VRIJESCHOOL – 1e, 2e, 3e klas – schilderen (3-4)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 44 – 46

De auteurs wijzen erop dat de kinderen zo rond het 9e jaar een grotere behoefte beginnen te krijgen ook  ‘in de vorm’ te komen. Maar voor het kunstzinnige aspect stellen zij zonder meer vast: geen ‘dingen, voorwerpen’ en niets wat naar tekenen neigt.
Ze noemen Steiner niet, maar hij is er wat 10-jarigen betreft ook duidelijk over:
GA 300C/127-128 hier in vertaling

Zij zeggenDe kleuren zelf bieden een schat aan mogelijkheden om motieven te vinden als ze individueel met gevoelskwaliteiten worden gekarakteriseerd en zo met elkaar in speels contact worden gebracht.’

Ze verwijzen daarbij naar GA 300A/240: hier vertaald.

Steiner spreekt daar over ‘koket’ paars, ‘brutaal’ rood en ‘deemoedig’ blauw waarop ze rusten.

De aanwijzing die Steiner geeft, is zijn antwoord voor een specifieke vraag, tegelijkertijd kun je er wel iets ‘algemeens’ in zien.
De auteurs werken e.e.a. uit.

Ten eerste moet de leerkracht een duidelijk beeld hebben van de afzonderlijke kleuren. Het woord paars wordt zelden geassocieerd met een duidelijk idee van kleur. In zijn kleurencirkel noemt Goethe de eerste fase van de overgang van blauw naar paars rood-blauw. Het blauw behoudt de overhand; als het wordt verdund, krijgen we paars. In de natuur zijn dit de lentekleuren van de klassieke sering, paarse tulpen en heldere krokussen. De “brutale kleine roodachtige kleur” doet onmiddellijk denken aan vermiljoen. Het is de kleur die het meest in het oog springt. Het blauw van deze kleuropdracht – het nederige blauw – mag niet te donker, niet te fel, niet ijzig of groenig zijn als het het gebaar van nederigheid wil uitdrukken. Het moet warmte bevatten, op weg zijn naar rood. Dit kan worden bereikt met ultramarijnblauw, verzacht met een paar druppels vermiljoen. De verhoudingen van deze drie kleuren op het blad zijn al aangegeven door de formulering. Het sierlijke paars wil gezien worden, het breidt zich uit in het vlak, het is rusteloos, wil wegzweven. De leerkracht moet vooraf bij de kinderen een gevoel voor de lichtheid van deze kleur hebben opgeroepen. Het brutale roodje energiek, vurig, levendig, maar klein. Als pure vermiljoenkleur straalt hij al als een klein vlak. De paarse kleur lijkt daarentegen op iemand die zich mooi maakt, die al snel wat van het blauw overneemt, al snel wat van het rood – ook hier moet karmijn worden gebruikt. Van de drie kleuren is blauw het rustigst, het omgeeft de andere twee kleuren en wordt dan onderaan dikker om het geheel houvast te geven.’

Op deze manier zou je je als leerkracht kunnen voorbereiden op de opdracht die je gaat geven. Maar wat hier staat kun je aan de kinderen zo niet geven.
Wél kan je bv. een situatie schetsen van 3 kinderen (3 kleuren) waarvan er een heel overheersend is. ‘Die neemt (in die situatie die je beschrijft of die situatie die de kinderen (uit ervaring!) mede gaan beschrijven), bijna alle speelgoed, de anderen hebben vrijwel niets. 
Dat kan natuurlijk een overheersing van rood worden, t.o.v. geel en blauw, die min of meer in een hoekje worden gedrukt.
Er kan ook zo’n soort opdracht zijn, maar dan spelen de kinderen alle 3 met elkaar en verdelen wat er is. 
Of het droevige blauw is zo bedroefd dat er bijna niets anders is dan zijn verdriet: rood en geel zijn niet in staat hem op te fleuren.
Bij deze voorbeelden grijpen we a.h.w. terug op wat we al eerder hebben geprobeerd door de kleuren bij elkaar te zetten om te ervaren wat voor indruk de verschillen op je maken. 

Zo wordt kleur een uitdrukking voor gevoel, voor stemming, een situatie wordt in beeld gebracht. Als de opdracht goed aankomt, schilderen de kinderen veel meer van binnenuit dan dat ze iets uiterlijks nabootsen.

Je zou hier mogen zeggen dat ‘hart en hand’ hier op de voorgrond treden.

Intussen moet ook de techniek weer niet vergeten worden.

Bij een opdracht als: geel en rood gaan met elkaar praten. Ze hebben ieder wel hun eigen gedachten, maar ze luisteren goed naar elkaar.
Dan zou er ‘ergens’ op het blad een sterk geel vlak en een sterk rood vlak kunnen staan en dan waar de kleuren elkaar gaan ontmoeten, zouden rood en geel sterk dunner moeten worden. Er hoeft helemaal nog geen oranje te ontstaan.
(Dat zou bij een soortelijke opdracht kunnen komen, wanneer ze samen plannen gaan maken en een gemeenschappelijk plan bedacht is)
En uiteraard kan dit weer met veel meer kleurencombinaties. 
Hier is de techniek vereist om verf met water op het papier te kunnen verdunnen.
Dat hoeft weer niet per se met een opdracht. Gewoon een sterk vlak rood in het midden en naar de randen van het blad, vanuit het midden, steeds dunner worden, zonder dat je echte overgangsgrenzen ziet.

Hier nog een beschreven voorbeeld uit het boek:

‘In een volgende les gaat het verhaal ongeveer zo: Zoals je gemakkelijk kunt raden, ging het niet lang goed met die twee brutale rakkers. Ze begonnen met elkaar te vechten. Uiteindelijk zag je alleen nog maar een vuurrode kleur die alle kanten op spoot. Het “tere paars” kon er niet tegen, bezorgd om zijn schoonheid, vluchtte het weg. Het nederige blauw trok zich vol afschuw terug, er staat: naar de rand van het blad. Ik zou het laten bij ‘vol afschuw terug‘. Waar zouden de kinderen dat blauw schilderen?

Voor de leerkracht is het niet eenvoudig om karakteristieken voor de kleuren te vinden die daadwerkelijk bij de kleur horen en niet bij de willekeur.
Goethe heeft ‘een verrassende rijkdom aan taalkundig geschikte kenmerken gegeven. Daar zou je als leerkracht ook inspiratie uit kunnen halen. Bv.: een gele kleur kan helder, vrolijk, stralend, maar ook prachtig zijn; een blauwe kleur kan verlegen, verlangend, afwerend, teruggetrokken zijn; groen kan vredig, kalm, vrolijk, fris zijn; oranje kan vriendelijk, moedig, krachtig zijn; paarsrood kan koninklijk, waardig, plechtig, majestueus zijn.

Op Pinterest staan veel mooie afbeeldingen – al is ‘niet alles goud wat er blinkt’ – die hier als illustratie kunnen dienen, hoewel ik niet weet door welke opdracht – of misschien helemaal geen opdracht zijn ontstaan. 

.

Goethe: kleurenleer

Steiner: Het wezen van de kleuren

Schilderen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3320-3124

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (56)

.

kort samengevat door waldorfschool Potsdam
.

waarom vieren wij het feest van Michaël
.

De geschiedenis

Michaëlsdag wordt in het christendom al sinds de 9e eeuw op 29 september gevierd.
Volgens de Apocalyps van Johannes brak er een conflict uit in de hemelse wereld en vocht Sint-Michaël tegen de draak, het kwaad dat de wereld verleidt, en wierp hij hem uit de hemel naar de aarde. Hij is niet dood na deze strijd, maar zijn overweldigende macht is gebroken.

Symboliek

De draak symboliseert de verstoten macht van het kwaad. Hij probeert mensen uit elkaar te spelen, af te leiden van het spirituele en te binden aan de materiële wereld. Het feest van Sint-Michaël is een oproep aan mensen om de krachten die hen naar beneden trekken te herkennen en er grenzen aan te stellen.

Elke dag zijn we getuige van geweld, vernietiging, haat, leugens en nog veel meer. Om de draak te trotseren hebben we grote innerlijke inspanning, kracht, moed en waakzaamheid nodig. Michaëls strijd is een beeld van het feit dat ons bewustzijn wakker moet zijn zodat we het kwaad kunnen doorzien en bestrijden. De lans die Michaël in de voorstellingen draagt, symboliseert de heldere focus op een doel en tegelijkertijd het vermogen om daarmee iemand op afstand te houden.

Het zwaard is een beeld van het vermogen van de mens om in zijn denken afzonderlijke dingen te onderscheiden en te scheiden. Het zwaard wordt ook geassocieerd met ijzer. We hebben ook ijzer nodig in ons lichaam. Zonder ijzer voelen we ons zwak en machteloos.

Sint-Michaël wordt vaak afgebeeld met een weegschaal. Hij is de weger van de zielen. Hij weegt goed en kwaad. Ook wij moeten onze beslissingen afwegen. Onze alerte intelligentie en de krachten van het hart moeten samenwerken. Het sterrenbeeld Weegschaal schittert aan de sterrenhemel op Michaël.

Plaats in de jaarlijkse cyclus

Na Sint-Maarten en Sint-Nicolaas is Michaël een van de drie feesten die ons helpen voor te bereiden op Kerstmis. Alle drie de heiligen weerspiegelen op hun manier het corresponderende seizoen (ze geven een innerlijk aspect van wat er in de uiterlijke natuur gebeurt).

Ze vertegenwoordigen ook de drie krachten: Willen – Voelen – Denken,
en ze staan voor toekomst – heden – verleden

Sint-Joris is de aardse helper van Michaël, de sterke jonge held die met wilskracht, moed en kracht de draak, het symbool van het kwaad, verslaat.

Eind september schijnt de zon hier en daar nog fel, maar de herfststormen komen er al aan en vegen de eerste kleurrijke bladeren van de bomen. De vruchten zijn rijp. De natuur staat tussen groei en verval. In deze tijd zouden de mensen moeten  proberen het zonlicht van de zomer in zich op te nemen en te bewaren.

Sint-Maarten, afgebeeld in het midden van zijn leven, geeft uit barmhartigheid aan de armen. Hij toont mededogen.

In november wordt het buiten steeds grijzer, kouder en natter en keren mensen hun energie naar binnen.

Sint-Nicolaas wordt afgebeeld als een oude, wijze man die van binnenuit handelt.

In december kan er al sneeuw liggen, het is koud en vochtig, ijzig, helder.

Het Michaëlsfeest luidt dus de periode voor Kerstmis of voor de winter in. We willen al deze innerlijke aspecten tot leven brengen door middel van de proeven van moed, waarin je kracht en daadkracht kunt tonen, maar ook afwegingen moet maken. Er is ook moed voor nodig om iets niet te durven wat te roekeloos lijkt.
Het feest is vooral bedoeld om de zintuigen aan te spreken. Het is een krachtige viering die een langdurig effect heeft en ons helpt om het zonlicht en de warmte van de zon in ons hart mee de winter in te dragen.

Het gaat over de krachten die in ieder mens en in de natuur aan het werk zijn en die in beeld worden gebracht.

Bordtekening van 2e-klasjuf, waoldorfschool Potsdam

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël

.

3319-3123

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.
IK STOND LAATST VOOR EEN POPPENKRAAM
.

Ook dit spelletje was in mijn jeugd heel bekend. Vooral op de kleuterschool, die toen door oudere inwoners van ons dorp nog ‘bewaarschool’ werd genoemd, deden wij het.

Mellie Uyldert heeft vele van deze kringspelen beschreven met een achtergrond waarvan ik soms ook bij Steiner dingen tegenkom.
Vandaar dat ze in mijn  belangstelling staan, al weet ik ook niet wat ik met sommige verklaring moet.
Misschien iemand anders wel en daarom geef ik hier weer wat Uyldert zegt.

In het midden van de kring staan 1 kind; er wordt gezongen:

Ik stond laatst voor een poppenkraam, o, o, o!
Daar zag ik mooie poppen staan: zó, zó, zó!
De poppenkoopman ging op reis,
de poppen raakten van de wijs,
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!
ze deden allemaal zó!

Lied

Bij: O! o! o! wordt het hoofd geschud en met de rechterhand een gebaar gemaakt van: o zo mooi!

Bij: zó, zó, zó! wordt met de hand een bepaalde grootte, van de grond af gerekend, aangegeven, steeds hoger.

Bij: ze deden allemaal zó! doet het kind midden in de kring een gebaar of beweging voor, die door de kring-kinderen wordt nagevolgd. Na enige tijd mag een ander kind midden in de kring gaan staan.

Verklaring

Uyldert deelt het spel in bijSpelen van geboorte‘.
In dat artikel vind je een verklaring, ook voor de namen die hier worden gebruikt.

Dat de spelers eerst onbeweeglijk staan, zou een uitbeelding zijn van de ongeboren zielen bij Moeder Holda. 
In “Anneke Tanneke Toverheksis er een ‘afwezigheid’ van vrouw Holda die ‘naar de pap gaat kijken’ met het gevolg dat de zielen incarneren.
Hier raken ‘de poppen van de wijs’ wanneer de poppenkoopman weg is. 

Meer zegt ze er niet over. 

Vanuit dezelfde achtergrond wordt nu het spel

POTTENWINKEL – STOELENWINKEL

vermeld.

Een van de kinderen houdt een winkel, de andere kinderen min één zijn de potten of de stoelen die zij verkoopt en zitten gehurkt achter haar. (Zij is weer Holda, de hoedster der zielen.)

Het andere, overgebleven kind komt de winkel binnen en er ontspint zich weer een gesprek:

Heb je stoelen (potten) te koop?

Ja, bekijk ze maar eens!

De klant draait nu de potten om en om, of gaat op de stoelen zitten! Bij het laatste: neiging tot luid gegil van de ’stoelen’, dat zij echter moeten bedwingen! Wie lacht of beweegt, wordt meegenomen.

Deze zal ik maar nemen!

De klant betaalt en verdwijnt met de pot of stoel. Dit herhaalt zich tot alle potten of stoelen verkocht zijn. Daarna worden de rollen omgekeerd.

Bekender voor mij is dit spel, dat ik als kind ook deed:

ALLES IN DE WIND

De kinderen staan weer in een kring en houden elkaar bij de hand. Binnenin de kring staan een paar kinderen, 3, 4, dicht bij de kring. Die begint nu linksom te huppelen, de andere kinderen rechtsom.
Er wordt gezongen:

Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!
Alles in de wind, alles in de wind,
’t Is maar een schipperskind!

Hier blijft de kring staan en de  andere kinderen ook, die staan dus vóór een kind van de buitenkring. Daarvan pakken ze de handen kruiselings en dansen in de kring in het rond, waarbij ze zingen:

Rozi, roza,
’k heb een zusje!
’k heb een zusje!
Rozi, roza,
’k Heb een zusje, trala!

Ik herinner me deze tekst:

Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
je bent m’n zusje
Kom hier, Roza,
je bent m’n zusje
ja, ja.

De stilstaande kinderen klappen in hun handen op de maat. Als het liedje uit is, gaan de binnen-kinderen in de kring en de andere waarmee gedanst is, komen ni in de binnenkring en het spel gaat opnieuw.
Het is natuurlijk belangrijk dat alle kinderen een keer aan de beurt komen.

De verklaring zou zijn dat kinderen die binnen in de kring zijn, in een aparte toestand zijn, andere wezens zijn, hier de ongeboren zielen die een plaatsje op aarde zoeken. Misschien zullen die wel Roza heten omdat ze hemelwei met de gouden rozen afkomstig zijn! Ze komen, volgens de overlevering, door ’het land van wind, zon en maan’: de sferen van denken (wind), willen (zon) en voelen (maan), die zij in deze sferen in het stoffelijk lichaampje vastgelegd hebben met het bind-band.

En dan: de ene ziel kómt, de andere gaat!

Nu zijn er nog een paar coupletten, maar daar zegt Uyldert niets over.
Hier, samen met de melodie, zijn ze afgedrukt, tevens met een andere manier van spelen.

DAAR LIEP EEN OUDE VROUW OP STRAAT

De kinderen vormen een stilstaande kring, handen los. Eén kind is ‘de oude vrouw’. Zij loopt binnen langs de kring, terwijl deze zingt:

Daar liep een oude vrouw op straat,
jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
en waar die oude vrouw ook liep,
vergat ze haar rode mutsje niet!
Jutekei, jutekei, jutekei, sa sa,
Jutekei, sa sa!

Melodie

Op de laatste twee regels keert de oude vrouw haar gezicht naar het kind, waar zij dan juist aan toe is, en maakt danspassen voor dat kind, dat dezelfde passen maakt, beide beginnen tegelijk met het rechterbeen vóór (schrede-sprong). Aan het eind wisselt zij met dat kind van plaats, en laat dat kind nu de oude vrouw zijn. Daarna begint het spel opnieuw. Er moet op gelet worden, dat elk kind een beurt krijgt om de oude vrouw te zijn. Is de kring heel groot, dan kan men beter twee of meer kinderen tegelijk, over de kring verdeeld, oude vrouw laten zijn.

De oude vrouw is geen gewoon mens: daar duidt het rode mutsje op dat vaak een teken is dat het om een etherisch wezen gaat. De kabouters dragen ook een rode puntmuts!
Is deze vrouw een elf, die een elfenkind verwisselt met een mensenkind, dat pas geboren is.? Dan zou het om een ‘wisselkind‘ gaan. Zo’n kind bleek zich anders te gedragen dan de ‘gewone’ kinderen.

’Jutekei’ is wellicht een verbastering van het Duitse Juch-hei!

DAAR ZIT ER EEN IN DE HOGE TOREN

Dit lijkt weer veel op Anneke Tanneke Toverheks, maar met een andere tekst.
Door aftellen wordt een kind gekozen. Dat gaat op de knieën zitten. Behalve één kind, gaan de andere om de geknielde staan en houden de jurk op die de geknielde draagt. 
Dit zittende kind zou weer vrouw Holle, Holda kunnen zijn die de zielen een schuilplaats onder haar rokken aanbiedt.) Het overblijvende kind loopt om de kring heen en vraagt:

Wie zit daar in die hoge toren?

Het knielende kind antwoordt:

Een jonkvrouw, een koningsdochter.

En dan volgt dit gesprek:

Anne, buiten de kring:

Van wie zijn al die kindertjes?

Holda: van mij!

Anne: Mag ik er eentje nemen?

– Nee! –

Mag ik er eentje stelen?

– Nee! –

Ik zal de schoutendiender halen, die zal jou de kop af slaan!

Dit kind zal meegaan!

Anne tikt een van de kinderen in de kring op de schouder, dat dan opstaat en achter Anne aan gaat lopen, haar rok vasthoudend. Nu herhaalt zich het gesprek en dit gaat zo door, tot alle kinderen uit de kring achter Anne aan lopen en Holda geheel alleen gebleven is.

Ook de volgende tekst bestaat:

Daar zit er een in de gouden ketel, die kan naaien, die kan breien, die kan gouden poppetjes maken!

Mag ik er eentje nemen? — enzovoort.

Bij Uyldert doet de gouden ketel aan de baarmoeder denken, de poppetjes zijn de wordende kinderen.

Een andere variant is:

Daar zit er een in de brouwersketel
Die kan naaien
Die kan spinnen
Die kan mooie popjes winnen!
.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3318-3122

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 300C

.

In de pedagogische vergaderingen ging het vaak om specifieke vragen voor bijzondere situaties.
Dat is ook bij onderstaande opmerkingen het geval.

Steiner hecht een grote waarde aan het opspannen van het schilderpapier.

GA 300C

Vergadering van 25 april 1923

Blz. 44

Es wird gefragt nach Malaufgaben für die etwa Vierzehn- bis Fünfzehnjährigen.

Er is een vraag over schilderopdrachten voor veertien- tot vijftienjarigen.

Je moet hier m.i. niet uit opmaken dat de zonsopkomst- en ondergang ‘pas’ op die leeftijd kunnen. Veel leerlingen waren later op school gekomen en hadden nog geen echte ‘schilderervaring’. Op de meeste scholen is dat nu heel anders. In de 6e klas leent zich het onderwerp bv. uitstekend bij natuurkunde als het over de kleuren gaat.

Dr. Steiner: In der Malerei sollte man die Kinder Naturstimmungen machen lassen. Die Fortbildungsschüler in Dornach haben in der Malerei Glänzendes geleistet. Sonnenaufgang und Sonnenuntergang habe ich voneinander unterscheiden lassen. Das haben einzelne glänzend getroffen. Diese Unterschiede sollten sie kennenlernen und darstellen. Diese Sachen könnte man schon pflegen, zum Beispiel Regenstimmung im Walde. Ferner sollten sie auch den Unterschied kennenlernen zwischen Malerischem und Plastischem.

Bij het schilderen zou je de kinderen natuurstemmingen kunnen laten maken. De studenten van de vervolgopleiding in Dornach hebben briljant geschilderd. Ik liet ze onderscheid maken tussen zonsopgang en zonsondergang. Sommigen van hen deden het prachtig. Ze zouden moeten leren deze verschillen te herkennen en weer te geven. Deze dingen zouden gecultiveerd kunnen worden, bijvoorbeeld de sfeer van regen in het bos. Ze zouden ook het verschil moeten leren tussen schilderen en boetseren/beeldhouwen.
GA 300C/44
Niet vertaald    

Vergadering van 3 juli 1923

Blz. 65/66

Die 8. Klasse, da habe ich mal hereingesehen. Da möchte ich sagen, daß die Notwendigkeit vorliegt, daß man die Kinder nicht mit Far­ben malen läßt, wenn sie kein aufgespanntes Zeichenpapier haben. Sonst wird die Schlampigkeit gefördert. Sie müssen lernen, ihr Zei­chenpapier selbst ordentlich aufzuspannen mit Gummi. Nur auf dem bespannten Papier mit Farbe arbeiten! Wenn die Vorbereitungen hierzu auch Zeit in Anspruch nehmen, das schadet nichts. Die Kin­der haben doch viel davon, wenn es ordentlich mit ihnen gemacht wird. Die Kinder in der 8a machen die Dinge viel zu schnell. Sie malen auch viel zu schnell. Die Hefte schauen so aus, daß es im Kind unmöglich Gedanken hervorruft.

Ik heb naar klas 8 gekeken. Ik wil zeggen dat het nodig is om de kinderen niet met kleuren te laten schilderen als ze geen tekenpapier hebben dat is opgespannen. Anders wordt slordigheid aangemoedigd. Ze moeten leren hun eigen tekenpapier goed op te spannen met plakband. Werk alleen met kleur op het opgespannen papier! Ook al kosten de voorbereidingen hiervoor tijd, het kan geen kwaad. De kinderen hebben er veel aan als het goed met ze gedaan wordt. De kinderen in 8a doen het veel te snel. Ze schilderen ook veel te snel. De schriften zien eruit alsof ze onmogelijk gedachten bij het kind kunnen oproepen.

Het is goed te zien dat dit papier niet opgespannen is geweest. En dat ziet er inderdaad slordiger uit dan wanneer de bladen ‘strak’ blijven.

Het heeft ook te maken met de kwaliteit van het papier.
Zie schilderen in klas 1
GA 300C/65-66
Niet vertaald  

Vergadering van 31-07-1923

Blz. 81

Hier komt Steiner nogmaals terug op het opspannen van het schilderpapier.
Een vraag die hem aan het hart ligt:

Die eine Frage ist mir auf dem Herzen liegend. Das ist die Frage,
wie man diese Sache lösen soll mit den Heften, wenn mit Farben gemalt wird, während man mit Farben nur aufgespanntes Zeichenpapier bemalen soll. Es ist schon so, daß eine große Schlamperei entwickelt wird. Zeichenbretter, das ist nicht zu erreichen, weil es viel zu teuer ist. Es kann schon ein glattgehobeltes Brett sein. Könnte das nicht mit dem Handwerksunterricht verbunden werden, daß solche Bretter gemacht werden, auf die man aufspannen kann? Diese Methode, im gewöhnlichen Heft die Kinder malen zu lassen, bewährt sich nicht. Sobald man mit den Farben anfängt, müßte man auch mit dem Aufspannen anfangen.

Die ene vraag ligt mij na aan het hart. Dat is de vraag hoe je dit probleem met de schriften oplost als je met kleuren schildert, terwijl je alleen op langwerpig tekenpapier moet schilderen. Het is nu eenmaal zo dat er veel slordigheid ontwikkeld wordt. Tekenborden zijn niet te krijgen omdat ze veel te duur zijn. Het kan een glad geschaafd bord zijn. Zou dit niet gecombineerd kunnen worden met de handenarbeidlessen, dat er zulke planken gemaakt worden waarop je kan opspannen? Deze methode om de kinderen te laten schilderen in het gewone periodeschrift werkt niet. Zodra je begint met schilderen, moet je ook beginnen met opspannen.
GA 300C/81
Niet vertaald    

Vergadering van 5 februari 1924 

Blz. 127

Ein Handwerkslehrer bedauert, daß der Malunterricht in den oberen Klassen
nicht ebenso regelmäßig und kontinuierlich durchgeführt werden könne wie in
den unteren. Er fragt auch nach dem Technischen des Malens in den unteren
Klassen.

Een leraar handvaardigheid betreurt het dat de schilderlessen in de hogere klassen lessen net zo regelmatig en continu worden gegeven als in de lagere klassen. de lagere. Hij vraagt ook naar de techniek van het schilderen in de lagere klassen.

Dr. Steiner: Es schadet nicht, wenn der Malunterricht ein paar Jahre
unterbrochen und durch Plastizieren ersetzt wird. Es ist das vorliegend, daß der Malunterricht im Unterbewußten nachwirkt, und daß dann ein Zurückkommen auf einen unterbrochenen Malunterricht lebendig und mit großer Geschicklichkeit gemacht wird. Bei allem, was aufs Können geht, ist es doch immer so, wenn etwas zurückgehalten wird, ist bald ein großer Fortschritt da, gerade wenn es unterbrochen worden ist.

Het kan geen kwaad als de schilderlessen een paar jaar onderbroken en vervangen worden door boetseren. Het is namelijk zo dat de schilderlessen doorwerken in het onderbewustzijn, en dat dan een terugkeer naar een onderbroken schilderles levendig en met grote vaardigheid gaat. Met alles,
wat te maken heeft met bekwaamheid, is het altijd zo dat als iets wordt teruggehouden, er snel een grotere vooruitgang wordt geboekt, vooral als het 
onderbroken is geweest.

Ich glaube, daß es in den unteren Klassen noch einer Verbesserung bedarf, was den Malunterricht betrifft. Manche Lehrer haben sich noch zu wenig Mühe gegeben, technisch damit fertig zu werden. Die Verwendung des Materials wird nicht richtig gemacht. Eigentlich sollte man nicht mit Farben auf  Blättern, die sich fortwährend fal­ten, malen lassen, sondern man sollte die Kinder in allen Klassen dazu gewinnen, daß sie auf aufgespannten Blättern die Farben auf­streichen. Und dann sollte man die ganze Sache von Anfang bis zum Ende durchführen, so daß wirklich solch ein Blatt fertig ist. Die meisten von den Blättern sind nur ein Anfang.
Bei jüngeren Kindern ist beim Malen das Schöpfen aus der Seele heraus schon das Richtige, aber bei den älteren Kindern muß man schon von rein malerischen Gesichts­punkten ausgehen; muß zeigen, wie ein Licht, das auffällt, malerisch wirkt und so weiter. Alles praktisch malerisch! Schon vom zehnten Jahr an sollte man gar nicht Gegenstände malen lassen, denn man verdirbt viel.

Ik denk dat er in de lagere klassen nog ruimte is voor verbetering wat betreft het schilderonderwijs. Sommige leerkrachten hebben te weinig moeite gedaan om het technisch aan te pakken. Het gebruik van het materiaal wordt niet goed gedaan. Eigenlijk zouden kinderen niet mogen schilderen met kleuren op vellen papier die steeds gaan golven, maar zouden ze in alle klassen moeten worden aangemoedigd om te schilderen op vellen papier die zijn opgespannen. En dan moet het geheel van begin tot eind worden gedaan, zodat zo’n vel echt af is. De meeste vellen zijn slechts een begin.
Bij jongere kinderen is schilderen vanuit de ziel het juiste om te doen, maar bij oudere kinderen moet je puur vanuit het schilderende werken; je moet laten zien hoe een lichtval een schilderkunstig effect heeft enzovoort. Alles praktisch schilderkunstig! Vanaf het tiende jaar moeten er helemaal geen objecten meer geschilderd worden, omdat je dan veel verpest.

Blz. 128

Um so mehr sollte man von solchen malerischen Gesichtspunkten ausgehen, je älter die Kinder werden. Man sollte ihnen klarmachen: Dort ist die Sonne. Das Sonnenlicht fällt auf den Baum. Nun sollte man nicht vom Baum ausgehen und zeichnen, sondern man muß ausgehen von den Lichtflächen und den Dunkel­flächen, so daß der Baum herausentsteht aus dem Licht-Dunkel der Farbe, aber der Farbe, die vom Lichte kommt. Nicht daß man von der Abstraktion ausgeht: der Baum ist grün; Nicht die Blätter grün malen lassen; Blätter soll man überhaupt nicht malen, Lichtflächen soll man malen. Das soll man durchführen, das kann man machen.
Dann würde ich, wenn ich genötigt wäre, mit den Dreizehn-, Vierzehnjährigen erst anzufangen, dann würde ich die Dürersche ,,Melan­cholie” vornehmen, würde zur Anschauung bringen, wie wunderbar die Licht- und Schattenverteilung ist. Das Licht am Fenster, die Lichtverteilung am Polyeder und der Kugel, das würde ich umsetzen lassen in Farben. Dann das Licht am Fenster des ,,Hieronymus im Gehäus” und so weiter. Dieses Ausgehen von der ,,Melancholie”, das ist überhaupt etwas sehr Fruchtbares. Man sollte dieses Schwarz-Weiß in Farbenphantasie umsetzen lassen.

Hoe ouder de kinderen worden, hoe meer je moet uitgaan van zulke schilderkunstige gezichtspunten. Je moet ze laten beseffen: De zon is er. Het zonlicht valt op de boom. Nu moet je niet uitgaan van de boom en schilderen, maar je moet uitgaan van de lichte gebieden en de donkere gebieden, zodat de boom uit het licht-donker van de kleur tevoorschijn komt. Niet uitgaan van de abstractie: de boom is groen; niet de bladeren groen laten schilderen; bladeren moeten helemaal niet geschilderd worden, lichte vlakken moeten geschilderd worden. Dat moet je doen, dat kan je doen.
Als ik dan met dertien- of veertienjarigen zou moeten beginnen, zou ik de “melancholie” van Dürer doen, ik zou laten zien hoe prachtig de verdeling van licht en schaduw is. Het licht bij het raam, de lichtverdeling op het veelvlak en de bol, dat zou ik vertalen naar kleuren.
Dan het licht bij het raam van “Hieronymus in zijn studeervertrek” enzovoort. Uitgaan van de “melancholie” is iets heel vruchtbaars. Dit zwart-wit moet worden omgezet in een kleurenfantasie.
GA 300C/127-128
Niet vertaald  

Dürer: Melancholia

Dürer: Hiëronymus

.

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Schilderenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3317-3121

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Engels

.

Wanneer de kinderen in de 3e klas van de vrijeschool voor het eerst gymnastiek krijgen, is dat op veel scholen de ‘vrijeschoolgymnastiek’ – de zgn. bothmer-gymnastiek.

Een aantal oefeningen zou je ook in de Engelse les kunnen doen. Juist omdat je er ook nog op bewegen kan.

De Engelse leerkracht Roy Wilkinson deed het volgende:

The class stands in a ring and the teacher speaks the words and joins in with the exercise. The movements are obvious from the text.
.

Here on the earth I stand upright,

I turn my head left, I turn it to right,

I look up to the sky, then down to the ground,

But to look behind, I must turn right round.
.

Repeat

.

I can raise my heels and stand on tip-toe.

Then bend my knees and down I go.

The earth would like to keep me there

But I can push myself up in the air.

Straight up again on my toes I am.

Heels down, feet firm, the way I began.
.

Repeat, but the fourth line is

.

But I can shoot myself up in the air. (jumping)

.

With my feet quite firm I can stand upright.

Then bend to the left and then to the right.

Forwards I can bend quite low

But backwards it’s not so easy to go.

.

I can roll myself up like a snail in its shell;

I can unroll and stand like a post just as well.

Arms apart, and the form of a cross I take;

Arms down, feet apart, a triangle I make.

With my head stretching upwards, my arms flung afar,

I take the shape of a five pointed star.

.

One step to the left I readily take

And one to the right I can also make.

A step to the front I take with speed;

To step to the back more courage I need.

.

Repeat with “spring” (from one foot to the other)

.

Repeat with “jump” (feet together)

.

My arms I stretch forward parallel to the ground

And make a half circle by swinging them round.

A straight line I make from hand to hand.

Still parallel to the ground where I stand.

My hands reach out to horizons wide

But if I let go, they drop to my side.

.

I lean to the left and should drop to one side

But a foot stops my fall and my arms are flung wide.

With a push I can stand straight again on my feet.

Head up and arms down, tidy and neat.

.

Repeat with “right” and “forward”

.

My arms straight up to the sky extend

And keeping them stretched my body I bend.

Down go my hands, down my head goes

Until my fingers touch my toes.

.

Upwards I stretch to the sky once more.

As far as I can away from the floor.

My descending hands feel the circle around

And my heels sink slowly down to the ground.

I can lie horizontally on the ground;

.

I can raise my legs slowly then cycle around.

I can cycle and cycle with all my might.

Then down with the left leg and down with the right.

.

Gymnastiek: alle artikelen

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen (waaronder voor klas 3)

3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

.

3316-3120

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (96)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

DE LEEUW EN DE MUIS

Deze overbekende fabel van La Fontaine is door Brian Wildsmith simpel naverteld en bijzonder geïllustreerd.
Wanneer kinderen op de vrijeschool in klas 2 fabels verteld worden, zal deze zeker niet ontbreken. 
Je kan – vóór je de fabel vertelt – met de 8-jarigen al goed spreken over ‘kracht en zwakte’, ‘grote monden’, ‘dat ieder ertoe doet’ enz. Geen moraal, maar karakteriseren en signaleren. Geen opgeheven vingertje en geen ‘dus kinderen…’, nee, zonder de fabel te noemen dergelijke gesprekjes en dan zeg je: nu zal ik jullie een klein verhaal vertellen, en begin je met de fabel. Daarna geen conclusies meer. Klaar! Het beeld heeft het laatste woord!
Later in het jaar zouden de kinderen, mits in de klas aanwezig, dit boek zelf kunnen lezen of met wat hulp, misschien vooraf eerst klassikaal.
Helaas is het nauwelijks meer te vinden.
Maar voor de geïnteresseerde heb ik een (gratis) scan.
Mail naar vspedagogie  apenstaartje gmail punt com, o.v.v. leeuw en muis.
Suggestie.

Brian Wildsmith

Uitgeverij: Lemniscaat

8 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

3315-3119

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 9 juni 1920

.

Ziehet woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.

De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

iedere leerkracht eigen klas [1]
temperamentsherkenning [1]
hoe moet een prospectus c.q. jaarverslag eruit zien [2]
niet-Nederlands taalonderwijs [3]
vuil in school [4]
het verzamelen van psychologische gegevens van de leerlingen [5]
een soort ‘terugblikoefening’ voor klas die slecht onthoudt [6]
een boek met waarnemingen over de kinderen [7]
spelfouten – zakenbrieven – algebra (6e klas) [8]
Allah – mohammedanisme [9]
Tempelieren – Bafomet [10]

 

RUDOLF STEINER
.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart
1919 bis 1924

Erster Band
Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1
Het eerste en tweede schooljaar
.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 127

Konferenz vom Mittwoch 9 Juni, 16 – 19u

Vergadering woensdag 9 juni 1920, 16 – 19u

Dr. Steiner: Dadurch daß jeder Lehrer seine Klasse behält, wird eine intimere Kenntnis der Schüler errungen. Man muß versuchen, nach dieser Richtung weiter zu streben und die Dinge anzuwenden, die im Lehrerkurs besprochen wurden. Sobald man das Temperament eines Kindes richtig beurteilen kann, kommt alles andere von selbst. Man müßte sich den Blick aneignen, daß man, wenn man den Namen aufruft, das Temperament im Klang der Stimme schon darin hat.

<1>Het feit dat elke leraar zijn of haar eigen klas heeft, zorgt voor een meer intiem kennen van de leerlingen. Je moet in deze richting blijven streven en de dingen toe passen die zijn besproken in de lerarencursus (GA 293, 294, 295) [1] . Als je eenmaal het temperament van een kind kan beoordelen, komt al het andere vanzelf. Je moet zo leren kijken dat als je de naam roept, je het temperament al in de klank van je stem hebt.

Het lijkt erop alsof Steiner hier wijst op wat hij in GA 295 heeft gezegd over het aanspreken van de verschillende temperamenten. (Bv. 2e en 4e werkbespreking)

Es wird über einen Jahresbericht und einen Prospekt gesprochen.

Er wordt over een jaarverslag en een prospectus gesproken.

Dr. Steiner: Im Jahresbericht müßte etwas stehen über Grundriß und Plan der Schule und über den Lehrplan. Dann über die Schüler, aus welchen Schulen sie gekommen sind: 161 aus Volksschulen, 50 aus Mittelschulen, 64 aus höheren Schulen, 12 Schulneulinge; zusammen 287. Dann über die Konfessionen der Schüler.
Weiter über die Lehrerbibliothek, viele Bände. Die Sammlungen und Kabinette; dabei sollte das Inventar der einzelnen Sammlungen nur summarisch angegeben werden. Die Schülerbibliothek.
Dann die Eurythmie als eine neue Sache. Darüber wird Herr Baumann gebeten, einen eigenen Bericht zu machen. Auch über Handfertigkeit und Handarbeit könnte etwas darinstehen, vielleicht auch mit Bemerkungen über die Mängel der Leistungen. Vor allem aber sollte immer das Dauernde berücksichtigt werden.
Abgesondert davon wäre die Geschichte des ersten Schuljahres darzustellen. Man beginnt mit dem Prospekt. Später würde man anstelle dieses Prospektes eine Abhandlung von einer Lehrkraft haben; dieses Jahr kann dafür der Prospekt darinstehen.
Im Jahresbericht soll sich jeder, so wie er es will, seine Autobiographie schreiben. Auch Charakteristisches über die Lehrer kann im Bericht stehen; man kann da zum Beispiel sagen, im allgemeinen gehalten, was er vorher war, ehe er Lehrer wurde. Nachrufe über Verstorbene können auch darinnenstehen.
Es werden oft zu stark Dinge herausgestellt, die hinter die Kulissen gehören.

<2>Het jaarverslag moet iets bevatten over de opzet en wat de school van plan is en over het leerplan.
Dan over de leerlingen, van welke scholen ze kwamen: 161 van basisscholen, 50 van middelbare scholen, 64 van middelbare scholen, 12 nieuwkomers; in totaal 287. Dan over de religieuze achtergrond van de leerlingen.
Dan over de bibliotheek van de leraren, de vele boeken. Collecties en bijzondere verzamelingen; de inventaris van de afzonderlijke collecties alleen maar summier. De bibliotheek van de leerlingen.
Dan de euritmie als iets nieuws. De heer Baumann wordt gevraagd hierover een apart verslag te maken. Er zou ook iets in kunnen komen over handvaardigheid en handenarbeid, misschien ook met opmerkingen over de tekortkomingen van de prestaties. Maar vooral moet altijd rekening worden gehouden met wat blijvend is.
De geschiedenis van het eerste schooljaar moet apart worden gepresenteerd. Begin met de prospectus. Later kan, in plaats van deze prospectus, een verhandeling van een leraar  komen. Dit jaar kan dat de prospectus zijn.
In het jaarverslag zou iedereen die dat wil, zijn autobiografie schrijven. Karakteristieke informatie over de docenten kan ook in het verslag worden opgenomen; je kan bijvoorbeeld in algemene termen zeggen wat deze deed voordat hij leraar werd.
Er kunnen ook overlijdensberichten in worden opgenomen.
Vaak wordt er te veel aandacht besteed aan dingen die achter de schermen horen.

X.: Die Tätigkeit Dr. Steiners in der Leitung der Schule muß herausgehoben
werden.

X.: Het werk van Dr. Steiner bij de leiding van de school moet benadrukt worden.

Dr. Steiner: Meine Kurse können erwähnt werden und ebenso die
Vorträge, die die Lehrer gehalten haben. Dann sollte etwas darinnenstehen über das Vortragswesen der Waldorf-Astoria, das ja weniger

Mijn cursussen kunnen genoemd worden net zoals de lezingen van de leraren.
De lezingen van de leraren. Dan moet er iets in staan over het Waldorf-Astoria lezingenprogramma, dat minder

Blz. 128

an die Schule angeschlossen ist, also über die Arbeiterbildungsschule; die Geschichte dieser Schule mit einer Liste der Vorträge, die die Lehrer dort gehalten haben. Überhaupt über das Bildungswesen der Fabrik. Auch über die Tätigkeit und die Vorträge der Lehrer in der freien Fortbildungsschule für Lehrlinge und über den Jugendkurs für soziale Erkenntnis. Auch über das Archiv.
Ebenso über den Vorbereitungs-Unterricht für die Jugendfeier in einem eigenen Abschnitt. Überhaupt über die Angelegenheiten des evangelischen, katholischen und freien Religionsunterrichts. Wenn man für die einzelnen Religionen kein besonderes Kapitel machen will, müßte man es auslassen.

is verbonden met de school, d.w.z. over de school voor arbeidersonderwijs;
de geschiedenis van deze school met een lijst van de lezingen die de leraren daar hebben gegeven. In het algemeen over de vorming op de fabriek. Ook over de activiteiten en lezingen van de leraren in de
vrije voortgezette school voor leerlingen en over de jongerencursus voor sociale kennis.
Ook over het archief.
Ook over de voorbereidende lessen voor de jongerenviering in een apart gedeelte.
Algemeen over de gang van zaken in het protestants, katholiek en vrij godsdienstonderwijs. Als we geen speciaal hoofdstuk willen maken voor de afzonderlijke godsdiensten, moeten we het weggelaten.

Es werden nun alle Klassen der Reihe nach durchgesprochen. Jeder Lehrer gibt einen genauen Bericht, was er in diesem Schuljahr behandelt hat, wie weit er gekommen ist, wie der Stand der Klasse ist und so weiter.
Zuerst berichten X. und Y. über den Hauptunterricht in der 1. und 2. Klasse.
X. berichtet über den Hauptunterricht und auch über den Sprachunterricht in der 3. Klasse.

Alle klassen worden nu om de beurt besproken. Elke leraar geeft een gedetailleerd verslag van wat hij dit schooljaar heeft behandeld, hoe ver hij gekomen is, hoe de klas ervoor staat, enzovoort.
Eerst doen X. en Y. verslag hoofdonderwijs in leerjaar 1 en leerjaar 2.
X. doet verslag van het hoofdonderwijs en ook van de taallessen in leerjaar 3.

Dr. Steiner: Im Sprachunterricht sollte man nicht lexikalisch vorgehen und nicht übersetzen. Man sollte auch möglichst vermeiden, den deutschen Text vorzusagen. Am besten ist es, den fremdsprachlichen Text erst zu lesen und dann den Inhalt mit eigenen Worten wiederzugeben.

<3>Taallessen moeten niet lexicaal zijn en mogen niet vertaald worden. Je moet ook vermijden de Duitse tekst voor te zeggen. Je kunt het beste eerst de tekst in de vreemde taal lezen en dan de inhoud in je eigen woorden weergeven.

Es ist so viel Staub auf den Bänken, so viel Dreck in den Klassen!

<4>Er ligt zoveel stof op de banken, er is zoveel vuil in de klassen!

Die Lehrer sollten Psychologika sammeln! Das könnte gewissermaßen eine Art Goldenes Buch der psychologischen Merkwürdigkeiten sein, ein Goldenes Buch Psychologika im weitesten Sinne.
Geisteswissenschaftlich sind die Sachen selbstverständlich. Man kann sie auch sagen. Manches ist auch schon vorgekommen.
Es war mir heute interessant in der 8. Klasse. Wie heißt der Junge? Er schreibt genau wie Sie, Dr. Stein. Der O. N., er ahmt Ihre Schrift nach. Das ist eine interessante Tatsache. Wenn jemand liegende Haare hat, wird er sich die Schrift vom Lehrer aneignen. Ein Kind mit struppigen Haaren würde so etwas nicht getan haben.

<5>Leraren zouden psychologica moeten verzamelen! Dit zou een soort gouden boek van psychologische bijzonderheden kunnen zijn, een gouden boek van psychologica in de ruimste zin van het woord.
In termen van de geesteswetenschappen zijn deze dingen vanzelfsprekend.
Je kan ze ook zeggen. Sommige dingen zijn al gebeurd.
Het was interessant voor mij vandaag in klas 8. Hoe heet die jongen?
Hij schrijft net als u, Dr. Stein. O.N., hij imiteert uw handschrift.
Dat is een interessant feit. Als iemand plat liggend haar heeft, zal hij het handschrift van de leraar overnemen. Een kind met ruig haar zou dat niet hebben gedaan.

X. berichtet über die 4. Klasse. Von deutscher Grammatik haben die Kinder
gar nichts gewußt. Sie fragten, was das sei.

X. doet verslag van jaar 4. De kinderen wisten niets van Duitse grammatica.
wisten niets van Duitse grammatica. Ze vroegen wat het was.

Dr.Steiner: Sehr gut ist es, wenn man die Kinder veranlaßt, sich am Ende der 4. Stunde rückwärts zu erinnern an das, was sie am ganzen Morgen gemacht und durchgenommen haben.

<6>Het is heel goed als je de kinderen aan het einde van het 4e lesuur zich in omgekeerde volgorde terug te laten halen, wat ze de hele morgen gedaan hebben het einde van de 4e les achterom te kijken om zich te herinneren wat ze hebben gedaan en wat er is behandeld.

Frage: Wie soll so ein Goldenes Buch gedacht sein?

Vraag: Hoe moet zo’n Gouden Boek georganiseerd worden?

Blz. 129

Dr. Steiner: Als Sammlung der Lehrerschaft. Das kann eine große Bedeutung haben. Allerlei interessante Dinge wären darin zu vermerken. Jeder wird, wenn er nachdenkt, gleich einen ganzen Schippel solcher Sachen finden. Jeder Lehrer bespricht in einer Anzahl prägnanter Bemerkungen, was er beobachtet. In den höheren Klassen sollte angegeben werden, was den Kindern an Wissensstoff gefehlt hat, als sie zu uns kamen. Man sollte solche Dinge charakterisieren, was den Kindern fehlte. Wenn man das im ersten Jahresbericht zusammengestellt hätte, da würde ich sehr dankbar sein.
Daß die Kinder zum Beispiel fragten: Was ist das, „deutsche Grammatik”? — das ist kulturhistorisch bedeutsam. Also Observationen bei den in die Waldorfschule eingetretenen Kindern. Was man bemerkt, was die Kinder vergessen, was sie für Ungezogenheiten hatten. Dann auch mehr das Unterrichtliche. Am Schluß der Sammlung können wir sagen, es ist selbstverständlich, daß unsere Intentionen mit jeder einzelnen Klasse in diesem Jahr noch nicht voll erreicht werden, sondern nur pauschaliter.

<7>Als een verzameling door de leraren. Dat kan een grote betekenis hebben. Er kunnen allerlei interessante dingen in genoteerd worden. Wie erover nadenkt, vindt meteen een heleboel van zulke dingen. Elke leraar bespreekt in een aantal beknopte opmerkingen over wat hij waarneemt.
In de hogere klassen moet worden aangegeven wat de kinderen aan kennis misten toen ze bij ons kwamen. Wat de kinderen misten, moet worden gekarakteriseerd. Als dit in het eerste jaarverslag was opgenomen, zou ik erg dankbaar zijn geweest.
Bijvoorbeeld het feit dat de kinderen vroegen: Wat is “Duitse grammatica”? –  is cultureel en historisch belangrijk. Dus observaties van de kinderen die de vrijeschool binnenkomen. Wat je opvalt, wat de kinderen vergeten, wat voor ondeugden ze hadden.

Dan meer over de lessen. Aan het eind van de verzamelde feiten kunnen we zeggen dat het vanzelfsprekend is dat onze doelen met elke individuele klas dit jaar nog niet volledig zijn gehaald, maar alleen in algemene termen.

X. berichtet über die 5. und Y. über die 6. Klasse.

X. doet verslag over leerjaar 5 en Y. over leerjaar 6.

Dr. Steiner: Unglaublich unorthographisch schreiben die Kinder in der 6. Klasse. Wenn sie glücklich mit zwei k schreiben, sind sie überglücklich*. Es ist viel wichtiger, daß sie Geschäftsbriefe schreiben und Buchstabenrechnung lernen, als daß sie glücklich mit zwei k schreiben.

<8>De kinderen in klas 6 maken ongelofelijk veel spelfouten.
Als ze ‘gelukkig’ met twee k’s schrijven, zijn ze dolgelukkig. Het is veel belangrijker dat ze zakenbrieven schrijven en algebra leren, dan dat ze ‘gelukkig’ met twee k’s schrijven.

X. über die humanistischen Fächer in der 7. und 8. Klasse. In der Geschichte
macht die Stoffbewältigung Schwierigkeiten. Die Kinder wissen nichts, als
was sie aus dem Religionsunterricht kennen.

X. over de humanistische vakken in klas 7 en 8. Bij geschiedenis
is het beheersen van de stof moeilijk. De kinderen weten niets anders dan
wat ze weten van godsdienstlessen.

Dr. Steiner: 1890 kam ich nach Weimar ans Goethe-Archiv. Dessen Direktor war Suphan, der zwei Buben hatte. Mir ist die Aufgabe zugefallen, diese Buben zu unterrichten. Ich bekam dadurch einen Einblick in die Berliner Schulen. Ich muß sagen, während man in Österreich einen ordentlichen Geschichtsunterricht bekam, war in Deutschland nichts davon zu bemerken, daß die Kinder einen Geschichtsunterricht hatten. In den Büchern war nichts davon zu bemerken. Da gab es dreißig Seiten Vorbereitung von Adam bis zu den Hohenzollern, dann geht die Geschichte der Hohenzollern los.
Das ist in ganz Deutschland so, daß in den Mittelschulen nichts Ordentliches über Geschichte vorkommt.

Ik kwam in 1890 naar Weimar om in het Goethe-archief te werken. De directeur daar was Suphan, die twee jongens had. Ik kreeg de opdracht deze jongens te onderwijzen. Zo kreeg ik inzicht in de Berlijnse scholen. Ik moet zeggen dat terwijl ze in Oostenrijk behoorlijk geschiedenisles kregen, daar in Duitsland niets van te merken was.. Er was niets van te merken in de boeken.
Er waren dertig pagina’s voorbereiding van Adam tot de Hohenzollerns, dan begint de geschiedenis van de Hohenzollerns.
Het geval in heel Duitsland is, dat er op middelbare scholen niets over geschiedenis bestaat waar je wat aan hebt.

X. fragt nach der Wesenheit Allahs.

X. vraagt naar de aard van Allah.

Blz. 130

Dr. Steiner: Es ist schwer, die übersinnlichen Wesen zu charakterisieren, indem man sie einregistriert.
Der Mohammedanismus ist die erste ahrimanische Manifestation, die erste ahrimanische Offenbarung nach dem Mysterium von Golgatha.
Der Gott Mohammeds, Allah, Eloha, ist ein ahrimanischer Abklatsch
oder Abglanz der elohistischen Wesenheiten, der Elohim, aber
monotheistisch erfaßt. Er bezeichnet sie immer in einer Einheit. Die
mohammedanische Kultur ist ahrimanisch, aber die Gemütsverfassung der Islamiten ist luziferisch.

<9>Het is lastig om de bovenzinnelijke wezens te karakteriseren door ze encyclopedisch weer te geven.
Mohammedanisme is de eerste ahrimanische manifestatie, de eerste ahrimanische vertoning na het Mysterie van Golgotha.
De God van Mohammed, Allah, Eloha, is een ahrimanische imitatie of weerspiegeling van de elohistische entiteiten, de Elohim, maar monotheïstisch opgevat. Ze worden altijd als eenheid beschreven.
De mohammedaanse cultuur is ahrimanisch, maar de geestestoestand van de Islamieten is luciferisch.

X.: In den Templerprozessen wird oft ein Wesen namens Bafomet genannt.
Was ist das?

X.: In de Tempeliersprocessen wordt vaak een wezen genoemd dat Bafomet heet.
Wat is dat?

Dr. Steiner: Bafomet, das ist ein Wesen der ahrimanischen Welt, welches den Leuten erschien, wenn sie gefoltert wurden. Das ist raffiniert gemacht worden. Dann haben sie eine Menge von Visionärem mitgenommen, als sie ins Bewußtsein zurückgekommen sind.
869 nach Christus ist der Filioquestreit. Die Sache wird in den
Geschichtsbüchern verschwiegen. Darüber ist nachzulesen in Harnacks Dogmengeschichte.

<10>Bafomet is een wezen uit de ahrimanische wereld, dat aan mensen verscheen als ze gemarteld werden. Dit is op een geraffineerde manier gedaan. Dan namen ze veel visionaire dingen met zich mee als ze weer tot bewustzijn kwamen.

869 AD is de Filioque-strijd. Dat wordt de geschiedenisboeken verzwegen. Je kan erover lezen in Harnacks ‘Geschiedenis van de dogma’s’.

X……..

Dr. Steiner: Der katholische Religionsunterricht ist weit voraus; der
evangelische ist der allerbeschränkteste.
Die Goethe-Biographie des Jesuiten Baumgartner ist genial geschrieben gegenüber den anderen Biographien, obwohl er schimpft. Das andere ist Mist. Die Goethe-Biographie von dem Engländer Lewes ist schlecht.
Schweizerischer Volkskalender.

X…….
Het Katholiek godsdienstonderwijs is ver vooruit; protestants onderwijs is het meest beperkt.
De biografie van Goethe door de jezuïet Baumgartner is briljant geschreven in vergelijking met de andere biografieën, hoewel hij fulmineert. Het andere is onzin.
De biografie van Goethe door de Engelsman Lewes is slecht.
Zwitserse Volkskalender.

X. berichtet über den naturwissenschaftlichen Unterricht in der 7. und
8. Klasse.

X. doet verslag over natuurkunde in klas 7 en 8.

Dr. Steiner: Naturgeschichtlicher Unterricht, den kann man jederzeit unterbrechen.

Natuurkunde kun je op elk moment onderbreken.

Fortsetzung Samstag 15 Uhr.

Vervolg op zaterdag 15.00 uur.
GA 300A/127-130 

.  

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3314-3118

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 1e, 2e klas – schilderen (3-3)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 41- 44
.
Na de onderwerpen die in het vorige artikelen aan bod kwamen, gaan de auteurs in op een opmerking van Steiner over het schilderen op gekleurd papier:

‘We beginnen er zo vroeg mogelijk mee het kind met kleuren te laten kennismaken – waarbij het goed is om op een gekleurd vlak andere kleuren aan te brengen dan op een wit vlak’ (  )

De beleving van het schilderen op gekleurd papier, zou daardoor versterkt worden.
Iedere kleur verandert dan meteen. 
Wanneer je met geel op een rode ondergrond schildert, verliest het geel zijn glans en wordt oranje-rood.
Met blauw op rood: het blauw wordt warmer, wordt violet.
Zouden de kleintjes aanvankelijk nog wat tekenend werken en tekenvormen maken, dan gebeurt dit hier niet zo, omdat hun aandacht vanaf het begin naar het kleurenproces wordt getrokken.

Er kunnen zich echter wel technische problemen voordoen. Hoe kom je aan geschikt gekleurd papier waarop je kan schilderen. Met vastere verfsoorten kan je wel, met waterverf niet beschilderen. 
Je kan het de kinderen wel zelf laten doen: eerst het witte papier met kleur beschilderen. De verf moet wel goed intrekken (‘enige minuten’).

Zelf heb ik het nooit gedaan. Toen ik op school begon, zag ik het nergens en het kwam ook op mijn opleidingscursus niet ter sprake. Ik heb het nooit ergens gezien. 

====

Na de geel-blauw-oefeningen kunnen ook geel-rood oefenen en rood-blauw. Het zijn beide karakteristieke klankkleuren. De schrijvers noemen de eerste: lichter, sprankelend, de andere ingetogen en feestelijk.
Ga je weer verder, dan kom je bij geel-oranje of blauw-violet, karakterloze samenstellingen.

Het is goed om – altijd – zegt het boek, ook een vel papier op de plank te hebben als leerkracht. Zodat je daarop iets voor kan doen, of een kind even iets extra’s kan geven om te oefenen. 
Maar voor een klassikale uitleg is een groot papier nodig dat aan het bord hangt.
Daar wordt nu een groot rood vlak op geschilderd. Dan komt de vraag: wat nu met geel en blauw? Dat mogen een paar kinderen doen.
Dan zet je er nog een even groot tweede en derde vlak bij en de kinderen mogen dat weer met geel en blauw afmaken.
Zo ontstaan er drieklanken.

De schrijvers hebben het er niet over, maar op een verticaal vlak schilderen met waterverf is zo makkelijk nog niet, omdat de verf snel gaat ‘lopen’. Het moet dus allemaal niet te vochtig zijn. Eventueel haal je de ‘druipers’ snel met een sponsje weg.

Als alle kinderen dat daarna mogen doen, zetten ze vrijwel allemaal hun rood ook in het midden en worden geel en blauw ‘ergens’ toegevoegd.
Toch zijn er – letterlijk – wezenlijke verschillen: de kinderen laten hierbij altijd iets van zichzelf zien: voorkeur voor een kleur; lang bij de ene stilstaan, de andere bijna vergetend of snel ze alle drie opgebracht, enz.
Dat kan in de nabespreking natuurlijk tot allerlei leiden waarvan ieder weer leren kan. 

Nu heb je weer allerlei variatiemogelijkheden. Geel in het midden; blauw in het midden; (in GA 300B bevindt zich ook nog een aanwijzing)
De werking die ervan uitgaat, is telkens weer anders. 

Je kan dan als volgende stap i.p.v. blauw, violet nemen. 
De schrijvers zeggen hier niet hoe ze violet aanbieden. Maar omdat het nog niet gaat om zelf kleuren op het papier te laten ontstaan, ligt het voor de hand dat je dat van te voren zelf hebt gemaakt. (en daar moet je dan weer voldoende potjes voor hebben!) (Uit de tekst blijkt later dat dit zo is)
Nu kun je al iets maken met geel, rood en violet. Rood in het midden, geel en violet eromheen (nog steeds als vlakken!). 
Geel-rood is karakteristiek; rood naast violet wat eentoniger. Maar in een drieklank heeft ook geel/violet zijn werking en ontstaat er toch weer harmonie.

Omgekeerd kan het dan ook weer. Geel in het midden, violet ernaast, rood aan de andere kant: geel-rood is weer karakteristiek.
Het is goed om bij je zelf na te gaan wat er harmonisch(er) op je over komt.
Violet in het midden en geel ernaast, doet harmonisch aan, maar rood-violet brengt er weer iets monotoons in.
Wanneer je alle variaties hebt geoefend en besproken, kan er bij de kinderen het gevoel zijn ontstaan dat het uitmaakt hoe je kleur bij elkaar brengt.

Nu gaan we verder met drie nieuwe mengkleuren.
En daarmee wordt ook weer zo geoefend als is beschreven voor de andere kleuren.
Nu gaat het om rood en groen. En ook weer groen in  het midden.
Als de leerkracht de mengverf klaarmaakt, moet deze er dus rekening mee houden dat er mooie contrasten kunnen ontstaan, dus geen te ‘dunne’ verf.
Groen bv. niet te licht, rood niet te donker.
Dat geldt ook voor geel-violet en oranje-blauw.

Het kunnen beleven van schoonheid kan door deze oefeningen worden opgeroepen, er kan harmonie worden ervaren.
Het belang daarvan besprak Steiner in GA 303 [in de artikelenreeks Rudolf Steiner over schilderen nog niet oproepbaar]

Om de tegenstelling te laten ervaren, kun je ook uitgaan van monotonere kleurstellingen: groen-blauw, bv. En dan groen-violet, dan weer groen en dan rood.
De ‘andere’ kant op: groen-geel gaat naar groen-oranje, dan weer naar groen-rood.

Je kan ook nog bewegingen die ‘bij de kleur passen’, invoeren: bv. geel in stralenvorm. Als je daar blauw of violet omheen zet, doet dat denken aan de ster van een bloem. 
Zet je echter blauw of violet in het midden met geel eromheen, wordt de ster afgezwakt tot een ronde vorm.

Tenslotte vatten de auteurs de methodische stappen samen:

Eerst schildert het kind vanuit een soort instinctief kleurgevoel.

Dan wordt het erop attent gemaakt hoe de kleuren bij wat hij maakt op elkaar afgestemd zijn.

Daarna worden de mengkleuren uitgewisseld en de kleuren van de omgeving veranderd.

Zo ‘spelen’ de kinderen met kleur. De leerkracht kent de kleuren door de kleurenleer.

De auteurs gaan nog even in op bepaalde kritiek:

Er wordt vaak beweerd dat de methodische begeleiding de eigen creatieve kracht van de kinderen remt. Men vergeet echter hoeveel activiteit en persoonlijke besluitvorming er komt kijken bij het zetten van kleurvlakken op papier met een penseel. Als een klas alleen met geel en blauw heeft geschilderd, zullen alle vellen er anders uitzien, zelfs als de oefening op grote schaal wordt gedaan. Als ze te eenvormig worden, moet de klassenleraar proberen het innerlijke kleurleven van de kinderen sterker te stimuleren, dan zullen ze weer vrijer creëren.

Het is van groot belang dat de aandacht van het kind, dat voor zijn zevende meer instinctief en dromerig in de wereld van kleuren leefde, nu gericht wordt op de kwalitatieve verschillen.

.

De vorige artikelen die met bovenstaand een bepaald geheel vormen:

schilderen [3-1]    schilderen [3-2]

Schilderen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3313-3117

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen

.

Als klein kind op de – toen nog – lagere school speelden de leerkrachten met ons kringspelen. Vooral als het regende en we niet naar het plein konden. Dan diende de hal als speelzaal en daar ‘deden’ we o.a. ‘De boom die wordt hoe langer hoe dikker’; ‘Jan Huygen in de ton’; ‘Ik stond laatst voor een poppenkraam’, enz.

Op vrijescholen worden ze nog wel gespeeld, maar in hoeverre ze ook hier verdwijnen, weet ik niet.

Mellie Uyldert beschreef ze en op deze blog heb ik e.e.a. van haar in eigen woorden weergegeven.
Zij roert zaken aan die ik ook bij Steiner tegenkwam.
Zie bv. dit artikel, waarvan het lezen ook nodig is om het volgende spel ‘te begrijpen’.

ANNEKE TANNEKE TOVERHEKS
.

Er is een kind dat ‘de moeder’ is. De andere kinderen die meespelen zitten achter haar. Zij mogen niets zeggen en moeten heel stil zitten.
Wanneer het vroeger op straat werd gespeeld en er was een huis met drie (of meer) stoeptreden, dan werd het daarop gespeeld.

Een ander kind speelt een kreupel oud vrouwtje: Anneke Tanneke Toverheks.
Die klopt op de deur en dan volgt een gesprek:

Wie is daar?
Anneke Tanneke Toverheks!
Wat moet je?
Een kooltje vuur!
Ik héb geen vuur!
Ik heb je schoorsteen zien roken!
Dat is allemaal hete as!
Hete as kan niet smoken! ,
Daar heb je vuur!

(De moeder geeft iets aan Anneke)

En mag ik wat water hebben?
Ik heb geen water.
Ik heb je pomp horen gaan!
Dat is die van mijn buurvrouw!
Dat jok je!

Daar heb je water! (Zij geeft iets)

Wat heb je daar mooie beeldjes staan!

(Zij wijst op een van de kinderen en vraagt:) Hoeveel kost die?
Ze zijn niet te koop!
Vrouw! Je pap brandt aan!

Nu rent de moeder naar de keuken en Anneke pakt nu een van de beeldjes, d.w.z. een van de kinderen. Die moet zich verstoppen in haar rokken. Samen gaan ze haastig weg en Anneke brengt het kind naar een afgesproken hoekje. Anneke fluistert haar daar een nieuwe naam in.
Daarna gaan ze samen weer naar moeder en nu herhaalt zich het vorige, behalve ‘de pap’, want moeder trapt niet twee keer in die val. Dus Anneke moet iets anders bedenken.
Uiteindelijk neemt Anneke alle kinderen mee.
De kinderloze moeder gaat nu naar Anneke toe en probeert de nieuwe namen te raden.
Als ze alle kinderen zo weer terug heeft, is het spel uit.

Uyldert komt tot de volgende verklaring:

De moeder is Vrouw Holle of Holda. Zij heerst over onder- en bovenwereld. Deze is gescheiden van de aarde door drie sferen: die van wind, maan en zon. (De drie stoeptreden?)
Zij behoedt de zielen van de ongeborenen.
Anneke Tanneke zou dan de maangodin Anne zijn. Zij ‘bemiddelt’ bij de incarnatie.
Zij wil een kindje naar de aarde brengen naar een ouderpaar dat ernaar verlangt.
Zij is kreupel. Dat zijn in wezen alle hemelwezens, die immers nog in de
e e n-h e i d leven!
Zou je dit met Steiners aanwijzingen willen duiden, zou je m.i. moeten zeggen dat hier ‘kreupel’ staat voor ‘geen fysiek lichaam hebbend’.

Uyldert wijst nog op een variant: daar zou de plaats waar het gespeeld wordt, het hemelgewelf zijn, het rijk van Holda. ‘Een glazen berg die met glazen muiltjes betreden moet worden (Assepoester!)’
De tekst is dan anders:

Vrouwtje, mag ik op je bergje?
Mijn bergje is geschrobd.
Maar doe je glazen muiltjes aan,

en treedt er dan maar op!

Bij de incarnatie krijgen de ‘gestolen’ zielen van Anne een aardse naam.
Die verbindt hen met de aarde.
In verschillende verhalen, m.n. sprookjes, komen we tegen dat er in bepaalde gevallen haast wordt gemaakt bij de doop: geen naam: dan kun je nog teruggehaald worden.
Zie bv. Rapunsel. ‘Holda verschijnt ook als Vrouw Rosé of Vrouw Gotel.’

Dat de zielen stil zitten als beeldjes, verklaart Uyldert uit het feit dat het nog etherische wezens zijn en nog niet zelfstandig zijn.
Steiner zou hier het feit gebruiken dat ze nog geen fysiek lichaam hebben, a.h.w. nog omhuld zijn door de geestelijke wereld. 
Dat lijkt Uyldert hier te noemen ‘het lopen achter Annes rokken aan, zoals zij zich verschuilen in Vrouw Luna’s (Maria’s) blauwe mantel, om naar de aarde gedragen te worden en ontvangen van Vrouw Luna hun aardse naam. Dat is niet zozeer de doopnaam, die de ouders het kind geven als veronderstelde reïncarnatie van de voorouder, wiens naam zij ontvangen, als wel ‘de naam, die volgens de getal- en letterwaarde van de horoscoop bij het kind past. Bij de dood roept Holda de ziel bij de hemelse naam terug, dan onttrekt de ziel zich immers aan de horoscoop, die slechts het aardse lot aangeeft.’

De potten of stoelen mogen evenmin als de beeldjes enige menselijke reactie vertonen. De ’winkel’ bevindt zich uiteraard ook op het punt waar geestelijke (zonne-),en ziele- (maan-) sfeer elkaar ontmoeten, op de stijgende maanknoop. Onder Vrouw Luna’s hoede begint de ziel haar incarnatie.’

Dan is het nog opvallend dat Anneke Tanneke, maar ook bij de Hoge Toren of de Gouden Ketel, het kind met list of dreigementen aan de hoede van Holda moet worden ontfutseld.

.

Ritme, waaronder ritmen in de natuuralle artikelen

Spelalle artikelen

Peuters/kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden

.

3312-3116

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – alle artikelen

.

RUDOLF STEINER OVER SCHILDEREN
.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over schilderen. 

GA 294
Vroeg beginnen met schilderen; kleur verbinden met een gevoel; op wit papier, maar ook op gekleurd; verschil tekenen-schilderen; geel en blauw mooier dan geel en groen; schilderend tekenen en tekenend schilderen stimuleren de wil.

GA 300A
Potloden, krijtjes en waterverf; in kleuterklas: waterverf; innerlijk gevoel wekken voor kleuren; vormen vanuit de kleur; 

GA 300B
Kleuren onderling.

GA 300C
Papier opspannen; jonge kinderen schilderen: vanuit de ziel, later vanuit de kleur; niet in het periodeschrift; vanaf 10e jaar geen objecten; 13-14-jarigen bv. werk van Dürer om laten zetten in kleur.

GA 305
Schilderen vanuit de kleur, pas later komt het vormelement erbij. 

GA 306
Wat betekent met kleur omgaan voor de vormkrachten; de werking van kleur; kleurperspectief.

GA 307
Het gaat om het werkelijk kunstzinnige; het naast elkaar zetten van kleuren voor kleurbeleving; (geel-blauw/blauw-geel).

GA 311
Ontwikkeling beleven kleurharmonie (groen-rood/rood-groen).

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vormtekenen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3311-3115

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 300A en GA 300B

.

In de pedagogische vergaderingen ging het vaak om specifieke vragen voor bijzondere situaties.
Opmerkingen als ‘tekenen met potloden is niet goed’ moeten hier m.i. tegen die achtergrond worden bezien. En vooral niet tot een algemene uitspraak worden verheven. 

GA 300A

Vergadering van 22 december 1919 

Blz. 112

X. gibt einen Bericht über ihren Unterricht in der 1. Klasse.

X doet verslag over haar lessen in de 1e klas.

Dr. Steiner: Mit Stiften zu zeichnen, ist nicht gut. Man sollte lieber
Aquarellfarben nehmen zum Malen. Ölkreiden sind benutzbar.

Tekenen met potloden is niet goed. Je kan beter aquarelkleuren nemen. Je kan ook oliekrijtjes gebruiken. 
GA 300A/112
Op deze blog vertaald/112

Vergadering van 12 juni 1920

Blz. 133 

Iemand stelt een vraag over de kleuterklas, er volgt e.e.a., maar voor het schilderen staat er:

Beim Malen sollte man mit Wasserfarben anfangen.

Bij het schilderen moet je met aquarelkleuren beginnen.
GA 300A/133
Niet vertaald     

Vergadering van 15 november 1920

Blz. 240

X.: Ich habe gefunden, daß die Kinder bei den Wasserfarben sehr schwer zu
Formen kommen.

X: Ik heb gemerkt dat de kinderen bij de waterverfkleuren heel moeilijk tot vormen komen.

Dr. Steiner: Die Kreidestifte sollte man nicht kultivieren.
[ ] Die Hauptsache liegt jetzt schon darin, daß ein innerliches
Gefühl vom Farbaufbau in den Kindern erweckt wird, ein Erleben
der Farbenwelt, daß die Kinder ein Gefühl bekommen vom Leben
der Farbenwelt im Erleben der Märchen.

Je moet de krijtjes niet cultiveren. [ ]
Het belangrijkste is nu dat 
in de kinderen een innerlijk gevoel van de kleurenstructuur gewekt wordt, een beleven van de wereld van de kleur, dat de kinderen een gevoel krijgen van wat er in de wereld van kleur leeft in de sprookjes.

Dr. Steiner: Die Kinder kriegen schon Formen, wenn Sie die Phan­tasie wirken lassen. Sie müssen die Formen aus der Farbe heraus wachsen lassen. Sie können in der Farbenwelt mit den Kindern reden. Denken Sie nur, wie anregend es ist, wenn Sie mit den Kin­dern bis zum Verständnis dessen es brächten: Da ist dieses kokette Lila, und im Nacken sitzt ihm ein freches Rötchen. Das ganze steht auf einem demütigen Blau.
Sie müssen es gegenständlich kriegen – das wirkt seelenbildend -, so daß die Farben auch etwas tun. Das, was aus der Farbe heraus gedacht ist, das kann man auf fünfzigerlei Weise machen. Man muß das Kind zum Darinnenleben in der Farbe bringen, indem man sagt:
,,Wenn das Rot durch das Blau hindurchguckt”, und das wirklich schaffen läßt vom Kinde. Ich würde versuchen, viel Leben gerade in dies hineinzubringen. Sie müssen sie etwas aus dem Klotzigen (Klätzigen?), aus dem Lässigen herausbringen. Es muß Feuer hinein!

De kinderen krijgen al vormen als je de verbeelding laat werken. Zij moeten de vormen uit de kleur laten ontstaan. Je kunt met de kinderen praten in de wereld van kleur. Bedenk eens hoe stimulerend het zou zijn als je de kinderen zou kunnen laten begrijpen: Hier hebben we het kokette paars, met een brutaal roodje achter in zijn nek. Het geheel staat op een bescheiden blauwe kleur.
Je moet het figuratief maken – dat werkt zielsvormend – zodat de kleuren ook iets doen. Wat vanuit de kleur wordt gedacht kan op vijftig verschillende manieren. Je moet het kind zover zien te brengen dat het opgaat in de kleur door te zeggen:
“Als het rood door het blauw kijkt”, en dat echt laten ontstaan. Ik zou vooral proberen om hier veel leven in te brengen. Je moet het uit het weinig genuanceerde halen, uit het ‘laat maar gaan’. Er moet vuur in zitten!

Blz. 241

Es ist im allgemeinen notwendig, daß in derjetzigen Zeit dieses Farbengefühl, das nicht so korrumpiert ist wie das Musikalische, entwickelt wird. Es wird auf das Musikalische günstig zurückwirken, wenn das Farbenleben entwickelt wird.

Het is over het algemeen noodzakelijk dat dit gevoel voor kleur, dat niet zo beschadigd is als het muzikale, op dit moment ontwikkeld wordt. Het zal een gunstig effect hebben op het muzikale wanneer het leven van kleur wordt ontwikkeld.
GA 300A/240
Niet vertaald

GA 300B

Vergadering van 16 november 1921

Blz. 51

Es wird gesprochen über den Kunstunterricht in den oberen Klassen und über
kunstgewerbliche Entwürfe.

Er wordt gesproken over lessen over kunst en over artistieke ontwerpen.

Dr. Steiner: Wir lassen sie Farben auftragen, so daß das Kind nur in der elementaren Farbenphantasie aufträgt. Man sagt zum Beispiel dem Kinde: Du hast hier in der Mitte deines bemalten Blattes einen gel­ben Fleck. Mach ihn blau. Mach das ganze Bild so, daß alle anderen Farben auch danach geändert sind.
Ein gründliches Farbenvertie­fen kommt dann heraus, wenn das Kind eine Farbe verändern muß und alles andere danach richten muß, zum Beispiel auf einer Tasche oder irgend etwas anderem, dieses dann ausnäht und ausstickt, so daß das Betreffende gerade am rechten Fleck sitzt.

We laten ze kleuren gebruiken, zo dat het kind die alleen in de elementaire kleurverbeelding toepast. Je zegt bijvoorbeeld tegen het kind: “Je hebt hier een geel vlak in het midden van je beschilderde blad. Maak het blauw. Maak het hele schilderwerk zo dat alle andere kleuren daarna ook veranderen.
Een grondige verdieping van de kleur komt tot stand wanneer het kind één kleur moet veranderen en alle andere kleuren daarop moet afstemmen, bijvoorbeeld op een tas of iets anders, om het vervolgens te naaien en te borduren zodat het precies op de juiste plaats zit.
GA 300B/51
Niet vertaald

.

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3310-3115

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Levensritmen – ritmen in de opvoeding

.
Hans Harress, der Elternbrief jrg.34 nr.10 1991*
.

Levensritmen – ritmen in de opvoeding

.

Cursief van de schrijver.
De links in de tekst heb ik aangebracht.

De levende wereld zit vol ritmes. Overal waar we leven tegenkomen, kunnen we de meest uiteenlopende ritmes waarnemen. Het omgekeerde is ook waar: waar geen ritmische processen zijn, is geen leven.

Ritmische processen kunnen ook worden waargenomen op alle gebieden van het menselijk leven: In het lichamelijke (fysieke) leven, (hier het duidelijkst herkenbaar), in het zielenleven (psychologische) leven en in het geestelijke (spirituele) leven.

Sinds enige tijd is vooral het bio(levens)ritme bekend, dat aangeeft op welke dagen iemand lichamelijk, psychisch en geestelijk het meest actief en het meest passief is, waarbij oplopende en aflopende ritmes van respectievelijk 23, 28 en 33 dagen als basis worden genomen.

Ritmisch ontstaand leven

Zoals bekend begint het menselijk leven met de samensmelting van de vrouwelijke eicel en de mannelijke zaadcel. Onmiddellijk na de bevruchting begint de eicel zich ritmisch te delen. De (eerste) bevruchte eicel deelt zich in twee cellen, die zich weer delen, nu in vier cellen, dan in 8, 16, 32 enzovoort.

Ongeveer 2-3 weken na de deling van de eerste cel wordt het belangrijkste ritmische systeem geïntegreerd in de celstructuur van de zich ontwikkelende mens, het systeem van het ritmisch pulserende cardiovasculaire systeem (hart-bloedsomloop).
Voor veel mensen wordt dit tijdstip beschouwd als de intrede van de menselijke individuele ziel in de stoffelijke celstructuur, bekend als het lichaamssysteem, of als het begin van het menselijk leven op aarde.

Zoals bekend markeren geboorte en de eerste ademhaling het begin van een ander vitaal ritmisch proces – de ademhaling begint, met in- en uitademen. Met de eerste ademhaling, de eerste ademhaling na de geboorte, begint het onafhankelijke aardse leven van de mens; het eindigt met de laatste ademhaling. De ademhaling is ook volledig ritmisch. Het hart- en ademhalingsritme zijn wijselijk en nauwkeurig gesynchroniseerd. Er is berekend dat er gemiddeld in een mensenleven 4 hartslagen zijn voor elke ademhaling, dat wil zeggen een verhouding van 1:4. Tijdens zware lichamelijke activiteit versnelt de ademhaling, net als de hartslag; tijdens de slaap komen beide tot rust en vertragen dienovereenkomstig.

Ritmes in de natuur

Als levende wezens op aarde zijn wij mensen ook sterk geïntegreerd in de verschillende ritmes van de natuurlijke wereld om ons heen en zijn we er op verschillende manieren min of meer afhankelijk van. Het meest opvallend is waarschijnlijk de ritmische afwisseling van dag en nacht, die het dagelijkse leven van de natuur en natuurlijk ons leven bepaalt. Dit resulteert in de dagelijkse routine, die over het algemeen ook ritmisch is, bijvoorbeeld met de drie tot vier maaltijden – ’s ochtends, ’s middags, ’s middags en ’s avonds, evenals wakker worden en slapen, en de dagelijkse (ritmische) routine die voortvloeit uit werk, huishouden, school, enz.

Het volgende opvallende ritme is het wekelijkse ritme van zeven dagen, dat ons het hele jaar door, ons hele leven lang vergezelt; het is oeroud en gaat – archetypisch – terug tot het begin van de schepping, waarvan bekend is dat God die in zes scheppingsdagen heeft geschapen om op de zevende dag te rusten en zijn werk te overdenken. Dit betekent dat mensen zes dagen werken en één dag rust, bezinning, aanbidding, vrije tijd en recreatie hebben.

Het volgende ritme van het jaar is het maandelijkse ritme dat, zoals de naam al doet vermoeden, wordt bepaald door het ritme van de maan. De afnemende en wassende maan, die langzaam rond de aarde cirkelt en ook een ritmische gebeurtenis is, heeft een beslissende invloed op de natuur, maar ook op de mens. Het leven van elke (geslachtsrijpe) vrouw wordt bepaald of beïnvloed door de maandelijkse regel, waarvan bekend is dat deze georiënteerd is op het ritme van de maan. Voor veel volkeren is de maan altijd de poort geweest naar binnenkomst, naar de geboorte van de mens op aarde, zowel fysiek als spiritueel.

Met uitzondering van de extreme klimaatzones van de twee polen van de aarde – de Noord- en Zuidpool – en de evenaarszone, hebben de ritmes van de vier seizoenen een beslissende invloed op wat er het hele jaar door in de natuur gebeurt en hadden ze, voordat de moderne beschaving ons relatief onafhankelijk maakte van veel dingen, ook een zeer sterke invloed op het menselijk leven.

In de lente komt er leven in de schijnbaar dode natuur, de processen van de natuur komen tot leven, ook in de mens, in de zomer staat het in volle pracht voor ons, in de herfst trekt het leven zich langzaam weer terug – met achterlating van zijn heerlijke vruchten, en in de winter heeft het zich helemaal aan de buitenkant teruggetrokken.

Tot nu toe zijn slechts enkele van de meest opvallende ritmes beschreven die ons begeleiden en ons leven bepalen. Elke dokter weet dat in het menselijk lichaam, het organisme, de menselijke organisatie, een groot aantal andere ritmische processen ons lichamelijke leven bepalen. Alle organen zoals de lever, nieren enz. werken (of rusten) strikt ritmisch op zeer specifieke tijdstippen van de dag of nacht. Als deze ritmes verstoord worden, bijvoorbeeld door langdurig ploegenarbeid, leidt dit vaak tot lichamelijke of zelfs geestelijke en emotionele beperkingen en tot kleine of ernstige ziekten bij de betrokkenen. Wie zondigt tegen dit ritme van onze innerlijke klok, bijvoorbeeld piloten die met de klok mee naar het westen of tegen de klok in naar het oosten vliegen, zullen al snel verstoringen merken in hun fysieke, mentale en spirituele organisatie.

Ritme en opvoeding

Het is belangrijk en noodzakelijk voor de opvoeding van kinderen om de natuurlijke levensritmes te observeren en zich eraan te houden. Na de geboorte van het kind bepalen de ritmes van slapen, waken en voeden in eerste instantie het leven van de zuigeling. Als ze ongeveer om de vier uur moeten en/of kunnen drinken, kan dit begrijpelijkerwijs erg stressvol zijn voor de moeder of de ouders. Dit ritme verandert echter al snel, de periodes tussen waken en slapen worden langer, het kind blijft steeds langer wakker en slaapt over het algemeen langer. Als het leven van de zuigeling niet verloopt volgens de door hem bepaalde natuurlijke ritmische tijdspatronen, d.w.z. als bepaalde terugkerende tijden voor slapen, waken en drinken niet in acht worden genomen, kan het kind reageren met grote onrust, ontevredenheid en zelfs met bepaalde ziekteverschijnselen. Dit betekent dat het ontluikende, zich ontwikkelende organisme, dat gebaseerd is op natuurlijke ritmische levensprocessen en opgebouwd wordt, zeer gevoelig en gemakkelijk geïrriteerd wordt door een on- of a-ritme als het wordt verstoord in zijn natuurlijke ritmische opeenvolging; het kan daardoor snel ziek of verzwakt raken.

Het zevenjarige ritme

Dit relatief lange ritme van zeven jaar speelt een uiterst belangrijke rol in het leven van mensen, vooral van schoolkinderen. Het is een zeer opvallend ritme en je kan je nog altijd verbazen dat het nog steeds zo weinig aandacht krijgt van leraren en dat het heel vaak wordt geschonden, ten nadele van talloze kinderen.

In de eerste zeven levensjaren ontwikkelt het menselijk organisme alle organen die het nodig heeft om te leven. Sommige organen zijn aanvankelijk slechts voorgevormd, d.w.z. aangelegd; ze ontwikkelen zich pas later tot volledige rijpheid, zoals de voortplantingsorganen rond de leeftijd van 14 jaar.
De blijvende (tweede) tanden zijn de laatste organen die zich ontwikkelen en uit het organisme komen; ze verschijnen rond de leeftijd van zeven jaar. In deze periode zijn sommige blijvende tanden al zichtbaar, maar alle andere zijn al aanwezig in het systeem, ze zitten als tandkiemen onder de melktanden en komen geleidelijk tevoorschijn, waarbij ze de melktanden naar buiten duwen. Vanaf dit punt, dat wil zeggen vanaf de leeftijd van zeven jaar, hoeft het menselijk organisme geen nieuwe organen meer te ontwikkelen, omdat ze nu allemaal aanwezig zijn. De vormende krachten van het organisme die hiervoor nodig waren, zijn nu vrijgemaakt en niet langer nodig in deze vorm. Uit de grote wijsheid van de natuur worden ze getransformeerd in leervermogen: nu wil en kan het zevenjarige kind leren en ook het geleerde in zijn geheugen vasthouden, d.w.z. het weer ophalen en gebruiken om te leren. Deze transformatie kan duidelijk worden waargenomen bij zevenjarigen, op voorwaarde dat ze de kans kregen om op natuurlijke wijze op te groeien en niet vóór hun tijd, d.w.z. te vroeg, op school werden voorbereid door misschien onwetende of zeer ambitieuze ouders.
In Duitsland is de officiële leeftijd om met school te beginnen, in tegenstelling tot sommige andere landen, nog steeds* zes jaar. Er zijn inderdaad serieuze overwegingen om deze leeftijd te vervroegen naar zelfs vijf jaar, zodat leerlingen eerder, d.w.z. jonger, de school kunnen verlaten en eerder kunnen studeren, en dus nog eerder beschikbaar zijn voor de economie.

Enkele gevolgen van vroegtijdig naar school moeten

Het is keer op keer bevestigd dat talloze kinderen die veel te vroeg met school begonnen, bij wie het zevenjarige ontwikkelingsritme niet werd nageleefd maar verstoord, die daarom op school moesten leren schrijven, lezen en rekenen voordat de noodzakelijke krachten om te kunnen leren waren vrijgemaakt, reageerden met een verscheidenheid aan lichamelijke en psychische ziekten, zonder dat helaas het verband tussen te vroeg met school beginnen en een mogelijke latere ziekte als regel werd erkend. Deze echt lijdende en zieke kinderen, die vaak pas een paar jaar na het te vroeg op school beginnen ziek worden, worden dan door hun ouders naar artsen en (school)psychologen gebracht omdat ze vaak erg onrustig, druk, overmatig nerveus zijn geworden, omdat ze last hebben van buikpijn, hoofdpijn, malaise, etc. Ze zijn ook min of meer bang voor school. Meer of minder ernstige schoolangst en schoolfobieën komen ook voor. Deze kinderen zijn vaak (nog) niet in staat om de leerstof vast te houden, d.w.z. in de ogen van (onwetende) leerkrachten (en ouders) zijn ze “zwak”. Voor velen van hen geldt ondertussen dat school en te vroeg moeten leren hen heeft verzwakt, ziek en kwetsbaar gemaakt. Artsen, psychologen en onderwijskundigen herkennen deze correlaties tegenwoordig niet altijd, laat staan de gelijkgestemde ouders.
Nog zwaarder getroffen door het te vroeg naar school gaan op zesjarige leeftijd zijn de vele zogenaamde laatbloeiers. Zoals algemeen bekend is, hebben zij echter nog minder leercapaciteit op zesjarige leeftijd; voor hen is mogen spelen en dromen nog het beste. Deze kinderen, hoewel meestal normaal begaafd of zelfs hoogbegaafd maar nog niet klaar voor school en leren, “moeten” al snel volledig “falen” in de doorgaans zeer snelle schoolse leerprocessen van lezen, schrijven en rekenen. Zij, die met zoveel fantasie en toewijding in de zandbak en elders speelden en hier nog mochten dromen en herkennen, zijn door het bestaande systeem met geweld uit deze kindvriendelijke sfeer gerukt en moeten nu op school steeds weer ervaren dat ze “niets” kunnen en vaak niet begrijpen wat de leerkrachten van hen willen. Hoewel het nog niet duidelijk wetenschappelijk is bewezen, kan er bijna zeker van worden uitgegaan dat veel van deze kinderen na verloop van tijd in het speciaal onderwijs terechtkomen, omdat ze door hun voortdurende “falen” niet meer normaal kunnen leren en absorberen, d.w.z. in een normaal leertempo, en speciale ondersteuning nodig hebben. Ze hebben al een of meerdere keren gefaald en hebben een lijdensweg achter de rug die zelden zonder ernstige gevolgen voor hen blijft.

De betekenis van het ritmische principe

Waarom heeft de wijze natuur ritme ontwikkeld? Alle natuurlijke processen zijn doordrongen van de grootste wijsheid, er gebeurt niets in de levende natuur zonder intentie, zonder plan, ook al hebben wij mensen nog lang niet alle processen, achtergronden en wijsheden onderkend. De waarde, de bedoeling van het ritmische principe kan misschien heel duidelijk worden aan de hand van het ritmisch kloppende hart. In de gelijkmatige ritmische samentrekking van de hartspier (spanning) en de daaropvolgende (korte) absolute rust (ontspanning van deze spier – tussen twee hartslagen in) verzamelt de spier steeds weer nieuwe kracht. Op deze manier kunnen het hart en het ventrikelsysteem ongelooflijk grote hoeveelheden bloed verplaatsen, d.w.z. een ongelooflijke hoeveelheid werk verrichten voor zo’n klein en zwak orgaan – een leven lang. Het principe van ritme is: inspanning- rust/ontspanning – inspanning en ontspanning.
Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor het ademhalingsproces, dat Johann Wolfgang von Goethe zo treffend beschreef in “Talismane”:

In het ademhalen zijn twee genaden:
De lucht binnenhalen, zich weer van haar ontdoen;
Die bedrukt, deze verfrist;
Zo wonderbaarlijk is het leven gemengd.
Gij bedanke God, wanneer hij u bedrukt,
En bedank hem, wanneer hij u weer bevrijdt.

Het ritmische proces is nauwkeurig berekenbaar, in dit opzicht betekent het altijd iets constants en absoluut betrouwbaars. Dit wordt duidelijk in de constante verandering van eb en vloed (maanritme), dag en nacht en lente-zomer-herfst-winter (zonne-aarde ritme) enz. Wat een grote onzekerheid zou er zijn in het leven van mensen en de natuur als deze betrouwbare ritmes en processen niet zouden bestaan? Het evenwicht in de natuur zou volledig verstoord zijn, een geordend leven of überhaupt leven zou volstrekt ondenkbaar zijn, er zou absolute starheid heersen.

Ritme in het onderwijs

De leraren op vrijescholen hebben deze buitengewoon belangrijke basis van het leven, het ritme, bewust en actief in hun pedagogie opgenomen. Alleen daardoor zijn zij in staat hun speciale vrijeschoollessen te geven en bovendien relatief grote klassen te leiden.
Rudolf Steiner heeft zijn toehoorders, met name leraren en opvoeders, vaak gewezen op het belang van het in acht nemen van het ritme in het onderwijs en de dagelijkse lessen. Dit omvat onder andere de dagelijkse, d.w.z. ritmische herhaling van lessen, van goede manieren en gewoonten, enzovoort. Dergelijke ritmes zijn heel belangrijk in vrijescholen en kunnen of moeten ook deel uitmaken van de opvoeding thuis. Kinderen die op deze manier opgroeien zullen, zoals Rudolf Steiner ook herhaaldelijk tegen opvoeders heeft gezegd, in staat zijn om vooral een goede en sterke wilskracht te ontwikkelen, die, zoals we weten, bij veel mensen en veel kinderen tegenwoordig ontbreekt.

Periode-onderwijs op de vrijeschool

De vorming van de wil door een ritmisch geleid leven – in alle vrijheid en nooit met een eenzijdig “koppig” fanatisme – omvat onder andere een regelmatige dagindeling thuis en een regelmatige dagindeling op school. Dit onthult het kind op zijn beurt iets dat zeer waardevol is voor zijn opvoeding en vrije menselijke ontwikkeling – betrouwbaarheid! Zo kan het vertrouwen winnen. Een vrijeschoolklas, bijvoorbeeld, is vertrouwd met de dagelijkse herhaling van de periodelessen, die zoals bekend gedurende drie tot vier weken elke ochtend maar één onderwerp behandelen, bijvoorbeeld geschiedenis. Dit heeft het grote voordeel voor de opvoeding van de kinderen en het leren dat ze zich echt op één vakgebied kunnen concentreren; ze hoeven niet elke les aan een nieuw, ander hoofdvak te werken, zoals meestal het geval is. Dit verstoort hun concentratie enorm, een goede verdieping en verbinding met de stof van de vele lesinhoud van meerdere hoofdvakken is niet of nauwelijks mogelijk.

Ongeveer een half jaar later geeft de vrijeschoolleraar hetzelfde onderwerp opnieuw en in de praktijk blijkt dat de kinderen bijna niets vergeten zijn; met hulp van de leraar herinneren ze zich snel wat ze eerder geleerd hebben. Er gebeurt zelfs iets tegengestelds en onverwachts: Volwassenen weten uit eigen ervaring dat veel van wat ze eerder hebben geleerd na verloop van tijd in hen rijpt, dat wat ooit moeizaam aangeleerde vaardigheden waren, uiteindelijk vaardigheden worden. Een treffend voorbeeld: iedereen heeft ooit geleerd om alle letters van het alfabet één voor één te lezen en te schrijven. Dit ontwikkelde zich later tot het vermogen om vloeiend woorden en zinnen te lezen of te schrijven die gevormd waren uit afzonderlijke letters, zonder na te denken en met dromend vertrouwen. Het vroegere leerproces verzonk in het onbewuste en er ontstond een speciaal vermogen. Voor de kundige leraar maakt dit het lesgeven veel gemakkelijker en voor de leerlingen zijn de voordelen niet te onderschatten.

Zoals veel lezers zullen weten, is het lesprogramma op vrijescholen ook strikt ritmisch en verdeeld in drie delen. De leraar heeft de tijd van 8.00 uur tot ca. 9.45 uur tot zijn beschikking, dus een goede dubbele les. In het eerste deel, het zogenaamde ritmische deel, dat ca. 20 tot 30 minuten duurt, reciteert de klas , zingt, en speelt fluit, in lagere klassen worden speciale ritmische klap- en stampoefeningen enz. toegevoegd. Al deze oefeningen bevorderen in het bijzonder het geheugen van de leerlingen – ze leren bijvoorbeeld veel gedichten, liedteksten, teksten uit grotere of kleinere toneelstukken uit het hoofd en ze cultiveren de taalvaardigheid van de leerlingen, bevorderen de muzikaliteit en verenigen de klas tot een harmonieuze eenheid.
In het tweede deel van de periodeles wordt het werk van de vorige dag eerst herhaald, uitgebreid en verdiept, op verschillende manieren afhankelijk van het niveau van de klas; misschien vindt er een morele verdieping plaats of wordt er een (natuurkunde)wet uitgewerkt, enz. Dit resulteert in de nieuwe observaties, presentaties en overwegingen van de leerkracht voor de voortgang van de les. De kinderen gaan dan aan het werk, ze schrijven, kleuren, tekenen, rekenen, oefenen en krijgen hun huiswerk mee.
In het derde, laatste deel vertelt de leerkracht het verhaal, dat is aangepast aan het niveau van elke klas. In de eerste klas worden vooral de oude sprookjes verteld. Ook de verschillende vakleerkrachten organiseren hun lessen op dezelfde manier.

Rudolf Steiner benadrukte herhaaldelijk hoe ontzettend belangrijk het is om de nachtelijke slaap van de kinderen, dus het ritmische gebeuren – wakker – slapenwakker – in de lessen te betrekken. Uit de ervaringen van de ziel ’s nachts, stromen de meest waardevolle goede krachten en vermogens naar de mens toe en de vrijeschoolleraar wil daar graag positief mee werken, maar ze staan ook ter beschikking van de opvoedende ouders.

* Bijlage: Heinz Zimmermann legt uit: “Direct aan het begin van de ‘Algemene menskunde’ formuleert Rudolf Steiner de basistaak van de opvoeder als het kind op de juiste manier leren ademen en slapen. Het gaat om het juiste ritme van inademen en uitademen, van slapen en waken, dus om het harmonieuze samengaan van twee polaire activiteiten; het basismiddel waarmee de opvoeder dit kan stimuleren is het kunstzinnige element, kunst in de breedste zin van het woord. De  kunstzinnige doorwérking van de les is in staat om het materiaal zo voor te bereiden dat het kind het kan meenemen naar de slaap. Dit betekent echter ook dat wat door de slaap is gedragen de volgende dag weer op de juiste manier wordt opgepakt en verwerkt … Opvoeden betekent het harmoniseren van tegenstellingen.”

Heinz Zimmermann: Het ritme van waken en slapen, uitgegeven door Freies Geistesleben. (Niet vertaald)

.

Ritme: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3309-3114

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen en legenden – alle artikelen

.

Rudolf Steiner heeft in talloze voordrachten iets gezegd over de aard van sprookjes, sagen en legenden. En met name over de mythen.

Omdat de vertelstof voor de verschillende klassen grotendeels uit sprookjes, legenden en mythen bestaat, kan het voor de verteller – meestal de klassenleerkracht dus – een verrijking zijn als deze weet wat hij eigenlijk vertelt.

Niet dat dit per se nodig is: de achterliggende gedachten zijn niet voor de leerlingen bestemd.
Maar wanneer de leerkracht deze achtergronden als een diepere laag in zijn gevoel meebeleeft, zal dat zeker ‘in het imponderabele’ zijn uitwerking hebben.

Wat in dit verband met het imponderabele – het niet-weegbare – wordt bedoeld, vind je onder: vrijeschool doen 

Verwijzing naar Steiners opvattingen over sprookjes, mythen, sagen en legenden in onderstaande artikelen:

uit

GA 34
Sprookjes, mythen bevatten waarheden in beelden met een veel grotere wijsheid over de natuur en de geheimen van de mensheid. 

GA 54
Sagenbeelden vanuit een droom- of astraal bewustzijn; beeldbewustzijn werd dagbewustzijn.

GA 57
Menselijke ontwikkeling is in feite bewustzijnsontwikkeling; bij een ander bewustzijn pasten andere begrippen van toen en dat waren beelden; ook het geheugen veranderde; beeldbewustzijn kijkt naar hoe de wereld innerlijk is.

GA 58
Oude ingewijden konden alleen symbolisch uitdrukken wat ze zagen. die symbolen zijn bewaard gebleven in mythen en sagen; waarnemingen van spirituele onderzoekers; mythe is geen fantasie, maar symbolen van hogere kennis.

.

Vertelstofalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

,

3308-3113

.

.

.

VRIJESCHOOL 2e klas – lezen

.

Van tijd tot tijd komt het leerniveau van de Nederlandse basisschoolkinderen in het nieuws. Meestal na een of ander onderzoek waaruit zou moeten blijken dat ‘het niet goed gaat’ of andere onheilspellende conclusies.

Meestal volgen dan in kranten allerlei artikelen waarin (onderwijs)mensen hun licht op e.e.a. laten schijnen.

Een aantal van die artikelen vind je hier v.a. 12

In een paar vinden we suggesties om vooral ‘rijke teksten’ te lezen; literatuur i.p.v. uitgedachte ‘niveauteksten’.

N.a.v. een boekje van oud-vrijeschoolleraar Max Stibbe ‘Leesboek der fabels’ dat hij samenstelde om met de kinderen te lezen, deed ik een suggestie om zoiets voor je klas – breder gezien – voor alle toekomstige 2e klassen op je school – te maken.

Zo’n 60 jaar geleden gaf uitgeverij Lemniscaat het boek ‘De leeuw en de muis’ uit van Brian Wildsmith.
Het is uitverkocht en nauwelijks nog 2e-hands te koop.

Ik heb er een scan van gemaakt.
Die kan je (gratis) opvragen via vspedagogie at gmail.com

De tekst is niet al te moeilijk en het is mooi geïllustreerd.

.

Schrijven en lezenalle artikelen

Vertelstof klas 2alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldvertelstof 2e klas:  legenden    fabels

.

3307-3113

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – 7 thema’s (6)

.

De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. 
Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen.
Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling.
Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213)
De aanduiding, bv. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)

.

Blz. 32

Jugendbewegung

Sowohl in die Anthroposophische Gesellschaft wie in die Waldorf­schule schlugen die Wellen der Jugendbewegung hinein. Das ist gut zu verstehen, denn auch schon in ihren Anfängen um 1900 umfaßte sie beide Arten von jungen Menschen, ebenso die, die schon in der Berufsvorbereitung standen, wie auch die Gymnasiasten’ die den Schülern der oberen Klassen der Waldorfschule entsprachen. Beide

Jeugdbeweging

Zowel de Antroposofische Vereniging als de vrijeschool werden beïnvloed door de op- en afgaande invloeden van de jeugdbeweging. Dat is goed te begrijpen, want al in het begin rond 1900 omvatte de Antroposofische Vereniging jongeren, zowel degenen die zich al op een beroep voorbereidden als de gymnasiumleerlingen die te vergelijken zijn met de leerlingen in de hogere klassen van de vrijeschool. Zowel

Blz. 33

Gruppen lagen Rudolf Steiner am Herzen, denn er kannte die tiefe­ren Ursachen der Jugendbewegung, die denen unbewußt blieben, die selbst darin steckten. ,,Die Jugendbewegung hat durchaus übersinn­liche Gründe” (2/46). Diese jungen Menschen suchten sehnsüchtig den Geist, um menschenwürdig ihr Leben führen zu können. Weil sie ihn nicht fanden, bot die Jugendbewegung nach außen hin das wirre Bild des Unbefriedigtseins, des eitel Absonderlichen, des fanatisch Überheblichen. Dieses selbe den Geist-nicht-finden-Können führte ebenso zu den Unzuträglichkeiten bei den Schülern der oberen Klas­sen der Waldorfschule, aber auch bei den schon älteren in die Anthroposophische Gesellschaft hineinkommenden jungen Men­schen. Rudolf Steiner zeigte beide Male den Weg zur Heilung.
Es lag aber bei den beiden genannten Gruppen ein entscheidender Unterschied vor. Während der Schülerzeit mußte das Geistige ins gedankliche Blickfeld hineingebracht werden;leise schon von der 7., 8. Klasse an, später immer deutlicher und konkreter. Um nur zwei Beispiele zu nennen: schon vor dem achtzehnten, neunzehnten Jahr, so sagte Rudolf Steiner, müsse das ,,Jüngerwerden der Menschheit” als eine der wichtigsten Geschichtsursachen verstanden werden (3/35), und ebenso jene chemischen Wirkungen, die speziell inner­halb des menschlichen Körpers, also unter dem Einfluß des Ich ein­treten. Solche spirituelle Chemie, die ,,Koliskosche Chemie”, solle diesem Alter dargestellt werden (3/36).

De groepen lagen Rudolf Steiner na aan het hart, omdat hij de diepere oorzaken van de jeugdbeweging kende, die onbewust bleven voor degenen die er zelf bij betrokken waren. “De jeugdbeweging heeft werkelijk bovenzinnelijke redenen” (2/46).
Deze jonge mensen waren verlangend op zoek naar de geest om hun leven op een menswaardige manier te kunnen leiden. Omdat ze die niet vonden, zag de jeugdbeweging voor de buitenwereld uit als het verwarde beeld van onbevredigd, ijdel, buitenissig, fanatiek arrogant. Ditzelfde onvermogen om de geest te vinden, leidde ook tot onbehagen bij de leerlingen van de hogere klassen van de vrijeschool, maar ook bij de oudere jongeren die toetraden tot de Antroposofische Vereniging. Rudolf Steiner wees in beide gevallen de weg naar verbetering.
Er was echter een doorslaggevend verschil tussen beide groepen. Tijdens de schooltijd moest het geestelijke in het blikveld van de gedachten worden gebracht; geleidelijk aan vanaf klas 7 of 8, later steeds duidelijker en concreter. Om maar twee voorbeelden te geven: al voor het achttiende of negentiende jaar, zei Rudolf Steiner, moest het “jonger worden van de mensheid” begrepen worden als een van de belangrijkste oorzaken van de geschiedenis (3/35), evenals die chemische effecten die specifiek in het menselijk lichaam optreden  onder invloed van het Ik. Die spirituele chemie, de “Kolisko-chemie”, moet aan deze leeftijd duidelijk gemaakt worden (3/36).

Ebenso liegt es für die in diesem Alter von vierzehn bis achtzehn Jahren schon in der Berufsausbildung Stehenden. Sie brauchen in der Fortbildungsschule eine wirkliche, das Spirituelle enthaltende ,,Lebenskunde” (1/286, 287, Einleitung S. 44). Auch für die Dor­nacher Fortbildungsschule gilt dasselbe, um zum Beispiel den Unter­schied zwischen Sonnenaufgang und Sonnenuntergang künstlerisch zu erfassen (3/44). Wenn da etwas versäumt wird im Hinweisen auf das Geistige, entsteht seelische Leerheit und damit alle die Schwie­rigkeiten, mit denen sich soviele Konferenzen der Jahre 1922-24 zu befassen hatten.
Diesen durch die Führung des Unterrichts hilfreichen Maßnahmen steht aber nun etwas zunächst recht Überraschendes gegenüber. Ein scheinbar so naheliegendes Mittel ist durchaus zu vermeiden. Es soll und darf in diesen Jahren noch nicht die Aufmerksamkeit der Schüler hingelenkt werden auf die eigenen Seelenzustände, auf die in ihnen rumorende Sehnsucht nach dem Geistigen. Das soll noch im Unterbewußten verbleiben, soll noch verhüllt und damit vor dem Intellektuellwerden behütet werden. Schüler sollen nicht ,,die Geheimkunst

Hetzelfde geldt voor hen die al een beroepsopleiding volgen op de leeftijd van veertien tot achttien jaar. Zij hebben een echte, geestelijke “levenskunde” (1/286, 287, inleiding p. 44) nodig op de school voor de voortgezette opleiding. Hetzelfde geldt ook voor de vervolgopleiding in Dornach, bijvoorbeeld om het verschil tussen zonsopgang en zonsondergang kunstzinnig te begrijpen (3/44). Als er iets verwaarloosd wordt in het wijzen op het spirituele, ontstaat er spirituele leegte en daarmee alle moeilijkheden waar zoveel vergaderingen in de jaren 1922-24 mee te maken hadden.

Tegenover de behulpzame maatregelen vanuit de loop van de dingen in het onderwijs, staat iets in eerste instantie heel verrassends. Een schijnbaar voor de hand liggende oplossing moet beslist worden vermeden. In deze jaren mag en moet de aandacht van de leerlingen niet getrokken worden naar hun eigen zielstoestand, naar het verlangen naar het spirituele dat in hen rommelt. Dit moet nog steeds in het onderbewuste blijven, moet nog steeds versluierd zijn en dus beschermd tegen intellectualisering. Leerlingen moeten niet “de verborgen kunst

Blz. 34

des Erziehens kennenlernen und mitdiskutieren” (3/80). Daraus erklärt sich auch Rudolf Steiners Schrecken, als er erfuhr, daß an einigen Abenden Lehrer und Schüler wie auf gleicher Stufe stehend miteinander diskutiert hätten (2/120-122, 145).
Daß dies in der Jugendbewegung nicht beachtet wurde – einfach weil man es nicht wußte -, gehört neben dem Nicht-ergreifen-Kön­nen des Geistigen zu den Hauptgründen quälender Nöte. Wieviel und wie endlos ist da diskutiert worden, auch gerade schon mit und unter den jüngeren Jahrgängen. Das mußte die Jüngeren unnaiv und hoch­mütig machen. Bei den Älteren führte es den raschen Zerfall der Jugendbewegung mit herbei. Leitungen und Zielsetzungen konfes­sioneller, politischer, rassenmäßiger Art bemächtigten sich des ihnen dienlich erscheinenden Instrumentes der Jugendbewegung.
Als deutschvölkische Umtriebe auch in die Waldorfschule hinein­zuwirken drohten, sprach Rudolf Steiner von ,,freimaurerischen Ordensgründungen in der Jugend”, wie sie damals an manchen Orten, zum Beispiel in München, von Vereinigungen ausgingen, die etwas wie Rasse-Okkultismus pflegten (3/135). Er empfahl dagegen innerhalb der Waldorfschülerschaft durch ,,unsere eigenen treuen jungen Leute aus der Freien Gesellschaft” eigene Gruppen zu bilden, ,,denen sich die Jungen und Mädchen ebensogut anschließen”
(3/134, 135).

kunst van het onderwijs leren kennen en deelnemen aan de discussie” (3/80). Dit verklaart ook de schrik van Rudolf Steiner toen hij vernam dat leraren en leerlingen op sommige avonden met elkaar discussieerden alsof ze op hetzelfde niveau zaten (2/120-122, 145).
Het feit dat hier in de jeugdbeweging geen rekening mee werd gehouden – eenvoudigweg omdat het niet bekend was – is samen met het onvermogen om het geestelijke te vatten een van de hoofdoorzaken van kwellende ontreddering. Hoeveel en hoe eindeloos is besproken, vooral met en onder de jongere generatie. Dit moet de jongeren onnaïef en arrogant hebben gemaakt. Voor de oudere generatie droeg het bij aan de snelle desintegratie van de jeugdbeweging. Leiders en doelstellingen van confessionele, politieke en raciale aard maakten zich meester van het instrument van de jeugdbeweging dat hen leek te dienen.
Toen Duitse nationalistische activiteiten de vrijeschool dreigden te beïnvloeden, sprak Rudolf Steiner over “het oprichten van vrijmetselaarsordes onder de jeugd”, zoals destijds op sommige plaatsen het geval was, bijvoorbeeld in München, met verenigingen die zoiets cultiveerden als raciaal occultisme (3/135). Daarentegen raadde hij aan dat “onze eigen, trouwe jongeren van de Vrije Vereniging” binnen de vrijeschool hun eigen groepen zouden vormen, “waar de jongens en meisjes zich net zo gemakkelijk bij aan zouden kunnen sluiten” (3/134, 135).

Aber für die älteren Jahrgänge dieser jungen Menschen, die das 18. Lebensjahr schon vollendet haben, gilt grundsätzlich ein ande­res, ja entgegengesetztes. Sie sollen sich gerade selbst möglichst weit­gehend dessen bewußt werden, was tief in ihren Seelen die Unruhe bewirkt, und sie sollen daraus den Willensentschluß fassen, den gewiesenen Weg auch wirklich zu betreten.
Junge Menschen in großer Zahl wandten sich an Rudolf Steiner, wobei anstelle ihrer eigentlichen Schwierigkeiten freilich oft die mehr äußeren Fragen nach dem rechten Weg zum Beruf heraus­kamen. Diese jungen Menschen kamen auch nicht gut zurecht mit den herkömmlichen ,,Zweigen” der Anthroposophischen Gesell­schaft, in denen die Mitglieder seit Jahren miteinander arbeiteten. Deshalb bildeten sich an manchen Orten Gruppen einer ,,Freien anthroposophischen Jugend”, so in Stuttgart (2/46), in Jena (2/60, 61, 116, 117), in Breslau (3/177). Was von Besprechungen Rudolf Steiners mit ihnen schriftlich erhalten ist – er hatte hier besonders ungerne Stenographen dabei -, ist gedruckt in ,,Die Erkenntnis-Aufgabe derJugend” (Liste Nr.14).
Mehrfach wurde, aber zunächst ohne Erfolg, versucht, in Jena eine

Maar voor de oudere leeftijdsgroepen van deze jongeren, die de leeftijd van 18 jaar al hebben bereikt, geldt een ander, ja zelfs het tegenovergestelde principe. Zij moeten zich zo goed mogelijk bewust worden van wat diep in hun ziel de onrust veroorzaakt en van daaruit de beslissing nemen om daadwerkelijk de weg te volgen die hen is gewezen.
Grote aantallen jongeren wendden zich tot Rudolf Steiner, hoewel ze in plaats van hun eigenlijke moeilijkheden vaak meer uiterlijke vragen hadden over de juiste weg naar een beroep. Deze jongeren konden ook niet goed overweg met de traditionele ‘afdelingen’ van de Antroposofische Vereniging, waarin de leden al jaren samenwerkten. Daarom ontstonden in enkele plaatsen groepen van een ‘Vrije Antroposofische Jeugd’, zoals in Stuttgart (2/46), Jena (2/60, 61, 116, 117) en Breslau (3/177). Wat er schriftelijk bewaard is gebleven van Rudolf Steiners gesprekken met hen – hij was bijzonder terughoudend ten opzichte van de aanwezigheid van stenografen – is afgedrukt in “Die Erkenntnis-Aufgabe der Jugend” (lijst nr. 14).
Verschillende pogingen werden ondernomen, maar aanvankelijk zonder succes, om in Jena 

Blz. 35

große Jugendtagung mit Vorträgen von Rudolf Steiner zustande zu bringen (2/60, 61, 116, 117). Erst im Oktober 1922 kam es zum ,,Pädagogischen Jugendkurs” in Stuttgart (2/154). Rudolf Steiner hielt dort dreizehn Vorträge über ,,Geistige Wirkenskräfte im Zusam­menleben von alter und junger Generation” (Liste Nr.23). Ein zwei­ter Jugendkurs (3/94, 95) kam nicht mehr zustande. Über die von der Christengemeinschaft veranstaltete Jugendtagung in Kassel am 2.-8. Januar 1924 wurde im Dornacher ,,Nachrichtenblatt” (1. Jg., Nr.5) ein Bericht gegeben. Auch in Dornach selbst wurden Jugend­versammlungen abgehalten (3/137,138).
Das Entscheidende aber geschah, als sich Rudolf Steiner selbst in Briefen ,,Von der Jugendsektion der freien Hochschule für Geistes-wissenschaft” an die ,,jüngeren Mitglieder” wandte (Nachrichten-blatt 1. Jg., Nrn. 9-12), nachdem er den Entschluß gefaßt hatte: um alle Jugendprobleme in größtem Maßstab in Angriff zu nehmen, solle am Goetheanum eine Jugendsektion’ eine ,,Sektion für das Geistesstreben der Jugend” geschaffen werden. (Vgl. ,,Die Konsti­tution der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft . . .,, bes. S. 146-158. Liste Nr.50.)

een grote jeugdconferentie te organiseren met voordrachten van Rudolf Steiner (2/60, 61, 116, 117). Pas in oktober 1922 werd in Stuttgart de ‘Pedagogische jeugdcursus’ georganiseerd (2/154). Rudolf Steiner hield daar dertien voordrachten over “Geestelijke krachten werkzaam in het samenleven van de oude en jonge generaties” (lijst nr. 23). Een tweede jongerencursus (3/94, 95) kwam er niet meer. Een verslag van de jeugdconferentie die van 2-8 januari 1924 door de Christengemeenschap in Kassel werd georganiseerd, werd gepubliceerd in het “Nachrichtenblatt” van Dornach (1e deel, nr. 5). Ook in Dornach zelf werden jeugdbijeenkomsten gehouden (3/137,138).
Het beslissende moment kwam echter toen Rudolf Steiner zelf zich in brieven onder de titel ‘Van de jeugdsectie van de Hogeschool’ (Nachrichtenblatt 1e deel, nrs. 9-12) tot de ‘jongere leden’ richtte, nadat hij het besluit had genomen dat om alle jeugdproblemen op de grootste schaal aan te pakken, aan het Goetheanum een ‘jeugdsectie’ moest worden opgericht, een ‘sectie voor het geestelijke streven van de jeugd’. (Vgl. “De constitutie van de Algemene Antroposofische Vereniging . . .’, vgl. pag. 146-158, lijst nr. 50)..

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3306-3112.
.
.

.

.