Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 30 juli 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het voornamelijk over hoe om te gaan met een collega die niet voldoet. Tijdens de discussie hierover komen nog andere vragen op: wie worden er eigenlijk toegelaten tot de vergadering.

Over ontslag van een leerkracht <1>  <1a>
Wie komt er bij de lerarenvergadering <2>  <2a>
Moet je als leerkracht antroposoof zijn <3>
In de handwerkles: vingerhoed <4>

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A   

Vergadering van vrijdag 30 juli 1920, 15u

Blz. 193

X.: Die Anstellung neuer Lehrer müßte besprochen werden.

<1> X.: Het aannemen van nieuwe docenten moet besproken worden.

Dr. Steiner: Es handelt sich also um die Personalfrage. Es handelt sich darum, daß unser bisheriger Lehrer für den Handfertigkeitsunterricht nicht das leisten konnte, was man von ihm erwarten muß, und daß deshalb an einen Ersatz gedacht werden muß. Es ist vielleicht nicht notwendig, über die Einzelheiten zu sprechen. Ich weiß nicht, inwiefern es bekannt ist. Es handelt sich darum, daß er einerseits nicht fertig wurde mit den großen Klassen, daß er gesagt hat, daß die Kinder der oberen Klassen nicht zur Arbeit kämen. Das zeigt sich auch dadurch, daß die Kinder der oberen Klassen nicht fertig geworden sind.
Es ist ihm schwer geworden, sich in ein Gebiet, das er zu betätigen hat, hineinzufinden. Es zeigte sich mir, daß er nicht die genügende praktische Begabung hat, daß die Arbeiten, die er machen läßt, nicht gut sein können, weil er selbst nicht den Blick dafür hat, was exakt ist. Manche dieser Arbeiten blieben Spielereien und wurden nicht zu dem, was sie sein sollten. Die Kinder haben kein exaktes Arbeiten bei ihm gelernt. Im Gartenbauunterricht, da blieb die Arbeit darin stecken, daß jedes Kind ein kleines Gärtchen bekam, wo die Kinder

Het is een personeelskwestie. Het probleem is dat onze vorige docent voor handvaardigheid niet aan de verwachtingen voldeed en daarom moet er een vervanger gezocht worden. Het is misschien niet nodig om in detail te treden. Ik weet niet in hoeverre die details bekend zijn. Het probleem is dat hij enerzijds de grote klassen niet aankon en dat hij zei dat de kinderen in de hogere klassen niets deden. Dit blijkt ook uit het feit dat de kinderen in de hogere klassen hun werk niet afmaakten. Hij had moeite om de stof die hij moest behandelen goed onder de knie te krijgen. Het werd me duidelijk dat hij onvoldoende praktische vaardigheden had en dat het werk dat hij opgaf niet goed kon zijn, omdat hij zelf geen oog had voor precisie. Sommige van deze opdrachten waren niet serieus en werden niet wat ze hadden moeten zijn. De kinderen leerden van hem geen precisiewerk. Tijdens de tuinlessen liep het werk vast doordat elk kind een kleine tuin kreeg waar de kinderen

Blz. 194

wild das draufsetzten, wozu sie Lust hatten, das mehr ein Kindergärtchen als ein Schulgarten geworden war.
Was aber das Schwerwiegendste ist, das ist, daß er kein Herz für die Dinge aufgebracht hat, die ihm oblagen; daß sein Interesse darin liegt, sich mit gutem Studium zu beschäftigen, daß aber darüber das, was eigentlich zu tun gewesen wäre — eine Durcharbeitung seines Gartenunterrichts zu pflegen —, eben nicht geschah. So daß für mein Urteil schließlich nichts übrig bleibt, als sich nach einer besseren Kraft umzusehen. Ich glaube, daß eine wirklich künstlerische Durchdringung des Handfertigkeitsunterrichts von seiner Seite nicht möglich sein wird. So wie sich die Dinge entwickelt haben, ist es unmöglich, daß wir ihn im Kollegium weiter haben. Er ist kein Mann, der sich hineinfindet in den Geist der Schule.

lukraak plantten wat ze maar wilden, en het was meer een kleutertuin geworden dan een schooltuin.
Maar het grootste probleem is dat hij geen enkele betrokkenheid toonde bij de taken die hem werden toevertrouwd; dat zijn interesse lag in grondige studies, maar dat wat had moeten gebeuren – een grondige ontwikkeling van zijn tuinbouwonderwijs – gewoonweg niet gebeurde. Dus, naar mijn mening, rest ons niets anders dan op zoek te gaan naar een betere leraar. Ik geloof dat een echt artistieke benadering van het aanleren van praktische vaardigheden niet mogelijk zal zijn vanuit zijn perspectief. Zoals de zaken zich hebben ontwikkeld, is het voor ons onmogelijk om hem in dienst te houden. Hij is niet iemand die de geest van de school kan aanvoelen.

X.: Es ist natürlich wichtig, weil wir ihn hergebracht haben, daß wir ihn auch
so unterbringen, daß er nicht zu einem Feind wird, wenn wir ihn absetzen.

X.: Het is natuurlijk belangrijk, nu we hem hebben aangenomen, dat we ook een manier vinden om hem tegemoet te komen, zodat hij geen tegenstander wordt wanneer we hem ontslaan.

Molt: Ich werde das meine Sorge sein lassen, zu sehen, wie wir ihn unterbringen.

Molt: Ik zal op me nemen om te kijken hoe we hem tegemoet kunnen komen.

X..Ich wollte nur bemerken, daß ich die Sache nicht ganz verstehe. Y. hat sich große Mühe gegeben, sich in den Geist der Sache hineinzufinden. Er hat meine Kinder gut beurteilt. Im Gartenbau ging es gut mit meiner Klasse. Ins Künstlerische wird er sich hineinfinden.

X.: Ik wilde alleen even aangeven dat ik de zaak niet helemaal begrijp. Y. heeft
veel moeite gedaan om de kern van de situatie te begrijpen. Hij heeft
mijn kinderen goed ingeschat. Hij deed het goed bij tuinbouw in mijn klas. Hij vindt vast wel zijn weg in de kunstwereld.

Dr. Steiner: Das wird schwer gehen. Das Künstlerische bezog sich auf den Handfertigkeitsunterricht. Da ist es so, daß er kaum sich wird
hineinfinden können.

Dat wordt lastig. Het artistieke aspect waar het over gaat, is de instructie in handvaardigheid. Hij zal er nauwelijks in slagen om zich daarin te verdiepen.

X.: Er hat den besten Willen. Er wird es sehr schwer empfinden. Er will in
den Ferien Schreinerei noch besser lernen, auch Schuhmacherei.

X.: Hij heeft de beste bedoelingen. Hij zal het erg moeilijk vinden. Hij wil tijdens de vakantie zijn timmermansvaardigheden verbeteren, en ook zijn schoenmakersvaardigheden.

Frau Dr. Steiner: Ich glaube zu bemerken, daß Y. etwas Zutrauliches hat.

Vrouw van Dr. Steiner: Ik denk dat ik merk dat Y. een zekere mate van vertrouwen geniet.

Dr. Steiner: Das ist zweifellos, daß er sich gern mit den Kindern
beschäftigt, daß er ernsthaft hinein will. Es fehlt an verschiedenen
Stellen. In dem Moment, wo ich mehr das eine oder das andere
hervortreten sah, immer mußte ich zu dem Entschluß kommen, daß
es nicht möglich ist, ihm diese Sache zu überlassen.

Het klopt ongetwijfeld, dat hij graag bij de kinderen is, dat hij het serieus neemt. Hij schiet op verschillende gebieden tekort. Zodra ik merkte dat een van die gebieden sterker naar voren kwam, moest ik altijd concluderen dat het niet mogelijk was om dit aan hem over te laten.

X.: Ist ein Grund da, ihn als Mensch auszuschließen, oder könnte man ihn
anderswo, etwa in der Bibliothek, beschäftigen?

X.: Is er een reden om hem als persoon uit te sluiten, of zou hij ergens anders aan de slag kunnen, bijvoorbeeld in de bibliotheek?

Dr. Steiner: Nicht wahr, es ist schwierig, das klipp und klar auf eine
Formel zu bringen. Ich glaube, daß es ihm schwer wird, sich in den
ganzen Geist der Schule hineinzufinden, weil er dazu noch nicht den
Geist in sich hat.

Het is moeilijk om dat klip en klaar samen te vatten. Ik denk dat hij het moeilijk zal vinden om de hele geest van de school te omarmen, omdat hij die geest nog niet in zich heeft.

Blz. 195

Nun, nicht wahr, es ist ja so, einer der darin ist, der kann mitgezogen werden. Aber glauben Sie denn, daß es auf die Dauer möglich ist, ihn für den ganzen Handfertigkeitsunterricht zu haben? Für den ganzen Handfertigkeitsunterricht ihn zu haben, würde nicht möglich sein.
Es würde möglich sein für die vier unteren Klassen, wenn wir einen Lehrer für die höheren Klassen hätten. Ob er geistige Kapazität dazu hat, in den höheren Klassen Handfertigkeit zu geben, das bezweifle ich. Ich habe angesehen, wie gearbeitet wird. Das ist ganz schön für die kleinen Kinder, wenn sie sich überhaupt anstrengen. Aber später, wo ein gewisser kunstgewerblicher Geist hinein muß, ist es eine Frage, ob er den Geist bekommen kann. Es macht große Schwierigkeiten, und es muß viel umgedacht werden, wenn er bleiben sollte.
Ich habe den Eindruck bekommen, daß dies die allgemeine Meinung des Kollegiums ist.
Der Mann hat dichterischen Ehrgeiz, aber er bildet sich sehr viel ein.
Er hat einen Fond von gutem Willen. Mir tut er leid, weil ich glaube, daß sich in ihm ein starkes Ressentiment entwickeln wird. Schwierigkeiten macht es immer, wenn so jemand, der eine gewisse persönliche Note in den Dingen hat, in so etwas wie die Schule hineingestellt ist.

Het klopt inderdaad dat iemand die er al bij betrokken is, mee kan gaan. Maar denk je echt dat het op de lange termijn mogelijk is om hem voor al het handvaardigheidsonderwijs te gebruiken? Dat zal niet mogelijk zijn. Het zou wel mogelijk zijn voor de vier lagere klassen als we een docent voor de hogere klassen hadden. Of hij de intellectuele capaciteit heeft om handvaardigheid in de hogere klassen te onderwijzen, betwijfel ik. Ik heb gezien hoe het werkt. Het is best leuk voor de kleintjes, als ze tenminste een beetje hun best doen. Maar later, wanneer een bepaalde artistieke geest moet worden bijgebracht, is het de vraag of hij die geest kan verwerven. Dat levert grote problemen op en er moet flink over nagedacht worden als hij zou moeten blijven. Ik heb de indruk dat dit de algemene mening van de leerkrachten is.
De man heeft poëtische ambities, maar hij is erg verwaand. Hij heeft goede bedoelingen. Ik heb medelijden met hem, want ik denk dat er een sterke wrok in hem zal ontstaan. Het is altijd lastig wanneer iemand met zo’n persoonlijke touch in dingen terechtkomt in een omgeving zoals een school.

Er hat in all den Dingen eine persönliche Note. Er ist wenig auf das Sachliche eingestellt. Er möchte ein Mensch sein, der es dazu gebracht hat, Waldorflehrer zu sein. Er möchte Dichter sein. Er möchte, daß die Kinder zu ihm Zutrauen haben. Die besonderen Eigenschaften, die er hat, all das fordert das Mitleid heraus. Es müßte gesorgt werden, daß ihm ein Ersatz geschaffen wird. Aber schwierig wird es immer sein mit ihm. Denn er wird gewisse Dinge aus dem
Geist der Waldorfschule heraus gar nicht verstehen, besonders auch im Handfertigkeitsunterricht selbst. Es ist furchtbar schwer, auf diesem Gebiet, wo Sachlichkeit notwendig ist, das Mitleid spielen zu lassen. Es führt leicht auf Abwege.
Ist denn eine Möglichkeit vorhanden, daß man die Sache so löst, daß man ihn in den vier unteren Klassen hat? Das wäre wünschenswert. Wir kommen dadurch auf ein mächtiges Budget. Die Schule wird größer.

Hij geeft overal een persoonlijke draai aan. Hij is niet erg gefocust op het doel. Hij wil iemand zijn die het tot Waldorfleraar heeft geschopt. Hij wil dichter worden. Hij wil dat de kinderen hem vertrouwen. Zijn bijzondere kwaliteiten wekken medelijden op. Er moet voor gezorgd worden dat er een vervanger voor hem gevonden wordt. Maar dat zal altijd lastig blijven met hem. Omdat hij bepaalde aspecten van de geest van de Waldorfschool simpelweg niet zal begrijpen, vooral niet in de lessen over praktische vaardigheden. Het is ontzettend moeilijk om medelijden toe te laten in dit gebied, waar objectiviteit noodzakelijk is. Het leidt ons gemakkelijk op een dwaalspoor. Is er een manier om de situatie op te lossen zodat hij in de vier lagere klassen kan werken? Dat zou wenselijk zijn. We komen dan wel op een aanzienlijk budget. De school zou groter worden.

Molt: Mir scheint, nur um eine Sinekure zu schaffen, dafür ist kein Geld da,
wo wir neulich gesehen haben, daß wir mit jedem Pfennig rechnen müssen.
Das wird nötig sein, daß man im Zusammenhang der Firma etwas unternimmt, daß ihm nicht geschadet wird und nicht wehgetan wird.

Molt: Het lijkt me dat er geen geld is om zomaar een sinecure te creëren,
vooral omdat we onlangs hebben gezien dat we op elke cent moeten letten. Er zal binnen het bedrijf iets moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat hij geen schade ondervindt.

Dr. Steiner: Untergebracht muß er werden. Man muß sehen, wie man ihn unterbringt. Ein sehr schwieriger Fall.
Sachlich ist dies zu sagen, daß er der Aufgabe nicht gewachsen war.

Er moet rekening met hem worden gehouden. We moeten kijken hoe we hem tegemoet kunnen komen. Een zeer lastig geval.
Objectief gezien was hij niet geschikt voor de taak.

Blz. 196

Er hat nicht den künstlerischen Geist. Ich glaube nicht, daß er sich in den hineinfinden würde. Wie gesagt, es würde das gar nicht schaden, wenn er die unteren Klassen haben würde, ein anderer die oberen Klassen. Oftmals wird dadurch am meisten erreicht. Die Kinder werden einfach arbeiten. Nachher, wenn sie sich mittätig erweisen müssen, ist es um so besser. Sachlich ist nichts einzuwenden für die untersten Stufen, aber für die oberen Stufen reicht er nicht mehr aus.

Hij heeft geen artistiek talent. Ik denk niet dat hij dat zou kunnen ontwikkelen. Zoals ik al zei, zou het geen kwaad kunnen als hij de lagere klassen lesgeeft en iemand anders de hogere klassen. Vaak is dat de meest effectieve manier om dingen voor elkaar te krijgen. De kinderen zullen gewoon aan de slag gaan. Daarna, wanneer ze actief moeten deelnemen, is dat alleen maar beter. Er is niets mis met hem voor de lagere klassen, maar hij is niet meer geschikt voor de hogere klassen.

X.: Ist es beabsichtigt, alles in einer Hand zu lassen ?

X: Is het de bedoeling dat alles onder één controle blijft?

Dr. Steiner: Das sind budgetäre Fragen. Beim Handfertigkeitsunterricht ist es so, daß man sich nach der Decke streckt. An sich wäre wünschenswert, daß der Handfertigkeitsunterricht recht stark ausgebaut wird. Wenn wir einen Handfertigkeitslehrer haben, würden wir auskommen, wenn wir von der 6. Klasse an den Unterricht geben lassen. Etwas anderes kommt dadurch herein, daß wir Gartenbauunterricht geben. Das erfordert auch eine sachverständige Kraft. Ich würde am liebsten sehen, wenn wir zwei hätten, daß der eine das eine Jahr den Handfertigkeitsunterricht gibt, der andere den Gartenbauunterricht gibt.

Dat zijn budgettaire kwesties. Met handvaardigheidsonderwijs werken we binnen onze middelen. Idealiter zou het handvaardigheidsonderwijs aanzienlijk uitgebreid moeten worden. Als we één docent handvaardigheid hadden, zouden we het kunnen redden als iemand anders het vanaf de zesde klas zou geven. Een andere factor is dat we ook tuinbouwonderwijs aanbieden. Daar is ook een gekwalificeerde docent voor nodig. Ik zou het liefst zien dat, als we er twee hadden, de ene het ene jaar handvaardigheid geeft en de andere tuinbouw.

Es kommen die Dinge in Betracht, daß wir für die Schule gewisse
Schwierigkeiten haben, wenn wir ihn behalten. Ich habe den Eindruck gehabt, daß es die Meinung des ganzen Kollegiums sei; ich habe anfangs gemeint, es sei eine beschlossene Tatsache. Aber jetzt, wo ich sehe, daß es nicht so ist, ist es gut, daß wir uns unterhalten haben und daß wir erfahren haben, daß es nicht so
ist.

Er komen dingen aan het licht waaruit blijkt dat de school bepaalde problemen zal ondervinden als we hem aanhouden. Ik had de indruk dat dit de mening van het hele personeel was; aanvankelijk dacht ik dat het al besloten was. Maar nu ik zie dat dit niet zo is, is het goed dat we erover hebben gepraat en dat we hebben vernomen dat het niet het geval is.

X.: Ist es nicht möglich, das früher zu bemerken, daß ein Mensch nicht taugt
für diese Arbeit?

X: Is het niet mogelijk om eerder te zien dat iemand niet geschikt is voor deze functie?

Dr. Steiner: Ich habe es schon lange bemerkt. Ich habe es schon
Weihnachten und im Februar gesagt. Ja, nicht wahr, ich bin ja nicht gern darauf eingegangen, weil es mir eine schreckliche Sache war, was leider oft vorgekommen ist, daß Leute ausgeschlossen worden sind. So ging ich darauf nicht gerne ein. Es sind manche Momente dazugekommen in den letzten Tagen, die die Sache plausibler erscheinen lassen. Ja, dann wird nichts übrigbleiben, als daß wir eine andere Lösung suchen. Dann müssen wir eine andere Lösung suchen.

Ik heb het al lang geleden opgemerkt. Ik heb het al met Kerstmis en in februari gezegd. Ja, het klopt, ik wilde het niet aankaarten omdat het voor mij vreselijk was, en helaas gebeurde dat vaak, dat mensen werden buitengesloten. Dus ik wilde er niet op ingaan. De afgelopen dagen zijn er dingen naar voren gekomen die de zaak aannemelijker maken. Ja, dan rest ons niets anders dan een andere oplossing te zoeken. Dan moeten we een andere oplossing vinden.

X.: Jedenfalls muß eine erste Kraft für den Handfertigkeitsunterricht herkommen. Es läßt sich so machen, daß man ihn einer ersten Kraft als zweite Hilfe gibt. Herr X. wollte sich damals um die Handfertigkeit annehmen.

X.: In elk geval is een eerste kracht nodig voor handvaardigheidsonderwijs. Het kan zo geregeld worden dat we hem een eerste kracht als tweede assistent geven. Meneer X. wilde destijds graag zelf de handvaardigheidslessen verzorgen.

Blz. 197

Dr. Steiner: Ich habe gesagt, daß es am besten ist, wenn jemand, der im Lehrerkollegium ist, selbst Schuhe machen lernt. Es war nicht meine Meinung, daß wir einen Handwerker anstellen. Es muß der Handfertigkeitsunterricht aus dem Lehrerkollegium hervorgehen. Y. war plötzlich da. Erwähnt worden ist er mir nur ganz flüchtig. Es war ja nicht der Gesichtspunkt, ihn ganz zum Handfertigkeitslehrer zu nehmen.

Ik zei dat het het beste is als iemand van het docententeam zelf leert schoenen te maken. Het was niet mijn idee om een ​​ambachtsman aan te nemen. De praktische vaardigheden moeten vanuit het docententeam zelf worden aangeleerd. Y. was er ineens. Hij werd slechts heel kort genoemd. Het was niet de bedoeling om hem de enige docent praktische vaardigheden te maken.

X.: Ins Lehrerkollegium ist er hereingewachsen, ohne daß es bestimmt war,
daß er hereinkommt.

X.: Hij is in het docententeam bij gaan horen zonder dat het de bedoeling was dat hij erbij zou komen.

Dr. Steiner: Jetzt sind wir in einer gewissen Weise dadurch gefangen.
Solche Dinge sollte man nicht so nehmen. Neulich, wir haben auch
davon gesprochen, war ich sehr überrascht, als jemand, der überhaupt noch nicht in Betracht kommt für das Lehrerkollegium, bei der Sitzung dabei war. Wer noch nicht im Kollegium tätig ist, kann doch nicht bei der Sitzung dabei sein.

Nu zitten we hier een beetje mee in de knel. Je moet zulke dingen niet zo lichtzinnig opvatten.<1> 2<2> Onlangs bespraken we dit onderwerp nog, en ik was erg verbaasd dat iemand die niet eens in aanmerking komt voor het docententeam, aanwezig was bij de vergadering. Iemand die nog niet actief is in het team, kan onmogelijk bij de vergadering aanwezig zijn. <2>

X.; Ich glaube, daß man ihn ruhig als zweite Kraft nehmen könnte.

<1a> X.: Ik denk dat hij prima als tweede man ingezet zou kunnen worden.

Dr. Steiner: Es wird für eine Kraft zuviel werden, die Gartenarbeit und der Schuhmacherkurs. Dann muß es vom Budgetgesichtspunkt möglich sein, ihn zu besolden.

Het zal te veel zijn voor één persoon om de tuincursus en de schoenmakerscursus te geven. Vanuit budgettair oogpunt moet het dan mogelijk zijn om hem een ​​salaris te betalen.

Molt: Da möchte ich sagen, daß sich das Budget den großen Gesichtspunkten
unterordnet.

Molt: Ik wil graag benadrukken dat het budget ondergeschikt is aan het grotere geheel.

Dr. Steiner: Es hat sich bis jetzt kein Schaden gezeigt, wenn er darin war; es kann der Schaden sich erst zeigen, wenn er draußen ist. Er ist zum Lehrer sozusagen geworden auf eine Weise, wie mir das mehrfach in Stuttgart entgegengetreten ist. Wenn man fragt, wie sind sie hineingekommen, so ist es so, die Leute haben sich hineingeschoben.
Sie treten plötzlich auf. Ich kann nicht dahinterkommen, wie sie stufenweise aufgerückt sind. Nun, nicht wahr, das geht doch nicht auf die Dauer.
Nicht wahr, Herr X., Sie müssen denken, daß man auf die Dinge baut. Es hat sich darum gehandelt, daß abgesprochen war, daß Sie der geistige Umfasser des Handfertigkeitsunterrichts sind. Ich bin gefragt worden von Herrn Molt, ob der Y. in Betracht kommen wird als Handlanger von Ihnen. Aber davon war ich betroffen, daß er hier im Lehrerkollegium gesessen ist. Als Lehrer der Waldorfschule war er nicht in Aussicht genommen. Das bestätigt sich ganz gut, denn er ist Arbeiter der Waldorf-Astoria und ist abkommandiert hierher. So ist
gar nicht die geringste Berechtigung gewesen, ihn hier ins Lehrerkollegium hineinzusetzen.

Tot nu toe is er geen kwaad geschied zolang hij erbij betrokken was; de schade zal pas aan het licht komen als hij weg is. Hij is als het ware leraar geworden op een manier die ik in Stuttgart al vaker ben tegengekomen. Als je vraagt ​​hoe ze daar terecht zijn gekomen, is het antwoord dat mensen zich erin hebben gedrongen. Ze duiken plotseling op. Ik kan me niet voorstellen hoe ze zich geleidelijk omhoog hebben gewerkt. Nou ja, dat kan toch niet eeuwig doorgaan?Nietwaar, meneer X.? U moet toch denken dat je voortbouwt op bestaande structuren? Er was afgesproken dat u de spirituele leider zou zijn van het handvaardigheidsonderwijs. Meneer Molt vroeg me of Y. als uw assistent in aanmerking zou komen. Maar ik was verbaasd dat hij hier tussen de docenten zat. Hij was niet in aanmerking gekomen voor de functie van docent aan de Waldorfschool. Dat is volkomen duidelijk, aangezien hij in dienst is van de Waldorf-Astoria en hierheen is gedetacheerd. Er was dus absoluut geen rechtvaardiging om hem in het docententeam op te nemen.

Blz. 198

X.: Ich glaube, daß wir zu einer intimen Arbeit nicht kommen können, wenn
jemand unter uns ist, der nicht hineingehört.

X.: Ik geloof dat we niet in vertrouwen kunnen werken als
iemand onder ons is die er niet thuishoort.

Dr. Steiner: Wenn er schon einmal da ist, würde das nicht in Betracht kommen, wenn er in dem Fache tüchtig wäre, wenn sich nicht andere Schwierigkeiten hinzugesellten, daß Y. nicht mehr im Kollegium sein kann.

Aangezien hij er al is, zou dat geen probleem zijn als hij competent was in het vakgebied, als er geen andere moeilijkheden waren ontstaan ​​die Y. ervan weerhouden deel uit te maken van de lerarenvergadering.

X.: Es war ein Fehler, ihn hereinzunehmen.

X.: Het was een vergissing om hem aan te nemen.

X.: Diejenigen, die den Fehler begangen haben, das sind wir.

X.: Wij zijn degenen die de fout hebben gemaakt.

Dr. Steiner: Tragen wird ihn die Waldorfschule. Geradeso wie in der
Anthroposophischen Gesellschaft Fehler gemacht worden sind, und
trotzdem immer dieselben Fehler gemacht worden sind, mußte
immer ich darunter leiden. Unter jedem Herausgeschmissenen
mußte ich leiden! Hier wird die Waldorfschule darunter leiden, das
ist selbstverständlich. Ich halte es für besser, sie leidet von außen als
von innen.

De Waldorfschool zal de dupe worden. Net zoals er fouten zijn gemaakt in de Antroposofische Vereniging, en ondanks dat er altijd dezelfde fouten worden gemaakt, heb ik er altijd onder geleden. Ik heb geleden voor iedereen die is weggestuurd! Hier zal de Waldorfschool lijden, dat spreekt voor zich. Ik denk dat het beter is dat ze van buitenaf lijdt dan van binnenuit.

Nach weiteren Erörterungen:

Na nog wat opmerkingen:

Dr. Steiner: Nun, nicht wahr, da müssen wir halt versuchen, ihn zu
behalten, wenn es nicht anders geht.

Wel dan, nu zullen we hem gewoon moeten proberen te houden als er geen andere mogelijkheid is.

Nach einer weiteren Besprechung am andern Tag, von der keine Notizen vorliegen, wurde Y. mitgeteilt, daß er nicht mehr an der Waldorfschule mitarbeiten könne.

Na een volgende vergadering de volgende dag, waarvan geen notulen bestaan, werd Y. meegedeeld dat hij niet langer op de Waldorfschool kan werken. <1a>

Dr. Steiner: Es ist gar nicht von vornherein ausgemacht gewesen, daß jeder Fachlehrer im Lehrerkollegium sitzen soll. Es sollte da sein ein engeres Kollegium, in dem die Klassenlehrer sind mit den älteren Fachlehrern, und daneben das erweiterte Kollegium.

<2a> Het was van meet af aan nooit de bedoeling dat elke vakdocent deel zou uitmaken van de vergadering. Er zou een kernvergadering zijn, bestaande uit de klassenleraren en de meer ervaren vakdocenten, en daarnaast de uitgebreide vergadering.

X.; Mir scheint der Gesichtspunkt der zu sein, daß niemand im Kollegium sein
sollte, der nicht von Herrn Doktor berufen ist. Daß nicht jedes Hiersein in
irgendeiner Position einfach das selbstverständliche Beisitzen beim Kollegium
zu bedeuten hat.

X.: Het lijkt me dat het erom gaat dat niemand deel zou moeten uitmaken van de vergadering die niet door Dr. Steiner is aangesteld. Dat het feit dat je hier in welke functie dan ook bent, automatisch betekent dat je lid bent van de vergadering.

X.: Wer soll denn beim Kollegium sitzen?

X.: Wie zou er dan wel deel moeten uitmaken van de vergadering?

Dr. Steiner: Ja, im Kollegium sollten nur die sitzen, die leitende Lehrer sind, die ausübenden, nicht die beurlaubten. Im Kollegium müßten im Grunde genommen diejenigen sein, die ursprünglich zur Schule gehört haben, und die, die später gekommen sind, bei denen man es bedauern kann, daß sie den Kursus vom vorigen Jahr nicht gehört haben. Wer als wirklicher Lehrer hereinkommt, darüber ist

Dr. Steiner: Wel, alleen de docenten die leidinggeven, de actieve docenten, niet degenen die van plichten vrijgesteld zijn, zouden deel moeten uitmaken van de vergadering. De vergadering zou idealiter zowel docenten moeten omvatten die oorspronkelijk aan de school verbonden waren, als degenen die later zijn gekomen en van wie we het jammer vinden dat ze de cursus van vorig jaar niet hebben gevolgd. Er is wel altijd gesproken over wie er als echte leraar bij komt.

Blz. 199

immer verhandelt worden. Erstens müßte man ausübend sein, wenn man hier sitzt, zweitens müßte man wirklicher Lehrer sein.

Ten eerste moet je actief betrokken zijn als je hier zit; ten tweede moet je een echte leraar zijn.

Frau Molt: Dann gehöre ich auch nicht dazu.

Mevrouw Molt: Dan hoor ik er ook niet bij.

Dr. Steiner: Sie sind Schulmutter. Das war von Anfang an in Aussicht genommen gewesen. Frau Doktor sitzt hier als Leiterin der eurythmischen Abteilung, Herr Molt als Protektor der Schule. Das war von Anfang an in Aussicht genommen, da ist kein Zweifel.
Wenn es besprochen ist, da ist nichts zu sagen; auch als Baravalle einmal darin war. Er hatte die Vertretung, er war ausübend, das ist besprochen worden. Da wußte man auch, daß er in ein Verhältnis zur Schule kommt, weil er einmal eine erste Kraft sein wird.
Jetzt fragt sich nur, wer als Lehrer noch in Betracht kommt.

U bent schoolmoeder. Dat was vanaf het begin al de bedoeling. Mevrouw Steiner zit hier als hoofd van de afdeling euritmie, meneer Molt als beschermheer van de school. Dat was vanaf het begin al de bedoeling, daar bestaat geen twijfel over.
Als het besproken is, valt er niets meer over te zeggen; zelfs niet toen Baravalle er een keer was. Hij viel in, hij was actief betrokken, dat is besproken. Het was toen ook al bekend dat hij een band met de school zou hebben, omdat hij ooit een leidende figuur zou worden.
De enige vraag is nu wie er nog meer in aanmerking komt als leraar. <2a>

X.: Müßte der neue Lehrer Anthroposoph sein, oder kann es ein Außenstehender sein?

<3> X: Moet de nieuwe leraar een antroposoof zijn, of kan het iemand van buiten de school zijn?

Dr. Steiner: Da bin ich nicht darauf versessen. Das ist schon durchgesprochen.
Für den Handfertigkeitsunterricht würde ich vorschlagen, daß mit Wolffhügel verhandelt wird, um zu sehen, ob er will. Ich glaube tatsächlich, daß der Wolffhügel sich eignen könnte. Das wäre glänzend. Er ist Maler und arbeitet in einer Möbelschreinerei. Das wäre ausgezeichnet.

Dr. Steiner: Daar ben ik niet zo op gebrand. Dat is al besproken. Voor de cursus handvaardigheid stel ik voor om met Wolffhügel in gesprek te gaan om te kijken of hij interesse heeft. Ik denk namelijk dat Wolffhügel geschikt zou kunnen zijn. Dat zou fantastisch zijn. Hij is schilder en werkt in een meubelwerkplaats. Dat zou perfect zijn. <3>

Jetzt muß man nur wissen, wer von den neu zu Berufenden in die Konferenz kommt. Wolffhügel käme selbstverständlich für die Konferenz in Betracht.
Im Handarbeitsunterricht war ich nur wenig darinnen, aber das eine Mal mußte ich mir sagen, warum hat das Kind keinen Fingerhut? Ich habe immer gesagt, wir müssen die Kinder daran gewöhnen, mit Fingerhut zu nähen. Es kann das Kind nicht ohne Fingerhut nähen, das geht nicht an.
Man kann nicht vorher wissen, daß ein Lehrer die Kinder nicht ruhig
halten kann. Im allgemeinen, glaube ich, kann man es schon wissen, aber man kann Überraschungen erleben. Man kann es nicht von vornherein sehen.
Dann würden wir für die ersten Klassen zwei Lehrer brauchen. Da würde ich für die Klasse 1 b vorschlagen Fräulein Maria Uhland und für die Klasse a den Killian. Ich würde meinen, daß man beide provisorisch anstellt, auf Widerruf, und sie noch nicht ins Kollegium aufnimmt.

Nu moeten we alleen nog weten welke van de nieuw aangestelde leerkrachten bij de vergadering zullen komen. Wolffhügel komt daar natuurlijk voor in aanmerking.
<4> Ik was maar zelden in de handwerkles, maar die ene keer moest ik me afvragen: waarom heeft dat kind geen vingerhoed? Ik heb altijd gezegd dat we de kinderen moeten laten wennen aan naaien met een vingerhoed. Een kind kan niet naaien zonder vingerhoed, dat is onacceptabel. <4>
Je kunt van tevoren niet weten of een leerkracht de kinderen stil kan houden. Over het algemeen denk ik dat je het wel kunt weten, maar je kunt nog steeds voor verrassingen komen te staan. Je kunt het niet voorspellen.
Dan hebben we twee leerkrachten nodig voor de eerste klas. Ik zou juffrouw Maria Uhland voor klas 1b en Killian voor klas a voorstellen. Ik denk dat ze allebei voorlopig, op tijdelijke basis, aangenomen moeten worden en nog niet officieel tot de vergadering moeten toetreden.

Blz. 200

Dann hat die 2. Klasse Fräulein v. Mirbach
                                                   die 3. Klasse Pastor Geyer
                                                   die 4. Klasse Fräulein Lang
                                                   die 5. Klasse Frau Koegel.
Dr. Schubert hat die Schwachen, die Hilfsklasse,
                                                    die 6. Klasse Fräulein Dr. v. Heydebrand.
Dann brauchen wir noch jemanden. Da wäre Baravalle eine ausgezeichnete Kraft für die zweite 6. Klasse. Ich würde doch meinen, daß wir den Baravalle nehmen. Er kann den Doktor auch hier machen.
                                                     Die gesamte 7. Klasse übernimmt Dr. Kolisko.

Dann würde ich meinen, daß wir es mit der 8. und 9. Klasse machen wie bisher mit der 7. und 8. Wie haben Sie das gemacht?

Dan heeft juffrouw von Mirbach de 2e klas,
                                                       pastor Geyer de 3e klas,
                                                       juffrouw Lang de 4e klas,
                                                       mevrouw Koegel de 5e klas.

Dr. Schubert heeft de leerlingen met leerachterstand, de klas voor leerlingen met speciale behoeften,
                                                      juffrouw dr. von Heydebrand de 6e klas.

Dan hebben we nog iemand nodig. Baravalle zou een uitstekende leraar zijn voor de tweede 6e klas. Ik denk dat we Baravalle moeten aannemen. Hij kan hier ook zijn doctoraat behalen.

                                                     Dr. Kolisko neemt de hele 7e klas over.

Dan denk ik dat we het met de 8e en 9e klas op dezelfde manier moeten doen als met de 7e en 8e. Hoe deed u dat?

X.: Wir haben wochenweise gewechselt. Wir haben den Eindruck, wenn wir
zum Ursprünglichen zurückgekehrt sind, wenn wir tageweise gewechselt
haben, daß wir dann die Klasse nicht gut kennengelernt haben.

X: We rouleerden wekelijks. We hebben de indruk dat we, toen we teruggingen naar het oorspronkelijke systeem, waarbij we dagelijks rouleerden, de klas niet goed leerden kennen.

Dr. Steiner: Der Gesichtspunkt ist, daß es besser ist, acht Tage lang
vorzutragen. Besser wochenweise als tageweise.

Het uitgangspunt is dat het beter is om acht dagen lang les te geven. Weken zijn beter dan dagen.

X,: Warum wir zwei unsere Klasse nicht so gekannt haben, darüber bin ich mir
nicht ganz im klaren. Die Tatsache ist die, daß ich die Kinder am wenigsten
von allen Kollegen kennengelernt habe. Könnte Herr Doktor etwas sagen, was
daran schuld ist?

X: Waarom wij tweeën onze klas niet zo goed kenden, weet ik niet helemaal zeker. Feit is dat ik de kinderen het minst goed heb leren kennen van al mijn collega’s. Zou de doctor kunnen zeggen wat daar de reden voor zou kunnen zijn?

Dr. Steiner: Das wird nicht besser, bis Sie ganz genau das Rationelle  in bezug auf die Behandlung und den Gang des Lehrstoffes haben. Sie haben sich erdrückt gefühlt. Sie sind überhaupt wenig mit den Schülern in Kontakt gekommen. Sie haben zuviel vorgetragen

Dat zal niet verbeteren totdat u een volledig rationeel begrip hebt van de behandeling en de voortgang van het leerplan. U voelde zich overweldigd. U had heel weinig contact met de leerlingen. U gaf te veel les.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3494-3282

.

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (6)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

.

6. Schuljahr April 1924 bis März 1925
Schooljaar 6 april 1924 tot maart 1925 

Blz. 57

                            1919                                                 1924
                       8 klassen                                         23 klassen
                     12 leerkrachten                               47 leerkrachten
                  256 leerlingen                                 784 leerlingen

Die von Rudolf Steiner geleiteten Konferenzen des ersten (1919/20) und die des letzten Schuljahres (1924) stehen einander seltsam gegenüber.
So riesenhaft sich 1919 alle Anfangsschwierigkeiten auch erheben mochten, sie verbrannten ganz und gar in dem Feuer der Begeisterung darüber, daß diese Waldorfschule nun Wirklichkeit werden sollte. Die anthroposophische Geisteswissenschaft trat weithin sichtbar in das allgemeine Kulturleben ein. Sie sollte der Erziehungskunst neue und befeuernde Impulse geben. Mit schier unerschöpflichem Wagemut wurden die neuen Aufgaben angepackt.

De vergaderingen onder leiding van Rudolf Steiner in het eerste schooljaar (1919/20) en die van het laatste schooljaar (1924) staan ​​in een merkwaardig contrast met elkaar.
Hoe enorm de aanvankelijke moeilijkheden in 1919 ook leken, ze werden volledig overstemd door het enthousiasme dat deze Waldorfschool nu werkelijkheid zou worden. De antroposofische spirituele wetenschap deed op een zeer zichtbare manier haar intrede in het algemene culturele leven. Ze gaf nieuwe en stimulerende impulsen aan de onderwijskunst. De nieuwe taken werden met schijnbaar onuitputtelijke moed aangepakt.

Blz. 58

Im letzten Jahr, 1924, mischen sich in den hellen Glanz, wie in den letzten zwei Jahren, auch wieder unübersehbar getrübte Töne hinein.
Sie gewinnen nicht die Übermacht, gehen sogar zurück, aber sie rufen auf zur Selbstbesinnung und zu erhöhter Anspannung aller Kräfte, um Begeisterung und Geistesgetragenheit ständig neu erstehen zu lassen.
Der äußere Ausbau war in allen Grundzügen an sein Ende gelangt.
Die zwölf Jahrgänge, die die Schulpädagogik umfassen, standen, samt der Hilfsklasse, jetzt da. Parallelklassen wurden auch in diesem Jahr wieder neu eingerichtet (3/145), trotzdem die Schülerzahl für die vier untersten Klassen von der Schulbehörde noch eingeschränkt war (3/145, Einleitung S. 29, 30); auch neue Lehrer wurden noch eingestellt (3/143, 145), aber es wurde nicht, wie bisher, eine neue Klasse auf die eigentliche Schule daraufgesetzt.
Dafür kam der weittragende Entschluß zustande, in diesem Schuljahr nicht mehr die Reifeprüfung am Ende der 12. Klasse abzuhalten.
Dieser Versuch hatte im vorigen Jahr die oberste, 12. Klasse und ihren Lehrplan von Grund aus verdorben.

Het laatste jaar, 1924, vermengden zich, net als in de twee voorgaande jaren, onmiskenbaar duistere tinten met de heldere schittering. Ze kregen niet de overhand, integendeel, ze vervaagden, maar ze riepen op tot zelfreflectie en een verhoogde inzet van alle energie om het enthousiasme en de spirituele scherpte steeds opnieuw te laten ontstaan.
De uiterlijke groei had basaal in alles het einde bereikt.
De twaalf leerjaren die het onderwijsprogramma van de school omvatten, samen met de hulpklas, waren er nu. Ook dit jaar werden er weer parallelklassen gevormd (3/145), hoewel het aantal leerlingen voor de vier laagste leerjaren nog steeds door de schoolleiding afgebakend was (3/145, Inleiding, pp. 29, 30); er werden ook nieuwe leraren aangenomen (3/143, 145), maar in tegenstelling tot voorheen werd er geen nieuw klas aan de bestaande school toegevoegd.
Daarbij kwam het ingrijpende besluit tot stand om dit schooljaar geen eindexamens af te nemen aan het einde van de 12e klas.
Dit had het vorige jaar de hoogste, 12e klas en het bijbehorende leerplan fundamenteel ontwricht.

Rudolf Steiner erwog lange (3/144, 146, 150, 194), wie diese Frage zu lösen sei. Er sprach sie auch mit den Schülern durch, die jetzt in die 12. Klasse eintraten (3/135, 150). Das endgültige Ergebnis war, daß vom übernächsten Jahr, also von 1925 ab, eine eigene Klasse eingerichtet werden sollte für solche Schüler, die ein staatliches Reifezeugnis benötigten für ihren Lebensweg. Damit aber diese
Klasse nicht einfach als die höchste, die 13., angesehen werden könne, sollte sie schon durch die Namensgebung „Vorbereitungsklasse für das Abiturium” (3/194) als eine Sondereinrichtung charakterisiert werden. Die zwölf eigentlichen Klassen sollten „rein gehalten” werden (3/146).
Für die zwölf Schulklassen aber konnte nun, ohne Rücksichtnahme auf Abschlußzeugnisse, der Lehrplan vervollständigt werden, wie immer ausschließlich begründet auf Wesen und Bedürfnisse der jungen Menschen selbst (3/146-149, 150—158). Er wurde ergänzt durch einen jetzt neu gegebenen Gesamtlehrplan für den Unterricht in den neueren Fremdsprachen (3/161 — 165, 170—175).
Das Hinausschieben der Abitursvorbereitung aus der eigentlichen
Schule war aber nur ein Teil eines Kampfes, den Rudolf Steiner
damals führte, um die Waldorfschule „rein zu halten” von den Einflüssen, die aus der üblichen, „bourgeoisen” (1/261) höheren Schule
hineinwehten. Denn diese veranlaßten zum guten Teil die erwähnten
Trübungen des Gesprächstones in den Konferenzen.

Rudolf Steiner dacht uitvoerig na (3/144, 146, 150, 194) over hoe deze kwestie opgelost kon worden. Hij besprak het ook met de leerlingen die nu in het twaalfde leerjaar zaten (3/135, 150). Het uiteindelijke resultaat was dat er vanaf het jaar daarop, in 1925, een aparte klas zou worden gevormd voor leerlingen die een door de staat erkend eindexamendiploma nodig hadden voor hun toekomst. Om te voorkomen dat deze klas simpelweg als het hoogste leerjaar, het dertiende leerjaar, zou worden gezien, moest deze als een speciale vorm worden aangeduid met de naam “Voorbereidende klas voor het eindexamen” (3/194). De twaalf reguliere klassen moesten “puur” blijven (3/146).
Voor de twaalf schoolklassen kon het leerplan nu echter worden afgerond zonder rekening te houden met diploma’s, zoals altijd uitsluitend gebaseerd op de aard en behoeften van de jongeren zelf (3/146-149, 150-158). Het werd aangevuld met een nieuw uitgegeven algemeen leerplan voor het onderwijs in moderne vreemde talen (3/161-165, 170-175).
Het uitstellen van de voorbereiding op het toelatingsexamen voor de universiteit vanuit de school zelf was echter slechts een onderdeel van een strijd die Rudolf Steiner destijds voerde om de Waldorfschool “zuiver” te houden van de invloeden die vanuit het gebruikelijke, “burgerlijke” (1/261) hoger onderwijs binnenstroomden. Deze invloeden waren immers grotendeels verantwoordelijk voor de eerdergenoemde veranderingen in de toon van de discussie tijdens de vergaderingen.

Blz. 59

Die Rücksicht auf die Prüfung drohte, schon bis in die 9. Klasse hinunter, die Oberstufe einseitig intellektuell oder lernmäßig zu machen. Sie verhinderte, die Lebenskunde oder Technologie zu erweitern; sie drohte sogar, die bestehende einzuengen, die doch gerade ins Tätig-Menschliche, ins wirkliche Leben hineinführen sollte. Das ist in den Konferenzen nicht mit direkten Worten gesagt, aber wer diesen Ton in anderen Vorträgen Rudolf Steiners, zum
Beispiel 1/276, 277, oder „Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis”, 7. Vortrag, S. 142—145 (Liste Nr. 26), vernommen hat, hört ihn auch hier immer wieder durch. Manche Enttäuschung und Bitterkeit, mancher Tadel (3/167-169, 182-185 , 187-190), die schon im 5. Schuljahr ausgesprochen waren, kommen jetzt verstärkt wieder. Die strengen Worte beziehen sich, wenn von den Zeugnissen (3/141, 167, 168, 180, 181) die Rede ist, auf sämtliche Klassen, sonst aber vor allem auf die oberen. Und da trifft es besonders die Lehrer des Hauptunterrichts, die selbst einst durch staatliche Oberschule und Universität mit ihren intellektuellen Forderungen hindurchgehen mußten.
Davon war ihnen zurückgeblieben, womit sie jetzt zu ringen hatten: das Dozieren (3/187), die Müdigkeit. „Ein Mensch kann doch nicht müde sein, wenn er im Geiste leben soll” (3/190).

De nadruk op het examen dreigde, zelfs al in de negende klas, de hogere klassen eenzijdig intellectueel of academisch te maken. Het belemmerde de ontwikkeling van levensvaardigheden of technologie; het dreigde zelfs het bestaande leerplan te vernauwen, dat immers juist zou moeten leiden tot actieve menselijke ervaring, tot het echte leven. Dit wordt niet direct in de vergaderingen gezegd, maar iedereen die deze toon in andere lezingen van Rudolf Steiner heeft gehoord, bijvoorbeeld 1/276, 277, of “De pedagogische praktijk vanuit het perspectief van de spiritueel-wetenschappelijke kennis van de mens”, voordracht 7, pp. 142-145 , GA 306/142, vertaald,  zal hem hier ook steeds weer horen. Een deel van de teleurstelling en bitterheid, een deel van de afwijzing (3/167-169, 182-185, 187-190), die al in de vijfde klas was geuit, komt nu met hernieuwde intensiteit naar voren. De harde woorden hebben betrekking op alle klassen wanneer de getuigschriften (3/141, 167, 168, 180, 181) worden genoemd, maar vooral op de hogere klassen. En daar treft het met name de leerkrachten van de hoofdvakken, die zelf ooit de staatsschool voor voortgezet onderwijs en de universiteit met hun intellectuele eisen hebben doorlopen.
Wat hiervan overbleef, was waar ze nu mee worstelden: het lesgeven (3/187), de vermoeidheid. “Een mens mag niet moe zijn als hij in de geest wil leven” (3/190).

Mit harten Worten bezeichnet Rudolf Steiner diese Fehler, die noch nicht durch
Anthroposophie überwunden sind, und wiederholt das immer wieder. „Es fehlt der moralische Einfluß der Lehrerschaft auf die Schülerschaft von der 8. Klasse ab eigentlich doch sehr stark” (3/183). Die Schwierigkeiten seien „vorzugsweise eine Sache des Interesses an den Kindern . . . und eine Sache des Enthusiasmus”
(3/189).
Aber so streng die Worte klingen mögen, so sind sie doch niemals in Resignation gesagt. Sie sind positiv gemeint, wollen weiterhelfen.
„Ich muß einen neuen Einschlag geben” (3/189). Für die herandrängenden Aufgaben soll sich der Blick stärker und klarer nach innen wenden, damit die Arbeit der Lehrer immer tiefer angeschlossen werde an das Geistige, an die wahre Menschenkunde. „Ich will Vorträge halten im September oder in der ersten Oktoberwoche über die moralische Seite der Erziehung und des Unterrichts” (3/194). Aber dieser Kurs wurde nicht gehalten. Die eingetretene Krankheit Rudolf Steiners verhinderte es. Ebenso wird erwähnt ein zugesagtes
Seminar über den Sprachunterricht, das nicht mehr zustande kam.
Diese Lücken schmerzen seither wie brennende Wunden. Denn die
Aufgaben wurden größer und größer.

Rudolf Steiner beschrijft deze fouten, die nog niet door de antroposofie zijn overwonnen, in harde bewoordingen en herhaalt dit steeds weer. “De morele invloed van het onderwijzend personeel op de leerlingen is vanaf de achtste klas eigenlijk zeer gering” (3/183). De moeilijkheden liggen “vooral in de belangstelling in de kinderen… en in het enthousiasme” (3/189).
Maar hoe hard de woorden ook mogen klinken, ze worden nooit met berusting uitgesproken. Ze zijn positief bedoeld, om te helpen. “Ik moet een nieuwe koers uitzetten” (3/189). Voor de dringende taken die voor ons liggen, moet de focus sterker en duidelijker naar binnen gericht zijn, zodat het werk van leerkrachten steeds dieper verbonden raakt met het spirituele, met de ware kennis van de mens. Ik ben van plan om in september of in de eerste week van oktober voordrachten te geven over het morele aspect van opvoeding en onderwijs” (3/194). Maar deze lezingen werden niet gehouden. Rudolf Steiners ziekte verhinderde dit. Er wordt ook melding gemaakt van een beloofd seminar over taalonderwijs, dat nooit heeft plaatsgevonden.
Deze lacunes zijn sindsdien pijnlijk gebleven, als brandende wonden. Want de taken werden steeds groter.

Die erste Gruppe der Absolventen, der ,,ehemaligen” Schüler stand schon da. Mit ihnen wurden zwei Besprechungen abgehalten (Zeittafel), und Rudolf Steiner stellte weitere Fürsorge in Aussicht.
Auch der Kreis der Jugendgruppen, die auf die Waldorfschule hinschauten, war gewachsen. Erwähnt werden die in Breslau (3/177) und die in Dornach (3/137, 143 und Einleitung S. 35).
Die Schulbewegung erweiterte sich. Es wurden neue Schulen jetzt auch in Holland und England errichtet, für die Rudolf Steiner pädagogische Kurse hielt mit Hinweisen auf das Stuttgarter Urbild. Und ebenfalls wuchs das Bedürfnis, aus dem Munde der Lehrer Näheres über Waldorf-Pädagogik zu hören. Solche Vorträge waren gehalten oder in Aussicht genommen in Nürnberg und München (3/192).
Die Eltern der Waldorfschüler hatten gebeten um Belehrung und Hilfe. Ihnen hielt Rudolf Steiner einen Vortrag am 1. Juni 1924 (Zeittafel. Liste Nr. 8).
Überall tönte aus den Worten Rudolf Steiners die vertiefte Kraft heraus, die er in die Schule einfließen ließ. Aber das geschah wohl niemals intensiver, freudiger, strahlender als in seiner Ansprache an Kinder, Eltern, Lehrer beim Schulbeginn am 30. April 1924 (3/145).

De eerste groep schoolverlaters, de “oud-leerlingen”, was er al. Er werden twee bijeenkomsten met hen gehouden (tijdlijn), en Rudolf Steiner beloofde verdere steun. De kring van jeugdgroepen die naar de Waldorfschool keken, was ook gegroeid. Die in Breslau (3/177) en Dornach (3/137, 143 en Inleiding p. 35) worden genoemd.
De schoolbeweging breidde zich uit. Er werden nu ook nieuwe scholen opgericht in Nederland en Engeland, waarvoor Rudolf Steiner pedagogische cursussen gaf met verwijzingen naar het Stuttgarter model. En de behoefte groeide ook om meer te horen over de Waldorfpedagogie van de leraren zelf. Dergelijke lezingen waren gegeven of gepland in Neurenberg en München (3/192).
De ouders van de Waldorfleerlingen hadden om instructie en ondersteuning gevraagd. Rudolf Steiner gaf hen een lezing op 1 juni 1924 (tijdlijn. Lijst nr. 8)

Overal klonk de diepe kracht van Rudolf Steiners woorden, de kracht die hij in de school bracht. Maar dit gebeurde waarschijnlijk nooit intenser, vreugdevoller en stralender dan in zijn toespraak tot kinderen, ouders en leerkrachten aan het begin van het schooljaar op 30 april 1924. (3/145)

Und niemals war die Stimmung gelöster und trotz allem hoffnungsfreudiger als in der Konferenz vom 3. September (3/191) in der Nacht, ehe Rudolf Steiner nach Dornach fuhr zum Kurs über Sprachgestaltung, auf den er sich so sichtlich freute.
Es war die letzte Lehrerkonferenz mit ihm.

Während der ganzen zweiten Hälfte dieses Schuljahres lag Rudolf Steiner krank in Dornach. Die Sorgen und Nöte der Lehrer konnten nur durch Briefe zu ihm gelangen, die dann durch ganz kurze Randbemerkungen oder durch nach Stuttgart zu schreibende Anweisungen beantwortet wurden. Am letzten Schultag, am 30. März 1925, starb Rudolf Steiner.
Zwei Wochen vorher hatte er noch einmal selber einen Brief an die
Waldorflehrer geschrieben (abgedruckt in „Die Konstitution der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft . . .”, S. 405; Liste Nr. 50). In diesem Brief faßt Rudolf Steiner noch einmal die Kernkräfte der Waldorf-Pädagogik zusammen. Er spricht da von der Fruchtbarkeit der Anthroposophie und sagt: ,,Wenn die Lehrerschaft treu im Herzen das Bewußtsein trägt von dieser Fruchtbarkeit, dann werden die guten über dieser Schule waltenden Geister wirksam sein können, und in den Taten der Lehrer wird göttlich-geistige Kraft walten.”

En nooit was de sfeer zo ontspannen en, ondanks alles, zo hoopvol als tijdens de vergadering op 3 september (3/191) de avond voordat Rudolf Steiner naar Dornach vertrok voor de cursus spraakvorming, waar hij zo zichtbaar naar uitkeek.

Het was de laatste lerarenvergadering met hem.

Gedurende de hele tweede helft van dat schooljaar lag Rudolf Steiner ziek in Dornach. De zorgen en bezorgdheid van de leraren bereikten hem alleen via brieven, die vervolgens werden beantwoord met zeer korte kanttekeningen of met aanwijzingen die naar Stuttgart gestuurd moesten worden. Op de laatste schooldag, 30 maart 1925, overleed Rudolf Steiner.

Twee weken eerder had hij zelf nog een brief geschreven aan de Waldorfleraren (afgedrukt in GA 260A/405. In deze brief vat Rudolf Steiner nogmaals de kernprincipes van het Waldorfonderwijs samen. Hij spreekt over de vruchtbaarheid van de antroposofie en zegt: “Als de docenten het besef van deze vruchtbaarheid trouw in hun hart dragen, dan zullen de goede geesten die over deze school heersen, effectief kunnen zijn en zal goddelijk-geestelijke kracht de overhand krijgen in het handelen van de leerkrachten.”

Erich Gabert

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3484-3280

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 24 juli 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

Steiner houdt hier a.h.w. een korte pedagogische voordracht. <1>
Daarin: bij vernieuwende pedagogen goede ideeën, maar daar blijft het bij. <2>
Materialisme en geest; het gevaar voor de mens wat ziel en geest betreft. <3>
De cultuur gaat achteruit. Wat kan de vrijeschool doen. Het gaat om de geest van de school, niet om het kopiëren van het model. <4>
Geen compromissen. <5>
Leraar moet in hart antroposoof zijn; wij zijn eerder uit de geestelijke wereld gekomen; kind brengt boodschap mee <6>
Praktisch-pedagogische psychologie moet verder worden uitgewerkt <7>
Vanaf <8> gaat het om zaken die direct te maken hebben met de omstandigheden toen: zitten er geen kinderen in te hoge/lage klassen; te veel leerlingen in een klas; splitsen; ruimtetekort.
Verschil in koor spreken en individueel. <9>
Bij taal [ik neem aan vreemde talen] onderwijs kinderen van verschillende leeftijd bij elkaar, zodat ze van elkaar kunnen leren. <10>
Vanaf <11> allerlei op te lossen problemen: hoeveel uur beschikbaar; verhouding euritmie-gymnastiek; kunnen jongens en meisjes samen in gymn.; huisvesting; geldgebrek

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 162

Vergadering van woensdag 24 juli 1920, 18  uur

Dr. Steiner: Ich darf Herrn Molt das Wort erteilen.

Ik geef het woord aan de heer Molt.

Molt dankt den Lehrern für ihre Arbeit im verflossenen ersten Schuljahr und
spricht insbesondere den Dank aus an Herrn Dr. Steiner. Er erinnert an dessen
Worte über Kraft, Mut, Licht beim Kursbeginn 1919.

Molt bedankt de leraren voor hun werk in het afgelopen eerste schooljaar en
spreekt in het bijzonder zijn dank uit aan Dr. Steiner. Hij herinnert aan diens
woorden over kracht, moed en licht bij de start van de cursus in 1919.

Dr. Steiner: Meine lieben Freunde, auch ich muß gedenken der
Stunde, in der wir unsere Kursbemühungen begonnen haben im
Herbst des vorigen Jahres, und es wird wohl so sein, daß in unseren
Seelen die dazumal angeregten Impulse, die versucht worden sind
aus dem geistigen Leben herab in unsere eigenen Geister zu leiten,
nachgewirkt haben. Ich möchte gerade an diesen Augenblick erinnern und von allen über unserer Sache waltenden guten Geistern erflehen: Möge in unsere Herzen hinein der Segen und die Kraft für unsere Arbeit herabfließen.
Ich möchte an dasjenige noch einmal anknüpfen, das ich schon am
Morgen mit einigen Worten berührt habe. Ich sagte zu Ihnen, meine
lieben Freunde, daß es besonders zu schätzen ist, daß Sie in einem
bedeutungsvollen Augenblicke der europäischen Menschheitsentwickelung den Glauben gehabt haben, Sie müßten Ihre Tätigkeit und Ihre ganze Persönlichkeit einsetzen für dasjenige, was mit der Waldorfschule gewollt werden soll. Bedenken wir doch das Folgende:
ich habe auf das, worauf jetzt hingedeutet worden ist, in einem Kurs,
den ich in Basel über Pädagogik hielt, gleich in der Einleitung hingewiesen.

<1> Beste vrienden, ook ik moet terugdenken aan het het moment waarop we onze cursusinspanningen zijn begonnen in de herfst van vorig jaar, en het zal wel zo zijn dat in onze zielen de toen opgewekte impulsen, die zijn geprobeerd om vanuit het spirituele leven naar onze eigen geest te leiden, een nawerking hebben gehad. Ik wil juist aan dit moment herinneren en alle goede geesten die over onze zaak heersen smeken: moge de zegen en de kracht voor ons werk in onze harten neerdalen.
Ik wil nog eens terugkomen op wat ik vanochtend al in enkele woorden heb aangestipt.
Ik zei tegen u, mijn beste vrienden, dat het bijzonder te waarderen is dat u op een belangrijk moment in de ontwikkeling van de Europese mensheid het geloof had uw activiteiten en uw hele persoonlijkheid in te zetten voor datgene wat met de Waldorfschool beoogd wordt. Laten we het volgende eens overwegen:
ik heb in een cursus die ik in Bazel over pedagogiek gaf, in de inleiding al gewezen op datgene waar nu op is gewezen.

Ich habe gesagt: Pädagogen, die Erziehungs- und Unterrichtsgrundsätze hervorragender Art aufgestellt haben, gibt es sehr viele, und es kann nicht die Aufgabe derjenigen pädagogischen Kunst sein, an die wir uns wenden als Anthroposophen, etwa gegenüber demjenigen, was durch das Erarbeiten von Pestalozzi, Fröbel und durch alles dasjenige, was durch Diesterweg und Dittes heraufgekommen ist, zu ersetzen. Im Prinzip ausgesprochen: die abstrakten Grundsätze, die von großen Pädagogen des 19. Jahrhunderts herüberkamen, werden sich vor einer didaktisch-pädagogischen Beurteilung im Grunde recht gut ausnehmen, und man setzt sich einer gerechten Kritik aus, wenn man von einer Erneuerung der pädagogischen Wissenschaft sprechen will.
Aber in Wirklichkeit handelt es sich um etwas ganz anderes. Wer heute Pestalozzi liest, wer Fröbels Schriften liest, wer Herbart liest und außerdem bis zu Dittes herauf, der wird finden, daß viel Schönes

<2>Ik heb gezegd: er zijn heel veel pedagogen die uitstekende opvoedings- en onderwijsprincipes hebben opgesteld, en het kan niet de taak zijn van de pedagogische kunst om ons als antroposofen te richten op bijvoorbeeld wat Pestalozzi, Fröbel en Diesterweg en Dittes hebben ontwikkeld. In principe gezegd: de abstracte principes die door grote pedagogen uit de 19e eeuw zijn overgeleverd, zullen in principe vrij goed uit de bus komen bij een didactisch-pedagogische beoordeling, en men stelt zich bloot aan terechte kritiek als men wil spreken van een vernieuwing van de pedagogische wetenschap.
Maar in werkelijkheid gaat het om iets heel anders. Wie vandaag Pestalozzi leest, wie de geschriften van Fröbel leest, wie Herbart leest en bovendien tot aan Dittes, zal ontdekken dat er veel moois

Blz. 163

in pädagogischer Beziehung ausgesprochen worden ist. Aber wer da ins innere Getriebe des Unterrichts-unddesErziehungswesenshineinschaut, selbst wenn man in das innere Getriebe der Pestalozzischen Schule selbst hineinschaut, dann zeigt sich, daß ein Geist darin nicht waltet, der diesen ausgesprochenen Grundsätzen, zu denen man sich durchaus in abstrakter Beziehung bekennen kann, entspricht. Man braucht nur zu verfolgen, was Fröbel an herber Kritik gegenüber Pestalozzischen Anstalten geschrieben hat. Und gerade wenn man
die Entwickelung des Erziehungs- und Unterrichtswesens im 19. Jahrhundert verfolgt, wird man sehen, daß, trotzdem die Leute vielfach richtig denken, das Richtige nicht bewirkt, nicht getan wird.
Woher kommt das? Darauf gibt es nur eine Antwort. Es ist die, daß das 19. Jahrhundert — gleichgültig aufweichen Kulturzweig man die Aufmerksamkeit richtet, es ist überall dasselbe —, daß das ganze Jahrhundert stand unter dem Einfluß der materialistischen Zeitströmung. Und wenn wir heute aus unserer anthroposophischen Grundüberzeugung heraus irgendeinen Erziehungsgrundsatz formulieren, so kann er wörtlich gleichklingen dem, was Pädagogen des 19. Jahrhunderts gesagt haben — wir müssen es anders meinen. Wir sprechen aus dem Geiste heraus, diese haben aus dem sie überwältigenden Impuls der materialistischen Weltanschauung gesprochen.

in pedagogisch opzicht is uitgesproken. Maar wie in de interne werking van het onderwijs- en opvoedingswezen kijkt, zelfs als men in de interne werking van de Pestalozziaanse school zelf kijkt, dan blijkt dat daar geen geest heerst die overeenkomt met deze uitgesproken principes, waartoe men zich in abstracte zin weliswaar kan bekennen. Men hoeft alleen maar te kijken naar wat Fröbel aan scherpe kritiek op de Pestalozziaanse instellingen heeft geschreven. En juist als men de ontwikkeling van het onderwijs en de opvoeding in de 19e eeuw volgt, zal men zien dat, hoewel de mensen vaak juist denken, het juiste niet wordt bewerkstelligd, niet wordt gedaan. <2>
<3> Waar komt dat vandaan? Daar is maar één antwoord op. Dat is dat de 19e eeuw – ongeacht op welke tak van cultuur men zijn aandacht richt, het is overal hetzelfde – dat de hele eeuw onder invloed stond van de materialistische tijdsstroom. En als we vandaag vanuit onze antroposofische basisovertuiging een opvoedingsprincipe formuleren, kan dat letterlijk hetzelfde klinken als wat pedagogen uit de 19e eeuw hebben gezegd – wij moeten het anders bedoelen. Wij spreken vanuit de geest, zij spraken vanuit de overweldigende impuls van het materialistische wereldbeeld.

Wenn die Dinge noch so idealistisch klingen, so sind sie dennoch aus dem Geiste des Materialismus gedacht. Es handelt sich nicht darum, in abstrakter Beziehung etwas Neues zu finden, sondern darum, einen neuen Geist zu finden.
Sehen Sie, auch Ihnen möchte ich heute etwas vorbringen, was ich in der letzten Zeit an einzelnen Orten schon wiederholt gesagt habe, was gerade in unserer Zeit berücksichtigt werden muß. Man hat heute die Meinung, wenn man von Materialismus spricht, daß der Materialismus eine falsche Weltanschauung ist, daß er abzulehnen ist, weil er nicht richtig ist. So einfach verhält sich die Sache nicht.
Der Mensch ist ein seelisch-geistiges Wesen, er ist ein leiblich-physisches Wesen. Aber das Leiblich-Physische ist ein getreues Abbild des Seelisch-Geistigen, insofern wir leben zwischen Geburt und Tod.
Und wenn die Menschen so verphilistert sind in den materialistischen Gedanken, wie das geworden ist im Laufe des 19. Jahrhundertsund bis in die Gegenwart hinein, dann wird immer mehr das LeiblichPhysische ein Abdruck dieses Seelisch-Geistigen, das selbst in den materialistischen Impulsen lebt. Dann ist es nicht etwas Falsches, wenn man sagt, das Gehirn denkt, dann wird es richtig. Es werden durch das Fest-darin-Stecken im Materialismus nicht bloß Menschen

Hoe idealistisch dit ook klinkt, het is toch vanuit de geest van het materialisme bedacht. Het gaat er niet om iets nieuws te vinden in een abstracte relatie, maar om een nieuwe geest te vinden.
Ziet u, ook aan u wil ik vandaag iets voorleggen wat ik de laatste tijd op verschillende plaatsen al herhaaldelijk heb gezegd, en wat juist in onze tijd in aanmerking moet worden genomen. Tegenwoordig is men van mening dat, als men het over materialisme heeft, het materialisme een verkeerde wereldbeschouwing is, die moet worden afgewezen omdat ze niet juist is. Zo eenvoudig ligt de zaak echter niet.
De mens is een ziels-geestelijk wezen, hij is een lijfelijk-fysiek wezen. Maar het lijfelijk-fysieke is een getrouwe afspiegeling van het het ziels-geestelijke, voor zover we leven tussen geboorte en dood.
En als de mensen zo bekrompen zijn in het materialistische denken, zoals dat in de loop van de 19e eeuw en tot op de dag van vandaag is gebeurd, dan wordt het lijfelijk-fysieke steeds meer een afdruk van dit ziels-geestelijke, dat zelf leeft in de materialistische impulsen. Dan is het niet verkeerd om te zeggen dat de hersenen denken, dan wordt het juist. Door het vastzitten in het materialisme worden niet alleen mensen

Blz. 164

erzeugt, die schlecht denken über das Leibliche, Seelische und Geistige, sondern es werden materiell denkende und materiell fühlende Menschen erzeugt. Das heißt, der Materialismus bewirkt, daß der Mensch ein Denkautomat wird, daß der Mensch ein Wesen wird, das als physisches Wesen denkt, fühlt und will. Und es ist nicht bloß die Aufgabe der Anthroposophie, an die Stelle einer falschen Weltanschauung eine richtige zu setzen — das ist eine theoretische Forderung —, das Wesen der Anthroposophie heute besteht darin, daß angestrebt wird nicht nur eine andere Idee, sondern eine Tat: das Geistig-Seelische wieder herauszureißen aus dem Leiblich-Physischen, den Menschen heraufzuheben in die Sphäre des Geistig-Seelischen, damit er nicht ein Denk-, Fühl- und Empfindungsautomat sei.
Die Menschheit steht heute in der Gefahr — einiges soll auch morgen im Zweigvortrag angedeutet werden —, das Seelisch-Geistige zu verlieren. Denn das, was leiblich-physisch ein Abdruck des Geistig-Seelischen ist, das steht heute, weil viele Menschen so denken, weil das Geistig-Seelische schläft, vor der Gefahr, in die ahrimanische Welt überzugehen, und das Geistig-Seelische wird sich verflüchtigen im Weltall. Wir leben in einer Zeit, in der die Menschen die Gefahr vor sich haben, durch den materialistischen Impuls die Seele zu verlieren. Dies ist eine ernste Sache. Dieser Tatsache steht man gegenüber.
Diese Tatsache soll eigentlich heute das Geheimnis, das immer mehr und mehr offenbar werdende Geheimnis werden, aus dem heraus wir überhaupt fruchtbar wirken wollen.

die slecht denken over het lichamelijke, het zielsmatige en het geestelijke, maar er worden materieel denkende en materieel voelende mensen voortgebracht. Dat wil zeggen dat het materialisme ervoor zorgt dat de mens een denkende automaat wordt, dat de mens een wezen wordt dat als fysiek wezen denkt, voelt en wil. En het is niet alleen de taak van de antroposofie om een verkeerde wereldbeschouwing te vervangen door een juiste – dat is een theoretische eis –, de essentie van de antroposofie bestaat er vandaag de dag in dat niet alleen naar een ander idee wordt gestreefd, maar naar een daad: het het geestelijk-zielsmatige weer uit het lijfelijk-fysieke te rukken, de mens op te heffen naar de sfeer van het geestelijk-zielsmatige, zodat hij geen denk-, voel- en waarnemingsautomaat is.
De mensheid loopt vandaag het gevaar – een en ander zal morgen ook in de voordracht worden aangegeven – het zielsmatige-geestelijke te verliezen. Want wat lijfelijk-fysiek een afdruk is van het geestelijk-zielsmatige, staat vandaag, omdat veel mensen zo denken, omdat het geestelijk-zielsmatige slaapt, voor het gevaar om over te gaan in de ahrimanische wereld, en het geestelijk-zielsmatige zal verdampen in het heelal. We leven in een tijd waarin mensen het gevaar lopen door de materialistische impuls hun ziel te verliezen. Dit is een ernstige zaak. Men wordt met dit feit geconfronteerd.
Dit feit zou vandaag eigenlijk het geheim moeten zijn, het steeds meer en meer openbaar wordende geheim worden, van waaruit we überhaupt vruchtbaar willen werken.

Sehen Sie, aus einer Erkenntnis dieser Notwendigkeit eines Hinwendens der Menschheit zu einer spirituellen Betätigung — nicht bloß zu einer Umänderung einer Theorie —, aus dieser Erkenntnis heraus sind solche Dinge entstanden wie die Didaktik und Pädagogik der Waldorfschule. Und aus einem solchen Geiste heraus sollte hier gewirkt werden.
Da ist vor allem zu schätzen, daß sich in Ihnen hier ein Kreis gefunden hat, der aus einem mehr oder weniger deutlichen Gefühl heraus sich sagt: es muß so gewirkt werden. Sie brauchen nur die Keime, die hier gelegt werden in der Waldorfschule, mit all dem wüsten Zeug, das als feindlicher Sturm heraufzieht, zu vergleichen.
Wir haben die Schule begründet unter den letzten Nachwirkungen dessen, was wir von Stuttgart vom April 1919 an versuchten. Seit der Zeit hat sich ja so herrlich viel vollzogen. Vollständig versagt, meine lieben Freunde, das dürfen wir nicht vergessen, vollständig ins Wasser gefallen ist dasjenige, was da unternommen werden sollte mit dem gutgemeinten Aufruf zum Kulturrat im vorigen Jahre. Warum er versagen mußte, das zeigt der wüste Skandal am Goetheanum, das

Ziet u, vanuit het besef dat de mensheid zich moet richten op spirituele activiteiten – en niet alleen op een verandering van theorie – zijn zaken als de didactiek en pedagogiek van de Waldorfschool ontstaan. En vanuit een dergelijke geest moet hier worden gewerkt. <3>
Het is vooral te waarderen dat er hier een kring is gevonden die vanuit een min of meer duidelijk gevoel zegt: zo moet er gewerkt worden. U hoeft alleen maar de kiemen die hier in de Waldorfschool worden gelegd te vergelijken met al het woeste gedoe dat als een vijandige storm opkomt.
<4> We hebben de school opgericht onder de laatste nawerkingen van wat we vanaf april 1919 in Stuttgart hebben geprobeerd. Sinds die tijd is er zoveel moois gebeurd. Volledig mislukt, mijn beste vrienden, dat mogen we niet vergeten, volledig in het water gevallen is wat er vorig jaar met de goedbedoelde oproep tot een cultuurraad moest worden ondernomen. Waarom het moest mislukken, blijkt uit het woeste schandaal rond het Goetheanum, dat

Blz. 165

zeigt dieser krasse Niedergang des deutschen Geisteslebens, das sich doch nur als in einem Symptom in den Dingen am Goetheanum ausdrückt. Wir werden natürlich jetzt nötig haben in einer noch ganz anderen Weise, als wir es getan haben, unsere Kräfte darauf zu verwenden, um diesem Niedergang entgegenzuarbeiten. Das kann ja natürlich nicht von der Waldorfschule allein ausgehen, aber durch jene Erkenntnis, die unsere Waldorflehrer gezeigt haben, indem sie sich dieser Aufgabe gewidmet haben, sind sie die Berufenen, um nach dieser Richtung hin allgemein anthroposophisch-kulturell zu wirken.
Das ist dasjenige, was ich heute am Schlüsse des ersten Schuljahres so lebhaft empfinden mußte, was ich mit den ernsten Worten gemeint habe, die ich in Gegenwart der Kinder heute morgen ausgesprochen habe. Die Kinder werden die Worte nicht verstanden haben, aber das macht nichts. Wir wissen, daß es sich nicht darum handelt, daß nur das herangebracht wird, was die Kinder verstehen, sondern manches, was später in den Seelen der Kinder lichtvoll aufgeht. Der Dank, den Herr Molt ausgesprochen hat, der wird auch von mir selbst warm empfunden im Namen desjenigen Geistes, der die Waldorfschule
durchdringen soll, der immer mehr und mehr der Geist der mitteleuropäischen Kultur werden soll. Diejenigen, die sich selbst materialistisch machen, die ihre Seele verlieren, so daß die Zivilisation eine materialistische Zivilisation würde, diejenigen Menschen wären heute noch zu retten, wenn das, was wir hier an Waldorfschulgeist haben, weiter in der Welt verbreitet werden könnte.

deze flagrante achteruitgang van het Duitse geestesleven toont, dat zich toch alleen maar als een symptoom in de zaken rond het Goetheanum uitdrukt. We zullen nu natuurlijk op een heel andere manier dan we tot nu toe hebben gedaan onze krachten moeten aanwenden om deze achteruitgang tegen te gaan.
Dat kan natuurlijk niet alleen vanuit de Waldorfschool gebeuren, maar door het inzicht dat onze Waldorfleraren hebben getoond door zich aan deze taak te wijden, zijn zij de aangewezenen om in deze richting algemeen antroposofisch-cultureel te werken.
Dat is wat ik vandaag, aan het einde van het eerste schooljaar, zo levendig heb gevoeld, wat ik bedoelde met de ernstige woorden die ik vanmorgen in aanwezigheid van de kinderen heb uitgesproken.
[Rudolf Steiner in der Waldorfschule GA 298/57 Vertaald/49]
De kinderen zullen de woorden niet hebben begrepen, maar dat maakt niet uit. We weten dat het er niet om gaat alleen datgene aan te bieden wat de kinderen begrijpen, maar ook veel wat later in de zielen van de kinderen lichtrijk tot bloei komt. De dank die de heer Molt heeft uitgesproken, wordt ook door mijzelf warm gevoeld in naam van de geest die de Waldorfschool moet doordringen, die steeds meer en meer de geest van de Midden-Europese cultuur moet worden. Degenen die zichzelf materialistisch maken, die hun ziel verliezen, zodat de beschaving een materialistische beschaving zou worden, die mensen zouden vandaag nog te redden zijn, als datgene wat we hier aan Waldorfschoolgeest hebben, verder in de wereld verspreid zou kunnen worden.

Wir müssen selbstverständlich die Waldorfschule behüten vor jedem Scheinwesen. Wir müssen uns klar sein darüber, daß wir gewissermaßen immer zurückhaltender und zurückhaltender sein müssen gegenüber all denjenigen Leuten, die, nachdem sie gehört haben, die Waldorfschule ist begründet worden, es nun als nächste Aufgabe betrachten, ihr Welt-Herumlungern darauf auszudehnen, daß sie auch in die Waldorfschule hineinriechen, um hier zu hospitieren, um hier einiges mitzunehmen, um etwas Ähnliches da oder dort einfließen zu lassen. Wir müssen uns klar sein darüber, daß es sich nicht darum handelt, das zu fördern, daß möglichst viel Welt-Herumlungerer hier hospitieren, sondern daß es darauf ankommt, daß der anthroposophische Geist klar da sein muß, aus dem heraus die Nachfolgeschaft der Waldorfschule entstehen soll.
Zu mir kam vor einigen Monaten eine Persönlichkeit, die auch in Frankreich etwas Ähnliches begründen will wie eine Waldorfschule, und fragte, ob ich nicht Ratschläge dazu geben könne, ob sie nicht

We moeten natuurlijk de Waldorfschool beschermen tegen elke schijnwereld. We moeten ons ervan bewust zijn dat we in zekere zin steeds terughoudender moeten zijn ten opzichte van al die mensen die, nadat ze hebben gehoord dat de Waldorfschool is opgericht, het nu als hun volgende taak beschouwen om verder in de wereld rond te kijken, zodat ze ook in de Waldorfschool kunnen rondneuzen, om hier te komen kijken, om hier het een en ander mee te nemen, om hier en daar iets soortgelijks te laten instromen. We moeten ons ervan bewust zijn dat het er niet om gaat om zoveel mogelijk mensen die in de wereld rondneuzen hier te laten meelopen, maar dat het erom gaat dat de antroposofische geest duidelijk aanwezig moet zijn, waaruit moet voortkomen hoe het met de Waldorfschool verder gaat.
Enkele maanden geleden kwam er iemand bij mij die ook in Frankrijk iets soortgelijks als een Waldorfschool wil oprichten en vroeg of ik advies kon geven over de vraag of zij niet

Blz. 166

hier in der Waldorfschule hospitieren könne. Ich habe ihr gesagt, anerkannt, als im Geiste der Waldorfschule gehalten, würde dasjenige, was sie in Frankreich, in Paris, begründen will, von mir nur dann, wenn es ganz genau ebenso eingerichtet würde, wie die Waldorfschule eingerichtet ist. Es müßten sich sodann die französischen Freunde zunächst bereit erklären, mich dorthin zu rufen, um einen Kurs abzuhalten, nicht wahr, und ausdrücklich erklären, daß die Schule aus demselben Geist hervorgegangen ist. Sonst würde ich es strikt ablehnen, daß so etwas wie eine Nachfolgerschaft vorliegt.
Glauben Sie nicht, daß solche Antworten nur eigensinnige Dinge sind. Sie müssen sich klar sein darüber, wir kommen nicht weiter, wenn wir uns nicht auf den Standpunkt des bestimmt Anthroposophischen stellen, wenn wir uns nicht freihalten von jeder irgendwie gearteten Kompromißlerei. Stellen wir uns auf einen scharfbegrenzten Standpunkt, dann ist es nicht ausgeschlossen, daß wir selbst in Paris eine Waldorfschule begründen können. Es kommt nur darauf an, daß wir uns nicht bewegen lassen, irgendwie Kompromisse zu schließen. Heute ist es so, daß man am weitesten kommt, wenn man sich fest auf einen bestimmten Standpunkt stellt. Nach außen mag man konziliant sein, aber innerlich, wenn es sich um Prinzipielles handelt, da kommt es darauf an, daß man ganz fest auf seinen Standpunkt sich stellt. Dazu ist es notwendig, die Kraft zu haben, die Dinge wirklich radikal zu durchschauen und keine Neigung zu irgendwelchem Kompromiß zu haben. Sie wissen ja, wenigstens im Sinne und Geist der Führung nach haben wir uns bemüht, während des ersten Jahres solche feste Standpunkte anzustreben.

hier in de Waldorfschool stage konden lopen. Ik heb haar gezegd, dat wat zij in Frankrijk, in Parijs, wil oprichten, door mij alleen dan erkend wordt als de geest van de Waldorfschool, als het precies zo zou worden ingericht als de Waldorfschool is opgezet. De Franse vrienden zouden dan eerst bereid moeten zijn mij daarheen te roepen om een cursus te geven, nietwaar, en uitdrukkelijk verklaren dat de school uit dezelfde geest is voortgekomen. Anders zou ik het strikt afwijzen dat er sprake is van een soort opvolging.
Denk niet dat zulke antwoorden alleen maar eigenzinnige dingen zijn. <4>
<5> U moet zich realiseren dat we niet verder komen als we niet het standpunt van het uitgesproken antroposofische innemen, als we ons niet vrijhouden van elke vorm van compromis. Als we een scherp afgebakend standpunt innemen, is het niet uitgesloten dat we zelfs in Parijs een Waldorfschool kunnen oprichten. Het komt er alleen op aan dat we ons niet laten verleiden tot het sluiten van compromissen
Vandaag de dag is het zo dat je het verst komt als je vastberaden een bepaald standpunt inneemt. Naar buiten toe mag je verzoenend zijn, maar innerlijk, als het om principes gaat, is het belangrijk dat je heel vastberaden je standpunt inneemt. Daarvoor is het nodig om de kracht te hebben om  de dingen echt radicaal te doorzien en geen neiging te hebben tot enig compromis. U weet immers dat we, althans in de zin en geest van het besturen, ons tijdens het eerste jaar hebben ingespannen om zulke vaste standpunten na te streven. 

Ich hoffe, daß sie immer mehr zum Ausdruck kommen werden. Sie selbst als
Lehrer der Waldorfschule werden sich immer mehr in die Durchschlagskraft des Geistes hineinfinden und die Möglichkeit finden, alle Kompromisse beiseite zu lassen. Wir können nicht darum herum kommen, daß allerlei Leute von außen in die Angelegenheiten der Schule hineinreden. Wenn wir nur selbst in unserem Gemüte nichts von der notwendigen Anschauung, die wir haben müssen, aufgeben, daß im Grunde genommen jede Zustimmung, die von irgendwelcher pädagogischen Seite von heute kommt, zu dem, was in der Waldorfschule geschieht, uns eher traurig stimmen könnte als heiter. Wenn solche Leute, die im heutigen pädagogischen Leben drinnenstehen, uns loben, da müssen wir denken, da muß etwas bei uns nicht stimmen. Wir brauchen nicht jeden gleich hinauszuwerfen, der uns lobt, aber wir müssen uns klar sein, daß wir sorgfältig untersuchen, was wir nicht richtig machen, wenn wir gelobt werden

Ik hoop dat ze steeds meer tot uiting zullen komen. Uzelf als leraar aan de Waldorfschool zult steeds meer de slagkracht van de geest ontdekken en de mogelijkheid vinden om alle compromissen terzijde te schuiven. We kunnen er niet omheen dat allerlei mensen van buitenaf zich mengen in de zaken van de
school. Als we zelf maar niets opgeven van de noodzakelijke visie die we moeten hebben, dat in feite elke instemming die van welke pedagogische kant dan ook komt met wat er in de Waldorfschool gebeurt, ons eerder verdrietig dan vrolijk zou kunnen stemmen. Als zulke mensen, die deel uitmaken van het huidige pedagogische leven, ons prijzen, moeten we denken dat er iets niet klopt bij ons.
We hoeven niet iedereen die ons prijst meteen weg te sturen, maar we moeten ons wel realiseren dat we zorgvuldig moeten onderzoeken wat we niet goed doen als we geprezen worden

Blz. 167

von denjenigen, die im heutigen Erziehungswesen drinnenstehen.
Das muß unsere gründliche Überzeugung werden.
Indem ich ganz lebhaft empfinde, was es eigentlich von Ihnen bedeutet, daß Sie sich mit Ihrer ganzen Persönlichkeit der Angelegenheit der Waldorfschule gewidmet haben, möchte ich an das Gesagte dieses eine noch hinzufügen: Wir müssen auch innerlich, dem Gemüte nach, tatsächlich Anthroposophen sein im tiefsten Sinne des Wortes als Waldorflehrer und müssen Ernst machen können mit einer Idee, die auf anthroposophischem Boden wiederholt ausgesprochen worden ist, die für uns wichtig ist: Wir sind zu einer bestimmten Zeit heruntergestiegen aus den geistigen Welten in die physische Welt.
Diejenigen, die uns als Kinder entgegentreten, sind später heruntergekommen, sie haben die geistige Welt noch eine Zeitlang durchlebt, in der wir schon hier in der physischen Welt waren. Es ist etwas ungeheuer innerlich Erwärmendes, etwas ganz in der Seele Wirkendes, wenn man in einem Kinde sieht ein Wesen, das einem etwas herunterträgt aus der geistigen Welt, das man nicht selbst mitgemacht hat, in der geistigen Welt, weil man älter ist. Dieses Ältersein bedeutet für uns noch etwas ganz anderes. Wir empfangen mit jedem Kinde eine Botschaft aus der geistigen Welt über Dinge, die wir nicht mehr miterlebt haben.

door degenen die vandaag de dag in het onderwijs werkzaam zijn.
Dat moet onze diepe overtuiging worden. <5>
<6> Omdat ik heel levendig voel wat het eigenlijk voor u betekent dat u zich met uw hele persoonlijkheid aan de zaak van de Waldorfschool hebt gewijd, wil ik aan het gezegde nog dit toevoegen: We moeten ook innerlijk, in ons hart, werkelijk antroposofen zijn in de diepste zin van het woord als Waldorfleerkrachten en we moeten serieus kunnen omgaan met een idee dat herhaaldelijk op antroposofische grond is uitgedrukt en dat voor ons belangrijk is: we zijn op een bepaald moment uit de geestelijke werelden naar de fysieke wereld afgedaald.
Degenen die we als kinderen ontmoeten, zijn later neergedaald, zij hebben de geestelijke wereld nog een tijdje doorleefd, terwijl wij al hier in de fysieke wereld waren. Het is iets ongelooflijk hartverwarmends, iets dat diep in de ziel werkt, wanneer je in een kind een wezen ziet dat voor jou iets meebrengt uit de geestelijke wereld, iets wat je zelf niet hebt meegemaakt in de geestelijke wereld, omdat je ouder bent. Dit ouder zijn betekent voor ons nog iets heel anders. Met elk kind ontvangen we een boodschap uit de geestelijke wereld over dingen die we niet meer hebben meegemaakt.

Dieses Bewußtsein gegenüber der Botschaft, die das Kind herunterträgt, das ist ein positives Gefühl, das in vollem Ernst Platz greifen kann in der Waldorflehrerschaft, das der abwärtsgehende Kulturverlauf bekämpft, sogar getreten hat. Das tun auch die traditionellen Religionsbekenntnisse, die von allen Kanzeln die Ewigkeit predigen, die Post-mortem-Ewigkeit, jene Ewigkeit, auf die die Leute hinschauen aus dem raffinierten Egoismus ihrer Seele heraus, weil sie nicht zugrunde gehen wollen. Der Mensch geht nicht zugrunde, aber
es handelt sich darum, wie man zur Überzeugung kommt von der Ewigkeit der Seele, ob aus Egoismus heraus, oder ob man lebendig, aus der Anschauung, drinnensteht in der Erfassung der ewigen Menschenseele. Hier in dieses lebendige Darinnenstehen führt das Hinschauen auf die Präexistenz der Seele, das Hinschauen auf das, was der Mensch vor der Geburt erlebt, das Hinschauen auf den Menschen hier in der physischen Welt, wie sein Leben eine Fortsetzung desjenigen ist, was er vorher erlebt hat. Die traditionellen Bekenntnisse, die versumpft sind, diese Bekenntnisse bekämpfen am schärfsten die Präexistenz, dasjenige, was den Menschen selbstlos machen kann, dasjenige, was niemals zielt auf dieses dumpfe, versumpfte erkenntnislose Glauben, das zielen muß auf Wissen, auf das klare Licht der Erkenntnis.

Dit bewustzijn van de boodschap die het kind uitdraagt, is een positief gevoel dat in alle ernst zijn intrede kan doen bij Waldorfleerkrachten, die de neergaande culturele ontwikkeling bestrijden, zelfs hebben bestreden.
Dat doen ook de traditionele religieuze geloofsbelijdenissen, die vanaf alle preekstoelen de eeuwigheid prediken, de postmortale eeuwigheid, die eeuwigheid waarnaar de mensen kijken vanuit het geraffineerde egoïsme van hun ziel, omdat ze niet ten onder willen gaan. De mens gaat niet ten onder, maar het gaat erom hoe men tot de overtuiging komt van de eeuwigheid van de ziel, of dat nu uit egoïsme is, of dat men levendig, vanuit de aanschouwing, staat in het begrip van de eeuwige mensenziel. Hier, in dit levendige binnenstaan, leidt het kijken naar het voorbestaan van de ziel, het kijken naar wat de mens vóór de geboorte ervaart, het kijken naar de mens hier in de fysieke wereld, hoe zijn leven een voortzetting is van wat hij eerder heeft meegemaakt. De traditionele geloofsbelijdenissen, die zijn verzand, bestrijden het scherpst het voorbestaan, datgene wat de mens onbaatzuchtig kan maken, datgene wat nooit gericht is op dit doffe, verzande, onwetende geloof, dat gericht moet zijn op kennis, op het heldere licht van het inzicht.

Blz. 168

Solche Dinge werden praktisch, wenn wir sagen: Dieses Kind ist später heruntergekommen aus der geistigen Welt als ich selbst. Ich kann erraten aus dem, was es mir entgegenlebt, was geschehen ist in der geistigen Welt, nachdem ich selbst die geistige Welt verlassen habe. Daß wir das als lebendiges Gefühl in uns tragen, das ist eine rechte Lehrermeditation, von einer ungeheuer großen und starken Bedeutung. Und durch ein solches bestimmtes Ausleben des anthroposophischen Wesens werden wir in Wahrheit dasjenige, was Lehrer
sind, die aus anthroposophischem Geist heraus wirken. Das Beste, was hier in Anthroposophie entwickelt wird, ist nicht dasjenige, was die Welt-Herumlungerer bei uns heraushospitieren wollen, das Beste ist dasjenige, was sich in Ihren Gemütern,in Ihren Seelen, als der Geist der Waldorfschule entwickelt. Es ist wirklich im ersten Jahre dieser Geist in Ihren Seelen schon lebendig. Und es soll unser Bemühen sein — das wollte ich mit diesen Worten zu Ihnen sprechen —, gerade diesen Geist in der Folgezeit weiter zu pflegen.
Aus diesem Geiste heraus wollen wir auch versuchen, alle Einzelmaßnahmen vorzunehmen. Es hat mir leid getan, daß ich erst am 24. kommen konnte, denn bei der Ausgestaltung der Zeugnisse wäre ich gerne dabei gewesen. Das was ich sage, praktisch-pädagogische Psychologie zu treiben, das muß ausgebaut werden. Ich sehe, wie sehr Sie sich haben angelegen sein lassen, diese Psychologie sich zur Kraft werden zu lassen. Wir wollen weiter streben, denn wenn wir uns entschlossen haben, Waldorflehrer zu sein aus einem welthistorischen Impuls heraus: wir wollen es im ernstesten Sinne bleiben,
wiederum aus einem großen welthistorischen Impuls heraus.

Zulke dingen worden praktisch als we zeggen: dit kind is later uit de geestelijke wereld neergedaald dan ikzelf. Ik kan uit wat het mij tegemoet leeft raden wat er in de geestelijke wereld is gebeurd nadat ik zelf de geestelijke wereld heb verlaten.
Dat we dat als een levend gevoel in ons dragen, dat is een echte lerarenmeditatie, van een enorm grote en sterke betekenis. En door een dergelijke bepaalde beleving van het antroposofische wezen worden we in werkelijkheid datgene wat leraren zijn, die vanuit de antroposofische geest werken. Het beste wat hier in de antroposofie wordt ontwikkeld, is niet datgene wat de wereld-rondhangers bij ons willen ontfutselen, het beste is datgene wat zich in uw gemoed, in uw ziel ontwikkelt als de geest van de Waldorfschool. Deze geest leeft werkelijk al in het eerste jaar in uw ziel. En het moet ons streven zijn – dat wilde ik u met deze woorden zeggen – om juist deze geest in de komende tijd verder te koesteren.
Vanuit deze geest willen we ook proberen alle afzonderlijke maatregelen te nemen. <6> Ik vond het jammer dat ik pas op de 24e kon komen, want ik had graag bij de opstelling van de getuigschriften aanwezig willen zijn.
<7> Wat ik bedoel met praktisch-pedagogische psychologie, moet verder worden uitgewerkt. Ik zie hoe zeer u zich heeft ingezet om deze psychologie tot kracht te laten komen. We willen verder streven, want als we hebben besloten om Waldorfleerkracht te worden vanuit een wereldhistorische impuls, dan willen we dat ook in de meest serieuze zin blijven, opnieuw vanuit een grote wereldhistorische impuls. <7>

(Dr. Steiner, der bis dahin stehend gesprochen hatte, setzt sich nieder.)

(Dr. Steiner, die tot dan toe staand had gesproken, gaat zitten.)

Dr. Steiner: Wir wollen jetzt weitergehen in unseren Verhandlungen. Namentlich werden wir einiges zu besprechen haben, was sich uns in der letzten Zeit ergeben hat, und dann werden wir zu sorgen haben
für die Art und Weise, wie unser Unterricht und die Führung weitergehen sollen.

<8> Laten we nu verdergaan met onze besprekingen.
We zullen met name een aantal zaken bespreken die zich de laatste tijd hebben voorgedaan, en daarna zullen we ons moeten buigen over de manier waarop ons onderwijs en ons leiderschap verder moeten worden vormgegeven.

X. berichtet über die Zeugniskonferenzen. Es sei bei einzelnen Kindern die Frage entstanden, ob sie nach Alter und Kenntnissen auch wohl in der richtigen Klasse wären.

X. brengt verslag uit over de getuigschriftvergaderingen. Bij sommige kinderen is de
vraag gerezen of zij, gezien hun leeftijd en kennis, wel in de juiste klas zitten.

Dr. Steiner: Eine sehr wichtige Frage, und es wird ja natürlich berücksichtigt werden müssen, daß die Lösung der Frage praktisch nicht ganz leicht sein wird. Aber wenn Sie jetzt, namentlich beim
Durchsprechen der Dinge, die zum Verfassen der Zeugnisse geführt

Een zeer belangrijke vraag, en er zal natuurlijk rekening mee moeten worden gehouden dat het antwoord op deze vraag in de praktijk niet zo eenvoudig zal zijn. Maar als u nu, met name bij het bespreken van de zaken die hebben geleid tot het opstellen van de getuigschriften

Blz. 169

haben, nach dieser Richtung bestimmte Eindrücke bekommen haben, so wird es notwendig sein, diese vielleicht im einzelnen zu besprechen. Die ganze Frage nimmt sich anders aus, wenn es sich nur um einzelne Fälle handelt, oder wenn in einem erheblichen Maße Schüler nicht in der richtigen Klasse gesessen haben. Wir müssen eine Vorstellung bekommen darüber, wie groß die Anzahl der Schüler sein könnte, die wir das nächste Mal nicht in eine nächsthöhere Klasse setzen, sondern in eine niederere Klasse zu setzen haben; wir müssen das im einzelnen durchgehen, namentlich die Zahl. Natürlich, eine neue Verteilung der Schüler im größeren Maße wirkt zurück auf unsere unzulänglichen Maßnahmen bei diesem Schulanfang, bei dem wir uns haben leiten lassen, einfach die Kinder hereinzunehmen nach Maßgabe der Klassen, in denen sie draußen waren. Wir werden vielleicht nicht davor zurückschrecken dürfen, uns in dieser Beziehung zu desavouieren. Das müssen wir im einzelnen durchprüfen. Ich würde die Lehrer, die solche Kinder in den Klassen haben, von denen sie glauben, daß sie nicht richtig in der.Klasse waren, bitten, sich auszusprechen. Kann man etwas über solche sagen?

indrukken in die richting hebt gekregen, dan zal het nodig zijn om deze misschien in detail te bespreken.
De hele kwestie ziet er anders uit als het alleen om individuele gevallen gaat, of als een aanzienlijk aantal leerlingen niet in de juiste klas heeft gezeten. We moeten een idee krijgen van het aantal leerlingen dat we de volgende keer niet in een hogere klas, maar in een lagere klas moeten plaatsen; we moeten dat in detail doornemen, met name het aantal. Natuurlijk heeft een nieuwe verdeling van de leerlingen in grotere mate een terugwerkende kracht op onze ontoereikende maatregelen bij deze schoolstart, waarbij we ons hebben laten leiden door de kinderen gewoon op te nemen op basis van de klassen waarin ze op een andere school zaten. We zullen misschien niet mogen terugdeinzen om er in deze relatie afstand van te nemen. We moeten dat in detail onderzoeken. Ik zou de leraren die zulke kinderen in de klassen hebben waarvan zij denken dat ze niet in de juiste klas zaten, willen vragen zich uit te spreken. Kan men iets over zulke kinderen zeggen?

X. erwähnt den G. T. in der 4. Klasse, der zu alt ist.

X. noemt G. T. in de 4e klas, die te oud is.

Dr. Steiner: Bei G. T. würde es sich darum handeln, ob wir ihn in eine andere Klasse setzen. Es fragt sich, ob wir das nächstes Jahr noch nachholen können. Er ist beinahe zwölf Jahre alt. Ich glaube doch, daß wir es versuchen sollten. Die Sache mit dem Französischen und Englischen, die kann nebenbei geregelt werden. Er lernt sehr gut. Das Zeugnis ist so, daß er mit Unrecht in der 4. sitzt. Man ist verpflichtet, diesen Unterschied wieder gut zu machen.
(Zu Fräulein Dr. v. Heydebrand:) Haben Sie mit dem F. R. schon
irgendwelche Erfahrungen gemacht?

Bij G. T. zou het erom gaan of we hem in een andere klas plaatsen. De vraag is of we dat volgend jaar nog kunnen inhalen. Hij is bijna twaalf jaar oud. Ik denk
toch dat we het moeten proberen. De kwestie met het Frans en Engels kan terloops worden geregeld. Hij leert heel goed. Het rapport laat zien dat hij ten onrechte in de 4e zit. Men is verplicht om dit verschil weer goed te maken.
(Tegen juffrouw Dr. v. Heydebrand:) Heeft u al ervaring met F. R.?

X.: Sein Betragen ist ausgezeichnet. Er hat nicht die Kenntnisse der Kinder meiner Klasse.

X.: Zijn gedrag is uitstekend. Hij heeft niet de kennis van de kinderen in mijn klas.

Dr. Steiner: Aber die Reife hat er. Mitkommen wird er sicher. Dann ist dies kein Fehlschluß gewesen.
Im Zusammenhang damit können wir auf die Frage eingehen, von  der ich gehört habe, daß sie Ihnen sehr viel Kopfzerbrechen machte.
Nicht wahr, ich kann mir denken, wie ungeheuer schwierig es werden soll, aber es muß sachlich erwogen werden, ob wir nicht eben eine Klasse zusammenstellen als 6., die psychologisch alle die Eigentümlichkeiten hätte, die die jetzige 5. hat; ob wir nicht doch eine Nebenklasse einrichten. Es ist nicht notwendig, daß wir sie in der

Maar hij heeft de rijpheid. Hij zal zeker meekomen. Dan is dit geen verkeerde beslissing geweest.
In verband hiermee kunnen we ingaan op de vraag waarvan ik heb gehoord dat u zich daar veel zorgen over maakte.
Ik kan me voorstellen hoe ontzettend moeilijk het zal worden, maar we moeten objectief overwegen of we niet gewoon een klas samenstellen als 6e klas, die psychologisch gezien alle eigenaardigheden heeft die de huidige 5e klas heeft; of we toch niet een nevenklas moeten instellen. Het is niet nodig dat we ze 

Blz. 170

Mitte auseinander schneiden, es kann so sein, daß Sie als bisherige Klassenlehrerin absolut das freie Vorschlagsrecht hätten. Es sind einundfünfzig Kinder; also ich meine, es würde so sein müssen, daß Sie das Vorschlagsrecht hätten, daß Sie eventuell Ihre 6. Klasse aus dreißig zusammenstellen und zwanzig abspalten würden. Und da würde ich absolut das Vorschlagsrecht für jeden einzelnen nehmen. Wählen Sie fünfzehn Buben und fünfzehn Mädchen aus.

zonder meer halveren, het kan zijn dat u als huidige klaslerares absoluut het vrije recht van keuze zou hebben. Het zijn eenenvijftig kinderen; dus ik bedoel, het zou zo moeten zijn dat u het recht van keuze zou hebben, dat u eventueel uw 6e klas uit dertig zou samenstellen en twintig zou afsplitsen. En dan zou ik absoluut het recht nemen bij de keuze voor elk individu een voorstel te doen.
Kies vijftien jongens en vijftien meisjes uit.

X.; Ich hatte eine Liste, sechsundzwanzig für mich.

X.; Ik voor mij had een lijst, zesentwintig.

Dr. Steiner: Wie Sie es wollen. Dieser Vorschlag steht ganz bei Ihnen.
Aber es scheint doch, daß dies gemacht werden müßte, denn die Klasse war etwas zu groß.
Was haben Sie gegen die Teilung der Klasse? Sie haben sie alle so gern, daß Sie keinen weggeben wollen. Es ist doch besser. Sie werden mit dem Pensum der 6. Klasse leichter zurechtkommen, wenn Sie nicht mehr als dreißig haben. Wenn Sie also selbst die zurückbehalten, die Sie für richtig halten, und eine Klasse von zwanzig abspalten, werden Sie auch einverstanden sein können. Das ist richtig. Dann wird ja auch das leichter sich machen lassen mit solchen Leuten wie G. T. Ist noch jemand, der in Betracht käme?

Zoals u wilt. Dit voorstel is geheel aan u.
Maar het lijkt erop dat dit moet gebeuren, want de klas was iets te groot.
Wat heeft u tegen het splitsen van de klas? U vindt ze allemaal zo aardig dat u niemand wil laten gaan. Toch is het beter. U zult gemakkelijker met de lesstof van de 6e klas kunnen omgaan als u niet meer dan dertig leerlingen heeft. Als u dus zelf degenen behoudt die u geschikt acht, en een klas van twintig afsplitst, zult u het daar ook mee eens kunnen zijn. Dat klopt. Dan wordt het ook makkelijker met mensen als G. T. Is er nog iemand anders die in aanmerking komt?

X.: Ich hätte den A. S. K. in der 6. Klasse. Er ist Epileptiker und mußte monatelang wegbleiben.

X.: Ik zou A. S. K. in de zesde klas hebben. Hij is epileptisch en moest maandenlang wegblijven.

Dr. Steiner: Der müßte wieder in der 6. bleiben. Den würde man in die neue 6. setzen. Wir wollen im allgemeinen mit dem Sitzenbleiben vorsichtig sein. Bei ihm müßte mit den Eltern gesprochen werden.

Hij zou weer in de zesde klas moeten blijven. Hij moet in de nieuwe zesde klas worden geplaatst. Over het algemeen willen we voorzichtig zijn met doubleren.
In zijn geval zou er met de ouders moeten worden gesproken.

X.: Heikel ist es. Die Eltern werden es nicht verstehen. Sie sind nicht sehr
günstig eingestellt; es gibt mit dem Buben immer Schwierigkeiten.

X.: Dat is een delicate kwestie. De ouders zullen het niet begrijpen. Ze staan er niet erg positief tegenover; er zijn altijd problemen met die jongen.

Dr. Steiner: Das darf kein Grund sein. Nun gewiß nicht! Der Vater ist ja ein vernünftiger Mensch; er ist kein wahrer Mensch, vernünftig ist er doch. Man wird am besten mit ihm reden, nicht mit seiner Frau.
Der Bub, der erweist sich als verwahrlost. Nicht wahr, es würde ja an sich nichts machen, wenn er in der 6. Klasse bleibt; es ist nur die Frage, ob er nicht hinausgenommen wird, und ob wir es dazu kommen lassen sollen. Es liegt auch der Grund vor: bei dem Buben ist es so, wenn er wirklich herauskommt, dann ist es Schluß. Wenn er hier bleibt, wird er nicht weiter herunterkommen. Nach dem Zeugnis ist es nicht gut anders möglich, als daß man ihn in der 6. zurückläßt. Zunächst würde ich vorschlagen, man redet einmal mit dem Vater. Es braucht erst zu geschehen, wenn das neue Schuljahr beginnt. Es hat Vorteile, wenn der Junge die 6. noch einmal

Dat mag geen reden zijn. Zeker niet! De vader is een redelijk mens; hij is geen reëel mens, maar hij is wel redelijk. Je kunt het beste met hem praten, niet met zijn vrouw.
De jongen blijkt verwaarloosd te zijn. Het zou op zich niets uitmaken als hij in de zesde klas blijft; het is alleen de vraag of hij niet van school wordt gestuurd en of we dat moeten laten gebeuren. Er is ook een reden: bij deze jongen is het zo dat als hij echt van school wordt gestuurd, het voorbij is. Als hij hier blijft, zal hij niet verder achteruitgaan.
Na het rapport is er geen andere mogelijkheid dan hem in de zesde klas te laten zitten. Ik zou voorstellen om eerst eens met de vader te praten.
Dat hoeft pas te gebeuren als het nieuwe schooljaar begint. Het heeft voordelen als de jongen de zesde klas nog een keer doet.

Blz. 171

macht. Ich würde dem Vater das einfach objektiv auseinanderlegen; so wie Sie ihn beurteilen müßten, muß man sagen, wenn er manches von dem, was er lückenhaft gehört hat, noch einmal hören würde, wäre es gut. Wenn Sie dann bemerken, daß der Vater ihn herausnehmen würde, so nehmen wir ihn herauf in die 7. Klasse. Aber es ist eine schwierige Sache. Es sind nur diese paar Fälle?

Ja. Ik zou het gewoon objectief aan de vader uitleggen; aangezien je hem moet beoordelen, moet je zeggen dat het goed zou zijn als hij sommige dingen die hij nu maar gedeeltelijk heeft gehoord, nog eens zou horen. Als je dan merkt dat de vader hem van school wil halen, zullen we hem tot en met de zevende klas laten meedoen. Maar het is een lastige kwestie. Gaat het hier alleen om deze paar gevallen?

X. fragt wegen des F. M. in der 4. Klasse.

X. vraagt ​​naar F.M. in de vierde klas.

Dr. Steiner: Da liegt kein richtiger Grund vor, den müßten wir schon
mitnehmen. Das ist ein schwer zu behandelnder, schwacher Schüler.
Den müssen wir vorläufig mitnehmen. Man kann etwas tun, daß er das eine oder das andere lernt, daß er nachkommt. Da würde man sich zu stark desavouieren.

Er is geen echte reden waarom we hem mee zouden moeten nemen. Hij is een lastige, zwakke leerling. We moeten hem voorlopig wel meenemen. Er kan iets gedaan worden zodat hij dit of dat leert, zodat hij zijn achterstand inhaalt. Je zou te veel afstand kunnen nemen.

X. fragt wegen K. A. in der 5. Klasse und schlägt vor, daß er ein Vierteljahr in
die Hilfsklasse kommt.

X. vraagt ​​naar K.A. in de vijfde klas en stelt voor dat hij een kwart jaar naar de ondersteuningsklas gaat.

Dr. Steiner (zu Dr. Schubert): Vielleicht können Sie sich für ein Vierteljahr die Aufgabe setzen, ihn nachzubringen. Offenbar liegt eine gewisse Gehirnweiche in der Familie. Da würde ich doch raten,
ihn mitzunehmen.
Die H. bleibt weiter bei Ihnen in der Hilfsklasse, und man kann es dann entscheiden, wenn Sie finden, daß sie soweit nachgeholt hat, daß sie in eine Klasse kommen kann. Die Hilfsklasse bleibt wie bisher
zusammen.

Dr. Steiner (tegen Dr. Schubert): Misschien kunt u zich voornemen hem een ​​kwart jaar mee te nemen. Blijkbaar is er een bepaalde hersenzwakte in de familie. Ik zou u aanraden hem mee te nemen.
H. blijft in jullie hulpklas en er kan dan een besluit worden genomen wanneer jullie vinden dat ze voldoende heeft ingehaald om deel te kunnen nemen aan een reguliere klas. De ondersteuningsklas blijft zoals voorheen bij elkaar.

Ich dachte, die M. G. wird in der nächsten 2. Klasse nicht mitkommen können. Sie wird ziemlich lange in der Hilfsklasse bleiben müssen, das ist so ein Kind, bei dem doch eines schönen Tages der Knopf aufspringen könnte. Es könnte sein, daß der Knopf kommt.
Wir behalten sie doch in der Hilfsklasse und entscheiden später. Wenn Sie sie in der untersten Klasse mitmachen lassen wollen, das schadet nichts, wenn sie da mitmacht. Da kann sie auch sein. Lassen Sie sie da in der untersten Klasse mitmachen. Im allgemeinen ist es ja nicht so, daß wir eine Revision vornehmen müssen. Die Fälle, die wir vorgehabt haben, lassen sich ohne weiteres lösen. Eine richtige Revision brauchen wir nicht vorzunehmen.
Beim Fremdsprachenunterricht ist es so, daß man leichter zurechtkommt, weil es immerhin da nicht so streng klassenweise eingeteilt ist. Wir sollten nicht so streng klassenweise gehen im Sprachunterricht. Es hat sich so herausgebildet, aber im ganzen braucht der Sprachunterricht nicht klassenmäßig eingerichtet zu werden.

Ik dacht dat M.G. het in de volgende tweede klas niet zou redden. Ze zal nog een tijdje in de ondersteuningsklas moeten blijven; ze is het type kind dat misschien ooit een doorbraak zal hebben. Het is mogelijk dat die doorbraak er komt. We laten haar in de hulpklas en beslissen later. Als je wilt dat ze meedoet in de laagste klas, kan dat geen kwaad. Ze kan daar ook bij zijn. Laat haar meedoen in de laagste klas. Over het algemeen hoeven we niets te herzien. De gevallen die we in gedachten hadden, kunnen gemakkelijk worden opgelost. We hoeven geen echte herziening door te voeren.
Met vreemdetalenonderwijs is het makkelijker te organiseren omdat het niet zo strikt in klassen is ingedeeld. We zouden niet zo strikt moeten zijn met de klassenindeling in taalonderwijs. Het is nu eenmaal zo ontwikkeld, maar over het algemeen hoeft taalonderwijs niet per klas te worden georganiseerd. <8>

Blz. 172

Beim Sprachunterricht, da ist dieser tatsächlich grandiose Unterschied zwischen Chorsprechen und Einzelsprechen. Die Kinder reden im Chor alle glattweg mit und können es einzeln nicht. Es würde sich darum handeln, daß man es ausnützt. Das werden wir bei den pädagogisch-methodischen Fragen im nächsten Jahre behandeln, daß man versucht, bei den Kindern, nachdem sie es im Chor gesprochen haben, rasch es einzeln zu machen. Man soll es machen als Grundlage des Lernens. Das ist zweifellos so.

<9> In het taalonderwijs is er een opmerkelijk verschil tussen spreken in koor en individueel spreken. De kinderen spreken allemaal vloeiend in koor, maar kunnen dat niet individueel. Het is belangrijk om hier optimaal gebruik van te maken. We zullen dit volgend jaar bespreken in de pedagogisch-methodologische vragen, namelijk hoe we de kinderen snel individueel kunnen laten spreken nadat ze in koor hebben gesproken. Dit zou de basis van het leerproces moeten vormen. Dat is ongetwijfeld het geval. <9>

X.: Der Stundenplan ist schwer durchführbar, wenn Kinder aus einer Klasse
mit anderen Klassen Sprachunterricht haben sollen.

X.: Het rooster is moeilijk te implementeren als kinderen uit de ene klas taalonderwijs moeten volgen met kinderen uit andere klassen.

Dr. Steiner: Beim Sprachunterricht wäre es wirklich ganz gut — aber das ist nicht durchführbar —, wenn man systematisch zwei Altersklassen beieinander haben könnte, daß das eine Kind vom anderen lernte. In der Sprache ist es gut, wenn die Jüngeren von Älteren lernen. Das ist ein Surrogat, wenn Schwächere und Bessere da sind.
Es ist in der Zeit nicht durchführbar, aber wenn wir können, sollten wir in der Sprache Schwächere und Bessere durcheinander haben.

<10> In het taalonderwijs zou het heel goed zijn – maar het is niet haalbaar – als je systematisch twee leeftijdsgroepen bij elkaar zou kunnen zetten, zodat het ene kind van het andere kan leren. In het taalonderwijs is het goed als de jongere kinderen van de oudere kinderen leren. Dat is een alternatief voor het hebben van zwakkere en sterkere leerlingen.
Het is niet haalbaar binnen de huidige tijd, maar als het mogelijk is, zouden we de zwakkere en sterkere leerlingen in het taalonderwijs moeten mengen.

X.: Was ist im Sprachunterricht zu machen mit den neu dazu kommenden
Kindern? Soll man denen Nachhilfestunden geben?

X: Wat moet er gebeuren in de taallessen met de nieuw erbij gekomen kinderen? Moeten ze bijles krijgen?

Dr. Steiner: Da müßte man den Eltern sogleich sagen, daß es an einer Nachmittagsstunde gemacht werden müßte. Das läßt sich nicht anders machen, als daß wir einfach die etwas nachpumpen. Kommen tatsächlich so viele Neue nach?

We zouden de ouders meteen moeten laten weten dat het ’s middags moet gebeuren. Er is geen andere manier dan de leerlingen wat meer bij te spijkeren. Komen er echt zoveel nieuwe leerlingen?

X : Ich habe seit Weihnachten vierzehn neue Schüler gehabt.

X: Ik heb sinds Kerstmis veertien nieuwe leerlingen gekregen.

Dr. Steiner: Ein Prinzip wollen wir in dieser Frage doch nicht aufstellen, sondern immerhin jeden einzelnen Fall prüfen. Im großen und ganzen, wenn nicht besondere Gründe vorliegen, rät man den Leuten, sie sollen bis zum Ende des Jahres in ihrer Schule bleiben.
Aber wir wollen nicht uns ganz abweisend verhalten.
Der Separatkurs in den Sprachen muß für solche Kinder eingerichtet werden. Das ist unbedingt nötig. Sonst könnten wir nicht Schüler in die höheren Klassen aufnehmen. Wenn es geht! Man muß das machen, was notwendig ist. Im großen und ganzen kann man sagen, in den Sprachen lassen sich vielleicht durcheinander haben Alte und Junge, weil die Jüngeren von den Älteren lernen, und die Älteren dadurch vorwärtskommen, daß sie die Jüngeren mitnehmen müssen. Da kann man Altersklassen durcheinander haben.

We willen hier geen algemeen principe voor vaststellen, maar elk geval afzonderlijk bekijken. Over het algemeen adviseren we leerlingen, tenzij er bijzondere redenen zijn, om tot het einde van het schooljaar op hun huidige school te blijven. Maar we willen ze niet zomaar afwijzen. Er moet een aparte taalcursus voor deze kinderen worden opgezet. Dat is absoluut noodzakelijk. Anders zouden we geen leerlingen in de hogere klassen kunnen toelaten. Als het mogelijk is! Je moet doen wat nodig is. Over het algemeen kun je misschien oudere en jongere leerlingen in taallessen mengen, omdat de jongeren van de ouderen leren en de ouderen vooruitgang boeken doordat ze de jongeren moeten begeleiden. Daar kun je gemengde leeftijdsgroepen hebben.

X. fragt wegen Vermehrung der Sprachstunden.

X vraagt ​​of het aantal taallessen verhoogd kan worden.

Blz.173

Dr. Steiner: Sie haben die Sehnsucht, mehr Stunden zu haben. Aber auf der anderen Seite ist es wirklich so, daß wir eigentlich die Kinder genügend viel in der Schule haben. Wir können nicht gut die Stundenzahl vermehren. Ich glaube nicht, daß wir da etwas machen dürfen. Wir könnten ja in den höheren Klassen später einmal daran denken. In der 9., 10. Klasse, da können wir vielleicht etwas mehr Sprachunterricht einführen. Viel mehr dürfen wir nicht vom Klassenunterricht wegnehmen; keine halbe Stunde kann entbehrt werden.
Wir können nicht gut die Kinder noch einmal mehr in der Schule drin haben, sie sind eigentlich doch nachmittags meist da.

U zou meer uren willen hebben. Maar aan de andere kant is het echt waar dat we de kinderen al lang genoeg op school hebben. We kunnen het aantal uren niet zomaar verhogen. Ik denk niet dat we daar iets aan mogen doen. We zouden het later in de hogere klassen kunnen overwegen. In de negende en tiende klas zouden we misschien wat meer taalonderwijs kunnen aanbieden. We kunnen niet veel meer van de reguliere lessen afhalen; zelfs geen half uur is mogelijk.
We kunnen de kinderen ook niet nog meer op school laten zitten; ze zijn er meestal toch al ’s middags. <10>

X.; Wie hoch ist das Maximum der Stunden, die wir in den Volksschuljahren
den Kindern in der Woche geben können? Wir geben in der 1. Klasse sechsundzwanzig, weiter herauf sehr viel mehr durch fakultative Stunden in Latein.

<11> X.: Wat is het maximale aantal uren dat we de kinderen per week op de basisschool kunnen geven? We geven 26 uur in de eerste klas, en later nog veel meer via keuzevakken Latijn.

Dr. Steiner: Wir können die Stundenzahl nicht vermehren.
Wie kommt es, daß in den Zeugnissen Eurythmie nicht als besonderer Gegenstand auftritt, sondern mit Musik zusammen? Das ist etwas, was ich als Mangel empfinde.

We kunnen het aantal uren niet verhogen.

Hoe komt het dat euritmie niet als apart vak in het getuigschrift staat, maar samen met muziek? Dat zie ik als een tekortkoming.

X..’ Weil ich alle Kinder zu unterrichten hatte, kannte ich die einzelnen zuwenig. — Auch in der Musik möchte ich vorschlagen, daß wir eine Stunde
mehr anfügen.

X.: ‘Omdat ik alle kinderen les moest geven, kende ik ze niet allemaal even goed. — Ik wil ook voorstellen om een ​​extra uur aan de muzieklessen toe te voegen.’

Dr. Steiner: Beim Musikunterricht ist es möglich, daß wir etwas tun. Es sind wenige Stunden, das ist richtig. Wollen Sie nicht ganz bestimmte Vorschläge machen, wieviel Stunden Sie in den einzelnen Klassen haben möchten?

Met muzieklessen kunnen we wel iets doen. Het zijn maar een paar uur, dat klopt. Zou u misschien wat concrete suggesties willen doen over het aantal uren per les?

X.: Wir können es verschieden machen. Wir können es so einrichten, daß wir
getrennt Chorgesang und Gehörsübungen haben, oder daß wir Chorunterricht
zu bestimmten Zeiten, zu den Festzeiten geben; das würde ich vorziehen. —
Ich nehme an, daß ich die Klassen so bekomme, wie sie jetzt sind. Bei zu
großen Klassen kann ich die Kinder nicht genügend kennenlernen.

X.: We kunnen het op verschillende manieren aanpakken. We kunnen bijvoorbeeld aparte lessen koorzang en gehoortraining geven, of koorlessen op specifieke momenten, bijvoorbeeld tijdens feesten; dat zou mijn voorkeur hebben. —
Ik ga ervan uit dat de lessen zo blijven zoals ze nu zijn. Met te grote klassen kan ik de kinderen niet goed genoeg leren kennen.

Dr. Steiner: Wieviel würden Sie brauchen in der Musik für die
1. Klasse? Wir haben da 26 ½ Stunden.

Hoeveel muziekles zou u nodig hebben voor klas 1? We hebben daar 26,5 uur.

X.: Eine Stunde.

X.: Een uur.

Dr. Steiner: Dann würde sich das erreichen lassen, daß Sie die einzelnen Kinder auch kennenlernen. Über den Stundenplan als solchen
würde manches noch zu gestalten sein. Diese eine Stunde kann ja
wohl sein. Auch in der 2. Klasse eine Stunde, und in der 3. Klasse. —
Es fragt sich nur für die oberen Klassen, ob wir nicht ständig den
Chorunterricht beibehalten. Das kann gemacht werden von Fall zu

Dan kunt u elk kind individueel leren kennen. Er is nog ruimte voor aanpassingen aan het lesrooster. Dat ene uur is zeker haalbaar. Ook een uur in klas 2 en een uur in klas 3. —
De enige vraag voor de hogere klassen is of we de koorlessen niet permanent moeten behouden. Dit kan per geval bekeken worden.

Blz.174

Fall. Ich glaube, die Zeit, die Sie haben für den Musikunterricht, die können Sie einteilen für Einzelunterricht oder Chorunterricht.
Es kommt auch der Anstandsunterricht dazu. Der belastet ja nicht.
Den können wir ruhig ansetzen. Ich meine, der kann zu den anderen Stunden dazukommen. Der darf nichts wegnehmen vom Musikalischen. Das was Sie wünschen, wenn Sie die neue Lehrkraft bekommen, daß Sie die einzelnen Schüler klassenweise haben und nicht zusammengelegt, das muß gemacht werden. Außerdem liegt das vor, daß wir, sobald wir eine Möglichkeit haben,
auch etwas Turnen anfügen. Turnen können wir ohne weiteres dazubringen, so daß wir sagen können: ,,Turnen und Eurythmie.”
Das wäre schon ganz gut. Es braucht nur so mit zu unterlaufen, daß wir das physiologische Turnen neben der psychologischen Eurythmie auch pflegen. Sobald gefragt wird, wird man sagen, wir haben es nicht ausgeschaltet, es wird einbezogen. Die Eurythmie, die könnte nicht vermindert werden, da müßte eine besondere Stunde dazukommen. Es genügt wahrscheinlich, wenn wir eine halbe Stunde Turnen in der Woche anfügen an die Eurythmie, oder wenn wir die
Übungen daruntermischen. Gerade das müßte darin sein, Geräteübungen.

Ik denk dat je de tijd die je voor muzieklessen hebt, kunt besteden aan individuele lessen of koorrepetities.
We hebben ook de etiquettecursus nog. Dat is geen extra belasting. Die kunnen we zeker inplannen. Ik bedoel, die kan gewoon aan de andere lessen worden toegevoegd. Het mag niets ten koste gaan van het muziekonderwijs. Wat je wilt, is dat de leerlingen individuele lessen krijgen en niet in groepen, en dat moet geregeld worden.
Verder is afgesproken dat we, zodra de gelegenheid zich voordoet, ook lichamelijke opvoeding zullen toevoegen. We kunnen gemakkelijk gymnastiek integreren, zodat we kunnen zeggen: “Gymnastiek en euritmie.”
Dat zou prima zijn. Het moet alleen subtiel gebeuren, zodat we naast psychologische euritmie ook lichamelijke gymnastiek beoefenen. Zodra iemand ernaar vraagt, zullen ze zeggen dat we het niet hebben afgeschaft; het is onderdeel van het programma. Euritmie kan niet worden ingekort; daarvoor moet een apart uur worden toegevoegd. Het is waarschijnlijk voldoende als we elke week een half uur gymnastiek aan de euritmie toevoegen, of als we de oefeningen afwisselen. Dat is precies wat het zou moeten omvatten: oefeningen met de apparaten.

Eine Schwierigkeit ist da bei dem Turnen. Da können wir die Mädchen und Buben nicht zusammennehmen. Die Teilung ist eine Raumschwierigkeit. Man kann nicht Mädchen und Buben miteinander nehmen; beim Geräteturnen ist es nicht möglich. Ja, bei Freiübungen könnte man sie ohne weiteres zusammennehmen. Wenn die Kinder Turnanzüge haben, dann ginge es; es ist doch nur ein Vorurteil.

Er is een probleem met gymnastiek. We kunnen de meisjes en jongens niet bij elkaar zetten. De scheiding is een kwestie van ruimte. Je kunt meisjes en jongens niet samen laten oefenen; dat is niet mogelijk bij toestelgymnastiek. Ja, je zou ze makkelijk samen kunnen zetten voor vrije oefeningen. Als de kinderen turnpakjes droegen, dan zou het wel werken; het is gewoon een vooroordeel.

Es wird ein Einwand gemacht.

Er wordt bezwaar gemaakt.

Dr. Steiner: Warum meinen Sie? Es ist so, daß die Mädchen vieles nicht machen, was die Buben machen können. Da würde man Riegen zusammenstellen und würde sie abwechselnd behandeln. Der eine ist mit den Mädchen am Reck, der andere macht mit den Knaben Stabübungen. Die Mädchen müßten Turnhosen haben; dezente Hosen müßten fabriziert werden drunten in der Fabrik.
Ja, es ist nur dann die Frage, wer den Turnunterricht gibt, daß Sie nicht überlastet werden. Nun liegt die ganze Schule, was Gesang und Eurythmie und Musik betrifft, an Ihnen; im Ganzen liegt viel an Ihnen.

Waarom vraagt ​​u dat? Het klopt dat de meisjes veel dingen niet kunnen die de jongens wel kunnen. Je zou de groepen kunnen samenstellen en ze om de beurt laten werken. De ene docent is met de meisjes aan de rekstok, de andere doet de staafoefeningen met de jongens. De meisjes zouden turnbroeken moeten dragen; onopvallende broeken zouden in de fabriek gemaakt moeten worden.
Ja, de enige vraag is wie de gymnastieklessen geeft, zodat u niet overbelast raakt. Wat betreft de zang, euritmie en muziek op de hele school, dat is uw verantwoordelijkheid; uiteindelijk hangt er veel van u af.

X., der bisher auch etwas Turnen gegeben hatte: Wenn wir elf Klassen haben,
dann ist sehr stark die Frage, ob das möglich ist. Könnten nicht auch die Klassenlehrer Turnunterricht geben? Nicht immer, aber hier und da?

X., die ook gymnastiekles had gegeven: Als we elf klassen hebben, dan is de vraag of dat wel mogelijk is. Zouden de klassenleerkrachten niet ook gymnastiekles kunnen geven? Niet de hele tijd, maar af en toe?

Blz. 175

Dr. Steiner: Die Klassenlehrer sind angestrengt. — Turnstunden brauchen in den drei untersten Klassen nicht gegeben zu werden. Die 1. und 2. Klasse könnten wir mit der Eurythmie schon befriedigen.
Aber nachher müßten wir, um es nicht nicht zu haben, schon das Turnen haben. Es ist auch ganz gut, wenn es gemacht würde. Es wäre ganz schön, wenn es möglichst sich anschließen würde an die Eurythmie, daß die Kinder zuerst Eurythmie treiben und dann etwas turnen würden.
Das Turnen würde für Sie etwas viel werden. Daran hatte ich nicht gedacht. Es müßte die Möglichkeit gegeben werden, daß jemand anderer den Turnunterricht gibt, insbesondere da zwei da sein müssen. Die Eurythmielehrerin müßte dabei sein, das ist nicht schwer.
Nun ja, das muß ins Auge gefaßt werden. Wir können entweder das Turnen weiter weglassen, oder wir müßten die Möglichkeit haben, eventuell noch eine Turnkraft zu haben. Das würde genügen, die eine Stunde für Eurythmie, und dann im Anschluß daran eine halbe Stunde das Turnen. Aber dann kriegen wir zuviel Stunden.
(Zu Frau Baumann): Jetzt hatten wir zwei Stunden Eurythmie. So wie Sie es jetzt gehabt haben in der letzten Zeit, hatten Sie nicht zuviel?

De leerkrachten hebben het erg druk. — Gymlessen hoeven niet gegeven te worden in de drie laagste klassen. We zouden  de eerste en tweede klas tevreden kunnen stellen met euritmie.
Maar om het daarna helemaal te vermijden, zouden we gymlessen moeten aanbieden. Het zou ook heel goed zijn als dat gedaan werd. Het zou mooi zijn als het na de euritmie kwam, zodat de kinderen eerst euritmie en daarna gymlessen zouden krijgen. De gymlessen zouden misschien wat te veel voor ze zijn. Daar had ik nog niet aan gedacht. Er zou een mogelijkheid moeten komen om iemand anders de gymlessen te laten geven, vooral omdat er twee docenten nodig zijn. De euritmiedocent zou er wel bij moeten zijn; dat is niet moeilijk. Nou, dat moet overwogen worden. We kunnen ofwel doorgaan met het weglaten van gymlessen, of we moeten de mogelijkheid hebben om eventueel een andere gymdocent aan te stellen. Dat zou voldoende zijn: een uur euritmie en daarna een half uur gymnastiek. Maar dan zouden we te veel uren hebben.

(Tegen mevrouw Baumann): We hebben net twee uur euritmie gehad. Zoals u het de laatste tijd doet, heeft u er niet te veel van?

X.: Ich hatte oft einundfünfzig auf einmal. In der 3. Klasse hatte ich achtundvierzig. Ich habe es so gemacht, daß ich die eine Hälfte zusehen ließ,
während die anderen Eurythmie machten.

X.: Ik had er vaak eenenvijftig tegelijk. In de derde klas had ik er achtenveertig. Ik regelde het zo dat de helft toekeek terwijl de andere helft euritmie deed.

Dr. Steiner ist damit einverstanden.

Dr. Steiner is het daarmee eens.

X. möchte die Klassen teilen.

X. wil de klassen opsplitsen.

Dr. Steiner: Das werden wir machen müssen, wenn wir das für die
anderen Klassen erst sehen. Das muß man am Beginn des nächsten
Schuljahres festlegen. Die Größe der Klasse ist nicht festliegend, es
kommt ein Zuwachs hinzu. Wie viele Schüler meinten Sie, werden
wir in der nächsten 1. Klasse haben?

Dat moeten we doen als we zien hoe het met de andere klassen gaat. Dat moet aan het begin van het volgende schooljaar besloten worden. De klassengrootte is niet vast; er komen nieuwe leerlingen bij. Hoeveel leerlingen denkt u dat we in de volgende eerste klas zullen hebben?

X.: Fünfundsechzig.

X.: Vijfenzestig.

Dr. Steiner: Das müßten natürlich zwei werden. Für die 2. Klasse kommt das nicht in Betracht. Die künftige 4. Klasse ist auch so groß, daß es über fünfzig Kinder werden. Da sind soviel Neue. Ich dachte auch, die Kleinsten im Singen an Fräulein Lämmert zu geben. Sonst wird es für Herrn Baumann zuviel mit dem Singen. Auch mit dem Turnen wird es viel zuviel. Da muß man sehen, wie man mit der Lehrerschaft zurechtkommt.
Die Frage der Lehrerschaft muß also besprochen werden. Wir ver-

Dat zouden er dan twee moeten zijn, natuurlijk. Dat is uitgesloten voor de tweede klas. De toekomstige vierde klas is ook zo groot dat er meer dan vijftig kinderen zullen zijn. Er komen zoveel nieuwe bij. Ik dacht er ook aan om de jongste kinderen zangles van juffrouw Lämmert te geven. Anders krijgt meneer Baumann te veel zangles. De gymnastiek zal ook veel te veel zijn. We moeten kijken hoe we het met de leraren kunnen vinden.
De kwestie van het onderwijzend personeel moet daarom besproken worden. We ver-

Blz. 176

mehren die Klassen, wir brauchen neue Lehrer. Es sind jetzt die zwei Baracken im Bau, die zu Anfang des nächsten Schuljahres fertig werden, hoffentlich. Und wenn die fertig sind, dann können wir gerade auskommen. Es geht vielleicht sogar auch, daß wir auskommen, wenn wir die künftige 4. und 2. teilen, weil die beiden weit über fünfzig hinauskommen. Dann geht es knapp mit den Räumen. Es geht nur so, daß wiederum die Nebenräume notleiden. Es bleibt unerledigt. Es würde so eben gehen mit den Bauten, die wir jetzt haben. Aber es fehlt dann ein Raum für Gesang vorläufig, es fehlt ein Raum für den Kindergarten, und es fehlen weiterhin Klassenräume für weitere Klassen, die in den folgenden Jahren kommen. Es fehlt eine Bibliothek, es fehlt die Turnhalle, es fehlen Räume für die Fortbildungsschule — vielleicht kann man die Fortbildungsschule schließlich beiseite lassen —, es fehlt das Arztzimmer, von dem wir gesprochen hatten, eine ganze Anzahl Dinge. Das sind Dinge, die wir neulich besprochen haben. Es sollte versucht werden, diese Dinge zu lösen dadurch, daß man einen Stock aufsetzt.

De klassen worden groter, we hebben nieuwe leraren nodig. De twee barakken zijn momenteel in aanbouw en zullen hopelijk aan het begin van het volgende schooljaar klaar zijn. En als die klaar zijn, redden we het net. Het zou zelfs mogelijk kunnen zijn om de toekomstige vierde en tweede klas te splitsen, want beide groepen zullen ruim 50 leerlingen tellen. Dan wordt het wel krap met de lokalen. Het werkt alleen als de bijgebouwen er weer onder lijden. Dat is nog niet opgelost. Met de gebouwen die we nu hebben, zou het net lukken. Maar dan is er voorlopig geen ruimte voor zang, geen ruimte voor de kleuterschool en een aanhoudend tekort aan klaslokalen voor de extra klassen die in de komende jaren zullen komen. Er is een tekort aan een bibliotheek, een tekort aan een gymzaal, een tekort aan lokalen voor de voortgezette school – misschien kunnen we die voortgezette school uiteindelijk wel opheffen – een tekort aan de dokterspraktijk waar we het over hadden, en nog veel meer. Dit zijn zaken die we onlangs hebben besproken. Men zou deze problemen moeten proberen op te lossen door etages te gaan gebruiken.

X.: Das stellt sich als unmöglich heraus.

X: Dat blijkt onmogelijk te zijn.

Dr. Steiner: Warum ist das unmöglich? Woran liegt es, daß man einen Stock aufbauen wollte und jetzt nicht kann?

Waarom is dat onmogelijk? Wat is de reden dat ze een verdieping wilden bouwen en dat nu niet kunnen?

X.: Die Standfestigkeit des Unterbaues ist dann zu stark in Anspruch genommen.

X.: De stabiliteit van de ondergebouw zou dan te veel onder druk komen te staan.

Dr. Steiner: Ich verstehe nichts. Was sagt der Architekt? Hatte er das nicht vorher gewußt? Es ist schrecklich, daß immer Ideen entstehen, die nachher nicht durchführbar sind. Natürlich kann man —, heißt es, nachher muß alles umgeändert werden. Der baupolizeiliche Gesichtspunkt hätte vorher durchdacht werden müssen. Ich würde mich in Dornach zum Beispiel nie einlassen darauf, daß mir ein Plan vorgelegt würde von etwas, was nicht absolut ausgeführt werden kann. Man verliert die Zeit damit. Man soll sich herumtragen mit
einer Idee und nachher ist wieder nichts. Man hat doch gerechnet damit, daß der Eurythmiesaal hinaufgelegt wird. Ich meine, wir haben damit gerechnet. In Dornach erzählten Sie es mir noch.

Ik snap er niets van. Wat zegt de architect? Wist hij dat niet van tevoren? Het is vreselijk dat er steeds ideeën ontstaan ​​die achteraf niet haalbaar blijken. “Natuurlijk kan het,” zeggen ze, “maar dan moet alles veranderd worden.
De bouwvoorschriften hadden van tevoren bekeken moeten worden. In Dornach bijvoorbeeld zou ik nooit instemmen met een plan voor iets dat niet absoluut uitvoerbaar is. Zo verspil je tijd. Je moet met een idee spelen, en uiteindelijk komt er niets van terecht. Ze hebben er toch rekening mee gehouden dat de euritmiezaal erbovenop gebouwd zou worden. Ik bedoel, wij verwachtten het. Je hebt het me er zelfs over verteld in Dornach.”

X.: Nicht als feste Tatsache, sondern als eine Möglichkeit.

X.: Niet als een vaststaand feit, maar als een mogelijkheid.

Dr. Steiner: Möglichkeiten kenne ich nicht. Wenn mir das jemand
erzählt, so halte ich es für eine Wirklichkeit, oder es ist nichts. Die
Baupolizei muß doch erst definitiv gefragt werden, und der Architekt muß wissen, ob er daraufbauen kann.

Ik ken geen mogelijkheden. Als iemand me iets vertelt, neem ik het ofwel voor waar aan, ofwel niet. Eerst moet de bouwinspectie definitief geraadpleegd worden, en de architect moet weten of hij erop mag bouwen.

Blz. 177

Nun ist der einzig mögliche Plan, eine Turnhalle und neben der Turnhalle anzugliedern die Nebenräume, die ich hier nannte, der gewissermaßen den ersten Teil eines rationell gebauten Schulgebäudes darstellen müßte. Es würde sich darum handeln, wohin das gebaut werden soll.
Das müßte in aller Sorgfalt überlegt werden. Ist dazu Geld da? Es handelt sich darum vor allen Dingen, ob das Geld dazu da ist. Man muß das Geld ausgeben, auch wenn es nicht gerechtfertigt ist. Es ist da. Es sind zehn Millionen eingezahlt worden. Nur wollen die Herren nur unriskante Geschäfte machen. Die ganze Frage ist eine Mutfrage.
Wir müssen darauf aufbauen. Die geistigen Werte werden ohnehin aus der Schule hervorgehen und nicht aus dem übrigen. Infolgedessen müssen wir den Mut haben, unsolide Geschäfte zu machen. Wir dürfen aber nicht mehr unsolide machen als solche, die wir durch die soliden ausgleichen können.
Man muß in den sechs Wochen herumreisen und das Geld aufbringen. Es ist nur die Frage, wie es gemacht wird. Dann muß man sehen, daß man durch Erfindungen etwas herausholt. Es müßte Geld geschafft werden. Und da ist es notwendig, daß wir den Plan mit dem Schulverein doch vergrößern.

Het enige mogelijke plan is nu om een ​​gymzaal te bouwen en daarnaast de eerdergenoemde bijgebouwen, wat in feite het eerste deel van een rationeel ontworpen schoolgebouw zou vormen. De vraag is dan: waar moet het gebouwd worden?
Dit moet zeer zorgvuldig overwogen worden. Is er geld voor? De belangrijkste vraag is of het geld beschikbaar is. Je moet het geld uitgeven, zelfs als het niet gerechtvaardigd is. Het is er. Tien miljoen is al betaald. Maar deze heren willen alleen maar risicovrije deals sluiten. Het draait allemaal om moed.
Daar moeten we op voortbouwen. De spirituele waarden zullen sowieso uit de school voortkomen, en niet uit iets anders. Daarom moeten we de moed hebben om onverstandige deals te sluiten. Maar we mogen niet meer onverstandige deals sluiten dan we kunnen compenseren met verstandige. We moeten in die zes weken rondreizen en het geld bijeenbrengen. De enige vraag is hoe dat gaat gebeuren. Dan moeten we kijken of we iets kunnen bedenken. Er moet geld gegenereerd worden. En daarvoor is het nodig dat we het plan uitbreiden met de schoolvereniging.

Es ist sehr leicht möglich, daß wir vielleicht, wenn wir einen Weltschulverein gründen, überhaupt für solche Schulen, international, daß wir Geld kriegen, während es jetzt einem überall begegnet, daß die Leute sagen, wir haben in Berlin kein Interesse daran, just für die Waldorfschule zu bezahlen. Wenn wir
einen Weltschulverein gründen, dann ist es vielleicht möglich, daß man für Stuttgart etwas verwenden kann. Es ist wahrscheinlich gar nicht möglich, wenn die Leute von vornherein bezahlen sollen für die Stuttgarter Waldorfschule, daß wir viel hereinkriegen. Dann müßte man sehen, daß wir durch Erfindungen etwas bekommen. Es ist allerhand in Arbeit, aber das geht nicht so geschwind. Wir haben etwas sehr Aussichtsreiches in Dornach, eine Rasierseife und das
Haarmittel ,,Verlockung”, aber es geht nicht so schnell mit dem Inaugurieren. So geschwind kann man die Sachen nicht erfinden, daß wir schon für den Herbst einen Turnsaal und einen Eurythmie und Gesangssaal haben. Dann müßten zuerst allen Kahlköpfen Locken wachsen.

Het is heel goed mogelijk dat we, als we een internationale schoolvereniging zouden oprichten, we geld zouden kunnen krijgen voor dergelijke scholen internationaal, terwijl je nu overal hoort dat mensen in Berlijn geen interesse hebben om specifiek voor de Waldorfschool te betalen. Als we een internationale schoolvereniging zouden stichten, zou er misschien iets voor Stuttgart gebruikt kunnen worden. Het is waarschijnlijk helemaal niet mogelijk dat we veel voor elkaar krijgen als mensen vanaf het begin voor de Waldorfschool in Stuttgart moeten betalen. Dan zouden we moeten zien of we iets voor elkaar krijgen door middel van innovaties. Er is veel in de maak, maar het gaat niet zo snel. We hebben iets heel veelbelovends in Dornach, een scheerzeep en het haarproduct “Verlokking”, maar het bekend maken gaat niet zo snel. Je kunt niet zo snel dingen uitvinden dat we tegen de herfst al een gymnasium, een euritmiezaal en een zangzaal hebben. Dan zouden alle kale hoofden eerst krullen moeten laten groeien.

X.: Ich wollte es ausprobieren, auf die Gefahr, daß meine Frau mich nicht
mehr kennt.

X.: Ik wilde het uitproberen, met het risico dat mijn vrouw me niet meer zou herkennen.

Dr. Steiner: Unsere Eurythmiedamen haben es schon auf sich genommen, das Haarmittel hier zu verwenden, damit ihnen Schnurrbart-

Onze dames die euritmie beoefenen, hebben het haarproduct hier al zelf gebruikt om snorren te laten groeien.

Blz. 178

haare wachsen. Dann werden sie es mit der Rasierseife wieder wegnehmen. Dann wachsen einem die Tausendmarkscheine auf dem Kopf. Es ist noch Geld da. Die Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft wissen nicht, wie wichtig die Waldorfschule ist. Ich habe neulich mit einigen Damen gesprochen, die haben keine Ahnung gehabt, daß es so drängt. Es wird überall, an vielen Stellen gesagt, daß Schulen gegründet werden sollten. Das einzige ist das, daß man die Leute bittet. Diese Idee dürfen wir nicht aufkommen lassen, daß wir
hier alles absorbieren wollen. Deshalb habe ich es besprochen, daß man nicht hier in Stuttgart alles zentralisiert, sondern herumreist in den einzelnen Städten, daß sich die Sache verbreitet, daß man nicht Sachen herumschickt und den Leuten diktiert. So entstand in Berlin der Gedanke, eine Schule zu begründen. Das dürfen wir nicht probieren, daß die Leute ihre Schulpläne zurückstellen sollen. Da handelt es sich darum, daß wir die Leute nicht vor den Kopfstoßen. Da müssen wir eben reisen. Für die Turnhalle wird man den ,,Kommenden Tag” um Kapital angehen und sich verpflichten, das Kapital zu verzinsen. 400 000 Mark, dafür kann man die Zinsen aufbringen, so daß das, was jetzt sein muß im Interesse des Fortganges, sofort geschehen kann. Ein anderes ist der weitere Ausbau der Schule selbst. Denn wenn wir die Schule weiterführen wollen, auch über das nächste Jahr hinaus und die von selbst sich ergebende Vergrößerung machen wollen, dann brauchen wir noch viel mehr Raum.

Dan halen ze het er weer af met scheerzeep. Dan groeien er briefjes van duizend mark op je hoofd. Er is nog steeds geld over. De leden van de Antroposofische Vereniging weten niet hoe belangrijk de Waldorfschool is. Ik sprak onlangs met een paar dames die geen idee hadden hoe urgent het is. Overal, op veel plaatsen, wordt gezegd dat er scholen moeten worden opgericht. Het enige wat je moet doen, is mensen ernaar vragen. We mogen niet toestaan ​​dat dit idee wortel schiet, dat we alles hier willen absorberen. Daarom heb ik het idee geopperd dat we niet alles hier in Stuttgart moeten centraliseren, maar naar de verschillende steden moeten reizen zodat het idee zich verspreidt, zodat we niet alles rondsturen en mensen de wet voorschrijven. Zo is het idee ontstaan ​​om een ​​school in Berlijn op te richten. We moeten mensen niet proberen te overtuigen hun schoolplannen uit te stellen. Het gaat erom mensen niet te vervreemden. Daarom moeten we reizen. Voor de gymzaal zullen ze ‘der kommenden Tag’ aankloppen en de verplichting aangaan het kapitaal met rente terug te betalen.
Voor 400.000 mark – kan men de rente opbrengen, zodat wat nu nodig is voor de vooruitgang van de school direct uitgevoerd kan worden Een ander punt is de verdere uitbreiding van de school zelf. Want als we de school na volgend jaar willen blijven runnen en de onvermijdelijke groei willen opvangen, hebben we aanzienlijk meer ruimte nodig.

X.: Man wird sich vielleicht helfen können, daß man eine von den großen
Klassen nachmittags als Gesangssaal verwendet.

X.: Misschien kunnen we een van de grote klaslokalen ’s middags als zangzaal gebruiken.

Dr. Steiner: So kann man sich vielleicht helfen, bevor der Turnhallenbau hergestellt ist.
Jetzt kommen wir zu der Frage, die doch in irgendeiner Weise gelöst werden muß. Es geht die Schule nicht weiter. Die Raumfrage und die künftige Lehrerfrage müßten gelöst werden.
Es wird über die Notwendigkeit gesprochen, auch Lehrerwohnungen zu bauen.

Misschien kunnen we dat wel doen totdat de gymzaal gebouwd is. Nu komen we bij de vraag die hoe dan ook opgelost moet worden. De school boekt geen vooruitgang. Het ruimteprobleem en de toekomstige lerarenvraag moeten worden opgelost.
Er wordt ook gesproken over de noodzaak om lerarenwoningen te bouwen.

Dr. Steiner: Eigentlich ist im Grunde genommen die ganze Raumfrage ungelöst. Die Raumfrage ist nur soweit gelöst, daß die Klassen untergebracht werden können. Die notwendigen Nebenräume sind zum großen Teil unvollkommen oder nicht da.
Wieviel neue Klassen werden wir haben? Eine 1., eine 6., eine 9. Es fehlt die Turnhalle, der Zeichensaal. Turnhalle würde der Eurythmiesaal sein. Da müssen wir uns nach der Decke strecken. Nur, für die Eurythmie muß er groß sein. Da müßte man sehen, wie man fertig

Eigenlijk is het hele ruimteprobleem nog steeds niet opgelost. Het ruimteprobleem is alleen opgelost in die zin dat er klassen in ondergebracht kunnen worden. De noodzakelijke bijruimtes zijn grotendeels ontoereikend of ontbreken zelfs helemaal.
Hoeveel nieuwe klassen krijgen we? Een eerste, een zesde en een negende klas. We missen een gymzaal en een tekenlokaal. De euritmiezaal zou als gymzaal kunnen dienen. We zullen daar tot het uiterste moeten gaan. Maar voor euritmie moet de zaal groot genoeg zijn. We zullen moeten zien hoe we voor elkaar krijgen

Blz. 179

bringt, daß man die Turnhalle mit den entsprechenden Nebenräumen noch bauen kann.
Es scheint mir, daß wir heute nur zur Aufzählung kommen dessen, was unbedingt gemacht werden muß. Es zeigt sich an dem Falle, daß man nicht weiterkommt, wenn man es nur auf kleine Dimensionen anlegt. Wenn jetzt mit der Turnhalle angefangen würde, dann werden sich gegen Weihnachten hin die Verhältnisse so verbessern können, daß wir wirklich annehmbare Verhältnisse haben. Es schwebt alles in der Luft, es weiß niemand, ob es nicht in vierzehn Tagen anders ist. Man müßte eine bestimmte Angabe darüber haben, was die Dinge kosten. So kann man nicht die Verhandlungen treiben.
Für den folgenden Tag war eine Besprechung mit denArchitekten vorgesehen.

Het lijkt me dat we vandaag pas beginnen met het opsommen van wat absoluut moet gebeuren. Het is duidelijk dat je in dit geval nergens komt door je alleen op kleinschalige projecten te richten. Als de bouw van de sporthal nu zou beginnen, zou de situatie tegen Kerstmis zo verbeterd kunnen zijn dat we werkelijk acceptabele voorwaarden zouden hebben. Alles is nog onzeker; niemand weet of de situatie over twee weken anders zal zijn. We hebben een concrete kostenraming nodig. Onderhandelingen kunnen zo niet verdergaan. Er stond een afspraak met de architecten gepland voor de volgende dag.

X.: Wir sind selbst daran schuld, weil wir nur für Augenblicke gesorgt haben. Die Anmeldungen haben sich überstürzt. So kam es, daß innerhalb drei Wochen die Verhältnisse veraltet waren.

X: We moeten het onszelf verwijten, omdat we alleen rekening hebben gehouden met de nabije toekomst. De aanmeldingen stapelden zich op. Daardoor waren de voorwaarden binnen drie weken alweer achterhaald.

X.; Wir müssen die Dinge so anschauen, daß das, was für die Bedürfnisse dasein muß, das muß gemacht werden. Dazu muß das Geld aufgebracht werden. Die Geldfrage hat sich unterzuordnen. Wir haben noch keine persönliche Propaganda getrieben unter den Eltern, die ein wirkliches Interesse am Bestehen der Waldorfschule haben. Da gibt der eine und andere ein Darlehen. Die persönliche Bearbeitung muß vorgenommen werden. Was nicht auf diese Weise zusammenzubringen ist, das muß durch ein Darlehen vom Kommenden Tag aus bewirkt werden. Wir werden in diesen Tagen zu einem umfassenden Plane der Geldbeschaffung kommen müssen. Ich bin der Ansicht, daß an den pekuniären Sachen der Fortschritt der Waldorfschule nicht scheitern sollte.

X: We moeten de zaken zo bekijken dat wat nodig is om aan de behoeften te voldoen, ook gedaan moet worden. Daarvoor moet het geld bijeengebracht worden. De geldkwestie moet even op de achtergrond treden. We hebben nog geen persoonlijke fondsenwerving georganiseerd onder de ouders die oprecht geïnteresseerd zijn in het voortbestaan ​​van de Waldorfschool. Sommigen bieden al leningen aan. Persoonlijk contact is noodzakelijk. Wat niet op deze manier kan worden ingezameld, moet vanaf morgen via een lening worden geregeld. We moeten de komende dagen een uitgebreid fondsenwervingsplan opstellen. Ik ben ervan overtuigd dat de vooruitgang van de Waldorfschool niet mag worden belemmerd door financiële problemen.

Dr. Steiner: Ja, es muß irgend etwas Bestimmtes vorliegen. Man kann auf all das hin nicht verhandeln, wenn man die Erfahrung macht, daß der Architekt erklärt, er kann den Saal machen, und dann, er kann es nicht machen. Auf solche Dinge hin verhandeln, das ist eine furchtbare Wirtschaft. Daß wir einen Eurythmiesaal brauchen, wissen wir schon lange, das haben wir in der letzten Konferenz
besprochen. Es ist unter dem Eindruck des dazumal Beschlossenen der Plan aufgetaucht, und Sie hatten mir gesagt, daß der Architekt gesagt hat, man kann das draufbauen. Jedenfalls haben wir drei Wochen verloren dadurch, daß der Architekt behauptet hat, er kann einen Stock aufbauen, was heute nicht wahr ist.
Wir wollen jetzt nicht mehr interimistisch bauen; man muß doch jetzt, was wir neu hinstellen, ein bißchen mehr auf längere Zeit bauen. Die Konferenz morgen muß man unter allen Umständen haben.
Informatorisch können Sie sich bei der Baupolizei immerhin schon

Ja, er moet iets specifieks klaar liggen. Je kunt niet over al die zaken onderhandelen als je de ervaring hebt dat de architect beweert dat hij de zaal kan bouwen, terwijl dat vervolgens niet het geval blijkt te zijn. Onderhandelen op zulke gronden is een vreselijke verspilling van tijd. We weten al lang dat we een euritmiezaal nodig hebben; we hebben het erover gehad tijdens de laatste vergadering. Het plan kwam naar voren in de veronderstelling dat er toen een besluit was genomen, en u vertelde me dat de architect zei dat er bovenop gebouwd kon worden. Hoe dan ook, we hebben drie weken verloren omdat de architect beweerde dat hij een verdieping kon toevoegen, wat nu niet meer het geval is. We willen niet langer op een tijdelijke basis bouwen; wat we nu bouwen, moet met een meer langetermijnvisie worden gebouwd. De vergadering van morgen is absoluut essentieel. U kunt in ieder geval wat informatie krijgen van de bouwinspectie,

Blz. 180

erkundigen, bevor Sie offiziell eine Sache vorlegen, ob die Sache Aussicht hat auf Genehmigung. Jedenfalls können wir nichts weiter darüber reden, da kein Plan vorliegt. Das wollte ich nur prinzipiell vorbringen.

voordat u officieel iets indient, moet u nagaan of er kans op goedkeuring is. Hoe dan ook, we kunnen er niet verder over praten, aangezien er geen plan is. Ik wilde dit punt alleen even in principe aankaarten.

Es wird gebeten um eine Äußerung Dr. Steiners zur Frage der Lehrerwohnungen.

Er wordt een reactie van Dr. Steiner gevraagd over de huisvesting van de docenten.

Dr. Steiner: Nicht wahr, es ist schwer für mich, mich zu äußern, da ich nicht in der Lage bin, das Geld auf den Tisch zu legen. Das ist das erste, wovon man ausgehen muß. Solange man das Geld nicht hat zu den Lehrerwohnungen, ist es eine rein akademische Frage. Wenn man von den Lehrerwohnungen absieht, so ist es so: es sind gewisse Sachen, die beschafft werden müssen. Entweder werden die Sachen nicht durchgeführt, oder die Dinge müssen gemacht werden. Es wäre wichtig, diese Fehler, daß die Dinge auf kleinem Maßstab angelegt werden, zu vermeiden; daß man die Sachen unbeschadet der finanziellen Verhältnisse so anlegt, wie es sein muß.
Ich bin sicher, daß, nachdem die Sache so angehoben hat mit der
Selbstaufopferung der Lehrer, daß die Sache geistig gehen wird, geistig nicht Fiasko macht. Das zeigt der Stoß des ersten Jahres, daß wir durchhalten können. Ob die Welt uns Geld gibt? — Ich glaube schon kaum mehr, daß die Welt zu solchen Sachen Geld gibt. Die Leute zeigen nicht Verständnis dafür.

Voor mij is het lastig om hier commentaar op te geven, aangezien ik niet in de positie ben om het geld beschikbaar te stellen. Dat is het eerste wat we moeten aannemen. Zolang we geen geld hebben voor de huisvesting van de leraren, is het een puur academische kwestie. Los van de huisvesting van de leraren, is het zo: er zijn bepaalde zaken die moeten worden gerealiseerd. Ofwel zullen deze zaken niet worden gedaan, ofwel moeten ze worden gedaan. Het is belangrijk om de fout te vermijden om dingen op kleine schaal aan te pakken; om ze goed uit te voeren, ongeacht de financiële situatie.
Ik ben ervan overtuigd dat het project, na de initiële zelfopoffering van de leerkrachten, in de geest zal slagen en geestelijk niet zal mislukken. Dat bewijst de impuls van het eerste jaar, dat we kunnen volhouden. Of de wereld ons geld zal geven? — Ik geloof er nauwelijks meer in dat de wereld geld geeft voor zulke dingen. Mensen tonen er geen enkel begrip voor.

Das ist dasjenige, was mir wirklich eine furchtbare Sorge ist. Das was wir heute auch am Anfang dieser Stunde gesagt haben, das ist durchaus richtig auf geistigem Gebiet. Die ganzen materiellen Fragen müßten auf einen vernünftigen Boden gestellt werden.
Was können wir dazu tun? Da ist die wichtige Frage, inwieweit wir die Ausdehnung der Schule vornehmen können. Irgendwie müssen wir dann eine gewisse Begrenzung haben, oder wir müssen so Leute hinter uns haben, die Millionen stiften. Die Unzuträglichkeit hängt zusammen mit der Tatsache, daß wir jede Anmeldung angenommen haben. Deshalb möchte ich vorschlagen, im Sinne der Einführungsrede, daß wir jetzt erklären, daß wir die Schule in dem Ausmaße fortführen, als es war; daß wir ablehnen, neue Kinder aufzunehmen, wenn wir nicht in der Lage sind, einen Turnsaal zu bauen. Wir teilen es der Welt mit, daß wir von keiner Seite unterstützt werden. Dies müßte in möglichst wirksamer Weise der Welt mitgeteilt werden. Wir führen die Schule im Rahmen des vorigen Jahres fort, wir müssen aber die schon aufgenommenen Schüler leider zurückweisen. Die Welt sollte wissen, wie es sich verhält. Dies müßte der Welt bekannt-

Dat baart me echt zorgen!. Wat we aan het begin van dit uur zeiden, is volkomen juist in spirituele sfeer. Alle materiële kwesties moeten op een solide basis staan. Wat kunnen we daaraan doen? De belangrijke vraag is in hoeverre we de school kunnen uitbreiden. Op de een of andere manier moeten we een bepaalde grens stellen, of we moeten mensen achter ons hebben die miljoenen doneren. De onhaalbaarheid zit hem in het feit dat we elke aanvraag hebben geaccepteerd. Daarom wil ik, in de geest van de openingsrede, voorstellen dat we nu verklaren dat we de school in de huidige vorm zullen voortzetten; dat we geen nieuwe kinderen meer zullen toelaten als we geen gymzaal kunnen bouwen. We laten de wereld weten dat we geen enkele steun ontvangen. Dit moet op de meest effectieve manier mogelijk aan de wereld worden gecommuniceerd. We zetten de school voort zoals vorig jaar, maar helaas moeten we de reeds ingeschreven leerlingen afwijzen. De wereld moet van deze situatie op de hoogte zijn. Dit moet openbaar gemaakt worden.

Blz. 181

gegeben werden. Wir werden hypothetisch sagen, wenn wir nicht in der Lage sind, die Mittel zu bekommen, daß wir bis Herbst einen Eurythmie- und Turnsaal aufführen können, müssen wir die Schule beschränkt lassen auf die Größe, die sie schon hat. Wenn wir nicht solche radikale Maßregeln treffen, kommen wir nicht vorwärts. Wir können auch die Lehrer nicht bezahlen.

Laten we hypothetisch stellen dat als we er niet in slagen om tegen de herfst de fondsen te verkrijgen voor de bouw van een euritmiezaal en een gymzaal, we de school moeten beperken tot de huidige omvang. Als we zulke radicale maatregelen niet nemen, zullen we geen vooruitgang boeken. We kunnen de leraren ook niet betalen.

X.: Können wir durch Vorträge Geld zusammenbringen, wenn wir herumreisen?

X: Kunnen we geld inzamelen door lezingen te geven tijdens onze reizen?

Dr. Steiner: Gewiß, das kann gemacht werden. Ich glaube nicht, daß Ihre Arbeit eine fruchtbare sein wird, wenn wir die Welt nicht darauf aufmerksam machen, daß wir nicht arbeiten können, wenn es so bleibt, wie es jetzt ist. Ich glaube schon, daß es einen Eindruck machen würde, wenn wir die früheren Schüler behalten, aber keine Neuen aufnehmen, und daß wir denen wieder absagen müssen. Wenn wir dies der Welt bekanntgeben, so glaube ich, würde es nützen.
Wenn wir in dieser schrecklichen Weise wirtschaften, so daß man nie weiß, wohin es kommen soll, da kommen wir nicht weiter. Es müßte eine geharnischte Erklärung sein, dahingehend, daß hier etwas aufgehen kann durch die Tätigkeit einer dazu geeigneten Lehrerschaft, und daß die Welt dazu versagt mit ihren finanziellen Mitteln, die dahinterstehen sollten.

Zeker, dat kan. Ik geloof niet dat uw werk vruchtbaar zal zijn als we de wereld er niet van bewust maken dat we niet kunnen werken als de situatie blijft zoals die is. Ik denk dat het indruk zou maken als we de huidige leerlingen behouden, maar geen nieuwe aannemen en ze opnieuw moeten afwijzen. Als we dit aan de wereld bekendmaken, denk ik dat het nuttig zou zijn. Als we onze economie op deze verschrikkelijke manier blijven beheren, waardoor we nooit weten waar het naartoe leidt, komen we nergens. Het zou een krachtige verklaring moeten zijn, waarin wordt aangegeven dat er hier wel degelijk iets bereikt kan worden door de inzet van een geschikt docententeam, en dat de wereld er niet in slaagt de benodigde financiële middelen te verschaffen.

X.: Die Leute sagen, warum soll man alles nach Stuttgart geben. Es haben doch
die Leute in Hamburg und Berlin kein Interesse an Stuttgart.

X.: Mensen zeggen: waarom moet alles naar Stuttgart? Mensen in Hamburg en Berlijn hebben geen interesse in Stuttgart.

Dr. Steiner: Das Wichtige ist, daß überhaupt die geistige Bewegung gefördert wird. Das können wir nicht sagen, daß es wichtig ist, daß es hier entsteht, wenn wir etwas gründen wollen, was für alle ist. Das geht ganz entschieden nicht, daß wir sagen, sie sollen für Stuttgart geben und von anderem absehen. Es muß mindestens der Gesichtspunkt angeschlagen werden, man kann ein Zentralinstitut in Stuttgart bauen und verlangen, daß die Welt dazu Beiträge gibt.

Het belangrijkste is dat de spirituele beweging in het algemeen wordt bevorderd. We kunnen niet zeggen dat het belangrijk is dat het hier ontstaat als we iets willen opzetten dat voor iedereen toegankelijk is. Het is absoluut onacceptabel om te zeggen dat ze naar Stuttgart moeten gaan en andere dingen moeten negeren. Op zijn minst moet duidelijk worden gemaakt dat je een centraal instituut in Stuttgart kunt oprichten en van de wereld een bijdrage kunt eisen.

X. . Soll man eine Erklärung bringen in den Zeitungen, die zum Ausdruck bringt,
daß die Schülerzahl in einer bisher nicht gedachten Weise angewachsen ist, daß
wir dadurch in eine Lage versetzt sind, Lehrer anzustellen, um die Schule im
gleichen Geist fortzuführen? Und daß wir angewiesen sind auf die Unterstützung?

X. Moet er een verklaring in de kranten verschijnen waarin staat dat het aantal studenten ongekend is gegroeid, dat we daardoor in staat zijn docenten aan te nemen om de school in dezelfde geest voort te zetten? En dat we afhankelijk zijn van steun?

Dr. Steiner: Wir müssen positiv sagen, daß wir bereit sind, die Schule in der bisherigen Weise fortzuführen, daß wir aber nicht in der Lage sind, die Anmeldungen zu berücksichtigen, wenn uns die Welt nicht unterstützt. Wir müßten irgendein radikal ernstes Wort sagen, — Wir werden die Errichtung der neuen Klasse nicht mehr unter dem Gesichtspunkt betrachten, wieviel Anmeldungen wir haben.

We moeten positief stellen dat we bereid zijn de school op de huidige manier voort te zetten, maar dat we de aanmeldingen niet kunnen accepteren als de wereld ons niet steunt. We zouden iets radicaal serieus moeten zeggen: we zullen de oprichting van de nieuwe klasse niet langer beoordelen op basis van het aantal aanvragen dat we ontvangen.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3481-3278

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner lezen?

.

Steiner lezen?
.

In de ‘Seizoener’ winter 2025 wordt aan een vrijeschooljuf gevraagd: ‘Ben je antroposoof? 
Juf zegt: ‘Ik lees nauwelijks Steiner en ik denk vaak dat ik niet zo antroposofisch ben. Maar een collega zei eens dat ik veel antroposofischer werkte dan ik dacht. Misschien zit het wel meer in je handelen dan in wat je leest.’

Deze summiere opmerking houdt een reeks vragen in waar je lang over zou kunnen discussiëren.

Bv. moet je antroposoof zijn om vrijeschoolleerkracht te kunnen zijn.
Wat houdt dat in dan: antroposoof zijn.

Haar collega weet er kennelijk wel meer van: ‘dat ze veel antroposofischer werkte dan ze dacht.’

Maar wat is dat dan: antroposofisch werken.

Voor dit laatste lezen we ook vaak: ‘vanuit de antroposofie’, d.w.z. met gezichtspunten als uitgangspunt die je ontleent aan Steiners visie op: vul maar een leef/werkgebied in, in ons geval de pedagogie.

En dan heb je Steiner nog buiten het werkveld van de pedagogie.

Al die jaren dat ik vrijeschoolleerkracht was, heb ik geprobeerd Steiner te lezen. Wat ik tegenkwam was voor mij verrassend, nieuw, herkenbaar of volkomen vreemd, verbijsterend zelfs. Toch richtte ik me als gevolg daarvan, met bepaalde gezichtspunten anders op mens en wereld, wat ik als ‘rijker worden’ heb ervaren. 

Maar eigenlijk was er veel te weinig tijd: vanuit school geredeneerd: het voorbereiden van de lessen; het bezig zijn met de ontwikkeling van je klassenkinderen; de vergaderingen en alle nevenactiviteiten.
Dan was er het gezin, de relatie, het te verbouwen huis. 

Een ongezonde situatie.

Ik geef juf wel gelijk: het gaat om het handelen, niet om het lezen. Maar ik voeg er onmiddellijk aan toe: juist door te lezen, wat ik nu beperk tot de pedagogische voordrachten, krijg je allerlei inzichten die je handelen sturen, richting vrijeschoolpedagogie. 
En dat is anders dan ‘een soort op goed geluk’, wat de ander ‘antroposofisch’ vindt.
Dat ‘op goed geluk’, of ‘intuïtief’ is zeker niet verkeerd. Sterker: in je eerste ‘rondje’ zal je daar het meest mee doen. 

In de loop van de jaren is het voor veel vrijeschoolleerkrachten steeds moeilijker geworden Duits te lezen.
Maar geen nood: inmiddels zijn vrijwel ALLE pedagogische voordrachten vertaald. Ook een aantal op deze blog:

Rudolf Steiner over pedagogie(k)
De in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften; de betreffende vertalingen in boeken of op deze blog.

De vakken

Als je voor het eerst of weer een periode gaat geven in een bepaald vak, is het niet te doen om in alle pedagogische voordrachten over dit vak te gaan zoeken.
Ik vond dat zelf jammer, hoewel ik nog kon putten uit de Duitse opmerkingen van Karl E.A.Stockmeyer die een verzameling opmerkingen per vak had gebundeld.*

Ik ben, in navolging van hem, dat ook voor ieder vak op deze blog aan het weergeven:

Zie hier: Rudolf Steiner over…..

Verder staan op deze blog talloze artikelen over allerlei vakken van collega’s uit het veld. Die lezen, is a.h.w. een goed gesprek voeren over het ontwerp.

Dat alles geeft je veel meer zekerheid, slagvaardigheid enz.

Ik kan zeggen: Steiner lezen geeft je pedagogisch handelen vruchtbare impulsen!

.
*Karl E.A. Stockmeyer: Rudolfs Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen (1 en 2). In 2017 opnieuw uitgegeven met een iets andere titel.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3477-3274

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (5)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

5. Schuljahr: 24. April 1923 bis etwa 7. April 1924
5e Schooljaar 24 april 1923 tot ongeveer 7 april 1924

21 klassen
39 leerkrachten
687 leerlingen

Blz. 56

Die Gewitterstürme des Vorjahres haben die Luft gereinigt, wenn es
auch noch keineswegs ohne Rückfälle und Rückschläge abgehen will.
Im Zentrum des Interesses steht, äußerlich gesehen, während des
ganzen Jahres die Auseinandersetzung mit Staat und Außenwelt, das
heißt hier also mit dem Abiturientenexamen. Das nimmt viel Zeit
und Kraft in Anspruch.
Größte geistige Ereignisse geben die herrschende Stimmung. Erstens
im Herbst 1923 die drei Vorträge für die Waldorflehrer „Anregungen
zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes”
(Liste Nr. 28). Zweitens am Ende des Schuljahres die „Erziehungstagung der Freien Waldorfschule” (Liste Nr. 29). Drittens, und mehr
als alles andere, die Dornacher Weihnachtstagung vom 24. Dezember
1923 bis zum 1. Januar 1924 (Liste Nr. 118).

De stormen van het voorgaande jaar hebben de lucht geklaard, hoewel er nog steeds enkele tegenslagen en terugvallen zijn.
Uiterlijk ligt de focus gedurende het hele jaar op de confrontatie met de staat en de buitenwereld, in dit geval de eindexamens van de middelbare school. Dit neemt veel tijd en energie in beslag.
De heersende stemming wordt gevormd door belangrijke spirituele gebeurtenissen. Ten eerste, in het najaar van 1923, de drie lezingen voor Waldorfleraren getiteld “Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap” GA 302A:

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes:  
Ook deze voordrachten zijn weer 1, 2 en 3 genummerd en onder de 9 zijn het dus 7, 8 en 9.
Nu is er iets merkwaardigs: in de gedrukte GA staat de 1e voordracht, 15-10-1923 hiervan op blz. 107, (uitg. 1977); de 2e 16-10-1923 op blz. 122, dat is een ochtendvoordracht en de 3e, 16-10-1923, een avondvoordracht op blz. 135.
In de PDF echter staat deze 3e voordracht in de inhoudsopgave als een voordracht van 22 juni 1922 op blz. 87, dat is dus een vergissing. De tekst van de 3e voordracht van 16-10-1923 staat in de PDF ook op blz. 135, maar deze ontbreekt in de inhoudsopgave.
Deze voordrachten 1, 2 en 3, in de volgorde dus 7, 8 en 9 zijn vertaald:
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap

Ten tweede, aan het einde van het schooljaar, de “Onderwijsconferentie van de Vrije Waldorfschool” (lijst nr. 29).
Ten derde, en vooral, de kerstconferentie van Dornach van 24 december 1923 tot 1 januari 1924 (lijst nr. 118).

Es wird der Versuch gemacht, die Schüler schon am Ende des 12. Schuljahres ins Abitur zu schicken. Davon ist in zwei Dritteln aller Konferenzen dieses Jahres die Rede; mehr oder weniger ausführlich, direkt oder indirekt. Besonders eindringlich wird es am 25. April 1923 und ganz zuletzt, also schon nach der Prüfung, am 27. März 1924.
Diese Abituriumsnot ist auch der Grund dafür, daß der Lehrplan der neu eingerichteten 12. Klasse gar nicht so aufgestellt werden kann, wie es sein müßte. Immer wieder heißt es ähnlich wie 3/34—38: „Wir müßten den Lehrplan der 12. Klasse eigentlich . . .”, und dann:
„aber wir können des Abiturs wegen nur . . .” Immerhin kann doch Wesentliches gegeben werden: über Chemie (3/35, 36, 76, 77), über Zoologie und Geologie (3/34, 35,42-44 , 77-79). Ausführlich wird gesprochen über Interpunktion, ihr Wesen und die Methode ihrer Behandlung (3/56, 67-70).
Im übrigen Aufbau wird zum ersten Male eine dritte 5. Klasse, eine 5c eingerichtet (3/93, 100) und wieder zwei 1. Klassen (3/21), Es gehen Lehrer fort, zum Teil nach schwierigen Auseinandersetzungen (3/21—25), und neue kommen hinzu (2/302, 3/26).
Aber wieder erheben sich Schwierigkeiten mit Schülern, diesmal nicht aus den drei obersten Klassen (dort ist eine gewisse Beruhigung eingetreten), sondern aus der 9. Klasse. Es ist in diesem Jahr nicht

Er wordt een poging gedaan om leerlingen aan het einde van het 12e leerjaar eindexamen te laten doen. Dit wordt in twee derde van alle vergaderingen dit jaar besproken; min of meer uitgebreid, direct of indirect. Het wordt met name nadrukkelijk besproken op 25 april 1923, en nogmaals, na de examens, op
27 maart 1924.
Die eindexamenmoeilijkheden zijn ook de reden waarom het leerplan voor het
nieuw ingestelde 12e leerjaar niet kan worden ontworpen zoals het zou moeten. De zin “We zouden eigenlijk…” wordt herhaald, vergelijkbaar met 3/34-38, en vervolgens:
“maar vanwege het examen kunnen we alleen…” Er kan in ieder geval wat essentiële informatie worden verstrekt: over scheikunde (3/35, 36, 76, 77), over zoölogie en geologie (3/34, 35, 42-44, 77-79). Interpunctie, de aard ervan en de manier waarop ermee wordt omgegaan, worden in detail besproken (3/56, 67-70).

Wat de algehele structuur betreft, wordt voor het eerst een derde vijfde klas, een 5c, ingericht (3/93, 100), en worden er twee eerste klassen toegevoegd (3/21). Leraren vertrekken, sommigen na moeilijke conflicten (3/21-25), en nieuwe leraren komen erbij (2/302, 3/26).

Maar opnieuw ontstaan ​​er problemen met leerlingen, ditmaal niet uit de drie hoogste klassen (waar een zekere kalmte is opgetreden), maar uit de negende klas. Dit jaar is het niet

Blz. 57 

alles gar so tragisch, es klingt auch Humor hinein. Ausschlüsse kommen nicht vor. Aber bei mehreren Schülern wird die schwierige Psychologie eingehend durchgesprochen (3/60—63, 64—66, 71, 82—86). Es handelt sich in erster Linie darum, daß die in diesem Alter heraufkommende „latente” Intelligenz sich von sich selbst aus nur an „rüpelhaften Sachen übt”. „Die Intelligenz muß auf die richtigen Bahnen gelenkt werden” (3/72—74).
Diesem Negativen stehen auch in diesem Jahre wieder herrlichste
Geistgeschenke gegenüber. Die „künstlerisch-pädagogische Tagung” vom 25.-29 . März 1923 (Liste Nr. 25). Dann die „pädagogischen Michaelsvorträge” vom 15. und 16. Oktober 1923 (Liste Nr. 28). Und schließlich Ostern 1924 die „Erziehungstagung” (Liste Nr. 29).
In ihr wird schon spürbar, was seit drei Monaten, alles überstrahlend, in die Schule hineinwirkte: die Dornacher Weihnachtstagung (Einleitung S. 15; Liste Nr. 118).
Rudolf Steiner, der bei dieser Neubegründung der Anthroposophischen Gesellschaft in ihr jetzt selbst den Vorsitz übernommen hatte, spricht in der nächstfolgenden Konferenz (3/110—123) erstmals über die neuen Aufgaben, aber auch über die neuen Kräfte, die sich aus diesem Ereignis für die Lehrer der Waldorfschule ergeben sollten.
Es lag die Absicht vor, dies alles in der Folgezeit noch viel weiter und
größer auszubauen.

Het is allemaal zo tragisch; maar er klinkt ook humor in door. Uitsluitingen komen niet voor. Maar de moeilijke psychologie van verschillende leerlingen wordt uitvoerig besproken (3/60-63, 64-66, 71, 82-86). Het voornaamste probleem is dat de “latente” intelligentie die op deze leeftijd ontstaat, de neiging heeft om “alleen maar onbeschaafd gedrag” te vertonen. “Intelligentie moet in de juiste richting worden gekanaliseerd” (3/72-74).
Dit negatieve aspect wordt dit jaar opnieuw gecompenseerd door de fijnste spirituele geschenken . De “kunstziinnig-pedagogische conferentie” van 25-29 maart 1923 (lijst nr. 25). Vervolgens de “pedagogische Michaelvoordrachten” van 15 en 16 oktober 1923 (lijst nr. 28).

En ten slotte, met Pasen 1924, de “pedagogische conferentie” (lijst nr. 29).

Het wordt al duidelijk wat de afgelopen drie maanden een grote invloed op de school heeft gehad: de kerstconferentie van Dornach (Inleiding, p. 15; Lijst nr. 118).

Rudolf Steiner, die inmiddels het voorzitterschap van deze pas opgerichte Antroposofische Vereniging had overgenomen, spreekt voor het eerst op de volgende vergadering (3/110-123) over de nieuwe taken, maar ook over de nieuwe mogelijkheden die deze gebeurtenis de leerkrachten van de Waldorfschool zou moeten bieden.

Het was de bedoeling dit alles in de daaropvolgende periode veel verder en op grotere schaal uit te breiden.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3474-3271

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 96 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

In deze voordracht:
Antroposofie en materialisme <1> <7>
Drie leeftijdsfasen <2>
Vierledige mens <3>
1e leeftijdsfase <4>
2e <5>
3e <6>
Noodzaak antroposofie <7>
.

RUDOLF STEINER:

GA 96

Grundimpulse der Theosophie

Fundamentele impulsen van de antroposofie

Steiner noemde later wat hij als ‘theosofie’ had gebracht: antroposofie.
Waar in deze voordracht ‘theosofie’ staat, heb ik dat vertaald als ‘antroposofie’.
De kopjes zijn door mij aangebracht.
.

Blz. 60     niet vertaald

Voordracht 4, Berlijn 14 mei 1906

Erziehungspraxis auf der Grundlage spiritueller Erkenntnis

De praktijk van het opvoeden op basis van spiritueel inzicht

Öfter schon habe ich hier die Gelegenheit ergriffen, das Vorurteil zurückzuweisen, als ob die theosophische Weltanschauung der Praxis des Lebens völlig fern stehe. Wir haben im Gegenteil oft Veranlas­sung gehabt, darauf hinzuweisen, wie die Theosophie in das praktische Leben tief hineinführen soll, weil sie die Gesetze dessen kennen lehrt, was fortwährend das Leben um uns gestaltet. Wer nur das kennt, was die Gesetze des äußeren Lebens sind, dem ist nur ein kleiner Teil des Lebens bekannt. Der weitaus größte Teil gehört nämlich zu den verborgenen Dingen des Lebens, verborgen für die äußeren Sinne. Nun wird gewiß in nicht gar zu ferner Zukunft die Menschheit immer mehr einsehen, daß man die verborgenen Welten studieren muß, um mit dem Leben zurechtzukommen, denn die materialistische Gesinnung würde zu einer Krisis auf allen Gebieten führen, vor allem auf gesundheitlichem Gebiet wie auch im Erzie­hungssystem, wo sich die Frage erhebt: Wie sollen die Menschen die zukünftige Generation heranbilden? – Und nicht zuletzt in allen gesellschaftlichen, politischen und Kulturfragen würde der Materia­lismus eine Krisis herbeiführen:

Inleiding

<1> Ik heb hier vaker van de gelegenheid gebruik gemaakt om het vooroordeel te verwerpen dat de antroposofische wereldbeschouwing volledig losstaat van de praktijk van het leven. Integendeel, we hebben vaak de gelegenheid gehad om erop te wijzen hoe antroposofie ons diep in het praktische leven zou moeten brengen, omdat zij ons leert de wetten te kennen van wat het leven om ons heen voortdurend vormt. Wie alleen de wetten van het uiterlijke leven kent, kent slechts een klein deel van het leven. Verreweg het grootste deel behoort tot de verborgen dingen van het leven, verborgen voor de uiterlijke zintuigen. Nu, in de niet al te verre toekomst, zal de mensheid zich zeker steeds meer realiseren dat je de verborgen werelden moet bestuderen om zich in het leven te kunnen oriënteren, want de materialistische houding zou leiden tot een crisis op alle gebieden, vooral op het gebied van gezondheid en in het onderwijssysteem, waar de vraag rijst: Hoe moet je de toekomstige generatie opvoeden? – En last but not least zou materialisme een crisis veroorzaken in alle sociale, politieke en culturele vraagstukken:

Das Leben würde sich so gestalten, daß man eines Tages nicht mehr wissen würde, wie man sich noch helfen soll. Zur Erläuterung dessen, was ich meine, möchte ich einiges über Erziehungsfragen sagen, die wenigstens jeden interessieren müssen.
Wer sich vom materialistischen Standpunkt mit der Erziehungsfrage befaßt, wird sehr leicht zu den allerverkehrtesten Maßregeln kommen. Denn er wird nie bedenken, wie streng gesetzmäßig das ganze Leben verläuft, und er berücksichtigt daher nicht, daß es ins Leben tief eingreifende Zeitabschnitte gibt. Man kann sich einfach nicht denken, warum zum Beispiel die Epoche der Kindheit, die mit dem sechsten bis achten Jahre abläuft, sich so grundwesentlich unterscheidet von der des Mädchen- und Knabenalters, also der Zeit vom siebenten oder achten Jahre ungefähr bis zur Geschlechtsreife.

Het leven zou zich zo ontwikkelen dat je op een dag niet meer weet hoe je jezelf moet helpen. Om uit te leggen wat ik bedoel, wil ik een paar dingen zeggen over onderwijsvragen die op zijn minst iedereen moeten interesseren. <1>

Drie leeftijdsfasen

<2> Wie de onderwijsvraagstukken vanuit een materialistisch standpunt benadert, zal heel gemakkelijk tot de meest foute maatregelen komen. Want hij zal nooit overwegen hoe strikt wetmatig de hele levensloop is, en hij zal er dus geen rekening mee houden dat er perioden zijn die een diepgaande invloed op het leven hebben. Men kan zich eenvoudigweg niet voorstellen waarom bijvoorbeeld die fase van de kindertijd, die loopt van het zesde tot het achtste jaar, zo fundamenteel verschilt van die van de meisjes- en jongensjaren, dat wil zeggen de periode vanaf het zevende of achtste jaar ongeveer, tot aan de seksuele volwassenheid.

Blz. 61

Wer aber keine Ahnung hat, was in dieser Zeit mit dem Menschen geschieht, kann sich auch nicht vorstellen, wie wichtig es ist, diese Zeitabschnitte genau zu beobachten. Es ist nicht gleichgültig, ob man weiß, was der Mensch in diesen drei Epochen ist: in der ersten, die bis zum sechsten bis achten Jahre geht, in der zweiten, die bis zum vierzehnten oder fünfzehnten Jahre reicht, und dann wieder in der folgenden Zeit, die nächsten sieben bis acht Jahre hindurch. Das sind drei Altersstufen im Leben des Menschen, die ganz genau studiert werden müssen, nicht nur im äußeren Sinne, sondern vom Standpunkt des Okkultismus aus, der sich mit den für die äußeren Sinne verborgenen Welten befaßt. – Sie wissen, daß der Mensch nicht nur aus diesem physischen Leibe besteht, sondern aus dem physischen Leibe, dem Ätherleibe, der dem physischen zugrunde liegt und ihm ähnlich gestaltet ist, und dann dem Astralleib, der sich für den Hell­seher als eine Wolke ausnimmt, in der die beiden erstgenannten Kör­per eingebettet sind. In diesen eingehüllt haben wir den Ich-Träger. Diese drei Körper wollen wir einmal beim werdenden Menschen betrachten.

Maar wie geen idee heeft wat er in deze tijd met een mens gebeurt, kan zich niet voorstellen hoe belangrijk het is om deze perioden nauwlettend in de gaten te houden. Het is niet onbelangrijk of je weet wat de mens in deze drie fasen is:
in de eerste, die loopt tot het zesde à achtste jaar,
in de tweede, die loopt tot het veertiende of vijftiende jaar,
en dan weer in de volgende tijd, door de volgende zeven tot acht jaar.
Dit zijn drie leeftijdsfasen in het leven van de mens, die heel zorgvuldig bestudeerd moeten worden, niet alleen in uiterlijke zin, maar ook vanuit het standpunt van de geesteswetenschap, die zich bezighoudt met de werelden die verborgen zijn voor de uiterlijke zintuigen. –
<3> Je weet dat het menselijk wezen niet alleen maar bestaat uit dit fysieke lichaam, maar uit het fysieke lichaam, het etherlijf [1], dat aan het fysieke lichaam ten grondslag ligt en de vorm ervan heeft, en dan het astraallijf, dat voor de helderziende verschijnt als een wolk waarin de eerste twee lichamen zijn ingebed. Door deze twee omhuld, vinden we de Ik-drager [2]. Laten we eens kijken naar deze drie lichamen in de zich ontwikkelende mens.

Wenn Sie sich eine richtige Vorstellung davon bilden wollen, so müssen Sie sich klarmachen, daß vor den Zeitabschnitten, in denen der Mensch äußerlich gesehen werden kann, noch der Zeitabschnitt vor der Geburt liegt, wo der Mensch im Leibe der Mutter lebt. Sie müssen rein physisch unterscheiden zwischen dem Leben vor der Geburt und den folgenden Zeiträumen und sich klarrnachen, daß der Mensch nicht leben könnte, wenn er zu früh geboren würde, zu früh in die äußere sichtbare Welt treten würde. Er könnte in der äußeren Welt nicht leben, weil seine Sinnesorgane, mit denen er mit der äußeren Welt in Verkehr tritt, noch nicht genügend ausgebildet sind. Während der Mensch bis zu seiner Geburt vom Mutterleib umschlossen ist, werden seine Organe, Augen, Ohren, und alles was er braucht, um in der physischen Welt zu leben, ausgebildet. Bevor seine Organe innerhalb der schützenden Hülle eines anderen physischen Körpers genügend vorbereitet sind, kann der Mensch nicht mit der physischen Welt in Berührung treten. Die Geburt ist der Zeitpunkt, in welchem der Mensch soweit reif ist, daß er ohne

Als je je daar een juist beeld van wil vormen, moet je beseffen dat vóór de perioden waarin de mens uiterlijk zichtbaar is, er nog de periode van voor de geboorte is, waarin de mens in de moederschoot leeft. Je moet een puur fysisch onderscheid maken tussen het leven voor de geboorte en de daaropvolgende periodes en beseffen dat de mens niet zou kunnen leven als hij te vroeg geboren werd, als hij te vroeg de uiterlijke zichtbare wereld zou betreden. Hij zou niet in de uiterlijke wereld kunnen leven omdat zijn zintuigen, waarmee hij in contact komt met de uiterlijke wereld, nog niet voldoende ontwikkeld zijn. Terwijl de mens tot zijn geboorte in de baarmoeder van zijn moeder omgesloten zit, worden zijn organen, ogen, oren en alles wat hij nodig heeft om in de fysieke wereld te leven, gevormd. Totdat zijn organen voldoende zijn voorbereid in het beschermende omhulsel van een ander fysiek lichaam, kan de mens niet in contact komen met de fysieke wereld. Geboorte is het moment waarop de mens zo ver is om zonder

Blz. 62

eine schützende Hülle mit der Umwelt in Berührung treten kann. Dasselbe ist dann aber noch lange nicht mit dem Ätherleib und Astralleib der Fall. Sie sind noch nicht so weit, daß sie ebenfalls mit der Umwelt in unmittelbare Berührung treten können. Ein ganz ähn­licher Prozeß, wie er vor der Geburt des Menschen mit dem phy­sischen Leibe vor sich geht, geht mit dem Ätherleib in dem Zeitraum von der Geburt bis ungefähr zum siebenten Jahre vor sich. Erst dann, kann man sagen, wird der Ätherleib geboren. Und erst mit dem vier­zehnten bis fünfzehnten Jahre wird der Astralleib geboren, der als­dann eine freie, selbständige Tätigkeit gegenüber der Umwelt entfal­ten kann.
Sie müssen sich also klar darüber sein, daß bis zum siebenten Jahre an den Ätherleib, und bis zum vierzehnten Jahre an den Astral­leib keine besonderen Anforderungen gestellt werden dürfen. Wenn man den Ätherleib eines Kindes der brutalen Umwelt aussetzen würde, so wäre das gerade so, als ob man ein Kind im fünften Monat des Embryonalzustandes der Außenwelt übergeben würde, obwohl es nicht mit der gleichen Vehemenz zutage treten würde. Entspre­chendes gilt für den Fall, daß Sie vor dem vierzehnten Jahre den Astralleib der Umwelt aussetzen. Darüber müssen Sie sich klar sein:

een beschermende omhulling in contact kan komen met de omgeving. Hetzelfde is echter nog niet het geval met het etherische en astrale lichaam. Zij hebben nog niet het stadium bereikt waarin ook zij in direct contact kunnen komen met de omgeving. Een zeer vergelijkbaar proces als dat wat plaatsvindt met het fysieke lichaam voor de geboorte van de mens, vindt plaats met het etherlijf in de periode vanaf de geboorte tot ongeveer het zevende jaar. Pas dan, kan je zeggen, wordt het etherlijf geboren. En pas op de leeftijd van veertien tot vijftien jaar wordt het astraallijf geboren, dat dan een vrije, onafhankelijke activiteit kan ontwikkelen in relatie tot de omgeving.
Je moet je dus realiseren dat er tot het zevende jaar geen speciale eisen gesteld kunnen worden aan het etherlijf, en tot het veertiende jaar aan het astraallijf. Als je het etherlijf van een kind zou blootstellen aan de harde buitenwereld, zou dat net zo zijn als wanneer je een kind in de vijfde maand van de embryonale toestand in de buitenwereld zou brengen, hoewel het niet met dezelfde heftigheid aan het licht zou komen.
Hetzelfde geldt als je het astraallijf voor het veertiende aan de omgeving uitlevert. Je moet je dit realiseren:
<3>

Bis zum siebenten Jahre ist erst der physische Körper so weit gebo­ren, daß die Umwelt einen vollen Einfluß auf ihn ausüben darf. Der Ätherkörper ist bis zum siebenten Jahre so sehr mit sich selbst be­schäftigt, daß man ihn schädigen würde, wenn man auf ihn beson­ders einwirken würde. Bis zu diesem Zeitpunkt sollte also nur auf den physischen Leib eingewirkt werden. Vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre darf die Erziehung des Ätherleibes in die Hand genommen werden, und erst vom fünfzehnten Jahre ab kann man auf den Astralleib von außen durch die Erziehung wirken.
Auf den physischen Leib des Menschen einwirken, heißt, dem Kinde äußere Eindrücke zu vermitteln. Durch die äußeren Eindrücke wird der physische Leib herangebildet. Daher ist auch das, was bis zum siebenten Jahre versäumt worden ist, später kaum noch nach­zuholen. Bis zum siebenten Jahre ist der physische Leib in einem sol­chen Stadium begriffen, daß er durch äußere sinnliche Eindrücke

De eerste fase

<4> Tot het zevende jaar heeft het fysieke lichaam pas het stadium bereikt waarin de omgeving er een volledige invloed op kan uitoefenen. Tot het zevende jaar is het etherlijf zo met zichzelf bezig dat je het tekort zou doen zou, als je er op een bepaalde manier op zou willen inwerken. Tot dit tijdstip moet daarom alleen op het fysieke lichaam worden ingewerkt. Van het zevende tot het veertiende jaar kan de opvoeding van het etherlijf ter hand worden genomen en pas vanaf het vijftiende jaar kan het astraallijf van buitenaf door opvoeding worden beïnvloed. Het fysieke lichaam van de mens beïnvloeden, betekent het kind indrukken van buitenaf geven. Het fysieke lichaam wordt gevormd door indrukken van buitenaf. Daarom kan wat tot de leeftijd van zeven jaar is verwaarloosd, later nauwelijks worden goedgemaakt. Tot het zevende jaar is het fysieke lichaam in zo’n stadium dat het gevormd wordt door externe zintuiglijke indrukken.

Blz. 63

herangebildet werden sollte. Wenn das Auge des Kindes bis zum siebenten Jahre nur Schönes sieht, bildet es sich so heran, daß es das ganze Leben hindurch ein Empfinden für das Schöne behält. Später kann der Schönheitssinn nicht mehr auf die gleiche Weise entwickelt werden. Was Sie dem Kinde im ersten Jahrsiebent sagen oder was Sie tun, ist viel weniger wichtig, als die Art, wie man seine Umge­bung gestaltet und was das Kind sieht und hört. Die inneren Wachs­tumskräfte müssen bis dahin durch die äußeren Eindrücke herangefördert werden. Der frei gestaltende Geist des Kindes formt aus einem Stück Holz, das ein paar Punkte und Striche für Augen, Nase und Mund hat, eine menschliche Figur. Wenn das Kind aber eine möglichst schön geformte Puppe bekommt, so hat es etwas, woran es gebunden ist; daher haftet dann die innere Geisteskraft an dem, was schon da ist und wird nicht zur eigenen Tätigkeit herausgefor­dert – sie ist gebunden -, und damit geht die gestaltende Phantasiekraft für das spätere Leben überhaupt fast verloren.
So ist es weitgehend mit allen Eindrücken der Sinneswelt.

Als het oog van een kind tot zijn zevende jaar alleen maar mooie dingen ziet, ontwikkelt het zich zodanig dat het zijn hele leven lang een gevoel voor schoonheid behoudt. Later kan het gevoel voor schoonheid niet meer op dezelfde manier ontwikkeld worden. Wat je in het eerste jaar tegen het kind zegt of wat je doet, is veel minder belangrijk dan de manier waarop je de omgeving organiseert en wat het kind ziet en hoort. De innerlijke groeikrachten moeten tot die tijd gevoed worden door indrukken van buitenaf. De vrije creatieve geest van het kind maakt een menselijke figuur van een stuk hout met een paar stippen en lijnen voor ogen, neus en mond. Als het kind echter een pop krijgt die zo mooi mogelijk gevormd is, heeft het iets waaraan het gebonden is; de innerlijke mentale kracht houdt zich dus vast aan wat er al is en wordt niet uitgedaagd tot zijn eigen activiteit – het is gebonden – en zo gaat de creatieve verbeeldingskracht bijna verloren voor het latere leven. [3]
Dit is grotendeels het geval met alle indrukken van de zintuiglijke wereld.

Was Sie selbst in der Umgebung des Kindes sind, was das Kind unmittelbar sieht oder hört, darauf kommt es an. Es wird ein guter Mensch, wenn es um sich gute Menschen sieht. Es ahmt die Dinge, die es um sich herum wahrnimmt, nach. Gerade auf die Nachahmungskraft, auf die Wirkung des Beispiels muß man den allergrößten Wert legen. Daher wird das richtige sein: möglichst viel vormachen, damit das Kind möglichst viel nachmachen kann. In diesem Sinne muß also auf die Pflege des physischen Leibes in der Zeit vom ersten bis siebenten Jahre der Hauptwert gelegt werden. Auf die höheren Leiber kann man in diesem Alter noch nicht durch Erziehungsmaßnahmen wirken, über­haupt nicht durch bewußte Erziehung, sondern auf diese Leiber wir­ken Sie, solange sie noch ganz mit sich selbst beschäftigt sind, durch das, was Sie eben sind. Ein kluger Mensch wird durch seine Klugheit in dem Kinde selbst die Klugheit zum Wirken bringen. Im übrigen hat sich der Erzieher zu bemühen, in der Umgebung eines Kindes ein möglichst geschlossener Mensch zu sein, möglichst hohe und gute Gedanken zu haben – wie ein gesunder Leib der Mutter gesund auf den Körper des Kindes wirkt.

Wat je zelf bent in de omgeving van het kind, wat het kind direct ziet of hoort, daar gaat het om. Het wordt een goed mens als het goede mensen om zich heen ziet. Het bootst de dingen die het om zich heen ziet na. Juist aan de kracht van nabootsing, de werking van het voorbeeld, moet je de grootste waarde hechten. [4] Daarom is het beste om zoveel mogelijk voor te doen, zodat het kind zoveel mogelijk kan nabootsen. In die zin moet de meeste nadruk worden gelegd op de verzorging van het fysieke lichaam in de periode van het eerste tot het zevende jaar. Op deze leeftijd is het nog niet mogelijk om de hogere lichamen door opvoedkundige maatregelen te beïnvloeden, helemaal niet door bewuste opvoeding, maar je beïnvloedt deze lichamen, zolang ze nog volledig met zichzelf bezig zijn, door wat je bent. Een slim persoon zal slimheid in het kind zelf teweegbrengen door zijn slimheid. Wat de rest betreft moet de opvoeder ernaar streven in de omgeving van het kind een zo evenwichtig mogelijk persoon te zijn met de hoogst mogelijke en beste gedachten  – net zoals het lichaam van een gezonde moeder een gezond effect heeft op het lichaam van het kind. <4>

Blz. 64

 Mit dem siebenten Jahre beginnt die Zeit, wo Sie den Ätherleib durch vorsätzliche Maßnahmen erziehen können. Dabei kommen zwei Dinge in Betracht: Gewohnheiten und Gedächtnis, die mit der Ent­wickelung des Ätherleibes zusammenhängen. Je nachdem der Mensch diese oder jene Gewohnheiten hat oder das eine oder andere in sein Gedächtnis aufnimmt, bildet er seinen Ätherleib. Daher soll man ver­suchen, dem heranwachsenden Menschen eine feste Lebensgrundlage zu geben, die in guten Gewohnheiten wurzelt. Wer jeden Tag etwas anderes tut, nicht eine sichere Basis für seine Handlungen hat, der wird ein charakterloser Mensch werden. Einen Grundstock von Gewohnheiten herauszubilden, ist daher der Zeit vom siebenten bis vierzehnten Jahre vorbehalten. Auch auf das Gedächtnis muß in die­ser Zeit eingewirkt werden. Es ist also erforderlich, daß das Kind gediegene Gewohnheiten und einen Schatz von gedächtnismäßigem Wissen erhält. Tatsächlich ist es nur ein Fehler der materialistischen Zeit, zu glauben, daß das Kind möglichst früh zu eigenem Urteil angehalten werden müsse. Man sollte im Gegenteil alles tun, um das Kind davor zu schützen.

De tweede fase

<5> Het zevende jaar is de tijd waarin je het etherlijf kunt opvoeden door middel van bewuste maatregelen. Twee dingen komen hier aan de orde: gewoonten en geheugen, die verbonden zijn met de ontwikkeling van het etherlijf. Al naar gelang de mens deze of die gewoonte heeft, of wel dit of dat in zijn geheugen opneemt, vormt hij zijn etherlijf. Daarom moet je ernaar streven om de opgroeiende mens een stevige basis in het leven te geven die geworteld is in goede gewoonten. Iemand die elke dag iets anders doet en geen stevige basis voor zijn handelingen heeft, wordt een persoon zonder karakter. Het vormen van een basis van gewoonten is daarom voorbehouden aan de periode van zeven tot veertien jaar. In deze periode moet ook aan het geheugen worden gewerkt. Het is daarom noodzakelijk dat het kind degelijke gewoonten aanleert en een schat aan kennis uit het hoofd leert. In feite is het slechts een vergissing van het materialistische tijdperk om te geloven dat het kind moet worden aangemoedigd om zo vroeg mogelijk zijn eigen oordelen te vormen. Integendeel, alles moet worden gedaan om het kind hiertegen te beschermen.

In dieser Zeit soll sich das Kind die Dinge noch auf Autorität hin aneignen. Die Menschen, die um ein Kind herum sind, sollen in dessen zweitem Jahrsiebent nicht lediglich durch Beispiel, sondern direkt durch die Unterweisung auf das Kind ein­wirken. Nicht immer mit dem «warum» und «weil», sondern dadurch, daß alles auf Autorität gebaut ist, werden starke Gedächtnisschätze ausgebildet. Daher muß das Kind von Menschen umgeben sein, auf die es bauen kann, zu denen es Vertrauen hat und die in dem Kinde den guten Glauben an die eigene Autorität wachrufen. Erst nach diesem Lebensabschnitt soll das Kind zur Urteilskraft und zur selb­ständigen Erkenntnis geführt werden. Durch das vorzeitige Frei­machen von der Autorität nehmen Sie dem Ätherleib die Möglich­keit zu gründlicher Ausbildung. Daher ist es am besten, wenn man dem Kind im zweiten Jahrsiebent nicht Beweise und Urteile, sondern Beispiele und Gleichnisse vermittelt. Urteile wirken nur auf den Astralleib, und dieser ist dafür noch nicht frei. Man sollte dem Kinde möglichst viel von großen Persönlichkeiten erzählen. Die An­schauung solcher historischer Persönlichkeiten soll auf das Kind einfach

In deze periode moet het kind nog steeds dingen leren op gezag. In de tweede zevenjaarsfase van het kind moeten de mensen om het kind heen, het niet alleen beïnvloeden door het goede voorbeeld te geven, maar direct door instructie. Niet altijd met het “waarom” en “omdat”, maar doordat alles op autoriteit is gebouwd, worden sterke geheugenschatten gevormd. Daarom moet het kind omringd worden door mensen op wie het kan vertrouwen, in wie het vertrouwen heeft en die bij het kind een goed vertrouwen in zijn eigen autoriteit wekken. [5] Pas na deze levensfase moet het kind geleid worden naar het vermogen om te oordelen en onafhankelijke kennis te verwerven. Door het kind voortijdig vrij te laten wat de autoriteit betreft, ontneem je het etherlijf de kans op een grondige vorming. Het is daarom het beste als het kind in de tweede fase voorbeelden en gelijkenissen gegeven worden in plaats van bewijzen en oordelen. Oordelen hebben alleen invloed op het astraallijf en dat is daar nog niet vrij voor. Het kind moet zoveel mogelijk over grote persoonlijkheden worden verteld. Het inleven in zulke historische persoonlijkheden moet eenvoudigweg

Blz. 65

so wirken, daß es diesen Gestalten nacheifert. Auch die Frage nach dem Tode und der Geburt ist viel besser durch das Beispiel zu beantworten. Wer die Natur heranzuziehen vermag, wird sehen, was er gerade damit bewirken kann. Man führt dem Kind etwa die Raupe vor Augen und zeigt ihm, wie sie sich zur Puppe einspinnt und wie sich aus dieser Puppe schließlich der Schmetterling entfaltet – das ist ein wunderschönes Beispiel für die Entstehung des Kindes aus der Mutter heraus. So kann viel erreicht werden, wenn der Natur selbst Vergleiche entlehnt werden.
Ebenso wichtig ist es, dem Kinde nicht sittliche Grundsätze, son­dern sittliche Gleichnisse einzuschärfen. Deutlich zeigen das einige Aussprüche des Pythagoras. Statt zu deklamieren: Du sollst, wenn du irgend etwas unternehmen willst, dich nicht mit Dingen befassen, deren Erfolglosigkeit du von vornherein absehen kannst! – sagte Pythagoras kurz und bündig: Schlage nicht mit dem Schwert ins Feuer! – Das ist ein besonders gutes Beispiel dafür. Und für die Unterweisung: Du sollst dich nicht in das hineinmischen, wofür du noch nicht reif bist! – wandte er den Satz an: Enthalte dich der Bohnen!

op zo’n manier werken dat het ook zo zou willen zijn. De vraag over dood en geboorte wordt ook veel beter beantwoord aan de hand van een voorbeeld. Wie uit de natuur kan putten, zal zien wat hij daarmee kan bereiken. Je kunt het kind bijvoorbeeld de rups laten zien en hoe deze zichzelf tot een pop spint en hoe de vlinder zich uiteindelijk uit deze pop ontvouwt – dit is een prachtig voorbeeld van het ontstaan van het kind uit de moeder. Er kan zoveel bereikt worden door vergelijkingen aan de natuur zelf te ontlenen. [6]
Het is net zo belangrijk om het kind geen morele principes bij te brengen, maar morele parabels. Dit wordt duidelijk geïllustreerd door sommige uitspraken van Pythagoras. In plaats van te zeggen: Als je iets wilt doen, moet je je niet bezighouden met dingen waarvan je van te voren al ziet dat die geen succes zullen hebben – zei Pythagoras kort en bondig: Sla geen vuur met een zwaard! – Dat is een bijzonder goed voorbeeld. En voor het laten zien: Je moet je niet bemoeien met iets waar je nog niet klaar voor bent! – paste hij de zin toe: Laat die bonen maar!

Das hatte neben der rein physischen auch eine moralische Anwendung. Wenn man im alten Griechenland über irgend etwas entscheiden wollte, verteilte man schwarze und weiße Bohnen und zählte dann ab, wieviel Bohnen von der einen und der anderen Farbe abgegeben wurden. Auf diese Weise wurden auch Wahlen vorgenom­men. In diesem Sinne sagte Pythagoras statt: Ihr seid noch nicht reif, euch in öffentliche Angelegenheiten zu mischen! – einfach: Enthaltet euch der Bohnen!
An die bildende Kraft der Phantasie wird auf diese Weise appelliert, und nicht an die Kraft des Verstandes. Je mehr Sie sich des Bildlichen bedienen, desto mehr wirken Sie auf das Kind. Nichts Schöneres konnte daher die Mutter Goethes tun, als ihrem Sohne schöne mora­lische Erzählungen zu erzählen. Niemals hielt sie ihm Moralpredig­ten. Manchmal wurde sie mit ihrer Erzählung nicht fertig; dann dichtete er sich selbst das Ende dazu.
Besonders nachteilig ist es für den werdenden Menschen, wenn er vor dem vierzehnten Jahre dazu gedrängt wird zu kritisieren, auf

Dit had zowel een morele als een puur fysieke toepassing. Als mensen in het oude Griekenland over iets wilden beslissen, deelden ze zwarte en witte bonen uit en telden dan hoeveel bonen van de ene kleur ze kregen en hoeveel van de andere kleur. Op deze manier werden er ook verkiezingen gehouden. In deze zin zei Pythagoras in plaats van: Je bent nog niet rijp om je met publieke zaken te bemoeien! – Eenvoudig: Laat die bonen maar! [7]
Dit doet een beroep op de creatieve kracht van de verbeelding in plaats van op de kracht van het verstand. Hoe meer je beeldspraak gebruikt, hoe meer effect je op het kind hebt. Goethes moeder* kon daarom niets beters doen dan haar zoon mooie morele verhalen vertellen. Ze hield nooit zedenpreken tegen hem. Soms kon ze haar verhaal niet afmaken; dan verzon hij zelf het einde.

*Goethe’s Mutter

Het is bijzonder nadelig voor de mens in ontwikkeling als hij voor zijn veertiende wordt aangespoord om kritiek te leveren, op

Blz. 66

das eigene Urteil zu bauen, wenn er die wohltätige Macht der um ihn herum weilenden Autoritäten verliert. Es ist sehr schlimm für ihn, wenn keine Persönlichkeiten da sind, zu denen er aufblicken kann. Der Ätherleib verkümmert, wird schwach und siech, wenn er sich nicht an großen Beispielen heraufranken kann. Und dann wirkt es ganz besonders schlimm, wenn er sich vor der Zeit ein eigenes Glaubensbekenntnis aneignet und über die Welt urteilen will. Dazu ist er erst reif, wenn sich sein Astralkörper frei entfaltet. Je mehr man ihn davor behüten kann, vorzeitig zu urteilen und zu kritisieren, desto besser ist es für ihn. Der Erzieher handelt daher klug, wenn er versucht, vor dem Freiwerden des Astralleibes die Wirklichkeit an den Geschehnissen selbst begreiflich zu machen, und den jungen Men­schen nicht zu einem festgelegten Bekenntnis auffordert, wie dies durch die materialistische Bildung immer mehr geschieht. Das Chaos unter den Glaubensbekenntnissen würde schnell verschwinden, wenn dies innegehalten würde.

zijn eigen beoordelingsvermogen op te bouwen wanneer hij de weldadige kracht van de autoriteiten om hem heen verliest. Het is heel slecht voor hem als er geen persoonlijkheden zijn naar wie hij kan opkijken. Het etherlijf verkommert, wordt zwak en ongeschikter als het geen inspiratie kan putten uit grote voorbeelden. En dan heeft het een bijzonder slecht effect als het een soort eigen overtuiging over de wereld ontwikkelt en een oordeel over de wereld wil vellen. Hij is hier pas volwassen genoeg voor als zijn astrale lichaam zich vrij ontvouwt. Hoe meer je kunt voorkomen dat hij voortijdig oordeelt en bekritiseert, hoe beter het voor hem is. De opvoeder handelt daarom verstandig als hij probeert de werkelijkheid begrijpelijk te maken door de gebeurtenissen zelf, voordat het astraallijf vrij wordt en de jonge mens niet vraagt een vaste overtuiging te hebben, zoals steeds meer gebeurt door de materialistische opvoeding. De chaos onder de geloofsovertuigingen zou snel verdwijnen als hier een einde aan werd gemaakt. <5>

Die Urteilskraft, der Verstand sollen möglichst spät herangezogen werden, erst dann, wenn der Sinn für das Individuelle erwacht, mit dem Herauskommen des Astralleibes. Vor­her soll sich der Mensch nicht für das Individuelle entscheiden; da soll es eine Gegebenheit sein, an wen er glaubt. Aber in den Jahren, die jetzt kommen, findet das Individuelle seinen stärksten Ausdruck in der Beziehung der beiden Geschlechter zueinander, wenn das eine Individuum zu dem anderen sich hingezogen fühlt.
So sehen Sie: wenn man die drei Leiber des Menschen richtig studiert, bekommt man in der Tat die allerpraktischste Grundlage für eine richtige Erziehung und Entwickelung des Menschen. Die Geisteswissenschaft ist also nichts Unpraktisches, nichts in den Wol­ken Schwebendes, sondern etwas, das uns die beste Anleitung gibt, ins Leben einzugreifen.
Das ist es gerade, was die heutige geisteswissenschaftliche Vertie­fung so notwendig macht, weil die Menschen sonst in eine Sackgasse geraten würden. Man tadelt heute die früheren Zeiten, weil die Kinder nicht frühzeitig aufgerufen wurden, um über Gott und die Welt zu entscheiden. Das war aber nur ein ganz gesunder Instinkt. Heute muß man das wieder mehr und mehr bewußt erreichen. Das instinktive

Derde fase

<6> Het beoordelingsvermogen en het intellect moeten zo laat mogelijk gebruikt worden, pas wanneer het gevoel voor het individuele ontwaakt, met de ontwikkeling van het astraallijf. [8] Voor die tijd moet de mens niet oordelen over het individuele; daar moeten het de feiten zijn waarin hij gelooft. Maar in de jaren die nu komen, vindt het individuele zijn sterkste uitdrukking in de relatie tussen de twee seksen, wanneer het ene individu zich aangetrokken voelt tot het andere. <6>

De noodzaak van antroposofie

<7> Dus je ziet, als je de drie lichamen van de mens op de juiste manier bestudeert, krijg je in feite de meest praktische basis voor een juiste opvoeding en ontwikkeling van de mens. Spirituele wetenschap is dus niets onpraktisch, niets dat in de wolken zweeft, maar iets dat ons de beste leidraad geeft om in het leven doelbewust te handelen.
Dit is precies wat de hedendaagse geesteswetenschappelijke verdieping  zo noodzakelijk maakt, omdat mensen anders op een dood spoor zouden belanden. Mensen bekritiseren tegenwoordig vroegere tijden omdat kinderen niet op jonge leeftijd werden opgeroepen om te oordelen over God en de wereld. Maar dat was juist een heel gezond instinct. Vandaag de dag moet dat steeds bewuster gebeuren. Het instinctieve

Blz. 67

Erkennen von früher ist verschwunden, damit aber auch eine gewisse Sicherheit für einzelne Dinge des Lebens. Nun darf das Menschen­geschlecht jedoch nicht plötzlich zugrunde gerichtet werden. Wenn man auf dem Erziehungsgebiet, in der Medizin, Rechtswissenschaft und so weiter radikal den Grundsätzen des Materialismus gefolgt wäre, dann würde unsere menschliche Ordnung wohl schon längst in die Brüche gegangen sein. Man konnte aber nicht alles zerstören: ein Teil von früher ist geblieben. Weil der Materialismus die Menschen notwendig in eine Sackgasse hineinführen würde, darum ist die geisteswissenschaftliche Bewegung notwendig.
Lehrer, die wirklich noch eine Empfindung für die Kindesseele haben, ersticken einfach unter dem Schulschematismus und den Vor­schriften, die eine Karikatur dessen sind, was in Wirklichkeit da sein sollte, und die herausgeboren sind aus dem Aberglauben, daß man es nur mit dem physischen Leibe zu tun hätte. Davor schützt auch nicht religiöse Gläubigkeit. Es kommt vielmehr darauf an, daß die Men­schen für das Spirituelle einen Sinn bekommen, für das, was über das Sinnesleben wirklich hinausgeht.

weten in het verleden is verdwenen, maar daarmee ook een bepaalde zekerheid voor sommige dingen in het leven. Het menselijk ras mag echter niet plotseling vernietigd worden. Als de principes van het materialisme radicaal zouden zijn gevolgd op het gebied van onderwijs, geneeskunde, recht enzovoort, dan zou onze menselijke orde waarschijnlijk allang zijn ingestort. Maar niet alles kon vernietigd worden: een deel van het verleden is gebleven. Omdat materialisme mensen noodzakelijkerwijs naar een doodlopende weg zou leiden, is de spiritueel-wetenschappelijke beweging noodzakelijk.
Leraren die echt nog gevoel hebben voor de ziel van het kind, stikken gewoon onder het schoolschematisme en de leefregels, die een karikatuur zijn van wat er werkelijk zou moeten zijn, en die voortkomen uit het bijgeloof dat men zich alleen met het fysieke lichaam bezig hoeft te houden. Religieus geloof beschermt hier niet tegen. Het is veeleer belangrijk dat mensen gevoel krijgen voor het spirituele, voor dat wat het zintuiglijke leven werkelijk overstijgt.

Deshalb werden auch nicht die Leute das Richtige finden können, die sich in Bezug auf die Erzie­hungsgrundsätze an äußere Formeln halten. Sie klammern sich an das traditionelle kirchliche Dogma, wollen aber nichts von der Ent­wickelung des Geistes wissen. Damit haben wir es vor allem zu tun. Was heute not tut, das muß aus spirituellen Welten kommen. Denn was der Materialismus gezeitigt hat, ist nur geeignet, die Menschen am physischen Leibe und den höheren Leibern krank zu machen. Eine schwere Krisis wäre unausbleiblich, wenn nicht eine geistige Vertiefung der Menschheit Platz greifen würde. Es gibt manches, das wie mit Fingern auf die wichtigen Entscheidungen, die sich heute innerhalb unserer Menschheit vollziehen, hindeutet. Man muß die Dinge innerlich betrachten, äußere Formen machen es nicht aus. Die Sehnsucht und das Hinneigen nach dem Geiste läßt sich bei den Men­schen nicht töten. Einem Teil der Menschen, die eine solche Sehnsucht haben, kam der Spiritismus entgegen. Da will man den Geist auf eine materielle Art beweisen. Bemerkenswert ist nun, wie sich die katho­lische Kirche dazu verhält, die es doch eigentlich nur mit Spirituellem

Daarom zullen mensen die vasthouden aan uiterlijke formules als het gaat om opvoedingsprincipes niet in staat zijn om het juiste te vinden. Ze houden vast aan traditionele kerkelijke dogma’s, maar willen niets weten van de ontwikkeling van de geest. Daar hebben we vooral mee te maken hebben. Wat vandaag nodig is, moet uit geestelijke werelden komen. Want wat het materialisme heeft voortgebracht is alleen in staat om mensen ziek te maken in het fysieke lichaam en de hogere lichamen. Een ernstige crisis zou onvermijdelijk zijn als er geen spirituele verdieping van de mensheid zou plaatsvinden. Er zijn veel dingen die verwijzen naar de belangrijke beslissingen die vandaag de dag binnen onze mensheid plaatsvinden. Je moet de dingen innerlijk bekijken, uiterlijke vormen maken het verschil niet. Het verlangen en de neiging naar de geest kan niet gedood worden in mensen. Sommige mensen die zo’n verlangen hebben, worden bediend door het spiritisme. Zij willen de geest op een materiële manier bewijzen. Opmerkelijk is nu hoe de katholieke kerk, die eigenlijk alleen met het spirituele bezig zou moeten zijn, zich hier tegenover opstelt:

Blz. 68

zu tun haben sollte: eine jede äußere Handlung ist hier die Abspiege­lung von etwas Spirituellem. Aber es ist merkwürdig, was sich gerade jetzt zugetragen hat: daß nämlich in kirchlichen Kreisen jemand nach einem äußeren Beweis für das Geistige sucht. Jetzt ist ein Buch von Lapporn; dem Leibarzt des Papstes erschienen, der darin geradezu für den Spiritismus eintritt. Das ist deshalb so sonderbar, weil die Men­schen, an die sich diese Publikation wendet, offensichtlich gar nicht mehr spirituell gesinnt sind; sie brauchen einen handgreiflichen Be­weis für das Vorhandensein einer geistigen Welt. Es ist schon des Nachdenkens wert, wenn der Leibarzt des Papstes für den Spiritismus eintritt. Da ist die Sehnsucht nach der geistigen Welt vorhanden, aber kein Verständnis für die eigene Lehre von der geistigen Welt.
So schleicht sich der Materialismus in die Religionen hinein, die im Grunde ganz und gar nicht materialistisch sein sollten. Daher können Sie sehen, wie bedeutsam eine Bewegung ist, die an die wirkliche Er­kenntnis des Geistes im Menschen appelliert, die dem Leben indessen nicht asketisch und fremd gegenübersteht, sondern jeden Augenblick die praktische Bedeutung dieses Geistigen erst recht begreiflich macht.
Aber nun sollen wir auch nicht fragen:

Elke uiterlijke handeling is hier de weerspiegeling van iets geestelijks. Maar het is vreemd wat er zojuist is gebeurd: namelijk dat iemand in kerkelijke kringen op zoek is naar extern bewijs van het spirituele. Nu is er een boek verschenen van Lapponi*, de persoonlijke arts van de paus, die daarin m.n. voor het spiritisme pleit. Dit is zo vreemd omdat de mensen tot wie deze publicatie is gericht, duidelijk niet meer spiritueel zijn ingesteld; zij hebben behoefte aan tastbaar bewijs van het bestaan van een geestelijke wereld. Het is het overdenken waard wanneer de persoonlijke arts van de paus het spiritualisme bepleit. Er is een verlangen naar de spirituele wereld, maar geen begrip van de doctrine van de spirituele wereld.

*Het stenogram is hier niet volledig; het boek was t.t.v. de voordracht nog niet vertaald.

Zo sluipt materialisme religies binnen die helemaal niet materialistisch zouden moeten zijn. Daarom kun je zien hoe belangrijk een beweging is die appelleert aan de werkelijke kennis van de geest in de mens, die echter niet ascetisch is en  van het leven vervreemd, maar juist de praktische betekenis van deze spiritualiteit op elk moment pas echt begrijpelijker maakt.

Maar nu moeten we niet vragen:

Wie kann ich in mir schnell alle möglichen okkulten Kräfte ausbilden? – oder: Wie kann ich mich einspinnen, um nur mit der Wirklichkeit nicht in Berührung zu kom­men? – Wer so fragt, ist ein Egoist und nichts anderes als ein geistiger Feinschmecker. Wenn man alles nur genießen will, was einem geistig gefällt, so verhält man sich nur etwas raffinierter als ein anderer, der mit dem Feinschmecken beim Frühstück anfängt Wem der leibliche Geschmack verdorben ist, der kommt manchmal zu den raffiniertesten geistigen Gerichten. Der ist im richtigen Sinne Theosoph, der sich bemüht, das Leben zu begreifen und dem Leben zu dienen, und die Eltern sind theosophisch gesinnt, die ihre Aufgabe darin sehen, das Kind bei jedem Schritt, den es tut, in seiner Entwickelung zu för­dern. Sagen Sie nicht: Wie können wir das in unserer Zeit? – Da muß man wiederum wissen: Es kommt darauf an, bewußt festzuhalten, daß die Seele das Ewige ist. Der Mensch ist bereit, an ein ewiges Leben zu glauben, in das er nach seinem Tode möglichst sofort ein­gehen möchte. Wer aber wirklich davon überzeugt ist, daß die Seele

Hoe kan ik snel allerlei bovenzinnelijke krachten in mezelf ontwikkelen? – Of: Hoe kan ik mezelf zo terugtrekken dat ik niet in contact kom met de werkelijkheid? – Wie zulke vragen stelt, is een egoïst en niets meer dan een spirituele fijnproever. Als je alleen maar wilt genieten van alles wat je spiritueel behaagt, dan gedraag je je alleen maar iets geraffineerder dan iemand anders die bij het ontbijt eerste de lekkere dingen pakt. Degene wiens lichamelijke smaak bedorven is, komt soms tot de meest geraffineerde spirituele gerechten. Een antroposoof in de juiste zin van het woord ben je als je ernaar streeft het leven te begrijpen en het leven te dienen, en ouders zijn antroposofisch ingesteld als ze het als hun taak zien om het kind bij elke stap die het zet aan te moedigen in zijn ontwikkeling. Zeg niet: Hoe kunnen we dat doen in onze tijd? – Nogmaals, je moet weten: Het is belangrijk om te beseffen dat de ziel eeuwig is. De mens is bereid te geloven in een eeuwig leven, waar hij na zijn dood zo snel mogelijk wil zijn. Maar voor wie er echt van overtuigd is dat de ziel

Blz. 69

ein Ewiges ist, für den bedeutet die Zeit vom zweiten bis achtzigsten Jahre nur einen Unterschied von achtundsiebzig Jahren, und was ist das gegen die Ewigkeit? Dann glaubt man an die Ewigkeit des Da­seins, und das muß man auch fühlen und Geduld haben. Wir müssen uns angewöhnen, im Dienst der ganzen Menschheit zu wirken. Es kommt daher gar nicht darauf an, ob wir das, was wir uns aneignen, wirklich gleich anwenden können; sondern vor allem müssen wir im­mer danach streben, es anzuwenden, und irgendein kleines Feld dafür findet schließlich jeder. Wenn aber jeder nur herumkritisiert, so wird niemals etwas zustande kommen. Besser ist es, ein ganz klein wenig zu tun und uns nicht zu beklagen, daß wir das Gelernte nicht an­wenden können, anstatt überhaupt nichts zu tun. Das ist das, was wir uns als praktisches Gesetz in die Seele schreiben sollten. Unser Leben wird ganz von selbst anders, wenn wir uns so in die Geisteswissen­schaft hineinarbeiten, und ohne daß der Mensch etwas merkt, gestaltet er die Welt um, wenn er Theosoph wird. Die Hauptsache und das Klügste, was wir tun können, ist, die Geisteswissenschaft erst einmal in ihrem Wesenskern erfassen und dann möglichst intensiv danach zu leben. Dann führen wir sie ins Leben ein; das andere wird sich schon von selbst gestalten.

eeuwig is, is de tijd van het tweede tot het tachtigste jaar slechts een verschil van achtenzeventig jaar, en wat is dat vergeleken met de eeuwigheid? Dan geloof je in de eeuwigheid van het bestaan, en dat moet je ook voelen en geduld hebben. We moeten er een gewoonte van maken om in dienst van de hele mensheid te werken. Het is daarom helemaal niet belangrijk of we wat we geleerd hebben meteen echt kunnen toepassen, maar we moeten er vooral altijd naar streven om het toe te passen, en iedereen zal daar uiteindelijk een klein werkveld voor vinden. Maar als iedereen alleen maar kritiek heeft, komt er nooit iets van terecht. Het is beter om een klein beetje te doen en niet te klagen dat we het geleerde niet kunnen toepassen dan om helemaal niets te doen. Dit zouden we in onze ziel moeten schrijven als een praktische wet. Ons leven wordt vanzelf anders als we ons op deze manier in de spirituele wetenschap inwerken, en zonder het te beseffen verandert iemand de wereld als hij antroposoof wordt. Het belangrijkste en verstandigste wat we kunnen doen is eerst de essentie van de spirituele wetenschap te begrijpen en er dan zo intensief mogelijk naar te leven. Dan introduceren we het in het leven; de rest zal voor zichzelf zorgen.

Eine Mutter, ein Lehrer, die Theosophen sind, werden ganz von selbst anders handeln, als ein Mensch, der davon keine Ahnung hat. Wer da weiß, was für ein Gebilde der Mensch ist, der wird auch ganz instinktiv das verschiedenartige Werden beim sich entwickelnden Menschen beobachten. Vor allem würde durch echte theosophische Vertiefung eine solche Heuchelei aufhören, daß die Großen erst alles mögliche Allotria treiben und dann mit todernsten Grundsätzen in die Kinderstube treten. Das kommt eben daher, daß die Menschen keinen Glauben an den Geist haben.
So haben wir wieder einen Einblick gewonnen, daß Geisteswissen­schaft etwas ist, was der Lebenspraxis angehört, und daß es eines der unsinnigsten Vorurteile ist, wenn Gegner sagen, sie bringe vom Le­ben ab. In Wahrheit führt sie ins Leben hinein. Heute fühlt sich noch jeder, der ein braver Spießbürger ist, erhaben, wenn er über die Theosophie reden kann, aber es wird eine Zeit kommen, in der man

Een moeder, een leraar die antroposoof is, zal uit zichzelf anders handelen dan iemand die er geen idee van heeft. Wie weet wat voor wezen een mens is, zal ook instinctief de verschillende soorten ontwikkeling in de evoluerende mens waarnemen. Bovenal zou door echte antroposofische verdieping een einde komen aan zulke hypocrisie dat de groten zich eerst bezighouden met allerlei soorten onbenulligheden en dan de kinderkamer ingaan met bloedserieuze principes. Dit komt juist omdat mensen geen vertrouwen hebben in de geest.
Zo hebben we weer inzicht gekregen in het feit dat spirituele wetenschap iets is dat bij de praktijk van het leven hoort, en dat het een van de meest absurde vooroordelen is als tegenstanders zeggen dat het van het leven wegleidt. In werkelijkheid leidt het naar het leven. Vandaag de dag voelt iedereen die een brave burger is zich nog steeds verheven als hij over antroposofie kan praten, maar er zal een tijd komen waarin

Blz. 70

anders urteilen wird. Man wird einmal einsehen, wo die wahre Lebens­freudigkeit liegt. Die Zukunft wird kommen, wo man sagen wird:
Das waren die großen Reaktionäre, die es mit einer unmöglich in die Zukunft hineinführenden Zeitströmung hielten, die nichts wissen wollten von der großen Praxis des Lebens, welche den Menschen neue Erkenntnisse des Geistes ankündigt, wie sie uns durch die theo­sophische Weltanschauung gegeben werden, Erkenntnisse, die sich in uns befestigen und immer praktischer werden sollen durch die an­gefachte und in uns lebendig wirkende theosophische Gesinnung.

men anders zal oordelen. Op een dag zullen mensen beseffen waar de ware vreugde van het leven ligt. De toekomst zal komen dat mensen zullen zeggen:
Dat waren de grote reactionairen die vasthielden aan een stroming van de tijd die onmogelijk naar de toekomst kon leiden, die niets wilden weten van de grote praktijk van het leven, die de mensheid nieuwe inzichten van de geest aankondigt, zoals ze ons worden gegeven door het antroposofische wereldbeeld, inzichten die stevig in ons verankerd moeten raken en steeds praktischer worden door de antroposofische houding die in ons is aangewakkerd en levend is. <7>
GA 96/60

[1] Over de naamgeving etherlichaam of etherlijf
[2] Over het Ik
[3] Over spel
[4] Over nabootsing
[5] Over autoriteit
[6] Over vlinder en ziel
[7] Over deze uitspraken van Pythagoras
In het oude Griekenland werden lagere ambtenaren gekozen door één witte boon met een lading zwarte bonen in een “bonenmachine” te doen. Wie de witte boon pakte, kreeg de baan. [bron]
[8] Over oordelen

.

Rudolf Steiner over pedagogiek: alle artikelen op deze blog

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3465-3262

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (4)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

4. Schuljahr: 20 juni 1922 bis etwa 24 maart 1923
4e Schooljaar 20 juni 1922 tot ongeveer 24 maart 1923

Blz. 53

Auch hier sind die beiden ersten Zahlen nicht genau festzustellen:

19 Klassen
37 Lehrer
640 Schüler

Gleich zu Beginn des Schuljahres, noch ehe der Unterricht beginnt,
ziehen sich die Wolken zum ersten Male dicht zusammen und entladen sich, wie auch dann im Lauf des Jahres, Schlag auf Schlag.
Rudolf Steiner gebraucht immer wieder empörte, tadelnde Worte,
bis hin zum Februar 1923.
Aber in die dadurch entstandene finster lastende Stimmung der Lehrer hinein stellt er im letzten Vierteljahr, eine nach der anderen,
sieben geschlossene Sonderdarstellungen, die jeweils ein wichtiges

Ook hier zijn de beide eerste cijfers niet nauwkeurig aan te geven:

19 klassen
37 leerkrachten
640 leerlingen

Direct aan het begin van het schooljaar, nog voor het begin van de lessen, pakken de wolken zich voor het eerst dik samen en ontladen zich, zoals in de loop van het jaar, slag op slag volgt.
Rudolf Steiner gebruikt herhaaldelijk verontwaardigde, berispende woorden,
tot en met februari 1923.
Maar in de daardoor ontstane sombere beklemmende stemming van de leraren, geeft hij in het laatste kwartaal van het jaar, zeven afzonderlijke bijzondere uiteenzettingen die op dat ogenblik een belangrijk

Blz. 54

Gebiet der Pädagogik erhellen. Sie umfassen manchmal eine ganze
Konferenz. Es wird so gleichsam das, was abzusinken droht, mit
Riesenkraft wieder in die Höhe gehoben.

van de pedagogie belichten, in de sombere stemming van de leraren die daardoor is ontstaan. Soms omvatten ze een hele vergadering. Op deze manier wordt wat dreigt weg te zinken weer opgetild met enorme kracht.

Das erste Unwetter grollt gleich am Abend nach der Schuleröffnung 1922. Nach kurzer Ansprache wird in einigen der wichtigsten Fächer ein Austausch der Lehrer vorgenommen. Rudolf Steiner war dem, was die Schüler der 10. Klasse ihm im Gespräch vorgebracht hatten, selbst gründlich beobachtend nachgegangen (2/93) und hatte den Eindruck bekommen, daß ,,die Waldorfschule (mit diesen Kindern) nicht eigentlich fertig geworden wäre” (2/93). Ein schwerer Vorwurf folgt dem anderen. (Es werden nur einige angeführt.) Statt des „innigen Verbundenseins” mit der Klasse sei eine „gewisse . . . Entfremdung eingetreten”. Es sei zu einem „Zerflattern” der Klasse gekommen, nicht zum „richtigen Zusammenwirken”. Statt „Begeisterung” habe sich „negative, skeptische Stimmung .. . in den Unterricht hineingeschlichen” (2/95, 96).
Der Unmut Rudolf Steiners ist so tief, daß er am nächsten Abend die Konferenz schroff abbricht und im Zorn hinausgeht, als es sich zeigt, daß bei den Zeugnissen „ein Mangel an Ernst”, „eine unerhörte Schlamperei” vorgekommen sei (2/110). Erst die Konferenz am dritten Tag (22. Juni 1922) verläuft in gewohnter Weise.
Ganz besonders schlimm wird es, als im Herbst 1922 bei einer Gruppe von Schülern der 9. bis 11. Klasse Ausschreitungen vorgekommen waren, in denen sich eine moralische „Verwilderung” offenbarte.

De eerste storm woedde meteen op de avond na de opening van de school
in 1922. Na een korte toespraak was voor een van de belangrijkste vakken een uitwisseling tussen de leraren gedacht. Rudolf Steiner had zelf grondig onderzocht wat de leerlingen van de 10e klas hem in een gesprek hadden verteld (2/93) en had de indruk gekregen dat “de vrijeschool (met deze kinderen)
eigenlijk niet in het reine was gekomen”. (2/93). De ene ernstige beschuldiging volgt op de andere. (Er worden er maar een paar genoemd.) In plaats van de
“intieme band” met de klas, is een “zekere . . . vervreemding opgetreden”. Een vorm van ‘uit elkaar vallen van de klas’, er is geen “goede samenwerking” ontstaan. In plaats van “enthousiasme” is er een “negatieve, sceptische stemming . . in de lessen geslopen” (2/95, 96).
Het ongenoegen van Rudolf Steiner is zo groot dat hij de volgende avond de vergadering abrupt onderbreekt en woedend vertrekt toen bleek dat er sprake was van “een gebrek aan ernst”, “een ongehoorde slordigheid” bij de getuigschriften. (2/110).
Pas de vergadering op de derde dag (22 juni 1922) verloopt zoals gewoonlijk.
Het ging er bijzonder slecht aan toe toen in de herfst van 1922 toen een groep leerlingen van de 9e tot 11e klas betrokken was geraakt bij het verstoren van de orde die een morele “verwildering” aan het licht bracht.

Die gründliche Besprechung darüber nimmt zwei ganze Konferenzen (2/120—137) und darüber in Anspruch.
Mehrere Schüler müssen von der Schule ausgeschlossen werden, und es gibt einigen Wirbel in den Klassen und bei den Menschen um die Schuleherum.
Rudolf Steiner gebraucht auch dieses Mal gegenüber den Lehrern wieder harte Worte, und er wiederholt manche auch in anderen Konferenzen dieses Jahres. (Auch hier wird nicht auf alles hingewiesen.) Er spricht von „gewöhnlichem Schulschlendrian” (2/205), von „innerer Bequemlichkeit” (2/225). „Die Waldorfschul-Methodik ist nicht überall angewendet” (2/205), „die Praxis ist noch nicht da” (2/108). „Das Dozieren ist nicht überwunden worden” (2/174). Es bestehe nicht genug „Interesse und Verständnis für das Echo, das aus der Klasse entgegenkommt” (2/173); „die Kinder arbeiten nicht mehr innerlich seelisch mit” (2/173). So ist „der Kontakt verloren mit den Kindern” (2/204). „Selbstdisziplinierung” ist nötig (2/224).

De grondige bespreking hiervan neemt twee hele vergaderingen in beslag (2/120-137) en meer.
Verschillende leerlingen moeten van school gestuurd worden, en er is wat commotie in de klassen en onder de mensen rondom de school.
Rudolf Steiner gebruikt weer harde woorden tegen de leraren en herhaalt sommige daarvan ook in andere vergaderingen dit jaar. (Ook hier wordt niet alles genoemd.)
Hij spreekt van “gewone sleur op school” (2/205), van “innerlijke gemakzucht” (2/225). “De vrijeschoolmethodiek wordt niet overal toegepast” (2/205), “de praktijk is er nog niet” (2/108). “Het doceren is nog niet overwonnen” (2/174). Er is niet genoeg “interesse en begrip voor de echo die uit de klas komt” (2/173); “de kinderen werken innerlijk niet mee” (2/173). Het gevolg is dat “het contact
met de kinderen verloren gaat” (2/204). “Zelfdiscipline” is noodzakelijk (2/224).

Blz. 55

Frische, . . . Wurf, Schneid gehört in unsere Unterrichtstätigkeit” (2/206). „Wir müssen Feuer hineinbringen” (2/179). Vor allem aber: ,,Es muß Humor hinein!” (2/108). Gerade dies wird mehrfach auch an anderen Stellen wiederholt. „Die Stimmung ist hier eine so gespannte” (2/224). „Ein harmonisches Zusammenarbeiten müßte geboren werden” (2/225).
Es kommen noch Schwierigkeiten anderer Art hinzu. In über drei
Konferenzen wird endlos verhandelt über die richtige Gestaltung des
Stundenplans (28. Oktober, 24. November, 5. und 9. Dezember 1922). Der Eindruck ist, daß Rudolf Steiner zuletzt resignieren muß, weil er kein Verständnis findet.
Und endlich zeigt es sich als nötig, daß Rudolf Steiner die Schulverwaltung auf eine neue Grundlage stellt. Er schlägt vor, daß neben dem, der im Schulhause wohnt und deshalb gewisse laufende Verwaltungsdinge zu führen hat (2/235), nun für alles übrige ein „kleines Kollegium”, ein drei- bis vierköpfiger Verwaltungsrat gebildet wird (2/235). Dies läßt sich aber erst in mühsamen und langwierigen Verhandlungen erreichen, bei denen Rudolf Steiner mit seinen tadelnden Äußerungen nicht hinter dem Berge hält (23. und 31. Januar 1923).

frisheid, … prestaties, daadkracht horen thuis in onze onderwijsactiviteiten”
(2/206). “We moeten er vuur in brengen” (2/179). Maar vooral: “We moeten er humor inbrengen!” (2/108). Dit wordt ook op andere plaatsen meermaals herhaald. “De sfeer is hier zo gespannen” (2/224). “Een harmonieuze samenwerking zou geboren moeten worden” (2/225).
Daar komen nog andere moeilijkheden bij. In meer dan drie vergaderingen wordt eindeloos onderhandeld over de juiste opzet van het rooster (28 oktober, 24 november, 5 en 9 december 1922). De indruk bestaat dat Rudolf Steiner zich uiteindelijk moet terugtrekken, omdat hij geen begrip vindt.
Tenslotte blijkt dat Rudolf Steiner de schoolleiding op een nieuwe leest moet schoeien. Hij stelt voor om naast degene die in het schoolhuis woont en dus bepaalde dagelijkse administratieve zaken moet regelen (2/235), nu ook een “klein college”, een drie- tot vierkoppig bestuur, te vormen voor al het andere
(2/235). Dit kon echter alleen worden bereikt door moeizame en langdurige onderhandelingen, waarbij Rudolf Steiner zich niet inhield met zijn verwijtende opmerkingen (23 en 31 januari 1923).

Während dieser schweren Monate wird aber dennoch der Ausbau der Schule fortgeführt. Für die neue 11. Klasse wird ein ausführlicher Lehrplan gegeben (2/97-99, 102-106, 109), und es sollen neue Lehrer berufen werden (2/151, 184). Durch neue Parallelklassen können nun die Volksschulklassen alle doppelzügig geführt werden.
Vor allem aber tut Rudolf Steiner etwas tief Eingreifendes. Gerade in dieser Zeit (Januar bis März 1923), als auch in der Anthroposophischen Gesellschaft große Schwierigkeiten zu überwinden sind, wirkt Rudolf Steiner durch das Einfließenlassen neuer spiritueller Kräfte der niederdrückenden Stimmung entgegen.
Er spricht erstens über den Bildschmuck in den Räumen der Schule (2/228—231, 240, 241); zweitens darüber, wie sich der Lehrer fruchtbar vorbereiten kann (2/232—235). Es folgt als drittes das über die Schulhygiene Gesagte (2/257—267), und viertens ein ausführliches Gespräch über die Stellung des französischen Unterrichts in der Schule (2/276—284). Als fünftes schließen sich an Ernährungsfragen (2/284—289) und sechstens die Grundlegung desTurnunterrichts (2/218—220, 292—301). Schließlich als siebtes werden
für Lehrer und einige besonders interessierte Musikfreunde im März noch zwei große Vorträge gehalten über Wesen und Entwicklung der Musik (Zeittafel; Liste Nr. 24)

Tijdens deze moeilijke maanden gaat de uitbreiding van de school echter door. Er wordt een gedetailleerd leerplan gegeven voor de nieuwe 11e klas (2/97-99, 102-106, 109) en er worden nieuwe leraren aangesteld (2/151, 184). Dankzij nieuwe parallelle klassen kunnen de klassen van de basisschool nu allemaal als dubbele klassen worden geleid.
Maar bovenal doet Rudolf Steiner iets behoorlijk ingrijpends. Vooral in deze tijd (januari tot maart 1923), waarin ook in de Antroposofische Vereniging grote moeilijkheden overwonnen moesten worden, gaat Rudolf Steiner de beklemmende stemming tegen door nieuwe geestelijke krachten binnen te laten stromen.
Ten eerste spreekt hij over de beelddecoratie in de ruimtes van de school
(2/228-231, 240, 241); ten tweede over hoe de leraar zich vruchtbaar kan voorbereiden (2/232-235). Dit wordt ten derde gevolgd door wat hij heeft gezegd over hygiëne op school (2/257-267), en ten vierde door een gedetailleerde bespreking van de plaats van het Franse in het onderwijs in de school (2/276-284). Ten vijfde zijn er vragen over voeding (2/284-289) en ten zesde, de fundamenten van lichamelijke opvoeding (2/218-220, 292-301). Ten slotte, ten zevende, houdt hij  in maart twee grote lezingen over de aard en de ontwikkeling van muziek voor leraren en enkele bijzonder geïnteresseerde muziekliefhebbers.
GA 283 voordracht 7 en 8 maart 1923  
Niet vertaald

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3463-3260

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 23 juni 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

De wenselijkheid van een kamertje te hebben waar kinderen na kleine ongelukjes kunnen worden behandeld. <1>
De noodzaak om met psychologisch inzicht met de leerlingen om te gaan.<2>
Hoe kan antroposofie in het onderwijs de levenskrachten van de kinderen sterker maken, o.a. over ritme<3>
Eindejaarsafsluiting <4>
Wat te doen bij heel warm weer.<5>
(Summier) over opvang kleinere kinderen. <6>
Te laat komen, disciplinaire maatregelen, over straf, wel of niet en hoe. <7>
Over een kind waarmee men geen raad weet (concreet voorbeeld) <8>
Aan het eind: losse opmerkingen zonder verdere uitleg:

Slechte tanden, oorzaak in de ziel en geest. Verbinding tussen euritmie en tandvorming.
Handenarbeid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden
vaardig door te breien.

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

 

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 155

Vergadering van woensdag 23 juni 1920, 14.45 – 17  uur

Es wird gefragt, ob man eine öffentliche Unfallstation in der Schule einrichten soll, weil man dann die Verbandstoffe und so weiter billiger bekomme.

<1>De vraag is of er een openbare spoedeisende hulp* op school moet komen, omdat verbandmiddelen en dergelijke dan goedkoper zouden zijn.
*Later werd door dokter Kolisko een schoolartsenkamer ingericht.

Dn Steiner: Ich glaube, daß wir die Sachen selbst en gros kaufen
müssen. Dies wäre zweifellos wünschenswert, daß ein Raum da wäre,
wo man ein Kind hinbringen kann. Dagegen ist es nicht sehr
wünschenswert, daß diese ganze Sache mit Einmischung von außen
besorgt wird. Es sollte darauf ein besonderer Wert gelegt werden.
Deshalb ist es gut, daß Dr. Kolisko da ist; es sollte schon vom Lehrerkollegium besorgt werden. Es kann doch nicht jeden Tag ein paarmal
vorkommen. Gewiß, kleine Sachen werden vorkommen, wenn dreihundert Kinder da sind; Fälle, wo man einen Verbandsraum braucht,
in dem man sterilisieren und desinfizieren kann. Es ist doch so, daß
vielleicht jede Woche etwas vorkommt. Es würde genügen, wenn ein
Raum da wäre. Mir lag viel daran, daß ein Arzt da ist unter dem
Lehrerkollegium. Je mehr wir uns abschließen von der Außenwelt,
desto besser ist es. Angestrebt muß werden, daß man billige Verbandstoffe bekommt.

Ik denk dat we de benodigdheden zelf in het groot moeten inkopen. Het is ongetwijfeld wenselijk om een ​​kamer te hebben waar een kind naartoe gebracht kan worden. Aan de andere kant is het niet erg wenselijk dat deze hele kwestie met inmenging van buitenaf wordt afgehandeld. Hier moet speciale aandacht aan worden besteed.
Daarom is het goed dat Dr. Kolisko hier is; het moet door het onderwijzend personeel worden afgehandeld. Het kan niet een paar keer per dag gebeuren. Natuurlijk zullen er kleine incidenten plaatsvinden met 300 kinderen; gevallen waarin een EHBO-ruimte nodig is om te steriliseren en te desinfecteren. Feit is dat er misschien elke week wel iets gebeurt. Het zou voldoende zijn als er één kamer beschikbaar was. Het was voor mij erg belangrijk om een ​​arts onder het onderwijzend personeel te hebben. Hoe meer we ons voor de buitenwereld afsluiten, hoe beter.* Het doel moet zijn om goedkope verbandmiddelen te verkrijgen.<1>

*Deze zin is wel door critici gebruikt om aan te geven dat de vrijeschool niet openstaat voor de buitenwereld. Dat er toch iets sektarisch plaatsvindt. Als dat ooit zo geweest zou zijn – het tegendeel blijkt uit bv. de leerplanaanwijzingen e.d. dan geldt dat voor de vrijeschool van nu zeker niet.
Het woord ‘abschliessen’ heeft tevens nog de de kleur van ‘het zelf tot een einde brengen’, hier dus ‘het zelf oplossen.’

Nicht wahr, ich habe mir gedacht, daß manche Fragen gestellt werden könnten. Ich habe schon erwähnt, im ganzen sind wirkliche Fortschritte gemacht worden. Im ersten Jahr war offenbar nach meinen Apercus ein Kampf mit dem Lehrstoff vorhanden. Fortschritte sind gemacht worden auf allen Gebieten. Es handelt sich nur immer darum, was fortschreitet, das wird in den nächsten Jahren mehr den Ideen entsprechen, die mit der Waldorfschule verbunden sind. Nun, Fortschritte liegen, glaube ich, sowohl darin, daß immerhin die Schülerschaft etwas aufgenommen hat, als darin, daß die Lehrer sich nach und nach hineingefunden haben in die Behandlung der Schüler. Alles ist fortgeschritten, auch die Lausbübereien. Die Lausbuben sind schon starke Lausbuben, das schadet aber nichts.
Das ist eine Nebenwirkung. Manche sind sogar gesitteter, kultivierter, intellektueller geworden. Das ist ganz gut, das schadet nichts.
Was ich meine, das ist das: wir müssen in der Zukunft immer noch
mehr Wert legen auf Psychologie. In Psychologie wirken! Das ist nicht so abstrakt, theoretisch aufzufassen, wie es scheinen könnte.
Sehen Sie, es schaut so aus, als ob man die Kinder analysieren wollte.
Wenn man sich gewöhnt, sich recht zu bestreben, die Kinder kennenzulernen psychologisch, dann bekommt man allmählich ein anderes

<2>Er zouden nu wat vragen gesteld kunnen worden. Ik heb al gezegd dat er over het algemeen echt vooruitgang is geboekt. In het eerste jaar, naar mijn inzicht, was er duidelijk sprake van een worsteling met de leerstof. Er is op alle vlakken vooruitgang geboekt. Het gaat er nu om dat de vooruitgang die in de komende jaren wordt geboekt, meer aansluit bij de ideeën die bij de vrijeschool horen. Nou, vooruitgang, geloof ik, zit hem zowel in het feit dat de leerlingen in ieder geval iets hebben opgenomen, als in het feit dat de leraren zich geleidelijk meer op hun gemak voelen bij de manier waarop ze met de leerlingen omgaan. Alles is vooruitgegaan, inclusief het kattenkwaad. De kwajongens zijn al behoorlijke kwajongens, maar dat kan geen kwaad. Dat is een bijwerking. Sommigen zijn zelfs welgemanierd, beschaafder, intellectueler geworden. Dat is best goed, dat kan geen kwaad. Wat ik bedoel is dit: we moeten in de toekomst nog meer nadruk leggen op psychologie. Werk aan de psychologie! Dit is niet zo abstract en theoretisch als het misschien lijkt. Zie je, het lijkt wel alsof men de kinderen wil analyseren. Als je eraan went om echt moeite te doen om kinderen psychologisch te leren kennen, krijg je geleidelijk een andere

Blz. 156

Verhältnis zu ihnen, ganz rein durch das Ergebnis der Sache selbst.
Dieses Kennenlernen bleibt nicht bloß ein Erkennen der Kinder; es wird zu einem anderen Verhältnis zu den Kindern, wenn man sich bemüht, sie kennenzulernen. Da ist natürlich noch manches nachzuholen im Herstellen eines richtigen Erkenntnisverhältnisses zu den Kindern. Man müßte sich klar sein darüber, daß, wo so vieles so sehr auf Persönlichem beruht wie hier, daß da in intensivster Weise ein analysierendes Erkennenlernen der Kinder notwendig ist. Dann werden gewisse Dinge, die vorgekommen sind, in der Zukunft nicht vorkommen.
Es ist schwer, den einzelnen Fall zu charakterisieren, das ist auch nicht nötig. In Psychologie wirken! Wenn Sie nachdenken darüber, werden Sie finden, was ich darunter verstehe. Nicht so sehr die Idee haben, die Kinder müssen dies oder jenes erreichen, sondern sich fragen, was können die Kinder nach ihrer psychologischen Beschaffenheit erreichen? Ganz aus den Kindern heraus arbeiten! Das kann man im einzelnen sich nur angewöhnen, wenn man ein richtig reales Bestreben hat, das Kind in seinen verschiedenen Varianten kennenzulernen. Jedes Kind ist interessant.

verhouding met hen, volledig door  het resultaat van de zaak zelf.
Dit leren kennen blijft niet alleen een kennen van de kinderen; het leidt tot
een andere relatie met de kinderen wanneer men zich inspant om hen te leren kennen. Natuurlijk valt er nog veel te winnen in het opbouwen van een goede relatie waarin je de kinderen goed kent. Het moet duidelijk zijn dat waar zoveel op het persoonlijke gebaseerd is zoals hier, een intensief, analytisch leren kennen van de kinderen noodzakelijk is. Dan zullen bepaalde dingen die in het verleden zijn gebeurd, zich in de toekomst niet meer voordoen.
Het is moeilijk om het individuele geval te karakteriseren, en dat is ook niet nodig. Werken met de psychologie! Als je erover nadenkt, begrijp je wat ik daarmee bedoel. Niet zozeer het idee dat de kinderen dit of dat moeten bereiken, maar eerder de vraag: wat kunnen de kinderen bereiken gezien hun psychologische gesteldheid? Werk volledig vanuit de kinderen zelf! Je kunt hier alleen individueel aan wennen als je een oprechte wens hebt om het kind in al zijn of haar verschillende vormen te leren kennen. Elk kind is interessant.

Fräulein Lang hat mir einen weiblichen Lausbuben B. N. vorgeführt. Sie hat furchtbar geflennt. Heute hat sie wieder geschwänzt gehabt. Aber es ist interessant, man muß sie studieren. Ich kann nicht versprechen, daß sie ihr Wort hält: es wird vielleicht Jahre dauern. Das kann ich mir denken, daß sie bei den Seiltänzern war, aber das erhöht das Interesse an dem Kinde, nicht wahr?
Wenn man Forderungen aufstellt, wie ein Kind sein soll, kann man das leicht definieren. Wie die Kinder wirklich sind, das psychologisch zu erkennen, muß man sich mit schwerem Studium erringen. Dies ist eines, wovon ich meine, daß wir es nach dem ersten Jahre als eine Hauptsache betrachten: Verstehenlernen der Kinder. Sich gar nichts vornehmen, sie müssen so oder so sein. Dann ist da etwas, was mir fast in allen Klassen stark vor die Seele
getreten ist. Wir sollten recht sehr uns bestreben — was sehr belebend auf alle Kräfte des Kindes wirkt —, Anthroposophie organisch in den Unterricht hineinzubringen. So auf die Art, wie Sie es gemacht haben, Fräulein Dr. von Heydebrand, in der Anthropologie, und Sie, Dr. Stein, in der Geschichte. Bei manchem ist es von selbst vorhanden. Die Eurythmie kann man nicht ohne Anthroposophie machen. Man muß sich bemühen, möglichst ohne daß man theoretisch Anthroposophie lehrt, sie so hineinzubringen, daß sie eben
darinnensteckt.

Mevrouw Lang stelde me voor aan een vrouwelijke deugniet, B.N*.
Ze huilde vreselijk. Vandaag spijbelde ze weer. Maar ze is interessant; je moet haar bestuderen. Ik kan niet beloven dat ze haar woord houdt: het kan misschien wel jaren duren. Ik kan me voorstellen dat ze bij de koorddansers [het Duits heeft hier Seiltänzer – letterlijk dus koorddanser, maar betekent dit hier dat ze wel of niet kan blijven, op het vinkentouw zit o.i.d.?] zat, maar dat vergroot de interesse in het kind, toch? Als je eisen stelt aan hoe een kind zou moeten zijn, kun je dat gemakkelijk definiëren. Om te weten hoe kinderen psychologisch gezien echt zijn, is grondige studie nodig. Dit is iets wat we volgens mij na het eerste jaar als een belangrijk punt beschouwen: kinderen leren begrijpen. Niet met het voornemen: ze moeten zus of zo zijn.<2>
*In oktober 1920 kon het kind niet langer op school worden toegelaten

<3> Dan is er nog iets dat me in bijna alle klassen sterk is opgevallen. We moeten er heel hard naar streven – wat een zeer stimulerend effect heeft op de levenskracht van alle kinderen – om antroposofie op een organische manier in de lessen te integreren. Net zoals u, mevrouw dr. von Heydebrand, deed in de antropologie, en u, dr. Stein, de geschiedenis. Voor sommigen is het van nature aanwezig. Euritmie kan niet zonder antroposofie worden beoefend. Men moet ernaar streven, indien mogelijk zonder antroposofie theoretisch te onderwijzen, het zo te integreren dat het inherent is aan de lessen.*

*Ook dit wordt door critici gebruikt om aan te tonen dat de vrijeschool een verborgen agenda heeft: de kinderen indoctrineren met antroposofie. Wie echter met open vizier meer bestudeert ziet in velerlei uitspraken wat Steiner bedoelt met antroposofie in het onderwijs. De opmerking hier verwijs al naar ‘niet-theoretisch’ – als leer – maar als middel om de levenskrachten te versterken, dus geheel in dienst van de gezondheid van het kind!]

Blz. 157

Ja, ich denke mir, viel Anthroposophie ist darinnen, wenn Sie versuchen — das ist ein Ideal —, dasjenige, was man Rhythmus nennt, in die Arbeit hineinzubringen; wenn Sie versuchen, den musikalischgesanglich-eurythmischen Unterricht mit dem Handfertigkeitsunterricht in Zusammenhang zu bringen. Es wirkt auf die Kinder außerordentlich gut. Ich empfehle Ihnen dazu ,,Arbeit und Rhythmus” von Karl Bücher. Dies Buch sollte da sein. Alles Arbeiten ging aus vom musikalischen Arbeiten, nicht wahr, beim Dreschen, Schmieden, Pflastern, Heute hören Sie es fast nicht mehr. Gingen Sie aber früher auf das Land hinaus und hörten dreschen, der Dreschflegel wurde im Rhythmus geführt. Ich meine, das können wir wiederum hineinkriegen. Ich meine das, wenn ich sage, daß wiederum Geist in die Sache hineinkomme. Das Prinzip finden Sie, wenn auch recht gelehrt und pedantisch, in ,,Arbeit und Rhythmus”.
Dann natürlich habe ich ein bißchen den Gedanken, wie wird es werden mit dem Schulende, mit der Schulschlußfeier? Nicht wahr, das müßte doch mit einer gewissen Festlichkeit begangen werden. Es ist heute der 23., ich werde nicht kommen können; es wird nicht gehen, obwohl ich gerne anwesend wäre. Die Ferien müssen zur rechten Zeit beginnen.

Ja, ik denk dat er veel antroposofie in zit – dit is een ideaal – om wat ritme heet in het werk te brengen; wanneer je muziek-zang-euritmie-instructie probeert te verbinden met handvaardigheden. Het heeft een buitengewoon goed effect op de kinderen. Ik raad “Werk en Ritme” van Karl Bücher* aan. Dit boek zou er moeten zijn. Al het werk is toch voortgekomen uit muzikaal werk? Bij het dorsen, smeden, bestraten. Tegenwoordig hoor je het bijna niet meer. Maar als je vroeger naar het land ging en dorsen hoorde, werd de dorsvlegel ritmisch bewogen. Ik denk dat we dat weer terug kunnen brengen. Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat de geest weer terugkomt in de zaak. Je vindt het principe, zij het nogal wetenschappelijk en pedant, terug in “Werk en Ritme”.<3>
<4> En dan maak ik me natuurlijk ook een beetje zorgen over wat er met het einde van het schooljaar zal gebeuren, met de eindeschoolviering? Dat zou toch met een feest gevierd moeten worden? Het is vandaag de 23e en ik kan er niet bij zijn; het is onmogelijk, ook al zou ik er graag bij zijn. De vakantie moet op het juiste moment beginnen.

*Karl Bücher, econoom, 1847-1930.

Ich finde, daß die Lehrer jetzt gerade genug haben, sonst brechen sie zusammen. Ich wäre natürlich furchtbar gerne bei diesem Schulschluß da. Sonst müßte es in der Form sein, daß jeder Lehrer eine Ansprache hält. Vielleicht ist Herr Baumann so gut und besorgt etwas Musikalisches. Dichten Sie doch etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt. Nicht eine gewöhnliche Eurythmievorführung, sondern etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt. Es wäre doch wunderschön, wenn so etwas gemacht würde. Es beginnt eurythmisch; etwas, das musikalisch begleitet ist. Dann geht es über ins bloß Musikalische, und dann schließt es eurythmisch. Das meine ich nur par exemple, daß es mehr eine Art zum Schulschluß komponierte Sache wäre. Es kann ja Fräulein Röhrle mit zwei von den größten Mädchen — es können auch drei sein — etwas machen. Dann müßte irgend etwas — das ist etwas, was mir furchtbar aufliegen würde —, es müßte natürlich eine Art von Rede sein, die wie eine Lebensrede ist, zum Entlassen und Wiederkommen. So irgend etwas, was auf den Tag und das Entlassen und Wiederkommen Bezug hat.

Ik denk dat het voor de leraren nu wel genoeg is, anders storten ze in. Natuurlijk zou ik dolgraag bij deze eindviering aanwezig zijn. Bovendien moet het in de vorm dat elke leraar een toespraakje houdt. Misschien zou meneer Baumann zo vriendelijk willen zijn om iets muzikaals te doen. Waarom dicht u niet iets dat het einde van het schooljaar euritmisch weergeeft? Geen gewone euritmievoorstelling, maar iets dat het einde van de school euritmisch weergeeft. Het zou geweldig zijn als zoiets zou gebeuren. Het begint euritmisch; iets met muzikale begeleiding. Dan gaat het over in alleen muziek en dan eindigt het euritmisch. Ik bedoel dat alleen maar als voorbeeld, dat het meer een stuk zou zijn dat gecomponeerd is voor het einde van het schooljaar. Mevrouw Röhrle zou iets kunnen doen met twee van de oudere meisjes – het zouden er ook drie kunnen zijn. Dan moet er iets gezegd worden – dit zou iets zijn wat ik vreselijk moeilijk zou vinden – het zou natuurlijk een soort toespraak moeten zijn, een levenstoespraak, over weggaan en terugkomen. Iets dat te maken heeft met de dag en het weggaan en terugkomen.<4>

Auf einer Wandtafel hatte gestanden: „Der Himmel ist blau, das Wetter ist
schön, Herr Lehrer, wir wollen spazieren gehn.” — Dr. Steiner war sehr ärgerlich darüber.

<5> Op een schoolbord stond geschreven: “De lucht is blauw, het is mooi weer, mijnheer [de leerkracht] laten we gaan wandelen.” Dr. Steiner was hier erg geïrriteerd over.

Blz. 158

Dr. Steiner: Nun ja, haben Sie es noch nicht gesehen? Nicht wahr, Sie könnten ja im allgemeinen manchmal, wenn es allzu heiß ist, die Kinder weggehen lassen; früher schließen meine ich nicht, daß es richtig wäre. Ich bin nicht dafür, daß man die Kinder aus der Hand gibt, solange man sie in der Hand haben kann. Man gibt die Kinder früher aus der Hand, als man es eigentlich sollte. Man kann es natürlich den Kindern erleichtern. Höchstens, wenn es allzuwarm ist. Fast ist es besser, man behält sie und führt sie irgendwohin und ist dabei.
Nicht wahr, es ist doch besser, wenn Sie die Kinder im Kindergarten haben. Je länger man sie hat, desto besser. Sie können so doch immer die Kinder aufnehmen, die noch nicht in die Schule kommen. Wir nehmen die Kinder bis jetzt im wesentlichen so auf, wie man sie in die Volksschule hineinkriegt. Wenn das Nachahmungszeitalter beendet ist, können wir anfangen. Es wäre sehr schön, wenn man einiges in die ersten sieben Jahre der kindlichen Erziehung hineinbringen könnte. Schließlich müßten wir schon nach unten hin etwas haben; oben ist es weit weniger wichtig.
Sie wollen ja auch sonst Schulbaracken aufführen. Ich möchte sagen, die genauen Besprechungen können am Schulende gemacht werden.

Hebt u het nog niet gezien? Je zou, over het algemeen, soms, als het te warm is, de kinderen weg kunnen laten gaan; ik denk niet dat het juist is om de school eerder te sluiten. Ik ben er geen voorstander van om kinderen weg te laten gaan zolang ze kunnen blijven. Je laat ze eerder weggaan dan nodig is. Natuurlijk kun je het de kinderen wel makkelijker maken. Hooguit als het te warm is. Het is bijna beter om ze te houden en ergens heen te brengen en erbij te zijn.<5>

<6> Is het niet beter als je de kinderen in de kleuterschool hebt? Hoe langer je ze hebt, hoe beter. Zo kun je altijd de kinderen opnemen die nog niet naar school gaan. Tot nu toe hebben we kinderen in principe op dezelfde manier opgevangen als we in  de basisschool doen. Als de tijd van imitatie voorbij is, kunnen we beginnen. Het zou heel mooi zijn als we dit in de eerste zeven jaar van de opvoeding van een kind zouden kunnen doen. We moeten tenslotte iets aan de onderkant hebben; Aan de bovenkant is het veel minder belangrijk.<6>

U wilt toch ook schoolbarakken neerzetten. Ik zou zeggen: de gedetailleerde gesprekken kunnen aan het einde van het schooljaar plaatsvinden.

Im wesentlichen ist es gegeben. Aber es wird eine Besprechung notwendig sein. Es werden Dinge notwendig sein, die nicht geordnet werden können, wenn man sie erst am Schulanfang besprechen würde. Die Gesangsklasse muß eine Erweiterung erfahren, es muß ein Gesangslehrer kommen. Das ist notwendig. In manch anderer Hinsicht wird es notwendig sein, daß zu verhandeln sein wird, falls wir eine nächste Klasse darauf setzen können. Dann ist ja auch das zu überlegen, schwer zu überlegen, wer die 1. Klasse bekommt. Daß Ihre Tätigkeit, Stockmeyer und Stein, aufhört, ist nicht anzunehmen. Das muß zeitig genug besprochen werden. Aus diesen Gründen wäre es notwendig, daß ich am Schulschluß da wäre, äußeres wären dringende Verhinderungen. Ich brauche ja vielleicht nur vier oder sechs Tage da zu sein. Heute ist es verfrüht.
Wie behandeln wir diese Kinder, die zu spät kommen? Ich wurde heute aufgehalten, als ich in die Schule ging. Da gingen drei Schülerinnen. Sie gingen einfach, sie waren nicht betrübt, daß sie zu spät gingen, sie gingen sehr gelassen. Die Persönlichkeit, die-mit mir ging, sagte: „Denen wird es recht sein, wenn sie zu spät kommen. ” Nun, wie verhalten wir uns zu den Kindern, die zu spät kommen?

In principe is er overeenstemming over. Maar er zal overleg nodig zijn. Er zullen dingen nodig zijn die niet geregeld kunnen worden als ze alleen aan het begin van het schooljaar besproken worden. De zangklas moet worden uitgebreid; er moet een zangdocent worden aangenomen. Dat is noodzakelijk. In sommige andere opzichten zal er onderhandeld moeten worden of we een volgende klas kunnen toevoegen. Dan zal ook daarover nagedacht moeten worden, en het is moeilijk te bedenken wie er in de 1e klas komt. Het is niet aannemelijk dat uw werk, Stockmeyer en Stein, stopt. Dat moet vroeg genoeg besproken worden. Om deze redenen zou het nodig zijn dat ik er aan het einde van het schooljaar bij ben; anders zou ik dringend verhinderd zijn. Ik hoef er misschien maar vier of zes dagen te zijn. Vandaag is te vroeg.
<7> Hoe gaan we om met de kinderen die te laat komen? Ik werd vandaag opgehouden toen ik naar school liep. Er liepen drie leerlingen. Ze liepen gewoon; ze zaten er niet over in dat ze te laat kwamen; ze gingen heel bedaagd. Degene die met me meeliep, zei: “Ze vinden het prima om te laat te komen.” Hoe gaan we om met kinderen die te laat komen?

X.: Sie eine Viertelstunde früher kommen lassen!

Een leraar: Laat ze een kwartier eerder komen!

Dr. Steiner: Da setzt man sich der Gefahr aus, daß sie nicht kommen.

Dan loop je het risico dat ze niet komen.

Blz. 159

Es muß unter allen Umständen vermieden werden, irgendeine Strafe
zu geben, wobei man nachgeben muß. Man darf in einer disziplinarischen Maßregel absolut nicht nachzugeben brauchen. Wenn man sagt, ein Kind muß früher kommen, so muß es eingehalten werden, daß man ihm befiehlt, früher zu kommen. Es waren die in der 8. oder 7. Klasse. Da ist man unten durch, sobald man durch die Finger schauen muß. Dann ist das eine schiefe Ebene, auf der man immer weiter hinunterrollt. Man darf bei einer Strafe nicht nachgeben, lieber unterlasse man sie. Das kann unter Umständen auch zum Gegenteil führen. Dann entsteht ein Verein unter den Kindern, sie machen ab, heute bin ich zu spät gekommen, morgen kommst du. Ich weiß nicht, ob das geht. Es würde uns ein bißchen ins Lächerliche ziehen. Es ist natürlich Bummelei. Früher kommen lassen ist nicht so gut, lieber eine Viertelstunde länger da lassen. Das ist etwas, was den Kindern unsympathisch ist.

Het moet koste wat kost vermeden worden om straffen te geven waarbij je zelf moet zwichten. Je mag absoluut niet toegeven in een disciplinaire maatregel. Als je zegt dat een kind vroeg moet komen, dan moet je je ook aan de regel houden om vroeg te komen. Dat was in groep 8 of 7. Je bent de mindere zodra je een oogje dichtknijpt. Dan is het een hellend vlak waar je steeds verder vanaf glijdt. Bij straf moet je niet toegeven; dan is het beter om geen straf te geven. Onder bepaalde omstandigheden kan dit zelfs tot het tegenovergestelde leiden. Dan ontstaat er een clubje onder de kinderen en ze spreken af: “Ik was vandaag te laat, morgen jij.” Ik weet niet of dat kan. Het zou ons een beetje belachelijk maken. Het is duidelijk laksheid. Ze vroeg laten komen is niet zo goed; het is beter om ze een kwartier langer na te laten blijven. Dat vinden de kinderen niet leuk.

Haben Sie ausprobiert, ob dies wirkt? Ein Kind kommt zehn Minuten zu spät; man läßt es dreißig Minuten stehen. Wenn sie dreimal so lange stehen müssen, dann überlegen sie sich doch jede Minute. Sie recht unbequem stehen lassen! Ihr Junge, der reibt sich den Hinterkopf an der Wand, er amüsiert sich mit allerlei Zeug. Ich glaube, man kann mit solchen Dingen, wenn irgend die Strafe mit dem Verbrechen zusammenhängt, gut wirken, wenn man sie stehen läßt an
irgendeiner besonders unbequemen Stelle. Die Großen werden sich dann hüten, daß sie zu spät kommen. Man könnte eine Anzahl von kleinen Stockerln kaufen, dann werden sie auch nicht zu sechst zu spät kommen. Unter Umständen bekommen sie einen kleinen Krampf in den Beinen. Die Stockerln, die kann man auch im Handfertigkeitsunterricht machen.

Uit ‘dat ze wat zouden afspreken’ blijkt dat ze bewust te laat komen. Gewoon te lang onderweg? Langzaam lopen, spelen o.i.d.? 
De meeste kinderen die te laat komen, doen dat eigenlijk buiten hun schuld. De ouders zijn dan meestal te laat. Dan moet je volgens mij helemaal niet straffen, maar met de ouders praten!

Heb je al eens geprobeerd of dit werkt? Een kind komt tien minuten te laat; je laat het dertig minuten staan. Als het drie keer zo lang moet staan, denkt het daar elke minuut aan. Het staan moet ongemakkelijk zijn! De jongen bij u wrijft met zijn achterhoofd tegen de muur; hij vermaakt zich met van alles en nog wat. Ik denk dat je met zulke dingen een goed effect kunt hebben, als de straf op de een of andere manier verband houdt met wat misdaan is, door het op een bijzonder ongemakkelijke plek te laten staan. De ouderen zullen er dan op letten dat ze niet te laat komen. Je zou een paar kleine krukjes kunnen kopen, dan komen er geen zes te laat. Onder bepaalde omstandigheden kunnen ze een lichte kramp in hun benen krijgen. De krukjes kunnen ook gemaakt worden tijdens handvaardigheidslessen.

X.: Was soll geschehen, wenn Lehrer zu spät kommen?

X: Wat moet er gebeuren als leraren te laat komen?

Dr. Steiner: Dann wird man die Schüler veranlassen, daß sie die Lehrer auf die Stockerln stellen. — Wichtig ist es auch, daß man in solchen Dingen differenziert. Ich würde es im Winter weniger streng
ahnden als im Sommer. Im Augenblick, wo die Kinder merken, daß
in den disziplinaren Maßregeln Vernunft ist, sehen sie es ein. Im
Winter könnte man es weniger intensiv bestrafen und sie nur zweimal so lange stehen lassen. Sie stören; es sind solche, die auch selbst
unaufmerksam sind. Die Fleißigen werden kaum zu spät kommen.

Dan laat je de leerlingen de leraren op de kruk zetten. — Het is ook belangrijk om in zulke zaken te differentiëren. Ik zou in de winter minder streng straffen dan in de zomer. Zodra de kinderen beseffen dat er een reden achter de disciplinaire maatregelen zit, zullen ze het begrijpen. In de winter zou je minder streng kunnen straffen en ze slechts twee keer zo lang laten staan. Ze storen; zij zijn het die zelf ook onoplettend zijn. De hardwerkende kinderen komen waarschijnlijk niet te laat.<7>

Es wird eine Frage gestellt wegen der Fenster.

Er wordt een vraag gesteld over de ramen.

Dr. Steiner: Man bekommt selbst Lust, wenn man da vorbeigeht,

Dr. Steiner: Je krijgt zelfs de neiging als je er langs loopt,

Blz. 160

hineinzusteigen. Man müßte etwas wie Gitter anbringen, daß sie
nicht hineinkommen.

om erin te klimmen. Er zouden spijlen aangebracht moeten worden om te voorkomen dat ze naar binnen kunnen.

Über F. R. in der 4. Klasse.

<8> Over F.R. klas 4.

Dr. Steiner: Es ist ein sehr schwieriger Fall: wenn er aus der Schule weg geht, ist es ein Kasus der Schule. Nicht gerade wünschenswert.
Auf der anderen Seite darf das Kind nicht darunter leiden. Die Schule sollte auch nicht das gefundene Fressen werden derjenigen, zu denen er kommen wird. Da werden solche Gymnasiallehrer sein, die werden es mit großer Befriedigung empfinden, wenn jemand kommt, der sagt, er hat es hier nicht ausgehalten. Ich muß morgen noch etwas sehen, was man da tut. Sehr schwer lösbar.
Es ist die Frage diese, man könnte es sonst mit einer Parallelklasse probieren. Hier kommt aber kaum etwas anderes in Betracht, als daß er in die vorhergehende oder nachfolgende Klasse kommt. In die vorhergehende Klasse möchte ich ihn auf keinen Fall tun. Dann würde er in Ihre Klasse kommen, in die höhere Klasse. Ich glaube nicht, daß es eine andere Lösung gibt. Das macht viel Aufsehen unter den Kindern. Man wird es tun müssen, so daß es als eine Ausnahme erscheint. Da wird man erst nachdenken müssen, wie man es tut. Es
ist eine zuwidere Geschichte, wenn man bekanntgeben soll, daß es aus persönlichen Gründen ist.

Het is een heel lastig geval: als hij van school gaat, is dat een schoolgerelateerde aangelegenheid. Niet bepaald wenselijk.
Aan de andere kant mag het kind er niet onder lijden. De school mag geen geschenk uit de hemel worden voor degenen die hem krijgen. Er zullen leraren van het gymnasium zijn die heel blij zullen zijn als er iemand langskomt die zegt dat hij het hier niet uithoudt. Ik moet morgen nog eens kijken wat eraan te doen is. Heel moeilijk op te lossen.
De vraag is deze: anders zou je het met een parallelklas kunnen proberen.
Maar hier komt er nauwelijks iets anders in aanmerking dan dat hij in de vorige of volgende klas wordt geplaatst. Ik wil hem absoluut niet in de vorige klas. Dan zou hij in uw klas worden geplaatst, de hogere klas. Ik denk niet dat er een andere oplossing is. Het zal veel commotie onder de kinderen veroorzaken. Je zult het zo moeten doen dat het een uitzondering lijkt. Je zult moeten nadenken over hoe je het doet. Het is onwelgevallige zaak om aan te kondigen dat het om persoonlijke redenen is.

Natürlich ist die Gefahr diese, daß sie sagen: Na, jetzt hat er es erreicht; das können wir auch anstreben. —
Aber was soll man machen mit solch einem Jungen, wenn man ihn nicht wegschicken will? Vielleicht komme ich morgen zu der Klasse.
Das, was schlimm ist, ist nicht er selbst. Es ist eine vererbte Sache, und das wirkt fortwährend auf ihn. Es liegt in der Familie. Es wäre schon wünschenswert, daß man den Jungen über eine Klippe hinwegführt. Vielleicht wird es gerade ein tüchtiger Mensch. Er ist ganz begeistert für Eurythmie und Gesang, er will den Klassenunterricht nicht haben. Er findet ihn ganz abscheulich. Das sind andere Dinge, die man zu wichtig nimmt; er hat fünf Mark genommen. Das ist ein Spaß. Er ist sehr zugänglich, sehr zugänglich. Der Junge braucht eine gewisse objektive Behandlung, weil er zu Hause recht subjektiv behandelt wird. Das haben wir alle auch getan. Der Vater ist von der Art jenes Lehrers, der, wenn der Schüler sich aufgeregt benimmt, sagt: „Ich werde dich lehren, was Gelassenheit ist; ich werde dir beibringen, was Gelassenheit ist”, so ist der Vater. Ihn in der 4. Klasse zu lassen, das geht nicht. Wir setzen uns der Gefahr aus, daß er ins Wasser springt. Das wäre natürlich nicht angenehm. Ich erinnere mich noch mit rechtem Entsetzen — ich war auf

Het gevaar is natuurlijk dat ze zullen zeggen: Nou, nu heeft hij het bereikt; daar kunnen we ook naar streven. Maar wat moet je met zo’n jongen als je hem niet weg wilt sturen? Misschien kom ik morgen wel naar de les. Wat er mis is, is niet hijzelf. Het is een erfelijke eigenschap en het heeft een constante invloed op hem. Het zit in de familie. Het zou wenselijk zijn om met de jongen de klippen te omzeilen. Misschien wordt hij wel een capabel mens. Hij is nogal enthousiast over euritmie en zingen; hij wil geen les. Hij vindt het ronduit afschuwelijk. Dat zijn andere dingen die mensen te serieus nemen; hij heeft vijf mark weggepakt. Dat is een kwajongensstreek. Hij is heel benaderbaar, heel benaderbaar. De jongen heeft een zekere objectieve behandeling nodig, omdat hij thuis nogal subjectief wordt behandeld. Dat hebben we ook allemaal gedaan. De vader is het type leraar dat, wanneer een leerling zich geagiteerd gedraagt, zegt: “Ik zal je leren wat bedaren is; ik zal je leren wat bedaren is.” Zo is de vader. Hem in klas 4 laten zitten, is geen optie. We stellen onszelf bloot aan het gevaar dat hij in het water springt. Dat zou natuurlijk niet prettig zijn. Ik herinner me nog met grote afschuw – ik was op

Blz. 161

einer Schule mit einer Maschinenbauschule. Dort war der Sohn des
Schuldieners, der war ehrgeizig. Ein Lehrer, Professor, der jähzornig war, der nahm den Laffen und haute ihm eine herunter. Der verließ die Klasse; er hat nämlich gewußt durch seinen Vater, wo Zyankali ist, hat es genommen und sich vergiftet. Seit der Zeit wurden die Lehrer immer rot, wenn jemand herausging während der Stunden,
(Zu Fräulein Dr. von Heydebrand:) Ich wollte es nur jetzt besprechen, weil er zu Ihnen in die 5. Klasse hinkommt. Er gehört nicht in die 4. Das ist ein Fehler, der gemacht worden ist.
In Psychologie wirken! Die Kindergemüter müssen studiert werden!

een school met een opleiding werktuigbouwkunde. De zoon van de conciërge was daar, en hij was ambitieus. Een leraar, een professor, die opvliegend was, pakte de ??  en sloeg hem. [Het Duits heeft Laffen, daar wordt geen vertaling voor gegeven: waarschijnlijk heeft de jongen de professor op de zenuwen gewerkt en die sloeg hem] Hij verliet de klas; hij wist van zijn vader waar cyanide was, nam het en vergiftigde zichzelf. Sindsdien bloosden de leraren altijd als iemand tijdens de les wegliep.
(Aan mevrouw Dr. von Heydebrand:) Ik wilde het er nu even over hebben,
omdat hij naar uw vijfde klas gaat. Hij hoort niet in de vierde.
Dat is een fout die gemaakt is.
Werk met psychologie! De ziel van het kind moet bestudeerd worden!<8>

X. fragt wegen Spitzenklöppeln und Nadelarbeit.

X. vraagt ​​naar kantklossen en handwerken.

Dr. Steiner: Das ist eine furchtbar zeitraubende Arbeit. Immer unter den entsetzlichsten äußeren Verhältnissen wurden diese Dinge gemacht. Es ist so, daß die Leute alle krank geworden sind. Es sind Parias dazu verwendet worden. Brüsseler Spitzenarbeit ist eine schreckliche Sache. Ich würde das nicht einführen.
Die Arbeiten, die Sie jetzt machen, sind sehr schön. Beim Handarbeiten müssen wir ein bißchen recht exakt sein. Ich habe heute ein Mädchen bemerkt, das ohne Fingerhut nähte.

Dr. Steiner: Het is een vreselijk tijdrovend werk Deze dingen werden altijd gedaan onder de meest verschrikkelijke externe omstandigheden. Mensen zijn allemaal ziek geworden. Ze gebruikten hiervoor paria’s. Brussels kantklossen is een verschrikkelijk iets. Ik zou het niet willen invoeren.
Het werk dat u nu doet is heel mooi. We moeten een beetje precies zijn met ons naaiwerk. Ik zag vandaag een meisje dat naaide zonder vingerhoed.

X.: Soll am Peter- und Paulstag schulfrei sein?

X.: Is Petrus en Paulusdag een vrije dag?

Dr. Steiner: Man kann freigeben. „Peter und Paul ist immer sehr
faul.”

Je kan vrijgeven: “Petrus en Paulus is altijd erg lui.”

Zu dieser Konferenz finden sich noch folgende kurze Notizen:
Schlechte Zähne, Ursache im Seelisch-Geistigen. Zusammenhang
zwischen Eurythmie und Zahnbildung.
Handarbeit: Stricken entwickelt gute Zähne. Die Kinder werden
geschickt durch Stricken.

Bij deze vergadering horen nog korte aantekeningen:
Slechte tanden, oorzaak in de ziel en geest. Verbinding tussen euritmie en tandvorming.
Handenarbeid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden
vaardig door te breien.

.

GA 300A  inhoudsopgave

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 3460-3257

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (3)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

3. Schuljahr: 18. Juni 1921 bis 30. Mai 1922
3e Schooljaar 18 juni 1921 tot 30 mei 1922

Blz. 51

Die Zahlen ließen sich für dieses Jahr nicht genau feststellen. Es waren ungefähr:

15 Klassen
30 Lehrer
540 Schüler

 

De cijfers konden voor dit jaar niet precies vastgesteld worden. Er waren ongeveer:
                                                            15 klassen
                                                            30 leraren
                                                          540 leerlingen

Überwiegend klingt die Stimmung des freudigen Schaffens durch dies dritte Schuljahr weiter fort; ebenso beim fortgesetzten Aus- und Aufbau wie bei den ohne Unterbrechung durch die Konferenzen aller Jahre durchlaufenden Themen der Besprechung einzelner schwieriger Kinder und der Beantwortung spezieller sachlicher oder methodischer Fragen.

De sfeer van vreugdevolle creativiteit blijft in dit derde schooljaar voortduren; zowel in de verdere ontwikkeling als in de onderwerpen die aan bod komen bij de bespreking van individuele, lastige kinderen en de beantwoording van concrete feitelijke of methodische vragen, die een vast onderdeel vormen van de bijeenkomsten van elk jaar.

Blz. 52

Auch in der Stellungnahme gegenüber der behördlichen Schulrevision wird noch eine ungebrochene Einheitlichkeit erlebt. Daß die Revision von seiten der Lehrer unrichtig, weil einseitig gesehen wird, offenbart sich erst nach Monaten. Schrittweise aber werden kritische Worte Rudolf Steiners vernehmlicher. Die Wolken senken sich zuweilen drohend tief herunter.
Wieder werden zwei neue 1. Klassen (2/17, 22) und neue Parallelklassen (2/17) eingerichtet. Auch Fachlehrer werden neu berufen (2/19,53).
Vor allem wird aber die zweite Oberklasse, die 10. Klasse begründet und bekommt ihren Lehrplan (2/18, 22—31). Dabei wird der bisherige Brauch verlassen, daß die obersten Klassen wechselweise von nur zwei Klassenlehrern betreut werden. Es sollen deren jetzt drei, womöglich sogar vier werden (2/18, 27, 38). Für diese Klasse werden volle fünf praktische Fächer neu eingerichtet: Spinnen und Weben; Gesundheitslehre und Erste Hilfe; Feldmessen; technische Mechanik (2/18, 29, 30) und Stenographie (2/31). Sehr eingehend kümmert sich Rudolf Steiner darum, daß für den ,,Ästhetikunterricht”, den Unterricht für das Verständnis des Künstlerischen, ein guter Fachmann zugezogen wird (2/23, 38). Von nun an werden für diesen Unterricht wiederholentlich eingehende Direktiven erbeten und gegeben (2/41, 64 und Sachwortverzeichnis).

Zelfs in de reactie op het inspectietoezicht is er nog steeds sprake van een ongebroken uniformiteit. Dat het toezicht voor de leraren onjuist is, omdat er eenzijdig wordt gekeken, wordt pas na maanden duidelijk. Geleidelijk aan worden de kritische woorden van Rudolf Steiner echter hoorbaarder. De wolken zakken soms dreigend neer.
Er worden twee nieuwe 1e klassen (17/2, 22) en nieuwe parallelklassen (17/2) ingericht. Er worden ook nieuwe vakdocenten aangesteld (19/2, 53).
Het belangrijkste is dat de tweede bovenbouwklas, de 10e, wordt ingericht
en een leerplan krijgt (18/2, 22-31). Hiermee wordt de vroegere praktijk van afwisselend lesgeven door slechts twee mentoren in de bovenbouw verlaten. Er komen er nu drie, mogelijk zelfs vier (18/2, 27, 38). Voor deze klas komen er maar liefst vijf nieuwe praktijkvakken: spinnen en weven; gezondheidsleer en eerste hulp; landmeten; technische mechanica (2/18, 29, 30) en steno (2/31).
Rudolf Steiner besteedt er veel aandacht aan dat een gekwalificeerde expert betrokken is bij de “esthetiekles”, onderwijs in het begrijpen van de kunst. (2/23, 38). Vanaf nu worden  voor deze les herhaaldelijk gedetailleerde richtlijnen gevraagd en gegeven (2/41, 64 en de trefwoordenindex).

Eine große Rolle spielt die Revision durch den zuständigen Schulrat im Frühjahr 1922 (2/68-72 ; Einleitung S. 22, 25). Rudolf Steiner läßt sich von den Klassenlehrern sehr genau berichten, was sie dabei erlebt haben. Er muß daraus zu der Ansicht kommen, die Prüfung und Beurteilung sei engstirnig, nicht auf das Wesen der Waldorfschule eingehend, und keineswegs wohlwollend gewesen.
Es werden deswegen eingehende Beschlüsse gefaßt, wie man durch
Artikel in den Zeitschriften ,,Die Drei” und „Anthroposophie” solchen unsachgemäßen Einwendungen entgegentreten könne (2/68, Liste Nrn. 136, 138).
Desto härter ist der Schlag, als Rudolf Steiner im folgenden Schuljahr den Bericht des Schulrates an das Ministerium gelesen hat. Er sagt es dann den Lehrern mit scharfen Worten. „Wohlwollend ist der Bericht!” — „Die Dinge sind wahr, die darin stehen; das ist das Bittere” (2/141).
Aber auch schon in diesem 3. Schuljahr kommt gelegentlich derber Tadel zu Wort, noch schwach, aber unüberhörbar. Rudolf Steiner

Het toezicht door de verantwoordelijke inspecteur in het voorjaar van 1922 speelde een belangrijke rol (2/68-72; Inleiding pp. 22, 25). Rudolf Steiner liet de leerkrachten uitgebreid verslag doen van hun ervaringen. Hij moest concluderen dat het onderzoek en de beoordeling bekrompen waren, niet inging op de essentie van de vrijeschool en zeker niet welwillend.
Er werden daarom gedetailleerde beslissingen genomen over hoe dergelijke onterechte bezwaren konden worden gepareerd via artikelen in de tijdschriften “Die Drei” en “Anthroposophie” (2/68, Lijst nr. 136, 138).
De klap was des te groter toen Rudolf Steiner het rapport van de inspecteur het volgende schooljaar aan het ministerie voorlas. Hij zei vervolgens in scherpe bewoordingen tegen de leerkrachten: “Het rapport is welwillend!” — “Wat erin staat, is waar; dat is het bittere” (2/141).
Maar zelfs in dit derde jaar verschijnen er af en toe harde berispingen, nog steeds zwakjes, maar onmiskenbaar. Rudolf Steiner

Blz. 53

klagt über mangelnde Mitarbeit, über mangelnde Lebendigkeit der Schüler (2/20) und über zu geringen Zusammenhang unter den Lehrern. ,»Willig zusammenarbeiten! Gegenseitig sich verstehen im Kollegium” (2/80).
Es findet auch die erste, dieses Mal nur kurze, aber sehr eingreifende
Besprechung statt über zwei besonders schwierige Schüler der beiden
obersten Klassen. ,,Man muß mit den Jungen fertig werden” (2/71,72).
Rudolf Steiner tadelt aber nicht nur; er hebt auch wie immer gerne das Gute heraus. Er ist erfreut, „weil die Waldorfschule diesen guten Geist ausgebildet hat”, und ,,weil sie im wesentlichen doch alles gehalten hat, was sie versprochen hat” (2/77). Er gibt auch an, was zu tun sei für ein gutes Zusammenarbeiten. Er lobt die Dissertation von Dr. von Baravalle. „Das ist tatsächlich so, daß spirituelle Kräfte, die im Lehrerkollegium sind, das Lehrerkollegium tragen durch die Gegenseitigkeit des inneren wissenschaftlichen Erlebens” (2/44).
Ganz am Ende des Schuljahres geschieht aber etwas, was einen bösen
Schatten vorauswirft. Schüler der obersten (10.) Klasse hatten gebeten um ein Gespräch mit Rudolf Steiner (2/93). Da brachten sie alles vor, was sie an Kümmernissen über einige ihrer Lehrer auf dem Herzen hatten. Rudolf Steiner hörte sie an, ließ sie ruhig alles aussprechen, fragte nicht nach und entließ sie, ohne weiter darauf einzugehen. Dies Gespräch hatte eine starke Nachwirkung, aber erst im folgenden Jahr.

klaagt over een gebrek aan samenwerking, een gebrek aan levensvreugde onder de leerlingen (2/20) en een gebrek aan cohesie onder de leerkrachten. “Bereidheid om samen te werken! Wederzijds begrip onder het onderwijzend personeel” (2/80).
Er vindt voor de eerste keer een korte maar zeer indringende bespreking plaats  over twee bijzonder moeilijke leerlingen in de twee hoogste klassen. “Je moet er met die jongens uit zien te komen” (2/71, 72).
Rudolf Steiner bekritiseert niet alleen; hij benadrukt, zoals altijd, graag het goede. Hij is blij “omdat de vrijeschool deze goede geest heeft ontwikkeld” en “omdat ze in wezen alles is nagekomen wat ze beloofde” (2/77). Hij doet ook suggesties voor wat er moet gebeuren om een ​​goede samenwerking te garanderen. Hij prijst het proefschrift van Dr. von Baravalle. “Het is inderdaad zo dat spirituele krachten binnen het lerarencollege dit ondersteunen door de wederkerigheid van innerlijke wetenschappelijke ervaring” (2/44).
Aan het einde van het schooljaar gebeurt er echter iets dat een donkere schaduw werpt. Leerlingen uit de hoogste klas (10e klas) hadden een gesprek aangevraagd met Rudolf Steiner (2/93). Daar brachten ze al hun zorgen over enkele van hun leraren ter sprake. Rudolf Steiner luisterde naar hen, liet ze rustig alles uiten, stelde geen verdere vragen en liet ze weggaan zonder verder overleg. Dit gesprek had een diepe impact, maar pas het jaar daarop.
GA 300A/51-53

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3457-3254

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…. (9-5-3-7)

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

Je kan – dat overkwam mij bij het lezen van zo’n artikel – van binnen warm worden, je dankbaar voelen ‘dat er zulke mensen zijn’.

Iets positiefs ervaren: als we dat onze leerlingen eens konden meegeven.

.
Manfred van Doorn en Annelijn Steenbergen, Antroposofisch Magazine 8, dec. 2017

.

De paradox van schenken is dat het jezelf verrijkt

VRIJE GROND 

.

In de afgelopen vier decennia heeft de Stichting Grondbeheer met schenkgeld en obligaties 260 hectare landbouwgrond aangekocht. Deze hectares zijn vrije grond: het is geen persoonlijk eigendom meer. Deze hectares staan echter wel onder toezicht: zodat ze nu en in de toekomst beheerd worden door biodynamische boeren.

Waar komt het begrip ‘vrije grond’ vandaan? Om dit te duiden moeten we twee grote mythes* in de wereld nader bekijken. Allereerst de kerk die destijds een concept introduceerde: schuld. Het schuldbegrip is niet tastbaar, maar door verhalen zoals de erfzonde is het levensecht gemaakt. Door de vruchten van hun arbeid aan de kerk te geven konden boeren en burgers die schuld afkopen. Dankzij dit concept is de kerk nog steeds een van de grootste vastgoedmagnaten ter wereld.

En hierna waren er een paar slimme bankiers die ontdekten dat je geld kunt creëren zonder dat er iets tegenover staat. Sindsdien zetten bankiers een paar cijfers en nullen neer en zeggen: nu heb jij geld om een huis te kopen, maar je staat wel bij mij in de schuld. Vervolgens betaal je via rente twee keer het bedrag terug datje ooit hebt geleend.

Bezit

Er is een belangrijke samenhang tussen het oude en nieuwe schuldconcept. Het zijn beide onderdrukkingstechnieken die voortkomen uit het materialisme. Mensen aan de top – van kerken of banken – verrijken zichzelf ten koste van de gemeenschap. Gelukkig ontdekken steeds meer mensen dat de wisseltruc van ‘rente’ voor ‘schuld’ een immoreel spelletje is waar zij niet meer aan willen meedoen.

Om ons heen worden op dit moment diverse gezonde ideeën geboren, zoals het basisinkomen, de thuiszorgorganisatie Buurtzorg en de actie ‘schuldvrij’ van de Correspondent. Deze verfrissende oplossingen zijn de eerste rimpelingen van de volgende emancipatiegolf: onszelf bevrijden van top-down machtsstructuren. Deze paradigmaverschuiving heeft alles te maken met de definitie van bezit.

Rutger Bregman, een voorvechter van het basisinkomen, legt dat heel mooi uit in zijn lezingen. Hij zegt dat wij onze huidige bezittingen en welvaart voor 90 procent te danken hebben aan de generaties voor ons. Doordat de monniken de zee inpolderden, de kooplieden in de gouden eeuw de grachtenpanden bouwden en onze grootouders de wegen aanlegden, leven wij nu in grote rijkdom. Omdat dit de verdienste is van het collectief – en niet van een paar individuen – pleit Bregman ervoor om die welvaart dan ook rechtvaardig te verdelen via een basisinkomen voor iedereen.

Stichting Grondbeheer zegt in essentie hetzelfde. Vruchtbare landbouwgrond is het levenswerk van de boeren voor ons. Die kostbare bron krijgen we zomaar cadeau. Dat geschenk is niet van enkelen, maar van de gehele mensheid en van de toekomst. Naast het vruchtgebruik hebben we dus ook de plicht om het zorgvuldig te beheren. De eerste stap van Stichting Grondbeheer is dan ook om de grond aan te kopen met schenkgeld en obligaties zodat het geen persoonlijk eigendom meer is. Vervolgens gaan zij het beheren. Dat doen ze door het voor een zeer schappelijke pacht beschikbaar te stellen aan biodynamische boeren. En wanneer de boeren van vandaag met pensioen gaan, zorgt Stichting Grondbeheer ervoor dat de hectares doorgegeven worden aan de boeren van morgen.

Schenken verbindt

Het werk van Stichting Grondbeheer is een koploper binnen de grote transformatie van ‘hebben’ naar ‘zijn’. Daarbij gaat het er om dat mensen zich niet meer vastklampen aan persoonlijk bezit, maar zingeving ervaren in het gemeenschappelijke gebruik. In dat kader krijgt geld een totaal nieuwe betekenis: het is een middel waarmee jij bewust kunt investeren in datgene wat jij belangrijk vindt in de wereld. Of, zoals Triodos Bank het zegt: Buy the change.

Schenkgeld gaat nog een stapje verder. Dat gaat erover dat jij het leven, zoals Bregman dat ook benoemt, als geschenk kunt ervaren van je ouders en voorouders. Als dat oprecht lukt, gebeurt er iets magisch: dat gevoel van dankbaarheid roept namelijk de wil op om te schenken. De paradox van schenken is dat het jezelf verrijkt. Je zult ervaren dat je een wezen bent dat verbonden is met het grote geheel. In het Engels heten we niet voor niets ‘human beings’ en niet ‘human havings’. Bovendien is dat gevoel van verbinding aantoonbaar goed voor je gezondheid.

Emancipatie

Het vrij maken van landbouwgrond is een gebaar dat thuishoort in de nieuwe emancipatiegolf. Het is als een psychologisch ontwaken; afscheid nemen van een schuldeconomie ten gunste van een schenk-economie. De initiatieven die wij zien binnen deze emancipatiegolf hebben overigens een duidelijke samenhang: ze dienen het belang van de volgende generaties. En als de volgende generaties één belang hebben, dan is het wel vruchtbare landbouwgrond. Dat is letterlijk de basis van ons voortbestaan. 

*De schrijvers gebruiken hier het woord ‘mythe’ in de zin waarin het meestal wordt bedoeld: een leugen o.i.d. 
Door het in deze context te blijven gebruiken, werken we mee aan het ‘verduisteren’ van de diepere betekenis van ‘de mythe’.

.

bdgrondbeheer.nl

naoberhoeve500.nl

hondspol500.nl

Algemene menskunde: de wereld is waar

Sociale driegeleding: alle artikelen

7e klas: voedingsleer

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3456-3253

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschool versus overheid

.

Andreas Driessen, Antroposofisch Magazine, dec. 2017  nr. 8
.

Vrijeschoolleraren houden ervan hun lessen zelf vorm te geven. Het periodeonderwijs is hiervan een goed voorbeeld. Daarin werkt een klas wekenlang ’s ochtends aan een vast thema, bijvoorbeeld op het gebied van taal, rekenen, aardrijkskunde of geschiedenis. Als leraar zoek je binnen een thema naar een ingang die jezelf en daarmee de leerlingen raakt Als de interesse gewekt is, gaat het leerproces vanuit het ervaren naar het eigen maken van de kennis.

Binnen gegeven kaders hebben leerlingen vrijheid om dit op hun eigen manier te verwerken in hun periodeschriften, via teksten, gedichten en tekeningen. Hierin schuilt een grote waarde die niemand mooier kan verwoorden dan Henry Ford [1863-1947] deed: ~lf you chop your own wood, it will warm you twice”. Vanuit een actieve betrokkenheid krijgen de leerlingen de kans intrinsiek betrokken te zijn bij hun eigen leerproces.

Met mijn zesde klas stond ik in september een maand lang stil bij de Romeinse geschiedenis. We begonnen met leren marcheren en elke dag kwamen er nieuwe bevelen bij. Na verloop van tijd namen leerlingen de rol van generaal van het legioen over. Op een ochtend marcheerde de gehele klas strak in de maat door de wijk van de school, toen er plotseling een vuilniswagen voorbijreed. Ineens klonk er het bevel ‘aanvallen’, waarna de hele klas prepubers er in volle vaart achteraan rende. Een tevreden meester bleef achter; de Romeinen werden beleefd. Naast ‘de slag rond de vuilniswagen’ haalde ik veel voldoening uit het bekijken van de prachtige periodeschriften van mijn Romeinen.

Heb ik nu gedaan wat de overheid van mij als leraar verlangt? Ik ken veel leraren die de overheid zien als iets abstracts dat de vrijheid van de leraar beperkt en dingen oplegt die óók nog moeten gebeuren. Wat de overheid doet, is het stellen van algemene doelen per vakgebied. Veel scholen kiezen leermethodes en boeken als middel om aan deze vakgebieden te werken. Vervolgens wil de inspectie dat een school kan laten zien dat deze de leerlingen volgt. Dit betekent dat je als leraar inzichtelijk maakt dat de ene leerling baat heeft bij meer oefening en een bovengemiddelde leerling extra uitgedaagd moet worden. Alle vrijescholen hebben hier professionele leerlingvolgsystemen voor.

Steeds vaker komen er leermethodes voor taal en rekenen de vrijeschool binnen. Ik hoop dat deze als hulpmiddel blijven dienen en dat de leerkracht, vanuit zijn eigen creativiteit, de dirigent zal blijven van zijn koor. Ver weg ziet de overheid licht, dat een knetterend vuurtje zou kunnen zijn. Ze vinden dit goed, al zullen ze er weinig weet van hebben dat de leerlingen hun eigen hout gesprokkeld hebben. 

.

Periodeonderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3455-3252

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 14 juni 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

De inrichting van het godsdienstonderwijs op antroposofische basis; over de zondagshandeling; wie mogen er bij zijn. [1]
Gedrag van de kinderen, ontstaan door roddels vanuit het ouderlijk huis. <2>
Het gedrag van kinderen in een groep; houding naar leerkracht. <3>
Spreken in koor; wat is het gevaar voor het individuele leren. <4>
Verhouding aantal jongens en meisjes in een klas; het imponderabele. <5>
Temperamenten; stem; de cholericus en het ritme; temperamenten en zintuigen. <6>
Euritmie; begeleiding bij tooneuritmie; verschil jongere oudere bij euritmie doen. <7>
Gymnastiek, een kind wil niet meedoen <8>
Kinderen die lui zijn en niet graag helpen; hun werk niet afmaken <9>
Boekbinden op school; hoe te regelen, wat belangrijk; aansluitend handenarbeid, jongens en meisjes niet apart. <10>
De kleuterklas: geen leerdoelen, geen leren, maar spelen, vertellen, euritmie, aan de manier van spelen is iets af te lezen voor later. <11>
Getuigschriften: wat schrijf je aan de ouders; ondertekenen door de ouders? tussenrapport; geperforeerd boekje; kind karakteriseren. <12>
Zittenblijven of hulpklas (de school worstelt nog hoe daarmee om te gaan) Steiner gaat over op hoe kinderen die iets niet kunnen geholpen kunnen worden. <13>
Lichaamsgeografie, oefeningen met voeten/tenen. <14>
Linkshandigheid: materialistische en spirituele kinderen; tweehandigheid; verstandsactiviteit t.o. tekenen. <15>
Sprookjes en bloed.<16>
Stotteren, nerveus: oefeningen met K en P. <17>
Kind met criminele aanleg <18>
Jaarafsluiting <19>
Moet er een film worden gemaakt over de vrijeschool en/of de driegeleding. <20>
Fotograferen van schilderingen en glasvenster in het Goetheanum. <21>

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

 

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 136

Vergadering van zaterdag 14 juni 1920, 15-17.30 en 21.30-0.45 uur

X. berichtet über den freien Religionsunterricht auf der untersten und der
zweiten Stufe. Verse aus den Mysteriendramen und aus dem „Cherubinischen
Wandersmann” sind besprochen worden.

X doet verslag over het vrije religieuze onderwijs op de laagste en de
tweede fase. Verzen uit de mysteriedrama’s en uit de ‘Cherubinischer Wandersmann” zijn besproken.

Dr. Steiner: Es kommt darauf an, daß man nicht die Empfindungsreife der Kinder außer acht läßt. Können Sie ein konkretes Beispiel sagen?

Het is belangrijk dat je het gevoelsniveau van de kinderen niet negeert. Kunt u een specifiek voorbeeld geven?

X.: Auf der Oberstufe habe ich sprechen lassen: „Laß mich ruhend in dir wirken … “

X.: In de bovenbouw heb ik laten spreken: “„Laß mich ruhend in dir
wirken … “

Dr. Steiner: Haben Sie gefunden, daß die Kinder etwas daraus machen können?

 Vond u dat de kinderen er iets uit haalden? Ja, dan kan u het blijven proberen.

X.: Man könnte die Kurse vielleicht gliedern.

X.: We zouden de groepen nog kunnen herindelen.

Dr. Steiner: Ja, das ist gewiß so. Ich meine, wenn die untere Stufe geteilt wird in zwei und die obere Stufe beibehalten wird, dann geht es in drei Gruppen.

Ja, dat is zeker het geval. Ik bedoel, als de lagere groep in tweeën gedeeld wordt en de hogere groep blijft, dan gaat het in drie groepen.

Also 1.—3., 4.-6. , 7.-9. Klassen.

Dus 1e-3e, 4e-6e. , 7e-9e klassen.

X. berichtet über den Vorbereitungsunterricht zur Jugendfeier, für den er drei Stunden verwendete.

X. doet verslag van de voorbereidende lessen voor de jeugdviering, waarvoor hij drie uur nodig had.

Dr. Steiner: Ist das nicht eine Überlastung der Schüler? Wie viele sind da?

Is dat niet te veel voor de leerlingen? Hoeveel zijn er?

X.: Sechsundzwanzig.

X. Zesentwintig.

Dr. Steiner: Man wird schwer darüber etwas sagen können, bis man einen richtigen Erfolg hat. Es ist durchaus gut, das einmal zu versuchen. Sollte es nicht gelingen, so wollen wir sehen, wie es anders zu machen ist.

Het is moeilijk er iets over te zeggen, tot er een goed resultaat is. Het is zeker goed om het een keer te proberen. Als het niet werkt, kijken we hoe het anders kan.

X. berichtet über den Unterricht in sozialer Erkenntnis; zwei Wochenstunden mit der 6. bis 8. Klasse und einigen von der 5. Klasse.

X. doet verslag over lessen in sociale kennis; twee uur per week met de 6e tot en met de 8e-klassers en enkele van de 5e-klassers.

Dr. Steiner: Es ist natürlich eine Schwierigkeit, das elfte bis fünfzehnte Jahr, aber das ist ein Unterricht abseits vom übrigen.

Natuurlijk is het lastig, het elfde tot het vijftiende jaar, maar dat is een les los van de rest.

X.: Wir besichtigen auch Fabriken.

X.: We bezoeken ook fabrieken.

Dr. Steiner: Wenn man es richtig lebendig, lebensvoll macht, an alle

Als je het vooral heel levendig en vol leven maakt en

Blz. 137

lei Lebensfragen gerade in diesem Alter anknüpft, dann wird es gehen. Ich würde versuchen, zu sehen, ob die Kinder nicht zuviel haben, und dann versuchen, möglichst ans konkrete Leben anzuknüpfen.
Ich glaube, daß die Zeit der Kinder zu stark beansprucht ist. Natürlich kommt in einer Ecke die Überlastung heraus. Es wäre gut, nicht acht Stunden zu haben an einem Tage.
Ich kann nicht einsehen, warum man drei Stunden braucht, um die Jugendfeier vorzubereiten. Warum sollte nicht eine Stunde genügen? Es kommt gerade bei einer solchen Sache nicht auf die Menge an, sondern auf den ganzen Zeitraum, in dem das Ganze gehalten ist.
Es wäre vielleicht besser, wenn man diese Dinge, die ganz entschieden eingeschränkt werden können, wenn man die einschränken würde. Man könnte das tun, daß man für diejenigen, die vor der Jugendfeier stehen, ausfallen läßt den Religionsunterricht und ihn verbindet mit der Vorbereitung für die Jugendfeier.

aansluit bij allerlei levensvragen van deze leeftijd, zal het wel lukken. Ik zou proberen in te zien of de kinderen niet te veel hebben en dan proberen zoveel mogelijk aan te sluiten bij het echte leven.
Ik denk dat er te veel beslag wordt gelegd op de tijd van de kinderen. Natuurlijk komt de overbelasting ergens naar buiten. Het zou goed zijn om geen acht uur op één dag te hebben.
Ik begrijp niet waarom er drie uur nodig is om de jeugdhandeling voor te bereiden. Waarom zou een uur niet genoeg zijn? Bij zoiets komt het niet op het vele aan, maar op de hele periode waarin die wordt gehouden.
Het zou misschien beter zijn als u deze zaken, die zeer beslist beperkt kunnen worden, ook beperkt. Dat zou u kunnen doen voor degenen die aan de
jeugdhandeling gaan deelnemen: het godsdienstonderwijs weglaten en ze  bij de voorbereiding van de jeugdhandeling betrekken.

<1>Er wordt een vraag gesteld over de toegang tot de zondagshandeling.

Dr. Steiner: Es ist tatsächlich eine Schwierigkeit. Das war nicht gedacht, daß jemand anderer kommen sollte als die Eltern. Natürlich, wenn man einmal anfängt, dann ist es schwer, eine Grenze zu ziehen. Wie soll man das machen? Was war der Grund, daß man Nichteltern zugelassen hat? Es liegt kein Grund vor, wenn man den K. hereinläßt, warum man andere Mitglieder zurückweist. Wo fängt das an, wo hört das auf? Die Tanten kommen ja überhaupt. Es sind schon andere Störungen vorgekommen durch Fremde im Gange des
Schulwesens. Ich war am meisten betroffen, als sich die Leute, die die Schule nichts angeht, in die Disziplin hineinmischten. — Ich habe nichts dagegen, wenn die Zulassung zur Handlung streng auf die Eltern beschränkt wird. Geschwister und Tanten auch nicht. Dazu haben wir diese Feier nicht eingerichtet. Es hat keine Grenze. Nur die Eltern oder die, die anerkannt werden können durch die Lehrerschaft als moralische Vormünder.

Het is echt wel een probleem. De gedachte was niet dat er iemand anders dan de ouders zou komen. Als je eenmaal begint, is het natuurlijk moeilijk om een grens te trekken. Hoe moet je dat doen? Wat was de reden om niet-ouders toe te laten? Er is geen reden voor en als je K. toelaat, waarom dan andere leden afwijzen. Waar begint het, waar houdt het op? De tantes komen toch. Er hebben zich in de loop van het schoolwezen al andere verstoringen voorgedaan door vreemden.
Ik was het meest perplex toen mensen die niets met de school hebben te maken, zich met de orde gingen bemoeien. Ik heb er niets op tegen wanneer de toelating bij de handeling streng tot de ouders wordt beperkt. Broers, zussen en tantes ook niet. Daarvoor hebben we de handeling niet ontworpen. Er is (nu) geen grens. Alleen de ouders of degenen die door het onderwijzend personeel als staand voor het morele kunnen worden erkend.

X. fragt noch einmal wegen der Sonntagshandlung betreffend ein altes Mitglied.

X. vraagt ​​nogmaals naar de zondagshandeling betreffende een oud lid.
[is dat een oud-collega of een lid van de antroposofische vereniging?]

Dr. Steiner: Die wird gern wegbleiben; ihr braucht man das nur in entsprechender Weise klarzumachen. Das ist die Schwierigkeit: in dem Augenblick, wo wir jemanden hineingelassen haben, der kein Kind hat, ist die Grenze schwer zu ziehen. In der Anthroposophischen Gesellschaft, da ist die Stätte, wo Ausnahmen sein müssen.
Oder man läßt es so, wie es ist.

Die zal wel makkelijk wegblijven; je moet het haar gewoon adequaat duidelijk maken. Het probleem is: op het moment dat we iemand binnenlieten die geen kind had, is het moeilijk een grens te trekken. De Antroposofische Vereniging is de plaats waar er uitzonderingen moeten zijn.
Of je laat het zoals het is.

Blz. 138

X.: Das hat sich eben als unzuträglich ausgestaltet.

X.: Dat bleek dus niet zo goed uit te pakken.

Dr. Steiner: Diese Ausnahmen sind vielleicht für ein- bis zweimal durchzuführen, aber sie wachsen.

Deze uitzonderingen kunnen misschien een of twee keer gemaakt worden, maar dan neemt het aantal toe.
.
X.: Eine reine Schulangelegenheit soll es ja nicht sein; es ist ja losgelöst von der Schule.

X.: Het is niet de bedoeling dat het puur een schoolaangelegenheid is; het staat los van de school.

Dr. Steiner: Die Sonntagshandlung ist etwas im Rahmen der Schule Liegendes. Eine Einzelheit innerhalb der Schule, geradeso als wenn wir sagen würden, wir richten meinetwegen einen Unterricht für ein bestimmtes kunstgewerbliches Fach ein. Das wäre auch eine Spezialsache, die im Rahmen der Schule darin sein könnte, die nicht eine allgemeine Schulangelegenheit ist. Wir können es nur so halten, sonst kommen eben diese Dinge. Ich wurde gefragt in den letzten Tagen, wie man das machen kann, daß in H. eine solche Sonntagsfeier für die anthroposophische Jugend eingerichtet wird. Also das ist in der gegenwärtigen Zeit, wo die Angriffe aus allen Ecken herauspfeifen, so unsinnig wie möglich gehandelt. Das sind ja Angriffsmomente, wenn sich Herr L. hinstellt und für die anthroposophischen Kinder eine Kultushandlung vollzieht. Er hat sich schon die Erlaubnis geholt, um es sich anschauen zu können. Das würde ich ganz entschieden verleugnen als etwas, womit ich etwas zu tun haben sollte, was außerhalb des Rahmens der Schule als eine Sonntagsfeier eingerichtet würde. Es hat nur einen Sinn dadurch, daß in unserer Schule eine Anzahl Kinder einen Religionsunterricht auf anthroposophischer Grundlage hat, und für diese Kinder ist diese Sonntagsfeier. So daß niemals zugelassen werden könnte — es könnten andere Kinder zugelassen werden —, es kann aber niemals jemand zugelassen werden, der nicht in der Schule ist.

De zondagshandeling is iets binnen het kader van de school. Een eigenheid binnen de school, net alsof we bijvoorbeeld zouden zeggen dat we lessen organiseren voor een bepaald kunstzinnig-ambachtelijk vak. Dat zou ook een gespecialiseerde aangelegenheid zijn die binnen het kader van de school zou kunnen vallen, wat geen algemene schoolaangelegenheid is.
Dat kunnen we alleen maar zo houden, anders zullen deze dingen gebeuren.
Er is mij de afgelopen dagen gevraagd, hoe het mogelijk zou kunnen zijn om zo’n zondagsviering te organiseren in H. voor de antroposofische jeugd. Dus dat is in de huidige tijd, waarin de aanvallen uit alle hoeken komen, zo onzinnig mogelijk. Wanneer de heer L. zich opwerpt en voor de antroposofische kinderen de cultushandeling voltrekt, is dat een punt om ons aan te vallen. Hij heeft al toestemming gekregen om te mogen komen kijken. Ik zou absoluut afwijzen dat ik iets te maken zou moeten hebben met iets wat buiten het kader van de school als zondagshandeling opgezet moet worden.
Het heeft alleen maar zin omdat in onze school een aantal kinderen godsdienstonderwijs krijgen op antroposofische grondslag en deze voor deze kinderen is de zondagshandeling. Dus er kan nooit iemand toegelaten worden – andere kinderen zouden toegelaten kunnen worden – maar er kan nooit iemand toegelaten worden die niet op school zit.

X.: Dann muß es dabei bleiben.

X.: Dan moet het zo blijven.

Dr. Steiner: Man kann es so lassen, wie es ist; dann sind Ausnahmen da, aber es ist im Grunde genommen nicht einzusehen, wie man jemand anderes abweisen soll, wenn man Frau G. sagt, sie darf kommen. Dann müßte auch Herr Leinhas abgewiesen werden, er ist aber im Waldorfschulverein. Das würde ja eventuell eine Art von Rechtstitel sein. Alles das, was zur Schule gehört.

Je kunt het laten zoals het is; dan zijn er uitzonderingen, maar het is in principe onmogelijk om te zien hoe je iemand anders zou afwijzen als je tegen mevrouw G. zegt dat ze mag komen. Dan zou meneer Leinhas ook geweigerd moeten worden, maar hij zit in de vrijeschoolvereniging. Dat zou mogelijk een soort rechtsgeldigheid hebben. Alles wat bij de school hoort.

X.: Können die Frauen der Lehrer zur Schule gerechnet werden?

X.: Kunnen de vrouwen van de leraren tot de school gerekend worden?

Dr. Steiner: Die können natürlich nicht zugelassen werden. Wenn sie keine Kinder haben, so haben sie auch keinen Rechtstitel.

Natuurlijk kunnen ze niet toegelaten worden. Als ze geen kinderen hebben, is er geen rechtsgeldigheid. <1>

Blz. 139

X. berichtet über den Anstandsunterricht. Ich habe da versucht, den Kindern eine Diätetik der Seele beizubringen.
Es war alles mögliche Geschwätz durch Schüler in die Schule hineingetragen worden.

<2> X. doet verslag van de lessen in goed gedrag. Ik heb geprobeerd de kinderen
een voedingsleer voor de ziel te geven.
Door de leerlingen zijn er op school veel roddels gekomen.

Dr. Steiner: Es ist nicht zu umgehen, daß die Anthroposophenkinder zu Hause etwas aufschnappen. Das ist ungefährlich, wenn die Eltern selbst vernünftig sind. Selbst wenn es tief hineingeht, so ist durch die gesunde Gesinnung der Eltern schon ein Mittel gegen das Überschnappen der Kinder da. Solche Dinge, die wir oft genötigt waren zu bekämpfen, wie die, welche Sie angeführt haben von O. R., die rühren auch davon her, daß die Eltern unsinniges Zeug reden.
Sie werden bemerkt haben, daß der Unterricht seine Früchte trägt.
Ich würde nur bemerken, daß namentlich in kritischen Fällen man sehr guten Erfolg mit Erzählungen hat, die einen ganz bestimmten Gang nehmen. Wenn man sicher konstatiert hat, daß ein Kind eine Unart hat, denkt man eine Erzählung aus, in der sich diese Unart durch das, was geschieht, schicksalsmäßig ad absurdum fuhrt. Sogar bei ganz kleinen Kindern ist es schon gelungen, Genäschigkeit und solche Sachen einfach dadurch, daß die Mutter solche Erzählungen gebildet hat, sich selbst ad absurdum führen zu lassen. Etwas Ausgedachtes — nach dem Muster des Hundes, der mit dem Fleisch im Maul über die Brücke geht — das ist etwas, was stark wirkt auf das Kind, das so etwas verübt hat, und anhaltend wirkt, namentlich wenn man im konkreten Falle ein bißchen Zeit verfließen läßt zwischen dem Begehen der Handlung und dem Heranbringen der Erzählung. In der Regel erreicht man mehr, wenn das Kind geschlafen hat, und man am nächsten Tage frühestens darauf zurückkommt, und dann verhandelt. Das Beschäftigen unmittelbar nach dem Ertappen, das ist das Schlechteste. Das ist etwas, was sehr theosophisch ist, aber was einfach wahr ist.
Dann wäre es sehr gut, wenn durchgeführt werden könnte, daß auch die einzelnen Kinder als solche, sei es gruppenweise oder ganz individuell, gewissermaßen ein Gegenstand der Sorge des ganzen Kollegiums werden könnten, daß man sich über sie ausspricht. Das scheint mir etwas, was ganz wünschenswert wäre. Das erfordert nur, daß man der Sache etwas Interesse zuwendet.
Ich fragte heute morgen um den P. I., er ist mir entschwunden. Also nicht wahr, da hat mir der Vater gewisse Klagen vorgebracht. Nun wäre es gut, wenn man das, was bei dem Jungen ist, vergleichen könnte mit dem, was der Vater klagt. Denn der Vater scheint in diesem Falle ein ziemlich unnützer Kläger zu sein, schultheißenhaft 

Het is onvermijdelijk dat de antroposofische kinderen thuis iets oppikken. Dat is niet gevaarlijk als de ouders zelf verstandig zijn. Zelfs als het diep tot hen doordringt, is de gezonde houding van de ouders al een middel tegen het opgefokt zijn van de kinderen. Zulke dingen, waar we vaak tegen moesten strijden, zoals die u noemde over O. R., komen ook door de ouders die onzin uitkramen.
U zult gemerkt hebben dat de lessen hun vruchten afwerpen.
Ik zou alleen willen opmerken dat, vooral in bedenkelijke gevallen, je heel veel succes hebt met verhalen die heel specifiek verlopen. Wanneer je zeker weet dat een kind een slechte gewoonte heeft, bedenk je een verhaal waarin deze slechte gewoonte door wat er gebeurt heel absurd wordt. Zelfs bij heel kleine kinderen is het al mogelijk om zulke dingen, bv. snoepzucht e.d., simpelweg omdat de moeder verhalen heeft bedacht, absurd te laten worden. Iets denkbeeldigs – in de trant van de hond die de brug oversteekt met het vlees in zijn bek – is iets dat een sterk effect heeft op het kind dat zoiets doet, en dat werkt door, vooral als je wat tijd laat verstrijken tussen het voorval en het vertellen van het verhaal. In de regel bereik je meer als het kind heeft geslapen en je er op zijn vroegst de volgende dag op terugkomt en het dan vertelt. Direct erop ingaan als je het kind betrapt, is het slechtst. Dat is wel iets heel theosofisch, maar wel gewoon waar.
Dan zou het heel goed zijn als ingevoerd zou kunnen worden dat ook de individuele kinderen als zodanig, in groepen of individueel, een onderwerp van zorg kunnen worden voor het hele college, zodat ze besproken kunnen worden. Dat lijkt mij heel wenselijk. Het vereist alleen dat je er enigszins in geïnteresseerd bent.
Ik heb vanmorgen naar P.I.  gevraagd, maar hij was verdwenen. U weet, zijn vader is met bepaalde klachten bij me gekomenen; het zou goed zijn als u vergelijkt wat er met de jongen aan de hand is, met waar de vader over klaagt. Want de vader lijkt een nogal onnodige klager in deze zaak te zijn, zich een beetje

Blz. 140

Ja, ich werde mit dem Jungen reden. Mir scheint, daß der Vater ein unnützer Kläger ist, der allerlei Dinge, Kleinigkeiten, die der Junge ausfrißt, phantastisch ausgestaltet, so daß der Junge die Sachen macht, die der Vater suggeriert. Das weiß er sicher nicht, was er will.
Das bildet in jeder Schule ein Hauptkapitel, weil das so schwer zu regeln und zu beherrschen ist. Gerade über solche Dinge müßte vollständige Klarheit herrschen in dem größten Teil der Lehrerschaft, über die einzelnen Schüler.
Gewisse Dinge sind interessant, wenn man die Statistik etwas gründlich betrachtet. Ich habe alle Klassen gesehen. Mir tritt das stark hervor, daß nur wenige ganz unbegabt sind, genialisch auch nicht, aber viele mittlere, nicht schlecht veranlagte. Ein Beweis dafür ist das, daß die Fortschritte gut sind. Ich will immer unterscheiden zwischen Fortschritten als solchen, und dem Inhalt des Fortschritts. Es kann ja sein, daß man manches nicht so vorwärts gebracht hat; das Tempo ist ein gutes.
In der 4. sind eigentlich im Grunde genommen nur die zwei wenig begabt, dann drei so halb, die nicht zurechtkommen, während die anderen nach ihrem Schreiben wünschenswert begabte Kinder sind.
Es mag sein, daß viele Lausbuben sind, aber zum Beispiel diejenigen, die als Lausbuben bezeichnet worden sind, sind so, daß sie begabte Lausbuben sind; das ist etwas, was den Nagel auf den Kopf trifft.

als een burgemeester te gedragen.
Ja, ik zal met de jongen praten. Het lijkt mij dat de vader een waardeloze klager is die fantaseert over allerlei dingen, kleine dingen, die de jongen uitvreet, zodat de jongen de dingen doet die de vader suggereert. Hij weet zeker niet wat hij wil.
Dit vormt een belangrijk hoofdstuk in elke school omdat het zo moeilijk te reguleren en te controleren is. Juist over zulke dingen moet er volledige duidelijkheid zijn bij de meerderheid van de leraren, over de individuele leerlingen. <2>
<3>Bepaalde dingen zijn interessant als je de statistieken nader bekijkt. Ik heb alle klassen gezien. Het is mij duidelijk dat slechts enkelen heel onbegaafd zijn, ook niet die niet briljant zijn, maar velen zijn gemiddeld, niet slecht begaafd. Een bewijs hiervan is dat de vooruitgang goed is. Ik wil altijd onderscheid maken tussen vooruitgang als zodanig en de inhoud van vooruitgang. Het kan zijn dat sommige dingen niet zo goed vooruit zijn gegaan; het tempo is goed.
In de 4e klas zijn eigenlijk alleen die twee niet zo begaafd, dan zijn er drie halfbegaafd, die het niet aankunnen, terwijl de anderen naar wat ze schrijven, begaafde kinderen zijn zoals je zou wensen.
Het kan zijn dat velen deugnieten zijn, maar degenen die bijvoorbeeld als deugnieten zijn bestempeld, zijn begaafde deugnieten; dat is iets wat de spijker op de kop slaat.

Das hängt mit einer anderen Erscheinung zusammen. Das wirkt, wenn so sich im allgemeinen die Moral hebt, werden die Dinge sich ausgleichen. Es ist ein Charakteristikum der Waldorfschüler, daß sie furchtbar eifersüchtig sind auf ihre Lehrer, daß sie nur an den eigenen Lehrern ein gutes Haar lassen, daß gerade die das Richtige machen. Das ist ein tatsächlicher Fall. Nun, nicht wahr, das hat seine guten Seiten und auch seine Schattenseiten. Die Hauptsache dabei ist, daß man nicht allzuviel daraufgibt. Man soll sich nicht geschmeichelt fühlen, wenn das zurückstrahlt. Es macht sich auch im Gehaben des Unterrichtes klar. Herr A. ist schon kein Mensch mehr, sie betrachten Sie fast als einen Heiligen.
Warum sollen die Kinder nicht lachen? Sie sind mehr im Rahmen der Schule. Wer viel kennt, der weiß, daß die bedeutendsten Menschen Lausbuben waren. Wenn man es im Zusammenhang des Lebens nimmt, hat es einen anderen Aspekt.
Wenn sie ein bißchen weniger schreien könnten, das wäre gut. Die 4. Klasse schreit fürchterlich. Das sind Dinge, die ja auch nicht furchtbar tragisch zu nehmen sind. Wenn man dann eine solche

Dit is gerelateerd aan een ander fenomeen. Dit heeft een effect, als het moreel in het algemeen stijgt, zullen dingen tegen elkaar wegvallen.
Het is een kenmerk van vrijeschoolleerlingen dat ze vreselijk jaloers zijn op hun leraren, dat alleen hun eigen leraar het goed doet Dat is een feit. Nou, niet waar, dat heeft een goede kant, maar ook een schaduwzijde. Het belangrijkste is om er niet te veel waarde aan te hechten. Je moet je niet gevleid voelen als het op je afstraalt. Het wordt ook duidelijk hoe je in de les bent. Meneer A. is geen mens meer, ze beschouwen u bijna als een heilige.
Waarom zouden de kinderen niet lachen? Ze zijn meer binnen de school. Iedereen die veel weet, weet dat de belangrijkste mensen deugnieten waren. Als je het in de context van het leven plaatst, heeft het een ander aspect.
Als ze wat minder zouden schreeuwen, zou dat goed zijn.
De 4e klas schreeuwt vreselijk. Dit zijn dingen die ook niet vreselijk tragisch zijn. Als je dan zo’n

Blz. 141

Eigenschaft, die hervorragend ist, den Kindern abgewöhnt hat, bedeutet es moralisch sehr viel; wenn man es dahin bringt, daß die 4. Klasse nicht so schreit, oder wenn man dem B. Ch. abgewöhnt, daß er den Tornister vor sich hinauswirft. Ganz abgesehen davon, ob man das mehr oder weniger artig oder unartig ansieht, wenn man eine solche hervorragende Eigenschaft abgewöhnt hat, das bedeutet für die moralische Haltung außerordentlich viel, wenn sich manche Buben in der 4. Klasse das furchtbare Schreien abgewöhnen würden.
Im allgemeinen möchte ich sagen, es wird doch eine Frage einer allgemeinen didaktischen Ökonomie sein, wie weit das Chorsprechen gehen soll. Würde man es zuwenig ausbilden, dann leidet die soziale Gesinnung; die bildet sich aus durch das Chorsprechen.
Wenn man es zuviel macht, dann leidet die Auffassungskraft, weil es eine starke suggestive Kraft hat. Die Kinder können Dinge, für die sie sonst keinen Tau haben, wenn sie in der Masse mitsprechen.
Geradeso wie eine Volksmenge auf der Straße mittut. Je jünger sie sind, desto mehr kann das täuschen. Es ist schon gut, daß man sie ganz durcheinander auffordert, dasselbe noch einmal zumachen im einzelnen, so daß jeder aufzupassen hat, wenn der andere seinen Satz bildet. 

eigenschap die opvalt, de kinderen hebt afgeleerd, betekent dat moreel gezien heel veel; als je de 4e klas niet zo laat schreeuwen, of als je B. Ch, afleert dat hij zijn rugzak voor zich uit gooit. Los van de vraag of het als meer of minder goed of stout wordt beschouwd, wanneer je zo’n opmerkelijke eigenschap afleert, als sommige jongens in de 4e klas zouden afkomen van de vreselijke gewoonte om te schreeuwen, betekent dat buitengewoon veel voor het morele gedrag. <3>
<4>In het algemeen zou ik willen zeggen dat het toch een kwestie van algemene didactische economie is, hoe ver we met het koorspreken moeten gaan. Als het te weinig geoefend wordt, dan lijdt de sociale geest daaronder; die wordt gevormd door het spreken in koor.
Als het te veel wordt gedaan, dan lijdt het begripsvermogen eronder, omdat het een sterke suggestieve kracht heeft. Kinderen kunnen dingen wat ze anders niet kunnen, als ze meedoen met de groep.
Net zoals een menigte op straat. Hoe jonger ze zijn, des te bedrieglijker dit kan zijn. Het is goed om hen te vragen hetzelfde individueel nog eens te doen, zodat ieder moet opletten wanneer de ander zijn zin vormt.

Wenn Sie eine Erzählung sagen, so behandelt man Sätze, man läßt den einen fortsetzen. Solche Sachen haben eine gewisse Bedeutung, daß ich sagte: „Derjenige, der in der mittleren Bankreihe an der linken Ecke sitzt, der soll fortfahren!” Solche Sachen haben eine gewisse Bedeutung, daß ich sagte: „Derjenige, der in der mittleren Bankreihe an der linken Ecke sitzt, der soll fortfahren!” „Der einzige, der in der Ecke sitzt, soll fortfahren!” Solche Dinge sollte man machen, wo sie aufpassen müssen, wo man die Kinder dazu bringt, immer mitzutun. Das zu viele Chorsprechen würde die Lässigkeit fördern. In der Musik bestätigt sich das in bezug auf das Brüllen.
Bei der 4. Klasse möchte ich Sie aufmerksam machen auf die Imponderabilien. Ich rede ganz real, die Imponderabilien, die bestehen in gewissen Spannungszuständen der ganzen Klasse. Da ist einfach zum Beispiel das Zahlenverhältnis der Mädchen zu den Knaben. Ich meine nicht, daß man es als solches einrichten müßte. Man muß das Leben nehmen, wie es ist, aber man muß versuchen, auf solche Dinge doch zu achten. Wenn ich nicht irre, ist in der 4. Klasse die größte Bubenzahl im Verhältnis zu den Mädchen. Nun tritt es mir zutage, daß eine gewisse Physiognomie der Klasse ganz wesentlich davon abhängt, wie das Verhältnis der Buben zu den Mädchen ist. Bei Fräulein Lang ist das Verhältnis anders. Auf solche Dinge muß die Aufmerksamkeit gerichtet werden. Bei Fräulein Lang sind wesentlich weniger Buben als Mädchen. Heute waren es ganz sicher mehr als zweimal so viel Buben, heute waren 25 Buben und 11 Mädchen da.

Als je een verhaal vertelt, behandel je zinnen zo, dat je de ander verder laat gaan. Zulke dingen hebben een bepaalde betekenis, toen ik zei: “Degene die in de middelste rij in de linkerhoek zit, moet doorgaan.’ “De enige die in de hoek zit moet doorgaan!” Je moet dit soort dingen doen waarbij ze moeten opletten, waarbij je de kinderen zover krijgt dat ze altijd meedoen. Te veel koorgespreken zou laksheid in de hand werken. Bij muziek wordt dit bevestigd met betrekking tot schreeuwen. <4>
<5>Wat klas 4 betreft wil ik de aandacht vestigen op het imponderabele. Ik spreek in heel reële termen, in bepaalde spanningstoestanden in de hele klas bestaan er onweegbare dingen. Er is gewoon, bijvoorbeeld de verhouding van het aantal meisjes/jongens. Ik bedoel niet dat je het zo moet inrichten. Je moet het leven nemen zoals het is, maar je moet proberen toch op zulke dingen te letten.
Als ik me niet vergis, heeft de 4e klas het grootste aantal jongens ten opzichte van de meisjes. Nu lijkt het mij dat een bepaalde fysionomie van de klas heel wezenlijk afhankelijk is van de verhouding jongens/meisjes. Bij juffrouw Lang is de verhouding anders. De aandacht moet op zulke dingen worden gericht. Er zijn veel minder jongens dan meisjes bij juffrouw Lang. Vandaag waren er zeker meer dan twee keer zoveel jongens, vandaag waren er 25 jongens en 11 meisjes.

Blz. 142

Das stimmt, was ich sage, von der 4. Klasse. In der 6. Klasse sind 12 Buben und 19 Mädchen. Nicht wahr, das ist etwas, worauf man sehr wohl die Aufmerksamkeit richten muß. Interessant war das in der 5. Klasse, wo es gleich ist, wo heute 25 : 25 waren. (Zu Frl. Dr. von Heydebrand:) Es war außerdem die beste Gelegenheit, weil Sie heute einen interessanten Lehrstoff in die Schule gebracht haben. Das ist die richtige Art, so bringt man Anthroposophie hinein. Diese Sachen sind solche, auf die man die Aufmerksamkeit wenden muß.

Wat ik over de 4e klas zeg, klopt. In de 6e klas zijn er 12 jongens en 19 meisjes. Dat is, niet waar, iets waar je erg op moet letten. Interessant was het in de 5e klas, daar is het gelijk, nu zijn er 25:25. (Aan mevrouw Dr. von Heydebrand:) Het was ook de beste gelegenheid omdat u vandaag interessant lesmateriaal mee naar school bracht. Dat is de juiste manier, zo breng je antroposofie mee. [Hier zou je kunnen denken dat er – door het woordje ‘hinein’ antroposofie de school wordt binnengebracht. Daar was Steiner nu juist zo op tegen. Jammer dat we niet te weten komen, wat von Heydebrand hier meebracht.] Dit zijn dingen we aandacht aan moeten besteden. <5>

X.; Ich glaube, bei den Kindern eine Verwandtschaft zu bemerken zwischen Tiefstimme und phlegmatischem Temperament, Mittelstimme und sanguinischem, Oberstimme und cholerischem. Ist das richtig?

<6> X; Ik denk dat ik een relatie merk tussen een lage stem en een flegmatisch temperament, middenstem een sanguinisch, hoge stem een cholerisch temperament. Klopt dat?


Dr.Steiner: Die beiden anderen stimmen vollständig; das mit der oberen Stimme ist recht merkwürdig. Im ganzen ist es so, daß die unteren Stimmen bei den Phlegmatikern, die mittleren bei den Melancholikern und Sanguinikern sind. Die Sanguiniker sind bei der höchsten Stimme. Das Cholerische verteilt sich über alle drei. Es muß noch irgendein besonderer Grund vorliegen. Würden Sie meinen, daß Tenöre besonders Choleriker sind? Auf der Bühne schon. Das Cholerische verteilt sich überall.

Die andere twee kloppen helemaal; dat met de bovenstem is nogal vreemd. Over het geheel genomen is het zo dat de lagere stemmen bij de flegmatici, de middenstemmen bij de melancholici en sanguinische mensen horen. De sanguinische mensen zitten bij de hoogste stem. De cholerische kant is bij alle drie aanwezig. Er moet nog iets speciaals aan ten grondslag liggen. Zou je  denken dat tenoren bijzonder cholerisch zijn? Op het podium, ja. Het cholerische is overal verdeeld.

X.: Wie kommt es, daß man über das Temperament eines Kindes so verschiedener Meinung sein kann?

X: Hoe kan het dat mensen zulke verschillende meningen kunnen hebben over het temperament van een kind?

Dr. Steiner: Diese Frage wird man nicht mathematisch lösen können. Davon ist keine Rede. Das ist bei der Beurteilung von gewissen Grenzfällen möglich, daß der eine diese, der andere jene Ansicht hat.
Sie brauchen auch nicht mathematisch gelöst zu werden. Da wird es so liegen, daß derjenige, der das Kind sieht, der es so oder so auffaßt, selbst von sich aus die Absicht hat, es so zu behandeln. Schließlich ist die Behandlungsweise etwas, was vom Wechselverhältnis herrührt.
Denken Sie ja nicht, daß man darüber diskutieren soll.

Deze vraag kan niet wiskundig worden opgelost. Dat is geen sprake van. Bij grensgevallen kan het voorkomen dat de ene persoon deze mening heeft en de ander een andere mening.
Ze hoeven ook niet wiskundig opgelost te worden. Het zal zo zijn dat de persoon die het kind ziet, die het op de een of andere manier waarneemt, van zich uit een bedoeling heeft om het zo te behandelen. Eigenlijk is de behandelmethode iets dat voortkomt uit de wederzijdse relatie.
Denkt u niet dat dit iets is waar we over moeten spreken?

Eine weitere Anfrage wegen der Temperamente.

Nog een vraag over temperamenten.

Dr. Steiner: Das cholerische Temperament ist gleich verdrossen und entrüstet sich über alles, was eben seiner Aktivität in die Quere kommt. Wenn es in einem rhythmischen Erleben drinnen ist, ist es entrüstet und ärgerlich, aber auch sonst, wenn es ein anderes Erlebnis ist und es wird gestört, so ist es entrüstet. Das ist, nicht wahr, weil der Rhythmus eben innig verbunden ist mit der ganzen menschlichen Wesenheit. Das ist schon der Fall, daß der Rhythmus mehr als alles andere verbunden ist mit der menschlichen Wesenheit, und daß bei dem Choleriker eine starke Rhythmik zugrunde liegt, die gewöhn-

Het cholerische temperament is onmiddellijk somber en verontwaardigd over alles wat zijn activiteit in de weg staat van. Als het het ritmische ervaart en het wordt daarin verstoord, is het verontwaardigd en boos, maar ook als het om een andere ervaring gaat, is het verontwaardigd. Het is toch zo, dat het ritme nauw verbonden is met de hele mens. Het geval is dat het ritme meer dan al het andere, verbonden is met het menselijk wezen en aan het cholerische ligt een sterke ritmiek ten grondslag waar

Blz. 143

lich an sich etwas defekt ist. Napoleon wird man als Choleriker ansehen können. Bei ihm lag es so, daß sein innerer Rhythmus in sich gedrungen war. Bei Napoleon liegt das vor, daß er von einer Seite her veranlagt war, größer zu wachsen, als er gewachsen ist. Er ist zusammengeschoppt geblieben. Sein Ätherleib war größer als sein physischer Leib. Dadurch wurden seine Organe zusammengeschoppt, alles Rhythmische wurde in sich zusammengeschobener und störte sich fortwährend. Weil ein solches cholerisches Temperament auf dem fortwährenden Verkürzen des Rhythmus beruht, so lebt es in sich darinnen.

gewoonlijk iets mis mee is. Napoleon kan worden beschouwd als een cholerisch persoon. Bij hem zat het zo dat zijn innerlijke ritmisch systeem ineen gedrukt was. Napoleon had enerzijds de aanleg groter te worden dan hij in werkelijkheid is geworden. Hij bleef gedrongen. Zijn etherlijf was groter dan zijn fysieke lichaam. Het gevolg was dat zijn organen over elkaar heen werden gedrukt, dat alles wat ritmisch was, naar elkaar toe werd geschoven en voortdurend werd verstoord. Omdat zo’n cholerisch temperament gebaseerd is op het voortdurend verkorten van het ritme, leeft het daarin.

X.: Kann man davon sprechen, daß in einem solchen Temperament einer von den Sinnen vorherrscht?

X: Kan je zeggen dat bij zo’n temperament één van de zintuigen overheerst ?

Dr. Steiner: Sie werden wahrscheinlich bei einem Choleriker in der Regel finden einen abnorm ausgebildeten Gleichgewichtssinn (Waage) und ihn äußerlich nachweisen können in den Kanälen im Ohr bei der Autopsie. Das Erleben des Rhythmus, Gleichgewichtssinn und Bewegungssinn, Wechselwirkung zwischen beiden, rhythmisches Erleben. Mit dem Gleichgewichtssinn und Bewegungssinn wäre bei einem Sanguiniker (Jungfrau) der Bewegungssinn in der Art vorherrschend. So wie beim Melancholiker (Löwe) der Lebenssinn vorherrscht, beim Phlegmatiker (Krebs) der Tastsinn, physiologisch, weil die Tastkörper in kleinen Fettpolstern eingebettet sind. Das ist physiologisch nachweisbar. Es ist nicht so, als ob die Tastkörperchen den Reiz vermittelten. Dasjenige, was geschieht, ist eine Reflexwirkung, wie wenn man Gummibälle eindrückt und sie wieder zurückgehen. Die Wärzchen sind dazu da, um es dem Ich zu vermitteln, um den Reiz im Ätherleib
auf das Ich zu übertragen. Das ist bei jedem der Sinne der Fall.

Je zal waarschijnlijk in het geval van een cholerisch persoon in de regel vinden, dat er sprake is van een abnormaal ontwikkeld evenwichtsgevoel (weegschaal) en dat extern kunnen aanwijzen in de kanalen in het oor bij autopsie. De ervaring van ritme, evenwichtsgevoel en bewegingsgevoel, de interactie tussen beide, ritmische ervaring. Bij de evenwichtszin en bewegingszin zou dan het gevoel voor beweging bij een sanguinicus (Maagd) overheersend zijn. Net als bij de melancholicus (Leeuw) bij wie de levenszin overheerst, bij de flegmaticus (Kreeft) de tastzin, fysiologisch, omdat de tastlichamen in kleine vetkussentjes zijn ingebed. Dit is fysiologisch verifieerbaar.
Het is niet zo dat de tastlichaampjes de prikkel overbrengen. Wat er gebeurt is een reflexeffect, zoals wanneer je rubberen ballen indrukt en de deuk er weer uitgaat. De wratten zijn er om het over te brengen aan het Ik, om de prikkel in het etherlijf over te brengen naar het Ik. Dit geldt voor elk zintuig.<6>
[Wat nog meer bedoeld zou kunnen zijn met Warze (wrat) weet ik niet]

Es wird berichtet über den Eurythmieunterricht.

<7> Er wordt iets gezegd over de euritmieles

Dr. Steiner: Nun, mit der Eurythmie ist es so, daß die Begeisterung etwas theoretisch wird. Das Eurythmeum steht immer vor Augen.
Aber wir haben immer zu wenig Räume. Wenn wir mehr Toneurythmie machen, dann wäre es erwünscht, jemanden zu haben, der etwas Klavier spielt. So etwas kann sich als eine Notwendigkeit ergeben.
Wir haben jetzt verhältnismäßig wenig Toneurythmie gemacht. In Dornach hat Fräulein X. eine Kindergruppe für Toneurythmie eingerichtet und außerordentlich gute Erfolge erzielt. Etwas kann
bemerkt werden, daß mit Ausnahme der ganz begabten älteren Leute die Kinder leichter Eurythmie lernen und namentlich leichter

Nou, bij euritmie is het zo dat het enthousiasme iets theoretisch wordt. Het Eurythmeum is altijd in zicht. Maar we hebben altijd te weinig ruimte. Als we meer tooneuritmie doen, dan zou het wenselijk zijn om iemand te hebben die piano speelt. Zoiets kan zich voordoen als iets noodzakelijks.
Tot nu toe hebben we relatief weinig tooneuritmie gedaan. In Dornach richtte mejuffrouw X. een kindergroep voor tooneuritmie op en behaalde bijzonder goede resultaten. Opgemerkt kan worden dat, met uitzondering van de zeer begaafde ouderen, de kinderen makkelijker euritmie leren en zich juist makkelijker

Blz. 144

sich zur Grazie ausbilden, so daß tatsächlich die Eurythmie im Unterricht sich als fruchtbar erweist. Während es bei Großen wirklich schwer geht, weil sie sich nicht daran gewöhnen wollen, richtig aufzuspringen, lernen es die Kinder ganz graziös. Die Kinder, die da auftreten, denen gegenüber würde es niemand einfallen, daß er das Spreizen der Beine häßlich findet. Es ist ganz und gar nicht häßlich, aber ich bin überzeugt, daß es auch den Leuten gar nicht auffallen würde.

ontwikkelen tot gratie, zodat euritmie in feite in het onderwijs vruchtbaar blijkt te zijn. Hoewel het voor volwassenen erg moeilijk is omdat ze er niet aan willen wennen,  goed op te springen, leren de kinderen heel sierlijk te springen. Bij de kinderen die dat doen, zou niemand denken dat ze het spreiden van de benen vervelend vinden. Dat is het helemaal niet, maar ik ben ervan overtuigd dat de mensen het niet eens zouden opmerken. <7>

X. berichtet über das Turnen. Einige drücken sich auch.

<8> X. doet verslag van gymnastiek. Sommigen ontwijken het ook.

Dr. Steiner: Nun müßte man konstatieren, ob die Betreffenden sich drücken vom Turnen, oder ob sie sich wegschleichen, um Allotria zu treiben.

Dr. Steiner: Nu zou je moeten vaststellen of de betrokkenen bij de gymnastiek wegblijven, of dat ze wegsluipen om wat kattenkwaad uit te halen.

X.: Der M. T. ist in der Eurythmie geschickt, draußen ungeschickt.

X.: M. T. is goed in euritmie, maar daarbuiten onhandig.

Dr. Steiner: Gerade bei ihm könnte ich mir denken, daß er sich drückt, um etwas anderes zu handhaben.

Vooral bij hem kan ik me voorstellen dat hij zich drukt om iets anders te gaan doen.

X.: Er ist faul.

X: Hij is lui.

Dr. Steiner: Wenn er solchen Schabernack aufführt, da ist er doch sehr fleißig. Er ist ein sehr artiger Knabe.

Als hij zulke grappen uithaalt, is hij toch heel ijverig. Hij is een heel brave jongen.<8>

X.: . . .

Dr. Steiner (über den O. N.): Ich finde das eine gute Eigenschaft, daß er die Schrift nachmacht. Es ist eine Erfahrung, daß bei der Ehe der Mann die Schrift bekommt wie die Frau oder umgekehrt.

(over O. N.): Ik denk dat dat een goede kwaliteit is, dat hij de Schrift navolgt. Het is een ervaring dat bij het huwelijk de man de Schrift ontvangt op dezelfde manier als de vrouw en andersom.
[Uit de context is niet op te maken wat hier met s(S)chrift bedoeld wordt de Bijbel?]

Es wird berichtet über Gartenarbeit und Handwerk. Über Schwierigkeiten mit einzelnen Kindern; sie sind unsozial und träge und mögen einander nicht helfen.

<9> Er wordt verslag gedaan over tuinieren en handenarbeid. Over moeilijkheden met individuele kinderen; ze zijn antisociaal en lui en helpen elkaar niet graag.

Dr. Steiner: Sind es viele? Nicht wahr, etwas anderes kann man kaum machen, als diejenigen, die so sind, zusammenspannen, daß man ihnen ein bestimmtes Gebiet anweist, daß man sie veranlaßt, sich zu schämen, wenn sie nichts fertig kriegen. Etwas, wo die Fertigstellung sichtbar wird, wo sie sich schämen, wenn nur ein Viertel gemacht ist. Nicht das Moment des Ehrgeizes! Was ich sagte, rechnet nicht mit dem Ehrgeiz, sondern mit dem Schämen. Dann könnte man noch eine Kommission ernennen, die im Beisein der Kinder das anschaut und das Mißfallen ausdrückt. Ich glaube doch, wenn Frau Molt ernannt wird, die Sache anzuschauen, und Herr Hahn, dann wird sich auch M. T. entschließen zu arbeiten, um nicht das Mißfallen zu erregen. Ein Ausweg wäre, daß man diese Kinder zusam-

Zijn er veel? Je kan toch niet veel anders doen dan degenen die zo zijn, die zo samenspannen, iets specifieks toewijst, dat je ze redenen geeft om zich te schamen als ze niets voor elkaar krijgen. Iets waar de voltooiing zichtbaar wordt, waar ze zich schamen als er maar een kwart is gemaakt. Niet het moment van ambitie! Wat ik zei gaat niet over ambitie, maar over schaamte. Dan zou je nog een [er staat commissie, ik denk aan een groepje] kunnen benoemen die in het bijzijn van de kinderen ernaar kijkt en hun ongenoegen erover uitspreekt. Ik geloof dat als  mevrouw Molt wordt aangesteld om de zaak te onderzoeken, en de heer Hahn, M. T.  er ook wel voor zal kiezen om te werken, om geen ongenoegen op te wekken. Een oplossing zou zijn om deze kinderen bij elkaar te brengen

Blz. 145

menspannt und beim Unterricht in seine Nähe nimmt. Aber das ist schwer durchführbar. Sie müssen dazu getrieben werden, sich zu schämen, wenn sie es nicht fertig kriegen. Ehrgeiz würde ich nicht aufstacheln, aber das Schamgefühl.

en dicht bij hen tijdens de lessen in de buurt te blijven. Maar dat is moeilijk uitvoerbaar. Ze moeten ertoe gebracht worden zich te schamen als ze het niet afmaken. Niet de ambitie zou ik oproepen, maar het gevoel van schaamte. <9>

X. fragt, ob nicht eine Buchbinderei eingerichtet werden könnte?

<10> X. vraagt ​​of er een boekbindwerkplaats zou kunnen worden ingericht?

Ob es sich mit der Schule vereinigen läßt? Buchbinderei wäre etwas, was in den Fortbildungsschulplan hineinfallen könnte. Probeweise könnte es im Einbinden der Bücher bestehen. Ist jemand unter Ihnen, der einen solchen Fortbildungsschulkurs übernehmen könnte? Einer oder zwei, denn die Buchbinderei ist etwas, was wirklich kunstgewerblich ausgebildet werden kann. Wir haben keinen rechten Übergang von den alten schönen Bänden, die nach und nach weggefallen sind, zu den ganz philiströsen Bänden. Und das, was nun neuerdings versucht wird, das sind zumeist kunstgewerbliche Koketterien. Da irgend etwas Kunstgewerbliches zu leisten, das ist immerhin reizvoll. Was wird heute gemacht an Büchern, die keine Bücher sind! Man müßte wieder die Bücher als Bücher machen. Das würde eben in den Rahmen der Fortbildungsschule, des Kunstgewerblichen hineinfallen. An sich ist es eine einfache Arbeit, aber gerade in dieser Beziehung wird man ja etwas machen. Das Technische muß man natürlich gut können. Da würde es etwas zu verbessern geben. Ich meine, wenn es bis zur Goldpressung geht, da gibt es manches zu verbessern. Was gelernt werden muß, das ist verhältnismäßig einfach. Das ist Übung.

Is het te combineren met school? Boekbinden zou iets kunnen zijn dat in het leerplan voor de vervolgopleiding zou kunnen worden opgenomen.
Op proefbasis kan het bestaan ​​uit het inbinden van de boeken. Is er iemand onder u die zo’n vervolgcursus op zich zou kunnen nemen? Een of twee, want boekbinden is iets wat je echt kunt aanleren als een kunst- en ambachtelijke activiteit. Wij hebben geen echte overgang van de oude prachtige banden die geleidelijk zijn verdwenen, naar de meest filisterachtige banden. En wat nu de laatste tijd wordt geprobeerd is vooral een vorm van koketterie in de stijl van kunstnijverheid. Het is zeker aantrekkelijk om daar iets artistieks te doen. Wat wordt er tegenwoordig aan boeken gemaakt die geen boeken zijn? Men zou weer boeken als boeken moeten maken. Dat zou binnen het kader van de voortgezette opleidingsschool, van de kunstnijverheid vallen. Op zich is het een eenvoudig werk, maar vooral in dit opzicht wordt er dan iets gedaan. Natuurlijk moet je het technische goed beheersen. Daar zou nog wel iets te verbeteren zijn. Ik bedoel, als het tot aan gouddruk gaat, valt er nog veel te verbeteren. Wat er geleerd moet worden, is relatief eenvoudig. Dit is oefenen.

X.: Ich weiß nicht, ob ich es noch übernehmen kann.

X: Ik weet niet of ik het nog aankan.

Dr. Steiner: Es ist eine Frage, die im Zusammenhang mit dem Fortbildungsschulwesen behandelt werden müßte.

Het is een vraag die samenhangend met de voortgezette opleiding behandeld moet worden.

X.: Soll ich deshalb einige Stunden abgeben in meiner Klasse?

X: Moet ik dan een aantal lessen uit mijn klas opgeven?

Dr. Steiner: Dann kommen wir ins Fachlehrersystem hinein. Das muß umgangen werden, solange wir nur irgend können, wenn irgendein Mann da ist, und wenn es richtig angefaßt wird, daß es geht.

Dan komen we in het systeem van gespecialiseerde leraren. Dat moet zo lang mogelijk vermeden worden; als er maar iemand is en als het op de juiste manier wordt aangepakt, zodat het gaat.

X.; Zwei Stunden in der Woche sind im Handarbeiten zu wenig. Könnten die
Stunden nicht vermehrt werden?

X; Voor handenarbeid zijn twee uur per week niet genoeg. Zouden er niet meer uren bij kunnen?

Dr. Steiner: Ich habe gesehen beim Handarbeitsunterricht, daß viel Geschicklichkeit da ist. Sobald der Waldorfschulverein viele Millionen bringt, können wir viele Zimmer haben und viele Lehrer anstellen. Ja, aber mehr Zeit können wir kaum dazu verwenden. Das

Ik zag in de werklessen dat er veel vaardigheid aanwezig is. Zodra de Waldorf Schoolvereniging vele miljoenen binnenhaalt, kunnen we over veel lokalen beschikken en veel leerkrachten in dienst nemen. Maar we kunnen er moeilijk meer tijd aan besteden. Het

Blz. 146

andere muß erreicht werden durch Teilung der Klassen. Es ist wohl genügend, zwei Stunden in der Woche. Wir müssen die Klasse teilen, und das ist dann bloß eine Stunde.

andere moet worden bereikt door de klassen te splitsen. Twee uur in de week is wel genoeg. We moeten de klas splitsen en dat is dan slechts een uur.

X.; Soll man Mädchen und Knaben getrennt nehmen?

X; Moeten meisjes en jongens apart genomen worden?

Dr. Steiner: Das würde ich nicht tun, lieber nicht mit dem Auseinanderschälen anfangen. Aber Sie lassen doch die Knaben auch andere Handarbeit verrichten als Stricken? Das gilt auch für die Mädchen. Ja, aber trotzdem würde ich es nicht tun; Knaben und Mädchen trennen, das sollten wir nicht anfangen. Da muß man aus einem anderen Prinzip abhelfen.

Dat zou ik niet doen, ik ga ze liever niet uit elkaar halen. Maar u laat de jongens toch ook andere dingen doen dan breien? Dit geldt ook voor de meisjes. Ja, maar toch zou ik jongens en meisjes niet gaan scheiden, daar moeten we niet aan beginnen. Het moet door iets anders worden verholpen.<10>

X.: Soll die Vorklasse den Charakter eines Kindergartens haben?

<11> X: Moet de voorbereidende klas het karakter van een kleuterklas hebben?

Dr. Steiner: Dort sind die Kinder, die noch nicht die Schule begonnen haben. Wir können nicht irgendwelche Lernfächer bringen. Man soll sie so beschäftigen, daß sie spielen; nicht wahr, gewisse Spiele müssen da sein. Man kann auch etwas in der Form, in der es nicht zum Lernen gehört, erzählen. Aber auch da nicht die Schulanforderungen stellen, nicht darauf sehen, daß unbedingt alles nacherzählt werden muß. Ein eigentliches Lehrziel scheint mir gar nicht nötig zu sein, sondern man versucht herauszukriegen, womit man die Kinder am besten beschäftigen kann. Man braucht kein Lehrziel. Es wird sich darum handeln, daß man Spiele treibt, etwas erzählt, kleine Rätsel löst.

Er zijn daar kinderen die nog niet naar school gaan. We kunnen niet zomaar elk vak onderwijzen. Man moet ze laten spelen; er moeten bepaalde spelmogelijkheden zijn. Je kunt ook iets in een vorm vertellen waarin het niet gaat om te leren. Maar stel ook daar geen schooleisen aan, het hoeft beslist niet zo dat alles naverteld moet worden. Een concrete leerdoelstelling lijkt mij helemaal niet nodig, maar probeer uit te vinden wat je de kinderen het beste kan laten doen. Je hebt geen leerdoel nodig. Het gaat erom dat je speelt, iets vertelt, kleine raadsels [probleempjes, vraagstukjes? ] oplost.

Auch das würde ich nicht pedantisch begrenzen. Ich würde sie behalten, solange die Eltern sie abgenommen haben wollen. Ja, wenn wir könnten, könnten wir sie auch den ganzen Tag haben. Wenn es geht, warum nicht? Eurythmie können Sie auch versuchen, sie dürfen nur nicht verdorben werden. Sie dürfen auch durch sonst nichts verdorben werden. Ich sagte ja, dabei handelt es sich im wesentlichen darum, daß man die Kinder bemuttert, nicht Fröbelei treibt. Sie wollen ganz gewiß nichts schulmäßig Bestimmtes tun, da kann man das mit ihnen tun, was sie wollen.
Dies ist die Konfiguration beim Spielen: Ein Kind, das gewisse Formen des Spielens zeigt, zeigt dieselbe Form dann in der Art und Weise, wie sich der Mensch ins Leben findet. Ein Kind, das langsam spielt, wird in den Zwanzigerjahren langsam sein und langsam denken in all dem, was im Leben zusammengefaßt wird als Lebenserfahrung. Ein Kind, das oberflächlich ist im Spielen, wird auch später oberflächlich werden. Ein Kind, das sagt, ich will mein Spielzeug zer-

Ik zou dat ook niet belerend beperken. Ik zou ze houden zolang de ouders dat willen. Ja, als we konden, zouden we ze de hele dag kunnen houden. Als dat zou kunnen, waarom niet? Je kan ook euritmie proberen, ze moeten alleen
niet verwend worden. Ze mogen ook door niets anders verwend [verpest?] worden. Ik zei het al, het gaat er in wezen om dat de kinderen bemoederd moeten worden, geen gefröbel. Ze willen zeker niets schoolachtigs doen, dus je kunt met ze doen wat zij willen.
Dit is de configuratie van spel: Een kind dat bepaalde vormen van spel laat zien, laat vervolgens dezelfde vorm zien in de manier waarop de persoon zijn weg in het leven vindt. Een kind dat langzaam speelt, zal traag zijn in de twintiger jaren en traag denken in alles wat samengevat wordt in het leven als levenservaring.
Een kind dat oppervlakkig speelt, zal later ook oppervlakkig worden. Een kind dat zegt: Ik wil mijn speelgoed kapotmaken,

Blz. 147

schmeißen, weil ich sehen will, wie es innen ausschaut, das wird ein Philosoph werden. Das ist die Art des Denkens in der Beherrschung des Lebens.
Ja, gewiß, man kann im Spiel sehr vieles tun. Man kann ein Kind, das Neigung hat zum langsamen Spielen, veranlassen, schneller zu spielen. Man gibt ihm eben solche Spiele, wo einige Schnelligkeit notwendig ist.

omdat ik wil zien hoe het er van binnen uitziet, die zal filosoof worden. Dat is de manier van denken bij het beheersen van het leven.
Ja, natuurlijk kun je veel doen met spel. Je kan een kind dat de neiging heeft om traag te zijn bij ’t spelen, sneller laten spelen. Je geeft hem spelletjes waarbij enige snelheid nodig is. 

Es wird nach Chorsprechen gefragt.

Er wordt gevraagd naar spreken in koor.

Dr. Steiner: Man kann es schon machen. — Märchen können auch erzählt werden. Es gibt sehr viele Märchen, die man den Sechsjährigen nicht vorsetzen kann. Damit meine ich nicht das, was der Verein für Ethische Kultur ausmerzt, sondern weil es kompliziert ist. Die Kleinen würde ich noch nicht nacherzählen lassen. Wenn sie aber selbst etwas erzählen wollen, dann anhören. Das ist etwas, was man abwarten muß.

Dat kan. – Sprookjes kunnen ook verteld worden. Er zijn veel sprookjes die je niet aan zesjarigen kan vertellen. Ik heb het niet over wat de Vereniging voor Ethische Cultuur wil uitroeien, maar omdat het ingewikkeld is. De kleintjes nog niet laten navertellen. Maar als ze zelf iets willen vertellen, luister er dan naar. Dat is iets wat je moet afwachten. <11>

Es wird nach den Zeugnissen gefragt.

<12> Er wordt naar de getuigschriften gevraagd.

Dr. Steiner: Wir sprachen schon einmal darüber. Man müßte schon einzelnes hervorzuheben versuchen, aber nicht in pedantischer Weise. Man müßte versuchen, vielleicht doch am Anfang nur die Personalien zu haben, und dann für jedes Kind zu individualisieren. Daß man zum Beispiel schreibt: ,,E. liest gut, erzählt anregend”, und so, daß man sich selbst den Text bildet. Einen Satz, der frei gegeben ist und in dem man das unterstreicht, was sonst als einzelne Fächer gegeben ist. Vielleicht ist es notwendig, alle Fächer anzuführen, vielleicht nicht. Ich würde das Zeugnis so drucken, daß es nur einen Kopf hat: ,,Freie Waldorfschule, Jahreszeugnis des Schülers . . .” und in der Mitte Platz, daß man schreiben kann. Jeder wird nach seinem Genius den Schüler charakterisieren. Wenn mehr Lehrer in Betracht kommen, muß jeder einschreiben. Aber es wäre wünschenswert, daß sich die einzelnen Aussagen nicht allzu stark widersprechen; wenn der eine sagt: ,,Er liest ausgezeichnet”, der andere auch etwas sagt, was dem entspricht. Nicht wahr, es fängt einer an, den Schüler zu charakterisieren, derjenige, der sein Klassenlehrer ist. Die anderen schließen sich an. Es kann nicht gut der Klassenlehrer schreiben: ,,Es ist ein ausgezeichneter Junge”, und dann schreibt jemand anderes: „Das ist ein kleines Scheusal.” Das muß man schon verschmelzen.

We hebben het hier al eerder over gehad. Je zou individuele punten moeten benadrukken, maar niet op een belerende manier. Misschien moeten we proberen te beginnen met alleen wat we kunnen weten over de persoon en dat dan individualiseren voor elk kind. Bijvoorbeeld door te schrijven: “E. leest goed, vertelt animerend”, zodat je zelf de tekst vormt. Een zin die vrij wordt geformuleerd en waarin je duidelijk aangeeft wat zoal aan vakken wordt gegeven.
Misschien is het nodig om alle vakken op te sommen, misschien ook niet. Ik zou het getuigschrift zo drukken dat het slechts één kop heeft: “Vrijeschool, getuigschrift van de leerling . . .” en in het midden ruimte om te schrijven.
Iedereen moet de leerling karakteriseren naar zijn bijzondere aard. Als meer leraren in aanmerking komen, moet iedereen schrijven. Maar het
zou wenselijk zijn dat de individuele uitspraken elkaar niet te sterk tegenspreken; als de een zegt “Hij leest uitstekend”, de ander ook iets dat daarmee in overeenstemming. Iemand begint met de leerling te karakteriseren, zijn klassenleraar. De anderen sluiten aan. Het kan niet zo zijn dat de klassenleraar schrijft: “Hij is een uitstekende jongen”, en dan iemand anders: “Hij is een ondeugd”. Je moet wel samengaan.

Es wird gefragt nach dem Zeugnis der Religionslehrer der Konfessionen.

Er wordt gevraagd naar het getuigschrift van de godsdienstleraren van de verschillende godsdiensten.

Blz. 148

Dr. Steiner: Der muß auch seinen Senf dazu schreiben, der Religionslehrer, das muß schon auch ebenso sein. Hier werden sich die Herren disziplinieren müssen. Sie müssen sich darauf einlassen, sonst können sie nichts schreiben.

Hij moet ook zijn steentje bijdragen, de godsdienstleraar, dat moet ook. Hier zullen de heren zichzelf wat discipline op moeten leggen. Ze moeten zich er wel op instellen, anders kunnen ze niets schrijven.

X.: Ist eine Kontrolle nötig, daß die Zeugnisse vorgezeigt werden?

X.: Is het nodig om te controleren of ze de getuigschriften laten zien?

Dr. Steiner: Ich würde einfach die Einführung machen, daß die Eltern, welche wünschen, daß ihre Kinder wieder aufgenommen werden sollen, ihren Namen unter das Zeugnis des vorigen Jahres setzen mögen. Wenn sie nicht mehr kommen, brauchen wir darüber keine Vorschrift zu machen. Wenn sie wiederkommen wollen, sollen die Eltern den Namen daruntersetzen.
Es ist ja gegangen ohne Zwischenzeugnis. Ist das verlangt worden von den Eltern, ein Zwischenzeugnis?
Ja, das Kind meldet sich und bringt das Zeugnis, bekommt es am Ende des Jahres wieder, wenn es schon ein Heft ist. Gewiß kann es ein Heft sein, perforiert. Nehmen Sie an, ein Kind ist anfangs schlecht, man muß ihm Tadel hineinschreiben, und es wird dann später besser, dann hat es vielleicht ein Interesse daran, die vorhergehenden Zeugnisse wegzunehmen: also perforiert.

Ik zou gewoon de regel willen invoeren dat ouders die willen dat hun kinderen opnieuw worden toegelaten, hun naam onder het getuigschrift van het vorige jaar moeten zetten. Als ze niet terugkomen, hoeven we daar geen regel voor te maken. Als ze terug willen komen, moeten de ouders hun naam eronder zetten. Het is zonder tussentijdsrapport gegaan. Hebben de ouders om een tussenrapport gevraagd?
Dan moet het kind zich melden en het getuigschrift brengen;  het krijgt het terug aan het einde van het jaar, als het al een schrift is. Het kan zeker een geperforeerd boekje zijn. Stel dat een kind slecht is aan het begin, dan moet je er berispingen in schrijven, en dan wordt het later beter, dan kan het er belang bij hebben om de vorige rapportering eruit te halen: met andere woorden, geperforeerd.

Da kann man ja etwas, was nicht ganz lobend ist, schreiben. Sie können nicht diesen beiden Kindern das Zeugnis ausstellen, daß sie ausgezeichnet schreiben, aber man kann es schon so fassen, indem man, ohne zu zensieren, charakterisiert, wie weit das Kind im Schreiben ist. Bei dieser kleinen M , da würde ich schreiben: „Hat es noch nicht weiter gebracht, als zum mühsamen Nachschreiben einfacher Worte, wobei das Kind sehr häufig unnötige Striche an die Buchstaben anfügt.” Die Kinder charakterisieren!

Je kan iets schrijven dat niet helemaal complimenteus is. Je kan deze twee kinderen geen getuigschrift geven met daarin dat ze uitstekend schrijven, maar je kan wel beschrijven, zonder de prestatie te beoordelen, hoe ver het kind is gekomen met schrijven. Voor deze kleine M zou ik schrijven: “Is niet verder gekomen dan het moeizaam naschrijven van simpele woorden, waarbij hij vaak onnodige streepjes aan de letters toevoegt.” Karakteriseer de kinderen!

Auf eine weitere Frage:

Op een andere vraag:

Dr. Steiner: Dann ist eben das Kind sitzengeblieben. Ich würde nur unterscheiden solche, die mitkommen, und solche, bei denen man bestimmt: wenn das Kind wiederkommt, kommt es in die Hilfsklasse. Dieses Sitzenbleibenlassen, das würde ich gar nicht einführen wollen. Es handelt sich bei beiden um Kinder, die bald nach Weihnachten gekommen sind. Nicht wahr, jetzt, nachdem wir die Hilfsklasse eingeführt haben, jetzt haben wir die Möglichkeit, Kinder, die ganz und gar nicht versprechen, mit dem Lehrziel zurechtzukommen, in die Hilfsklasse zu geben, zum Beispiel Schwachsinnige. Für die anderen ist es nicht gut, dieses Sitzenbleiben einzuführen. Das hätte gemacht werden müssen, als das Kind eintrat. Es wäre doch

<13> Dan is het kind gewoon blijven zitten. Ik zou alleen onderscheid maken tussen degenen die het volhouden en degenen voor wie is besloten dat het kind, als het terugkomt, in de speciale klas wordt geplaatst. Ik zou deze praktijk van een jaar blijven zitten helemaal niet willen invoeren. Beide kinderen zijn kort na Kerstmis gekomen. Nu we de speciale klas hebben ingevoerd, hebben we de mogelijkheid om kinderen die absoluut geen belofte tonen om de leerdoelen te halen, bijvoorbeeld verstandelijk gehandicapte kinderen, in de speciale klas te plaatsen. Voor de anderen is het niet goed om deze praktijk van een jaar te blijven zitten in te voeren. Dat had al moeten gebeuren toen het kind op school kwam. Het zou

Blz. 149

schön, wenn wir das Prinzip des Sitzenbleibens nicht kultivieren würden. Ich sehe nicht ein, nach welchem Gesichtspunkt es geschehen soll. In Ihrer Klasse sind Kandidaten des Sitzenbleibens außer diesen zweien, die in die Hilfsklasse kommen können, höchstens drei, und die müßte man im Grunde genommen mitschleppen können, indem man sie nicht mordsmäßig lobt, auch nicht tadelt, aber sagt, es ist das Lehrziel nicht gänzlich erreicht. Wir wären verpflichtet gewesen, das Kind in die richtige Klasse zu versetzen bei der Aufnahme. Jetzt ist es nicht schlau, wenn wir das Kind sitzen lassen.
Es wäre wichtig, sich über die H. auszusprechen, wie man das später behandeln will. Man müßte sie in die 3. Klasse stecken; wenn es so ausgesprochen ist, dann müßte sie in die Klasse kommen, in die sie kommen kann. Aber im ganzen sollten wir nicht Kinder das ganze Jahr behalten, namentlich solche, die aus fremden Schulen kommen, und dann sitzenbleiben lassen. Nun sind sie aber schon darinnen. Es sind ja nicht so ausgesprochen schlechte Kinder da, die muß man in diesen einzelnen Fällen mitnehmen und später niemals wieder ein Kind hineinnehmen in eine Klasse, die zu hoch ist.

toch mooi zijn als we het principe van het blijven zitten niet zouden cultiveren. Ik zie niet in waarom dat zou moeten. In uw klas zitten, afgezien van deze twee die in de bijlesklas geplaatst kunnen worden, maximaal drie kandidaten voor het blijven zitten, en je zou ze in principe mee moeten kunnen nemen door ze niet overdreven te prijzen of te berispen, maar door te zeggen dat het leerdoel niet volledig is bereikt. We zouden verplicht zijn geweest om het kind bij toelating in de juiste klas te plaatsen. Het is niet verstandig om het kind nu in de steek te laten.
Het zou belangrijk zijn om te bespreken hoe we later met H. willen omgaan. Ze zou in klas 3 geplaatst moeten worden; als dat zo besloten wordt, dan zou ze in de klas moeten worden geplaatst waar ze in kan. Maar over het algemeen zouden we kinderen niet het hele jaar moeten houden, vooral niet degenen die van andere scholen komen, en ze dan een klas laten overdoen. Maar nu zitten ze al in die klas. Het zijn geen bijzonder slechte leerlingen; we moeten ze in deze individuele gevallen meenemen en nooit meer een kind in een te hoge klas plaatsen.

X.: In welche Klasse soll man Kinder von anderen Schulen einreihen? Soll man sich an das Lebensalter halten oder ausgleichen?

X. In welke klas moeten kinderen van andere scholen worden geplaatst? Moeten we onze beslissingen baseren op leeftijd of de tegenstellingen wegwerken?

Dr. Steiner: Nicht wahr, in der Zukunft, wenn wir die Kinder vom sechsten Jahr bekommen und alle Klassen durch haben, dann kann ja das nicht vorkommen. Die müssen wir versuchen, in die Klasse zu setzen, für die sie taugen, sowohl dem Lebensalter nach, als nach dem, was sie können.

In de toekomst, wanneer we de kinderen vanaf 6 jaar krijgen en alle klassen hebben, kan dat niet meer. We moeten proberen ze in de klas te plaatsen waar ze geschikt voor zijn, zowel qua leeftijd als qua vaardigheden.

Es wird gefragt, ob ein Kind in die Hilfsklasse abgegeben werden sollte.

De vraag is of een kind in een speciale klas moet worden geplaatst.

Dr. Steiner: Ich glaube nicht, daß es möglich ist. Gerade in der 1. Klasse sollten Sie nicht zu weit gehen im Absondern zur Hilfsklasse. Ich habe es ja gesehen, das ist richtig, aber auf der anderen Seite ist ja noch nicht so furchtbar viel verloren, wenn ein Kind in der 1. Klasse noch schlecht schreibt..Nicht wahr, alle Kinder dieser Art werden, wenn man es durchführen könnte, natürlich unendlich viel gewinnen, wenn man solche Übungen mit ihnen macht, wie ich sie dazumal inauguriert habe.
Wenn man sie so etwas machen läßt (Dr. Steiner zeigt eine Übung): Reich die rechte Hand über den Kopf und ergreife dein linkes Ohr. —
Oder wenn man solche Sachen zeichnen läßt, eine Spirale, die nach innen verläuft, eine Spirale, die rechts verläuft, und eine Spirale, die links verläuft, so gewinnen sie sehr viel. Solche Übungen, durch die sich die Kinder ins Denken hineinstellen müssen.

Ik denk niet dat het mogelijk is. Vooral in klas 1 moet je niet te ver gaan met het scheiden van kinderen in een speciale klas. Ik heb het gezien, en het is goed, maar aan de andere kant is er nog niet zoveel verloren als een kind in klas 1 nog steeds slecht schrijft. Is het niet zo dat alle kinderen van dit type, als het zou kunnen natuurlijk, oneindig veel zouden winnen als je oefeningen met ze doet zoals ik die destijds heb geïntroduceerd? <13>
<14> Als je ze zoiets laat doen (Dr. Steiner demonstreert een oefening): Strek je rechterhand boven je hoofd en pak je linkeroor vast. –
Of als je ze dingen laat tekenen zoals deze: een spiraal die naar binnen loopt, een spiraal die naar rechts loopt en een spiraal die naar links loopt, dan leren ze er enorm veel van. Van die oefeningen, waarbij de kinderen moeten nadenken.

Blz. 150

Dann das Schreiben: es sind einige, die sehr schlecht schreiben, und es gibt eine ganze Menge, die erstklassig sind. Die Kinder werden nicht viel davon haben, wenn Sie sie anhalten, daß sie durch die Verbesserung der Schrift besser schreiben lernen. Finger geschickt machen! Dann lernen sie besser schreiben.
Ich glaube nicht, daß Sie es zuwege bringen, eine schlechte Schrift durch die Bemühungen nach dem besseren Schreiben besser zu machen. Sie müssen Bemühungen machen, daß die Kinder geschickter werden im Zeichnen von Formen. Wenn sie Klavier spielen würden, würden sie besser schreiben lernen. Es ist durchaus ein richtiges Apercu, daß dieses eigentliche schlechte Schreiben auftritt erst in der Zeit, wo die Spielsachen der Kinder so außerordentlich materialistisch geworden sind. Es ist geradezu empörend, daß ein großer Teil der Spielsachen in Baukästen besteht. Der dürfte überhaupt kein Spielzeug sein, weil er atomistisch ist. Wenn das Kind eine einfache Schmiede hat, so muß das darauf ausgehen, daß das Kind sie handhaben muß. Ich möchte für ein Kind ein Spielzeug haben, das sich bewegt. Das steht in der „Erziehung des Kindes”. Die Spielzeuge heute sind furchtbar schlecht, und daher lernen die Kinder nicht mehr Fingergeschicklichkeit und können schlecht schreiben.

Dan nog het schrijven: er zijn er een paar die heel slecht schrijven, en er zijn er een heleboel die het uitstekend doen. Kinderen hebben er weinig baat bij als je ze aanmoedigt om beter te leren schrijven door hun handschrift te verbeteren. Maak hun vingers behendig! Dan leren ze beter schrijven. Ik geloof niet dat je een slecht handschrift kunt verbeteren door ernaar te streven beter te schrijven. Je moet ernaar streven om kinderen bekwamer te maken in het tekenen van vormen. Als ze piano zouden spelen, zouden ze beter leren schrijven. Het is een waar inzicht dat dit daadwerkelijke slechte schrijven alleen voorkomt in een tijdperk waarin kinderspeelgoed zo buitengewoon materialistisch is geworden. Het is ronduit om uit je vel te springen dat een groot deel van het speelgoed uit blokkendozen bestaat. Dit zou helemaal geen speelgoed moeten zijn, omdat het atomistisch is. Als een kind een simpele smidse heeft, moet dat zijn omdat het kind ermee moet omgaan. Ik zou willen dat een kind een stuk speelgoed heeft dat beweegt. Dit staat in “De opvoeding van het kind”. Het speelgoed van tegenwoordig is ronduit slecht, waardoor kinderen vaardige vingers meer krijgen en dan schrijven ze slecht.

Es würde ja genügen, wenn man solche Kinder — man kann es in der Schule nicht machen —, die schlecht mit der Hand schreiben, anhalten würde, ganz einfache Formen mit den Füßen zu machen. Das wirkt auf die Hand zurück. Mit den Füßen kleine Kreise zeichnen. Halbkreise, Dreiecke. Daß sie zwischen eine Zehe und die nächste einen Bleistift kriegen und Kreise machen müssen. Man kann es nicht leicht machen. Das ist sehr interessant. Es eignet sich schwierig an, aber es ist sehr interessant zu machen. Im Sande draußen würde ich es als ganz gut betrachten, mit den Zehen mit einem Stock Figuren in den Sand hinein machen zu lassen, das wirkt auf die Hand ungeheuer stark zurück. Oder ein Kind etwas aufheben lassen mit dem Fuße; ein Taschentuch mit dem Fuß aufheben statt mit der Hand, das wirkt sehr stark. Ich will nicht sagen, daß sie essen müssen mit den Füßen.
Aber, nicht wahr, man darf es nicht systematisch machen. Man muß versuchen, nicht direkt auf die Schriftverbesserung zu sehen, sondern sie geschickt zu machen im Zeichnen von Kunstformen. Symmetrie herauskriegen in einer komplizierten Form. (Zu Herrn Baumann:) Taktschlagen, das ist eine gute Sache für die Ausbildung der Verstandesformen und logischen Formen.

Het zou voldoende zijn als je kinderen die slecht met de hand schrijven zou aanmoedigen om heel simpele vormen met hun voeten te maken – je kan dat op school niet doen. [het is niet duidelijk waarom niet – het levert geen enkel probleem opDat heeft een werkend effect op de hand. Kleine cirkels tekenen met de voeten. Halve cirkels, driehoeken. Een potlood tussen de ene en de andere teen zetten en dan cirkels moeten tekenen. Dat is niet makkelijk te doen. Het is heel interessant. Het is moeilijk om te leren, maar het is heel interessant om te doen. Buiten in het zand zou ik het heel goed vinden om ze met hun tenen en een stokje vormen in het zand te laten maken; dat heeft een enorm sterk effect op de hand. Of een kind iets met zijn voet laten oppakken; een zakdoek met zijn voet in plaats van met zijn hand oppakken; dat heeft een heel sterk effect. Ik wil niet zeggen dat ze met hun voeten moeten eten.
Maar weet je, je kunt het niet systematisch doen. Je moet
proberen je niet direct te richten op het verbeteren van het handschrift, maar eerder op het ontwikkelen van vaardigheid in het tekenen van artistieke vormen. Symmetrie bepalen in een complexe vorm. (Tegen meneer Baumann:) Maat slaan is goed voor de ontwikkeling van het verstand en de logica. <14>

X. fragt wegen linkshändigen Schreibens.

<15> X vraagt ​​naar linkshandig schrijven.

Blz. 151

Dr. Steiner: Ja, im ganzen wird man finden, daß diejenigen Kinder, die spirituelle Anlagen haben, unbehindert schreiben können, wie sie wollen, links und rechts. Aber Kinder, die materialistisch sind, die werden vom Schreiben mit beiden Händen idiotisch. Einen gewissen Grund hat es schon, daß die Rechtshändigkeit auftritt. Es ist so, daß Kinder in diesem materialistischen Zeitalter durch die Linkshändigkeit idiotisch werden, wenn beide Hände abwechselnd gebraucht werden. Das ist unter Umständen eine nicht unbedenkliche Sache bei all den Dingen, die Verstand in sich haben; beim Zeichnen gar nicht. Zeichnen kann man sie ganz gut lassen mit beiden Händen.

Ja, over het algemeen zul je zien dat kinderen die spirituele gaven hebben, vrij kunnen schrijven, zoals ze willen, links of rechts. Maar materialistische kinderen raken van slag door met beide handen te schrijven. Er is een bepaalde reden waarom rechtshandigheid voorkomt. Het is waar dat kinderen in deze materialistische tijd van slag raken door linkshandigheid wanneer beide handen afwisselend worden gebruikt. Dit is onder bepaalde omstandigheden niet zonder problemen, bij alle dingen die met de rede te maken hebben; helemaal niet bij tekenen. Je kunt ze prima met beide handen laten tekenen. <15>

Es wird gefragt, ob man auch Märchen erzählen kann, in denen blutige Dinge
vorkommen.

<16> De vraag is of je ook sprookjes kunt vertellen waarin bloedige dingen voorkomen.

Dr. Steiner: Wenn das Märchen so wäre, daß die Absicht vorliegt, daß das Blut als Blut wirkt, dann wäre es unkünstlerisch. Bei Märchen kann nur entscheiden, daß es ein geschmackvolles Märchen ist. Da kann es nicht schaden, wenn auch Blut darin ist. Ich habe einer Mutter gesagt, wenn man es absolut vermeiden will, den Kindern von Blut zu reden im Märchen, so verzärtelt man sie so, daß sie später bei einem Blutstropfen in Ohnmacht fallen. Das ist eine Schädlichkeit fürs Leben. Man soll die Kinder nicht untüchtig machen fürs Leben dadurch, daß man einen solchen Grundsatz aufstellt.

Als het sprookje zo zou zijn dat het de bedoeling was dat het bloed als bloed zou verschijnen, dan zou het onartistiek zijn. Bij sprookjes kan alleen de vraag doorslaggevend zijn of het een smaakvol sprookje is. Het kan geen kwaad als er bloed in zit. Ik zei ooit tegen een moeder: als je absoluut wil vermijden in het sprookje bloed te noemen, verwen je de kinderen zo erg dat ze later flauwvallen bij het zien van zelfs maar een druppel bloed. Dat is schadelijk voor het leven. Je moet kinderen niet ongeschikt maken voor het leven door zo’n principe te hanteren. <16>

Es wird gefragt wegen der L. G. in der 3. Klasse, die nervös ist und stottert.

De vraag gaat over L.G. in groep 3, die nerveus is en stottert.

Dr. Steiner: Abhelfen würde es nur, wenn Sie versuchen würden, Übungen zu machen, ich weiß nicht, ob unter unseren Übungssätzen solche sind, mit K und P; die müßte man sie machen und dabei gehen
lassen, und dann könnte sie auch diese Sätze sprechen. Wenn sie in der Eurythmie auch K und P machen würde, wäre es auch gut. Aber solche Dinge sind nicht seriös zu nehmen, gewöhnlich verlieren sie
sich später.

<17> Het zou alleen helpen als u oefeningen zou proberen te doen – ik weet niet of er bij onze oefeningszinnen ook iets is voor K en P; u zou haar die moeten laten doen en daarbij laten lopen dan kan ze die zinnen ook spreken. Als ze ook K en P in de euritmie zou willen, zou dat ook goed zijn. Maar zulke dingen worden niet serieus genomen en verdwijnen ze gewoonlijk later weer. 

Wegen der Schülerin E. M. in der 5. Klasse, die stottert.

Wat betreft leerlinge E.M. in klas 5, die stottert.

Dr. Steiner: Ja, haben Sie sie mir damals vorgeführt? Die müßte ich doch sehen. Man muß doch wissen, woran es liegt, ob es ein organischer Fehler ist oder seelisch. Es kann beides sein. Wenn es ein seelischer Fehler ist, kann man bestimmt formulierte Sätze machen, wodurch sie sich trainieren müßte. Wenn es ein organischer Fehler ist, dann müßte man etwas anderes machen. Die müßte ich morgen anschauen.

Ja, u heeft haar mij toen aangewezen?? Ik moet haar toch zien. We moeten weten wat de oorzaak is, of het nu een organische afwijking is of een psychische. Het kan allebei. Als het een psychische afwijking is, kan je zeker geformuleerde zinnen maken, die ze moet oefenen. Als het een organische fout is,
dan zou er iets anders moeten gebeuren. Daar moet ik morgen naar kijken. <17>

Eine Frage wegen A. W. in der 5. Klasse. Er schreibt Titel zu seinem Namen und
unterstreicht das ich.

<18> Een vraag over A.W. in klas 5. Hij schrijft titels naast zijn naam en onderstreept ‘Ik’.

Blz. 152

Dr. Steiner: Das ist ein Verbrechertypus, der kann ein Schriftfälscher werden. Ausgesprochene Anlage zum Verbrechertypus. Er kann viel besser schreiben. Ein ausgesprochener Verbrechertypus. Bei ihm
müßte man eine Art seelischen Korrektionsunterricht einrichten.
Den müßte man zwingen, drei solche — (?) — hintereinander stramm zu machen. Ich will ihn morgen anschauen. Der Vater ist infantil.

Dat is het type crimineel, hij zou een vervalser kunnen worden. Een duidelijke aanleg om crimineel te zijn. Hij kan veel beter schrijven. Een specifiek type crimineel. Hij zou een soort psychologische correctieles moeten krijgen. Hij zou gedwongen moeten worden om er drie achter elkaar te doen –(?) – Ik wil hem morgen zien. De vader is een infantiel. <18>

Es wird gefragt nach einer Schlußfeier.

<19> Er wordt naar een slotceremonie gevraagd.

Dr. Steiner: Ich würde die Jahresschlußfeier so gestalten, wenn ich eventuell da wäre, daß ich reden würde, daß dann Herr Molt redet, daß die Lehrer reden, daß das ganze eine Symphonie gibt von dem, was man den Schülern gerne sagen würde. Nicht Schülerproduktionen machen, das kann in der letzten Monatsfeier gemacht werden.
Da würde man eine Wegleitung haben, die rückblickt auf das Schuljahr und vorblickt auf die Ferien, die Hoffnung erweckt und vorblickt auf das nächste Schuljahr und so weiter. Das meine ich.

Ik zou de eindejaarsceremonie zo organiseren, dat als ik erbij was, ik zou spreken, dat daarna meneer Molt zou spreken, dat de leraren zouden spreken, zodat het geheel een symfonie zou zijn van wat we tegen de leerlingen graag zouden willen zeggen. De leerlingen hoeven niets te laten zien, dat kan tijdens het laatste maandfeest.
Een terugblik op de gang door het schooljaar en een vooruitblik naar de vakantie, die hoop geeft en vooruitkijkt naar het volgende schooljaar, enzovoort. Dat bedoel ik. <19>

Eine Dame hatte die Absicht, einen Film über die Waldorfschule und über die
Dreigliederung herzustellen.

<20> Een dame zou een film willen maken over de vrijeschool en de driegeleding.

Dr. Steiner: Ich habe keine rechte Vorstellung von dem, was gemacht werden soll in dieser Richtung. Wenn jemand zum Beispiel das Haus verfilmen will, das kann nichts schaden; das ist nichts Schlimmes. Wenn sie durch einen internationalen Film auch beiträgt zum Bekanntwerden der Waldorfschule, so hat man in der Zeit des öffentlichen Auftretens nichts dagegen, da sind wir ja nicht verantwortlich. Wir sind verantwortlich, daß die Waldorfschule ordentlich ist. Wir sind nicht verantwortlich für das, was sie photographiert, geradesowenig als wie Sie verantwortlich sind, wenn Sie auf der Straße gehen und jemand nimmt Sie auf. Wir können ruhig sagen, wir werden tun, was wir können. Wir können nichts tun. Schließlich, wenn man Eurythmiestunden photographieren kann, ich habe sogar photographieren lassen in Dornach, um es zu reproduzieren; ich habe einzelne Momente gewählt, es ist nicht gelungen. Das ist eine technische Frage. Ich glaube nicht, daß viel herauskommt. Sie will die Dreigliederung im Film bringen — ich dachte mir, warum sollte nicht auch eine gute Sache gegenüber den schlechten Sachen verfilmt werden. Darauf haben wir keinen Einfluß, wenn sie ein Stück erfindet, wo zwei Leute sprechen über die Waldorfschule. In die Klassen braucht man sie ja nicht hineinzulassen. Sie kann nicht mehr beanspruchen, als, wenn einmal eine öffentliche Kinder Eurythmievor-

Ik heb eigenlijk geen duidelijk idee wat er in die richting gedaan zou moeten worden. Als iemand bijvoorbeeld het gebouw wil filmen, kan dat geen kwaad. Als het ook bijdraagt aan de publiciteit van de vrijeschool door middel van een internationale film, dan is daar niets mis mee in de tijd van het publieke optreden, daar zijn wij niet verantwoordelijk voor. Wij zijn er wel verantwoordelijk voor dat de vrijeschool goed is. Wij zijn niet verantwoordelijk voor wat ze fotografeert, net zo min als u verantwoordelijk bent als u over straat loopt en iemand een foto van u maakt. We kunnen rustig zeggen dat we doen wat we kunnen. We kunnen niets doen. Tot slot, als je euritmielessen kan fotograferen – ik heb zelfs in Dornach laten fotograferen om ze te reproduceren – toen heb ik een paar losse momenten gekozen, maar het werkte niet. Dat is een technische kwestie. Ik denk niet dat er veel van terechtkomt. Ze wil de driegeleding in een film presenteren – ik dacht: waarom zou iets goeds niet tegenover het slechte gefilmd kunnen worden? We hebben er geen invloed op als ze een stuk produceert waarin twee mensen over de vrijeschool praten. In de klassen hoef je haar niet toe te laten. Ze kan niet meer claimen dan wanneer ze een keer een openbare euritmievoorstelling voor kinderen

Blz. 153

Stellung ist, dann kann sie es photographieren lassen. Da sie für Eurythmie Reklame macht, so ist das ihr Beitrag zu den Arbeiten, die die Mitglieder machen. Es ist ziemlich sinnlos, wenn sie die Klassen verfilmen will; sie kann jede beliebige Schule verfilmen, es wird nicht besonders anders ausschauen. Sie könnte zum Beispiel das furchtbare Geschrei in der 4. Klasse grammophonisch aufnehmen, das erscheint dann auf der Orgel.
Ich habe kein Recht, wenn irgendwo etwas getan werden kann zum Bekanntwerden der Dreigliederung und der Schule, von vorneherein aus irgendeiner falschen Bescheidenheit dieses zu unterbinden. Es wäre schön, wenn man alles, was geschmacklos ist, unterbinden könnte. Aus einer falschen Vornehmheit heraus würde ich mir nicht getrauen, einen Weg zu verhindern. Wir haben alles Interesse daran, die Schule so vollkommen als möglich zu machen, aber wenn sie jemand verfilmt, haben wir kein Interesse daran, so etwas zu inkriminieren. — Ich kann sagen, wenn sie sich hingestellt hätte und den Vortrag verfilmt hätte, was könnte ich dagegen machen?

fotografeert. Omdat ze euritmie promoot, is dat haar bijdrage aan het werk van de leden. Het heeft nauwelijks zin als ze de lessen wil filmen; ze kan elke school filmen die ze wil; het zal er niet veel anders uitzien. Ze zou bijvoorbeeld het vreselijke geschreeuw in klas 4 op een grammofoon kunnen opnemen, en dat wordt dan aan de grote klok gehangen.
Ik heb geen recht, als er ergens iets gedaan kan worden om de driegeleding en de school bekend te maken, om het van meet af aan te voorkomen uit valse bescheidenheid. Het zou mooi zijn als alles wat van slechte smaak getuigt, voorkomen kon worden. Uit een vals gevoel van nobelheid zou ik het niet aandurven om het te voorkomen. We hebben er alle belang bij om de school zo perfect mogelijk te maken, maar als iemand het filmt, hebben we er geen belang bij om te beschuldigen. — Ik kan zeggen: als ze was opgestaan ​​en de voordracht had gefilmd, wat had ik er dan aan kunnen doen? <20>

Eine Frage wegen der Reisen nach Dornach zum Ersten anthroposophischen Hochschulkurs am Goetheanum (26. September bis 16. Oktober).

Een vraag over de reizen naar Dornach voor de eerste antroposofische hogeschoolcursus in het Goetheanum (26 september tot 16 oktober).

Dr. Steiner: Sehen Sie, die Dinge sind nicht so leicht. Wir wollen doch im Herbst diesen Kurs machen, wo die Verschiedenen vortragen sollen. Es sind auch Stein und Stockmeyer eingeladen. Da wäre es natürlich wünschenswert, wenn viele hinkommen könnten. Nun ist ja das Unterkommen in Dornach ebenso schwer als in Stuttgart. Man wird nicht leicht eingeladen. Die Valutageschichte. Nun ist es möglich, daß wir, wenn die Währungsfrage gelöst werden kann, immerhin eine Anzahl von Leuten unterbringen können. Das strebe ich an, daß jeder, der von der Entente kommt, zwei andere mit zu unterhalten hat, die aus den Mittelländern kommen. Aber nun, es wird nicht familiär (?) zu sein brauchen. Man könnte es so machen, wie man es beim Ärztekurs gemacht hat, das läßt sich schon machen. Aber man darf nicht vergessen, reiche Leute haben wir auch nicht in Dornach und in Basel.

Ziet u, het is niet zo makkelijk. We willen deze cursus in het najaar houden, waar de verschillende mensen lezingen zouden moeten geven. Stein en Stockmeyer zijn ook uitgenodigd. Het zou natuurlijk wenselijk zijn als er veel mensen zouden komen. Nu is het vinden van accommodatie in Dornach net zo moeilijk als in Stuttgart.
Het is niet makkelijk om uitgenodigd te worden. De valutakwestie. Nu, het is mogelijk dat we, als de valutakwestie kan worden opgelost, in ieder geval een aantal mensen kunnen huisvesten. Mijn doel is dat iedereen die uit de Entente-landen komt, twee anderen heeft om te onderhouden, die uit de Midden-Europese landen komen. Maar goed, het hoeft geen familie?regeling te zijn. We zouden het kunnen doen zoals we met de artsencursus hebben gedaan; dat is zeker haalbaar. Maar we mogen niet vergeten dat er in Dornach en Bazel ook geen rijke mensen zijn.

X.: Es gibt auch Paßschwierigkeiten.

X: Er zijn ook paspoortproblemen.

Dr. Steiner: Im allgemeinen, wenn die Leute zu ihrer Erholung nach der Schweiz kommen wollen, dann geht es. Sie müssen nur nicht zu einem anderen Zweck nach der Schweiz gehen wollen; man muß nicht in die Schweiz gehen wollen, um etwas dort zu verdienen. Wie wir behandelt werden, das ist ganz horribel. Sie geben jetzt Aufent-

Over het algemeen geldt: als mensen naar Zwitserland willen komen voor ontspanning, dan is dat mogelijk. Ze moeten alleen niet voor andere doeleinden naar Zwitserland willen; je moet niet naar Zwitserland willen gaan om daar iets te verdienen. De manier waarop we behandeld worden is ronduit afschuwelijk. Ze geven nu verblijfsvergunningen af,

Blz. 154

haltsbewilligungen, daß man Steuersätze bezahlt. Unter dem geben sie es nicht. Wir kriegen es jetzt schon schlimm. Das sind die schweren Sorgen, die man hat mit dem Dornacher Bau. Wenn nicht eine andere Stimmung eintritt durch den Bau, wird es so, daß er gar nicht von Auswärtigen besucht werden kann.

waarvoor je belasting betaalt. Daaronder geven ze die niet. We komen nu al in de problemen. Dit zijn de ernstige zorgen die we hebben over het Dornachgebouw. ​​Als er door de bouw geen andere sfeer wordt opgeroepen, wordt het voor buitenstaanders helemaal onmogelijk om het te bezoeken.

Über das Reproduzieren der Malereien in der Kuppel des Goetheanums.

<21>Over de reproductie van de schilderijen in de koepel van het Goetheanum.

Dr. Steiner: Was da in der Kuppel aus den Farben heraus gemalt ist, das muß aus den Farben heraus gemalt verstanden werden. Versucht man, das durch Photographie zu reproduzieren, so könnte höchstens etwas dabei herauskommen, wenn man es ebenso groß macht, als es da auf der Kuppel ist. Es handelt sich nicht darum, irgend etwas bloß zu reproduzieren. Je weniger entsprechend die Bilder sind denen von der Kuppel, desto besser ist es. Das Schwarz-Weiß weist dann nur daraufhin; das schreit nach der Farbe. Dieses unkünstlerische Reproduzieren, da würde ich mich nie damit einverstanden erklären. Das ist alles Surrogat. Ich möchte keine Farbenphotographie aus der Kuppelmalerei haben. Die Reproduktion soll nicht für sich etwas sein. Ich möchte dies so haben, daß dasjenige, worauf es nicht ankommt, gegeben wird.

Wat in de koepel vanuit de kleuren geschilderd is, moet begrepen worden als geschilderd vanuit de kleuren. Als je het via fotografie probeert te reproduceren, kan er hoogstens wat uitkomen als je het zo groot maakt als het op de koepel staat. Het gaat er niet om iets simpelweg te reproduceren. Hoe minder de afbeeldingen overeenkomen met die van de koepel, hoe beter het is. Het zwart-wit verwijst er alleen maar naar; het schreeuwt om kleur. Ik zou nooit instemmen met deze onartistieke reproductie. Dit is allemaal een surrogaat. Ik wil geen kleurenfoto van de koepelschildering. De reproductie mag geen op zichzelf staand iets zijn. Ik wil dat het zo gepresenteerd wordt dat ook datgene getoond wordt wat niet belangrijk is.

Es ist geradeso mit den Glasfenstern. Wenn Sie versuchen würden, durch Reproduktion etwas zu erreichen, würde ich mich dagegen auflehnen. Diese Dinge muß man nicht versuchen, möglichst treu wiederzugeben. Es ist doch auch nicht wünschenswert, daß man ein musikalisches Stück durch irgendeine täuschend nachahmende phonographische Platte wiedergibt. Ich will, ich möchte das nicht.
Einen modernen technischen Menschen möchte ich nicht haben. So wie diese Bilder in der Reproduktion erscheinen, so geben sie nie das wieder; es ist nur das Novellistische daran, gerade das, worauf es nicht ankommt. Man hat das Gefühl, da muß diese oder jene Farbe sein. Mir kommt das gerade so vor — Sie finden das in dem Büchelchen „Die Erziehung des Kindes” —, man soll nicht dem Kinde schön gemachte Puppen geben, sondern solche aus einem Taschentuch.

Het is precies hetzelfde met de glasramen. Als je zou proberen door reproductie iets te bereiken, zou ik daartegen in opstand komen. Je zou niet moeten proberen deze dingen zo getrouw mogelijk te reproduceren. Het is ook onwenselijk om een ​​muziekstuk te reproduceren via een bedrieglijk imiterende fonografische plaat. Dat wil ik niet, daar houd ik niet van. Ik zou geen modern, technologisch mens willen. Zoals deze beelden er in reproductie uitzien, weerspiegelen ze dat nooit; het is alleen de romantisering ervan, juist datgene wat niet belangrijk is. Je hebt het gevoel dat deze of gene kleur er moet zijn. Het lijkt me precies hetzelfde – je kunt het vinden in het boekje “De opvoeding van het kind” – dat je kinderen geen prachtig gemaakte poppen moet geven, maar poppen van een zakdoek.<21>
GA 300A/136-154

.  

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3454-3251

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 95 – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

In deze voordracht gaat het over:

Drie ‘geboorten’: 7e, 14e, 21e levensjaar <1>
0 – 7 jaar: nabootsing, voorbeeld <2>
7 -14 jaar: etherlijf, symbolieke verhalen, autoriteit <3>
14-21 jaar: astraallijf, oordelen, kritiek <4>

 

RUDOLF STEINER:

GA 95

Vor dem Tore der Theosophie

Aan de poort van de theosofie

Steiner noemde later wat hij als ‘theosofie’ had gebracht: antroposofie.
Waar in deze voordracht ‘theosofie’ staat, heb ik dat vertaald als ‘antroposofie’.
De kopjes zijn door mij aangebracht.

Blz. 54    niet vertaald

Voordracht 6, Stuttgart 27 augustus 1922

Bei der Theosophie handelt es sich um eine im eminentesten Sinne
praktische Auffassung des Lebens. Das Licht, das sie auf die Erziehungsfrage wirft, wird der Menschheit tiefen Nutzen bringen, lange bevor es sich um Hellsehen handelt; man kann sich schon überzeugen, daß in der Theosophie Wahrheit ist für das Leben, lange bevor man herantritt an das unmittelbare Schauen.
Nach der Geburt tritt der Mensch hinein in ein neues Leben, und seine verschiedenen Leiber entwickeln sich in ganz verschiedener Art und Zeit. Der Erzieher sollte darauf Rücksicht nehmen. Ganz anders ist es vom ersten bis zum siebenten Jahre, ganz anders in den zweiten sieben Jahren, vom siebenten bis zum fünfzehnten oder sechzehnten Jahre, bei den Knaben später, bei den Mädchen früher.
Wieder anders ist die Entwickelung nach dem fünfzehnten Jahre oder, sagen wir, nach der Geschlechtsreife. Man lernt die Entwickelung des Menschen erst dann richtig verstehen, wenn man die verschiedenartige Entwickelung seiner Wesensglieder betrachtet.

Bij antroposofie gaat het in de allerhoogste mate om een praktisch begrip van het leven. Het licht dat ze op de opvoedingsvraag werpt, zal de mensheid heel goed kunnen gebruiken, lang voordat helderziendheid een rol speelt; je kan jezelf er al van overtuigen dat er in antroposofie waarheid voor het leven schuilt, lang voordat je tot direct helderziend waarnemen komt.

DRIE ‘GEBOORTEN’

het fysieke lichaam

<1> Na de geboorte begint een mens aan een nieuw leven, en zijn verschillende lichamen ontwikkelen zich op zeer verschillende manieren en in zeer verschillende perioden. De opvoeder dient hier rekening mee te houden.
Het is heel verschillend van het eerste tot het zevende jaar, heel verschillend in de tweede zeven jaar, van het zevende tot het vijftiende of zestiende jaar, later voor jongens, eerder voor meisjes. De ontwikkeling is weer anders na het vijftiende jaar, of, laten we zeggen, na de puberteit. Je begrijpt de menselijke ontwikkeling pas echt als je op de verschillende ontwikkelingen van de wezensdelen let. <1>

[wie niet vertrouwd is met de begrippen ‘wezensdelen’ vindt hier artikelen over de vierledige mens]

Von der Geburt bis zum siebenten Jahre kommt für Eltern und Erzieher eigentlich nur der physische Leib des Kindes in Betracht.
Durch die Geburt ist der physische Leib für seine Umgebung frei geworden. Vor der Geburt bildet derselbe einen Bestandteil des Organismus der Mutter. Die ganze Zeit während der Keimung geht das Leben der Mutter und dasjenige des menschlichen Keimes ineinander. Der physische Leib der Mutter umhüllt den physischen Leib des Kindes; das bedeutet, daß er noch unzugänglich ist für die physische Außenwelt. Erst nach der Geburt ändert sich dies. Er kann erst
Eindrücke von anderen Wesen der physischen Welt bekommen, wenn er geboren ist. Damit ist aber noch nicht der Äther- und Astralleib für die Außenwelt zugänglich. Auf den Äther- und Astralleib kann man zwischen dem ersten und siebenten Jahre von der Außenwelt her deshalb noch nicht einwirken, weil beide noch mit der Ausbildung des eigenen physischen Leibes zu tun haben.

<2> Van de geboorte tot het zevende jaar is voor ouders en opvoeders alleen het fysieke lichaam van het kind van belang.
Door de geboorte is het fysieke lichaam vrij gekomen van zijn omgeving. Vóór de geboorte is het een deel van het organisme van de moeder. Gedurende de hele vruchtvorming is het leven van de moeder verstrengeld met dat van het menselijk embryo. Het fysieke lichaam van de moeder omhult het fysieke lichaam van het kind; dit betekent dat het nog ontoegankelijk is voor de fysieke buitenwereld. [1] Dit verandert pas na de geboorte. Het kind kan pas na de geboorte indrukken ontvangen van andere wezens uit de fysieke wereld. Dit maakt het etherische en astrale lichaam echter nog niet toegankelijk voor de buitenwereld. Tussen het eerste en zevende jaar kunnen het etherische en astrale lichaam nog niet vanuit de buitenwereld worden beïnvloed, omdat beide nog betrokken zijn bij de ontwikkeling van het eigen fysieke lichaam van het kind.

Blz. 55

Alle ihre Tätigkeit richtet sich nach dem Innern des physischen Leibes; sie
arbeiten an dessen Ausbau. Ungefähr gegen das siebente Lebensjahr fängt der Ätherleib an, frei zu werden für äußere Eindrücke. Dann erst kann man auf den Ätherleib einwirken. Zwischen dem siebenten und dem vierzehnten Jahre sollte man dagegen noch nicht auf den Astralleib wirken, denn man schädigt ihn dadurch, daß man ihm die Möglichkeit entzieht, nach innen zu wirken. Es ist am besten, wenn man in den ersten sieben Jahren den Äther- und Astralleib ganz unbehelligt läßt, wenn man damit rechnet, daß sich in diesen Jahren alles von selbst ergibt.
Wie wirkt man in den ersten sieben Jahren am besten auf den Menschen ein? Indem man die Sinnesorgane ausbildet. Alles, was von außen auf sie einwirkt, ist bedeutsam. Alles, was der Mensch in den ersten sieben Jahren sieht und hört, wirkt auf ihn ein durch die Sinnesorgane. Aber nicht durch einen Lehrstoff oder mündliche Belehrung wirkt man auf die Sinnesorgane ein, sondern durch das Beispiel, das Vorbild. Man muß dem Kinde etwas für seine Sinne bieten; das ist wichtiger als alles andere in den ersten sieben Jahren.

Al hun activiteit is gericht op het innerlijk van het fysieke lichaam; ze werken aan de ontwikkeling ervan. Rond het zevende levensjaar begint het etherlijf vrij te worden voor indrukken van buitenaf. Pas dan kan je het etherlijf beïnvloeden. Tussen het zevende en veertiende jaar mag je het astraallijf echter niet beïnvloeden, want je beschadigt het door het de mogelijkheid te ontnemen om naar binnen te werken. Het is het beste om het etherlichaam en het astrale lichaam gedurende de eerste zeven jaar volledig ongestoord te laten, ervan uitgaande dat alles zich in deze jaren op natuurlijke wijze zal ontwikkelen.

Hoe kan je een mens het beste beïnvloeden gedurende de eerste zeven jaar? Door de zintuigen te ontwikkelen. Alles wat hen van buitenaf beïnvloedt, is van belang. Alles wat een mens in de eerste zeven jaar ziet en hoort, beïnvloedt hem via de zintuigen. Maar je beïnvloedt de zintuigen niet door leerstof of verbale instructie, maar door voorbeeld en rolmodel. Je moet het kind iets bieden voor zijn zintuigen; dat is in de eerste zeven jaar belangrijker dan wat dan ook. 

Das Kind sieht, wie sich die Menschen benehmen in seiner Umgebung, es sieht es mit seinen Augen. Aristoteles sagt mit Recht: Der Mensch ist das nachahmendste der lebenden Wesen. – Vorzugsweise ist das in den ersten sieben Jahren der Fall. Nie wieder ist der Mensch so sehr der Nachahmung zugänglich wie in diesen ersten sieben Jahren.
Darum eben muß man in dieser Zeit auf die Sinnestätigkeit einwirken, muß sie herauszulocken suchen und zur eigenen Tätigkeit anregen. Daher ist es auch so verfehlt, wenn man in der frühen Jugend dem Kinde eine sogenannte «schöne» Puppe gibt; dabei können die inneren Kräfte nicht zur Arbeit kommen. Ein natürlich entwickeltes Kind weist sie ohnehin zurück und hält sich lieber an ein Stück Holz und dergleichen, das die Phantasie und Imagination zu eigener
innerer Tätigkeit anregt.
Auf den Äther- und Astralkörper braucht man keine besondere Lehrmethode anzuwenden, aber ungeheuer wichtig ist es, daß die höheren Einflüsse, die von der physischen Umgebung ohne bewußte Einwirkung auf sie übergehen, günstig sind. Sehr wichtig ist es,

Het kind ziet hoe mensen om hem heen zich gedragen; het ziet het met eigen ogen. Aristoteles zegt terecht: Mensen zijn de meest imiterende levende wezens. Dit geldt vooral gedurende de eerste zeven jaar. Nooit is een mens zo vatbaar voor imitatie als gedurende deze eerste zeven jaar.
Daarom moet je in deze periode op de zintuigen werken, proberen ze te prikkelen en stimuleren tot hun eigen activiteit. Daarom is het zo verkeerd om een ​​kind in de vroege kindertijd een zogenaamd “mooie” pop te geven; dit verhindert de werking van de innerlijke krachten. Een natuurlijk ontwikkeld kind wijst ze sowieso af en houdt zich liever aan een stuk hout of iets dergelijks, wat de fantasie en verbeelding stimuleert tot in zijn eigen innerlijke activiteit.
Er is geen speciale leermethode nodig voor het etherische en astrale lichaam, maar het is uiterst belangrijk dat de hogere invloeden die zonder bewuste tussenkomst vanuit de fysieke omgeving op hen overgaan, gunstig zijn. Het is zeer belangrijk

Blz. 56

daß der Mensch in diesem Lebensalter gerade von edlen, hochherzigen und gemütvollen Menschen mit guten Gedankenformen umgeben ist. Diese prägen sich den im Innern arbeitenden Wesensgliedern ein. Das Vorbild also, auch in Gefühlen und Gedanken, ist das wichtigste Erziehungsmittel. Nicht was man sagt, sondern wie man ist, wirkt in den ersten sieben Jahren auf das Kind ein. Wegen der ungemeinen Subtilität dieser Wesensglieder muß sich die Umgebung des Kindes aller unreinen, unmoralischen Gedanken und Gefühle enthalten.
In der Zeit vom siebenten bis vierzehnten, fünfzehnten und sechzehnten Jahre, also bis zur Geschlechtsreife, wird der Ätherleib geradeso herausgeboren, wie bei der Geburt der physische Leib für die Umgebung zugänglich wird. Da muß man also auf den Ätherleib wirken. Der Ätherleib ist der Träger des Gedächtnisses, der bleibenden Gewohnheiten, des Temperamentes, der Neigungen und der bleibenden Begierden. Daher muß man, wenn dieser frei wird, vor allem seine Sorgfalt darauf wenden, diese Eigenschaften zu entwickeln; man muß auf Gewohnheiten wirken, auf das Gedächtnis, überhaupt auf alles das, was dem Menschen einen dauernden Grundstock des Charakters geben soll.

dat een mens op deze leeftijd omringd is door nobele, genereuze en meelevende mensen met goede denkpatronen. Deze worden ingeprent in de wezensdelen die innerlijk actief zijn. Daarom is het voorbeeld, ook in gevoelens en gedachten, het belangrijkste opvoedingsmiddel. Niet wat je zégt, maar hoe je bént, beïnvloedt het kind in de eerste zeven jaar  Vanwege de buitengewone subtiliteit van deze wezensdelen, moet de omgeving van het kind zich onthouden van alle onzuivere, immorele gedachten en gevoelens. <2>

het etherlijf

<3> In de periode van het zevende tot en met het veertiende, vijftiende en zestiende jaar, d.w.z. tot aan de puberteit, wordt het etherisch lichaam zo geboren als het fysieke lichaam dat bij de geboorte toegankelijk wordt voor de omgeving. Dan moet je op het etherlijf werken. Dit is de drager van herinneringen, blijvende gewoonten, temperament, neigingen en blijvende verlangens. Daarom moet je, wanneer dit vrij geworden is, allereerst zorgvuldige aandacht besteden aan de ontwikkeling van deze kwaliteiten; je moet werken aan gewoonten, aan het geheugen, in het algemeen aan alles wat een mens een blijvende karakterbasis moet geven.

Er wird wie ein Irrlicht, wenn nicht in dieser Zeit dafür gesorgt wird, daß gewisse Gewohnheiten wie ein roter Faden seinen Charakter durchziehen, damit er feststehen kann gegen die Stürme des Lebens. Und jetzt muß man auf das Gedächtnis wirken; später, nach dieser Zeit, wird das, was als Gedächtnisstoff aufgenommen werden soll, schwer eingehen. Insbesondere wird auch der Sinn für Kunst in dieser Zeit erwachen, namentlich für eine solche Kunst, die sehr viel zu tun hat mit den Schwingungen des Ätherleibes, nämlich für Musik. Sind hierfür Talente vorhanden, so muß man in diesen Jahren dafür Sorge tragen, sie zur Entfaltung zu bringen. In dieser Zeit wirkt das Gleichnis; wenn man versucht, jetzt auch schon das Urteil auszubilden, so tut man unrecht. Unsere Zeit sündigt darin außerordentlich viel. Man soll dafür Sorge tragen, daß das Kind möglichst viel durch Gleichnisse lernt; das Gedächtnis muß Inhalt bekommen, die Vergleichungskraft muß an sinnlichen Vorstellungen geübt werden. Es müssen ihm Beispiele

Hij zal als een dwaallicht worden als bepaalde gewoonten in deze tijd niet als een rode draad door zijn karakter lopen, zodat hij stand kan houden tegen de stormen van het leven. En nu moet je aan het geheugen werken; later, na deze tijd, zal wat als geheugenmateriaal moet worden opgenomen, moeilijk op te nemen zijn. Vooral het gevoel voor kunst zal in deze tijd ontwaken, vooral voor een kunstvorm die veel te maken heeft met de bewegingen van het etherlijf, namelijk muziek. Als hiervoor talent aanwezig is, moet je ervoor zorgen dat dit in deze jaren wordt ontwikkeld. In deze tijd zijn parabels effectief; als je nu al probeert oordeelsvermogen te ontwikkelen, doe je daar geen goed aan. Onze tijd zondigt buitengewoon veel op dit gebied. Je moet ervoor zorgen dat het kind zoveel mogelijk leert door middel van gelijkenissen; het geheugen moet inhoud krijgen, het vergelijkingsvermogen moet worden geoefend met zintuiglijke beelden. Het moet voorbeelden krijgen

Blz. 57

großer Menschen aus der Weltgeschichte vorgeführt werden; aber man darf nicht sagen, das ist gut oder das ist schlecht, denn das würde auf die Urteilskraft wirken. Man kann gar nicht genug solche Bilder, die auf den Ätherleib wirken, oder Vergleiche mit dem Großen auf der Welt dem Kinde vorhalten. Dabei ist es von großem Nutzen, wenn man viel mit Sinnbildern arbeitet. Das ist die Zeit, wo die sinnigen Märchen und Erzählungen, die das Menschenleben in Bildern darstellen, mächtig wirken. Dadurch macht man den Ätherleib beweglich, schmiegsam und gibt ihm dauernde Eindrücke. Wie mußte Goethe seiner Mutter dankbar sein, daß sie ihm in dieser Zeit so viele Märchen erzählte!
Also, je später man dazu kommt, das Urteil im Kinde hervorzurufen, desto besser ist es. Das Kind aber fragt «Warum?». Diese Fragen nach dem Wie und Warum sollen nicht mit abstrakten Erklärungen, sondern mit Beispielen, mit Sinnbildern beantwortet werden. Und wie unendlich wichtig ist es, die richtigen Sinnbilder zu finden! Wenn das Kind fragt nach Leben und Tod, nach den Verwandlungen des Menschen, so kann man ihm das Beispiel von der Raupe und Puppe vorführen; man macht ihm klar, wie gleichsam aus der Puppe heraus der Schmetterling aufersteht zu einem neuen Leben. 

van grote mensen uit de wereldgeschiedenis; maar je moet niet gaan zeggen dat dit of dat goed of slecht is, want dat zou het oordeelsvermogen van het kind aantasten. Je kan niet genoeg beelden presenteren die het etherlijf beïnvloeden, of vergelijkingen maken met de groten der aarde. Het is zeer nuttig om uitgebreid met symbolen te werken. Dit is de tijd waarin betekenisvolle sprookjes en verhalen die het menselijk leven in beelden laten zien, een krachtige uitwerking hebben. Zo maak je het etherlijf beweeglijk, levendig en laat het blijvende indrukken achter. Hoe dankbaar moet Goethe zijn moeder zijn geweest dat ze hem in die tijd zoveel sprookjes vertelde!

Dus hoe later je ertoe komt in het kind het oordeel op te roepen, hoe beter het is. Maar het kind vraagt: “Waarom?” Deze vragen over hoe en waarom moeten niet met abstracte verklaringen worden beantwoord, maar met voorbeelden, met symbolen. En hoe oneindig belangrijk is het om de juiste symbolen te vinden! Wanneer een kind vraagt ​​naar leven en dood, naar menselijke metamorfoses, kan je het voorbeeld van de rups en de pop nemen; je kan uitleggen hoe de vlinder als het ware uit de pop tevoorschijn komt en wakker wordt voor een nieuw leven.

Überall in der Natur findet man solche Gleichnisse für die höchsten Fragen. Ganz besonders aber wichtig ist in dieser Zeit für das Kind die Autorität. Nur darf es keine erzwungene Autorität sein, sondern in ganz natürlicher Weise muß der Lehrer Autorität erlangen, damit das Kind glaubt, bevor sich ein Wissen entwickeln darf. Daher fordert die theosophische Pädagogik nicht bloß intellektuelles Wissen, pädagogische Grundsätze und Einsichten bei dem
Erzieher, sondern sie fordert, daß man solche Menschen dazu wählt, die durch ihre natürlichen Anlagen versprechen, eine Autorität zu werden. Scheint dies eine Härte ? Aber wie sollte man sie nicht hineinbringen, da die Zukunft der Menschheit davon abhängt! Gerade das ist eine Perspektive für eine große Kulturaufgabe der Theosophie.
Wenn dann der Mensch die dritten sieben Jahre antritt, die Zeit
der Geschlechtsreife, wird der Astralleib frei, und an ihm hängt das

Dergelijke zinnebeelden over de meest diepgaande vragen zijn overal in de natuur te vinden. Maar in deze periode is autoriteit bijzonder belangrijk voor het kind. Het mag echter geen afgedwongen autoriteit zijn; de leraar moet op een volledig natuurlijke manier autoriteit verwerven, zodat het kind vertrouwen heeft voordat de kennis zich kan ontwikkelen. Daarom vereist de antroposofische pedagogie niet alleen intellectuele kennis, pedagogische principes en inzicht bij de opvoeder, maar ook dat er mensen worden gekozen die door hun natuurlijke talenten de belofte in zich dragen, autoriteit te worden. Lijkt dit hard? Maar waarom zou je dat niet in kunnen brengen als de toekomst van de mensheid ervan afhangt! Dit is precies het perspectief voor een grote culturele taak van de antroposofie. <3>

van het astraallijf

<4> Wanneer de mens dan de derde zeven jaar ingaat, de tijd van de puberteit, wordt het astraallijf vrij en daarmee is verbonden 

Blz. 58

Urteil, die Kritik, hangen die unmittelbaren Beziehungen zu den übrigen Menschen. So wie die Gefühle von Mensch zu Mensch erwachen, so erwachen auch die Gefühle für die übrige Umwelt; da ist der Mensch reif, anzufangen zu begreifen. Die Persönlichkeit wird mit dem Astralleib freigelegt; da muß man das eigene Urteil aus dem Menschen herauslocken. Heutzutage wird er viel zu früh zur Kritik herausgefordert. Siebzehnjährige Kritiker sind häufig, und wie viele  schreiben und urteilen ganz und gar Unreifes für die Menschheit!
Man muß zweiundzwanzig bis vierundzwanzig Jahre alt sein, ehe man selbst urteilen kann; das andere ist absolut unmöglich. Vom vierzehnten bis zum vierundzwanzigsten Jahre ist die Zeit, wo der Mensch am besten von der Welt lernen wird, wo alles für ihn Lehre wird, was ihn umgibt. So wächst er heran zur völligen Lebensreife.

oordeel en kritiek, daarmee hangen de directe relaties met anderen samen. Net zoals gevoelens van mens tot mens ontstaan, zo ontstaan ook de gevoelens voor de rest van de omgeving; op dit punt is de mens rijp om te beginnen te  begrijpen. De persoonlijkheid komt vrij met het vrij worden van het astraallijf; op dit punt  moet je zijn eigen oordeel bij de persoon oproepen. Tegenwoordig worden mensen veel te vroeg uitgedaagd om kritiek te uiten. Zeventienjarige critici zijn gebruikelijk, en hoeveel schrijven en oordelen er over dingen die volkomen onvolwassen zijn voor de mensheid!
Je moet tussen de tweeëntwintig en vierentwintig jaar oud zijn voordat je zelf kan oordelen; het andere is absoluut onmogelijk. Van het veertiende tot het vierentwintigste jaar is de periode waarin een mens het beste de wereld leert kennen, wanneer alles om hem heen een les voor hem wordt. Zo groei je tot volledige volwassenheid. <4>
GA 95/54
Niet vertaald

[1] Steiner gaat hier niet in op een bepaalde invloed die er wél is. Hij noemt voor de niet waarneembare dingen dat de moeder er goed aan doet, bv. zich te verdiepen, te verbinden met een afbeelding van Maria met het kind. 

Zie ook: opspattend grind

Het is meer dan 120 jaar geleden dat Steiner deze woorden sprak.
In grote lijnen gaat de door hem geschetste ontwikkeling nog zo.
Wat het oordeel van de twintigers betreft, zie je dat we daarover genuanceerder zouden moeten oordelen! dan Steiner hier in grote trekken doet.
Van mezelf weet ik nog dat ik pas rond mijn 22e oordelen had die meer afgewogen waren dan de jaren daarvoor. 
In die jaren – en ook dat zie je nog steeds – werden er allerlei idealen geboren en de oordelen hingen daarmee nauw samen.
Hoe verder je terug gaat in de tijd, zie je de oordelen van de kinderen steeds meer gebonden aan hun belevingen, niet aan een wikken en wegen van allerlei argumenten.
Dan is iets ‘stom’ of ‘leuk’ en vaak volgt op de vraag ‘hoe vond je het’ het antwoord ‘gewoon’ – niet in de zin van alledaags, maar ja, gewoon, zoals het is.

We leven nu in een tijd waarin jongere kinderen veel meer situaties moeten beoordelen dan vroeger. Door de moderne media en m.n. de negatieve kant ervan, moeten kinderen veel eerder dan vanuit bovenstaande visie wenselijk is, voor hun eigen welzijn leren reageren.
Dat is een dilemma waar je als opvoeder voor staat. 
.

Voor de begrippenfysiek lichaametherlijfastraallijf en Ik
Deze begrippen komen ook in ‘Algemene menskunde’ ter sprake vanaf
[1-7-2]

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3451-3248

.

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-6-2)

.

In voordracht 3 spreekt Steiner over het belang voor de aarde wanneer een mens sterft en begraven of gecremeerd wordt.
Zonder dit ‘desem’ zou de aarde niet kunnen bestaan.
Een moeilijk onderwerp.

Toen ik onderstaand artikel las, kreeg ik bij bepaalde stukken een gevoel van ‘Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis’ ofwel: we kunnen in de wereld of de natuur om ons ‘dingen’ zien die ook nog op iets anders duiden.
De passages die me daaraan deden denken i.v.m. de voordracht, heb ik gecursiveerd.
Het artikel laat ik ook wezenlijke aspecten zien van de BD-landbouw en geeft je allerlei te overdenken als leidraad bij je eigen ontwikkeling.
.

Derk Klein Bramel, Motief nr.220 maart 2018
.

De biologisch-dynamische landbouw in relatie tot de mens

.

Een ervaring die veel indruk op mij heeft gemaakt en die mede aanleiding was voor mijn zoektocht naar de diepere betekenis van landbouw voor mensen is de volgende.

Een vrouw van eind 20 werd op een boerderij opgenomen vanwege ernstige anorexia nervosa. Ze had verschillende behandelingen achter de rug, maar zonder succes. Ze kwam voor een zogenaamde 24-uurs opname en woonde er uiteindelijk twee jaar. De behandeling verliep succesvol. Ze ging een relatie aan en begon met haar partner een boerderij in Frankrijk. Bij de evaluatie van de behandeling vroeg ik haar wat de grote verandering bewerkstelligd had. Ze hoefde niet na te denken over het antwoord. Aan het eind van het eerste jaar werkte ze in de groentekas. Ze was daar bezig de tomatenplanten, die al groter waren dan zijzelf, te verzorgen. Opeens realiseerde ze zich daar dat ze al lange tijd opging in haar werk en het bewustzijn voor de tijd verloor. Ze voelde zich zo verbonden met de plantenwereld om haar heen in het werk, met de bodem en de sfeer om haar heen. En dat was heel ongebruikelijk. Normaal was ze zich vrijwel ieder moment bewust van de tijd. Deze ervaring was een doorbraak en sindsdien wist ze de weg naar ‘verbondenheid’ en het gevoel van ‘erbij mogen horen’ te vinden.

We zien hier een voorbeeld van hoe een mens zichzelf hervindt in een omgeving die mede door de impulsen van de BD-landbouw is gecreëerd. Hoe verhouden zich mens en natuur tot elkaar en hoe kunnen we door gezichtspunten uit de BD-landbouw deze verhouding beter gaan begrijpen? Dat is de onderzoeksvraag die aan dit artikel ten grondslag ligt. We beschrijven hier enkele aspecten van de landbouw vanuit dit gezichtspunt.

Het minerale, het gestorvene en het levende

Om ons bewust met de natuur te verbinden, kunnen we ons de vraag stellen: hoe verschijnt het levende aan ons en hoe het gestorvene, het minerale? Aan de gestorven plant zien we de vorm die hij had toen hij nog leefde verdwijnen. Deze vorm (van een blad bijvoorbeeld) valt bij de gestorven plant uit elkaar en gaat over in chaos. Daarentegen zien we bij de opgroeiende plant het tegenovergestelde: er ontstaat vorm, er ontstaat organisatie vanuit de ‘chaos’ van de grondstoffen. Deze tegenstelling tussen verdwijnende vorm bij de gestorven plant en verschijnende vorm bij de levende plant, brengt ons op het spoor van levenskrachten. Het uiteenvallen van de vorm schrijven we de krachten in de materie toe, het ontstaan van de vorm aan krachten die de materiële krachten overwinnen en de vorm scheppen (etherische krachten). Ze zijn van niet-materiële aard en scheppen gehelen. In deze etherische krachten kunnen we nog hogere krachten vermoeden, als we ons realiseren dat in het ene geval in de sfeer van het levende een rode biet verschijnt en in het andere een radijs.

In de BD-landbouw willen we bewustzijn ontwikkelen voor deze verschillende soorten krachten en voor hun samenspel. De aardbodem bevat zowel gestorven planten als minerale stoffen die ‘nooit plant geweest zijn’. Elke bodem op de wereld is anders. In Nederland is het world soil museum en daar kun je wel 2000 bodemprofielen bekijken. De bovenste laag van bodems is gevormd door een intensieve ontmoeting, uitwisseling en verbinding tussen dat minerale deel en het gestorvene – de planten die erop gegroeid zijn, die er afgestorven en verteerd zijn. Een vruchtbare bodem ontstaat als die interactie tussen het minerale en het oorspronkelijk levende goed verloopt. Het levende geeft via het gestorvene zijn kwaliteiten door aan de materiële aarde. De aarde wordt daarmee verrijkt.

De mens op aarde

Bovenstaande is een prachtig beeld voor de mens. Hij komt vanuit een hogere wereld in de aardewereld binnen. Het innerlijk geestelijke verbindt zich vanuit de hogere wereld met het uiterlijk aardse element. Vervolgens doet de mens in deze materiële wereld verschillende levenservaringen op, juist daarom zijn we hier. Deze levenservaringen sterven en worden zo tot herinneringen in de bodem van de ziel. En zoals er van het ‘gestorvene’ uit de natuur niets echt verdwijnt – alles heeft blijvend zijn invloed op de gesteldheid van de bodem, zo kun je je voorstellen dat van wat wij als mensen aan daden doen en aan ervaringen opdoen in ons aardse leven ook niets echt verdwijnt – dat dat alles zijn afdruk achterlaat in de gemeenschappelijke ‘bodem’ die we als mensheid aan het vormen zijn. Dat doe je in de landbouw met mest, compost en humusvorming.

Op de laatste landbouwconferentie in Dornach sprak een boer met veertig jaar ervaring. Hij vertelde dat hij in die veertig jaar had geleerd dat het goed verzorgen van dat wat afgestorven is de belangrijkste bijdrage is die je als boer kunt leveren aan de opbouw van bodemvruchtbaarheid.

Voor het verzorgen van dat wat afgestorven is, gebruikt de BD-boer over het algemeen de composthoop. Op die composthoop verzamelt hij het verleden van zijn bedrijf. Hij zet die netjes op, zorgt ervoor dat de verhouding tussen structuurrijke spullen en structuurarme spullen een beetje klopt (voor kenners: de koolstof-stikstofverhouding). Hij zorgt ervoor dat de temperatuur goed blijft – zo rond de 38-40 graden, dat de vochtigheid goed is, niet te nat, niet te droog en dat er voldoende lucht in de hoop zit. Vaak wordt de hoop na een aantal maanden nog eens omgezet. Zonder dat de boer daar iets voor hoeft te doen, komen eerst schimmels, dan bacteriën en dan allerlei wormen en andere beestjes helpen bij het omzetten van dit afgestorven materiaal naar vruchtbare compost voor de toekomst van het bedrijf. Vertaald naar mensen, heb je het dan over het verzorgen van wat je hebt meegemaakt dat zo belangrijk is voor je verdere leven.

Compost en humus; omgaan met de levenservaring

Stel je voor dat je elke week alles wat je die week hebt meegemaakt of samen hebt meegemaakt, eens bij elkaar zou pakken en aandacht zou geven, je geeft dan aandacht aan ervaringen die al achter je liggen, aan ervaringen die levend waren, maar nu ‘gestorven’ zijn. Je wilt eerst de herinneringen, zoals ze daadwerkelijk zijn, hervinden en tot hun recht laten komen. Hoe werken ze in je? Voelen ze zacht of stengelig aan? Je voelt de temperatuur ervan. Welke emotie voel ik erbij? Word ik warm van woede of koud van angst? En hoe zit het met de lucht? Kan ik luchtig door de ervaringen heen bladeren of stokt het steeds, blijf ik met mijn aandacht in een bepaalde ervaring steken? Moet ik de hoop misschien nog eens omzetten, er morgen nog eens mijn aandacht op richten? Erover schrijven of er met iemand over praten of het nog eens opnieuw ordenen? En hoe zit het met het water? Is het vochtig genoeg, stroomt het nog en is het in verbinding? Als die compost van de boer klaar is, er bijna uitziet als aarde, dan wordt die over het land gebracht. Dit bijna voor 100% organische materiaal wordt dan in verbinding gebracht met het grotendeels minerale materiaal van de bodem. En dan wordt het bodemleven heel actief. Met name de regenwormen gaan ermee aan het werk. Ze nemen hapjes compost en hapjes minerale aarde, mengen dat in hun lijfje, voegen er een eiwitrijk slijm aan toe en poepen het weer uit. Zo ontstaat humus.

Humus is één van de allerbelangrijkste ingrediënten van de landbouw. Het kan vocht vasthouden, het maakt de bodem luchtig, het geeft de bodem veerkracht en het houdt voedingsstoffen vast.

En dat laatste doet humus op een heel bijzondere manier. De voedingstoffen worden zo vastgehouden dat ze niet uitspoelen bij een regenbui en dat ze niet zomaar in water oplosbaar zijn. Maar als de plant met haar haarworteltjes bepaalde stofjes afscheidt, dan komen die voedingsstoffen vrij. Ze komen dus beschikbaar als de plant er om vraagt, maar dringen zich niet op als de plant bijvoorbeeld alleen maar water wil. Daardoor zie je dat planten die op humusrijke grond groeien heel evenwichtig groeien, een goede kwaliteit hebben en lang te bewaren zijn. Zij hebben de voorwaarden gekregen om zich naar hun eigen aard te ontwikkelen.

Uit de opgedane levenservaring ontstaan nieuwe inzichten en nieuwe vaardigheden. Geven we aandacht aan de levenservaring, dan intensiveren we dat proces. Ons hogere ik (ons betere zelf) kan er zich dan beter mee verbinden en nieuwe inzichten en vaardigheden impulseren. Zoals de BD-boer de composthoop in het midden van zijn bedrijf heeft, zo is in ons leven de reflectie (terugblik) een centrale vaardigheid. Als dat goed lukt, dan kunnen we humusachtig worden; veerkrachtig, luchtig, in staat tot geven als er om gevraagd wordt, maar niets op opdringende manier.

Het vormen van een bedrijfsindividualiteit

Een belangrijk element van de BD-landbouw is het begrip ‘bedrijfsindividualiteit’. In de landbouwcursus [GA 327, vertaald] houdt Steiner een pleidooi voor een zo veel mogelijk gesloten bedrijfskringloop. Alles wat er aan voer, mest, zaad enzovoort nodig is, moet zo veel mogelijk van het eigen bedrijf komen. Dit is ook een enorm verschil met andere vormen van landbouw. Bijna alle gangbare bedrijven kopen heel veel meststoffen, voer voor hun dieren en zaden van buiten aan. De bedrijven worden daardoor steeds minder grond- en plaatsgebonden. Het voordeel is dat je met weinig grond toch veel dieren kunt houden en dat je met de aanvoer van meststoffen een bepaalde eenzijdigheid van je bodem kunt corrigeren.

Een BD-bedrijf streeft naar min of meer gesloten bedrijfskringloop, omdat het in het telen van voedsel juist gericht is op het tevoorschijn laten komen van dat eigen karakter van elke plant en elk dier. En met die gesloten bedrijfskringloop vertrouw je op de kwaliteit van je eigen gewassen en je eigen compost, die samenhangen met de eigen minerale uitgangssituatie van de bodem onder je bedrijf, je geeft je dieren voer van de eigen akkers en voedt je akkers met mest van de eigen dieren en zo kom je tot steeds meer authenticiteit van de producten van je bedrijf. In Italië noemen ze dat het ‘terroir’.

Lerend in het leven staan

Betrekken we dit gezichtspunt op ons als mensen, dan begint het ‘verteren’ met het accepteren van je concrete levenssituatie, van jezelf zoals je bent, en van de concrete levenservaring. Vanuit die geaardheid doe je je levenservaringen op. Je verteert die goed en gaat met die ervaringen het leven weer aan. Je leeft niet met een bepaalde voorstelling van zo moet ik worden, maar je vertrekt vanuit acceptatie van wie je bent, integreert je eigen levenservaring en wordt zo steeds meer wie je bent.

De samenleving zoals die nu is nodigt niet echt uit om zo te leven, zoals de gangbare landbouw ook niet uitnodigt om zo te handelen. Daar is juist een grote drive om veel voer en meststoffen vanuit de hele wereld aan te kopen en om te streven naar neutrale smaken die steeds herhaalbaar zijn. Dit heeft
mestoverschotten en voedselverspilling tot gevolg. Bij mensen zie je ook dat er een voortdurend teveel is. Te veel indrukken, te veel ervaringen die worden opgedaan, te veel informatie die dagelijks wordt opgenomen. (Prima, die smartphone en het vertoeven in die digitale wereld, als je aan het eind van de dag, bij de terugblik, al die informatie maar weer terug kunt halen om ’m in je composthoop te integreren.)

Het landbouwbedrijf tussen mens en natuur

Dit zijn enkele voorbeelden van hoe in de BD-landbouw wordt gewerkt aan het creëren van goede voorwaarden om ontvankelijk te worden voor de geaardheid (geest) en vitaliteit van al wat leeft. En om ontvankelijk te worden voor de samenhang tussen mens en natuur. Naarmate we die ontvankelijkheid systematisch oefenen en ons daardoor in de praktijk laten inspireren, ben ik geneigd van geesteswetenschappelijk onderzoek te spreken, van invulling geven aan de spreuk waarmee we ons Hogeschooloverleg steeds openen:

Wil je de wereld leren kennen, kijk in je eigen ziel.
Wil je jezelf leren kennen, kijk in de wereld.

GA 40/295
Vertaald/112

Overal in de wereld zie je dat de BD-landbouwbedrijven er sociale taken bij doen, ze trekken veel vrijwilligers aan, doen aan zorg of hebben een klantengemeenschap, vangen schoolkinderen op enzovoort.

Het aantal zorgboerderijen groeide in Nederland tussen 1998 en 2014 van 75 naar 1100.* Kortom, biologische en biologisch-dynamische landbouwbedrijven trekken mensen aan. Gezien de in dit artikel beschreven samenhang tussen landbouw en mens is dat ook niet zo gek misschien.

* Dhr. J. Hassink: Understanding Care Farming as a Swiftly Devetoping Sector in The Netherlands. Promotie september 2017 UvA

(De auteur:) Met dank aan Auke van der Meij.

.

Algemene menskunde: voordracht 3: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3439-3237

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (3-3)

.
In dit artikelover de eerste jaren van een kindhaalde ik Steiner aan die op zijn beurt een uitspraak citeerde van de dichter Jean Paul (Richter) (1763-1825) die in zijn leven al doordrongen was van het feit dat de eerste jaren van een kind buitengewoon belangrijk zijn: het leert meer dan op de universiteit – vrij vertaald.

Maar hoe belangrijk, is nog steeds geen gemeengoed bij – m.n. ‘beleidsmakers’, grofweg regeringsambtenaren die vanuit politieke motieven bepalen wat nodig is voor de ontwikkeling van een kind.

Maar de werkelijke kenners van het kinderwezen komen met heel andere geluiden.

Zo bv. lector Annerieke Boland. Zij werd uitvoerig geciteerd op de site van
Nivoz ‘Platform het kind

Nu het daar weer wat moeilijker is te vinden en het overduidelijk ‘vrijeschooltaal’ spreekt, is het waardevol het op deze blog ‘paraat’ te houden.

Lector Annerieke Boland:
.

‘Maak van een kleuter niet te vroeg een schoolkind’ 

iPabo-lector Annerieke Boland opende in november 2019 de jaarlijkse Jenaplanconferentie met haar keynote over de wereldverkenningen van het jonge kind. Die vroege stappen in de wereld – van het ontdekken van je schaduw tot het samen bedenken van spelregels – zet een kind al spelend.

Anneriekes boodschap: maak van een kleuter met te vroeg een schoolkind: ‘Er is niks mis met kijken naar taal en rekenen, maar dat zit allemaal al in het spel van jonge kinderen. Als je goed kijkt naar hun spel, zie je dat daar het leren gebeurt.’

Ze vertoonde dit filmpje:

Jade ontdekt haar schaduw.
Peutertje Jade wijst een bloempje aan in een kruidenrijke berm langs een zandpad Als ze zich omdraait ziet ze iets donkers in het zand. Zichzelf, haar contouren, haar schaduw. Ze volgt het donkere ding en het ding volgt haar. Ze vertelt erover in de weinige woorden die ze heeft, tegen haar moeder achter de telefooncamera. Mama grinnikt bemoedigend. Jade tilt haar teen op, maar de schaduw sluit weer aan als haar voet de grond raakt. Nog eens. Ze gaat op haar hurken zitten om het vreemde fenomeen met haar vingers aan te raken Dan loopt ze naar haar moeder, kijkt intussen naar de schaduw die achterlangs meeloopt, en botst zo tegen mama op.

‘Spelend groeit het jonge kind de wereld in’

“Je ziet dat leren niet in je eentje gebeurt: Jade kijkt naar haar moeder achter de camera. Je wilt het delen. Bij jonge kinderen zie je momenten als dit de hele dag door – spelen, ontdekken. Schaduwen, blokken, elkaar. Spelend groeit het jonge kind de wereld in.

Het jonge kind lijkt soms in de verdrukking te zijn gekomen, misschien al sinds de jaren ’80 toen de kleuteropleiding werd afgeschaft, stelt Boland: “Van kleuters wordt steeds meer verwacht dat ze zich gedragen als een schoolkind, en dat is een peuter of kleuter niet.”
Ook leerkrachten hebben er soms moeite mee om een kleuter te volgen en te accepteren als kleuter. Annerieke vertelt hoe ze meeliep in een kleuterklas, met een bedrijvige huishoek, waarin de leerkracht het lastig vond dat de kinderen steeds wegliepen uit de huishoek naar de gang.

“Maar het bleek dat op de gang de supermarkt was en dat de kinderen daar hun boodschappen deden. Dat wisten alle kinderen, ook aan nieuwe kinderen werd dat bekend gemaakt, inclusief de route die om de kast heen en dan pas naar de deur liep. De leerkracht had er geen tijd voor gehad of genomen om dat te observeren, want die was zo druk met taal en rekenen bezig geweest.”

Uitspraken van leerkrachten laten zien dat er in veel kleuterklassen al gelonkt wordt naar het formele leren. Annerieke projecteert een uitspraak van onderbouwjuf Renate: “Tijdens de afgelopen jaren merkte ik dat ik mijn onderwijs steeds meer ging aanpassen aan de eisen van groep 3, terwijl ik diep van binnen wist dat dit juist andersom zou moeten.”

Boland stelt dat er niks mis is met kijken naar taal en rekenen, maar dat die activiteiten al in het spel van jonge kinderen zitten:

“Als we niet kijken naar hun spel, weten we niet dat daar het leren gebeurt.”

Een mens in wording

Het jonge kind en spel zijn aan elkaar verbonden. Eerst maar eens: wat is het jonge kind? Hoe moeten we naar een jong kind kijken? Annerieke Boland gaat te rade bij de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt, die het kind tweeledig beziet: enerzijds is een kind ‘een nieuw mens in de wereld die er al was’ – je stapt dus binnen in een wereld die al bestond. Anderzijds is een kind ‘een mens in wording’, die zich wil gaan manifesteren in die al bestaande wereld. “Die twee kwaliteiten zijn van groot belang”, legt Annerieke uit:

“Want dat drijft een kind verder in het leven: enerzijds wil je erbij horen, maar je hebt ook ontdekkingen te maken over jezelf, over hoe jij in bloei kunt komen, je kunt uiten, je kunt openbaren aan de wereld.”

Daar speelt de volwassen mens een cruciale rol, want die beschermt ‘het kind als mens in wording’:

 “Als volwassene neem je verantwoordelijkheid voor de wereld die er al is; je draagt de mooie dingen uit die wereld over, je wijdt het kind in, neemt het mee naar die wereld. Tegelijkertijd is er pluraliteit als voorwaarde, want ieder kind is uniek, alle mensen zijn verschillend.”

“Elk kind is een begin van nieuw handelen en nieuw spreken dat de sociaal-culturele wereld blijvend vernieuwt, en daarmee van de ondergang redt”, stelt Arendt. “Wat ze zegt is: ‘het unieke niet voeden is de maatschappij ten onder laten gaan. Iedere nieuwe generatie moet in staat gesteld worden zijn unieke bijdrage te leveren.”

Spelen: heb jij speelruimte?

Met verwijzing naar de drie doeldomeinen van Gert Biesta – kwalificatie, socialisatie en subjectwording – stelt Annerieke dat we in een tijd leven “waarin kwalificatie veel aandacht krijgt, vaak ten koste van de andere twee aspecten. We moeten meer terug naar de vraag aan ieder kind: wie ben jij? Dat is je drijvende vraag als leerkracht. En daarna: wie ben jij, in deze wereld, als deel van deze gemeenschap, van een groter geheel?”

Wil je dat van een jong kind weten, volg het dan in zijn spel:

 “Spelen is ontwikkelen.

Spelen gebeurt vanuit intrinsieke motivatie. Spelen is een eigen expressie van de indrukken die kinderen opdoen. In het spel laat het kind zichzelf zien.”

Menig professional vergeet dat: dan is spelen wel een element op het kiesbord, maar zelden wordt het spel met serieuze aandacht bekeken door een leerkracht, stelt Boland.

Na de vraag naar wat een jong kind is, is de vraag naar het wezen van spel minstens zo ingewikkeld. Annerieke haalt meerdere denkers en hun uitspraken aan: de Amerikaanse filosoof-pedagoog John Dewey, bijvoorbeeld, noemde spel ‘de manier van leren van een kind’ en school ‘niet de voorbereiding van het leven, maar het leven zelf. De Nederlandse pedagoog Martinus Langeveld hanteerde de definitie: ‘spelen is de meest wezenlijke bezigheid van het veilige kind in een wereld die nog alles kan blijken te zijn’. “Mooier kun je het niet zeggen”, meent Annerieke.

‘Een mooie manier om naar je werk te kijken: ben ik genoeg aan het spelen?’

Spel is ook te definiëren in de wezenlijke randvoorwaardelijke kenmerken, waaraan een activiteit moet voldoen om een spel genoemd te worden. De spreekster onderscheidt er drie: hoge betrokkenheid (“zonder dat is het geen spel”), regels – die je samen overeenkomt en die Annerieke verder verdeelt in sociale, technische, conceptuele en strategische, en – ten derde: “in spel zitten vrijheidsgraden. Spel is een open activiteit, waarin ruimte voor ieders eigen invulling nodig is. Keuzes, initiatieven, interpretaties, bedoelingen…” Vanuit die vrijheidsgraden bezien, wanneer je voldoende ruimte hebt voor eigen initiatief, eigen ontplooiingsmogelijkheden, kan ook werk de ervaring geven dat je aan het spelen bent, stelt Annerieke:

“Dat is een mooie manier om naar je werk te kijken: ben ik genoeg aan het spelen? Is er nog speelruimte voor me? Misschien is de onderwijsstaking van gisteren vooral daar een uitdrukking van: van het gebrek aan speelruimte voor de leraar.”

Sensitief waarnemen

Het spel van jonge kinderen verschijnt gaandeweg Bolands betoog als een steeds wonderlijker, rijker fenomeen. De begeleiding ervan vergt een sensitief waarnemen en subtiel en doortastend handelen. Ze wijst op een goed doordachte inrichting van het lokaal, goed klassenmanagement, inspiratie en goede uitwisseling.

Dat komt mooi tot uitdrukking in een filmpje van taal-in-spel, waarin kinderen worden uitgedaagd tot spelsituaties waarin ze veel taal nodig hebben. Zeker voor kinderen van risico-achtergronden blijkt het veel te helpen, als ze vroeg bezig gaan in taalrijk leren – spelen in en met en door taal, dus. De zaal ziet een leerkracht die voorafgaand aan het gekozen spel ‘doktertje spelen’ met een paar meiden in gesprek gaat: wat ga je als dokter doen? “Iemand beter maken”, zegt het kleutermeisje dat duidelijk de initiatiefnemer is. En wie is er dan ziek? “Om de beurt zijn we ziek.” Met wie wil je spelen? Heb je dat al aan ze gevraagd? Meteen vraagt het meisje haar twee buurvrouwen. Die knikken ‘ja’.

Daarna gaat het loos! Hier wordt een prikje uitgedeeld. En daar nog een. Meteen daarna is de spuit een thermometer en wordt de koorts via het oor opgemeten. De beurten wisselen. Het medicijnbekertje heeft voor één speelster geen duidelijke rol in het doktersgebeuren – ze neemt, als arts, een teugje water tussen het prikken en meten door. Achteraf heeft de leerkracht een nagesprek met de kinderen: “Wat had ze nou precies?” Buikpijn, zeggen de meiden, en het prikje hielp. Annerieke:

“Veel leerkrachten die hiermee aan de gang gaan, vertellen dat de kinderen binnen de kortste keren niet meer anders willen. Ze komen zelf hun plan tevoren vertellen en willen graag uitleggen wat ze hebben meegemaakt.”

Verkennen, verbinden, verrijken

Ook voor leerkrachten blijkt het een enorme hulp om beter zicht te hebben op wat spel is en hoe je het kunt begeleiden. Vastgelopen relaties met een bepaald kind komen weer in beweging, zo ontdekte Annerieke in een project met de Universiteit van Leuven.

“Je kunt met meespelen van alles bewerkstelligen: van het spel kapot maken door er een andere draai aan te geven, tot het leren kennen van je kinderen zoals ze zijn. Hoe verstoor je het spel niet, maar benut je het?”,

vraagt Annerieke de zaal.

“Betrokkenheid is je belangrijkste kompas: blijven de kinderen betrokken, ook bij jouw eventuele input?”

Ze hanteert voor een gezond meekijken en meespelen de v’s van Verkennen, Verbinden en Verrijken. Met verwijzing naar Elly Singer, beschrijft Annerieke ‘verkennen’ als rust nemen, stil staan, kijken wat er gebeurt, inleven in wat er gaande is. ‘Verbinden’ gaat over het aanhaken bij de aandacht van het kind en als volwassene volgend meespelen. Ben je eenmaal verbonden met de kinderen in hun spel, dan kun je verrijken: het spel verdiepen, uitbreiden, complexer maken.

‘Betrokkenheid is je belangrijkste kompas: blijven de kinderen betrokken’

Een slotfilmpje,van een pedagogisch medewerker op een kinderdagverblijf, laat zien hoe rijk het spelen kan worden wanneer je als volwassene precies de goede aansluiting kiest, bijvoorbeeld als kinderen een probleem inbrengen in hun spelsituatie: wanneer de kinderen bij een ijs-verkoop-rollenspel zeggen dat de juf moet eten voor het ijsje smelt, legt de pedagogisch medewerkster de vraag naar een oplossing voor haar heel vieze plakhanden neer bij de kinderen, die het groots oppakken en uitbouwen, met telefoontjes naar hulplijnen als de tandarts en de bakker. Samen opgaan in het spel. Nieuwe woorden, nieuwe oplossingen proberen. Het biedt mooie doorkijkjes naar de vraag ‘wie ben jij?’ en ‘wie ben jij in deze wereld?’

Rudolf Steiner:

Daarom is het van doorslaggevende betekenis om als pedagoog, opvoeder het spelen van een kind zo te leiden: te kijken wat er uit het kind komt, te sturen wat er niet uit moet komen, omdat het kind daardoor ongeschikt zou worden voor het latere leven.  Want je geeft het kind, wanneer je zijn spel in zijn meest prille leeftijd op de juiste manier leidt, iets mee voor de praktijk van het leven zoals zich dat pas in de twintiger jaren vormt. Het hele leven van de mens hangt samen en wat wij in de jeugd in de kinderziel planten, komt pas veel later in het leven tevoorschijn, op de meest verschillende manieren gemetamorfoseerd.’
GA 297A-52/53
Op deze blog vertaald-52/53

.

Opspattend grind

Peuters en kleuters: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen 0 – 7 jr: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

.

3438-3236

.

.

.

.