In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis. ‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is. Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen. Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept.
In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam. In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven. Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten.
In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens. Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.
Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan hij, wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft.
Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.
Bewußtsein – Leben – Form Bewustzijn – leven – vorm
(Grundprinzipien der geisteswissenschaftlichen Kosmologie) (Basisprincipes van de geesteswetenschappelijke kosmologie)
Voordracht 6, (2e van 3) Berlijn 2 juni 1904
Blz. 94
Was ist nun der physische Mensch? Wenn Sie anatomisch den physischen Menschen studieren, dann werden Sie finden, daß er aus verschiedenen Systemen besteht: aus dem Knochen- und dem Muskelsystem, aus dem Nervensystem, das sich zu einem Gehirn geformt hat, und so weiter. Sie wissen auch, daß das Gehirn das Organ des Denkens ist.
Wat is de fysieke mens? Wanneer je de fysieke mens anatomisch bestudeert, zal je zien dat hij uit verschillende stelsels bestaat: uit het beender- en spierstelsel, uit het zenuwstelsel dat zich tot een brein heeft gevormd enz. U weet toch dat de hersenen het orgaan zijn voor het denken. GA 89/94
Niet vertaald.
Blz. 98
Wenn Sie einen Bergkristall, ein Stück Kalkspat, ein Stück Steinsalz, eine Pflanze, ein Tier ansehen und sie chemisch und physikalisch untersuchen, so werden Sie finden, daß die ganze physische Natur, insofern sie mit Augen gesehen, mit Händen gegriffen werden kann, in gleichartiger Weise aus denselben chemischen und physikalischen Kräften besteht, die eben im Mineralreich, im Pflanzen- und im Tierreich wirken.
Als je naar een bergkristal, een stuk calsiet, een stuk steenzout, een plant, een dier kijkt en ze chemisch en fysisch onderzoekt, zul je merken dat de hele fysieke natuur, voor zover die met de ogen kan worden gezien en met de handen kan worden vastgepakt, op een vergelijkbare manier uit dezelfde chemische en fysische krachten bestaat die in het mineralen-, planten- en dierenrijk werkzaam zijn. GA 89/98
Niet vertaald
Voor Steiner staat het onomstotelijk vast dat er een geestelijke wereld is en dat deze invloed heeft op de mens. Hij maakt ‘de geestelijke wereld’ hier bijna aanschouwelijker door over ‘groepen geestelijke wezens’ te spreken.
Door over ‘scheppende wereld’ te spreken, komt het ‘begrijpen’, wat voor mij niet meer is dan ‘inleven’, wel wat dichterbij.
Die planetarische Entwicklung De planetaire ontwikkeling
Voordracht 1, 17 oktober 1904
Blz. 123
Ohne daß der jetzige Geistmensch mitbauen konnte, haben Scharen erhabener Wesen gebaut an diesem körperlich-seelischen Organismus. Dieser ist in weisheitsvoller Weise aufgebaut. Der vollkommenste photographische Apparat würde nur ein Kinderspiel sein gegenüber dem Weisheitsbau des Auges oder der Bau eines Klaviers gegenüber dem Weisheitsbau des Ohres. Das Knochensystem ist auf die weisheitsvollste Weise eingerichtet. Jeder Knochen ist aufgebaut aus einer unzähligen Anzahl kleiner Balken, die sich gegenseitig stützen. Viel tiefer ist solche Weisheit als alle Weisheit, zu der der Mensch es in seinem äußeren Schaffen gebracht hat.
Zonder dat de huidige geestmens – een deel van de zevenledige mens waarover hier meer uitleg staat – eraan mee kon scheppen, hebben groepen van verheven wezens aan dit (= ons) fysiek-psychische organisme gebouwd. Dit is op een heel wijsheidsvolle manier opgebouwd. Het meest geavanceerde fototoestel is maar een fluitje van een cent t.o.v. de wijsheid van de bouw van het oog of de bouw van een pianovleugel t.o.v. de wijsheidsvolle bouw van het oor. Het bottenstelsels is wel op de meest wijze manier opgebouwd. Ieder bot is opgebouwd uit een onnoembaar aantal kleine balkjes die elkaar over en weer ondersteunen. Deze wijsheid is veel dieper dan alle wijsheid die de mens in zijn scheppingen heeft gelegd. GA 89/123 Niet vertaald
Voordracht 2, Berlijn 19 oktober 1904
Blz. 129
Das Mineralischste an dem Menschen ist sein Knochensystem. Das hat auch bei dem jetzigen physischen Menschen die vollkommenste Gestalt.
Het meest minerale deel aan de mens is zijn beendergestel. Ook bij de fysieke mens in deze tijd is dit het meest optimaal van vormgeving. GA 89/129
Niet vertaald.
Uit de vele pedagogische voordrachten weten we wat met ‘kunstzinnig onderwijs‘ wordt bedoeld. M.n. dus de manier waarop de kinderen de lesstof wordt aangeleerd, aansluitend bij hun ontwikkelingsfase en ter ondersteuning van die fase. Met het duidelijke voorbeeld van het leren van de tafels van vermenigvuldigen: het kind, 7 à 8 jaar heeft vanuit zijn innerlijk, behoefte aan (ritmische) beweging (het leeft meer in de wil, dan in het denken). De getallenreeksen in een tafel die geleerd moeten worden, worden door het kind, klappend, lopend enz. bijna letterlijk, van nature opgenomen.
Dan is er nog het aspect van ‘bezig zijn met kunst’, d.w.z. dat er met een bepaald doel wordt geschilderd, getekend en geboetseerd.
Minder in het oog springend is de omgeving waarin het kind zich dagelijks bevindt, in eerste instantie dus het klassenlokaal. Sommige scholen hebben hun ‘organische bouw‘ waarbij er rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en de vorm van het lokaal. En daar hoort een bepaalde muurkleur bij. En daar weer een bepaalde kleur gordijnen.
Maar ook over ‘wat hangt er aan de muur’ gaf Steiner aanwijzingen. En daarmee worden niet bv. de schilderwerkjes van de kinderen bedoeld. Dat die ook op ‘kunstzinnige = meer esthetische manier’ opgehangen kunnen worden, kwam hier al eens aan de orde. In dit verband kun je ook nog denken aan: hoe staan de planten ervoor; hoe liggen de bordkrijtjes bij het bord; hoe opgeruimd is de tafel van juf of meester en in het verlengde daarvan: de kastjes van de kinderen; hoe hangen hun jassen aan de kapstok, hoe staan hun regenlaarzen daaronder. En wat je nog meer kan bedenken.
In hun boek ‘Künstlerisches Gestalten mit Farben’ hebben Clausen/Riedel een heel schema opgenomen met wat er in de klassen aan beeldmateriaal kan hangen.
Ze doen dat in de kolom ‘Bildschmuck’ – de decoratie met de grotere afbeeldingen. Die kolom noem ik [1].
Ze hebben een 2e kolom met voorstellen voor grotere reproducties waarvan ze hierin naar kunstkaarten verwijzen. Die noem ik [2].
In een 3e kolom doen ze voorstellen voor ‘Friese’, een soort wissellijst of anderszins waarin kleinere afbeeldingen kunnen worden getoond die samenhangen met het jaarthema of met de lesstof en er is een suggestie om dat naar ‘meesterwerken’ te ‘vertalen’. Die kolom is [3].
Opmerkelijk is zeker ook dat je zou verwachten dat het belangrijkste muurmateriaal de voorstellingen zijn uit de vertelstof, m.a.w. dat die in kolom 1 zouden staan, maar die staan bij 3.
Ernst Weissert, Erziehungskunst jrg. nr 5/6 1952*
.
WAT HANGT ER AAN DE MUuR
.
De vraag in welke omgeving het kind opgroeit, hoe de ruimten ingericht zijn waarin het de schooljaren doorbrengt is nu* nog belangrijker geworden dan voorheen. Tegenwoordig dringen zich al in zijn prilste kindertijd een veelheid aan visuele indrukken op. Die ervaringen veroorzaken een snelle waarneming; de intensiteit van de waarneming gaat daarmee al te gemakkelijk verloren. Vragen die Rudolf Steiner in medisch en pedagogisch opzicht stelde, worden daardoor steeds duidelijkere vragen voor de tijd van nu. [dat geldt zeer zeker ook in 2024]. Kan je, door de ruimte op de juiste manier vorm te geven de vormende krachten in het van kind stimuleren; kun je door transparante kleuren in de ruimte rustgevend of stimulerend op het kind werken. Wat beeldende inhoud heeft, krijgt een buitengewone betekenis. Als het de ontwikkeling van het kind tijdens de leerjaren op de juiste manier begeleidt, kan het een therapeutisch effect hebben op de talloze beeldimpressies, op de magische fascinatie van moderne reclame en op de vele, eindeloze kunstzinnig waardeloze stroom van zoveel illustraties of tijdschriftinhoud. Het is belangrijk om te kijken naar de ‘zintuiglijk-ethische‘ werking van het beeld waar een kind een jaar lang in het betreffende leerjaar a.h.w. dromend bij aanwezig is. Het is niet het juiste, om alleen maar beeldinhoud te nemen als illustratie bij de lesstof – bijvoorbeeld voor geschiedenis – en pas dan als de betreffende stof in de les aan de beurt komt. Dit leidt tot een intellectualisering van de beeldinhoud. Je kan waarnemen hoe de kinderen met een bepaalde trots naar de beelden kijken die bij hen horen, wanneer ze in een nieuwe klas komen.
Het gaat dus eigenlijk om een element dat veel dieper ligt, als het lukt die beelden te kiezen die bij de leeftijd horen.
Daarbij moet je behoedzaam te werk gaan en niet handelen vanuit een volwassenen-intellectualisme of een eenzijdige hobby. Het kan niet zo zijn dat je, omdat je er zelf enthousiast voor bent, een moderne stijl tot in de laagste klassen inbrengt; omgekeerd is heel goed mogelijk als vorm en inhoud van het beeld universeel menselijk zijn, zelfs in de lagere klassen, met de grootste onbevangenheid een van Gogh of een Frans Marc op te hangen.
Rudolf Steiner deedin de vergaderingvan de vrijeschool Stuttgart in 1923 voorstellen vanuit de menskunde, vanuit het waarnemen van wat er in het kind aan behoefte aan beelden bestaat. Onderstaande gedachten worden aan de inhoud van dit onderdeel van die vergadering ontleend.
Door genuanceerd naar de zielentoestand van het kind in de verschillende klassen te kijken, zijn de aanwijzingen van Steiner anders dan de zeer lovenswaardige pogingen om beeldmateriaal in de scholen te gebruiken, zoals we dat zagen sinds het begin van de 20e eeuw. [ ] Ze spreken kunstzinnig wel aan, maar er overheerst toch een gemoedelijk-illustratief element. Dit overheerst echter niet op elk leeftijdsniveau van het kind. In moderne scholen kun je ruimtes zien die door de leraar kunstvakken stijlvol zijn ingericht en op een gelijksoortige manier zijn gedecoreerd (bijvoorbeeld met de prachtige reproducties van de figuren in de dom van Naumburg e.a.);
maar in die klaslokalen krijg je wel het gevoel van een zekere esthetische oververfijning, een gevoel van ‘in het luchtledige’, geen verbinding met de praktijk.
Welke niveaus onderscheidt Steiner bij de beeldbeleving in de verschillende leeftijden. Hij maakt een duidelijke scheiding tussen de tijd van 6 tot 12 jaar (klas 1 t/m 6) en wat de 13 – 18-jarigen (klas 7 t/m 12) vragen. In de lagere klassen kan en moet in de voorstelling het thema, het illustratieve en het poëtische de boventoon voeren. Het kind neemt het beeld nog op vanuit de inhoud. En daarom moet hier het artistieke ontwerp het allerbeste zijn. Je mag omdat het je inhoudelijk aanspreekt vanwege dat ze op kinderlijk niveau gemaakt zijn, geen armzalige beelden ophangen. In de hogere klassen is dan een onderscheid tussen het eigenlijk kunstzinnige en het esthetische van het beeld, steeds meer op zijn plaats en dat tussen de praktische zaken van het leven dat zich in kaarten, overzichtsplannen, technische tekeningen e.d. ook terecht een plaats in de klas moet krijgen zodat het gezien wordt. Je zal hiervoor nauwelijks geschikte reproducties vinden. Het spreekt voor zich dat in elk van deze klassen een grote reproductie van Rafael moet hangen. [dat vinden we in die vergadering niet]
Maar voor afbeeldingen van sprookjes, legende en van fabels die bij deze klassen horen, is er nauwelijks iets geschikts te krijgen. Dan zou het nog het allermooist zijn als in de betreffende klassen op de muren zelf een kleurrijke schildering zou komen waar de leerkracht steeds weer op terug kan komen, i.p.v. een ingelijste in de grond van de zaak, onkunstzinnige afbeelding aan de muur.
Weissert heeft het over een schildering op de muur. In veel scholen is dat ook gerealiseerd. Zie hier
Het is echt wel een belangrijke opdracht. Bij alles klinkt de oproep van Steiner: de dingen mogen alleen niet de platen van een prentenboek zijn, maar ze moeten kunstzinnig gevormd zijn.
1e klas
Sprookjesbeelden
De aanwijzingen zijn verre van concreet. We hadden al: het moet niet op een prentenboek lijken.
Maar over welke prentenboeken gaat het. Uit Steiners tijd, maar hoe waren die dan. Anno nu hebben we prentenboeken met illustraties die duidelijk gemaakt zijn met ‘het kinderlijk niveau’. Je krijgt vaak de indruk dat de illustrator naar kindertekeningen heeft gekeken. In hun stijl wordt er dan geïllustreerd.
Is dat dan wat ‘rustig maakt of stimuleert?
Is het ‘esthetisch’.
Zou je zoiets ophangen?:
Steiner: De vormgeving moet kunstzinnig zijn. Wanneer er geen kleurplaten zijn, dan liever zwart-witte die goed zijn, liever dan een slechte kleurplaat.
Met verschillende gezichtspunten van Steiner toog vrijeschoolleraar Max Wolfhügel aan het werk. Hij maakte veel religieuze voorstellingen, ook veel bordtekeningen. Deze Christoforus lijkt mij op grond van de criteria heel goed in de 2e klas te passen:
In die tussentijd hebben vele illustratoren met en aan deze techniek verder gewerkt. We vinden hier de ‘eis’ voor het kunstzinnige, het esthetische:
Roodkapje – Hilde Langen
Assepoester – Gabriela de Carvalho
Sneeuwwitje – Berthilde Günter
Deze reproducties – en vele andere – zijn te vinden bij ABC-boeken.
Dit is onmiskenbaar een bepaalde stijl. Moet alles wat je ophangt in de stijl zijn. Volgens Steiner niet.
Bij Clausen vinden we voor de 1e klas alleen de aanwijzing: ‘kunstzinnige sprookjesbeelden’. [kolom 1]
Kolom 2: leeg
Kolom 3: sprookjes
2e klas
Fabels en legenden
Clausen [kolom 1] stelt voor: Franciscus met de vogels van Giotto:
Kolom 2: Meister Bertram, de schepping van de dieren:
In kolom 3: dierfabels, dierverhalen, legenden. Het ligt dus voor de hand ze zelf te zoeken en gezien de kwaliteitseis van ‘kunstzinnig’, ‘esthetisch’ kom je dan weer snel uit bij de sfeer die bovenstaande sprookjesbeelden hebben. Maar is dat dan ook niet te veel van hetzelfde?
Als je een fabel hebt verteld en een poos later hang je een passende reproductie op, zullen veel kinderen een herkennende reactie geven. Maar ook omgekeerd: als er al een plaat hangt van een fabel en je gaat die ooit eens vertellen, zijn er ineens een paar kinderen die de illustratie ‘zien’. Maar wat is passend: Ik denk dat deze wat de kunstzinnigheid betreft, zeker geschikt is:
De hond en zijn spiegelbeeld
En deze:
Deze zou ik dan weer nooit doen:
De vos en de kraai
Ook voor ‘De zon en de noordenwind’ is er keus:
Weissert:
3e klas
In het 3e schooljaar ontstaat er in het kind een sterker zich richten op de buitenwereld. Maar eigenlijk heeft het vóór het 9e jaar nog geen begrip voor wat er aan gevoel in een beeldende voorstelling kan zitten, meer voor het het vegetatief-levende. Als beeldmateriaal stelde Rudolf Steiner voor om rekening te houden met dit gevoelsleven en voorstellingen van planten te geven, bloemen, stillevens. Je zou aan de plantenvoorstellingen van Dürer kunnen denken en in de geschiedenis van de schilderkunst zijn vele geschikte beelden te vinden. Ook met de bloemen van Van Gogh zijn mooie ervaringen opgedaan. De schilder van planten zal in de regel een mens zijn die in zichzelf iets van de organische vormkracht laat opbloeien en het stille overgeleverd zijn in het waarnemen oefent, dat klaarblijkelijk bij de gevoelsstemming van de kinderen in deze klas hoort. Zo zou je de laat-middeleeuwse voorstellingen van planten kunnen gebruiken, de bloemstillevens van de Hollanders, het beeld van de bloem in de Biedermeiertijd, maar ook zeker iets moderns.
Weissert geeft wel enig houvast, maar noemt weinig concrete voorbeelden:
En meer, dat in verband kan worden gebracht met de heemkundeperiode: boerderij.
Vanuit de vertelstof: Oude Testament:
Meister Bertram: schepping en andere bijbeltaferelen, hier een paar samen, maar ze zijn er ook ‘los’:
Er zijn zoals bekend veel meer schilderingen met als thema het Oude Testament.
Clausen noemt ze niet, maar wat te denken van Michelangelo en Rembrandt!
Als andere mogelijkheid wijst Clausen steeds op kunstkaarten die vergroot zouden kunnen worden: [kolom 2]
De steengroeve van Bibémus van Cezanne. Ik zou die eerder in klas 6 ophangen – mineralogie.
De eenzame boom van Friedrich:Ik zie niet helemaal waarom dit in de 3e klas zou moeten/kunnen, eerder later, aardrijkskunde?
Dezelfde twijfel bij Altdorfer: Landschap met kerk:
Kolom 3: vertelstof, verhalen uit het Oude Testament; begin van wereld- en cultuurgeschiedenis; bij heemkunde: huizenbouw, akkerbouw, planten, dieren.
4e klas
Weissert:
In de 4e klas, na de ingrijpende verandering van het 9e levensjaar, is het op aanwijzing van Rudolf Steiner goed om afbeeldingen van de voelende wezens, de dieren, over te gaan. Belangrijk is het menskundige gezichtspunt: ‘Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof.’ Vaker sprak Steiner er al over hoe pas tussen het 9e en het 10e jaar het kind werkelijk een onderscheid gaat maken als het een koe ziet afgebeeld of die koe in een prentenboek een echte koe is of een speelgoedkoe van hout. Ook hier worden we terugverwezen naar de empathische en objectieve stijl van afbeelden aan het begin van de moderne tijd, zoals weerspiegeld in de dierafbeeldingen van de Renaissance: de dierstudies van Dürer, Cranach of ook de Italiaanse kunstenaars. Hier is de kans het grootst dat we kleinburgerlijk-naturalistische afbeeldingen van dieren tegenkomen, zoals die aan het eind van de vorige of het begin van deze eeuw zijn gemaakt. Met de diervoorstellingen van Frans Marc hebben ze beslist positieve ervaringen, maar de leerkracht moet daarbij wel teen zekere mate van voorzichtige waarneming in acht nemen. De reproducties van de dieren van Hans Jenny zijn zeer stimulerend.
Weissert is ook hier niet zo concreet, bv. bij ‘Italiaanse kunstenaars’ en wat is een ‘kleinburgerlijk-naturalistische afbeelding. Bij Frans Marc komen we al snel uit bij zijn paarden. Misschien heeft de ‘voorzichtige waarneming’ iets te maken m et welke paarden je dan zou nemen: de blauwe, bv. – hoe prachtig ook – staan misschien nog te ver af van de beleving van de kinderen en zou je voor een meer naturalistische kleur kunnen kiezen.
Van Jenny vond ik hier en daar wat:
Clausen [kolom 1]:
Zij geeft alleen ‘diervormen’ aan en noemt Franz Marc.
Bij kolom 2:
Mu-Ch’i: zittende gans:
Franz Marc: Herten in het bos:
Drie herten:
De blauwe vos:
Van Macke noemt ze ‘De ezelrijder’:
Kolom 3: Germaanse sagen en mythologie. De dierenwereld m.b.t. de mens.
5e klas
Weissert:
Tussen het 10e en het 11e levensjaar, de 5e klas, moeten de muurdecoraties om mensen gaan, maar nog geen individuen, maar groepen, en door er gezamenlijk naar te kijken, kan je dan als de gelegenheid zich voordoet, praten over menselijk-sociale dingen.
Steiner stelt voor: reidansen, dans, een straat waar mensen elkaar ontmoeten.
Dat kan gevonden worden in zowel de Hollandse schilderkunst bij Pieter Brueghel, in familie-interieurs (Pieter de Hooch, Terborch, Vermeer e.a., als ook in de schilderkunst van de 19e eeuw die buitengewoon goede voorbeelden biedt (Romantici, Thoma, Böcklin enz.)
Specifieke voorbeelden geeft Weissert ook hier niet.
Bij Pieter Brueghel, de jongere, vind je wel groepen mensen, ook dansend:
Op zijn schilderingen is heel veel te vinden van wat mensen, ook kinderen, met elkaar en onder elkaar doen. Daar is vanuit ‘het sociale’ van alles over te vertellen.
Hier vind je familie-interieurs van Pieter de Hoogh; van Terborch; van Vermeer.
‘Romantici’ is een ruim begrip; bij Thoma en Böcklin zie ik geen voorbeelden van wie hierboven bedoeld is.
Clausen: kolom 1
Bij ‘mensengroepen‘ noemt zijNolde.
(Ik vind er niet iets bij dat ik op zou willen hangen)
Kolom 2::
Cézanne: die Schnitter. Maar van Cézanne vind ik die niet, wel der Schnitter, de maaier, maar dat is geen groep.
Sagen uit de klassieke tijd; broederlijke verbondenheid met alle gebieden op aarde wekken.
6e klas
Weissert:
Vanaf klas 6 moet de individuele mens op de reproducties staan, bv. in het landschap of bij zijn werk, zo dat de blik van het kind tegelijkertijd op een landschap met zon of met regen gevestigd wordt. In de Romantiek heb je bv. von Schwind, en beeldmateriaal uit de 19e eeuw, maar ook Van Gogh. Je kan ook naar borstbeelden overgaan of naar koppen, zoals bv. Erasmus van Rotterdam door Holbein of van Dürer, de Holzschuber. Hier komen we bij de markering toen Steiner zei dat het thematische hier ophoudt. Het beeld moet nu eigenlijk het esthetisch-kunstzinnige brengen en daarom raadde Steiner aan met de allergrootsten te beginnen. Als het niet anders kan, moeten we maar goede zwart-wit kopieën nemen.
[dat zal in onze tijd niet meer nodig zijn]
Moritz von Schwind: er zit wel e.e.a. bij wat aan de criteria zou voldoen, maar – en dat is de vraag bij meer genoemde werken – ga je dat in onze tijd nog ophangen en waar zijn dan alternatieven die ook geschikt zijn.
Erasmus van Holbeinis een concrete aanwijzing:
evenalsDürer: Holzschuher:
Dan rijst toch wel sterk de vraag of je dit in een klas van 12-jarigen zou hangen en waarom? Ja, een kop, maar van een (voor ons) totaal onbekende.
Verder wordt weer Van Gogh genoemd en van hem vind je zeker iets wat hier kan.
Clausen: kolom 1:
Ook zij noemt Van Gogh, i.z. ‘De boer’:
En van Segantini: De schapenhoedster:
En ook van Segantini: Boot met schapen:
Kolom 2:
Pieter Brueghel de oudere:
De hooioogst:
Ze noemt ook de winter en de herfst, maar onder deze namen bestaan die schilderijen niet. Er is wel: winterlandschap:
De terugkeer van de kudde (herfst):
De zomer:
Van Gogh: De oogst:
Kokoschka: Boten bij Venetië:
Monet: Vissers op de Seine:
Kolom 3:
Vertelstof uit de volkerenkunde; geschiedenis van Rome tot het begin van de 15e eeuw.
Met de criteria die Steiner in z’n algemeenheid hanteert, heb je wel enige richtlijnen, maar het is – dat blijkt wel bij bovengenoemde auteurs – niet eenvoudig om ‘objectief’ vast te stellen wat dan wel of niet geschikt is. En welke (beroemde?) schilders kies je. Wat de lesstof betreft of het jaarthema of de vertelstof, ligt het onderwerp vaster, maar ook daarbij komt weer de vraag: wat kies je. En eventueel: van wie.
.
Toen Steiner er in de vergadering over sprak, zei hij niets over de kleuterklas. Sinds jaar en dag hangt er in menige vrijeschoolkleuterklas het schilderij van Rafaels ‘Madonna met kind’.
Omdat er geen aanwijzingen zijn, alleen de algemene, komt er veel neer op de kunstzin en fantasie van wie de kleuters begeleidt.
. Dit artikel is niet af. De voorbeelden zijn er, denk ik, enkele uit vele. Clausens vondsten zijn in vele gevallen haar voorstellen. Het is ook goed dat ‘de stof in beweging’ blijft. Wat is er na Weissert en Clausen bij gekomen wat ook bruikbaar is. Of, wat beslist niet.
Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal:alle artikelen
Die Kunst des Erziehens aus der Erfassung der Menschenwesenheit
De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens
Voordracht 4, Torquay, 15 augustus 1924
Blz. 76
Und aus dieser Menschenkenntnis heraus muß man versuchen, wirklich das einzurichten, was man an das Kind heranzubringen hat. So kann man auch gewisse Harmonisierungen in den Farben erreichen. Nehmen wir an, ich mache zunächst mit dem Kinde die Übung, daß ich solch eine Malerei bringe (siehe Zeichnung I). Jetzt bringen wir ihm bei, indern wir sein Gefühl erregen, daß neben dieser roten Farbfläche (innen) eine grüne Farbfläche sich harmonischgut fühlen läßt. Das muß natürlich mit Farben ausgeführt werden, dann sieht man es besser. Jetzt versucht man dem Kinde klarzumachen: Ich werde die Sache einmal umdrehen. Schau, ich mache hier (innen) das Grün (Zeichnung II); was wirst du mir da rundherum machen? Dann wird das Kind rundherum rot malen. Man bekommt dadurch, daß man diese Dinge macht, das Kind dazu, allmählich die Harmonik der Farben zu empfinden. Das Kind lernt wissen: wenn ich hier in der Mitte eine rote Fläche habe, ringsherum Grün (Zeichnung I), so muß ich, wenn nun das Rot grün wird, das Grüne rot machen. Dieses Sich-Entsprechen von Farbe und Form auf das Kind wirken lassen, das ist von einer ungeheuren Bedeutung gerade in diesem Lebensalter gegen das 8. Jahr hin.
En vanuit deze menskunde moet je proberen praktisch te organiseren wat je het kind aan te bieden hebt. Op die manier kun je ook bepaalde kleurharmonieën bereiken. Laten we aannemen dat ik eerst met het kind zo’n soort schilderoefening doe:
blz.76 tek. l
Nu leren we hem, zijn gevoel stimulerend, dat naast dit rode vlak (vanbinnen) een groen vlak harmonisch goed voelt. Dit moet natuurlijk met kleur worden gedaan, dan zie je het beter. Nu probeer ik de kinderen duidelijk te maken: ik zal het eens omkeren. ‘Kijk, ik maak het hier (vanbinnen) groen:
blz.76 tek. ll
wat zou je daar nu omheen zetten?’ Dan zal het daar rood omheen maken. Daardoor krijg je, wanneer je dit doet, het kind ertoe langzamerhand de harmonie van de kleuren gewaar te worden. Het kind leert: wanneer ik hier in het midden een rood vlak heb en daaromheen groen (tek.l) dan moet ik, wanneer het rood groen wordt, het groene rood maken. Dit tegengesteld bij elkaar passen van kleur en vorm, op het kind laten werken, is van enorme betekenis, juist op de leeftijd tegen het 8e jaar.
Al in 1908 merkt Steiner iets op over ‘wat er in de scholen aan de muur zou moeten hangen’. Vanuiteen bepaalde contextwordt ook het waarom duidelijk.
In een vergadering met de leerkrachten op 22 november 1920 is er een aanleiding om erover te spreken.
In deze vergadering kondigt Steiner aan dat hij er nog verder over wil spreken. Dat gebeurt (pas) op 23 januari 1923. Wel maakt Steiner nog een korte opmerking op 15 oktober 1922:
Ich würde es gar nicht für schlimm finden, wenn Herr Wolffhügel etwas dafür sorgt, daß unsere Klassen nicht so schmucklos sind, sondern etwas künstlerischen Inhalt hätten. Amusisch wirkt noch unsere Schule.
Ik zou het niet erg vinden als meneer Wolffhügel ervoor zorgt dat onze klassen niet zo kaal zijn, maar van een artistiek gehalte. Onze school ziet er nog gebrekkig uit wat kunstzin betreft. GA 300B/151
Niet vertaald
Vergadering van 23 januari 1923, ’s middags
Blz. 228
Dr. Steiner: Ich möchte einiges sagen in bezug auf die Dinge, die mir jetzt durch die Seele gezogen sind bei diesem Besuch in der Schule, und zwar mit Bezug auf die Wände. Nicht wahr, jetzt, wo alles in der neuen Umhüllung erscheint, ist es noch auffälliger als früher, daß es bei einer Schule nicht gut angeht, daß da und dort ein verlorenes und nicht gerade ausgezeichnetes Bildchen hängt. Es wäre schon notwendig, daß auch in dieser Beziehung unsere Schule nicht gerade einen hervorragend unkünstlerischen Eindruck machen würde. Nun ist es selbstverständlich, daß in diesem Stadium nicht Ideale erfüllt werden können, aber wenigstens scheint es mir gut zu sein, wenn wir Ideale so vor uns haben, daß wir uns in der Richtung nach ihnen bewegen können, wenigstens mit unserem Denken, so daß zuletzt irgend etwas nach dieser Richtung herauskommen könnte. Ich meine, daß Sie das, was ich sage, nicht wiederum so auffassen sollen, wie manchmal solche Dinge aufgefaßt werden, wenn man zum Beispiel genötigt ist zu sagen: Das und dies ist der Unterschied zwischen Fleisch- und Pflanzennahrung, so ziehen die Leute gleich die Konsequenz des Agitierens.
Ik zou graag iets willen zeggen over de dingen die bij mij gevoelens opriepen tijdens dit schoolbezoek, namelijk wat de muren betreft. Niet waar, juist nu alles in een nieuwe jasje verschijnt, valt het nog meer op dan voorheen dat het op een school niet goed gaat als er hier en daar verloren een niet bepaald prachtige illustratie hangt. Ook op dit vlak zou onze school niets moeten doen om een uiterst onartistieke indruk te maken. Het spreekt voor zich dat er in dit stadium geen idealen vervuld kunnen worden, maar het lijkt mij in ieder geval goed, wanneer we de idealen zo voor ons hebben, dat we ons in die richting kunnen bewegen, op z’n minst met ons denken, zodat op de duur er iets in deze richting kan ontstaan. Ik denk dat wat ik zeg ook weer niet zo opvat hoeft te worden, zoals dat soms gebeurt, wanneer je bv. moet zeggen: dit en dat is het verschil tussen dierlijk en plantaardig voedsel, dat de mensen meteen conclusies trekken en beginnen te protesteren.
Nehmen Sie es also als die Hinstellung eines Ideales: Wie eigentlich aus unserer Pädagogik selbst heraus die künstlerische Ausgestaltung der Schulzimmer sein sollte. Es würde sich dann so zu erweitern haben, daß vielleicht auch dasjenige, was wir im Schulzimmer finden, in der Nähe des Schulzimmers auf den Wänden in ähnlicher Art zu finden wäre. Eine gewisse Ausgestaltung durch Bildwerke ist in den Schulzimmern schon zweifellos notwendig. Nicht weil ich denke, daß wir das morgen einführen sollen, sondern damit wir eine Orientierung haben sollen, wie das im Sinne unserer Pädagogik sich ausnimmt, möchte ich dasjenige, was sich mir ergeben hat, mitteilen. Wir haben die unteren Klassen; bei denen würde es sich tatsächlich mehr handeln müssen um das Stoffliche desjenigen, was bildhaft denKindern geboten wird, während man allmählich zum Künstlerischen auf der einen Seite, wie zu den mehr praktischen Angelegenheiten des Lebens übergehen kann. Ich werde nur die Hauptsachen heute nennen, und es kann sich im Laufe der Zeit die Sache wesentlich vertiefen. Es wird sich darum handeln, daß auch da, wo das Stoffliche die Hauptrolle zu spielen hat in bezug auf die künstlerische Ausgestaltung, daß auch da selbstverständlich nicht irgendeine phili-
Beschouw het dus als het aangeven van een ideaal: hoe eigenlijk vanuit onze pedagogie zelf de kunstzinnige vormgeving van het lokaal zou moeten zijn. Het zou dan zo verder ontwikkeld moeten worden dat wat we in het klaslokaal vinden, vlakbij het klaslokaal, aan de muur op een vergelijkbare manier te vinden is. Een zekere mate van versiering door middel van afbeeldingen is in de schoollokalen ongetwijfeld noodzakelijk. Niet omdat ik denk dat we dat morgen moeten invoeren, maar opdat we enige oriëntatie hebben hoe dat eruit ziet in de zin van onze pedagogie, zou ik zoals ik erover denk, iets willen meedelen. We hebben de lagere klassen; daar zou het eigenlijk meer moeten gaan om het thema van wat aan beeldmateriaal aan de kinderen wordt geboden, terwijl je geleidelijk enerzijds tot het kunstzinnige, anderzijds tot de meer praktische zaken van het leven kan overgaan. Ik zal vandaag alleen de belangrijkste zaken behandelen en in de loop van de tijd kunnen we dat nog aanzienlijk verdiepen. Het zal erom gaan dat zelfs daar waar het thema de hoofdrol moet spelen in relatie tot de artistieke vormgeving, we vanzelfsprekend ook daarbij niet een of andere kleinburgerlijke
ströse Illustration da sein darf, sondern daß die Dinge künstlerisch gestaltet sein müssen, und zwar nicht einseitig künstlerisch gestaltet, sondern schon so, daß man nicht irgendwelche künstlerische Spezialmeinungen und Spezialstile zur Durchführung bringt, sondern dasjenige, was mehr allgemein menschlich erscheint. Wenn wir die 1. Klasse nehmen, so würde es sich darum handeln, daß wir unsere Wände schmücken mit Märchendarstellungen, welche, wenn es geht, farbig gehalten sind. Nun muß ich betonen, wenn es nicht geht, für die ganze Durchführung der Sache Farbiges zu haben, so muß manches dann in farblosen Reproduktionen hängen. Besser ist es, eine Reproduktion zu haben, die gut ist, die in der Technik, in der sie gehalten ist, gut ist, als irgendeine schlechte Kopie von den Dingen, die ich meine. In der 1. Klasse würde es sich um Märchendarstellungen handeln, in der 2. Klasse um Legendendarstellungen. Das müßte streng eingehalten werden. Sie können sich denken, daß dadurch in einer bestimmten Weise fortdauernd auf das kindliche Gemüt der richtige Impuls ausgeübt werden kann. Nur dürfen die Dinge nicht der Bildschmuck der Bilderbücher sein, sondern sie müssen künstlerisch durchgeführt werden. Da würde es sich lohnen, sich Aufgaben zu stellen, aber nicht in einer einseitigen Malmanier, sondern so, daß die Dinge allgemein menschlich sind
illustraties mogen hebben, maar dat de dingen kunstzinnig gemaakt zijn, maar ook niet weer niet te eenzijdig kunstzinnig vormgegeven, dat je niet een of ander kunstzinnig specialisme of een speciale stijl door gaat voeren, maar meer iets dat algemeen menselijk is. Wanneer we de 1e klas nemen, gaat het erom dat we onze muren verfraaien met sprookjesvoorstellingen die, als het gaat, in kleur zijn. Nu moet ik er de nadruk op leggen, dat wanneer het niet lukt om iets met kleur te krijgen, we dan sommige dingen dan maar zonder kleur ophangen. Het is beter een reproductie te hebben die goed is met de techniek die gebruikt is, dan een of andere slechte kopie van de dingen die ik bedoel. In de 1e klas gaat het dus om sprookjesvoorstellingen, in de 2e om legenden. We moeten ons daar streng aan houden. U kan wel bedenken dat daardoor op een bepaalde manier steeds op het kinderlijke gevoel de juiste impuls uitgeoefend kan worden.
Nu moeten de dingen niet de prenten zijn uit prentenboeken, maar ze moeten kunstzinnig gemaakt zijn.
Het zou de moeite waard zijn om onszelf taken op te leggen, maar niet op een eenzijdige schildermanier, maar op zo’n manier dat dingen over het algemeen menselijk zijn.
Wenn wir in die 3. Klasse kommen, dann müssen wir dem Seelenzustand dadurch Rechnung tragen, daß man dasjenige an den Wänden hat, was man im philiströsen Leben Stilleben nennt, Pflanzendarstellungen, Blumendarstellungen; natürlich nicht die gewöhnlichen Stilleben, sondern wirklich Darstellungen des Lebendigen, aber noch nicht des Empfindenden. Es ist gut, wenn man das Kind nun so weit bringt, als es eigentlich mit der Seele mit kann, und die Darstellungen des Empfindenden, des Tierischen, die müßte man für die nächste Klasse, die 4. Klasse, aufbewahren, weil da die Seele des Kindes anfängt, nun schon die Darstellung auf das Empfinden zu beziehen. Das Kind hat erst von dieser Zeit an ein Gefühl davon, daß es selbst Empfindung hat, wenn das Gefühl auch noch dumpf ist. Tierische Darstellungen, die früher auf das Kind in Kinderbüchern wirken, die wirken so, daß das Kind nicht unterscheidet, ob in der bildhaften Darstellung eine wirkliche Kuh wiedergegeben ist oder eine aus Holz gemachte Kuh. Es gibt für das Kind so ungefähr vor dem Lebensalter zwischen neun und zehn Jahren keine Möglichkeit zu unterscheiden, wirklich lebensvoll innerlich zu unterscheiden zwischen der Darstellung einer wirklichen und einer aus Holz
Als we bij de 3e klas komen, moeten we rekening houden met het gevoelsleven, door op de muren te hebben wat in het kleinburgerlijke stillevens genoemd worden, voorstellingen van planten, voorstellingen van bloemen; natuurlijk niet de gebruikelijke stillevens, maar echt voorstellingen van het levende, maar nog niet van het voelende. Het is goed om het kind zover te brengen als het daadwerkelijk met zijn ziel kan gaan en de voorstellingen van het voelende, van het dier, te bewaren voor de volgende klas, de 4e, omdat het kind nu met zijn gevoel de voorstelling in verband begint te brengen met wat het ervaart. Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof. Dierenvoorstellingen die vroeger in kinderboeken een werking hadden op het kind, werken zo dat het kind geen onderscheid maakt of op de prent een voorstelling van een echte koe staat of een van hout. Voor de leeftijd van ongeveer negen tot tien jaar is het voor het kind nog niet mogelijk onderscheid te maken, echt een levendig innerlijk onderscheid, tussen de afbeelding van een echte koe en een koe van hout,
Blz. 230
aber in diesem Lebensalter tritt das Unterscheidungsvermögen ein. In der 5. Klasse, wo wir die Kinder zwischen zehn und elf Jahren haben, würde es sich darum handeln, Darstellungen zu wählen, die Menschengruppen der verschiedenen Lebensalter darstellen: Reigentänze, Sonstiges, sagen wir eine Straße, wo sich Menschen begegnen, wo man anknüpfend mit den Kindern sprechen kann; Menschengruppierungen, wo man über die Tatsachen, die sich zwischen den Menschen abspielen, mit den Kindern reden kann. Dann kommen wir in die 6. Klasse; da soll eintreten der einzelne Mensch. Da kann man schon Köpfe, ganze Menschen als auch einzelne Menschen, zum Beispiel den Menschen in der Natur und dergleichen darstellen, wobei einem die Natur zu Hilfe kommen kann, indem man die Kinder schon aufmerksam machen kann darauf, was eine sonnenbeschienene Landschaft und was eine Regenlandschaft ist, aber den Menschen darin, und so, daß es auf den einzelnen Menschen ankommt; ein kleiner See, wo einer rudert zum Beispiel.
Da sind wir an der Grenze angelangt, wo es aufhört, auf das Stoffliche anzukommen, wo bereits begonnen werden soll, mit dem Bildschmuck einzutreten ins Künstlerische. Da soll man beginnen mit dem Allerkünstlerischsten! Natürlich kommt da in Betracht, daß man, wenn man keine guten Kopien haben kann, dann eben Schwarz-Weiß-Darstellungen haben muß.
maar op deze leeftijd ontstaat het vermogen om te onderscheiden. In de vijfde klas, waar kinderen tussen de tien en elf jaar oud zijn, gaat het erom voorstellingen te kiezen die groepen mensen van verschillende leeftijden afbeelden: Rondedansen, andere dingen, laten we zeggen een straat waar mensen elkaar ontmoeten, waar je met de kinderen over kunt praten; groepen mensen, waar je met de kinderen kunt praten over de dingen die tussen mensen gebeuren .
Dan komen we bij de 6e klas, waar de individuele mens moet gaan komen. Hier kun je al hoofden nemen, hele mensen, ook individuele mensen, bijvoorbeeld mensen in de natuur en dergelijke, waarbij de natuur je te hulp kan schieten door de kinderen te wijzen op wat een zonovergoten landschap is en wat een regenachtig landschap is, maar de mensen erbij, en zodanig dat het op de individuele persoon aankomt; een meertje waar iemand aan het roeien is, bijvoorbeeld. Hier hebben we de grens bereikt waar het niet meer van het materiaal afhangt, waar we dan moeten beginnen met het decoratieve naar het kunstzinnige te gaan. Daar moet je beginnen met het meest kunstzinnige! Natuurlijk, als je geen goede reproducties kan krijgen, moet je zwart-wit voorstellingen nemen.
Es ist gut, wenn man für dieses Lebensalter in der 7. Klasse Raffael und Leonardo hat, was auch bleiben kann flir die nächste, die 8. Klasse. Das kann man auf die beiden Klassen verteilen. Da soll es darauf ankommen, daß die Kinder diese Bilder vor sich haben. Man muß bei dieser Ausschmückung nicht glauben, daß es richtig wäre, den Wandschmuck so zu gestalten, daß er parallel gehen würde dem Lehrplan, sondern es ist sogar von großer Bedeutung, daß die Kinder die Bilder früher vor sich haben, als im Kunstunterricht davon gesprochen wird. Vorher sollte gelegentlich einmal über die Bilder gesprochen werden. Im ganzen sollen sich die Augen des Kindes mit dem Künstlerischen dieser Bilder beschäftigen; das Kind soll zunächst nur einen rein sensuellen Eindruck empfangen und wissen, daß man diese Bilder für etwas ganz besonders Schönes hält. Sie sind schon in der richtigen Weise vorbereitet dadurch, daß man in bezug auf die Ausschmückung zuerst auf das Stoffliche den Hauptwert gelegt hat. Nun bei den nächstfolgenden Klassen kommt es darauf an, daß man das Künstlerische zusammenbringt in einer taktvollen Weise mit dem Praktischen des Lebens, so daß das Kind die beiden Seiten fortwäh-
Het is goed om voor de leeftijdsgroep in klas 7, Raphael en Leonardo te hebben die ook kunnen blijven voor het volgende jaar, klas 8. Dit kan verdeeld worden over de twee klassen. Het belangrijkste is dat de kinderen deze afbeeldingen voor zich hebben. Het is niet nodig om te denken dat het goed zou zijn om de muren zo te versieren dat het parallel loopt met het lesprogramma, het is zelfs van groot belang dat de kinderen de afbeeldingen eerder voor zich hebben dan dat er in de kunstlessen over gesproken wordt. De afbeeldingen moeten af en toe van tevoren worden besproken. Over het algemeen moeten de ogen van het kind bezig zijn met het artistieke aspect van deze afbeeldingen; het kind moet in eerste instantie alleen een puur zintuiglijke indruk krijgen en weten dat deze afbeeldingen als iets bijzonder moois worden beschouwd. Ze zijn al op de juiste manier voorbereid doordat de nadruk qua decoratie op het thema is gelegd.
Nu is het belangrijk om in de volgende klassen het artistieke op een tactvolle manier samen te brengen met de praktische kant van het leven, zodat het kind beide kanten voortdurend
Blz. 231
rend vor sich hat, so daß man in der 9. Klasse auf der einen Seite künstlerische Bilder von Giotto oder Ähnliches hat, aber in derselben Klasse Situationsbilder, ganz technisch, eine Wiese, eine Hutweide, einen Laubwald, einen Nadelwald, aber jetzt nicht künstlerisch, sondern technisch, reine Musterbeispiele, wie man Situationspläne macht; die würden an einer Wand hängen, und die hintere Wand könnte zum Beispiel Giottos haben. Ebensogut könnte in der 9. Klasse eine Himmelskarte sein, wo man die einzelnen Sternbilder zusammenfaßt mit starken Figuren, mit stilisierten Himmelsfiguren, so wie es früher auf Himmelskarten vorhanden war. In der 10. Klasse, wo man es mit Fünfzehn-bis Sechzehnjährigen zu tun hat, würde es sich darum handeln, nun etwa Holbein und Dürer nach der künstlerischen Seite zu haben, und nach der technischwissenschaftlichen Seite zum Beispiel — es kann auch anderes sein —, sagen wir: das Innere des Meeres, all die Tiere, die im Inneren des Meeres sind, das müßte in entsprechender Weise gemalt erscheinen, zugleich instruktiv in intellektueller Beziehung, und doch müßte es so sein, daß es künstlerisch auf das Kind wirkt. Dann bliebe für die 11. Klasse Holbein und Dürer, weiter vielleicht auch Rembrandt. Das würde für die folgenden Klassen immer sein; man kann aber auch Ältere dazwischen mischen. Da ist das Alter, wo das dem Unterricht parallel gehen kann. Für die 11. und 12. Klasse also Holbein, Rembrandt, Dürer.
voor zich heeft, zodat je in de 9e klas aan de ene kant artistieke afbeeldingen van Giotto of iets dergelijks hebt, maar in dezelfde klas zou je ook situatieschetsen kunnen hebben, heel technisch, van een weiland, een gemeenschappelijke weide om vee te hoeden, een loofbos, een naaldbos, maar nu niet artistiek, maar technisch, pure voorbeelden van hoe je situatieschetsen moet maken; ze zouden aan de ene muur kunnen hangen, en aan de achterwand zou bijvoorbeeld Giotto kunnen hangen. Er zou net zo goed een hemelkaart in de 9e klas kunnen hangen, waar de individuele sterrenbeelden worden samengevat met sterke figuren, met gestileerde hemelfiguren, net zoals ze vroeger op hemelkaarten stonden. In de 10e klas, waar je te maken hebt met vijftien- tot zestienjarigen, zou het kunnen gaan om bijvoorbeeld Holbein en Dürer aan de artistieke kant, en aan de technisch-wetenschappelijke kant, bijvoorbeeld – het kan ook iets anders zijn – laten we zeggen: het binnenste van de zee, alle dieren die zich in de zee bevinden, dat zou op een passende manier geschilderd moeten worden, tegelijkertijd intellectueel leerzaam, en toch zou het zo moeten zijn dat het een artistiek effect heeft op het kind. Dan blijven Holbein en Dürer over voor klas 11, en misschien ook Rembrandt. Dat is voor de volgende klassen steeds zo, maar je kunt er ook oudere kunstenaars tussen mengen. Dat is de leeftijd waarop dit parallel aan de lessen kan lopen. Dus voor klas 11 en 12, Holbein, Rembrandt, Dürer.
In der 11. Klasse da sollte man nach der technischen Seite an die Wand hängen so etwas wie Erddurchschnitte, geologische Durchschnitte und entsprechend künstlerisch ausgeführte Höhenkarten und Ähnliches. Erst in der 12. Klasse würden an der Wand zu hängen haben Physiologica, Anatomisches neben Holbein, Dürer, Rembrandt. Das würde dasjenige sein, was eigentlich hineingehört, was eben als das Ideal hineingehört. Jetzt sieht es greulich aus, aber wenn man solch ein Ideal vor sich hat, kann man sich unter Umständen doch, wenn es auch erst nach einem Jahrhundert erfüllbar ist, in der einen oder anderen Weise darnach richten. Es ist besser, ein richtiges Bild im Holzschnitt zu haben, als manches von dem, was jetzt darin hängt. Das sind die Dinge, die ich Ihnen als ein Kapitel der Pädagogik vorlegen möchte. Es ist schon durchaus notwendig, daß wir unser Augenmerk darauf richten, daß das Künstlerische besonders gutbehandelt wird in unserer Pädagogik, denn es gehört das eigentlich ins Gesamtbild des anthroposophischen Behandelns des Menschheitsfortschrittes hinein.
In de 11e klas, zouden wat de technische kant betreft, er zoiets als aarddoorsneden, geologische doorsneden en navenant artistiek uitgevoerde hoogtekaarten en dergelijke aan de muur moeten hangen. Pas in de 12e klas zouden fysiologische en anatomische werken aan de muur moeten hangen naast Holbein, Dürer en Rembrandt.
Dit hoort hier eigenlijk thuis, als ideaal. Het ziet er nu afschuwelijk uit, maar als je zo’n ideaal voor je hebt, zelfs als het pas na een eeuw gerealiseerd kan worden, kun je je er toch op de een of andere manier door laten leiden. Het is beter om een echt beeld in houtsnede te hebben dan sommige dingen die er nu in hangen. Dit zijn de dingen die ik aan u wil presenteren als een hoofdstuk uit de pedagogie. Het is absoluut noodzakelijk dat wij in onze pedagogie vooral het artistieke aspect goed behandelen, omdat het eigenlijk in het totaalbeeld van de antroposofische behandeling van de menselijke vooruitgang thuishoort. GA 300B/228-231
Bij het lezen van deze gezichtspunten kunnen er – tenminste, zo vergaat het mij – talloze vragen rijzen: wat bedoelt Steiner precies, hoe maak je concreet wat hij bv. abstract: ‘mensengroepen, individuele koppen, technische schetsen,’ enz. noemt. Wat is daarvan in de praktijk terecht gekomen?
Er is bij mijn weten ook niet veel over gepubliceerd. Ik vond nog een artikel in Erziehungskunst en Clausen/Riedel hebben in hun boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben’ een heel schema gegeven met mogelijkheden.
In een nog te verschijnen artikel worden die gezichtspunten gebundeld en de gezichtspunten van Steiner hierboven, meegenomen.
In devergadering van 31 januari 1923volgen er nog een paar aanvullingen:
Blz. 240
Dr. Steiner: Ich hätte nur einiges nachzutragen zu dem, was ich neulich gesagt habe. Es handelt sich um die Beantwortung der Frage, wie bei der Bildausschmückung die musikalischen Räume zu behandeln wären. Da handelt es sich darum, daß man jedenfalls einen musikalischen Lehrsaal in keiner Weise ausschmücken kann mit irgendwelchen malerisch-figuralen Motiven. Einen musikalischen Saal könnte man höchstens plastisch ausschmücken durch die Aufstellung von Plastiken, oder aber, wenn man Malerisches anwenden will, so müßte man Farbenharmonien, reine Farbenwirkungen nehmen; Bildwerke, in denen reine Farbenwirkungen etwa in Betracht kommen. Dann müßte es sich handeln um das bildhafte Ausschmücken der Eurythmiesäle. Das unterscheide ich vom Musikalischen. Es kann vielleicht bei uns kollidieren. Wir könnten unter Umständen im Eurythmiesaale etwas von musikalischem Unterricht haben, dann würde das ein Surrogat sein müssen. Der Eurythmiesaal selbst müßte ausgeschmückt sein mit Motiven, die aus der Dynamik des Menschen entnommen sind, aber aus der seelischen Dynamik; der ausdrucksvolle Mensch, künstlerisch erfaßt.
Ik wil graag een paar dingen toevoegen aan wat ik laatst heb gezegd. Het gaat om het antwoord op de vraag hoe het met de wanddecoratie in de muzieklokalen moet. Het punt is dat een muziekonderwijsruimte op geen enkele manier versierd kan worden met schilderachtig- figuratieve motieven. Een muziekzaal kan hoogstens gedecoreerd worden met het opstellen van beeldhouwwerk, of, als men schilderkunst zou willen gebruiken, met kleurharmonieën, zuivere kleureffecten; schilderkunstige werken waarin zuivere kleureffecten een rol spelen. Dan gaat het om de decoratie van de euritmiezalen. Ik onderscheid dit van het muzikale. Het kan bij ons misschien botsen. In de euritmiezaal zou door bepaalde omstandigheden ook muziekles kunnen zijn, maar dan zou het surrogaat zijn. De euritmiezaal zelf zou versierd moeten worden met motieven die ontleend zijn aan de dynamiek van de mens, maar dan aan de dynamiek van de ziel, de expressieve mens, artistiek opgevat.
Dann würde es sich beim Turnsaal darum handeln, daß man mit entsprechender Übertragung achtet auf das mehr sich in die Welt Hineinstellen. Bei der Eurythmie würde es sich darum handeln, daß man eine Art findet, künstlerisch auszudrücken die seelische Dynamik; beim Turnen, daß man den Menschen mit Bezug auf seine Gleichgewichts- und Bewegungsverhältnisse in Beziehung zur Welt darstellt, daß man den Menschen zum Beispiel darstellt, sich wacker haltend über einem Abgrund und dergleichen. Das Verhältnis zur Welt, das würde der Bildschmuck sein für das Turnen. Für die Handarbeitsräume würde man Interieurs brauchen, wo das Gemütselement berücksichtigt wird. Jetzt bliebe uns noch der Handfertigkeitssaal, den müßte man möglichst mit künstlerisch aufgefaßten Motiven des praktischen Lebens und eventuell auch des Kunstgewerbes künstlerisch ausschmücken, so daß man an den Wänden etwas hat, was wohlgefällig aufnimmt, was in diesen Räumen getrieben wird. Ich glaube, daß das Lehrerzimmer so ausgeschmückt werden muß, wie es dem Geschmack und dem harmonischen Zusammenklange der Lehrerseelen selbst entspricht, so daß das Lehrerzimmer keine
In de gymnastiekzaal gaat het erom dat je met aandacht op de juiste wijze weet over te brengen de manier waarop we onszelf meer in de wereld plaatsen. In de euritmie zou het erom moeten gaan een manier te vinden om de dynamiek van de ziel artistiek uit te drukken; in de gymnastiek zou het erom gaan de mens in relatie tot de wereld uit te beelden in termen van zijn evenwicht en beweging, bijvoorbeeld de mens die zich dapper over een afgrond staande houdt en dergelijke. De relatie tot de wereld zou de decoratie voor gymnastiek moeten zijn. Voor de handenarbeidlokalen zouden we interieurs nodig hebben waarin rekening wordt gehouden met het emotionele element. Dan blijft het lokaal voor handenarbeid over, dat ingericht zou moeten worden met artistieke motieven uit het praktische leven en mogelijk ook uit de kunstnijverheid, zodat we iets aan de muren hebben dat een aangename afspiegeling is van wat er in deze ruimtes gebeurt. Ik ben van mening dat de lerarenkamer zo ingericht moet worden dat het overeenkomt met de smaak en het harmonisch samengaan van de lerarenzielen zelf, zodat de lerarenkamer geen
Blz. 241
Vorschrift haben soll, sondern ganz aus dem Geschmack und Zusammenstimmen der Lehrer selbst hervorgehen soll. Das soll eine Offenbarung sein einer besonders intimen Konferenz, die ins Künstlerische ausläuft, ohne Expertise. Für das Spinnen gilt dasselbe wie für das Handwerk. Beim Musikalischen ist es besser, wenn man den Saal ganz einförmig ohne Bild läßt, statt daß man irgendwelche Bilder anbringt, die psychologisch nicht vereinbar sind mit dem, was musikalisch herrschen soll. Bei den Rahmen ist die Sache diese, daß man den Rahmen nach dem Bilde machen soll. Nun, die Farbe des Rahmens habe ich gewöhnlich so angegeben, daß man eine Farbe, die auch auf dem Bilde ist oder die öfter im Bilde ist, zum Rahmen verwendet. Die plastische Form muß man nach dem Bilde machen.
voorschriften zal krijgen, maar uit de smaak en de afstemming van de leerkrachten zal moet komen. Het moet een uiting zijn van een bijzonder vertrouwelijke vergadering die uitmondt in iets kunstzinnigs, zonder speciale kennis. Voor het spinnen geldt hetzelfde als voor de handvaardigheid. Bij het muzikale is het beter wanneer de zaal hetzelfde blijft, zonder decoratie, in plaats van wat voor voorstellingen dan ook aan te brengen die psychologisch niet te verenigen zijn met wat bij het muzikale moet overheersen. Wat de lijsten betreft, die zouden zo gemaakt moeten zijn dat ze bij de afbeeldingen passen. Wat de kleur ervan aangaat, heb ik gewoonlijk wel aangegeven dat je een kleur neemt die ook in de afbeelding zit of er meer in voorkomt. De plastische vorm ervan moet je passend bij de voorstelling maken.
Es wird gefragt nach dem Raum für die Sonntagshandlung.
Er wordt gevraagd hoe het voor de ruimte van de zondagshandeling moet zijn.
Dr. Steiner: Es handelt sich darum, daß ich eine weitere Handlung geben werde, und danach wird auch das Bild sich richten. Auch die Hilfsklasse muß noch bekleidet werden. Das werden wir bei der nächsten Konferenz besprechen. Die Eurythmiefiguren müßten in einer Vitrine im Eurythmiesaal aufgestellt werden. Auf den Gängen müßte man sehen, daß man links und rechts von der Tür etwas Ähnliches hat wie das, was man in der Klasse findet, daß man sich anlehnt an das, was in der Klasse ist.
Het is zo dat ik daarover verder nog wat zeg en daarmee over de decoratie die erbij hoort. Ook de hulpklassen moeten nog ingericht worden. Dat bespreken we op de volgende conferentie. De euritmiefiguren zouden in een vitrine in het euritmielokaal moeten komen. In de gangen zou je moeten zien dat links en rechts van de deur iets is wat je in de klas vindt, dat gebaseerd is op wat er in de klas is.
Es wird gefragt nach dem Physik- und dem Chemiesaal.
Er zijn vragen over de natuurkunde- en scheikundelokalen.
Dr. Steiner: Wir sind in solchen großen Sorgen darin, daß ich heute dies nicht beantworten kann
We zijn zo bezorgd dat ik daar vandaag geen antwoord op kan geven. GA 300B/240-241
Niet vertaald
. Opmaat tot een paar artikelen over hoe kunstzinnig wordt de klas ingericht. Nu eerst met het oog op deschilderijendie aan de muur hangen. (Niet bedoeld is het werk van de kinderen)
Regelmatig lees ik bij Steiner in zijn voordrachten tekst waarbij ik denk: ‘Hij zei het toen, maar voor welke tijd geldt dit eigenlijk’. En als je dan denkt: ‘Stel eens dat het op onze tijd nu, slaat, waar in de wereld, op welk gebied herken je dan die inhoud.
In GA 266, in een voordracht van 16 januari 1908, zegt hij o.a.:
Blz. 299
Schaut Euch die riesenhaften Maschinen an, welche die menschliche Technik heute mit allem Scharfsinn konstruiert! In ihnen schafft sich der Mensch die Dämonen, die in Zukunft gegen ihn wüten werden. Alles, was der Mensch heute an technischen Apparaten und Maschinen sich erbaut, wird in Zukunft Leben gewinnen und sich dem Menschen in furchtbarer Weise feindlich entgegenstellen.
Kijk eens naar die enorme machines die de menselijke techniek met grote scherpzinnigheid construeert. Hiermee schept de mens de demonen die in de toekomst tegen hem tekeer zullen gaan. Alles wat de mens vandaag aan technische apparaten en machines bouwt, zal in de toekomst leven krijgen en op een vreselijke manier zich vijandig tegenover de mens plaatsen.
Lezen we hier iets bv. over de vernietigingswapens waarvan we vandaag de dag de enorme impact kunnen zien? Is de ‘de machine die ‘leven’ krijgt, de pc van de (nabije) toekomst die met programma’s als AI ons leven drastisch gaat beïnvloeden, zoals er nu al wordt beweerd? Is het maken van nepnieuws, het manipuleren van je foto die in een situatie wordt getoond die je in diskrediet brengt, die ‘vreselijke manier van vijandigheid’, of wordt het allemaal nog erger?
Alles, was aus reinem Nützlichkeitsprinzip, aus Einzel- oder Gesamtegoismus heraus geschaffen wird, ist in Zukunft des Menschen Feind. Wir fragen heute viel zu viel nach dem Nutzen dessen, was wir tun. Wenn wir die Entwicklung wirklich fördern wollen, so dürfen wir nicht nach dem Nutzen fragen, sondern vielmehr danach, ob etwas schön und edel ist. Wir sollen nicht nur aus dem Nützlichkeitsprinzip heraus handeln, sondern aus reiner Freude am Schönen.
Alles wat uit een puur nuttigheidsprincipe of het nu door het egoïsme van een enkeling of door dat van een groep wordt gehanteerd, is in de toekomst de vijand van de mens. We vragen tegenwoordig veel te veel naar het nut van wat we doen. Als we de ontwikkeling daadwerkelijk willen bevorderen, mogen we niet naar het nut vragen, maar veel meer naar of iets mooi en edel is. We moeten niet alleen maar handelen vanuit het nuttigheidsprincipe, maar vanuit een pure vreugde voor het mooie.
Ook daar vinden we voorbeelden van in onze tijd. Hoe anders zouden we met de dieren, in zonderheid bv. de koeien, varkens en kippen omgaan, wanneer ze niet alleen maar werden gehouden voor het nut van wat ze opbrengen. Zien we – door het nuttigheidsdenken, met als gevolg milieuvervuiling en klimaatverandering – de natuur zich nu vijandig tegen ons keren?
Dan volgt er in de voordracht een bepaalde omslag die – verrassend – ook bij het klassenlokaal van de school uitkomt!
Alles, was der Mensch heute schafft, um sein künstlerisches Bedürfnis zu befriedigen, aus reiner Liebe am Schönen, auch das wird sich in Zukunft beleben, und es wird zur Höherentwicklung des Menschen beitragen.
Alles wat de mens vandaag bewerkstelligt om zijn behoefte aan kunstzinnigheid te bevredigen, uit pure liefde voor de schoonheid, ook dat zal in de toekomst meer leven krijgen en dat zal bijdragen aan een hogere ontwikkeling van de mens.
En dan de overstap naar de school:
Aber furchtbar ist es, heute sehen zu müssen, wie viele Tausende von Menschen schon von der frühesten Kindheit an dazu angehalten werden, keine andere Tätigkeit zu kennen als die um des materiellen Nutzens willen, abgeschnitten zu sein zeitlebens von allem Schönen und Künstlerischen. In den ärmsten Volksschulen sollten die herrlichsten Kunstwerke hängen, das würde unendlichen Segen bringen in der menschlichen Entwicklung. Der Mensch baut sich selbst seine Zukunft.
Maar het is toch verschrikkelijk om te moeten zien hoe veel duizenden mensen al vanaf hun prilste kindertijd worden gestimuleerd om geen andere activiteit te ondernemen dan materieel voordeel te behalen, om het hele verdere leven afgesneden te worden van alles wat mooi en kunstzinnig is. In de allerarmste basisscholen zouden de prachtigste kunstwerken moeten hangen, dat zou oneindig veel zegen brengen in de ontwikkeling van de mens. De mens werkt zelf aan zijn eigen toekomst. GA 266/299 Niet vertaald
Niet dat er nu nog ‘allerarmste’ scholen zijn. Maar hoe is het met de kunstzinnigheid van de inrichting in de klas gesteld?
Als de vrijeschool in Stuttgart in 1919 haar deuren opent, komen er veel kinderen van de fabrieksmedewerkers. We mogen ervan uitgaan dat in hun milieu ‘kunst’ niet de eerste levensbehoefte was. Nog afgezien van kunst in hun ruimere leefomgeving, zo pas na Wereldoorlog 1.
In mei/juni van dat jaar houdt Steiner drie voordrachten over ‘volkspedagogie’. [GA 192] Daarin gaat het over kunst en een kunstzinnige omgeving. Ook dan klinkt het dat het jammer is dat de leerlingen op school niet in lokalen zitten die kunstzinnig gedecoreerd zijn. E A Karl Stockmeyer verwijst naar die passage in zijn ‘Angaben Rudolf Steiners für den Waldorfschulunterricht(eerder getiteld: Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule) De voordracht is op deze blog vertaald. Zie bij <1> en <2>.
Het schoolgebouw is ook niet meteen ‘af’ en in de vergadering met de leerkrachten roert Steiner op 22 november 1920 voor het eerst aan dat de muren (van de bijgebouwen) zo kaal zijn en dat er kunstzinnige beelden moeten komen te hangen.
.
De kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen
Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.
In deze vergadering gaat het over:
Lezen vanuit schrijven [1] Morgenspreuk [2] Antroposofisch godsdienstonderwijs [3] Doelmatigheid bij biologie [4] De mens in klas 4 [5] Het antwoord lijkt specifiek voor deze leerkracht gegeven, de aanwijzingen wijken af van wat Steiner elders heeft aangegeven. De door Steiner gegeven aardefasen in vergelijking met de gangbare termen; hoe waren de dieren, de mens, fossielen [6] Verwijzing naar een onderwerp in een andere vergadering over plantkunde: stempel, stamper en de bewegingen van zon en maan [7] Temperamenten i.v.m. overwicht ene wezensdeel op andere; melancholie [8] Ouderavonden [9] Ouderspreekuur [10] Popularisering geesteswetenschap; welke boeken [11] Belangrijkste: contact leerkracht-leerling; de ernst van de pedagogische opdracht in relatie tot de tijd en de geestelijke wereld; verantwoordelijkheid [12]
RUDOLF STEINER .
Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924
Erster Band Das erste und zweite Schuljahr
Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart
Band 1 Het eerste en tweede schooljaar .
Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.
Zunächst findet eine Besprechung statt über einzelne Kinder, die Dr. Steiner sich am Vormittag angesehen hatte.
Eerst is er een gesprek over individuele kinderen die Dr. Steiner ’s ochtends had gezien.
Dr. Steiner: Den E. E. muß man moralisch heben. Er ist ein Bolschewist.
E. E. moet moreel opgevoed worden. Hij is een bolsjewiek.
X., der vertretungsweise die 1. Klasse führte, stellt eine Frage.
X., die de eerste klas vervangt, stelt een vraag.
Dr. Steiner: Man sollte das Lesen sehr stark aus dem malenden Schreiben herausarbeiten. Die Formen müßte man aus dem Künstlerischen heraus ableiten.
[1] Lezen moet heel sterk worden uitgewerkt vanuit schrijven door tekenen. De vormen moeten worden afgeleid van het artistieke.
X. schlägt vor, morgens mit dem Vaterunser zu beginnen.
X. stelt voor ’s morgens te beginnen met het Onze Vader*.
[2] Het antwoord ishier (vanaf <1> te vinden. Daar staat de morgenspreuk met vertaling en meer context.
Verder vanaf daar:
Blz.98
Lehrplan für den freien anthroposophischen Religionsunterricht für Kinder.
.
Dr. Steiner: Dieser Unterricht müßte in zwei Stufen erteilt werden. Wenn Sie überhaupt darauf eingehen wollen, anthroposophischen Unterricht mit religiösen Zielen zu betreiben, dann müssen Sie den Begriff des Religiösen eben viel ernster nehmen, als er gewöhnlich genommen wird. Gewöhnlich wird der Begriff der Religion dadurch entstellt, daß in die Religion allerlei nicht hineingehöriges Weltanschauliches hineingemischt wird. Dadurch wird gerade durch die religiöse Überlieferung dasjenige von einem Zeitalter ins andere hinübergetragen, was man nicht weiterbilden will. Es blieben alte Weltanschauungen neben den weitergebildeten Weltanschauungen gewahrt. Diese Dinge traten ja grotesk hervor in dem Zeitalter des Galilei und Giordano Bruno. Wie heute noch in Apologien diese Dinge gerechtfertigt werden, das ist geradezu humorvoll. Die katholische Kirche redete sich aus, daß ja dazumal die kopernikanische Weltanschauung nicht anerkannt gewesen sei, die sie selber verboten hatte; daher durfte Galilei sie auch nicht vertreten. Darauf will ich jetzt nicht eingehen, sondern ich will es nur erwähnen, um Ihnen zu sagen, daß das Religiöse ernst genommen werden muß, sobald es sich um Anthroposophisches handelt. Nicht wahr, das Anthroposophische ist eine Weltanschauung, und die wollen wir als solche durchaus nicht in unsere Schule hineintragen. Wir müssen aber jenes religiöse Gefühl, welches von dieser
[3] Deze lessen zouden in twee fasen gegeven moeten worden. Als je überhaupt antroposofisch onderwijs met religieuze doelen wilt geven, dan moet je het begrip religie veel serieuzer nemen dan gewoonlijk het geval is. Het begrip religie wordt meestal vervormd door er allerlei wereldbeelden in te vermengen die er niet in thuishoren. Daardoor draagt de religieuze traditie van het ene tijdperk op het andere datgene over wat men niet verder wil ontwikkelen. Oude wereldbeelden bleven bewaard naast de wereldbeelden die verder ontwikkeld waren. Deze dingen kwamen op groteske wijze naar voren in de tijd van Galileo en Giordano Bruno. De manier waarop deze dingen vandaag de dag nog steeds in apologieën (verdedigingsreden) worden gerechtvaardigd is bijna humoristisch. De katholieke kerk kwam met het excuus dat in die tijd het Copernicaanse wereldbeeld niet erkend werd, dat ze zelf verboden had; daarom mocht Galileo die niet vertegenwoordigen. Ik wil daar nu niet op ingaan, maar ik wil het alleen noemen om u te vertellen dat het religieuze serieus genomen moet worden zodra het over antroposofie gaat. Het is waar dat antroposofie een wereldbeschouwing is, die wij als zodanig zeker niet in onze school willen inbrengen. Maar we moeten het religieuze gevoel ontwikkelen dat
Blz. 99
Weltanschauung der Menschenseele vermittelt wird, für die Kinder, deren Eltern es ausdrücklich verlangen, entwickeln. Wir dürfen aber gerade, wenn wir von der Anthroposophie ausgehen wollen, nichts Falsches entwickeln, nichts Verfrühtes vor allen Dingen entwickeln. Wir werden daher zwei Stufen unterscheiden. Wir nehmen also die Kinder zunächst zusammen, die wir in den vier Unterklassen haben, und dann die, die wir in den vier Oberklassen haben. In den vier unteren Klassen versuchen wir mit den Kindern Dinge und Vorgänge der menschlichen Umwelt so zu besprechen, daß bei den Kindern die Empfindung entsteht, daß Geist in der Natur lebt. Da kommen also solche Dinge dann in Betracht, wie ich sie als Beispiele angeführt habe. Man will den Kindern zum Beispiel den Begriff der Seele beibringen. Da ist es notwendig, daß man erstens den Begriff des Lebens überhaupt den Kindern nahebringt. Den Begriff des Lebens bringt man den Kindern nahe, wenn man sie aufmerksam macht darauf, daß die Menschen zuerst klein sind, dann heranwachsen, alt werden, daß sie weiße Haare bekommen, Runzeln bekommen und so weiter. Also man weist auf den Ernst des Lebenslaufes beim Menschen hin und macht tatsächlich die Kinder mit dem Ernst des Todes bekannt, mit dem die Kinder ja doch bekannt werden.
van deze wereldbeschouwing op de menselijke ziel wordt overgedragen aan kinderen van wie de ouders dat uitdrukkelijk verlangen. Maar juist als we vanuit de antroposofie willen beginnen, mogen we niets verkeerds, vooral niets voorbarigs ontwikkelen. Daarom maken we onderscheid tussen twee fasen. Eerst nemen we de kinderen bij elkaar die we in de vier lagere klassen hebben en daarna de kinderen die we in de vier hogere klassen hebben.
In de vier lagere klassen proberen we met de kinderen dingen en processen van de menselijke omgeving te bespreken op zo’n manier dat de kinderen het gevoel ontwikkelen dat geest in de natuur leeft. Dingen zoals ik die als voorbeeld heb gegeven komen aan bod. Je wilt kinderen bijvoorbeeld begrip van de ziel leren. Dan moet je de kinderen eerst vertrouwd te maken met het begrip leven in het algemeen. Het concept van leven wordt aan kinderen geleerd wanneer ze bewust worden gemaakt van het feit dat mensen eerst klein zijn, dan opgroeien, oud worden, grijs haar krijgen, rimpels enzovoort. Je wijst dus op de ernst van de loop van het menselijk leven* en maakt kinderen vertrouwd met de ernst van de dood, die ze toch wel leren kennen.
Dann ist es durchaus nicht unnötig, nun Vergleiche anzustellen zwischen dem, was in der Menschenseele vorgeht beim Wechsel von Schlafen und Wachen. Auf solche Dinge kann man bei dem kleinsten Kinde auf der ersten Stufe durchaus eingehen. Wachen und Schlafen: die Erscheinung besprechen, wie da die Seele ruhend ist, wie der Mensch unbeweglich ist im Schlafe und so weiter. Dann bespricht man mit dem Kinde, wie die Seele den Körper durchdringt, wenn er wacht, und macht es aufmerksam darauf, daß es einen Willen gibt, der in den Gliedern sich regt; macht es aufmerksam darauf, daß der Körper der Seele die Sinne gibt, durch die man sieht, hört und so weiter. Solche Dinge sind also als Beweis zu geben dafür, daß Geistiges im Physischen waltet. Das ist mit dem Kinde zu besprechen. Vollständig vermieden muß werden irgendeine oberflächliche Zweckmäßigkeitslehre. Also der anthroposophische Religionsunterricht darf ja nicht nach dem Muster jener Zweckmäßigkeitslehre irgendwie orientiert sein, die da sagt: „Wozu findet man an dem Baume Kork? ” „Damit man Champagnerpfropfen machen kann. Das hat der liebe Gott weise eingerichtet, damit man Kork hat zu Pfropfen.” Dieses, daß etwas da ist „wozu”, das wie menschliche Absicht waltet und in der Natur sich auslebt, das ist Gift; das darf nicht entwickelt werden. Also ja nicht banale Zweckmäßigkeitsvorstellungen in die Natur hineintragen.
Dan is het helemaal niet overbodig om vergelijkingen te maken tussen wat er in de menselijke ziel gebeurt als die afwisselt tussen slapen en waken. Zulke dingen kunnen zeker besproken worden met het kleinste kind in de eerste fase. Waken en slapen: bespreek het fenomeen hoe de ziel in rust is, hoe de mens onbeweeglijk is in de slaap enzovoort. Dan bespreekt je met het kind hoe de ziel het lichaam doordringt als het wakker is, en vestigt zijn aandacht op het feit dat er een wil is die in de ledematen opwelt; vestigt zijn aandacht op het feit dat het lichaam de ziel de zintuigen geeft waardoor men ziet, hoort enzovoort. Zulke dingen moeten gegeven worden als bewijs dat het spirituele aan het werk is in het fysieke. Dit moet met het kind besproken worden. Elke oppervlakkige opportuniteitsleer moet volledig worden vermeden. Het antroposofisch godsdienstonderricht mag dus op geen enkele manier georiënteerd zijn op de nuttigheidsleer die zegt: ‘Waarom zit er kurk aan de boom? “Zodat je er kurk voor champagneflessen van kan maken. De goede God heeft het wijselijk zo geregeld dat je kurk hebt om een kurk van te maken.” Dit, dat er iets is “met welk doel”, dat zich gedraagt als een menselijke bedoeling en dat zich uitleeft in de natuur, is vergif; het mag niet ontwikkeld worden. Breng dus geen banale ideeën van nuttigheid in de natuur.
Blz. 100
Ebensowenig darf die Vorstellung gepflegt werden, die die Menschen so sehr lieben, daß das Unbekannte ein Beweis des Geistes ist. Nicht wahr, die Menschen sagen: Oh, das kann man nicht wissen, da offenbart sich der Geist! — Statt daß die Menschen die Empfindung bekommen: Man kann vom Geiste wissen, der Geist offenbart sich in der Materie —, werden die Menschen so sehr daraufhingelenkt, daß da, wo man sich etwas nicht erklären kann, ein Beweis ist für das Göttliche. Diese zwei Dinge sind also streng zu vermeiden, oberflächliche Zweckmäßigkeitslehre und solche Wundervorstellungen, die also das Wunder geradezu suchen als einen Beweis des göttlichen Waltens. Dagegen kommt es überall darauf an, daß wir uns Vorstellungen ausbilden, durch die wir aus der Natur auf das Übersinnliche hinweisen. Zum Beispiel habe ich ja oftmals das eine erwähnt: Wir sprechen mit den Kindern über die Schmetterlingspuppe, wie der Schmetterling aus der Puppe kommt, und machen ihnen daran den Begriff der unsterblichen Seele klar, indem wir sagen: Ja, der Mensch stirbt, und dann geht aus ihm die Seele heraus wie ein unsichtbarer Schmetterling, so wie der Schmetterling aus der Puppe geht. Aber wirksam ist eine solche Vorstellung nur, wenn Sie selber daran glauben, wenn Ihnen selber die Vorstellung des Auskriechens des Schmetterlings aus der Puppe ein von göttlichen Mächten in die Natur hineingepflanztes Symbolum für die Unsterblichkeit ist. Man muß selber daran glauben, sonst glauben einem die Kinder nicht.
We moeten ook niet het idee cultiveren, waar mensen zo van houden, dat het onbekende het bewijs is van de geest. Niet waar, mensen zeggen: Oh, dat kun je niet weten, daar openbaart de geest zich! – In plaats van dat mensen de indruk krijgen: Je kan van de geest weten, de geest openbaart zich in de materie -, worden mensen zozeer aangezet om te geloven dat waar iets niet verklaard kan worden, het een bewijs is van het goddelijke. Deze twee dingen moeten daarom strikt vermeden worden, oppervlakkige theorieën van opportunisme en die van de voorstellingen van wonderen als een bewijs van goddelijke activiteit. Aan de andere kant is het overal belangrijk dat we ideeën vormen waarmee we vanuit de natuur naar het bovenzinnelijke kunnen wijzen. Aan de andere kant is het overal van belang dat we ideeën vormen waarmee we verwijzen naar het bovenzinnelijke uit de natuur. Eén ding heb ik bijvoorbeeld vaak genoemd: we praten met de kinderen over de vlinderpop, hoe de vlinder uit de pop komt, en daarmee leggen we hun de onsterfelijke ziel uit door te zeggen: ja, de mens sterft, en dan verlaat de ziel hem als een onzichtbare vlinder, net zoals de vlinder uit de pop tevoorschijn komt. Maar zo’n idee is alleen effectief als je er zelf in gelooft, als je zelf het idee ziet van de vlinder die uit de pop tevoorschijn komt als een symbool van onsterfelijkheid, door goddelijke krachten in de natuur geplant. Je moet er zelf in geloven, anders geloven de kinderen je niet. Zie ‘vrijeschoolonderwijs doen’ –Alle plaatsen in de ped. voordrachten.
Solche Dinge muß man anregen in den Kindern, und sie werden dann besonders wirksam sein in den Kindern, wo man zeigen kann, wie ein Wesen in vielen Gestalten leben kann, eine Urgestalt in vielen einzelnen Gestalten. Aber es kommt darauf an, das Empfindungsgemäße, nicht das Weltanschauungsgemäße im religiösen Unterricht zu pflegen. Sie können zum Beispiel die Gedichte über die Metamorphose der Pflanzen und der Tiere ganz gut religiös verwenden, nur müssen Sie die Gefühle, die Empfindungen, die von Zeile zu Zeile gehen, verwenden. Und Sie können in ähnlicher Weise die Natur betrachten, bis die 4. Klasse vollendet ist. Da müssen Sie namentlich auch die Vorstellung immer wieder anregen, daß der Mensch im ganzen Weltenall drinnensteht mit all seinem Denken und all seinem Tun. Und Sie müßten auch diese Vorstellung anregen, daß in dem, was in uns lebt, auch der Gott lebt. Und immer wieder müssen Sie auf solche Vorstellungen zurückkommen: Im Baumblatt lebt das Göttliche, in der Sonne lebt das Göttliche, in der Wolke und im Flusse lebt das Göttliche. Aber das Göttliche lebt auch im Blutlauf; das
Die dingen moeten in de kinderen opgeroepen worden en ze zullen dan in de kinderen bijzonder werkzaam zijn, daar waar men kan laten zien hoe één wezen in vele vormen kan leven, één oervorm in vele individuele vormen. Maar het is belangrijk om het gevoel te cultiveren, niet het ideologische in het godsdienstonderwijs. Je kunt bijvoorbeeld de gedichten over de metamorfose van planten en dieren* heel goed gebruiken voor het religieuze, maar je moet de gevoelens gebruiken, de beleving in iedere zin. En je kan op een vergelijkbare manier naar de natuur kijken tot de 4e klas klaar is. Je moet dan vooral ook de voorstelling steeds weer blijven stimuleren dat de mens deel uitmaakt van het hele universum met al zijn gedachten en al zijn handelingen. En je moet ook het idee stimuleren dat God leeft in wat in ons leeft. En steeds opnieuw moet je op zulke ideeën terugkomen: Het goddelijke leeft in het boomblad, het goddelijke leeft in de zon, het goddelijke leeft in de wolk en in de rivier. Maar het goddelijke leeft ook in de bloedsomloop;
Blz. 101
Göttliche lebt im Herzen, in dem, was du fühlst, in dem, was du denkst. Also immer die Vorstellung entwickeln, daß der Mensch auch ausgefüllt ist vom Göttlichen. Dann muß man sehr stark schon in diesen Jahren die Vorstellung hervorrufen, daß der Mensch verpflichtet ist, weil er den Gott darstellt, weil er das Göttliche offenbart, ein guter Mensch zu sein. Der Mensch tut dem Gott Schaden, wenn er nicht gut ist. Der Mensch ist nicht um seiner selbst willen in der Welt, religiös gedacht, sondern er ist in der Welt zur Offenbarung des Göttlichen. Man drückt das oft so aus, daß man sagt: Der Mensch ist nicht um seiner selbst willen da, sondern ,,zur Ehre Gottes”. — Zur „Ehre” bedeutet dann aber in Wirklichkeit „zur Offenbarung”. Wie es ja auch nicht heißt in Wirklichkeit: ,,Ehre sei Gott in der Höhe”, sondern: ,,Es offenbaren sich die Götter in der Höhe.” So ist auch der Satz, daß der Mensch ,,zur Ehre Gottes ” da ist, so zu fassen: Er ist da, damit er durch seine Taten und sein ganzes Fühlen das Göttliche ausdrückt. Und wenn er etwas Schlechtes tut, wenn er unfromm und ungut ist, so tut er etwas, was dem Gotte zur Schmach wird, wodurch der Gott selbst entstellt wird, zu etwas Unschönem wird.
het goddelijke leeft in het hart, in wat je voelt, in wat je denkt. Ontwikkel dus altijd de idee dat de mens ook vervuld is van het goddelijke. Dan moet je al in deze jaren heel sterk de idee oproepen dat de mens verplicht is, omdat hij God vertegenwoordigt, omdat hij het goddelijke openbaart, om een goed mens te zijn. De mens schaadt God als hij niet goed is. De mens is niet in de wereld omwille van zichzelf, religieus gesproken, maar hij is in de wereld omwille van de openbaring van het goddelijke. Dit wordt vaak uitgedrukt door te zeggen dat de mens er niet is omwille van zichzelf, maar “tot eer van God”. – Maar “tot eer” betekent dan eigenlijk “tot openbaring”. Net zoals het eigenlijk niet betekent: “Ere zij God in de hoge”, maar eerder: “ De Goden worden geopenbaard in de hoge”. De zin dat de mens bestaat “tot eer van God” kan ook zo begrepen worden: Hij bestaat zodat hij het goddelijke kan uitdrukken door zijn daden en al zijn gevoelens. En als hij iets slechts doet, als hij goddeloos en niet goed is, doet hij iets dat een oneer wordt voor God, waardoor God zelf verminkt wordt, iets lelijks wordt.
Diese Vorstellung muß man besonders hereinbringen. Also das Innewohnen des Gottes in dem Menschen, das ist etwas, was schon auf dieser Stufe verwendet werden muß. Auf dieser Stufe würde ich noch von jeder Christologie absehen und nur aus der Natur und aus Naturvorgängen heraus eben das göttliche Vatergefühl erwecken. Und ich würde versuchen, daran zu knüpfen allerlei Besprechungen über Motive des Alten Testaments, namentlich auch soweit sie verwendbar sind — und sie sind es, wenn sie nur richtig behandelt werden —, die Psalmen Davids, das Hohe Lied und so weiter. Das wäre also die erste Stufe. Bei der zweiten Stufe, die ja also die vier höheren Klassen umfassen würde, würde es sich darum handeln, daß man viel bespricht mit den Kindern die Begriffe von Schicksal, Menschenschicksal. Also dem Kinde wäre eine Vorstellung beizubringen von dem, was Schicksal ist, so daß das Kind wirklich fühlt, daß der Mensch ein Schicksal hat. Den Unterschied dem Kinde beizubringen zwischen dem, was einen zufällig bloß trifft, und dem, was Schicksal ist, das ist wichtig. Also man muß den Begriff des Schicksals mit dem Kinde behandeln. Die Frage, wann einen etwas als Schicksal trifft, oder wann einen etwas zufällig trifft, die läßt sich nicht definitionsgemäß erläutern. Man kann sie aber vielleicht an Beispielen erläutern. Ich will sagen, wenn ich empfinde bei einem Ereignis, das mich trifft, daß ich das Ereignis
Deze voorstelling moet in het bijzonder naar voren worden gebracht. Dus dat God in de mens woont, is iets dat in deze fase aan de orde moet komen. In die fase zou ik nog steeds afzien van enige christologie en alleen het goddelijke Vadergevoel opwekken vanuit de natuur en vanuit natuurlijke processen. En ik zou proberen om daar allerlei gesprekken te voeren over motieven uit het Oude Testament voor zover ze bruikbaar zijn – en dat zijn ze, als ze maar correct behandeld worden – de Psalmen van David, het Hooglied enzovoort. Dit dus voor de eerste fase. In de tweede fase, die dus de vier hogere klassen omvat, zou het kunnen gaan om met de kinderen te bespreken wat begrippen als het lot en de menselijke bestemming inhouden. Het kind zou een idee moeten krijgen van wat het lot is, zodat het echt voelt dat de mens een bestemming heeft. Het is belangrijk om het kind het verschil te leren tussen wat toevallig gebeurt en wat het lot is. Je moet dus het begrip lot met het kind behandelen. De vraag wanneer iets je overkomt als het noodlot of wanneer iets je overkomt door toeval, kan je niet met definities uitleggen. Maar misschien kan het worden uitgelegd aan de hand van voorbeelden. Ik wil zeggen dat wanneer ik een gebeurtenis meemaak die me treft, ik het gevoel heb dat ik naar de gebeurtenis
Blz.102
so wie gesucht habe, dann ist es Schicksal. Wenn ich nicht empfinden kann, daß ich es gesucht habe, aber besonders stark empfinden kann, daß es mich überrascht und daß ich viel daran lernen kann für die Zukunft, dann ist es ein Zufall, dann wird es erst Schicksal. Es muß an diesem, was nur empfindungsgemäß erlebt werden kann, der Unterschied zwischen ,,vollendetem Karma” und „aufgehendem, werdendem Karma” dem Kinde allmählich beigebracht werden. Man muß wirklich die Schicksalsfrage im Sinne der Karmafrage allmählich mit dem Kinde behandeln. Daß es in der Empfindung Unterschiede gibt, darüber werden Sie Genaueres finden in der neuesten Auflage meiner „Theosophie”. Da habe ich diese Frage einmal behandelt in dem Kapitel ,,Reinkarnation und Karma”, das ganz neu bearbeitet ist. Da habe ich versucht, herauszuarbeiten, wie man den Unterschied empfinden kann. Da können Sie den Kindern durchaus schon klarmachen, daß es eigentlich zweierlei Ereignisse gibt. Bei dem einen empfindet man eben mehr, daß man es gesucht hat: zum Beispiel wenn man einen Menschen kennenlernt, empfindet man meistens, daß man ihn gesucht hat. Wenn einen ein Naturereignis trifft, in das man verquickt ist, dann empfindet man, daß man viel daran lernen kann für die Zukunft. Trifft einen etwas durch Menschen, so ist es meist ein erfülltes Karma.
op zoek was, dan is het het lot. Als ik niet kan voelen dat ik het gezocht heb, maar wel bijzonder sterk kan voelen dat het me verrast en dat ik er veel van kan leren voor de toekomst, dan is het toeval, dan pas wordt het het lot. Het kind moet geleidelijk het verschil leren tussen “voltooid karma” en “opkomend, wordend karma” door dit, wat alleen gevoelsmatig ervaren kan worden. Het vraagstuk van het lot in de zin van het karmavraagstuk moet echt geleidelijk met het kind worden behandeld. In de laatste uitgave van mijn “Theosofie” vind je meer gedetailleerde informatie over het feit dat er verschillende belevingen zijn. Daar heb ik deze vraag nu behandeld in het hoofdstuk “Reïncarnatie en Karma”, dat volledig herzien is. Daar heb ik geprobeerd uit te werken hoe je het verschil kan waarnemen. Je kunt de kinderen laten inzien dat er eigenlijk twee verschillende gebeurtenissen zijn. Bij het ene heb je meer het gevoel dat je ernaar op zoek bent geweest: als je bijvoorbeeld een persoon leert kennen, heb je meestal het gevoel dat je naar deze op zoek bent geweest. Als je iets overkomt bij een natuurgebeurtenis, waar je verkwikt uitkomt, heb je het gevoel dat je er veel van kunt leren voor de toekomst. Als je iets overkomt via mensen, is dat meestal een vervuld karma.
Selbst in einer solchen Weise, daß Sie sich hier zusammenfinden zum Beispiel in einem Lehrerkollegium in der Waldorfschule, ist ein erfülltes Karma. Man findet sich so zusammen, weil man sich gesucht hat. Das läßt sich aber nicht definitionsgemäß klarmachen, sondern nur empfindungsgemäß. Man muß dem Kinde viel über allerlei besondere Schicksale sprechen, vielleicht in Erzählungen, worin Schicksalsfragen spielen. Man kann manches sogar wiederholen aus den Märchenerzählungen, indem man die Märchen noch einmal durchnimmt, in denen Schicksalsfragen spielen. Namentlich kann man auch in der Geschichte solche Beispiele aufsuchen, wo man an einzelnen Personen sieht, wie sich ein Schicksal erfüllt. Die Schicksalsfrage ist also zu besprechen, um von dieser Seite auf den Ernst des Lebens hinzuweisen. Und dann möchte ich Ihnen klarmachen, was das eigentlich Religiöse im anthroposophischen Sinne ist. Das Religiöse im Sinne der Anthroposophie ist das Gefühlsmäßige, das, was wir aus der Weltanschauung an Gefühlen aufnehmen für Welt und Geist und Leben. Die Weltanschauung selber ist eine Sache des Kopfes, das Religiöse aber geht immer aus dem ganzen Menschen hervor. Daher ist eine Religion, die Bekenntnisreligion ist, eigentlich nicht wirklich reli-
Zelfs op zo’n manier dat u hier samenkomt, bijvoorbeeld in een lerarengroep op een vrijeschool, is een vervuld karma. U komt zo samen omdat u elkaar hebt opgezocht. Dit is echter niet begripsmatig te verklaren, maar alleen op gevoel. Je moet veel met het kind praten over allerlei bijzondere lotsbestemmingen, misschien in verhalen waarin lotsvragen een rol spelen. Je kunt zelfs een aantal dingen uit de sprookjes herhalen door de sprookjes nog eens door te nemen waarin lotsvragen een rol spelen. In het bijzonder kun je ook op zoek gaan naar voorbeelden in de geschiedenis waarin je kunt zien hoe een lot zich voltrekt in individuele personages. De vraag van het lot moet daarom worden besproken om vanuit dit perspectief op de ernst van het leven te wijzen. En dan wil ik u duidelijk maken wat in antroposofische zin eigenlijk religieus is. Het religieuze in de zin van antroposofie is het gevoelsmatige, datgene wat we uit het wereldbeeld halen aan gevoelens voor wereld, geest en leven. Het wereldbeeld zelf is een zaak van het hoofd, maar het religieuze komt altijd voort uit de hele persoon. Daarom is een religie die een confessionele religie is, niet echt religieus.
Blz. 103
Dasjenige, worauf es ankommt, ist, daß in der Religion der ganze Mensch, und zwar hauptsächlich Gefühl und Wille, lebt. Dasjenige, was an Weltanschauungsinhalt in der Religion lebt, das ist eigentlich nur zum Exemplifizieren, zur Unterstützung, zur Vertiefung des Gefühls und zur Erstarkung des Willens. Das ist das, was aus der Religion fließen soll: daß der Mensch über das, was einem die vergänglichen, irdischen Dinge an Gemütsvertiefung und Willenserstarkung geben können, hinauswächst. Von der Schicksalsfrage wäre dazu überzugehen, den Unterschied zu besprechen zwischen dem, was man von den Eltern ererbt hat, im Gegensatz zu dem, was man aus einem früheren Erdenleben mitbringt. In der zweiten Stufe werden die früheren Erdenleben herangezogen, und alles wird beigetragen, damit ganz verstandesmäßig, gefühlsmäßig begriffen wird, daß der Mensch in wiederholten Erdenleben lebt. Und dann sollte durchaus berücksichtigt werden, daß der Mensch zunächst sich in drei Stufen zum Göttlichen erhebt. — Also, nachdem man mit dem Schicksalsbegriff beigebracht hat langsam, in Erzählungen, den Vererbungsbegriff, den Begriff der wiederholten Erdenleben, geht man über zu den drei Stufen des Göttlichen: Erstens zu dem Göttlichen, das zu dem Engelwesen führt, das für jeden einzelnen Menschen persönlich da ist. Und da bespricht man, wie der einzelne Mensch von Leben zu Leben geführt wird durch seinen persönlichen Genius. Also dieses Persönlich-Göttliche, das im Menschen führend ist, das wird zuerst besprochen.
Waar het om gaat is dat in religie de hele mens, en vooral het gevoel en de wil, leeft. Wat er aan inhoud van het wereldbeeld in religie zit, is er eigenlijk alleen maar om door voorbeelden uit te leggen, te ondersteunen, het gevoel te verdiepen en de wil te versterken. Wat uit de religie moet stromen: dat mensen verder komen dan wat de vergankelijke, aardse dingen aan het verdiepen van het gevoel en de versterking van de wil kunnen bijdragen. Van het vraagstuk van het lot kunnen we dan verder gaan naar het verschil tussen wat je van je ouders hebt geërfd, en wat je meeneemt uit een vorig leven op aarde. In de tweede fase kijken we naar de voorgaande aardse levens en wordt alles zo aangedragen dat volledig intellectueel, emotioneel wordt begrepen dat de mens in herhaalde levens op aarde leeft. En dan moet er zeker rekening mee worden gehouden dat mensen zich op het goddelijke richten in drie fasen. – Dus, nadat we het begrip van het lot langzaam hebben aangeleerd met verhalen, van het erfelijkheidsbegrip, van het aardse leven dat zich herhaalt, ga je verder met de drie niveaus van het goddelijke: In de eerste plaats naar het goddelijke, wat leidt naar het engelwezen dat er persoonlijk voor iedereen is. En daar bespreken we hoe de individuele mens van leven tot leven wordt geleid door zijn persoonlijke genius. Dus dit persoonlijk goddelijke dat in de mens leidend is, wordt eerst besproken.
Zweitens versucht man nun zu erklären, daß es höhere Götter gibt, die Erzengel, und daß die dazu da sind — man kommt da allmählich hinein in das, was man in der Geschichte, in der Geographie betrachten kann —, daß die Erzengel dazu da sind, um ganze Menschengruppen zu dirigieren, also Völkermassen und dergleichen. Das muß scharf so beigebracht werden, daß das Kind unterscheiden lernt zwischen dem Gott, von dem zum Beispiel der Protestantismus spricht, der eigentlich nur der Engel ist, und zwischen dem Erzengel, der etwas Höheres ist als dasjenige, was eigentlich in der evangelischen Religionslehre überhaupt vorkommt. Drittens ist dann nun auch der Begriff des Zeitgeistes beizubringen als eines waltenden Göttlichen über Perioden hin. Da kommt man in den Zusammenhang zwischen der Geschichte und der Religion. Und erst, wenn man solche Begriffe beigebracht hat, geht man dazu über, so etwa im zwölften Jahr — wir können es ja jetzt nicht so machen; wir werden zwei Stufen machen; die Kinder können durch-
Ten tweede probeert je nu uit te leggen dat er hogere goden zijn, de aartsengelen, en dat die er zijn – je komt geleidelijk bij wat kan worden waargenomen in de geschiedenis en de geografie – dat de aartsengelen er zijn om hele groepen mensen te leiden, dat wil zeggen volkeren en dergelijke. Het moet zodanig duidelijk onderwezen worden dat het kind onderscheid leert maken tussen de God waar het protestantisme bijvoorbeeld over spreekt: die eigenlijk gewoon de engel is, en tussen de aartsengel, die iets hogers is dan wat feitelijk in de evangelische godsdienst voorkomt. Ten derde moet ook het begrip tijdgeest worden aangeleerd als iets heersend goddelijks gedurende perioden. Dan kom je bij de samenhang tussen geschiedenis en religie. En pas als je zulke begrippen hebt geleerd, ga je ze gebruiken, zo rond het twaalfde jaar* – dat kunnen we nu niet zo doen; we zullen twee fasen nemen; de kinderen kunnen echt wel
Blz. 104
aus schon früher hören, was sie dann später besser verstehen —, nachdem wir die drei Stufen dem Kinde möglichst beigebracht haben, gehen wir über zur eigentlichen Christologie, indem wir die Weltentwickelung in zwei Teile teilen: in die vorchristliche, die eine Vorbereitung war, und in die christliche, die eine Erfüllung ist. Da muß der Begriff eine große Rolle spielen, daß sich das Göttliche durch den Christus offenbarte ,,in der Fülle der Zeiten”. Und dann gehe man auch erst über zu den Evangelien. Bis dahin verwende man, insofern man Erzählungen braucht, um den Begriff der Engel, Erzengel und des Zeitgeistes zu erklären, das Alte Testament. Man macht aus dem Alten Testament heraus, zum Beispiel das Eintreten eines neuen Zeitgeistes, dem Kinde klar an der Erscheinung des Moses, gegenüber dem früheren Zeitgeist, wo die Offenbarung des Moses noch nicht vorhanden war. Dann macht man wiederum klar, daß ein neuer Zeitgeist auftritt im 6. Jahrhundert der vorchristlichen Zeit. Dazu verwendet man zuerst das Alte Testament. Und dann, wenn man zur Christologie übergegangen ist, aber es so erlaßt hat in einer langen vorbereitenden Zeit, dann gehe man über zu den Evangelien und versuche, einzelne Glieder der Evangelien herauszunehmen, und immer wie etwas Selbstverständliches die Vierheit der Evangelien beizubringen, indem man sagt:
eerder horen, wat ze dan later beter begrijpen – nadat we het kind zoveel mogelijk de drie fasen hebben geleerd en dan gaan we over tot de feitelijke christologie door de wereldevolutie in twee delen te verdelen: het voorchristelijke deel, dat een voorbereiding was, en het christelijke deel, dat een vervulling is. Dan moet het begrip dat het goddelijke zich openbaart door Christus ‘in de volheid des tijds’ een grote rol spelen. En dan gaan we ook verder met de Evangeliën. Tot dan, als je verhalen nodig had, om de engelen, aartsengelen en de tijdgeest uit te leggen, gebruikte je het Oude Testament. Vanuit het Oude Testament maak je bv. het verschijnen van een nieuwe tijdgeest duidelijk door het optreden van Mozes, tegenover de vroegere tijdgeest waarin de openbaring van Mozes er nog niet was. Vervolgens wordt opnieuw duidelijk gemaakt dat er in de 6e eeuw van de voorchristelijke tijd een nieuwe tijdsgeest ontstond. Hiervoor gebruik je allereerst het Oude Testament. En als je dan verder gaat met de christologie, maar het tijdens een lange voorbereidingsperiode op deze manier hebt verteld, dan ga je naar de evangeliën en probeer je er afzonderlijke delen uit te halen, en altijd als iets vanzelfsprekends de vier evangeliën te onderwijzen door te zeggen:
Wie ein Baum von vier verschiedenen Seiten photographiert werden muß, um richtig gesehen zu werden, so sind die vier Evangelien wie vier Gesichtspunkte. Man nehme einmal das Matthäus-Evangelium, einmal das Markus-Evangelium, einmal das Lukas-Evangelium, einmal das Johannes-Evangelium und lege gerade besonderen Wert darauf, daß das immer gefühlt wird. Auf den Gefühlsunterschied lege man ganz und gar den Hauptwert. Das wäre also die zweite Stufe mit ihrem Lehrinhalt. Der Tenor der ersten Stufe ist der, daß dem werdenden Menschen beigebracht werden sollte alles dasjenige, was kund werden kann vermittels des Göttlichen in der Natur durch Weisheit. Auf der zweiten Stufe ist die Umwandlung: der Mensch erkennt das Göttliche durch Weisheit allein nicht, sondern durch die wirkende Liebe. Das ist der Tenor, das Leitmotiv in den beiden Stufen.
Zoals een boom van vier verschillende kanten gefotografeerd moet worden, om deze goed te zien, zo zijn de vier evangeliën gelijk aan vier standpunten. Neem een keer het Evangelie van Mattheüs, een keer het Evangelie van Marcus, een keer het Evangelie van Lucas, een keer het Evangelie van Johannes en hecht er bijzonder belang aan dat dit altijd gevoeld wordt. Het accent moet komen te liggen op het verschil in gevoelsbeleving. Dat zou dus de tweede fase zijn met de lesinhoud ervan. De teneur van de eerste fase is dat de zich ontwikkelende mens alles moet leren wat hierdoor bekend kan worden gemaakt door het goddelijke in de natuur door wijsheid. In de tweede fase vindt de verandering plaats: de mens erkent dit goddelijk, niet alleen door wijsheid, maar door dat wat werkt door de liefde. Dat is de teneur, het leidmotief in de twee fasen.
X.: Soll man Sprüche lernen lassen?
Moet je spreuken aanleren?
Dr. Steiner: Ja, vorzugsweise aus dem Alten Testament, später aus dem Neuen Testament. Aber nicht die Sprüche, die oftmals in Gebetbüchern enthalten sind, die sind zumeist trivial. Also Sprüche aus der
Ja, bij voorkeur uit het Oude Testament, later het Nieuwe Testament. Maar niet de spreuken die vaak in gebedenboeken staan, die zijn meestal triviaal. Dus spreuken uit de
Blz. 105
Bibel, und auch dasjenige, was wir haben in der Anthroposophie an Sprüchen. Wir haben ja allerlei Sprüche, die können gut verwendet werden in diesem anthroposophischen Religionsunterricht.
Bijbel, en ook wat we in de antroposofie hebben aan spreuken. We hebben allerlei spreuken* die we goed kunnen gebruiken in dit antroposofische godsdienstonderwijs.
Dr. Steiner: Die Zehn Gebote sind ja im Alten Testament enthalten, aber es muß der Ernst der Sache immer klargemacht werden. Ich habe ja immer betont, es steht auch da drinnen, daß man den Namen des Gottes nicht eitel aussprechen soll. Das wird ja übertreten fast von jedem Kanzelredner, indem der Name des Christus fortwährend eitel ausgesprochen wird. Das muß natürlich alles gefühlsmäßig vertieft werden. Der Religionsunterricht soll überhaupt gegeben werden nicht in Bekenntnisform, sondern in gefühlsmäßiger Vertiefung. Das Credo ist als solches nicht die Hauptsache, sondern dasjenige, was empfunden wird beim Credo; nicht der Glaube an den Vatergott, an den Sohngott, an den Geistgott, sondern was man empfindet dem Vater, dem Sohne, dem Geiste gegenüber. So daß immer in den Seelengründen waltet:
Gott nicht erkennen, ist eine Krankheit; Christus nicht erkennen ist ein Schicksal, ein Unglück; den Geist nicht erkennen ist eine Beschränktheit der Menschenseele.
De Tien Geboden staan in het Oude Testament, maar de ernst van de zaak moet altijd duidelijk worden gemaakt. Ik heb altijd benadrukt dat daarin ook staat dat de naam van God niet ‘ijdel’ mag worden uitgesproken. Dat wordt door bijna iedereen die vanaf de spreekstoel preekt overtreden, wanneer de naam van Christus voortdurend ‘ijdel’ wordt gebruikt. Natuurlijk moet dit allemaal gevoelsmatig worden verdiept. Religieus onderwijs zou überhaupt gegeven moeten worden, niet in de vorm van een leer, maar in gevoelsverdieping. De Geloofsbelijdenis als zodanig is niet het belangrijkste, maar wat wordt gevoeld in het Credo; niet het geloof in de Vader God, in de Zoon God, in de Geest Gods, maar wat men voelt bij de vader, de zoon, de geest. Dus dat altijd in de diepte van de ziel aanwezig is:
God niet kennen, is een ziekte; Het niet erkennen van Christus is een lot, een ongeluk; Het niet kennen van de geest is een beperking van de menselijke ziel.
X.: Soll man das Historische den Kindern nahebringen: den Gang der Zarathustra-Individualität bis zur Offenbarung des Christentums? Die Geschichte von den beiden Jesus-Knaben?
X.: Moeten we kinderen iets leren over de geschiedenis: de ontwikkeling van Zarathoestra’s individualiteit tot aan de openbaring van het christendom? Het verhaal van de twee Jezuskinderen?
Dr. Steiner: Man muß den Religionsunterricht abschließen, indem man den Kindern diese Zusammenhänge beibringt, selbstverständlich sehr vorsichtig. Die erste Stufe ist durchaus mehr Naturreligion, die zweite mehr historische Religion.
Je moet het godsdienstonderwijs afsluiten door de kinderen deze verbanden te leren, uiteraard heel zorgvuldig. De eerste fase is beslist meer natuurlijke religie, de tweede meer historische religie.
X.: Für den Naturgeschichtsunterricht ist auch wohl die Zweckmäßigkeitslehre zu vermeiden? Der Schmeilsche Leitfaden für Botanik und Zoologie — der ist teleologisch.
[4] X.: Moet de doelmatigheidsheorie ook vermeden worden in de biologielessen? De Schmeil-gids voor plantkunde en dierkunde-het is teleologisch. (kortweg: met een doel)
Dr. Steiner: Bei den Büchern bitte ich durchaus zu berücksichtigen, daß ich sie nur betrachtet wissen möchte zu Ihrer Information bezüglich der Tatsachen. Sie können schlechtweg voraussetzen, daß die Methoden, die da drinnen befolgt sind, auch in der Anschauungsweise, durchaus von uns zu vermeiden sind. Bei uns müssen eben alle Dinge wirklich neu werden. Diese schrecklichen Dinge, die man nur so charakterisieren kann: Der gute Gott hat den Kork erschaffen,
Als het om boeken gaat, zou ik u willen vragen er rekening mee te houden dat ik er alleen maar meer over wil weten voor uw informatie over de feiten. Je kunt er gewoon vanuit gaan dat we de werkwijzen die daarin worden gevolgd, ook in de manier van kijken, absoluut moeten vermijden. Bij ons moet echt alles nieuw. Deze vreselijke dingen die men alleen maar zo kan karakteriseren: De goede God schiep de kurk,
Blz. 106
damit man Champagnerpfropfen daraus machen kann —, diese Gesinnung, die natürlich solche Bücher ganz durchdringt, die müssen wir vollständig vermeiden. Für uns sind diese Bücher nur da, damit wir uns über die Tatsachen informieren. So ist es auch in der Geschichte. Da ist nicht minder alles Kohl, was an Urteil hineingeflossen ist. In der Naturgeschichte erst recht. Es scheint mir zum Beispiel nicht schlimm, wenn man den Brehm verwenden würde, wenn solche Dinge aktuell werden sollten. Im Brehm sind solche Trivialitäten vermieden. Er ist ja ein bißchen spießig. Es wäre ganz gut, wenn man solche Dinge herausschreiben würde, und die Erzählungen dabei mehr zugrunde legen würde. Das würde vielleicht das beste sein. Er ist ja philiströs geschrieben, der alte Brehm; der neue kommt nicht in Betracht, der ist wiederum von einem Modernen bearbeitet. Sie können ungefähr annehmen, daß alles, was vom Jahre 1885 an an Schulbüchern erzeugt worden ist, schlechtes Zeug ist. Seit jener Zeit ist alle Pädagogik in der furchtbarsten Weise zurückgegangen und in die Phrase hineingekommen.
zodat je er champagnekurken van kan maken – deze teneur, die zulke boeken natuurlijk helemaal doordringt, moeten we volledig vermijden. Voor ons zijn deze boeken er gewoon zodat we ons op de hoogte kunnen stellen van de feiten. Voor geschiedenis is het hetzelfde. Daar is niet minder aan onzin in gekomen. Bij biologie pas echt. Het lijkt mij bijvoorbeeld niet erg als je de Brehm gebruikt, wanneer zulke dingen aan de orde zouden komen. In de Brehm zijn dergelijke trivialiteiten vermeden. Hij is een beetje burgerlijk. Het zou heel goed zijn als je dit soort dingen zou uitschrijven en daarbij dan meer verhalen naar voren halen. Dat zou misschien wel het beste zijn. Het is wat schoolmeesterachtig geschreven die oude Brehm; de nieuwe komt niet in aanmerking, die is weer op een moderne manier bewerkt. Je kunt er grofweg vanuit gaan dat alles wat vanaf 1885 aan schoolboeken is geproduceerd, slecht in elkaar zit. Vanaf die tijd is alle pedagogie op de meest verschrikkelijke manier achteruitgegaan en in loze woorden uitgemond.
X.: Wie muß man in der Naturgeschichte den Menschen durchnehmen? Wie soll man das in der 4. Klasse anfangen?
[5] X.: Hoe moeten we de mens in de biologie behandelen? Hoe moet je hiermee beginnen in de 4e klas?
Dr. Steiner: Für den Menschen finden Sie fast alles irgendwie in meinen Zyklen zerstreut. Es ist fast alles irgendwo gesagt. Und dann ist ja auch vieles im Seminarkursus angedeutet. Sie brauchen es nur umzusetzen für die Schule. Die Hauptsache ist, daß Sie sich an die Tatsachen halten, aber auch an die Tatsachen psychologischer und spiritueller Art. Sie nehmen zunächst den Menschen durch nach der Formung des Knochensystems; da können Sie ja nicht unsicher sein. Dann gehen Sie über zum Muskelsystem, zum Drüsensystem. Am Muskelsystem bringen Sie den Kindern bei den Begriff des Willens, am Nervensystem den Begriff des Denkens. Also halten Sie sich an das, was Sie aus der Anthroposophie kennen. Es ist notwendig, daß Sie sich ja nicht beirren lassen durch ein heutiges schablonenmäßiges Buch. Nehmen Sie sich sogar lieber — Sie brauchen ja nicht für Ihre 4. Klasse etwas, was „auf der Höhe der Wissenschaft” steht — eine ältere Beschreibung und halten Sie sich daran. Alle diese Dinge sind, wie gesagt, spottschlecht geworden, seit den achtziger Jahren. Aber in den Zyklen finden Sie überall Anhaltspunkte.
Voor de mens kun je op de een of andere manier bijna alles verspreid vinden in mijn cycli. [de toen tot dan toe verschenen voordrachten]. Bijna alles wordt wel ergens gezegd. En dan is er ook veel in de cursus [zie Rudolf Steiner over dierkunde] behandeld. U moet het alleen veranderen voor in de school. Het belangrijkste is dat u zich aan de feiten houdt, maar ook aan de psychologische en spirituele feiten. U behandelt de mens eerst naar hoe de botten gevormd zijn; daar hoef u zich niet onzeker bij te voelen. Dan gaat u over naar het spiersysteem, het kliersysteem. Aan het spiersysteem kun je de kinderen het begrip van de wil uitleggen, aan het zenuwsysteem het begrip van het denken. Houd u aan wat u uit de antroposofie weet. Het is noodzakelijk dat u zich niet laat misleiden door de stereotype boeken van vandaag. Neem liever – u hebt het voor uw 4e klas niet nodig dat iets “op wetenschappelijke hoogte’ staat – een oudere beschrijving en houd u daaraan. Al deze dingen zijn, zoals ik al zei, sinds de jaren tachtig erg slecht geworden. Maar overal in de cycli vind aanwijzingen.
X.: Ich habe hier eine Tabelle der geologischen Formationen zusammengestellt im Anschluß an das gestern Gesagte.
X.: Ik heb een tabel met geologische formaties samengesteld naar aanleiding van wat gisteren* werd gezegd.
Blz. 107
Sie dürfen da nie pedantisch parallelisieren. Ja, wenn Sie zu der Primitivform, zum Urgebirge, gehen, haben Sie die polarische Zeit. Die paläozoische entspricht der hyperboräischen Epoche, auch da dürfen Sie nicht pedantisch die einzelnen Tierformen nehmen. Dann haben Sie das mesozoische Zeitalter dem lemurischen im wesentlichen entsprechend. Dann die erste und zweite Säugetierfauna oder das känozoische Zeitalter, das ist das atlantische Zeitalter. Das atlantische ist nicht älter als etwa neuntausend Jahre. — Diese fünf Zeitalter, das primitive, paläozoische, mesozoische, känozoische, anthropozoische können Sie also geradezu parallelisieren, aber nicht pedantisch.
[6] Je moet dingen nooit op pedante wijze parallelliseren. Ja, als u naar de primitieve vorm gaat, naar de oergebergten, heb je de polaire tijd. Het Paleozoïcum komt overeen met het Hyperboreïsche tijdperk, ook hier moet je niet pedant de individuele diervormen nemen. Dan heb je het Mesozoïcumin in essentie dienovereenkomstig met het Lemurische tijdperk. Dan de eerste en tweede zoogdierfauna of het Cenozoïcum, dat is het Atlantische tijdperk. Dat is niet ouder dan ongeveer negenduizend jaar. — Je kan deze vijf tijdperken feitelijk parallelliseren: het primitieve, het Paleozoïcum, Mesozoïcum, Cenozoïcum en Antropozoïcum, maar niet pedant.
X.; Es ist einmal gesagt, daß die Abzweigung der Fische und die Abzweigung der Vögel gewöhnlich nicht richtig angegeben werden, zum Beispiel bei Haeckel.
X; Er is ooit gezegd dat de aftakking van de vissen en de aftakking van de vogels meestal niet correct vermeld worden , bijvoorbeeld bij Haeckel.
Die Abzweigung der Fische wird allerdings etwas zurückgeschoben im Devonschen Zeitalter.
De aftakking van de vissen wordt enigszins teruggeschoven naar het Devoon.
X.; Wie sieht der Mensch in diesem Zeitalter aus?
X.; Hoe ziet de mens er in deze tijd uit?
Im primitiven Zeitalter ist er fast ganz noch von ätherischer Substantialität. Er lebt zwischen den anderen Erscheinungen. Er hat noch keine Dichte. Er wird dichter im hyperboräischen Zeitalter. Nur diese Tierformen, die eigentlich der Niederschlag sind, die leben. Der Mensch lebt auch, nicht in geringer Kraft, er hat eine ungeheure Kraft. Aber er hat nichts an sich von einer Substanz, die zurückbleiben könnte. Daher gibt es keine Überreste. Er lebt durch die ganzen Zeitalter hindurch und bekommt erst etwa im känozoischen Zeitalter äußere Dichte. Wenn Sie sich erinnern, wie ich das lemurische Zeitalter beschrieben habe, das sind fast ätherische Landschaften. Das ist alles da, aber es sind keine geologischen Überreste da. Aber wollen Sie das berücksichtigen, daß eigentlich hier durch alle fünf Zeitalter überall schon Mensch ist: Mensch ist überall. Dann hier (Dr. Steiner demonstriert an der Tabelle) im ersten Zeitalter (Primitivform) ist außer dem Menschen eigentlich noch nichts anderes vorhanden; das sind nur geringfügige Überreste. Da ist Eozoon canadense eigentlich mehr Formation, etwas, was sich als Figur bildet; das ist nicht ein wirkliches Tier. Dann hier in der hyperboräisch-paläozoischen Zeit tritt das Tierische schon auf, aber in Formen, die später nicht mehr erhalten sind. Hier in der lemurisch-mesozoischen Zeit tritt das Pflanzenreich auf, und hier tritt in der Atlantis, in der känozoischen Zeit, das Mineralreich auf; eigentlich schon in der letz-
In de primitieve tijd is deze nog steeds vrijwel geheel etherisch van aard. Hij leeft tussen de andere verschijnselen. Er is nog geen verdichting. Hij wordt dichter in het Hyperboreïsche tijdperk. Alleen de dierlijke vormen, die feitelijk de neerslag zijn, leven. De mens leeft ook, niet met weinig kracht, hij heeft een enorme kracht. Maar hij heeft niets aan zich van substantie die achter zou kunnen blijven. Daarom zijn er dus geen overblijfselen. Hij leeft gedurende al die tijdperken en krijgt pas rond het Cenozoïcum een externe dichtheid. Als u zich nog herinnert hoe ik het Lemurische tijdperk heb beschreven, zijn dit bijna etherische landschappen. Het is er allemaal, maar er zijn daar geen geologische overblijfselen. Maar wil u er rekening mee houden, dat gedurende die vijf tijdperken er al overal mensen zijn: de mens is overal. Dan hier (Dr. Steiner laat het op de tabel zien) in het eerste tijdperk (primitieve vorm) bestaat er buiten de mens bijna niets anders, daar zijn slechts kleine overblijfselen van. Eozoon canadense is eigenlijk meer een vorm, iets dat zich als een figuur vormt; dat is geen echt dier. Dan verschijnt hier in de Hyperboreïsche-Paleozoïsche periode het dierachtige al wel maar dan in vormen die later niet meer bewaard gebleven zijn. Hier in de Lemurisch-Mesozoïsche tijd verschijnt het plantenrijk, en hier in Atlantis, in de Cenozoïcumperiode, het mineralenrijk; eigenlijk al in de laatste
Blz. 108
ten Zeit hier, in diesen zwei früheren Zeitaltern schon. (In den beiden letzten Unterrassen der lemurischen Zeit.)
laatste tijd hier, in deze twee vroegere tijdperken al. (In de laatste twee onderrassen van de Lemurische periode.)
X.: Ist der Mensch schon als Kopfmensch, Brustmensch und Gliedmaßenmensch da?
X.: Zijn er al mensen als hoofd-, borst-en ledematenmens?
Dr. Steiner: Er ist ähnlich wie ein Kentaur. Stark tierischer Unterleib und vermenschlicht der Kopf.
Hij lijkt op een centaur. Een sterk dierachtig onderlijf en een vermenselijkt hoofd.
X.: Man hat fast den Eindruck, als wäre es eine Zusammensetzung, eine Symbiose aus drei Wesenheiten.
X.: Je krijgt bijna de indruk dat het een compositie is, één symbiose van drie entiteiten.
Dr. Steiner: So ist es auch.
Dat is ook zo.
X.: Wie ist es möglich, daß dann im Karbon Pflanzenreste sind?
X.: Hoe kan het dat er plantenresten in het Carboon aanwezig zijn?
Das sind keine Pflanzenreste. Was da so ausschaut wie Pflanzenreste, das ist dadurch entstanden, daß zum Beispiel der Wind weht und ganz bestimmte Hemmungen findet. Sagen wir, der Wind weht und bringt so etwas wie Pflanzenformen hervor, die sich geradeso erhalten haben wie der Tritt der Tiere. (Hyperboräisches Zeitalter.) Es ist eine Art Pflanzenkristallisation. Es ist eine Einkristallisierung mit Pflanzenformen.
Dit zijn geen plantenresten. Wat eruit ziet als plantenresten, is ontstaan doordat bijvoorbeeld de wind waait en heel bepaalde weerstanden ondervindt. Laten we zeggen de wind waait en vormt zoiets als plantvormen, net als de voetstappen van dieren. (Hyperboreïsch tijdperk.) Het is een soort plantenkristallisatie. Het is een kristallisatie met plantvormen.
X.: Also die Bäume, die existierten gar nicht?
X.: Dus de bomen bestonden niet eens?
Dr. Steiner: Nein, die sind als Baumformen vorhanden gewesen. Die ganze Flora der Karbonzeit ist nicht physisch vorhanden. Denken Sie sich einen Wald, der eigentlich in seiner Ätherform vorhanden ist, und der daher in bestimmter Weise den Wind aufhält. Dadurch bilden sich da in der Form fast Stalaktiten. Was sich bildet, das sind nicht Überreste von Pflanzen. Da bilden sich Formen einfach durch die Konfiguration, die da entsteht durch Elementarwirkungen. Das sind nicht wirkliche Überreste. Man kann nicht sagen, daß das so ist, wie in der Atlantis. Da haben sich dann die Sachen erhalten, und in der letzten lemurischen Zeit auch, aber in der Karbonzeit ist keine Rede davon, daß Pflanzenüberreste da sind. Nur tierische Überreste. Aber da handelt es sich auch in der Mehrzahl um solche Tiere, die nur zu parallelisieren sind mit unserer Kopfform.
Nee, ze bestonden als boomvormen. De hele flora uit het Carboon is fysiek niet aanwezig. Stel u een bos voor dat daadwerkelijk bestaat in zijn ethervorm, en die daardoor de wind op een bepaalde manier tegenhoudt. Hierdoor ontstaan er bijna in de vorm, stalactieten . Wat er wordt gevormd zijn geen resten van planten. Er ontstaan eenvoudigweg vormen door de configuratie die ontstaat door elementaire effecten. Dat zijn geen echte overblijfselen. Je kan niet zeggen dat dat het geval is in Atlantis. Toen bleven de dingen bewaard, ook op het laatst van de Lemurische periode, maar het is niet zo dat er in het Carboon over plantenresten gesproken kan worden. Alleen over dierlijke resten. Maar het grootste deel hiervan zijn dieren die alleen parallel te denken zijn met onze vorm van het hoofd.
X.: Wann richtete sich der Mensch auf? Man kann den Punkt nicht einordnen.
X.: Wanneer richtte de mens zich op? Je kunt het punt niet classificeren.
Dr. Steiner: Das ist doch nicht gut, wenn Sie sich diese Vorstellungen so festnageln. Denn, nicht wahr, manche Rasse richtete sich eben früher auf und manche später. Man kann nicht den bestimmten Punkt festnageln. So ist es in der Wirklichkeit nicht.
Het is niet goed om je zo op deze voorstellingen vast te leggen. Want nietwaar, sommige rassen gaan gewoon eerder rechtop lopen en soms later. Je kan dat bepaalde tijdstip niet vastpinnen. Zo is het in werkelijkheid niet.
Blz. 109
X.: Wenn das Pistill dem Monde zugeordnet ist, die Narbe der Sonne, wie drückt sich da die Bewegung von Sonne und Mond aus?
[7] X.: Als de stamper wordt toegewezen aan de maan, de stempel aan de zon, hoe manifesteren de beweging van zon en maan zich dan? [hierover ging het in deze vergadering blz. 90, 93, 94]
Dr. Steiner; Sie müssen sich die Sache so vorstellen. (Es wird gezeichnet.) Die Narbe geht nach oben, das wäre die Sonnenbahn; und das Pistill bewegt sich ringsherum, da ist man in der Mondenbahn darinnen. Da haben wir ein Abbild dieser Sonnen-Erdenbahn, die ich gestern aufgezeichnet habe. Der Mond bewegt sich aber um die Erde. Der ist im Pistill drinnen. (Dr. Steiner demonstriert an der Zeichnung.) Das erscheint daher so, die Mondenbahn, die auch natürlich so herumgeht, aber nicht in gerader Linie für die Verhältnisse erscheint. Die Sonnenbahn ist die Narbe. Dieser Kreis ist eine Nachbildung der Spirale, die ich gestern gezeichnet habe. Es ist auch eine Spirale, eine Schraube.
U moet er op deze manier over nadenken. (Er wordt getekend.) De stempel gaat naar boven, dat is de zonnebaan; en de stamper beweegt eromheen, dan zit je in de baan van de maan. Daar hebben we een beeld van deze baan zon – aarde, die ik gisteren heb laten zien. Maar de maan beweegt om de aarde. Die zit in de stamper. (Dr. Steiner demonstreert dit met de tekening.) Daarom lijkt de baan van de maan die natuurlijk zo rond gaat, maar niet in verhouding in een rechte lijn. De baan van de zon is de stempel. Deze cirkel is een replica van de spiraal die ik gisteren tekende. Het is ook een spiraal, een schroef.
X.: Wir haben gehört, daß die Temperamente mit dem Übergewicht der einzelnen Leiber zusammenhängen. Im Zyklus 20 ist nun die Rede davon, daß ein Übergewicht besteht des physischen Leibes gegenüber dem Ätherleib, des Ätherleibes gegenüber dem Astralleib, des Ich gegenüber dem Astralleib. —Ist hier ein Zusammenhang mit den Temperamenten? — Im 18. Zyklus ist eine Figur erwähnt, die gibt das richtige Verhältnis der Leiber an.
[8] X.: We hebben gehoord dat temperamenten verband houden met het overwicht van de te onderscheiden ‘lijven’. In cyclus 20 wordt nu gezegd dat er een overheersing van het fysieke lichaam is over het etherlijf; van het etherlijf over het astraallijf, van het Ik over het astraallijf. —Bestaat hier een samenhang met de temperamenten? In cyclus 18 staat een tekening die de juiste verhouding van de wezensdelen aangeeft. [cyclus 18 is nu GA 129 niet vertaald cyclus 20: GA 134 vertaald]
Dr. Steiner: Das gibt das Kräfteverhältnis an.
Dat geeft de krachtsverhoudingen aan.
X.: Ist da weiter eine Beziehung zu den Temperamenten?
X.: Bestaat er verder nog een relatie met temperamenten?
Dr. Steiner: Keine andere, als die im Seminarkurs angegeben wurde .
Niets anders dan wat er in de cursus werd aangegeven.
X.: Es wurde gesagt, daß Melancholie durch ein Übergewicht des physischen Leibes entsteht. Ist das ein Übergewicht des physischen Leibes über den Ätherleib?
X.: Er wordt wel gezegd dat melancholie wordt veroorzaakt door een overheersing van het fysieke lichaam. Is dit een overheersing van het fysieke lichaam over het etherlijf?
Dr. Steiner: Nein, überhaupt ein Übergewicht über die anderen Leiber.
Nee, eigenlijk een overwicht op de anderen lijven.
Es wird gefragt nach einem Elterntag.
[9] Er wordt gevraagd naar een dag voor de ouders.
Dr. Steiner: Er sollte schon vorhanden sein, aber es wäre gut, wenn er nicht allzuoft wäre, sonst versickert das Interesse und die Eltern kommen nicht mehr. Es muß so eingerichtet werden, daß die Eltern auch wirklich kommen. Wenn er zu oft ist, würde es eine übel empfundene Sache. Man sollte gerade in bezug auf Schuleinrichtungen keine Projekte machen, die nicht erfüllt werden. Man sollte sich nur vornehmen, was auch wirklich geschehen kann. Dreimal im Jahr einen Elterntag ansetzen, das würde ich für gut finden. Dann würde ich aber vorschlagen, daß er möglichst feierlich behandelt wird, daß also Karten gedruckt werden und allen einzelnen Eltern diese Karten zugeschickt werden. Vielleicht könnte man es so einrichten, daß man den ersten so im Anfang des Schuljahres festsetzt; mehr als Courtoisie, damit man mit den Eltern wiederum in Kontakt kommt. Dann in der Mitte des Schuljahres einen Elternabend und einen am Ende des Schuljahres. Die beiden letzten sind dann die eigentlich maßgebenden. Der erste ist nur eine Courtoisie. Man könnte die Kinder ja etwas deklamieren lassen, etwas Eurythmie machen lassen und so weiter.
Die zou er al moeten zijn, maar het zou goed zijn als het niet te vaak is, anders verslapt de interesse en dan komen de ouders niet meer. Het moet zo worden opgezet dat de ouders ook echt komen. Als het te vaak gebeurt, zou het een slechte zaak worden. Wat schoolzaken betreft, moeten we geen projecten opzetten die niet waar gemaakt kunnen worden. We moeten ons alleen voornemen wat werkelijk uitgevoerd kan worden. In drie keer per jaar een dag voor de ouders organiseren, kan ik me heel goed vinden. Dan stel ik mij echter zo voor dat die feestelijk van opzet is, dat er kaarten worden gedrukt die alle ouders ontvangen. Misschien kunnen we het zo opzetten dat we de eerste organiseren aan het begin van het schooljaar; meer een vorm van beleefdheid, zodat we met de ouders opnieuw in contact kunnen komen. Dan een ouderavond in het midden van het schooljaar Een ouderavond tijdens het schooljaar en één aan het einde van het schooljaar. De laatste twee zijn eigenlijk de belangrijkste. De eerste is slechts uit beleefdheid. Je zou de kinderen iets kunnen laten opzeggen, wat euritmie doen enzovoort.
Elternsprechstunden kann man einrichten; das ist ganz gut. Im allgemeinen werden Sie ja wahrscheinlich die Erfahrung machen, daß sich die Elternschaft zu wenig kümmert, außer die anthroposophischen Eltern.
[10] U kunt ouder-leraarspreekuren instellen; dat is best goed. Over het algemeen zal je waarschijnlijk ervaren dat de ouders daar niet genoeg mee bezig zijn, behalve de antroposofische ouders.
X. bittet, ihm etwas zu sagen über die Popularisierung der Geisteswissenschaft, besonders in bezug auf die Nachmittagskurse für Arbeiter.
[11] X. vraagt hem iets te vertellen over de popularisering van de geesteswetenschap, vooral in relatie tot de middagcursussen* voor arbeiders.
Dr. Steiner: Nun, diese Popularisierung muß sich mehr darauf beziehen, den richtigen Gang einzuhalten. Ich bin im allgemeinen nicht dafür, daß man das Popularisieren durch Trivialisierung bewirkt. Ich meine also, daß man zunächst das Buch ,,Theosophie” zugrunde legt und von Fall zu Fall herauszukriegen versucht, was ein bestimmtes Auditorium schwer oder leicht versteht. Sie werden sehen, daß die letzte Auflage der „Theosophie” viele Winke enthält, gerade wenn man sie als Lehrstoff vorträgt. Dann würde ich übergehen zu der Besprechung einzelner Partien von „Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? “, aber niemals mit der Tendenz, daß die Leute Hellseher werden sollen. Sie sollen sich nur informieren über die Wege des Hellsehers, so daß sie es wissen, auf welche Weise man zu
Nou, deze popularisering moet meer gaan over het houden van de juiste koers. Over het algemeen ben ik geen voorstander van popularisering door middel van trivialisering. Ik denk dus dat eerst het boek ‘Theosofie’ [GA 9, vertaald] als basis moet worden genomen en van geval tot geval proberen te vinden wat een bepaald publiek moeilijk of gemakkelijk te begrijpen vindt. U zal zien dat de laatste uitgave van “Theosofie” veel aanwijzingen bevat, vooral als je het gebruikt als lesmateriaal. Dan zou ik verder mee gaan met bespreking een paar delen van “De weg tot inzicht in hogere werelden? ” [GA 10, vertaald] , maar nooit met de neiging dat mensen helderziend moeten worden. Ze hoeven zich alleen maar te informeren over de weg van de helderziende, zodat ze weten op welke manier je
Blz. 111
diesen Wahrheiten kommt. Sie sollen das Gefühl bekommen, durch gesunden Menschenverstand kann man begreifen und wissen, auf welchen Wegen diese Dinge erfaßt werden. Dann kann man richtig populär behandeln ,,Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit”. Das wären für eine populäre Darstellung die drei Bücher. Im übrigen muß man sich nach dem Auditorium richten.
deze waarheden komt. Ze moeten het gevoel krijgen dat je door een gezond verstand kan begrijpen en weten langs welke wegen deze dingen te bereiken zijn. Dan kun je ‘De geestelijke leiding van mens en mensheid‘ [GA 15, vertaald] op een populaire manier aan de orde stellen. Voor een populaire aanpak zouden dat de drie boeken zijn. Voor het andere moet je naar het publiek luisteren.
Es wird noch über einzelne Kinder gesprochen.
Er worden nog een paar individuele kinderen besproken.
Dr. Steiner: Das Wichtigste ist, daß immer Kontakt da ist, daß der Lehrer mit den Schülern eine richtige Einheit bildet. Das ist im Grunde genommen fast durch alle Klassen hindurch in sehr schöner, erfreulicher Weise vorhanden gewesen. Ich war sehr erfreut über die Sache. Ich kann Ihnen sagen, ich werde viel, auch wenn ich nicht da bin, an diese Schule herdenken. Denn, nicht wahr, wir müssen ja alle durchdrungen sein: Erstens von dem Ernst der Sache. Es ist eine ungeheuer wichtige Sache für uns gerade. Zweitens müssen wir durchdrungen sein von der Verantwortung, die wir tragen, sowohl der Anthroposophie gegenüber wie der Kulturbewegung gegenüber, der sozialen Frage gegenüber. Und dann drittens das, was wir als Anthroposophen besonders uns vorhalten müssen: die Verantwortung gegenüber den Göttern.
[12] Het belangrijkste is dat er altijd contact is, dat de leraar met de leerlingen een echte eenheid vormt. Dit is kortom, bijna in alle klassen op een heel mooie, vreugdevolle manier aanwezig. Daar was ik erg blij mee. Ik kan u zeggen, ook als ik er niet ben, dat ik veel aan deze school moet denken. Want ja, we moeten allemaal doordrongen zijn: In de eerste plaats van de ernst van de zaak. Het is een ongelooflijk belangrijke zaak voor ons op dit moment. Ten tweede moeten we doordrongen zijn van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt, zowel wat de antroposofie betreft, als ook de culturele beweging en wat het sociale vraagstuk betreft. En dan ten derde wat wij als antroposofen vooral onszelf moeten voor houden: de verantwoordelijkheid naar de goden.
Wir müssen durchaus innerhalb der Lehrerschaft daran festhalten, daß wir Menschen nicht um unserer selbst willen da sind, sondern um die göttlichen Pläne mit der Welt zu verwirklichen. Halten wir uns das vor, daß wir eigentlich, indem wir das eine oder andere tun, die Intentionen der Götter ausführen, daß wir gewissermaßen die Gehäuse sind, um das zu verwirklichen, was als Strömungen herunterfließt und sich verwirklichen will in der Welt; daß wir keinen Augenblick ermangeln, den ganzen Ernst und die ganze Würde zu empfinden. Empfinden Sie diese Würde, diesen Ernst, diese Verantwortung. Ich werde Ihnen mit solchen Gedanken entgegenkommen. Wir werden uns mit solchen Gedanken begegnen. Das wollen wir heute noch als unsere Empfindung aufnehmen und in diesem Sinne eine Weile auseinandergehen, und dann uns immer wiederum geistig treffen, um die Kraft zu bekommen für dieses wirklich große Werk.
Dit moeten we zeker vasthouden binnen de lerarengroep, dat wij mensen er niet zijn voor onszelf, maar om de goddelijke plannen met de wereld te verwezenlijken. Laten we onszelf voorhouden dat we daadwerkelijk, door het een of het ander te doen, de bedoelingen van de goden uitvoeren, zodat wij als het ware de omhulsels zijn voor het realiseren van wat als stromingen van hoger hand naar ons toekomt en in de wereld gerealiseerd wil worden; dat we geen ogenblik nalaten alle ernst en waardigheid te voelen. Voel deze waardigheid, deze ernst, deze verantwoordelijkheid. Ik zal u met zulke gedachten tegemoet treden. Wij zullen elkaar met zulke gedachten ontmoeten. Dat willen we vandaag nog als ons gevoel in ons opnemen en hiermee een poos uit elkaar gaan, om dan altijd weer elkaar in de geest te ontmoeten om de kracht te krijgen voor dit werkelijk belangrijke werk. GA 300A/96-111
Man sollte ein Verständnis dafür haben, daß man ja auch nicht ein besonderes Malen für die Kinder einzurichten habe; sondern wenn man findet, daß die Kinder ins Malen in irgendeiner Weise hineinwachsen sollen, dann müssen die Prinzipien aus der lebendigen Malkunst heraus, nicht aus einer pädagogisch besonders zurechtgeschusterten Methode gemacht werden. Es muß das wirklich Künstlerische dann in die Schule hineingetragen werden, nicht ein wiederum verstandesmäßig Ausgedachtes.
Je zou er begrip voor moeten hebben dat je ook niet een bijzonder soort schilderen voor de kinderen moet inrichten; integendeel, als je vindt dat de kinderen op de een of anderemanier vertrouwd moeten raken met het schilderen, dan moeten de principes vanuit de levende schilderkunst, niet uit een pedagogisch speciaal in elkaar geflanste methode worden opgesteld. Dan moet het werkelijk kunstzinnige in de school worden gebracht, niet iets wat weer verstandsmatig uitgedacht is. GA 307/235-236 Opvoeden en moderne cultuur/303
Zur Ausstellung von künstlerischen und kunstgewerblichen Arbeiten der Waldorfschüler
Bij de tentoonstelling van het werk op het gebied van kunst en kunstnijverheid van de leerlingen van de vrijeschool op
Illkley, 8 augustus 1923
Blz. 264 vert. 303
Und so scheuen wir nicht davor zurück, die kleinsten Kinder damit beginnen zu lassen, aus dem Farbigen heraus irgendwie Formen zu schaffen. Das Kind bekommt merkwürdig schnell einen Sinn für die Behandlung der Farben, bekommt auch merkwürdig schnell für die Harm nisierung, die Nebeneinanderstellung der Farben einen Sinn. Und Sie sehen hier an den verschiedenen Proben kindlicher Malerei, wie versucht worden ist, einfach dadurch, daß das Kind die Farben erlebt, den malerischen Sinn, das künstlerische Empfinden aus der Seele des Kindes herauszuholen. Es ist sehr leicht, das Kind dahin zu bringen, daß man es irgendwie eine Farbfläche auftragen läßt, dann einfach in
En zo deinzen we er niet voor terug om de kleinste kinderen ermee te laten beginnen om vanuit de kleuren op de een of andere wijze vormen te creëren. Het krijgt opmerkelijk snel gevoel voor de behandeling van de kleuren, krijgt ook opmerkelijk snel gevoel voor de harmonisering, het naast elkaar zetten van de kleuren. En u ziet hier aan de verschillende proeven van schilderwerk van kinderen hoe geprobeerd is om, gewoon doordat het kind de kleuren beleeft, het kunstzinnige gevoel uit de ziel van het kind te voorschijn te halen. Het is erg gemakkelijk om het kind ertoe te bewegen, nadat men het op de een of andere manier een kleurvlak laat opbrengen, dan eenvoudig in
Blz. 265 vert. 339
die Nachbarschaft hinbringen läßt andere Farben, die damit harmonieren. So daß man zunächst nur das Farberleben auf dem Papier hat, daß man zunächst nur, sagen wir, das Gelb neben dem Rot, neben dem Violett erleben läßt. Es werden dann, wenn das Kind in dieser Weise die Farbe erlebt, von selbst Formen; es wird von selbst Figurales. Die Farbe fordert Figurales. Und wenn man dann weiter das Farberleben treiben will, so kann man mit verhältnismäßig noch nicht sehr alten Kindern schon das folgende versuchen: Man läßt, sagen wir, solch eine gelbe Fläche machen (es wird an die Tafel gemalt), die andere Farbe in Harmonie dazu, und dann sage ich dem Kinde: jetzt werde ich, statt daß ich hier (innen) gelb mache, nun blau machen… und das Kind hat nun die anderen Farben alle in der entsprechenden Weise aufs Papier zu bringen. So daß es also, wenn es hier (innen) nun blau hat statt gelb, alle anderen Farben ändern muß, aber so, daß alle anderen Farben in einer ebensolchen Harmonie zu dem Blau stehen wie hier zu dem Gelb. Das ist etwas, was in einer ungeheuer starken Weise das ganze innere Erleben des Kindes mit sich reißt. Das Kind wird innerlich lebendig. Das Kind bekommt ein Verhältnis zur Welt dadurch. Und manche Lehrkräfte verbinden dann den ganzen Menschen im Kinde mit dem, was sie da aufs Papier bringen lassen.
de buurt daarvan andere kleuren laat aanbrengen die daarmee harmoniëren zo, dat we eerst alleen het kleurbeleven op het papier hebben, dat we eerst alleen, laten we zeggen, het geel naast het rood, naast het violet laten beleven. Het worden dan, als het kind op die wijze de kleur beleeft, vanzelf vormen; het wordt vanzelf iets figuraals. De kleur vraagt om iets figuraals. En als we dan het kleurbeleven verder willen voortzetten, kunnen we met verhoudingsgewijs nog niet heel oude kinderen al het volgende proberen. Je laat, laten we zeggen, zo’n geel vlak maken [het wordt op het bord getekend]*, de andere kleur in harmonie erbij, en dan zeg ik tegen het kind: nou zal ik, in plaats van dat ik het hier [binnen] geel maak, nu blauw maken … en het kind moet nu de andere kleuren allemaal op overeenkomstige wijze op papier aanbrengen. Zodat het kind dus, als het hier [binnen] nu blauw in plaats van geel is, alle andere kleuren veranderen moet, maar zodanig dat alle andere kleuren in net zo’n harmonie tot het blauw staan als hier tot het geel. Dat is wat op een reusachtig sterke manier het hele innerlijk beleven van het kind meeneemt. Het kind wordt innerlijk levend. Het kind krijgt een verhouding tot de wereld daardoor. En menige leerkracht verbindt dan de hele mens in het kind met wat hij daar op het papier laat zetten. GA 307/264-265 Opvoeden en moderne cultuur/339
*Die voorbeelden zijn in de GA niet weergegeven. Maar het zou zoiets geweest kunnen zijn:
.
Zie andere voorbeelden – in andere context gebruikt – indit artikel . .
De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]
RUDOLF STEINER OVER SPRAAK
DE MEDEKLINKERS
Leidraad is een karakterisering van de ziel:
Maar begrijpen zullen we de taal* pas als we haar werkelijk beschouwen als primair verankerd in het menselijk gevoel.
Steiner zegt het nog een keer, voor hij in detail verder gaat.
Blz. 25 vert. 36
Nun ist tatsächlich die Sprache zwiefach verankert im menschlichen Fühlen.
Nu is de taal in feite op tweevoudige wijze in het menselijk voelen verankerd.
*”Taal’ is hier als vertaling van ‘Sprache’ genomen; het had dus ook vertaald kunnen worden met ‘spraak’ van het werkwoord ‘sprechen’ – spreken.
Dat ‘tweevoudig’ zijn we al tegengekomen in sympathie en antipathie; in vocaal en consonant en dat wordt nu verder uitgewerkt.
Nu over de medeklinkers. Als het om ‘spreken’ gaat en je wil iets nader ingaan op de klinkers en medeklinkers, kan dat eigenlijk niet los van elkaar. Ik heb dat in het artikel over de klinkers wel enigszins geprobeerd, maar ook daar ging het ook steeds over de consonanten. Ik ga dus nu weer dezelfde tekst gebruiken. Die is tussen<1> en <1> te vinden en is de noodzakelijke begintekst van dit artikel. Daaruit nog eens een karakterisering van de medeklinker:
Konsonanten sind zurückgehaltene Gebärden, nicht sichtbar werdende Gebärden, die aber in ihrem Inhalt durchaus dasjenige erfassen, was äußerlich im Rollen des Donners, im Zucken des Blitzes, im Hinrollen des Windes und so weiter erlebt werden kann. Ein inneres Sichhineinversetzen in die äußeren Dinge ist vorhanden, indem der Konsonant erlebt wird. Man will eigentlich, wenn ich mich so ausdrücken darf, durch Gebärden nachahmen, was äußerlich lebt und webt; man hält die Gebärde zurück, sie verwandelt sich im Innern und kommt in dieser Verwandlung im Konsonanten zum Vorschein.
Consonanten zijn ingehouden gebaren, gebaren die niet zichtbaar worden, maar die in hun inhoud zeker dat grijpen wat uiterlijk ervaren kan worden in het rollen van de donder, het flitsen van de bliksem, het bulderen van de wind enzovoort. Een innerlijke empathie met uiterlijke dingen is aanwezig in wat in de consonant wordt ervaren. Men wil eigenlijk, als ik me zo mag uitdrukken, door gebaren nabootsen wat uiterlijk leeft en weeft; men houdt het gebaar tegen, het transformeert zichzelf innerlijk en in deze transformatie komt het te voorschijn in de consonant.
daß er im konsonantischen Wesen die äußere Welt nachbildet, ( )
( ) dat hij in het consonantische de uiterlijke wereld imiteert, ( ) GA 81/148-149 Niet vertaald
In GA 294, 2e voordracht
Blz. 27 vert. 37
Diesem seelischen Vorgang, der eigentlich durchaus auf dem Auswirken einer Sympathie beruht, kann die Antipathie von aussen begegnen. Das geschieht durch die Konsonanten, durch die Mitlaute. Wenn wir einen Konsonanten mit einem Vokal zusammenfügen, dann fügen wir immer Sympathie und Antipathie ineinander, und unsere Zunge, unsere Lippen und unser Gaumen sind eigentlich dazu da, um sich als Antipathieorgane geltend zu machen, um die Dinge abzuhalten. Würden wir bloß in Vokalen, in Selbstlauten sprechen, so würden wir nur hingebungsvoll sein an die Dinge. Wir würden eigentlich mit den Dingen zusammenfließen, würden sehr unegoistisch sein, denn wir würden unsere tiefste Sympathie mit den Dingen entwickeln; wir würden nur gefühlsmäßig durch die Nuancierung der Sympathie, zum Beispiel wenn wir Furcht oder Entsetzen haben, uns etwas zurückziehen von den Dingen, aber in diesem Sich-Zurückziehen von den Dingen wäre selbst noch Sympathie vorhanden. So wie sich die Selbstlaute auf das Lauten von uns selbst beziehen, so die Konsonanten auf die Dinge; da klingen die Dinge mit.
Dit proces in de ziel, dat in wezen berust op de werking van een bepaalde sympathie, kan nu op een antipathie van buitenaf stuiten.
Met ‘dit proces’ wordt bedoeld wat Steiner hiervoor over bepaalde klinkers heeft gezegd. Dat vind je hier.
Dat gebeurt door de consonanten, de medeklinkers. Wanneer we een medeklinker verbinden met een klinker, dan verbinden we altijd sympathie en antipathie met elkaar. Onze tong, onze lippen en ons verhemelte dienen er eigenlijk voor om zich als antipathie-organen te manifesteren, om dingen tegen te houden. Zouden we louter in vocalen, in klinkers spreken, dan zouden we enkel en alleen vol overgave tegenover de dingen staan. Eigenlijk zouden we samensmelten met de dingen; we zouden zeer onegoïstisch zijn, want we zouden onze diepste sympathie voor de dingen ontwikkelen. We zouden ons alleen gevoelsmatig door een nuancering van de sympathie, zoals bij angst of ontzetting, iets van de dingen terugtrekken, maar zelfs in dit terugtrekken zou nog sympathie aanwezig zijn. Zoals de klinkers verband hebben met het klinken van onszelf, zo hebben de medeklinkers verband met de dingen: de dingen klinken mede.
Blz. 28 vert. 38
Mitlaute: F, B, M und so weiter müssen aufgesucht werden als Nachahmung äußerer Dinge.
medeklinkers – f, b, m enzovoort – moeten gezocht worden als een nabootsing van dingen in de buitenwereld.
Hierna verwijst Steiner naar een voorbeeld van hoe hij een medeklinker in de eerste klas aan de kinderen leert. Dat doet hij in veel meer pedagogische voordrachten. Die voorbeelden zijnhierte vinden. Telkens gaat het erom dat er naar ‘iets’ in de buitenwereld wordt gekeken dat als beeld voor de beginklank van een woord kan staan. Hiervind je talloze voorbeelden van wat vrijeschoolleerkrachten in de loop van de tijd aan beelden hebben gebruikt.
Mitlaute werden immer auf Nachahmungen äußerer Dinge zurückgeführt werden können.
Medeklinkers kunnen altijd herleid worden tot nabootsingen van dingen in de buitenwereld.
In het artikel over de klinkers en in het inleidende artikel is er uiteraard steeds sprake van sympathie en antipathie. Daar komt Steiner telkens weer op terug:
Daher können Sie die Sprache geradezu auffassen als ein Begegnen von Antipathie und Sympathie. Die Sympathien liegen immer in den Selbstlauten, die Antipathien immer in den Mitlauten, in den Konsonanten.
Daardoor kunt u de taal [het spreken] in feite opvatten als een ontmoeting van antipathie en sympathie. De sympathieën liggen altijd in de klinkers, de antipathieën in de medeklinkers, de consonanten.
Zoals we dat telkens tegenkomen, benadert Steiner, wanneer hij een onderwerp opnieuw behandelt, het dan weer van een andere kant of voegt iets nieuws toe. Dat geheel in lijn met zijn opvatting dat we alleen iets leren wanneer wekarakteriseren i.p.v. definiëren.
In deze voordracht haalt hij er ‘het plastische’ en het ‘muzikale’ bij. Ook deze begrippen laten zich niet eenvoudig in enkele woorden vatten, maar als we telkens de verschillende nuances bestuderen, krijgen we er toch grip op.
Wir können aber die Sprachbildung noch in einer andern Weise auffassen. Wir können sagen: Was ist denn das eigentlich für eine Sympathie, zum Ausdruck kommend im Brustmenschen, so daß er die Antipathie zum Stehen bringt und der Kopf mensch sie nur begleitet? Was da zugrunde liegt, ist in Wirklichkeit Musikalisches, das über eine gewisse Grenze hinübergegangen ist. Musikalisches liegt zugrunde und geht über eine gewisse Grenze hinaus, überhupft sich gewissermaßen, wird mehr als Musikalisches. Das heißt: Soweit die Sprache aus Selbstlauten besteht, hat sie ein Musikalisches in sich; soweit sie aus Mitlauten, aus Konsonanten besteht, hat sie ein Plastisches, ein Malerisches in sich. Und im Sprechen liegt eine wirkliche Synthese, eine wirkliche Verbindung von musikalischen mit plastischen Elementen im Menschen vor.
Maar we kunnen de vorming van de taal nog op een andere manier benaderen. We kunnen zeggen: wat is dat eigenlijk voor een sympathie die tot uiting komt in de borstmens, zodat deze borstmens de antipathie tot staan brengt en alleen de hoofdmens die antipathie begeleidt? Wat daaraan ten grondslag ligt is in werkelijkheid iets muzikaals dat een bepaalde grens overschreden heeft. Ten grondslag eraan ligt iets muzikaals dat een zekere grens overschrijdt, dat als het ware zichzelf te buiten gaat en meer wordt dan muziek. Dat wil zeggen, voor zover de taal uit klinkers bestaat is ze muzikaal; voor zover ze uit medeklinkers, consonanten bestaat is ze plastisch, schilderend. In het spreken vindt er dus een werkelijke synthese plaats, een werkelijke verbinding van muzikale en plastische elementen in de mens. GA 294/28 e.v. Vertaald/37 e.v.
Dit is ook niet zo’n makkelijk stukje. In de 2e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ (de deelnemers aan de cursus hebben dat dus een paar uur eerder gehoord) is er sprake van ‘het ontmoeten van sympathie en antipathie,hiervanaf <1> En meer nog in voordracht 11. [11-3] en [11-4] Om e.e.a. concreter met elkaar te verbinden, moet ik het zelf eerst nog grondiger bestuderen.
Dat het muzikale met de klinker samenhangt en het plastische met de medeklinker, is uit een eenvoudige waarneming wel op te maken. Een klinker kun je a.h.w. zingen, dat is met een aantal medeklinkers niet het geval, verg. bv. een a met g. Talen die in hun woorden veel klinkers hebben, zoals het Italiaans, noemen we ‘zangerig’. Dat kun je van o.a. het Russisch niet zeggen.
Wanneer Steiner over het aanleren van de letters spreekt, komen de verschillen klinker – medeklinker veelvuldig aan bod. Die opmerkingen vind jehier.
Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis
De praktijk van de pedagogie bezien vanuit geesteswetenschappelijke menskunde
Voordracht 5, Dornach 19 april 1923
Blz. 96 vert. 96
In jedem Sinnesorgan schafft das Willensmäßige das innere Bild. Das Sinnesorgan, passiv, hat zunächst nur die Aufgabe, sich oder den Menschen der Außenwelt zu exponieren, aber es findet in jedem Sinnesorgan eine innere Aktivität statt, und die ist willensartiger Natur. Und dieses Willensartige wirkt beim Kinde intensiv durch den ganzen Leib bis zum Zahnwechsel hin. Dann bleibt noch dieses Willensartige vorhanden. Und dieses Willensartige erträgt nämlich zwischen dem Eintritt in die Volksschule und ungefähr dem 9. Jahr zunächst nur, daß man es in einer ganz menschlich-bildhaften Weise an alle Dinge der Natur und des Menschen heranführt. Daher arbeiten wir zum Beispiel so, daß wir in der Tat nicht ein ästhetisierendes, aber ein künstlerisches Element gerade in den ersten Unterricht hineinbringen; daß wir das Kind zum Beispiel auch schon ganz von Anfang an mit Farben hantieren lassen, trotzdem das manchmal in der Klasse recht unbequem wird. Aber wir lassen das Kind mit Farben hantieren, weil es damit
In ieder zintuigorgaan schept de wil het innerlijke beeld. Het passieve zintuigorgaan heeft als eerste slechts de taak zichzelf of de mens tegenover de buitenwereld te plaatsen, maar in ieder zintuigorgaan vindt ook innerlijke activiteit plaats en die is wilsmatig van natuur. En deze wilskracht werkt bij het kind intensief door het hele lijf tot aan de tandenwisseling. Dit wilsmatige blijft aanwezig. En dat wilsmatige verdraagt namelijk tussen het naar de basisschool gaan en ongeveer het 9e jaar alleen maar dat je het op een heel menselijke manier beeldend kennis laat maken met alles van de natuur en de mens. Vandaar dat we bijv. zo te werk gaan dat we dus niet een esthetisch element in het eerste onderwijs brengen, maar een kunstzinnig element; dat we bijv. het kind ook meteen vanaf het begin met kleuren om laten gaan, ook al gaat dat in de klas weleens wat lastig. Maar we laten het kind met kleuren omgaan, omdat het daarmee
blz. 97
seinen eigenen Bildekräften folgt im Nebeneinandersetzen der Farben, in dem Sich-Befriedigen daran, Farbe neben Farbe zu setzen, nicht bedeutungsvoll, sondern instinktiv-sinnvoll Farbe neben Farbe zu setzen. Das Kind entwickelt nämlich eine wunderbare instinktive Art, die Farben nebeneinanderzusetzen. Und man kann dann schon sehen, wie man dirigieren kann dieses Farbennebeneinandersetzen in das Zeichnen, und wie man dann aus dem Zeichnen heraus das Schreiben gewinnen kann.
zijn eigen vormkrachten volgt bij het naast elkaar zetten van de kleuren, in het plezier erin hebben om de ene kleur bij de andere te zetten, niet met een bedoeling, maar instinctief op een zinvolle manier kleur bij kleur. Het kind ontwikkelt namelijk een wonderbaarlijke instinctieve manier om kleur bij elkaar te zetten. En dan kan je al zien hoe je bij elkaar zetten van kleuren over kan leiden naar het tekenen en hoe je dan vanuit het tekenen tot schrijven kan komen. GA 306/96-97
Op deze blog vertaald/96-97
Blz. 112 vert. 112
Nun sagte ich Ihnen: wir lassen das Kind aus seinen eigenen Bildekräften heraus irgendwie malen, natürlich nicht mit Stiften, sondern mit wirklichen Farben. Dann merke ich: das Kind lebt mit den Farben. Nach und nach wird für das Kind – man muß nur selber eine Empfindung dafür haben, daß es so ist – das Blau etwas, was weggeht, nach der Ferne geht; das Gelb und Rot etwas, was herankommt. Das ist etwas, was bei dem Kinde auch schon im 7., 8. Jahr stark hervortritt, wenn man es nur nicht in diesem Alter quält mit irgendwie dressiertem Zeichnerischem und Malerischem. Wenn man das Kind freilich Häuser und Bäume malen läßt, wie sie in Wirklichkeit sind, so geht das nicht. Aber wenn man das Kind folgen läßt, so daß es das Gefühl hat: wohin ich die Hand bewege, da geht die Farbe – der Stoff der Farbe ist nur Nebensache-,
Nu zei ik tegen u: we laten het kind iets schilderen vanuit zijn eigen vormkrachten, natuurlijk niet met potloden, maar met echte kleuren. Dan merk ik op: het kind leeft met kleur. Langzamerhand wordt het voor het kind zo – je moet er alleen zelf een gevoel voor hebben dat het zo is – dat blauw is iets wat weggaat, naar de verte trekt; geel en rood zijn iets wat dichterbij komt. Dat blijkt bij het kind van 7 of 8 jaar al sterk, als je het op deze leeftijd niet met een of andere teken- of schilderdressuur kwelt. Wanneer je het kind de vrijheid geeft huizen en bomen te schilderen zoals ze in werkelijkheid zijn, dan lukt dat niet. Maar wanneer je het kind laat volgen, zodat het het gevoel heeft: waarheen ik mijn hand beweeg, daar gaat de kleur heen – de substantie van de verf is maar bijzaak –
Blz. 113 vert. 113
da lebt die Farbe auf unter den Fingern, da will sie sich fortsetzen irgendwo – wenn man das erreicht, so bekommt man etwas sehr Sinnvolles in der Seele des Kindes: Farbenperspektive. Das Kind bekommt das Gefühl, daß das rötende Gelb näherkommt, daß das Blauviolett fern und ferner geht. Da arbeitet man aus dem Intensiven heraus das, was man dann später mit dem Kinde auch erarbeiten soll: die Perspektive, die man dann in Linien durchführt. Es ist etwas furchtbar Schädliches, die Perspektive einem Kinde im späteren Lebensalter beizubringen, dem man nicht vorher eine Art intensiver Farbenperspektive beigebracht hat. Dadurch wird ja der Mensch in furchtbarer Weise veräußerlicht, wenn er sich gewöhnt, die quantitative Perspektive sich anzueignen, ohne vorher die intensive, die qualitative Perspektive sich angeeignet zu haben, die in der Farbenperspektive liegt. Und in diesem Zusammenhang liegen dann die weiteren Zusammenhänge. Wenn Sie dem Kinde verwehren, intensiv in der Farben-perspektive zu leben, so wird das Kind niemals mit der richtigen Schnelligkeit lesen lernen. Immer mit der Einschränkung, die ich gestern gesagt habe: es kommt ja nicht darauf an, daß man das Lesen so schnell als möglich am Anfange dem Kinde beibringt. Aber das Kind bekommt geschmeidige Vorstellungen, geschmeidige Empfindungen und geschmeidige Willensaktionen aus diesen Farbenempfindungen heraus.
dan komt de kleur onder de vingers tot leven, dat wil ergens verder naartoe – wanneer je dat bereikt, dan krijg je iets heel zinvols voor de ziel van het kind: kleurperspectief. Het kind krijgt het gevoel, dat het roodachtige geel dichterbij komt, dat het blauw-violette steeds verder weggaat. dan werk je intensief aan waaraan je dan later met het kind ook moet werken: het perspectief dat je dan in lijnen uitvoert. Het is heel erg verkeerd om het perspectief aan het kind op een latere leeftijd te leren, wanneer je niet eerst van te voren op een intensieve manier het kleurenperspectief aangeleerd hebt. En in deze samenhang liggen dan weer andere samenhangen. Wanneer je het kind niet toestaat intensief met het kleurenperspectief om te gaan, zal het niet met de juiste snelheid leren lezen. Steeds met de restrictie die ik gisteren aangegeven heb: het komt er niet op aan dat je kind in het begin zo snel mogelijk leert lezen. Maar het kind krijgt beweeglijke voorstellingen, beweeglijke ervaringen en beweeglijke wilsactiviteit vanuit deze kleurbeleving.
Alles Seelische wird geschmeidiger. Vielleicht müssen Sie durch das alles, was hier verlangt wird, aus dem malenden Zeichnen, dem zeichnenden Malen das Lesen zu entwickeln, länger brauchen, um das Lesen an das Kind heranzubringen. Aber in dem Lebensalter, wo es dann darankommt, ist es dann doch eben möglich, das Lesen wirklich richtig an das Kind heranzubringen, ohne daß es im Körper, im ganzen Menschen zu flüchtig sitzt – wie es auch sein kann – und ohne daß es zu tief im Menschen drinnen sitzt und ihm förmlich jeder Buchstabe einen Ritz macht in der menschlichen Wesenheit.
Alles wat met de ziel te maken heeft, wordt beweeglijker. Misschien heb je door wat hier allemaal gevraagd wordt, om uit het schilderende tekenen, het tekenende schilderen het lezen te ontwikkelen, meer tijd nodig om het kind te leren lezen. Maar op de leeftijd waarop het er dan op aankomt, is het dan toch wel mogelijk het kind op een goede manier te leren lezen, zonder dat dit in zijn lijf, in de hele mens te vluchtig aankomt – zoals het ook kan zijn – en zonder dat het te diep in de mens aankomt en dat iedere letter meteen een kras maakt in het mensenwezen. GA 306/112-113
Op deze blog vertaald/112-113
De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]
RUDOLF STEINER OVER SPRAAK
DE KLINKERS
Het vorige artikel eindigde met een karakterisering van de ziel:
Maar begrijpen zullen we de taal pas als we haar werkelijk beschouwen als primair verankerd in het menselijk gevoel.
Steiner zegt het nog een keer, voor hij in detail verder gaat.
Blz. 25 vert. 36
Nun ist tatsächlich die Sprache zwiefach verankert im menschlichen Fühlen.
Nu is de taal in feite op tweevoudige wijze in het menselijk voelen verankerd.
Dat ‘tweevoudig’ zijn we al tegengekomen in sympathie en antipathie; in vocaal en consonant en dat wordt nu verder uitgewerkt.
Eerst gaat het over de klinkers. Er wordt iets over de A, E, I, O en U gezegd, waarbij de laatste onze klank OE is. Het zijn maar enkele karakteristieken, in andere voordrachten vinden we soms hetzelfde, soms is het net weer iets anders.
O
Einmal in alledem, was der Mensch aus seinem Fühlen heraus der Welt entgegenbringt. Was bringt der Mensch durch sein Gefühl der Welt entgegen? Nehmen wir ein deutliches Gefühl, eine deutliche Gefühlsnuance, zum Beispiel das Staunen, Erstaunen. Solange wir im Menschen, in diesem Mikrokosmos bleiben seelisch, haben wir es mit dem Staunen, Erstaunen zu tun. Kommen wir in die Lage, die kosmische Beziehung, das kosmische Verhältnis herzustellen, das verbunden sein kann mit dieser Gefühlsnuance des Erstaunens, dann wird Erstaunen zum «O». Der Laut «O» ist im Grunde genommen nichts anderes als das Wirken des Atmens in uns, so daß dieses Atmen ergriffen wird im Inneren vom Staunen, vom Erstaunen. Sie können daher das «O» auffassen als den Ausdruck des Staunens, Erstaunens.
[de o zit] In de eerste plaats in alles wat de mens vanuit zijn gevoel de wereld tegemoet draagt. Wat draagt de mens door zijn gevoel de wereld tegemoet? Laten we eens een duidelijk gevoel nemen, een duidelijke gevoelsnuance, bijvoorbeeld verbazing, verwondering. Blijven we in de mens, in deze microkosmos, in het gebied van de ziel, dan is het verbazing, verwondering. Maar zijn we in staat om de kosmische verbinding, de kosmische relatie te leggen die verbonden kan zijn met dit gevoel van verwondering, dan wordt de verwondering tot: o. De klank o is in wezen niets anders dan de werking van de adem in ons, waarbij die adem in ons innerlijk gegrepen wordt door verbazing, verwondering. U kunt de o dus beschouwen als uitdrukking van verbazing, verwondering.
Er zijn situaties in het leven waarin je kan waarnemen dat wat hier wordt gezegd – dat geldt ook voor andere klinkers – dat ‘iets’ indruk maakt op de mens, dat dit een gevoel teweegbrengt en dat daarna een reactie volgt. Hier neemt Steiner de verwondering, verbazing. Dat beleven we als een sterk gevoel. Eerst nog in ons innerlijk: dat noemt hij hier de microkosmos. Maar zo gauw we onze mond opendoen en dat gevoel stroomt op de adem naar buiten, is het ‘in de wereld’. Dit ‘buiten’ is in de ruimste zin van het woord om ons heen; uit die ruimte ‘die tot in de hemel, de kosmos, reikt halen we adem. En vrijwel zonder erbij na te denken, min of meer ‘van nature’ klinkt daar dan de O.
[ ] alle Dinge der Welt machen auf den Menschen einen Gefühlseindruck. Irgendwie wirkt jedes einzelne Ding auf das menschliche Gefühl, wenn auch oftmals ganz leise, so daß es halb unbewußt bleibt. Aber wir werden nie ein Ding vor uns haben, das wir mit einem Worte bezeichnen, in dem der Laut «O» ist, wenn wir nicht irgendwie vor diesem Dinge ins Staunen kommen, wenn auch dieses Staunen sehr leise ist. Sagen Sie Ofen, so sagen Sie deshalb ein Wort, das ein «O» enthält, weil in Ofen irgend etwas liegt, was ein leises Staunen in Ihnen zum Ausdruck bringt. Es ist die Sprache in dieser Weise in dem menschlichen Gefühl begründet. Sie stehen zur ganzen Welt in Gefühlsbeziehung und geben der ganzen Welt solche Laute, welche die Gefühlsbeziehung in irgendeiner Weise zum Ausdruck bringen.
[ ] alle dingen in de wereld laten een gevoelsindruk achter bij de mens. Op de een of andere manier werkt ieder ding in op het gevoel van de mens – ook al is het dikwijls heel teer, zodat het half onbewust blijft. Maar we zullen nooit iets benoemen met een woord waar een o in voorkomt, zonder ons daarover op een of andere manier te verwonderen, ook al is die verwondering nauwelijks merkbaar. Zegt u ‘oven’, dan spreekt u een woord uit met een o erin, omdat in die oven iets is wat een lichte verbazing in u teweegbrengt. Op die manier is de taal verankerd in het menselijk voelen. U hebt een gevoelsrelatie tot de hele wereld en u geeft alles in de wereld een naam met klanken die die gevoelsrelatie op een of andere manier tot uitdrukking brengen.
Dat een oven bij mij een lichte verbazing teweeg zou brengen, heb ik niet kunnen ervaren. Ik spreek het gewoon uit, omdat een oven nu eenmaal zo heet. Dat zou anders zijn als ik voor het eerst een oven zou zien, ik niet zou weten wat het is, dat dan een naam moeten geven, dan zou wellicht vanuit een on(der)bewuste laag, het een woord kunnen worden met o.
Op andere plaatsen spreekt Steiner ook over de klinkers:
[ ] Im O ist ebenfalls ein Inneres, und jeder Vokal drückt ein Inneres aus.
Er zit ook iets innerlijks in de klank ‘o’. Iedere vocaal geeft uitdrukking aan iets innerlijks. GA 218/316 Vertaald/61
Blz. 27 vert. 38
[ ] das O hat etwas mit dem Staunen zu tun. [ ] de o te maken heeft met verwondering
O-man umfaβt etwas; liebend umfaβt man etwas.
de O – je omvat iets; liefdevol omvat je iets. GA 311/33 Op deze blogvertaald/33
U
Eine andere Nuance den Dingen gegenüber ist diejenige Gefühlsnuance die wir dem Leeren, oder auch dem Schwarzen, das ja mit dem Leeren verwandt ist, gegenüber haben, oder alledem gegenüber haben, das mit dem Schwarzen verwandt ist: es ist die Furchtnuance, die Angstnuance. Sie drückt sich aus durch das „U“.
Das „U“ hat etwas zu tun mit Furcht und Angst.
Een andere gevoelsnuance ten opzichte van de dingen is de stemming die we ten opzichte van iets hebben wat leeg is of ook zwart – wat immers aan het lege verwant is – of ten opzichte van alles wat met het zwarte verwant is. Het is het gevoel van vrees, van angst. Dat wordt uitgedrukt door de klank oe.
Blz. 27 vert. 38
Opnieuw zegt Steiner dat we voor die ‘oe’ een bepaalde sympathie koesteren en een nieuw aspect is dat er verschil is in het aanhoren van de klinkers – hier in het voorbeeld de ‘oe’ – en het uitspreken.
En het geldt voor alle klinkers:
Alle Selbstlautedrücken innere Seelenregungen aus, die in Sympathie zu den Dingen sich ausleben. Denn selbst wenn wir Furcht vor einem Dinge haben, so beruht diese Furcht auf irgendeiner geheimen Sympathie. Wir würden diese Furcht gar nicht haben, wenn wir zu diesem Dinge nicht eine geheime Sympathie hätten.
Alle klinkers drukken innerlijke zielenroerselen uit die bestaan in sympathie voor de dingen. Want zelfs als we bang zijn voor een zaak, dan berust deze angst toch op een zekere verborgen sympathie. We zouden die angst echt niet hebben als we niet een verborgen sympathie voor die zaak zouden hebben.
Bei der- Beobachtung von diesen Dingen müssen Sie nur eines berücksichtigen. Verhältnismäßig ist es leicht zu beobachten, daß das «O» etwas mit dem Staunen zu tun hat, das «U» mit Furcht und Angst, das «A» mit Verehrung, Bewunderung, das «E» mit Widerstandleisten, das «I» mit dem Sich-Nähern und das «AOU» mit der Ehrfurcht. Aber die Beobachtung wird Ihnen dadurch getrübt, daß Sie leicht verwechseln die Empfindungsnuance, die man beim Hören des Lautes hat, mit derjenigen, die man beim Aussprechen hat. Die beiden sind verschieden. Bei den Nuancen, die ich angeführt habe, müssen Sie darauf Rücksicht nehmen, daß sie gelten für die Mitteilung des Lautes. Also, indem man jemandem etwas mitteilen will durch den Laut, ist das gültig. Will man jemandem mitteilen, daß man selbst Angst gehabt hat, so drückt man es durch das «U» aus. Es ist nicht dieselbe Nuance, wenn einer selbst Angst hat, oder wenn er durch Hervorrufung des U-Lautes in dem andern Angst erregen will. Sie bekommen vielmehr den Anklang des Eigenen, wenn Sie Furcht erregen wollen, wenn Sie zum Beispiel bei einem Kinde sagen: U-u-u! – Das ist wichtig zu berücksichtigen für den sozialen Zusammenhang des Sprechens. Wenn Sie das berücksichtigen, können Sie leicht auf diese Beobachtung kommen’.
Als u uw aandacht op deze dingen richt, moet u wel met één ding rekening houden. Het is relatief gemakkelijk bij uzelf waar te nemen dat de o te maken heeft met verwondering, de oe met vrees en angst, de a met eerbied, bewondering, de e met weerstand bieden, de i met toenadering en de a-o-oe met ontzag. Maar uw waarneming wordt vertroebeld doordat u de gewaarwording die u bij het horen van een klank hebt, gemakkelijk verwisselt met de gewaarwording bij het uitspreken. Die twee zijn verschillend. Bij de gevoelsnuances die ik genoemd heb, moet u bedenken dat ze gelden voor het uiten van de klank. Willen we iemand dus iets meedelen via een klank, dan geldt het. Willen we iemand meedelen dat wij zelf bang zijn geweest, dan drukken we dat uit door de oe. Het heeft niet dezelfde nuance of iemand zelf bang is of dat hij een ander bang wil maken door de oe-klank te gebruiken. Wanneer u in een kind angst wilt oproepen door ‘oe-oe-oe! te zeggen, dan klinkt daarin veeleer iets van uzelf door. Het is belangrijk hierop te letten in de sociale context van het spreken. Als u hier rekening mee houdt, dan kunt u gemakkelijk deze waarneming doen.
Iedereen die met kleine kinderen, de jongste eigenlijk, weleens het spelletje ‘kiekeboe’ heeft gespeeld, kan een aantal van bovengenoemde aspecten waarnemen. Als je bv. je hoofd achter een doek, een muur of wat ook, verborgen hebt en je komt ineens met ‘kiekeboe’ te voorschijn, zal het kindje lachen. Op het gezichtje zie je een soort spanning die enerzijds naar angst leidt, anderzijds naar het verlangen dat ‘boe’ weer komt. Hier kunnen we die geheimzinnige sympathie zien, denk ik. Als iemand je onverwachts laat schrikken met ‘boe’, voel je vaak heel even een diep soort naar binnen gaan, dat zelfs met een soort ‘vlugge’ boosheid gepaard kan gaan, om snel weer tot een soort opluchting leidt. Het ligt best genuanceerd, want die boosheid kan erger worden, bv.
Jij als ‘boe-roeper’ hebt natuurlijk een heel andere ervaring: jij hebt veel sympathie voor je ‘boe-lolletje’. En in het voetbalstadion klinkt het ‘oe’ of meestal ‘oei’ ook regelmatig. Interessant om eens waar te nemen, wanneer en door wie. En veel sympathie hebben we natuurlijk voor ‘boe’ als we ons misnoegen of oneens zijn willen uitdrukken. Kortom: de opmerkingen van Steiner kunnen je aardig bezighouden.
De Duitse ‘U’ klinkt dus als Nederlands ‘oe’, maar ook in onze ‘u’ ziet iets van een bepaalde angst, iets waarvoor en waarvan we gruwen: huuu;
In deze voordracht GA 294 komen ook de andere klinkers nog aan bod.
Over de A:
Dem Vollen gegenüber, dem Weißen, Hellen und alledem gegenüber, das mit dem Hellen oder Weißen verwandt ist, auch dem Klange gegenüber, der mit dem Hellen verwandt ist, haben wir die Gefühlsnuance der Bewunderung, der Verehrung: das «A».
Ten opzichte van het volle, het witte of lichte en alles wat met het lichte of witte verwant is, ook ten opzichte van een klank die met het lichte verwant is. hebben we een gevoel van bewondering, van eerbied: de a.
Op veel meer plaatsen is iets te vinden over een karakteristiek van de A:
Wer A sagt, weiß, daß er etwas, was in seiner Seelenverfassung wie Verwunderung, wie Staunen lebt, im A zum Ausdrucke bringt.
Wie A zegt, weet dat hij iets tot uitdrukking brengt wat in zijn ziel leeft als verwondering, verbazing. GA 218/316 Vertaald/61
Nu kan het ons verwonderen dat Steiner zowel voor de A als voor de O hetzelfde gevoel beschrijft: verwondering, verbazing.
Wenn das Kind beginnt A zu sagen, hat es etwas in sich wie Verwunderung, einen Seeleninhalt. Unmittelbar lebt es vor uns diesen Seeleninhalt. Es strömt in dem A.
Als het kind A gaat zeggen, dan heeft het zoiets in zich als verwondering die zijn ziel vervult. Wat daar in de ziel leeft vertoont zich rechtstreeks aan ons. Het stroomt in de A naar buiten. GA 305/28 Vertaald/31
Staunen, oder Verwunderung: A: Ich bin erstaunt.
Verbazing of verwondering: A, ik ben verbaasd. GA 306/87
Op deze blog vertaald/87
Bei den Vokalen wird man zu der Gebärde gehen müssen, denn die
Vokale entstammen der Offenbarung des menschlichen Inneren. Im Grunde genommen ist das A zB immer eine Art von Verwunderung und Staunen.
Bij de vocalen zul je naar het gebaar moeten gaan, want de vocalen zijn afkomstig uit de openbaring van het menselijk innerlijk. In de grond van de zaak is de A bijvoorbeeld altijd een soort verwondering en verbaasd zijn. GA 307/156 Vertaald/200
Wie im A die Verwunderung gegenüber etwas liegt.
Hoe in de A de verwondering voor iets zit. GA 308/54 Vertaald/83
Eine Verwunderung wird ausgedrückt, indem man ausbricht in der Laut A.
Als er verwondering tot uitdrukking komt, uit een mens zich in de klank A. GA 309/56 Op deze blogvertaald/56
Ja, das Kind hat den Laut «ah». Wann gebraucht es ihn? Der Laut ist ihm Ausdruck einer inneren Seelenverfassung. Es gebraucht diesen Laut, wenn es in Bewunderung, in Erstaunen oder in einer ähnlichen Seelenverfassung vor etwas steht. Den Laut versteht es; der hängt mit der menschlichen Natur zusammen
Het kind heeft de klank ‘a‘. Wanneer gebruikt een kind deze? Voor hem is deze klank uitdrukking van een innerlijke zielentoestand. Hij gebruikt deze klank wanneer hij in bewondering, of in verbazing, of in een soortgelijke ziele- stemming iets meemaakt. Het kind kan de klank begrijpen: die hangt samen met de menselijke natuur. GA 310/56 Vertaald/58
A, der Laut der Verwunderung.
A, de klank van de verwondering. GA 311/33
Op deze blog vertaald/33
Ich stehe, wenn die Sonne aufgeht bewundernd, vor der aufgehende Sonne: “Ah“. A ist immer der Ausdruck des Erstaunens, der Verwunderung
Wat is een A? Ik sta wanneer de zon opkomt bewonderend voor de opgaande zon: Ah! A is altijd de uitdrukking van verbazing, van verwondering. GA 311/106
Op deze blog vertaald/106
Blz. 26 vert. 37
Over deE:
Haben wir das Gefühl, daß wir einen äußeren Eindruck abzuwehren haben, gewissermaßen uns wegwenden müssen von ihm, um uns selbst zu schützen, haben wir also das Gefühl des Widerstandleistens, dann drückt sich das aus in dem «E»
Hebben we het gevoel dat we een indruk van buitenaf moeten afweren, dat we ons in zekere zin moeten afwenden om onszelf te beschermen, hebben we dus het gevoel weerstand te moeten bieden, dan wordt dat uitgedrukt met de e.
Blz. 27 vert. 38
Das E hat etwas zu tun mit Widerstandleisten.
De E heeft te maken met weerstand bieden.
Wenn das Kind den E-Lautt auslöβt, es hat etwas wie eine leise Antipathie der Seele in sich. Es rückt ab, zuckt zurück vor demjenigen, was einem Eindruck macht. Es ist etwas von Antipathie im Seelischen, was in dem E zum Ausdrucke kommt.
Als het kind de E-klank uitstoot heeft het iets in zich als een lichte antipathie van de ziel. Het neemt afstand, het keert zich af van de prikkel waardoor het getroffen wordt. Het is iets van antipathie in het zielengebied dat in de E tot uitdrukking komt. GA 305/28 Vertaald/31
E: was mich stört Ich will etwas weghaben.
E: Ik wil iets niet wat me hindert. GA 306/88
Op deze blog vertaald/88
Das Kind gebraucht diesen Laut wenn es andeuten will: Da ist etwas an mich herangetreten, was ich erlebt habe, was in meine Natur eingreift. Wenn mich jemand sticht, sage ich „eh“.
Als hij aan wil geven dat er iets op hem af is gekomen – dat heeft hij beleefd – wat in zijn wezen ingrijpt. Als iemand hem steekt, zegt hij ‘e!’ GA 310/56 Vertaald/58
Eine Fliege setzt sich auf meine Stirne, ich mache E. Das ist der Ausdruck des Abwehrens, des Wegmachens.
Er zit een vlieg op mijn voorhoofd, ik maak een E. Dat is het gebaar van afweer, van wegdoen: E. GA 311/106
Op deze blog vertaald/106
OverdeI:
Blz. 26 vert. 37
Und haben wir wieder das entgegengesetzte Gefühl des Hinweisens, des Näherns, des Einswerdens, dann drückt sich das aus in dem «I».
En daar weer het tegenovergestelde gevoel van [de E] , het gevoel van beweging naar iets toe, van toenadering, eenwording, dat wordt uitgedrukt met de i.
Blz. 27 vert. 38
Das I hat etwas zu tun mit dem Sich-Nähern.
De I heeft iets in zich van toenadering.
I ist der stärkste egoistische Vokal
De I is de sterkste egoïstische klinker. GA 300C/172 Niet vertaald (zie onder)
Ein Gefühl von Freude, oder Neugierde.
Een gevoel van vreugde of nieuwsgierigheid GA 306/87 Op deze blogvertaald/87
Im I liegt die In-sich-Erfestigung der inneren menschlichen Wesenheit.
In de I zit het verankeren van het wezen mens in zichzelf. GA 308/54 Vertaald/83
Steiner besteedt in deze 2e voordracht ook nog aandacht aan een bijzondere klinkercombinatie:
Blz. 26/27 vert.
Es kommt noch ein Selbstlaut in Betracht, der in den europäischen Gegenden weniger vorhanden ist und der ein Stärkeres ausdrückt als alle die andern. Wenn Sie den Versuch machen, einen Selbstlaut dadurch herauszubekommen, daß Sie einen Laut haben, in welchem eigentlich A, O und U anklingen, dann bedeutet das ein zwar zuerst Furchthaben, aber in das zuerst Gefürchtete sich trotzdem Hineinversetzen. Es ist die höchste Ehrfurcht, die durch diesen Laut zum Ausdruck kommen würde. Der Laut ist ja besonders in den orientalischen Sprachen ein sehr gebräuchlicher, aber er beweist auch, daß die Orientalen Menschen sind, die viel Ehrfurcht entwickeln können, während er in den abendländischen Sprachen weggeblieben ist, weil dort Menschen sind, denen die Ehrfurcht überhaupt nicht zur Seele steht.
Eén klinker is het vermelden nog waard, een die in Europese gebieden niet zoveel voorkomt en die iets sterkers uitdrukt dan alle andere klinkers. Probeert u eens een klinker te vormen waarin eigenlijk een a, een oe doorklinken. U krijgt dan een klank die betekent dat men weliswaar eerst vrees voelt, maar zich desondanks in het gevreesde verplaatst. Het is het diepste ontzag dat door deze klank tot uitdrukking komt. Deze klank is vooral in de oosterse talen heel gebruikelijk, en hij bewijst ook dat oosterlingen mensen zijn die veel ontzag kunnen voelen. In de westerse talen is deze klank niet aanwezig, omdat daar mensen leven die voor deze kwaliteit gewoon geen aanleg hebben.
In een lerarenvergadering (19-06-1924) wordt aan Steiner gevraagd wat voor de 11e klas bij het behandelen van de schoonheid van de taal zou horen.
Blz. 171
Steiner:
Die Ästhetik der Sprache würde darinnen bestehen, daß man zum Beispiel die Kinder aufmerksam macht — die Kinder haben ja dann einen ziemlich großen Sprachschatz; Deutsch, Französisch, Englisch kann man benützen als Unterlage; man kann die verschiedenen Sprachen zur Vergleichung heranziehen —, die Ästhetik der Sprache beruht darauf, daß man die Kinder aufmerksam macht: ist die Sprache reich an den Vokalen U und O, oder ist sie mehr reich an den Vokalen I und E; daß man versucht, an den Sachen ein Gefühl hervorzurufen, wieviel musikalisch reicher eine Sprache ist, die viel O und U hat, als die, welche viel E und I hat. Man versucht ein Gefühl hervorzurufen davon, wie die ästhetische Schönheit der Sprache abnimmt, wenn die Möglichkeit der inneren Umwandlung der Wörter zu verschiedenen Fällen aufhört, wenn die Endungen verschwinden. Also der Bau der Sprache kommt in der Ästhetik zur Sprache. Ob sie plastisch oder lyrisch-musikalisch ist, ob sie die Möglichkeit hat, stark in komplizierten Interjektionen zu sprechen
De esthetiek van taal zou kunnen zijn dat je bijvoorbeeld de leerlingen erop wijst – ze hebben dan een vrij grote woordenschat; Duits, Frans, Engels kunnen als basis worden gebruikt; de verschillende talen kunnen worden gebruikt om te vergelijken – dat de esthetiek van taal gebaseerd is of deze rijk aan de klinkers U en O is, of rijker aan de klinkers I en E; dat je probeert een gevoel op te roepen van hoeveel muzikaal rijker een taal is met veel O en U dan een taal met veel E en I. Je probeert een gevoel op te roepen van hoe de esthetische schoonheid van taal afneemt wanneer wanneer de mogelijkheid van de innerlijke omvorming van woorden bij verschillende naamvallen ophoudt, wanneer de woordeinden verdwijnen. De structuur van taal speelt dus een rol in de esthetiek. Of die plastisch of lyrisch-muzikaal is, of die de mogelijkheid heeft om sterk in ingewikkelde tussenwerpsels te spreken
Blz. 172
und so weiter. Das ist schon verschieden von Metrik und Poetik. Die Ästhetik geht auf die eigentliche Schönheit der Sprache. Das Sanskrit ist vorzugsweise reich an A. U und O macht musikalisch; E und I detoniert. Die deutsche Sprache ist detonierend. Das Sanskrit hat etwas Monotones durch Überwiegen des A, aber etwas, was mitten drinnen liegt zwischen Musikalischem und Plastischem. Sie hat sehr stark die Eigentümlichkeit, im Musikalischen plastisch zu werden, und im plastischen Gestalten nicht unmusikalisch zu werden. Das ist das A, das mitten drinnen steht. Wenn das Sanskrit neben A andere Vokale hat, so sind diese so besonders charakteristisch. Es ist charakteristisch, wenn zum Beispiel der Inder sein dreifaches „Friede, Friede, Friede” ertönen läßt. Zuerst das A, dann das leise Hindeuten, wie schamvolle Hindeuten auf das Ich. Das liegt darin, wenn er dieses ,,Shanti, Shanti, Shanti” ausspricht. I ist der stärkste egoistische Vokal. Es ist so, als ob der Inder gleichsam verschämt rot würde, wenn er das I spricht.
enzovoort. [ ] . De esthetiek houdt zich bezig met de werkelijke schoonheid van taal. Sanskriet is bij voorkeur rijk aan A; U en O maken het muzikaal; E en I detoneren. De Duitse taal is detonerend. Het Sanskriet heeft iets monotoons door de overheersing van A, maar iets dat het midden houdt tussen het muzikale en het plastische. Het heeft de zeer sterke eigenaardigheid om plastisch te worden in het muzikale en niet onmuzikaal te worden in de plastische vorming. Dat is de A die in het midden ligt. Als het Sanskriet naast de A nog andere klinkers heeft, zijn deze bijzonder karakteristiek. Het is bijvoorbeeld kenmerkend wanneer de Indiër zijn driedubbele “vrede, vrede, vrede” laat klinken. Eerst de A, dan het bescheiden wijzen, bijna beschamend op het Ik. Dit ligt in het uitspreken van “Shanti, Shanti, Shanti”. De I is de sterkste egoïstische klinker. Het is alsof de Indiër beschaamd bloost als hij “ik” zegt. GA 300C/171-172
Niet vertaald
Al deze gezichtspunten – met die over de medeklinkers – monden uit in hoe de klinkers en medeklinkers aan de kinderen worden aangeleerd voor het schrijven en lezen. InRudolf Steiner over schrijven en lezenvind je daar vrijwel alles wat hij daarover heeft gezegd. Wat hier boven niet werd genoemd, zie je terug in bv. ‘Verschil klinker-medeklinker.
Overduidelijk is dat de klinker iets is dat van binnenuit komt. Die kan als beeld dus niet worden aangeleerd door een ding dat we in de buitenwereld zien.
Als op zeker ogenblik het alfabet wordt aangeleerd waarbij de klanken benoemd worden – dat moet je natuurlijk pas gaan doen wanneer alle kinderen de klank door en door kennen – kan een geheugensteun helpen door een woord te nemen waarmee de klank als klank begint.
Als voorbeeld: ‘A = een aapje‘ van Rie Cramer. De plaatjes die Rie Cramer gebruikt, hebben niets te maken met de vorm van het klankbeeld. Dat is ook in de vrijeschoolmethode zo. Is eenmaal via een beeld – de slang – de s-klank (ssss) aangeleerd, dan kun je met de kinderen gaan zoeken naar woorden die met die klank beginnen. Dat is ook met de klinkers zo.
Door nu een ‘vrijeschool-Rie Cramer’ te maken en die ergens te publiceren, kan deze maar zo op Pinterest terechtkomen. Dat kan er dan zo uitzien:
De K en de L zijn onmiskenbaar beelden om de klank k en l aan te leren. Maar hoe zit het met bv. de E, is die via deze egel aangeleerd? Dat weten we niet en als beginnend leerkracht of ‘verse’ invaller weet je dat misschien ook nog niet en ga je enthousiast aan de gang, met andere uitgangspunten dan hierboven aangegeven. Zoals hier gebeurt.
De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]
RUDOLF STEINER OVER SPRAAK .
Sympathie – antipathie klinker – medeklinker spreken en gevoel
Gaat het over spraak, dan gaat het over spreken. En het spreken gebeurt met klanken. De klanken die we indelen in klinkers en medeklinkers – de vocalen en de consonanten.
Wanneer onze gevoelens niet al te heftig zijn, bijv. als we een stukje voorlezen met een inhoud waardoor we niet geraakt zijn, verloopt het spreken min of meer ‘neutraal’. Zo gauw we echter in ons beleven wel geraakt worden, wordt ons spreken meteen anders: vaak heftiger, harder; bij andere gelegenheden ook warmer en zachter. Dat hangt af van de mate van sympathie of antipathie waarmee we iets beleven.
Wie iets zinnigs over spraakklanken wil zeggen, kan niet om deze begrippen heen: sympathie en antipathie.
In GA 293 komen deze begrippen voor het eerst aan bod in voordracht 2 [2-2-2] en [2-3-1]
De voordrachten die in GA 293 staan, werden gedurende de cursus elke dag als eerste item gehouden, later op de ochtend gevolgd door de voordrachten die in GA 294 staan. ’s Middags werden de werkbesprekingen gehouden die in GA 295 opgetekend zijn. Niet altijd kwamen onderwerpen ‘chronologisch’ aan bod.
Over de ‘sympathie en antipathie’ vervolgt Steiner zijn betoog in de 2e voordracht van GA 294. Dan gaat het vooral over de twee kwaliteiten die boven al even aangestipt werden.
<1>Maar allereerst iets uit GA 81.
Erneuerungs-Impulse für Kultur und Wissenschaft
Vernieuwingsimpulsen voor cultuur en wetenschap
Voordracht 7, Berlijn 11 maart 1922
Anthroposophie und Sprachwissenschaft
Antroposofie en spraak/taalwetenschap
Blz. 148
Das Seelenleben ging noch bis zu einem hohen Grade — wenn auch traumhaft, aber doch im Traume bewußt – mit dem mit, was innerlich im Organismus lebte, während die Vokale und die Konsonanten ausgesprochen wurden. Wer dann mit einer solchen wissenschaftlichen Ausrüstung verfolgt, wie die Sprache im Menschen lebt, der findet, daß alles, was konsonantisch ist, darauf beruht, daß der Mensch sich mit seinem eigenen Wesen in äußere Vorgänge, in Dinghaftes, hineinversetzt, und das innere Leben der Dinge mit seinen eigenen inneren, aber zurückgehaltenen Gebärden nachahmen will. Konsonanten sind zurückgehaltene Gebärden, nicht sichtbar werdende Gebärden, die aber in ihrem Inhalt durchaus dasjenige erfassen, was äußerlich im Rollen des Donners, im Zucken des Blitzes, im Hinrollen des Windes und so weiter erlebt werden kann. Ein inneres Sichhineinversetzen in die äußeren Dinge ist
Het leven van de ziel ging nog in hoge mate – weliswaar droomachtig, maar toch dromend bewust – mee met wat innerlijk in het organisme leefde, terwijl de klinkers en medeklinkers werden uitgesproken. Wie dan met zo’n wetenschappelijke uitrusting volgt hoe taal in de mens leeft, zal ontdekken dat alles wat consonant is, gebaseerd is op het feit dat de mens zich met zijn eigen wezen in externe processen, zich in de dingen, plaatst en het innerlijke leven van de dingen wil nabootsen met zijn eigen innerlijke, maar ingehouden gebaren. Consonanten zijn ingehouden gebaren, gebaren die niet zichtbaar worden, maar die in hun inhoud zeker dat grijpen wat uiterlijk ervaren kan worden in het rollen van de donder, het flitsen van de bliksem, het bulderen van de wind enzovoort. Een innerlijke empathie met uiterlijke dingen is aanwezig in
Blz, 149
vorhanden, indem der Konsonant erlebt wird. Man will eigentlich, wenn ich mich so ausdrücken darf, durch Gebärden nachahmen, was äußerlich lebt und webt; man hält die Gebärde zurück, sie verwandelt sich im Innern und kommt in dieser Verwandlung im Konsonanten zum Vorschein. Dagegen lebt im Menschen, indem er sich der äußeren Natur entgegenstellt, eine Summe von Sympathien und Antipathien. Diese Sympathien und Antipathien, die ein inneres Erleben darstellen, gebären aus sich heraus den gesamten Vokalismus; so daß der Mensch, indem er in der Sprache lebt, so lebt, daß er im konsonantischen Wesen die äußere Welt nachbildet, aber metamorphosiert, daß er dagegen im Vokalischen sein eigenes inneres Verhältnis zur äußeren Welt darstellt.
wat in de consonant wordt ervaren. Men wil eigenlijk, als ik me zo mag uitdrukken, door gebaren nabootsen wat uiterlijk leeft en weeft; men houdt het gebaar tegen, het transformeert zichzelf innerlijk en in deze transformatie komt het te voorschijn in de consonant. Aan de andere kant leeft er een som van sympathieën en antipathieën in de mens wanneer hij tegenover de uiterlijke natuur staat. Deze sympathieën en antipathieën, die een innerlijke ervaring betekenen, laten uit zichzelf al het vocale ontstaan, zodat de mens, door in taal te leven, dat op zo’n manier doet dat hij in het consonantische de uiterlijke wereld imiteert, maar metamorfoseert, dat hij aan de andere kant in het vocale zijn eigen innerlijke relatie tot de uiterlijke wereld vertoont. <1> GA 81/148-149 Niet vertaald
In GA 294 behandelt Steiner dit aspect, vooral, zoals zal blijken, met het oog op het aanleren van de letters dat voorafgegaan wordt door het geven van beelden die een klank vertegenwoordigen. M.a.w. niet de alfabetklank, (Beee, Ef) maar zoals de klank in een woord klinkt: B(u) en Fffff)
Allereerst wijst hij op wat hij aan het begin van de dag, dus in de 2e voordracht van de Algemene menskunde, heeft gezegd over sympathie en antipathie, over de 3 haarden in de mens waar deze elkaar ontmoeten. Daarvan is in [2-7] e.v.] iets aan de orde gekomen.
Nu wordt de plaats waar dit gebeurt onder de loep genomen, nl. de borst, het rompgedeelte van de mens, fysiek gesproken de plaats van hart en longen, van bloedsomloop en ademhaling; Vanuit de ziel geredeneerd, de plaats van het gevoelsleven, met een verbinding naar het hoofd en de ledematen.
Wanneer je [2-7] e.v.] ] erbij genomen hebt, is dat voor het vervolg duidelijker en omgekeerd.
Blz. 24 vert. 34/35
Aber eine zweite, für uns jetzt wichtigere Begegnung zwischen Sympathie und Antipathie liegt dann in der Mitte des Menschen. Da begegnen sich wieder Sympathie und Antipathie, so daß wir in dem mittleren System des Menschen, im Brustsystem, auch Begegnung von Sympathie und Antipathie haben. Dabei ist nun wieder der ganze Mensch tätig, denn während sich in uns Sympathie und Antipathie begegnen in der Brust, sind wir uns dessen bewußt. Sie wissen aber auch, daß sich dieses Begegnen dadurch ausdrückt, daß wir, sagen wir, nach einem Eindruck rasch eine Reflexbewegung ausführen, wobei wir nicht viel nachdenken, sondern wo wir irgend etwas, was uns mit Gefahr bedroht, rasch zurückstoßen, einfach instinktiv. Solche mehr unterbewußte Reflexbewegungen spiegeln sich dann auch im Gehirn, in der Seele, und dadurch bekommt das Ganze wieder eine Art von Bildcharakter. Wir begleiten in Bildern das, was sich in unserer Brustorganisation als Begegnung zwischen Sympathie und Antipathie abspielt. Dadurch erkennen wir dann nicht mehr so recht, daß das auf Begegnung von Sympathie und Antipathie beruht. Aber in der Brust geht etwas vor sich, das mit dem ganzen Leben des Menschen außerordentlich stark zusammenhängt. Eine Begegnung von Sympathie undAntipathie geht vor sich, die mit unserem äußeren Leben außerordentlich bedeutungsvoll zusammenhängt.
Maar een tweede, voor ons nu belangrijkere ontmoeting tussen sympathie en antipathie speelt zich af in het midden van de mens. Ook daar ontmoeten sympathie en antipathie elkaar, zodat we ook in het middengebied van de mens, in het borststelsel, een ontmoeting van sympathie en antipathie aantreffen. Ook dat is weer een activiteit van de hele mens, want van de ontmoeting van sympathie en antipathie in de borst zijn wij ons bewust. Maar u weet ook dat deze ontmoeting zich uit in, laten we zeggen, een snelle reflexbeweging na een indruk. Daarbij denken we niet veel na, maar weren we iets wat ons met gevaar bedreigt snel af, eenvoudig instinctief. Zulke meer onbewuste reflexbewegingen worden dan ook in de hersenen, in de ziel weerspiegeld, en daardoor krijgt het geheel weer het karakter van een beeld. Wat zich in ons borststelsel afspeelt als ontmoeting van sympathie en antipathie begeleiden wij met beelden. Daardoor zien we dan niet meer zo goed dat dat berust op een ontmoeting van sympathie en antipathie. Maar in de borst speelt zich iets af wat buitengewoon sterk samenhangt met het hele leven van de mens. Daar vindt een ontmoeting van sympathie en antipathie plaats die van buitengewoon groot belang is voor ons leven in de buitenwereld.
Bij het volgende ervaar ik weer hetzelfde als bij veel andere uitspraken van Steiner wanneer het gaat om mededelingen die hij doet vanuit zijn bewustzijnsniveau. Want wat is hier de ‘kosmische antipathiekracht’. Daarover ging het die zelfde morgen en daarvan is in [2-4] e.e.a. te vinden, m.n. op blz. 36. Een kracht in ons die we meebrachten uit ons voorgeboortelijke leven en die nog in ons nawerkt.
Wir entwickeln eine gewisse Tätigkeit im ganzen Menschen, die alsSympathie wirkt, die eine Sympathietätigkeit ist. Und wir lassen dieseSympathiebetätigung in unserem Brustmenschen mit einer kosmischenAntipathietätigkeit fortwährend durcheinanderspielen. Der Ausdruckdieser sympathischen und antipathischen Betätigungen, die sich begegnen, ist das menschliche Sprechen.
In de hele mens ontwikkelen we een zekere activiteit die als sympathie werkzaam is, die een sympathiekracht is. En deze sympathiekracht wordt in onze borstmens voortdurend verweven met een kosmische antipathiekracht. De uitdrukking van deze activiteiten van sympathie en antipathie die elkaar ontmoeten, is het menselijk spreken.
Een karakterisering van het spreken of van taal waar het om de klanken gaat:
Een samengaan van sympathie en antipathie.
Ik begon dit artikel met een paar voorbeelden daarvan en iedereen kan uit eigen ervaring putten.
Wij leren spreken door nabootsen en dat proces verloopt bijna helemaal onbewust. Wanneer de opvoeder zelf niet goed spreekt, zal het kind dat overnemen.
Ik had ooit een kind in de klas dat achter het voltooid deelwoord op – en- altijd de -n- wegliet. Ook in het schrijven! Het duurde lang voordat ze zich de gewoonte om dat wel te doen, had eigen gemaakt. Tijdens een bezoek aan de ouders merkte ik dat ook zij die -n- nog steeds nauwelijks uitspraken. Zo heb ik weer andere schrijffouten opgespoord die alle samenhingen met hoe er in het gezin werd gesproken.
Wat me al een geruimere tijd opvalt is, dat veel jongelui gehaast spreken. Dan vallen lettergrepen weg of worden laatste lettergrepen onverstaanbaar. Dat hangt, denk ik, o.a. ook samen met onze tijd, waarin ‘veel moet’. Dat wordt ons zelfs voorgehouden in reclames: ‘Van je ..dit.. naar je ”dat’, van je ‘..zus.. naar je ..zo.. en DOOR’, wat dan nog een paar keer wordt herhaald. Dat ‘door’, ‘door’ gericht op de buitenwereld is in wezen een te grote uitademing waardoor de inademing tekort komt. Dat is een verstoring van het ritmisch evenwicht en dat leidt uiteindelijk tot vermoeidheid of erger, overspannenheid, stress, ziekte. Het kan zelfs zijn dat het vele vlugge typen op de toetsenborden – als ledematenactiviteit – een ‘gehaaste’ invloed heeft op onze hersenactiviteit. Hieraan kan wellicht de uitspraak van Steiner:
Die wichtigsten Maßnahmen in der Erziehungwerden daher liegen in der Beobachtung alles desjenigen, was in der rechten Weise den Atmungsprozeß hineinorganisiert in den Nerven-Sinnesprozeß.
‘De belangrijkste maatregelen in de opvoeding zullen dan ook liggen in het in acht nemen van alles wat op de juiste wijze het ademproces laat doorwerken in het zenuw-zintuigproces.
Het ademen – het in/uit – zou dus als activiteit van het midden, in harmonie moeten verlopen en dan verloopt het spreken ook al harmonischer. En omgekeerd: door harmonisch te spreken wordt mede de ademhaling beïnvloed.
Steiner werkte in de cursus ook aan een ‘spreekcultuur’ d.m.v. spraakoefeningen. Die staan in GA 295. [3] In de loop van vele jaren zijn er allerlei spraakoefeningen voor in de klas ontstaan. In het licht van de inhoud van dit artikel, lijkt het mij een zeer belangrijk onderdeel van ons pedagogisch handelen.
Als Steiner in voordracht14 uitvoerig ingaat op de drieledige mens die hij indeelt in ‘hoofd – romp – en ledematen’ waarschuwt hij meestal voor ‘schema’s’. Die zijn te star, te algemeen. Want in het hoofd vinden we ook iets van borst/romp-kwaliteit en van ledematenkwaliteit. Dat geldt ook voor de andere delen.
I.v.m. het spreken wijst hij ook hier op ‘de hele mens’, waarbij nu de nadruk ligt op wat het spreken voor het denken betekent:
Blz. 24/25 vert. 34/35
Aber eine zweite, für uns jetzt wichtigere Begegnung zwischen Sympathie und Antipathie liegt dann in der Mitte des Menschen. Da begegnen sich wieder Sympathie und Antipathie, so daß wir in dem mittleren System des Menschen, im Brustsystem, auch Begegnung von Sympathie und Antipathie haben. Dabei ist nun wieder der ganze Mensch tätig, denn während sich in uns Sympathie und Antipathie begegnen in der Brust, sind wir uns dessen bewußt. Sie wissen aber auch, daß sich dieses Begegnen dadurch ausdrückt, daß wir, sagen wir, nach einem Eindruck rasch eine Reflexbewegung ausführen, wobei wir nicht viel nachdenken, sondern wo wir irgend etwas, was uns mit Gefahr bedroht, rasch zurückstoßen, einfach instinktiv. Solche mehr unterbewußte Reflexbewegungen spiegeln sich dann auch im Gehirn, in der Seele, und dadurch bekommt das Ganze wieder eine Art von Bildcharakter. Wir begleiten in Bildern das, was sich in unserer Brustorganisation als Begegnung zwischen Sympathie und Antipathie abspielt. Dadurch erkennen wir dann nicht mehr so recht, daß das auf Begegnung von Sympathie und Antipathie beruht. Aber in der Brust geht etwas vor sich, das mit dem ganzen Leben des Menschen außerordentlich stark zusammenhängt. Eine Begegnung von Sympathie und Antipathie geht vor sich, die mit unserem äußeren Leben außerordentlich bedeutungsvoll zusammenhängt.
Maar een tweede, voor ons nu belangrijkere ontmoeting tussen sympathie en antipathie speelt zich af in het midden van de mens. Ook daar ontmoeten sympathie en antipathie elkaar, zodat we ook in het middengebied van de mens, in het borststelsel, een ontmoeting van sympathie en antipathie aantreffen. Ook dat is weer een activiteit van de hele mens, want van de ontmoeting van sympathie en antipathie in de borst zijn wij ons bewust. Maar u weet ook dat deze ontmoeting zich uit in, laten we zeggen, een snelle reflexbeweging na een indruk. Daarbij denken we niet veel na, maar weren we iets wat ons met gevaar bedreigt snel af, eenvoudig instinctief. Zulke meer onbewuste reflexbewegingen worden dan ook in de hersenen, in de ziel weerspiegeld, en daardoor krijgt het geheel weer het karakter van een beeld. Wat zich in ons borststelsel afspeelt als ontmoeting van sympathie en antipathie begeleiden wij met beelden. Daardoor zien we dan niet meer zo goed dat dat berust op een ontmoeting van sympathie en antipathie. Maar in de borst speelt zich iets af wat buitengewoon sterk samenhangt met het hele leven van de mens. Daar vindt een ontmoeting van sympathie en antipathie plaats die van buitengewoon groot belang is voor ons leven in de buitenwereld.
Wir entwickeln eine gewisse Tätigkeit im ganzen Menschen, die als Sympathie wirkt, die eine Sympathietätigkeit ist. Und wir lassen diese Sympathiebetätigung in unserem Brustmenschen mit einer kosmischen Antipathietätigkeit fortwährend durcheinanderspielen. Der Ausdruck dieser sympathischen und antipathischen Betätigungen, die sich begegnen, ist das menschliche Sprechen. Und ein deutliches Begleiten dieses Sich-Begegnens von Sympathie und Antipathie in der Brust durch das Gehirn ist das Verstehen des Sprechens. Wir verfolgen verstehend das Sprechen. Beim Sprechen ist im Grunde genommen eine Tätigkeit vorhanden, die sich in der Brust vollzieht und eine parallel gehende Tätigkeit, die sich im Haupte vollzieht; nur daß in der Brust diese Tätigkeit viel realer ist; im Haupte ist sie abgeschwächt zum Bilde. Sie haben, indem Sie sprechen, in der Tat fortwährend die Brusttätigkeit und begleiten sie zu gleicher Zeit mit dem Bilde davon, mit der Hauptestätigkeit. Sie werden dadurch leicht einsehen, daß das Sprechen im Grunde genommen auf einem fortwährenden Rhythmus von Sympathie- und Antipathiewirkungen beruht, wie das Fühlen. Die Sprache ist auch zunächst verankert im Fühlen. Und daß wir für die Sprache den mit dem Gedanken zusammenfallenden Inhalt haben, rührt davon her, daß wir den Gefühlsinhalt begleiten mit dem Erkenntnisinhalt, mit dem Vorstellungsinhalt. Verstehen wird man die Sprache aber nur dann, wenn man sie zunächst wirklich auffaßt als verankert im menschlichen Gefühl.
In de hele mens ontwikkelen we een zekere activiteit die als sympathie werkzaam is, die een sympathiekracht is. En deze sympathiekracht wordt in onze borstmens voortdurend verweven met een kosmische antipathiekracht. De uitdrukking van deze activiteiten van sympathie en antipathie die elkaar ontmoeten, is het menselijk spreken. En deze ontmoeting van sympathie en antipathie gaat duidelijk gepaard met een hersenactiviteit: het begrijpen van wat er gezegd wordt. Wij volgen begrijpend het spreken. Bij het spreken is er in feite sprake van een activiteit die zich in de borst afspeelt en parallel daaraan een activiteit die zich in het hoofd afspeelt. Alleen is de activiteit in de borst veel werkelijker; in het hoofd is die activiteit afgezwakt tot een beeld. Wanneer u spreekt, hebt u inderdaad voortdurend een activiteit van de borst, en die begeleidt u tegelijkertijd met het beeld daarvan, met de activiteit van het hoofd. U zult dan ook gemakkelijk inzien dat het spreken in feite op een voortdurende ritmische afwisseling van sympathie- en antipathiekrachten berust, net als het voelen. De taal is ook in eerste instantie verankerd in het voelen.* En dat de taal ook een met gedachten samenvallende inhoud heeft, dat komt doordat we de gevoelsinhoud begeleiden met de denkinhoud, de voorstellingsinhoud.
*voetnoot boek: De taal is … verankerd in het voelen: Steiner gaat in zijn beschouwingen over euritmie uitvoeriger in op het karakter van de taal; zie Vorm en beweging. Architectuur, beeldhouwkunst, euritmie, m.n. de voordrachten van 26 augustus 1923, 19 februari en 24 juni 1924.Vertaald
Maar begrijpen zullen we de taal* pas als we haar werkelijk beschouwen als primair verankerd in het menselijk gevoel.
*”Taal’ is hier als vertaling van ‘Sprache’ genomen; het had dus ook vertaald kunnen worden met ‘spraak’ van het werkwoord ‘sprechen’ – spreken.
Hierboven kwam al even iets naar voren van ‘naar buiten gericht’ – de reflexbeweging – maar – Steiner noemt het hier niet – bij het spreken maken we bijna zonder uitzondering allemaal gebaren met onze handen, wat we dan ook treffend ‘gebarentaal’ noemen. En in die gebaren treffen we ook weer sympathie en antipathie, denk bij het laatste bv. aan ‘met de vuist op tafel slaan’ of zelfs het stampen met de voeten,
In de hierboven aangehaalde passage uit GA 81 worden we al gewezen op de buitenwereld en de binnenwereld, waarin we weer het ‘uit’-‘in’ van de ziel ontdekken. Dat binnen en buiten is verbonden met vocaal en consonant,
In dit artikel volg ik wat Steiner over bepaalde klinkers opmerkt.
Over de medeklinkers [nog niet oproepbaar]
.
GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner
Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Opvoeding en onderwijs
Voordracht 7, Oxford 23 augustus 1923
Die Waldorfschule als Organismus
De Waldorfschool als organisme
Blz. 142 vert. 131/132
Da ist es natürlich ungeheuer wichtig, daß man zunächst das richtige Erleben des Farbigen im Kinde erzeugt. Wenn Sie die kleinen Farben nehmen, die man gewöhnlich bekommt in den Handlungen, und die Kinder mit dem Pinsel von den kleinen Farben von der Palette herab malen lassen, lernen sie gar nichts. Das ist notwendig, daß man mit der Farbe leben lernt, nicht von der Palette herab malen läßt, sondern aus dem Tiegel im Wasser aufgelöste Farben nimmt. Da bekommt das Kind das Gefühl, wie Farbe neben Farbe leben kann, das Gefühl für innere Harmonik und für inneres Farbenerleben. Und wenn das auch manchmal Schwierigkeiten bietet – die Klasse sieht manchmal nicht gut aus, nachdem Malunterricht erteilt worden ist, weil nicht alle sehr geschickt sind, manchmal nicht sehr gelehrig sind in dieser Beziehung -, wenn das auch Schwierigkeiten macht, es gibt doch ungeheure Fortschritte, wenn man so die Kinder zunächst ins Farbenelement einführt, so daß sie aus dem Farbenerleben heraus, ohne daß sie naturalistisch etwas nachahmen wollen, zunächst malen lernen. Dann gibt sich schon selbst, ich möchte sagen, die Farbenfläche und Farbenform über
Daarbij is het natuurlijk van het allergrootste belang dat men van meet af aan het juiste kleurbeleven bij het kind weet op te kweken. Als u die kleurtjes gebruikt, die normaal gesproken in de winkels te koop zijn, en de kinderen die met hun penseel gewoon vanaf het palet laat opbrengen, dan leren ze helemaal niets. Het is noodzakelijk met de kleur te leren leven en niet vanaf het palet te laten schilderen, maar uit het potje in water opgeloste kleuren te gebruiken. Hoe dat in de praktijk kan gaan.
Dan krijgt het kind er een gevoel voor hoe de kleuren naast elkaar kunnen leven, een gevoel voor innerlijke harmonie en voor het innerlijk beleven van de kleur. En al levert dat wel eens wat problemen op – de klas ziet er soms niet meer zo netjes uit nadat er schilderles gegeven is, want niet iedereen is even handig of
leert even vlot op dit gebied –, al levert dat wat problemen op, toch boekt men een ongelooflijke vooruitgang als men de kinderen op zo’n manier met het element van de kleur in aanraking brengt, dat ze uit het beleven van de kleur leren schilderen, zonder dat ze in eerste instantie iets op naturalistische wijze
willen nabootsen. Dan ontstaan al vanzelf, zou ik willen zeggen, de kleurige vlakken en de gekleurde vorm
Blz. 143 vert. 132
die Papierfläche drüber. Und so wird so gemalt in der Waldorfschule, und auch in Dornach wird so gemalt, daß die Kinder zunächst das Farbenerleben malen. Es kommt überall auf die Nebeneinanderstellung, Übereinanderstellung der Farben an. So lebt sich das Kind in die Farbe ein, und dann kommt es schon nach und nach von selbst dazu, aus der Farbe die Form zu holen. Sie sehen, wie hier – bei allerdings vorgeschrittenen Kindern – schon, ohne daß man auf das Zeichnen ausgeht, hervorgeholt ist aus der Farbe ein Geformtes, ein Gestaltetes. Aber nach demselben Prinzip wird auch bei den kleinen Kindern unterrichtet. Wir haben hier zum Beispiel solche Blätter, welche das Farberleben anstreben. Da wird nicht etwas gemalt, sondern da wird aus der Farbe heraus gelebt. Das Etwas-Malen kann erst viel später kommen. Wenn man zu früh anfängt, etwas zu malen, dann verliert sich der Sinn für das Lebendige, dann kommt der Sinn für das Tote herauf. Wenn man dann in dieser Weise vorgeht, so ist der Übergang zu irgend etwas Gegenständlichem in der Welt ein viel lebendigerer, als wenn man nicht diese Grundlage schafft. Sehen Sie, Kinder, die erst aus der Farbe heraus haben leben lernen, die malen dann die Insel Sizilien im Zusammenhang mit dem Geographieunterricht zum Beispiel, und es kommt dann eine Landkarte zustande. Und so gliedert sich zusammen künstlerisches Arbeiten und sogar geographischer Unterricht. Wenn man auf diese Weise ein Gefühl für Farbenharmonik hervorruft, dann bringt man es zustande, daß die Kinder Gegenstände, die irgendwie dem Leben dienen, dann machen.
op het vel papier. Zo wordt er op de Waldorfschool geschilderd, en ook in Dornach wordt zo geschilderd dat de kinderen in de eerste plaats de kleurbeleving schilderen. Het gaat steeds om het naast en tegenover elkaar zetten van de kleuren. Op die manier leeft het kind zich in de kleur in, en dan komt het er langzamerhand vanzelf wel toe om uit de kleur de vorm te laten ontstaan. Uit de praktijk
U ziet hoe hier [in de uitgave zijn die voorbeelden niet afgedrukt]– weliswaar bij gevorderde leerlingen – zonder dat men op het tekenen gericht is, vanuit de kleur al iets van een vorm is ontstaan. Maar volgens deze principes krijgen ook de jongste leerlingen les.
Hier [idem] zijn bijvoorbeeld een paar van zulke schilderingen waarin het gaat om het kleurbeleven. Daar wordt niet iets geschilderd, maar daar wordt geleefd vanuit de kleur. Iets schilderen kan pas veel later komen. Uit de praktijk
Als men te vroeg begint met iets te schilderen, dan raakt men de zin kwijt voor het levende en treedt de zin voor het dode op de voorgrond.
Dit ‘iets’ is dus een voorstelling en hoort als zodanig bij de zenuw-zintuigmens, bij het verleden, bij de doodskrachten. Vanuit het gevoel, een stemming – hier die van de kleur – in het doen komen, hoort tot het gebied van de wil, de toekomst, de bloedkrachten, bij de levenskrachten. Meer daarover in ‘Algemene menskunde’ voordracht 2.
Wanneer men op deze manier te werk gaat, verloopt de overgang naar iets concreets in de wereld veel levendiger dan wanneer men niet die basis legt. Kijk, kinderen die eerst vanuit de kleur hebben leren leven, schilderen dan bijvoorbeeld in de aardrijkskundeles het eiland Sicilië, en dan ontstaat er een landkaart. Op die manier vloeit kunstzinnig werk zelfs met aardrijkskunde
samen. Uit de praktijk
Wanneer men op die manier gevoel wekt voor de harmonie van kleuren,
willekeurige illustratie
.
dan krijgt men het voor elkaar dat de kinderen vervolgens ook voorwerpen maken die in het leven van nut zijn. Hierna volgt een voorbeeld voor een boekomslag. GA 305/142-143 Vertaald/131-134
.
De 7 thema’s die Erich Gabert als inleidingen verwoordt, geven een beknopt overzicht van wat er zich rond de oprichting van de waldorfschool en de verdere jaren waarin Steiner de school leidde, plaatsvond. Om niet te veel ‘leesvoer’ in één keer te geven, zullen de thema’s in aparte artikelen verschijnen die ik later bij elkaar zal voegen. Het is nog niet mogelijk om alle plaatsen waarnaar verwezen wordt, van een link te voorzien. Wat hier ‘overzicht’ wordt genoemd, bevat voor een groot gedeelte verwijzingen naar de Gesamt Ausgabe (volledig overzicht van alle werk van Steiner, afgekort GA). Naar die GA’s heb ik direct een link geplaatst, waar mogelijk ook naar een vertaling. Dit overzicht staat in deel 3 van de vergaderingen – GA 300C/213) De aanduiding, bv. (1/184) betekent deel 1, dus GA 300A, blz. 184)
Blz. 35
Konfessioneller und freier Religionsunterricht; Christengemeinschaft
Confessioneel en vrij godsdienstonderwijs; de Christengemeenschap
In einem Verhältnis ganz eigener Art stand die Waldorfschule zur umgebenden Welt in bezug auf den Religionsunterricht. Er wurde in den Räumen der Schule erteilt und war doch nicht deren eigene Sache. Er war, wie Rudolf Steiner wohl sagte, „exterritorial”. Das galt sichtlich von dem sogenannten konfessionellen Religionsunterricht, von dem anfangs allein die Rede war. Schon am Abend des 20. August, noch vor dem grundlegenden pädagogischen Kurs, sprach Rudolf Steiner von dem „Kompromiß”, der hier gemacht werden müsse (1/63). „Wir wollen keine anthroposophische Dogmatik lehren. . . . Wir wollen umsetzen das, was auf anthroposophischem Gebiet gewonnen werden kann, in wirkliche Unterrichtspraxis. . . . Die religiöse Unterweisung wird in den Religionsgemeinschaften erteilt werden.” Und am Ende des Kurses, in der Rede zur Eröffnungsfeier am 7. September hieß es: „Ehrlich werden wir einhalten, was wir gelobt haben: daß die verschiedenen Religionsbekenntnisse, die von sich aus den Religionsunterricht erteilen wollen, ihre Weltanschauungsprinzipien in unsere Schule
De vrijeschool had een heel bijzondere relatie met de wereld met betrekking tot godsdienstonderwijs. Dat werd gegeven in de ruimten van de school en was toch niet haar eigen aangelegenheid. Het was, zoals Rudolf Steiner weleens zei, “extraterritoriaal”.
Dit gold duidelijk voor het zogenaamde confessionele godsdienstonderwijs, waarvan alleen in het begin sprake was. Al op de avond van 20 augustus, nog voor de pedagogische basiscursus, sprak Rudolf Steiner over het “compromis” dat hier gesloten moest worden. (In deze band op blz. 63, echter niet op deze blog vertaald, omdat de vertaling in GA 293, blz. 15) staat.
“Wij willen geen antroposofische dogmatiek onderwijzen. . . . Wij willen datgene wat op antroposofisch gebied te leren valt, omzetten in echte onderwijspraktijk. . . Religieus onderricht wordt gegeven in de religieuze gemeenschappen.”
En aan het einde van de cursus, in de toespraak bij de openingsceremonie op 7 september, werd gezegd: “We zullen onze belofte eerlijk nakomen: dat de verschillende godsdiensten die uit eigen beweging godsdienstonderwijs willen geven hun levensbeschouwelijke principes op onze school kunnen onderwijzen.
Blz. 36
hineintragen können.” („Rudolf Steiner in der Waldorfschule” S. 27; Liste Nr. 8.) Für Rudolf Steiner schien es dem Wesen und den Bedürfnissen des heranwachsenden Menschen unangemessen, ja schädlich, wenn er ohne jegliche religiöse Unterweisung aufwachsen müßte. Deshalb wurden gleich von Anfang an Zeit und Räume bereitgestellt für die von den Konfessionen beauftragten Lehrer, selbst wenn dafür an sich bessere Prinzipien des Stundenplans aufgeopfert werden mußten (1/65,69). Und Rudolf Steiner bestand streng darauf, daß diese Übergabe an die Religionsgemeinschaften in jedem Sinne „ehrlich” durchgeführt werde. Er wurde ungehalten, als von manchen Schulkindern einige Kameraden nicht recht ernst genommen wurden, nur weil sie aus anderen Konfessionszusammenhängen stammten (2/111, 112). Aber schon gegen Ende des pädagogischen Kurses muß Rudolf Steiner gebeten worden sein, auch für solche Kinder, deren Eltern gar keiner Konfession angehörten, und das war bei den Arbeiterkindern vielfach der Fall, einen auf anthroposophischer Erkenntnis gegründeten Religionsunterricht einzurichten, einen „freien Religionsunterricht” von durchaus christlichem Charakter. In der ersten Lehrerkonferenz am 8. September 1919 wurde ein Doppeltes bemerkbar. Es war schon die Rede vom „anthroposophischen Unterricht, dem freien Religionsunterricht”, aber es wurde auch deutlich, daß die Gedanken über die Gestalt dieses Unterrichts noch nicht voll ausgereift waren
(“Rudolf Steiner in de vrijeschool”, de betreffende toespraak staat inGA 294blz. Voor Rudolf Steiner leek het niet passend bij de aard en behoeften van de opgroeiende mens, zelfs schadelijk, als deze zonder enig godsdienstonderwijs zou moeten opgroeien. Daarom werden vanaf het begin tijd en ruimtes beschikbaar gesteld voor de leraren die door de kerkgenootschappen waren aangesteld, zelfs als dit betekende dat er betere uitgangspunten van het lesrooster opgeofferd moest worden. (1/65, 69). En Rudolf Steiner stond er streng op dat dit overdragen aan de religieuze gemeenschappen in alle opzichten “eerlijk” werd uitgevoerd. Hij was verontwaardigd toen sommige schoolkinderen niet echt serieus genomen werden door hun schoolgenoten, alleen maar omdat ze een andere confessionele achtergrond hadden. (2/111, 112). Maar al tegen het einde van de pedagogische opleiding moet Rudolf Steiner gevraagd zijn om ook de kinderen te onderwijzen van wie de ouders tot geen enkel kerkgenootschap behoorden, en dit was vaak het geval bij de kinderen van de werknemers, om een op antroposofische inzichten gebaseerde religieuze opvoeding met een door en door christelijk karakter tot stand te brengen. Op de eerste lerarenvergadering op 8 september 1919 werden twee dingen duidelijk: Er werd al gesproken over ‘antroposofisch onderwijs, het vrije godsdienstonderwijs’, maar het werd ook duidelijk dat de ideeën over de vorm van dit onderwijs nog niet volledig ontwikkeld waren.
So hieß es, die Klassenlehrer könnten ihn geben (1/67). Davon war zwei Wochen später, in den Konferenzen vom 25. und 26. September (1/79-81 , 98—105) nicht mehr die Rede. Es wurden Herbert Hahn und Friedrich Oehlschlegel mit diesem Unterricht beauftragt. Nun wurde auch der gesamte Lehrplan des Religionsunterrichts für alle damals vorhandenen acht Klassen gegeben. Sie sollten in zwei Gruppen zusammengefaßt werden, 1.—4. und 5.-8 . Klasse. Als dann im Herbst 1920 die 9. Klasse hinzukam, wurden es drei Gruppen, 1.—3., 4.-6. , 7.-9. , und stufenweise näherte sich die Einteilung für den Religionsunterricht der üblichen Klasseneinteilung (3/157). Das machte auch immer mehr Lehrer nötig für diesen Unterricht. Dem Lehrplan wurden ständig Einzelheiten und die Erweiterungen für die neu hinzukommenden Klassen angefügt. (Näheres vgl. Sachwortverzeichnis.) Bei einem Elternabend am 3. November 1919 wurde nun gefragt, ob nicht auch für die Schüler des freien Religionsunterrichts an den Sonntagen eine religiöse Feier eingerichtet werden könne. Nachdem
Dus werd er gezegd dat de klassenleraren het konden geven (1/67). Dit was twee weken later niet het geval, in de vergaderingen van 25 en 26 september (1/79-81 , 98-105) werd er niet meer over gesproken.
Herbert Hahn en Friedrich Oehlschlegel werden met deze lessen belast. Nu werd het hele leerplan voor godsdienstonderwijs gemaakt voor alle acht klassen die er toen waren.
Ze zou in twee groepen worden gegeven, 1e-4e en 5e-8e klas. Toen de 9e klas werd toegevoegd in de herfst van 1920, waren er drie groepen, 1e – 3e, 4e – 6e, 7e – 9e , en de verdeling voor godsdienstonderwijs benaderde geleidelijk de gebruikelijke klassenindeling (3/157).
Dit betekende ook dat er steeds meer leerkrachten nodig waren voor deze lessen. Aan het leerplan werden voortdurend details toegevoegd en uitgebreid met
aanvullingen voor de nieuwe klassen die erbij kwamen.
(Voor meer details, zie de register -niet oproepbaar).
Op een ouderavond op 3 november 1919 werd de vraag gesteld of niet ook een godsdienstige viering ontworpen kon worden op zondag voor de leerlingen van het vrije godsdienstonderwijs.
Blz. 37
Überlegungen darüber unbefriedigend verlaufen waren, baten die beiden Religionslehrer in der Weihnachtszeit 1919 Rudolf Steiner um seinen Rat. Wenige Tage später übergab er ihnen das Ritual für die Sonntagshandlung. Weil Oehlschlegel bald für geraume Zeit nach Amerika reiste und dann nicht mehr an die Schule zurückkam, hatte Herbert Hahn lange allein für die Sonntagshandlung zu sorgen. Sie wurde zum ersten Male gehalten am 1. Februar 1920. Rudolf Steiner war immer, wenn er in Stuttgart war, dabei anwesend, zuerst am 29. Februar 1920. Die Teilnahme an diesen Sonntagshandlungen war strenge beschränkt auf die Schüler des freien Religionsunterrichtes, auf die Lehrer der Schule, die Eltern und diejenigen, ,,die anerkannt werden können durch die Lehrerschaft als moralische Vormünder” (1/137). Rudolf Steiner rechnete darauf, daß möglichst viele Lehrer der Schule, nicht nur die Religionslehrer, bei den Handlungen dabei seien (2/58,199). Nach und nach kamen die anderen Handlungen hinzu, die Weihnachtshandlung (1/252) zum ersten Male am 25. Dezember 1920, die Jugendfeier (1/136) am Palmsonntag, dem 20. März 1921. Als letztes wurde von Rudolf Steiner, nachdem im September 1922 schon die Wirksamkeit der Christengemeinschaft angefangen hatte, im Frühling 1923 für die beiden obersten Klassen die Opferfeier hinzugefügt (2/222, 241, 305). Sie fand zum ersten Male statt in der Osterzeit 1923.
Na onbevredigend overleg vroegen de twee godsdienstleraren in de kersttijd van 1919 Rudolf Steiner om advies. Een paar dagen later gaf hij hen het ritueel voor de zondagshandeling. Omdat Oehlschlegel al snel voor enige tijd naar Amerika reisde en vervolgens niet naar de school terugkeerde, moest Herbert Hahn lange tijd alleen de zondagshandeling verzorgen. Deze werd voor het eerst gehouden op 1 februari 1920. Rudolf Steiner was er als hij in Stuttgart was, altijd aanwezig, voor het eerst op 29 februari 1920. Deelname aan deze zondagsdiensten was strikt beperkt tot de leerlingen van het vrije godsdienstonderwijs, de leraren van de school, de ouders en degenen “die door de leerkrachten erkend konden worden als morele hoeders” (1/137). Rudolf Steiner rekende erop dat zoveel mogelijk leraren, niet alleen de godsdienstleraren, aanwezig waren bij de handelingen. (2/58,199). Geleidelijk kwamen daar de andere handelingen bij, de kersthandeling (1/252) voor het eerst op 25 december 1920, de jeugdhandeling (1/136) op Palmzondag, 20 maart 1921. Als laatste werd door Rudolf Steiner, nadat de Christengemeenschap al in september 1922 was begonnen, in het voorjaar van 1923 de offerhandeling toegevoegd voor de twee hoogste klassen (2/222, 241, 305). Die vond voor het eerst plaats in de paastijd van 1923.
Die Absicht Rudolf Steiners war, man solle all diesen Kultus einrichten „mit großer Innigkeit und Herzlichkeit . . . als etwas Ernstes, aber ohne schwül zu sein”, dennoch ,,auf der anderen Seite ihn so schlicht halten, als es möglich ist” (2/199). So wie der freie Religionsunterricht selbstverständlich kein „obligatorischer” Unterricht war (2/305), so war auch die Teilnahme an den Sonntagshandlungen den Schülern des freien Religionsunterrichtes durchaus „freigestellt, ob sie kommen wollen oder nicht” (2/304). Das Wesen des freien Religionsunterrichtes und die Art, wie Rudolf Steiner ihm gleichsam eine Mittelstellung gab zwischen der Schule einerseits und der Anthroposophie und Anthroposophischen Gesellschaft andererseits, ist nicht leicht zu durchschauen. Es stellte an die damaligen Waldorflehrer, und es stellt auch heute noch große Anforderungen an Erkenntnisbemühen und Bewußtsein. Es müssen da jedesmal Aspekte zusammengeschaut werden, die einander zu widersprechen scheinen. Von der einen Seite her gesehen sollte nicht nur für den konfessio-
Het was Rudolf Steiners bedoeling dat al deze cultus tot stand zou komen “met grote intimiteit en hartelijkheid . . . als iets serieus, maar zonder zwaarte”, en toch ”aan de andere kant het zo eenvoudig mogelijk te houden” (2/199). Net zoals het vrije godsdienstonderricht natuurlijk geen “verplichte” les was (2/305), was ook deelname aan de zondagshandeling volledig “facultatief”, want de leerlingen van het vrije godsdienstonderricht “waren vrij om te beslissen of ze wilden komen of niet” (2/304). De aard van het vrije godsdienstonderwijs en de manier waarop Rudolf Steiner het als het ware een middenpositie gaf tussen de school aan de ene kant en de antroposofie en de Antroposofische Vereniging aan de andere kant, is niet eenvoudig te begrijpen. Het stelde destijds eisen aan de vrijeschoolleraren en stelt ook nu nog hoge eisen aan hun streven naar kennis en bewustzijn. Aspecten die elkaar lijken tegen te spreken, moeten samen worden bekeken. Vanuit het ene gezichtspunt is het niet alleen voor het confessio-
Blz. 38
nellen Unterricht, sondern auch für den freien vermieden werden, „daß er als etwas in die Schule Eingereihtes erscheine” (2/19). Demgegenüber steht die Antwort, die von Rudolf Steiner an Emil Moltmgegeben wurde, als der geäußert hatte, „eine reine Schulangelegenheit soll es ja nicht sein; es ist ja losgelöst von der Schule”. Da sagte ihm Rudolf Steiner: „Die Sonntagshandlung ist etwas im Rahmen der Schule Liegendes. Eine Einzelheit innerhalb der Schule, . . . die nicht eine allgemeine Schulangelegenheit ist” (1/138), weil eben nicht alle Schüler daran teilnehmen. Rudolf Steiner hat auch den Lehrplan und alle dessen spätere Ergänzungen innerhalb der allgemeinen Lehrerkonferenz gegeben (vgl. Sachwortverzeichnis), hat auch seine Auswahl der Religionslehrer, die Handhabung der Handlungen, die Ausgestaltung des Handlungsraumes, und was es sonst noch sein mochte (vgl. wiederum Sachwortverzeichnis), fast ausnahmslos dort besprochen. Er hat damit nicht nur die Religionslehrer, sondern die gesamte Lehrerschaft aufgerufen zum Tragen dieses Unterrichts. Und es war keine Äußerlichkeit, wenn er sich dabei immer der Sprachform des „wir” bediente — „unser” Religionsunterricht. Er tat das selbstverständlich nicht, wenn er sich äußerte über den konfessionellen Unterricht, aber auch später nicht in bezug auf den Religionsunterricht der Christengemeinschaft, von dem noch zu reden sein wird.
le onderwijs, maar ook voor het vrije “dat het verschijnt als iets dat in de school is opgenomen” (2/19). Daar tegenover staat het antwoord van Rudolf Steiner aan Emil Molt toen deze zei dat “het niet puur een schoolaangelegenheid moet zijn; het staat los van de school”. Toen zei Rudolf Steiner tegen hem: “De zondagshandeling is iets binnen het kader van de school. Een apart iets binnen de school, . . . dat geen algemene schoolaangelegenheid is” (1/138), omdat niet alle leerlingen eraan deelnemen. Rudolf Steiner schreef ook het leerplan en alle latere aanvullingen binnen de algemene lerarenvergadering (zie trefwoorden – niet oproepbaar), zijn selectie van de godsdienstleraren, de omgang met de handelingen, de aankleding van de handelingsruimte, en wat er verder nog bij komt kijken (vgl. trefwoordenlijst), werden daar bijna zonder uitzondering besproken. Hij deed dus niet alleen een beroep op de godsdienstleraren, maar op al het onderwijzend personeel om dit onderwijs te ondersteunen. En het was geen uiterlijkheid dat hij dan steeds over “wij” – ‘ons’ godsdienstonderwijs sprak. Natuurlijk deed hij dit niet toen hij over het confessioneel onderwijs sprak, maar ook later niet met betrekking tot godsdienstonderwijs van de Christengemeenschap waarover later meer.
Ebenso treten in Rudolf Steiners Worten zwei ganz verschiedene Aspekte hervor in bezug auf das Verhältnis zur Anthroposophischen Gesellschaft. So sagte er zu einem der Lehrer: „Als Religionslehrer gehören Sie nicht der Schule an. Den erteilen Sie, wie wenn Sie Pastor in einer anthroposophischen Kirche draußen wären und hereinkommen” (1/286). (Dazu ist die Anmerkung einzuschieben, daß mit der „anthroposophischen Kirche” keineswegs die Christengemeinschaft gemeint ist. Denn die gab es damals noch nicht; der erste, noch vorbereitende Theologenkurs fand erst einen Monat später statt. Eine „anthroposophische Kirche” konnte und kann es selbstverständlich gar nicht geben. Der Ausdruck ist überspitzt gebraucht.) Und dem steht das gegenüber, was Rudolf Steiner im Hinweis auf die Weihnachtstagung sagte. Erst wies er darauf hin, daß „die Schule als eine von der Anthroposophischen Gesellschaft unabhängige Institution” geschaffen sei. Dann ging er auf die besondere Lage des Religionsunterrichtes ein. „Damit stimmt logisch ganz gut überein, daß der Religionsunterricht von den Religionsgemeinschaften aus besorgt wird, der freie Religionsunterricht von der Anthroposophi-
Zo komen ook in de woorden van Rudolf Steiner twee heel verschillende aspecten naar voren in de relatie met de Antroposofische Vereniging. Tegen een van de leraren zei hij: ‘Als godsdienstleraar hoort u niet bij de school. U geeft les alsof u een voorganger in een antroposofische kerk buiten de school bent die hier binnenkomt” (1/286). (Opgemerkt moet worden dat de “antroposofische kerk” in geen geval verwijst naar de Christengemeenschap. Want die bestond toen nog niet; de eerste, voorbereidende theologische cursus vond pas een maand later plaats. Een ‘antroposofische kerk’ kon of kan helemaal niet.. De uitdrukking is overdreven overdreven gebruikt). En daar staat tegenover wat Rudolf Steiner zei in zijn verwijzing naar de Kerstconferentie. Eerst wees hij erop dat ‘de school als instituut is opgericht onafhankelijk van de Antroposofische Vereniging’. Daarna ging hij in op de bijzondere situatie van het godsdienstonderwijs. “Het is logisch daarmee in overeenstemming, dat het godsdienstonderwijs door de religieuze gemeenschappen wordt verzorgd, terwijl het vrije godsdienstonderwijs door de Antroposofische
Blz. 39
sehen Gesellschaft aus, daß die Anthroposophische Gesellschaft mit dem freien Religionsunterricht darinnensteht wie die anderen religiösen Gemeinschaften. Die Anthroposophische Gesellschaft gibt eigentlich den Religionsunterricht und den Kultus” (3/119). Das sagte Rudolf Steiner nach der Neubegründung der Anthroposophischen Gesellschaft und nachdem er selbst das Amt des Ersten Vorsitzenden und das des Leiters der Pädagogischen Sektion übernommen hatte. Damit waren auch für den freien Religionsunterricht Aufgaben gestellt, die sich in der kommenden Zeit auswirken sollten. Es kam praktisch nicht dazu, weil Rudolf Steiner starb. Diese Aufgaben aber stehen immer noch da und stehen vor uns.
Als die zuletzt angeführten Worte am 5. Februar 1924 gesprochen wurden, bestand nun aber schon seit fast einundeinhalb Jahren die Christengemeinschaft. Im Jahre 1921 waren, zuerst unabhängig voneinander, Gruppen von jungen Theologen, meist Studenten, an Rudolf Steiner herangetreten mit der Frage, ob und wie sie mit Hilfe der anthroposophischen Erkenntnis in der rechten Weise ihren Lebensberuf auf dem religiösen Felde finden könnten. Daraufhin hielt ihnen Rudolf Steiner mehrere „Theologenkurse”, an deren erstem auch die Lehrer des freien Religionsunterrichtes teilnahmen (2/39. Liste Nrn. 105, 126).
Vereniging; dat de Antroposofische Vereniging met het vrije godsdienstonderwijs op dezelfde manier erin staat als andere religieuze gemeenschappen. De Antroposofische Vereniging geeft eigenlijk het godsdienstonderricht en de cultus’ (3/119). Rudolf Steiner zei dit na de heroprichting van de Antroposofische Vereniging en nadat hij zelf het ambt van Eerste voorzitter op zich had genomen en hoofd van de pedagogische sectie was geworden. Daarmee kwam ook het vrije godsdienstonderwijs voor opgaven te staan die in de komende tijd uitgewerkt zouden moeten worden. Door de dood van Rudolf Steiner is dit niet doorgegaan. Deze taken zijn er echter nog steeds en liggen voor ons. (geschreven 1975)
Toen de laatst genoemde woorden op 5 februari 1924 werden gesproken, bestond de Christengemeenschap al bijna anderhalf jaar. In 1921 hadden groepen jonge theologen, aanvankelijk onafhankelijk van elkaar, meestal studenten, Rudolf Steiner benaderd met de vraag of en hoe zij met behulp van antroposofische kennis op de juiste manier hun roeping op religieus gebied konden vinden. Rudolf Steiner gaf hen toen theologiecursussen, aan de eerste daarvan namen ook leraren van het vrije godsdienstonderwijs deel. (2/39. GA 343 (niet vertaald) GA 346 (vertaald)
Auf Grund dieser Kurse schlössen sich die jungen Theologen, in deren Namen Rudolf Steiner um seinen Rat gefragt worden war, im September 1922 von sich selbst aus zusammen. Es wurde zuerst der Name üblich: „Bewegung für religiöse Erneuerung” (2/199). Friedrich Rittelmeyer, der wegen Krankheit an den ersten Kursen nicht hatte teilnehmen können, gab jetzt seine Stellung als Pfarrer in Berlin auf. Er hatte schon seit Jahren aktiv in der anthroposophischen Bewegung gestanden und tat das auch weiterhin; aber er trat nun auch an die Spitze der „Religionserneuerung”, die den Namen „Christengemeinschaft” annahm. Sie war nicht von der Anthroposophischen Gesellschaft aus gegründet und auch nicht von Rudolf Steiner. Er sprach vielfach von der „auf eigenen Füßen der Anthroposophischen Gesellschaft gegenüberstehenden Christengemeinschaft” (3/123).
Er äußerte, diese Bewegung „hätte den Keim in sich, etwas sehr Großes zu werden” (2/199). Und fast zwei Jahre später sagte er von den Priestern, daß sie „in kürzester Zeit die größten Fortschritte gemacht hätten” (3/177), Es ist verständlich, daß nun Fragen heraufkamen, wie das Verhältnis der Anthroposophie zur Christengemeinschaft sei und wie man sich
Op basis van deze cursussen kwamen de jonge theologen namens wie Rudolf Steiner om raad was gevraagd, in september 1922 op eigen initiatief bij elkaar Aanvankelijk werd de naam “Beweging voor Religieuze Vernieuwing” gebruikt (2/199). Friedrich Rittelmeyer, die door ziekte de eerste cursussen niet had kunnen bijwonen, gaf nu zijn baan als predikant in Berlijn op. Hij was al jaren actief in de Antroposofische Vereniging en bleef dat ook, maar hij werd nu ook leider van de ‘Godsdienstvernieuwing’, die de naam ‘Christengemeenschap’ aannam. Deze was niet door de Antroposofische Vereniging opgericht en ook niet door Rudolf Steiner. Hij sprak vaak over de ‘Christengemeenschap die op eigen benen staat wat de Antroposofische Vereniging’ betreft (3/123). Hij zei dat deze beweging ‘de kiem in zich had om iets heel groots te worden” (2/199). En bijna twee jaar later zei hij over de priesters dat zij “in zeer korte tijd de grootste vooruitgang hadden geboekt” (3/177). Het is begrijpelijk dat er nu vragen rezen over de verhouding van de antroposofie tot de Christengemeenschap en hoe men
Blz. 40
richtig zu verhalten habe. Für die Mitglieder der Gesellschaft suchte Rudolf Steiner Klarheit zu schaffen durch seinen Vortrag vom 30. Dezember 1922. Es war der zweitletzte Abendvortrag, ehe das erste Goetheanum abbrannte (2/226, 227. Liste Nr. 111). Auch um die Waldorfschule herum entstand Unsicherheit. Sind jetzt, nachdem das neue Priestertum der Christengemeinschaft da ist, freier Religionsunterricht und Kulthandlung an der Waldorfschule noch berechtigt? Als dann bald die Priester anfingen, für die Kinder der Gemeindemitglieder auch Religionsunterricht zu geben, erhob sich die weitere Frage: „Wie ist der freie Religionsunterricht in der Waldorfschule vereinbar mit dem Religionsunterricht der Christengemeinschaft? ” (3/175). Rudolf Steiner sprach daraufhin in den Konferenzen deutlich aus, daß jede von diesen beiden Arten von Religionsunterricht eigenen Charakter, eigene Ziele und volle Berechtigung habe, auch in die Zukunft hinein. Er gab jetzt für den freien Religionsunterricht nicht nur, wie schon erwähnt, etwa ein halbes Jahr nach der Entstehung der Christengemeinschaft, das neue Ritual der Opferfeier, um das die Schüler der obersten Klassen gebeten hatten (2/222, 241, 305).
en hoe je daar een verhouding mee krijgt. Rudolf Steiner probeerde met zijn voordracht op 30 december 1922 duidelijkheid te scheppen voor de leden van de vereniging. Het was de op een na laatste avondvoordracht voordat het eerste Goetheanum afbrandde (2/226, 227). GA 219/162 (niet vertaald)
Er ontstond ook onzekerheid rond de vrijeschool. Zijn, nu het nieuwe priesterschap van de Christengemeenschap er is, vrij godsdienstonderwijs en handelingen op de vrijeschool nog wel op zijn plaats? Toen de priesters al snel begonnen met het geven van godsdienstonderwijs aan de kinderen van de gemeenschapsleden, rees de vraag: “Hoe is het vrije godsdienstonderwijs in de vrijeschool verenigbaar met de godsdienstige opvoeding van de Christengemeenschap? ” (3/175). Rudolf Steiner heeft toen in de vergaderingen duidelijk gezegd dat elk van deze twee soorten godsdienstige opvoeding een eigen karakter had, zijn eigen doelen en volledige rechtvaardiging, ook in de toekomst. Pas, zoals reeds vermeld, ongeveer een half jaar na de vorming van de Christengemeenschap, gaf hij de nieuwe offerhandeling, waar de leerlingen van de hoogste klassen om hadden gevraagd (2/222, 241, 305).
Er hat auch das Weiterbestehen des freien Religionsunterrichtes teils als selbstverständlich vorausgesetzt (3/175—179), teils im Gespräch ausdrücklich ausgesprochen. Es sollten keineswegs diese beiden Bewegungen ineinanderfließen. Rudolf Steiner wollte ,,so lange als möglich” vermeiden, ,,bei der Christengemeinschaft einen Religionslehrer zu suchen für die Schule”. Aber man solle „nicht so exklusiv sein’ (3/177). Einzelnen der jungen Priester hätte er, wie er sagte, diesen Unterricht gerne anvertraut (2/169). Auf der anderen Seite gestand Rudolf Steiner auch der Christengemeinschaft, die inzwischen schon in ihren eigenen Räumen für die Kinder der Gemeindeglieder einen eigenen Religionsunterricht eingerichtet hatte, ohne weiteres zu, daß sie „wie die anderen Konfessionen” das Recht in Anspruch nehmen könnte, ebenfalls innerhalb der Waldorfschule ihren Religionsunterricht auszuüben. „Dann würden wir also einen Religionsunterricht mehr haben” (3/176). Er fand es aber besser, wenn es dabei bliebe, daß die Kinder der Gemeindemitglieder, soweit sie in die Waldorfschule gingen, auch weiterhin nur am freien Religionsunterricht teilnähmen (3/176). So ist es denn auch in den weitaus meisten Fällen geschehen, bis 1938 die Schule verboten wurde. Erst nach dem zweiten Weltkrieg
Ook was hij enerzijds vanzelfsprekend uitgegaan het voortbestaan van het vrije godsdienstonderwijs, (3/175-179), en anderzijds sprak hij dat in sommige gevallen expliciet uit. Deze twee bewegingen mochten in geen geval samensmelten. Rudolf Steiner wilde “zo lang mogelijk” vermijden “een godsdienstleraar voor de school bij de Christengemeenschap te zoeken.’ Maar we moeten “niet al te exclusief zijn” (3/177). Een paar van de jonge priesters zou hij, zoals hij zei, dit onderwijs graag hebben toevertrouwd (2/177). Aan de andere kant gaf Rudolf Steiner ook toe dat de Christengemeenschap, die intussen al een eigen godsdienstonderwijs voor de kinderen van de gemeenschapsleden in de eigen ruimtes organiseerde., ‘net als de andere kerkgenootschappen’ het recht kon opeisen om ook haar godsdienstonderwijs binnen de vrijeschool aan te bieden. “Dan zouden we er nog een godsdienstonderwijs bij hebben” (3/176). Hij vond het echter beter dat de kinderen van de gemeenteleden die naar de vrijeschool gingen, alleen aan het vrije godsdienstonderwijs bleven deelnemen (3/176). Dit gebeurde in de overgrote meerderheid van de gevallen totdat de school in 1938 werd verboden. Pas na de Tweede Wereldoorlog
Blz. 41
ist auch der Religionsunterricht der Christengemeinschaft, ebenso wie der bisherige konfessionelle, in den Räumen der Waldorfschule eingerichtet worden. Zu Lebzeiten Rudolf Steiners wurde diese Frage nur insoweit praktisch, als Eltern, ausdrücklich wünschten, ihre Kinder sollten an beiden Unterrichten teilnehmen. Rudolf Steiner hielt das für durchaus möglich. Hindern könnte „höchstens der einzige Punkt der Gesundheit, daß es zuviel wäre” . . . Die Waldorfschule müsse da nicht „dogmatisch entscheiden” (3/176). „Am schönsten würde ich finden, wenn dann, wenn sie an beiden teilnehmen, von dem Religionslehrer hier und dem Religionslehrer dort die Stoffe besprochen werden, so daß Einklang da ist” (3/177). Ernsthaftere Schwierigkeiten schienen aufzukommen bei der Frage, wie sich die Jugendfeier der Christengemeinschaft und die des freien Religionsunterrichtes miteinander vereinigen ließen. Aber auch hier seien keinerlei Verhandlungen mit der Christengemeinschaft nötig. Sie sei ja in sich selbständig. „Wir können doch machen, was wir wollen, und die können machen, was sie wollen” (2/305).
werd ook het godsdienstonderwijs van de Christengemeenschap, evenals de het confessionele van toen, in de ruimtes van de vrijeschool gegeven. Tijdens Rudolf Steiners leven werd deze vraag alleen praktisch voor zover ouders uitdrukkelijk wilden dat hun kinderen naar beide lessen gingen. Rudolf Steiner achtte dit mogelijk. Het enige obstakel zou “het punt van gezondheid kunnen zijn, dat het te veel is” . . . De vrijeschool hoefde niet “dogmatisch te beslissen” (3/176). “Ik zou het het mooist vinden als dan, als ze aan beide deelnemen, de godsdienstleraar hier en de godsdienstleraar daar de stof bespreken, zodat er afstemming is” (3/177). Ernstiger problemen leken zich voor te doen bij de vraag hoe de jongerenviering van de Christengemeenschap en die van het vrije godsdienstonderwijs samen zouden kunnen gaan. Maar ook hier waren onderhandelingen met de Christengemeenschap niet nodig. Zij was onafhankelijk op zichzelf. “Wij kunnen doen wat wij willen en zij kunnen doen wat zij willen” (2/305).
Aber dann machte Rudolf Steiner den Weg frei, indem er auf den grundlegenden Unterschied hinwies in der Zielsetzung der beiden Handlungen. „Der innere Sinn unserer Jugendfeier ist, daß der Mensch ganz allgemein in die Menschheit hineingestellt wird . . . Die Christengemeinschaft aber stellt in eine bestimmte Religionsgemeinschaft hinein” (3/178). Daraus ergeben sich zwanglos alle praktischen Handhabungen, die nötig sind: etwa die, welche der beiden Handlungen vorausgehen müsse, und dergleichen (3/177,178). Vor allem aber — und das ist das Allerwichtigste — weisen solche Unterschiede wohl auf Wesensverschiedenheiten hin, aber sie bedeuten keinerlei reale Widersprüche und kein Gegeneinander. „Innerlich ist es durchaus vereinbar” (3/178). Es gilt auch hier, was für das ganze Verhältnis des freien Religionsunterrichtes zur Christengemeinschaft gilt: „Eine Diskrepanz zwischen beiden in inhaltlicher Beziehung kann es eigentlich nicht geben” (3/176).
Maar toen maakte Rudolf Steiner de weg vrij door te wijzen op het fundamentele verschil in het doel van de twee handelingen. “De innerlijke betekenis van onze jeugdhandeling is dat de mens wordt geplaatst in de mensheid in het algemeen . . . De Christengemeenschap plaatst ons echter in een specifieke religieuze gemeenschap” (3/178).
Hieruit volgen alle noodzakelijke praktische regelingen die nodig zijn: bijvoorbeeld welke van de twee handelingen eerst wordt gehouden
en dergelijke (3/177,178).
Maar bovenal – en dat is het belangrijkste – wijzen zulke verschillen op de essentie van beide, maar ze betekenen geen echte tegenstellingen of oppositie. “Innerlijk is het heel verenigbaar” (3/178). Ook hier geldt wat voor de
relatie tussen het vrije godsdienstonderwijs en de Christengemeenschap geldt: “Inhoudelijk kan er geen discrepantie zijn tussen beide” (3/178).
Es wird gefragt nach Malaufgaben für die etwa Vierzehn- bis Fünfzehnjährigen.
Er is een vraag over schilderopdrachten voor veertien- tot vijftienjarigen.
Je moet hier m.i. niet uit opmaken dat de zonsopkomst- en ondergang ‘pas’ op die leeftijd kunnen. Veel leerlingen waren later op school gekomen en hadden nog geen echte ‘schilderervaring’. Op de meeste scholen is dat nu heel anders. In de 6e klas leent zich het onderwerp bv. uitstekend bij natuurkunde als het over de kleuren gaat.
Dr. Steiner: In der Malerei sollte man die Kinder Naturstimmungen machen lassen. Die Fortbildungsschüler in Dornach haben in der Malerei Glänzendes geleistet. Sonnenaufgang und Sonnenuntergang habe ich voneinander unterscheiden lassen. Das haben einzelne glänzend getroffen. Diese Unterschiede sollten sie kennenlernen und darstellen. Diese Sachen könnte man schon pflegen, zum Beispiel Regenstimmung im Walde. Ferner sollten sie auch den Unterschied kennenlernen zwischen Malerischem und Plastischem.
Bij het schilderen zou je de kinderen natuurstemmingen kunnen laten maken. De studenten van de vervolgopleiding in Dornach hebben briljant geschilderd. Ik liet ze onderscheid maken tussen zonsopgang en zonsondergang. Sommigen van hen deden het prachtig. Ze zouden moeten leren deze verschillen te herkennen en weer te geven. Deze dingen zouden gecultiveerd kunnen worden, bijvoorbeeld de sfeer van regen in het bos. Ze zouden ook het verschil moeten leren tussen schilderen en boetseren/beeldhouwen. GA 300C/44 Niet vertaald
Vergadering van 3 juli 1923
Blz. 65/66
Die 8. Klasse, da habe ich mal hereingesehen. Da möchte ich sagen,daß die Notwendigkeit vorliegt, daß man die Kinder nicht mit Farben malen läßt, wenn sie kein aufgespanntes Zeichenpapier haben. Sonst wird die Schlampigkeit gefördert. Sie müssen lernen, ihr Zeichenpapier selbst ordentlich aufzuspannen mit Gummi. Nur auf dem bespannten Papier mit Farbe arbeiten! Wenn die Vorbereitungen hierzu auch Zeit in Anspruch nehmen, das schadet nichts. Die Kinder haben doch viel davon, wenn es ordentlich mit ihnen gemacht wird. Die Kinder in der 8a machen die Dinge viel zu schnell. Sie malen auch viel zu schnell. Die Hefte schauen so aus, daß es im Kind unmöglich Gedanken hervorruft.
Ik heb naar klas 8 gekeken. Ik wil zeggen dat het nodig is om de kinderen niet met kleuren te laten schilderen als ze geen tekenpapier hebben dat is opgespannen. Anders wordt slordigheid aangemoedigd. Ze moeten leren hun eigen tekenpapier goed op te spannen met plakband. Werk alleen met kleur op het opgespannen papier! Ook al kosten de voorbereidingen hiervoor tijd, het kan geen kwaad. De kinderen hebben er veel aan als het goed met ze gedaan wordt. De kinderen in 8a doen het veel te snel. Ze schilderen ook veel te snel. De schriften zien eruit alsof ze onmogelijk gedachten bij het kind kunnen oproepen.
Het is goed te zien dat dit papier niet opgespannen is geweest. En dat ziet er inderdaad slordiger uit dan wanneer de bladen ‘strak’ blijven.
Hier komt Steiner nogmaals terug op het opspannen van het schilderpapier. Een vraag die hem aan het hart ligt:
Die eine Frage ist mir auf dem Herzen liegend. Das ist die Frage, wie man diese Sache lösen soll mit den Heften, wenn mit Farben gemalt wird, während man mit Farben nur aufgespanntes Zeichenpapier bemalen soll. Es ist schon so, daß eine große Schlamperei entwickelt wird. Zeichenbretter, das ist nicht zu erreichen, weil es viel zu teuer ist. Es kann schon ein glattgehobeltes Brett sein. Könnte das nicht mit dem Handwerksunterricht verbunden werden, daß solche Bretter gemacht werden, auf die man aufspannen kann? Diese Methode, im gewöhnlichen Heft die Kinder malen zu lassen, bewährt sich nicht. Sobald man mit den Farben anfängt, müßte man auch mit dem Aufspannen anfangen.
Die ene vraag ligt mij na aan het hart. Dat is de vraag hoe je dit probleem met de schriften oplost als je met kleuren schildert, terwijl je alleen op langwerpig tekenpapier moet schilderen. Het is nu eenmaal zo dat er veel slordigheid ontwikkeld wordt. Tekenborden zijn niet te krijgen omdat ze veel te duur zijn. Het kan een glad geschaafd bord zijn. Zou dit niet gecombineerd kunnen worden met de handenarbeidlessen, dat er zulke planken gemaakt worden waarop je kan opspannen? Deze methode om de kinderen te laten schilderen in het gewone periodeschrift werkt niet. Zodra je begint met schilderen, moet je ook beginnen met opspannen. GA 300C/81 Niet vertaald
Vergadering van 5 februari 1924
Blz. 127
Ein Handwerkslehrer bedauert, daß der Malunterricht in den oberen Klassen nicht ebenso regelmäßig und kontinuierlich durchgeführt werden könne wie in den unteren. Er fragt auch nach dem Technischen des Malens in den unteren Klassen.
Een leraar handvaardigheid betreurt het dat de schilderlessen in de hogere klassen lessen net zo regelmatig en continu worden gegeven als in de lagere klassen. de lagere. Hij vraagt ook naar de techniek van het schilderen in de lagere klassen.
Dr. Steiner: Es schadet nicht, wenn der Malunterricht ein paar Jahre unterbrochen und durch Plastizieren ersetzt wird. Es ist das vorliegend, daß der Malunterricht im Unterbewußten nachwirkt, und daß dann ein Zurückkommen auf einen unterbrochenen Malunterrichtlebendig und mit großer Geschicklichkeit gemacht wird. Bei allem, was aufs Können geht, ist es doch immer so, wenn etwas zurückgehalten wird, ist bald ein großer Fortschritt da, gerade wenn es unterbrochen worden ist.
Het kan geen kwaad als de schilderlessen een paar jaar onderbroken en vervangen worden door boetseren. Het is namelijk zo dat de schilderlessen doorwerken in het onderbewustzijn, en dat dan een terugkeer naar een onderbroken schilderles levendig en met grote vaardigheid gaat. Met alles, wat te maken heeft met bekwaamheid, is het altijd zo dat als iets wordt teruggehouden, er snel een grotere vooruitgang wordt geboekt, vooral als het onderbroken is geweest.
Ich glaube, daß es in den unteren Klassen noch einer Verbesserung bedarf, was den Malunterricht betrifft. Manche Lehrer haben sich noch zu wenig Mühe gegeben, technisch damit fertig zu werden. Die Verwendung des Materials wird nicht richtig gemacht. Eigentlich sollte man nicht mit Farben auf Blättern, die sich fortwährend falten, malen lassen, sondern man sollte die Kinder in allen Klassen dazu gewinnen, daß sie auf aufgespannten Blättern die Farben aufstreichen. Und dann sollte man die ganze Sache von Anfang bis zum Ende durchführen, so daß wirklich solch ein Blatt fertig ist. Die meisten von den Blättern sind nur ein Anfang. Bei jüngeren Kindern ist beim Malen das Schöpfen aus der Seele heraus schon das Richtige, aber bei den älteren Kindern muß man schon von rein malerischen Gesichtspunkten ausgehen; muß zeigen, wie ein Licht, das auffällt, malerisch wirkt und so weiter. Alles praktisch malerisch! Schon vom zehnten Jahr an sollte man gar nicht Gegenstände malen lassen, denn man verdirbt viel.
Ik denk dat er in de lagere klassen nog ruimte is voor verbetering wat betreft het schilderonderwijs. Sommige leerkrachten hebben te weinig moeite gedaan om het technisch aan te pakken. Het gebruik van het materiaal wordt niet goed gedaan. Eigenlijk zouden kinderen niet mogen schilderen met kleuren op vellen papier die steeds gaan golven, maar zouden ze in alle klassen moeten worden aangemoedigd om te schilderen op vellen papier die zijn opgespannen. En dan moet het geheel van begin tot eind worden gedaan, zodat zo’n vel echt af is. De meeste vellen zijn slechts een begin. Bij jongere kinderen is schilderen vanuit de ziel het juiste om te doen, maar bij oudere kinderen moet je puur vanuit het schilderende werken; je moet laten zien hoe een lichtval een schilderkunstig effect heeft enzovoort. Alles praktisch schilderkunstig! Vanaf het tiende jaar moeten er helemaal geen objecten meer geschilderd worden, omdat je dan veel verpest.
Blz. 128
Um so mehr sollte man von solchen malerischen Gesichtspunkten ausgehen, je älter die Kinder werden. Man sollte ihnen klarmachen: Dort ist die Sonne. Das Sonnenlicht fällt auf den Baum. Nun sollte man nicht vom Baum ausgehen und zeichnen, sondern man muß ausgehen von den Lichtflächen und den Dunkelflächen, so daß der Baum herausentsteht aus dem Licht-Dunkel der Farbe, aber der Farbe, die vom Lichte kommt. Nicht daß man von der Abstraktion ausgeht: der Baum ist grün; Nicht die Blätter grün malen lassen; Blätter soll man überhaupt nicht malen, Lichtflächen soll man malen. Das soll man durchführen, das kann man machen. Dann würde ich, wenn ich genötigt wäre, mit den Dreizehn-, Vierzehnjährigen erst anzufangen, dann würde ich die Dürersche ,,Melancholie” vornehmen, würde zur Anschauung bringen, wie wunderbar die Licht- und Schattenverteilung ist. Das Licht am Fenster, die Lichtverteilung am Polyeder und der Kugel, das würde ich umsetzen lassen in Farben. Dann das Licht am Fenster des ,,Hieronymus im Gehäus” und so weiter. Dieses Ausgehen von der ,,Melancholie”, das ist überhaupt etwas sehr Fruchtbares. Man sollte dieses Schwarz-Weiß in Farbenphantasie umsetzen lassen.
Hoe ouder de kinderen worden, hoe meer je moet uitgaan van zulke schilderkunstige gezichtspunten. Je moet ze laten beseffen: De zon is er. Het zonlicht valt op de boom. Nu moet je niet uitgaan van de boom en schilderen, maar je moet uitgaan van de lichte gebieden en de donkere gebieden, zodat de boom uit het licht-donker van de kleur tevoorschijn komt. Niet uitgaan van de abstractie: de boom is groen; niet de bladeren groen laten schilderen; bladeren moeten helemaal niet geschilderd worden, lichte vlakken moeten geschilderd worden. Dat moet je doen, dat kan je doen. Als ik dan met dertien- of veertienjarigen zou moeten beginnen, zou ik de “melancholie” van Dürer doen, ik zou laten zien hoe prachtig de verdeling van licht en schaduw is. Het licht bij het raam, de lichtverdeling op het veelvlak en de bol, dat zou ik vertalen naar kleuren. Dan het licht bij het raam van “Hieronymus in zijn studeervertrek” enzovoort. Uitgaan van de “melancholie” is iets heel vruchtbaars. Dit zwart-wit moet worden omgezet in een kleurenfantasie. GA 300C/127-128 Niet vertaald
Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over schilderen.
GA 294 Vroeg beginnen met schilderen; kleur verbinden met een gevoel; op wit papier, maar ook op gekleurd; verschil tekenen-schilderen; geel en blauw mooier dan geel en groen; schilderend tekenen en tekenend schilderen stimuleren de wil.
GA 300A Potloden, krijtjes en waterverf; in kleuterklas: waterverf; innerlijk gevoel wekken voor kleuren; vormen vanuit de kleur;
GA 300C Papier opspannen; jonge kinderen schilderen: vanuit de ziel, later vanuit de kleur; niet in het periodeschrift; vanaf 10e jaar geen objecten; 13-14-jarigen bv. werk van Dürer om laten zetten in kleur.
GA 305 Schilderen vanuit de kleur, pas later komt het vormelement erbij.
GA 306 Wat betekent met kleur omgaan voor de vormkrachten; de werking van kleur; kleurperspectief.
GA 307 Het gaat om het werkelijk kunstzinnige; het naast elkaar zetten van kleuren voor kleurbeleving; (geel-blauw/blauw-geel).
GA 311 Ontwikkeling beleven kleurharmonie (groen-rood/rood-groen).