.
Op deze blog vind je onder ‘Jaarfeesten – Kerstmis’ ook artikelen over de historie van dit feest. In wezen resultaten van onderzoek. De uitkomsten verschillen soms.
In ‘Van Sinterklaas tot Sint-Maarten geeft de schrijfster* ook een soort samenvatting:
Kerstfeest, vroeger en nu
.
Het kerstfeest werd het eerst gevierd in de Oosterse (Griekse) kerken, zonder dat er een vaste datum voor gold. In de tijd van keizer Julius de Eerste liet de bisschop van Jeruzalem een onderzoek instellen naar de juiste geboortedatum. Oosterse en Westerse theologen gingen aan het werk en de uitslag luidde: 25 december. Van toen af aan hield men het op die datum en het feest duurde vier dagen. Later vierde men het alleen op de 25ste en werd de 26ste gewijd aan St.- Stefanus, de eerste christelijke martelaar. Zo werd in de Westerse kerken vanaf de vierde eeuw het kerstfeest op de 25ste december gevierd, de dag waarop ook het heidense Julfeest begon. Het Julfeest is een oud Germaans feest. ‘Jul’ betekent ‘wiel’ en daarmee wordt de zon bedoeld, als een vurig rad. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten. Geen spinnewiel mocht snorren, geen wapen worden opgeheven, het vee was veilig in de stal en de wintervoorraad geborgen. Het Jul-offer werd geslacht en het Jul-vuur ontstoken.
De kerstboom
Maarten Luther schijnt een der eersten geweest te zijn, die voor zijn kinderen een kerstboom plantte. Men vertelt: hij wandelde eens door een uitgestrekt, eenzaam woud, op de avond vóór Kerstmis. Aan de hemel twinkelden ontelbare sterren. Peinzend keek hij om zich heen en raakte diep onder de indruk van de statige dennen en sparren, wier kruinen, zo het leek, reikten tot in de hemel. Een hemel vol licht van de glanzende sterren. Hij kon de verleiding niet weerstaan iets mee te nemen naar huis. Een klein dennetje hakte hij om en, thuisgekomen, versierde hij het voor zijn kinderen en legde er kleine geschenken onder. En hij vertelde hun een prachtig verhaal over ‘het licht der wereld’ . . .
Omstreeks het jaar 1850 verscheen de kerstboom in Nederland. Eerst in de kerken en zondagsscholen, later ook in het gezin. De dichter Goethe kende hem al eerder. In een levensbeschrijving vinden we dat hij ‘op Kerstmis 1765 blij verrast zijn eerste kerstboom zag binnendragen’.
In een oude legende
wordt verteld hoe de Germaan Winfried, een der eerste predikers van het evangelie, in het jaar 725 onder de Saksers zijn werk deed. Maar het had niet veel zin. Men blééf geloven in de Dondergod. En trouw hield men de bijeenkomsten onder de ‘heilige eik’ die aan Donar gewijd was.
Winfried gaf het echter niet op. Dagelijks bad hij tot God of deze zijn werk wilde zegenen.
In een koude winternacht dwaalde hij door het woud en onverwacht stond hij voor de heilige, grote eik! Vlakbij hoorde hij een hevig tumult en hij zag hoe een aantal woestuitziende mannen bezig waren met iets op de grond . . . Zijn aandacht werd getrokken door een klein kind, dat, zo begreep hij, geofferd zou worden aan God Donar! In eerlijke verontwaardiging sprong hij naar voren, nam het kind in zijn armen en bracht het in veiligheid. Toen greep hij een bijl. Ontzet weken de mannen achteruit. Als deze brutale priester waarachtig hun heilige eik wilde vellen, zou Donar zijn boom wel onmiddellijk door de bliksem laten treffen. Maar vreemd – er gebeurde niets. Urenlang keken de mannen bevreesd toe. Eindelijk, eindelijk stortte de enorme boom ter aarde. En toen begrepen de mannen dat daar een mens stond die geen angst voelde voor hun oppergod en die niét gestraft werd daarvoor. En zij hadden plotseling eerbied voor de eenzame prediker.
Nu stond er vlak achter de gevelde boom een kleine, jonge spar. En onverwachts bereikte een manestraal het boompje en zette alle fijne naalden in een geheimzinnige zilverwitte glans!
De mannen zagen het en deinsden onwillekeurig terug. Dit was een wonder, een vreemd teken, dachten zij. Maar Winfried liep erheen en, naast het sparretje staande, zei hij: ‘Van nu af aan zal de spar Uw heilige boom zijn. Hij is de boom van de vrede, want van zijn hout worden Uw woningen gemaakt. En hij is het teken van de onsterfelijkheid, want hij blijft altijd groen. En hij is de boom van het Christuskind, want zijn takken wijzen naar de hemel!
Mistletoe
Vogellijm of maretak is de Nederlandse naam. Een woekerplant die niet op de grond groeit, maar met zijn wortels diep in de schors van een boom dringt. En zich dus voedt met de sappen van die boom.
Maretak – maren = boze geesten! Die zetten zich ’s nachts op de borst van een mens, belemmeren zijn ademhaling en bezorgen hem een boze droom. Wie zou hieraan denken als hij met Kerstmis de mooie, witte mistletoe-bloemetjes koopt? En hoe komen deze verhalen eigenlijk in de wereld? Om dit te weten moeten wij weer terug naar de oude Germanen en hun goden.
Baldur was de brenger van het licht en de grote strijder tegen de duisternis. Maar er was voorspeld dat hij ten val gebracht zou worden!
In allerijl liet zijn moeder, de godin Frigga, al wat bestond (dieren, planten, stenen, water, vuur, licht) een eed doen dat haar zoon geen kwaad zou overkomen. Maar … zij vergat de mistletoe, die zijn wortels immers niet in de aarde heeft. En daarbij diep in het verborgene leeft.
De boze god Loki maakte daarvan een slim gebruik. Baldur had nl. een blinde broeder en aan hem beval Loki, met een pijl gemaakt van het hout van de mistletoe, te schieten op zijn broer.
Dodelijk gewond stortte Baldur ter aarde. En de voorspelling was waarheid geworden! Het kwaad (de duisternis) had het licht overwonnen. Maar, dachten de Germanen, de mistletoe wordt toch gevonden op heilige plaatsen en gewijde bomen! Natuurlijk hebben de goden deze plantjes naar de aarde gebracht tot heil van de mens. En zo gebruikten zij de mistletoe als geneesmiddel tegen allerlei kwalen. En . . . als gelukbrenger.
Als bij de Kelten, in de oudheid, de priester in december de zegenbrengende mistletoe van de eiken sneed, was hij in het wit gekleed en gebruikte hij een gouden sikkel!
Nog steeds wordt de Maretak als een heilbrengende plant beschouwd.
Het kerstfeest
werd, in de middeleeuwen en ook nog daarna, door allen gevierd in de kerk. Zelfs de (vorige) Utrechtse Domkerk was hiervoor nauwelijks groot genoeg. Poorters, edelen, dorpers, allen verzamelden zich in de enorme ruimte en brachten de kerstnacht door met zang en muziek. Een hoogtepunt was: als priesters en koorknapen het kerstgebeuren vertelden, in beurtzang! Maar zij zongen Latijn en natuurlijk begrepen de meeste mensen daar bitter weinig van. Daarom werd het aanschouwelijk voorgesteld. Op het koor werd een kribbe geplaatst met een beeld van het Christuskind. Er kwamen herders en koningen bij en steeds werd de voorstelling uitgebreid. Op het laatst zongen zij zelfs de liederen in hun eigen taal! Zo ontwikkelde zich langzaam maar zeker uit die eenvoudige handeling in de kerk het toneelspel.
In de oudste spelen vinden we vooral de grote tegenstelling: de hevige vreugde van Maria over de geboorte van het Christuskind en het verdriet (geween) van de moeders na het vreselijke bevel van koning Herodes.
Het hoogtepunt was meestal: de gelukkige Maria tegenover de schreiende Rachel.
Het toneel was vaak verdeeld in drie verdiepingen: de hel – de aarde – de hemel.
Eerst werd op aarde de zondeval gespeeld – en alle ellende die daaruit volgde. Dan, in de hel, werden de profeten en aartsvaders gepijnigd door duivels! Brandend pek en gloeiende tangen waren hierbij heel gewoon. Ten slotte volgde ‘het pleidooi in de hemel’. Dit was soms een heel plastische voorstelling. Midden in de ellende van de tweede verdieping boort onverwachts een schone jonkvrouw (‘Gebed des mensen’ geheten) een gat in de vloer van de bovenste verdieping. Zij stijgt naar boven om God te verzoeken allen tot zich te nemen. Een heel mooie scène! Wij zien dan God, met vóór zich vier jonkvrouwen (Goedertierenheid, Gerechtigheid, Waarheid en onze ‘Gebed des mensen’). En ziet, op de tweede verdieping verschijnt de engel Gabriël aan Maria en nu volgen allerlei taferelen uit het kerstevangelie.
Maar de meeste kleine kerstspelen handelden alleen op aarde. En dan waren de voor ons zo bekende figuren te zien: Jozef, Maria, de herders en de koningen … En natuurlijk het Kind in de kribbe.
Over het onstaan van lekespelen ook in Rudolf Steiner ‘Toespraken bij de kerstspelen uit Oberufer
*Van Sinterklaas tot Sint-Maarten – Marijke van Raephorst
Kerstspelen: alle artikelen
Kerstmis: alle artikelen Over de kerstboom
VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel
.
3124-2937
.
.
.
.
Het
De
De 

is het symbool van “alles wat de ruimte omvat en van de mensheid die zich ontwikkelt. Het is de ster, het symbool der mensheid dat alle “wijzen” volgen, zoals de “wijzen” aangaven in de oude tijden. Het is de geest van de aarde, van de grote Heros die geboren werd in de Heilige Nacht, opdat het Licht het meest glanze in de meest-diepe duisternis.


