VRIJESCHOOL – Zintuigen – gedachtezin

.

Van Steiners opvattingen over 12 zintuigen blijken de 4 zgn. ‘geestelijke zintuigen’ het moeilijkst te doorgronden.
Met name de ‘gedachtezin’ en de ‘woordzin’.

Maar soms brengen uitkomsten van onderzoek bepaalde gezichtspunten die behulpzaam kunnen zijn bij het begrijpen van deze zintuigen.

In Goetheanum 15 augustus 2024 besteedt Patrick Pfaehler aandacht aan zo’n onderzoek:

.

verwijzingen naar de gedachtezin
.

Onderzoek toont aan dat de hersenen van de spreker en luisteraar aan elkaar gekoppeld zijn. Bewijs van de gedachtezin?

.
Rudolf Steiner beschrijft de gedachtezin als het zintuig om de gedachten van andere mensen waar te nemen. Dit zintuig wordt met name gecultiveerd wanneer je bijvoorbeeld de inhoud van de toespraak van een ander reproduceert voordat je je eigen mening geeft.

Het overheersende model voor communicatie is gebaseerd op het principe van het coderen en decoderen van gedachten met behulp van taal. Stel je het proces als volgt voor: Persoon A heeft een gedachte. Hij codeert die in taal. Hij spreekt. De spraak bereikt het oor van luisteraar B. De luisteraar neemt het geluid waar, decodeert de spraak en herkent uiteindelijk de gedachte van A.
Zoals twee holbewoners in hun grot die communiceren met rooksignalen. Ze nemen elkaar helemaal niet, alleen hun gecodeerde boodschappen.

Is dit echt hoe communicatie werkt? De hersenscan zou dus een tijdsvertraging voor B moeten laten zien, omdat het een moment duurt van A’s denkproces naar B’s gedachtewaarneming.
Precies dit experiment werd in 2010 uitgevoerd voor een onderzoek aan Princeton University. Persoon A werd in een MRI-scanner geplaatst met de opdracht om een verhaal te vertellen. Dit werd opgenomen en de hersenactiviteit gemeten. Op deze manier werden fotografische beelden van de hersenactiviteit verkregen voor elke fractie van een seconde van het verhaal. Nu ging persoon B in de MRI-scanner en het verhaal werd aan hem afgespeeld terwijl zijn hersenactiviteit werd opgenomen. Nu was het mogelijk om te analyseren of de twee hersenen dezelfde patronen vertoonden met een tijdsvertraging. Het resultaat was verbluffend! Voor een groot deel waren de processen absoluut gesynchroniseerd, d.w.z. zonder de minste tijdsvertraging. Soms liep de spreker voor en soms zelfs de luisteraar.

GEKOPPELDE HERSENEN

Het is duidelijk dat communicatie heel anders werkt dan eerder werd gedacht. De auteurs van het onderzoek noemen dit proces neuronale koppeling. Vanuit mijn standpunt is deze term echter al een interpretatie. In het geval van twee synchroonzwemmers spreken we niet van koppeling maar alleen van synchronie. Tijdens een lezing luisteren we naar een spreker. We horen deze spreken met onze oren, maar we gaan al snel mee in de gedachten van de spreker. We gaan helemaal op en zitten tegelijkertijd in dezelfde gedachte. Soms voorzien we wat er gaat gebeuren, maar soms worden we verrast door een plotselinge zinswending of gedachtesprong. Deze eenvoudige observatie wordt nu volledig bevestigd door het onderzoek. We zijn niet de eenzame holbewoners, maar als luisteraars zijn we mentaal één met de ander. Naar mijn mening geeft dit onderzoek een duidelijke indicatie van het bestaan van de gedachtezin en biedt het een compleet nieuwe benadering om communicatie te begrijpen.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen – alle artikelen

.

(1-1) Schilderen
Henk van Oort over: de verschillende kunsten en hun verschillen; nat-in-nat-schilderen; het afwezig blijven van scherpe belijning, geeft het levende meer kans.   

(1-2) Hoe kinderen met waterverf schilderen
Brunhild Müller
over: hoe schildert een kleuter (voorbeelden); wat kleuren bij jongere kinderen oproepen; met waterverf schilderen met de oudere kinderen; wat waterverf voor deze leeftijd voor heeft op andere verven.

(2) Kunstzinnig werken, schilderen en tekenen 
Pieter HA Witvliet over: een aantal verwijzingen naar boeken over schilderen en tekenen, n.a.v. wat er op Pinterest verscheen aan inhoud van het boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben’

(3) Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’,

(3-1) Schilderen in de 1e klas
Pieter HA Witvliet over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, blz. 36 en 37 met eigen woorden weergegeven met een eigen reeks aan gezichtspunten en praktische aanwijzingen voor de schilderles(sen), vele door ervaring verkregen. Aanwijzingen die ook voor klas 2 en 3 (nog) belangrijk zijn.

(3-2) Schilderen in de 1e klas 
Zie (3-1) Aanwijzingen voor ‘kleurtonen’; oefeningen waarbij de kleuren elkaar afwisselen; Aanwijzingen die ook voor klas 2 en 3 (nog) belangrijk zijn.

(3-3) Schilderen in de 1e klas
Zie (3-1) Schilderen op gekleurd papier; oefeningen waarbij de kleuren elkaar afwisselen; Aanwijzingen die ook voor klas 2 en 3 (nog) belangrijk zijn.

(3-4) Schilderen in de 1e en 2e en 3e klas
Zie (3-1) Kleurverhalen: n.a.v. een klein verhaal wordt dit verbeeld met de bijpassende kleuren; 

(3-5) Schilderen n.a.v. de vertelstof

(3-6)
(3-7)

(3-8) Schilderen in klas 4
Pieter HA Witvliet over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over het schilderen van dieren.

(3-9) Schilderen in klas 5
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over het schilderen van planten.

(3-10) Schilderen in klas 6 – 8
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over de techniek van het sluieren; papier, de laagjes; materialen; thema’s; voorbeelden.

(3-11) Schilderen in klas 6 – 8
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over schilderen en tekenen van landkaarten; waar moet je op letten; kleurkeuze; technieken; voorbeelden.

(3-12) Schilderen in klas 6 – 8
Zie (3-1)over: het boek van Jünemann en Weitmann ‘Der künstlerische Unterricht’, over schilderen van natuurstemmingen; techniek; onderwerpen (zonsondergang, regenboog); 6e klas mineralogie; voorbeelden.

.

Vormtekenen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3298-3104

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Schilderen – 1e klas (3-1)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

.
N.a.v. blz. 36  38

Als kinderen in een 1e klas voor het eerst schilderen, kun je bij het waarnemen daarvan veel verschillende indrukken opdoen.
In het boek wordt geschreven over een kleine, enigszins gedrongen jongen, die al zijn aandacht erop richt om zijn rood zo sterk mogelijk te krijgen dat hij naast het blauw heeft geschilderd. Hij doet dat heel voorzichtig en legt telkens zijn penseel neer en wrijft dan a.h.w. het rood naast het blauw.

[Wanneer je je huis opknapt en de deuren schildert, spreekt je ook van schilderen, met een kwast. Hier zul je het woord ‘penseel’ niet gebruiken.
Wél het woord ‘verven’, dat dan weer minder past bij het schilderen als schoolvak.]

En dan is er een donkerharig meisje dat met haar penseel snel hier wat gele, daar wat roodachtige en daar weer wat blauwe kleuren neerzet. De gele maakt ze groter. Ze lijkt het heel blijmoedig te doen en ze straalt als ze op het blad wijst: ‘Een bloemenweide!’

Als volwassene kan je de ervaring opdoen dat wanneer je schildert, je de omgeving intenser gaat waarnemen, b.v. de kleuren in de lucht of de rijkdom aan groentinten bij bomen en struiken.
Hoe zou dat bij een kind zijn?
We mogen ervan uitgaan dat kinderen in staat zijn zeer intensief waar te nemen – zie b.v. de artikelen over nabootsen.
Het moet haast wel zo zijn dat we door kleur aan te bieden – al in de kleuterklas – het kind deze kleur sterk in zich opneemt. Die kleur ziet het ook in de wereld om zich heen. En de kleur beleeft het natuurlijk niet alleen bij het schilderen en tekenen, maar ook aan de voorwerpen waarmee het speelt.

In het boek wordt het voorbeeld gegeven van een moeder die met haar meisjes langs een tuin loopt. De kleinste, een jaar of zes, stopt en kijkt aandachtig naar de rode tulpen in een bloembed. Dan kijkt ze verbaasd naar haar rode rok en vraagt: ‘Wat zijn dat?’ De moeder, inmiddels verder gelopen, roept: ‘Tulpen’. Het kind kijkt afwisselend naar haar rok en naar de bloemen, dan loopt het verder en herhaalt: ‘Tulpen’.

De eenvoudige kleuroefeningen in de eerste drie jaar zijn zeker ook oefeningen voor de zintuigen: o.a. gezichtszin er wordt iets natuurlijks aan het oog aangeboden; het bewegen van het penseel over het papier is verbonden met de tastzin, maar ook met de bewegingszin en kan zelfs met de evenwichtszin verbonden worden als er een ‘in evenwicht-zijnde’, een ‘harmonische’ schildering tot stand komt. 
Het kind is bezig met kleur en dat is – uitgaand van Goethe – ook met kwaliteiten die in het gevoel mee-beleefbaar zijn, er is dus meer dan alleen de stoffelijke verf: er is ook een spirituele dimensie.

Dan volgen er aanwijzingen over hoe je je les zou kunnen geven.

Vanuit het oogpunt van ‘ritme’ – het zich herhalend vertonen – is het goed het hele jaar door wekelijks op een vaste dag te schilderen. En ‘alles wat ritmisch is, vormt de wil’. [1]
[Mij werd destijds niet zo in detail meegedeeld hoe je het best te werk kan gaan en ik moest door – letterlijk – schade: gevallen en gebroken waterpotten, leren dat een bepaalde volgorde belangrijk is. Ook voor de kinderen: gewoontevorming (sterkt het etherlijf).
Ik geef hier een aantal persoonlijke gezichtspunten weer, wat niet wil zeggen dat het allemaal per se zo moet.
In het boek wordt in het hoofdonderwijs geschilderd. Dat kan in een lagere klas natuurlijk, in een hogere zal je die tijd voor de periode kunnen gaan missen.
Als je opmerkingen van Steiner erbij neemt over wanneer welk vak, pleiten deze wat de schilderles als kunstzinnig vak betreft, voor na het hoofdonderwijs, zelfs voor in de middag.
Dat kan dan heel goed na de ‘grote pauze’. In die pauze kan de ‘klassendienst’ al het nodige voorbereiden, zodat dit niet van de lestijd afgaat.
In het allereerste begin zal je zelf veel moeten (voor)doen, maar daarna kunnen de kinderen al veel zelf (en willen dit vaak ook graag).
De waterpotten kunnen alvast worden gevuld – neergezet op een veilige plaats (achter in de klas?), maar nog niet op de tafels/banken van de kinderen die nog moeten binnenkomen.
De schilderplanken en de sponsjes en penselen kunnen worden uitgedeeld. Maar nog geen waterpotten en de verf(potjes). Penselen van 2, 2½ cm zijn aanvankelijk prima.
Nu moeten de kinderen natuurlijk bij ieder binnenkomen zich rustig gedragen, maar het zijn kinderen en dat gebeurt niet altijd. En als er dan toch iets te wild gebeurt, verschuift de al klaar liggende schilderplank en neem meestal wel wat meer mee dat op de tafel ligt, in dit geval dus water en verf. Dus dat werd later uitgedeeld.
De schildertechniek van de eerste jaren is ‘nat-in-nat’, wat betekent dat het papier min of meer door en door vochtig moet zijn. Dat kan door de vellen in een grote bak met water te dompelen (een voor een!) en even te laten liggen.
Als je ze eruit haalt, druipt het en als je niet wacht, ontstaan er overal druppelsporen. Als daar doorheen gelopen wordt met vuile zolen, ziet je klas er niet uit en de schoonmaakploeg zal niet blij zijn.
Dan kan je de kinderen een voor een met de plank naar je toe laten komen, vel erop en weer zitten. Maar dat geeft veel geloop en onrust, stoten, enz.
In het boek zijn de vellen nat gemaakt in de gootsteenbak en komen de kinderen per rij daarheen gelopen
Je kan alle vellen tegelijk pakken, uit laten druipen en met de stapel ergens naar een plank lopen, en vandaar uitdelen, eventueel vanaf meerdere plaatsen.
Maar ook dat is nog niet zo eenvoudig dan dat de kinderen vóór het schilderen de plank gaan nat maken. Ook vanaf de 1e les! 
Sponsje nat in de waterfles – die moet daarvoor niet te klein zijn – hier en daar boven de plank uitknijpen, nog eens, water verdelen en dan kan je bij wie het in orde is het vel zelf op de plank leggen, het kind kan dan meteen verder. Dus: weer spons in de waterpot, uitknijpen boven vel, water verdelen, de tijd geven om in te trekken, nog eens water erop en eventueel nog eens. Vel omkeren, proces herhalen. Dan vanuit het midden naar alle kanten voorzichtig droger wrijven, net zo lang tot het papier mooi vochtig is en er geen waterfilm meer op ligt, dat het niet te veel meer glimt.
Er mogen natuurlijk geen vouwen in zitten. Hierbij moeten de kinderen leren niet te stevig over het papier te gaan, zodat het niet gaat korrelen. ‘Er is wel water, maar we willen geen visjes’. Ook het water dat op de plank, om de randen van het papier ligt, moet weg.
Als dan alles klaar is en je gecontroleerd hebt of het overal in orde is, kan er geschilderd worden. Dan pas gaan de deksels van die potjes die we nodig hebben.
Maar wat gaan we schilderen. Als je dan nog een uitleg van de opdracht moet geven, zitten de kinderen er helemaal klaar voor, maar moeten weer wachten! (terwijl het papier weer gaat opdrogen). 
Dus: mijn ervaring is: vertel de opdracht, geef aanwijzingen, ook ‘technische’ van te voren. Of doe dingen voor, zoals hoe de penseelstreek gaat: o.a. niet tegen de haren in. Het boek doet de suggestie om de kinderen een droge penseel over de eigen hand te laten gaan. 
Andere technische aanwijzingen kunnen zijn: hoe maak je mooi egale kleurvlakken; hoe je met het penseel een teveel aan verf weer kan opnemen; wat is te droog en hoe los je dat op en omgekeerd; hoe neem je kleur op het penseel; het afstrijken langs de rand van het potje e.d. meer.
De verf uit een potje met een dekseltje moet eerst worden omgeroerd, vooral over de bodem. Dat is ook een techniek.
Maak van te voren zelf altijd een voorraad van de verf die je gaat gebruiken en bewaar die in iets wat je goed kan afsluiten. Tijdens de les kan het gebeuren dat je bij een kind iets bij moet gieten, dan is een trechtertje handig.

En als alle voorbereidingen zijn gedaan: meteen beginnen.

Op vele afbeeldingen van een schilderles op bv. Pinterest, zie je de kinderen zitten.
Ik leerde op cursussen in Stuttgart: de kinderen staan en mijn ervaring is dat dit voor ‘het overzicht’, voor even afstand nemen, ook voor de armbewegingen te verkiezen is.

Ook bij het opruimen is het verstandig een vast patroon aan te leggen.
Als een kind echt klaar is: eerst de deksels op de potjes, de waterpot leeg- en omspoelen (niet meer dan 3 tegelijk bij de kraan), schone! pot op z’n plaats, verfblok op z’n plaats, behalve natuurlijk als de buurman die het ook gebruikt, nog bezig is. Penseel schoonspoelen en voorzichtig de haren drogen. (doekjes!)
Dan pas schilderplank in de schilderkast. Horizontaal houden en voorzichtig lopen, dat je een ander niet stoot. 
Als het papier tijdens het opdrogen in de kast (sterk) gaat golven (zodat je het zou willen strijken) is de kwaliteit niet zo goed.
Dan zou je het papier op 4 hoeken met geschikt plakband strak moeten vastplakken vóór je het nat maakt. Dat is een hele organisatie, maar komt het resultaat dan wel ten goede.

In GA 300C dringt Steiner erop aan om het papier vast te plakken.

.
Navraag leerde dat het vastplakken nauwelijks wordt gedaan.
Iemand merkt op:
Als Kunstzinnig Therapeut Beeldend leg ik het ‘Zweeds therapeutenpapier’ bij het nat-in-nat schilderen zónder het vast te plakken op de schilderplank. Ik maak het papier aan beide zijden nat met een (natuur)spons en ik maak het daarna waar nodig weer iets droger met een stukje van een laken erop, vooral wanneer de cliënt iets te veel water heeft gebruikt. Bij het neerleggen zorg ik dat het papier goed plat ligt, zonder luchtbellen eronder. Vastplakken van het schilderpapier doe ik alleen bij sluieren, maar dat is een hele andere techniek, waarbij je een nat papier echt opspant, maar daarna juist schildert op het opgedroogde papier. De nat-in-nat schildering bobbelt soms inderdaad een beetje na het opdrogen, maar dat vind ik geen probleem. Ik zorg wel altijd dat het langzaam aan de lucht droogt en niet in de volle zon of boven een verwarming.

Vaak komt het voor dat de kinderen wel vinden dat ze klaar zijn. Dat is soms ook zo, maar dikwijls zal er wel iets zijn ter verbetering. Dus ga je, na de melding ‘ik ben klaar’ naar het kind toe en dan kan je per kind aanwijzingen geven zodat ieder op zijn beurt verder komt. Het klassikale wordt daar individueel!

De kinderen die echt klaar zijn, kunnen nu als laatste de verf die op de plank is gekomen, rondom de schildering weghalen.
Dat hoort – niet zoals dit:

m.i. ook bij het esthetische, bij eerbied, bij aandacht, bij verzorging.

En als ze dan alles hebben opgeborgen, gaan ze een stil werkje doen: anderen zijn immers nog bezig en mogen niet worden afgeleid. 

In het boek wordt de suggestie gedaan dat wanneer er ’s morgens (in het hoofdonderwijs) is geschilderd, de schilderingen ’s middags te bespreken. 
Dat is in zekere zin wel snel, vaak is het papier toch nog niet droog en het kan scheuren als je het van de plank haalt. Dat mag niet!
Dat zou je dan de andere dag moeten doen. Wat weer niet kan als je vrijdag schildert.

Ik vond het op zeker ogenblik zinvol om vóór de nieuwe schilderles, de resultaten van de vorige dan pas te bespreken: wat was de opdracht en waar is dat gelukt, vind je. Bij zo’n vraag moeten de kinderen naar alle schilderingen kunnen kijken, dus moeten die overzichtelijk zichtbaar zijn. Dat kan door ze op te hangen. Of, wat ik ook vaak deed, er een stuk of 6 naast elkaar (met tussenruimte) tegen het bord, in de krijtbak, te zetten.
Wat vinden de kinderen ‘gelukt’ en waarom. Het is goed dat ze dit leren verwoorden en dat ze de verbeterpunten zien. 
Van de gelukte schilderingen kunnen ze leren, maar ook van de minder gelukte (hoe dat te bepalen is niet zo makkelijk) en ook kan je technische onvolmaaktheden laten zien. Dat alles kan weer een impuls bij de nieuwe opdracht zijn.
In vele klassen hangen de schilderingen dan nog een poosje aan de muur. Ook dat kan willekeurig of anders gerangschikt. 
Laat ze zeker niet te lang hangen.
En: HOE hang je ze op: 

Slordig:

Veel verzorgder:

Geen openingen: onoverzichtelijker:

Kleine tussenruimte: meer overzicht:

.

Ik bewaarde alle schilderingen van het hele jaar in een map per kind om van tijd tot tijd eens te kijken hoe het met de ontwikkeling staat, wat ook weer in het getuigschrift moet komen.
Dan moet er uiteraard een naam en een datum op de schildering komen. Die moet je er in ieder geval op zetten vóór het papier nat wordt, als het nat is gaat het scheuren als je erop schrijft. Achteraf erop zetten kan ook, maar dat vraagt extra organisatie en dat is meestal lastiger.  

Hoe je het ook organiseert, het mag niet wanordelijk verlopen, geen chaos. Goede gewoontevorming, vaste patronen, het liefst vanaf de allereerste les in de 1e klas. Of als nieuwe leerkracht in een hogere.
Schilderen is vooral ook eerbied. 

Voetnoten boek:

Als ondergrond voor het papier gebruiken we hardvezelplaten van 6 mm dik, ca. 36 x 52 cm. Het is raadzaam om ze te beschermen met een laag matte grijze vernis of een dunne laag olie.

Het volgende papier wordt aanbevolen: 1. houtvrij, vrij dik tekenpapier, 2. goedkoop aquarelpapier, 3. absorberend papier. Het is belangrijk om papier en kleuren op elkaar af te stemmen. Als je tekenpapier gebruikt, moet het ook worden opgespannen voor nat-in-nat-schilderen, omdat het sterke vouwen vormt. Bij absorberend papier hoef je het niet op te spannen. Aquarelpapier wordt dubbel geleverd, maar je kunt het van tevoren op maat laten snijden.

Porseleinen of glazen zalfpotjes, verkrijgbaar bij de groothandel, kunnen worden gebruikt als schilderkommen. Plastic potjes zijn niet erg stabiel en kantelen gemakkelijk.
De eveneens bij Mercurius afgebeelde open schaaltjes hebben als nadeel dat er meestal te veel verf in wordt geschonken, dat later dan weer in een voorraadpot terug moet, waarbij altijd (dure) verf verloren gaat. Bij een potje met een deksel heb je dat niet.

Ik vond dit heel fijn materiaal. (Niet vergeten de blokken schoon te houden en vooral de potjes: de rand onder het deksel!)
Als je de penselen staande bewaart, blijft er altijd water in de ijzeren hulsjes achter, die gaan t.z.t. roesten. Dus: heel goed laten drogen (zon, verwarming, dan staan of liggen, of ondersteboven ophangen.

Kleine kunststof sponsjes worden gebruikt voor het bevochtigen en afvegen van het papier, natuurlijke sponsjes zijn nog beter maar duurder. 

Het papier wordt op de planken bevestigd met plakstrips van stevig papier, vooral wanneer je ‘sluiert’. [ik gebruikte de op school aanwezige banderolle-plakstrip.] Voor nat-in-nat-schilderen is bevochtigen voldoende voor sommige papiersoorten. De 6 basiskleuren van de firma Stockmar in Kaltenkirchen worden in Nederland geleverd door de firma Mercurius.

Zie ook: ‘Schilderen op school

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Vormtekenen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3297-3104

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – 7 thema’s (5)

.

De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. 
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, b.v. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)

Blz. 31

Schulbewegung

Von der Waldorfschule in Stuttgart ist die anthroposophische Schulbewegung ausgegangen. Rudolf Steiner betonte die große Verantwortung, die ihrer Lehrerschaft damit zufiel. „Die ganze zivilisierte Welt schaut auf die Waldorfschule” (2/75, 77).
Rudolf Steiner baute diese Bewegung auf durch die große Zahl von Vorträgen und Kursen, die er über Pädagogik abhielt. Zuerst waren es die Vorträge während der Dreigliederungsbewegung, in denen er, zum Beispiel für den Verein junger Lehrer und Lehrerinnen in Stuttgart am 19. Juni 1919, die entstehende Schule und ihre Pädagogik hinstellte als ein praktisches Beispiel für eine „freie” Schule, eine

De antroposofische schoolbeweging begon op de vrijeschool in Stuttgart. Rudolf Steiner benadrukte de grote verantwoordelijkheid die op de docenten rustte. “De hele wereld kijkt naar de vrijeschool” (2/75, 77).
Rudolf Steiner bouwde deze beweging op door het grote aantal lezingen en cursussen die hij gaf over opvoeding. Aanvankelijk waren het de lezingen tijdens de driegeledingsbeweging, waarin hij bijvoorbeeld voor de vereniging van jonge leraren in Stuttgart op 19 juni 1919, de nieuwe school en haar pedagogie presenteerde als een praktisch voorbeeld van een “vrije” school, een school die

Blz. 32

Institution des vom Staate, soweit als damals möglich, losgelösten
Geisteslebens (Liste Nr. 84).
Dann folgte im August/September 1919 der große dreigeteilte Kurs, in dem er die künftigen Lehrer der Waldorfschule für ihre Aufgabe vorbereitete (Liste Nrn. 4—6). Dieser Kurs wurde in jedem folgenden Jahre fortgeführt durch eine kürzere oder längere Reihe von Vorträgen für die Waldorflehrer (Liste Nrn. 13, 17, 21, 28). Noch weitere Vorträge waren schon in Aussicht genommen, konnten aber nicht mehr ausgeführt werden (Einleitung S. 59).
Zu Ostern 1923 trat die Schule zum ersten Male vor die Öffentlichkeit mit der Stuttgarter „Künstlerisch-pädagogischen Tagung”, auf der Rudolf Steiner drei Vorträge und drei Ansprachen hielt (Liste Nr. 25). Im folgenden Jahr, Ostern 1924, wurde die „Erziehungstagung” veranstaltet, die fünf Vorträge Rudolf Steiners in sich schloß (Liste Nr. 29).
Zu diesen Kursen kamen die vielen Vorträge und Ansprachen Rudolf Steiners hinzu, die er sonst noch im Rahmen der Waldorfschule hielt: für die Eltern (1/110, 2/269), bei den Mitgliederversammlungen des Waldorfschulvereins (2/81), und ganz besonders die herrlichen Ansprachen an Kinder, Lehrer und Eltern bei den Monatsfeiern (1/112) und bei den Feiern zu Schuljahrsbeginn und Schuljahrsende (1/152, 157, 2/17, 36). Alle diese Vorträge und Ansprachen sind enthalten in „Rudolf Steiner in der Waldorfschule. Ansprachen . . .”, Stuttgart 1958 (Liste Nr. 8).

als een deel van het geestesleven dat losstaat van de staat, voor zover mogelijk op dat moment. GA 330/ 331, met in 330 de 11e vdr. ‘De opdracht van de scholen en de sociale driegeleding’  (niet vertaald)
In augustus/september 1919 volgde de grote driedelige cursus, waarin hij de toekomstige leraren van de vrijeschool voorbereidde op hun taak  (GA 293, 294, 295). [nadere gegevens over deze voordrachten en de hierna genoemde] Deze cursus werd in elk volgend jaar voortgezet met een kortere of langere reeks voordrachten voor de vrijeschoolleraren ( GA 302, GA 302A). Er werden nog meer voordrachten gepland, maar die  konden niet meer gerealiseerd worden. (Inleiding p. 59).
Met Pasen 1923 trad de school voor het eerst in de openbaarheid met de ‘kunstzinnig-pedagogische conferentie’ in Stuttgart, waar Rudolf Steiner drie voordrachten gaf en drie toespraken hield. (GA 304A)
Het jaar daarop, met Pasen 1924, werd de ‘Opvoedingsconferentie’ georganiseerd, met vijf voordrachten van Rudolf Steiner (GA 308).

Bij deze cursussen kwamen de vele andere voordrachten en toespraken die hij in het kader van de vrijeschool hield: voor de ouders (1/110, 2/269), op de algemene vergaderingen van de vrijeschoolvereniging (2/81) en vooral de prachtige toespraken tot kinderen, leraren en ouders bij de maandelijkse vieringen (1/112) en bij de vieringen aan het begin en einde van het schooljaar (1/152, 157, 2/17, 36). Al deze voordrachten en toespraken zijn opgenomen in GA 298

Rudolf Steiners Bemühen, die Waldorfschule und ihre Pädagogik
bekanntzumachen, wurde gestützt durch eine wachsende Zahl von Vorträgen, die von den Lehrern gehalten wurden. In den Konferenzen sind sie kaum erwähnt.
Als eine Art Antwort kamen an die Schule vielfache Wünsche, sie
besuchen und an ihrem Unterricht hospitieren zu dürfen (1/165). So wird die Anwesenheit von englischen Lehrern erwähnt (2/191, 207—211). Damit die Schule nicht mit Hospitationen überlaufen werde, wurde festgesetzt, daß nie mehr als drei Besucher gleichzeitig in einer Klasse zuhören dürften (3/191).
Auch als die eigentliche Dreigliederungszeit vorüber war, hat Rudolf Steiner in allen Vorträgen, in denen es durch innere Verbindung mit dem Thema gegeben war, auf die Freiheit des Geisteslebens hingewiesen. Dabei versäumte er wohl nie, in kürzeren oder längeren Ausführungen auch von dem praktischen Beispiel, von der Stuttgarter Schule zu sprechen.
Aber die Zuhörer wollten mehr darüber wissen und baten ihn um

Rudolf Steiners inspanningen om de vrijeschool en haar pedagogie bekend te maken, werden ondersteund door een groeiend aantal voordrachten van de leraren. In de vergaderingen worden deze nauwelijks genoemd.
Als een soort antwoord kreeg de school veel verzoeken om die te kunnen bezoeken en lessen te zien.  (1/165). Zo wordt er gesproken over de aanwezigheid van docenten Engels. (2/191, 207-211). Om te voorkomen dat de school overspoeld zou worden met stagiaires, was bepaald dat er nooit meer dan drie bezoekers tegelijkertijd in één klas mochten meeluisteren (3/191).
Ook toen de eigenlijke driegeledingsbeweging voorbij was, benadrukte Rudolf
Steiner als het harmonisch bij het thema paste, de vrijheid van het geestesleven
Daarbij liet hij nooit na om in kortere of langere opmerkingen over het praktische voorbeeld van de school in Stuttgart te spreken.
Maar de toehoorders wilden er meer over weten en vroegen hem naar

Blz. 32

ganze Kurse über Waldorf-Pädagogik. Rudolf Steiner hielt den ersten Kurs schon 1920 vor den Basler Lehrern (Liste Nr. 12). Dem folgten außer in Dornach (Nrn. 19, 26) noch Kurse in Oxford, Ilkley, Bern, Arnheim, Torquay (Liste Nrn. 22, 27, 30, 32, 33).
Alle diese Vorträge wurden weniger aus dem Interesse für freies Kulturleben aufgenommen, sondern in erster Linie von Lehrern und Eltern, also in Gedanken an konkrete Kindergruppen. Deshalb war der Erfolg zunächst die Gründung neuer Waldorfschulen, nicht nur in Deutschland (Hamburg, Köln, Essen), sondern auch in England und Holland (Liste Nrn. 147,148,149).
Viele Pläne kamen damals über gute Absichten und Vorbesprechungen nicht hinaus, so die von Paris (1/166), Berlin (1/178), Norwegen (2/100), Nürnberg (3/191). Auch die Basler Hoffnungen blieben noch in Vorverhandlungen stecken. Anfänge zu einer Schule in Dornach wurden gleich anfangs durch Einspruch der Behörde im Keime erstickt (2/50), weil die Schulgesetze des Kantons Solothurn keine privaten Volksschulen zuließen. Man mußte sich 1921 begnügen mit einer Fortbildungsschule für die nicht mehr Schulpflichtigen, mit der späteren ,,Friedwart-SchuIe” (3/44,143).

hele cursussen over vrijeschoolonderwijs. Rudolf Steiner gaf de eerste
cursus voor de leraren in Bazel al in 1920 (GA 301). Daarna volgden
Dornach (GA 303, GA 306) en cursussen in Oxford, Ilkley, Bern,
Arnhem, Torquay (GA 305, GA 307, GA 309, GA 310, GA 311).
Al deze voordrachten werden niet zozeer gevolgd uit interesse in het vrije
culturele leven, maar vooral door leraren en ouders, d.w.z. met specifieke groepen kinderen in gedachten. Daarom was het eerste resultaat  de oprichting van nieuwe vrijescholen, niet alleen in Duitsland (Hamburg, Keulen, Essen), maar ook in Engeland en Nederland:

The King’s Langley Priory School. De directeur, Miss Margaret Cross, voerde
begin 1923 daar de vrijeschoolpedagogie in. (De school werd 2019 gesloten)
De Vrije School in Den Haag. Geopend 1923. In 1924 waren er ca. 100 leerlingen.
The New School London. Geopend 1925. Later: Michael Hall in Forest Row.

Veel plannen kwamen in die tijd niet verder dan goede bedoelingen en voorbesprekingen, zoals die in Parijs (1/166), Berlijn (1/178), Noorwegen
(2/100), Neurenberg (3/191). De hoop van Bazel bleef ook nog steeds steken in voorbereidende onderhandelingen. Het begin van een school in Dornach werd in de kiem gesmoord door bezwaren van de autoriteiten (2/50) omdat de schoolwetten van het kanton Solothurn geen particuliere basisscholen toestond. In 1921 moest men genoegen nemen met een school voor voortgezet onderwijs voor degenen die niet langer leerplichtig waren, de latere “Friedwart School” (3/44,143).

Aber alle diese Schulgründungen, so erfreulich sie waren, entsprachen doch ganz und gar nicht dem, was Rudolf Steiner in der Dreigliederungszeit erhofft hatte. Es wurden keineswegs in kürzester Zeit „viele” solcher Schulen eingerichtet. Die Waldorfschule blieb „Modell” (1/289) mit nur sehr wenigen Nachfolgeschulen. Dennoch waren es die wenigen Waldorf- und Rudolf Steiner-Schulen außerhalb Deutschlands, die, zum Teil erst nach Rudolf Steiners Tode gegründet, die Waldorf-Pädagogik in der Praxis am Leben erhielten, als in den dreißiger Jahren die deutschen Schulen verboten wurden.
Auch heute (1975) ist Rudolf Steiners Ziel nicht erreicht, obwohl die Zahl der Schulen bis auf 105 hinaufging. In Deutschland sind es 46, im übrigen Europa 36 und in den außereuropäischen Erdteilen 23 Schulen.

Maar al deze schoolstichtingen, hoe verheugend ze ook waren, kwamen helemaal niet overeen met wat Rudolf Steiner had gehoopt in de tijd van de driegeleding In geen geval waren er “veel” van zulke scholen die in zeer korte tijd werden opgericht. De waldorfschool bleef “model” (1/289) met maar zeer weinig navolgende scholen. Toch waren het de weinige vrijescholen en Rudolf Steinerscholen buiten Duitsland, waarvan sommige pas na de dood van Rudolf Steiner werden opgericht die het vrijeschoolonderwijs in de praktijk levend hielden, toen de Duitse scholen in de jaren 1930 werden verboden.
Tot op de dag van vandaag (1975) is het doel van Rudolf Steiner niet bereikt, hoewel het aantal scholen is gestegen tot 105. In Duitsland zijn het er
46, in de rest van Europa 36 en in de niet-Europese continenten
23 scholen.
(In aug. 2024 waren er over de hele wereld 1283 scholen en 1900 kleuterklassen)
.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3296-3103

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Is het alles goud wat er blinkt……..? (2)

.

Pieter HA Witvliet

.
Pinterest ter inspiratie???
.

Toen ik op deze blog ooit illustraties had gezet, zag ik die een poos later terug bij Pinterest.
Ik zal er wel toestemming voor hebben gegeven, of niet, feit is: ze stonden er en ze staan er nog: je kan ze niet verwijderen.

Er bleek toen al veel ‘vrijeschoolmateriaal’ op te staan.
Dat is er dus ook wetend of onwetend op terechtgekomen.

Dat leidde ertoe dat ik voor bepaalde onderwerpen – het handwerken bijv. – op zoek ging naar voorbeelden.

Ik kan me zo voorstellen dat je als beginnend leerkracht ook zoekt naar wat je gebruiken kan.
Degene van wie het materiaal is, zou er dus alleen maar dat op moeten zetten wat nabootsingswaardig is.
Of een bepaalde toelichting waarom het er in die vorm staat.
Maar die ontbreekt vaak en niet altijd kom je op de plaats waar het werk aanvankelijk eerst stond.

Degene van wie er voorbeelden op Pinterest verschijnen, zou zich m.i. bewust moeten zijn van deze voorbeeldfunctie.

(Bord)tekeningen

“Van huis uit’ ben ik niet zo kunstzinnig.
De aanleg die er misschien wel (een beetje) was, werd op mijn basisschool – toen nog ‘lagere school’ genoemd – zeker niet gestimuleerd, eerder gefrustreerd. Mijn leerkrachten wisten en/of konden ook niet beter.

Toen ik op de vrijeschool kwam te werken, móest ik me wel inzetten om mijn geringe talenten te verbeteren.
Ik oefende en oefende.
(Ik mag nu wel bekennen dat mijn vrouw – veel kunstzinniger dan ik – me van tijd tot tijd aan een mooie bordtekening hielp).

En ik volgde cursussen. M.n. op de waldorfschool in Stuttgart waar ieder jaar de zgn. ‘Herbsttagung’ werd gehouden.
Vooral aan het schilderen werkte ik. En zo kreeg ik meerdere jaren les van Frau Berthold en Frau Jünemann*. Naast het schilderen op zich, kwamen er ook allerlei pedagogische aspecten aan de beurt, zoals bv. ‘als gewoonte staan de kinderen als ze schilderen’.

Zo leerde ik overtuigend – laat ik een concreet voorbeeld noemen – dat het schilderen van een plant niet begint met de plant, maar met de omgeving.
Als je Steiner leest over plantkunde is dat ook niet zo verwonderlijk.
De realiteit is dat eerst de elementen werkzaam zijn, dan wel worden: in het voorjaar de warmte, maar uiteraard ook de aanwezigheid van water, lucht en licht.
Als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de plant zich laten zien.

En wat voor het schilderen geldt, geldt ook voor het tekenen en voor de bordtekening.
M.a.w.: in de tekening kan in principe als achtergrond geen zwart – het bord – aanwezig zijn.
Ik zeg: in principe, want het hoeft niet een rigide dogma te zijn: wellicht is het een keer wél zinvol.
Maar vanuit een kunstzinnig standpunt kan het niet.

In een vorig artikel besteedde ik aandacht aan ‘bordtekeningen’.

Vele vrijeschoolleerkrachten over de hele wereld maken ze en omringen de kinderen daarmee met prachtige illustraties die te maken hebben met wat in de klas op dat ogenblik wordt behandeld, of om een jaarfeest te illustreren.

OpVRIJESCHOOL in beeldvind je er talloze.

Omdat ik het dus zelf niet makkelijk vond, bewonder ik des te meer wat collega’s over de hele wereld voor elkaar krijgen.
Het is dus geen negatieve kritiek wat ik hieronder opmerk, maar veeleer een stimulans, een uitdaging het nóg mooier te krijgen – in die gevallen waar dat kan én m.i. nodig is.

Dit m.i. is eigenlijk o.a. dat wat ik leerde van Jünemann die haar ervaringen bundelde in Tafelzeichnen‘.

Het gaat om het totaalbeeld, wat zoiets wil zeggen als: gebruik het hele bord, of anders gezegd: laat op het bordgedeelte waarop je tekent, geen ‘gewoon bord’ bestaan, geen onbewerkte zwarte of groene achtergrond.

Nu terug naar Pinterest.

Daar staan voorbeelden van hoe het moet/zou kunnen, maar – en daar verbaas ik me over – ook voorbeelden van hoe het niet moet.

De vraag is natuurlijk: weet degene van wie die verkeerde voorbeelden zijn dan niet, wat ik leerde bij kunstzinnige en ervaren vrijeschoolleerkrachten.

Is er ‘ergens’ – in de opleiding – een niet-weten ingeslopen dat nu mede norm dreigt te worden?
Nog afgezien wie daar dan verantwoordelijk voor is.
Of is het toch gewoon de enthousiaste leerkracht die ‘iets’ doet waarvan deze vindt dat het wel ‘voor het publiek kan zijn?’

En dan is dát ineens voorbeeld voor de nog beginnende, onervaren leerkracht.

Een goud dat niet blinkt…….

Deze tekening bv. is heel leuk en vrolijk. Jammer is dus het vele zwart – niet omdat het zwart is – maar omdat het niet meedoet met de tekening: er is geen achtergrond: het is geen geheel. Hier had de achtergrond nog bv. een blauwe lucht kunnen hebben en in de verte, tussen lucht en voorgrond, nog wat vage groene struiken, met bloesem, o.i.d.

x

Het zwart buiten de tekening is vanzelfsprekend: het gaat om de ovaal. Maar het zwart daarbinnen, zou ik allerlei tinten aardebruin hebben gegeven. Dit zwart loopt onnatuurlijk door naar de rest van het bord.

x

Dat geldt in zekere zin ook voor deze.

x

Een prachtige paardenbloem, maar jammer genoeg geen ‘achtergrond’, geen omhulling, bv. van de ‘elementen’. Hier ontbreken dus de elementen, en daarmee de realiteit.
Echter, om heel scherp alle delen van de plant te laten zien, is het contrast – door het zwart! – zeer duidelijk. Maar dan moet het om de wortel ook zwart blijven.

x

Hier doet de omgeving mee waardoor de tekening een compositie wordt.

x

De realiteit van de elementen zou je voor het kunstzinnige aspect zo kunnen aangeven. Bij de paardenbloem die al vroeg in het jaar bloeit, kun je je nog afvragen of licht en warmte al zó intensief zijn als hier wordt weergegeven.

x

 Kunstzinnig gezien zou hier rond bloem en zaad wel meer warmte op z’n plaats zijn:

x

Hier is alles in beeld gebracht.

x

Ook al komt deze dan van de Waldorfideenpool, het is door het zwart van het bord maar een ‘halve waarheid‘.

x

En als je er namen bij wilt zetten, kan er toch een achtergrond zijn.

(Jammer bij deze is dan weer dat het handschrift zo verschillend is (blokletter en lopend; en dat er niet echt korstmoswier staat – eerder uier en dat tussen zee en eik een verbindingsstreepje hoort. Wellicht zijn de namen door leerlingen geschreven?).

x

Hier hebben we een mooi handschrift en om de verschillende planten bevinden zich kleuren, helaas niet de warmte bij het paardenbloemzaad.

x

Wanneer een beginnende leerkracht voorbeelden ziet uit andere landen – de internationale vrijeschoolbeweging – zou dat een extra ‘bewijs’ kunnen zijn van ‘zo doen zij dat dus’.
Maar dat is niet het geval.

x

Het weglaten van de elementen wanneer de ontwikkeling van een plant wordt geschetst, is het weglaten van een van de essenties van het plantkundeonderwijs op de vrijeschoolRudolf Steiner over plantkunde. m.n. GA 295 (vertaald)

(Een lopend handschrift vind ik mooier om te zien)

x

Of het nu om bomen gaat:

of om paddenstoelen.

x

Het zwart is hier op een subtiele manier in de tekening betrokken. Het blauw is een mooie ‘afbakening’ van de rest van het bord.

Zwart is zeker geen taboe, het geldt ook voor het groene bord.
Het zwart is hier op een subtiele manier in de tekening betrokken. Het blauw is een mooie ‘afbakening’ van de rest van het bord.

x

bordtekekning 10

Trek vooral niet de conclusie dat het zwart of groen van het bord ‘niet mag’. In deze tekening is het zwart m.i. heel functioneel.

x

En ook bij ‘techniek’ moet het:

x

Wanneer je het zelf zo kunstzinnig mogelijk probeert, mag je het ook van je leerlingen vragen als ze in hun periodeschrift werken:

Zo zou ik nog een tijd door kunnen gaan, want er staan op Pinterest vele voorbeelden die de naam ‘vrijeschoolwerk’ mogen dragen, maar ook vele niet en dat vind ik geen positieve ontwikkeling.

.

Bordtekeningen[1]

Plantenillustraties die als voorbeeld voor een bordtekening kunnen dienen.

mineralenMichaëlKerstmisDriekoningen

Paul van Meurs ‘bordtekenen
Jünemann: Tafelzeichnen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

3295-3102

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen en legenden (GA 57)

.

Zie de inleiding bij dit onderwerp.
Ik eindigde daar met:

En dat is, volgens Steiner, de inhoud van sprookjes, mythen en sagen: beelden die staan voor ‘grote waarheden’ die op een abstract niveau in ‘die tijd toen’ niet waren mee te delen.

Als kind woonde ik in een dorp, vlakbij de kerk waaromheen een gracht lag. Omdat ik daar iedere morgen langs moest, waarschuwde mijn moeder me om niet te dicht bij de rand te komen. Ik kon nog niet zwemmen en er stond genoeg water in om erin te kunnen verdrinken.
‘Als je erin valt, val je naar de diepte en het is zo diep dat je altijd blijft vallen.’
Ik geloofde mijn moeder onvoorwaardelijk en het feit dat je altijd bleef vallen, boezemde mij voldoende angst in dat ik wel uitkeek dat ik niet in die gracht terechtkwam.
Ik werd wat ouder en toen ik op een dag eens goed in het water keek, kon ik de bodem zien. Plotseling wist ik; ‘Altijd blijven vallen, dat kan helemaal niet!’

Ik hoefde voor dit inzicht niets te doen, het was er op een bepaald ogenblik. Ik was ouder geworden en veranderd, niet alleen fysiek, maar ook in mijn belevingen en in het begrijpen.

Door zo’n voorval kan ik makkelijk meevoelen met de idee van Rudolf Steiner dat ‘de ontwikkeling van de mens, een ontwikkeling van zijn bewustzijn is.’
En dat geldt voor ieder mens individueel, maar ook voor de individuen die in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats een soortgelijke ontwikkeling a.h.w. als groep doormaken. Groep in de zin van ‘stam’ of ‘ras’ of ‘volk’.

En ook in deze tijd speelt zo’n ontwikkeling zich af. 
Met grote onderlinge verschillen, er bestaat in de wereld wat dat betreft geen ‘gelijktijdigheid’.

Als we de idee van Steiner vasthouden dat geschiedenis een verslag is van de bewustzijnsverandering van mens en mensheid, kunnen we daarmee meer begrip krijgen voor het sprookje, de sage, de mythe, legende en het geloof.

GA 57 

Wo und wie findet man den Geist?

Waar en hoe vind je de geest?

Voordracht 5, Berlijn 14 november 1908

Bibel und Weisheit II

Bijbel en wijsheid ll

Blz. 126

Blicken wir ein wenig zurück in der Entwicklung des menschlichen Bewußtseins. Das Wort Entwicklung braucht man heute sehr häufig, aber so durchgreifend, so intensiv wie die Geisteswissenschaft Ernst macht mit dem Worte Entwicklung, so ist es bei keiner anderen Wissenschaft der Fall. Dieses menschliche Bewußtsein, wie es heute ist, hat sich aus anderen Bewußtseinsformen entwickelt. Wenn wir weit, weit zurückgehen in der Herkunft des Menschen, nicht im Sinne materialistischer Wissenschaft, sondern so, wie ich es vorgestern entwickelt habe, dann finden wir, daß das Menschen-Bewußtsein immer mehr als ein anderes erscheint, je weiter wir zurückgehen. Dieses Bewußtsein, welches die verschiedenen Verstandesbegriffe, die äußeren Sinneswahrnehmungen in
der bekannten Art verknüpft, das ist erst entstanden, wenn auch in urferner Vergangenheit, aber es ist erst entstanden. Wir können in jener Zeit einen Zustand des Bewußtseins finden, der ganz anders war als heute, weil besonders das Gedächtnis ganz anders war. Das, was der Mensch heute als Gedächtnis hat, ist nur ein herunterge­kommener Rest einer alten Seelenkraft, die in ganz anderer Weise vorhanden war. In alten Zeiten, als der Mensch noch nicht die kombinierende Kraft seines heutigen Verstandes hatte, als er noch nicht imstande war, zu rechnen und zu zählen im heutigen Sinne, als er noch nicht seine Verstandeslogik ausgebildet hatte, da hatte er dafür eine andere Kraft der Seele: er hatte ein universelles Gedächtnis aus­gebildet. Dieses mußte abnehmen, mußte zurücktreten, damit auf seine Kosten unser heutiger Verstand zu seiner Entwicklung kommen konnte. So ist überhaupt der Gang der Entwicklung, daß eine Kraft in den Hintergrund tritt, damit die andere auftauchen kann. Das Gedächtnis ist eine abnehmende Kraft, der Verstand und die Vernunft sind zunehmende Seelenkräfte.

Laten we eens terugkijken naar de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. Het woord ontwikkeling wordt tegenwoordig heel vaak gebruikt, maar geen enkele andere wetenschap is zo serieus en zo intensief als de geesteswetenschap het woord ontwikkeling serieus neemt. Dit menselijke bewustzijn zoals het nu is, heeft zich ontwikkeld uit andere vormen van bewustzijn. Als we ver, heel ver teruggaan naar de oorsprong van de mens, niet in de zin van de materialistische wetenschap, ( ) dan ontdekken we dat het menselijk bewustzijn zich steeds anders voordoet naarmate we verder teruggaan.
Ons bewustzijn, dat de verschillende intellectuele begrippen, de uiterlijke zintuiglijke waarnemingen op de bekende manier met elkaar verbindt, is ontstaan, ook al is dit in een ver verleden, het is ontstaan.
In die tijd vinden we een staat van bewustzijn die heel anders was dan vandaag, omdat vooral het geheugen heel anders was. Wat de mens vandaag als geheugen heeft, is slechts een verkommerd overblijfsel van een oude zielskracht die op een heel andere manier aanwezig was. In de oudheid, toen de mens nog niet het combinerend vermogen had van zijn huidige intellect, toen hij nog niet kon rekenen en tellen in de moderne zin van het woord, toen hij zijn intellectuele logica nog niet had ontwikkeld, had hij in plaats daarvan een andere kracht van de ziel: hij had een universeel geheugen ontwikkeld. Dit moest afnemen, moest plaats maken, zodat ons hedendaagse intellect ten koste van dit geheugen tot ontwikkeling kon komen.
Dat is het verloop van ontwikkeling in het algemeen, dat het ene vermogen naar de achtergrond verdwijnt zodat het andere naar voren kan komen. Geheugen is een afnemend vermogen, begrip en rede zijn toenemende vermogens van de ziel.
GA 57/126-127
Niet vertaald 

Van dit ‘algemene’ gaat Steiner dan in de 17e voordracht over naar iets wat hij met name noemt:

Voordracht 17, Berlijn 1 mei 1909

Alteuropäisches Hellsehen

Oud-Europese helderziendheid

Blz. 411

Wenn wir zurückblicken, namentlich in der Entwicklung der europäischen Völker, so finden wir überall mehr oder weniger das alte Bilderbewußtsein, das die Welt anschaut, wie sie innerlich ist, wie sie ihrer geistig-seelischen Wesenheit nach ist. Aber das Ich-Bewußtsein ist noch ganz unentwickelt. Und was ist denn geblieben von dem, was die Alten gesehen und erzählt haben, die noch nicht das vollständige Ich-Bewußtsein hatten? Wir können sehen, daß ein Übergang vorhanden war vom alten Bilderbewußtsein zum Gegenstandsbewußtsein. Oh, es ist ein gutes, schönes Erbstück davon vorhanden: das sind die Mythen und Sagen, der gesamte Inhalt der Mythologien. Was die Mythologien enthalten, das wird heute vielfach als Volksdichtung hingestellt. Da werden Wolken als Schafherden angesehen, oder Blitz und Donner in irgendeiner Weise umgedeutet. Es gibt vielleicht keine willkürlichere «Dichtung», als diese Ausdeutung der alten Mythen und Sagen. Alles dasjenige, was heute geblieben ist in Mythen und Sagen, entstammt altem Hellsehen. Das, was erlebt wurde im Unterbewußtsein, das ist erzählt worden, und diese Erzählungen sind die Sagen und Mythen und auch die Märchen. Alle Sagen und Mythen sind erlebt, nicht erdichtet, aber auch nicht im heutigen Gegenstandsbewußtsein erlebt, sondern im alten dämmerhaften Bewußtsein. Und wir können gleichsam tief hineinschauen in das Wirken dieses dämmerhaften Bewußtseins, wenn wir uns an etwas Großes in den religiösen Schriften erinnern.

Als we terugkijken, vooral in de ontwikkeling van de Europese volkeren, vinden we overal min of meer het oude beeldbewustzijn, dat naar de wereld kijkt zoals die innerlijk is, zoals die is volgens zijn spirituele-zielessentie.
Maar het Ik-bewustzijn is nog behoorlijk onontwikkeld. En wat is er overgebleven van wat de ouden zagen en vertelden, die nog niet het volledige ik-bewustzijn hadden? We kunnen zien dat er een overgang was van het oude beeldbewustzijn naar het objectbewustzijn.
Wel, er is een goede, mooie erfenis hiervan: dit zijn de mythen en legenden, de hele inhoud van de mythologieën. Wat de mythologieën bevatten wordt vandaag vaak voorgesteld als volkspoëzie. Wolken worden gezien als kuddes schapen, of donder en bliksem worden op de een of andere manier geherinterpreteerd. Er bestaat misschien geen willekeuriger “poëzie” dan deze interpretatie van de oude mythen en legenden.

Alles wat vandaag de dag overblijft in mythen en legenden komt voort uit oude helderziendheid. Dat wat in het onderbewuste werd ervaren is verteld, en deze verhalen zijn de legenden en mythen en ook de sprookjes. Alle legenden en mythen zijn ervaren, niet verzonnen, maar ook niet ervaren in het objectbewustzijn van vandaag, maar in het oude schemerbewustzijn. En we kunnen als het ware diep in de werking van dit schemerbewustzijn kijken als we naar iets groots opkijken in de religieuze geschriften.
GA 57/411-412
Niet vertaald

Blz. 414

(  ) des alten hellseherischen Bewußtseins, des Bilderbewußtseins, das Mythen und Sagen schafft.

( ) van het oude helderziende bewustzijn, het beeldbewustzijn, dat mythen en sagen creëert.

GA 57/414
Niet vertaald

Blz. 417/418

Wir haben an einzelnen Beispielen gesehen, wie sich in der wunderbaren Sagenwelt nichts anderes ausdrückt als der Gegenstand der Entwicklung des Bewußtseins. Von dem alten Bilderbewußtsein eroberte sich die Menschheit ihr gegenwärtiges helles Tagesbewußtsein, das dem Menschen das Selbstbewußtsein gebracht hat. Und während er früher nicht in sich hineinschauen konnte, nicht ein Selbst dort fand, so fand er, wenn er hinausschaute, überall geistige Wesen, in der Quelle, in der Luft, im Baum — alles war von geistigen Wesen belebt. Wenn er mit seinem dämmerhaften Bewußtsein hinausblickte und sah die Luft, so wußte er, daß sie die Verkörperung desjenigen Gottes war, der sein Inneres gestaltete. Drang die Luft in ihn ein, so wußte er: das bewegt mein Ich. — Brauste der Wind, der sonst von ihm eingeatmet wurde, draußen in kalten, stürmischen Winternächten über die Erde, dann wußte er, daß in dem Sturmesbrausen Wotan einherfährt. So könnten wir alle Mythen und Sagen durchgehen. Wir würden wohl Umgestaltungen durch Dichtungen finden, aber alle führen zurück auf altes hellseherisches Bewußtsein.

We hebben aan de hand van individuele voorbeelden gezien [deze voorbeelden heb ik hier niet weergegeven] hoe de wondere wereld van de legenden niets anders uitdrukt dan het object van de ontwikkeling van het bewustzijn. Vanuit het oude beeldbewustzijn veroverde de mens zijn huidige heldere dagbewustzijn, dat de mens zelfbewustzijn heeft gebracht. En terwijl hij voorheen niet in zichzelf kon kijken, daar geen zelf kon vinden, vond hij toen hij naar buiten keek overal spirituele wezens, in de waterbron, in de lucht, in de boom – alles werd bezield door spirituele wezens. Wanneer hij met zijn schemerig bewustzijn naar buiten keek en de lucht zag, wist hij dat het de belichaming was van de God die zijn innerlijk vorm gaf. Als de lucht tot hem doordrong, wist hij: dit beweegt mijn Ik. – Als de wind, die hij gewoonlijk inademde, op koude, stormachtige winternachten buiten over de aarde bulderde, wist hij dat Wotan in het stormachtige gebrul meereisde. 
We zouden alle mythen en legenden op deze manier kunnen doorlopen. We zouden waarschijnlijk transformaties vinden door poëzie, maar ze leiden allemaal terug naar het oude helderziende bewustzijn.
GA 57/417-418 
Niet vertaald

Voordracht 18, Berlijn 6 mei 1909

                  Die europäischen Mysterien und ihre Eingeweihten

                             De Europose mysteriën en hun ingewijden
Blz. 422

Im letzten Vortrag konnte darauf hingewiesen werden, daß in den alten Zeiten der europäischen Entwicklung bei den verschiedenen Völkern eine Art alten, ursprünglichen Hellsehens vorhanden war, und daß sich das gegenwärtige Bewußtsein erst aus diesem früheren Bewußtseinszustände, aus einem alten, hellseherischen Vermögen heraus entwickelt hat. Es ist darauf hingewiesen worden, wie das, was der alte Hellseher in gewissen Verhältnissen seines Lebens hat wahrnehmen können, einen Niederschlag gefunden hat in den Sagen und Mythen, die von Alpwesen, Elfenwesen, von Zwerg- und Lurenwesen handeln. Diese Sagen und Mythen sind höchst mannigfaltiger Art, und wenn wir Umschau halten könnten nur über das, was an solchen aus alten, hellseherischen Beobachtungen stammenden Mythen und Sagen in Europa sich erhalten hat, so würden zwar gewisse Ähnlichkeiten, gewisse Gleichheiten in allen diesen Überlieferungen vorhanden sein, aber doch auch wieder große Verschiedenheiten, weil das hellseherische Vermögen der einzelnen Menschen sehr verschieden war. Eine viel größere Obereinstimmung ist schon vorhanden in den großen Mythengebilden, in den großen Gebilden der Götter- und Heldensagen. Auch diese Götter- und Heldensagen führen zurück auf hellseherische Fähigkeiten, nur in anderer Art. Nicht auf die Erlebnisse führen sie zurück, die dem Menschen werden konnten durch natürliche hellseherische Begabung, sondern die großen einheitlichen Sagengebilde, die wir als Mythologie zusammenfassen, führen zurück auf jene Erlebnisse, welche die Eingeweihten in den Mysterien gehabt haben.

In de vorige voordracht [zie hierbovenwerd erop gewezen dat in de oude tijden van de Europese ontwikkeling een soort oude, oorspronkelijke helderziendheid aanwezig was onder de verschillende volkeren, en dat het huidige bewustzijn zich alleen heeft ontwikkeld uit deze vroegere staat van bewustzijn, uit een oud, helderziend vermogen. Er is op gewezen hoe, wat de oude helderziende in bepaalde omstandigheden van zijn leven kon waarnemen, tot uitdrukking is gekomen in de legenden en mythen over alfenwezens, elfenwezens, dwergwezens en ‘lore’wezens. [verlokkende wezens, zoals de Lorelei. Op blz. 414 gaat Steiner er nader op in]
Deze legenden en mythen zijn heel divers, en als we alleen al zouden kijken naar welke mythen en legenden die voortkomen uit oude helderziende waarnemingen in Europa bewaard zijn gebleven, dan zouden er bepaalde overeenkomsten zijn, bepaalde gelijkenissen in al deze tradities, maar er zouden ook grote verschillen zijn, omdat de helderziende vermogens van individuele mensen heel verschillend waren. Er is een veel grotere overlap in de grote mythen, in de grote mythen van de legenden van goden en helden. Deze legenden van goden en helden leiden ook terug naar helderziende vermogens, alleen op een andere manier. Ze leiden niet terug naar de ervaringen die de mens zou kunnen krijgen door natuurlijke helderziendheid, maar de grote samenhangende sagencomplexen die we samenvatten als mythologie, leiden terug naar de ervaringen die de ingewijden hadden in de mysteriën.
GA 57/422-423
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over mythen en sagenalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3294-3101

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie – uit de lessen in de middenklassen

.
Het Duitse blad voor de vrijeschoolbeweging heetErziehungskunst‘, Opvoedkunst – zoals voor de Nederlandstalige vrijeschoolbeweging: ‘Vrije Opvoedkunst’.
Vóór het Duitse blad ‘Erziehungskunst’ heette, had het als naam: ‘Zur Pädagogik Rudolf Steiners’, ‘Over de pedagogie van Rudolf Steiner’.
De 1e jaargang daarvan stamt uit 1927.
Een aantal leerkrachten die er vanaf het begin bij waren, schreven regelmatig artikelen over hun werk.
Vaak is daar een groot enthousiasme in te bespeuren. En hun pogingen de aanwijzingen van Steiner gestalte te geven in de concrete onderwijspraktijk.

De vele gezichtspunten van Steiner hebben na 100 jaar vrijwel niets aan zeggingskracht verloren en het hoeft daarom niet vreemd te klinken dat ook de bijna 100-jarige artikelen ook nu nog bruikbaar zijn. Soms is er wel enige met die tijd van toen, maar het gaat vaak meer om aspecten die langdurig blijvend zijn.
En dus ook bruikbaar in de vrijeschool nu.

.

Edith Röhrle, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 2e jrg. nr 3  sept, 1928

.
euritmie in de middenklassen
.

Rudolf Steiner heeft ons met de euritmie een nieuwe kunst geschonken, die op buitengewoon vruchtbare wijze kan integreren in het geheel van onze nieuwe pedagogie.

Zoals Goethe in zijn nieuwe kleurenleer wijst op een nieuw kleurbegrip en de afzonderlijke kleuren een gevoelsnuance geeft waarvan hij zegt dat het rood een uitdagend, agressief karakter heeft of het blauw waaraan de ziel beleeft hoe dat verdiept en innerlijk wordt, zo moet ook de taal door euritmie opnieuw beleefd worden.

De afzonderlijke klanken moeten hun eigen essentie weer aan ons onthullen door ze zichtbaar te maken.
Maar ook de grammatica krijgt een nieuwe impuls, wanneer de kinderen leren voelen hoe een zelfstandig naamwoord in de euritmie naar zijn innerlijke essentie op een heel andere manier moet worden weergegeven, dan bijvoorbeeld  een werkwoord.

Juist op het verband tussen euritmie en grammatica wil ik nu nader ingaan, omdat men meestal verbaasde gezichten krijgt als men op dit verband wijst.

We beginnen met deze taak in de middenklassen, maar de eerste schooljaren bereiden dit werk al voor. Zelfs in de laagste klassen wordt in hoofdonderwijs veel belang gehecht aan het geven van een echt gevoel aan de kinderen voor de aard van geometrische vormen.

In de euritmielessen lopen de kinderen nu driehoeken, vierkanten, spiralen etc., maar op zo’n manier dat er een gevoel mee verbonden kan worden. Als een kind een inwikkelende spiraal loopt, dan moet het voelen dat als ik zo van buiten naar binnen ga, wil ik iets ervaren, iets te weten komen, van binnen een vraag stellen. Als ik daarentegen de spiraal zo loop dat hij uitwikkelt, dan wil ik iets overbrengen van wat ik weet, dan kan ik het antwoord geven. Zulke vormen worden vaak geoefend met bijpassende muzikale begeleiding of met een bijpassend gedicht. De in- en uitwikkelende spiraal komt bijvoorbeeld prachtig overeen met het gedicht van Dr. Steiner:

Wie laat de planten bloeien? Dat is Gods wijsheid.
Wie laat de mensen leven? Dat is Gods liefde, enz.

Bij de vraag wordt de inwikkelende spiraal gelopen,

bij het antwoord de uitwikkelende.

Het gevoel voor vormverandering wordt ook gewekt, bijvoorbeeld door de kinderen een regelmatige driehoek te laten lopen en hun aandacht te vestigen op het feit dat in deze vorm (I) de krachten, die van buiten en van binnen vormend werken, in evenwicht zijn.

Nu kan er echter een vormverandering optreden als de krachten van buitenaf overheersen. Dan krijgt de vorm een ander uiterlijk.

In de derde vorm zegevieren de innerlijke krachten over de uiterlijke krachten. Voor oudere leerlingen kan het gedicht ‘Beherzigung‘ van Goethe worden gekozen als voorbeeld van zulke vormen.

De eerste strofe toont een beklemming, zwakte tegenover externe krachten, dus wordt een vorm gekozen die overeenkomt met de tweede:

Feiger Gedanken
Bängliches Schwanken enz.

De tweede strofe drukt overwinnen uit:

Allen Gewalten
Zum Trotz sich erhalten enz.

De derde vorm is geschikt om te visualiseren hoe het innerlijke zelf zich nu vrij kan ontplooien.

Als op deze manier een levendig gevoel voor de essentie van een vorm bij de kinderen is gewekt, dan is het ook mogelijk om het grammaticale te benaderen zonder een lichte angst voor grammatica bij de leerlingen te veroorzaken, zoals we in het verleden meestal hebben ervaren.
Ze vinden het leuk om te zien hoe de meest uiteenlopende kunstenaars hebben geholpen om een zin te vormen, hoe er een geheime architect aan het werk is die iets voor ons neerzet dat op zichzelf af is, maar dat door een geheime schilder wordt verfraaid, hoe een toneelschrijver ons in spanning wil brengen enzovoort. Het is helemaal niet moeilijk voor hen om te ontdekken dat de architect het zelfstandig naamwoord plaatst en dat de schilder het versiert met het bijvoeglijk naamwoord. De innerlijke spanning en ontspanning worden veroorzaakt door de verbindingswoorden, die zo gemakkelijk over het hoofd worden gezien, die een dramatisch element in de zin brengen met hun “en”, “maar”, “toch”.
Zodra de kinderen dit verschil hebben ontdekt, is het ook vanzelfsprekend voor hen dat elk woord een andere voorstelling vereist. Een zelfstandig naamwoord moet laten zien dat het iets wil schilderen, dus we moeten de medeklinkers gebruiken om ons te helpen, want die hebben van zichzelf al een beeldend karakter. Als ik wil euritmiseren: “Het wuivende korenveld”, dan geeft de w me de mogelijkheid om het innerlijk zichtbaar te maken door middel van het bewegingsgebaar van de w.

Op deze manier is het mogelijk om te visualiseren wat de genius van de taal in woorden heeft getoverd. Een zelfstandig naamwoord wordt in de ruimte geplaatst, dus moet het een vorm krijgen die overeenkomt met zijn essentie, wat ons dan leidt naar de verschillende soorten zelfstandige naamwoorden. De boom, die fysiek zichtbaar is, moet een andere vorm krijgen dan engelen of duivels, die spirituele wezens zijn. Ik laat de kinderen nu ervaren hoe alles wat zichtbaar is geworden, zoals boom, steen, mens, een bepaalde, duidelijk gedefinieerde vorm heeft. Maar ze weten uit sprookjes hoe duivels van vorm kunnen veranderen, op de ene manier kunnen verschijnen en dan weer op een andere, dus dat moet je ook in de vorm herkennen, die moet niet zo vast liggen. Voor concrete woorden nemen we de vorm

die doet denken aan een kristallen punt, laat zien dat we iets specifieks insluiten. Spirituele essentie krijgt een ronde vorm.

Maar als we een vorm zo lopen dat we de kromming naar voren nemen, dan ontstaat in ons het gevoel dat we met onze ervaring en blik naar de verte gevoerd worden, het gaat meer over iets dat meer omvattend is.

Dit is een vorm die in aanmerking komt voor het conceptuele: “uitgestrektheid”, “afstand”, “schoonheid”.

Voor de ziel: “plezier”, “vreugde”, “pijn”, is de golvende lijn de uitdrukking die de kinderen de ups en downs van de emotionele ervaring laat zien.

Nu moeten de kinderen de vormen die zo ontstaan, combineren tot een mooie algemene vorm voor een gezegde of een versje, dat dan aan de tekst wordt toegevoegd. Elk kind doet zijn eigen poging en de beste wordt dan voor iedereen gekozen. Terwijl de meisjes meestal handiger zijn in het maken van de klanken, krijg ik van de jongens meestal de mooiste en levendigste vormen. Een spreuk van Angelus Silesius resulteerde in de volgende vorm:

De ziel is een kristal,
De godheid is haar glans,
Het lichaam waarin je woont,
Is de omhulling van beide.

Voor een langer gedicht van C.F.Meyer kreeg ik de volgende vorm van een leerling uit de 8e klas:

In de les hadden we het gedicht zo behandeld dat we met de zelfstandige naamwoorden bezig waren en alleen de basisvormen



werden genoteerd. Hiervan had een jongen toen deze tekening gemaakt, die een prachtig gevoel voor vorm laat zien. (ll)

Net als bij de zelfstandige naamwoorden worden ook de andere woordsoorten
en de vormen en bewegingen steeds rijker en gevarieerder.

Als de kinderen gedurende meerdere jaren zo vertrouwd zijn geraakt met de grammatica in de euritmie, dan is het niet langer abstract, ze leren de innerlijke kant voelen die door de taal stroomt en dat door de taal moet stromen.
dat door de taal stroomt en die ook de kinderen weer moet doordringen.
Het scheppende woord spreekt door de euritmie de mens weer aan en heeft  een revitaliserende werking op denken, voelen en willen en stimuleert het de krachten die door de taal stromen en die gedood worden door een te intellectuele
opvoeding, tot nieuwe creatieve activiteit.

.

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: euritmiefiguren

.

3293-3100

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 14 maart 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.

De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

discipline, orde [1]
diefstal [2]
jongens en meisjes naast elkaar [3]
jaarfeest [4]
afwijkend gedrag [5]
hulpklas [6]
Heidenröslein Goethe [7]
Ich ging einmal im Walde für mich hin [7]
Lesstof bovenbouw [8]

 

RUDOLF STEINER
.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart
1919 bis 1924

Erster Band
Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1
Het eerste en tweede schooljaar

Blz. 125

Konferenz vom Samstag 14. März 1920, 18u

Vergadering van zaterdag 14 maart 1920, 18u

Es wird über die mangelnde Disziplin in der Schule geklagt.

[1] Er zijn klachten over het gebrek aan discipline op school.

Dr. Steiner: Herr Baumann soll einmal pro Woche Unterricht geben über Takt und Moral, über Lebenstakt und Lebensgewohnheiten, so daß die Kinder denken müssen: das ist eine Artigkeit, das eine Ungezogenheit. — Daß die Kinder das denken müssen, das soll eine Empfindung hervorrufen für die Autorität. Das ist nicht mit anderem Unterricht zu verbinden, sondern in den
Nachmittagsunterricht einzuordnen.

Meneer Baumann zou één keer per week les moeten geven over tact en moraal, over tact en de gewoonten in het leven, zodat de kinderen moeten denken: dit zijn goede manieren, dat is onbehoorlijk – Het feit dat de kinderen dit moeten denken, moet een gevoel van autoriteit oproepen. Dit moet niet gecombineerd worden met andere lessen, maar in de middaglessen een plaats krijgen.

Dr. Steiner: Es wirkt ungeheuer schädigend auf die ganze Disziplin, wenn man einzelne Fälle herausgreift.

Het heeft een enorm schadelijk effect op de hele discipline, wanneer individuele gevallen worden uitgekozen.

Es wird noch einmal über das Stehlen gesprochen.

[2] Er wordt weer over stelen gesproken.

In bezug auf das Stehlen ist zu sagen: Diese Fälle im einzelnen zu behandeln, sollte eigentlich gar nicht nötig werden. Aber man sollte die Dinge so hinstellen, daß die Kinder davor einen Abscheu bekommen.

Met betrekking tot stelen moet gezegd worden dat het niet echt nodig zou moeten zijn om deze gevallen in detail te behandelen. Maar je moet
de dingen zo brengen dat de kinderen ervan walgen.

X.: Soll man eine Osterfeier oder Jugendfeier für die nicht konfessionellen
Kinder einrichten? Eine Frühlingsfeier?

[3] X.: Moeten we een paas- of jeugdfeest organiseren voor niet-confessionele kinderen? Een lentefeest?

Dr. Steiner: Man kann die vier oberen Klassen vom freien Religionsunterricht zu der Feier vereinigen.

De vier hogere klassen van het vrije godsdienstonderwijs zouden voor de viering bij elkaar kunnen komen.

Anmerkung: Es handelt sich hier nicht um die heute vorhandene Jugendfeier;
die ist von Dr. Steiner erst zu Ostern 1921 eingerichtet worden.

Opmerking: Dit is niet de jeugdviering  die vandaag de dag bestaat, Dr. Steiner heeft die pas met Pasen 1921 opgezet.

Dr. Steiner: Es ist gut, die Mädchen und Buben zusammenzusetzen.

[4] Het is goed om de meisjes en jongens bij elkaar te zetten.

Es wird nach der Klasse für die pathologischen Kinder gefragt.

[5] Er is een vraag over de klas voor voor kinderen die afwijken.

Dr. Steiner: In diesen Unterricht für die psychopathischen Kinder,
den Dr. Schubert übernehmen würde, sollten etwa zehn Kinder hineinkommen.

[6] In deze klassen voor psychopathische kinderen, die Dr. Schubert op zich zou nemen, moeten zo’n tien kinderen komen.

Es werden die Kinder für diesen Unterricht ausgesucht. Von den schon mehrfach Erwähnten sind dabei die A. S. und die A. B.; die übrigen nicht.

De kinderen worden geselecteerd voor deze lessen. Van degenen die al een paar keer genoemd zijn, zijn A. S. en A. B.; de anderen niet.

Dr. Steiner: In diesem Unterricht muß man sich mit den einzelnen
beschäftigen. Nicht viel anders, aber man muß alles langsamer
machen.

In deze lessen heb je te maken met de individuele kinderen.
met het individu. Niet veel anders, maar je moet alles langzamer doen.
alles langzamer.

X.: Soll man Goethes „Heidenröslein” mit den Kindern behandeln? Es ist
doch recht erotisch.

[7] X.: Moet men Goethe’s “Heidenröslein” met de kinderen behandelen? Het is
toch wel erotisch.

Blz. 126

Dr. Steiner: Das „Heidenröslein” ist kein erotisches Gedicht, wohl aber „Ich ging im Walde so für mich hin … “

Het “Heidenröslein” is geen erotisch gedicht, maar wel
“Ik ging het bos in voor mezelf … “

X.: Was soll man in der Fortbildungsschule mit den Kindern tun?

[8] X.: Wat moet men doen met de kinderen in de school voor voortgezet onderwijs?

Dr. Steiner: Da müßte man vor allem aufs Praktische und aufs Künstlerische gehen. Denen müßten Begriffe beigebracht werden vom Leben, von der Landwirtschaft, dem Gewerbe, der Industrie, dem Handel. Geschäftsaufsätze und Buchhaltung sollten da gemacht werden, und im Künstlerischen Bildnerisches, Musikalisches und Literatur.
Das würde die Aufgabe werden von Herrn Strakosch.
Das Leben muß als eine Schule betrachtet werden. Man kann ihnen immer wieder sagen, daß sie von nun ab durch das Leben erzogen werden.
Man soll den Kindern ihr Schicksal nicht abnehmen.

Je moet je vooral richten op het praktische en het kunstinnige.
Ze moeten begrippen bijgebracht worden van het leven, van de landbouw, van bedrijven, van de industrie, handel. Zakelijke essays en boekhouding moeten daar worden gedaan en op het artistieke gebied het beeldende, muziek en literatuur.
Dat zou de taak van de heer Strakosch zijn.
Het leven moet gezien worden als een school. Je kunt ze keer op keer vertellen dat ze vanaf nu door het leven opgevoed zullen worden.
Je moet de kinderen hun lot niet ontnemen.
GA 300A/125-126

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 .

3292-3099

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – 7 thema’s (4)

.

De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. 
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, b.v. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)

Blz. 26

4. Staatliche Schulbehörden

In derselben Zeit, in der die Dreigliederungsbewegung mit ihrer Forderung nach völliger Loslösung alles Schulwesens vom Staate in vollstem Gange war, im Sommer 1919, wurde als ein Beispiel einer staatsfreien Schule die Entstehung der Waldorfschule vorbereitet.
Aber die staatlichen Schulgesetze waren ja noch keineswegs außer
Kraft gesetzt, die staatlichen Schulbehörden bestanden noch, und so
mußte die Genehmigung der neuen Schule in Verhandlung mit ihnen
erreicht werden.
Der Zeitpunkt für diese Verhandlungen war so günstig wie niemals
vorher oder nachher. Der alte Obrigkeitsstaat mit seiner festgefügten
Beamtenhierarchie war durch den Umsturz vom November 1918
von Grund auf erschüttert. An die Stelle der alten, konservativ denkenden Minister, waren die durch die Revolution heraufgekommenen getreten, die für neue Ideen und Initiativen sehr viel zugänglicher waren. Der Kultusminister Heymann war Sozialdemokrat. Auf der anderen Seite war die Zeit vom November 1918 bis zum Sommer 1919 viel zu kurz, als daß schon alle Schulgesetze hätten im sozialistischen Sinne umgeformt sein können. 

4. Overheid

In de zomer van 1919, op hetzelfde moment dat de Driegeledingsbeweging in volle gang was met haar eis om het schoolsysteem volledig los te koppelen van de staat, werd als voorbeeld van een staatsvrije school de waldorfschool voorbereid.
Maar de staatsschoolwetten waren nog lang niet afgeschaft. De onderwijsoverheid bestond nog steeds, en dus moest de goedkeuring van de nieuwe school door te onderhandelen, worden verkregen.
De tijd voor deze onderhandelingen was gunstiger dan ooit daarvoor of daarna. De oude autoritaire staat met zijn stevig gevestigde hiërarchie van ambtenaren was grondig door elkaar geschud door de omwenteling van november 1918.
De oude, conservatieve ministers waren vervangen door mensen die door de revolutie waren opgeklommen en veel meer openstonden voor nieuwe ideeën en initiatieven.
De minister van Onderwijs, de heer Heymann, was een sociaaldemocraat. Aan de andere kant was de periode van november 1918 tot de zomer van 1919 veel te kort om alle schoolwetten in een socialistische geest te herschikken. 

Die neue Reichsverfassung, die auch Bestimmungen über die Schulen enthalten sollte, war noch nicht in Kraft. So galt in Württemberg noch wie bisher ein Schulgesetz vom Jahre 1836. Es war wohl 1909 in manchen Punkten
geändert worden, aber gerade die Artikel, die sich auf Privatschulen
bezogen, waren tatsächlich noch die von 1836. Und diese Artikel waren so weitmaschig wie in keinem anderen deutschen Lande.
Rudolf Steiner hat den Kultusminister niemals in Zweifel gelassen, daß er grundsätzlich keineswegs gewillt war, von seiner Forderung nach einem vom Staate losgelösten Schulwesen auch nur einen Schritt zurückzugehen. Er hat dem auch deutlich Ausdruck gegeben durch den Namen Freie Waldorfschule. Aber mit den tatsächlich bestehenden Rechtsverhältnissen war nicht anders als durch Kompromisse zurechtzukommen (1/61). Sie mußten nur als solche
unmißverständlich ausgesprochen werden. Und das geschah.
Dieser Kompromisse waren es vor allem drei:

De nieuwe  grondwet, die ook bepalingen over scholen zou bevatten, was nog niet van kracht. In Württemberg bijvoorbeeld was een schoolwet uit 1836 nog steeds van kracht. Die was wel in 1909 op een paar punten veranderd, maar juist de artikelen met betrekking tot privéscholen waren daadwerkelijk nog van 1836. En in deze wetsartikelen zaten veel meer gaten dan in enig ander Duitsland.
Rudolf Steiner liet er bij de minister van Onderwijs geen enkele twijfel over bestaan, dat hij geenszins bereid was ook maar een stap terug te doen van zijn eis voor een schoolsysteem los van de staat. Hij drukte dit ook duidelijk uit
door de naam Freie Waldorfschule. Maar door de bestaande
rechtsverhoudingen konden alleen een compromissen worden gesloten (1/61). Ze moesten alleen ondubbelzinnig als zodanig worden uitgedrukt. En dat gebeurde ook.
Er waren drie compromissen in het bijzonder:

Blz. 27

a) Im Artikel 26 jenes Gesetzes von 1836 hieß es: ,,Privatanstalten können, wenn die Benützung derselben von dem Besuche der öffentlichen Volksschule befreien soll, mit Genehmigung des Oberschulrates errichtet werden.” Eine solche, wenn auch wie üblich nur vorläufige Genehmigung wurde damals bald gegeben; die endgültige erfolgte nach einer ersten Inspektion (1/273) erst am 8. März 1920.
Aber weil durch die Genehmigung die Waldorfschule der staatlichen
Schulaufsicht unterstand, mußten an ihr auch später die üblichen Revisionen durch den Schulrat abgehalten werden.
b) Im weiteren Text jenes Gesetzesartikels heißt es: ,,. . . es dürfen dabei nur Lehrer, welche diese Behörde nach Kenntnissen und Sittlichkeit für befähigt erkennt, angestellt werden.” Es wurde von den künftigen Waldorrlehrern nicht die Ablegung einer staatlichen Lehrerprüfung verlangt, und tatsächlich besaßen von den zwölf Lehrern, die zu Beginn der ersten Konferenz vom 8. September 1919 genannt werden (1/65), nur drei bis vier ein solches Zeugnis. Diese Lehrer mußten alle einen ausführlichen Lebenslauf einreichen und sich im
Ministerium persönlich vorstellen (1/64), aber sie wurden sämtlich ohne weiteres ,,für befähigt erkannt”.

a) Artikel 26 van die wet van 1836 stelde: “Privé-instellingen kunnen worden opgericht met toestemming van de hoofdinspecteur van het onderwijs. Bij gebruikmaking ervan is men dan vrijgesteld van het bezoeken van de openbare lagere scholen.” Zo’n toestemming werd destijds al snel verleend, hoewel zoals gebruikelijk, slechts voorlopig; de definitieve goedkeuring werd pas verleend na een eerste inspectiebezoek (1/273) op 8 maart 1920.
Maar omdat de toelating betekende dat de vrijeschool onder staatstoezicht stond, moest de school zich onderwerpen aan de gebruikelijke inspecties.

b) De verdere tekst van dit wetsartikel luidt: ,,. . .
alleen leerkrachten die door dit gezag worden erkend als bekwaam op het gebied van kennis en zedelijkheid, mogen worden aangesteld.” De toekomstige
vrijeschoolleraren hoefden geen staatsexamen te doen, en in feite hadden van de twaalf leraren die aan het begin van de eerste vergadering op 8 september 1919 werden genoemd (1/65), er slechts drie tot vier het gebruikelijke diploma. Deze leraren moesten allemaal een gedetailleerd curriculum vitae inleveren en zich persoonlijk voorstellen op het ministerie  (1/64), maar ze werden allemaal zonder meer “erkend als bevoegd”.

Solche, gewiß noch nicht absolute, aber doch sehr weitgehende Freiheit der Lehrerwahl wäre damals anderswo nicht möglich gewesen. Rudolf Steiner sprach öfter von einer „Lücke im württembergischen Schulgesetz” (3/49).
Aber der Griff des Staates wurde wieder fester, und die Lücke wurde durch Verordnungen geschlossen, so daß dann, von wenigen Ausnahmen abgesehen, von allen Lehrern der Waldorfschule staatliche Prüfungszeugnisse gefordert wurden.
c) Über den Lehrplan einer privaten Volksschule enthielt das Gesetz von 1836 keine Bestimmungen. Es war aber zweifellos vorausgesetzt, daß es der auch an den öffentlichen Volksschulen gebräuchliche sein sollte.
Das kam natürlich für die Waldorfschule nicht in Frage (1/62). Der Lehrplan mußte frei sein, das heißt, nur von den inneren Bedürfnissen der heranwachsenden Kinder abgelesen. Andererseits aber meinte Rudolf Steiner, doch Rücksicht nehmen zu sollen auf Kinder, die, weil etwa die Eltern an einen anderen Ort verzogen, auf eine öffentliche Schule übergehen mußten. Er arbeitete deshalb einen Kompromißvorschlag aus, der dann von der Behörde auch angenommen wurde. Danach sollten die Schüler der Waldorfschule jeweils am Ende des 3., 6. und 8. Schuljahres das Lehrziel der öffentlichen
Schule erreicht haben. Weil alle Akten der Waldorfschule beschlag-

Een dergelijke, zeker nog geen absolute, maar zeer uitgebreide vrijheid van lerarenkeuze zou toen elders niet mogelijk zijn geweest. Rudolf Steiner sprak vaker over een “maas in de schoolwet van Württemberg” (3/49).
Maar de greep van de staat werd weer strakker en mazen werden
door verordeningen gedicht, zodat alle vrijeschoolleraren, op een paar uitzonderingen na, in het bezit moesten zijn van een staatsexamencertificaat.
Examencertificaten werden verplicht gesteld voor alle vrijeschoolleraren.

c) De wet van 1836 bevatte geen bepalingen over het leerplan van een particuliere basisschool. Men ging er echter zonder twijfel vanuit dat dit hetzelfde zou zijn als dat van de openbare basisscholen.
Voor de vrijeschool was dit natuurlijk uitgesloten (1/62). Het leerplan
moest vrij zijn, d.w.z. uitsluitend afgelezen aan de innerlijke behoeften van de opgroeiende kinderen. Anderzijds vond Rudolf Steiner dat er rekening gehouden moest worden met kinderen die bijv. naar een openbare school moesten overstappen omdat hun ouders naar een andere plaats gingen verhuizen.
Hij werkte daarom een compromisvoorstel uit, dat door de autoriteiten werd geaccepteerd. Volgens dit voorstel zouden de leerlingen van de vrijeschool
aan het einde van het 3e, 6e en 8e schooljaar het leerdoel van de openbare school hebben bereikt.
Omdat alle dossiers van de vrijeschool in beslag

Blz. 28

nahmt wurden, als sie Ostern 1938 verboten wurde, sind dort keine Kopien der damaligen Eingaben an die Schulbehörde mehr vorhanden. Von dem oben erwähnten Vorschlag aber hat sich in Rudolf Steiners Handschrift ein Entwurf erhalten, dessen Text hier folgt.
„Das Lehrercollegium der Waldorfschule möchte den Unterricht methodisch in der Art gestalten, daß ihm für die Gliederung des Lehrstoffes innerhalb der drei ersten Schuljahre völlig freie Hand bleibt; dagegen wird es bestrebt sein, mit dem Abschluß des dritten Schuljahres die Kinder einem Lehrziele zuzuführen, das ganz übereinstimmt mit demjenigen der 3. Klasse der öffentlichen Volksschule. Diese Absicht soll so durchgeführt werden, daß ein aus der dritten Klasse der Waldorfschule etwa abgehendes Kind in die vierte Klasse einer anderen Volksschule ohne Störung übertreten kann. Im vierten, fünften und sechsten Schuljahr soll wieder die Gliederung des Unterrichtes frei vorgenommen werden können. Mit dem vollendeten sechsten Schuljahre sollen die Kinder bei dem Lehrziele der sechsten Volksschulklasse und zugleich bei dem einer höheren Schule angekommen sein, das klassengemäß dem vollendeten zwölften Lebensjahre entspricht. Dasselbe soll gelten für Gliederung des Lehrstoffes und Erreichung des Lehrzieles bis zum vollendeten achten Schuljahre.

werden genomen toen deze met Pasen 1938 verboden werd, zijn er geen kopieën meer van de voorstellen die toen bij de schoolautoriteiten zijn ingediend. Er is echter een ontwerp van het bovengenoemde voorstel bewaard gebleven in het handschrift van Rudolf Steiner, waarvan de tekst hier volgt.
“Het onderwijzend personeel van de vrijeschool wil de lessen methodisch zodanig organiseren dat men met de leerstof binnen de eerste drie schooljaren volledig de vrije hand heeft; anderzijds zal zij ernaar streven met de kinderen aan het eind van het derde schooljaar een onderwijsdoel te halen  dat volledig overeenkomt met dat van de derde klas van de openbare basisscholen. Dit zal zodanig gerealiseerd worden dat een kind uit de derde klas van de vrijeschool zonder onderbreking naar de vierde klas van een andere basisschool  kan doorstromen. In het vierde, vijfde en zesde schooljaar kan de organisatie van de lessen vrij georganiseerd worden. Aan het einde van het zesde schooljaar moeten de kinderen het leerdoel van het zesde leerjaar van de basisschool hebben bereikt en tegelijkertijd bij dat van een hogere school zijn uitgekomen wat klassikaal overeenkomt met het voltooide twaalfde jaar. Hetzelfde moet gelden voor de organisatie van het leerplan en het bereiken van het onderwijsdoel aan het einde van het achtste schooljaar.

Die Kinder sollen Realschulmäßige Lehrziele vollendet erreichen und auch befähigt werden, in die dem Alter entsprechende Klasse einer anderen höheren Schule überzutreten.
Freie Hand erbittet sich das Lehrercollegium nur für die Gestaltung des Unterrichts auf jeder der drei von ihm festgelegten Stufen:
1. Schulanfang bis zum vollendeten neunten Lebensjahre;
2. von diesem bis zum vollendeten zwölften Lebensjahre;
3. von diesem bis zur Vollendung der dritten Stufe.
Am Ende dieser Stufen sollen die den öffentlichen Schulen vorgeschriebenen Lehrziele auch von der Waldorfschule erreicht werden.”
Über eine etwa zu errichtende 9. Klasse für die über Vierzehnjährigen war in dem Gesetz von 1836 keinerlei Bestimmung enthalten, weil es sich nur mit der Volksschule befaßte. Hierfür war also die Schule ganz frei (1/119, 3/117).
Ein anderer Teil des Kompromisses bezog sich nicht eigentlich auf das Verhältnis zum Staat, sondern auf den Religionsunterricht (1/63). Davon wird noch besonders gesprochen werden (Einleitung S. 37).
Die oben erwähnte günstige Lage bestand nicht lange. Schon kurz vor der Schuleröffnung (Anfang September) verschlechterte sie sich,

De kinderen moeten leerdoelen van een middelbare school in z’n  geheel bereiken en ook kunnen doorstromen naar de juiste klas op een andere middelbare school.

Het onderwijzend personeel vraagt alleen de vrije hand voor de organisatie
van het onderwijs op elk van de drie vastgestelde niveaus:

1. start op school tot de leeftijd van negen jaar;
2. vanaf deze leeftijd tot de leeftijd van twaalf jaar
3. vanaf deze leeftijd tot de voltooiing van de derde fase.

Aan het eind van deze fasen moet de vrijeschool ook de onderwijsdoelen bereiken die zijn voorgeschreven voor staatsscholen.”
In de wet van 1836 werd geen melding gemaakt van een 9e klas voor leerlingen ouder dan veertien jaar, omdat deze alleen betrekking had op de lagere scholen. De school was daar dus volledig vrij (1/119, 3/117).
Een ander deel van het compromis had eigenlijk geen betrekking op de relatie
tot de staat, maar tot het godsdienstonderwijs
(1/63). Hierop zal nader worden ingegaan (Inleiding pag. 37).
De bovengenoemde gunstige situatie duurde niet lang. Kort
voor de opening van de school (begin september) verslechterde de situatie,

Blz. 29

als am 11. August 1919 die neue Reichsverfassung, die sogenannte „Weimarer Verfassung” (1/71) in Kraft trat. Sie enthielt im Artikel 147 die Bestimmung, daß private Schulen staatlich genehmigt werden können, wenn sie in Lehrzielen, Einrichtungen und in der wissenschaftlichen Ausbildung ihrer Lehrer nicht hinter den öffentlichen Schulen zurückstehen. Weiter: „Private Volksschulen sind nur zuzulassen, wenn . . . die Unterrichtsverwaltung ein besonderes
pädagogisches Interesse anerkennt. Private Vorschulen sind aufzuheben.”
Dieser Artikel der Reichsverfassung wurde damit zwar bindendes Recht für alle Länder des Reiches, also für die bisherigen König- und Fürstentümer. Aber weil die Schulen auch weiterhin unter der Hoheit der Länder standen, zog es sich lange hin, bis der Artikel 147 sich voll auswirkte.
Nur in einem Punkte griff die Reichsregierung noch direkt ein.
Durch das Reichsgesetz vom 28. April 1920, das sogenannte „Grundschulgesetz” (2/242, 250, 3/145) wurde der Besuch der untersten drei, später vier Klassen der staatlichen Volksschule für schlechthin alle Kinder für verbindlich erklärt. Alle privaten Vorschulen sollten abgebaut werden, indem sie keine neue unterste Klasse mehr eröffnen und die Schülerzahl ihrer schon bestehenden Klassen nicht vergrößern durften.

toen op 11 augustus 1919 de nieuwe grondwet van het rijk, de zgn.
“Weimar-Grondwet” (1/71) van kracht werd. Artikel 147 bevatte de bepaling dat particuliere scholen door de staat konden worden toegestaan als ze niet onder deden voor openbare scholen wat betreft onderwijsdoelen, faciliteiten en de academische opleiding van hun leraren. Verder: “Particuliere basisscholen mogen alleen alleen worden toegestaan als . . . de onderwijsinspectie een speciaal educatief belang erkent. Particuliere kleuterscholen moeten worden gesloten.”
Dit artikel uit de rijksgrondwet werd zo bindend recht voor alle staten van het rijk, d.w.z. voor de voormalige koninkrijken en vorstendommen. Maar omdat de scholen onder de soevereiniteit van de deelstaten bleven, duurde het lang voordat artikel 147 volledig van kracht werd.
De rijksregering greep slechts op één gebied direct in.
Door middel van de Rijkswet van 28 april 1920, de zogenaamde
“Wet op de Lagere School” (2/242, 250, 3/145), werd schoolbezoek van de staatsbasisschool voor de laagste drie en later vier klassen verplicht gesteld voor alle kinderen. Alle particuliere kleuterscholen moesten worden opgeheven door niet langer een nieuwe lagere klas te openen en het aantal leerlingen in hun bestaande klassen niet te verhogen.

Das galt naturgemäß auch für Württemberg, und es wurde der Waldorfschule durch Erlaß vom 31 . Dezember 1920 von der Behörde mitgeteilt (1/255), daß laut Grundschulgesetz jetzt schrittweise die untersten Klassen geschlossen werden müßten, weil sie eine „private Vorschule” seien. Es könne nur der Waldorfschule auf Antrag genehmigt werden, daß sie für das Schuljahr 1921/22 noch eine erste Klasse eröffne, aber ihre vier Grundschulklassen — mit a- und b-Klassen waren es acht — dürften nicht mehr Kinder führen als bisher, also zusammen 240. Dieser Zustand wurde zwar verlängert, aber er bewirkte doch, daß erst in die 5. Klasse, die nicht mehr zur Grundschule zählte, neue Kinder aufgenommen werden konnten. Weil nun der Andrang dazu sehr groß war, mußte im 5., 6. und 7. Schuljahr jedesmal eine dritte 5. Klasse, eine Klasse 5c errichtet werden (3/93, 100, 145).
Erst im Jahre 1926, also schon nach dem Tode Rudolf Steiners, änderte sich das. Damals nahm der Schulrat Friedrich Hartlieb die vorgeschriebene Prüfung (s. unten) vor. Bei ihm lag hinter aller behördlichen Unbestechlichkeit und Strenge eine ganz ursprüngliche pädagogische Genialität vor. Auf Grund seiner eingehenden und sehr

Dit gold natuurlijk ook voor Württemberg en de vrijeschool werd bij decreet van 31 december 1920 (1/255) door de autoriteiten dat volgens de wet op het basisonderwijs geleidelijk de laagste klassen gesloten moesten worden omdat ze een “particuliere voorschool” waren. Alleen de vrijeschool kon op aanvraag toestemming krijgen om voor het schooljaar 1921/22 een eerste klas te openen, maar de vier basisschoolklassen – met A- en B waren het er acht –mochten echter niet meer kinderen opnemen dan voorheen, d.w.z. een totaal van 240 kinderen.
Deze situatie werd verlengd, maar het betekende toch dat nieuwe kinderen alleen konden worden toegelaten vanaf leerjaar 5, dat geen deel meer uitmaakte van de basisschool.
Omdat nu de vraag zo groot was, moest er een derde 5e klas, een klas 5c, worden toegevoegd in het 5e, 6e en 7e jaar van de school. (3/93, 100, 145).
Pas in 1926, dus na de dood van Rudolf Steiner, kwam hier verandering in.
In die tijd nam de schoolinspecteur Friedrich Hartlieb het voorgeschreven examen af (zie hieronder). Hij had, afgezien van alle officiële onkreukbaarheid en strengheid, een volstrekt originele pedagogisch genialiteit. Op basis van zijn grondige en zeer

Blz. 30

günstigen Beurteilung der Waldorfschule (abgedruckt im „Nachrichtenblatt”, 3. Jg., 1926, Nrn. 2—6) wurde vom Ministerium das „besondere pädagogische Interesse anerkannt”, und die Beschränkung wurde aufgehoben.
Aber diese „gesetzliche Limitierung” (3/145) der ersten vier Klassen und andere Wahrnehmungen bewirkten, daß Rudolf Steiner eine zunehmende Einengung der ursprünglichen Bedingungen feststellen mußte.
„Heute (im Mai 1923) könnte man auch hier nicht mehr eine Waldorfschule errichten” (3/49).
Im übrigen hatten es die Länder nicht eilig mit neuen und gründlichen eigenen Schulgesetzen. In Württemberg erschien zwar eines, das sogenannte „kleine Schulgesetz”, schon 1920, aber es enthielt nur Bestimmungen, die die Waldorfschule nicht angingen. Ein wirklich umfassendes Schulgesetz kam bis zu Rudolf Steiners Tode nicht heraus. Die Schulbehörden behalfen sich mit Erlassen und Verfügungen. –
Nachdem nun der Unterricht der Waldorfschule einmal im Gange war, beschränkte sich die Berührung mit den Behörden, innerhalb der Grenzen der oben genannten Kompromisse, hauptsächlich auf wenige Gebiete.
Regelmäßig wurden im Abstand weniger Jahre die vorgeschriebenen
Schulrats-Revisionen vorgenommen (1/273, 2/59, 65—69, 141), und ebenso regelmäßig überprüfte der Amtsarzt den allgemeinen Gesundheitszustand der Kinder (1/121, 2/20). Wegen der beiden anderen Berührungsstellen mit den Behörden sind die Ausführungen über die einzelnen Schuljahre nachzulesen; über die Fortbildungsschule Einleitung S. 46, 47; über das Abiturium Einleitung S. 56, 58.

gunstige beoordeling van de vrijeschool (afgedrukt in het “Nachrichtenblatt”, 3e jaargang, 1926, nrs. 2-6), erkende het ministerie het “speciale onderwijsbelang” en werd de beperking opgeheven.
Deze “wettelijke beperking” (3/145) van de eerste vier klassen en andere percepties zorgden ervoor dat Rudolf Steiner een toenemende versmalling van de oorspronkelijke voorwaarden moest vaststellen.
“Vandaag (mei 1923) zou het ook hier niet meer mogelijk zijn een
vrijeschool te stichten” (3/49).
Overigens maakten de deelstaten geen haast om zelf nieuwe en grondige schoolwetten aan te nemen. In Württemberg verscheen er al een in 1920, maar die bevatte alleen bepalingen die geen invloed hadden op vrijescholen. Een echt allesomvattende schoolwet kwam er niet vóór de dood van Rudolf Steiner.
De schoolautoriteiten namen genoegen met verordeningen en voorschriften. –
Toen de vrijeschool eenmaal liep, bleef het contact met de autoriteiten, binnen de grenzen van de bovengenoemde compromissen, hoofdzakelijk beperkt tot enkele gebieden.
Regelmatig, met tussenpozen van enkele jaren, werden de voorgeschreven
schoolinspecties gehouden (1/273, 2/59, 65-69, 141), en even regelmatig controleerde de ambtenaar van volksgezondheid de algemene gezondheid
van de kinderen (1/121, 2/20).
Voor de twee andere contacten met de autoriteiten verwijzen we naar de uitleg over de afzonderlijke schooljaren; over het voortzetten van de school inleiding p. 46, 47; over het examen inleiding p. 56, 58.
GA 300A/26-30  

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3291-3098

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Leo Klein stelde mij een groot aantal aantekeningen ter hand die hij maakte tijdens zijn vrijeschoolleraarschap. <1>   <2>

Ik geef ze op zijn verzoek op deze blog door, zodat ook anderen er wat aan kunnen hebben.

heemkunde 3e klas

.

.

Vrijeschool in beeld: Leo Klein  [1]  [2]

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3290-3097

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (12)

.

In het tijdschrift ‘De Kaarsvlam‘ en in haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ legt Mellie Uyldert oude kinderspelen uit.
Zit er een bepaalde ‘wijsheid’ in verborgen of zijn ze ‘zo maar’.
In haar artikel over ‘de levensgeest‘ vinden we raakpunten met wat Steiner over de etherkrachten zegt, al zijn er verschillen.
Al met al interessante gezichtspunten en daar we op de vrijeschool vooral in de kleutergroepen veel spelen, dus ook kringspelen, geeft het wellicht een verdieping aan waarmee je bezig bent.

.

kat en muis

.
Er is een kring met de handen vast. Erbinnen zijn ook kinderen, ze staan waar ze willen en zijn de muizen. 
Buiten de kring is één kind en dat is de kat. 
De handen vast en wat ruimte tussen die kinderen betekent een poortje waar de muizen en de kat doorheen kunnen, als de armen omhoog zijn.
Die kinderen kunnen bepalen of het poortje open, dan wel dicht is op het ogenblijk dat er een muis of de kat doorheen wil. Uiteraard zit de kat achter de muizen aan. 
De muis die is getikt, is af. Die gaat of zitten of komt in de kring van de poortjes. 
Als er geen muizen meer zijn, begint het spel opnieuw met andere kinderen. 

Er is ook een variant waarbij het spel begint met de kat in en de muizen buiten de kring. De muizen mogen er wél in, de kat niet eruit. 

Voor Uyldert is ook dit spelletje verwant aan die, die over de priester en de levensgeest gaan (zie bijv. zakdoekje leggen). De priester zou dan hier de kat zijn en de onwillige opvolgers de muizen, tevens dus de leerlingen of dienaren.
De kat binnen de kring doet denken aan de priester op het afgesloten veld. Vooral wanneer de kat de kring niet mag verlaten en de muizen wél.

Zij brengt het ook in verband met de nabootsing van het zoeken van een bouw-offer. 
In oude tijden zou de gewoonte hebben bestaan om vóór het begin van de bouw van een kerk of een brug, dat de priester een jongeman van 19 jaar uitzocht – of een kind – die levend, onder gezang van de werklieden, werd ingemetseld. Bij de brug aan het bruggenhoofd, bij de kerk op de plaats van het zgn. noormannnenpoortje aan de noordzijde. Daar zou hij dan ‘de boze geesten’ of de zielen van de gestorvenen die de kerk wilden binnendringen, moeten afweren. Zijn ziel werd op die plaats gebannen.
Bij afbraak van bruggen en kerken heeft men skeletten gevonden. 

Interessant kan in dit verband zijn dat er ook verhalen bestaan waarin de kat het bouwoffer is:
Katten. Hun functie is altijd al geweest om muizen en ander kwaad buiten de deur te houden en ze eindigden soms ook net als onze mummiekat Gries als bouwoffer. Ook ná hun negende leven waren zij vaak diegenen die belast werden met het afweren van het kwaad. Katten en ook andere (huis)dieren komen in vele mythes, verhalen en overleveringen voor. (Spottify: podcast)
Of dit bericht.
In dit bericht is sprake van echte mensenoffers.

In het spel ‘Koene kranen, witte kranen’ zou het ook om een bouwoffer voor een brug kunnen gaan.

In Drenthe verscholen toen Mellie Uyldert nog leefde, jongemannen zich als de predikant of de priester eraan kwam. Een van hen vertelde het haar. 

.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3289-3096

.

.

.

,

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (11)

.

In het tijdschrift ‘De Kaarsvlam‘ en in haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ legt Mellie Uyldert oude kinderspelen uit.
Zit er een bepaalde ‘wijsheid’ in verborgen of zijn ze ‘zo maar’.
In haar artikel over ‘de levensgeest‘ vinden we raakpunten met wat Steiner over de etherkrachten zegt, al zijn er verschillen.
Al met al interessante gezichtspunten en daar we op de vrijeschool vooral in de kleutergroepen veel spelen, dus ook kringspelen, geeft het wellicht een verdieping aan waarmee je bezig bent.

.

jan huygen in de ton
.

In het midden van de kring – handen vast – staat één kind: Jan Huygen. De kring loopt rond als ‘de ton’ en zingt:

Jan Huygen in de ton
Met een hoepeltje erom
Jan Huygen
Jan Huygen
En de ton die viel in duigen

Muziek

‘Duigen’ wordt langgerekt gezongen, waarbij de kinderen elkaar loslaten en over de grond tuimelen: de duigen, nadat de hoepel kapot is gegaan.

Volgens Uyldert zou het spelletje al bestaan hebben vóór het deze tekst kreeg.
Ze ziet een verband met ‘Vinger in de roet‘, de plechtigheden ter ere van de levensgeest.
Het is het dansen om de levensgeest of zijn vertegenwoordiger. 
De dansers raken sterk ‘opgeladen’ en rollen ‘in trance’ over de grond.

.
Jan Huygen    //  Jan Huygen

Nog meer: o.a. andere uitleg, historie

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3288-3095

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen en legenden (GA 34)

.

Telkens als bv. de T.U. van Eindhoven een of andere vinding heeft gedaan en er wordt uitgelegd hoe dan, begrijp ik daar eigenlijk nooit wat van.
‘Knappe koppen’, denk ik dan, een vorm van ingewijd zijn in jouw stukje wetenschap. ‘Ingewijde’ gebruiken we nauwelijks als woord, hier spreken we van ‘de expert’. 
Maar evenzogoed, die weet veel meer dan ik en zou mij erin kunnen ‘inwijden’.

Zo had ik eens een expert nodig om de inhoud van mijn computer te redden.
Deze ‘ingewijde’ nam erachter plaats, typte voor mij totaal vreemde opdrachten, opende dit en sloot dat, kortom: hij was zo thuis in dat voor mij zo onbekende gebied, dat ook hij mijn leraar had kunnen zijn op zijn vakterrein.
Hij wees mij ook op een zekere toekomst: als ik dit zou doen en dat zou nalaten, ontstonden er geen problemen meer. Ik heb hem als ‘een grotere geest’ vertrouwd en inderdaad, zijn voorspelling was juist.

Daar moet ik weleens aan denken wanneer ik bij Steiner over ‘inwijding’ en ‘mysteriën’ lees. Over de ingewijden die het gewone volk – zij die het ontwikkelingsniveau van de ingewijde niet hebben – zeggen wat ze wel en niet moeten doen.

Nu zijn mijn voorbeelden wat triviaal, bij Steiner gaat het nog om veel meer:
de ingewijden houden het volk, maar ook de inwijdeling – hij die op weg is ingewijd(e) te worden – soms een toekomst voor van de mens en de mensheid, soms een verleden.
Ze moesten dat op een bepaalde manier doen, het ging niet op het niveau waarop zij dit wisten, dat denkniveau had het volk niet.

Bij deze inhoud denk ik weleens aan het feit dat de oudere aan een kleuter bv. geen algebra kan uitleggen. Dat kan de kleuter niet bevatten. 

En zo zou het gewone volk niet kunnen bevatten op een meer verstandsniveau, wat het toch op een of andere manier moest weten, ook door vragen die vanuit het volk werden gesteld.

Zo kunnen kinderen, ook kleuters al, vragen stellen over – voor hen – raadsels in het leven.
‘Wat is eeuwigheid’? vroeg een meisje in mijn klas mij.
Ik had natuurlijk een triviaal antwoord kunnen geven, in de trant van ‘heel erg lang’ of een filosofische omschrijving: ‘ontheven aan de tijd’.
Maar zou de  7-jarige daar wat aan hebben gehad.
Gelukkig kende ik een sprookje (Het herdersjongetje, Grimm 152) waarin één keer in de honderd jaar een vogeltje naar de Diamantberg komt om zijn snaveltje te slijpen en als de hele berg is afgeslepen, dan is de eerste seconde van de eeuwigheid voorbij.

Het kind keek me aan en zuchtte: ‘Wat duurt dat dan lang!’

Kennelijk geven de beelden op die leeftijd meer antwoord dan de abstracte zinnen.

En dat is, volgens Steiner, de inhoud van sprookjes, mythen en sagen: beelden die staan voor ‘grote waarheden’ die op een abstract niveau in ‘die tijd toen’ niet waren mee te delen.

GA 34

Lucifer-gnosis
1903-1908
Grundlegende Aufsätze zur Anthroposophie und Berichte

Basisartikelen over antroposofie en berichten

Lebensfragen der theosophischen Bewegung

Levensvragen van de theosofische beweging

Blz. 272

Aber selbst die Menschen, die in den allereinfachsten Verhältnissen lebten, konnten sie in jener Form erhalten, in der es für sie angemessen war. Die Märchen und Mythen enthalten diese Wahrheiten in Form von Bildern, von Gleichnissen usw. Es kommt nur aus materialistischer Gesinnung heraus, daß man in den Märchen, Sagen, Mythen die in ihnen Hegenden tiefen Weisheiten nicht erkennen oder nicht anerkennen will. Es kann hier zunächst nicht die Aufgabe sein, zu zeigen, was leicht gezeigt werden könnte, daß in Sagen und Mythen bildlich viel, viel größere Weisheiten über die Natur und die Menschheitsgeheimnisse enthalten sind, als in den Darlegungen unserer heute so fortgeschrittenen Wissenschaften. Völkern auf gewissen Kulturstufen muß man eben im Bilde geben, was bei einer höheren Entwickelung des Intellektes in Ideen an den Menschen herantreten muß. Allerdings gibt es viele Menschen noch heute, die da glauben, was nicht der Verstand begriffen hat, das sei überhaupt nicht verstanden. Dem gegenüber muß

Maar zelfs de mensen die in de eenvoudigste omstandigheden leefden
waren in staat om kennis over het hogere te ontvangen in de vorm die voor hen geschikt was. Sprookjes en mythen bevatten deze waarheden in de vorm van beelden, gelijkenissen, enz.

Het komt alleen voort uit een materialistische houding dat men de diepe wijsheid in sprookjes, legenden en mythen niet herkent of erkent.

Dat is iets wat vandaag de dag goed zichtbaar is. Hoe vaak wordt ‘sprookje’ niet gebuikt in de context van ‘niet waar, onzin’. Of hoe vaak moet niet ‘de mythe van dit of dat worden doorgeprikt’, m.a.w. ook de mythe als onwaarheid.
Hoe oppervlakkig wordt er soms gesproken over bepaalde mythologische figuren: Zeus als de op seks beluste vrouwenversierder, of de vrijeschoolleerkracht die het over ‘de soap van de Germaanse goden’ heeft.

Het kan hier in eerste instantie niet de taak zijn om aan te tonen, wat gemakkelijk kan worden aangetoond, dat er in legenden en mythen beeldend veel, veel grotere wijsheid over de natuur en de geheimen van de mensheid zit dan in de verklaringen van onze geavanceerde wetenschappen van vandaag.

Volkeren in bepaalde stadia van beschaving moet een beeld worden gegeven van wat bij een hogere ontwikkeling van het intellect tot de mens moet komen in de vorm van ideeën.

Er zijn echter veel mensen die nog steeds geloven dat wat niet door het intellect begrepen is, helemaal niet begrepen wordt. 

Blz. 273

aber betont werden, daß nicht nur der Verstand ein Erkenntnisvermögen ist, sondern daß man wirklich auch durch das Gefühl, durch die Phantasie und durch andere Seelenkräfte die Dinge verstehen kann.
Und es war ein wirkliches Verstehen für gewisse Stufen der Entwickelung, wenn die Menschen im Märchen, im Mythus die Weltgeheimnisse auf sich wirken ließen. Ja es kann für solche Entwickelungsstufen eine andere Form nicht einmal in Betracht kommen. Diejenige Form der höheren Wahrheiten, wie man sie heute in der Theosophie findet, verbleibt für solche Zeiten den Geheimlehren und ihren Schülern. Auf andern Entwickelungsstufen sind es die Religionen, in deren Form die Geheimnisse der unsichtbaren Welten den Menschen verkündet werden. In allen Religionen sind die höheren Geheimnisse in einer für das Gemüt und den Glauben zugerichteten Form enthalten. Wer nicht mit materialistischem Vorurteil, sondern ganz unbefangen und voraussetzungslos die Religionen studiert, der findet in ihnen alle Geheimlehren, so daß in einer jeden bestimmten Religion diese Lehren, angepaßt dem Charakter, dem Temperament und der Kultur desjenigen Volkes und derjenigen Zeit, für die sie bestimmt sind, enthalten sind.

Daartegenover moet echter benadrukt worden dat niet alleen het intellect een vermogen tot kennis is, maar dat men de dingen ook echt kan begrijpen door het gevoel, door de verbeelding en door andere krachten van de ziel.
En het was een echt begrijpen voor bepaalde ontwikkelingsstadia toen mensen in sprookjes, in mythen de mysteries van de wereld op zich in lieten werken. Voor dergelijke stadia van ontwikkeling kan er zelfs geen sprake zijn van een andere vorm.
Die vorm van de hogere waarheden, zoals we die vandaag de dag in de Theosofie* vinden, blijft voor zulke tijden voorbehouden aan de geheime leringen en hun discipelen.
In andere stadia van ontwikkeling zijn het de religies in wier vorm de geheimen van de onzichtbare werelden aan de mensen worden verkondigd.
In alle religies zijn de hogere mysteries vervat in een vorm die past bij gemoed en geloof.

Wie niet met materialistisch vooroordeel, maar volkomen onpartijdig en zonder vooronderstellingen religies onderzoekt, zal daarin alle geheime leringen vinden, zodat in elke religie deze leringen zijn opgenomen, aangepast aan het karakter, het temperament en de cultuur van het volk en de tijd waarvoor ze bedoeld zijn.

Mythen, Sagen, Religionen sind die verschiedenen Wege, auf denen die höchsten Wahrheiten den Menschen in ihrer Mehrzahl übermittelt worden sind. Das müßte auch weiter geschehen, wenn es ausreichen würde. Aber es reicht nicht mehr aus. Die Menschheit ist gegenwärtig auf einer Entwicklungsstufe angelangt, auf der ein großer Teil von ihr alle Religion verlieren würde, wenn die ihr zugrunde liegenden höheren Wahrheiten nicht auch in einer Form verkündigt würden, so daß auch das schärfste Nachdenken sie als gültig ansehen kann.
Die Religionen sind wahr, aber die Zeit ist für viele Menschen vorüber, in der Begreifen durch den bloßen Glauben möglich war. Und die Zahl der Menschen, für die das gilt, wird in der nächsten Zukunft mit ungeahnter Schnelligkeit zunehmen. Das wissen diejenigen, welche die Entwickelungsgesetze der
Menschheit wirklich kennen. Wenn die den religiösen Vorstel-

Mythen, sagen, religies zijn de verschillende manieren waarop de hoogste waarheden aan de meerderheid van de mensheid zijn doorgegeven.
Dit zou door moeten gaan, áls het toereikend zou zijn. Maar dat is het niet langer. De mensheid heeft op dit moment een stadium van ontwikkeling bereikt waarin een groot deel alle religie zou verliezen als de hogere waarheden waarop het gebaseerd is niet verkondigd zouden worden in zo’n vorm dat
ook het scherpste denkvermogen ze als geldig kan beschouwen.
De religies zijn waar, maar de tijd is voor veel mensen voorbij toen begrijpen alleen door geloof mogelijk was.
En het aantal mensen voor wie dít waar is zal in de nabije toekomst met ongekende snelheid toenemen.
Degenen die de wetten van de menselijke ontwikkeling echt kennen, weten dit.
Wanneer de wijsheden die aan de religieuze voorstellingen

Blz. 275

hingen zugrunde liegenden Weisheiten nicht in einer dem vollkommenen Denken standhaltenden Form in der Gegenwart öffentlich verkündet würden, so müßte alsbald der völlige Zweifel und Unglaube gegenüber der unsichtbaren Welt hereinbrechen. Und eine Zeit, in der das der Fall wäre, wäre trotz aller materiellen Kultur eine Zeit, schlimmer als eine solche der Barbarei. Wer die wirklichen Bedingungen des Menschenlebens kennt, der weiß, daß der Mensch ohne Verhältnis zum Unsichtbaren ebensowenig leben kann, wie eine Pflanze ohne nährende Säfte.

ten grondslag liggen niet in een vorm die voor een volmaakt denken standhoudt openlijk verkondigd zouden worden, dan zou er al snel volledige twijfel en ongeloof ten opzichte van de onzichtbare wereld ontstaan. En een tijd waarin dit het geval zou zijn, zou ondanks alle materiële cultuur een tijd zijn die erger is dan barbarij.
Iedereen die de werkelijke omstandigheden van het menselijk leven kent, weet dat de mens zonder een relatie tot het onzichtbare, net zo min kan leven als een plant zonder voedende sappen.
GA 34/272-275
Niet vertaald

*Steiner is hier nog lid van de Theosofische Vereniging, we zouden voor ‘theosofie’ hier nu ‘antroposofie’ kunnen schrijven.

.

Rudolf Steiner over mythen en sagenalle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3287-3094

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Digibord

.

Van tijd tot tijd verschijnen er in o.a. de dagbladen opiniestukjes over van alles en nog wat.

Zo ook over digiborden in het onderwijs.

Of je in het vrijeschoolonderwijs wat aan digiborden hebt, laat ik even buiten beschouwing.

Hier gaat het om een reactie van een lezer:

Zij schrijft:

Les zonder digibord

Benali’s column over digitaal onder­wijs (Opinie, 8 november) raakte mij. Een oud-leerling, nu leerkracht, vroeg of ik als gastdocent een les wilde geven over de adder. Ze had goede herinneringen aan biologieles, verhalen en excursies op haar basis­school in Beilen. Ik gaf er graag ge­hoor aan. Tijdens een wandeling op het Dwingelderveld vond ik, als een geschenk uit de hemel, twee dode adders die thuis in de diepvries ver­dwenen. Onlangs heb ik in drie groe­pen 5 over de adder verteld. Als toetje kwamen de dode adders tevoorschijn. Het contact dat je met de leerlingen hebt tijdens het vertel­len, daar kan geen digibord tegenop. Na afloop hadden ze maar één wens: op de fiets naar de adderplek.

Winy Blokzijl Beilen

Ingezonden brief,

Trouw
10-11-2022

.

3286-3093

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (10)

.

In het tijdschrift ‘De Kaarsvlam‘ en in haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ legt Mellie Uyldert oude kinderspelen uit.
Zit er een bepaalde ‘wijsheid’ in verborgen of zijn ze ‘zo maar’.
In haar artikel over ‘de levensgeest‘ vinden we raakpunten met wat Steiner over de etherkrachten zegt, al zijn er verschillen.
Al met al interessante gezichtspunten en daar we op de vrijeschool vooral in de kleutergroepen veel spelen, dus ook kringspelen, geeft het wellicht een verdieping aan waarmee je bezig bent.

Dit bleek een van de favoriete spelletjes te zijn die onze kleinkinderen altijd wilden spelen als wij oppasten. Ze konden er nauwelijks mee ophouden. Ze vroegen erom, ook nadat ze de kleuterleeftijd al achter zich hadden.

In de klas gaat het zo:

.

blindemannetje

.
Er is een gesloten kring, dus handen vast. Daarin staat een geblinddoekt kind, de blindeman, die moet proberen een van de kinderen te pakken.
Als dat is gelukt, moet hij nog raden wie het is. 
Bij Uyldert staat dit niet, maar in de praktijk komt het erop neer, dat de aanraking nog niet verraadt wie het gepakte kind is.
De blindeman kan voor meer informatie het hoofd en de haren betasten. Dat roept op dat de kinderen elkaar beter gaan waarnemen.
Je kan ook het gepakte kind een woord laten zeggen met een verdraaide stem of de blindeman kan naar de kleur van een kledingstuk vragen: ook dat roept op dat de kinderen beter naar elkaar kijken.

De handen vast, betekent dat de kring wel iets kan bewegen om de zoekende blindeman te ontwijken, maar niet zoveel. Er kan geruk en getrek ontstaan, struikelen komt dan ook voor.
Ik speelde het vaak zonder handen vast, in een kleinere ruimte. De kinderen mochten dat stukje vloer niet verlaten.
Voor de blindeman extra spannend omdat deze niet precies weet waar hij is.
We voorkwamen natuurlijk dat hij zich kon bezeren.
Voordeel is dat hij heel goed moet luisteren en zich op z’n gehoor moet oriënteren. (Waarneming leerkracht: is dat in orde?)
De andere kinderen moeten zich dus bijna geruisloos verplaatsen, vaak nadat ze geluid hadden gemaakt, om de blindeman om de tuin te leiden.

Volgens Uyldert is de blindeman hier weer de vertegenwoordiger van de levensgeest. Zijn doordringende blik, zijn gevaarlijke blik wordt door de blinddoek verborgen gehouden. 
De mensen om hem heen zijn er niet op gesteld om zijn plaats in te nemen.
Vergl. ‘zakdoekje leggen’ en ‘omkijkertje‘ .
Om de kracht ook aan hem te binden, moet de naam van de persoon die hiermee a.h.w. ingewijd wordt, worden uitgesproken.
Aanraken en geen naam kunnen noemen betekent een mislukte inwijding.
De priester zoekt een opvolger, maar zijn dienaren willen niet en nu moet hij ze met geweld aan de wijding onderwerpen. 

Uyldert vermeldt nog dat het spel in Engeland ‘Little Jingo’ heet. Blijkbaar de naam van de levensgeest waarbij men zweert: By Jingo!

.
Er is ook een andere uitleg

Zintuigen: blindemannetje

Spelalle artikelen

Peuters/kleuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3285-3092

.

.

.