst democratisch gekozen mensen in parlementen samenkomen om besluiten te nemen over kwesties van onderwijs en opvoeding, hoogstens gesteund door de adviezen van mensen die ook niet dieper met de zaak verbonden zijn dan door hun democratisch gevoel.

Gesteund door adviezen: ook dat is volop aanwezig in onze tijd. De pedagogische en onderwijskundige wetenschappen hebben vertegenwoordigers die ook weer met een bepaalde bezieling voor hun opvattingen staan. 
Maar waar komt die bezieling vandaan.
Dat verwoordt Marcel Seelen overduidelijk in dit artikel
Let vooral op vanaf hier!

We kunnen nu zeggen – nu dit beeld werkelijkheid is geworden – dat het nog verder gaat. Immers, de democratisch gekozen parlementsleden vertegenwoordigen een partij die een mening heeft over onderwijs.

Je zou – in het licht van de artikelen over Ahriman – kunnen zeggen dat de parlementsleden, ‘de partij’, bezield zijn door een bepaalde geest, die van het (neo)liberalisme bijv. 
Met nadruk zeg ik dat ik van het ‘liberalisme’ niet beweer dat het ‘ahrimanisch’ is.

Onze opdracht is te kijken naar tendensen, naar ‘de geest van de tijd’.

Als we naar een willekeurig verkiezingsprogramma kijken – in dit geval – van de VVD – lezen we ‘de geest van het neo-liberale’ in onze tijd en dan ziet het onderwijsprogramma er zo uit: (een gedeelte)

Rekenen en taal voorop. We leggen de nadruk op basisvaardigheden. We zetten de huidige curriculumherziening voort en reken- en taalvaardigheid worden onderdeel van elk schoolvak.
▶Het curriculum moet minder vol. Minimaal tweederde van de onderwijstijd op basisscholen moet worden besteed aan basisvaardigheden. Zolang schoolresultaten ondermaats zijn, is minder tijd voor bijvoorbeeld projectweken en losse lespakketten.
▶ Alleen nog bewezen effectieve lesmethoden. De onderwijsinspectie controleert of gebruikte lesmethoden wetenschappelijk onderbouwd en bewezen effectief zijn.
▶ We verlagen de leerplicht naar het vierde levensjaar. Om achterstanden aan te pakken gaan daarnaast alle kinderen met een taalachterstand vanaf twee jaar verplicht naar voorschoolse educatie.
▶ Meer ruimte voor techniek. Er komen centrale examens in wiskunde D en informatica. In plaats van het verplichte vak cultureel kunstzinnige vorming mogen leerlingen ook examen doen in een nieuw te ontwikkelen vak praktische techniek.
▶ We scherpen de burgerschapseisen verder aan. Iedere leerling en student moet Nederlandse normen en waarden kennen en daarnaar handelen. De normen zijn nu te vaag, en burgerschapsonderwijs moet gegeven worden door bevoegde docenten.
▶ Goede scholen krijgen meer ruimte. Ze mogen afwijken van regels over bijvoorbeeld onderwijstijd en curriculum. Scholen die onvoldoende presteren houden we aan strenge regels.
We bouwen het aantal subsidies af en gaan oormerken in de lumpsum. Aan schoolbestuurders worden meer eisen gesteld.
(Bron)

Dit partijprogramma ademt ‘meer intellectueel leren’; geen methodes die ‘niet effectief bewezen’ zijn. 
En dat betekent: volgens de huidige materialistische wetenschap.

Dus deze geest ademt: meer intellectualisme en meer materialisme.
(Kijk met die blik nog eens naar dit artikel)

In het Rusland van Steiners tijd ziet hij een onderwijsklimaat waarvan hij in deze voordracht zegt:

Würde sich die Sache so verwirklichen, wie sie sich jetzt in Rußland anlaßt, so würde dies bedeuten, daß die Erde ihre Aufgabe verlieren würde, ihrer Aufgabe entzogen würde, herausgenommen würde aus dem Weltenall und verahrimanisierte.

Zou dit alles zo verwerkelijkt worden als het zich nu in Rusland laat aanzien, dan zou dat betekenen dat de aarde haar opdracht zou verliezen, van haar opdracht zou worden beroofd, uit de kosmos losgemaakt zou worden en zou verahrimaniseren.° 

°In het boek is een noot opgenomen:  blz. 230

verahrimaniseren: De uitdrukking is afgeleid van de naam Ahriman. Steiner brengt het ‘kwaad’ in de wereld in verband met twee polaire geestelijke machten, Ahriman en Lucifer (in de Bijbel Satanas en Diabolos genoemd). Ahriman inspireert tot het ontkennen van alles wat niet-materieel is. Lucifer inspireert tot illusies en fantasieën, ook tot wereldvreemde innerlijkheid en spiritualiteit. Het kwaad is voor Steiner dus geen absoluut gegeven, maar een vorm van verblinding. Als de mens de verleiding tot het kwaad werd onthouden, zou hij geen vrije ontwikkelingsweg kunnen gaan. Zie o.m. De wetenschap van de geheimen der ziel en Werkingen van het karma.
Aan de maatschappelijke tendens waar Steiner hier speciaal voor waarschuwt – de politisering van de cultuur –, wijdde hij ook in zijn ‘Toespraak aan de vooravond van de cursus’ markante voorspellende woorden.

En in de 

3e voordracht, Stuttgart 23 augustus 1919

Blz. 39   vert.  49

Es ist immer ein falsches Prinzip, wenn man so vorgehen wollte, wie es viele Theosophen und Anthroposophen machen wollen, wenn von Ahriman und Luzifer und ihren Einflüssen auf die Menschheitsentwickelung gesprochen wird, die dann sagen: Das sind Dinge, welche die Menschennatur schädigen, also müsse man sich vor ihnen hüten. – Das würde aber dazu führen, den Menschen von allem auszuschließen, was ihn konstituieren soll.

Het berust altijd op een verkeerd principe als we te werk willen gaan zoals veel theosofen en antroposofen doen. Die zeggen, wanneer gesproken wordt over Ahriman en Lucifer°  en hun invloeden op de ontwikkeling van de mensheid: ‘Dat is iets wat de natuur van de mens schade berokkent, voor die twee moeten we ons dus hoeden.’ Maar dat zou ertoe leiden dat de mens uitgesloten wordt van alles wat hem nu juist moet vormen.

Een dag eerder heeft Steiner in de 2e voordracht ‘Algemene menskunde’ uitvoerig stilgestaan bij de voorstelling.
Het voorstellingsleven van het kind moet ontwikkeld worden.

So kann man auch nicht die Ausbildung des vorstellungsmäßigen Elementes verhindern; man muß es ausbilden, aber man darf nie außer acht lassen, zu einer andern Zeit mit dem Plastisch-Bildnerischen an die Menschennatur heranzukommen. Dadurch ergibt sich die Einheit.

Zo kunnen we ook niet de vorming van het voorstellingsleven verhinderen. We moeten het vormen, maar we mogen nooit vergeten om op andere momenten de menselijke natuur met het plastisch-beeldende in aanraking te brengen. Daardoor ontstaat de eenheid. Die ontstaat niet wanneer we één kant uitwissen, maar wanneer we beide kanten naast elkaar ontwikkelen.
GA 294/39
Vertaald/44

Nu zou je n.a.v. deze woorden nog kunnen denken dat het plastisch-beeldende naast een intellectuele vorming van het voorstellen kan bestaan. M.a.w. flink met het hoofd bezig en daarna als afwisseling iets creatiefs. 
Het gaat er juist om dat het intellectuele (voorstellingsleven) het gevolg is van het beeldende, plastische onderwijs. Via handen en gevoel naar het denken.

In de 11e voordracht van de ‘Algemene menskunde‘ wordt over deze ‘stroom’ gesproken:

Eigentlich brauchen wir nur den Giiedmaßenmenschen auszubilden und einen Teil des Brustmenschen. Denn der Gliedmaßenmensch und der Brustmensch, die haben dann die Aufgabe, den Kopfmenschen aufzuwecken, so daß Sie also hier eigentlich erst die wirkliche Charakteristik des Erziehens und Unterrichtens bekommen.

Eigenlijk hoeven we alleen de ledematenmens en een deel van de borstmens te ontwikkelen. Want de ledematenmens en de borstmens hebben dan de taak om de hoofdmens wakker te maken. Hierin ligt de werkelijke essentie van opvoeding en onderwijs.

Zie het artikel over deze voordracht.

Een voorbeeld van hoe het plastisch-beeldende via het gevoel de kennis wekt, vind je in hoe Steiner over het aanleren van schrijven en lezen spreekt, m.n. in artikel [6] staan menskundige achtergronden.

Het kunstzinnige onderwijs is de tegenhanger van het intellectueel-materialistisch onderwijs. 

.

[1] GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden
.

3094-2908

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen: Duits – 3e klas

.

In de 3e klas ontstaat er in de kinderen steeds meer de belangstelling voor de omgeving. In het vak heemkunde maken zij op een meer bewustere manier kennis met het ‘heem’, het thuis van hun leefwereld.
Bewuster betekent hier meer feitelijkheden: hoe het in elkaar zit, wat met wat te maken heeft. Maar alles nog omhuld door het kunstzinnige: de fantasievolle beleving, het schilderen, tekenen en reciteren e.d.

Gaat het om het leven op het platteland – er wordt wel gesproken over de ‘boerderijperiode’ – dan is het verschil met wat er zo’n 100 jaar geleden gebeurde met nu, gigantisch. 
Toch is het goed om bij de ‘oer’dingen stil te staan, want die doen je de dingen van nu beter begrijpen. Zij b.v. in ‘heemkunde – alle artikelen- [ 6 hand’elingen.

Samengaan van verschillende vakken

In zijn pedagogische voordrachten heeft Steiner herhaaldelijk aangegeven hoe belangrijk het is dat de leerkrachten met hun specifieke vak de lesstof van het hoofdonderwijs kunnen ondersteunen, a.h.w. een verrijking voor de kinderen die de leerstof zo van verschillende kanten benaderen.

Voor het vak heemkunde – hier over de landbouw – maakte de vrijeschoolleerkracht Elisabeth Klein een spel op rijm dat in de Duitse les kan worden gedaan.
.

Erziehungskunst jrg. 18, nr. 3 1954
.

Spiel vom Ackerbau

Die Samenkörner:
Ich bin das Körnlein, und ich schlief,
bis mich der Schöpfer zu sich rief
und sprach: Du sollst die Nahrung geben
den Menschen für ihr Erdenleben.
Vom Himmel komm ich in die Welt,
ich bin allein auf diesem Feld.
Der Acker ist so achwer und hart,
doch tu ich, was geheißen ward.

Alle:
0 Korn, das brauchst du nicht allein,
hast viele Helfer, groß und klein.

Die Bauern:
Wir sind die Bauern, Kraft haben wir,
wir bauen am Acker und helfen dir.
Wir ziehn den Pflug tief durch die Erde
mit unserem Helfer, unserm Pferde.

Die Pferde:
Ieh bin der wilden Steppe Kind,
in meiner Heimat weht der Wind.
Ich sehe, wie der Bauer schafft,
und schenke ihm von meiner Kraft.

Alle:
Noch finster ist der Erde Gruft.
Wer schenkt der lieben Erde Luft?

Die Regenwürmer:
Das tut, in Sonnenschein und Sturm,
der treue, fleißige Regenwurm.

Alle:
Das Feld braucht noch ein Tier dazu.
Wer könnte helfen?

Ochsen und Kühe:
Ochs und Kuh!
Wir leben gern in Seelenruh

und fressen Gras und rufen Muh.
Und geben, was so nützlich ist,
dem Bauer Milch, dem Acker Mist.

Die Bauern:
Wir haben große, starke Hände,
doch führn sie nicht das Werk zu Ende.
Geräte wir zu Hilfe rufen,
die wir mit unsern Händen schufen.
Die Egge und die Walze dort,
die führen unsre Arbeit fort.

Die Egge:
Mit scharfen Tatzen
muß ich dich kratzen.
Bin doch kein wildes Tier;
Acker, ich helfe dir.
Boden werd zart und fein,
bald kommt das Korn hinein.

Die Walze:
Dicker Klumpen, muß dich drücken,
dich zerkleinern, dich zerstücken.
Tüchtig tu ich meine Pflicht.
Liebes Körnlein, komm ans Licht.

Der Acker:
Gerne laß ich mich zerstücken,
pflügen, eggen, walzen, drücken.
Ei, schon fühl ich Luft und Wind.
Liebes Körnlein, komm geschwind.
Schlafen darfst du lange Zeit,
sich, dein Bettlein ist bereit.

Die Samenkörner:
Ihr riefet mich, ich komme gleich,
und lieb wird mir das Erdenreich.
Ihr treuen Helfer habt gehandelt,
Der harte Acker ist verwandelt.

Die Bauern:
Wir Bauern haben recht geschafft
mit unsrer und der Tiere Kraft.
Das liebe Körnlein muß jetzt ruhn.
Das andre mag der Himmel tun.

Der Mond:
Der Mond, der schaut dem Bauern zu,
und wächst und scheint, nimmt ab in Ruh.
Und alle folgen seiner Spur,
er ist die große Himmelsuhr.

Der Neumond zieht das Wasser an,
daß er den Acker gießen kann.
Und langsam mit dem Mondenhorn,
wilchst auf dem Acker Halm und Korn.

Alle:
Es fließet der Regen, vom Himmel kommt Segen.

Deer Regen:
Ich lieb den Bauern, nicht den Städter,
der schimpfe ruhig auf das Wetter.

Der Wind:
Der Wind bewegt die weite Welt
und rauacht auch durch daa Ahrenfeld.

Alle:
Die goldne Sonne wartet nicht.
Sie schenkt die Wärme und das Licht.

Die Sonne:
Körnlein, ich bin dir hold,
aus Grün wird Sonnengold.
Körnlein, ich back dich fein
im Sonnenfeuerschein.

Alle:
Wind, Sonne, Wasser brachten Segen.
Wer dankt der Sonne und dem Regen?

Die Lerchen:
Wenn Lerchen sich in Lüfte schwingen,
den Dank zum Himmel trägt ihr Singen.

Die Samenkörner:
Ich ging einst in die Welt hinein
und meinte, ich wär ganz allein.
Jedoch, ich bin ja nicht allein,
Ihr alle wollt die Helfer sein.

Dort kommt ein Kind, das will mich fragen.
Ich werde ihm gerne Antwort sagen.

Knabe:
Du Samenkörnlein, wie bist du klein.

Die Samenkörner:.
Wart, Knabe, ich wachse, ich hole dich ein.
Ea leuchtet das Licht, ich wachse voll Wonne,
Ich würde am liebsten so groß wie die Sonne!

Knabe:
Wer hilft dir, Körnlein, so groß zu werden?

Die Samenkörner:
Der Wind, der Regen, der Himmel, die Erden,
die Arbeit des Bauern in Sonne und Sturm,
das Pferd, das Uchslein, die Lerche, der Wurm.

Knabe: 
Was eilst du so sehr, daa wundert mich.
Für wen willst du wachsen?

Die Samenkörner:
Für dich, für dich!
Für Bruder und Schwester, für jede Not!
Ich eile, ich wachse, ich schenke euch Brot.

Uiteraard kan je dit spel met enige fantasie ook met de kinderen uitvoeren.

.
Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

3e klas heemkunde: alle artikelen

3eklas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas heemkunde

.

3093-2907

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 294)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

GA 294

In voordracht 2  spreekt Steiner over het verschil tussen schilderen en tekenen. Die passage staat hier.

Nadat dit verschil verklaard is, zegt hij:

Voordracht 2, Stuttgart 22 augustus 1919

Blz. 41/42    vert. 

So werden Sie allmählich darauf kommen, daß die Form der Natur wirklich aus der Farbe heraus entsteht, daß daher das Zeichnen ein Abstrahierendes ist. Von solchen Dingen sollte man eine gute Vorstellung, eine gute Empfindung schon in dem heranwachsenden Kinde erzeugen, weil dies sein ganzes Seelen wesen belebt und in ein richtiges Verhältnis zur Außenwelt bringt. Daran krankt ja unsere Kultur, daß wir kein richtiges Verhältnis zur Außenwelt haben. Man braucht dabei durchaus nicht, ich möchte sagen, unterrichtend selbst wiederum einseitig zu werden. Es würde zum Beispiel ganz gut sein, wenn wir nach und nach die Möglichkeit entwickeln könnten, von dem bloßen abstrakt Künstlerischen, das der Mensch aus seiner Lust am Schönen hervorbringt, überzugehen zu dem konkret Künstlerischen, zu dem Kunstgewerblichen, denn gar sehr bedarf die Menschheit heute des Hineinstellens eines wirklich Kunstgewerblichen in das allgemeine Kulturdasein.

Zo zult u gaandeweg ontdekken dat de vorm van de natuur werkelijk ontstaat uit de kleur en dat tekenen daarom iets abstraherends is. Voor zulke dingen zou u al bij het opgroeiende kind een goede voorstelling, een gevoel moeten aankweken, omdat dit zijn hele zielenwezen tot leven wekt en in een echte relatie tot de buitenwereld brengt. De ziekte van onze cultuur is immers dat we geen werkelijke relatie tot de buitenwereld hebben. Daarbij hoeven we beslist niet, laat ik zeggen, in ons onderwijs zelf weer eenzijdig te worden. Het zou bijvoorbeeld heel goed zijn als we op termijn de mogelijkheid konden ontwikkelen om van het louter abstract kunstzinnige, wat de mens voortbrengt vanuit zijn verlangen naar schoonheid, over te gaan naar het concreet kunstzinnige, de kunstnijverheid. Want de mensheid heeft het tegenwoordig werkelijk hard nodig dat echte kunstnijverheid een plaats krijgt in het culturele leven.

Wir haben es doch tatsächlich im Laufe des 19. Jahrhunderts dahin gebracht, daß wir unsere Möbel für das Auge machen, zum Beispiel einen Stuhl für das Auge machen, während er den Charakter an sich tragen sollte, daß man ihn fühlt, wenn man darauf sitzt. Darnach soll er gestaltet sein. Man soll den Stuhl erfühlen, er soll nicht bloß schön sein, er soll den Charakter an sich tragen, daß ein Mensch darauf sitzen könne. Das ganze Zusammenwachsen des Gefühlssinnes mit dem Stuhl und sogar des geformten Gefühlssinnes – durch die Art, wie Armlehnen am Stuhle sind und so weiter, indem der Mensch seine Stütze an dem Stuhl sucht -, sollte an dem Stuhl zum Ausdruck kommen. Würde man daher Handfertigkeitsunterricht mit entschieden kunstgewerblichen Absichten in das Schulwesen einführen können, so würde man damit der Kultur einen großen Dienst erweisen. 

We zijn in de loop van de negentiende eeuw waarachtig zover gekomen dat we onze meubels voor het oog maken, bijvoorbeeld een stoel voor de sier maken, terwijl een stoel het karakter moet hebben dat je hem voelt als je erop zit. Daar moet hij naar gemaakt zijn.* Je moet voelen hoe een stoel zit, hij moet niet alleen mooi zijn, hij moet het karakter hebben dat je erop kunt gaan zitten. Hoe nauw de tastzin met de stoel verweven is of zelfs het ontwikkelde vormgevoel – door de manier waarop bijvoorbeeld de armleuningen aan de stoel zitten – omdat een mens nu eenmaal steun zoekt bij een stoel, dat zou in een stoel tot uiting moeten komen.
Als we dus handvaardigheidsonderwijs zouden kunnen invoeren dat expliciet ook op kunstnijverheid is gericht, dan zouden we daarmee de cultuur een grote dienst bewijzen.
GA 294/41-42 
Vertaald/52
 

(Deze aantekening staat niet in de Duitse uitgave):

*Daar moet hij naar gemaakt zijn: Steiners ideeën en ook ontwerpen voor meubels e.d. zijn gedocumenteerd in Reinhold J. Fäth, Rudolf Steiner Design. Spiritueller Funktionalismus, Dornach 2005. 

Enerzijds voldoet m.i. deze stoel aan de criteria die Steiner hierboven stelt; anderzijds heb je ook te maken met wat bij jou past, wat je om je heen wil hebben en dat is altijd persoonlijk. 

Op deze site zie je voorbeelden van voorwerpen die ontstaan zijn n.a.v. Steiners opmerkingen.


Vakkenintegratie

Toen ik de onderwijzersopleiding deed (60-er jaren vorige eeuw), werd er in de toen moderne didactiek gesproken over het belang van ‘vakkenintegratie’. 
Als Steiner de eerste lerarencursus geeft (1919) uit hij zich enthousiast over ‘het samengaan’ van vakken:

Voordracht 11, Stuttgart 2 september 1919

Blz. 158  vert,  152

Was kann alles in der Geographie zusammenfließen! Zum Schlüsse wird sich sogar ein wunderbares Ineinandergestalten zwischen Geographie und Geschichte ermöglichen lassen. Dann werden Sie, wenn Sie so in den Geographieunterricht manches hineingetragen haben, auch wiederum manches aus ihm herausholen können. Da wird natürlich an Ihre Phantasie, an Ihre Erfindungsgabe einige Anforderung gestellt. Wenn Sie dem Kinde erzählen, da oder dort wird dieses oder jenes gemacht, zum Beispiel: die Japaner machen ihre Bilder so und so, dann versuchen Sie gerade das Kind anzuhalten, so etwas auch in seiner einfachen, primitiven Weise zu machen.

U ziet dat we in de aardrijkskundelessen buitengewoon veel moeten onderbrengen, wil aardrijkskunde inderdaad een soort samenbundeling zijn van alle andere vakken. Wat kan er niet allemaal in aardrijkskunde samenstromen! Uiteindelijk is het ook nog mogelijk om aardrijkskunde en geschiedenis prachtig met elkaar te verweven. Zo kunt u veel dingen in aardrijkskunde een plaats geven, en aan de andere kant kunt u er ook weer veel uithalen. Dat vraagt natuurlijk wel het een en ander van uw fantasie, van uw creat iv iteit. Als u de leerlingen over dingen vertelt die elders gedaan worden, bijvoorbeeld dat de Japanners een bepaald soort tekeningen maken, dan probeert u de leerlingen ook zoiets te laten maken – natuurlijk op een eenvoudige, primitieve manier.

Versäumen Sie es schon am Anfang nicht, indem Sie dem Kinde den Zusammenhang zwischen dem Ackerbau und dem menschlichen Leben beibringen, dem Kinde eine deutliche Vorstellung von dem Pflug, von der Egge und so weiter im Zusammenhang mit den geographischen Vorstellungen zu geben. Und einiges davon versuchen Sie namentlich von dem Kinde nachahmen zu lassen, wenn auch als kleines Spiel- oder Kunstwerk. Dadurch wird das Kind geschickt, und dadurch wird das Kind geeignet gemacht, sich später in richtiger Weise ins Leben hineinzustellen. Und wenn man gar könnte kleine Pflüge machen und die Kinder im Schulgarten ackern lassen, wenn man sie könnte mit kleinen Sicheln mähen lassen oder mit kleinen Sensen schneiden lassen, so würde man eine gute Verbindung zum Leben herstellen. Denn wichtiger als die Geschicklichkeit, ist die seelische Verbindung zwischen dem Leben des Kindes und dem Leben in der Welt.
Denn es ist tatsächlich so: ein Kind, das mit der Sichel Gras abgeschnitten, mit der Sense Gras abgemäht hat, das mit einem kleinen Pflug
Furchen gezogen hat, wird ein anderer Mensch als ein Kind, weiches
das nicht getan hat. Das Seelische wird dadurch einfach etwas anderes.

U moet ook niet vergeten om de kinderen meteen, zodra u de samenhang tussen de akkerbouw en het menselijk leven behandelt, een duidelijk beeld te geven van een ploeg, een eg enzovoort in relatie tot de
geografische leerstof. En probeert u de leerlingen een paar van die dingen te laten namaken, al is het in de vorm van een stukje speelgoed of een kunstwerkje. Daardoor wordt een kind handig, en daardoor wordt het toegerust om later goed met het praktische leven mee te kunnen. En als het dan ook nog mogelijk zou zijn om kleine ploegen te maken en met de kinderen in de schooltuin te ploegen of ze te laten maaien met kleine sikkels of zeisen, dan zouden we helemaal een goede verbinding met het praktische leven realiseren. Want belangrijker dan handigheid is het ontstaan van een innerlijke verbinding tussen het leven van het kind en het leven in de wereld. Want het is werkelijk een feit: een kind dat met een sikkel of een zeis gras heeft gemaaid, dat met een kleine ploeg voren heeft getrokken, dat wordt een ander mens dan een kind dat dat niet heeft gedaan. Het zielenleven ontwikkelt zich daardoor eenvoudigweg anders

Hoewel er eigenlijk niet meer met een sikkel of een zeis wordt gemaaid, de ploeg eren enorme technische ontwikkeling heeft doorgemaakt, is het toch goed op met de kinderen terug te gaan naar deze ‘oerbewegingen’ die alle ten grondslag liggen aan wat er nu aan techniek bestaat.

Zie: [ 6 ‘hand’elingen over: de menselijke hand; samenhang van hand en andere lichaamsdelen met het ontstaan van gereedschappen

de hand en gereedschappen
[7 ]  over het ‘waarom’
[8 ]  over de ploeg: ontstaan, gebruik


Der abstrakte Handfertigkeitsunterricht kann das eigentlich nicht ersetzen. Und das Stäbchenlegen und Papierflechten, das sollte tunlichst
vermieden werden, weil es eher abbringt davon, den Menschen ins
Leben hineinzustellen, als daß es diese Hineinstellung ins Leben fördert.
Viel besser ist es, wenn Sie das Kind dazu anhalten, Dinge zu tun, die
wirklich im Leben geschehen, als wenn Sie Dinge erfinden, die nicht
im Leben geschehen

Abstracte handvaardigheidslessen kunnen dat eigenlijk niet vervangen. En figuurtjes leggen of matjes vlechten, dat moeten we absoluut vermijden, omdat het eerder verhindert dat een mens in het volle leven komt te staan dan dat het dat bevordert. Het is veel beter om de kinderen dingen te laten doen die werkelijk in het gewone leven gebeuren, dan dingen te verzinnen die niet in werkelijkheid gebeuren. 
GA 294/157-158  
Vertaald/152-`153

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3092-2906

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 302A voordracht 6

.

GA 302A
.
Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis
De 9 voordrachten staan onder drie indelingen:
Meditativ erarbeitete Menschenkunde:
Voordrachten 1, 2, 3 en 4 vertaald als:
Menskunde innerlijk vernieuwd*

Erziehungsfragen im Reifealter
Zur künstlerischen Gestaltung des Unterrichts
In de GA zijn ze voordracht 1, en 2  en bij de volgorde van 9 dus 5 en 6.
Voordracht 1 (5) vertaald
Voordracht 2 (6) vertaald in onderstaande tekst.

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes:  
Ook deze voordrachten zijn weer 1, 2 en 3 genummerd en onder de 9 zijn het dus 7, 8 en 9.
Nu is er iets merkwaardigs: in de gedrukte GA staat de 1e voordracht, 15-10-1923 hiervan op blz. 107, (uitg. 1977); de 2e 16-10-1923 op blz. 122, dat is een ochtendvoordracht en de 3e, 16-10-1923, een avondvoordracht op blz. 135.
In de PDF echter staat deze 3e voordracht in de inhoudsopgave als een voordracht van 22 juni 1922 op blz. 87, dat is dus een vergissing. De tekst van de 3e voordracht van 16-10-1923 staat in de PDF ook op blz. 135, maar deze ontbreekt in de inhoudsopgave.
Deze voordrachten 1, 2 en 3, in de volgorde dus 7, 8 en 9 zijn vertaald:
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap*

.
Erziehungsfragen im Reifealter
Zur künstlerischen Gestaltung des Unterrichts

Opvoeden in de puberteit
Over de kunstzinnige opzet van het onderwijs

Voordracht 2 (in het overzicht van alle in deze GA 302A opgenomen voordrachten, nr. 6) Stuttgart 22 juni 1923

Inhoudsopgave:

De basale gevoelsstemming van de leerkracht: eerbied voor de individualiteit van het kind.
Over de noodzaak om blokkades op te ruimen in het fysieke en etherische organisme.
Waarom kinderen moe worden.
Het beeldende als methodisch principe.
Het morele en karakterologische van het beeldende.
Over de noodzaak van een kunstzinnige instelling, getoond aan hoe je het bord gebruikt.
Temperamenten en karma.
Kunstzinnige fysionomie.
Fysiek organisme en geest.
Over de juiste autoriteitsverhouding tussen leerkracht en leerling.

Blz. 87

Es sollen also heute einzelne ganz aphoristisch gemeinte Bemerkungen zu verschiedenem Pädagogischem gemacht werden, das wir während
unseres ersten Kurses besprochen und dann fortlaufend hinzugefügt
haben, so, wie ich glaube, daß es gegenwärtig nötig ist. Den Weihnachtskurs, den ich in Dornach gehalten habe, und der ja in vieler Beziehung eine Ergänzung bildet zu den sonstigen Ausführungen über Pädagogik, konnte ich noch nicht nach den Nachschriften drucken lassen. Das wird hoffentlich auch einmal geschehen. Aber zunächst ist er ja in den Referaten von Steffen fortlaufend im «Goetheanum» erschienen. Dieser Abdruck im «Goetheanum» wird nun auch in Buchausgabe herauskommen, so daß man zunächst wenigstens diese Referate von Steffen über diesen Weihnachtskurs, den ich besonders wichtig zum Studium für pädagogisch Interessierte halte, haben wird.

Er zullen dus vandaag een paar heel korte, bondige opmerkingen gemaakt worden bij verschillende pedagogische onderwerpen, die we tijdens onze eerste cursus* hebben besproken en waaraan dan allengs iets werd toegevoegd op een manier waarvan ik geloof dat het tegenwoordig nodig is. De cursus** die ik met Kerstmis in Dornach heb gehouden en die ook in allerlei opzichten een aanvulling biedt op de andere uiteenzettingen over pedagogie(k), heb ik nog niet kunnen laten drukken op basis van de schriftelijke verslagen. Dat gebeurt hopelijk een keer. Maar wél zijn er regelmatig referaten over verschenen in het ‘Goetheanum’ door Steffen***. Wat in het Goetheanum afgedrukt is, zal ook in boekvorm verschijnen, zodat men op z’n minst kan beschikken over de referaten van Steffen over deze cursus met Kerstmis die ik bijzonder belangrijk vind als studie voor pedagogisch geïnteresseerden.
.

*Der Eröffnung der Waldorfschule in Stuttgart im Herbst 1919 ging ein pädagogischer Kursus voraus, den Rudolf Steiner durch drei Wochen im August und September des Jahres 1919 den ersten Lehrern der Waldorfschule und einer Reihe von Persönlichkeiten, die im Sinne seiner Pädagogik wirken wollten, hielt. Dieser Kurs umfaßte drei Veranstaltungen. Zunächst wurden vierzehn Vorträge über anthroposophische Menschenkunde als Grundlage einer unserer Zeit und der nächsten Zukunft entsprechenden Pädagogik gehalten. Es schlössen sich Vorträge an, welche die Wirksamkeit der anthroposophischen Menschenkunde in der Handhabung von Methodik und Didaktik in Unterricht und Erziehung verdeutlichten. Den Vortragsveranstaltungen folgten Besprechungen in seminaristischer Form, in denen Rudolf Steiner mit den Lehrern die praktische Ausarbeitung bestimmter Unterrichtsgebiete und die Wege zu einer Lösung erzieherischer Probleme erörterte. GA 293, GA 294, GA 295
.
Aan de opening van de vrijeschool in Stuttgart in de herfst van 1919 ging een pedagogische cursus vooraf, die Rudolf Steiner gedurende drie weken in augustus en september van het jaar 1919 hield voor de leerkrachten van de eerste vrijeschool (Waldorfschool) en een aantal personen die in de geest van zijn pedagogie wilden werken. Deze cursus bestond uit drie reeksen, Ten eerste werden er 14 voordrachten gehouden over antroposofische menskunde als basis voor een pedagogie die bij onze en voor een toekomende tijd hoort. Aansluitend vonden er voordrachten plaats die de werking van de antroposofische menskunde in de toepassing van didactiek en methodiek in onderwijs en opvoeding verduidelijkten. Daarop volgden besprekingen in een seminarvorm waarin Rudolf Steiner met de leerkrachten de praktische uitwerking van bepaalde lesstof en de manier waarop bepaalde pedagogische problemen opgelost worden, verduidelijkte. Vertaald: GA 293: Algemene menskunde als basis voor de pedagogie;  GA 294:Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen; GA 295: Praktijk van het lesgeven
.
**Den Weihnachtskurs: Gehalten für Lehrer in Dornach vom 23. Dezember 1921 bis 7. Januar 1922. Siehe Rudolf Steiner «Die gesunde Entwicklung des Menschenwesens», GA 303.
.
De kerstcursus: gehouden voor leerkrachten in Dornach van 23 december 1921 tot 7 januari 1922.  Vertaald Gezondmakend onderwijs*  (bij Pentagon)
voordracht 9, 10, 11 en 12 bij Phaidos 021
***in den Referaten von Steffen: Albert Steffen (1884-1963), u.a. ab 1921 Redaktor der Wochenschrift «Das Goetheanum». Die Referate dieses Kurses durch Dr. W. J. Stein und Albert Steffen erschienen in Buchform unter dem Titel «Der Lehrerkurs Rudolf Steiners am Goetheanum» im Verlag am Goetheanum, Dornach 1922. Neuauflage unter dem Titel «Die anthroposophische Pädagogik», Dornach/Schaffhausen 1983
.
in de referaten van Steffen: Albert Steffen (1884-1963) e.a. vanaf 1921 redacteur van het weekblad ‘Het Goetheanum’. De referaten van deze cusrus door Dr.W.J.Stein en Albert Steffen verschenen in boekvorm onder de titel ‘De cursus voor leerkrachten van Rudolf Steiner aan het Goetheanum’ (niet vertaald) bij de uitgeverij van het Goetheanum te Dornach in 1922. Een herdruk onder de titel ‘De antroposofische pedagogie‘, Dornach 1983. (niet vertaald)
.

Heute möchte ich zunächst auf einige Empfindungen hinweisen, die der Lehrer, der Erzieher eigentlich immer haben sollte, und die er sich auch immer wieder, ich möchte sagen, meditierend ins Bewußtsein hereinrufen soll. Die Grundempfindung muß eigentlich die sein, die ich in den verschiedensten Formen zum Ausdrucke gebracht habe: die Ehrfurcht vor der kindlichen Individualität. Wir müssen uns ja durchaus bewußt sein, daß eine geistig-seelische Individualität in jedem Kinde verkörpert ist, und daß wir in dem, was wir als das körperhafte Kind vor uns haben, eigentlich zunächst nicht einen wahren Ausdruck der kindlichen Individualität haben. Die Gesetzmäßigkeit, die
Gliederung des menschlichen Organismus ist ja, wie Sie offenbar aus vielem ersehen haben werden, das vor unsere Seele getreten ist seit der Abhaltung des ersten Lehrerkurses, eine außerordentlich komplizierte.
Und durch die verschiedensten Ursachen ist dasjenige, was die wahre
Individualität eines Kindes ist, durch Hemmnisse im physischen und
auch im ätherischen Organismus gehindert, sich vollkommen auszuleben, so daß wir eigentlich in dem Kinde immer vor uns haben die zunächst mehr oder weniger unbekannte wirkliche Individualität und

Vandaag zou ik allereerst op een paar gevoelens willen wijzen die de leerkracht, de opvoeder eigenlijk zou moeten hebben en die hij steeds weer, ik zou willen zeggen, mediterend in zijn bewustzijn moet oproepen. Het basale gevoel moet eigenlijk dat gevoel zijn, dat ik in de meest uiteenlopende vormen tot uitdrukking heb gebracht: de eerbied voor de individualiteit van het kind.
We moeten ons er volstrekt van bewust zijn dat er in ieder kind een geest-zielen-individualiteit belichaamd is en dat wij in wat wij als het lichamelijke kind voor ons hebben, eigenlijk in de eerste plaats een echte uitdrukking hebben van de individualiteit van het kind. De wetmatigheid, de onderlinge verdeling van het menselijk organisme is, zoals u duidelijk uit veel hebt kunnen meekrijgen, dat we voor ons geestesoog hebben staan sinds de eerste cursus voor leerkrachten, dat dit organisme uiterst gecompliceerd is. En door de meest uiteenlopende oorzaken wordt, wat de echte individualiteit van het kind is, door blokkades in het fysieke en ook in het etherische organisme, gehinderd, tot volle ontplooiing te komen, zodat we eigenlijk in het kind steeds in eerste instantie de min of meer onbekende echte individualiteit voor ons hebben en iets 

Blz. 88

dasjenige, was eigentlich maskiert ist durch das Leibliche des Kindes.
Es ist dieselbe Wahrheit auch möglich in jener anderen Form auszudrücken, die ich versuchte auch in den öffentlichen Vorträgen in Wien
zu sagen: Wir müssen uns bewußt sein, daß in irgendeiner Individualität eines Kindes, wenn wir es radikal charakterisieren, ein Genie stekken könnte, und es könnte ja auch sein, daß wir selbst als Lehrer und Erzieher kein Genie wären. Wenn dieses Verhältnis stattfindet, daß das Kind ein Genie ist und der Lehrer kein Genie ist, so ist das ein vollständig berechtigtes Verhältnis, denn es können nicht alle Lehrer Genies sein, und die Pädagogik hat es mit den allgemeinen Gesetzen zu tun. Aber es würde selbstverständlich ganz falsch sein, wenn dann
der Lehrer seine eigene Individualität oder sogar seine eigenen Sympathien und Antipathien dem Kinde einimpfen wollte, wenn er dem Kinde dasjenige als das Richtige, als das Wünschenswerte und so weiter beibringen wollte, was er selbst für das Richtige und für das Wünschenswerte hält. Er würde dann das Kind selbstverständlich auf seinem Niveau zurückhalten, und das dürfen wir unter keinen Umständen.

dat eigenlijk gemaskeerd wordt door het lichaam van het kind. Het is mogelijk om deze zelfde waarheid ook tot uitdrukking te brengen in een andere vorm die ik in de openbare voordrachten in Wenen* ook probeerde uit te spreken: we moeten ons ervan bewust zijn dat in een willekeurige individualiteit van een kind, wanneer we het radicaal willen karakteriseren, een genie kan steken en het kan ook zo zijn dat wij zelfs als leerkracht en opvoeder geen genie zijn. Wanneer de persoonlijke relatie zo is dat het kind een genie is en de leerkracht niet, dan is dat een volkomen terechte relatie, want niet alle leerkrachten kunnen een genie zijn en pedagogie heeft te maken met algemene wetmatigheden. Maar het zou vanzelfsprekend helemaal verkeerd zijn, wanneer dan de leerkracht zijn eigen individualiteit of zelfs zijn eigen sympathieën en antipathieën aan het kind zou willen opdringen; als hij het kind zou willen bijbrengen als het juiste, als het meest wenselijk, wat hij zelf voor het juiste en het meest wenselijke houdt. Dan zou hij het kind natuurlijk op zijn eigen niveau teruggehouden en dat mogen we onder geen enkele omstandigheid.

*in den Öffentlichen Vorträgen in Wien: Wörtlich heißt es in dem Wiener Vortrag vom 7. Juni 1922: «Man muß also eine Pädagogik ermöglichen, durch die man nicht nur die Kinder in jedem Lebensalter so behandeln kann, daß sie einmal zu den Fähigkeiten kommen, die man selber hat, sondern daß sie eventuell ungehindert Fähigkeiten entwickeln, die man selber gar nicht hat, die in ihnen veranlagt sind. Man muß also, wenn man selbst auch nicht genial ist, der Entwicklung des Kindes zur Genialität kein Hindernis entgegensetzen..,» (S. 187) in «Westliche und östliche Weltgegensätzlichkeit» (Zehn Vorträge gehalten auf dem Zweiten internationalen Kongreß der anthroposophischen Bewegung in Wien, vom 1. bis 12. Juni 1922), GA 83, Dornach 1981.
.
In de openbare voordrachten in Wenen: Letterlijk staat er in de Weense voordracht van 7 juni 1922: Je moet dus een pedagogie mogelijk maken waarmee je niet alleen de kinderen in iedere leeftijdsfrase zo behandelen kan dat ze niet alleen de vaardigheden krijgen die je zelf hebt, maar dat ze eventueel ongehinderd vaardigheden ontwikkelen die je zelf helemaal niet hebt, maar die in hen wel aanwezig zijn. Je moet dus, ook al ben je zelf niet geniaal, de ontwikkeling van het kind tot genialiteit niet blokkeren. ‘Westerse en Oosterse wereldtegenstellingen’ (daaruit 1 voordracht vertaald)

Wir können uns da außerordentlich zu Hilfe kommen, wenn wir, ich möchte sagen, wiederum meditierend uns recht tief zum Bewußtsein bringen, daß alle Erziehung mit der wirklichen Individualität des Menschen im Grunde genommen gar nichts zu tun hat, daß wir eigentlich als Erzieher und Unterrichter im wesentlichen die Aufgabe haben, mit Ehrfurcht vor der Individualität zu stehen, ihr die Möglichkeiten zu bieten, daß sie ihren eigenen Entwicklungsgesetzen folge und wir nur die im Physisch-Leiblichen und im Leiblich-Seelischen, also im physischen Leibe und im Ätherleibe liegenden Entwicklungshemmungen wegräumen. Wir sind nur dazu berufen, diese im Physisch-Leiblichen und im Leiblich-Seelischen liegenden Hemmungen wegzuräumen und die Individualität frei sich entwickeln zu lassen; so daß
wir dasjenige, was wir dem Kinde an Erkenntnissen beibringen, im Grunde nur dazu benützen sollten, um das Leibliche, sowohl das Physisch-Leibliche wie auch das Ätherisch-Leibliche, so weit vorwärts zu bringen, daß der Mensch sich eben frei entwickeln kann. Meine lieben Freunde, das sieht abstrakt aus, ist aber das allerkonkreteste der Erziehung und deutet zugleich auf dasjenige hin,wo man

Hier kunnen we onszelf buitengewoon helpen, wanneer we, ik zou willen zeggen, ook weer mediterend ons werkelijk bewust maken dat alle opvoeding met de ware individualiteit van de mens basaal niets te maken heeft, dat we eigenlijk als opvoeder en leerkracht als belangrijkste taak de opdracht hebben, met eerbied voor die individualiteit te staan, deze de mogelijkheid te bieden de eigen ontwikkelingswetten te volgen en dat wij de hinderpalen die in het fysiek-etherische en in het fysiek-zielsmatige zitten, dus in het fysieke lichaam en het etherlijf, opruimen. Onze taak is slechts wat lichaam, ziel en geest remt, op te ruimen om de individualiteit zich vrij te kunnen laten ontwikkelen, zodat wij wat we het kind aan kennis bijbrengen, in de grond van de zaak alleen maar zouden moeten gebruiken om het lichamelijke, én het fysiek-levende én het etherisch-lichamelijke zo te ontwikkelen, dat de mens zich dan vrij ontwikkelen kan.
Beste vrienden, dit ziet er abstract uit, maar het is wel het meest concrete van de opvoeding en het wijst er tegelijkertijd op waar je

Blz. 89

die allermeisten Fehler macht. Viele Leute sagen, man müsse die Individualität des Kindes entwickeln. Das ist ebenso richtig, wie es auf der anderen Seite inhaltsleer ist. Denn wären nicht die physischen und ätherischen Hemmungen da, so würde sich nämlich die Individualität jedes Kindes am Leben richtig entwickeln. Diese physischen und ätherischen Hemmungen müssen wir aber gerade hinwegräumen. Sehen Sie, Sie brauchen sich ja nur vor die Seele zu rufen, was für Schreckliches wir eigentlich tun, wenn wir ohne weiteres sechs-, sieben-, achtjährigen Kindern das Schreiben und Lesen beibringen. Man rückt sich das nicht oft genug in aller Härte vor die Seele. Denn, indem das Kind, aufwächst bis zum 6., 7., 8. Jahre, bringt es wirklich nichts mit sich, was es hinweisen könnte auf jene kleinen dämonischen Dinge, die da auf dem Papier vor es hintreten, oder die es gar nachmachen soll. Es gibt keine menschlichen Beziehungen zu den heutigen Buchstabenformen. Daher müssen wir uns klar sein darüber, daß eigentlich zwischen dem, was sich im späteren Verlaufe der Menschheitszivilisation als Schrifttum herausgebildet hat und demjenigen, was das Kind ist in seinem 7. Jahre etwa, eine furchtbare Kluft ist.

de meeste fouten kan maken. Veel mensen zeggen dat je de individualiteit van het kind moet ontwikkelen. Dat is net zo belangrijk als het aan de andere kant lege inhoud is. Want als er op lichamelijk en etherisch gebied geen hinderpalen zouden bestaan, zou de individualiteit van ieder kind zich in het leven goed ontwikkelen. Deze blokkades moeten wij juist uit de weg ruimen. Je hoeft je maar voor te stellen wat voor verschrikkelijks we doen, wanneer we zonder meer zes- zeven-, achtjarige kinderen leren schrijven en lezen. Dat stellen we ons bij alle problematiek niet vaak genoeg voor. Want wanneer het kind opgroeit, zo tot het 6e, 7e, 8e jaar brengt het echt niets mee wat hem op die kleine duivelse dingetjes zou kunnen wijzen die daar op papier voor hem komen te staan of die het zelfs na moet doen. Er bestaat geen menselijke relatie met de lettervormen van nu. Vandaar dat het voor ons duidelijk moet zijn dat er eigenlijk tussen dat wat zich in het verdere verloop van de beschaving als schrift ontwikkeld heeft en wat het kind als 7-jarige is, een enorme kloof bestaat.

Wir müssen dem Kinde heute etwas beibringen, nach dem es ganz sicher gar nicht begehrt, damit es in die heutige Zivilisation hineinwachsen kann. Und wenn wir das Kind nicht durchaus verderben wollen, so müssen wir eben in der
Weise vorgehen, daß wir das Kind in diesen Jahren so anpacken, wie es angepackt sein muß, damit die Entwickelungshemmungen wegkommen und es allmählich geführt wird nach Hinwegräumung der Entwicklungshemmungen zu dem Standpunkt der Seele, zu der Verfassung der Seele, wo die erwachsenen Leute in derjenigen Kulturperiode standen, als die heutigen Schriftformen entstanden sind. Die Natur des Kindes gibt ja natürlich selbst Veranlassung dazu.
Sehen Sie, heute werden Experimente angestellt über die Ermüdung der Kinder. Daß überhaupt solche Zahlen herauskommen, wie sie heute notiert werden, sollte nicht das Ende der Untersuchungen sein, sondern das sollte der Anfang sein. Man sollte sich fragen: Woher kommt das, daß die Kinder überhaupt so ermüden? – Man faßt ein System ins Auge, man faßt das Kopfsystem, wohl auch das Stoffwechsel-Gliedmaßensystem ins Auge, die ermüden, während das rhyth-

We moeten het kind tegenwoordig iets bijbrengen, waar zijn verlangen zeer zeker niet naar uitgaat, opdat het in de huidige beschaving mee kan komen. En als we het kind beslist niet willen bederven, moeten we dus op die manier te werk gaan, dat wij het kind in deze jaren zo behandelen als het behandeld moet worden, dat de ontwikkeling niet geremd wordt en dat we het na het opruimen van wat de ontwikkeling remt, kunnen verplaatsen in de belevingswereld van de volwassenen uit die cultuurperiode waarin de schriftvormen ontstonden. De aard van een kind geeft daar natuurlijk zelf aanleiding toe.
Vandaag de dag wordt er onderzoek gedaan naar de vermoeidheid van kinderen. Dat er dan getallen uit komen, zou niet het einde van het onderzoek moeten zijn, maar het begin. Men zou zich moeten afvragen: waardoor komt het dat de kinderen zo moe worden? Men kijkt naar het hoofd, misschien ook naar het stofwisselings-ledematensysteem en die kunnen vermoeid raken, terwijl het ritmische

Blz. 90

mische System, das vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife in der höchsten Blüte seiner Entwickelung steht, in Wahrheit nicht ermüdet.
Denn das Herz schlägt auch während der Ermüdung, der Atmungsrhythmus und alle Rhythmen gehen unbeschadet jeder Ermüdung vor sich, so daß die heutigen Zahlen des experimentellen Psychologen etwas anderes besagen, als was man heute gewöhnlich annimmt. Sie besagen, daß man viel zu wenig das rhythmische System berücksichtigt beim Kindesunterricht. Das rhythmische System wird aber unmittelbar von der Seele aus angeregt, wenn man künstlerisch, plastisch-künstlerisch oder musikalisch-künstlerisch den ganzen Unterricht gestaltet. Man wird dann schon bemerken, daß das Kind kaum ermüdet in erheblichem Grade gerade durch solchen Unterricht. Und der Lehrer sollte eigentlich ein sorgsames Auge dafür sich anschaffen, ob seine Kinder zu stark ermüden; er sollte sich einen gewissen Instinkt dafür anschaffen, ob die Ermüdung viel größer ist, als sie sein muß nach den bloß äußeren Bedingungen, daß die Klassenluft etwas schlechter ist, als sie sein sollte, daß die Kinder sitzen müssen durch Stunden, also die rein physischen Dinge, die den Stoffwechsel-Gliedmaßenorganismus in Anspruch nehmen.

systeem dat vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit op het toppunt van zijn ontwikkeling staat, in werkelijkheid niet moe wordt.
Want het hart klopt ook gedurende het moe-zijn, het ritme van de ademhaling en alle ritmen gaan ongehinderd door vermoeidheid, door, zodat de actuele cijfers van de experimentele psychologie iets anders laten zien dan wat men tegenwoordig gewoonlijk aanneemt. Ze laten zien dat we bij het onderwijs aan kinderen veel te weinig rekening houden met het ritmische systeem. Maar dit wordt direct gestimuleerd vanuit de ziel wanneer je het hele onderwijs kunstzinnig, beeldend-kunstzinnig of muzikaal-kunstzinnig inricht. Dan ga je al gauw zien dat het kind van zulke lessen niet moe wordt. En de leerkracht moet er eigenlijk op letten dat zijn leerlingen niet te moe worden; hij moet er een bepaald gevoel voor krijgen of de vermoeidheid veel groter is dan die zou moeten zijn, gelet op de uiterlijke dingen, dus of de lucht in de klas slechter is dan zou moeten of dat de kinderen uren lang moeten zitten, dus de puur fysieke dingen die op het stofwisselings-ledematensysteem betrekking hebben.

Dann wiederum muß das Kind denken. Wenn die Gedanken in leiser Weise nachklingen im Rhythmus, dann ermüden sie nicht allzu stark. Sie ermüden etwas, aber nicht allzu stark. Dasjenige, was für das Kind ganz besonders in Anspruch genommen werden muß als das körperliche Organ der Erziehung, des Unterrichtes, das ist eben das rhythmische System. Nun müssen wir in denjenigen Gegenständen, die nicht direkt auf das Künstlerische gerichtet sind, uns bemühen, den Unterricht so künstlerisch als möglich zu gestalten. Das
muß schon ganz ernst genommen werden, denn das ist das einzig wirkliche Mittel der Erziehung: das Künstlerische zwischen dem Zahn Wechsel und der Geschlechtsreife.
Ich habe gestern gesagt, dasjenige, was für dieses Lebensalter von ganz besonderer Wichtigkeit ist, ist, daß wir alles ins Bild verwandeln, entweder ins musikalische Bild oder ins plastische Bild. Nun könnten Sie natürlich finden, wie außerordentlich schwierig es ist in manchen Unterrichtsfächern, durch das Bild zu wirken. Verhältnismäßig leicht wird es sein, durch das Bild zu wirken, wenn man es mit der Geschichte

Het kind moet ook denken. Wanneer de gedachten subtiel naklinken in ritme, dan vermoeien die niet al te veel. Ze doen het wel, maar niet te veel. Waar we het kind bijzonder in moeten aanspreken, als het lichamelijke orgaan van opvoeding en onderwijs, is dus het ritmische systeem. Nu moeten we voor de vakken die niet meteen gericht zijn op het kunstzinnige, ons best doen, deze zo kunstzinnig mogelijk vorm te geven. Dat moeten we heel serieus nemen, want het kunstzinnige tussen de tandenwisseling en de puberteit is het enige echte opvoedingsmiddel.
Gisteren heb ik gezegd dat het voor deze leeftijd heel erg belangrijk is dat we alles omvormen tot beeld, of het nu het muzikale is of het plastische. Nu zou je natuurlijk kunnen vinden dat het voor sommige vakken uiterst moeilijk is om vanuit het beeld te werken. Betrekkelijk eenvoudig is het om door het beeld te werken als het om geschiedenis gaat,

Blz. 91

zu tun hat, wo man dasjenige, was man schildert, zum Bilde gestalten kann; verhältnismäßig leicht wird es in diesem oder jenem Fache wie zum Beispiel in der Naturgeschichte sein, wo man auch dasjenige, was man dem Kinde beibringen will, möglichst ins Bild bringen soll. Schwieriger wird man dies in anderen Fächern finden. In den Sprachen zum Beispiel wird es nicht so schwierig sein, die Dinge ins Bild zu bringen, wenn man überhaupt einen gewissen Wert darauf legt, das Bildhafte der Sprache im Unterricht zu berücksichtigen. Man sollte eigentlich keine Gelegenheit versäumen, schon bei zehn-, elf-, zwölfjährigen Kindern darauf zu sehen, wie Sätze sich gliedern, sagen wir zum Beispiel ein dreigliedriges Satzgefüge meinetwillen aus dem Hauptsatz, dem Relativsatz, dem Bedingungssatz. Nicht wahr, das Grammatische daran, das ist ja nicht die Hauptsache; es soll von uns nur als Mittel behandelt werden, um zum Bilde zu kommen, aber wir sollten nicht versäumen, dem Kinde, ich möchte sagen, sogar eine räumlich-anschauliche Vorstellung zu geben von einem Haupt- und einem Relativsatz.

waarbij je dat wat je schetst, beeldend kan brengen; betrekkelijk eenvoudig zou het in het ene of andere vak kunnen zijn, zoals bijv. bij het vertellen over de natuur, daarbij kan je wat je wil vertellen zoveel mogelijk als beeld geven. Moeilijker wordt het bij andere vakken. Bij de talen hoeft het ook nog niet zo moeilijk te zijn, als je er tenminste een beetje waarde aan hecht, rekening te houden met het beeldende van de taal. Eigenlijk zou je bij tien-, elf-, twaalfjarige kinderen geen gelegenheid voorbij moeten laten gaan om ze er attent op te maken hoe zinnen opgebouwd zijn, laten we zeggen een driedelige zin die uit een hoofdzin, een bijzin en een voorwaardelijke zin bestaat. Het grammaticale daarbij is niet direct de hoofdzaak; dat gebruiken we als middel om tot het beeld te komen, maar we moeten niet verzuimen het kind, laat ik zeggen een ruimtelijk-aanschouwelijke voorstelling te geven van een hoofd- en een bijzin.

Man kann das natürlich in der verschiedensten Weise erreichen. Man läßt den Hauptsatz einen großen Kreis sein, den Relativsatz einen kleinen Kreis, der vielleicht exzentrisch steht – ohne zu theoretisieren dabei, indem man im Bilde bleibt -, und man läßt den Bedingungssatz, den Wenn-Satz, so anschaulich werden, daß man etwa, sagen wir, Strahlen gegen den Kreis heranführt als die bedingenden Faktoren. Es ist nicht nötig, daß man diese Dinge übertreibt, aber es ist wirklich das nötig, daß man nach guter Vorbereitung seines Lehrstoffes immer wieder und wiederum doch auf diese Dinge zurückkommt. Und man sollte schon bei zehn-, elf-, zwölfjährigen Kindern auf das, ich möchte sagen, Moralisch-Charakterologische der Bildhaftigkeit im Stil eingehen. Nicht daß man da schon Stillehre haben soll. Wo die stehen soll in unserem Unterricht, haben wir ja gestern besprochen. Sondern es soll mehr aus dem innerlich Intuitiven heraus die Sache erfaßt werden.
Man kann da sehr weit kommen. Man kann zum Beispiel das einzelne
Lesestück, also nicht die pedantischen Lesestücke, die in unseren Lesebüchern sind, sondern das, was man sich wirklich sorgfältig zurichtet, man kann es auf das Temperament hin behandeln. Man kann sprechen nicht vom Inhalte, aber von einem melancholischen Stil, von einem

Dat kan je natuurlijk op de meest uiteenlopende manieren bereiken. Je laat de hoofdzin een grote cirkel zijn, de bijzin een kleine die misschien excentrisch ligt – zonder daarbij te theoretiseren – als je in het beeld blijft en je laat de voorwaardelijke zin, de ‘als’-zin zo aanschouwelijk worden, dat je zoiets als stralen tegen de cirkel zet als de voorwaardelijke factoren.
Het is niet nodig dat je deze dingen overdrijft, maar het is wél nodig dat je na een goede voorbereiding van je lesstof steeds weer hierop terugkomt. En bij tien- elf-, twaalfjarige kinderen zou je al in kunnen gaan op het moreel-karakterologische van het beeld in de stijl. Niet dat je daar al een stijlleer nodig hebt. Gisteren hebben we al besproken waar die in ons onderwijs moet komen. Maar de zaak zou meer uit het innerlijk intuïtieve moeten komen. Dan kan je ver komen. Je kan bijv. een los stukje om te lezen, dus niet die belerende stukjes in onze leesboeken, heel zorgvuldig voorbereiden en dan kun je dat per temperament behandelen. Je hoeft het niet over de inhoud te hebben, maar over een melancholische stijl, over een

Blz. 92

cholerischen Stil. Also bitte ganz vom Inhalte dabei absehen, selbst vom
poetischen Inhalte absehen; ich meine da den Satzbau. Man braucht die Dinge nicht zu zerpflücken, das sollte man geradezu vermeiden; aber die Verwandlung ins Bild, die sollte man pflegen, wenn ich sage: ins Moralisch-Charakterologische. Man findet schon die Möglichkeit, da anregend auf die Kinder in dem 10., 11., 12., 13. Jahre zu wirken, wenn man selbst in der entsprechenden Weise sich hinbändigt, die nötigen Studien zu machen.
Sehen Sie, meine lieben Freunde, es soll ja niemandem etwas am Zeug geflickt werden, ich will nur etwas charakterisieren. Ich habe wiederum recht vielsagende, für mich vielsagende Studien machen können jetzt bei unserem Wiener Kongreß, wenn ich verglichen habe die Haltung, die Stilhaltung derjenigen, die gesprochen haben, sagen wir, aus Norddeutschland und derjenigen, die gesprochen haben als unsere Wiener, die hierher berufen worden sind. Ich habe mir immer gedacht, wenn wiederum der Baravalle kommt oder der Stein oder irgendein anderer Wiener, ob der wieder seinen Vortrag mit «Wenn» anfängt.

cholerische stijl. Dus a.u.b. daarbij helemaal afzien van de inhoud, zelfs van een poëtische; ik bedoel hier de zinsbouw. Je hoeft de dingen niet elkaar te plukken, dat zou je moeten vermijden; maar de omzetting naar een beeld moet je cultiveren, als ik zeg naar het morele en het karakterologische. Je vindt wel een mogelijkheid om op de kinderen van 10, 11, 12, 13, 14 jaar enthousiasmerend te werken, als je zelf maar op een adequate manier je inspant, het nodige te bestuderen.

Zie wat de lesstof taal betreft hierover b.v.Over de zinsbouw in klas 6

Kijk, beste vrienden, ik wil over niemand iets negatiefs zeggen, ik wil alleen iets karakteriseren. Ik heb ook echt veelzeggend, voor mij veelzeggend onderzoek kunnen doen bij ons congres in Wenen* toen ik de manier heb vergeleken waarop de mensen die gesproken hebben, laten we zeggen toen die uit Noord-Duitsland, zich presenteerden, hun houding, hun stijl, met onze mensen uit Wenen die hier gevraagd zijn. Ik heb altijd bij mezelf gedacht, als Baravalle** weer komt, of Stein of een andere persoon uit Wenen, of die zijn voordracht ook weer met ‘Als’  zal beginnen.

*bei unserem Wiener Kongreß: Zweiter internationaler Kongreß der anthroposophischen Bewegung vom 1. bis 12. Juni 1922 in Wien. Die Vorträge Rudolf Steiners sind abgedruckt und mit einem ausführlichen Anhang versehen in «Westliche und östliche Weltgegensätzlichkeit», GA 83.
.
bij ons Weense congres: Tweede internationale congres van de antroposofische beweging van 1 tot 12 juni 1922 in Wenen. De voordrachten van Rudolf Steiner zijn gedrukt en met een uitvoerige aanhangsel voorzien in ‘Westerse en Oosterse wereldtegenstellingen’, GA 83, (daaruit 1 voordracht vertaald)
.
**wenn wiederum der Baravalle kommt oder der Stein: Hermann von Baravalle (Wien 1898-1973 Wiesneck), Mathematiker und Physiker; von Rudolf Steiner als Lehrer an die Waldorfschule in Stuttgart berufen. Emigrierte nach Amerika, wo er als Professor für Mathematik an das Adelphi College in Garden City bei New York berufen wurde. –
Walter Johannes Stein (Wien 1891-1957 London).
Promovierte über «Die moderne naturwissenschaftliche Vorstellungsart und die Weltanschauung Goethes, wie sie Rudolf Steiner vertritt». Unterrichtete an der Stuttgarter Waldorfschule u.a. Geschichte und Literatur. Ging 1932 nach England, wo er vor allem als Vortragsredner tätig war.
.
als Baravalle weer komt of Stein: Hermann von Baravalle (Wenen 1898 – 1973 Wiesneck), wiskundige en natuurkundige, door Rudolf Steiner als leerkracht benoemd aan de vrijeschool in Stuttgart. Emigreerde naar Amerika waar hij als professor benoemd werd aan de Adelphi College in Garden City bij New York.
Walter Johannes Stein (Wenen 1891-1957 Londen). Promoveerde over: De moderne natuurwetenschappelijke manier van voorstellen en de wereldbeschouwing van Goethe zoals Rudolf Steiner deze vertegenwoordigt’. Gaf les aan de vrijeschool in Stuttgart, o.a. geschiedenis en literatuur. Ging in 1932 naar Engeland waar hij vooral voordrachten hield.
.

Die Norddeutschen und Schweizer, die fangen nicht mit «Wenn» an, die schmettern einen bedingungslosen, bejahenden Satz sogleich an erster Stelle heraus. Das ist so charakteristisch, und so müßte man auch selbst lernen die Dinge anzufassen, erstens damit man, wenn ich so sagen darf, von seinen eigenen Konditionen frei wird, und damit man in diesem Freiwerden auch eine
künstlerische Behandlung, die nicht pedantisch ist, eine künstlerische Behandlung eines jeglichen Lehrstoffes erreichen wird. Man kann, wenn man auf solche Dinge achtgeben lernt, eine künstlerische Behandlung jedes Lehrstoffes erreichen. Und ich möchte darauf hinweisen, daß es ganz außerordentlich bedeutsam ist, sich selbst in Künstlerisches so
hineinzufühlen, daß man auf Einzelheiten im Künstlerischen achtet, wenn man ein guter Lehrer sein will für Kinder vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife. Sehen Sie sich auch wiederum die Photo-

De Noord-Duitsers en Zwitsers beginnen niet met ‘als’, ze beginnen meteen met een onvoorwaardelijke bevestigende zin. Dat is zo karakteristiek en zo moet je ook zelf leren dingen aan te pakken, als eerste dat je vrij wordt van je eigen beperkingen en dat je hierdoor een kunstzinnige aanpak die niet schoolmeesterachtig is, een kunstzinnige aanpak van elk vak voor elkaar krijgt. En ik zou erop willen wijzen dat het buitengewoon belangrijk is om je zelf zo in het kunstzinnige met je gevoel in te leven dat je let op de details in het kunstzinnige, als je een goede leerkracht wil zijn voor de kinderen vanaf de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid.
Kijk ook eens naar de foto’s

Blz. 93

graphien* an; sehen Sie sich an, wie der Dr. Kolisko, wie der Walleen steht, und betrachten Sie das nicht mit einem deutenden, kommentierenden Sinn, sondern betrachten Sie das mit einem künstlerischen Sinn, so werden Sie sehen, wie Ihnen das ungeheuer viel gibt. Es ist ja sehr wichtig, solche Dinge nicht zu pressen; es kommt natürlich sofort ein Unsinn heraus, wenn man mit dem Verstände ein Urteil abgibt, daß jemand immer eine Mappe in einer bestimmten Handlage hält und dergleichen. Wenn man es aber mit künstlerischem Sinne erfaßt, kommt etwas heraus, was nicht ganz in Worte gefaßt werden kann, was einem aber in ungeheuer bedeutsamer Weise das Künstlerische in die Glieder gießt, was man gerade als Pädagoge braucht. Es kommt sehr viel darauf an, daß man sich selber in die Lage bringt, die Dinge ins Bild zu verwandeln, denn das Bild bringt die Dinge, die wir dem Kinde beibringen wollen, eben tatsächlich an den Menschen heran.
Mit demjenigen, was wir nachgehend unserer eigenen wissenschaftlichen Bildung, die wir ja aufgenommen haben und die uns immer entgegentritt, wenn wir uns vorbereiten – die Bücher, aus denen wir uns vorbereiten, enthalten ja lauter Scheußlichkeiten -, beschweren wir uns mit etwas, was wissenschaftliche Systematik ist, und wenn wir nicht Zeit genug haben, das Ganze wiederum loszukriegen

kijk eens hoe Dr. Kolisko,* hoe Walleen staat en kijk er niet naar met de bedoeling iets te verklaren of commentaar te leveren, maar kijk ernaar met een kunstzinnige blik, en dan zal je zien dat dit je veel oplevert. Het is heel belangrijk bij dit soort dingen niet te forceren; het wordt natuurlijk meteen onzin wanneer je met je verstand een oordeel geeft over dat iemand altijd op een bepaalde manier een map vasthoudt e.d. Wanneer je dat echter met een kunstzinnige blik aanziet, komt er iets uit wat je niet helemaal in woorden kan kleden, wat voor iemand echter op een heel belangrijke manier het kunstzinnige, handen en voeten geeft, wat je met name als pedagoog nodig hebt. Het komt er heel erg op aan dat je je erop toelegt de dingen in een beeld te veranderen, want het beeld brengt de dingen die wij het kind willen aanleren, pas echt bij de mens. Als we ons voorbereiden, doen we dat steeds vanuit onze eigen wetenschappelijke opleiding waarmee we voortdurend te maken hebben – de boeken waarmee we ons voorbereiden bevatten vrijwel alleen maar de meest vreselijke dingen – dat alles belast ons met een wetenschappelijke systematiek en wanneer we niet genoeg tijd hebben om van alles los te komen,

Sehen Sie sich an, wie der Dr. Kolisko, wie der Walleen steht: Foto oben: Das
Veranstaltungsgremium des West-Ost-Kongreßes in Wien 1922. Von links
nach rechts, vordere Reihe: Alexander Strakosch, Ernst Uehli, Dr. Carl Unger,
Dr. Walter Johannes Stein, Dr. Eugen Kolisko (mit Mappe); hintere Reihe:
Dr. Alfred Zeissig, Emil Leinhas, Dr. Ludwig Noll, Ludwig Graf von PolzerHoditz, Otto Graf von Lerchenfeld.
Foto unten: Teilnehmer am West-Ost-Kongreß in Wien 1922. Vordere Reihe,
zweiter von links (mit Stock und Hut): Alfons Freiherr von Walleen-Bomemann. Siehe Bildband IV zum Lebensgang Rudolf Steiners, «Das Wirken Rudolf Steiners 1917-1925», hg. von Heinz Herbert Schöffler, Dornach 1987, S. 152.

Kijk eens hoe Dr. Kolisko, hoe Walleen staat: Foto boven: het organisatiecomité van het West-Oostcongres in Wenen 1922. V.l.n.r. voorste rij: Alexander Strakosch, Ernst Uehli, Dr. Carl Unger. Dr. Eugen Kolisko (met map), achterste rij: Dr. Alfred Zeissig, Emil Leinhas, Dr. Ludwig Noll, Ludwig Graf von PolzerHoditz, Otto Graf von Lerchenfeld.

Foto onder: deelnemers aan het congres. Voorste rij v.l.n.r.: (met stok en hoed): Alfons Freiherr von Walleen-Bomemann. Zie fotoboek IV over de levensloop van  Rudolf Steiner, «De activiteit van Rudolf Steiner 1917-1925», uitgegeven door Heinz Herbert Schöffler, Dornach 1987, S. 152. (niet vertaald)

wenn wir uns für irgendeine Stunde vorbereiten, so müssen wir ja ein heutiges
Buch nehmen, in dem die Dinge wissenschaftlich angeordnet sind -, dann spukt das in unseren Köpfen. Tragen wir das dann an die Kinder heran, so ist das etwas, was nicht geht. Und wir müssen uns klar sein darüber, daß uns das selbst große Schwierigkeiten macht, daß heute sich bis in die Vorbereitungsbücher, die wir benützen können, die wissenschaftliche Systematik, nicht die menschliche Systematik, hineingeschlichen hat. Von dem müssen wir uns also absolut frei machen. Wir müssen alles, was wir in die Schule hineintragen für dieses Lebensalter, durchaus frei kriegen von aller wissenschaftlichen Systematik.
Und da ist es gut, sich etwas zu erinnern an Zeiten, in denen man allerdings ältere Kinder, ältere junge Menschen so unterrichtet hat, daß man es überhaupt selbstverständlich gefunden hat, daß nicht an den Kopf appelliert wird, sondern an den ganzen Menschen. Man

wanneer we ons voorbereiden voort een of ander lesuur, moeten we een boek uit deze tijd pakken waarin de dingen wetenschappelijk gerubriceerd zijn – dan spookt dat nog door onze hoofden. Als we dat de kinderen dan bij willen brengen, gaat dat niet. En het moet duidelijk zijn voor ons dat we er zelf grote  problemen mee krijgen dat tegenwoordig in de boeken ter voorbereiding die we kunnen gebruiken, de wetenschappelijke systematiek binnengeslopen is, niet de menselijke. Hiervan moeten we ons absoluut bevrijden. We moeten alles wat we op school aan deze leeftijdsfase geven, zeer beslist vrij maken van allerhande wetenschappelijke systematiek. En dan is het goed eens te denken aan de tijden waarin men vanzelfsprekend oudere kinderen, oudere jonge mensen zo les gaf dat men het vanzelfsprekend vond dat niet het hoofd werd aangesproken, maar de hele mens. 

Blz. 94

braucht sich nur an jene mittelalterliche Trainierung erinnern: Grammatik, Rhetorik, Dialektik, wo es nicht darauf ankam, das oder jenes beizubringen, sondern das Kind dazu zu bringen, daß es sich ausdrücken kann in einem Satz, der grammatikalisch richtig ist. Man hat da nicht Grammatik gelehrt, sondern dem Kinde die Möglichkeit geboten, so bildhaft zu denken, daß seine Sätze bildhaften Charakter haben.
Dann, nicht wahr, Rhetorik: das Kind sollte sich gewöhnen, die Schönheit des Wortes in seiner Gestaltung zu empfinden; Dialektik: das Kind sollte sich gewöhnen, den Gedanken in sich frei zu kriegen und so weiter; da kam es auf das Können hinaus. Und im Grunde genommen muß es auch bei den seelischsten Dingen vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife auf das Können hinauskommen. Das Können wird aber nur erreicht in diesem Alter, wenn man alles bis zum Bilde bringt.
Nun, da spielen die Nebensächlichkeiten zuweilen eine außerordentlich große Rolle. Es ist zum Beispiel wirklich etwas anderes, ob man, sagen wir, wenn man Mathematik vorbringt, eine Zeile von Buchstaben, die breiter ist, anordnet, und dann auf sie folgen läßt eine andere, die kürzer ist, ob man die nun an den Anfang oder in die Mitte stellt.

Je hoeft alleen maar aan die Middeleeuwse opleiding te denken: grammatica, retorica, dialectica, waarbij het er niet op aankwam dit of dat aan te leren, maar het kind zover te brengen dat het zich in een zin kon uitdrukken die grammaticaal juist is. Men leerde daar geen grammatica aan, maar het kind werd de gelegenheid geboden zo beeldend te denken dat zijn zinnen een beeldend karakter hadden.
En retorica: het kind moest eraan gewend raken de schoonheid van het woord in zijn hoedanigheid te ervaren; dialectica: het kind moest het tot gewoonte maken vrije gedachten te ontwikkelen enz.; dan kwam het aan op kunnen. In de grond van de zaak moet het bij het gevoel tussen tandenwisseling en puberteit ook om het kunnen gaan. Op deze leeftijd wordt dit alleen bereikt, wanneer je alles in het beeld brengt.
Maar, dan spelen bijzaken af en toe een buitengewoon grote rol. Het is b.v. echt iets anders of je bij wiskunde een rij letters geeft die langer is en die laat volgen door een andere die korter is of dat je die aan het begin of in het midden zet.

Man kann aus dem, was eine Rechnungsoperation ist, zuletzt ein Bild machen, das die Schüler vor sich haben, und auf so etwas einen gewissen Wert legen, daß auch, was man auf die Tafel schreibt, ein Bild wird; daß selbst in den Nebensächlichkeiten diese Dinge durchaus berücksichtigt werden. Manchmal ergeben sich Gelegenheiten, das Bild aus einer ganz besonderen Ecke des Lebens, möchte ich sagen, herauszubringen. Mathematische Formeln oder Formelfolgen lassen sich manchmal durch Figuren umgrenzen, welche direkt als schön empfunden werden können. Solche Gelegenheiten sollten wir nicht vorbeigehen lassen. Es ist Sund und Schade, wenn wir solche Gelegenheiten
vorbeigehen lassen, wo man irgend etwas anschaulich machen kann, was vielleicht nur eine Art unnötige Ranke für denjenigen ist, der nur in philiströs-logischer Art zu denken vermag. Die philiströs-logische Art, die sollen wir allmählich für dieses Lebensalter – wenn ich mich so ausdrücken darf – aus unserer Seele herausimpfen. Wir impfen sie heute viel zu sehr immer mehr und mehr ein. Wir sollten sie herausimpfen; wir sollten mit aller Gewalt auf das Imaginative oder auf das

Je kan van een rekenoperatie uiteindelijk wel een beeld maken* dat de leerlingen voor zich zien en daar een bepaalde waarde aan hechten, dat ook wat je op het bord schrijft, beeld wordt; dat zelfs bij de bijzaken met deze dingen rekening gehouden wordt. Soms doen zich gelegenheden voor om het beeld vanuit een bijzondere hoek van het leven te halen. Wiskundige formules of formule-opeenvolging kunnen soms door figuren omgrensd worden die meteen als mooi worden ervaren. Die gelegenheden moet je niet voorbij laten gaan. Het zou heel jammer zijn wanneer we díe gelegenheden voorbij zouden laten gaan, waarbij je iets aanschouwelijk kan maken wat voor degene die alleen pietluttig logisch kan denken, slechts franje is. Die manier van denken moeten we gaandeweg voor deze leeftijdsfase wel uit onze ziel bannen. We enten ons er vandaag de dag veel te veel steeds meer mee in. We moeten het uitbannen; we moeten met alle kracht naar het imaginatieve of

*Zie b.v. ‘Rekenen moet plezier geven’
Levendige uitbeelding van een getallenrij
Tafelsterren

Blz. 95

Musikalische hinarbeiten, und kommen dann für dieses Lebensalter
dem Rhythmus eigentlich bei.
Und nun sollen wir uns nicht der Erkenntnis verschließen, daß wirklich Imponderabilien in der Totalität des Unterrichtes eine große Rolle spielen. Sehen Sie, wir haben in unseren allerersten pädagogischen Kursen hier in einer pädagogischen Beziehung von den vier Temperamenten gesprochen.* Diese vier Temperamente bei den Kindern tatsächlich fortwährend zu studieren, das ist eigentlich in jeder Beziehung die Aufgabe des Pädagogen; sie so zu studieren, daß er sie auch fortwährend berücksichtigt. Denn, ich möchte sagen, in der richtigen Behandlung der Temperamente der Kinder seiner Klasse spielt sich das richtige Karma einer Klasse ab. Solch eine Klasse ist ja doch zusammen; es sind Seelen, die zusammen sind. Indem sie zusammen mit dem Lehrer und unter sich selber arbeiten, spielt sich ein Stück ihres Lebenskarmas ab. Da spinnen sich alle möglichen Lebensfäden an, aber ein Stück Karma spielt sich ab; namentlich sehr stark zwischen dem 7. bis 14. Jahre spielt sich ein Stück Karma ab.

muzikale toewerken en dan werken we voor deze leeftijd eigenlijk aan het ritme.
En we moeten ons er niet voor afsluiten dat er ook echt onweegbare dingen in het geheel van het lesgeven een grote rol spelen.
We hebben in onze allereerste pedagogische cursussen hier in pedagogisch verband over de vier temperamenten gesproken*. Daadwerkelijk voortdurend bij de kinderen deze vier temperamenten te bestuderen is eigenlijk in elk opzicht de opdracht van de pedagoog; deze zo te bestuderen dat hij er ook voortdurend rekening mee houdt. Want bij een juiste aanpak van de temperamenten van de kinderen in zijn klas, speelt zich het ware karma van een klas af. Zo’n klas zit toch bij elkaar; er zitten zielen bij elkaar. Als ze zo samen met de leerkracht en onder elkaar bezig zijn, speelt zich een deel van hun levenskarma af. Daar worden allerlei levensdraden aaneen gesponnen, maar er speelt zich een deel van het levenskarma af; met name zeer sterk tussen het 7e tot het 14e levensjaar.

*wir haben … von den vier Temperamenten gesprochen: Siehe Rudolf Steiner
«Erziehungskunst. Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge», GA 295 , insbesondere die «Seminarbesprechungen» 1-5.
.
*we hebben…over de vier temperamenten gesproken. Zie Rudolf Steiner ‘De praktijk van het lesgeven GA 295, vooral hoofdstuk 1 – 5. Vertaald: GA 295: Praktijk van het lesgeven
.

Und, wie die einzelnen Temperamente in dieses Karma hineinarbeiten, das ist dasjenige, was wir berücksichtigen sollten. In dieser Beziehung kann uns die Klasse – indem wir das den leisen Unterton sein lassen unseres pädagogischen
Wirkens – fortwährend Gegenstand der inneren Apercus sein. Und man sollte namentlich nicht es dazu kommen lassen, daß in irgendeiner Klasse schlafende, mitschlafende Schüler da sind. Ich verstehe jetzt unter mitschlafenden Schülern diejenigen, die nur halb oder drei Viertel oder ein Viertel während des Verlaufes der Stunde mit ihrem ganzen Menschen mitarbeiten. Es kann vorkommen, daß immer wiederum dieselben paar Begabteren, wie man sie gewöhnlich nennt – sie sind es nicht immer -, aufzeigen und die anderen bleiben schläfrig sitzen.
Dann spielt sich eigentlich die Stunde in Lebendigkeit ab mit ein paaren, und die anderen sind eigentlich immer eine Art Statisten, und das ist dasjenige, was absolut vermieden werden muß. Denn natürlich beruht dieses Statistwerden oder Schwätzerwerden – es ist nicht so schlimm gemeint jetzt -, das beruht natürlich auch auf anderen Momenten. Aber es beruht durchaus auch auf der Gegensätzlichkeit der Temperamente. Es gibt natürlich solche unter den Schülern, die ein,

En we zouden rekening moeten houden met hoe de individuele temperamenten van invloed zijn op dit karma. Wat dat betreft kan de klas voor ons voortdurend onderwerp zijn van innerlijk waarnemen, wanneer we dit in ons pedagogisch werk als een subtiele ondertoon laten meeklinken. En je zou het niet zo ver moeten laten komen, dat in welke klas dan ook, er slapende leerlingen zitten. Ik versta onder slapende leerlingen zij die half of driekwart of een kwart tijdens het verloop van de les zich met hun hele zijn inzetten. Het kan voorkomen dat steeds dezelfde paar begaafden zoals ze gewoonlijk worden genoemd – dat zijn ze niet altijd – hun hand opsteken en de anderen blijven slaperig zitten.
Dan verloopt het uur eigenlijk levendig voor een paar en de anderen vormen steeds een soort statische groep en dat zou absoluut vermeden moeten worden. Want natuurlijk berust dit statische of het gaan kletsen – dat bedoel ik nu niet zo ernstig – ook op andere factoren. Maar het berust beslist ook op de tegenstellingen van de temperamenten. Onder de leerlingen bevinden er zich natuurlijk die 

Blz. 96

sagen wir, sanguinisches Temperament haben oder gar ein cholerisches
Temperament, die werden fortwährend aufzeigen, und man wird sich fortwährend mit ihnen beschäftigen, wenn man nicht besonders pädagogisch achtgibt; und es gibt andere, die mehr Melancholischen, Phlegmatischen, die werden dann zu den Statisten. Das ist absolut zu vermeiden, weil wir ja die größte Wohltat den etwas schneller denkenden und etwas leichter schwätzenden Schülern verleihen, wenn wir diejenigen, die langsamer denken und die nicht geneigt sind, so schnell den Mund aufzumachen, veranlassen, immer alles mitzumachen, auch mitzureden, mitzuarbeiten und so weiter. Es ist das durchaus notwendig, daß wir diese Unbequemlichkeit mitmachen. Wir werden dann das Gefühl haben, daß wir vielleicht eine kurze Zeit einmal weniger schnell vorwärtskommen, als wenn wir die Statisten sich selbst überlassen; aber auf die Dauer wird es sich doch anders erweisen. Auf die Dauer wird sich erweisen, daß wir vor allen Dingen auf das gedächtnismäßige Behalten der Kinder dadurch ungeheuer stark wirken, daß wir keine Statisten zulassen. Dasjenige, was das Berechtigte am Gedächtnis ist, das wird im wesentlichen dadurch unterstützt, daß wir keine Statisten zulassen.

laten we zeggen, een sanguinisch temperament hebben of zelfs een cholerisch temperament en die steken voortdurend hun hand op en met hen ben je voortdurend bezig wanneer je niet bijzonder pedagogisch oplet; en er zijn anderen, die meer melancholisch, flegmatisch zijn en die worden dan de stilzitters. Dat moeten we in elk geval vermijden, omdat het voor de wat sneller denkende kinderen en die iets sneller gaan kletsen, de grootste weldaad is, wanneer we de kinderen die langzamer denken en die niet geneigd zijn zo snel hun mond open te doen, stimuleren steeds met alles mee te doen, ook mee te praten, mee actief te zijn enz. Het is absoluut nodig dat wij dit ongemak ervaren. Dan kunnen we het gevoel krijgen dat we misschien een korte tijd eens minder snel verder komen dan wanneer we de stillen aan hun lot overlaten; maar op den duur zal er toch iets anders blijken. En wel dat we er boven alles sterk aan werken dat de kinderen iets onthouden door geen stilzitters te accepteren. Wat legitiem is aan het geheugen wordt in wezen ondersteund doordat we geen stilzitters accepteren.

Und so möchte ich sagen, hängt die Möglichkeit, recht bildhaft zu wirken, von der Wirksamkeit auch dieser Imponderabilien ab. Wir werden erfahrungsgemäß sehen, wenn wir alle Temperamente, alle Arten von Anlagen einer Klasse sich wirklich ausleben lassen, daß wir für das Alter vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife viel eher zu einer in dem Seelischen sitzenden Bildhaftigkeit kommen, als wenn wir das nicht tun. Es ist natürlich eine gewisse, ich möchte sagen, starke Hingabe an den Unterricht notwendig, wenn man die Dinge, die man zu bringen hat, wirklich immer mit der Rücksicht bringen soll, daß sie zum Bildhaften werden; aber man sollte dennoch für dieses Lebensalter niemals eine Schulstunde schließen, ohne daß man dem Kinde etwas Bildhaftes mitgibt. Diejenigen, die von vornherein etwa malen können mit den Kindern, die haben es ja natürlich in dieser Beziehung leichter; aber dafür wirken auch um so mehr diejenigen auf die Kinder, die, sagen wir, zum Beispiel bei den Sprachen oder beim Rechnen Bildhaftes den Kindern mitgeben. Und es gibt eigentlich im Grunde

En zo hangt de mogelijkheid om echt beeldend te werken van de werkzaamheid ook van dit imponderabele af. We zullen ervarend zien dat wanneer we alle temperamenten, elke vorm van aanleg van een klas zich werkelijk laten uiten , we voor de leeftijd vanaf de tandenwisseling tot de puberteit veel eerder tot beeldvorming komen die in het gevoel leeft, dan wanneer we dat niet doen. Er is natuurlijk een zekere sterke toewijding voor het onderwijs nodig als je deze dingen die je hebt te doen, daadwerkelijk steeds geven wil met de overweging dat ze beeldend worden; maar je mag toch nooit voor deze leeftijd een lesuur afsluiten, zonder dat je het kind iets beeldends hebt meegegeven. Wie vanaf het begin al iets met de kinderen heeft kunnen schilderen, heeft het wat dit betreft wat makkelijker; maar des te meer gaat er uit naar de kinderen van wie bij taal of bij rekenen iets beeldends aan hen meegeeft. En in de grond van de zaak

Blz. 97

genommen keine andere wirkliche Vorbereitung für dieses Wirken in
Bildhaftigkeit für den Pädagogen, als dasjenige, was ich andeutete: unseren Beobachtungssinn für das Leben so zu verschärfen, daß wir in aller Objektivität eingehen auf dasjenige, was das Leben so offenbart, namentlich auch am Menschen offenbart. Es müßte eigentlich gerade unter Pädagogen eine gesunde künstlerische Physiognomik, nicht nur Physiognomik für Menschen, sondern zum Beispiel auch Physiognomik des Tierischen wieder aufleben, eine gesunde, nicht etwa die sentimentale Lavatersche* Physiognomik und dergleichen, sondern eine gesunde Physiognomik, wo das Bildhafte aufgesucht wird, ohne daß man bis zur Abgeschlossenheit des Begriffes geht, daß man im Bilde bleibt, zufrieden ist damit, wenn man die Dinge bis zum Bilde gebracht hat, es müßte eine solche gesunde Physiognomik wiederum aufleben, und sie wird dann schon von selber in allerlei Vornahmen, in allerlei Prozesse, die der Lehrer während der Unterrichtsstunde entwickelt, eben übergehen. Nirgends so sehr soll ja gesehen werden auf das Wie und nicht so sehr auf das Was, als gerade beim Unterricht und der Erziehung.

principieel gesproken, is er voor de pedagoog geen andere echte voorbereiding voor dit werk met het beeldende dan wat ik aangaf: ons waarnemingsorgaan voor het leven zo te verfijnen dat wij in alle objectiviteit in kunnen gaan op wat het leven zoal laat zien, met name aan de mens. Er zou eigenlijk weer onder m.n. pedagogen een gezonde fysionomie, niet alleen maar een voor de mens, maar b.v. ook een voor de dieren, in het leven geroepen moeten worden, een gezonde fysionomie, niet zo’n sentimentele als die van Lavater* enz., maar een gezonde, waarbij naar het beeldende wordt gezocht, zonder tot een afgerond begrip te komen, dat je bij het beeld blijft, dat je tevreden bent dat je tot een beeld bent gekomen, zo’n gezonde fysionomie zou weer moeten ontstaan en dan natuurlijk omgezet in allerlei activiteiten, in allerlei processen die de leerkracht tijdens de les ontwikkelt. Nergens zou zo goed gekeken moeten worden naar het ‘Hoe’ en niet zozeer naar het ‘Wat’, als juist bij onderwijs en opvoeding.

*die sentimentale Lavatersche Physiognomik: Das von Johann Kaspar Lavater
(1741-1801) verfaßte Werk «Physiognomische Fragmente zur Beförderung der
Menschenkenntnis und Menschenliebe» erschien in den Jahren 1775-1778.
Goethe hatte die Herausgabe sehr gefördert und sogar eigene Beiträge dazu
geliefert. In seinen Einleitungen zu Goethes Naturwissenschaftlichen Schriften
geht Rudolf Steiner ausführlich auf Lavater ein. Siehe Rudolf Steiner «Goethes
Naturwissenschaftliche Schriften», GA 1, Kap. III «Die Entstehung von Goethes
Gedanken über die Bildung der Tiere».
.
*zo’n sentimentele als die van Lavater: het door Johann Kaspar Lavater
(1741-1801) geschreven werk ‘Fysionomische fragmenten om de mensenkennis en mensenliefde te bevorderen, verscheen in de jaren 1775-1778. Goethe had de uitgave zeer gesteund en daarbij zelfs eigen bijdragen geleverd. In zijn inleidingen tot Goethes natuurwetenschappelijke geschriften gaat Rudolf Steiner uitvoerig op Lavater in. Zie Rudolf Steiner GA 1, hoofdstuk 3 ‘Het ontstaan van Goethes gedachten over het ontstaan van de dieren’. Niet vertaald.
.

Es kommt eben durchaus nicht auf das Was an, sondern durchaus darauf, daß das Was in einem gewissen Wie, in einer gewissen Art innerhalb des Unterrichtes auftaucht. Und es gibt keinen größeren Feind für den Lehrer als eine nicht vollendete Vorbereitung, denn die veranlaßt ihn immer, beim Was stehenzubleiben; währenddem eine vollendete Vorbereitung immer dazu führt, daß man von dem Was zu dem Wie übergeht, daß man selber seine Freude daran hat, wenn man sieht, wie man das dem Kinde zubereiten kann, wie man es gestaltet vor dem Kinde, indem einem die Gestaltung selber erst geworden ist wie eine Eingebung und dergleichen. Wir sollen nicht zurückschrecken, wenn wir in dieser Beziehung oftmals selbst Unverständliches an die Kinder heranbringen. Unverständliches, das die Kinder auf unsere Autorität hin – und für die Kinder zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife entscheidet ja die Autorität – annehmen, den Kindern beigebracht, ist besser als Triviales, das ihnen verständlich ist, und das sie aus ihrem eigenen Intellekt heraus begreifen.
Das sind durchaus, ich möchte sagen, feinere Nuancen dessen, was der Lehrer, der Erzieher mit seinem eigenen Seelenleben anfangen soll.

Het komt helemaal niet aan op het ‘Wat’, maar wel dat het ‘Wat’ in een bepaald ‘Hoe’ op een bepaalde manier in het onderwijs tevoorschijn komt. En voor de leerkracht is er geen grotere vijand dan een voorbereiding die niet klaar is, want die zet hem altijd aan om bij het ‘Wat’ te blijven staan; terwijl een afgemaakte voorbereiding er altijd toe leidt, dat je van het ‘Wat’ naar het ‘Hoe’ overgaat, dat je er zelf plezier aan beleeft, wanneer je ziet hoe je het voor het kind gaat doen, hoe je het voor het kind vorm gaat geven, als die vorm zelf pas ontstaan is als een ingeving of iets dergelijks. We moeten er niet voor terugschrikken, wanneer we wat dit betreft iets aan de kinderen geven wat ze nog niet begrijpen. Wat nog niet begrepen wordt en wat de kinderen op ons gezag aannemen – en voor de kinderen tussen de tandenwisseling en de puberteit beslist de autoriteit – en hen bijgebracht wordt, is beter dan het alledaagse dat ze wel begrijpen en dat ze vanuit hun eigen intellect kunnen vatten.
Dat zijn zeer zeker fijnere nuances van wat de leerkracht, de opvoeder met zijn eigen zielenleven moet gaan doen.

Blz. 98

Sie werden, wenn Sie vielleicht noch einmal den Weihnachtskurs über Erziehung ansehen, bemerken, daß da eigentlich überall Wert darauf gelegt ist, die Frage zu beantworten: Wie gestalten wir das Hüllenhafte des Menschen, den physischen Leib, den Ätherleib? – nicht, wie gestalten wir die Individualität? Die gestaltet sich dann schon von selber.
Wenn man sagt: Wie gestaltet man den physischen Leib? -, so ist das so, daß heute in einem materialistischen Zeitalter die Menschen eben keine Ahnung davon haben, daß man den physischen Leib durch die geistig-seelischen Vornahmen, geistig-seelischen Prozesse, die man beim Unterricht entwickelt, eben gestaltet.
Nehmen wir zum Beispiel an, ein Kind stolpert über seine eigenen Worte, findet das nächste Wort nicht. Sehen Sie, beim Kinde, bevor es die Geschlechtsreife erreicht hat, ist dieses Stolpern über seine eigenen Worte eine Eigenschaft, die noch in der physischen Leiblichkeit im oberen Menschen begründet ist. Der obere Mensch ist ja der Mensch in physischer Beziehung, der seine hauptsächliche Entwicklung in der ersten und gar in der kindlichen Lebensperiode durchmacht.

Als je misschien nog eens naar de kerstcursus over opvoeding kijkt, zul je merken dat overal de nadruk ligt op het beantwoorden van de vraag: Hoe geven we vorm aan de omhulling van de mens, het fysieke lichaam, het etherische lichaam? – niet: hoe geven we vorm aan individualiteit? Die geeft zichzelf dan wel vorm.
Als je zegt: Hoe geef je het fysieke lichaam vorm? – dan is het zo dat mensen vandaag de dag, in een materialistische tijd, er geen idee van hebben dat je het fysieke lichaam vormt door de spiritueel-psychische activiteit, spiritueel-psychische processen die je ontwikkelt tijdens het lesgeven.
Laten we bijvoorbeeld zeggen dat een kind over zijn eigen woorden struikelt en het volgende woord niet kan vinden. Zie je, bij het kind is dit struikelen over zijn eigen woorden, voordat het de geslachtsrijpheid heeft bereikt, een kenmerk dat nog geworteld is in het fysieke lichaam van de boven-mens. De boven-mens is de mens die wat het fysieke betreft, zijn voornaamste ontwikkeling doormaakt in de eerste fase, met name in de kindertijd van het leven.

Wenn Sie die Möglichkeit finden, das richtige Tempo herauszufinden für dasjenige, was Sie das Kind singen lassen, erzählen lassen, das richtige Tempo zu gewinnen für einen solchen, der uns da warten läßt, wenn er von einem Worte zum anderen den Übergang suchen soll, dann sind Sie in der Lage, dieses beim Kinde bis zur Geschlechtsreife durchaus vom Seelischen aus zu kurieren. Sie schaffen eine leibliche Hemmung weg. Haben Sie es vom Leiblichen nicht weggebracht bis zur Geschlechtsreife, dann haben Sie sein Gegenbild ausgebildet im Stoffwechsel-Gliedmaßensystem, dann ist es zu einer Eigenschaft der Gedärme geworden, dann kriegen Sie es nicht wieder heraus. Dann hilft
Ihnen alles nichts, was Sie im gewöhnlichen Sinne anstellen als geistige
Übungen. Die müssen so stark angestellt werden, daß sie das Verdauungssystem beeinflussen, und das ist natürlich nicht immer möglich, daß man das, ich möchte sagen, allgemein einführt. Das würde zum Mißbrauch von gewissen Übungen führen. Aber beim Kinde ist es so, daß wir sorgfältig beobachten müssen, ob es unternormal langsam von einem Worte zum anderen, von einem Gedanken zum anderen übergeht. Und beim Kinde können wir noch den Leib gesund machen. Wir

Als je de mogelijkheid vindt om het juiste tempo te vinden voor wat je het kind laat zingen, laat vertellen, het juiste tempo te pakken te krijgen voor iemand die ons laat wachten als hij de overgang moet zoeken van het ene woord naar het andere, dan ben je in staat dit bij het kind tot aan de puberteit vanuit de ziel te verbeteren. Je ruimt een lichamelijke blokkade op. Als je het niet uit het fysieke lichaam hebt gekregen voordat het geslachtsrijp is, dan heb je de tegenhanger in het stofwisselings-ledemaatsysteem ontwikkeld, dan is het een eigenschap van de darmen geworden, dan krijg je het niet meer weg. Dan helpt het allemaal niets wat je in de gewone zin gebruikt als geestelijke oefeningen. Die moeten zo sterk zijn dat ze het spijsverteringsstelsel beïnvloeden en het is te allen tijde natuurlijk niet mogelijk dat je dat in het algemeen kan doorvoeren. Dat zou leiden tot misbruik van bepaalde oefeningen. Maar bij het kind is het zo dat we goed in de gaten moeten houden of het langzamer dan normaal van het ene woord naar het andere, van de ene gedachte naar de andere overgaat. En we kunnen het lichaam van het kind nog steeds gezond maken. Wij

Blz. 99

machen das Verdauungssystem krank, wenn wir ein solches Wartenlassen von einem Wort zum anderen nicht in der Jugend kurieren. Das
obliegt uns und ist wichtiger als irgendeinen Inhalt – den wir ja brauchen, denn wir müssen etwas lehren und dadurch müssen wir einen
Inhalt haben – dem Kinde beibringen. So wirkt ja im ganzen physischen Organismus einfach der Geist. Wir müssen gerade, um den
physischen Organismus in der richtigen Weise beherrschen zu lernen,
Geisteswissenschaft kennen, weil im physischen Organismus gerade der
Geist wirkt. So sind wir darauf angewiesen, daß wir in einer gewissen
Weise das gesunde medizinische Denken wiederum heranbringen an
das pädagogische Denken. So daß wir tatsächlich wiederum im Ernste
zu nehmen wissen so etwas, sagen wir, wenn im Alten Testamente mitgeteilt wird, daß jemand geplagt worden ist von bösen Träumen, da
wird nicht die Redensart gebraucht: Mein Gehirn hat da irgend etwas
Besonderes arrangiert, Gott hat mich durch mein Gehirn geplagt. – Das
würde kein Mensch, der im Alten Testamente tätig war, gesagt haben.
Sondern er hat gesagt: Gott plagt mich durch meine Nieren. – Warum?
Aus dem einfachen Grunde, weil das richtig ist. Die heutigen Menschen
sind stolz darauf, zu wissen, daß die seelischen Dinge vom Gehirn
ausgehen, und sie setzen sich mit einem Hochmut hinweg über dasjenige, was im Alten Testamente steht

maken het spijsverteringsstelsel ziek als we dit wachten van het ene woord op het andere in onze jeugd niet verbeteren. Dat is onze verantwoordelijkheid en is belangrijker dan welke inhoud dan ook – die we nodig hebben, omdat we het kind iets moeten aanleren en dat betekent dat we inhoud moeten hebben. Dit is eenvoudigweg hoe de geest in het gehele fysieke organisme werkt. We moeten gewoon, om het fysieke organisme op de juiste manier te leren beheersen, geesteswetenschap kennen, want in het fysieke organisme werkt nu juist de geest. We kunnen dus niet zonder dat we op een bepaalde manier een gezond medisch denken met het pedagogisch denken verbinden. Zodat we daadwerkelijk weer serieus weten te nemen, b.v. als in het Oude Testament wordt vermeld dat iemand wordt geplaagd door nare dromen, niet de uitdrukking wordt gebruikt: mijn hersenen hebben een of ander bijzonders verricht, God heeft mij door mijn hersenen beproefd – dat zou iemand die in het Oude Testament spreekt niet zeggen – maar die zou zeggen: God kwelt mij door mijn nieren. – Waarom? Om de simpele reden dat het juist is. De mensen van vandaag zijn er trots op te weten dat mentale dingen uit de hersenen komen en ze negeren met arrogantie wat er in het Oude Testament staat.

Nicht wahr, nicht nur das Gehirn ist durchgeistigt, sondern der ganze Organismus ist durchgeistigt.
Die Träume kommen zum Beispiel aus den Nieren; der Ausdruck aus
dem Alten Testamente ist durchaus ernst zu nehmen. Geradeso wie
es zwar gescheit ist im modernen Sinn, zu sagen, auch das Mitleid
kommt aus dem Gehirn; aber im tiefern Sinne ist es ein Unsinn, und
die alttestamentliche Form, daß das Mitleid aus den Eingeweiden
kommt, ist die richtige.
Und so müssen wir wissen, daß, wenn wir mit dem Seelisch-Geistigen an das Kind herantreten, wir seinen ganzen Leib behandeln. Wir
sind ja gerade diejenigen, die mit ärztlicher Klugheit pflegen das Körperlich-Leibliche des Kindes, wenn wir dieses oder jenes im Satzbau,
in der Behandlung der Farben, in der Behandlung des Tones, in der
Behandlung dieses oder jenes Gegenstandes tun. Wir üben ja Einfluß
aus auf das ganze Physische; denn im Physischen ist der Geist, und

Niet alleen door de hersenen werkt de geest, maar door het hele organisme. Dromen komen bijvoorbeeld uit de nieren; de uitdrukking uit het Oude Testament moet serieus worden genomen. Net zoals het in moderne zin geleerd is om te zeggen dat medelijden ook uit de hersenen komt; maar in diepere zin is het onzin, en de oudtestamentische vorm, dat mededogen uit de ingewanden komt, is de juiste.
En dus moeten we weten dat als we het kind spiritueel-mentaal benaderen, we zijn hele lichaam behandelen. Wij zijn precies degenen die met medische wijsheid het fysieke wezen van het kind verzorgen als we dit of dat in de zinsstructuur, bij de behandeling van kleuren, bij de behandeling van de toon, bij de behandeling van dit of dat vak, doen. We oefenen invloed uit op alles wat fysiek is; want in het fysieke zit de geest, en

Blz. 100

wir wirken auf diesen Geist, nicht nur auf den Geist, der bloß unmittelbar im Gehirn seinen Sitz hat, denn da drinnen hat ja doch kurioserweise das Unwirksamste seinen Sitz. Und so müssen wir uns ansehen als Pädagogen entweder als Leute, die fortwährend Förderndes, Lebengestaltendes in den Kindern heranziehen oder Giftiges, das den Körper herunterbringt. Wenn wir irgend etwas nach dem Formalistischen hin übertreiben, wenn wir die Kinder bis zur Ermüdung denken lassen, ja, dann verurteilen wir sie ja zwischen dem 7. und 14. Jahre dazu, daß sie verhältnismäßig früh in die Sklerose verfallen. Wir müssen uns nur bewußt sein, daß wir arbeiten am ganzen Leben, wenn wir
dieses oder jenes in der Umgebung des Kindes in der Erziehung und im
Unterrichte entwickeln. Und wir werden ganz gewiß nicht in richtiger
Weise zur Behandlung der pädagogischen Fragen in dieser Beziehung
herankommen, wenn wir nicht uns bewußt sind: Wir sind eigentlich berechtigt, nur die Hindernisse und Hemmnisse, die sich aus der physchen und ätherischen Natur des Menschen ergeben, hinwegzuräumen.

wij handelen op basis van deze geest, en niet alleen op de geest die zich direct in de hersenen bevindt, omdat, vreemd genoeg, het meest ineffectieve daarbinnen zit. En dus moeten we naar onszelf kijken, als opvoeders, als mensen die of voortdurend levensvormende dingen bij de kinderen ontwikkelen, of wat giftig is, wat het op achterstand zet. Als we iets overdrijven op een formalistische manier, als we kinderen laten denken tot het punt dat ze heel moe worden, veroordelen wij ze tussen de leeftijd van 7 en 14 jaar ertoe dat ze relatief vroeg sclerotisch worden. We moeten ons er alleen van bewust zijn dat we aan het hele leven werken als we dit of dat in de omgeving van het kind, in de opvoeding en het onderwijs ontwikkelen. En we zullen zeker niet op de juiste manier in dit verband met de pedagogische vragen omgaan, wanneer we ons niet bewust zijn: we hebben eigenlijk alleen maar het recht om obstakels en hindernissen weg te nemen die voortkomen uit de fysieke en etherische aard van de mens.

In bezug auf das übrige wird ja der heutige Mensch, der viel egoistischer ist, als er denkt, selbstverständlich sagen: Mir erscheint dieses richtig, mir erscheint jenes unrichtig -, und wird dann das Kind auch so aufziehen, daß es möglichst so fühlt und so denkt wie er selber. Das ist natürlich das Unrichtige. Was eben richtig ist in bezug auf alles Inhaltliche, ist ja das Leben – nicht die einzelne Lehrerindividualität -, das wir fragen müssen. Wir müssen natürlich heute einem Kinde Schreiben beibringen. Ich muß gestehen, ich finde in mir kein
Geschmacksurteil, das unmittelbar aus dem Menschlichen heraus mir Antwort geben würde, ob ein Kind schreiben lernen soll oder nicht, nur aus der Betrachtung der Zivilisationsentwickelung heraus ergibt es sich. Die Menschheit ist heute dabei angekommen, daß ein gewisser Zivilisationsinhalt auf dem Schrift- und Leseweg wirkt. Nun müssen wir, damit das Kind nicht für eine andere, sondern für diese Welt erzogen wird, dem Kinde Lesen und Schreiben beibringen. Das ist ja etwas, was wir als Bedingung der Zivilisation hinnehmen müssen, und so müssen wir die Entwickelungshemmungen wegschaffen, die dadurch, daß man in einem gewissen Zeitalter lebt, auch wiederum an den Menschen herankommen. Wir haben ungeheuer viel zu tun, wenn wir uns

Wat de rest betreft, zal de hedendaagse mens, die veel egoïstischer is dan hij denkt, uiteraard zeggen: dit lijkt mij juist, dat lijkt mij verkeerd – en dan zal hij het kind zo opvoeden dat dit zo voelt en denkt als hij zelf. Dit is uiteraard onjuist. Wat we moeten vragen is, wat precies goed is in relatie tot alles wat inhoud is, en dat is het leven – niet de persoon van de individuele leraar. Natuurlijk moeten we vandaag een kind leren schrijven. Ik moet toegeven dat ik in mezelf niets  vind van een persoonlijk voorkeursoordeel dat rechtstreeks voortkomt uit wat voor mij menselijk is en dat een antwoord zou geven op de vraag of een kind moet leren schrijven of niet, het komt alleen naar voren uit de beschouwing van de ontwikkeling van de beschaving. Vandaag de dag is de mensheid op het punt aangekomen waarop een bepaalde beschavingsinhoud werkt door middel van schrijven en lezen. Nu moeten we opdat het kind niet voor een andere wereld maar voor deze wereld wordt opgevoed, het leren lezen en schrijven. Dat is iets dat we moeten accepteren als een voorwaarde voor beschaving, en we moeten dus de obstakels voor ontwikkeling die hieruit voortkomen, wegnemen waarmee de mens, omdat die in een bepaalde tijd leeft, ermee te maken krijgt. We moeten buitengewoon veel doen, wanneer wij

Blz. 101

die Frage beantworten wollen: Wie machen wir die Gegenstände, die schon einmal gegeben sind für die menschliche Entwicklung des Kindes, am allerunschädlichsten? – Denn wir können immer annehmen, daß wir dadurch, daß wir einen gewissen Stoff an das Kind heranbringen müssen, dem Kinde eher schaden als nützen. So müssen wir uns immer fragen: Wie vermeiden wir den Schaden, der eigentlich im Grunde genommen immer angerichtet werden muß, wenn wir dem Kinde irgend etwas beibringen? Nun, das gilt natürlich um so weniger, je mehr die Sache nach dem Künstlerischen geht, und um so mehr, je mehr die Sache nach dem Erkenntnismäßigen geht. Aber vor unserer Seele stehen muß diese Tatsache eigentlich im Grunde genommen immer. Und nun
sollen wir uns ganz klar darüber sein: das richtige autoritative Verhältnis, das bestehen soll zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife zwischen dem Erzieher und dem Kinde, dieses richtige autoritative Verhältnis wird unter keinen anderen Umständen hervorgerufen, als wenn wir uns bemühen, den Unterricht künstlerisch-bildhaft zu gestalten. Wenn wir das können, dann wird das autoritative Verhältnis ganz gewiß entstehen.

de vraag willen beantwoorden: hoe maken we de vakken die er nu eenmaal zijn voor de menselijke ontwikkeling van het kind, het minst schadelijk? – Want we kunnen er altijd vanuit gaan dat wij door een bepaalde leerstof aan het kind te geven, het kind meer kwaad dan goed doen. Zo moeten we altijd vragen: Hoe voorkomen we de schade die eigenlijk altijd noodzakelijkerwijs wordt aangericht als we het kind op welke manier dan ook iets aanleren? Maar dit is natuurlijk minder waar naarmate er meer kunstzinnigheid bij komt, en des te meer, naarmate het de kenniskant opgaat. Maar dit moeten wij wel basaal voor ogen hebben. We moeten hier heel duidelijk over zijn: de juiste autoriteitsrelatie die er zou moeten bestaan ​​tussen de tandenwisseling en de puberteit, tussen de opvoeder en het kind, deze autoriteitsrelatie ontstaat onder geen enkele andere omstandigheid dan wanneer we ernaar streven de les kunstzinnig-beeldend te maken. Als we dat kunnen doen, zal de autoriteitsrelatie zeker ontstaan.

Sehen Sie, dasjenige, was das autoritative Verhältnis untergräbt, ist die einseitige Intellektualität. Die einseitige Intellektualität zu pflegen ist natürlich am leichtesten in den Gegenständen des Rechnens, der Naturwissenschaften und so weiter.
Gerade da sollen wir aber ins Bildhafte hineinarbeiten. Oftmals gestalten wir auch zu unbildlich in dem Sprachunterricht. Nun sollen wir uns nur klar sein darüber: wenn wir bildhaft gestalten, gehört dazu eine gewisse Selbstlosigkeit. Es ist viel leichter, gescheit zu denken, viel egoistischer ist es, gescheit zu denken, als bildhaft zu gestalten; und wir stehen dem Kinde eben selbstlos gegenüber, wenn wir im Unterrichte bildhaft gestalten. Wenn das Kind dann geschlechtsreif geworden ist, und die Kenntnis in Erkenntnis übergehen soll, dann lehnt es deshalb, weil sein Intellekt jetzt erwacht ist, einfach das Urteil des Lehrenden, des Erziehenden schon von selber ab. Dann wird nichts mehr mit der bloßen Autorität erreicht, dann müssen wir konkurrieren können, dann
müssen wir wirklich mit dem Kinde schon konkurrieren; denn eigentlich ist man tatsächlich mit 17 Jahren so gescheit als mit 35 in bezug auf die Urteilsfähigkeit. Gewisse Nuancen kommen vor, aber im wesent-

Wat de autoriteitsverhouding ondermijnt is eenzijdige intellectualiteit. Natuurlijk is het het gemakkelijkst om eenzijdige intellectualiteit te cultiveren in het vak rekenen, in de natuurwetenschappelijke vakken, enzovoort. Maar juist hier moeten we naar het beeldende toewerken. We ontwerpen onze taallessen vaak op een manier die niet beeldend genoeg is. We moeten er gewoon duidelijk over zijn: als we beeldend iets gestalte geven, hoort daar een zekere onbaatzuchtigheid bij. Het is veel gemakkelijker om slim te denken, veel egoïstischer om slim te denken dan beeldend vorm te geven; en wij staan belangeloos t.o.v. het kind als we het onderwijs beeldend inrichten. Wanneer het kind geslachtsrijp geworden is en de kennis over moet gaan naar het toepassen daarvan, wijst het het oordeel van de leraar, omdat zijn intellect nu is ontwaakt, eenvoudigweg vanzelfsprekend af. Dan bereik je met alleen maar autoriteit niets meer; dan moeten kunnen discussiëren*, dan moeten we echt kunnen discussiëren met het kind; want eigenlijk ben je op je 17e net zo slim als op je 35e wat betreft het vermogen om te oordelen. Bepaalde nuances komen voor, maar in wezen

Het Duits heeft ‘konkurrieren’ dat o.a. ‘concurreren’ betekent. De strekking lijkt mij hier een vorm van ‘gelijkwaardige meningen die tegenover elkaar kunnen staan – of niet – je kan het ook eens zijn, maar wel op grond van discussie. Het gaat ook uit boven ‘bekvechten’. Iets in de trant van ‘de beste mening telt’.
Ik vertaal hier dus ‘discussiëren’.

Blz. 102

liehen ist man mit 17 Jahren, was das Formal-Logische betrifft, so gescheit als mit 35 Jahren. Man muß also eigentlich schon mit dem Kinde konkurrieren, sobald es geschlechtsreif geworden ist. Und deshalb muß das eintreten, was ich gestern gesagt habe, daß man sich in keiner Weise eine Blöße geben darf. Das wird einem natürlich leicht dem jüngeren Kinde gegenüber, wenn man sich einer künstlerischen Gestaltung des Unterrichtes hingibt. Und besonders viel wird man dadurch erreichen, daß man ein Gefühl sich erwirbt, wie sich verschiedene Glieder des einen oder anderen in der verschiedensten Weise künstlerisch gestalten lassen. Sagen wir einmal, man nimmt mit den Kindern durch eine
Anzahl von Pflanzen. Man bespricht die Blüten; jetzt versucht man im ganzen Ton, ich möchte sagen, bis zum Tonfall hin, die Blüten so zu schildern, daß die ganzen Worte und Vorstellungen etwas Strömendes sind, daß sie leicht sind. Nun versucht man, indem man dieses entwickelt, sich gerade an die sanguinischen Kinder zu wenden, damit die sanguinischen Kinder dasjenige für die ganze Klasse beitragen, was sie besonders haben an Auffassungsgabe, an leichter Auffassungsgabe, sagen wir für solche Vorstellungen, die ein künstlerischer Mensch entwickelt, wenn er Blüten schildert.

ben je, als het om formeel logische zaken gaat, op je 17e net zo slim als op je 35e. Je moet dus eigenlijk met het kind discussiëren zodra het geslachtsrijp is geworden. En daarom moet je, wat ik gisteren zei, je op geen enkele manier belachelijk maken. Voor de jongsten zal dit uiteraard gemakkelijk zijn als je je toelegt op een kunstzinnige vormgeving van het onderwijs. En je zal bijzonder veel bereiken als je een gevoel ontwikkelt van hoe verschillende delen van het een of ander zich op de meest verschillende manieren laten vormen. Je neemt b.v. met de kinderen een aantal planten door. Je praat over de bloemen; nu probeer je in je hele toon, tot in de toonval de bloem zo te schetsen dat al de woorden en voorstellingen iets stromends hebben, dat ze licht zijn. Nu probeer je, als je dit doet, je speciaal tot de sanguinische kinderen te richten, zodat deze kinderen voor de hele klas bijdragen wat zij als bijzonders hebben bij hun opmerkingsgave, een speelse opmerkingsgave voor die voorstellingen die een kunstzinnig mens ontwikkelt, wanneer hij bloemen schetst. 

Wendet man sich jetzt zu den Blättern, dann ist es durchaus möglich, daß man einen solchen Tonanschlägt, daß man bei den Blättern mehr das Interesse der melancholischen Kinder erregt; der Dialog mit der Klasse geht jetzt auf die
melancholischen Kinder über. Schildert man die Wurzeln, die gar nicht gesehen werden für gewöhnlich, die man aber schildern kann so, daß man ihre Kraft nachempfindet in den Blüten, schildert man das, was eigentlich für gewöhnlich unsichtbar ist, dann muß man nicht mehr statisch, sondern dynamisch schildern, und da helfen einem dann die cholerischen Kinder zu einem ordentlichen Dialog. So kann man die ganze Klasse benützen zu einer Gegenseitigkeit des Sich-Anregens, wenn man nur den Sinn dafür entwickelt, der instinktiv werden kann. Nur, nicht wahr, ist es notwendig, daß man auf solche Dinge achtet. Nun, tatsächlich ist ja die Sache so, daß man es sich viel schwerer vorstellt, als es eigentlich ist. Denn, hat man einmal sich ein Vierteljahr in eine solche Richtung gebracht, dann hat man selber das Bedürfnis, sich in eine! solche Richtung zu bringen. Nur – die Geschichte

Ga je dan met de bladeren verder, dan is het heel goed mogelijk dat je nu zo’n toon aanslaat waarmee je meer de interesse van melancholische kinderen aanspreekt; het gesprek met de klas gaat nu naar de melancholische kinderen over. Als je de wortels beschrijft, die je gewoonblijk helemaal niet ziet, maar die je zo kan beschrijven dat je hun kracht in de bloemen navoelt, beschrijf je wat eigenlijk meestal onzichtbaar is, dan moet je dat niet meer statisch, maar dynamisch schetsen en daar helpen de cholerische kinderen je bij een goed gesprek. Zo kan je de hele klas gebruiken bij het elkaar stimuleren in de tegenstellingen, als je er maar een gevoel voor ontwikkelt, dat instinctief kan worden. 
Maar het is noodzakelijk om op zulke dingen te letten. 
Welnu, het feit is dat je je het daadwerkelijk veel moeilijker voorstelt dan het in werkelijkheid is. Want als je eenmaal een kwart jaar in die richting op weg bent gegaan, dan voel je zelf de behoefte om die richting op te gaan. Maar er 

Blz. 103

hat einen Haken. Mit großer Lust beginnt man so etwas. Man sagt sich: Ich will das jetzt machen, ich will tatsächlich bildhaft gestalten, den Unterricht bildhaft gestalten, morgen fange ich an. – Nun geht es acht Tage, nachher wird man aber lässig; und das ist der Haken, den die Sache hat. Es ist notwendig, daß man ein Vierteljahr durchhält, dann hält man länger durch. Acht Tage machen es nicht, aber ein Vierteljahr macht etwas aus, wenn man sich ernsthaft daran hält, sich zu trainieren durch ein Vierteljahr.
Und nun möchte ich Ihnen heute, meine lieben Freunde, nicht die eine oder andere Regel gegeben haben für das eine oder andere im Unterricht. Wir werden ja vielleicht bei künftigen Zusammenkünften immer pädagogische Vorträge veranstalten, so daß wir immer weiter vorwärts kommen.

Aber ich hätte Ihnen heute gerne geben wollen so etwas, was dazu führt, daß Sie selbst meditativ sich in eine pädagogische und pädagogisierende Stimmung hineinbringen. Ich hätte gerne manchmal, daß da oder dort ein Arm sich anders bewegen würde in einer Klasse, damit er ein anderes Bild vor den Schülern entwickeln würde. Ich hätte gerne, daß manchesmal die Stoßigkeit zum Beispiel,
die immer unbildmäßig ist, nicht zu den Vornahmen im Klassenzimmer gehört. Ich hätte manchesmal gerne, daß dieses oder jenes nicht ganz graziöse Tafelabwischen durch ein graziöseres ersetzt würde. Das alles ergibt sich ganz von selber. Aus dem Unkünstlerischen ins Künstlerische wird es hineingearbeitet, wenn der allgemeine Sinn dafür da ist,
und der allgemeine Sinn ist eigentlich viel wichtiger als die einzelne
dogmatische Regel für den Pädagogen. Ich möchte gerne, daß Sie heute
dieses aufgenommen haben, was Sie auf die Wichtigkeit des Herzschlages, mit dem man bei der Pädagogik ist, das Sie auf diese Wichtigkeit des Herzschlages aufmerksam macht.

Maar ik had u vandaag graag zoiets willen geven dat ertoe leidt dat je jezelf meditatief in een pedagogische stemming brengt die pedagogisch werkt. Soms zou ik graag zien dat hier of daar in een klas een arm anders zou bewegen, zodat die voor de leerlingen een ander beeld kan oproepen. Ik zou soms willen dat de kneuterigheid b.v. die altijd niet-beeldend is, niet hoort bij wat er in de klas gebeurt. Soms zou ik willen dat de verschillende manieren waarop het bord wordt schoongemaakt op niet gracieuze manier door een meer gracieuze zou worden vervangen. Dat allemaal ontstaat geheel vanzelf. Het wordt van het onkunstzinnige veranderd in het kunstzinnige als het algemene gevoel ervoor aanwezig is en dit is eigenlijk veel belangrijker dan de individuele dogmatische regel voor de opvoeder. Ik zou nu willen dat u in u opgenomen hebt, wat u op het belang van de hartenklop waarmee u bij de pedagogie bent, wat u op het belang van de hartenklop opmerkzaam maakt.
GA 302A/87

.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3091-2905

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 310)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

In GA 310 gaat het opnieuw over handen en denken:

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik
Menskunde, pedagogie en cultuur

Voordracht 9, Arnhem 24 juli 1924

Gymnast, Rhetor und Doktor
Gymnast, retor en doctor. – De betekenis van de pedagogie voor de wereld

Blz. 154      vertaling blz. 160/161

Alles was im Menschen sogenannte geistige und seelische Bildung ist, die zur Abstraktion hin will, die geht ja nur auf unnatürliche Weise hervor aus einem direkten Unterricht. Bildung sollte hervorgehen aus der Art und Weise, wie man sich mit dem Körper bewegen kann. Daher ist unsere Zivilisation ja so abstrakt geworden. Es gibt heute Männer, die können keinen Strumpf stricken, können nicht einmal einen Hosenknopf, wenn er abgerissen ist, wieder annähen. Bei uns in der Waldorfschule sitzen Knaben und Mädchen untereinander, und die Knaben bekommen einen richtigen Enthusias­mus zum Stricken und Häkeln; sie tun es – und dabei lernen sie ihre Gedanken handhaben. Es ist gar kein Wunder, daß ein Mensch, wenn

Alles wat in de mens aan geestelijke en psychische ontwikkeling naar het abstracte neigt, komt toch op onnatuurlijke wijze voort uit met name een bepaalde vorm van onderwijs. Ontwikkeling zou moeten voortkomen uit de manier waarop je je met je lichaam kunt bewegen. Daarom is onze beschaving immers zo abstract geworden. Je hebt tegenwoordig mannen die nog geen sok kunnen breien, ze kunnen niet eens een knoop die van hun broek afgegaan is, weer aannaaien. Bij ons in de vrijeschool zitten de jongens en de meisjes door elkaar heen, en de jongens worden echt enthousiast voor breien en haken. Ze doen het – en daarbij leren ze goed met hun gedachten om te gaan. Het is helemaal niet verwonderlijk dat iemand, al

Blz. 155    vert. 162

er noch so viel logisch geschult ist, nicht ordentlich denken kann, wenn er nicht weiß, wie man strickt. Dabei bemerken wir in unserer Zeit, wieviel leichter beweglich die Gedankenwelt der Frauen ist. Man gehe nur nach der Zulassung der Frauen an die Universität und schaue nach, wieviel leichter beweglich das Geistig-Seelische der Frauen ist als das der Männer, das versteift, abstrakt geworden ist an einer abgezogenen Tätigkeit. Und am schlimmsten ist das bemerkbar bei der kommer­ziellen Tätigkeit. Wenn man einem Kaufmanne zuschaut, wie er seine Dispositionen trifft, so möchte man an den Wänden heraufkriechen.
Das sind die Dinge, die man wieder verstehen muß. Man muß wis­sen, daß ein Knabe, selbst wenn ich noch so viel auf die Tafel zeichne, viel besser spitze und stumpfe Winkel unterscheiden lernt, man muß wissen, daß man viel besser als durch alles Begreiflichmachen die Welt verstehen lernt, wenn man den Kindern angewöhnt, zwischen der großen und der nächsten Zehe den Bleistift zu halten und auch da noch leidlich gutgeformte Buchstaben zustande zu bringen, das heißt also, wenn aus dem ganzen Körper heraus das Geistige des Menschen fließt.

heeft hij goed onderwijs in logica gehad, niet geordend kan denken als hij niet kan breien. Daarbij merken we in onze tijd hoeveel beweeglijker de gedachtewereld van vrouwen is. We hoeven maar te kijken naar de toelating van vrouwen aan de universiteit om te zien hoeveel beweeglijker het geestelijk-psychische is bij vrouwen dan bij mannen. Bij mannen is het verstijfd, abstract geworden door een geabstraheerde activiteit. Dat is nog het beste te zien bij verrichtingen op commercieel gebied. Als je soms ziet hoe een koopman zijn plannen maakt, dan zou je wel uit je vel kunnen springen!
Dat zijn dingen die men weer moet gaan begrijpen. Men moet weten dat het kind, zelfs al teken ik nog zoveel op het bord, veel beter scherpe en stompe hoeken zal leren onderscheiden, en veel beter dan door alle uitleg de wereld leert begrijpen, als je hem aanleert om het potlood tussen de grote teen en de teen ernaast vast te houden en ook dan nog redelijk goed gevormde letters te maken; dat wil zeggen, als uit het hele lichaam het geestelijke stroomt.

In der griechischen Kultur hat man darauf gesehen, wie ein Kind sich bewegen lernt, wie es Hitze und Kälte ertragen lernt, wie es sich hineinfügen lernt in die körperliche Welt, weil man ein Gefühl dafür hatte, wie aus einer richtig entwickelten Körperlichkeit auch das Geistig-Seelische richtig herauswächst. Der Grieche hat, als Gym­nast erzogen, den ganzen Menschen ergriffen und daraus die andern Fähigkeiten sich entwickeln lassen. Wir wissen heute mit unserer ab­strakten Wissenschaft eine sehr wichtige Wahrheit, aber wir wissen sie abstrakt: Wenn wir Kinder haben, die leicht mit der rechten Hand schreiben lernen, so weiß man heute, daß dies damit zusammenhängt, daß beim Menschen das Sprachzentrum in der linken Gehirnhälfte liegt; so daß also Sprechen und Schreibenlernen auf diese Weise inner­lich zusammenhängen. Wir merken den Zusammenhang der Handgesten mit dem Sprechen; ebenso können wir auch, wenn wir weiter­gehen, durch die Physiologie den Zusammenhang zwischen Bewegung und Denken kennenlernen. Also man weiß heute schon etwas abstrakt davon, wie aus der menschlichen Bewegungsfähigkeit Denken und Sprechen hervorgehen: der Grieche aber wußte das im umfänglichsten

In de Griekse cultuur lette men erop hoe een kind leert bewegen, hoe hij hitte en koude leert verdragen, hoe hij zich leert invoegen in de lichamelijke wereld. Want men had er gevoel voor hoe uit een goed ontwikkeld lichaam zich het geestelijk-psychische ook goed ontwikkelt. De Griek pakte, als gymnast opgevoed, de hele mens aan en daaruit ontwikkelde hij de andere vermogens. Wij kennen tegenwoordig met onze abstracte wetenschap een heel belangrijke waarheid, maar we kennen die op een abstracte manier: als we kinderen hebben die makkelijk met de rechterhand leren schrijven, dan weet men tegenwoordig dat dit samenhangt met het feit dat bij de mens het spraakcentrum in de
linker hersenhelft zit. Leren spreken en leren schrijven hangen op deze wijze innerlijk samen. We merken het verband tussen de gebaren van de hand en het spreken.
Net zo kunnen we, als we verdergaan, in de fysiologie het verband leren kennen tussen bewegen en denken. Tegenwoordig heeft men er al weet van hoe uit het menselijk bewegingsvermogen het denken en spreken voortkomen. Maar dat weten is nog abstract. Voor de Griek echter was dit iets vanzelfsprekends

Blz. 156  vert. blz. 163

Sinne. Daher sagte der Gymnast: Der Mensch wird schon ordentlich denken lernen, wenn er nur ordentlich gehen und springen lernt; wenn er ordentlich Diskus werfen lernt. – Und wenn er lernt, über das Ziel hinauszuwerfen, so wird er auch noch den Schildkrötenschluß lernen, wird auf all die merkwürdigen logischen Dinge kommen, die man in Griechenland aufgezählt hat. Und dadurch lernt man, sich in die Wirk­lichkeit hineinzustellen. Heute wird bei uns gewöhnlich so gedacht:
Hier ist ein Advokat, dort ein Klient, der Advokat weiß die Dinge, der andere weiß sie nicht. – Weil man aber in Griechenland gewohnt war, über das Ziel hinauszuwerfen, so wußte man: Wie ist es nun, wenn einer als Rechtskundiger einen Schüler hat in der Rechtskunde, und dieser Schüler wird von ihm so gut unterrichtet, daß er jeden Prozeß gewinnen muß? Dann entspinnt sich aber der Prozeß zwischen ihm und seinem Lehrer, und dann kommt die Sache heraus: Du wirst den Prozeß unter allen Umständen gewinnen und unter allen Umständen verlieren. – Sie kennen den Schluß: er steht in der Luft. So entwickelte sich also alles Denken und Sprechen aus der gymnastischen Erziehung; sie ging auf den ganzen Menschen.

Daarom zei hij, als gymnast: de mens zal behoorlijk leren denken als hij behoorlijk leert lopen en springen, en als hij behoorlijk leert discuswerpen. – En als hij leert verder te gooien dan het doel, dan zal hij ook nog de ‘paradox van de schildpad’ leren begrijpen,3 dan zal hij al die vreemde zaken uit de logica snappen die men in Griekenland maar kan bedenken. Door de gymnastische oefeningen leer je jezelf in de werkelijkheid te plaatsen. Vandaag de dag denken wij gewoonlijk als volgt: je hebt een advocaat en een cliënt. De advocaat is degene die de dingen weet, de cliënt niet. – Maar omdat men in Griekenland gewend was om verder dan het doel te gooien, wist men: hoe is het wanneer iemand als jurist een student in de rechten heeft,4 en die wordt door hem zó goed onderwezen dat hij elk proces moet winnen? Nu ontspint zich het gesprek tussen hem en zijn leraar. Daaruit komt voort: jij zult het proces onder alle omstandigheden winnen en onder alle omstandigheden verliezen. – U kent het slot: de rechter verdaagt de zitting en de uiteindelijke uitspraak hangt in de lucht. Zo ontwikkelde zich dus alle denken en spreken uit de gymnastische opvoeding; ze was op de gehele mens gericht.
GA 310/154-156
Vertaald/160-163

.

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3090-2904

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19 -12/4)

.

Onderwijs zonder schermen

.

Een actuele verklaring van de Karolinska Universiteit leidt in Zweden tot een politieke heroverweging van de digitalisering in kleuterscholen, meldt de vereniging Diagnose-Funk.

Dit jaar presenteerde de Zweedse Onderwijsautoriteit haar voorstel voor een nationale digitaliseringsstrategie voor het schoolsysteem. Kleuterscholen moeten onder meer verplicht worden uitgerust met digitale apparaten.

Dit werd gerechtvaardigd met het doel de digitale vaardigheden te bevorderen die later in het leven in de vroege kinderjaren nodig zijn en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren met behulp van digitale opties.

Minister van Onderwijs Lotta Edholm heeft dit besluit nu echter teruggedraaid.

Vooral kleuterscholen moeten expliciet beeldschermvrij blijven.

 De reden hiervoor is een verklaring van de Zweedse Karolinska Universiteit, waarin verschillende hoogleraren psychologie, ontwikkelingspsychologie, neonatologie en cognitieve neurowetenschappen duidelijke kritiek uiten op het gebruik van schermen in de vroege kinderjaren. Zij wijzen erop dat de door het ministerie van Onderwijs aangeprezen voordelen van het digitaliseren van scholen niet op feiten zijn gebaseerd. Integendeel: uit een groot deel van het onderzoek blijkt duidelijk dat het gebruik van digitale apparaten een negatief effect heeft op de kennisverwerving van leerlingen.
De auteurs verwijzen ook naar een rapport van de Zweedse Mediaraad uit 2022, waarin een direct verband wordt beschreven tussen schermtijd en verminderde geestelijke gezondheid. Als conclusie van het statement bevelen de hoogleraren aan om de focus in onderwijszaken weer te leggen op gedrukte leerboeken en de specialistische kennis van docenten.

Bron: Diagnose: funk (via das Goetheanum, 14 september 2023)

Opvoedingsvragen over media: [19] media

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Kunstzinnig onderwijs

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3089-2903

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling Driegonaal

.

Denn die wirklich erzieherischen und unterrichtenden Kräfte des Lehrers können sich nur entwickeln in der freien Schule.

de echte opvoedkundige en onderwijskundige vermogens van de leerkracht kunnen zich alleen ontplooien in de vrije* school.

*Een vrije school is die school die alles voor de onderwijsgevenden en opvoeders mogelijk maakt om wat zij vanuit hun menskunde, vanuit hun kennis van de wereld, uit hun liefde voor het kind, voor het echt wezenlijke houden en dat dit geïntegreerd moet worden in ons onderwijs en onze opvoeding.
Een onvrije school is een school waarin de leraar moet vragen: wat is er voor de eerste klas voorgeschreven, wat voor de tweede, hoe moet ik het uur organiseren volgens de wet?
Een vrije school is een school waarin de leerkrachten een heel bepaalde kennis hebben die aan hun werk ten grondslag ligt, van hoe een kind zich ontwikkelt, over welke lichamelijke en psychische krachten het beschikt, welke lichamelijke en psychische krachten in het kind ontwikkeld moeten worden.
GA 298/126
Op deze blog vertaald

Bericht ‘Driegonaal’

John Hogervorst
Waar vrijheid begint

In een tijd waarin vrijheid onder druk staat, worden wij uitgenodigd scherper te krijgen wat wij onder vrijheid verstaan. Wat dat betreft leven wij in interessante tijden!

Vrijheid is als een onderaardse bron die we in onszelf moeten ontsluiten. In de artikelen die in deze uitgave zijn verzameld, wordt aan de hand van maatschappelijke verschijnselen een poging gedaan bloot te leggen ‘waar vrijheid begint’. Daarbij wordt ook beschreven wat wij voor elkaar, in de samenleving, kunnen doen opdat ieder in vrijheid kan bijdragen aan het geheel dat wij samen vormen.
ISBN 9789083325620
95p. / € 10,00

En dit was de eerste uitgave:

Marc Desaules / John Hogervorst / Rudolf Steiner
Basisinkomen – er is een beter alternatief

Met het basisinkomen, zo hopen de voorstanders, krijgt ieder mens een financiële bestaansbasis die hem/haar meer ruimte geeft voor eigen afwegingen over werk, ontplooiing, tijdsbesteding.
Dat zou je ook ieder mens toewensen.
Maar er is een betere weg om die gewenste situatie te scheppen. Die weg wordt beschreven in de artikelen in deze uitgave.
ISBN 9789492326874
67p. / € 10,00

Mail uw bestelling naar: info@driegonaal.nl

DRIEGONAAL

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 306)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

GA 306

Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

Die Erziehung des Kindes und jüngeren Menschen

Op deze blog vertaald:

                     De praktijk van de pedagogie bezien vanuit                                                            geesteswetenschappelijke menskunde

Behalve voordracht 7, deze is uitgegeven onder de titel: Motivatie en kompromissen in de vrije school

Uit deze voordracht van Dornach 21 april 1923:

Blz. 142   vert. 22/23

Aber dann ergibt sich einfach durch eine solche Menschenerkennt­nis, wie ich sie geschildert habe, wie notwendig es ist, daß der Unter­richt und die Erziehung, angefangen von dem 12. Jahre, hintendie­rend zur Geschlechtsreife und namentlich nach der Geschlechtsreife, übergehe in einem hohen Grade in das Praktische. Das wird nun bei uns in der Waldorfschule so gehandhabt, daß es vorher vorbereitet wird. In der Waldorfschule sitzen ja Knaben und Mädchen nebenein­ander. [ ] Nicht wahr, heute wissen viele Männer wirklich gar nicht, was man für ein gesundes Denken, für eine gesunde Logik hat, wenn man stricken kann.
Viele Männer können das gar nicht beurteilen, was man für das Leben hat, wenn man stricken kann. Bei uns in der Waldorfschule stricken die Knaben neben den Mädchen, stopfen auch Strümpfe. Dadurch wird natürlich, wenn später differenziert werden muß, diese Differenzie­rung als etwas Selbstverständliches sich ergeben, aber es wird da­durch auch eine Erziehung erreicht, welche mit dem Leben, in das sich der Mensch hineinstellen muß, wirklich rechnet.

Vanuit menskundig inzicht, zoals ik dat heb beschreven, blijkt hoe nodig het is dat het onderwijs en de opvoeding vanaf het twaalfde jaar rekening gaan houden met de puberteit en met name zich vanaf de puberteit richten naar het praktische leven. Op de vrije school bereiden wij voor op die puberteit. Meisjes en jongens zitten immers bij elkaar in de klas. [  ]
Tegenwoordig beseffen veel mannen echt niet dat je gezond leert denken, dat je logisch leert denken van breien! Veel mannen kunnen helemaal niet beoordelen wat het voor het leven betekent als je kunt breien. Bij ons op de vrije school leren zowel de meisjes als de jongens breien, en kousen stoppen leren ze ook. Het differentiëren zal daardoor later vanzelfsprekender zijn. Maar belangrijk is dat op deze wijze de school echt rekening houdt met het leven, waarin de leerlingen later terecht komen.

Die Leute sind immer furchtbar erstaunt darüber, wenn ich eine Behauptung aufstelle, die nicht bei mir nur Überzeugung, sondern psychologische Erkenntnis ist: ich kann einmal nicht den für einen guten Professor ansehen, der nicht, wenn es nötig ist, sich seine eige­nen Stiefel flicken kann. Wie soll man denn überhaupt über das Sein und über das Werden etwas Ordentliches wissen, wenn man nicht einmal seine Stiefel flicken kann, wenn es notwendig ist! Es ist das natürlich etwas paradox und extrem gesprochen. Aber heute gibt es

De mensen verbazen zich echt verschrikkelijk wanneer ik iets beweer wat niet alleen mijn overtuiging is, maar wat een psychologisch inzicht is. Ik kan nu eenmaal niet iemand een goede leraar vinden die niet, wanneer dat nodig is, zijn eigen laarzen kan verzolen. Hoe kan men dan überhaupt iets behoorlijks weten over het zijn en over het ontstaan als men niet eens, wanneer nodig, schoenen kan verzolen! Dit is natuurlijk enigszins paradoxs en extreem uitgedrukt. Maar vandaag de dag heb je

Blz. 143   vert. blz. 23/24

selbst Männer, die sich nicht einmal im nötigen Falle einen Hosen­knopf richtig annähen können. Ja, das ist etwas Furchtbares! Man kann wirklich nichts Ordentliches über Philosophie wissen, wenn man nicht in der Hand eine bestimmte Geschicklichkeit für gewisse Dinge hat. Das gehört zum Leben. Und man muß sagen: Nur derjenige kann ein guter Philosoph sein, der, wenn es sein Schicksal gewesen wäre, auch ein guter Schuhflicker geworden wäre. Manchmal werden ja so­gar Schuhflicker Philosophen, wie es die Geschichte der Philosophie zeigt. Nun, die Menschenerkenntnis fordert eben, daß man durch eine richtige Vorbereitung in das praktische Leben hinein die ganze Füh­rung der Erziehung leitet. Und so ergibt es einfach das Lesen in der Menschenwesenheit, daß zum Beispiel in einer bestimmten Schul­klasse die Kinder – nein, die jungen Herren und jungen Damen – her­angeführt werden an das Weben, daß sie den Webstuhl beherrschen lernen; daß sie herangeführt werden an das Spinnen; daß sie lernen auch einen Begriff sich aneignen, wie Papier gemacht wird zum Bei­spiel; daß sie lernen, wenigstens die einfachen Verrichtungen der me­chanisch-chemischen -nicht nur Mechanik und Chemie -, sondern der mechanisch-chemischen Technologie zu begreifen und auch im Klei­nen zu handhaben, so daß sie wissen, wie es im Leben geschieht. Die­ser Übergang zu einer wirklich praktischen Unterrichts- und Erzie­hungsführung, er muß gefunden werden. Und das wird eben gerade angestrebt werden müssen, wenn man in Ernst und Ehrlichkeit auf wirklicher Menschenerkenntnis eine Pädagogik und Didaktik insbe­sondere für die höheren Klassen aufbauen will.

zelfs mannen die niet eens, wanneer nodig, een knoop aan hun broek kunnen aanzetten. Dat is toch vreselijk! je kunt echt niets behoorlijks over filosofie weten als je niet een bepaalde behendigheid voor zekere zaken hebt. Dat hoort bij het leven. En we moeten zeggen dat alleen diegene een goede filosoof kan zijn, die, als het zijn lot was geweest, ook een goede schoenlapper had kunnen worden. Soms worden zelfs schoenlappers filosoof, zoals de geschiedenis van de filosofie laat zien. Welnu, menskundig inzicht brengt ons ertoe dat ontwikkelen van praktische vaardigheden een richtsnoer wordt in de opvoeding. Als je het menselijk wezen in z’n ontwikkeling kunt lezen, dan zie je eenvoudigweg dat bijvoorbeeld in een bepaalde klas de kinderen – nee, de jonge dames en heren – zouden moeten weven. Dat ze het weefgetouw zouden moeten leren bedienen. Of dat ze leren spinnen. Of dat ze leren enig begrip te krijgen bijvoorbeeld van hoe papier wordt gemaakt. Of dat ze leren de eenvoudige mechanisch-chemische – niet alleen maar mechanica en chemie – maar de mechanisch-chemische technologie te begrijpen en ook in het klein ermee om te kunnen gaan, zodat ze weten hoe dat in het leven toegaat. Deze overgang naar een werkelijk praktisch lesgeven en opvoeden moet worden nagestreefd. Dat zal moeten worden nagestreefd als men serieus en in alle oprechtheid een pedagogie en didaktiek speciaal voor de hogere klassen wil opbouwen op basis van werkelijk menskundig inzicht.
GA 306/142-142
Vertaald/22-24 

Blz. 147/148   vert.  27

Aus dem, was ich jetzt gesagt habe, ersehen Sie aber, daß gerade für den Zeitpunkt, der mit der Geschlechtsreife heranrückt im menschlichen Leben, auch der Übergang in das äußere wirkliche Leben ge­funden werden muß; daß da immer mehr und mehr dasjenige in die Schule hineinspielen muß, was den Menschen nach Leib, Seele und Geist in einem höheren Sinne zum lebensbrauchbaren Menschen macht. In dieser Beziehung haben wir ja gar nicht genügend psycho­logische Einsichten. Denn die feineren Geistzusammenhänge im menschlichen geistig-seelisch-leiblichen Leben, die ahnt man ja zu­weilen gar nicht. Die ahnt nur derjenige heute noch, der es sich gera­dezu zur Aufgabe setzt, das Seelenleben kennenzulernen. Und ich kann Ihnen aus einer gewissen Selbsterkenntnis in bescheidener Weise durchaus sagen, daß ich gewisse Dinge, die ja heute vielleicht – sogar gewiß – manchem als unnütz erscheinen, auf dem Gebiete der Gei­steswissenschaft nicht in der Weise vorbringen könnte, wie ich sie vorbringe, wenn ich zum Beispiel nicht in einem bestimmten Lebens­alter – nicht durch Waldorfschul-Pädagogik, aber durch das Schick­sal – Buchbinderarbeiten gelernt hätte. Die besondere menschliche Betätigung beim Buchbinden, die ergibt auch für das intimste Gei­stig-Seelische, besonders wenn es im richtigen Lebensalter auftritt, etwas ganz Besonderes. Und so ist es gerade für die praktischen Betätigungen.

Want uit wat ik hier heb gezegd kunt u opmaken dat in de puberteit het maatschappelijk leven een belangrijke rol in het onderwijs gaat spelen. Dan moet steeds meer in de school gaan gelden wat de mens naar lichaam, ziel en geest in een hogere zin tot ’n bruikbaar mens voor het leven maakt. In dit opzicht hebben we nog te weinig psychologische gezichtspunten. Want van de fijnere geestelijke samenhangen in het menselijk leven van geest, ziel en lichaam, daarvan heeft men weinig tot geen notie. Alleen hij die zich tot taak stelt het zielenleven te leren kennen, heeft daar vandaag de dag nog ideeën over. Inzicht in m’n eigen wezen, zo kan ik in alle bescheidenheid zeggen, leerde mij het belang inzien van bepaalde vakken, die menigeen tegenwoordig van generlei nut acht. Dankzij het feit dat ik op een bepaalde leeftijd – niet door middel van vrije schoolpedagogie, maar door het levenslot – heb leren boekbinden, heb ik allerlei zaken op geesteswetenschappelijk gebied naar voren kunnen brengen. De speciale menselijke activiteit bij boekbinden levert, vooral als het op de juiste leeftijd wordt gedaan, ook voor het innigste psychisch-geestelijke, iets heel bijzonders op. En zo is dat voor alle praktische vakken.

Und ich würde es als eine Sünde betrachten gegen die Menschenwesenheit, wenn bei uns in der Waldorfschule nicht in ei­nem bestimmten Zeitpunkte, der eben der Menschennatur abgelesen wird, der Handarbeits unterricht auch das Buchbinden und das Schach­telnmachen, die Kartonagearbeiten, aufnehmen würde. Die Dinge gehören dazu, wenn man ein ganzer Mensch werden soll. Nicht daß man diese oder jene Schachteln fabriziert hat, oder dieses oder jenes Buch eingebunden hat, ist wesentlich, sondern daß man die Verrich­tungen gemacht hat, die dazu gehören, – daß man diese bestimmten Empfindungen und Denkprozesse durchgemacht hat. Die Differenzierung zwischen Knaben und Mädchen tritt dann schon von selber ein. Dafür muß man auch wiederum ein Auge haben, ein Seelenauge nämlich. Zum Beispiel tritt etwas ein, dessen Psycho­logie, weil ich ja doch nicht genug Zeit in der Waldorfschule selber zubringen kann, noch nicht erforscht ist, aber noch erforscht werden wird. Es tritt das Eigentümliche ein, daß beim Spinnen es sich herausstellt,

Ik zou het beschouwen als ’n zonde tegen het menselijk wezen wanneer bij ons op de vrije school niet in een bepaalde periode, die aan de menselijke ontwikkeling kan worden afgelezen, naast de handwerklessen ook boekbinden en kartonnage zou worden opgenomen. Deze dingen horen erbij als we kinderen zich zo volledig mogelijk willen laten ontplooien. Niet het feit dat je deze of gene doos hebt gemaakt, of dit of dat boek hebt gebonden is wezenlijk, maar wel dat je de handelingen die daarbij horen, hebt verricht, dat je die specifieke gevoelens en denkprocessen hebt doorgemaakt. Het differentiëren tussen jongens en meisjes ontstaat dan vanzelf. Daar moet je natuurlijk oog voor hebben, namelijk ’n zielenoog. Er ontstaat bijvoorbeeld iets waarvan ik de psychologische achtergrond nog niet heb onderzocht, omdat ik niet voldoende tijd in de vrije school kan doorbrengen; maar het wordt nog onderzocht. Het eigenaardige feit treedt op dat bij het spinnen blijkt

Blz. 148  vert. 29

daß die Mädchen sehr gerne spinnen; die Knaben wollen auch ganz gerne dabei sein, aber sie wollen nur den Mädchen die Dinge zutragen, sie wollen Ritterdienste leisten. Sie bringen gerne alles herbei, was dann die Mädchen verspinnen; sie machen lieber die vorbereitenden Arbeiten. Das hat sich herausgestellt, und das muß nun erst psychologisch erforscht werden, daß sich in dieser Weise die Dinge differenzieren. Aber auch aus dieser – wenn ich mich so ausdrücken darf – besonderen Weichenstellung des Handarbeitsunter­richts, auf den sehr viel gehalten wird in unserer Waldorfschul-Pädagogik, aus dieser Weichenstellung des Handarbeitsunterrichtes nach dem Buchbinden, nach den Kartonagearbeiten hin, zeigt sich eben auch, wie überall, gerade wenn man es auf den Geist absieht, das Praktische des Lebens zu berücksichtigen sich als eine Selbstver­ständlichkeit ergibt. Es haben ja schreckliche Unpraktiker die Me­thoden hervorgerufen, die eigentlich die Lebenspraxis glauben mit dein Löffel gegessen zu haben. Es kommt am wenigsten Lebenspraxis heraus, wenn man von pädagogischen Theorien ausgeht. Die ergeben gar nichts, nur Vorurteile ergeben sie eigentlich. Dagegen ist die wirkliche Pädagogik Menschenerkenntnis Und richtige Men­schenerkenntnis ist es schon, wenn sie nach dieser besonderen Rich­tung hin ausgebildet wird, wie ich es angedeutet habe. Sie ist schon Pädagogik, und sie wird zur Didaktik in der lebendigen Handhabung des Unterrichts und der Erziehung; sie wird eben zur pädagogisch-didaktischen Gesinnung, und auf diese kommt es an. Und dem muß natürlich das ganze Wesen der Schule angepaßt sein.

dat meisjes heel graag spinnen; jongens willen er ook heel graag bij zijn, maar ze willen de meisjes slechts de dingen aanreiken, ze willen ridderdiensten verlenen. Ze brengen graag alles aan wat de meisjes vervolgens verspinnen. Ze doen liever de voorbereidende werkzaamheden. Dat is gebleken en we moeten nu eerst psychologisch doorzien waarom de zaken zich op deze manier differentiëren.\
Maar uit deze – als ik me zo mag uitdrukken – nieuwe oriëntering op het handwerkonderwijs, waaraan wij in onze vrije schoolpedagogie zeer veel waarde hechten; nieuwe oriëntering ook in de richting van het boekbinden en de kartonnage-werkzaamheden, blijkt dat het uit de aard van onze menskunde vanzelfsprekend volgt dat wij ons onderwijs in de richting van het praktische sturen. Er zijn verschrikkelijk onpraktische mensen, die onderwijsmethoden maken: zij menen dat ze de praktijk van het leven in pacht hebben. Er komt nog het minst van de praktijk van het leven te voorschijn als men uitgaat van pedagogische theorieën. Die leveren helemaal niets op, alleen maar vooroordelen. Daarentegen is werkelijke pedagogie: menskundig inzicht. En het menskundig inzicht is juist wanneer die in deze speciale richting, die ik heb aangeduid, wordt uitgebouwd. Pedagogie is het al, en het wordt tot didaktiek in het levendig omgaan met onderwijs en opvoeding; het wordt zelfs tot een pedagogisch-didactische gezindheid. En daar gaat het om. Daar moet natuurlijk heel het wezen van de school op zijn gericht.
GA 306/147-148
Vertaald/27-29

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3088-2902

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaëlsverhaal (10-17)

.
Naar een oude legende

Michaël en de graalskelk
.

Toen God de Heer de wereld schiep, vormde hij uit de vurige ethersubstantie van de kosmos de zuivere geesten, zijn helpers en boodschappers: de engelen.
Te midden van deze namen zeven eerstgeschapenen een bijzondere plaats in, want zij belichaamden de oerbeelden en oerkrachten van de gehele schepping. Deze zeven mochten te allen tijde het onverhulde aangezicht van hun schepper aanschouwen, want zij stonden van de aanvang af in het licht van zijn heerlijkheid.
Tot leider nu van deze zeven was Samaël benoemd, die ook Satanaël of Lucifer — dat is ‘lichtdrager’ — wordt genoemd. Hem had de Heer als zijn speciale geliefde engel uitverkoren. Op de dag dat hij geschapen werd straalde zijn lichtgestalte in de schijn van veelkleurige juwelen. Een schitterende kroon looide zijn hoofd. In deze kroon was op de plaats boven het voorhoofd de kostbaarste edelsteen ingelegd, die leek op een uit licht gevormde smaragd. En alles wat door de lichtstralen uil deze steen werd getroffen glansde helder in een goddelijk licht.

Voor de zeven eerstgeschapenen, voor hun leider Samaël < u voor alle andere engelen ontvouwde de Heer nu het grote plan van de aardse schepping en hij verkondigde de geesten van zijn rijk, dat de mens een bijzondere plaats te midden van alle schepselen zou krijgen. De mens zou naar het beeld en de gelijkenis van de schepper gevormd worden, en de engelen moesten hem dienen.

Doch dit goddelijke plan deed de machtigste aller engelen, de lichtbrenger Lucifer, in toorn ontsteken. Hij, de stralende, meende dat God hem hiermee ten voordele van de mensen groot onrecht had aangedaan.

Vanaf dat moment begon Satanaël aan de wijsheid van God te twijfelen en er ontbrandde haat in hem tegen het gehele mensengeslacht. Vervuld van afgunst besloot hij, de Heer niet meer te gehoorzamen, en in zijn trots begon hij ook de andere engelscharen tot ongehoorzaamheid tegen de Heer op te zetten. En een derde deel der engelen volgde hem.

De Heer echter wist wel van de gedachten en listen van de engel die eens zijn meest geliefde was geweest en hij besloot, de trotse met zijn hele aanhang uit de hemel te verjagen. En uit de scharen van de engelen die hem trouw gebleven waren riep hij Michaël en beval hem, met de kracht van het goddelijk vuur, met het vlammenzwaard, Satanaël — die voortaan alleen nog Satan zou heten — te verblinden en hem tezamen met de opstandige schare uit de hemel te jagen. En zo geschiedde.

En terwijl Satan met zijn scharen hals over kop de duisternis tegemoet tuimelde, sloeg Michaël hem met het vlammenzwaard de stralende steen, de onvolprezen smaragden juweel uit zijn kroon.

Uit deze steen vormde Michaël, die na Gods richtspreuk over Satan en zijn schare tot opperste engel was benoemd, een wonderlijke, kelkachtige schaal. Dit prachtige voorwerp werd tot heilige schaal, die ertoe was voorbestemd de zonne-hostie in zich op te nemen. Toen de schaal klaar was bracht Michaël haar naar de aarde die inmiddels voltooid was; aldaar werd zij vanaf oertijden in speciale heiligdommen bewaard. Van heiligdom tot heiligdom werd zij in de loop der tijd door de ingewijden verder gereikt en ten slotte kwam zij naar Tyrus, de stad van de bouwmeester Hiram. En vandaar leidde haar weg naar het koninkrijk van Saba, waar de koningin van de sterrenwijsheid heerste. Ook daar werd de schaal een bepaalde tijd behoed. Met de koningin van Saba reisde zij vervolgens mee naar Jeruzalem, en zo kwam zij in het paleis en de tempel van de wijze Salomo.

Juist op die plaats werd in de tijd die volgde de komst van de Mensenzoon voorbereid. Het ‘keerpunt der tijden’ dat oude geschriften hadden voorzegd, naderde. De Zoon Gods werd met hulp van de kracht van de aartsengel Michaël, via het lichaam van de jonkvrouw Maria op aarde geboren.

Jezus werd door de doop tot Christus, zijn woord en zijn kracht verbreidden zich door hem en zijn discipelen onder de mensen. En toen de tijd gekomen was dat Christus en zijn volgelingen aan het laatste avondmaal zaten, toen bevond zich ook de schaal, die Michaël van de steen uit Lucifers kroon had gevormd, onder hen. En daar ging de bestemming van de heilige kelk in vervulling, want de kracht die Christus in zijn leerlingen liet indalen, vulde ook de schaal en was voortaan voelbaar voor ieder die haar op de juiste wijze naderde.

Uit het huis van het avondmaal kwam de kelk vervolgens bij Pilatus, die hem bewaarde. En toen na het Mysterie van Golgotha Jozef van Arimathea, die ook een geheime leerling van Jezus was, naar Pilatus ging en hem toestemming vroeg, Jezus’ lichaam van het kruis te mogen nemen, toen gaf Pilatus hem de kostbare kelk, waardoor zijn bestemming vervuld werd.

Jozef van Arimathea behoedde de kelk trouw, en toen hij van het Oosten naar het Westen reisde kwam de schaal als Graalskelk naar de Berg des Heils, Montsalvats. Daar werd de schaal als het kostbaarste, kracht schenkende testament van de Zoon Gods behoed.

De lichtbrengende heerlijkheid van Lucifer werd zo door Michaëls zwaard en kracht tot heilige schaal, die Christus met zijn offerkracht vulde. De sporen van deze graalsstroom echter doortrekken als een onderaardse ader onze geschiedenis tot op de huidige dag.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

3087-2901

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-10)

.
Loïs Eijgenraam, Antroposofisch magazine nr. 13 februari 2019

.

Aan tafel!

Een onzichtbare schijf van vijf voor een maaltijd zonder gedoe

Samen eten, het liefst aan tafel en zonder al te veel gedoe.
Misschien ben jij een ouder die, voordat je kinderen kreeg, dit als ideaal voor je zag. Zonder gezeur dat het eten niet lekker is, kinderen die niet willen eten, of die elkaar op de huid zitten tijdens het schaarse moment van gezellig samenzijn. In veel gezinnen is de realiteit echter anders. Hoe kun je het gedoe tijdens de maaltijd beperken?

Sinds 1953 wordt in Nederland de schijf van vijf gebruikt om zichtbaar te maken wat goede en gezonde voeding is. Groente en fruit, granen en aardappels, vetten, dierlijke producten en vocht vormen gezamenlijk deze schijf van vijf.
Vele boeken zijn geschreven over gezonde en goede voeding voor zowel kinderen als volwassenen, voor vleeseters, vegetariërs of veganisten. Met of zonder gluten, suiker, kleur- en smaakstoffen. Het is tot ons doorgedrongen dat het van belang is stil te staan bij dat wat ons lichaam van buitenaf binnendringt. Nog nooit hebben de supermarkten en natuurvoedingswinkels zoveel keuze aan producten gekend. Betekent dit dat het in ieder gezin iedere avond feest aan tafel is? Nee! Goede en gezonde voeding gaan niet alleen over de visueel zichtbare schijf van vijf.
Een niet zichtbare en misschien essentiëlere schijf van vijf wil gehoord worden zodat vijf plus vijf een tien voor een gezonde én gezellige maaltijd wordt.

Waaruit bestaat die andere schijf van vijf?
Uit gewoontevorming, aandacht, duurzaamheid, eerbied en gezinswezen.

Gewoontevorming

In een maatschappij waarin veel zich in vliegende vaart voltrekt, lijkt gewoontevorming saai en niet hip te zijn. Gewoontevorming in relatie tot het eten in een gezin betekent vanaf de geboorte van een kind werken aan gewoonten: als de baby de borst of fles krijgt, dan gebeurt dit bijvoorbeeld overdag zittend op de bank of ’s avonds liggend in bed. De houding en plaats zijn altijd hetzelfde. Het voeden in een ritme ook. De voeding wordt begeleid met rituelen die meegroeien met de leeftijd van het kind. Als de tijd daar is voor vastere voeding, krijgt je kind de tijd aan nieuwe smaken te wennen. Een week lang is het pompoenfeest totdat het er oranje van kleurt. Daarna komen de worteltjes om kennis mee te maken. Dit vroege kennismaken met ons aardse voedsel gebeurt op dezelfde plaats, met dezelfde rituelen. Tijdens het fruithapje eet de volwassene ook iets van fruit zodat het kind vanuit nabootsing de heerlijkheid van al deze aardse rijkdommen mee geniet. Tegen de tijd dat het kind tijdens de avondmaaltijd nog wakker is, geniet het van dit gezinsritueel aan de tafel mee. Kinderen leven een leven dat van het ene moment naar het andere moment stroomt. Voor hen is het heerlijk als in de dag de overgangsmomenten gemarkeerd worden. De speeltijd sluiten we af door op te ruimen, de maaltijd beginnen we met een lied, spreuk, gebed of ander duidelijk begin. Zo sluiten we de maaltijd ook weer af. Hoe krachtiger deze gewoontevorming, hoe minder kinderen ‘mag ik van tafel?’ hoeven te vragen, of gewoon van tafel lopen omdat ze dachten dat dit al mocht. Tot in de volwassenheid draagt een begin- en afsluitritueel onze gewoonte.

Aandacht

Waarom kunnen kinderen zo zeuren over eten, terwijl er vele kinderen zijn die van de honger omkomen? Zeuren onze kinderen werkelijk om het eten, of om iets anders? Kinderen kennen nog niet zo veel taal en woorden als volwassenen. Misschien zeuren onze kinderen aan tafel omdat zij eigenlijk aan ons willen vertellen: liefde gaat door de maag. Ik weet dat je van mij houdt, maar toch wil ik dit iedere dag ook werkelijk voelen én zien. Heb je vandaag echt ongedeelde aandacht voor mij gehad?’ Alle elektronische middelen als smartphone, radio en tv leiden in een gezin de aandacht af van in verbondenheid gezamenlijk genieten van de maaltijd.

Duurzaamheid

Voeding die de natuurlijke tijd heeft gekregen te groeien en bloeien, schenkt een duurzaamheids-beeld. Geen uit de ‘grond-met-lamp-erboven’ getrokken krop sla, maar krachtige bladeren, die echt naar sla smaken en waar je op moet kauwen. Als ouders kunnen wij met deze beelden onze kinderen de onuitgesproken boodschap meegeven: ‘zoals ons voedsel duurzame tijd kreeg te rijpen, zo nemen wij de tijd om deze maaltijd tot ons te nemen’.

Eerbied

Eerbied is een deugd die wereldwijd van waarde is. Een duurzame, geglobaliseerde toevoeging op de maaltijd met onze kinderen.

Gezinswezen

Als je leeft met de gedachte of het weten dat achter ieder van ons een engel staat, dan is er misschien ruimte om te leven met het idee van een gezinswezen of gezinsengel. Ouders die leven met deze schijf van vijf, kunnen ervaren dat de maaltijd met het gezin een maaltijd is waar een ongenode gast aan deelneemt. Een gast die zich verheugt over de verbondenheid, de levenslust, vitaliteit en zin in het aardse voedsel die aan tafel te proeven zijn. Eet smakelijk! 

.

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang
.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3086-2900

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde 5e klas – krokus

.
Omdat de krokus bij de plantkunde in klas 5 meestal (even) ter sprake komt, zijn hier nog enige aanvullende gezichtspunten.
De geneeskundige aspecten zijn niet voor in de klas.

Petra Essink, Antroposofisch Magazine, februari 2019 nr. 13
.

De krokus

.

Krokus

Latijnse naam: krokus
Engelse naam: flower of St Valentine

Familie: Iridacea (lissenfamilie)

Standplaats: zonnig, humusrijke, goed waterdoorlatende bodem

Bloei: februari-maart

Kenmerken: de krokus is geen bolgewas (zoals het sneeuwklokje, de tulp of de narcis), maar een knolgewas. De krokus houdt van het getal drie: hij heeft drie stampers en drie meeldraden, drie binnenste bloemblaadjes en drie buitenste bloemblaadjes.

Herkomst: krokussoorten zijn inheems in Zuid- en Zuidoost-Europa, Noord-Afrika, Turkije, Centraal Azië en China. Van daaruit zijn ze vanaf de 16e eeuw naar West-Europa gebracht.

De krokus is een voorjaarsverkondiger bij uitstek, alleen het sneeuwklokje bloeit eerder. Met zijn lila, paars, geel of witgekleurde kelkje veroorzaakt hij gemakkelijk gevoelens van blijdschap en opluchting; de winter is voorbij!
Er bestaan minstens honderd verschillende krokussoorten. Een daarvan is de saffraankrokus. Een unieke krokus die met zijn bloedrode stampers niet alleen eten kan kruiden en kleuren, maar ook een bijzondere medicinale werking heeft, die je zou kunnen samenvatten als: het in beweging brengen van het bloed.

Als je de groei van een krokus goed bestudeert, vallen er een paar dingen op. Allereerst volgt het braaf aandoende plantje, dat het best tot zijn recht komt in een grote groep andere krokussen, niet de normale van-blad-naar-bloem-groeivolgorde. Zeker, net als alle andere planten vormt hij eerst een paar kleine groene blaadjes, maar dan lijkt het of hij zijn bladontwikkeling stilzet om al heel vroeg in zijn ontwikkeling een of meerdere witte bloeistengels – die bestaan uit vergroeide bloemblaadjes – te vormen. Hij begeeft zich dus al heel snel in bloeisferen, alsof hij haast heeft zijn bloempje te tonen. Er gaat veel werk zitten in het vormen van die opvallend lange bloembuis. Daardoor duurt het toch nog een poosje voor hij daadwerkelijk kan gaan bloeien. Anders dan de meeste andere planten die hun vruchtbeginsel direct onder de gekleurde bloemblaadjes aanleggen, moet je het bij de krokus ondergronds zoeken, helemaal onderin die bloemstengel. Als je eens heel behoedzaam een krokus [gedeeltelijk] uitgraaft en je die witte bloeisteel van boven naar beneden aftast tussen je duim en wijsvinger, kun je vlak onder het aardoppervlak dat vruchtbeginsel (en in een later stadium de zaadjes] voelen als een piepklein bobbeltje. Het stuifmeel, dat de bijen bij de bloeiende krokus achterlaten, heeft er nog een hele klus aan om zich een weg te banen naar dit vruchtbeginsel. Al met al wordt de haastige krokus in het proces van tot bloei komen en bevrucht worden in zijn bloeidrift dus beproefd met een paar ‘vertragende obstakels’. Als de krokus bij voldoende warmte en zonlicht eenmaal zijn bloempje(s] opent, doet hij dat vol overgave, zo’n acht dagen lang. Om ze steeds ’s nachts en bij donker weer weer even te sluiten. Pas na de bloei groeien de parallelnervige miniblaadjes, waarvan sommige soorten een mooie zilverkleurige middennerf hebben, uit tot volwaardige krokusblaadjes. 

Antroposofisch arts Zoltan Schermann

“De krokussoort die meestal gebruikt wordt in de geneeskunde, zowel de antroposofische, de oosterse als de reguliere geneeskunde, is de saffraankrokus [Lat. crocus sativus].
De saffraankrokus bloeit, eigenwijs genoeg, niet in de lente, maar in de herfst. Saffraan kennen de meeste mensen alleen als specerij. Het zijn de opvallende,
bloedrode stampers – drie per bloem – die daarvoor worden gebruikt. De oogst en verwerking van saffraan is geweldig arbeidsintensief. Daardoor is het een heel kostbare specerij, ook wel ‘het rode goud’ genoemd.

Saffraan als ‘bloedbeweger’

“In de oosterse geneeskunde noemt men de krokus een ‘bloedbeweger’. Hij wordt bijvoorbeeld toegepast bij zogenaamde veneuze stuwingen die heel pijnlijk kunnen zijn. De krokus heeft de kracht om het bloed weer in beweging te brengen op plaatsen waar de bloedstroom stagneert. Zoals bij bepaalde menstruatieklachten, met name wanneer de menstruatie pijnlijk is. Als het menstruatiebloed zwart is of klontert wijst dat ook op het stagneren van de bloedstroom. In de antroposofische medicinale toepassing wordt gewoonlijk de hele krokus gebruikt. Het plantje wordt niet alleen bij menstruatieklachten maar ook bij spijsverteringsproblemen, zoals maagklachten (een maagzweer bijvoorbeeld) en diarreeachtige ontregeling van de darmen voorgeschreven. In de regel schrijf ik een samengesteld medicament voor waarin de krokus verwerkt is. Een ander voorbeeld van een gestagneerde bloedstroom zijn spataderen, die – met name als ze ontstoken zijn – ook bijzonder pijn kunnen doen. In dat geval schrijf het genoemde middel voor als zalf.
Goedaardige gezwelvorming, zoals vleesbomen’ (myomen) in de baarmoeder en zwellingen in de schildklier, hebben ook te maken met het stagneren van het bloed. Bij dergelijke problemen, waarbij de stagnatie nog ‘fysieker’ is, gebruik je alleen de knol van de krokus, in gepotentieerde vorm.

In de Chinese geneeskunde wordt de saffraan, vanwege de hoge kostprijs, soms vervangen door de goedkopere saffloer die een vergelijkbare werking heeft. De saffloer is een astersoort (carthamus tinctorius) die wel de medicinale aspecten van de saffraan heeft, maar niet de specerij-eigenschappen.”

Bij hormoongerelateerde stemmingsschommelingen

“Vanuit de reguliere geneeskunde, waar men zich richt op de concrete inhoudsstoffen van de plant, zijn er aanwijzingen dat de saffraankrokus iets doet bij depressie. Zowel in de klassieke homeopathie als in de antroposofische geneeskunst wordt hij voorgeschreven aan vrouwen met hormoongerelateerde stemmingsklachten, zoals het premenstruele syndroom. Of bij de uitvergrote versie daarvan: de postnatale depressie.’

Zoltan Schermann is consultatief antroposofisch arts 

.

Planten: vele afbeeldingen en beschrijvingen uit Weledaberichten

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas: plantkunde

.

3085-2899

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstmatige intelligentie (7-2/2)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel een inleiding tot meer begrip.

In dit artikel is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, En in onderstaand artikel wordt daarover ook weer een en ander gezegd.

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ echter een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in dit artikel wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten.

Vandaar dit artikel:

Jesse Mulder, Antroposofisch Magazine
.

Kunstmatige intelligentie

Gedachten organiseren onze menselijke leefwereld. Maar het ene denken is het andere niet. Het soort denken dat onze menselijke leefwereld meer en meer begint te organiseren is het kunstmatige denken, artificial intelligence. Die intelligentie verschilt buitengewoon van ‘echt’ denken. Maar dat is de meeste mensen niet zo duidelijk. Je hoort vaak redenaties als de volgende: “Computers worden steeds slimmer, ze winnen het al van ons mensen met schaken [recenter ook al met Go). Straks worden computers net zo slim als mensen, dat is slechts een kwestie van tijd. En daarna komen er misschien wel supercomputers die nog veel slimmer zijn.” De meer gestudeerde versies van deze redenatie voegen dan nog getallen toe over de miezerige rekencapaciteit van de menselijke hersenen in vergelijking met die van de voorspelde supercomputer. Maar wie zo denkt, heeft niet in de gaten dat hij daarmee iets denkt wat zo’n supercomputer nooit zal kunnen denken. En het is eigenlijk helemaal niet moeilijk om dat in te zien. Denk maar eens mee.

Stel, je programmeert een eenvoudige rekenmachine: je zorgt dat als iemand ‘2 + 2 =’ intoetst, er ‘4’ op het schermpje verschijnt. Maar dat hoeft natuurlijk niet. Je kunt ‘m ook zo programmeren dat het resultaat ‘5’ is. En nu komt het: het maakt voor de rekenmachine niets uit of er een zinnige samenhang is tussen de input en de output of niet. Terwijl dat juist de essentie is van het ‘echte’ denken waartoe wij als mensen in staat zijn. Stel, je bent al een tijdje op reis. Je weet dat je kamerplant het niet lang overleeft zonder water, en er is niemand die je plant verzorgt in jouw afwezigheid. Dus: je kamerplant is reddeloos verloren. Je kunt die conclusie trekken omdat je inziet hoe die samenhangt met de genoemde situatie. Kunstmatige intelligentie berust daarentegen op het blind toepassen van regels – of die nou zinnig zijn of niet. We kunnen die regels nog zo vernuftig maken, meta-regels toevoegen die de regels kunnen aanpassen enzovoort – het blijft meer van hetzelfde. Net zoals je geen brood kunt maken van meel door er nog meer meel bij te doen, kun je van het blinde toepassen van regels geen op inzicht gebaseerd denken maken door te versnellen of er meer regels aan toe te voegen. Het krijgt hoogstens de schijn van ‘echte’ intelligentie. 

In ‘De filosofie van de vrijheid‘, GA 4, vertaald, gaat Steiner diep in op wat denken eigenlijk is.

Ahriman in het onderwijsalle artikelen

Algemene menskundealle voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3084-2898

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (90)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

GEKAAPT!

Dit boek is het laatste dat Thea Beckman in haar leven schreef. Ze heeft  spannende historische romans geschreven, waaronder ook deze.
Het verhaal speelt zich af in de Hanzetijd, in de Hanzestad Kampen en natuurlijk veel op zee. Daar wordt de jonge hoofdpersoon Gerlof Eekhout op zijn eerste zeereis al door gevaarlijke zeerovers gekaapt en beginnen zijn avonturen. 
Hij ontmoet schipper Simon van Utrecht die een oogje heeft op zijn zus Gese. Maar Gerlofs vader is streng. Hij verbiedt hem op wraakexpeditie mee te gaan. Gerlof is koppig en krijgt de kans de zeerovers hun verdiende straf te doen toekomen. 
Naast de vele historisch interessante feiten is het in deze tijd ook boeiend om te zien hoe de verhoudingen ouder-kind waren. 
Dit alles roept sterk het besef op, dat in de eeuwen die volgen het bewustzijn verandert, maar dat de ‘eeuwig’ menselijke gevoelens: trouw, dapperheid en de liefde door alle eeuwen blijven bestaan. 

Thea Beckman
Omslag: Martijn v.d. Linden

Boek

Uitgeverij Lemniscaat

ca 12jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3083-2897

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 307)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

GA 307        Vertaald

Steiner spreekt in deze voordrachten uitgebreid over handvaardigheid. Hoe dit ertoe bij moet dragen dat je als mens sterker in het leven staat, m.n. ook in het sociale leven. Dat handvaardigheid voor alle leerlingen is, dus in de tijd vrij ongebruikelijk: voor meisjes en voor jongens.
Eveneens weer hoe handvaardigheid en denken met elkaar samenhangen.

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung
Opvoeding en moderne cultuur

Voordracht 11 Ilkley, 15 augustus 1923

Begründung und Einrichtung der Waldorfschule
Grondslagen en inrichting van de vrijeschool

Blz. 195-196    vert. 251

Nun haben wir auf der einen Seite im Waldorfschul-Prinzip durchaus das Ziel, aus dem Menschen heraus den Lehrplan selbst zu schaffen. Sie sehen, wir beachten genau die Lebensepochen, setzen dasjenige in den Klassenunterricht für irgendein Lebensalter, was sich vom Menschen selber ablesen läßt. Auf der anderen Seite haben wir aber auch gar sehr das Ziel, daß der Mensch durch die Schulzeit in der rechten Weise in das soziale Leben hineingesetzt wird, daß er überhaupt in der richtigen Weise in die Welt hineinversetzt werde. Das erreicht man dadurch, daß man nun, wenn das Kind das vierzehnte, fünfzehnte Lebensjahr erreicht, gerade diesen physikalischen, den chemischen Unterricht in einen praktischen Unterricht überführt.
Daher haben wir in den Lehrplan unserer Waldorfschule für diese Lebensjahre solche Dinge aufgenommen, die durchaus den Menschen verständnisvoll in das praktische Leben hineinstellen: Spinnerei, Weberei, mit der Erlernung der entsprechenden Handgriffe. Der Schüler soll wissen, wie gesponnen wird, auch fabrikmäßig gesponnen wird, wie gewebt wird. Er soll die Anfangsgründe auch der chemischen Technologie kennenlernen, Farbenbereitung und dergleichen.

Nu hebben we aan de ene kant in het vrijeschoolprincipe in ieder geval het doel, vanuit de mens het leerplan zelf tot stand te brengen. U ziet, we houden ons precies aan de leeftijdsfasen, we plaatsen datgene in het onderwijs in de klas voor een of andere leeftijd wat zich aan de mens zelf laat aflezen. Maar aan de andere kant hebben we ook wel degelijk het doel dat de mens door zijn schooljaren op de juiste wijze in het sociale leven wordt geplaatst, dat hij überhaupt op de juiste wijze in de wereld wordt verplaatst. Dat bereik je doordat je nu, wanneer het kind het veertiende, vijftiende levensjaar bereikt, juist dit natuurkunde- en scheikundeonderwijs in praktijkonderwijs omzet. Daarom hebben we in het leerplan in onze vrijeschool voor deze levensjaren dingen opgenomen die volstrekt de mens vol begrip in het praktische leven plaatsen: het spinnen, het weven, met het leren van de erbij behorende handgrepen. De leerling moet weten hoe er wordt gesponnen, ook hoe er fabrieksmatig wordt gesponnen, en hoe er wordt geweven. Hij moet de beginselen ook van de chemische technologie leren kennen, het bereiden van kleuren enzovoort.

Er soll ferner durchaus einen praktischen Begriff bekommen von dem, was uns fortwährend im Leben umgibt und das heute noch für viele Menschen, weil die Schule nicht die Möglichkeit findet, im rechten Momente überzugehen von dem Menschlichen zu dem Lebensmäßigen und Weltgemäßen, etwas ganz Unbegreifliches, Unfaßbares ist. Für gewisse Dinge des Lebens geht das nicht, ohne daß der Mensch Schaden leidet an seiner ganzen seelischen Entwicklung.
Man denke nur daran, daß ja der Mensch organisch außerordentlich empfindlich ist, wenn, sagen wir, irgendein Stoff in der Luft ist, den er nicht assimilieren kann, den er nicht in sich aufnehmen kann, wenn irgend etwas, das ihm nicht gemäß ist, in der Luft ist.
Nun, im sozialen Leben, im Leben der Welt verhält es sich allerdings anders. Da müssen wir mancherlei Dinge erleben, die uns vielleicht weniger gemäß sind; aber sie werden uns gemäß, wenn wir ein Verhältnis zu ihnen dadurch gewinnen, daß wir im rechten Lebensalter in der richtigen Weise in sie eingeführt werden.
Denken Sie doch, wie viele Leute heute einen Straßenbahnwagen besteigen, ohne zu wissen, wie so etwas in Bewegung gesetzt wird, wie

Verder moet hij absoluut een praktisch begrip krijgen van dat wat ons voortdurend in het leven omgeeft en wat tegenwoordig nog voor veel mensen geheel onbegrijpelijk, niet te vatten is, omdat de school niet de mogelijkheid vindt op het juiste ogenblik over te gaan van wat overeenkomt met het menselijke naar wat overeenkomt met het leven en met de wereld. Voor bepaalde dingen van het leven gaat dat niet zonder dat de mens beschadigt in zijn hele zielenontwikkeling. Je hoeft er maar aan te denken dat de mens organisch uitermate gevoelig is als, laten we zeggen, de een of andere stof in de lucht zit die hij niet kan assimileren, die hij niet in zich op kan nemen, als het een of ander wat niet bij hem past, in de lucht zit. Welnu, in het sociale leven, in het leven in de wereld is het beslist anders gesteld. Daar moeten we allerlei dingen ervaren die misschien minder bij ons passen; maar ze zullen bij ons gaan passen als we een verhouding ertoe krijgen doordat we op de juiste leeftijd op de goede manier erin worden binnengeleid. Bedenkt u maar hoeveel mensen tegenwoordig in een tram stappen zonder te weten hoe zoiets in beweging wordt gezet,

Blz. 197  vert. 251

der Mechanismus ist. Ja, es gibt Menschen, die sehen jeden Tag die Eisenbahn an sich vorbeifahren und haben keine Ahnung davon, wie der Mechanismus einer Lokomotive ist. Das heißt aber, der Mensch steht da in der Welt und ist umgeben von lauter Dingen, die aus menschlichem Geiste kommen, die menschlicher Geist geschaffen hat, aber er nimmt nicht teil an diesem menschlichen Geiste.
Damit ist überhaupt der Anfang gemacht mit dem unsozialen Leben, wenn wir dasjenige, was menschlicher Geist geschaffen hat, in unserer Umgebung sein lassen, ohne ein entsprechendes, wenigstens allgemeines Verständnis davon zu haben.
Und so wollen wir im Waldorfschul-Prinzip gerade um das vierzehnte, fünfzehnte Lebensjahr herum den Unterricht einströmen lassen in das Lehren und auch in das Handhaben von durchaus lebenspraktischen Dingen.

 hoe het mechanisme werkt. Ja, er zijn mensen die elke dag de trein voorbij zien rijden en geen enkel idee hebben hoe het mechanisme van een locomotief is. Maar dat wil zeggen, de mens staat daar in de wereld en is omgeven van louter dingen die uit de menselijke geest voortkomen, die de menselijke geest heeft geschapen, maar hij neemt geen deel aan deze menselijke geest. Er is überhaupt hét begin gemaakt met het asociale leven als we dat wat de menselijke geest heeft gemaakt, in onze omgeving laten bestaan zonder een adequaat, althans algemeen inzicht erin te hebben. En zo willen we in het vrijeschool-principe juist rond het veertiende, vijftiende jaar het onderwijs laten binnenstromen in het doceren en ook in het hanteren van dingen die beslist in de praktijk van het leven staan.
GA 307/195-197
Vertaald/251-252

Voordracht 12, Ilkley 16 augustus 1923

In de 12e voordracht noemt Steiner – meestal gaat over handwerken – het ‘plastische’ als ‘handvaardigheid’, dat is niet uitsluitend boetseren, maar ook houtbewerking.

Blz. 222     vert. 284

 Auch das Plastische wird möglichst viel gepflegt, allerdings erst etwa vom neunten, zehnten Jahre an und in primitiver Weise. Aber es wirkt ungeheuer belebend auf das physische Sehvermögen des Kindes, auf die Beseelung des physischen Sehvermögens daß das Kind auch in das Formen von plastischen Gestalten in der rechten Weise im richtigen Alter eingeführt werde. Die Menschen gehen ja vielfach so durchs Leben: die Dinge und Ereignisse sind um sie herum und viele sehen das Allerwichtigste nicht. Sehen lernen so, daß der Mensch in rechter Weise in der Welt drinnen steht, das muß man ja auch erst lernen. Und für dieses richtige Sehenlernen ist es ganz besonders fruchtbar, die plastische Betätigung, die das Gesehene vom Kopf ableitet, von den Augen in die Fingerbewegung, in die Handbewegung ableitet, beim Kinde möglichst frühzeitig zu pflegen. Das Kind wird dadurch nicht nur in geschmackvoller Weise hinübergeleitet dazu, daß ihm in seiner nächsten Umgebung, ich will sagen, in seiner Zimmereinrichtung und dergleichen nur das Geschmackvolle gefällt, nicht das Geschmacklose, sondern es wird dadurch auch in der richtigen Weise dazu geführt, in der Welt dasjenige zu sehen, was von der Welt vor allen Dingen in Menschenseele und Menschengemüt hereinkommen soll.

Ook het plastische wordt zo veel mogelijk verzorgd, weliswaar pas ongeveer vanaf het negende, tiende jaar en op primitieve wijze.
Maar het werkt geweldig verlevendigend op het fysieke gezichtsvermogen van het kind, op de bezieling van de fysieke gezichtsvermogens dat het kind op de ware wijze op de juiste leeftijd ingevoerd wordt in het vormen van plastische gestalten. De mensen gaan immers veelal als volgt door het leven: de dingen en gebeurtenissen zijn om ze heen en velen zien het allerbelangrijkste niet. Zó leren zien dat de mens op een goede manier in de wereld staat, dat moet men immers ook eerst leren. En voor dit juist leren zien is het heel erg vruchtbaar de plastische activiteit die het geziene uit het hoofd wegvoert, bij het kind zo vroeg mogelijk te beoefenen. Niet alleen wordt het kind daardoor op smaakvolle wijze ernaar toegeleid dat hem in zijn naaste omgeving, laat ik zeggen, in de inrichting van zijn kamer en dergelijke alleen het smaakvolle bevalt, niet het smakeloze. Nee, daardoor wordt het ook op de juiste wijze ertoe gebracht datgene in te zien wat van de wereld vooral in ziel en gemoed van mensen binnen moet komen.
GA 307/222
Vertaald/284

Voordracht 13, Ilkley 17 augustus 1923

Blz. 227     vert. 294

Sie haben ja gesehen, wir legen einen großen Wert darauf, daß das
Kind nicht nur nach der Seite des Geistes und der Seele ausgebildet
wird, sondern daß es ausgebildet wird als ganzer Mensch nach Geist,
Seele und Körper. Deshalb pflegen wir auch die körperliche Betätigung,
jene körperliche Betätigung namentlich, durch die der Mensch richtig
verständnisvoll ins Leben hineingeführt werden kann.
Und so können Sie bei uns in der Waldorfschule in dem sogenannten
Handarbeitsunterricht Knaben und Mädchen strickend und häkelnd
nebeneinander sitzen sehen. Daß wir damit nichts Unmenschliches,
sondern etwas sehr Menschliches treffen, das können Sie dadurch wahrnehmen, daß tatsächlich mit einer gewissen Begeisterung bei uns die
Knaben Strümpfe stricken und auch Strümpfe stopfen lernen. Sie tun
das, ohne zu glauben, daß ihre männliche Würde dabei in irgendeiner
Weise einen Abbruch erleidet.

U heeft gezien, nietwaar, we hechten er grote waarde aan dat het kind niet alleen naar de kant van de geest en de ziel wordt ontwikkeld, maar dat het ontwikkeld wordt als gehele mens, naar geest, ziel en lichaam. Daarom beoefenen we ook de lichamelijke activiteit, met name die lichamelijke activiteit waardoor de mens echt vol begrip in het leven kan worden binnengeleid.
En zo kunt u bij ons in de vrijeschool in de zogeheten handwerklessen jongens én meisjes naast elkaar zien zitten breien en haken. Dat we daarmee niets onmenselijks, maar iets zeer menselijks doen, dat kunt u daaraan waarnemen dat bij ons de jongens werkelijk met een zeker enthousiasme kousen leren breien en ook leren stoppen. Ze doen dat zonder te denken dat hun mannelijke waardigheid daar ook maar enigszins onder lijdt.

Blz. 228  vert. 294

Nicht so sehr, um diese verschiedenen Künste den Knaben beizubringen, lassen wir sie pflegen, sondern vor allen Dingen darum, daß nach allen Richtungen hin Verständnis entstehe. Denn das ist ja einer der Hauptschäden unserer gegenwärtigen sozialen Zustände, daß der eine Mensch so wenig versteht, was der andere tut. Wir müssen tatsächlich dazu kommen, nicht als abgesonderte einzelne Menschen oder Gruppen dazustehen, sondern mit vollem Verständnis der eine dem anderen gegenüberzustehen. Und was die Hauptsache ist, eine Pflege solcher Handarbeiten macht den Menschen nach den verschiedensten Richtungen geschickt.
Es sieht ja vielleicht etwas paradox aus, aber dennoch bin ich der Überzeugung, daß niemand ein ordentlicher Philosoph sein kann, der nicht in der Lage ist, wenn es nötig wird, sich auch seine Strümpfe zu stopfen oder seine Kleider auszubessern. Wie soll man denn über die größten Weltgeheimnisse irgend etwas auf vernünftige Art wissen, wenn man nicht im Grunde genommen im Notfalle sich sogar seine Fußbekleidungen machen kann. Man kann ja wahrhaftig nicht mit innigem menschlichem Anteil in die Weltgeheimnisse eindringen wollen, wenn man für das Nächste überhaupt nicht die geringste Geschicklichkeit hat!

Niet zozeer om de jongens deze verschillende kundigheden bij te brengen laten we dat doen, maar vooral opdat er in alle richtingen begrip ontstaat. Want het is wel een van de belangrijkste nadelen van onze huidige sociale toestanden dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten in feite zover komen dat we niet als geïsoleerde, afzonderlijke mensen of groepen erbij staan, maar vol begrip tegenover elkaar staan. En wat de hoofdzaak is, het beoefenen van zulk handwerk maakt de mens handig in de meest uiteenlopende richtingen. Het ziet er misschien een beetje paradoxaal uit, maar toch ben ik de overtuiging toegedaan dat niemand een behoorlijke filosoof kan zijn die niet in staat is, wanneer het nodig is, ook zijn sokken te stoppen of zijn kleren te repareren. Hoe kun je nu over de grootste wereldgeheimen iets zinnigs weten als je in de grond van de zaak niet in noodgeval zelfs je voetbekleding kunt maken. Je kunt heus niet met innige menselijke belangstelling in de wereldgeheimen willen binnendringen als je voor wat het dichtste bij ligt helemaal niet de geringste vaardigheid hebt!

Ich weiß, daß das paradox aussieht, aber ich glaube eben, daß sogar ein wenig Verständnis bei einem Philosophen vorhanden sein müsse, wie man Stiefel macht und dergleichen, weil sonst der Philosoph ein Abstraktling wird.
Nun, das sind extreme Fälle, aber ich will durch die extremen Fälle darauf hinweisen, wie das Hinaufsteigen in die höchste Geistigkeit auf der einen Seite, und auch das Hinuntersteigen zu körperlicher Behandlung, körperlicher Pflege, in unserem pädagogischen Prinzip vorhanden sein muß.
Nun, das sind extreme Fälle, aber ich will durch die extremen Fälle
darauf hinweisen, wie das Hinaufsteigen in die höchste Geistigkeit auf
der einen Seite, und auch das Hinuntersteigen zu körperlicher Behandlung, körperlicher Pflege, in unserem pädagogischen Prinzip vorhanden sein muß.

Het ziet er misschien wat paradoxaal uit, maar ik ben er toch van overtuigd dat een filosoof zelfs een beetje verstand zou moeten hebben van hoe laarzen worden gemaakt en dergelijke, omdat de filosoof anders een abstracteling wordt. Welnu, dat zijn extreme gevallen, maar door middel van die extreme gevallen wil ik erop wijzen hoe het opstijgen naar het hoogste geestelijke aan de ene kant en ook het afdalen naar behandeling van het lichamelijke, verzorging van het lichamelijke in ons pedagogische principe aanwezig moet zijn. kunst werkelijk wordt ontwikkeld.
GA 307/227
Vertaald/295

.

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3082-2896

.

.

.