Tagarchief: biografie

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-4)

.

Dr. med. Werner Hassauer, Weledaberichten 140 dec. 1986
.

POORTEN VAN HET LEVEN: GEBOORTE EN DOOD

De bestemming van de mens

De mens als zielen- en geestwezen

Als men de tegenwoordig gangbare mening over geboorte en dood hoort, wordt de geboorte over ’t algemeen als een vreugdevolle, het gemoed positief beïnvloedende gebeurtenis gezien, terwijl de ontmoeting met de dood als iets treurigs, soms tragisch wordt beleefd.
De geboorte van een mens brengt de ouders en wie er verder deel aan heeft in een stemming van blijde verwachting; de dood daarentegen veroorzaakt bij de nabestaanden smart, verdriet en tranen.
Als wij echter de betrokkenen zelf zien, de mensen die het proces van de geboorte of van de dood aan den lijve ervaren, dan zijn de feiten omgekeerd: het kind, de pas geboren mens, huilt en schreeuwt omdat het zich hoogst onbehaaglijk voelt; de schrijver van dit artikel heeft als arts bij de enkele duizenden kinderen die hij hielp geboren te worden, nog nooit een pasgeborene van plezier en welbehagen horen juichen. De stervende daarentegen voelt na een eventueel lang lijden het stervensproces als de verlossing van pijn en leed en als men mensen, die eigenlijk al “gestorven” waren, die echter door reanimatie weer in dit leven werden teruggehaald daarover vraagt, dan vertellen zij bijna zonder uitzondering van een wonderbaarlijke toestand van bevrijding waarin zij zich bijzonder wel voelden, maar waaruit zij plotseling werden weggerukt. Zij voelden zich daarna weer gekluisterd in de smartelijke benauwing van het lichamelijk-aardse bestaan.
Beide toestanden, de geboorte zowel als de dood, zijn – hoe de betrokkenen dit dan ook beleven – ervaringen, die een belevende ziel vooropstellen, ook en in ’t bijzonder bij de mens die wordt geboren.
Als dat juist is, ontstaan hieruit enkele vragen, nl. wanneer begint eigenlijk het menselijke wezen dat gaat ontstaan, een ziel te zijn? Is die er onmiddellijk volledig ontwikkeld, of ontwikkelt zij zich uit een soort van psychische kiemcel net zo, als het lichaam ontstaat uit de fysieke kiemcel? Wat doet de ziel tijdens het geboorteproces? Welke relatie heeft zij met het fysieke lichaam? Is zij het product van het lichaam, een soort van functie daarvan? Of is zij volledig onafhankelijk van het lichaam, heeft zij daarmee niets te maken, bestaat zij om zo te zeggen parallel daaraan? Hoe ziet het zielenwezen eruit bij het kind, hoe bij de volwassene? Blijft het altijd eender of kan het zich ontwikkelen? Hoe verhoudt dit zielenwezen zich tot wat men geest noemt? Zijn ziel en geest slechts verschillende benamingen voor hetzelfde? Wat doet de ziel als de mens slaapt, als hij sterft? Sterft zij dan ook? Indien niet, waar gaat zij dan heen? Wat heeft het te betekenen, dat zij hier op aarde is? Heeft haar bestaan zin, of is zij slechts aan een toeval onderworpen? Wat voor toeval? Is zij een speelbal van zuiver natuur- en scheikundige wetten of is zij onderworpen aan eigen “toevallige” psychische wetmatigheden? Hoe kan men die doorgronden?
Het is duidelijk; de ene vraag volgt op de andere; deze reeks kan nog lang worden voortgezet. Wij willen proberen, hierin enige orde te scheppen en in het hierna volgende op grond van observaties enige antwoorden te vinden.

Laat ons uitgaan van de waarneming van het zielenwezen van de volwassene, omdat dit voor ons het gemakkelijkst toegankelijk is. Wij behoeven immers slechts onszelf te observeren. Het behoeft geen betoog dat in ons een psychische component aanwezig is, want wij hebben gewaarwordingen, zintuigelijke indrukken, reageren met onze binnenwereld op de buitenwereld. Wij kennen vrees, tevredenheid, vreugde, verdriet, sympathie, antipathie, waarmee wij reageren op de indrukken uit onze omgeving. Het gehele brede palet van de reacties van ons innerlijk op waarnemingen en indrukken van de buitenwereld kunnen wij ziel, psychisch spectrum noemen. Dergelijke psychische elementen vertonen natuurlijk ook de dieren en het zou onzinnig zijn als men zou willen ontkennen dat bijvoorbeeld een hond geen ziel heeft. Als men dit psychische van de mens tot aan de geboorte volgt, dan is het onbetwistbaar, dat ook het pasgeboren kind in bovenbedoelde zin een ziel heeft. Wij zullen nog moeten nagaan, hoe het met de ziel vóór de geboorte en na de dood gesteld is.

Voorlopig moet de vraag gesteld worden, wat na het hierboven gestelde de mens van het dier onderscheidt. Dan blijkt, dat in het zielenwezen op zichzelf het verschil zeker niet ligt, want beiden hebben zij immers een ziel. Als wij echter mens en dier in hun psychische gedrag nauwkeuriger gadeslaan, dan ontdekken wij al spoedig een fundamenteel verschil. Het dier reageert op indrukken uit de buitenwereld altijd op een bepaalde manier, afhankelijk van de soort. De reacties, zou men haast zeggen, zijn geprogrammeerd. Een dier geeft er zich geen rekenschap van of het al of niet juist heeft gehandeld; het handelt naar zijn aard steeds juist. De mens kan in zijn gedragingen net zo zijn als het dier, maar hij heeft ook de mogelijkheid, de programmering door sympathie of antipathie te doorbreken, hij kan op grond van sympathie of antipathie reageren, maar hij hoeft dat niet te doen. Een element van vrijheid duikt hier op, een specifiek, slechts aan de mens voorbehouden en mogelijk element. Goethe zegt hierover: ”Het dier wordt door zijn organen geïnstrueerd: de mens instrueert de zijne en beheerst ze.” (Spreuken in proza) 

De mogelijkheid van zo’n gedrag stelt voorop – nauwkeurige waarneming toont dit aan – dat er in de mens een gebied moet zijn, dat hem afstand laat nemen van zijn eigen zielsgewaarwordingen, van zijn sympathie- en antipathiereacties en het daaruit volgende noodzakelijke gedrag. Er moet een gebied bestaan, dat hem in staat stelt, vrij te zijn wat zijn reacties en beslissingen betreft, wat hem tenslotte ook vrij laat zijn in wat hij waarnemen wil, waar hij zijn aandacht op wil richten, in dit gebied is de mens geheel en al mens, individualiteit, totaal onafhankelijk van de psychische bewogenheid ten gevolge van sympathie en antipathie. Als hij zoekt naar een benaming voor dit aller oorspronkelijkste en intiemste gebied van zijn wezen, dan zal hij dit ”ik” noemen. Daarmee is iets omlijnd, dat absoluut slechts hemzelf als mens aangaat. Doordat hij zich totaal daarmee identificeert, verenigt hij zich met zijn eigen wezen, zijn ik. Hij verenigt zich met wat hem tot mens, tot individualiteit maakt. Als men deze gedachtegang tot dusver heeft gevolgd, dan heeft men tegelijkertijd zichzelf als individualiteit beleefd. Men merkt echter ook, dat wij over ’t algemeen nog ver ervan zijn verwijderd, ons “ik” in zijn volle werkelijkheid te hebben ervaren. In zoverre zijn wij ook nog niet vrij. Wij zijn pas op weg, mens te worden. Maar al te zeer vallen wij nog ten prooi aan de golvingen van antipathie en sympathie in ons zielenwezen. Maar desniettemin hebben wij de mogelijkheid tot menswording, een ontwikkeling naar de vrijheid en daardoor tot zelfstandig oordelen en handelen ten opzichte van goed en kwaad omlijnd. In het vrije inzicht en aanvaarden van die mogelijkheid ligt de ontwikkeling op weg naar de mens.

Het ik, de eigenlijke geestelijke kern van de mens, is – zoals de waarneming laat zien ~ in een voortdurende strijd betrokken met het lichaam en de omgeving. Het gebied, waar dit plaats vindt, zou men het zielengebied van de mens kunnen noemen. De ziel is dan het verbindende element tussen buiten- en binnenwereld, tussen materie en geest, tussen lichaam en ik.

Laat ons nu nagaan, hoe het ik, de menselijke individualiteit, zich gedraagt in het verloop van het leven tussen geboorte en dood. Wij hebben geconstateerd, dat wij van geboorte tot dood steeds ziel zijn, steeds reageren vanuit ons innerlijk op de buitenwereld. Zijn wij ook steeds een ik, respectievelijk is ook steeds ons ik volledig aanwezig in ons lichaam? Wat doen bijvoorbeeld ons ik en wat wij ziel hebben genoemd, in de slaap? Wij moeten constateren, dat deze beide er dan niet zijn, zich niet in ons lichaam bevinden. Maar wij hebben beperkte reacties van onze ziel op invloeden van de buitenwereld, want wij kunnen worden wakker gemaakt. Bewustheid omtrent ons ik ontstaat echter slechts, als dit ik verbonden is met het lichaam. In de slaap ontstaat a.h.w. elke keer een hiaat in de continuïteit van ons bewustzijn, waarin wij met ons ik niet aanwezig zijn. Als wij evenwel ons hele leven overzien, dan worden wij gewaar, dat er toch een continuïteit in onze levensloop is, een biografische draad, die door ons leven heenloopt ondanks de schijnbare hiaten door de slaap in ons bewustzijn. Wij knopen met hetgeen er als de som van onze ervaringen van ons ik uit ons voorafgaande leven aanwezig is, ’s ochtends steeds weer aan op het punt waar wij ’s avonds wat ons bewustzijn betreft zijn opgehouden. Ons ik als de vergaarder van onze ervaringen moet dus de nacht hebben doorstaan, hoewel wij dat niet bewust beleefden en het niet met ons lichamelijk bestaan was verbonden.

De som van onze ervaringen, onze goede en verkeerde beslissingen en daden blijft in ons ik bewaard. Dit moet dus iets van voortdurende, eeuwige aard zijn. Wij mogen daarom veronderstellen, dat het ook over de dood heen blijft bestaan, dus ook wanneer het ons lichaam niet alleen gedurende de slaap korte tijd verlaat, maar als zich een duurzame scheiding van onze geestelijke kern van het lichaam voltrekt. Nu willen wij ons afvragen, hoe de omstandigheden zijn bij die andere hoeksteen van ons aardse leven, bij de geboorte. Als wij nauwlettender toezien merken wij, dat de graad van bewustheid omtrent het bestaan van ons ik gedurende ons leven zeer variabel is en in hoge mate afhangt van de leeftijdsfasen. Als kind en jong mens beseffen wij nog maar heel vaag en
onvolkomen wat ons in de bovenbedoelde zin tot mens maakt. Wij zien, dat ons ik-bewustzijn niet onmiddellijk bij de geboorte maar pas later, ongeveer vanaf het 2e-3e jaar en daarna heel langzaam ontwaakt. In de eerste levensjaren hebben wij in ’t geheel geen bewustzijn van ons ik, wij herinneren ons van die tijd ook niets. Geen bewustzijn van het ik te hebben betekent echter – zoals wij zagen – niet dat het ik als geestelijk wezen niet bestaat. Anders zou elke avond, als wij inslapen, ons ik moeten uitblussen en ’s ochtends, als wij ontwaken, opnieuw moeten ontstaan. Dit is stellig niet het geval zoals wij op grond van het gegeven van de continuïteit van onze biografie hebben gezien. Wij mogen daarom het bestaan van ons geestelijke wezen ook in de kindertijd tot aan de bewuste ervaring ervan veronderstellen en concluderen dat onze individualiteit ook vóór de geboorte, zelfs vóór de conceptie bestaat. Ons ik als een geestelijk wezen met continuïteit, voortduring, zelfs het kenmerk van eeuwigheid, kwam hierboven reeds ter sprake.

Wij spraken over een som van levenservaringen die ons ik gedurende het leven op aarde opdoet, over een som van oordelen, beslissingen en daden. Deze som van ervaringen, die men de kwintessens van ons aardeleven zou kunnen noemen, blijft – zoals wij zagen – na de dood bestaan, zij bepaalt de grond van rijpheid van ons ik. Wat wordt er nu verder uit die toestand van rijpheid van het ik? Niemand zal immers willen beweren, dat ons ik al zover gerijpt en ervaren zou zijn, dat het niet verder zou kunnen rijpen, niet nog meer levenservaringen zou kunnen opdoen. Zou de biografie van ieder van ons min of meer onvoltooid afbreken en in een soort van “niets” oplossen? Dan zou ons bestaan zinloos zijn!.

Als wij de uitgangspunten van onze biografie nagaan, onze begaafdheden die wij meekrijgen, onze gezonde of zieke constitutie waarmee wij geboren worden, het milieu en nog vele andere factoren die ons bij de geboorte omringen, dan moeten wij vaststellen dat wij eigenlijk onze levensloop uit heel verschillende “startblokken” beginnen. En als wij het verdere verloop van ons leven overzien met onze ontmoetingen, lotgevallen, successen, ons falen enz. dan kunnen wij wederom slechts vaststellen, dat er veel oneffenheden, ongerijmdheden, ook onrechtvaardigheden bestaan.

Waarom is dit zo? Bestaat er iets als een rechtvaardige wereldorde? Indien dit zo is, hoe passen de geconstateerde ongelijkheden daarin? Hoe is dat, als een onvoltooide biografie, de onrijpheid van het ik in een leven na de dood verder gaat in een voortgezette verandering en rijping van de opgedane levenservaringen tot aan het stadium, dat die levenservaringen, de verkeerde en juiste oordelen, de rechtvaardige en onrechtvaardige beslissingen, de schuld veroorzakende, respectievelijk slechte en goede daden door een rechtvaardige, ook rechtende wereldorde worden beoordeeld; als dit dan gedurende een verder levens-rijpingsproces in een nieuw aardeleven uitmondt en als zodanig de uitgangspositie oplevert voor de verdere vorming van het lot van het individu? Vanzelfsprekend moeten dan die uitgangsposities van de individuen verschillend zijn, heel verschillend dikwijls, afhankelijk van de vrucht van een vorig aardeleven. Pas op die manier wordt ook het in ieder mens diep verborgen verlangen gestild naar een orde scheppende gerechtigheid in de wereld. Slechts zo is ook werkelijk de continuïteit van het ik, waarvan hierboven sprake was, gegarandeerd. Niets gaat er verloren van hetgeen eens is bereikt. De mens als geestelijk wezen, als individualiteit, krijgt het kenmerk van eeuwigheid, maar niet in de betekenis van een duur zonder meer, maar van een onsterfelijkheid met de kenmerken van ontwikkeling en rijping, met de mogelijkheid hogere treden van het bestaan te vinden. De mens kan, zo gezien, werkelijk mens worden, een “wezen, aan God gelijk”, zoals de Bijbel als doel van de schepping vermeldt. Het wereldgebeuren wordt zinrijk en de rechtvaardigheid van een wereldorde daagt, waarin wij als mensen in die zin vrij kunnen worden, zoals hierboven is betoogd als mogelijkheid van de menswording.

De mens als lichamelijk wezen

In tegenstelling tot het eeuwigheidskarakter van ons ik heeft ons lichaam geen duurzaamheid; het is aan de vergankelijkheid onderworpen zoals al het aardse. Zijn bestaan is begrensd door de beide hoekpijlers van het aardse leven, geboorte en dood. Binnen deze beperking heeft het ook met een ontwikkeling te maken. Die bestaat uit een opgaande fase, waarin het lichaam groeit en zich ontplooit en in een neerwaarts gaande fase, waarin ouderdomsprocessen steeds meer de overhand krijgen. Bij nauwkeuriger toezien merken wij, dat deze opbouwende en afbrekende processen er al vanaf de geboorte zijn en gedurende de duur van het aardse leven bepalen hoe wij ons voelen. Wel is echter de intensiteit van opbouw en afbraak gedurende de afzonderlijke levensfasen verschillend. In de kinder- en jeugdjaren zijn de opbouwende krachten van ons lichaam zo intens, dat zij in hoge mate de afbrekende krachten overheersen, zodat wij die bijna niet merken. Pas langzamerhand beginnen – na een fase van evenwicht tussen beide krachten in het midden van het leven – de afbrekende ouderdomskrachten de overhand te krijgen, tot zij ten slotte in de ouderdom zo sterk de opbouwende krachten domineren, dat zij de dood van het fysieke lichaam veroorzaken. Er zijn dus in ons lichamelijk bestaan twee tegengestelde ritmen: grote intensiteit van de opbouwende krachten in het begin, langzamerhand intredende vermindering gedurende het leven tot aan het ophouden van de opbouw bij de dood; daar staat tegenover: geringe intensiteit van de afbraak bij de geboorte, toename daarvan gedurende het leven, grootste intensiteit daarvan ten slotte, eindigend met het absolute overwinnen van de opbouw in het ogenblik van de dood.

Als wij onze levensprocessen nog nauwkeuriger gadeslaan, dan zien wij dat aan dit grote ritme van ons lichaam gedurende het hele leven een kleiner ritme ondergeschikt is, waarin hetzelfde gebeurt, alleen niet tot in de consequentie van de dood: dat is het ritme van waken en slapen, het dag-nacht ritme met zijn korte fasen. Gedurende zijn verloop beschikken wij over veel opbouwende kracht ’s morgens als wij ontwaken uit de slaap. Hieraan teren overdag in toenemende mate afbrekende krachten, tot wij ’s avonds vermoeid de slaap zoeken om onze uitgeputte opbouwende krachten in de nacht te regenereren. Niet zonder reden noemde men vroeger de slaap de kleine broeder van de dood; men zei ook wel: de dood is een lange slaap, de slaap is een korte dood.
Wij ontdekken verder ook, dat er altijd een verheviging van afbraak- en vermoeidheidsprocessen in ons lichaam plaatsvindt – of anders gezegd, de vitale opbouwprocessen worden teruggedrongen – als wij met ons ik van ons lichaam bezit nemen, d.w.z. dat onze bewustzijnsprocessen toenemen, als wij “present” zijn. Gedurende de slaap zijn wij met ons ik en onze bewustzijnsprocessen buiten ons lichaam; dientengevolge hebben nu de in het lichaam werkzame opbouwkrachten de overhand en wij regenereren ons lichaam.

In het begin van ons leven zijn wij ons nog heel weinig bewust van ons lichaam en van de omgeving. Daardoor prevaleren de lichamelijke opbouw- en groeiprocessen. Op latere leeftijd zijn wij met ons ik, wat ons bewustzijn betreft, steeds meer aanwezig en worden de opbouw-, de regeneratieprocessen steeds meer teruggedrongen, tot wij in de dood in een hoger bewustzijnsproces belanden, nl. als onze lichamelijke levensprocessen het begeven.

Wij zien nu, dat levensprocessen, d.w.z. opbouw-, groei- en regeneratieprocessen aan de ene kant en bewustzijnsprocessen, d.w.z. afbraak-, afstervings- en doodsprocessen aan de andere kant een polariteit zijn. Bewustwording is een afbraak, een doodsproces dat zich slechts kan ontwikkelen ten koste van de groei- en regeneratieprocessen en omgekeerd.

Dit feit is een fundamenteel gegeven dat in de tegenwoordige materialistische wetenschap nog niet volledig ingang heeft gevonden. Want wat resulteert daaruit? Het inzicht, dat in de mens twee krachtrichtingen zijn: de ene, die de mens in zijn lichamelijk bestaan weliswaar opbouwt, hem evenwel niet tot bewustzijnsprocessen en dus tot inzichten – ook niet omtrent zijn eigen wezen – laat komen en een andere stroming van krachten, die hem in staat stelt, bewustzijn en dus ook inzichten te ontwikkelen, die evenwel tegelijkertijd het lichaam moet afbreken en vernietigen. M.a.w. bewustzijnsprocessen ontwikkelen zich nooit uit vitale opbouwprocessen via wat dan ook voor gecompliceerde processen van de materie, zoals tot dusver de wetenschap veronderstelt. Wij hebben een vitaal proces in ons lichaam, waarin de materie zich inpast en waardoor voeding, groei, regeneratie en reproductie kan plaatsvinden. Daar staat polair tegenover een geestelijk proces, dat vitaliteit afbreekt, materie vernietigt en in de vernietiging bewustzijn, ook zelfbewustzijn ontwikkelt. Beide polaire processen behoren bij het wezen van de mens en zijn in hun samen- en tegenwerking het spanningsveld van ons menszijn hier op aarde.

De bestemming van de mens-de mens als vrij wezen

Nu kunnen wij ons afvragen: waar ligt de oorsprong van de beide beschreven polen van het menselijke wezen? D.w.z. waar vandaan komt de mens als geestelijk en als ‘lichamelijk wezen?

Wij zagen de mens als geestelijk wezen: duurzaam eeuwig – een wezen, dat zich door verschillende aardelevens in een ontwikkelings-, d.w.z. rijpingsproces ter vervolkoming bevindt. Bij zijn oorsprong ontspruit dit geestelijke wezen, het ik van de mens, uit de vereniging met de goddelijke wereld van de Schepper, uit de godheid zelf, zoals dit in de verschillende mythologische scheppingsverhalen wordt beschreven.

In de Bijbel vinden wij de ons bekende scheppingsmythe. Daar wordt in grootse beeldentaal het oorspronkelijke één zijn van de mens met de hele schepping en de Schepper zelf in het beeld van het Paradijs verteld. Door de invloed van de Verzoeker maakt de mens zich dan los van die eenheid, wat tot gevolg heeft dat hij dan met de zintuiglijke wereld wordt geconfronteerd. De reeds beschreven tweeheid van goddelijk-geestelijke wereld enerzijds en de materiële zintuiglijke wereld anderzijds gaat zich manifesteren. De laatstgenoemde verschijnt daarbij als schepping uit de eerste. Het resultaat van deze scheiding is de dualiteit geest-materie, geest-natuur, geestelijke individualiteit- lichamelijk bestaan of hoe wij dit alles willen benoemen
Mythologisch in beelden, wordt dit proces van scheiding in de Bijbel als verstoting uit het Paradijs beschreven. Individualisering betekent hier: losmaking van een goddelijke vonk uit het algemeen-goddelijke, verzelfstandiging van een geestelijk deel, een ik. De vrucht daarvan is de mogelijkheid van individuele zelfstandigheid en vrijheid. Of dit ontwikkelingsmoment nu zo wordt uitgewerkt, dat het zich volledig naar de materiële wereld, d.w.z. de natuur, de fysieke dingen, het lichamelijke bestaan keert of dat het naar geestelijke gebieden streeft, is een bestanddeel en het eigenlijk kenmerk van de vrijheid. In onze tijd lijkt de mens, resp. de mensheid de voorkeur te geven aan de materiële wereld. Het is vanzelfsprekend dat dit problematische situaties veroorzaakt. Het zou wel eens een weg kunnen blijken, die niet is gebaseerd op een inzicht in wezenlijke realiteiten en die naar eenzijdigheden leidt. Dit beleven wij elke dag als wij niet blind zijn voor de werkelijkheid. Maar ook het streven naar een uitsluitend geestelijk bestaan zonder de materiële zintuiglijk wereld te willen leren kennen, zien wij in het streven naar het uitsluitend transcendente en ook in alles wat naar toestanden van de roes neigt. Dit nu, wat de fysieke gegevens negeert, moet echter in illusies uitmonden. Wij vinden maar al teveel voorbeelden hiervan in onze huidige omgeving.

Op grond van deze gezichtspunten ontdekken wij een nieuwe weg voor ons menselijke streven, die de beide genoemde mogelijkheden in hun polariteit tot een evenwicht, maar ook in de zin van Goethes zienswijze tot een intensivering leidt. Hier gaat het erom, dat vooreerst de mogelijkheid om vrijheid te vinden, die door de individualisering van het geestelijke principe in het ik werd veroverd, volledig wordt gerealiseerd: hier sta ”ik”, uniek in de wereld, met alle mogelijkheden vrij te zijn. Ik kan nu – potentieel- die vrijheid egoïstisch gebruiken, d.w.z. tegen mijn medemensen, tegen de natuur. M.a.w.: ik kan macht uit de vrijheid ontwikkelen, bijvoorbeeld dictator, tiran of iets dergelijks worden.

Ik kan de schepping uitbuiten, alles in dienst stellen van mijn machtswellust, mijn egoïsme. Ik kan zelfs zover gaan, dat ik mijzelf, de mensheid, de aarde vernietig.

Ik kan echter ook vanuit het besef, hoe groots de idee van de vrijheid is, zeggen: ik beleef mijzelf in mijn waardigheid als geïndividualiseerd geestelijk wezen, als een ”ik” en handel uit het volle bewustzijn van die vrijheid. Ik besef, dat ik een goddelijke vonk bezit: mijn ik dat mij tot mens maakt. Die goddelijke vonk is geboren uit het geestelijke, is daaruit geïndividualiseerd. Ik heb door dat proces de verbinding (de religio) met de godheid verloren, ben eenzaam en geïsoleerd geworden. Met mij zijn op dezelfde wijze de andere mensen, “door God verlaten geworden”, zij hebben de verbinding met de geest verloren. Met ons is de gehele materiële wereld zelfstandig, materie geworden. Ik wil nu bewust, uit vrijheid een weg zoeken die mij weer naar een verbinding met het geestelijke leidt, mij weer in een goddelijk-geestelijke wereld laat binnengaan, nu echter in het volle bezit van mijn geïndividualiseerde geestelijke wezen, van mijn ik, van mijn vrijheid. Maar ik wil niet de aarde, de mij omringende natuur de rug toekeren om dwepend in iets geestelijks te verdwijnen, maar ik wil de aarde volledig accepteren doordat ik haar beleef als goddelijke schepping. Ik wil van haar aanvaarden, wat ik voor de instandhouding van mijn lichaam, voor de bevrediging van mijn lichamelijke behoeften nodig heb, zonder evenwel in egoïstische uitbuiting te vervallen. Ik wil de aarde verzorgen en haar als milieu beschermen en als waardig goddelijk schepsel cultiveren. Dit is ons mensen toevertrouwd als grondslag voor ons fysieke bestaan, niet in de zin van door macht afgedwongen uitbuiting, maar als een plaats waar een krachtige uit de geest en het wezen van de mens ontsproten cultuur kan gedijen.

In de vervulling van zo’n taak word ik waarlijk vrij, vind ik mijn bestemming als vrij mens. Niet macht is dan mijn doel, maar besef en liefde en vanuit die beide: ontwikkeling van vernieuwende impulsen. Ik besef: uit de geest ontwikkelde de mens, de mensheid zich om zelfstandigheid en vrijheid van het eigen geestelijke wezen te veroveren. Vanuit die vrijheid zoekt de mens bewust het geestelijke wederom waarbij zijn geïndividualiseerde geestwezen ten volle behouden blijft. In liefde neemt hij op die tocht de hem omringende schepping van de materiële wereld mee, die hem de basis schenkt voor zijn lichamelijke bestaan.

De beantwoording van de vraag naar de oorsprong van de mens als lichamelijk wezen is allicht gemakkelijker dan de vraag naar zijn oorsprong als geestelijk wezen.

Wij hebben gezien, dat ons lichaam vergankelijk is, niet duurzaam bestaat. Het is niet moeilijk in te zien, dat een levend wezen steeds een ander op aarde levend wezen nodig heeft, dat hem in de tijd voorgaat en waaruit hij ontstaat of waarvan hij afstamt. Al het levende ontstaat slechts uit het levende, d.w.z. het ene lichaam uit het andere. Dit is een feit, dat zich dagelijks op duizendvoudige wijze om ons heen sinds onheuglijke tijden voltrekt, ieder kan het waarnemen. En juist dit een ieder bekende feit staat in de meest krasse tegenstelling tot de verklaring van de materialistische wetenschap omtrent het ontstaan van het leven, van de levende lichamen. Vanzelfsprekend neemt ook een materialistisch georiënteerde wetenschapper het door ons genoemde feit waar, dat al het leven slechts van iets levends afstamt. Als het echter erop aankomt, het ontstaan van het allereerste leven te verklaren, vindt hij plotseling een hypothetische “generatio spontanea” uit, een soort van theoretische oer-verwekking, volgens welke uit de oorspronkelijk aanwezige, levenloze materie – iets anders kan de materialist zich niet voorstellen – door een hoogst gecompliceerde, maar totaal onduidelijke en onverklaarbare samenbundeling, of wat voor complicatie dan ook, het leven zou zijn ontstaan. Wat een merkwaardige, wonderlijke, maar totaal onlogische en bovenal elke wetenschappelijke denktrant tegensprekende zienswijze! Een zienswijze, die juist die wetenschappelijke denktrant weerspreekt, die slechts wil laten gelden, wat uiterlijk zintuigelijk kan worden waargenomen. Waargenomen echter kan worden, dat materie, dode materie, altijd ontstaat als het leven zich daaruit terugtrekt, dus wanneer zich een doodsproces voltrekt. Nooit en te nimmer heeft men gezien, dat iets doods, iets wat levenloos is, plotseling uit zichzelf ging leven!

Waarneembaar is ook, dat een levend organisme dode stof, bijvoorbeeld mineralen, opneemt en deze – doordat het leeft – integreert, met leven doordringt, tot levende organische substantie maakt. Dit proces volbrengen wij voortdurend, bijvoorbeeld in onze stofwisseling.
Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde, dat er eerst een levend organisme moet zijn dat de dode materie met leven doordringt. Als het leven zich terugtrekt ontstaat dode, levenloze substantie.

Wanneer het leven zich uit een gevormd organisme losmaakt, dan blijft er voorlopig iets over wat wij een lijk noemen, dat zich na verloop van tijd in de levenloze natuur oplost. Door deze observaties zijn wij in onze gedachtegang bij twee polariteiten aangekomen: wij hebben aan de ene kant de polariteit dode materie-levende, door het leven gegrepen materie ontdekt, aan de andere kant hebben wij de polariteit levende materie-gevormde materie gevonden. Omtrent beide polariteiten hebben wij ons hierboven reeds een inzicht verschaft. Wij hebben ons bezig gehouden met het proces dat dode materie in het gebied van het leven wordt opgenomen. Met betrekking tot de polariteit levende materie-gevormde materie hebben wij gezien, dat vormgevende processen altijd afbraakprocessen zijn, d.w.z. processen die het levende, de opbouw afremmen tot een zeker eindpunt. In dit verband is dat een vorm, een gestalte. Leven en gestaltevorming, levend-opbouwende en gestalte gevende, afbrekende processen staan polair tegenover elkaar. Zij bepalen als zodanig onze lichamelijke constitutie. Als zij in evenwicht zijn voelen wij ons gezond; als in de krachtsverhouding de ene of de andere kant domineert, dan voelen wij ons in een onevenwichtigheid betrokken, wij worden ziek. Voortdurend moeten wij in ons aardeleven naar het evenwicht van beide krachten, die van het leven en die van de vormgeving, van de opbouw en van de afbraak zoeken. In het bereiken, respectievelijk het steeds weer opnieuw uitbalanceren van dit evenwicht ligt ook een van de bedoelingen van ons bestaan op aarde.

Wij kunnen op grond van het voorafgaande nu zeggen: in het aardse gebied geboren worden betekent voor het geestelijke wezen van de mens, dat hij zijn geestelijke vaderland, de wereld van de goddelijke oorsprong, verlaat. Zo gezien sterft de mens voor de geestelijke wereld als hij fysiek wordt geboren. De fysieke dood daarentegen leidt het geestelijke wezen “mens” weer terug naar zijn eigenlijke vaderland. De mens wordt voor de geestelijke wereld opnieuw geboren als hij fysiek sterft. De scheiding van het geestelijke vaderland is evenwel noodzakelijk als het menselijke wezen zelfstandigheid en vrijheid wil verkrijgen. Een dergelijke ontwikkeling kan echter alleen in deze aardse wereld plaatsvinden. Geboorte en dood, zo gezien, zijn dus in de ene en in de andere richting gebeurtenissen die door goede machten in de wereld werden geplaatst om de mens de mogelijkheid te schenken dat hij zijn wezen ontwikkelt en vervolmaakt. Zonder geboorte en dood zou er ook geen opstanding zijn. Als wij dit inzien en aanvaarden kunnen wij met Goethe met betrekking tot de zin van ons bestaan op aarde en onze ontwikkeling als aardeburgers zeggen:

”Und so lang du das nicht hast,
dieses Stirb und Werde,
bist du nur ein trüber Gast
auf der dunklen Erde”

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.
(bron)

Wij verwijzen ook naar het boek van de auteur ”Die Geburt der Individualitat”, waaraan het bovenstaande – door de schrijver voor de Weleda Berichten bewerkt en aangevuld – is ontleend.

De publicatie is verschenen bij Verlag Urachhaus, Stuttgart.

.

Algemene menskunde: voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2762-2591

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de waarde van de biografie

.

Dr. Wolfgang Suchhardt, Die Menschenschule  22-11-1948
.

OVER DE VORMENDE WERKING VAN BIOGRAFIEËN
.

Zoals wellicht bekend was de dichter Christian Morgenstern bevriend met Friedrich Kayssler, de beroemde Berlijnse toneelspeler die na de eeuwwisseling (1800/1900) onder Max Reinhardt zijn loopbaan begon en ook door gedichten en essays op literair gebied op de voorgrond trad.

Morgenstern werd peetvader bij Kaysslers zoon, die in de voetsporen van zijn vader trad en een zeer gewaardeerd acteur werd, maar hij stierf vroeg, nog voor het midden van het leven. Hij werd vernoemd naar Morgenstern en zijn vader: Christian Friedrich. N.a.v. zijn geboorte schreef Morgenstern in 1899 een vierregelig gedicht, dat later in de ‘Epigrammen en spreuken’ opgenomen werd. Het had als titel: ‘Voor Christian Friedrich’ en gaat als volgt:

Woran sollen wir uns erziehen       waarmee moeten wij onszelf                                                                                opvoeden
An grossen Biographien                   met  grote biografieën
Plutarch unters Kopfkissen             Plutarchus onder het hoofdkussen
Wie wir es von Napoleon wissen!   Wat we van Napoleon weten!

De aansporing van Morgenstern is een oude en steeds weer een actuele pedagogische wijsheid. Rudolf Steiner [1] heeft er bij herhaling op gewezen dat biografieën van grote persoonlijkheden, levendig verteld, vanaf een bepaalde leeftijd, zo rond het 12e jaar, diepe, onuitwisbare sporen kunnen nalaten in de kinderziel. Je kunt de kinderen iets meegeven wat waar is en blijvend, wat dan a.h.w. latent aanwezig is onder de oppervlakte van het bewustzijn, wat het hele leven als een versterkend en krachtgevend geestesvoedsel  kan begeleiden. Wanneer er zich later bepaalde kritische of bedreigende situaties in het leven voordoen, dan kan een beeld onverwacht uit het duister van de herinnering opduiken, het kan er plotseling zijn, levend en fris.

Zo kan het gaan met een paar beelden van de daden van de groten uit de geschiedenis die je in een bepaalde, individuele situatie, bij een beslissing, bv. waarbij geen compromissen mogelijk zijn, geen andere wegen, voor je ziet. Deze als meteoren in de zielenhemel opstijgende beelden kunnen beslissende helpers zijn, zwijgende geestvrienden, wanneer de ziel voor de keuze staat of-of en nog niet weet of er een impasse dreigt en er geen uitweg meer is.

Steeds opnieuw, ook van de kant van de pedagogen die in de geest van Rudolf Steiner werken, is op de betekenis gewezen die het vertellen van verhalen en in het bijzonder van biografieën heeft.

Hier volgt een autobiografie. Werner von Siemens, de bekende natuurkundige en ontdekker uit de 19e eeuw heeft zijn levensherinneringen opgetekend. Voor pedagogen zijn die in velerlei opzicht verhelderend. Bovendien zijn er twee plaatsen die aan de psychologen het duidelijke bewijs leveren dat er niet te miskennen objectieve metamorfosewetten zijn, niet alleen in het organisch-plantaardige, maar ook op een hoger niveau, op het gebied van de ziel en de geest, wetten die Goethe al voorvoeld had en die Rudolf Steiner onvermoeibaar naar voren bracht en verklaarde.

Het eerste voorbeeld dat wij als bewijs voor deze samenhangen aanvoeren, is een jeugdervaring van de kleine Werner von Siemens, die als zodanig niets bijzonders of ongewoons voorstelt. Zeker talloze mensen hebben zo’n ervaring met een gans gehad, zoals Siemens hier schildert. De charme van deze beleving die hij voor de pedagoog heeft, is erin gelegen dat hij hier – wat zelden gebeurt – heel precies ervaart hoe zo’n gebeurtenis doorwerkt en vormt en tot een uitgesproken desem wordt voor de karaktervorming, dat de berichtgever hem zijn hele leven door, zoals hij steeds weer benadrukt, tot op hoge leeftijd  bij gebleven is.
Tegelijkertijd is dit kleine voorval de vroegste herinnering van de verteller, zodat hij zijn boek begint met deze aanschouwelijke schets:

‘Mijn eerste jeugdherinnering betreft een kleine heldendaad, die zich misschien daarom zo in mijn herinnering vastgezet heeft, omdat hij een blijvende invloed op mijn karakter uitgeoefend heeft. Mijn ouders woonden tot mijn 8e jaar in mijn geboorteplaats Lenthe bij Hannover, waar mijn vader het aan de Heer van Lente toebehorende landgoed ‘Obergut’ gepacht had. Ik moet ongeveer 5 jaar zijn geweest en ik was op een dag op mijn kamer aan het spelen toen mijn 3 jaar oudere zus Mathilde luid huilend door moeder naar haar kamer werd gebracht. Ze moest naar het parochiehuis, naar breiles, maar klaagde dat een gevaarlijke gans haar steeds maar de toegang tot de parochietuin versperde en haar al een paar keer gebeten had. Ze weigerde zeer beslist, ondanks moeder die op haar inpraatte, naar de les te gaan. Ook mijn vader slaagde er niet in haar van mening te laten veranderen; toen gaf hij mij een stok die aanzienlijk groter was dan ik zelf en zei: ‘Dan zal Werner je wel wegbrengen, die heeft hopelijk meer moed dan jij.’ Het leek mij eerst nog wel wat bedenkelijk, want vader gaf me voor onderweg de raad mee: ‘Als de gans komt, loop je hem dapper tegemoet en geef je hem er van langs met de stok, dan loopt hij wel weg!’ En zo gebeurde het ook. Toen we het tuinhek opendeden kwam de gans ons al met hoog opgerichte hals en een vreselijk gegak tegemoet. Mijn zusje keerde huilend om en ik had grote zin haar te volgen, maar ik vertrouwde op vaders raad en liep, wel met mijn ogen dicht, op het monster af en sloeg dapper met de stok om me heen. En kijk, de gans werd bang en liep luid gakkend naar de troep ganzen die er eveneens vandoor ging’.

Tot zover de belevenis van Werner von Siemens.

Als wij slechts dit hadden, beschikten we voor de pedagoog en de liefhebber van biografieën over een kostelijke anekdote. Maar er komen nog opmerkingen bij die voor de moderne psycholoog van onschatbare betekenis zijn. Want die bewijzen juist de geldigheid van de metamorfosewet voor het leven van de mens. Daarom leggen we op de vervolgzinnen van Werner von Siemens bijzonder de nadruk:

‘Het is merkwaardig wat voor een diepe, blijvende indruk deze eerste overwinning op mijn kinderlijk gemoed maakte. Nu nog, na bijna 70 jaar, staan alle personen en de omgeving die met deze belangrijke gebeurtenis verbonden waren, mij helder voor ogen. De enige herinnering aan hoe mijn ouders eruit zagen toen ze jong waren is er mee verbonden en zo vaak in latere moeilijke levensomstandigheden heeft de overwinning op de gans me ertoe aangezet dreigend gevaar niet uit de weg te gaan, maar het te overwinnen door het moedig onder ogen te zien.’

Het gaat om deze laatste zin. Daarop komt het in het bijzonder aan. Voor wie het geheel van een biografie bekijkt en erover spreekt, is het van vergaande strekking. Het bewijst duidelijk hoe bepaalde, morele gebeurtenissen in het eerste morgenrood van een mensenleven als desem verder werken en in het latere leven en het allerlaatste leven als vormende kracht groter worden. Deze alchemie van de fijnste lichtwerkingen van een hogere wereld in het troebele en donkere medium van de aardse omstandigheden verlangt een voorzichtige en tegelijkertijd eerbiedige beschouwing. Dat is de grote verheven les die een kijkje in een biografie en in het bijzonder in een autobiografie ons leert, een les die de leraar steeds weer aan de leerling overbrengt als het om de grote omvattende wetten van het wereldgebeuren gaat.

Nog een voorbeeld, niet minder indrukwekkend, is in de genoemde biografie te vinden.

Een jaar later, toen Werner von Siemens 11½ jaar oud was, stelde zijn vader voor de talrijke zonen een huisonderwijzer aan, een theologiekandidaat, Sponholz van naam, een nog jonge, maar hoogontwikkelde man, die over uitzonderlijke gaven moet hebben beschikt. Weliswaar stond hij bij zijn meerderen van het kerkelijk bestuur slecht aangeschreven, omdat hij niet ‘positief’ gezind genoeg was’, zoals Siemens het uitdrukt. Wij kunnen vermoeden dat het een innerlijk onafhankelijke, zelfstandige, geestelijk vrije persoonlijkheid was die zijn eigen diepgaande gedachten over de wereld en het bestaan had. Hij moet een zeer diep nadenkend mens zijn geweest, want in de loop van het verhaal komen we te weten, dat Sponholz sterk neigde naar hypochondrische stemmingen en hij moet het wel zwaar hebben gehad om met zichzelf en de wereld in het reine te komen. Maar ook al zag de burgerlijke maatschappij hem aan voor een mislukkeling, Werner von Siemens heeft in zijn levensherinnering toch een standbeeld voor hem opgericht wat bewijst hoe diep het beeld van deze anders volledig onbekende, anonieme figuur in de ziel van de jongen wortelde. Deze gecompliceerde, problematische natuur had wel het vermogen om voor de ‘halfwilde’ jongen een voortreffelijk leraar en opvoeder te zijn. Laten we naar de schets van von Siemens zelf luisteren

‘Hij wist al  in de eerste weken over ons, halfwilde jongens, een voor mij nu nog raadselachtig overwicht te krijgen. Hij heeft ons nooit bestraft, laat staan vermanend toegesproken; deed vaak met ons spel mee en verstond de kunst zo echt mee te spelen dat hij onze goede eigenschappen stimuleerde en de slechte weg hield. Zijn lessen waren erg prikkelend en stimulerend. Hij kreeg het steeds voor elkaar ons doelen voor ogen te laten stellen die we zouden kunnen halen en maakte onze daadkracht en onze ambitie sterker door het plezier over het bereiken van het gestelde doel, wat hij dan zelf oprecht met ons deelde. Zo lukte het hem in een paar weken uit verwilderde, luie jongens de ijverigste en vlijtigste leerlingen te maken die hij niet tot werk hoefde aan te sporen, maar voor overmoed moest behoeden. Het wekte in mij een gevoel van vreugde dat nooit meer weg is gegaan, aan zinvol werk en de ambitieuze drang iets te presteren. Een belangrijk middel dat hij daartoe gebruikte, waren zijn verhalen.’

Wij zien uitstekende eigenschappen als opvoeder, in deze persoonlijkheid zien we zijn mens vormende kracht aan de ene kant en een mislukt type, ongeschikt, aan de andere kant. Een ‘raadselachtig overwicht’ had hij over het hart van de jongens. Wij zouden zeggen, hij was niets anders dan een echte, vanzelfsprekende autoriteit, een persoonlijkheid met innerlijke zekerheid. Straf en berisping had hij niet nodig, want hij was de echte vriend, wanneer de vrije tijd lokte en het spel begon. Maar hij beschikte ook over methodiek in zijn onderwijs!

Hij was in staat de stof levendig te brengen, van veel kanten naar voren te brengen en de opgaven goed af te stemmen, niet te veel, maar ook niet te weinig te eisen. Daardoor plantte hij de eerste kiemen voor een levenslange vorming van het zo belangrijke plichtsgevoel. Ook al gaf hij de jongens maar een jaar les, Siemens benadrukt in het verdere verloop van zijn schets steeds weer: een overduidelijk plichtsbesef dank ik met name aan deze leraar.

Verder is er nog iets bijzonder origineels: hoe hij ’s avonds aan de knapen regelmatig verhalen vertelde. Je kunt vele verhalen vertellen: sprookjes, legenden, sagen, geschiedenisverhalen en biografieën van grote persoonlijkheden. Op hoe sterk de vormende waarde van de laatste is, is hierboven al gewezen.

Maar er bestaat nog een andere, niet minder belangrijk genre verhalen met een bepaalde werking, waarop Rudolf Steiner in het bijzonder heeft gewezen: de zelf bedachte, zelf gevonden, met eigen fantasie gezien, doortrokken met levenservaring! Hoor wat Siemens te zeggen heeft over deze herinneringen aan zijn geliefde leraar:

‘Wanneer ’s avonds onze ogen boven het werk toevielen, wenkte hij ons naar de oude leren sofa te komen waarop hij altijd zat en die naast de tafel stond waar wij aan werkten en terwijl wij ons tegen hem aanvlijden, schilderde hij ons beelden voor ogen van ons eigen toekomstige leven, enerzijds op de hoogtepunten van ons maatschappelijk leven die we door ijver en morele flinkheid hadden bereikt en dat ons in staat stelde ook de zorgen voor onze ouders – die namelijk in die moeilijke tijd voor iedere pachter zeer groot waren- te verlichten, anderzijds beelden die ons ook lieten teruggevallen in droevige levensomstandigheden, wanneer we onze ambities lieten varen en de verleiding tot het kwaad niet konden weerstaan.’

Wat Sponholz hier uit een fijn, rijp pedagogisch instinct doet, is die vorm van verhalen vertellen die we tegenwoordig in de geest van Rudolf Steiner als een nieuwe bouwsteen van moderne pedagogie moeten invoegen. Hier vinden we een wonderbaarlijk voorbeeld wat geniale figuren ook al veel vroeger vanuit een echt levensinstinct gedaan hebben. De verteller verzint een verhaal, laat zijn eigen scheppende fantasie zijn gang gaan – maar niet breidelloos, niet zomaar of subjectief, maar vanuit een diepere verantwoording aan de hogere machten van de geestelijke werkelijkheid, uit een echte wijze levenservaring. Een kind dat zulke zelf geweven beelden, als waren ze met het levensbloed van de verteller doortrokken, in zich opneemt, wordt tot in het diepst van zijn persoonlijke belevingswereld geraakt en gepakt. Wat op deze manier aan de jonge mens gegeven wordt, vormt zijn ziel tot in de diepste nuances, blijft een herinnering voor het verdere leven die op bepaalde ogenblikken weer in het bewustzijn komt* en aanwezig is. Op wat voor een fijnzinnige manier weet de jonge theoloog de morele kracht van de jongens, hun sociale plicht, aan te spreken! Hij schets hun hun eigen leven met hoogtepunten in hun bestaan, maar tegelijkertijd brengt hij de zorgen van de ouders in de beleving en roept zo hun verantwoordelijkheid op. Wanneer je je dit allemaal voor ogen stelt, moet je zeggen: deze onbekende jonge theoloog die door de maatschappij niet echt serieus wordt genomen, beschikt over een echt begenadigd pedagogisch talent, een gave die ook nu nog voor ons in menig opzicht een voorbeeldfunctie heeft.

Des te meer stof tot nadenken geeft het aan iedereen die voor de eerste keer deze autobiografie ter hand neemt, wanneer hij verder leest over het toekomstige lot van deze jonge opvoeder. Werner von Siemens zegt er in een paar zinnen over:

‘Helaas duurde dit gelukkigste deel van mijn jeugd  niet lang, niet eens een vol jaar. Sponholz had vaak last van diep melancholische aanvallen, die wellicht voor een deel te maken hadden met zijn mislukte beroep als theoloog en zijn levensloop en voor een deel veroorzaakt werd door dingen waar wij als kinderen nog niet voor open stonden. Tijdens een van die aanvallen verliet hij op een donkere winternacht met een jachtgeweer het huis en werd na lang zoeken op een afgelegen plek van het landgoed met een verbrijzelde schedel gevonden. Ons verdriet over het verlies van de geliefde vriend en leraar was grenzeloos. Mijn liefde en dankbaarheid is tot op de dag van vandaag bewaard gebleven.’

Wat een aangrijpend levenslot komt hier naar voren! We blikken in een diepe verbondenheid tussen een leerling en een leraar, tussen een kind en een zeker nog jonge persoonlijkheid wiens hoogtepunt van het leven nog lang niet bereikt was en dat nu zo plotseling en abrupt eindigt. Je kunt duidelijk ervaren dat er tussen leerling en leraar een diepe lotsverbondenheid bestaat. Juist in die levensfase van deze individuele ontvankelijkheid, van een sterker actief wordende persoonlijkheidskracht, valt het jaar waarin de jonge Werner deze bijzondere opvoeder als leraar krijgt. Wanneer Sponholz de opvoeding op zich neemt, is Werner 11½, wanneer hij door zelfmoord omkomt, een jaar ouder. Hoe diep moet een zo ingrijpende slag van het lot in het kindergemoed zijn binnengekomen, hoe niet te doven zo’n jeugdherinnering in de ziel gebrand.

Het beeld van deze bijzondere opvoeder wordt compleet wanneer je hoort hoe het met de opvoeding van de jongen en zijn broers verder ging. Siemens bericht daarover het volgende:

‘De opvolger van Sponholz was een oudere heer, die lang bij de adel de plaats van huisleraar ingenomen had. Hij was bijna in alles het tegendeel van zijn voorganger. Zijn opvoedingssysteem was heel formeel. Hij eiste allereerst dat wij gehoorzaam waren en ons netjes gedroegen. Jeugdige onstuimigheid stond hem tegen. De voorgeschreven uren moesten we opletten en ons werk doen; netjes met hem meelopen op de wandelingen en hem buiten schooltijd niet lastig vallen. De oude man was ziekelijk en stierf binnen twee jaar bij ons thuis aan longontsteking. Op ons was zijn invloed niet stimulerend en vormend; en zonder de invloed die Sponholz op ons had gehad, zouden de jaren voor mij en mijn broer Hans nutteloos verlopen zijn. Door Sponholz waren bij mij de wil om mijn plicht te doen en ijverig te leren vast verankerd en ik liet me niet in de war brengen en omgekeerd me niet door de leraar meeslepen.’

Wij zien aan deze schets wat een uitstekende leraar in een tijdsbestek van maar een jaar voor onuitwisbare invloed kan hebben op de kinderziel. Die kan zo diep ingrijpend, zo diep geworteld zijn dat ze alle schade en tekortkomingen van het onderwijs overleven en overstralen kan. Dat is een van de vele aspecten die we uit  deze tweede levensfase van Werner von Siemens kunnen leren kennen.

Wij wilden met deze voorbeelden laten zien, wat voor bron van lering, van aanzet, van waarneming van de meest subtiele levenswetten zo’n zelf beschreven levensweg kan zijn.
Daarbij hebben wij nog helemaal niet genoemd hoe leerzaam het hele leven van deze grote uitvinder met zijn reeks ontdekkingen voor pedagogen kan zijn. Het geschiedenisonderwijs van de 19. eeuw, de economische geschiedenis, de geschiedenis van de uitvindingen, van de techniek enz. kan het vertellen van zo’n biografie aanzienlijk rijker maken. Ook valt er te denken aan een natuurkundeleraar die mechanica geeft of een scheikundeleraar die deze stof eens tot zich neemt om te ervaren wat hij daarvan aan zijn leerlingen mee wil geven. Daar zal veel stimulans vanuit kunnen gaan.

Het was ons er vooral om te doen zo veel als mogelijk sprekend bewijs te leveren hoe de wet van de metamorfose in het leven van de mens werkt.

 

*Dat gebeurt; en kan ook gebeuren met bv. de inhoud van een fabel

[1] GA 294/112  
Vertaald/117

 

Alle biografieën

Rudolf Steiner: over vertellen

Vertelstof: alle artikelen

 

683-624

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over kinderbespreking (1-2)

.

In ‘Rudolf Steiner over kinderbespreking (1-1) zette ik een aantal uitspraken bij elkaar waarin Steiner nadrukkelijk spreekt over het kind als ‘een raadsel’ dat de pedagoog, en in zonderheid de vrijeschoolleraar, moet oplossen.

Je staat tegenover een ‘kunstwerk’ waarover je iets zinnigs wil zeggen. Je staat tegenover een kind, een volstrekt uniek wezen. En van hem of haar zou je dan het wezenlijke moeten kunnen zeggen.

Dit is zonder twijfel de moeilijkste taak van het vrijeschoolleraarschap. 

Wanneer we boven een nest jonge katjes staan, zal niemand zich afvragen wat ze worden. Het worden grote poezen en daarna oude katten.

Wie boven een wieg staat gebogen met daarin een pas geboren mensenkind, kan zich wél de vraag stellen. ‘Wat zal er uit jou worden’. (Als taalexpressie heel mooi: ‘uit jou’, dat impliceert dat er ook iets ‘in jou’ verborgen is – aanleg moet zijn aangelegd.) Het antwoord: groot en oud, zoals bij poes, gaat hier niet op. Dat interesseert ons niet bij de gestelde vraag – dit is vanzelfsprekend. Het gaat ons om het unieke dat zich tijdens dit groter en ouder worden zal manifesteren.

Om de levensloop. Om de biografie.

Voor Rudolf Steiner begint de levensloop niet met de geboorte, d.w.z. wel de levensloop op aarde, maar deze gezien als een zichtbaar worden van een levensloop die zich deels ook afspeelt in een geestelijke wereld – de fase vóór de geboorte en na de dood. Zie o.a. ‘Algemene menskunde” [1-6] en [1-10]

Hij noemt geboren worden op aarde, een sterven voor de geestelijke wereld; een sterven op aarde, een geboren worden in de geestelijke wereld.

Hij beschrijft hoe de ongeboren of gestorven ziel in de niet-aardse wereld ook een ontwikkeling doormaakt, waaraan geestelijke wezens  ‘meewerken’, tot de ziel weer rijp is op aarde zich te verbinden met een lichaam, d.w.z. geboren wordt.

Vanuit dit perspectief houdt Steiner de opvoeder wel eens voor dat deze eigenlijk het werk van de ‘goden’ op aarde voortzet wanneer hij het kind verder grootbrengt.

In bevlogen woorden noemt hij dit soms ‘een heilíg werk’, een soort ‘godsdienst’. 

En hoewel van dit gevoel niet veel zichtbaar is wanneer je in een oefenuur het gelijknamig maken van breuken nog eens goed moet repeteren, geven deze gezichtspunten in de diepere lagen van de ziel een bepaalde stemming, toch een soort schroom in de benadering van het kind als het erom gaat zijn wezen te doorgronden.

Wenn wir uns bloß sagen: wir wollen das heranerziehen, was in der Zukunft da sein soll – dann nehmen wir keine Rücksicht darauf, daß die Menschenwesenheit so beschaffen ist, daß jedes Kind rätselhaft von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr durch das Gewebe des Leibes das offenbart, was sich entwickelt hat im vor­geburtlichen, beziehungsweise vor der Empfängnis liegenden Le­ben.
Aber nimmt man das nicht dazu, betrachtet man den Menschen so, wie es die heutige Anthropologie tut, nur in seinen Äußerungen zwischen Geburt und Tod, so hat man es nicht mit dem vollständigen Menschen zu tun, sondern nur mit einem Stück des Menschen, und dieses Stück des Menschen kann man aus dem Grunde nicht erziehen, weil man sich hinstellt vor das werdende Kind und etwas erziehen will, wovon man nichts weiß.
Es wollen die Eigenschaften heraus, die sich entwickeln wollen nach Maßgabe dessen, was vorgeburtlich ist; aber man nimmt keine Rücksicht darauf. Man löst nicht das Rätsel des Kindes, weil man keine Ahnung hat, was in dem Kinde drinnen steckt aus dem Leben vor der Geburt, und man löst das Rätsel des Kindes auch nicht nach der anderen Seite, weil man nicht weiß, was Werdeprinzip ist, was sich erst entwickelt, wenn es durch den Tod gegangen ist.

Wanneer we alleen maar zeggen: wij willen alleen aanbrengen wat nodig is voor de toekomst, dan houden wij er geen rekening mee dat het met het wezen mens zo is, dat ieder kind als een raadsel dag na dag, week na week, jaar na jaar lichamelijk tot uitdrukking brengt, wat zich ontwikkeld heeft in het leven voor de geboorte, in zekere zin voor de conceptie.
Maar betrek je dat er niet bij, bekijk je bij de mens zoals de tegenwoordige antropologie dat doet, alleen de uitingen tussen geboorte en dood, dan heb je niet de volledige mens voor je, maar slechts een deel en dit deel kun je in de grond der zaak niet opvoeden, omdat je je voor het wordende kind geplaatst ziet en iets wil opvoeden waarvan je niets weet.
Eigenschappen gaan zich manifesteren die zich willen ontwikkelen naar hun voorgeboortelijke aanleg; maar men houdt er geen rekening mee. Men lost het raadsel kind niet op, omdat men geen rekening houdt met wat er in het kind aanwezig is uit het leven voor de geboorte en men lost het raadsel kind ook niet op naar de andere kant, omdat men niet weet wat wording betekent, niet weet wat pas tot ontwikkeling komt wanneer men door de dood is gegaan.
GA 297 blz 32
Vertaald op deze blog/32

Der Erzieher, welcher im Sinne der Geisteswissenschaft sich Menschenkenntnis erwirbt, er blickt, indem er den werdenden Menschen vor sich hat, auf dasjenige hin, was aus dem Geiste her­aus diesen werdenden Menschen bildet. Er kommt mit seinen Bil­dungsmitteln diesem werdenden Menschen entgegen. Der im Sinne der Geisteswissenschaft wirkende Pädagoge hat nicht eine Pädago­gik im Auge, die, wie es heute normal ist, nach abstrakten Regeln einen Zögling heranbilden soll; für ihn ist der einzelne Zögling ein Rätsel. Für ihn ist dasjenige, was im einzelnen Zögling sich auslebt, etwas, das mit jedem Tag, mit jeder Stunde lebendig gelöst werden muß. Aber indem sich der Erzieher die Anschauung dieses leben­dig wirkenden Geistes im lebendig sich entwickelnden Menschen aneignet, nimmt er in sich eine Wirklichkeits-Erkenntnis auf, die nicht in Begriffen, nicht in abstrakten Gewohnheiten bleibt, sondern die seinen Willen mit Geistigkeit durchdringt. Er wird wirklich eine Erkenntniskraft entwickeln können, er wird ein Erkenntnisweiser, und er wird daraus eine Pädagogik entwickeln, die unmittelbar Leben ist, weil sie aus Menschenkenntnis, aus der Erkenntnis des vollen, ganzen Menschen hervorgeht.

De opvoeder die op de manier van de geesteswetenschap kennis over de mens heeft ontwikkeld, kijkt, wanneer hij de wordende mens voor zich heeft staan naar hetgeen vanuit de geest deze wordende mens vormt. Hij komt met zijn ontwikkelingsmogelijkheden deze wordende mens tegemoet. De pedagoog die op basis van de geesteswetenschap werkt, heeft geen pedagogie op het oog die, zoals tegenwoordig gangbaar is, volgens abstracte regels een kind moet ontwikkelen; voor hem is het individuele kind een raadsel. Voor hem is hetgeen in het individuele kind zich manifesteert, iets dat iedere dag, ieder uur op een levendige manier opgelost moet worden.
Wanneer de leerkracht zich het waarnemen van de actief werkende geest in de zich actief ontwikkelende mens eigen maakt, neemt hij een realiteit van de werkelijkheid in zich op die niet in begrippen, niet in abstractie gewoontes blijft hangen, maar die zijn wil met geestkracht doordringt. Hij zal dit vermogen van kennen werkelijk kunnen ontwikkelen; hij wordt een professional in het kennen en hij zal een pedagogie ontwikkelen die regelrecht leven is, omdat deze uit mensenkunde*, uit het kennen van de totale mens komt.
GA 297 blz 136
Vertaald op deze blog/136

[Menschen(er)kenntnis = menskunde, maar tevens mensenkennis, het valt bij Steiner vaak samen, ool omgekeerd.]

Diejenigen aber, die an der Stutt­garter Waldorfschule Lehrer sind, die empfinden es, wie das, was im menschlichen physischen Organismus sich als Seelisch-Geistiges durch Blick, durch Physiognomie, durch das Wort, durch alles Mögliche offenbart, sich des Körpers bedient – der durchaus bei dieser Erziehung nicht vernachlässigt wird -, wie das herunterge­stiegen ist aus göttlich-geistigen Höhen und sich mit dem vereinigt hat, was ihm von Vater und Mutter in der Vererbungsströmung durch die Empfängnis beziehungsweise durch die Geburt geworden ist. Wer mit der Empfindung an das Kind herantritt: Es ist aus der geistigen Welt zu dir dieses Kind heruntergestiegen, du sollst sein Rätsel lösen von Tag zu Tag, von Stunde zu Stunde, – der hat in seinem Gemüte diejenige liebevolle Hingabe an die Entwicklung des Kindes, die notwendig ist, um dieses Kind durch alle möglichen Imponderabilien auf den Lebensweg zu geleiten.

Diegenen echter, die aan de Stuttgarter vrijeschool leerkracht zijn, ervaren hoe in het menselijk fysieke organisme de geest-ziel door de blik, door de fysionomie, door het woord, door al het mogelijke zich uitdrukt, zich van het lichaam bedient – dat ook zeker bij deze opvoeding niet verwaarloosd wordt – hoe deze (geest-ziel) uit goddelijk-geestelijke hoogten afgedaald is en zich hier met datgene verbonden heeft wat van hem door vader en moeder in de erfelijkheidsstroom door de conceptie, in zekere zin door de geboorte, geworden is. Wie met het gevoel het kind benadert: uit werelden van de geest is dit kind tot je gekomen – je moet zijn raadsel oplossen van dag tot dag van uur tot uur – die heeft in zijn gevoel die liefdevolle houding tot de ontwikkeling van het kind die nodig is om dit kind door alle mogelijke onzichtbare realiteiten op zijn levensweg te begeleiden.
GA 297A blz 150
Niet vertaald

Dit ‘uit werelden van de geest of ‘uit de geestelijke wereld’ enz wordt in veel scholen gezamenlijk door de leerkrachten gesproken als zij ’s morgens weer hun werk gaan beginnen.

Wij spraken er van tijd tot tijd over hoe moeilijk deze opgave eigenlijk is.
Op een morgen sprak mijn zeer gewaardeerde collega Ruud Venekamp de legendarische woorden, terwijl hij de spreuk ‘deed’ (die zeiden we toen in het Duits):  Du sollst    (s) EIN  Rätsel lösen…….
.

 Rudolf Steiner over kinderbespreking (1)

Rudolf Steiner over kinderbespreking (3)

Kinderbespreking: alle artikelen

.

596-547

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.