Tagarchief: Baäl

VRIJESCHOOL – Pasen (46)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

In onderstaand artikel wordt gepoogd de oorspronkelijkheid van het paasfeest te belichten en dit te vergelijken met hoe in de loop van de tijd dit paasfeest is geworden, of in de ogen van de schrijver: verworden.

H.W.Armstrong, World Wide Church of God
.

De opstanding vond niet op paaszondag plaats!

Pasen is geen christelijk feest, maar staat in verband met de aanbidding van de afgodische ,,koningin des hemels”. Hier volgt een uiteenzetting van de ware oorsprong en betekenis van de vastentijd, van paaseieren en kerkdiensten bij zonsopgang!

Waarom gelooft u de dingen die u gelooft, doet u de dingen die u doet?

Hoogstwaarschijnlijk hebt u zich nooit de tijd gegund uzelf deze vragen te stellen. Van kindsbeen af is u geleerd Pasen als het belangrijkste christelijke feest te aanvaarden.

U bent ervan uitgegaan dat het tot de ware christelijke religie behoort om de vastentijd, de „lijdensweek” en „goede vrijdag” in acht te nemen, om bij de bakker warme paasbroodjes te halen, paaseieren te verven, u netjes te kleden en op paaszondag naar de kerk te gaan — misschien zelfs een paasdienst bij zonsopgang bij te wonen!

Wegens het „kudde”-instinct van de mensen geloven velen veel dingen die niet waar zijn. Velen doen veel dingen die verkeerd zijn, in de veronderstelling dat deze dingen juist zijn, of zelfs geheiligd!

Isjtar, de heidense godin

Wat is de betekenis van Pasen? De Engelse naam van dit feest is „Easter” (dezelfde naam als het Duitse „Ostern”). Wat is de betekenis van deze naam? U bent er wellicht toe gebracht te veronderstellen dat het iets als „opstanding van Christus” betekent. Al 1600 jaar lang is de Westerse wereld geleerd dat Christus op zondagochtend uit de dood is opgestaan. Maar dit is slechts een der fabels waarvoor de apostel Paulus de lezers van het Nieuwe Testament waarschuwde. De opstanding geschiedde niet op zondag! 

De naam „Easter” is (evenals de Duitse naam voor Pasen, „Ostern”) een nauwelijks gewijzigde afleiding van de naam van de oude Assyrische en Babylonische godin Isjtar, aan ons overgeleverd door de oude Teutoonse mythologie. De Foenicische naam van deze godin was Astarte, maitresse van Baal, de zonnegod, wiens aanbidding door de Almachtige in de Bijbel openlijk wordt veroordeeld als de meest abominabele van alle heidense afgoderijen.

Als u de herkomst van „Easter” (of „Ostern”) nazoekt, vindt u steeds duidelijk de heidense oorsprong van deze namen aangegeven.

In de grote, vijfdelige Hastings Dictionary of the Bible worden slechts zes korte regels aan de naam „Easter” gewijd, omdat deze slechts eenmaal in de Bijbel voorkomt — en dan nog alleen in de King James-vertaling. Zegt Hastings: „Easter, gebruikt in Authorized Version als vertaling van ‘Pascha’ in Handelingen 12:4, ‘… willende na het paasfeest [„Easter”] hem voorbrengen voor het volk’. Revised Standard Version heeft het terecht vervangen door ‘the Passover’ [het Pascha].”

De apostelen hielden het Pascha

De World Almanac, editie 1968, p. 187, zegt: „In de tweede eeuw n.Chr. viel Pasen [„Easter Day”] bij de christenen in Klein-Azië [dat wil zeggen, in de Gemeenten te Efeze, in Galatië, enz. — de zogenaamde „heidense” gemeenten die door de apostel Paulus waren gesticht] op de 14e Nisan, de zevende maand van de Joodse [civiele] kalender.” Met andere woorden, op de 14e dag van de eerste maand van de heilige kalender, en het droeg toen niet de naam van de heidense godheid „Easter”, maar de bijbelse naam „Pascha”.

Pascha, de Dagen der Ongezuurde Broden, Pinksteren, en de andere heilige dagen die God voor eeuwig heeft ingesteld, werden alle gehouden door Jezus, en door de eerste apostelen, en door de bekeerde heidense christenen (Hand. 2:1; 12:3; 18:21, Statenvert.; 20:6, 16; 1 Kor. 5:7-8; 16:8). Pascha is een herdenking van de kruisiging van Christus (Lukas 22:19). Het Pascha, zoals dat werd gehouden door de vroege ware Kerk, viel op zondag noch op enige andere vaste dag van de week, maar op een kalenderdag van het jaar. De weekdag verschilt van jaar tot jaar.*

Pasen (Easter, Ostern) is een van de heidense dagen waartegen Paulus heidense bekeerlingen waarschuwde. Zij moesten niet tot de viering ervan terugkeren (Gal. 4:9-10).

Hoe is nu dit heidense feest een belijdende christenheid opgelegd? Dat is een verrassend verhaal — maar laten wij eerst eens letten op de ware oorsprong en aard van Pasen.

*Noot: Ons woord ‘Pasen’ is afgeleid van het griekse ‘Pascha’, dat op zijn beurt een vertaling is van het hebreeuwse ‘Pesach’ of ‘Pasach’. Pasen als feest heeft echter niets te maken met het bijbelse Pascha of Pesach.

De Chaldeeuwse oorsprong

Easter, aldus Alexander Hislop (The Two Babylons, p. 103), „draagt haar Chaldeeuwse oorsprong op het voorhoofd. Easter is niets anders dan Astarte, een der titels van Beltis, de koningin des hemels …”

De oude goden van de heidenen hadden veel verschillende namen. Werd deze godin door de Foeniciërs Astarte genoemd, zij verschijnt als Isjtar op Assyrische monumenten die door Layard bij opgravingen te Ninevé zijn gevonden (Austin H. Layard, Nineveh and Babylon, Vol. II, p. 629). Beide namen worden uitgesproken als ‘Isjtar’. Zo werd Bel tevens Molech genoemd. Het was wegens het offeren aan o.a. Molech (1 Kon. 11:1-11, in het bijzonder vers 7, waar Molech een gruwel wordt genoemd) dat Salomo door de Eeuwige werd veroordeeld, en het Koninkrijk Israël van zijn zoon afgescheurd.

In de oude Chaldeeuwse afgodische zonaanbidding, zoals die door de Foeniciërs werd bedreven, was Baal de zonnegod; Astarte was zijn gemalin of vrouw. En Astarte is dezelfde als Isjtar, of „Easter” (of „Ostern”).

Zegt Hislop: „Het feest, waarover we, onder de naam Pasen, in de Kerkgeschiedenis van de derde en vierde eeuw lezen, was een heel ander feest dan dat wat nu in de Roomse [en protestantse] Kerk wordt gevierd, en stond toentertijd niet bekend onder een naam als Pasen („Easter”). Het heette Pascha, of Pesach, en .. . werd reeds zeer vroeg door vele belijdende Christenen gevierd . .. Dat feest stemde oorspronkelijk overeen met de tijd van het Joodse Pascha, toen Christus werd gekruisigd .. . Dat feest was niet afgodisch, en er ging geen vastentijd aan vooraf” (The Two Babylons, p. 104).

Hoe komen wij aan de vasten?

„Niettemin dient u te weten”, schreef Johannes Cassianus in de vijfde eeuw, „dat zolang de vroege kerk haar volmaaktheid onaangetast hield, er geen viering van de vasten bestond” (First Conference Abbot Theonas, hoofdstuk 30).

Jezus hield geen vasten. De apostelen en de vroege ware Kerk van God hielden geen vastentijd. Waar vindt deze gewoonte dan zijn oorsprong?

„De veertig dagen onthouding van de vastentijd („Lent”) werd rechtstreeks overgenomen van de aanbidders van de Babylonische godin. Een dergelijke vastentijd van veertig dagen in het voorjaar wordt nog altijd in acht genomen door de Yezidis of heidense duivelaanbidders in Koerdistan, die het hebben geërfd van hun vroegere meesters, de Babyloniërs. Een dergelijke vastentijd van veertig dagen werd in de lente in acht genomen door de heidense Mexicanen . .. Een dergelijke vastentijd van veertig dagen werd in acht genomen in Egypte …” (The Two Babylons, pp. 104-105). In feite werd deze Egyptische vasten van veertig dagen uitdrukkelijk gevierd ter ere van Osiris, ook bekend als Adonis in Syrië en als Tammuz in Babylonië (John Landseer, Sabaean Researches, pp. 111, 112).

Beseft u wat er gebeurd is? De Almachtige God gebood zijn volk het Pascha voor eeuwig in acht te nemen! (Ex. 12:24.) Dit gebod werd gegeven toen de Israëlieten zich nog in Egypte bevonden, nog vóór het Oude Verbond en de Wet van Mozes! Het was een uitbeelding, vóór de kruisiging, van Christus’ dood ter vergeving van onze zonden, een type dat hiernaar vooruitzag. Bij zijn laatste Pascha wijzigde Jezus de symbolen, die werden gebruikt voor het bloed van een lam en het eten van het geroosterde vlees daarvan, in het brood en de wijn.

Jezus schafte het Pascha niet af — Hij bracht alleen een wijziging in de symbolen aan. Alle apostelen van Christus en ware christenen van de ware Kerk in de eerste eeuw hielden het op de 14e dag van de eerste maand van de heilige kalender. Nu is het een herdenking van Christus’ dood, waarbij jaar op jaar een herbevestiging plaatsvindt van het geloof van de ware christen in het bloed van Christus voor de vergeving van zijn of haar zonden, en in het gebroken lichaam van Christus voor zijn of haar fysieke genezing.

Maar wat is er gebeurd? Beseft u het? Alle Westerse naties zijn misleid tot het laten vallen van het feest dat God voor eeuwig heeft ingesteld als herdenking van de dood van de ware Verlosser voor onze zonden, en tot de vervanging ervan door een heidens feest ter herdenking van de valse „verlosser” en middelaar Baal, de zonnegod; een feest dat in sommige landen zelfs de naam draagt van de mythische Isjtar, de vrouw van Baal, maar in wezen niemand anders dan Semiramis, die zich uitgaf voor de vrouw van de zonnegod; zij is de afgodische „koningin des hemels”.

Dit is niet christelijk! Het is heidens tot in de kern!

Toch zijn talloze miljoenen misleid tot de viering van deze vorm van heidense afgoderij, in de waan dat zij dit doen ter ere van Jezus Christus, de Zoon van de Schepper God!

Pasen eert Christus niet! En toch, bent u niet geweest als een blind schaap dat aanliep achter de miljoenen anderen die deze gewoonte in acht nemen? „God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen” (Hand. 17:30).

Paaseieren

Wist u dat geverfde paaseieren eveneens een rol speelden in de riten van de oude Babylonische mysteriën, precies zoals in de tegenwoordige paasviering het geval is? Ja, ook paaseieren zijn heidens.
In The Mythology and Rites of the British Druids van Edward Davies staat op bladzijde 210, dat het ei het geheiligde symbool van de afgodische orde der oude Druïden was.
In veel oude beschavingen waren eieren heilig en vormden een onderdeel van godsdienstige ceremoniën.
James Bonwick schrijft: „In de Egyptische tempels werden eieren opgehangen. Bunsen vestigt de aandacht op het wereldei, het symbool van het vruchtbare leven, voortkomend uit de mond van de grote god van Egypte. Het mystieke ei van Babylon, waaruit de Venus Isjtar kwam, viel uit de hemel in
de Eufraat. Geverfde eieren waren in Egypte geheiligde paasoffers [„Easter offerings”], zoals ze dat nog altijd in China en Europa zijn. Pasen, of de lente, was het seizoen van geboorte, zowel aardse als hemelse” (Egyptian Belief and Modern Thought, pp. 211-212).
Waarom worden met Pasen eieren geverfd door mensen die van zichzelf vinden dat zij christen zijn? Denken zij dat de Bijbel deze heidense gewoonte heeft ingesteld of geboden? Er staat hierover geen woord in het Nieuwe Testament. Zeer beslist is Christus er niet mee begonnen, en evenmin hielden de apostelen of de vroege christenen zich ermee bezig! Waarom zou u het dan in deze tijd moeten doen? Waarom zou u het heidendom nalopen en onderwijl trachten uzelf ervan te overtuigen dat u christen bent? God noemt zulke dingen een gruwel!

Paasdiensten bij zonsopgang

Sommige mensen vinden een kerkdienst bij zonsopgang op Pasen zo prachtig. Luister! God toonde aan de profeet Ezechiël in een visioen de zonden van zijn volk — een profetie voor onze tijd! God zei tot Ezechiël: „Hebt gij dat gezien, mensenkind? Nog grotere gruwelen dan deze zult gij zien [Ezechiël had zojuist in een visioen de afgodendienst van het belijdende volk van God gezien]. Toen bracht Hij mij [in een visioen] naar de binnenste voorhof van het huis des Heren. En zie . . . tussen de voorhal en het altaar, waren ongeveer vijfentwintig mannen … met hun gezicht naar het oosten, en zij bogen zich in de richting van het oosten neer voor de zon. Hij zeide tot mij: Hebt gij dat gezien, mensenkind? Was het.. . nog niet genoeg om de gruwelen te doen, die zij hier bedrijven . . . ? Daarom zal Ik in grimmigheid met hen handelen. Ik zal niet ontzien en geen deernis hebben. Al roepen zij met luider stem aan mijn oren, toch zal Ik naar hen niet horen”! (Ezech. 8:15-18.) Ziet u om welke gruwel het hier gaat?
Precies dezelfde gruwel die elke paasochtend door miljoenen wordt bedreven: de kerkdienst bij zonsopgang — met het gezicht naar het oosten, waar de zon opkomt, eert men, in een kerkdienst, de zonnegod en zijn mythische, afgodische gemalin, de godin Isjtar. Misleid tot het geloof dat dit christelijk is, aanbidden miljoenen mensen ieder jaar met Pasen in precies dezelfde vorm de oude zonnegod Baal! In de hele Bijbel wordt dit onthuld als de meest gruwelijke van alle afgoderijen in de ogen van de Eeuwige Schepper!

Hoe Pasen in de kerk kwam

Dit is de oorsprong en vroege geschiedenis van Pasen.
Hoe is dit heidense feest nu in de officiële christelijke godsdienst geïnjecteerd ter vervanging van een instelling van God?
Alvorens in beknopte vorm het opzienbarende verslag van deze grote misleiding te onthullen, moeten eerst twee feiten goed in gedachten worden geprent.

Ten eerste, Jezus en de apostelen voorspelden, niet een algemene, wijdverspreide groei van de nieuwtestamentische Kerk, maar een afvallen van de waarheid door de grote meerderheid. In een profetie betreffende deze grote, algemene afval van het eenmaal overgeleverde geloof zei Paulus tot de Thessalonicenzen: „Het geheimenis [mysterie] der wetteloosheid is reeds in werking.” Dit was nauwelijks twintig jaar na het begin van de Kerk! Paulus doelde op dezelfde „Chaldeeuwse mysteriën” waarvan Pasen en Kerstmis de twee belangrijkste feesten zijn!

Ten tweede, ofschoon Jezus zei dat de poorten der hel nooit over zijn Kerk zouden zegevieren, wordt over haar in het Nieuwe Testament geprofeteerd dat zij slechts een „klein kuddeke” zou zijn — en nooit een grote, algemene volkskerk (Lukas 12:32). Dit zijn feiten die de wereld niet beseft!

Twee kerken: een valse en een ware

In de profetieën van het Nieuwe Testament komen twee kerken ter sprake. De ene kerk, een grote, machtige, universele kerk, een deel van de wereld, met haar politiek over vele naties heersend, en verenigd met het „Heilige Roomse Rijk”, wordt scherp in beeld gebracht in Openbaring 17.
Deze kerk wordt afgebeeld met grote pracht, met groot ritueel en vertoon, getooid in purper, scharlaken en goud — trots, werelds, arrogant. Zij wordt afgebeeld als een universele verleidster — alle Westerse naties zijn geestelijk dronken door haar valse doctrines; hun geestelijke waarnemingsvermogen is dermate door haar heidense leerstellingen en praktijken vertroebeld, dat zij niet in staat zijn duidelijk waarheid te onderscheiden! Zij pocht dat zij de ware Kerk is, maar zij is dronken van het bloed der heiligen die zij de marteldood heeft laten sterven!
Maar hoe kon zij, zoals in Gods Woord is voorspeld, de hele wereld misleiden? In elk geval is de protestantse wereld niet misleid!

Niet? Toch wel! Let goed op vers 5: het is een moederkerk! Haar dochters zijn ook kerken, die al protesterend van haar zijn uitgegaan, en zich daarom protestant noemen — maar in de grond zijn ze door heidense doctrine en praktijk met haar verwant! Ook zij maken zich tot onderdeel van deze wereld, en nemen actief deel aan haar politiek — precies het feit dat hun moeder tot „hoer” heeft gemaakt! Deze hele afvallige familie — een moeder met meer dan 400 dochterdenominaties, die onderling allemaal verdeeld zijn en doctrinair in verwarring verkeren, maar toch allemaal in de belangrijkste heidense doctrines en feesten zijn verenigd — heeft een familienaam! Zelf noemen zij zich „christelijk”, maar God noemt hen anders: „Geheimenis: het grote Babylon”!

„Babylon” betekent verwarring! God noemt mensen en dingen altijd volgens wat zij zijn! En wij zien hier dezelfde oude Babylonische mysteriën of geheimenissen, alleen nu onder de dekmantel „christendom” — in feite echter is het hetzelfde oude „Babylonische Mysteriën Systeem”. Maar waar was dan de ware Kerk?

De ware Kerk: klein en verstrooid

Is de ware Kerk van God, waarvan Jezus Christus het levende, leidinggevende Hoofd is, verdorven geworden — is zij vervallen tot het zojuist beschreven systeem? Beslist niet! De poorten der hel hebben nimmer over de ware Kerk van God gezegevierd, en zullen dat ook nooit! De ware Kerk is nooit gevallen! Zij heeft nooit opgehouden te bestaan!
Maar de ware Kerk van God wordt in de profetieën uitgebeeld als een „klein kuddeke”! Het Nieuwe Testament beschrijft deze Kerk als voortdurend vervolgd, en veracht door de grote volkskerken, omdat zij niet van deze wereld of haar politiek is, maar zichzelf onbevlekt van de wereld houdt! Zij heeft altijd de Geboden van God en het geloof van Jezus bewaard (Openb. 12:17). Zij heeft Gods Feestdagen gevierd, niet de heidense feestdagen. Zij is altijd van kracht voorzien door de Geest van God! Deze Kerk werd nooit de grote volkskerk in Rome, zoals de protestantse wereld meent! Deze Kerk heeft altijd bestaan, en bestaat ook vandaag! Waar ging zij dan heen? Waar was zij in de Middeleeuwen? Waar bevindt zij zich vandaag?
Houd steeds in gedachten dat deze Kerk nooit groot is geweest, nooit politiek krachtig, nooit een wereldbekende organisatie van mensen. Het is een geestelijk organisme, geen politieke organisatie. Zij is samengesteld uit allen van wie hart en leven door de Geest van God zijn veranderd, hetzij zichtbaar bijeengekomen, hetzij als verspreide individuen.
Gehinderd door voortdurende vervolging en tegenstand van de georganiseerde machten van deze wereld, is het moeilijk voor deze mensen om in een verenigd en georganiseerd verband bijeen te blijven.
Daniël profeteerde dat het ware volk van God zou worden verstrooid (Dan. 12:7). Ezechiël voorspelde het (Ezech. 34:5-12). Jeremia eveneens (Jer. 23:1-2). Jezus voorspelde het (Matth. 26:31). De apostolische Kerk werd al spoedig door vervolging verstrooid (Hand. 8:1).

Onbekend in de geschiedenis

In de seculiere geschiedschrijving van deze wereld zult u niet veel over dit ware Lichaam van Christus aantreffen! De wereld slaat weinig acht op, en herinnert zich niet lang, de activiteiten van deze „kleine kudde”, die door de wereld wordt gehaat en geminacht, die door vervolging de wildernis is ingedreven, die altijd met tegenstand heeft te kampen en meestal is verstrooid! Maar er zijn in authentieke geschiedenissen genoeg verwijzingen naar haar die aantonen dat zij door alle eeuwen heen tot op vandaag is blijven voortbestaan!
De profetieën geven van deze Kerk een scherp beeld in het 12e hoofdstuk van Openbaring. Daar wordt zij getoond in haar geestelijke toestand, in de glorie en pracht van de Geest van God, maar in de wereld zichtbaar als een vervolgde Kerk, die de Geboden houdt, en die gedurende 1260 jaar, de hele Middeleeuwen, naar de wildernis was verdreven!
Reeds in Paulus’ tijd begon een groot aantal van degenen die te Antiochië, te Jeruzalem, te Efeze, te Korinthe en op andere plaatsen de diensten bezochten, afvallig te worden en zich van de waarheid af te wenden. Er ontstond verdeeldheid. Degenen die niet bekeerd waren, of zich van Gods waarheid en levenswijze hadden afgekeerd, maakten geen deel uit van Gods ware Kerk, ook al kwamen zij fysiek bijeen met hen die dat wel waren. Binnen deze zichtbare gemeenten was „het geheimenis der wetteloosheid” reeds in werking. Deze afval werd steeds groter! Rond het jaar 125 n.Chr. zette de meerderheid in de meeste gemeenten, in het bijzonder in die van heidense afkomst, vele van hun oude heidense geloofsstellingen en praktijken voort, hoewel zij beleden christelijk te zijn! Langzamerhand bleef een steeds slinkend deel van de zichtbare kerken die als „christelijk” bekendstonden, werkelijk aan God en zijn waarheid trouw. Nadat Constantijn in het begin van de vierde eeuw het beheer van de zichtbare, officiële Kerk in handen had genomen, werd deze zichtbare organisatie vrijwel totaal heidens, en begon allen die zich aan het ware Woord van God hielden te excommuniceren en te vervolgen! Tenslotte waren de ware christenen, die als enigen, zelfs als verstrooid volk, de ware christelijke Kerk vormden, gedwongen het rechtsgebied van Rome te ontvluchten teneinde God waarlijk te kunnen vereren! Aldus werd de zichtbare, georganiseerde Kerk, die zeer machtig werd, de valse Kerk — „de Grote Hoer” van Openbaring 17.

Geïnjecteerd in de Kerk

Niets illustreert dit feit levendiger dan de daadwerkelijke geschiedenis van het injecteren van Pasen in de Westerse Kerk.

Hier volgt in het kort deze geschiedenis, zoals die wordt weergegeven door de Encyclopaedia Britannica (11e editie, Vol. VIII, pp. 828-829):

„Er is geen indicatie voor de viering van het Paasfeest [„Easter”] in het Nieuwe Testament of in de geschriften van de Apostolische Vaders . . . De eerste christenen [de oorspronkelijke ware Kerk] bleven de joodse [d.w.z. Gods] feestdagen in acht nemen, ofschoon in een nieuwe geest, als herdenking van gebeurtenissen waarvan deze feestdagen een voorafschaduwing waren geweest. Aldus bleef men het Pascha vieren, verrijkt met een nieuw begrip, dat van Christus als het ware Paschalam en als de eerste vrucht uit de dood.
„Ofschoon de viering van Pasen [„Easter”] reeds vroeg in de praktijk van de Christelijke Kerk werd opgenomen, rees er spoedig aangaande de dag waarop de viering diende plaats te vinden een ernstig verschil van mening tussen de christenen van joodse en die van heidense afkomst, hetgeen tot een lange en. bittere controverse heeft geleid. Bij de joodse christenen … eindigde de vasten … op de 14e dag van de maan in de avond . .. ongeacht de dag van de week. De heidense christenen daarentegen [d.w.z. het begin van de Kerk van Rome, die heidense in de plaats van ware christelijke doctrines stelde] … koppelden de eerste dag van de week aan de opstanding, en hielden de voorafgaande vrijdag als de herdenking van de kruisiging, ongeacht de dag van de maand.
„In het algemeen gesproken hielden de Westerse [Katholieke] Kerken Pasen op de le dag van de week, terwijl de Oosterse Kerken [voor een deel bestaande uit hen die deel bleven uitmaken van de ware christelijke Kerk] de joodse regel volgden. [Dat wil zeggen, zij hielden het Pascha op de 14e dag van de eerste heilige maand in plaats van het heidense Paasfeest.]
„Polycarpus, de discipel van Johannes de Evangelist, en bisschop van Smyrna, bezocht in 159 [sic] Rome om met Anicetus, de bisschop van dat bisdom, over dit onderwerp te spreken, en drong aan op de traditie die hij van de apostelen had ontvangen om de 14e dag in acht te nemen. Anicetus wees dit echter af. Ongeveer veertig jaar later (in 197) werd de kwestie in een heel andere geest besproken tussen Victor, bisschop van Rome, en Polycrates, aartsbisschop van het proconsulaire Azië [het gebied van de gemeenten te Efeze, Galatië, Antiochië, Filadelfia, en de andere die in Openbaring 2 en 3 worden genoemd — de gemeenten die door de apostel Paulus waren opgericht]. Deze provincie was het enige gebied van het Christendom waar men nog aan het joodse gebruik vasthield. Victor eiste dat iedereen het gebruik dat te Rome in zwang was zou overnemen. Polycrates weigerde vastberaden hiermee in te stemmen, en droeg vele gewichtige redenen aan voor het tegendeel, waarop Victor stappen ondernam om Polycrates en de Christenen die zich aan het Oosterse gebruik bleven houden [d.w.z. die op Gods weg bleven, zoals Jezus, Petrus, Paulus en de hele vroege ware Kerk] te excommuniceren. Van daadwerkelijke maatregelen om het decreet van excommunicatie op te leggen werd hij echter [door andere bisschoppen] weerhouden … en de Aziatische gemeenten handhaafden ongehinderd hun gebruik. Van tijd tot tijd deed het joodse [ware christelijke Pascha] gebruik zich nadien opnieuw gelden, maar nooit in zeer grote mate.

„Een definitieve regeling van het dispuut was een der redenen die Constantijn ertoe bewoog in 325 het Concilie van Nicea bijeen te roepen. Toentertijd waren de Syriërs en de Antiochiërs nog de enige verdedigers van de viering op de 14e dag. De beslissing van het concilie was unaniem dat Pasen [„Easter”] op zondag gehouden moest worden, en wel in de gehele wereld op dezelfde zondag, en dat ‘niemand voortaan de verblindheid der Joden mocht navolgen’. [Dat wil in duidelijke taal zeggen, dat de Kerk van Rome besliste dat het niemand was toegestaan de weg van Christus te volgen — de weg van de ware christelijke Kerk!]
„ … De weinigen die zich naderhand afscheidden van de eenheid van de kerk [van Rome], en zich aan de 14e dag bleven houden, werden ‘Quartodecimani’ genoemd, en het geschil zelf staat bekend als de ‘Quartodecimaanse controverse’.”

Zo ziet u hoe de politiek georganiseerde kerk te Rome tot grote omvang en macht uitgroeide door het overnemen van populaire heidense praktijken, en hoe zij langzamerhand de ware leer, doctrines en praktijken van Christus en de ware Kerk, voor wat betreft de collectieve uitoefening ervan, uitroeide.

De eerste historische verslagen

De vroege Kerk van God in nieuwtestamentische tijden werd geleerd dat Jezus drie dagen en nachten in het graf doorbracht — dat Hij aan het eind van de derde dag na de kruisiging opstond. De kruisiging vond plaats op woensdag 25 april, 31 n.Chr.
Het Pascha werd jaarlijks gevierd, op de avond van Christus’ dood, op 14 Nisan van Gods heilige kalender. Deze nieuwtestamentische praktijk vond in het Westen algemeen navolging tot kort na de dood van de apostel Johannes. In het Oostelijke Romeinse Rijk bleef de juiste praktijk veel langer voortbestaan.

Nu volgt wat er in het Oosten gebeurde!
Halverwege de tweede eeuw n.Chr. vond er een kalenderwijziging plaats, waarna allerlei nieuwe ideeën in de officiële christelijke wereld werden geïntroduceerd. De ware christenen die Jeruzalem waren ontvlucht „bleven de joodse cyclus gebruiken [d.w.z. Gods methode om volgens de heilige kalender het Pascha te berekenen], totdat de bisschoppen van Jeruzalem die uit de besnijdenis waren, werden opgevolgd door andere die niet uit de besnijdenis waren [onbekeerde heidenen — en] … zij begonnen andere cyclussen uit te denken” (Bingham, Antiquities of the Christian Church, p. 1152).
Dezelfde schrijver vervolgt: „Wij zien dat in deze tijd [midden tweede eeuw] de joodse rekenwijze [bepaald door Gods kalender die de Joden nauwgezet hadden bewaard] algemeen werd verworpen door de… kerk, en toch werd er geen zekere kalender voor in de plaats gesteld . ..”
Op deze wijze werd het Pascha — soms het Laatste Avondmaal of de Eucharistie genoemd — langzaam maar zeker verworpen.

Het Laatste Avondmaal op zaterdag!

Vergeet niet dat tot op die tijd de Gemeenten van God algemeen wisten dat Jezus na drie dagen was opgestaan — op zaterdagavond vlak voor zonsondergang.
Met de afwijzing van Gods heilige kalender begonnen velen in de officiële christelijke wereld te doen wat hun juist scheen. Niet alleen begonnen zij de jaarlijkse datum van het Pascha verkeerd te berekenen, maar in het Oosten begonnen zij het Pascha zelfs wekelijks te houden, op zaterdag, de sabbat! Hier is het bewijs:
Gedurende meer dan 200 jaar was deze gewoonte algemeen gebruikelijk in de Oosterse kerken. De kerkhistoricus Socrates schreef in zijn Ecclesiastical History, boek V, hoofdstuk 22: „Terwijl derhalve sommigen in Klein-Azië de bovengenoemde dag hielden [hij bedoelt dat sommigen het Pascha evenals de apostelen op de 14e Nisan bleven vieren], hielden anderen dit feest inderdaad op de Sabbat. ..” Met „sabbat” bedoelen alle vroege schrijvers de zaterdag!

Deze gewoonte om „het Laatste Avondmaal” op zaterdag te houden was zo algemeen dat hij vervolgt: „Want hoewel bijna alle kerken in de gehele wereld de heilige mysteriën op de sabbat van iedere week vieren, zijn desalniettemin de christenen van Alexandrië en in Rome, ter wille van een of andere oude traditie, hiermee opgehouden.”

Ziet u de werkelijke betekenis van dit citaat?

Het Pascha werd van een jaarlijkse herdenking van de dood van Christus getransformeerd in een wekelijkse herdenking van zijn opstanding, die op zaterdag plaatsvond. Deze wekelijkse „pascha’s” werden „de heilige mysteriën” genoemd. Een van deze oude mysteriën was Pasen (het feest van Easter).

Dit Pasen (Easter) viel niet plotseling uit de lucht. Het sloop langzaam binnen, onder het mom van een christelijk gebruik.

Velen hielden zich nog altijd trouw aan de praktijk van de oorspronkelijke ware Kerk. Anderen begonnen elke zaterdag „de heilige mysteriën” te houden, ter ere van, zo dachten zij, de opstanding van Jezus Christus. Maar hoe nu zouden de valse leraars de wetenschap dat Jezus drie dagen en drie nachten in het graf lag veranderen?

De „Goede Vrijdag-Paaszondag”-traditie

Laten wij hier goed bij stilstaan! Door de Syriac Didascalia, samengesteld kort voor de tijd van Constantijn, hebben wij een verslag van wat er in die vroege dagen plaatsvond. Valse leraars begonnen de drie dagen en drie nachten op de volgende handige manier te interpreteren:
Zij beweerden dat Jezus, volgens hen op vrijdag, gedurende ongeveer zes uur aan het kruis heeft geleden. De uren daglicht van negen uur ’s morgens tot twaalf uur ’s middags telden zij als één dag. De uren van twaalf tot drie ’smiddags (toen het land verduisterd was) rekenden zij als de eerste nacht. Vervolgens werd de tijd van drie uur ’s middags tot zonsondergang gerekend als de tweede dag. De nacht van vrijdag op zaterdag werd de tweede nacht; zaterdag overdag de derde dag; en de nacht van zaterdag op zondag de derde nacht.
Een buitengewoon handige redenering — en een zeer groot aantal mensen werd erdoor misleid! Deze valse dienaren verdraaiden de waarheid dat Jezus gedurende de tijd van drie dagen en drie nachten in het graf was.

Zo werd het idee van een opstanding op zondag voor het eerst in de kerken geïnjecteerd. Zie nu wat er verder gebeurde.

Paaszondag begint te Rome eerder

Sprekend over degenen die het Pascha niet waarnamen in overeenstemming met de praktijk van de apostelen schreef Irenaeus, die aan het einde van de tweede eeuw leefde, aan bisschop Victor van Rome: „Wij bedoelen Anicetus, en Pius, en Hyginus, en Telesphorus, en Xystus. Zij hielden het [het ware Pascha op de 14e Nisan] niet, en stonden het degenen na hen ook niet toe” (Nicene and Post-Nicene Fathers, Vol. I, p. 243).
Wie waren deze mannen? Bisschoppen van de kerk te Rome! Dit is het eerste verslag, door een Katholiek, van het feit dat de Romeinse bisschoppen niet langer het Pascha op de juiste door God gegeven tijd hielden, maar op zondag!
Het was bisschop Xystus (ook wel gespeld als Sixtus) van wie als eerste wordt getuigd dat hij de juiste viering van het Pascha verbood, en dat hij jaarlijks op zondag de heilige mysteriën vierde. Irenaeus verklaart voorts over hem dat zijn leer in directe „tegenstelling” was met de praktijk van de rest van de kerken. Bisschop Sixtus leefde aan het begin van de tweede eeuw, niet lang na de dood van de apostel Johannes.

Let er tevens op dat de paaszondagtraditie niet in de jaren 60 n.Chr. met Petrus of Paulus begon, maar in de tweede eeuw met Sixtus!
Dit is de verbazingwekkende oorsprong van paaszondag in de Westerse kerken. Naast deze praktijk werden „de heilige mysteriën” eveneens iedere zondag gevierd!

De Romeinen verdeeld

Vanzelfsprekend verdeelde de invoering van deze gewoonte de christenen te Rome. De katholieke historicus Abbé Duchesne schreef: „Er waren in Rome destijds vele christenen uit Azië [de Kerk van God te Rome was immers gesticht door mensen uit Klein-Azië, waar Paulus predikte] en de eerste pausen, Xystus en Telesphorus, zagen dat zij ieder jaar hun Pasch [het ware Pascha] hielden op dezelfde dag als de Joden. Zij hielden in stand wat juist was. Het werd hun toegestaan … hoewel de rest van Rome een ander gebruik hield” (The Early History of the Church, Vol. I, p. 210).

Dit zijn opzienbarende feiten, maar ze zijn waar! Het is tijd dat wij ervan op de ‘hoogte zijn!

Irenaeus schreef nog meer inzake de viering van Pasen in Rome en elders: „Maar Polycarpus was bovendien niet alleen door de apostelen geïnstrueerd, en kende velen die Christus hadden gezien, maar hij was ook door de apostelen in Azië benoemd tot bisschop van de Kerk van Smyrna.. . Ook was hij in Rome ten tijde van Anicetus [bisschop van Rome, 155-166 n.Chr.] en hij zorgde ervoor dat velen zich afwendden van de . . . ketterijen tot de Kerk van God, door te verkondigen dat hij deze ene en zuivere waarheid van de apostelen had ontvangen …” Tijdens zijn verblijf in Rome besprak Polycarpus met de Romeinse bisschop de zaak omtrent Pasen.
Irenaeus vervolgde: „Want Anicetus kon Polycarpus er niet van overtuigen het [het Pascha] niet te vieren, omdat deze het altijd had gevierd tezamen met Johannes, de discipel van onze Heer, en met de rest van de apostelen met wie hij in contact stond; en evenmin overtuigde Polycarpus Anicetus ervan het wel te vieren, die zei dat hij gebonden was de gewoonten van de presbyters vóór hem na te volgen” (Eusebius, Ecclesiastical History, boek V, hoofdstuk 24; in: Nicene and Post-Nicene Fathers, Vol. I, p. 244).

Vals visioen

Kort na het vertrek van Polycarpus verscheen er een verbazingwekkende brief — volgens vele geleerden een opzettelijke vervalsing. In deze brief wordt gezegd: „Paus Pius, die rond 147 leefde, maakte een decreet, dat de jaarlijkse plechtigheid van het Pasch [het Griekse woord voor Pascha] gehouden moet worden op de dag des Heren [zondag] en als bevestiging hiervan beweerde hij dat Hermes [Hermas], zijn broer, die destijds een voorname leraar bij hen was, deze instructie had ontvangen van een engel, die gebood dat alle mensen het Pasch op de dag des Heren moeten houden” (Joseph Bingham, Antiquities of the Christian Church, pp. 1148-1149).
Over deze zelfde mystificatie lezen wij in Apostolical Fathers van James Donaldson, pagina 324: „Een van de brieven verzonnen namens Pius, waarvan ene Hermas [Hermes] als auteur wordt genoemd; en er wordt gesteld dat er in zijn boek door middel van een engel een gebod werd gegeven om het Pascha op zondag te vieren.”
Als deze brief een opzettelijke vervalsing was, was hij verzonnen na de tijd van Polycarpus in een poging gewicht te geven aan de gewoonte van Anicetus, de bisschop van Rome, die de zondagse viering van de Eucharistie of het Pascha handhaafde. Was het geen vervalsing, dan was Pius zelf de auteur van deze misleidende brief. (Pius overleed kort voor het bezoek van Polycarpus aan Rome.)

Constantijn — de man met macht

Vervolgens riep Constantijn het eerste algemene concilie van de officieel christelijke wereld bijeen. Het Concilie van Nicea besloot, op zijn gezag, dat Pasen op zondag moet worden gevierd en dat het Pascha moet worden verboden!
Ongeacht deze beslissingen bleven velen getrouw. Daarom vaardigde Constantijn een edict uit waarin werd verklaard: „Wij hebben dienovereenkomstig opdracht gegeven dat u alle gebouwen waarin u uw bijeenkomsten pleegt te houden zullen worden ontnomen . .. hetzij openbare hetzij particuliere” (Life of Constantine, boek III).

Pasen nog steeds op verschillende zondagen

Ofschoon iedereen nu was gedwongen Pasen te vieren dan wel de stedelijke gebieden van het Romeinse Rijk te ontvluchten, waren de kerken nog altijd verdeeld over de precieze zondag voor Pasen. Zie hoe groot de verwarring werd:

„Maar niettegenstaande alle pogingen die toen of later in het werk werden gesteld, bleven gedurende vele eeuwen hierover grote verschillen in de kerk bestaan. Want de kerken in Groot-Brittannië en Ierland stemden niet overeen met de Romeinse kerk wat het vieren van Pasen op dezelfde zondag betreft, tot ongeveer het jaar 800. Evenmin werd in Frankrijk de Romeinse wijze volledig geaccepteerd, totdat het daar door het gezag van Karei de Grote werd geregeld …” (Bingham, Antiquities of the Christian Church, p. 1151).

Dit zijn verbazingwekkende feiten — maar zij zouden uw ogen voor de waarheid moeten openen! Het is hoog tijd dat wij precies vernemen wat er de afgelopen 1900 jaar is gebeurd met het Evangelie van Jezus Christus en met de gebruiken van de nieuwtestamentische Kerk van God.

Ware christenen hielden het Pascha

Het Nieuwe Testament openbaart dat Jezus, de apostelen en de nieuwtestamentische Kerk, zowel degenen van Joodse als zij van heidense geboorte, Gods sabbatten en Gods feestdagen hielden — de wekelijkse en de jaarlijkse! Lees met aandacht Handelingen 2:1; 12:3-4 (denk eraan dat het woord ‘paasfeest’ hier een onjuiste vertaling is en dat het het oorspronkelijk geïnspireerde ‘Pascha’ dient te zijn); 18:21, Statenvert.: 20:6, 16; 1 Korinthe 16:8.
Eusebius, historicus van de vroege eeuwen van de Kerk, spreekt over de ware christenen die het Pascha vierden op de 14e Nisan, de eerste maand van de heilige kalender.
„In die tijd ontstond een kwestie van niet gering belang. Want de parochies in heel Azië, die van een oudere traditie zijn, beweerden dat de veertiende dag van de maan, op welke dag de Joden was geboden het lam te offeren, gehouden moest worden als het feest van het pascha van de Verlosser … de bisschoppen van Azië besloten, onder leiding van Polycrates, zich te houden aan het oude gebruik dat hun was overgeleverd. Zelf bracht hij, in een brief die hij aan Victor en de kerk van Rome richtte, de traditie die hem was overgeleverd in de volgende woorden naar voren:
„‘Wij houden de juiste dag; wij voegen niets toe, nemen evenmin iets weg. Want ook in Azië zijn grote lichten ingeslapen die zullen herrijzen op de dag van de komst van de Heer, wanneer Hij zal komen met de heerlijkheid van de hemel, en alle heiligen zal bijeenzoeken. Daaronder is Filippus, een der twaalf apostelen … en, bovendien, Johannes, die zowel getuige als leraar was, die heeft gerust aan de borst van de Heer … en Polycarpus in Smyrna, die bisschop was en martelaar; en Thraseas, bisschop en martelaar uit Eumenia … de bisschop en martelaar Sagaris … de gezegende Papirius, en Melito … zij allen hielden de veertiende dag van het pascha in overeenstemming met het Evangelie, in geen enkel opzicht afwijkend, maar in navolging van de regel van het geloof’ ” (Ecclesiastical History, boek V, hoofdstuk XXIII en XXIV).

Naarmate echter de valse, heidense kerk groeide in omvang en politieke macht, werden in de vierde eeuw decreten uitgevaardigd, waarin de doodstraf werd opgelegd aan christenen van wie werd ontdekt dat zij Gods sabbat of Gods feestdagen hielden. Tenslotte zijn vele christenen (die de ware Kerk vormden) om de ware weg van God te houden, gevlucht voor hun leven.

Maar een ander groot deel van de ware Kerk van God, dat er niet in slaagde te vluchten, maar toch trouw aan Gods waarheid bleef, betaalde met hun leven in een marteldood (Openb. 2:13; 6:9; 13:15; 17:6; 18:24). Gehoorzaamheid aan God hadden zij meer lief dan hun leven. U ook?
Maar gedurende alle generaties, gedurende iedere eeuw hielden vele ware christenen, al werden zij vervolgd, verstrooid, en niet door de wereld erkend, de ware Kerk van God in leven — de Kerk die is samengesteld uit degenen die de heilige Geest van God bezitten.

Wat God heeft geboden

De „communie”, ook wel genoemd „het heilig Avondmaal”, is in wezen het Pascha — zoals deze instelling meer terecht behoort te worden genoemd. Aangaande de viering van het Pascha, en iedere juiste praktijk, spoort Judas aan „tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is”.
Laten wij, nu wij de heidense oorsprong van de paasviering kennen, de wolk der onwetendheid verdrijven die hangt over de waarheid van het Pascha, de herdenking van Christus’ dood.
Laten wij nauwkeurig bestuderen op welke wijze Jezus deze instelling in acht nam; door zijn voorbeeld te volgen kunnen wij ons immers niet vergissen. In Lukas 22:14-20 lezen wij: „En toen het uur aangebroken was, ging Hij aanliggen … En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt.”

Let erop dat „het uur aangebroken was”, dat Jezus het ongezuurde brood en de wijn introduceerde. Het was op een bepaalde tijd — op een bepaald uur — dat Hij deze instelling hield als een voorbeeld voor ons.
Let er bovendien op dat Hij hun gebood het in acht te nemen: „Doet dit”! En waarom? „Tot mijn gedachtenis”, zei Jezus. Deze nieuwtestamentische wijze om het Pascha te houden stelde Hij in op die tragische avond, de avond voor zijn dood.

In het verslag van Mattheüs toont de Bijbel dat deze instelling plaatsvond op het tijdstip van het Pascha, „terwijl zij aten” (Matth. 26:2, 26). Jezus wist dat zijn tijd was gekomen. Hij was ons pascha, dat voor ons is geslacht (1 Kor. 5:7).
Het Pascha is altijd gehouden op de avond van de 14e van Gods eerste maand, volgens de heilige of joodse kalender. Het was tijdens de avond van de allerlaatste paschamaaltijd dat Jezus deze nieuwtestamentische symbolen — het ongezuurde brood en de wijn — introduceerde in plaats van het lam dat jaarlijks werd geslacht.
Vergeet niet dat Jezus gebood: „Doet dit tot mijn gedachtenis.” Waarom? Omdat het Pascha „voor altoos” was geboden.
Het Pascha moest, samen met de Dagen der Ongezuurde Broden, jaarlijks worden gevierd. „Gij zult deze inzetting onderhouden op haar vaste tijd, van jaar tot jaar” (Ex. 13:10). Jezus stelde ons een voorbeeld (1 Petr. 2:21), en Hij hield deze instelling eenmaal per jaar op dezelfde tijd (Lukas 2:41). Gesteld dat de Israëlieten in Egypte deze instelling op een andere dan de door God vastgestelde tijd hadden gehouden. Zij zouden dan niet zijn gered in die nacht dat de engel des doods door het land trok! God doet de dingen op tijd. Hij heeft ons voor deze instelling een precies tijdstip gegeven. Jezus stelde de nieuwtestamentische symbolen in „toen het uur aangebroken was”.

De instelling van nederigheid

In hun verslag beschrijven Mattheüs, Markus en Lukas het nemen van het ongezuurde brood en de wijn. Johannes vermeldt nog een ander onderdeel van deze instelling.
In het 13e hoofdstuk van Johannes zien wij dat Jezus onder de paschamaaltijd (vers 2), een doek nam (vers 4) en de voeten van zijn discipelen begon te wassen (vers 5).
„Toen Hij dan hun voeten gewassen had en zijn klederen aangedaan en weder plaats genomen had, zeide Hij tot hen: Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij noemt Mij Meester en Here, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. Indien nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb” (Joh. 13:12-15).

Als er iemand zich misschien afvraagt of deze instelling een gebod is dat ook voor hem geldt, laat hem dan Mattheüs 28:19 en 20 opslaan. Hier zegt Jezus tot dezelfde discipelen: „Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen … en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.” Zij moesten ons dus alle dingen die Jezus hun had geboden leren onderhouden!

Eenmaal per jaar gehouden in de apostolische Kerk

In 1 Korinthe 5:7 en 8 zegt Paulus tot de Korinthiërs: „Want ook ons [pascha]lam is geslacht: Christus. Laten wij derhalve [het] feest vieren, niet met oud zuurdeeg .. . maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.” En in het 11e hoofdstuk geeft hij aanwijzingen inzake deze instelling.
Sommige mensen begrijpen vers 26 verkeerd: „Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt . . .” Zij interpreteren dit alsof er staat: „Eet en drink het zo dikwijls gij maar wenst.” Maar dat staat er niet!
Er staat „zo dikwijls” gij dit onderhoudt, „verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt”. Ook Jezus gebood: „Doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis” (vers 25).

Wij doen dit ter nagedachtenis van de dood van Christus — als herdenking van zijn dood. Zoals u weet, worden herdenkingen jaarlijks gevierd, eenmaal per jaar, op de dag waarop de te herdenken gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Daarom onderhouden wij jaarlijks de herdenking van Christus’ dood. En even dikwijls als dat ieder jaar plaatsvindt moeten wij „de dood des Heren [verkondigen], totdat Hij komt”, door deze herdenking te houden.

Christus stelde dit in op de avond van zijn dood. Dat was op de 14e Abib, volgens Gods heilige kalender, aan het begin van de dag. God begint de dagen met zonsondergang, niet om middernacht. Dus later op diezelfde dag, nadat Jezus naar Gethsemane was vertrokken, leidde Judas Iscariot de groep die Jezus gevangen nam. Vervolgens werd Hij later op diezelfde dag gekruisigd, in het daglichtgedeelte van deze zelfde 14e dag van de maand Abib.

Door het voorbeeld van Jezus te volgen bij het onderhouden van deze heilige instelling op hetzelfde tijdstip als Hij dat deed — op precies hetzelfde tijdstip dat het Pascha voor eeuwig onderhouden moest worden — continueren wij de herdenking van zijn dood, jaarlijks, op de avond voor de kruisiging.

Er zijn altijd mensen die vragen stellen over de bedoeling van Paulus in de verzen 27-29 van 1 Korinthe 11. De apostel spreekt niet over het al of niet waardig zijn van een christen om van het pascha te nemen. Hij spreekt hier over de manier waarop dat gebeurt. Wij gebruiken het onwaardig als wij het verkeerd gebruiken, op de verkeerde manier. Als wij eenmaal de waarheid over de viering ervan hebben vernomen, en wij gebruiken het toch op enige andere tijd dan de door God ingestelde, dan gebruiken wij het onwaardig. Wij gebruiken het dus onwaardig als wij het lichaam en bloed van Christus niet accepteren. Laten wij daarom deze zeer heilige instelling niet gebruiken tot onze veroordeling, maar in plaats daarvan op een waardige manier!

Wat betekent „brood breken”?

Er zijn sommige kerkgenootschappen die in Handelingen 20:7 het bewijs lezen dat „het Avondmaal” op zondagmorgen moet worden gebruikt! Let erop dat dit na de Dagen der Ongezuurde Broden was (vers 6). Paulus sprak op een afscheidsbijeenkomst, niet op zondagmorgen, maar op zaterdagavond. Het was na middernacht (vers 7) dat zij brood braken, omdat zij honger hadden gekregen. En nadat zij „brood gebroken” en gegeten hadden, „sprak [Paulus] nog lang met hen, tot de morgenstond, en zo vertrok hij”.
Dit was dus een volkomen normale maaltijd!
Deze zelfde uitdrukking „brood breken” is te vinden in Handelingen 27:34 en 35: „Daarom spoor ik u aan voedsel te nemen .. . En terwijl hij dit zeide, nam hij brood . . . brak het en begon te eten.” Eveneens in Handelingen 2:46: „[Zij] braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap.” Dit kan onmogelijk „het Avondmaal”, of, juister, het Pascha zijn geweest, want Paulus zegt dat als wij dat nemen om onze honger te stillen, wij het nemen tot onze veroordeling (1 Kor. 11:34). In die tijd „brak” iedereen brood op gewone maaltijden, omdat zij niet het soort brood hadden dat wij snijden. Jezus brak brood omdat het tijdens het paschamaal was.
Wij dienen terug te keren tot het geloof dat eenmaal is overgeleverd. Laten wij nederig en gehoorzaam deze heilige instelling onderhouden zoals ons is geboden, op de bijbelse tijd, na zonsondergang, op de 14e Abib volgens de heilige kalender.

.

Christenen hielden het Pascha

Jezus Christus hield het Pascha. Ook de apostel Johannes deed dat. En ook sommige christenen in Schotland deden dat tot zelfs in de 7e eeuw.
Deze informatie is afkomstig van niemand minder dan de gezaghebbende kerkhistoricus Beda. Zijn Ecclesiastical History of the English Nation zal veel mensen verbazen die denken dat Christus en de eerste apostelen Pasen vierden.
Beda schrijft dat „Johannes placht, in navolging van de gebruiken van de Wet, het Paasfeest [het Pascha] te beginnen op de avond van de veertiende dag van de eerste maand, of deze nu viel op de sabbat of op enige andere dag” (III, 25).

De apostel Johannes is de auteur van vijf boeken van het Nieuwe Testament en had een speciale band met Jezus gehad. Toch hield hij het Pascha op de 14e dag van de eerste maand (Nisan), precies zoals God dat ten tijde van Mozes heeft geboden. Dat is de heldere bewering van deze vroege katholieke theoloog!
Maar vanwaar had Johannes deze gewoonte? Van het voorbeeld van Jezus Christus! „Evenmin heeft onze Heer, de Schepper en Schenker van het Evangelie, het oude Pascha gegeten en het Sacrament van het Nieuwe Testament ingesteld, om door de Kerk ter herdenking van zijn lijden te worden gevierd op … [enige andere dag], dan de veertiende” (Eccl. History, III, 25).

Aldus herhaalt Beda wat de Bijbel zelf duidelijk zegt: dat Christus het oude Pascha gebruikte en vervolgens, op de 14e van de eerste maand, de nieuwtestamentische symbolen van het brood en de wijn invoerde.
Het gebruik om, naar het voorbeeld van Christus en Johannes, het nieuwtestamentische Pascha te gebruiken bleef eeuwenlang bestaan bij geïsoleerde groeperingen. Beda vertelt dat sommigen het in de 7e eeuw in Schotland nog altijd trouw hielden! (II, 19.)
.

Palmpasen en Pasenalle artikelen
.
VRIJESCHOOL in beeld: (Palm)pasen

.

1885-1770

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (45)

.

AFGODERIJ

leven-o-t-203

1. Masseben (opgerichte stenen van Gezer).
„Binnen de stad of althans in haar onmiddellijke nabijheid was voor de KanaÄnieten de plaats, waar de goden worden vereerd (Statenvert. „hoogten”). Zo’n hoogte, die niet minder dan vijftien eeuwen achtereen in hoge eer is geweest, hebben de opgravingen in Gezer ons weer voor ogen gesteld. Daardoor kunnen we ons althans met enige zekerheid een beeld vormen van de bekende „hoogtedienst” waartegen Israëls profeten zo lang hebben gestreden. We vinden hier een aantal „opgerichte stenen”; onder deze trekt de kleine de meeste aandacht: het bovenste deel ervan is gepolijst, zoals dat alleen kan ontstaan door de altijd weer vernieuwde aanraking van devote lippen, die met vuur de steen kussen, of wel van handen, die in bloed of olie gedoopt, daarmee de steen zalven ter ere van de godheid. (A. Noordtzij).

leven-o-t-204

2. Babylonische godheid in de gedaante van een vis. Deze godheid herinnert aan de Filistijnse god Dagon. Men neemt gewoonlijk aan, dat hij een visgod was. Uit 1 Sam. 5 blijkt, dat het Dagonbeeld van Asdod hoofd en armen had. Of het onderstuk in visvorm uitliep, hangt af van de vraag, of we vers 4 aldus moeten lezen: „slechts zijn visvorm was op hem gebleven”, dan wel: „slechts zijn romp was op hem gebleven”. In het eerste geval (dat nog steeds waarschijnlijk is) heeft Dagon het hoofd en het bovenlijf van een mens gehad, waarschijnlijk de romp van een vis.” (Prof. Noordtzij).

leven-o-t-205

3. Vrouwelijke godheid.
De figuur is gehuld in een nauwsluitende kledij, die de lichaamsvormen goed doet uitkomen; de godin draagt halsketting, gordel en enkelring. Op het hoofd heeft zij een kroon naar Hethietisch model. De vrouwelijke godheid van het Kanaänietisch heidendom is de pendant van de mannelijken Baäl, naast wie zij herhaaldelijk wordt genoemd (Richt. 2 : 13; 10 : 6; 1 Sam. 7 : 4; 12 : 10). De naam is: Astarte, in het Hebreeuws As’toreth; meervoudsvorm Astaroth; daarnaast ook Asjerah. De Statenvert. heeft hiervoor „bos” maar het is duidelijk, dat wij b.v. in de „vierhonderd profeten van het bos” (1 Kon. 18 : 19) te doen hebben met dienaren van deze godheid. (Daarnaast komt het woord Asjerah ook nog in een andere zin voor, namelijk als de benaming van een voorwerp, dat tot de Kanaänietische eredienst behoorde; wel heeft de Statenvert. hiervoor ook „bos”, maar dit voorwerp is hoogstens een enkele boom, liever nog een boomstam of paal). Astarte vertegenwoordigt de vrouwelijke natuurkracht en wordt als de bron van alle vruchtbaarheid, als de verwekkende en onderhoudende godin van het leven vereerd” (Prof. G. C. Aalders).

leven-o-t-206

4. Baäl.
De naam van de mannelijke godheid in het Kanaänietisch heidendom. Oorspronkelijk is Baäl geen eigennaam; de goden werden niet bij hun naam genoemd, maar deze vervangen door het vage „baäl” d. i. heer of eigenaar van bepaalde heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen. Van deze lokale Baäls, die dus waarschijnlijk slechts beschouwd werden als de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, smeekte de Kanaäniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven (Hosea 2:4). — De Baäldienst in de dagen van Achab en Izebel was gewijd aan de god der Feniciërs; deze dienst te bestrijden was dus nationale en godsdienstige plicht.

leven-o-t-207

1. Moloch
(volgens H. Vincent). Moloch is een woord, dat eigenlijk hetzelfde is als „melek”, dat koning betekent; vermoedelijk is Moloch hetzij slechts een andere naam voor Baäl in zijn verderfbrengende gedaante, hetzij een van de verschillende Baäls van Kanaän geweest. In Jer. 32 : 35 worden Moloch en Baäl gelijkgesteld. Moloch is de god van de verterende zon, die door de ritus van het „door het vuur gaan” gediend werd (Lev. 21 : 21; 2 Kon. 23 : 10). — De hier afgebeelde „Moloch” is een „stierenkop”, die ook herinneringen wekt aan de kalverendienst (1 Kon. 12 : 28) en drukt de gedachte aan de zinnelijke dienst uit door het mannelijk lid boven de neus op het voorhoofd. — Maar het is een betwiste kwestie of dit beeld wel „echt” is.

leven-o-t-208

2. Babylonisch levermodel.
Bij de Babyloniërs speelde de waarzegging uit de lever (hepatoscopie) een grote rol. Men beschouwde de lever van het geslachte dier met grote aandacht; „de lever bezien” (Ezech. 21 : 21) was geen uitvinding van mensen maar een gave van de godheid. De zonnegod „bepaalde de juiste stand van de ingewanden in het lijf van het schaap” en „schreef zelf in het lijf van het offerlam het orakel op”. Geen schaapslever is volkomen gelijk aan de andere. Steunende op dit feit, heeft men een geheel stelsel opgebouwd, om uit de lever der offerdieren de toekomst te voorspellen. Zo in het gezicht van Ezechiël 21 : 21. De koning van Babel staat op de kruisweg, aan het begin van de beide wegen om waarzeggerij te plegen: hij schudt de pijlen, ondervraagt de terafim, beziet de lever. — Nu werd ook bij Israël de lever wel beschouwd als de zetel van het leven en van het gevoel (Spr. 7 : 23; Klaagl. 2 : 11). Maar de Israëlietische wet heeft de bijgelovige praktijken onmogelijk gemaakt, door het voorschrift dat de leverkwabben der offerdieren verbrand moesten worden (Ex. 29:13; Lev. 3:4; 4:9).

leven-o-t-2093. „Assyrische” goden.
Relief van Tiglath Pileser III uit Kalach. Assyrische soldaten met spitse krijgshelm dragen godenbeelden; misschien als buit; in dat geval zijn het geen Assyrische goden. De voorste (a, b) schijnen vrouwelijke godheden te zijn; beide zitten. De derde godheid is grotendeels verborgen in een kast (c). De vierde (d) godheid is een bliksemgod met de dubbele bliksem in de linker- en de bijl in de rechterhand. De processie kan een trotse uiting wezen, hoe Assyrië’s macht sterker is dan de goden der volken (Jes. 36 : 19; 2 Kon. 18 : 34).

leven-o-t-210

4.Beeld van de godin Diana in de tempel te Efeze. Diana, de Latijnse naam voor de Grieksche godin Artemis was een godheid, die in de Grieks-Oosterse wereld veel geëerd was. De dienst van Artemis van Efeze, de „Diana der Efeziërs” was wijd verbreid („aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst”, Hand. 19 : 27). Oorspronkelijk was de dienst van deze godheid een Oosters getinte natuurdienst; het beeld van Diana had dan ook verschillende zinnebeeldige kentekenen, die wezen op vruchtbaarheid en groeikracht. Afbeeldingen werden als wijgeschenk door vereerders van Diana meegenomen naar huis (Hand. 19 : 24).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

1221-1141

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (43)

.

Hans Harres, Der Elternbrief 04-1992
.

wij vieren Pasen
.

Tot het leven van de mens in het ritme van het jaar behoren al sinds ‘de eeuwigheid’ de vier jaarritmen: lente, zomer, herfst en winter.
Is het ‘toeval’ of de bedoeling van hogere geestelijk-goddelijke machten dat ook de grote feesten die de christenheid in het jaar viert, dikwijls aan het begin van een nieuw jaargetijde liggen?

Tegen het begin van de lente, dus in maart of begin april wordt het paasfeest gevierd. Pasen is wat de datum betreft een beweeglijk feest; het valt – door een besluit van het Concilie van Nicea in 325 altijd op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente.

De voorloper van Pasen daarentegen, het joodse paasfeest, viel steeds precies op de eerste vollemaansdag na het begin van de lente, zonder rekening te houden met de dag van de week.

Het eerst mogelijke feest kan dus volgens de huidige regeling op 22 maart vallen, het laatste op 25 april, daar zitten dus 35 dagen tussen. Van deze datum is ook die van Pinksteren afhankelijk; dit hoort dus ook tot de beweeglijke feesten.

Bij het begin van de zomer en wel op 24 juni wordt het Sint-Jansfeest ter herinnering aan Johannes de doper gevierd, dikwijls met grote vreugdevuren. In dit jaargetijde staat bij ons de zon op de zomerdag om 12 uur in de middag op het hoogste punt; dit is de langste dag en daar tegenover staat dus de kortste nacht.

Het Michaëlsfeest vieren de christenen tegenwoordig zeker niet meer zo als een 100 jaar geleden, dus bij het begin van de herfst wanneer dag en nacht even lang zijn.

Bij het begin van de winter, op 21 december,  de kortste dan en langste nacht beleven, wordt het zeker bekendste (en waarschijnlijk door de geschenken ook het meest gewilde) van alle christelijke feesten gevierd op 25 december: Kerst als het geboortefeest van Jezus Christus.

Maar niet alleen de christenen vieren hun grootste feesten aan het begin van een nieuw seizoen, ook veel andere ‘natuur’volken, heidense enz. hadden op deze tijdstippen uit kosmische wijsheid en kosmisch weten dikwijls hun heilige feesten.

Waar komt de naam Pasen vandaan

De naam Pasen (omdat dit artikel uit het Duits werd vertaald staat hier Ostern) komt als Ostern alleen in het Engels (Easter)  en het Duits voor. Hij berust blijkbaar op een vergissing. De kerklatijnse naam voor paasweek (Osterwoche) ‘Albae paschales’ werd abusievelijk lang verwisseld met het Oud-Hoogduits ‘austro’ – in het meervoud: ostarun – wat zoveel betekent als ‘morgenrood’. Rond ongeveer 600 na Chr. kwam deze verkeerde naam in Engeland door de vertalers van Augustinus, die de Angelsaksen tot het christelijk geloof bekeerd had.

Zeker bestaat ook de afleiding van de naam Ostern uit het Germaanse spraakgebruik die toch nog meer van toepassing lijkt. Lang voor de Germanen bekeerd werden, vierden ze het feest van de lentegodin Ostara aan het begin van de lente en het is vrij zeker dat deze naam later door de bekeerde Germanen voor het feest van de opstanding van Jezus – Ostern – werd overgenomen.

Hoe vieren we Pasen met de kinderen
.
De christelijke opvatting, de christelijke cultuur verbindt met het paasfeest de kruisiging en de lichamelijke dood van Jezus Christus op ‘de eerste’ Goede Vrijdag in de wereldhistorie en zijn opstanding drie dagen later op de historisch ‘eerste’ paasmorgen. Voor de gelovige en belijdende christen behoort wat er met Pasen plaatsvindt tot de centrale gebeurtenis van de geschiedenis der mensheid; volgens zijn inzicht en geloof is Jezus Christus voor alle mensen voor hun verlossing als mens geboren en heeft hij ook de fysieke dood (door de kruisiging) geleden en op zich genomen.

Daarom is het wel te begrijpen dat met name in het verleden, gelovige ouders, kerkelijke en niet – kerkelijke opvoeders – van godsdienstfanaten afgezien – er betrokken mee bezig waren de historische achtergrond en de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen de kleine kinderen zo vroeg als mogelijk mee te geven en te verklaren, opdat zij zoveel mogelijk ‘goede’ en gelovige christenen zouden worden.

Het kan zijn dat deze goed bedoelende mensen juist het tegenovergestelde hebben bereikt: welk kind zou dood en opstanding nu al in begrippen kunnen vatten. Hebben wij zelf als volwassenen niet vaak problemen met het begrijpen van de diepere achtergronden van de werken van Christus en zijn daden en uitspraken?

Zijn er andere, misschien betere mogelijkheden om aan de kinderen het paasfeest op het niveau van hun leeftijd bij te brengen, de gebeurtenissen voor hen levendig te omschrijven?

Pasen in de natuur

Het paasfeest is onlosmakelijk verbonden met het begin van de lente. Naar aanleiding van deze bijzondere tijd van het jaar waarin het nieuwe leven uit de door het winterproces afgestorven natuur weer opnieuw ontspringt, werd sinds mensenheugenis bij vele volken een opgewekt, vrolijk voorjaarsfeest gevierd en werden de goden dank en offers gebracht. Oorspronkelijk was het lente- respectievelijk paasfeest noch joods noch christelijk, het was een ‘heidens’ feest. De weer uitlopende, ontkiemende natuurkrachten hebben de ‘doodskrachten’ van de winter overwonnen; de hoop voor het nieuwe begin, de hernieuwde opstanding van licht- warmte- en groeikrachten kiemde. In die oudere tijden was de winter met zijn ijzige kou, duisternis, vele ontberingen en last en de weinige voedingsmiddelen – er was geen centrale verwarming, elektrisch licht enz. ook geen moderne mogelijkheid om voorraden te bewaren – het hardste van alle seizoenen waarin de meeste mensen stierven en wel het meest door honger, kou, ontbering en talloze ziekten. 

Daarom begrijpen wij en de kinderen wel, wanneer we terugkijken in de cultuurgeschiedenis, dat de mensen het begin van de lente met jubel en vrolijke feesten gevierd hebben en hun goden en heiligen dankten, omdat zij de winter overleefd hadden en voor een hoopvol nieuw begin stonden.

Maar niet alleen de mensen begroetten en vierden de terugkeer van de lente, ieder jaar begroet en viert ook heel de natuur de opklimmende warme zon, het terugkerende levend brengende licht; de vogels jubileren met hun zang; vele mensen vinden elkaar in de liefde en verbinden zich en de voorjaarsbloemen betonen hun vreugde met de allermooiste bonte kleuren.

Wie herinnert zich dan nu niet ‘Osterspaziergang’ uit de Faust van Goethe:

Vor dem Tor

Vom Eise befreit sind Strom und Bäche
Durch des Frühlings holden, belebenden
Blick,Im Tale grünet Hoffnungsglück;
Der alte Winter, in seiner Schwäche,
Zog sich in rauhe Berge zurück.
Von dort her sendet er, fliehend, nur
Ohnmächtige Schauer körnigen Eises
In Streifen über die grünende Flur.
Aber die Sonne duldet kein Weißes,
Überall regt sich Bildung und Streben,
Alles will sie mit Farben beleben;
Doch an Blumen fehlts im Revier,
Sie nimmt geputzte Menschen dafür.
Kehre dich um, von diesen Höhen
Nach der Stadt zurück zu sehen!
Aus dem hohlen finstern Tor
Dringt ein buntes Gewimmel hervor.
Jeder sonnt sich heute so gern.
Sie feiern die Auferstehung des Herrn,
Denn sie sind selber auferstanden:
Aus niedriger Häuser dumpfen Gemächern,
Aus Handwerks- und Gewerbesbanden,
Aus dem Druck von Giebeln und Dächern,
Aus der Straßen quetschender Enge,
Aus der Kirchen ehrwürdiger Nacht
Sind sie alle ans Licht gebracht.
Sieh nur, sieh! wie behend sich die Menge
Durch die Gärten und Felder zerschlägt,
Wie der Fluß in Breit und Länge
So manchen lustigen Nachen bewegt,
Und, bis zum Sinken überladen,
Entfernt sich dieser letzte Kahn.
Selbst von des Berges fernen Pfaden
Blinken uns farbige Kleider an.
Ich höre schon des Dorfs Getümmel,
Hier ist des Volkes wahrer Himmel,
Zufrieden jauchzet groß und klein:
Hier bin ich Mensch, hier darf ichs sein!

VOOR DE POORT

Van ijs bevrijd zijn rivier en beken,
door de stralende blik van de lente ontdooid,
het dal is hoopvol met groen getooid;
de oude winter is uitgeweken
naar barre hoogten, al vluchtende gooit
hij machteloos, met bevende hand
ijzige korrels in straffe vlagen
over het groen-gestreepte land.
Maar de zon kan geen wit verdragen,
overal is er een kiemen en streven,
alles probeert ze weer kleur te geven,
maar bloemen ontbreken nog op de wei,
dus neemt ze mensen in feestkledij.
Draai je om! Daarbeneden ligt onze stad.
Zie wat er alles staat te gebeuren:
uit de poort, dat sombere holle gat,
stromen de mensen in vrolijke kleuren.
Ze zoeken de zon op, hun grootste gemis,
en vieren dat Christus herrezen is
want zijzelf zijn opgestaan:
uit hun muffe hokjes naar buiten gegaan,
moe van het juk van nering en werken,
te lang onder gevels en daken gebukt,
door gangen en steegjes benauwd en bedrukt,
ontsnapt aan de heilige nacht van hun kerken
vonden ze allen de weg naar het licht.
Kijk al die mensen, een prachtig gezicht-
krioelen langs velden, tuinen en perken.
Op de brede rivier zie je boot na boot
aan komen drijven, een vrolijke vloot;
en kijk, tot zinkens toe beladen
sluit dat pleziervaartuig de rij.
Zelfs op de berg trekt langs de paden
in de verte een bonte stoet voorbij.
Het dorpje is vol gegons en gewemel,
hier vindt het volk zijn ware hemel,
je hoort het gejuich van groot en klein:
hier ben ik mens, hier mag ‘k het zijn.

(vertaling: Ard Posthuma)

Offerfeesten in het voorjaar

Toen de individuele mens in het stadium verkeerde waarin hij veel meer een deel van een groep was en in de mensheidsontwikkeling nog niets individueels ontwikkeld had, dus nog geen ‘Ik’ of een persoonlijkheid was zoals wat we daar nu onder verstaan, was er in veel volksgroepen verspreid over de hele wereld sprake van mensenoffers – naast dier- en plantenoffers – als dankgave aan hun hogere goden. Toen in de loop van de ontwikkeling het menselijke bewustzijn zich steeds verder ontwikkelde, werden de mensenoffers steeds vaker vervangen door het offeren van dieren; dat hield later ook op naarmate een volk of een volksgroep zich verder ontwikkelde.

Aan het offeren van mensen herinnert ons nog het verhaal rond Abraham die voor God zijn zoon Izaak moet doden en moet offeren, waartoe Abraham zonder aarzelen bereid was. Toen hij het mes om de dodelijke steek toe te brengen al getrokken had, gaf een stem uit de hemel hem het gebod niet verder te gaan en in plaats van zijn zoon een lam te offeren. Hieruit ontstond het gebruik om met Pasen – lentetijd – het paaslam te offeren.

Toen later het gevangen volk van Israël Egypte wilde verlaten en moest, was het tegen de Pasen, eind maart, begin april; toen at men gemeenschappelijk het paaslam met de ongezuurde broden met bittere kruiden, zoals het heet. Het bloed van het paaslam werd op de deurposten van de huizen gestreken; daarmee zou het onmogelijk worden dat ‘de boze’ het volk van Israël zou vernietigen. Zoals in Exodus 12 – 12, 23 is beschreven, gaat de ‘boze’, ook de ‘verderver’ genoemd aan die mensen voorbij en spaart hen die afzien van het verdere verblijf in Egypte. Dat ‘sparen van het leven’ en in zekere zin ‘het voorbijtrekken’ heet in het Hebreeuws ‘pe’sach’ en dat werd tot Passahfeest’ d.w.z. het offerlam werd onderdeel van het joodse paasfeest.

Het opstandingsbeleven bij andere volken

Wat er in de jaargetijden gebeurt, het sterfproces van de natuur in de winter en het weer opbloeien in het voorjaar, kennen vanzelfsprekend talloze volken over de hele aarde, zoals we dat uit hun mythen en vertellingen tegenwoordig precies weten.

In het oude Egypte was het Osiris die stierf en altijd weer opnieuw tot leven kwam.
Al het leven van de Egyptenaren werd enkel en alleen bepaald door de Nijl die eenmaal per jaar de smalle stroken land tussen de beide grote woestijnen rechts en links van de rivier met haar levensbrengend water en vruchtbaar slib overstroomde en zo het land niet alleen van water, maar ook van vruchtbare meststof voorzag.

In het tweestromenland van de Assyriërs en Babyloniërs was het de god van de vegetatie Tammuz die tegen de tijd van Pasen in het voorjaar tot nieuw leven werd opgewekt.

Een symbool voor het proces van sterven en weer opstaan is ook de geschiedenis van de vogel Phoenix  die zichzelf steeds weer in het vuur verbrandt en daaruit steeds weer jong, met nieuwe levenskrachten begiftigd, opstaat.

In het land van de Syriërs , Kanaän genoemd, werd aan het begin van de lente de semitische weer- en hemelsgod Baäl, de grootste van alle goden van dit volk, weer geboren.

Ook het volk van de Oude Grieken kende de dood en de wederopstanding; bij hen was het de schone jongeling Adonis, die ook na zijn aardse dood tijdens de winter in de onderwereld moest verblijven, maar die met het voorjaar weer terug mocht in het licht van de wereld, dus opstond.

Zo is er nog bij veel meer volken het feest van de wederopstanding van de natuur- en levenskracht, dat met grote dankbaarheid en blijdschap wordt gevierd.

Pasen in de sprookjes

Op de diepere en wijsheidsvolle betekenis van het zich steeds weer herhalende leven in de natuur kun je je bezinnen en dat loont de moeite want het is het lot van ieder van ons dat we dit, doordat we geboren worden en weer sterven (en weer geboren worden voor zover je dit kunt aannemen) meemaken.

Aan de jonge kinderen kun je dit leven dat zich steeds weer in de natuur herhaalt op een begrijpelijke manier bij brengen door bijv. het prachtige sprookje van Grimm ‘Doornroosje’.
Het 15-jarige Doornroosje viel, nadat ze zich op haar verjaardag aan een spintol had geprikt, in een honderdjarige doodsslaap, waaruit ze door een prins met een kus werd opgewekt.

Wellicht nog dieper wordt de wijsheid van dood en wedergeboorte van de mens, dus het beeld van de vernieuwde opstanding van de ziel, dat is het paasmotief, in het sprookje van de wachtelboom verbeeld.
Wijze leiders der mensheid hebben deze en andere verhalen, ook sproken genoemd, zeer lang geleden gevormd om de mens van die tijd die beeldend dacht, en nog niet zo zeer met het verstand kon leren en gevormd worden, te vertellen over kosmisch-geestelijke en aardse natuurgebeurtenissen, over de achtergronden van hemel en aarde.

In het sprookje van de wachtelboom wordt het paasmotief van dood en opstanding van de ziel duidelijk verbeeld.
De boze stiefmoeder doodt haar stiefzoon. Zijn zusje legde zijn beenderen in een witte doek onder een wachtelboom, waaronder zijn moeder al begraven lag. Uit de boom stijgt een nevelwolk omhoog die tot een vlam wordt. Daaruit vliegt een wonderschone vogel op, (het Phoenixmotief), die prachtig begint te zingen, zo dat alle mensen hun werk en waarmee ze bezig zijn laten voor wat het is om naar hem te luisteren en hem te bewonderen. Hij is als de weergeboren paaszon.
Op het eind van het sprookje wordt de boze stiefmoeder door een zware molensteen verpulverd; uit een vuur komt haar zoon, levend herboren.

Als deze twee sprookjes zijn er nog veel andere waarin het motief van dood en opstanding tot nieuw leven wordt geschilderd.

Sneeuwwitje die na een beet in de vergiftigde appel voor dood in de glazen kist ligt en weer levend wordt, kent ieder kind, net zoals Roodkapje die door de wolf met huid en haar wordt verslonden en door de jager weer in het licht van de zon teruggehaald wordt.

Ook in Vrouw Holle zit hetzelfde motief; Goudmarie en Pekmarie vallen in de met water gevulde bron en komen – lichamelijk dood – in een andere wereld waaruit ze, na goede of slechte werken, weer terugkeren naar de andere wereld.

Wie de sprookjes van de gebroeders Grimm kent of leest, zal nog een paar andere vinden die verhalen van dood en opstanding.

Deze sprookjes zijn zeer geschikt om aan kinderen tot (en met) de tweede klas te vertellen, als je ze beeldend bij wilt brengen wat er aan het begin van de lente, rond Pasen gebeurt. Wanneer je de kinderen deze sprookjes vertelt is het wel heel belangrijk dat je ze die met een inlevend bewustzijn vertelt, wanneer je zelf probeert je in te leven in wat met Pasen gebeurt.
Net als met het vertellen van andere sprookjes; wanneer je als volwassene deze met hun diepe wijsheidsvolle beelden doorgronden en accepteren kan, werken ze bij het vertellen aan de kinderen met veel inniger kracht verder waardoor zij in hen waardevolle opbouwende en sterker makende helpers kunnen vinden voor hun toekomst.

Verhalen voor de oudere kinderen

De kinderen die op een vrijeschool zitten, krijgen in de 3e klas de grootse verhalen uit het Oude Testament; in de 4e klas de sagen van de Germanen, door hun leerkracht verteld.

De kinderen hebben nu een ander bewustzijn gekregen (zijn de Rubicon overgestoken) en zij kunnen nu de verhalen over het Joodse volk horen. De uittocht uit Egypte van het volk Israël (tot aan de Sinaï) en de betekenis van het offer van het paaslam – hierboven beschreven.

Vanaf klas 6-7 , dus vanaf 12-13 jaar kun je de kinderen ook verhalen uit het Nieuwe Testament vertellen zonder over hun hoofden heen te spreken. Met hun bewustzijn kunnen ze steeds beter het dode, abstracte opnemen. Bij de dood echter, hoort ook steeds het leven, het opnieuw geboren worden; die feiten mag je niet verre van hen houden om hun niet het gevoel van angst, maar dat van vertrouwen en uitzicht te geven.

Paasgebruiken – paasgewoonten

Wat zou het paasfeest in een gezin zijn zonder  hopelijk zelf beschilderde bonte paaseieren en zonder de paashaas.
Wat heeft dat met het ei, met het ‘paasei’ van doen

Wel, steeds al gold het ei als symbool van het (nieuwe) leven en van de vruchtbaarheid. Je moet bij deze beschouwing niet meteen aan het kippenei denken; vele zaden die in zich de kiem van de nieuwe plant dragen, vele eieren van dieren – en natuurlijk ook die van de vrouw – zijn bolvormig rond en zijn daarmee niet alleen een beeld van de aarde, maar ook van de totale kosmos. De kosmos echter draagt – zoals ook het ei – alle krachten voor het nieuwe leven dat ontstaat, in zich. Omdat het kippenei ook nog eens goed te verteren is, dus als voedsel te gebruiken, heeft men het wellicht als plaatsvervangend voor alle zaden en kiemen als symbool voor het nieuwe, wordende leven genomen en heeft zich juist in de lente daaruit in vele volken een gewoonte  ontwikkeld.

Het is bekend dat de Chinezen 4- tot 5-duizend jaar geleden al elkaar bij het begin van de lente bont versierde eieren cadeau gaven. Ook uit de geschriften en verhalen uit de Oudperzische cultuur; die van de Indiërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken, Finnen en Germanen en andere volksgroepen weten wij, dat de mensen elkaar beschilderde eieren gaven of dat het ei een bijzondere offergave voor de goden betekende.

In een Indische mythe wordt verteld dat in het oerbegin alle Zijn uit een reusachtig ei dat in een zilver en een gouden helft splitste, zich de hemel en de aarde hebben gevormd.

Een oude Perzische sage verhaalt dat eens een reusachtige stier met zijn puntige hoorns het grote wereldei opengestoten heeft en dat alle levende wezens voor de aarde daaruit kwamen. In het geloof van de Oude Perzen was de wereld waarin nog geen kwaad bestond, een reusachtig groot licht-ei. Zij gaven elkaar later bij het begin van de lente vooral rood beschilderde eieren.

In een Fins scheppingsverhaal ontstaat uit een groot gouden ei dat in twee helften brak, hemel en aarde. Uit de gele dooier werd de stralende zon gevormd.

In de Romeinse catacombengraven heeft men nagemaakte eieren gevonden uit louter zilver.

Uit al deze mythen en sagen ontstonden steeds weer nieuwe gebruiken om elkaar versierde en geschilderde eieren te geven. Eieren van kippen en ook van andere vogels, maar ook kunstzinnig gemaakt van goud, zilver en edelsteen.
Na de uitvinding van het horloge werden er ook kostbare uurwerken in de vorm van een ei gemaakt.

Wij beschilderen eieren
Wie zelf graag eens eieren met natuurverf zou willen beschilderen, kan dat als volgt doen:

Een tot twee handjes uienschillen een paar minuten in een liter water gekookt en daarbij dan de eieren koken tot ze hard zijn. Hoe langer de eieren hierin koken, des te donkerder de schalen worden; je kunt het uitproberen.

Ook met zwarte thee kun je de witte schalen bruiner maken. Groen krijg je door brandnetels; rood door rode bieten, geel door saffraan of karwei als je dit van te voren eerst kookt. Doe je azijn in het water, dan worden de kleuren vaak intenser. Wie na het koken de eieren met olie of spekzwoerd inwrijft, krijgt mooie, glanzende exemplaren.
Plak je vóór het schilderen kleine blaadjes erop, of grashalmpjes o.i.d. en je doet er dan verband of tule omheen en je kookt ze dan in het plantenvocht, zie je naderhand de mooie patroontjes op de eierschalen als je de blaadjes er dan afhaalt.

Je kan de eieren natuurlijk ook met bonte waslaagjes beplakken of met waskrijt bewerken. Wanneer de eieren nog warm zijn, smelt de kleur van de waskrijtjes en dan kun je dit mooi uitwrijven of dat weer mengen. Je kunt – papier eronder – het drogen met de föhn.

Er zijn nog veel meer technieken om eieren te beschilderen of met kleurig papier te versieren, nesten en diertjes te knutselen.

Er zijn veel boekjes in omloop met voorbeelden.

Wie het geluk heeft in een omgeving te wonen waar in het bijzonder de dorpsbronnen met honderden eieren versierd worden, rijdt door die dorpen om ze te bewonderen. Je vindt ze soms in de kleinste dorpjes. In deze streken is het ook de gewoonte om struiken en bosjes in de tuin en in huis met bont beschilderde eieren te versieren.

Natuurlijk behoort het voor de kinderen wel tot het mooiste van de paasbelevingen om in de tuin of de vrije natuur eieren te zoeken die de ouderen daar van te voren hebben verstopt. Misschien krijg je onderweg nog een idee om een zinvol verhaal te vertellen over de paashaas.

 

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

 

815-750

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (40)

.

Jörgen Smit, die Menschenschule 34-4-1960
.

HOE KUNNEN WE MET KINDEREN PASEN VIEREN?
.

De christelijke cultuur verbindt met het woord ‘Pasen’ bovenal de centrale gebeurtenis van het christendom, de dood van Christus op Goede Vrijdag en de opstanding op paaszondag. Zonder deze is het christendom niet te begrijpen.

Hoe kun je met kinderen Pasen vieren, zo dat je antwoord geeft op iets wat al in het kind leeft?

Dan zul je moeten kijken naar de leeftijd en leren inschatten wat zij ieder jaar passend bij hun ontwikkeling kunnen opnemen.

Daarbij mag je eigenlijk niet kijken naar dogmatische formuleringen van deze of gene christelijke richting, maar zou je moeten kijken wat Pasen eigenlijk voor de hele mensheid en voor de ontwikkeling van ieder individu betekent.

Je zult in eerste instantie merken dat Pasen oorspronkelijk noch christelijk, noch joods was, maar een puur ‘heidens’, religieus feest dat door de meeste volken van de gematigde zone op de meest uiteenlopende manier werd gevierd, lang voor de eerste letter in de Bijbel werd geschreven, zowel in het Nieuwe – als in het Oude Testament.

Pasen is het grote voorjaarsfeest, waar het nieuwe leven tevoorschijn spruit, nieuw leven geboren wordt, waar in de natuur de macht van de dood opnieuw overwonnen wordt. In jubelende dankbaarheid dansen en zingen allen en prijzen de weer opgestane levensgod, zonnegod, vruchtbaarheidsgod. Hij was dood, gedood door zijn wrede tegenstander. Maar nu is hij uit de dood in het leven herrezen. In ieder nieuw geboren lam wordt hij geprezen en het eerstgeboren paaslam wordt geofferd. Toegenegen en met overgave nemen de mensen deel aan het grote natuurmysterie. Allen moeten bereid zijn evenveel aan de levensgod te offeren. Niemand mag uit egoïsme iets voor zichzelf houden. Als symbolische handeling wordt het eerstgeboren lam, het paaslam, aan de dood overgeleverd, maar dat betekent aan het nieuwe, eeuwige leven dat steeds weer uit de dood opgewekt wordt.

Ook het mensenoffer was tijdens de heidense paasvoorjaarsfeesten sterk verbreid. Het bleef gehandhaafd zolang de individuele mens nog geen bijzondere plaats innam, toen stammen en volken nog zo’n sterke bloedseenheid waren, dat het groepsbeleven doorslaggevend was.

Dan breekt de tijd aan dat dit op de achtergrond begint te raken. Het mensenoffer wordt vervangen door het dierenoffer. Abraham is nog bereid het mensenoffer te voltrekken; hij heft het mes boven zijn zoon Izaak om de god van het leven te dienen. Maar een stem uit de hemel roept en Abraham breekt zijn handeling af. In plaats van Izaak wordt een dier geofferd.
Door zijn trouwe gehoorzaamheid bekrachtigt Abraham dat het grote mensenoffer van de Messias zelf binnen zijn geslacht zal plaatsvinden.

Wie is deze grote zonnegod, de god van het leven? Wie is het die iedere lente weer in het nieuwe leven terugkeert. Daarvoor vind je bij de verschillende volken de meest uiteenlopende namen.

Voorzichtigheid is wel geboden bij een algemene identificatie! Iedere godengestalte heeft wel een zekere eigenaard en die mag niet vervaagd worden; hoewel je ook overeenkomstige eigenschappen kunt vinden. Hoe verschillend Baal, Osiris, Tammuz en Adonis ook zijn, gemeenschappelijk hebben ze dat ze in de loop van het jaar sterven en weer opstaan en dat ieder jaar. Het tijdstip waarop en in welke sfeer de feesten plaatsvinden hangt van het karakter van de volken af en van het klimaat. Het voorjaar kan een noords voorjaar zijn, met smeltende sneeuw en het ruisen van beken, met leverbloempjes en het gezang van leeuweriken wanneer een lange, donkere winter waarin de dood de overhand had, voorbij is. De winter kan ook een tijd zijn van mist waarin alles afgestorven en levenloos erbij ligt. De lente komt dan met de bevruchtende regen of met bv. een overstroming zoals bij de Nijl en het nieuwe leven komt met een overweldigende kracht tevoorschijn .

Bij de Egyptenaren is het Osiris die sterft en steeds weer tot nieuw leven komt. Op een Egyptisch beeld zie je letterlijk hoe het koren uit het gestorven lichaam van Osiris tevoorschijn groet. Bij de Sumeriërs, Babyloniërs, Assyriërs was het Tammuz die met Pasen tot nieuw leven werd gewekt. Bij de Grieken is het Adonis die sterft en weer opstaat.

Toen de Israëlieten het beloofde land Kanaän binnengingen, was Baäl de oppergod van de streken van de Syrische Kanaänieten. En tijdens hun lentefeest ‘Pask’  (in het Aramees ‘Paska’) wordt ieder jaar de zonnegod Baäl weer levend.

Dat alles is uitvoering in het spijkerschrift beschreven dat in 1929 en 1930 in Ras Sjamra werd gevonden en al in 1930 werd ontcijferd.

Baäl sterft en wordt door zijn zuster en geliefde, de godin Anat, gezocht (net zoals Isis Osiris zoekt ). Want zolang Baäl dood is, ‘zijn de mensen door het leven in de steek gelaten; het leven trekt weg uit de kudden op het veld.’

En dan vindt de dramatische strijd plaats waarbij de tegenstander van de levensgod, de moordenaar Mot, de heer van de dood, eindelijk wordt overwonnen. Baal leeft weer en ieder verheugt zich: ‘Hemel laat het regenen in overvloedigheid, dalen laat de honing vloeien.’

Baäl is vruchtbaarheid, regen, donder, bliksem, het groene gras dat opschiet. Hij wordt afgebeeld als een mens met hoorns op het hoofd of als een stier zoals Apis, de stier van de vruchtbaarheid in Egypte.

Hoe wordt het paasfeest in de voorchristelijke en voorjoodse tijd gevierd?

De dood van Baäl, de strijd en de opstanding werden door de priesters op een aanschouwelijke manier het volk ten tonele gevoerd en heel het volk had deel aan de zorgen rond de dood en de vreugde van de opstanding. Zowel de zorgen als ook de vreugde waren allesbehalve stil en ingetogen. Het verdriet was extatisch, met huilen en geweeklaag en de blijdschap net zo, met gejubel, lawaai, roes en geluk, met overvloedige spijs en drank en losbandige, seksuele orgiën. De vruchtbaarheid werd vereerd en het belangrijkste symbool, het ei, het paasei, is heilig. Het wordt rood geschilderd. Dat is zo in de Perzische alsmede in de Egyptische cultuur. De zonnegod die in het nieuwe leven ontwaakt, danst  en maakt drie sprongen waarbij heel het volk meedanst. In Egypte gaan de vruchtbaarheidskrachten mee met de perioden van de maan, golvend op de maat. 14 en 14 is het getal van Osiris. Dat zijn de dagen van de afnemende en wassende maan. Periode heet in het Egyptisch ‘un’. Dat betekent tegelijkertijd ook haas, bij uitstek het dier van de vruchtbaarheid. Zo kwam dan ieder jaar in het oude Egypte, maar ook op andere plaatsen, de paashaas aangesprongen. Het paasfeest was aan de zon, maar ook aan de maan gewijd.

In het gebied van de Oud-Germaanse volken vinden we een godin als vertegenwoordigsters van het nieuwe leven. Het is de lentegodin Ostara, op andere plaatsen Eostre genoemd. Haar feest was in april (Eostur monath). Hierin is zowel de Engelse als de Duitse naam voor Pasen te horen: Easter en Ostern.

Met dit jaarlijkse ritmische proces van dood en opstanding hebben alle volken geleefd. Steeds overwint het leven, net zoals in het sprookje de prins Doornroosje uit haar slaap van honderd jaar wekt; in het sprookje ‘De wachtelboom’ is dit paasmotief nog sterker. Hier wordt de zoon (broeder) door de boze stiefmoeder gedood. Maar de dood van de zoon leidt niet tot vergaan. Het is een dood tot nieuw leven. Hij wordt onder een boom begraven. Maar vanuit de boom stijgt een nevelwolk omhoog, uit de nevel laait een vuur op en uit het vuur vliegt een prachtige vogel die begint te zingen. Hij zingt zo mooi over alle daken van de huizen dat de mensen hun werk in de steek laten en op zoek gaan om de schitterende vogel te zien en zijn gezang te horen. Hij is de zon op paasmorgen. Op het eind van het sprookje verandert de vogel. De boze stiefmoeder die de zoon gedood had, wordt door een molensteen verpulverd (net zoals de doodsgod Mot door Baal wordt overwonnen) en uit vuur en nevel komt de zon ongeschonden levend te voorschijn.

Zouden de mensen echter nu tot in alle eeuwigheid in de vegetatieve kringloop van het jaarritme moeten leven? Zouden ze nu voor altijd in dit gezamenlijke kuddebewustzijn dat het vegetatieve natuurleven noodzakelijkerwijs met zich mee bracht moeten verwijlen? Zouden zij nooit tot een innerlijke geestelijk zelfstandige ontwikkeling komen, onafhankelijk van het jaarverloop?

Dit is het punt waarop het volk der Joden in de wereldgeschiedenis zijn intrede doet. Dit ‘uitverkoren’ volk wordt uit het vruchtbare land Gosen weggevoerd, weg van de vleespotten van Egypte, de dorre woestijn in. Het volk moet de vruchtbaarheidsgod, de Apis-stier, de zonnegod Baal die ieder jaar nieuw tot leven komt, de rug toekeren. Het volk moet God, de heer, volgen, Jahwe, de ‘Ik-ben” die gedurende de omloop van het vegetatieve jaar niet sterft en opstaat, maar onvergankelijk is en die spreekt tot het diepst van het innerlijk en het morele leven.

Het volk ervaart door dit uitverkoren zijn een nieuwe dood. En de opstanding is een nieuw innerlijk leven, niet alleen maar meer een herhaling van de natuurkracht.

Wanneer verlaten de Israëlieten Egypte? Met Pasen, op de veertiende dag in de maand Niesan, die wat de volle maan betreft, overeenkomt met onze maand april of eind maart. Zij eten het paaslam, de ongezuurde broden met de bittere kruiden. Het oude lentefeest krijgt hier een nieuwe inhoud. En het bloed van het offerlam werd op de deurposten gestreken, opdat de verderver het volk niet ten gronde kan richten, zodat het verlost uit Egypte vertrekken kan.

De verderver  (Exodus 12 – 12,23) gaat aan hen voorbij en spaart hen die uit vrije wil Egypte loslaten om zich voor te bereiden op het nieuwe innerlijke leven.

‘Voorbijgaan, overslaan’ betekent in het Hebreeuws ‘Pe’sach’. Van nu af aan werd dit de inhoud van het joodse paasfeest.

Het was een herinneringsfeest aan een cultureel gegeven, een teken dat het verschil tot uitdrukking brengt; dat er ieder jaar opnieuw moet zijn, niet omdat het iets met het natuurleven heeft te maken – in tegendeel – het betekent juist het vrij geworden zijn van het natuurleven. En de paasmaand moet de eerste maand van het jaar zijn.

Maar zich af keren van het natuurleven is moeilijk. Het Israëlitische volk verlangt keer op keer weer naar de vleespotten van Egypte terug.

Maar de goden die in hun tijd nog goed waren, bv. de vruchtbaarheidsgod Apis, worden op het ogenblik dat er een nieuwe ontwikkelingsfase bereikt is, meteen wanneer de mensen weer in het oude terugvallen, iets heel anders. Dan worden deze goden afgoden die het volk afhouden van zijn eigenlijke opdracht. Ze worden tot boze machten. De profeten van Israël moeten hun uiterste best doen om het weerbarstige en hardnekkige volk weg te houden van de verleidingen van Baäl.

Slechts een kleine groep is drager van de grote nieuwe mensheidsimpuls. Maar die leidt er niet toe dat deze voor heel de mensheid gaat gelden; ook niet individueel. Het volk van de Joden treedt binnen in de historische ontwikkeling, het leidt niet tot een vervolmaking. Het leeft in verwachting van het grote dat komen gaat, dat daarin zal plaatsvinden. Het is alleen voorbereiding.

En dan komt de Christus-impuls als het beslissende keerpunt in de ontwikkeling. In het volk van de Joden ligt het uitgangspunt, maar treedt tegelijkertijd buiten de grenzen ervan. Alles concentreert zich in ‘de enkeling’ en daarom omvat het de gehele mensheid: ‘Daar is niet meer Jood of Griek, niet meer slaaf of vrije, niet meer mannelijk of vrouwelijk; want u bent allen Eén in Christus Jezus.’

Deze nieuwe gemeenschap is geheel onafhankelijk van de bloedsbanden van het volk en geheel onafhankelijk van sociale status. Zij vindt haar grondslag in wat in het individu zich afspeelt. Wat is daarbij het meest doorslaggevende? De dood en de opstanding. Het is wat met Pasen gebeurt:
‘Of weet u niet, dat wij allen die door de doop in Christus Jezus zijn ingewijd, in zijn dood zijn ingewijd? Wij zijn door de doop met hem begraven in de dood, opdat gelijk Christus uit de doden opgewekt werd door de lichtmacht van de Vader, zo ook wij in de kracht van een nieuw leven zullen wandelen. Zijn wij met hem saamgegroeid door het gebeuren dat op zijn dood gelijkt, dan zullen wij het ook zijn door een opstanding als de zijne. Wij worden ons ervan bewust, dat onze oude mens medegekruisigd werd, opdat het orgaan der zonde teniet gedaan zou worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn. Want wie gestorven is, wordt uit de ban der zonde bevrijd. Indien wij met Christus gestorven zijn, vertrouwen wij daarop, dat wij ook met hem zullen leven. Wij ervaren, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft; de dood heeft geen macht meer over hem. Want door zijn sterven is hij voor de zonde eens en voorgoed gestorven; zijn leven echter leeft hij voor God. (Paulus, brief aan de Romeinen 6 – 3/10).

Hierdoor heeft Pasen een heel nieuwe inhoud gekregen. Het oerbeeld van de mens vind je hier als een uitbottende knop voor een nieuwe wereldorde. Uit hem moet een nieuwe wereld ontstaan: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Heel de schepping wacht op verlossing die door de nieuwe ‘Adam’ door kan breken.

Terwijl het vóórjoodse paasfeest gewijd was aan het ritme van het jaarverloop, wordt hier in dit paasgebeuren de hele mens , de hele mensheid, zelfs het hele ritme van de aarde-ontwikkeling in een grote omvattende dood en de opstanding daaruit samengevat.

Het christelijke Pasen plaatst de mens en de aarde op de voorgrond. Hier heerst een heel andere stemming dan bij het joodse paasfeest!

In beide gevallen ondernemen de tegenmachten alles wat zij maar kunnen om dit nieuwe leven te doden. De machten der duisternis proberen alles om het verschijnen van het licht te verhinderen. Farao weigert het volk hardnekkig te laten vertrekken. Het wordt echter door een vuurkolom geleid. Alleen Mozes, de leider, kan met de Heer in de vuurkolom spreken. De geboden van de Heer komen van buiten naar het volk. Met ontzetting en schrik gehoorzaamt het aan de wet die zegt: ‘Gij zult’ en ‘’gij zult niet’. De wet geldt voor het volk als geheel.

Het christelijke Pasen is niet voor een volk bedoeld. Het is bedoeld voor de enkeling. Een aantal enkelingen zijn het die aan het nieuwe leven mogen deelnemen. Het christelijke Pasen leidt niet naar de vuurkolommen in de woestijn, zij leidt naar het christelijke Pinksteren waar de geestelijke tongen van vuur in het innerlijk van een ieder oplaaien. En het woord dat vanuit dit nieuwe vuur klinkt, kan door alle mensen, ongeacht de volksgrenzen, begrepen worden. Het doet de harten overstromen. –

De donderstem in de woestijn heeft plaats gemaakt voor de liefde. De stralende, reine en bevrijdende voorjaarszon is het, die op de morgen van de christelijke paasdag schijnt.

Het is niet de sabbat, de zevende en laatste dag van de week waarop men zich na zes arbeidsdagen in de buitenwereld zich terugtrekt in zijn innerlijk en beschouwend terugblikt. Het is de zondag, de paaszondag, de dag van de zon, waarop het leven van heel de aarde uit de dood opgewekt wordt.

We zien hier op een wonderbaarlijke manier hoe het christelijke paasfeest alle elementen van het joodse, vóórjoodse en ook de heidense paasstemming in zich verenigd heeft. Maar alles is veranderd, op een hoger plan gekomen en komt weer te voorschijn in een lichtender vorm. De kringloop van het jaar in dood en opstanding wordt zo tot een klein beeld van de grote dood en de grote opstanding.

Iedereen moet door de harde paasbeproevingen van het Joodse volk heen en de kelk tot op de bodem leegdrinken. Maar het nieuwe leven, de nieuw geboren zon zijn al in het innerlijk aanwezig. Waarom zouden de duizenden jaren oude symbolen van het nieuwe leven, het paasei, het paaslam en de paashaas niet ook deze nieuwe betekenis krijgen. Waarom zou je dit innerlijke leven niet ieder jaar wanneer de uiterlijke natuur tot nieuw leven gewekt wordt, niet steeds weer vieren.

Bij volle maan na de even lang durende lentedag – en nacht wordt het voorchristelijke paasfeest gevierd.

Op de eerste zondag na de volle maan na de even lang durende lentedag – en nacht wordt de christelijke paasdag gevierd.

Over het joodse paasfeest heerst de stemming van de volle maan en de nacht (Exodus 2 – 12, 42-43)

Het christelijke paasfeest heeft de zonsopgang meteen na volle maan, dat betekent als de sabbat ten einde is: ‘Toen de sabbat was voorbijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij bij het graf. (Markus 16, 1-2).

Dat het paasfeest met de zondag als de eerste weekdag na de sabbat, na de eerste volle maan na de even lange dag en en nacht verbonden werd, was voor de eerste christenen zeer wezenlijk. Zo werd de oude samenhang bewaard en de nieuwe wezenlijke inhoud benadrukt.

Maar wat heeft het voor zin Pasen te vieren in overeenstemming met het alleen zaligmakende  ‘ware’ geloof; duizend keer op de ‘ware’ dag te vieren, wanneer daarbij niet iets plaatsvindt waaruit iets van de waarheid duidelijk wordt?

Het ware wezen van het christendom en ook het ware wezen van Pasen is iets, waarvoor je je door een muur van conventie en verstarde dogma’s heen moet vechten.

Hoe kunnen de volwassenen de kinderen helpen opdat ook zij deel kunnen hebben aan de levende kern van het christendom?

Boven al door het steeds groter worden van de werkelijkheid van deze kern voor de volwassene. Hoe zou je de kinderen kunnen leren dienen wanneer je niet zelf een dienaar bent? Hoe zou je kinderen eerbied en liefde voor de waarheid leren, wanneer je niet zelf een zoeker naar waarheid bent? Hoe zou je kinderen liefde leren, wanneer die voor iemand zelf een leeg woord is of een zalvende frase?

Hoe kun je Pasen, ook inhoudelijk, voor kinderen beleefbaar maken?

Er zijn veel mogelijkheden. Maar in deze onoverzichtelijke hoeveelheid is er één basis die beslissend is: dat je kijkt naar de leeftijd van het kind.

Tot in de 2e klas (8 jr) leeft het kind nog met een zo beeldend, spelend en dromend bewustzijn, dat je dit het beste tegemoet komt, wanneer je dat wat met Pasen gebeurt in de vorm van sprookjesbeelden tot uitdrukking brengt. In veel opzichten maakt het kind op deze leeftijd een bewustzijnsfase door die te vergelijken is met die van de voorchristelijk en voorjoodse. Het is vanzelfsprekend dat de dood gevolgd wordt door de overwinning van het leven. Wanneer in een sprookje de prins sterft en weer levend wordt, betekent dit voor het kind een bevrijding, een verlossing. Een sprookje af te willen sluiten met de dood van de prins, zou misplaatst zijn. Een dergelijke dood is te vergelijken met de doornroosjesslaap, een overgangsfase naar een nieuw, sterker leven. Er zijn veel sprookjes die dood en opstanding als een verborgen motief in zich hebben. Wanneer je de kinderen sprookjes vertelt is het van doorslaggevende betekenis als de verteller de samenhang begrijpt. Die verklaar je de kinderen natuurlijk niet, daarmee zou je het spontane van de sprookjesbeelden verstoren. Het bewustzijn van de verteller geeft de sprookjesbeelden pas het juiste gewicht. Wanneer de volwassene de werkelijkheid van de sprookjesbeelden doorziet, werken deze met grotere levenskracht op het kind.

Wanneer je de kinderen zulke paassprookjes verteld hebt waarin de overwinning van het leven op de dood in frisse beelden tevoorschijn komt, dan kun je op een spelende en tegelijkertijd feestelijk-eerbiedige manier die eeuwenoude symbolen gebruiken: het paasei, het paaslam en de paashaas. De paashaas en de rood beschilderde verstopte eieren, door de kinderen te laten zoeken, is wel de beste manier voor de heel kleinen. Wat grotere kinderen, kunnen met vlijt en moed deze ‘beelden van het leven’ zelf maken. Nooit zou je groene of blauwe paaseieren moeten gebruiken, want het is de opgaande zon, het zegevierende leven, in beeld gebracht en dat beleven de kinderen het sterkst aan de rood of oranje kleur.

Een feestelijke en vrolijke stemming kun je daarbij alleen bereiken, wanneer je de kinderen eerst iets vertelt, waarmee ze ook werkelijk kunnen leven.

Vanaf klas drie hebben de kinderen iets meer nodig dan het natuurbeleven en de eerbied en dankbaarheid tegenover god de vader, de bron van al het leven. Op deze leeftijd krijgen de kinderen een zelfstandiger Ik-gevoel. Ze komen in de fase waarin het goddelijke ook in het morele, in het innerlijk gevonden kan worden en niet alleen meer in de grote paradijselijke natuur. Nu hebben de kinderen de geschiedenis van het volk der Joden uit het Oude Testament nodig. Op deze leeftijd moeten de kinderen, beeldend gesproken, uit Egypte weggeleid worden, naar de berg Sinaï waar hun de morele wet met alle kracht tegemoet komt.

Pasen, als joods Pasen, gaat de weg van buiten naar binnen. Diezelfde weg gaat ook het kind op deze leeftijd. – zo als het Joodse volk zich als groep beleeft, voelen ook de kinderen zich nog in klas drie. Maar als een groep die op weg is naar de zelfstandigheid van de enkeling.
Vanaf de zesde en de zevende klas zijn de kinderen hierop al een schrede verder gekomen. Zij hebben de eenvoudige beelden van de oosterse volksgeschiedenis gevolgd. Ze zijn tot aan Hellas en Rome gekomen, waar het recht van de enkeling en het ontoereikende van de volksgroepen aanschouwelijk te voorschijn komen. – op deze manier komen de kinderen door de samenhangende wereldgeschiedenis bij het christelijke paasfeest. Betekent dat dat je de kinderen vóór ze in de zesde klas komen niets uit de evangelies kunt vertellen? Dat is hier zeker niet zo bedoeld.

Al in de allereerste kindertijd kun je van het kind in Bethlehem vertellen; van het licht dat in de donkere wintertijd straalt; van de herders die het kind aanbidden, van de wijze koningen die met hun rijke gaven goud, wierook en mirre komen, van Herodes en de vlucht naar Egypte. Bijzonder uitgebreid kun je tijdens de kerstvoorbereidingen in de eerste en tweede klas bij deze beelden stil blijven staan. Dit speelt zich af in een tijdloze sprookjesstijl. Ieder jaar kan dit weer herhaald worden.

En verder, in de vierde en vijfde klas kun je de aansprekende beelden van de evangelische gelijkenissen vertellen, de wonderen, genezingen en woorden van wijsheid. Je zou ze moeten behandelen als tijdloze, eeuwige gebeurtenissen die altijd werkelijkheid zijn.

Het eigenlijke christelijke Pasen wordt pas dan begrepen als het kind er rijp voor is en daarop moet je geduldig wachten. Het gaat erom dat het kind de tijd van de wereldgeschiedenis kan beleven. In het bijzonder geldt dit voor het beleven van de dood.

Op de leeftijd van twaalf worden de botten zo vast en hard dat het kind vanaf die tijd in staat is de dood heel anders en helderder te vatten dan vroeger. Het natuurwetenschappelijk onderwijs moet tot in de fysieke en mechanische wetten komen.

Vanaf deze leeftijd (12-14) hoort het bij de ontwikkeling van de mens de dood in zijn volle consequentie te kunnen doordenken; het hele wereldal als een grote dode machinerie, een uurwerk van dode, losse delen. Maar ook te doordenken: wat is sterker dan de dood, hoort bij deze leeftijd. Vanaf deze leeftijd hoort het ook bij de ontwikkeling van de mens het christelijke Pasen, in de enkeling, in de hele mensheid als leed, dood en opstanding te leren kennen.

Je doet het kind onrecht wanneer je het al eerder met deze problemen belast. Hoe groter de eerbied tegenover het machtig goddelijke dat zich in het christelijke paasfeest openbaart in iemand leeft, des te voorzichtiger zul je deze benaderen en des te voorzichtiger zul je ook zijn om het juiste tijdstip en de juiste manier te vinden om dit grote aan de kinderen mee te delen.

Goethe had deze diepe eerbied in hoge mate. In ‘Wilhelm Meisters Wanderjahre’ schetst hij (2e boek, 2e hoofdstuk) hoe men in de ‘pedagogische provincie’ kinderen opvoedt. Hoe laat hij de kinderen met het Oude en Nieuwe Testament kennismaken? Op een kunstzinnig-beeldende manier. En hij hanteert tegelijkertijd een strenge driedeling.

De eerste bevat het Oude Testament met zijn grootse, dramatische beelden. De tweede omvat de evangeliën in meer innerlijke en tederder beelden. Die gaan tot het avondmaal, voor de lijdensgeschiedenis begint. Hier, vóór het derde onderdeel trekt Goethe een dikke streep.

Wat daarna komt, het lijden, de dood en de opstanding, laat Goethe in de ‘pedagogische provincie’ in de loop van de jaren nog verborgen. Alleen in de paastijd worden deze verheven beelden tijdens een feestelijke handeling openbaar. Alleen de oudste leerlingen mogen erbij zijn. Goethe noemt geen bepaalde leeftijd, maar uit de samenhang kun je opmaken dat deze niet vóór het twaalfde jaar ligt.

Deze voorzichtige en aparte, uitgezochte en grondige voorbereidingen om nader te komen tot de wezenlijke kern van het paasfeest, betekenen het tegendeel van deze als minder belangrijk terzijde te willen zetten. Zoals Goethe zegt: ’Wij leggen een sluier over dit lijden, juist omdat wij er zo’n diepe eerbied voor hebben.’

.

Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Ritmenalle artikelen

Vrijeschool in beeldPasen

811-746

.