Merkwaardig is het Pinksterfeest! Het is aan de ene kant een oer-oud natuurfeest. Maar ontegenzeggelijk is het ook een christelijk feest. Vraagt men echter, hoe je dat vieren moet, dan blijven zeer velen het antwoord schuldig. Behalve de kleuters.
Zelfs het woord “Pinksteren” laat niet dadelijk raden waar het vandaan komt. Een “pink” is een kleine vinger of een jonge koe. Dat brengt ons niet veel verder. ‘Pfingsten‘ in het Duits geeft het vermoeden weinig voedsel. In het Engelse taalgebied zou “Whitsun” alleen iets zinvols kunnen betekenen, wanneer het woord ‘wit'(= geest) oorspronkelijk met een ‘h’ geschreven werd. Tegenwoordig betekent ‘whit’ niemendal. Geen zier dus. Anders was het ‘Geest-zon ‘, en daarbij laat zich wel iets denken. Het Franse ‘Pentecôte’ is een duidelijke samentrekking van het Griekse ‘pentèkostos’ dat ‘vijftigste’ betekent en tevens de band met het paasfeest vastlegt. Pinksteren, de uitstorting van de Heilige Geest, is namelijk op de vijftigste dag na Pasen, het Opstandingsfeest. En, hoewel Pinksteren zo’n echt Hollandse, wat boerse klank heeft, moeten we toch voor de taalkundige afleiding bij het Griekse woord ‘pentèkostos’ zijn, waarmee het de klanken p-n-k-s~t gemeen heeft.
Heeft de indaling van de Geest – als vurige tongen – iets gemeenschappelijks met het oude natuurfeest? Zijn het oude natuuraspect en het christelijk-religieus aspect zo verwant, dat zij Pinksteren tot een dubbel ‘geest-feest’ maken?
Nu, het kost weinig moeite om van het oude natuurfeest alleen nog iets mee te beleven. Ook in onze dagen. Pinksteren is een bloemen- en een bloesemfeest. Heerlijk is het immers om na de strenge, strakke, stijve en bazige dwang van de winterkou het gevoel te krijgen, dat men vrijer en onbezorgder kan ademen.
En wanneer men dan ziet, hoe in de natuur al het verstarde los wordt, hoe de sappen gaan stromen, de knoppen gaan zwellen, de aarde gaat geuren en de bloei verrassend snel inzet, dan geeft dat een warm en feestelijk gevoel. Wat een feest, al die openbarstende knoppen, die kleurige bloesems aan het donkere hout toveren. Geel, roze en wit, overal bloesems, van kleine kersenbloemetjes tot grote tulpvormige magnoliakelken. Lauwe lucht en stralende zonnewarmte helpen stevig mee. Het zijn toch duidelijk krachten uit een andere wereld, een sterrenwereld – de zon is immers ook een ster – welke de serieuze, ijverige groeivorming van de aarde aanraken. Natuurlijk, we vinden alles heel gewoon. Ja, ’t gebeurt toch ieder jaar? Maar is het eigenlijk niet iets bijzonders? De oude voorstelling, dat van de planten de Aarde de moeder is en de Hemel de vader, is eigenlijk een heel bruikbaar beeld voor een wonderlijke werkelijkheid.
Waar de Aarde een plant aanbiedt en naar boven richt, ontstaat de bloem als een kus van de sterrenwereld. De meeste bloemen zijn dit niet vergeten en bootsen in hun vormenspel trouw de sterrenwereld na.
Denkt u eens in: zo’n harde, stekelige cactus in een doodse, gloeiend-hete woestijn. Neem aan, dat u deze plant niet kent. Zou u dan ooit op het idee komen, dat dit vrij lelijke, starre stuk stekelige aarde zo’n grote, tere, prachtig gekleurde bloem zou vertonen?
Neen, dat idee zou u niet krijgen!
Nu, dan kost het ook minder moeite bij het overdenken van dit verschijnsel om iets te beleven van de aanraking door de andere wereld van hogere vorm-, licht- en warmtekrachten.
Pinksteren laat zien hoe de natuurgeest de aarde tot een bloemenfeest maakt.
Voor de mens echter geeft de natuur een beeld aan de ziel, wat het is om aangeraakt te worden vanuit een hogere wereld. De mens opent zijn hart voor de zon als een bloem. Wat voor de plant van de zon komt, is datgene wat de bloem de nodige warme vruchtkracht geeft. In het menselijke is dit echter een beeld voor de vurige tongen van de geest, die zich tien dagen na de hemelvaart vertoonden op de hoofden der apostelen, die toen zich pas bewust werden, dat de Christus in hen leefde voortaan, zodat zij hun taak om de boodschap van de Christus aan alle mensen en volken te brengen konden gaan uitvoeren.
Pinksteren is een heel oud en een heel jong feest. Een jong feest is een feest, waarmee men nog niet veel raad weet en dat men in de verre toekomst pas goed zal kunnen vieren.
Zoals de bloem zich opent voor de zonnekracht, zo zou de mens kunnen vieren, dat hij zijn ziel voor de Geest leert openen.
Een tweeledig Geest-feest dus.
Het enige dat van Pinksteren is overgebleven zijn de vrije dagen. Is dat nu Pinksteren?
Zo lang ik me herinneren kan, was het met Pinksteren mooi weer. Het was de eerste keer dat je weer een paar dagen helemaal buiten doorbracht, overgegeven aan en opgenomen in de duizendvoudige luister van de bloeiende huid van de aarde en het uitbundig gejuich van de vogels dat al in de vroege ochtendschemering veelstemmig losbrak. Een voorproefje beleefde je al met Hemelvaart. Vroeger ging je dan ‘dauwtrappen’. Om vier uur op, een grote wandeling maken, de zon zien opkomen. Ook op de zaterdag vóór Pinksteren was er zo’n matineuze stemming. Kinderen trokken zingend en rammelend met bussen en deksels langs de huizen, de bakker bakte luilakbollen en anderen gingen naar de luilakmarkt, de grote, bonte bloemenmarkt in Haarlem of elders. Wie in de stad woont, heeft nu op vrijdag zijn spullen bij elkaar gepakt, boodschappen gedaan, de tassen volgestouwd en is weggereden naar ergens buiten. Wanneer je dan je plekje gevonden hebt, je tent opgezet, de omgeving verkend en, enigszins tot rust gekomen, begint te genieten van al het moois dat zich daar zo overvloedig presenteert, dan kan de vraag bij je opkomen waaraan je deze vrije dagen nu eigenlijk te danken hebt, de vraag wat Pinksteren nu eigenlijk is. En daaraan aansluitend hoe je dat viert. Van de drie christelijke jaarfeesten die nog met vrije dagen geëerd worden: Kerstmis, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, ligt Pinksteren wel het minst duidelijk in het bewustzijn. Kerstmis heeft nog zoveel traditie, spreekt ook nog in zijn beelden zo gemakkelijk aan: de geboorte van een kind — het is iets dat dagelijks gebeurt. Herders en koningen — in ons land bestaan ze nog. Sterren willen in de donkere winternacht ook wel eens zichtbaar zijn en met wat goede wil worden de engelen voor deze keer geaccepteerd. Het kind in de mens wordt meegeboren. Vandaar misschien ook dat het zo’n typisch familiefeest is.
Pasen wordt al moeilijker. Het sterfproces dat noodzakelijkerwijze aan de opstanding voorafgaat, wekt weinig sympathiegevoelens, de opstanding zelf is een mysterieus gebeuren dat pas door veel inspanning enigszins begrepen kan worden. Hoewel het centraal staat in de mensheidsgeschiedenis, de hele mensheid aangaat, is het dan toch ook een aangelegenheid waar de mens sterk individueel mee te maken heeft. Woorden als: ‘Zie de mens’ en ‘Ik ben’ wijzen daar ook op. De verhouding die je als mens hebt tot het mysterie van Golgotha en opstanding is een zuiver persoonlijke zoals ook het sterven van een mens een heel individueel beleven is dat, zelfs al gebeurt het massaal, toch een gang door de eenzaamheid is. In het spanningsveld tussen geboorte en dood, in de worsteling om met het mysterie van de opstanding verder te komen, van Kerstmis naar Pasen, groeit de mens innerlijk naar volwassenheid. Wat is het kenmerkende van Pinksteren? Je vindt hier maar weinig aangrijpingspunten in de cultuur, weinig traditie, behalve wat folkloristische gebruiken hier of daar, die ondanks de soms daarin aanwezige verborgen wijsheid tot nu toe weinig kans zien om weer echt levend te worden. Ook in de evangeliën vind je niets vermeld over Pinksteren. Pas in de daarop aansluitende ‘Handelingen van de apostelen’ wordt er beknopt iets over gezegd: ‘De apostelen waren bijeen op de dag van Pinksteren. Toen ontstond er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag (…); hun verschenen tongen als van vuur die zich verdeelden en zich op ieder van hen neerlieten. En zij werden allen door de Heilige Geest vervuld en begonnen met andere tongen te spreken. (…) ‘
De apostelen kunnen zich na deze gebeurtenis plotseling aan anderstaligen verstaanbaar maken. En met deze ‘andere tongen’ beginnen zij het leven, de dood en de opstanding van Christus te verkondigen en gemeenten te stichten.
Het is een prachtig en sterk beeld dat zeker aanspreekt. Kun je daar ook iets mee als je met je tentje buiten zit?
Uitstuiven
Pinksteren valt vijftig dagen na Pasen. De datum varieert tussen 10 mei en 12 juni. Het is in onze streken de tijd van uitbundige bloei. Veel daarvan is zichtbaar, maar er zijn ook bescheiden vormen. Zo kan het bijvoorbeeld gebeuren dat je onverwacht ontdekt dat dit kleurige feestkleed van de natuur niet alleen versiering is, maar ook heel functioneel en dat het nog bijzondere geheimen in zich bergt. Een wandeling op een windstille ochtend door de duinen voert je langs een bosje lage dennen. Toevallig raak je even aan een tak en daar begint deze overvloedig te ‘roken’! Fijne goudgele wolkjes vallen kringelend omlaag, verstrooien zich en lossen op. Ook de dennen staan in bloei! Ze hebben hun stuifmeeldoosjes geopend en bij de minste beweging geven zij hun rijke en dartele inhoud prijs.
Langs de hellingen van de duinen bloeit het groengele walstro en zijn hommels en bijen vlijtig bezig met het verzamelen van honing. Van iedere bloem die ze bezoeken krijgen ze gratis iets mee: een pakje stuifmeel dat ze in het korfje aan hun achterpootjes laten stoppen. Voedsel voor de larven thuis en grondstof voor de bijenwas om raten van te maken. En dan… als bij toeval blijven er een paar stuifmeelkorrels kleven op de stamper van een naburige bloem die bezocht wordt en vindt er een bevruchting plaats. Het stuifmeel hoort even wezenlijk bij het voorjaar en bij Pinksteren als sneeuw bij de winter en bij Kerstmis. De lucht is er helemaal van vervuld, zoals de gevoelige organen van mensen die met hooikoorts behept zijn, kunnen gewaarworden. Stuifmeel is er in een waanzinnige overvloed. Eén paardenbloem levert al zo’n 240.000 stuifmeelkorreltjes op. En even minuscuul als de sneeuwkristallen zijn, zijn ook deze korreltjes — je kunt ze alleen maar onder een microscoop afzonderlijk waarnemen. En dan blijkt dat ze een heel andere vorm hebben dan de sneeuwkristallen. Ze zijn meestal rond, bolletjes zijn het, terwijl de sneeuwkristallen stervormig zijn. Ze zijn in zekere zin de tegenpool van de sneeuwkristallen: hun vorm gesloten tegenover stralend, ze houden van warmte in plaats van kou, ze hebben een zekere consistentie tegenover de snelle vergankelijkheid van de sneeuwkristallen. Wat ze gemeen hebben is hun kosmisch karakter en hun minimale stoffelijkheid. Het is trouwens interessant om eens naar het geheel van een bloeiende plant te kijken. Onderaan, vast verankerd in de aarde, de stevige harde wortel, bijna begerig zoekend naar water en voedsel, het meest aardse deel van de plant. Dan de stengel en bladeren waarin vooral het waterelement overheerst zoals je bijvoorbeeld kunt zien in de delta-achtige vormen van bladnerven of boomkruinen. Dan de bloem die echt bij de lucht hoort, transparant en vluchtig. Ja, en ten’slotte het stuifmeel! Daar maakt iets zich helemaal vrij van de plant, wordt nagenoeg onstoffelijk, zweeft onzichtbaar door de ruimte, verdeelt zich en daalt als wekkende vlammetjes neer op de stampers van de bloemen.
Ook de mensen krijgen met Pinksteren uitstuivende neigingen. Pinksteren kun je beschouwen als de opmaat tot de zomerse volksverhuizingen. Duizenden mensen komen in beweging, beginnen te trekken, zwermen alle richtingen uit. Het kan niet uitblijven of er vinden ook duizenden ontmoetingen plaats. De meeste zullen kortstondig zijn en wegwaaien in de wind. Sommige zullen ‘klikken’ en uitgroeien tot vriendschappen. En dan zullen er enkele zijn die tot zodanige verbindingen leiden dat zij inspirerend gaan werken, spiritueel vruchtbaar worden. Het zijn nu geen familiebijeenkomsten die gehouden worden, maar nieuwe gemeenschappen die zich in vrijheid vormen. Ondanks taalverschillen worden mensen voor elkaar verstaanbaar. Tegenwoordig ben je geneigd onder de indruk te komen van ‘veelheid’, van enorme aantallen. Er wordt aan getallen veel aandacht geschonken, hoe groter hoe imponerender. Daarmee verdwijnt dan vaak het zicht op de kwaliteit van het kleine, het schijnbaar nietige, het bijna onvindbare. Terwijl dat juist zo’n enorme kracht, zo’n geweldige potentie kan hebben. Een nietig stuifmeelkorreltje kan in verbinding met een stamper een proces van vrucht- en zaadvorming in werking zetten dat een duizendvoudige rijkdom oplevert. Zo kun je ook naar de sterrenhemel kijken. Miljarden sterren en sterrenstelsels breiden zich uit om je heen. ‘De aarde is in het heelal niet meer dan een ‘stofje’, wordt er gezegd. Maar dat is dof materialisme. In die gigantische paardenbloemenwei van het heelal is de aarde een ‘stuifje’, een levende stuifmeelkorrel met in potentie een geweldige toekomst voor zich.
Zelf aan de gang
Pinksteren heeft geen uiterlijke symbolen waar je voor de viering op kunt steunen of mee kunt spelen. Geen kerstboom, kaarsjes, eieren of hazen. Het is nu zoals Joseph Beuys het zegt: de mens krijgt niets meer cadeau. Hij moet nu zelf aan de gang. De mens heeft alles gekregen: allereerst het ingenieuze kunstwerk van zijn eigen lichamelijkheid, dan de onvoorstelbare rijkdom van de natuur, daarbij alles wat door menselijke cultuur is voortgebracht en ten slotte wat hij aan geestelijke vermogens heeft. Hij kan zich voor ideeën openstellen en daaraan ontvlammen en hij heeft de vrijheid om keuzes te doen en zich te verbinden met wat hij belangrijk vindt. Met déze gaven moet hij nu zelf aan de gang, van binnen uit, zich omstulpend, zich bevrijdend van zijn cadeau-krijgende houding, zichzelf opwekkend tot creatieve inspanning. Dat is geen eenzame bezigheid, dat is een gemeenschappelijke activiteit bij uitstek. Pinksteren is het feest van de ‘Heilige Geest’. Heilig is eigenlijk hetzelfde als helend, genezend. De mens is over het algemeen niet heilig — hij maakt dingen kapot, uit domheid of door onzorgvuldigheid, bij vergissing of uit woede, soms zelfs voor de grap of uit boosaardigheid. Daar waar hij erin slaagt zich met de geest te verbinden, met de helende geest die de aarde omhult, die tot uitdrukking komt in alles wat leeft, kan hij genezend beginnen te werken. Pinksteren staat aan het eind van de reeks feesten die met Advent begint. Er zit een zekere culminatie in die reeks, het is een weerspiegeling van de mensheidsontwikkeling van verleden naar toekomst. Het is een reeks van feesten die niet nu wordt afgesloten maar die een open einde heeft — dat maakt het vieren van Pinksteren ook zo ongrijpbaar. Je zou kunnen zeggen: het is iedere dag Pinksteren, ook met Kerstmis. Elke dag de windvlaag kunnen horen, de vlammen zien en je tong in je mond omdraaien. Dat is het eigenlijk.
Om de eerste bloempjes in het vroege voorjaar goed te kunnen zien, moet je heel diep bukken: de sneeuwklokjes, de krokusjes – ze bloeien vlak op de grond. De narcissen die volgen zijn al hoger, dan komen de tulpen en daarna de vele bloeiende struiken. De tijd tussen Pasen en Pinksteren is vooral die van de bloeiende bomen – nu moet je je helemaal oprichten en omhoog kijken om bloemen te zien! Bij de kastanjes reiken de bloesems zelfs boven de kroon uit. Het is ook de tijd van de vogels! De lucht is vol van hun activiteit: gevlieg en gezang. En vlinders! De vlinders zijn uit hun nauwe poppen gekropen en dansen stralend en gewichtloos door de lucht. De hele sfeer van de aarde ademt blijheid.
En de toekomst wordt voorbereid. De ‘paaseitjes’ zijn uitgekomen, de bijen zoemen om de bomen, de vruchtbeginsels zetten zich en de bloesemblaadjes vallen als een tere regen omlaag.
Pinksteren kunnen we versieren met vogels, vlinders en bloesemboomkronen.
Vogeltje =Knip uit dubbelgevouwen stevig papier een vogeltje, een wit duifje bijvoorbeeld (lengte snavelstaartpunt 8 à 9 cm). =Vouw een reep zijdevloepapier van 18 x 21 cm in harmonicavorm in de lengte. Knip hier een stuk van 6 cm af (voor de staart) maak een snee in de romp en haal daar de opgevouwen vleugels door. Uitvouwen en naar achteren toe wat korter knippen. =Steek de staart tussen de twee romppapieren en lijm deze vast. Met een draad ophangen, aan een stokje voor een kind om mee te spelen, of meerdere aan een hoepeltje of als mobile aan takjes.
Vlinder =plak twee velletjes zijdevloe met prittstift op elkaar =vouw het dubbel en knip de twee vleugelvormen uit (circa 6½ cm breed) en vouw ze weer open =vouw een pijpenrager van 15 cm dubbel, klem de vleugels er tussen en draai er vanboven een kop en voelsprieten van = schuif de vleugels een beetje rimpelend naar de kop toe = ophangen aan drie samenkomende draadjes (vanaf voelsprieten en middenlijfje) verder als vogeltje.
Jonge vogeltjes op tak =Frommel van zijdevloe een vogeltje, ’t is niet zo moeilijk als het lijkt. =Met velpon uitsteeksels vastplakken. =Knip van dubbelgevouwen stevig geel of oranje papier een snaveltje en plak dat aan de kop. =Teken de oogjes. =Boor onderin de romp met een schaarpunt een gat en steek daar 2 stukjes pijpenrager in. =Buig deze pootjes stevig om een takje en knip ze op de goede lengte af. =Zet een aantal op een tak naast elkaar en hang de tak op. Je kunt ze ook van pompoentjes maken.
Meiboomkroon =Een krans maken van twee elkaar kruisende halve hoepels en een hele hoepel, versieren met papieren bloemen en slingers, goud-en zilverpapier
Bloemen maken Bij het pinksterfeest hoort helemaal zelf bloemen maken. Vroeger spaarde men gedurende het hele jaar allerlei kleurige papiertjes om daar bloemen van te maken. Het pinksterfeest is niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest. Daarom maken we zelf bloemen bij voorkeur zelf bedachte bloemen.
Hier volgen enkele manieren om bloemen te maken.
Rimpel rechte of geschulpte enz. stroken van ca 20 cm lang en 3 tot 6 cm breed en trek de draad aan. Een paar maal omwinden en afhechten.
1.knip van zijdepapier drie vierkanten van 15 x 15 cm
2.vouw elk vierkant schuin doormidden waardoor een driehoek ontstaat
3.vouw elke driehoek dubbel
4.vouw de driehoeken nog een keer dubbel
5.vouw de driehoeken nog een keer dubbel, maak de vouwen zo scherp mogelijk
6.houd de punt van het eerste hoorntje stevig vast en knip de bovenkant rond af
7.houd de punt van het tweede hoorntje vast en knip de bovenkant af; begin echter wat lager te knippen dan bij het eerste hoorntje
8.houd de punt van het derde hoorntje vast en knip de bovenkant nog lager af
9.vouw de driehoeken open en leg ze in volgorde van grootte op elkaar met de kleintste bovenop
10.houd de laagjes (dit worden de bloemblaadjes) in de linkerhand; plaats de rechterhand in het midden van het kleinste laagje bloemblaadjes en duw deze voorzichtig naar beneden, terwijl aan de onderkant de andere hand alle laagjes tot de steel van de bloem worden samengeknepen
11.draai het verkregen steeltje stevig en omwikkel het met plakband. Spreid de blaadjes uit zodat een bloem ontstaat.
Wanneer de bloemblaadjes op een andere manier worden geknipt, ontstaan andere vormen. Vouw eerst weer een aantal vierkanten zoals hierboven beschreven is.
Anjer heel veel rondjes tegelijk knippen uit crêpepapier. Doorsnee circa 5 centimeter. Aan de rand rondom 2 centimeter diep inknippen, dicht bij elkaar. Er ontstaat een soort franje. In het midden 2 gaatjes maken door alle lagen tegelijk (a). Bloemenbinddraad (heel dun ijzerdraad) erdoor halen, onder de bloem in elkaar draaien en de bloem tot pompoen vormen.
Bloesem
Roosje dubbelgevouwen reep crêpe- of vloepapier inrimpelen, inwikkelen en met een stukje draad vastzetten (c).
Dahlia een pakje crêpepapier dwars over in vieren knippen en uit één vierde deel een vorm uitknippen als op de tekening (f). Uitvouwen en de strook al rimpelend oprollen, eerst vrij strak, later meer toegevend. Is ook mooi in twee verschillende, bij elkaar passende kleuren. Dan de uitgeknipte repen van iedere kleur op elkaar leggen vóór het oprollen. Halve lengte nemen. Vastzetten met draad.
Kelkje (d) en blaadjes (e) knippen uit groen crêpepapier.
Steeltje:de uiteinden van het bloemendraad onder de bloem om om een dun twijgje of stukje koperdraad met isolatie draaien. Kelkje onder de bloem om het steeltje frommelen en kelkje en steeltje omwikkelen met smalle reep groen crêpepapier. Bij de bloem beginnen en daar dik omwikkelen, dan spiraalsgewijs naar beneden, ‘onderweg’ hier en daar blaadjes insteken, onderaan vastlijmen.
Tineke Geus en Annnet Schukking, ‘Jonas’ nr. 10, 13 mei 1983
Een fiere zijden pinksterblom
Met Pinksteren wordt een van de kinderen tot pinksterbruid gekozen. Zij is dan de ‘fiere pinksterbloem’, die van oudsher gesierd wordt met eigengemaakte bloemen, evenals de stoet die haar vrolijk zingend volgt. Het meest gebruikt zijn daarbij papieren bloemen. Nicole Karrèr laat zien hoe je ook prachtige bloemen van stof kunt maken om de pinksterbruid te tooien.
‘Hier is onze fiere pinksterblom en ik zou hem zo graag eens we…zen.’
Zo heel erg fier is de pinksterbloem niet. Wél steekt ze dapper haar lange bloemstengel boven het prille gras uit, maar haar zachtpaarse bloemblaadjes zijn teer en vallen, eenmaal geplukt, snel uit. Dat geeft niets, het is juist deze teerheid die ons in de lente ontroert. De pinksterbloem tooit zich met papieren bloemslingers, pas met Sint-Jan dragen we kransen en hoeden met echte bloemen. Oorspronkelijk was de pinksterbloem, de echte, een van de weinige natuurlijke uitzonderingen in de papieren tooi van de pinksterbruid.
Als we zelf de bloemen voor het pinksterfeest willen maken is het leuk om eens terug te grijpen op de traditie van het bloemen maken zoals dat vooral in Japan al circa 600 jaar wordt beoefend. We bevinden ons niet in slecht gezelschap, ook in Europa hebben eeuwenlang vrouwen (waaronder ook de latere vrouw van Goethe, Christiane Vulpius) het eerzame beroep van bloemenmaakster uitgeoefend. Duitsland, Italië en Frankrijk hebben min of meer een traditie op het gebied van kunstbloemen. Toch zijn deze over het algemeen minder verfijnd dan de Japanse. Nu hebben de Japanners natuurlijk ook wel een aantal dingen op ons, westerlingen, voor. De verstilde aandacht voor de natuur tot in haar kleinste verschijningsvormen, het aangeboren geduld en de (zelf)beheersing om dit om te zetten in fijne zorgvuldig uitgevoerde kunstwerken. Of het nu schilderijen zijn of borduurwerk of bloemen van zijde, altijd kun je beleven hoe zorgvuldig er naar de natuur is gekeken.
Op zich is de techniek van het zijdebloemen maken niet moelijk. U moet weten hoe de stof gesteven en hoe zij geknipt en gevormd moet worden. In principe kunt u dan bijna elke bloem na maken door goed te kijken hoe zij gevormd is. Ik heb zelfs van stof nagemaakte dennenappels gezien die bijna niet van echte te onderscheiden waren. Maar in de praktijk blijkt dat onze handen niet altijd willen of kunnen wat onze ogen zien. Wat het ‘doen’ betreft gaat dit stukje eigenlijk over iets dat niet helemaal gelukt is. Overmoedig geworden na een paar geslaagde rozen en lathyrusbloemen besloot ik u in Jonas een pinksterbloem van zijde te laten maken. Gewoon goed kijken, dacht ik, dan moet het niet zo moeilijk zijn. Misschien dat het me nog wel eens lukken zal, voorlopig moet ik bekennen dat mijn vingers en mijn geduld niet zo fijntjes zijn als die van Onze Lieve Heer! Na een paar uur priegelen leek het me alsof er op de hele wereld niets pietepeuterigers kon bestaan dan een pinksterbloemetje.
Mijn pinksterkroontje draagt dus pinksterbloemetjes die niet meer zijn dan een echo van wat het had willen worden. Vierbladige zachtpaarse zijden bloemhoofdjes met meeldraden van gele katoen, maar geflankeerd door rose lathyrus op een groen wollen kransje genaaid en gedragen door de liefste pinksterbruid toch nog altijd een hommage aan de lente.
Voor de heel simpele bloemetjes van de tekening heeft u het volgende nodig: ijzerdraad -transparante lijm – schaar – een bot mes met een rond heft – stijfsel – Arabische gom en een oude spons als werkkussentje. Voor de lathyrus neemt u zachtrose zijde voor de twee buitenste bloembladen, voor het hartje neemt u een wat donkerder rose eventueel van katoen. Pinksterbloemetjes zijn meestal lichtpaars, hoewel er een witte variant bestaat. Voor de meeldraden van de pinksterbloem is een klein stukje gele breikatoen geschikt. Voor de kelkbladeren en eventuele steeltjes neemt u groene zijde of dunne katoen.
Alle stof moet als volgt gesteven worden: meng een flinke eetlepel stijfsel met een kopje water en breng het aan de kook. Als het mengsel dik en helder is geworden, van het vuur nemen en een eetlepel Arabische gom erdoor roeren. Drenk de lapjes zijde en katoen in dit papje en laat ze goed uitgespreid op een gladde tafel of plank drogen. Met een zachte kwast kunt u de lapjes helemaal glad strijken. Knip voor de lathyrus de patroondeeltjes uit. Wikkel een stukje steelstof om het ijzerdraadje en plak, volgens de tekening het hartje er omheen. De twee lichtrose bloembladen moeten nu een klein beetje vochtig gemaakt worden, leg ze op elkaar op de oude spons. Maak nu de achterkant van het mes warm, boven een gasvlam of in kokend water. Door met het warme mes links en rechts van het midden de vochtige zijde stevig in te drukken, ‘strijken’ we twee bollingen in de bladeren. Lijm het kleine blad om het hartje heen, draai het grote blad om en lijm het ook van onderen stevig om het steeltje. Het kelkblad verbergt de aanhechtplaats. De bloem is nu klaar en kan op een dikke wollen vlecht genaaid worden. Het pinksterbloemetje is nog eenvoudiger, knip het volgens de tekening uit, leg het op de spons en maak er met het mes een bolling in. Voor de nerven legt u het bloemetje op de tafel en krast met het botte lemmet van het hartje tot bijna op de buitenrand. Druppel een beetje groene verf of inkt in het hartje en naai het samen met de gele meeldraden op de vlecht vast. Met een paar uurtjes werk heeft u een snoezig bloemenkroontje dat nog bij vele verkleedspelletjes dienst zal doen.
Nicole Karrèr, ‘Jonas” 20 mei 1985
witte duif, witte vogel De witte duif is het beeld van de neerdalende geest. Witte vogels wijzen ons de weg wanneer we in ons leven niet verder kunnen. De meeste vogels dalen in glijvlucht. De duif kan echter loodrecht naar beneden gaan. Zij maakt dus een directe verbinding tussen boven en beneden.
Van stevig wit papier of dun karton uitknippen. Een vertikale gleuf snijden ter breedte van de vleugels. Vleugels vouwen zigzag als een waaier, van dun papier. Het gevouwen bundeltje van de vleugeltoppen schuin bijknippen, door de gleuf schuiven en aan beide zijden uitwaaieren .
Oogje aangeven, goed in balans ophangen aan een tak of aan een krans
Boudy van Huizen, nadere bron onbekend
Zó kunnen jullie een duif maken voor de vleugels gebruiken we een groot vouwblaadje het midden van de waaier schuiven we in het gleufje op de rug, zodat er twee vleugels ontstaan voor de staart een klein vouwblaadje gebruiken, dit achter het vogellijf plakken of nieten
bron onbekend
lentevrouwtje Stukje tricot opvullen met schapenwol, dichtbinden stukje bloemetjeskatoen dubbelvouwen en dichtstrikken bodempje erin naaien rijgdraad erdoor aan de bovenkant lijfje vullen met rijst kopje erin, draad aantrekken en stevig vastnaaien haartjes maken van schapenwol, kamband of toverwol
Een kring van lentevrouwtjes doet het heel goed om een pot bloeiende takken
bron artikel onbekend
een mobile van lente-elfjes Cirkels knippen van gekleurd vloepapier. ’t Hoofdje is een propje schapenwol, afbinden met draadje
Cirkels dubbel nemen, dat is mooier dan 1 velletje vloepapier.
Als men kijkt naar de manier waarop de feesten van het christelijk jaar worden gevierd, kan men in de eerste plaats constateren dat ze als ‘christelijke’ feesten door heel weinig mensen worden beleefd. De meerderheid beleeft primair de vrije dagen. Maar er is bovendien in dit beleven een duidelijke lijn te zien die als het ware afloopt van Kerstmis tot Pinksteren. Het kerstfeest spreekt zeer veel mensen aan in het gemoed: een zekere verbroedering, aardig voor elkaar zijn. Het beeld van het kind in de kribbe spreekt nog sterk menselijk aan.
Dit menselijk aangesproken worden vinden we dan wat spaarzamer terug in de lijdenstijd. Velen, die zich nauwelijks of helemaal niet als christenen beleven, bezoeken beslist een uitvoering van de Mattheüspassion. Of de emoties daar alleen maar muzikaal zijn? Het paasfeest is een feest van de levenshernieuwing in de natuur. De moderne mens weet met ‘opstanding’ geen raad. Men leze daarvoor nog eens de ingezonden brief van Mr. Van Leeuwen in het vorige nummer na. Uit deze brief blijkt dat Mr. Van Leeuwen zich nauwelijks meer interesseert voor het eigenlijke gebeuren, maar meer voor wat de mensen eraan beleven. Nu is dat een zeer gerechtvaardigde instelling. Wat helpt ons alles wat er eventueel is gebeurd, wanneer we er zelf niets aan beleven? Het gaat tenslotte toch om de mens en ik kan mijn voedsel heel goed genieten zonder te weten hoe het is samengesteld. Maar juist dit beeld van het voedsel kan ook duidelijk maken waarom het belangrijk is te weten wat er gebeurt. Onze smaak is namelijk zodanig bedorven dat we gedenatureerd wittebrood lekkerder vinden dan een goed volkorenbrood. En dan kan het weten omtrent de samenstelling van het brood me wel helpen om mijn smaak weer gezond te maken. Juist als we zien dat hetgeen de mens zelf beleeft en doormaakt het belangrijkste is, is het een merkwaardig fenomeen dat het pinksterfeest nauwelijks meer wordt beleefd. Pinksteren immers is het feest van de menselijke individualiteit en het gaat ons toch juist om deze individualiteit. De moderne mens wil heel graag de individualiteit beleven en verwerkelijken. Maar daar komt de broodvraag, de vraag naar de kwaliteit. Wordt de individualiteit beleefd en verwerkelijkt als bijvoorbeeld de vervulling van persoonlijke wensen of machtsbehoefte? Is verwerkelijking van de mens een aangelegenheid van wat we bereikt hebben in het maatschappelijke leven aan zichtbare resultaten, aan erkenning ook? Een duidelijk voorbeeld: wanneer de antroposofische geneeskunst door de universiteiten wordt erkend en wanneer vele mensen een antroposofische arts bezoeken, zijn daarmee de wezenlijke intenties van Rudolf Steiner verwerkelijkt? Hetzelfde kan men voor de vrijescholen vragen. Hebben zichtbare resultaten en erkenning iets te maken met het wezen van een zaak? Hebben ze voor een mens te maken met de werkelijke ontwikkeling van zijn individualiteit? Ze kunnen er een rol in spelen maar zowel negatief als positief. Ze kunnen een gevaar zijn. ‘Als de wereld u haat, haat ze u omdat ge bij mij behoort. Als ge bij de wereld zoudt behoren, zou de wereld liefhebben wat bij haar behoort’ (Joh 15:18-20).
Succes hangt vaak samen met aanpassing. Oudere generaties noemden dat ‘der wereld gelijkvormig worden’. Wie zich met ‘deze wereld’ verbindt, zal met deze wereld ten onder gaan.
Is dit wereldvreemd? Is het ascetisme, sektarisme?
Misschien kan een beschouwing van wat er met Pinksteren aan het begin van onze jaartelling gebeurde ons helpen hier gezichtspunten te vinden. Daarvoor willen we eerst terugkeren naar Pasen en dat biedt dan tevens de mogelijkheid enkele punten, die Van Leeuwen aanraakt nader te belichten.
De leerlingen van de Christus moesten heel langzaam wennen aan de nieuwe situatie, die was ontstaan door de opstanding. Hun voorbereiding had daaruit bestaan dat ze drie jaren lang steeds sterker hadden beleefd wie hun meester eigenlijk was. Een enkele keer brak dat bewustzijn door. Men kan hier denken aan Petrus, die op een vraag antwoordt: ‘Gij zijt de Christus’, maar die onmiddellijk daarop dan helemaal niet begrijpt dat de Christus lijden moet. Zijn voorstelling van de Messias is er meer een van een heerser. Later worden Petrus, Jacobus en Johannes voor een heel korte tijd geconfronteerd met de Christus als lichtgestalte in de zogenaamde verheerlijking op de Berg. Dit is reeds verwant met de herrezene en laat zien hoe het lichaam van de herrijzenis werd voorbereid tijdens het aardeleven. Het is als het ware onzichtbaar aanwezig in het stoffelijke lichaam. Zo had er ook voorbereiding plaats gevonden door de vele gesprekken waarbij dan op de wezenlijke momenten wordt gezegd dat de leerlingen het niet begrepen. Daarom konden ze ook niet onder het kruis staan. Dat kon slechts één, namelijk Johannes, degene aan wie Jezus zijn liefde bewees. Deze ene, die rijper was dan de anderen, was als het ware de toegangspoort voor het begrijpen bij de anderen. Hoewel ze dus voorbereid waren hadden ze de voorbereiding niet bewust verwerkt. Vandaar hun ontsteltenis en aarzeling na de opstanding. Misschien kunnen we vergelijkenderwijs er iets van begrijpen als we ons ermee bezig houden hoe het leven na de dood zal zijn. We kunnen daarover lezen, erover denken, misschien een kleine ervaring hebben. Maar zullen we daarom na de dood direct weten in welke wereld we ons bewegen? Ik vrees van niet. Dit kan misschien helpen om de gemoedstoestand van de leerlingen te begrijpen.
Ze moesten nu leren een toestand te begrijpen, die tot dan toe op aarde nog nooit aanwezig was geweest, alleen in oude mysteriën symbolisch was aangeduid. Wie de verhalen na de opstanding onbevangen tracht te lezen kan zien hoe er een zekere groei in het beleven is.
Wanneer men zich min of meer kan verbinden met de voorstelling van een onstoffelijk lichaam, dat wel de vorm heeft van een stoffelijk lichaam en in deze uitzonderingstoestand zichtbaar werd voor bepaalde mensen, kan men verder gaan naar de Hemelvaart. Na veertig dagen lost de vorm zich op in de wolken. Wolken hebben een steeds wisselende vorm. We hebben hier weer met een
mythologisch beeld te doen, dat wil zeggen met een beeld dat een werkelijkheid uitdrukt, die eigenlijk niet uit te drukken is. Toch kan men zich in de beweeglijke vormen van de wolken en in hun functie van een mantel om de aarde heen zo trachten in te leven, dat men een verhouding kan krijgen tot het mysterie van de Hemelvaart. Dit kan nog des te meer als men tracht zich voor te stellen hoe het water, de drager van alle leven, voortdurend in beweging is tussen aarde en de wolken, de wolken en de sfeer daarboven en dan weer terug. Een eeuwig heen en weer staat ons dan voor ogen: ‘zo als ge Hem hebt zien heengaan, zult ge Hem ook zien wederkeren’. De Christus wordt met de Hemelvaart de Heer van de hemelkrachten op aarde. Dat is dan niet alleen in natuurlijke zin zo maar ook in een meer innerlijke zin, omdat sinds de opstanding alle gebeurtenissen met het doorchristelijkte lichaam van Jezus tegelijk gebeurtenissen zijn met de aarde en met de ziel van de mens.
Op het eerste heeft in dit artikel tot nu toe de nadruk gelegen. De verbinding met de zielen van de mensen ontstaat ten dele daaruit, voor zover we met onze zielen deel hebben aan het leven van ons lichaam en daardoor aan het leven van de aarde waarmee ons lichaam samenhangt. Maar er komt nu iets bij. Door zijn daad schept de Christus een nieuwe verbinding tussen hemel en aarde. De geestelijk-goddelijke werelden waren voor de mensheid verloren gegaan en konden alleen nog in moeizame inwijdingsarbeid worden beleefd of als traditioneel geloof. De Christus had goddelijkheid teruggebracht in de aarde en de aardemensen. Zijn terugkeer tot de hemelen is niet een verlaten van de aarde. Hij laat zijn wezen daar achter, in de stoffelijkheid die doorchristelijkt was. Dit stoffelijk lichaam was door de Christus met geest doordrongen en werkte in de aarde-materie verder, zoals een ferment in hele kleine hoeveelheden materie kan doordringen. Verder in het sacrament van de heilige maaltijd en tenslotte in de doordringing van de levenssfeer van de aarde die in de wolken wordt aangeduid. De mens, die zich hiermee innerlijk verbindt, die ‘gelooft’, kan nu ook een eigen verbinding door de Christuskracht beleven met de hemelen. Daarmee wordt ook de werking van de geestelijke hemelkrachten weer mogelijk in de aarde en in de mensenzielen. De hemelkrachten in de mensenzielen zijn die van ons lot, van onze bestemming, ons karma. Christus wordt door Rudolf Steiner de Heer van het karma genoemd. Veertig dagen duurt het proces tussen opstanding en Hemelvaart. In de kwalitatieve getallenreeks is veertig de tijd waarin een kiem tot geboorte komt. Veertig weken is de zwangerschapstijd van de mens. Veertig maanden is de tijd tussen de doop in de Jordaan en de opstanding. Veertig jaren hadden de joodse stammen nodig om na Egypte tot een volk samen te groeien. De oude traditie spreekt over veertig eeuwen tussen schepping en geboorte van Jezus. Met de Hemelvaart wordt voor de kosmos geboren, dat wil zeggen zelfstandig levend, wat met Pasen als kiem werd gelegd. De lichtlichamelijkheid wordt mogelijk voor de gehele stoffelijke wereld. Tien dagen duurt het dan nog tot aan het Pinksterfeest. Tien dagen van stille afzondering op de plaats waar de leerlingen het avondmaal hadden beleefd met hun Meester en waarin hen voor het eerst iets was duidelijk geworden van het feit dat werking van de Christus zich verder uitstrekte dan tot in het lichaam van Jezus.
In deze tien dagen groeide in hun zielen het bewustzijn van wat er gebeurd was en zij zagen dat in een groots perspectief. Daarom kan Petrus op de pinkstermorgen hun beleven plaatsen in de samenhang van de geschiedenis van het joodse volk. Tien is kwalitatief het aardegetal. Onze wil oefenen wij uit met onze ledematen waaraan tien vingers en tien tenen zitten. Aardse economie kan alleen maar werken met een tientallig stelsel. Met Pinksteren komt het gehele gebeuren terecht in de wil van de aardemens en niet alleen in zijn bewustzijn. Bovendien is het zeven maal zeven weken na de opstanding. Zeven is het ritme van de tijd die nodig is om van de ene ontwikkeling naar de andere te komen. Men denke hier aan de betekenis van het zevenjarig ritme in het mensenleven en ook aan de zeven dagen van de week. Van zondag tot zondag kunnen wij nieuwe impulsen pakken, nieuwe ideeën vormen. Op al deze ritmen kan hier niet worden ingegaan. Daarvoor is de desbetreffende literatuur van Wilhelm Hoerner en Walther Bühler 1). Maar het is duidelijk dat het hier om een ontwikkeling gaat, die een zielenontwikkeling is waarvoor tijd nodig is.
Wanneer we de verschijnselen bezien die het Pinksterfeest brengt, gaat het in hoofdzaak om drie dingen: de hevige wind, het spreken in klanken en de vlammen boven hun hoofden.
Was er bij de Hemelvaart sprake van het water- en luchtelement in de wolken, bij Pasen van het aarde- en lichtelement (en ook van lucht, voor zover de herrezene spreekt), hier gaat het om lucht- en vuurwerking. Het aarde-element is verdwenen ook in de gestalte van het water. Lucht en vuur zijn de elementen, die met ziel en geest te maken hebben. Hierin uit zich de verinnerlijking van het gehele gebeuren. Het Griekse woord, dat gebruikt wordt voor wind, ‘pnoè’ is verwant met ‘pneuma’ = geest. Het woord, dat gesproken wordt, is een geest-gedragen woord, dat ver uitgaat boven de eigen mogelijkheden van Petrus. De vlammen zweven boven hun hoofden en zijn nog niet ingedaald. Maar het zijn wel individuele vlammen. Wanneer we ons in deze beelden proberen te verdiepen, treedt duidelijk naar voren dat er iets objectiefs werkzaam is. Dat objectieve wordt ook uitgesproken, het is de werking van de herrezen Christus, die nu door de apostelen verder werken wil. Het is nog een werking die sterk van buitenaf komt maar zich toch in het eigen woord verwezenlijkt. Er wordt een taal gesproken, die in het Grieks ‘lallein’ genoemd wordt. We zijn niet ver van de betekenis als we dit door ‘lallen’ vertalen, voor zover het een spreken betreft uitsluitend in klanken. Lallen is een spreken in klanken, oerklanken, die verstaan konden worden buiten het intellectuele begrijpen om. Het is weer Paulus die hier, evenals bij het begrijpen van de opstanding, vooropgaat als ‘een te vroeg geborene’ (zoals hij het zelf uitdrukt). Paulus zegt dat hij dit lallen ook kan maar dat hij liever enkele woorden zo spreekt dat ze begripsmatig verstaanbaar zijn dan dat hij veel zou zeggen ‘in tongen’. Paulus geeft hiermee aan dat het mysterie, waar het om gaat zich steeds verder verbinden wil met het wakkere denken van de mens. Dat is niet hetzelfde als intellectueel denken. Het is een denken dat zich verbindt met een waarnemingsvermogen voor het bovenzintuiglijke, zoals het zich in de zintuigelijke wereld openbaart; het is een waarnemen van de idee in de werkelijkheid.
Dit waarnemen van de idee in de werkelijkheid gebeurt in het sacrament. Het eigenaardige van het sacrament is, dat het leidt van een nog tamelijk dromerig waarnemen tot een steeds grotere wakkerheid, het leidt van het oorspronkelijke pinksterbeleven tot dat wat het in onze tijd worden kan. Wat het worden wil, is dat mensen in zichzelf de kracht ontwikkelen het Christus-mysterie te begrijpen. Begrijpen is niet alleen gedachtewerk. Het is ook be-‘grijpen’. Daarmee komt een wilselement in ons denken, dat wil zeggen er ontstaat een begin van de ontwikkeling van de bewustzijnsziel. Niet alleen in het sacrament is dit mogelijk, het sacrament is een hulp. Het kan ook gebeuren door een zuivere kennisweg, waar het denken zichzelf zo versterkt dat het zichzelf waarneemt. Hierover uitweiden is in dit artikel niet mogelijk. 2)
Tussen Pasen en Pinksteren liggen vijftig dagen. “Pentecôte”, de Franse naam voor Pinksteren, hangt met dit getal (pentekoste – vijftigste, Grieks) samen.
Het paasfeest is een gebeuren, waarvan de zin nog voor vele mensen duidelijk is: de opstanding, na het leed van de kruisiging. Treffend is de vreugde van de paasviering in de Russische kerk, waar men elkaar begroet met: “Chrestos anesti!” (Christus is opgestaan!) hetgeen door de aangesprokene beantwoord wordt met: “Ja, Hij is waarlijk opgestaan!”
Het pinksterfeest is weer iets geheel anders. Voor ieder wat minder duidelijk. Het feest is oeroud. Het was een “feest der Eerstelingen” d.w.z. jonge dieren en veldvruchten werden geofferd. Een vruchtbaarheidsfeest dus. Wat echter van buiten, uit de natuur kwam, heeft een verinnerlijking ondergaan door de Wet van Mozes, die weliswaar ook als het ware van buitenaf werd gegeven, maar toch een begin maakte met “eerstelingen van innerlijke orde” of wel de Tien Geboden.
Bij het pinksterfeest in christelijke zin wordt nog een verder stadium van ontwikkeling mogelijk. Na de opstanding hebben de apostelen nog contact met de Christus gehad, zoals duidelijk blijkt uit de evangelies en de “handelingen der apostelen”. Na de Hemelvaartsdag verdwijnt dit contact. Men krijgt de Opgestane niet meer te zien.
Maar op het pinksterfeest komt de Heilige Geest de leerlingen en volgelingen van de Christus bezielen. De als “vurige tongen” geschouwde geestkrachten werkten van binnen als “eerstelingen” van innerlijke ordening: de apostelen, die onzeker waren over hun verdere taak, kregen een duidelijk weten, waar hun taak lag. Zij zijn de wereld ingegaan en brachten Christus’ woorden bij vele volkeren. Van binnenuit is de Christus te vinden.
Het is weer Pinksteren. De natuur is opengegaan. Bloeiende heesters en vruchtbomen staan overal in een rode, witte of roze pracht. In de wei dartelen lammetjes en veulens. Nestelende vogels werken en zingen. Wat een schitterend jaargetijde. Een pinksterfeest kan door de mens worden beleefd, wanneer hij naar spelende kindjes kijkt. Die kindertjes spelen wel schijnbaar doelloos, maar zij zijn geheel open. Geheel en volledig open. Waar openheid is, kan de geest inwerken. Pinksteren is ook voor de volwassene het feest om open te zijn als de kinderen. Een feest van de toekomst dus. Een feest van de vrije individualiteit, van vrijheid en liefde.
Wij kijken naar de spelende kleintjes. Hoe totaal anders zijn zij dan de grote kinderen of de volwassenen!
.