Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (6)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

.

6. Schuljahr April 1924 bis März 1925
Schooljaar 6 april 1924 tot maart 1925 

Blz. 57

                            1919                                                 1924
                       8 klassen                                         23 klassen
                     12 leerkrachten                               47 leerkrachten
                  256 leerlingen                                 784 leerlingen

Die von Rudolf Steiner geleiteten Konferenzen des ersten (1919/20) und die des letzten Schuljahres (1924) stehen einander seltsam gegenüber.
So riesenhaft sich 1919 alle Anfangsschwierigkeiten auch erheben mochten, sie verbrannten ganz und gar in dem Feuer der Begeisterung darüber, daß diese Waldorfschule nun Wirklichkeit werden sollte. Die anthroposophische Geisteswissenschaft trat weithin sichtbar in das allgemeine Kulturleben ein. Sie sollte der Erziehungskunst neue und befeuernde Impulse geben. Mit schier unerschöpflichem Wagemut wurden die neuen Aufgaben angepackt.

De vergaderingen onder leiding van Rudolf Steiner in het eerste schooljaar (1919/20) en die van het laatste schooljaar (1924) staan ​​in een merkwaardig contrast met elkaar.
Hoe enorm de aanvankelijke moeilijkheden in 1919 ook leken, ze werden volledig overstemd door het enthousiasme dat deze Waldorfschool nu werkelijkheid zou worden. De antroposofische spirituele wetenschap deed op een zeer zichtbare manier haar intrede in het algemene culturele leven. Ze gaf nieuwe en stimulerende impulsen aan de onderwijskunst. De nieuwe taken werden met schijnbaar onuitputtelijke moed aangepakt.

Blz. 58

Im letzten Jahr, 1924, mischen sich in den hellen Glanz, wie in den letzten zwei Jahren, auch wieder unübersehbar getrübte Töne hinein.
Sie gewinnen nicht die Übermacht, gehen sogar zurück, aber sie rufen auf zur Selbstbesinnung und zu erhöhter Anspannung aller Kräfte, um Begeisterung und Geistesgetragenheit ständig neu erstehen zu lassen.
Der äußere Ausbau war in allen Grundzügen an sein Ende gelangt.
Die zwölf Jahrgänge, die die Schulpädagogik umfassen, standen, samt der Hilfsklasse, jetzt da. Parallelklassen wurden auch in diesem Jahr wieder neu eingerichtet (3/145), trotzdem die Schülerzahl für die vier untersten Klassen von der Schulbehörde noch eingeschränkt war (3/145, Einleitung S. 29, 30); auch neue Lehrer wurden noch eingestellt (3/143, 145), aber es wurde nicht, wie bisher, eine neue Klasse auf die eigentliche Schule daraufgesetzt.
Dafür kam der weittragende Entschluß zustande, in diesem Schuljahr nicht mehr die Reifeprüfung am Ende der 12. Klasse abzuhalten.
Dieser Versuch hatte im vorigen Jahr die oberste, 12. Klasse und ihren Lehrplan von Grund aus verdorben.

Het laatste jaar, 1924, vermengden zich, net als in de twee voorgaande jaren, onmiskenbaar duistere tinten met de heldere schittering. Ze kregen niet de overhand, integendeel, ze vervaagden, maar ze riepen op tot zelfreflectie en een verhoogde inzet van alle energie om het enthousiasme en de spirituele scherpte steeds opnieuw te laten ontstaan.
De uiterlijke groei had basaal in alles het einde bereikt.
De twaalf leerjaren die het onderwijsprogramma van de school omvatten, samen met de hulpklas, waren er nu. Ook dit jaar werden er weer parallelklassen gevormd (3/145), hoewel het aantal leerlingen voor de vier laagste leerjaren nog steeds door de schoolleiding afgebakend was (3/145, Inleiding, pp. 29, 30); er werden ook nieuwe leraren aangenomen (3/143, 145), maar in tegenstelling tot voorheen werd er geen nieuw klas aan de bestaande school toegevoegd.
Daarbij kwam het ingrijpende besluit tot stand om dit schooljaar geen eindexamens af te nemen aan het einde van de 12e klas.
Dit had het vorige jaar de hoogste, 12e klas en het bijbehorende leerplan fundamenteel ontwricht.

Rudolf Steiner erwog lange (3/144, 146, 150, 194), wie diese Frage zu lösen sei. Er sprach sie auch mit den Schülern durch, die jetzt in die 12. Klasse eintraten (3/135, 150). Das endgültige Ergebnis war, daß vom übernächsten Jahr, also von 1925 ab, eine eigene Klasse eingerichtet werden sollte für solche Schüler, die ein staatliches Reifezeugnis benötigten für ihren Lebensweg. Damit aber diese
Klasse nicht einfach als die höchste, die 13., angesehen werden könne, sollte sie schon durch die Namensgebung „Vorbereitungsklasse für das Abiturium” (3/194) als eine Sondereinrichtung charakterisiert werden. Die zwölf eigentlichen Klassen sollten „rein gehalten” werden (3/146).
Für die zwölf Schulklassen aber konnte nun, ohne Rücksichtnahme auf Abschlußzeugnisse, der Lehrplan vervollständigt werden, wie immer ausschließlich begründet auf Wesen und Bedürfnisse der jungen Menschen selbst (3/146-149, 150—158). Er wurde ergänzt durch einen jetzt neu gegebenen Gesamtlehrplan für den Unterricht in den neueren Fremdsprachen (3/161 — 165, 170—175).
Das Hinausschieben der Abitursvorbereitung aus der eigentlichen
Schule war aber nur ein Teil eines Kampfes, den Rudolf Steiner
damals führte, um die Waldorfschule „rein zu halten” von den Einflüssen, die aus der üblichen, „bourgeoisen” (1/261) höheren Schule
hineinwehten. Denn diese veranlaßten zum guten Teil die erwähnten
Trübungen des Gesprächstones in den Konferenzen.

Rudolf Steiner dacht uitvoerig na (3/144, 146, 150, 194) over hoe deze kwestie opgelost kon worden. Hij besprak het ook met de leerlingen die nu in het twaalfde leerjaar zaten (3/135, 150). Het uiteindelijke resultaat was dat er vanaf het jaar daarop, in 1925, een aparte klas zou worden gevormd voor leerlingen die een door de staat erkend eindexamendiploma nodig hadden voor hun toekomst. Om te voorkomen dat deze klas simpelweg als het hoogste leerjaar, het dertiende leerjaar, zou worden gezien, moest deze als een speciale vorm worden aangeduid met de naam “Voorbereidende klas voor het eindexamen” (3/194). De twaalf reguliere klassen moesten “puur” blijven (3/146).
Voor de twaalf schoolklassen kon het leerplan nu echter worden afgerond zonder rekening te houden met diploma’s, zoals altijd uitsluitend gebaseerd op de aard en behoeften van de jongeren zelf (3/146-149, 150-158). Het werd aangevuld met een nieuw uitgegeven algemeen leerplan voor het onderwijs in moderne vreemde talen (3/161-165, 170-175).
Het uitstellen van de voorbereiding op het toelatingsexamen voor de universiteit vanuit de school zelf was echter slechts een onderdeel van een strijd die Rudolf Steiner destijds voerde om de Waldorfschool “zuiver” te houden van de invloeden die vanuit het gebruikelijke, “burgerlijke” (1/261) hoger onderwijs binnenstroomden. Deze invloeden waren immers grotendeels verantwoordelijk voor de eerdergenoemde veranderingen in de toon van de discussie tijdens de vergaderingen.

Blz. 59

Die Rücksicht auf die Prüfung drohte, schon bis in die 9. Klasse hinunter, die Oberstufe einseitig intellektuell oder lernmäßig zu machen. Sie verhinderte, die Lebenskunde oder Technologie zu erweitern; sie drohte sogar, die bestehende einzuengen, die doch gerade ins Tätig-Menschliche, ins wirkliche Leben hineinführen sollte. Das ist in den Konferenzen nicht mit direkten Worten gesagt, aber wer diesen Ton in anderen Vorträgen Rudolf Steiners, zum
Beispiel 1/276, 277, oder „Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis”, 7. Vortrag, S. 142—145 (Liste Nr. 26), vernommen hat, hört ihn auch hier immer wieder durch. Manche Enttäuschung und Bitterkeit, mancher Tadel (3/167-169, 182-185 , 187-190), die schon im 5. Schuljahr ausgesprochen waren, kommen jetzt verstärkt wieder. Die strengen Worte beziehen sich, wenn von den Zeugnissen (3/141, 167, 168, 180, 181) die Rede ist, auf sämtliche Klassen, sonst aber vor allem auf die oberen. Und da trifft es besonders die Lehrer des Hauptunterrichts, die selbst einst durch staatliche Oberschule und Universität mit ihren intellektuellen Forderungen hindurchgehen mußten.
Davon war ihnen zurückgeblieben, womit sie jetzt zu ringen hatten: das Dozieren (3/187), die Müdigkeit. „Ein Mensch kann doch nicht müde sein, wenn er im Geiste leben soll” (3/190).

De nadruk op het examen dreigde, zelfs al in de negende klas, de hogere klassen eenzijdig intellectueel of academisch te maken. Het belemmerde de ontwikkeling van levensvaardigheden of technologie; het dreigde zelfs het bestaande leerplan te vernauwen, dat immers juist zou moeten leiden tot actieve menselijke ervaring, tot het echte leven. Dit wordt niet direct in de vergaderingen gezegd, maar iedereen die deze toon in andere lezingen van Rudolf Steiner heeft gehoord, bijvoorbeeld 1/276, 277, of “De pedagogische praktijk vanuit het perspectief van de spiritueel-wetenschappelijke kennis van de mens”, voordracht 7, pp. 142-145 , GA 306/142, vertaald,  zal hem hier ook steeds weer horen. Een deel van de teleurstelling en bitterheid, een deel van de afwijzing (3/167-169, 182-185, 187-190), die al in de vijfde klas was geuit, komt nu met hernieuwde intensiteit naar voren. De harde woorden hebben betrekking op alle klassen wanneer de getuigschriften (3/141, 167, 168, 180, 181) worden genoemd, maar vooral op de hogere klassen. En daar treft het met name de leerkrachten van de hoofdvakken, die zelf ooit de staatsschool voor voortgezet onderwijs en de universiteit met hun intellectuele eisen hebben doorlopen.
Wat hiervan overbleef, was waar ze nu mee worstelden: het lesgeven (3/187), de vermoeidheid. “Een mens mag niet moe zijn als hij in de geest wil leven” (3/190).

Mit harten Worten bezeichnet Rudolf Steiner diese Fehler, die noch nicht durch
Anthroposophie überwunden sind, und wiederholt das immer wieder. „Es fehlt der moralische Einfluß der Lehrerschaft auf die Schülerschaft von der 8. Klasse ab eigentlich doch sehr stark” (3/183). Die Schwierigkeiten seien „vorzugsweise eine Sache des Interesses an den Kindern . . . und eine Sache des Enthusiasmus”
(3/189).
Aber so streng die Worte klingen mögen, so sind sie doch niemals in Resignation gesagt. Sie sind positiv gemeint, wollen weiterhelfen.
„Ich muß einen neuen Einschlag geben” (3/189). Für die herandrängenden Aufgaben soll sich der Blick stärker und klarer nach innen wenden, damit die Arbeit der Lehrer immer tiefer angeschlossen werde an das Geistige, an die wahre Menschenkunde. „Ich will Vorträge halten im September oder in der ersten Oktoberwoche über die moralische Seite der Erziehung und des Unterrichts” (3/194). Aber dieser Kurs wurde nicht gehalten. Die eingetretene Krankheit Rudolf Steiners verhinderte es. Ebenso wird erwähnt ein zugesagtes
Seminar über den Sprachunterricht, das nicht mehr zustande kam.
Diese Lücken schmerzen seither wie brennende Wunden. Denn die
Aufgaben wurden größer und größer.

Rudolf Steiner beschrijft deze fouten, die nog niet door de antroposofie zijn overwonnen, in harde bewoordingen en herhaalt dit steeds weer. “De morele invloed van het onderwijzend personeel op de leerlingen is vanaf de achtste klas eigenlijk zeer gering” (3/183). De moeilijkheden liggen “vooral in de belangstelling in de kinderen… en in het enthousiasme” (3/189).
Maar hoe hard de woorden ook mogen klinken, ze worden nooit met berusting uitgesproken. Ze zijn positief bedoeld, om te helpen. “Ik moet een nieuwe koers uitzetten” (3/189). Voor de dringende taken die voor ons liggen, moet de focus sterker en duidelijker naar binnen gericht zijn, zodat het werk van leerkrachten steeds dieper verbonden raakt met het spirituele, met de ware kennis van de mens. Ik ben van plan om in september of in de eerste week van oktober voordrachten te geven over het morele aspect van opvoeding en onderwijs” (3/194). Maar deze lezingen werden niet gehouden. Rudolf Steiners ziekte verhinderde dit. Er wordt ook melding gemaakt van een beloofd seminar over taalonderwijs, dat nooit heeft plaatsgevonden.
Deze lacunes zijn sindsdien pijnlijk gebleven, als brandende wonden. Want de taken werden steeds groter.

Die erste Gruppe der Absolventen, der ,,ehemaligen” Schüler stand schon da. Mit ihnen wurden zwei Besprechungen abgehalten (Zeittafel), und Rudolf Steiner stellte weitere Fürsorge in Aussicht.
Auch der Kreis der Jugendgruppen, die auf die Waldorfschule hinschauten, war gewachsen. Erwähnt werden die in Breslau (3/177) und die in Dornach (3/137, 143 und Einleitung S. 35).
Die Schulbewegung erweiterte sich. Es wurden neue Schulen jetzt auch in Holland und England errichtet, für die Rudolf Steiner pädagogische Kurse hielt mit Hinweisen auf das Stuttgarter Urbild. Und ebenfalls wuchs das Bedürfnis, aus dem Munde der Lehrer Näheres über Waldorf-Pädagogik zu hören. Solche Vorträge waren gehalten oder in Aussicht genommen in Nürnberg und München (3/192).
Die Eltern der Waldorfschüler hatten gebeten um Belehrung und Hilfe. Ihnen hielt Rudolf Steiner einen Vortrag am 1. Juni 1924 (Zeittafel. Liste Nr. 8).
Überall tönte aus den Worten Rudolf Steiners die vertiefte Kraft heraus, die er in die Schule einfließen ließ. Aber das geschah wohl niemals intensiver, freudiger, strahlender als in seiner Ansprache an Kinder, Eltern, Lehrer beim Schulbeginn am 30. April 1924 (3/145).

De eerste groep schoolverlaters, de “oud-leerlingen”, was er al. Er werden twee bijeenkomsten met hen gehouden (tijdlijn), en Rudolf Steiner beloofde verdere steun. De kring van jeugdgroepen die naar de Waldorfschool keken, was ook gegroeid. Die in Breslau (3/177) en Dornach (3/137, 143 en Inleiding p. 35) worden genoemd.
De schoolbeweging breidde zich uit. Er werden nu ook nieuwe scholen opgericht in Nederland en Engeland, waarvoor Rudolf Steiner pedagogische cursussen gaf met verwijzingen naar het Stuttgarter model. En de behoefte groeide ook om meer te horen over de Waldorfpedagogie van de leraren zelf. Dergelijke lezingen waren gegeven of gepland in Neurenberg en München (3/192).
De ouders van de Waldorfleerlingen hadden om instructie en ondersteuning gevraagd. Rudolf Steiner gaf hen een lezing op 1 juni 1924 (tijdlijn. Lijst nr. 8)

Overal klonk de diepe kracht van Rudolf Steiners woorden, de kracht die hij in de school bracht. Maar dit gebeurde waarschijnlijk nooit intenser, vreugdevoller en stralender dan in zijn toespraak tot kinderen, ouders en leerkrachten aan het begin van het schooljaar op 30 april 1924. (3/145)

Und niemals war die Stimmung gelöster und trotz allem hoffnungsfreudiger als in der Konferenz vom 3. September (3/191) in der Nacht, ehe Rudolf Steiner nach Dornach fuhr zum Kurs über Sprachgestaltung, auf den er sich so sichtlich freute.
Es war die letzte Lehrerkonferenz mit ihm.

Während der ganzen zweiten Hälfte dieses Schuljahres lag Rudolf Steiner krank in Dornach. Die Sorgen und Nöte der Lehrer konnten nur durch Briefe zu ihm gelangen, die dann durch ganz kurze Randbemerkungen oder durch nach Stuttgart zu schreibende Anweisungen beantwortet wurden. Am letzten Schultag, am 30. März 1925, starb Rudolf Steiner.
Zwei Wochen vorher hatte er noch einmal selber einen Brief an die
Waldorflehrer geschrieben (abgedruckt in „Die Konstitution der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft . . .”, S. 405; Liste Nr. 50). In diesem Brief faßt Rudolf Steiner noch einmal die Kernkräfte der Waldorf-Pädagogik zusammen. Er spricht da von der Fruchtbarkeit der Anthroposophie und sagt: ,,Wenn die Lehrerschaft treu im Herzen das Bewußtsein trägt von dieser Fruchtbarkeit, dann werden die guten über dieser Schule waltenden Geister wirksam sein können, und in den Taten der Lehrer wird göttlich-geistige Kraft walten.”

En nooit was de sfeer zo ontspannen en, ondanks alles, zo hoopvol als tijdens de vergadering op 3 september (3/191) de avond voordat Rudolf Steiner naar Dornach vertrok voor de cursus spraakvorming, waar hij zo zichtbaar naar uitkeek.

Het was de laatste lerarenvergadering met hem.

Gedurende de hele tweede helft van dat schooljaar lag Rudolf Steiner ziek in Dornach. De zorgen en bezorgdheid van de leraren bereikten hem alleen via brieven, die vervolgens werden beantwoord met zeer korte kanttekeningen of met aanwijzingen die naar Stuttgart gestuurd moesten worden. Op de laatste schooldag, 30 maart 1925, overleed Rudolf Steiner.

Twee weken eerder had hij zelf nog een brief geschreven aan de Waldorfleraren (afgedrukt in GA 260A/405. In deze brief vat Rudolf Steiner nogmaals de kernprincipes van het Waldorfonderwijs samen. Hij spreekt over de vruchtbaarheid van de antroposofie en zegt: “Als de docenten het besef van deze vruchtbaarheid trouw in hun hart dragen, dan zullen de goede geesten die over deze school heersen, effectief kunnen zijn en zal goddelijk-geestelijke kracht de overhand krijgen in het handelen van de leerkrachten.”

Erich Gabert

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3484-3280

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 24 juli 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

Steiner houdt hier a.h.w. een korte pedagogische voordracht. <1>
Daarin: bij vernieuwende pedagogen goede ideeën, maar daar blijft het bij. <2>
Materialisme en geest; het gevaar voor de mens wat ziel en geest betreft. <3>
De cultuur gaat achteruit. Wat kan de vrijeschool doen. Het gaat om de geest van de school, niet om het kopiëren van het model. <4>
Geen compromissen. <5>
Leraar moet in hart antroposoof zijn; wij zijn eerder uit de geestelijke wereld gekomen; kind brengt boodschap mee <6>
Praktisch-pedagogische psychologie moet verder worden uitgewerkt <7>
Vanaf <8> gaat het om zaken die direct te maken hebben met de omstandigheden toen: zitten er geen kinderen in te hoge/lage klassen; te veel leerlingen in een klas; splitsen; ruimtetekort.
Verschil in koor spreken en individueel. <9>
Bij taal [ik neem aan vreemde talen] onderwijs kinderen van verschillende leeftijd bij elkaar, zodat ze van elkaar kunnen leren. <10>
Vanaf <11> allerlei op te lossen problemen: hoeveel uur beschikbaar; verhouding euritmie-gymnastiek; kunnen jongens en meisjes samen in gymn.; huisvesting; geldgebrek

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 162

Vergadering van woensdag 24 juli 1920, 18  uur

Dr. Steiner: Ich darf Herrn Molt das Wort erteilen.

Ik geef het woord aan de heer Molt.

Molt dankt den Lehrern für ihre Arbeit im verflossenen ersten Schuljahr und
spricht insbesondere den Dank aus an Herrn Dr. Steiner. Er erinnert an dessen
Worte über Kraft, Mut, Licht beim Kursbeginn 1919.

Molt bedankt de leraren voor hun werk in het afgelopen eerste schooljaar en
spreekt in het bijzonder zijn dank uit aan Dr. Steiner. Hij herinnert aan diens
woorden over kracht, moed en licht bij de start van de cursus in 1919.

Dr. Steiner: Meine lieben Freunde, auch ich muß gedenken der
Stunde, in der wir unsere Kursbemühungen begonnen haben im
Herbst des vorigen Jahres, und es wird wohl so sein, daß in unseren
Seelen die dazumal angeregten Impulse, die versucht worden sind
aus dem geistigen Leben herab in unsere eigenen Geister zu leiten,
nachgewirkt haben. Ich möchte gerade an diesen Augenblick erinnern und von allen über unserer Sache waltenden guten Geistern erflehen: Möge in unsere Herzen hinein der Segen und die Kraft für unsere Arbeit herabfließen.
Ich möchte an dasjenige noch einmal anknüpfen, das ich schon am
Morgen mit einigen Worten berührt habe. Ich sagte zu Ihnen, meine
lieben Freunde, daß es besonders zu schätzen ist, daß Sie in einem
bedeutungsvollen Augenblicke der europäischen Menschheitsentwickelung den Glauben gehabt haben, Sie müßten Ihre Tätigkeit und Ihre ganze Persönlichkeit einsetzen für dasjenige, was mit der Waldorfschule gewollt werden soll. Bedenken wir doch das Folgende:
ich habe auf das, worauf jetzt hingedeutet worden ist, in einem Kurs,
den ich in Basel über Pädagogik hielt, gleich in der Einleitung hingewiesen.

<1> Beste vrienden, ook ik moet terugdenken aan het het moment waarop we onze cursusinspanningen zijn begonnen in de herfst van vorig jaar, en het zal wel zo zijn dat in onze zielen de toen opgewekte impulsen, die zijn geprobeerd om vanuit het spirituele leven naar onze eigen geest te leiden, een nawerking hebben gehad. Ik wil juist aan dit moment herinneren en alle goede geesten die over onze zaak heersen smeken: moge de zegen en de kracht voor ons werk in onze harten neerdalen.
Ik wil nog eens terugkomen op wat ik vanochtend al in enkele woorden heb aangestipt.
Ik zei tegen u, mijn beste vrienden, dat het bijzonder te waarderen is dat u op een belangrijk moment in de ontwikkeling van de Europese mensheid het geloof had uw activiteiten en uw hele persoonlijkheid in te zetten voor datgene wat met de Waldorfschool beoogd wordt. Laten we het volgende eens overwegen:
ik heb in een cursus die ik in Bazel over pedagogiek gaf, in de inleiding al gewezen op datgene waar nu op is gewezen.

Ich habe gesagt: Pädagogen, die Erziehungs- und Unterrichtsgrundsätze hervorragender Art aufgestellt haben, gibt es sehr viele, und es kann nicht die Aufgabe derjenigen pädagogischen Kunst sein, an die wir uns wenden als Anthroposophen, etwa gegenüber demjenigen, was durch das Erarbeiten von Pestalozzi, Fröbel und durch alles dasjenige, was durch Diesterweg und Dittes heraufgekommen ist, zu ersetzen. Im Prinzip ausgesprochen: die abstrakten Grundsätze, die von großen Pädagogen des 19. Jahrhunderts herüberkamen, werden sich vor einer didaktisch-pädagogischen Beurteilung im Grunde recht gut ausnehmen, und man setzt sich einer gerechten Kritik aus, wenn man von einer Erneuerung der pädagogischen Wissenschaft sprechen will.
Aber in Wirklichkeit handelt es sich um etwas ganz anderes. Wer heute Pestalozzi liest, wer Fröbels Schriften liest, wer Herbart liest und außerdem bis zu Dittes herauf, der wird finden, daß viel Schönes

<2>Ik heb gezegd: er zijn heel veel pedagogen die uitstekende opvoedings- en onderwijsprincipes hebben opgesteld, en het kan niet de taak zijn van de pedagogische kunst om ons als antroposofen te richten op bijvoorbeeld wat Pestalozzi, Fröbel en Diesterweg en Dittes hebben ontwikkeld. In principe gezegd: de abstracte principes die door grote pedagogen uit de 19e eeuw zijn overgeleverd, zullen in principe vrij goed uit de bus komen bij een didactisch-pedagogische beoordeling, en men stelt zich bloot aan terechte kritiek als men wil spreken van een vernieuwing van de pedagogische wetenschap.
Maar in werkelijkheid gaat het om iets heel anders. Wie vandaag Pestalozzi leest, wie de geschriften van Fröbel leest, wie Herbart leest en bovendien tot aan Dittes, zal ontdekken dat er veel moois

Blz. 163

in pädagogischer Beziehung ausgesprochen worden ist. Aber wer da ins innere Getriebe des Unterrichts-unddesErziehungswesenshineinschaut, selbst wenn man in das innere Getriebe der Pestalozzischen Schule selbst hineinschaut, dann zeigt sich, daß ein Geist darin nicht waltet, der diesen ausgesprochenen Grundsätzen, zu denen man sich durchaus in abstrakter Beziehung bekennen kann, entspricht. Man braucht nur zu verfolgen, was Fröbel an herber Kritik gegenüber Pestalozzischen Anstalten geschrieben hat. Und gerade wenn man
die Entwickelung des Erziehungs- und Unterrichtswesens im 19. Jahrhundert verfolgt, wird man sehen, daß, trotzdem die Leute vielfach richtig denken, das Richtige nicht bewirkt, nicht getan wird.
Woher kommt das? Darauf gibt es nur eine Antwort. Es ist die, daß das 19. Jahrhundert — gleichgültig aufweichen Kulturzweig man die Aufmerksamkeit richtet, es ist überall dasselbe —, daß das ganze Jahrhundert stand unter dem Einfluß der materialistischen Zeitströmung. Und wenn wir heute aus unserer anthroposophischen Grundüberzeugung heraus irgendeinen Erziehungsgrundsatz formulieren, so kann er wörtlich gleichklingen dem, was Pädagogen des 19. Jahrhunderts gesagt haben — wir müssen es anders meinen. Wir sprechen aus dem Geiste heraus, diese haben aus dem sie überwältigenden Impuls der materialistischen Weltanschauung gesprochen.

in pedagogisch opzicht is uitgesproken. Maar wie in de interne werking van het onderwijs- en opvoedingswezen kijkt, zelfs als men in de interne werking van de Pestalozziaanse school zelf kijkt, dan blijkt dat daar geen geest heerst die overeenkomt met deze uitgesproken principes, waartoe men zich in abstracte zin weliswaar kan bekennen. Men hoeft alleen maar te kijken naar wat Fröbel aan scherpe kritiek op de Pestalozziaanse instellingen heeft geschreven. En juist als men de ontwikkeling van het onderwijs en de opvoeding in de 19e eeuw volgt, zal men zien dat, hoewel de mensen vaak juist denken, het juiste niet wordt bewerkstelligd, niet wordt gedaan. <2>
<3> Waar komt dat vandaan? Daar is maar één antwoord op. Dat is dat de 19e eeuw – ongeacht op welke tak van cultuur men zijn aandacht richt, het is overal hetzelfde – dat de hele eeuw onder invloed stond van de materialistische tijdsstroom. En als we vandaag vanuit onze antroposofische basisovertuiging een opvoedingsprincipe formuleren, kan dat letterlijk hetzelfde klinken als wat pedagogen uit de 19e eeuw hebben gezegd – wij moeten het anders bedoelen. Wij spreken vanuit de geest, zij spraken vanuit de overweldigende impuls van het materialistische wereldbeeld.

Wenn die Dinge noch so idealistisch klingen, so sind sie dennoch aus dem Geiste des Materialismus gedacht. Es handelt sich nicht darum, in abstrakter Beziehung etwas Neues zu finden, sondern darum, einen neuen Geist zu finden.
Sehen Sie, auch Ihnen möchte ich heute etwas vorbringen, was ich in der letzten Zeit an einzelnen Orten schon wiederholt gesagt habe, was gerade in unserer Zeit berücksichtigt werden muß. Man hat heute die Meinung, wenn man von Materialismus spricht, daß der Materialismus eine falsche Weltanschauung ist, daß er abzulehnen ist, weil er nicht richtig ist. So einfach verhält sich die Sache nicht.
Der Mensch ist ein seelisch-geistiges Wesen, er ist ein leiblich-physisches Wesen. Aber das Leiblich-Physische ist ein getreues Abbild des Seelisch-Geistigen, insofern wir leben zwischen Geburt und Tod.
Und wenn die Menschen so verphilistert sind in den materialistischen Gedanken, wie das geworden ist im Laufe des 19. Jahrhundertsund bis in die Gegenwart hinein, dann wird immer mehr das LeiblichPhysische ein Abdruck dieses Seelisch-Geistigen, das selbst in den materialistischen Impulsen lebt. Dann ist es nicht etwas Falsches, wenn man sagt, das Gehirn denkt, dann wird es richtig. Es werden durch das Fest-darin-Stecken im Materialismus nicht bloß Menschen

Hoe idealistisch dit ook klinkt, het is toch vanuit de geest van het materialisme bedacht. Het gaat er niet om iets nieuws te vinden in een abstracte relatie, maar om een nieuwe geest te vinden.
Ziet u, ook aan u wil ik vandaag iets voorleggen wat ik de laatste tijd op verschillende plaatsen al herhaaldelijk heb gezegd, en wat juist in onze tijd in aanmerking moet worden genomen. Tegenwoordig is men van mening dat, als men het over materialisme heeft, het materialisme een verkeerde wereldbeschouwing is, die moet worden afgewezen omdat ze niet juist is. Zo eenvoudig ligt de zaak echter niet.
De mens is een ziels-geestelijk wezen, hij is een lijfelijk-fysiek wezen. Maar het lijfelijk-fysieke is een getrouwe afspiegeling van het het ziels-geestelijke, voor zover we leven tussen geboorte en dood.
En als de mensen zo bekrompen zijn in het materialistische denken, zoals dat in de loop van de 19e eeuw en tot op de dag van vandaag is gebeurd, dan wordt het lijfelijk-fysieke steeds meer een afdruk van dit ziels-geestelijke, dat zelf leeft in de materialistische impulsen. Dan is het niet verkeerd om te zeggen dat de hersenen denken, dan wordt het juist. Door het vastzitten in het materialisme worden niet alleen mensen

Blz. 164

erzeugt, die schlecht denken über das Leibliche, Seelische und Geistige, sondern es werden materiell denkende und materiell fühlende Menschen erzeugt. Das heißt, der Materialismus bewirkt, daß der Mensch ein Denkautomat wird, daß der Mensch ein Wesen wird, das als physisches Wesen denkt, fühlt und will. Und es ist nicht bloß die Aufgabe der Anthroposophie, an die Stelle einer falschen Weltanschauung eine richtige zu setzen — das ist eine theoretische Forderung —, das Wesen der Anthroposophie heute besteht darin, daß angestrebt wird nicht nur eine andere Idee, sondern eine Tat: das Geistig-Seelische wieder herauszureißen aus dem Leiblich-Physischen, den Menschen heraufzuheben in die Sphäre des Geistig-Seelischen, damit er nicht ein Denk-, Fühl- und Empfindungsautomat sei.
Die Menschheit steht heute in der Gefahr — einiges soll auch morgen im Zweigvortrag angedeutet werden —, das Seelisch-Geistige zu verlieren. Denn das, was leiblich-physisch ein Abdruck des Geistig-Seelischen ist, das steht heute, weil viele Menschen so denken, weil das Geistig-Seelische schläft, vor der Gefahr, in die ahrimanische Welt überzugehen, und das Geistig-Seelische wird sich verflüchtigen im Weltall. Wir leben in einer Zeit, in der die Menschen die Gefahr vor sich haben, durch den materialistischen Impuls die Seele zu verlieren. Dies ist eine ernste Sache. Dieser Tatsache steht man gegenüber.
Diese Tatsache soll eigentlich heute das Geheimnis, das immer mehr und mehr offenbar werdende Geheimnis werden, aus dem heraus wir überhaupt fruchtbar wirken wollen.

die slecht denken over het lichamelijke, het zielsmatige en het geestelijke, maar er worden materieel denkende en materieel voelende mensen voortgebracht. Dat wil zeggen dat het materialisme ervoor zorgt dat de mens een denkende automaat wordt, dat de mens een wezen wordt dat als fysiek wezen denkt, voelt en wil. En het is niet alleen de taak van de antroposofie om een verkeerde wereldbeschouwing te vervangen door een juiste – dat is een theoretische eis –, de essentie van de antroposofie bestaat er vandaag de dag in dat niet alleen naar een ander idee wordt gestreefd, maar naar een daad: het het geestelijk-zielsmatige weer uit het lijfelijk-fysieke te rukken, de mens op te heffen naar de sfeer van het geestelijk-zielsmatige, zodat hij geen denk-, voel- en waarnemingsautomaat is.
De mensheid loopt vandaag het gevaar – een en ander zal morgen ook in de voordracht worden aangegeven – het zielsmatige-geestelijke te verliezen. Want wat lijfelijk-fysiek een afdruk is van het geestelijk-zielsmatige, staat vandaag, omdat veel mensen zo denken, omdat het geestelijk-zielsmatige slaapt, voor het gevaar om over te gaan in de ahrimanische wereld, en het geestelijk-zielsmatige zal verdampen in het heelal. We leven in een tijd waarin mensen het gevaar lopen door de materialistische impuls hun ziel te verliezen. Dit is een ernstige zaak. Men wordt met dit feit geconfronteerd.
Dit feit zou vandaag eigenlijk het geheim moeten zijn, het steeds meer en meer openbaar wordende geheim worden, van waaruit we überhaupt vruchtbaar willen werken.

Sehen Sie, aus einer Erkenntnis dieser Notwendigkeit eines Hinwendens der Menschheit zu einer spirituellen Betätigung — nicht bloß zu einer Umänderung einer Theorie —, aus dieser Erkenntnis heraus sind solche Dinge entstanden wie die Didaktik und Pädagogik der Waldorfschule. Und aus einem solchen Geiste heraus sollte hier gewirkt werden.
Da ist vor allem zu schätzen, daß sich in Ihnen hier ein Kreis gefunden hat, der aus einem mehr oder weniger deutlichen Gefühl heraus sich sagt: es muß so gewirkt werden. Sie brauchen nur die Keime, die hier gelegt werden in der Waldorfschule, mit all dem wüsten Zeug, das als feindlicher Sturm heraufzieht, zu vergleichen.
Wir haben die Schule begründet unter den letzten Nachwirkungen dessen, was wir von Stuttgart vom April 1919 an versuchten. Seit der Zeit hat sich ja so herrlich viel vollzogen. Vollständig versagt, meine lieben Freunde, das dürfen wir nicht vergessen, vollständig ins Wasser gefallen ist dasjenige, was da unternommen werden sollte mit dem gutgemeinten Aufruf zum Kulturrat im vorigen Jahre. Warum er versagen mußte, das zeigt der wüste Skandal am Goetheanum, das

Ziet u, vanuit het besef dat de mensheid zich moet richten op spirituele activiteiten – en niet alleen op een verandering van theorie – zijn zaken als de didactiek en pedagogiek van de Waldorfschool ontstaan. En vanuit een dergelijke geest moet hier worden gewerkt. <3>
Het is vooral te waarderen dat er hier een kring is gevonden die vanuit een min of meer duidelijk gevoel zegt: zo moet er gewerkt worden. U hoeft alleen maar de kiemen die hier in de Waldorfschool worden gelegd te vergelijken met al het woeste gedoe dat als een vijandige storm opkomt.
<4> We hebben de school opgericht onder de laatste nawerkingen van wat we vanaf april 1919 in Stuttgart hebben geprobeerd. Sinds die tijd is er zoveel moois gebeurd. Volledig mislukt, mijn beste vrienden, dat mogen we niet vergeten, volledig in het water gevallen is wat er vorig jaar met de goedbedoelde oproep tot een cultuurraad moest worden ondernomen. Waarom het moest mislukken, blijkt uit het woeste schandaal rond het Goetheanum, dat

Blz. 165

zeigt dieser krasse Niedergang des deutschen Geisteslebens, das sich doch nur als in einem Symptom in den Dingen am Goetheanum ausdrückt. Wir werden natürlich jetzt nötig haben in einer noch ganz anderen Weise, als wir es getan haben, unsere Kräfte darauf zu verwenden, um diesem Niedergang entgegenzuarbeiten. Das kann ja natürlich nicht von der Waldorfschule allein ausgehen, aber durch jene Erkenntnis, die unsere Waldorflehrer gezeigt haben, indem sie sich dieser Aufgabe gewidmet haben, sind sie die Berufenen, um nach dieser Richtung hin allgemein anthroposophisch-kulturell zu wirken.
Das ist dasjenige, was ich heute am Schlüsse des ersten Schuljahres so lebhaft empfinden mußte, was ich mit den ernsten Worten gemeint habe, die ich in Gegenwart der Kinder heute morgen ausgesprochen habe. Die Kinder werden die Worte nicht verstanden haben, aber das macht nichts. Wir wissen, daß es sich nicht darum handelt, daß nur das herangebracht wird, was die Kinder verstehen, sondern manches, was später in den Seelen der Kinder lichtvoll aufgeht. Der Dank, den Herr Molt ausgesprochen hat, der wird auch von mir selbst warm empfunden im Namen desjenigen Geistes, der die Waldorfschule
durchdringen soll, der immer mehr und mehr der Geist der mitteleuropäischen Kultur werden soll. Diejenigen, die sich selbst materialistisch machen, die ihre Seele verlieren, so daß die Zivilisation eine materialistische Zivilisation würde, diejenigen Menschen wären heute noch zu retten, wenn das, was wir hier an Waldorfschulgeist haben, weiter in der Welt verbreitet werden könnte.

deze flagrante achteruitgang van het Duitse geestesleven toont, dat zich toch alleen maar als een symptoom in de zaken rond het Goetheanum uitdrukt. We zullen nu natuurlijk op een heel andere manier dan we tot nu toe hebben gedaan onze krachten moeten aanwenden om deze achteruitgang tegen te gaan.
Dat kan natuurlijk niet alleen vanuit de Waldorfschool gebeuren, maar door het inzicht dat onze Waldorfleraren hebben getoond door zich aan deze taak te wijden, zijn zij de aangewezenen om in deze richting algemeen antroposofisch-cultureel te werken.
Dat is wat ik vandaag, aan het einde van het eerste schooljaar, zo levendig heb gevoeld, wat ik bedoelde met de ernstige woorden die ik vanmorgen in aanwezigheid van de kinderen heb uitgesproken.
[Rudolf Steiner in der Waldorfschule GA 298/57 Vertaald/49]
De kinderen zullen de woorden niet hebben begrepen, maar dat maakt niet uit. We weten dat het er niet om gaat alleen datgene aan te bieden wat de kinderen begrijpen, maar ook veel wat later in de zielen van de kinderen lichtrijk tot bloei komt. De dank die de heer Molt heeft uitgesproken, wordt ook door mijzelf warm gevoeld in naam van de geest die de Waldorfschool moet doordringen, die steeds meer en meer de geest van de Midden-Europese cultuur moet worden. Degenen die zichzelf materialistisch maken, die hun ziel verliezen, zodat de beschaving een materialistische beschaving zou worden, die mensen zouden vandaag nog te redden zijn, als datgene wat we hier aan Waldorfschoolgeest hebben, verder in de wereld verspreid zou kunnen worden.

Wir müssen selbstverständlich die Waldorfschule behüten vor jedem Scheinwesen. Wir müssen uns klar sein darüber, daß wir gewissermaßen immer zurückhaltender und zurückhaltender sein müssen gegenüber all denjenigen Leuten, die, nachdem sie gehört haben, die Waldorfschule ist begründet worden, es nun als nächste Aufgabe betrachten, ihr Welt-Herumlungern darauf auszudehnen, daß sie auch in die Waldorfschule hineinriechen, um hier zu hospitieren, um hier einiges mitzunehmen, um etwas Ähnliches da oder dort einfließen zu lassen. Wir müssen uns klar sein darüber, daß es sich nicht darum handelt, das zu fördern, daß möglichst viel Welt-Herumlungerer hier hospitieren, sondern daß es darauf ankommt, daß der anthroposophische Geist klar da sein muß, aus dem heraus die Nachfolgeschaft der Waldorfschule entstehen soll.
Zu mir kam vor einigen Monaten eine Persönlichkeit, die auch in Frankreich etwas Ähnliches begründen will wie eine Waldorfschule, und fragte, ob ich nicht Ratschläge dazu geben könne, ob sie nicht

We moeten natuurlijk de Waldorfschool beschermen tegen elke schijnwereld. We moeten ons ervan bewust zijn dat we in zekere zin steeds terughoudender moeten zijn ten opzichte van al die mensen die, nadat ze hebben gehoord dat de Waldorfschool is opgericht, het nu als hun volgende taak beschouwen om verder in de wereld rond te kijken, zodat ze ook in de Waldorfschool kunnen rondneuzen, om hier te komen kijken, om hier het een en ander mee te nemen, om hier en daar iets soortgelijks te laten instromen. We moeten ons ervan bewust zijn dat het er niet om gaat om zoveel mogelijk mensen die in de wereld rondneuzen hier te laten meelopen, maar dat het erom gaat dat de antroposofische geest duidelijk aanwezig moet zijn, waaruit moet voortkomen hoe het met de Waldorfschool verder gaat.
Enkele maanden geleden kwam er iemand bij mij die ook in Frankrijk iets soortgelijks als een Waldorfschool wil oprichten en vroeg of ik advies kon geven over de vraag of zij niet

Blz. 166

hier in der Waldorfschule hospitieren könne. Ich habe ihr gesagt, anerkannt, als im Geiste der Waldorfschule gehalten, würde dasjenige, was sie in Frankreich, in Paris, begründen will, von mir nur dann, wenn es ganz genau ebenso eingerichtet würde, wie die Waldorfschule eingerichtet ist. Es müßten sich sodann die französischen Freunde zunächst bereit erklären, mich dorthin zu rufen, um einen Kurs abzuhalten, nicht wahr, und ausdrücklich erklären, daß die Schule aus demselben Geist hervorgegangen ist. Sonst würde ich es strikt ablehnen, daß so etwas wie eine Nachfolgerschaft vorliegt.
Glauben Sie nicht, daß solche Antworten nur eigensinnige Dinge sind. Sie müssen sich klar sein darüber, wir kommen nicht weiter, wenn wir uns nicht auf den Standpunkt des bestimmt Anthroposophischen stellen, wenn wir uns nicht freihalten von jeder irgendwie gearteten Kompromißlerei. Stellen wir uns auf einen scharfbegrenzten Standpunkt, dann ist es nicht ausgeschlossen, daß wir selbst in Paris eine Waldorfschule begründen können. Es kommt nur darauf an, daß wir uns nicht bewegen lassen, irgendwie Kompromisse zu schließen. Heute ist es so, daß man am weitesten kommt, wenn man sich fest auf einen bestimmten Standpunkt stellt. Nach außen mag man konziliant sein, aber innerlich, wenn es sich um Prinzipielles handelt, da kommt es darauf an, daß man ganz fest auf seinen Standpunkt sich stellt. Dazu ist es notwendig, die Kraft zu haben, die Dinge wirklich radikal zu durchschauen und keine Neigung zu irgendwelchem Kompromiß zu haben. Sie wissen ja, wenigstens im Sinne und Geist der Führung nach haben wir uns bemüht, während des ersten Jahres solche feste Standpunkte anzustreben.

hier in de Waldorfschool stage konden lopen. Ik heb haar gezegd, dat wat zij in Frankrijk, in Parijs, wil oprichten, door mij alleen dan erkend wordt als de geest van de Waldorfschool, als het precies zo zou worden ingericht als de Waldorfschool is opgezet. De Franse vrienden zouden dan eerst bereid moeten zijn mij daarheen te roepen om een cursus te geven, nietwaar, en uitdrukkelijk verklaren dat de school uit dezelfde geest is voortgekomen. Anders zou ik het strikt afwijzen dat er sprake is van een soort opvolging.
Denk niet dat zulke antwoorden alleen maar eigenzinnige dingen zijn. <4>
<5> U moet zich realiseren dat we niet verder komen als we niet het standpunt van het uitgesproken antroposofische innemen, als we ons niet vrijhouden van elke vorm van compromis. Als we een scherp afgebakend standpunt innemen, is het niet uitgesloten dat we zelfs in Parijs een Waldorfschool kunnen oprichten. Het komt er alleen op aan dat we ons niet laten verleiden tot het sluiten van compromissen
Vandaag de dag is het zo dat je het verst komt als je vastberaden een bepaald standpunt inneemt. Naar buiten toe mag je verzoenend zijn, maar innerlijk, als het om principes gaat, is het belangrijk dat je heel vastberaden je standpunt inneemt. Daarvoor is het nodig om de kracht te hebben om  de dingen echt radicaal te doorzien en geen neiging te hebben tot enig compromis. U weet immers dat we, althans in de zin en geest van het besturen, ons tijdens het eerste jaar hebben ingespannen om zulke vaste standpunten na te streven. 

Ich hoffe, daß sie immer mehr zum Ausdruck kommen werden. Sie selbst als
Lehrer der Waldorfschule werden sich immer mehr in die Durchschlagskraft des Geistes hineinfinden und die Möglichkeit finden, alle Kompromisse beiseite zu lassen. Wir können nicht darum herum kommen, daß allerlei Leute von außen in die Angelegenheiten der Schule hineinreden. Wenn wir nur selbst in unserem Gemüte nichts von der notwendigen Anschauung, die wir haben müssen, aufgeben, daß im Grunde genommen jede Zustimmung, die von irgendwelcher pädagogischen Seite von heute kommt, zu dem, was in der Waldorfschule geschieht, uns eher traurig stimmen könnte als heiter. Wenn solche Leute, die im heutigen pädagogischen Leben drinnenstehen, uns loben, da müssen wir denken, da muß etwas bei uns nicht stimmen. Wir brauchen nicht jeden gleich hinauszuwerfen, der uns lobt, aber wir müssen uns klar sein, daß wir sorgfältig untersuchen, was wir nicht richtig machen, wenn wir gelobt werden

Ik hoop dat ze steeds meer tot uiting zullen komen. Uzelf als leraar aan de Waldorfschool zult steeds meer de slagkracht van de geest ontdekken en de mogelijkheid vinden om alle compromissen terzijde te schuiven. We kunnen er niet omheen dat allerlei mensen van buitenaf zich mengen in de zaken van de
school. Als we zelf maar niets opgeven van de noodzakelijke visie die we moeten hebben, dat in feite elke instemming die van welke pedagogische kant dan ook komt met wat er in de Waldorfschool gebeurt, ons eerder verdrietig dan vrolijk zou kunnen stemmen. Als zulke mensen, die deel uitmaken van het huidige pedagogische leven, ons prijzen, moeten we denken dat er iets niet klopt bij ons.
We hoeven niet iedereen die ons prijst meteen weg te sturen, maar we moeten ons wel realiseren dat we zorgvuldig moeten onderzoeken wat we niet goed doen als we geprezen worden

Blz. 167

von denjenigen, die im heutigen Erziehungswesen drinnenstehen.
Das muß unsere gründliche Überzeugung werden.
Indem ich ganz lebhaft empfinde, was es eigentlich von Ihnen bedeutet, daß Sie sich mit Ihrer ganzen Persönlichkeit der Angelegenheit der Waldorfschule gewidmet haben, möchte ich an das Gesagte dieses eine noch hinzufügen: Wir müssen auch innerlich, dem Gemüte nach, tatsächlich Anthroposophen sein im tiefsten Sinne des Wortes als Waldorflehrer und müssen Ernst machen können mit einer Idee, die auf anthroposophischem Boden wiederholt ausgesprochen worden ist, die für uns wichtig ist: Wir sind zu einer bestimmten Zeit heruntergestiegen aus den geistigen Welten in die physische Welt.
Diejenigen, die uns als Kinder entgegentreten, sind später heruntergekommen, sie haben die geistige Welt noch eine Zeitlang durchlebt, in der wir schon hier in der physischen Welt waren. Es ist etwas ungeheuer innerlich Erwärmendes, etwas ganz in der Seele Wirkendes, wenn man in einem Kinde sieht ein Wesen, das einem etwas herunterträgt aus der geistigen Welt, das man nicht selbst mitgemacht hat, in der geistigen Welt, weil man älter ist. Dieses Ältersein bedeutet für uns noch etwas ganz anderes. Wir empfangen mit jedem Kinde eine Botschaft aus der geistigen Welt über Dinge, die wir nicht mehr miterlebt haben.

door degenen die vandaag de dag in het onderwijs werkzaam zijn.
Dat moet onze diepe overtuiging worden. <5>
<6> Omdat ik heel levendig voel wat het eigenlijk voor u betekent dat u zich met uw hele persoonlijkheid aan de zaak van de Waldorfschool hebt gewijd, wil ik aan het gezegde nog dit toevoegen: We moeten ook innerlijk, in ons hart, werkelijk antroposofen zijn in de diepste zin van het woord als Waldorfleerkrachten en we moeten serieus kunnen omgaan met een idee dat herhaaldelijk op antroposofische grond is uitgedrukt en dat voor ons belangrijk is: we zijn op een bepaald moment uit de geestelijke werelden naar de fysieke wereld afgedaald.
Degenen die we als kinderen ontmoeten, zijn later neergedaald, zij hebben de geestelijke wereld nog een tijdje doorleefd, terwijl wij al hier in de fysieke wereld waren. Het is iets ongelooflijk hartverwarmends, iets dat diep in de ziel werkt, wanneer je in een kind een wezen ziet dat voor jou iets meebrengt uit de geestelijke wereld, iets wat je zelf niet hebt meegemaakt in de geestelijke wereld, omdat je ouder bent. Dit ouder zijn betekent voor ons nog iets heel anders. Met elk kind ontvangen we een boodschap uit de geestelijke wereld over dingen die we niet meer hebben meegemaakt.

Dieses Bewußtsein gegenüber der Botschaft, die das Kind herunterträgt, das ist ein positives Gefühl, das in vollem Ernst Platz greifen kann in der Waldorflehrerschaft, das der abwärtsgehende Kulturverlauf bekämpft, sogar getreten hat. Das tun auch die traditionellen Religionsbekenntnisse, die von allen Kanzeln die Ewigkeit predigen, die Post-mortem-Ewigkeit, jene Ewigkeit, auf die die Leute hinschauen aus dem raffinierten Egoismus ihrer Seele heraus, weil sie nicht zugrunde gehen wollen. Der Mensch geht nicht zugrunde, aber
es handelt sich darum, wie man zur Überzeugung kommt von der Ewigkeit der Seele, ob aus Egoismus heraus, oder ob man lebendig, aus der Anschauung, drinnensteht in der Erfassung der ewigen Menschenseele. Hier in dieses lebendige Darinnenstehen führt das Hinschauen auf die Präexistenz der Seele, das Hinschauen auf das, was der Mensch vor der Geburt erlebt, das Hinschauen auf den Menschen hier in der physischen Welt, wie sein Leben eine Fortsetzung desjenigen ist, was er vorher erlebt hat. Die traditionellen Bekenntnisse, die versumpft sind, diese Bekenntnisse bekämpfen am schärfsten die Präexistenz, dasjenige, was den Menschen selbstlos machen kann, dasjenige, was niemals zielt auf dieses dumpfe, versumpfte erkenntnislose Glauben, das zielen muß auf Wissen, auf das klare Licht der Erkenntnis.

Dit bewustzijn van de boodschap die het kind uitdraagt, is een positief gevoel dat in alle ernst zijn intrede kan doen bij Waldorfleerkrachten, die de neergaande culturele ontwikkeling bestrijden, zelfs hebben bestreden.
Dat doen ook de traditionele religieuze geloofsbelijdenissen, die vanaf alle preekstoelen de eeuwigheid prediken, de postmortale eeuwigheid, die eeuwigheid waarnaar de mensen kijken vanuit het geraffineerde egoïsme van hun ziel, omdat ze niet ten onder willen gaan. De mens gaat niet ten onder, maar het gaat erom hoe men tot de overtuiging komt van de eeuwigheid van de ziel, of dat nu uit egoïsme is, of dat men levendig, vanuit de aanschouwing, staat in het begrip van de eeuwige mensenziel. Hier, in dit levendige binnenstaan, leidt het kijken naar het voorbestaan van de ziel, het kijken naar wat de mens vóór de geboorte ervaart, het kijken naar de mens hier in de fysieke wereld, hoe zijn leven een voortzetting is van wat hij eerder heeft meegemaakt. De traditionele geloofsbelijdenissen, die zijn verzand, bestrijden het scherpst het voorbestaan, datgene wat de mens onbaatzuchtig kan maken, datgene wat nooit gericht is op dit doffe, verzande, onwetende geloof, dat gericht moet zijn op kennis, op het heldere licht van het inzicht.

Blz. 168

Solche Dinge werden praktisch, wenn wir sagen: Dieses Kind ist später heruntergekommen aus der geistigen Welt als ich selbst. Ich kann erraten aus dem, was es mir entgegenlebt, was geschehen ist in der geistigen Welt, nachdem ich selbst die geistige Welt verlassen habe. Daß wir das als lebendiges Gefühl in uns tragen, das ist eine rechte Lehrermeditation, von einer ungeheuer großen und starken Bedeutung. Und durch ein solches bestimmtes Ausleben des anthroposophischen Wesens werden wir in Wahrheit dasjenige, was Lehrer
sind, die aus anthroposophischem Geist heraus wirken. Das Beste, was hier in Anthroposophie entwickelt wird, ist nicht dasjenige, was die Welt-Herumlungerer bei uns heraushospitieren wollen, das Beste ist dasjenige, was sich in Ihren Gemütern,in Ihren Seelen, als der Geist der Waldorfschule entwickelt. Es ist wirklich im ersten Jahre dieser Geist in Ihren Seelen schon lebendig. Und es soll unser Bemühen sein — das wollte ich mit diesen Worten zu Ihnen sprechen —, gerade diesen Geist in der Folgezeit weiter zu pflegen.
Aus diesem Geiste heraus wollen wir auch versuchen, alle Einzelmaßnahmen vorzunehmen. Es hat mir leid getan, daß ich erst am 24. kommen konnte, denn bei der Ausgestaltung der Zeugnisse wäre ich gerne dabei gewesen. Das was ich sage, praktisch-pädagogische Psychologie zu treiben, das muß ausgebaut werden. Ich sehe, wie sehr Sie sich haben angelegen sein lassen, diese Psychologie sich zur Kraft werden zu lassen. Wir wollen weiter streben, denn wenn wir uns entschlossen haben, Waldorflehrer zu sein aus einem welthistorischen Impuls heraus: wir wollen es im ernstesten Sinne bleiben,
wiederum aus einem großen welthistorischen Impuls heraus.

Zulke dingen worden praktisch als we zeggen: dit kind is later uit de geestelijke wereld neergedaald dan ikzelf. Ik kan uit wat het mij tegemoet leeft raden wat er in de geestelijke wereld is gebeurd nadat ik zelf de geestelijke wereld heb verlaten.
Dat we dat als een levend gevoel in ons dragen, dat is een echte lerarenmeditatie, van een enorm grote en sterke betekenis. En door een dergelijke bepaalde beleving van het antroposofische wezen worden we in werkelijkheid datgene wat leraren zijn, die vanuit de antroposofische geest werken. Het beste wat hier in de antroposofie wordt ontwikkeld, is niet datgene wat de wereld-rondhangers bij ons willen ontfutselen, het beste is datgene wat zich in uw gemoed, in uw ziel ontwikkelt als de geest van de Waldorfschool. Deze geest leeft werkelijk al in het eerste jaar in uw ziel. En het moet ons streven zijn – dat wilde ik u met deze woorden zeggen – om juist deze geest in de komende tijd verder te koesteren.
Vanuit deze geest willen we ook proberen alle afzonderlijke maatregelen te nemen. <6> Ik vond het jammer dat ik pas op de 24e kon komen, want ik had graag bij de opstelling van de getuigschriften aanwezig willen zijn.
<7> Wat ik bedoel met praktisch-pedagogische psychologie, moet verder worden uitgewerkt. Ik zie hoe zeer u zich heeft ingezet om deze psychologie tot kracht te laten komen. We willen verder streven, want als we hebben besloten om Waldorfleerkracht te worden vanuit een wereldhistorische impuls, dan willen we dat ook in de meest serieuze zin blijven, opnieuw vanuit een grote wereldhistorische impuls. <7>

(Dr. Steiner, der bis dahin stehend gesprochen hatte, setzt sich nieder.)

(Dr. Steiner, die tot dan toe staand had gesproken, gaat zitten.)

Dr. Steiner: Wir wollen jetzt weitergehen in unseren Verhandlungen. Namentlich werden wir einiges zu besprechen haben, was sich uns in der letzten Zeit ergeben hat, und dann werden wir zu sorgen haben
für die Art und Weise, wie unser Unterricht und die Führung weitergehen sollen.

<8> Laten we nu verdergaan met onze besprekingen.
We zullen met name een aantal zaken bespreken die zich de laatste tijd hebben voorgedaan, en daarna zullen we ons moeten buigen over de manier waarop ons onderwijs en ons leiderschap verder moeten worden vormgegeven.

X. berichtet über die Zeugniskonferenzen. Es sei bei einzelnen Kindern die Frage entstanden, ob sie nach Alter und Kenntnissen auch wohl in der richtigen Klasse wären.

X. brengt verslag uit over de getuigschriftvergaderingen. Bij sommige kinderen is de
vraag gerezen of zij, gezien hun leeftijd en kennis, wel in de juiste klas zitten.

Dr. Steiner: Eine sehr wichtige Frage, und es wird ja natürlich berücksichtigt werden müssen, daß die Lösung der Frage praktisch nicht ganz leicht sein wird. Aber wenn Sie jetzt, namentlich beim
Durchsprechen der Dinge, die zum Verfassen der Zeugnisse geführt

Een zeer belangrijke vraag, en er zal natuurlijk rekening mee moeten worden gehouden dat het antwoord op deze vraag in de praktijk niet zo eenvoudig zal zijn. Maar als u nu, met name bij het bespreken van de zaken die hebben geleid tot het opstellen van de getuigschriften

Blz. 169

haben, nach dieser Richtung bestimmte Eindrücke bekommen haben, so wird es notwendig sein, diese vielleicht im einzelnen zu besprechen. Die ganze Frage nimmt sich anders aus, wenn es sich nur um einzelne Fälle handelt, oder wenn in einem erheblichen Maße Schüler nicht in der richtigen Klasse gesessen haben. Wir müssen eine Vorstellung bekommen darüber, wie groß die Anzahl der Schüler sein könnte, die wir das nächste Mal nicht in eine nächsthöhere Klasse setzen, sondern in eine niederere Klasse zu setzen haben; wir müssen das im einzelnen durchgehen, namentlich die Zahl. Natürlich, eine neue Verteilung der Schüler im größeren Maße wirkt zurück auf unsere unzulänglichen Maßnahmen bei diesem Schulanfang, bei dem wir uns haben leiten lassen, einfach die Kinder hereinzunehmen nach Maßgabe der Klassen, in denen sie draußen waren. Wir werden vielleicht nicht davor zurückschrecken dürfen, uns in dieser Beziehung zu desavouieren. Das müssen wir im einzelnen durchprüfen. Ich würde die Lehrer, die solche Kinder in den Klassen haben, von denen sie glauben, daß sie nicht richtig in der.Klasse waren, bitten, sich auszusprechen. Kann man etwas über solche sagen?

indrukken in die richting hebt gekregen, dan zal het nodig zijn om deze misschien in detail te bespreken.
De hele kwestie ziet er anders uit als het alleen om individuele gevallen gaat, of als een aanzienlijk aantal leerlingen niet in de juiste klas heeft gezeten. We moeten een idee krijgen van het aantal leerlingen dat we de volgende keer niet in een hogere klas, maar in een lagere klas moeten plaatsen; we moeten dat in detail doornemen, met name het aantal. Natuurlijk heeft een nieuwe verdeling van de leerlingen in grotere mate een terugwerkende kracht op onze ontoereikende maatregelen bij deze schoolstart, waarbij we ons hebben laten leiden door de kinderen gewoon op te nemen op basis van de klassen waarin ze op een andere school zaten. We zullen misschien niet mogen terugdeinzen om er in deze relatie afstand van te nemen. We moeten dat in detail onderzoeken. Ik zou de leraren die zulke kinderen in de klassen hebben waarvan zij denken dat ze niet in de juiste klas zaten, willen vragen zich uit te spreken. Kan men iets over zulke kinderen zeggen?

X. erwähnt den G. T. in der 4. Klasse, der zu alt ist.

X. noemt G. T. in de 4e klas, die te oud is.

Dr. Steiner: Bei G. T. würde es sich darum handeln, ob wir ihn in eine andere Klasse setzen. Es fragt sich, ob wir das nächstes Jahr noch nachholen können. Er ist beinahe zwölf Jahre alt. Ich glaube doch, daß wir es versuchen sollten. Die Sache mit dem Französischen und Englischen, die kann nebenbei geregelt werden. Er lernt sehr gut. Das Zeugnis ist so, daß er mit Unrecht in der 4. sitzt. Man ist verpflichtet, diesen Unterschied wieder gut zu machen.
(Zu Fräulein Dr. v. Heydebrand:) Haben Sie mit dem F. R. schon
irgendwelche Erfahrungen gemacht?

Bij G. T. zou het erom gaan of we hem in een andere klas plaatsen. De vraag is of we dat volgend jaar nog kunnen inhalen. Hij is bijna twaalf jaar oud. Ik denk
toch dat we het moeten proberen. De kwestie met het Frans en Engels kan terloops worden geregeld. Hij leert heel goed. Het rapport laat zien dat hij ten onrechte in de 4e zit. Men is verplicht om dit verschil weer goed te maken.
(Tegen juffrouw Dr. v. Heydebrand:) Heeft u al ervaring met F. R.?

X.: Sein Betragen ist ausgezeichnet. Er hat nicht die Kenntnisse der Kinder meiner Klasse.

X.: Zijn gedrag is uitstekend. Hij heeft niet de kennis van de kinderen in mijn klas.

Dr. Steiner: Aber die Reife hat er. Mitkommen wird er sicher. Dann ist dies kein Fehlschluß gewesen.
Im Zusammenhang damit können wir auf die Frage eingehen, von  der ich gehört habe, daß sie Ihnen sehr viel Kopfzerbrechen machte.
Nicht wahr, ich kann mir denken, wie ungeheuer schwierig es werden soll, aber es muß sachlich erwogen werden, ob wir nicht eben eine Klasse zusammenstellen als 6., die psychologisch alle die Eigentümlichkeiten hätte, die die jetzige 5. hat; ob wir nicht doch eine Nebenklasse einrichten. Es ist nicht notwendig, daß wir sie in der

Maar hij heeft de rijpheid. Hij zal zeker meekomen. Dan is dit geen verkeerde beslissing geweest.
In verband hiermee kunnen we ingaan op de vraag waarvan ik heb gehoord dat u zich daar veel zorgen over maakte.
Ik kan me voorstellen hoe ontzettend moeilijk het zal worden, maar we moeten objectief overwegen of we niet gewoon een klas samenstellen als 6e klas, die psychologisch gezien alle eigenaardigheden heeft die de huidige 5e klas heeft; of we toch niet een nevenklas moeten instellen. Het is niet nodig dat we ze 

Blz. 170

Mitte auseinander schneiden, es kann so sein, daß Sie als bisherige Klassenlehrerin absolut das freie Vorschlagsrecht hätten. Es sind einundfünfzig Kinder; also ich meine, es würde so sein müssen, daß Sie das Vorschlagsrecht hätten, daß Sie eventuell Ihre 6. Klasse aus dreißig zusammenstellen und zwanzig abspalten würden. Und da würde ich absolut das Vorschlagsrecht für jeden einzelnen nehmen. Wählen Sie fünfzehn Buben und fünfzehn Mädchen aus.

zonder meer halveren, het kan zijn dat u als huidige klaslerares absoluut het vrije recht van keuze zou hebben. Het zijn eenenvijftig kinderen; dus ik bedoel, het zou zo moeten zijn dat u het recht van keuze zou hebben, dat u eventueel uw 6e klas uit dertig zou samenstellen en twintig zou afsplitsen. En dan zou ik absoluut het recht nemen bij de keuze voor elk individu een voorstel te doen.
Kies vijftien jongens en vijftien meisjes uit.

X.; Ich hatte eine Liste, sechsundzwanzig für mich.

X.; Ik voor mij had een lijst, zesentwintig.

Dr. Steiner: Wie Sie es wollen. Dieser Vorschlag steht ganz bei Ihnen.
Aber es scheint doch, daß dies gemacht werden müßte, denn die Klasse war etwas zu groß.
Was haben Sie gegen die Teilung der Klasse? Sie haben sie alle so gern, daß Sie keinen weggeben wollen. Es ist doch besser. Sie werden mit dem Pensum der 6. Klasse leichter zurechtkommen, wenn Sie nicht mehr als dreißig haben. Wenn Sie also selbst die zurückbehalten, die Sie für richtig halten, und eine Klasse von zwanzig abspalten, werden Sie auch einverstanden sein können. Das ist richtig. Dann wird ja auch das leichter sich machen lassen mit solchen Leuten wie G. T. Ist noch jemand, der in Betracht käme?

Zoals u wilt. Dit voorstel is geheel aan u.
Maar het lijkt erop dat dit moet gebeuren, want de klas was iets te groot.
Wat heeft u tegen het splitsen van de klas? U vindt ze allemaal zo aardig dat u niemand wil laten gaan. Toch is het beter. U zult gemakkelijker met de lesstof van de 6e klas kunnen omgaan als u niet meer dan dertig leerlingen heeft. Als u dus zelf degenen behoudt die u geschikt acht, en een klas van twintig afsplitst, zult u het daar ook mee eens kunnen zijn. Dat klopt. Dan wordt het ook makkelijker met mensen als G. T. Is er nog iemand anders die in aanmerking komt?

X.: Ich hätte den A. S. K. in der 6. Klasse. Er ist Epileptiker und mußte monatelang wegbleiben.

X.: Ik zou A. S. K. in de zesde klas hebben. Hij is epileptisch en moest maandenlang wegblijven.

Dr. Steiner: Der müßte wieder in der 6. bleiben. Den würde man in die neue 6. setzen. Wir wollen im allgemeinen mit dem Sitzenbleiben vorsichtig sein. Bei ihm müßte mit den Eltern gesprochen werden.

Hij zou weer in de zesde klas moeten blijven. Hij moet in de nieuwe zesde klas worden geplaatst. Over het algemeen willen we voorzichtig zijn met doubleren.
In zijn geval zou er met de ouders moeten worden gesproken.

X.: Heikel ist es. Die Eltern werden es nicht verstehen. Sie sind nicht sehr
günstig eingestellt; es gibt mit dem Buben immer Schwierigkeiten.

X.: Dat is een delicate kwestie. De ouders zullen het niet begrijpen. Ze staan er niet erg positief tegenover; er zijn altijd problemen met die jongen.

Dr. Steiner: Das darf kein Grund sein. Nun gewiß nicht! Der Vater ist ja ein vernünftiger Mensch; er ist kein wahrer Mensch, vernünftig ist er doch. Man wird am besten mit ihm reden, nicht mit seiner Frau.
Der Bub, der erweist sich als verwahrlost. Nicht wahr, es würde ja an sich nichts machen, wenn er in der 6. Klasse bleibt; es ist nur die Frage, ob er nicht hinausgenommen wird, und ob wir es dazu kommen lassen sollen. Es liegt auch der Grund vor: bei dem Buben ist es so, wenn er wirklich herauskommt, dann ist es Schluß. Wenn er hier bleibt, wird er nicht weiter herunterkommen. Nach dem Zeugnis ist es nicht gut anders möglich, als daß man ihn in der 6. zurückläßt. Zunächst würde ich vorschlagen, man redet einmal mit dem Vater. Es braucht erst zu geschehen, wenn das neue Schuljahr beginnt. Es hat Vorteile, wenn der Junge die 6. noch einmal

Dat mag geen reden zijn. Zeker niet! De vader is een redelijk mens; hij is geen reëel mens, maar hij is wel redelijk. Je kunt het beste met hem praten, niet met zijn vrouw.
De jongen blijkt verwaarloosd te zijn. Het zou op zich niets uitmaken als hij in de zesde klas blijft; het is alleen de vraag of hij niet van school wordt gestuurd en of we dat moeten laten gebeuren. Er is ook een reden: bij deze jongen is het zo dat als hij echt van school wordt gestuurd, het voorbij is. Als hij hier blijft, zal hij niet verder achteruitgaan.
Na het rapport is er geen andere mogelijkheid dan hem in de zesde klas te laten zitten. Ik zou voorstellen om eerst eens met de vader te praten.
Dat hoeft pas te gebeuren als het nieuwe schooljaar begint. Het heeft voordelen als de jongen de zesde klas nog een keer doet.

Blz. 171

macht. Ich würde dem Vater das einfach objektiv auseinanderlegen; so wie Sie ihn beurteilen müßten, muß man sagen, wenn er manches von dem, was er lückenhaft gehört hat, noch einmal hören würde, wäre es gut. Wenn Sie dann bemerken, daß der Vater ihn herausnehmen würde, so nehmen wir ihn herauf in die 7. Klasse. Aber es ist eine schwierige Sache. Es sind nur diese paar Fälle?

Ja. Ik zou het gewoon objectief aan de vader uitleggen; aangezien je hem moet beoordelen, moet je zeggen dat het goed zou zijn als hij sommige dingen die hij nu maar gedeeltelijk heeft gehoord, nog eens zou horen. Als je dan merkt dat de vader hem van school wil halen, zullen we hem tot en met de zevende klas laten meedoen. Maar het is een lastige kwestie. Gaat het hier alleen om deze paar gevallen?

X. fragt wegen des F. M. in der 4. Klasse.

X. vraagt ​​naar F.M. in de vierde klas.

Dr. Steiner: Da liegt kein richtiger Grund vor, den müßten wir schon
mitnehmen. Das ist ein schwer zu behandelnder, schwacher Schüler.
Den müssen wir vorläufig mitnehmen. Man kann etwas tun, daß er das eine oder das andere lernt, daß er nachkommt. Da würde man sich zu stark desavouieren.

Er is geen echte reden waarom we hem mee zouden moeten nemen. Hij is een lastige, zwakke leerling. We moeten hem voorlopig wel meenemen. Er kan iets gedaan worden zodat hij dit of dat leert, zodat hij zijn achterstand inhaalt. Je zou te veel afstand kunnen nemen.

X. fragt wegen K. A. in der 5. Klasse und schlägt vor, daß er ein Vierteljahr in
die Hilfsklasse kommt.

X. vraagt ​​naar K.A. in de vijfde klas en stelt voor dat hij een kwart jaar naar de ondersteuningsklas gaat.

Dr. Steiner (zu Dr. Schubert): Vielleicht können Sie sich für ein Vierteljahr die Aufgabe setzen, ihn nachzubringen. Offenbar liegt eine gewisse Gehirnweiche in der Familie. Da würde ich doch raten,
ihn mitzunehmen.
Die H. bleibt weiter bei Ihnen in der Hilfsklasse, und man kann es dann entscheiden, wenn Sie finden, daß sie soweit nachgeholt hat, daß sie in eine Klasse kommen kann. Die Hilfsklasse bleibt wie bisher
zusammen.

Dr. Steiner (tegen Dr. Schubert): Misschien kunt u zich voornemen hem een ​​kwart jaar mee te nemen. Blijkbaar is er een bepaalde hersenzwakte in de familie. Ik zou u aanraden hem mee te nemen.
H. blijft in jullie hulpklas en er kan dan een besluit worden genomen wanneer jullie vinden dat ze voldoende heeft ingehaald om deel te kunnen nemen aan een reguliere klas. De ondersteuningsklas blijft zoals voorheen bij elkaar.

Ich dachte, die M. G. wird in der nächsten 2. Klasse nicht mitkommen können. Sie wird ziemlich lange in der Hilfsklasse bleiben müssen, das ist so ein Kind, bei dem doch eines schönen Tages der Knopf aufspringen könnte. Es könnte sein, daß der Knopf kommt.
Wir behalten sie doch in der Hilfsklasse und entscheiden später. Wenn Sie sie in der untersten Klasse mitmachen lassen wollen, das schadet nichts, wenn sie da mitmacht. Da kann sie auch sein. Lassen Sie sie da in der untersten Klasse mitmachen. Im allgemeinen ist es ja nicht so, daß wir eine Revision vornehmen müssen. Die Fälle, die wir vorgehabt haben, lassen sich ohne weiteres lösen. Eine richtige Revision brauchen wir nicht vorzunehmen.
Beim Fremdsprachenunterricht ist es so, daß man leichter zurechtkommt, weil es immerhin da nicht so streng klassenweise eingeteilt ist. Wir sollten nicht so streng klassenweise gehen im Sprachunterricht. Es hat sich so herausgebildet, aber im ganzen braucht der Sprachunterricht nicht klassenmäßig eingerichtet zu werden.

Ik dacht dat M.G. het in de volgende tweede klas niet zou redden. Ze zal nog een tijdje in de ondersteuningsklas moeten blijven; ze is het type kind dat misschien ooit een doorbraak zal hebben. Het is mogelijk dat die doorbraak er komt. We laten haar in de hulpklas en beslissen later. Als je wilt dat ze meedoet in de laagste klas, kan dat geen kwaad. Ze kan daar ook bij zijn. Laat haar meedoen in de laagste klas. Over het algemeen hoeven we niets te herzien. De gevallen die we in gedachten hadden, kunnen gemakkelijk worden opgelost. We hoeven geen echte herziening door te voeren.
Met vreemdetalenonderwijs is het makkelijker te organiseren omdat het niet zo strikt in klassen is ingedeeld. We zouden niet zo strikt moeten zijn met de klassenindeling in taalonderwijs. Het is nu eenmaal zo ontwikkeld, maar over het algemeen hoeft taalonderwijs niet per klas te worden georganiseerd. <8>

Blz. 172

Beim Sprachunterricht, da ist dieser tatsächlich grandiose Unterschied zwischen Chorsprechen und Einzelsprechen. Die Kinder reden im Chor alle glattweg mit und können es einzeln nicht. Es würde sich darum handeln, daß man es ausnützt. Das werden wir bei den pädagogisch-methodischen Fragen im nächsten Jahre behandeln, daß man versucht, bei den Kindern, nachdem sie es im Chor gesprochen haben, rasch es einzeln zu machen. Man soll es machen als Grundlage des Lernens. Das ist zweifellos so.

<9> In het taalonderwijs is er een opmerkelijk verschil tussen spreken in koor en individueel spreken. De kinderen spreken allemaal vloeiend in koor, maar kunnen dat niet individueel. Het is belangrijk om hier optimaal gebruik van te maken. We zullen dit volgend jaar bespreken in de pedagogisch-methodologische vragen, namelijk hoe we de kinderen snel individueel kunnen laten spreken nadat ze in koor hebben gesproken. Dit zou de basis van het leerproces moeten vormen. Dat is ongetwijfeld het geval. <9>

X.: Der Stundenplan ist schwer durchführbar, wenn Kinder aus einer Klasse
mit anderen Klassen Sprachunterricht haben sollen.

X.: Het rooster is moeilijk te implementeren als kinderen uit de ene klas taalonderwijs moeten volgen met kinderen uit andere klassen.

Dr. Steiner: Beim Sprachunterricht wäre es wirklich ganz gut — aber das ist nicht durchführbar —, wenn man systematisch zwei Altersklassen beieinander haben könnte, daß das eine Kind vom anderen lernte. In der Sprache ist es gut, wenn die Jüngeren von Älteren lernen. Das ist ein Surrogat, wenn Schwächere und Bessere da sind.
Es ist in der Zeit nicht durchführbar, aber wenn wir können, sollten wir in der Sprache Schwächere und Bessere durcheinander haben.

<10> In het taalonderwijs zou het heel goed zijn – maar het is niet haalbaar – als je systematisch twee leeftijdsgroepen bij elkaar zou kunnen zetten, zodat het ene kind van het andere kan leren. In het taalonderwijs is het goed als de jongere kinderen van de oudere kinderen leren. Dat is een alternatief voor het hebben van zwakkere en sterkere leerlingen.
Het is niet haalbaar binnen de huidige tijd, maar als het mogelijk is, zouden we de zwakkere en sterkere leerlingen in het taalonderwijs moeten mengen.

X.: Was ist im Sprachunterricht zu machen mit den neu dazu kommenden
Kindern? Soll man denen Nachhilfestunden geben?

X: Wat moet er gebeuren in de taallessen met de nieuw erbij gekomen kinderen? Moeten ze bijles krijgen?

Dr. Steiner: Da müßte man den Eltern sogleich sagen, daß es an einer Nachmittagsstunde gemacht werden müßte. Das läßt sich nicht anders machen, als daß wir einfach die etwas nachpumpen. Kommen tatsächlich so viele Neue nach?

We zouden de ouders meteen moeten laten weten dat het ’s middags moet gebeuren. Er is geen andere manier dan de leerlingen wat meer bij te spijkeren. Komen er echt zoveel nieuwe leerlingen?

X : Ich habe seit Weihnachten vierzehn neue Schüler gehabt.

X: Ik heb sinds Kerstmis veertien nieuwe leerlingen gekregen.

Dr. Steiner: Ein Prinzip wollen wir in dieser Frage doch nicht aufstellen, sondern immerhin jeden einzelnen Fall prüfen. Im großen und ganzen, wenn nicht besondere Gründe vorliegen, rät man den Leuten, sie sollen bis zum Ende des Jahres in ihrer Schule bleiben.
Aber wir wollen nicht uns ganz abweisend verhalten.
Der Separatkurs in den Sprachen muß für solche Kinder eingerichtet werden. Das ist unbedingt nötig. Sonst könnten wir nicht Schüler in die höheren Klassen aufnehmen. Wenn es geht! Man muß das machen, was notwendig ist. Im großen und ganzen kann man sagen, in den Sprachen lassen sich vielleicht durcheinander haben Alte und Junge, weil die Jüngeren von den Älteren lernen, und die Älteren dadurch vorwärtskommen, daß sie die Jüngeren mitnehmen müssen. Da kann man Altersklassen durcheinander haben.

We willen hier geen algemeen principe voor vaststellen, maar elk geval afzonderlijk bekijken. Over het algemeen adviseren we leerlingen, tenzij er bijzondere redenen zijn, om tot het einde van het schooljaar op hun huidige school te blijven. Maar we willen ze niet zomaar afwijzen. Er moet een aparte taalcursus voor deze kinderen worden opgezet. Dat is absoluut noodzakelijk. Anders zouden we geen leerlingen in de hogere klassen kunnen toelaten. Als het mogelijk is! Je moet doen wat nodig is. Over het algemeen kun je misschien oudere en jongere leerlingen in taallessen mengen, omdat de jongeren van de ouderen leren en de ouderen vooruitgang boeken doordat ze de jongeren moeten begeleiden. Daar kun je gemengde leeftijdsgroepen hebben.

X. fragt wegen Vermehrung der Sprachstunden.

X vraagt ​​of het aantal taallessen verhoogd kan worden.

Blz.173

Dr. Steiner: Sie haben die Sehnsucht, mehr Stunden zu haben. Aber auf der anderen Seite ist es wirklich so, daß wir eigentlich die Kinder genügend viel in der Schule haben. Wir können nicht gut die Stundenzahl vermehren. Ich glaube nicht, daß wir da etwas machen dürfen. Wir könnten ja in den höheren Klassen später einmal daran denken. In der 9., 10. Klasse, da können wir vielleicht etwas mehr Sprachunterricht einführen. Viel mehr dürfen wir nicht vom Klassenunterricht wegnehmen; keine halbe Stunde kann entbehrt werden.
Wir können nicht gut die Kinder noch einmal mehr in der Schule drin haben, sie sind eigentlich doch nachmittags meist da.

U zou meer uren willen hebben. Maar aan de andere kant is het echt waar dat we de kinderen al lang genoeg op school hebben. We kunnen het aantal uren niet zomaar verhogen. Ik denk niet dat we daar iets aan mogen doen. We zouden het later in de hogere klassen kunnen overwegen. In de negende en tiende klas zouden we misschien wat meer taalonderwijs kunnen aanbieden. We kunnen niet veel meer van de reguliere lessen afhalen; zelfs geen half uur is mogelijk.
We kunnen de kinderen ook niet nog meer op school laten zitten; ze zijn er meestal toch al ’s middags. <10>

X.; Wie hoch ist das Maximum der Stunden, die wir in den Volksschuljahren
den Kindern in der Woche geben können? Wir geben in der 1. Klasse sechsundzwanzig, weiter herauf sehr viel mehr durch fakultative Stunden in Latein.

<11> X.: Wat is het maximale aantal uren dat we de kinderen per week op de basisschool kunnen geven? We geven 26 uur in de eerste klas, en later nog veel meer via keuzevakken Latijn.

Dr. Steiner: Wir können die Stundenzahl nicht vermehren.
Wie kommt es, daß in den Zeugnissen Eurythmie nicht als besonderer Gegenstand auftritt, sondern mit Musik zusammen? Das ist etwas, was ich als Mangel empfinde.

We kunnen het aantal uren niet verhogen.

Hoe komt het dat euritmie niet als apart vak in het getuigschrift staat, maar samen met muziek? Dat zie ik als een tekortkoming.

X..’ Weil ich alle Kinder zu unterrichten hatte, kannte ich die einzelnen zuwenig. — Auch in der Musik möchte ich vorschlagen, daß wir eine Stunde
mehr anfügen.

X.: ‘Omdat ik alle kinderen les moest geven, kende ik ze niet allemaal even goed. — Ik wil ook voorstellen om een ​​extra uur aan de muzieklessen toe te voegen.’

Dr. Steiner: Beim Musikunterricht ist es möglich, daß wir etwas tun. Es sind wenige Stunden, das ist richtig. Wollen Sie nicht ganz bestimmte Vorschläge machen, wieviel Stunden Sie in den einzelnen Klassen haben möchten?

Met muzieklessen kunnen we wel iets doen. Het zijn maar een paar uur, dat klopt. Zou u misschien wat concrete suggesties willen doen over het aantal uren per les?

X.: Wir können es verschieden machen. Wir können es so einrichten, daß wir
getrennt Chorgesang und Gehörsübungen haben, oder daß wir Chorunterricht
zu bestimmten Zeiten, zu den Festzeiten geben; das würde ich vorziehen. —
Ich nehme an, daß ich die Klassen so bekomme, wie sie jetzt sind. Bei zu
großen Klassen kann ich die Kinder nicht genügend kennenlernen.

X.: We kunnen het op verschillende manieren aanpakken. We kunnen bijvoorbeeld aparte lessen koorzang en gehoortraining geven, of koorlessen op specifieke momenten, bijvoorbeeld tijdens feesten; dat zou mijn voorkeur hebben. —
Ik ga ervan uit dat de lessen zo blijven zoals ze nu zijn. Met te grote klassen kan ik de kinderen niet goed genoeg leren kennen.

Dr. Steiner: Wieviel würden Sie brauchen in der Musik für die
1. Klasse? Wir haben da 26 ½ Stunden.

Hoeveel muziekles zou u nodig hebben voor klas 1? We hebben daar 26,5 uur.

X.: Eine Stunde.

X.: Een uur.

Dr. Steiner: Dann würde sich das erreichen lassen, daß Sie die einzelnen Kinder auch kennenlernen. Über den Stundenplan als solchen
würde manches noch zu gestalten sein. Diese eine Stunde kann ja
wohl sein. Auch in der 2. Klasse eine Stunde, und in der 3. Klasse. —
Es fragt sich nur für die oberen Klassen, ob wir nicht ständig den
Chorunterricht beibehalten. Das kann gemacht werden von Fall zu

Dan kunt u elk kind individueel leren kennen. Er is nog ruimte voor aanpassingen aan het lesrooster. Dat ene uur is zeker haalbaar. Ook een uur in klas 2 en een uur in klas 3. —
De enige vraag voor de hogere klassen is of we de koorlessen niet permanent moeten behouden. Dit kan per geval bekeken worden.

Blz.174

Fall. Ich glaube, die Zeit, die Sie haben für den Musikunterricht, die können Sie einteilen für Einzelunterricht oder Chorunterricht.
Es kommt auch der Anstandsunterricht dazu. Der belastet ja nicht.
Den können wir ruhig ansetzen. Ich meine, der kann zu den anderen Stunden dazukommen. Der darf nichts wegnehmen vom Musikalischen. Das was Sie wünschen, wenn Sie die neue Lehrkraft bekommen, daß Sie die einzelnen Schüler klassenweise haben und nicht zusammengelegt, das muß gemacht werden. Außerdem liegt das vor, daß wir, sobald wir eine Möglichkeit haben,
auch etwas Turnen anfügen. Turnen können wir ohne weiteres dazubringen, so daß wir sagen können: ,,Turnen und Eurythmie.”
Das wäre schon ganz gut. Es braucht nur so mit zu unterlaufen, daß wir das physiologische Turnen neben der psychologischen Eurythmie auch pflegen. Sobald gefragt wird, wird man sagen, wir haben es nicht ausgeschaltet, es wird einbezogen. Die Eurythmie, die könnte nicht vermindert werden, da müßte eine besondere Stunde dazukommen. Es genügt wahrscheinlich, wenn wir eine halbe Stunde Turnen in der Woche anfügen an die Eurythmie, oder wenn wir die
Übungen daruntermischen. Gerade das müßte darin sein, Geräteübungen.

Ik denk dat je de tijd die je voor muzieklessen hebt, kunt besteden aan individuele lessen of koorrepetities.
We hebben ook de etiquettecursus nog. Dat is geen extra belasting. Die kunnen we zeker inplannen. Ik bedoel, die kan gewoon aan de andere lessen worden toegevoegd. Het mag niets ten koste gaan van het muziekonderwijs. Wat je wilt, is dat de leerlingen individuele lessen krijgen en niet in groepen, en dat moet geregeld worden.
Verder is afgesproken dat we, zodra de gelegenheid zich voordoet, ook lichamelijke opvoeding zullen toevoegen. We kunnen gemakkelijk gymnastiek integreren, zodat we kunnen zeggen: “Gymnastiek en euritmie.”
Dat zou prima zijn. Het moet alleen subtiel gebeuren, zodat we naast psychologische euritmie ook lichamelijke gymnastiek beoefenen. Zodra iemand ernaar vraagt, zullen ze zeggen dat we het niet hebben afgeschaft; het is onderdeel van het programma. Euritmie kan niet worden ingekort; daarvoor moet een apart uur worden toegevoegd. Het is waarschijnlijk voldoende als we elke week een half uur gymnastiek aan de euritmie toevoegen, of als we de oefeningen afwisselen. Dat is precies wat het zou moeten omvatten: oefeningen met de apparaten.

Eine Schwierigkeit ist da bei dem Turnen. Da können wir die Mädchen und Buben nicht zusammennehmen. Die Teilung ist eine Raumschwierigkeit. Man kann nicht Mädchen und Buben miteinander nehmen; beim Geräteturnen ist es nicht möglich. Ja, bei Freiübungen könnte man sie ohne weiteres zusammennehmen. Wenn die Kinder Turnanzüge haben, dann ginge es; es ist doch nur ein Vorurteil.

Er is een probleem met gymnastiek. We kunnen de meisjes en jongens niet bij elkaar zetten. De scheiding is een kwestie van ruimte. Je kunt meisjes en jongens niet samen laten oefenen; dat is niet mogelijk bij toestelgymnastiek. Ja, je zou ze makkelijk samen kunnen zetten voor vrije oefeningen. Als de kinderen turnpakjes droegen, dan zou het wel werken; het is gewoon een vooroordeel.

Es wird ein Einwand gemacht.

Er wordt bezwaar gemaakt.

Dr. Steiner: Warum meinen Sie? Es ist so, daß die Mädchen vieles nicht machen, was die Buben machen können. Da würde man Riegen zusammenstellen und würde sie abwechselnd behandeln. Der eine ist mit den Mädchen am Reck, der andere macht mit den Knaben Stabübungen. Die Mädchen müßten Turnhosen haben; dezente Hosen müßten fabriziert werden drunten in der Fabrik.
Ja, es ist nur dann die Frage, wer den Turnunterricht gibt, daß Sie nicht überlastet werden. Nun liegt die ganze Schule, was Gesang und Eurythmie und Musik betrifft, an Ihnen; im Ganzen liegt viel an Ihnen.

Waarom vraagt ​​u dat? Het klopt dat de meisjes veel dingen niet kunnen die de jongens wel kunnen. Je zou de groepen kunnen samenstellen en ze om de beurt laten werken. De ene docent is met de meisjes aan de rekstok, de andere doet de staafoefeningen met de jongens. De meisjes zouden turnbroeken moeten dragen; onopvallende broeken zouden in de fabriek gemaakt moeten worden.
Ja, de enige vraag is wie de gymnastieklessen geeft, zodat u niet overbelast raakt. Wat betreft de zang, euritmie en muziek op de hele school, dat is uw verantwoordelijkheid; uiteindelijk hangt er veel van u af.

X., der bisher auch etwas Turnen gegeben hatte: Wenn wir elf Klassen haben,
dann ist sehr stark die Frage, ob das möglich ist. Könnten nicht auch die Klassenlehrer Turnunterricht geben? Nicht immer, aber hier und da?

X., die ook gymnastiekles had gegeven: Als we elf klassen hebben, dan is de vraag of dat wel mogelijk is. Zouden de klassenleerkrachten niet ook gymnastiekles kunnen geven? Niet de hele tijd, maar af en toe?

Blz. 175

Dr. Steiner: Die Klassenlehrer sind angestrengt. — Turnstunden brauchen in den drei untersten Klassen nicht gegeben zu werden. Die 1. und 2. Klasse könnten wir mit der Eurythmie schon befriedigen.
Aber nachher müßten wir, um es nicht nicht zu haben, schon das Turnen haben. Es ist auch ganz gut, wenn es gemacht würde. Es wäre ganz schön, wenn es möglichst sich anschließen würde an die Eurythmie, daß die Kinder zuerst Eurythmie treiben und dann etwas turnen würden.
Das Turnen würde für Sie etwas viel werden. Daran hatte ich nicht gedacht. Es müßte die Möglichkeit gegeben werden, daß jemand anderer den Turnunterricht gibt, insbesondere da zwei da sein müssen. Die Eurythmielehrerin müßte dabei sein, das ist nicht schwer.
Nun ja, das muß ins Auge gefaßt werden. Wir können entweder das Turnen weiter weglassen, oder wir müßten die Möglichkeit haben, eventuell noch eine Turnkraft zu haben. Das würde genügen, die eine Stunde für Eurythmie, und dann im Anschluß daran eine halbe Stunde das Turnen. Aber dann kriegen wir zuviel Stunden.
(Zu Frau Baumann): Jetzt hatten wir zwei Stunden Eurythmie. So wie Sie es jetzt gehabt haben in der letzten Zeit, hatten Sie nicht zuviel?

De leerkrachten hebben het erg druk. — Gymlessen hoeven niet gegeven te worden in de drie laagste klassen. We zouden  de eerste en tweede klas tevreden kunnen stellen met euritmie.
Maar om het daarna helemaal te vermijden, zouden we gymlessen moeten aanbieden. Het zou ook heel goed zijn als dat gedaan werd. Het zou mooi zijn als het na de euritmie kwam, zodat de kinderen eerst euritmie en daarna gymlessen zouden krijgen. De gymlessen zouden misschien wat te veel voor ze zijn. Daar had ik nog niet aan gedacht. Er zou een mogelijkheid moeten komen om iemand anders de gymlessen te laten geven, vooral omdat er twee docenten nodig zijn. De euritmiedocent zou er wel bij moeten zijn; dat is niet moeilijk. Nou, dat moet overwogen worden. We kunnen ofwel doorgaan met het weglaten van gymlessen, of we moeten de mogelijkheid hebben om eventueel een andere gymdocent aan te stellen. Dat zou voldoende zijn: een uur euritmie en daarna een half uur gymnastiek. Maar dan zouden we te veel uren hebben.

(Tegen mevrouw Baumann): We hebben net twee uur euritmie gehad. Zoals u het de laatste tijd doet, heeft u er niet te veel van?

X.: Ich hatte oft einundfünfzig auf einmal. In der 3. Klasse hatte ich achtundvierzig. Ich habe es so gemacht, daß ich die eine Hälfte zusehen ließ,
während die anderen Eurythmie machten.

X.: Ik had er vaak eenenvijftig tegelijk. In de derde klas had ik er achtenveertig. Ik regelde het zo dat de helft toekeek terwijl de andere helft euritmie deed.

Dr. Steiner ist damit einverstanden.

Dr. Steiner is het daarmee eens.

X. möchte die Klassen teilen.

X. wil de klassen opsplitsen.

Dr. Steiner: Das werden wir machen müssen, wenn wir das für die
anderen Klassen erst sehen. Das muß man am Beginn des nächsten
Schuljahres festlegen. Die Größe der Klasse ist nicht festliegend, es
kommt ein Zuwachs hinzu. Wie viele Schüler meinten Sie, werden
wir in der nächsten 1. Klasse haben?

Dat moeten we doen als we zien hoe het met de andere klassen gaat. Dat moet aan het begin van het volgende schooljaar besloten worden. De klassengrootte is niet vast; er komen nieuwe leerlingen bij. Hoeveel leerlingen denkt u dat we in de volgende eerste klas zullen hebben?

X.: Fünfundsechzig.

X.: Vijfenzestig.

Dr. Steiner: Das müßten natürlich zwei werden. Für die 2. Klasse kommt das nicht in Betracht. Die künftige 4. Klasse ist auch so groß, daß es über fünfzig Kinder werden. Da sind soviel Neue. Ich dachte auch, die Kleinsten im Singen an Fräulein Lämmert zu geben. Sonst wird es für Herrn Baumann zuviel mit dem Singen. Auch mit dem Turnen wird es viel zuviel. Da muß man sehen, wie man mit der Lehrerschaft zurechtkommt.
Die Frage der Lehrerschaft muß also besprochen werden. Wir ver-

Dat zouden er dan twee moeten zijn, natuurlijk. Dat is uitgesloten voor de tweede klas. De toekomstige vierde klas is ook zo groot dat er meer dan vijftig kinderen zullen zijn. Er komen zoveel nieuwe bij. Ik dacht er ook aan om de jongste kinderen zangles van juffrouw Lämmert te geven. Anders krijgt meneer Baumann te veel zangles. De gymnastiek zal ook veel te veel zijn. We moeten kijken hoe we het met de leraren kunnen vinden.
De kwestie van het onderwijzend personeel moet daarom besproken worden. We ver-

Blz. 176

mehren die Klassen, wir brauchen neue Lehrer. Es sind jetzt die zwei Baracken im Bau, die zu Anfang des nächsten Schuljahres fertig werden, hoffentlich. Und wenn die fertig sind, dann können wir gerade auskommen. Es geht vielleicht sogar auch, daß wir auskommen, wenn wir die künftige 4. und 2. teilen, weil die beiden weit über fünfzig hinauskommen. Dann geht es knapp mit den Räumen. Es geht nur so, daß wiederum die Nebenräume notleiden. Es bleibt unerledigt. Es würde so eben gehen mit den Bauten, die wir jetzt haben. Aber es fehlt dann ein Raum für Gesang vorläufig, es fehlt ein Raum für den Kindergarten, und es fehlen weiterhin Klassenräume für weitere Klassen, die in den folgenden Jahren kommen. Es fehlt eine Bibliothek, es fehlt die Turnhalle, es fehlen Räume für die Fortbildungsschule — vielleicht kann man die Fortbildungsschule schließlich beiseite lassen —, es fehlt das Arztzimmer, von dem wir gesprochen hatten, eine ganze Anzahl Dinge. Das sind Dinge, die wir neulich besprochen haben. Es sollte versucht werden, diese Dinge zu lösen dadurch, daß man einen Stock aufsetzt.

De klassen worden groter, we hebben nieuwe leraren nodig. De twee barakken zijn momenteel in aanbouw en zullen hopelijk aan het begin van het volgende schooljaar klaar zijn. En als die klaar zijn, redden we het net. Het zou zelfs mogelijk kunnen zijn om de toekomstige vierde en tweede klas te splitsen, want beide groepen zullen ruim 50 leerlingen tellen. Dan wordt het wel krap met de lokalen. Het werkt alleen als de bijgebouwen er weer onder lijden. Dat is nog niet opgelost. Met de gebouwen die we nu hebben, zou het net lukken. Maar dan is er voorlopig geen ruimte voor zang, geen ruimte voor de kleuterschool en een aanhoudend tekort aan klaslokalen voor de extra klassen die in de komende jaren zullen komen. Er is een tekort aan een bibliotheek, een tekort aan een gymzaal, een tekort aan lokalen voor de voortgezette school – misschien kunnen we die voortgezette school uiteindelijk wel opheffen – een tekort aan de dokterspraktijk waar we het over hadden, en nog veel meer. Dit zijn zaken die we onlangs hebben besproken. Men zou deze problemen moeten proberen op te lossen door etages te gaan gebruiken.

X.: Das stellt sich als unmöglich heraus.

X: Dat blijkt onmogelijk te zijn.

Dr. Steiner: Warum ist das unmöglich? Woran liegt es, daß man einen Stock aufbauen wollte und jetzt nicht kann?

Waarom is dat onmogelijk? Wat is de reden dat ze een verdieping wilden bouwen en dat nu niet kunnen?

X.: Die Standfestigkeit des Unterbaues ist dann zu stark in Anspruch genommen.

X.: De stabiliteit van de ondergebouw zou dan te veel onder druk komen te staan.

Dr. Steiner: Ich verstehe nichts. Was sagt der Architekt? Hatte er das nicht vorher gewußt? Es ist schrecklich, daß immer Ideen entstehen, die nachher nicht durchführbar sind. Natürlich kann man —, heißt es, nachher muß alles umgeändert werden. Der baupolizeiliche Gesichtspunkt hätte vorher durchdacht werden müssen. Ich würde mich in Dornach zum Beispiel nie einlassen darauf, daß mir ein Plan vorgelegt würde von etwas, was nicht absolut ausgeführt werden kann. Man verliert die Zeit damit. Man soll sich herumtragen mit
einer Idee und nachher ist wieder nichts. Man hat doch gerechnet damit, daß der Eurythmiesaal hinaufgelegt wird. Ich meine, wir haben damit gerechnet. In Dornach erzählten Sie es mir noch.

Ik snap er niets van. Wat zegt de architect? Wist hij dat niet van tevoren? Het is vreselijk dat er steeds ideeën ontstaan ​​die achteraf niet haalbaar blijken. “Natuurlijk kan het,” zeggen ze, “maar dan moet alles veranderd worden.
De bouwvoorschriften hadden van tevoren bekeken moeten worden. In Dornach bijvoorbeeld zou ik nooit instemmen met een plan voor iets dat niet absoluut uitvoerbaar is. Zo verspil je tijd. Je moet met een idee spelen, en uiteindelijk komt er niets van terecht. Ze hebben er toch rekening mee gehouden dat de euritmiezaal erbovenop gebouwd zou worden. Ik bedoel, wij verwachtten het. Je hebt het me er zelfs over verteld in Dornach.”

X.: Nicht als feste Tatsache, sondern als eine Möglichkeit.

X.: Niet als een vaststaand feit, maar als een mogelijkheid.

Dr. Steiner: Möglichkeiten kenne ich nicht. Wenn mir das jemand
erzählt, so halte ich es für eine Wirklichkeit, oder es ist nichts. Die
Baupolizei muß doch erst definitiv gefragt werden, und der Architekt muß wissen, ob er daraufbauen kann.

Ik ken geen mogelijkheden. Als iemand me iets vertelt, neem ik het ofwel voor waar aan, ofwel niet. Eerst moet de bouwinspectie definitief geraadpleegd worden, en de architect moet weten of hij erop mag bouwen.

Blz. 177

Nun ist der einzig mögliche Plan, eine Turnhalle und neben der Turnhalle anzugliedern die Nebenräume, die ich hier nannte, der gewissermaßen den ersten Teil eines rationell gebauten Schulgebäudes darstellen müßte. Es würde sich darum handeln, wohin das gebaut werden soll.
Das müßte in aller Sorgfalt überlegt werden. Ist dazu Geld da? Es handelt sich darum vor allen Dingen, ob das Geld dazu da ist. Man muß das Geld ausgeben, auch wenn es nicht gerechtfertigt ist. Es ist da. Es sind zehn Millionen eingezahlt worden. Nur wollen die Herren nur unriskante Geschäfte machen. Die ganze Frage ist eine Mutfrage.
Wir müssen darauf aufbauen. Die geistigen Werte werden ohnehin aus der Schule hervorgehen und nicht aus dem übrigen. Infolgedessen müssen wir den Mut haben, unsolide Geschäfte zu machen. Wir dürfen aber nicht mehr unsolide machen als solche, die wir durch die soliden ausgleichen können.
Man muß in den sechs Wochen herumreisen und das Geld aufbringen. Es ist nur die Frage, wie es gemacht wird. Dann muß man sehen, daß man durch Erfindungen etwas herausholt. Es müßte Geld geschafft werden. Und da ist es notwendig, daß wir den Plan mit dem Schulverein doch vergrößern.

Het enige mogelijke plan is nu om een ​​gymzaal te bouwen en daarnaast de eerdergenoemde bijgebouwen, wat in feite het eerste deel van een rationeel ontworpen schoolgebouw zou vormen. De vraag is dan: waar moet het gebouwd worden?
Dit moet zeer zorgvuldig overwogen worden. Is er geld voor? De belangrijkste vraag is of het geld beschikbaar is. Je moet het geld uitgeven, zelfs als het niet gerechtvaardigd is. Het is er. Tien miljoen is al betaald. Maar deze heren willen alleen maar risicovrije deals sluiten. Het draait allemaal om moed.
Daar moeten we op voortbouwen. De spirituele waarden zullen sowieso uit de school voortkomen, en niet uit iets anders. Daarom moeten we de moed hebben om onverstandige deals te sluiten. Maar we mogen niet meer onverstandige deals sluiten dan we kunnen compenseren met verstandige. We moeten in die zes weken rondreizen en het geld bijeenbrengen. De enige vraag is hoe dat gaat gebeuren. Dan moeten we kijken of we iets kunnen bedenken. Er moet geld gegenereerd worden. En daarvoor is het nodig dat we het plan uitbreiden met de schoolvereniging.

Es ist sehr leicht möglich, daß wir vielleicht, wenn wir einen Weltschulverein gründen, überhaupt für solche Schulen, international, daß wir Geld kriegen, während es jetzt einem überall begegnet, daß die Leute sagen, wir haben in Berlin kein Interesse daran, just für die Waldorfschule zu bezahlen. Wenn wir
einen Weltschulverein gründen, dann ist es vielleicht möglich, daß man für Stuttgart etwas verwenden kann. Es ist wahrscheinlich gar nicht möglich, wenn die Leute von vornherein bezahlen sollen für die Stuttgarter Waldorfschule, daß wir viel hereinkriegen. Dann müßte man sehen, daß wir durch Erfindungen etwas bekommen. Es ist allerhand in Arbeit, aber das geht nicht so geschwind. Wir haben etwas sehr Aussichtsreiches in Dornach, eine Rasierseife und das
Haarmittel ,,Verlockung”, aber es geht nicht so schnell mit dem Inaugurieren. So geschwind kann man die Sachen nicht erfinden, daß wir schon für den Herbst einen Turnsaal und einen Eurythmie und Gesangssaal haben. Dann müßten zuerst allen Kahlköpfen Locken wachsen.

Het is heel goed mogelijk dat we, als we een internationale schoolvereniging zouden oprichten, we geld zouden kunnen krijgen voor dergelijke scholen internationaal, terwijl je nu overal hoort dat mensen in Berlijn geen interesse hebben om specifiek voor de Waldorfschool te betalen. Als we een internationale schoolvereniging zouden stichten, zou er misschien iets voor Stuttgart gebruikt kunnen worden. Het is waarschijnlijk helemaal niet mogelijk dat we veel voor elkaar krijgen als mensen vanaf het begin voor de Waldorfschool in Stuttgart moeten betalen. Dan zouden we moeten zien of we iets voor elkaar krijgen door middel van innovaties. Er is veel in de maak, maar het gaat niet zo snel. We hebben iets heel veelbelovends in Dornach, een scheerzeep en het haarproduct “Verlokking”, maar het bekend maken gaat niet zo snel. Je kunt niet zo snel dingen uitvinden dat we tegen de herfst al een gymnasium, een euritmiezaal en een zangzaal hebben. Dan zouden alle kale hoofden eerst krullen moeten laten groeien.

X.: Ich wollte es ausprobieren, auf die Gefahr, daß meine Frau mich nicht
mehr kennt.

X.: Ik wilde het uitproberen, met het risico dat mijn vrouw me niet meer zou herkennen.

Dr. Steiner: Unsere Eurythmiedamen haben es schon auf sich genommen, das Haarmittel hier zu verwenden, damit ihnen Schnurrbart-

Onze dames die euritmie beoefenen, hebben het haarproduct hier al zelf gebruikt om snorren te laten groeien.

Blz. 178

haare wachsen. Dann werden sie es mit der Rasierseife wieder wegnehmen. Dann wachsen einem die Tausendmarkscheine auf dem Kopf. Es ist noch Geld da. Die Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft wissen nicht, wie wichtig die Waldorfschule ist. Ich habe neulich mit einigen Damen gesprochen, die haben keine Ahnung gehabt, daß es so drängt. Es wird überall, an vielen Stellen gesagt, daß Schulen gegründet werden sollten. Das einzige ist das, daß man die Leute bittet. Diese Idee dürfen wir nicht aufkommen lassen, daß wir
hier alles absorbieren wollen. Deshalb habe ich es besprochen, daß man nicht hier in Stuttgart alles zentralisiert, sondern herumreist in den einzelnen Städten, daß sich die Sache verbreitet, daß man nicht Sachen herumschickt und den Leuten diktiert. So entstand in Berlin der Gedanke, eine Schule zu begründen. Das dürfen wir nicht probieren, daß die Leute ihre Schulpläne zurückstellen sollen. Da handelt es sich darum, daß wir die Leute nicht vor den Kopfstoßen. Da müssen wir eben reisen. Für die Turnhalle wird man den ,,Kommenden Tag” um Kapital angehen und sich verpflichten, das Kapital zu verzinsen. 400 000 Mark, dafür kann man die Zinsen aufbringen, so daß das, was jetzt sein muß im Interesse des Fortganges, sofort geschehen kann. Ein anderes ist der weitere Ausbau der Schule selbst. Denn wenn wir die Schule weiterführen wollen, auch über das nächste Jahr hinaus und die von selbst sich ergebende Vergrößerung machen wollen, dann brauchen wir noch viel mehr Raum.

Dan halen ze het er weer af met scheerzeep. Dan groeien er briefjes van duizend mark op je hoofd. Er is nog steeds geld over. De leden van de Antroposofische Vereniging weten niet hoe belangrijk de Waldorfschool is. Ik sprak onlangs met een paar dames die geen idee hadden hoe urgent het is. Overal, op veel plaatsen, wordt gezegd dat er scholen moeten worden opgericht. Het enige wat je moet doen, is mensen ernaar vragen. We mogen niet toestaan ​​dat dit idee wortel schiet, dat we alles hier willen absorberen. Daarom heb ik het idee geopperd dat we niet alles hier in Stuttgart moeten centraliseren, maar naar de verschillende steden moeten reizen zodat het idee zich verspreidt, zodat we niet alles rondsturen en mensen de wet voorschrijven. Zo is het idee ontstaan ​​om een ​​school in Berlijn op te richten. We moeten mensen niet proberen te overtuigen hun schoolplannen uit te stellen. Het gaat erom mensen niet te vervreemden. Daarom moeten we reizen. Voor de gymzaal zullen ze ‘der kommenden Tag’ aankloppen en de verplichting aangaan het kapitaal met rente terug te betalen.
Voor 400.000 mark – kan men de rente opbrengen, zodat wat nu nodig is voor de vooruitgang van de school direct uitgevoerd kan worden Een ander punt is de verdere uitbreiding van de school zelf. Want als we de school na volgend jaar willen blijven runnen en de onvermijdelijke groei willen opvangen, hebben we aanzienlijk meer ruimte nodig.

X.: Man wird sich vielleicht helfen können, daß man eine von den großen
Klassen nachmittags als Gesangssaal verwendet.

X.: Misschien kunnen we een van de grote klaslokalen ’s middags als zangzaal gebruiken.

Dr. Steiner: So kann man sich vielleicht helfen, bevor der Turnhallenbau hergestellt ist.
Jetzt kommen wir zu der Frage, die doch in irgendeiner Weise gelöst werden muß. Es geht die Schule nicht weiter. Die Raumfrage und die künftige Lehrerfrage müßten gelöst werden.
Es wird über die Notwendigkeit gesprochen, auch Lehrerwohnungen zu bauen.

Misschien kunnen we dat wel doen totdat de gymzaal gebouwd is. Nu komen we bij de vraag die hoe dan ook opgelost moet worden. De school boekt geen vooruitgang. Het ruimteprobleem en de toekomstige lerarenvraag moeten worden opgelost.
Er wordt ook gesproken over de noodzaak om lerarenwoningen te bouwen.

Dr. Steiner: Eigentlich ist im Grunde genommen die ganze Raumfrage ungelöst. Die Raumfrage ist nur soweit gelöst, daß die Klassen untergebracht werden können. Die notwendigen Nebenräume sind zum großen Teil unvollkommen oder nicht da.
Wieviel neue Klassen werden wir haben? Eine 1., eine 6., eine 9. Es fehlt die Turnhalle, der Zeichensaal. Turnhalle würde der Eurythmiesaal sein. Da müssen wir uns nach der Decke strecken. Nur, für die Eurythmie muß er groß sein. Da müßte man sehen, wie man fertig

Eigenlijk is het hele ruimteprobleem nog steeds niet opgelost. Het ruimteprobleem is alleen opgelost in die zin dat er klassen in ondergebracht kunnen worden. De noodzakelijke bijruimtes zijn grotendeels ontoereikend of ontbreken zelfs helemaal.
Hoeveel nieuwe klassen krijgen we? Een eerste, een zesde en een negende klas. We missen een gymzaal en een tekenlokaal. De euritmiezaal zou als gymzaal kunnen dienen. We zullen daar tot het uiterste moeten gaan. Maar voor euritmie moet de zaal groot genoeg zijn. We zullen moeten zien hoe we voor elkaar krijgen

Blz. 179

bringt, daß man die Turnhalle mit den entsprechenden Nebenräumen noch bauen kann.
Es scheint mir, daß wir heute nur zur Aufzählung kommen dessen, was unbedingt gemacht werden muß. Es zeigt sich an dem Falle, daß man nicht weiterkommt, wenn man es nur auf kleine Dimensionen anlegt. Wenn jetzt mit der Turnhalle angefangen würde, dann werden sich gegen Weihnachten hin die Verhältnisse so verbessern können, daß wir wirklich annehmbare Verhältnisse haben. Es schwebt alles in der Luft, es weiß niemand, ob es nicht in vierzehn Tagen anders ist. Man müßte eine bestimmte Angabe darüber haben, was die Dinge kosten. So kann man nicht die Verhandlungen treiben.
Für den folgenden Tag war eine Besprechung mit denArchitekten vorgesehen.

Het lijkt me dat we vandaag pas beginnen met het opsommen van wat absoluut moet gebeuren. Het is duidelijk dat je in dit geval nergens komt door je alleen op kleinschalige projecten te richten. Als de bouw van de sporthal nu zou beginnen, zou de situatie tegen Kerstmis zo verbeterd kunnen zijn dat we werkelijk acceptabele voorwaarden zouden hebben. Alles is nog onzeker; niemand weet of de situatie over twee weken anders zal zijn. We hebben een concrete kostenraming nodig. Onderhandelingen kunnen zo niet verdergaan. Er stond een afspraak met de architecten gepland voor de volgende dag.

X.: Wir sind selbst daran schuld, weil wir nur für Augenblicke gesorgt haben. Die Anmeldungen haben sich überstürzt. So kam es, daß innerhalb drei Wochen die Verhältnisse veraltet waren.

X: We moeten het onszelf verwijten, omdat we alleen rekening hebben gehouden met de nabije toekomst. De aanmeldingen stapelden zich op. Daardoor waren de voorwaarden binnen drie weken alweer achterhaald.

X.; Wir müssen die Dinge so anschauen, daß das, was für die Bedürfnisse dasein muß, das muß gemacht werden. Dazu muß das Geld aufgebracht werden. Die Geldfrage hat sich unterzuordnen. Wir haben noch keine persönliche Propaganda getrieben unter den Eltern, die ein wirkliches Interesse am Bestehen der Waldorfschule haben. Da gibt der eine und andere ein Darlehen. Die persönliche Bearbeitung muß vorgenommen werden. Was nicht auf diese Weise zusammenzubringen ist, das muß durch ein Darlehen vom Kommenden Tag aus bewirkt werden. Wir werden in diesen Tagen zu einem umfassenden Plane der Geldbeschaffung kommen müssen. Ich bin der Ansicht, daß an den pekuniären Sachen der Fortschritt der Waldorfschule nicht scheitern sollte.

X: We moeten de zaken zo bekijken dat wat nodig is om aan de behoeften te voldoen, ook gedaan moet worden. Daarvoor moet het geld bijeengebracht worden. De geldkwestie moet even op de achtergrond treden. We hebben nog geen persoonlijke fondsenwerving georganiseerd onder de ouders die oprecht geïnteresseerd zijn in het voortbestaan ​​van de Waldorfschool. Sommigen bieden al leningen aan. Persoonlijk contact is noodzakelijk. Wat niet op deze manier kan worden ingezameld, moet vanaf morgen via een lening worden geregeld. We moeten de komende dagen een uitgebreid fondsenwervingsplan opstellen. Ik ben ervan overtuigd dat de vooruitgang van de Waldorfschool niet mag worden belemmerd door financiële problemen.

Dr. Steiner: Ja, es muß irgend etwas Bestimmtes vorliegen. Man kann auf all das hin nicht verhandeln, wenn man die Erfahrung macht, daß der Architekt erklärt, er kann den Saal machen, und dann, er kann es nicht machen. Auf solche Dinge hin verhandeln, das ist eine furchtbare Wirtschaft. Daß wir einen Eurythmiesaal brauchen, wissen wir schon lange, das haben wir in der letzten Konferenz
besprochen. Es ist unter dem Eindruck des dazumal Beschlossenen der Plan aufgetaucht, und Sie hatten mir gesagt, daß der Architekt gesagt hat, man kann das draufbauen. Jedenfalls haben wir drei Wochen verloren dadurch, daß der Architekt behauptet hat, er kann einen Stock aufbauen, was heute nicht wahr ist.
Wir wollen jetzt nicht mehr interimistisch bauen; man muß doch jetzt, was wir neu hinstellen, ein bißchen mehr auf längere Zeit bauen. Die Konferenz morgen muß man unter allen Umständen haben.
Informatorisch können Sie sich bei der Baupolizei immerhin schon

Ja, er moet iets specifieks klaar liggen. Je kunt niet over al die zaken onderhandelen als je de ervaring hebt dat de architect beweert dat hij de zaal kan bouwen, terwijl dat vervolgens niet het geval blijkt te zijn. Onderhandelen op zulke gronden is een vreselijke verspilling van tijd. We weten al lang dat we een euritmiezaal nodig hebben; we hebben het erover gehad tijdens de laatste vergadering. Het plan kwam naar voren in de veronderstelling dat er toen een besluit was genomen, en u vertelde me dat de architect zei dat er bovenop gebouwd kon worden. Hoe dan ook, we hebben drie weken verloren omdat de architect beweerde dat hij een verdieping kon toevoegen, wat nu niet meer het geval is. We willen niet langer op een tijdelijke basis bouwen; wat we nu bouwen, moet met een meer langetermijnvisie worden gebouwd. De vergadering van morgen is absoluut essentieel. U kunt in ieder geval wat informatie krijgen van de bouwinspectie,

Blz. 180

erkundigen, bevor Sie offiziell eine Sache vorlegen, ob die Sache Aussicht hat auf Genehmigung. Jedenfalls können wir nichts weiter darüber reden, da kein Plan vorliegt. Das wollte ich nur prinzipiell vorbringen.

voordat u officieel iets indient, moet u nagaan of er kans op goedkeuring is. Hoe dan ook, we kunnen er niet verder over praten, aangezien er geen plan is. Ik wilde dit punt alleen even in principe aankaarten.

Es wird gebeten um eine Äußerung Dr. Steiners zur Frage der Lehrerwohnungen.

Er wordt een reactie van Dr. Steiner gevraagd over de huisvesting van de docenten.

Dr. Steiner: Nicht wahr, es ist schwer für mich, mich zu äußern, da ich nicht in der Lage bin, das Geld auf den Tisch zu legen. Das ist das erste, wovon man ausgehen muß. Solange man das Geld nicht hat zu den Lehrerwohnungen, ist es eine rein akademische Frage. Wenn man von den Lehrerwohnungen absieht, so ist es so: es sind gewisse Sachen, die beschafft werden müssen. Entweder werden die Sachen nicht durchgeführt, oder die Dinge müssen gemacht werden. Es wäre wichtig, diese Fehler, daß die Dinge auf kleinem Maßstab angelegt werden, zu vermeiden; daß man die Sachen unbeschadet der finanziellen Verhältnisse so anlegt, wie es sein muß.
Ich bin sicher, daß, nachdem die Sache so angehoben hat mit der
Selbstaufopferung der Lehrer, daß die Sache geistig gehen wird, geistig nicht Fiasko macht. Das zeigt der Stoß des ersten Jahres, daß wir durchhalten können. Ob die Welt uns Geld gibt? — Ich glaube schon kaum mehr, daß die Welt zu solchen Sachen Geld gibt. Die Leute zeigen nicht Verständnis dafür.

Voor mij is het lastig om hier commentaar op te geven, aangezien ik niet in de positie ben om het geld beschikbaar te stellen. Dat is het eerste wat we moeten aannemen. Zolang we geen geld hebben voor de huisvesting van de leraren, is het een puur academische kwestie. Los van de huisvesting van de leraren, is het zo: er zijn bepaalde zaken die moeten worden gerealiseerd. Ofwel zullen deze zaken niet worden gedaan, ofwel moeten ze worden gedaan. Het is belangrijk om de fout te vermijden om dingen op kleine schaal aan te pakken; om ze goed uit te voeren, ongeacht de financiële situatie.
Ik ben ervan overtuigd dat het project, na de initiële zelfopoffering van de leerkrachten, in de geest zal slagen en geestelijk niet zal mislukken. Dat bewijst de impuls van het eerste jaar, dat we kunnen volhouden. Of de wereld ons geld zal geven? — Ik geloof er nauwelijks meer in dat de wereld geld geeft voor zulke dingen. Mensen tonen er geen enkel begrip voor.

Das ist dasjenige, was mir wirklich eine furchtbare Sorge ist. Das was wir heute auch am Anfang dieser Stunde gesagt haben, das ist durchaus richtig auf geistigem Gebiet. Die ganzen materiellen Fragen müßten auf einen vernünftigen Boden gestellt werden.
Was können wir dazu tun? Da ist die wichtige Frage, inwieweit wir die Ausdehnung der Schule vornehmen können. Irgendwie müssen wir dann eine gewisse Begrenzung haben, oder wir müssen so Leute hinter uns haben, die Millionen stiften. Die Unzuträglichkeit hängt zusammen mit der Tatsache, daß wir jede Anmeldung angenommen haben. Deshalb möchte ich vorschlagen, im Sinne der Einführungsrede, daß wir jetzt erklären, daß wir die Schule in dem Ausmaße fortführen, als es war; daß wir ablehnen, neue Kinder aufzunehmen, wenn wir nicht in der Lage sind, einen Turnsaal zu bauen. Wir teilen es der Welt mit, daß wir von keiner Seite unterstützt werden. Dies müßte in möglichst wirksamer Weise der Welt mitgeteilt werden. Wir führen die Schule im Rahmen des vorigen Jahres fort, wir müssen aber die schon aufgenommenen Schüler leider zurückweisen. Die Welt sollte wissen, wie es sich verhält. Dies müßte der Welt bekannt-

Dat baart me echt zorgen!. Wat we aan het begin van dit uur zeiden, is volkomen juist in spirituele sfeer. Alle materiële kwesties moeten op een solide basis staan. Wat kunnen we daaraan doen? De belangrijke vraag is in hoeverre we de school kunnen uitbreiden. Op de een of andere manier moeten we een bepaalde grens stellen, of we moeten mensen achter ons hebben die miljoenen doneren. De onhaalbaarheid zit hem in het feit dat we elke aanvraag hebben geaccepteerd. Daarom wil ik, in de geest van de openingsrede, voorstellen dat we nu verklaren dat we de school in de huidige vorm zullen voortzetten; dat we geen nieuwe kinderen meer zullen toelaten als we geen gymzaal kunnen bouwen. We laten de wereld weten dat we geen enkele steun ontvangen. Dit moet op de meest effectieve manier mogelijk aan de wereld worden gecommuniceerd. We zetten de school voort zoals vorig jaar, maar helaas moeten we de reeds ingeschreven leerlingen afwijzen. De wereld moet van deze situatie op de hoogte zijn. Dit moet openbaar gemaakt worden.

Blz. 181

gegeben werden. Wir werden hypothetisch sagen, wenn wir nicht in der Lage sind, die Mittel zu bekommen, daß wir bis Herbst einen Eurythmie- und Turnsaal aufführen können, müssen wir die Schule beschränkt lassen auf die Größe, die sie schon hat. Wenn wir nicht solche radikale Maßregeln treffen, kommen wir nicht vorwärts. Wir können auch die Lehrer nicht bezahlen.

Laten we hypothetisch stellen dat als we er niet in slagen om tegen de herfst de fondsen te verkrijgen voor de bouw van een euritmiezaal en een gymzaal, we de school moeten beperken tot de huidige omvang. Als we zulke radicale maatregelen niet nemen, zullen we geen vooruitgang boeken. We kunnen de leraren ook niet betalen.

X.: Können wir durch Vorträge Geld zusammenbringen, wenn wir herumreisen?

X: Kunnen we geld inzamelen door lezingen te geven tijdens onze reizen?

Dr. Steiner: Gewiß, das kann gemacht werden. Ich glaube nicht, daß Ihre Arbeit eine fruchtbare sein wird, wenn wir die Welt nicht darauf aufmerksam machen, daß wir nicht arbeiten können, wenn es so bleibt, wie es jetzt ist. Ich glaube schon, daß es einen Eindruck machen würde, wenn wir die früheren Schüler behalten, aber keine Neuen aufnehmen, und daß wir denen wieder absagen müssen. Wenn wir dies der Welt bekanntgeben, so glaube ich, würde es nützen.
Wenn wir in dieser schrecklichen Weise wirtschaften, so daß man nie weiß, wohin es kommen soll, da kommen wir nicht weiter. Es müßte eine geharnischte Erklärung sein, dahingehend, daß hier etwas aufgehen kann durch die Tätigkeit einer dazu geeigneten Lehrerschaft, und daß die Welt dazu versagt mit ihren finanziellen Mitteln, die dahinterstehen sollten.

Zeker, dat kan. Ik geloof niet dat uw werk vruchtbaar zal zijn als we de wereld er niet van bewust maken dat we niet kunnen werken als de situatie blijft zoals die is. Ik denk dat het indruk zou maken als we de huidige leerlingen behouden, maar geen nieuwe aannemen en ze opnieuw moeten afwijzen. Als we dit aan de wereld bekendmaken, denk ik dat het nuttig zou zijn. Als we onze economie op deze verschrikkelijke manier blijven beheren, waardoor we nooit weten waar het naartoe leidt, komen we nergens. Het zou een krachtige verklaring moeten zijn, waarin wordt aangegeven dat er hier wel degelijk iets bereikt kan worden door de inzet van een geschikt docententeam, en dat de wereld er niet in slaagt de benodigde financiële middelen te verschaffen.

X.: Die Leute sagen, warum soll man alles nach Stuttgart geben. Es haben doch
die Leute in Hamburg und Berlin kein Interesse an Stuttgart.

X.: Mensen zeggen: waarom moet alles naar Stuttgart? Mensen in Hamburg en Berlijn hebben geen interesse in Stuttgart.

Dr. Steiner: Das Wichtige ist, daß überhaupt die geistige Bewegung gefördert wird. Das können wir nicht sagen, daß es wichtig ist, daß es hier entsteht, wenn wir etwas gründen wollen, was für alle ist. Das geht ganz entschieden nicht, daß wir sagen, sie sollen für Stuttgart geben und von anderem absehen. Es muß mindestens der Gesichtspunkt angeschlagen werden, man kann ein Zentralinstitut in Stuttgart bauen und verlangen, daß die Welt dazu Beiträge gibt.

Het belangrijkste is dat de spirituele beweging in het algemeen wordt bevorderd. We kunnen niet zeggen dat het belangrijk is dat het hier ontstaat als we iets willen opzetten dat voor iedereen toegankelijk is. Het is absoluut onacceptabel om te zeggen dat ze naar Stuttgart moeten gaan en andere dingen moeten negeren. Op zijn minst moet duidelijk worden gemaakt dat je een centraal instituut in Stuttgart kunt oprichten en van de wereld een bijdrage kunt eisen.

X. . Soll man eine Erklärung bringen in den Zeitungen, die zum Ausdruck bringt,
daß die Schülerzahl in einer bisher nicht gedachten Weise angewachsen ist, daß
wir dadurch in eine Lage versetzt sind, Lehrer anzustellen, um die Schule im
gleichen Geist fortzuführen? Und daß wir angewiesen sind auf die Unterstützung?

X. Moet er een verklaring in de kranten verschijnen waarin staat dat het aantal studenten ongekend is gegroeid, dat we daardoor in staat zijn docenten aan te nemen om de school in dezelfde geest voort te zetten? En dat we afhankelijk zijn van steun?

Dr. Steiner: Wir müssen positiv sagen, daß wir bereit sind, die Schule in der bisherigen Weise fortzuführen, daß wir aber nicht in der Lage sind, die Anmeldungen zu berücksichtigen, wenn uns die Welt nicht unterstützt. Wir müßten irgendein radikal ernstes Wort sagen, — Wir werden die Errichtung der neuen Klasse nicht mehr unter dem Gesichtspunkt betrachten, wieviel Anmeldungen wir haben.

We moeten positief stellen dat we bereid zijn de school op de huidige manier voort te zetten, maar dat we de aanmeldingen niet kunnen accepteren als de wereld ons niet steunt. We zouden iets radicaal serieus moeten zeggen: we zullen de oprichting van de nieuwe klasse niet langer beoordelen op basis van het aantal aanvragen dat we ontvangen.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3481-3278

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner lezen?

.

Steiner lezen?
.

In de ‘Seizoener’ winter 2025 wordt aan een vrijeschooljuf gevraagd: ‘Ben je antroposoof? 
Juf zegt: ‘Ik lees nauwelijks Steiner en ik denk vaak dat ik niet zo antroposofisch ben. Maar een collega zei eens dat ik veel antroposofischer werkte dan ik dacht. Misschien zit het wel meer in je handelen dan in wat je leest.’

Deze summiere opmerking houdt een reeks vragen in waar je lang over zou kunnen discussiëren.

Bv. moet je antroposoof zijn om vrijeschoolleerkracht te kunnen zijn.
Wat houdt dat in dan: antroposoof zijn.

Haar collega weet er kennelijk wel meer van: ‘dat ze veel antroposofischer werkte dan ze dacht.’

Maar wat is dat dan: antroposofisch werken.

Voor dit laatste lezen we ook vaak: ‘vanuit de antroposofie’, d.w.z. met gezichtspunten als uitgangspunt die je ontleent aan Steiners visie op: vul maar een leef/werkgebied in, in ons geval de pedagogie.

En dan heb je Steiner nog buiten het werkveld van de pedagogie.

Al die jaren dat ik vrijeschoolleerkracht was, heb ik geprobeerd Steiner te lezen. Wat ik tegenkwam was voor mij verrassend, nieuw, herkenbaar of volkomen vreemd, verbijsterend zelfs. Toch richtte ik me als gevolg daarvan, met bepaalde gezichtspunten anders op mens en wereld, wat ik als ‘rijker worden’ heb ervaren. 

Maar eigenlijk was er veel te weinig tijd: vanuit school geredeneerd: het voorbereiden van de lessen; het bezig zijn met de ontwikkeling van je klassenkinderen; de vergaderingen en alle nevenactiviteiten.
Dan was er het gezin, de relatie, het te verbouwen huis. 

Een ongezonde situatie.

Ik geef juf wel gelijk: het gaat om het handelen, niet om het lezen. Maar ik voeg er onmiddellijk aan toe: juist door te lezen, wat ik nu beperk tot de pedagogische voordrachten, krijg je allerlei inzichten die je handelen sturen, richting vrijeschoolpedagogie. 
En dat is anders dan ‘een soort op goed geluk’, wat de ander ‘antroposofisch’ vindt.
Dat ‘op goed geluk’, of ‘intuïtief’ is zeker niet verkeerd. Sterker: in je eerste ‘rondje’ zal je daar het meest mee doen. 

In de loop van de jaren is het voor veel vrijeschoolleerkrachten steeds moeilijker geworden Duits te lezen.
Maar geen nood: inmiddels zijn vrijwel ALLE pedagogische voordrachten vertaald. Ook een aantal op deze blog:

Rudolf Steiner over pedagogie(k)
De in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften; de betreffende vertalingen in boeken of op deze blog.

De vakken

Als je voor het eerst of weer een periode gaat geven in een bepaald vak, is het niet te doen om in alle pedagogische voordrachten over dit vak te gaan zoeken.
Ik vond dat zelf jammer, hoewel ik nog kon putten uit de Duitse opmerkingen van Karl E.A.Stockmeyer die een verzameling opmerkingen per vak had gebundeld.*

Ik ben, in navolging van hem, dat ook voor ieder vak op deze blog aan het weergeven:

Zie hier: Rudolf Steiner over…..

Verder staan op deze blog talloze artikelen over allerlei vakken van collega’s uit het veld. Die lezen, is a.h.w. een goed gesprek voeren over het ontwerp.

Dat alles geeft je veel meer zekerheid, slagvaardigheid enz.

Ik kan zeggen: Steiner lezen geeft je pedagogisch handelen vruchtbare impulsen!

.
*Karl E.A. Stockmeyer: Rudolfs Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen (1 en 2). In 2017 opnieuw uitgegeven met een iets andere titel.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3477-3274

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (5)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

5. Schuljahr: 24. April 1923 bis etwa 7. April 1924
5e Schooljaar 24 april 1923 tot ongeveer 7 april 1924

21 klassen
39 leerkrachten
687 leerlingen

Blz. 56

Die Gewitterstürme des Vorjahres haben die Luft gereinigt, wenn es
auch noch keineswegs ohne Rückfälle und Rückschläge abgehen will.
Im Zentrum des Interesses steht, äußerlich gesehen, während des
ganzen Jahres die Auseinandersetzung mit Staat und Außenwelt, das
heißt hier also mit dem Abiturientenexamen. Das nimmt viel Zeit
und Kraft in Anspruch.
Größte geistige Ereignisse geben die herrschende Stimmung. Erstens
im Herbst 1923 die drei Vorträge für die Waldorflehrer „Anregungen
zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes”
(Liste Nr. 28). Zweitens am Ende des Schuljahres die „Erziehungstagung der Freien Waldorfschule” (Liste Nr. 29). Drittens, und mehr
als alles andere, die Dornacher Weihnachtstagung vom 24. Dezember
1923 bis zum 1. Januar 1924 (Liste Nr. 118).

De stormen van het voorgaande jaar hebben de lucht geklaard, hoewel er nog steeds enkele tegenslagen en terugvallen zijn.
Uiterlijk ligt de focus gedurende het hele jaar op de confrontatie met de staat en de buitenwereld, in dit geval de eindexamens van de middelbare school. Dit neemt veel tijd en energie in beslag.
De heersende stemming wordt gevormd door belangrijke spirituele gebeurtenissen. Ten eerste, in het najaar van 1923, de drie lezingen voor Waldorfleraren getiteld “Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap” GA 302A:

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes:  
Ook deze voordrachten zijn weer 1, 2 en 3 genummerd en onder de 9 zijn het dus 7, 8 en 9.
Nu is er iets merkwaardigs: in de gedrukte GA staat de 1e voordracht, 15-10-1923 hiervan op blz. 107, (uitg. 1977); de 2e 16-10-1923 op blz. 122, dat is een ochtendvoordracht en de 3e, 16-10-1923, een avondvoordracht op blz. 135.
In de PDF echter staat deze 3e voordracht in de inhoudsopgave als een voordracht van 22 juni 1922 op blz. 87, dat is dus een vergissing. De tekst van de 3e voordracht van 16-10-1923 staat in de PDF ook op blz. 135, maar deze ontbreekt in de inhoudsopgave.
Deze voordrachten 1, 2 en 3, in de volgorde dus 7, 8 en 9 zijn vertaald:
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap

Ten tweede, aan het einde van het schooljaar, de “Onderwijsconferentie van de Vrije Waldorfschool” (lijst nr. 29).
Ten derde, en vooral, de kerstconferentie van Dornach van 24 december 1923 tot 1 januari 1924 (lijst nr. 118).

Es wird der Versuch gemacht, die Schüler schon am Ende des 12. Schuljahres ins Abitur zu schicken. Davon ist in zwei Dritteln aller Konferenzen dieses Jahres die Rede; mehr oder weniger ausführlich, direkt oder indirekt. Besonders eindringlich wird es am 25. April 1923 und ganz zuletzt, also schon nach der Prüfung, am 27. März 1924.
Diese Abituriumsnot ist auch der Grund dafür, daß der Lehrplan der neu eingerichteten 12. Klasse gar nicht so aufgestellt werden kann, wie es sein müßte. Immer wieder heißt es ähnlich wie 3/34—38: „Wir müßten den Lehrplan der 12. Klasse eigentlich . . .”, und dann:
„aber wir können des Abiturs wegen nur . . .” Immerhin kann doch Wesentliches gegeben werden: über Chemie (3/35, 36, 76, 77), über Zoologie und Geologie (3/34, 35,42-44 , 77-79). Ausführlich wird gesprochen über Interpunktion, ihr Wesen und die Methode ihrer Behandlung (3/56, 67-70).
Im übrigen Aufbau wird zum ersten Male eine dritte 5. Klasse, eine 5c eingerichtet (3/93, 100) und wieder zwei 1. Klassen (3/21), Es gehen Lehrer fort, zum Teil nach schwierigen Auseinandersetzungen (3/21—25), und neue kommen hinzu (2/302, 3/26).
Aber wieder erheben sich Schwierigkeiten mit Schülern, diesmal nicht aus den drei obersten Klassen (dort ist eine gewisse Beruhigung eingetreten), sondern aus der 9. Klasse. Es ist in diesem Jahr nicht

Er wordt een poging gedaan om leerlingen aan het einde van het 12e leerjaar eindexamen te laten doen. Dit wordt in twee derde van alle vergaderingen dit jaar besproken; min of meer uitgebreid, direct of indirect. Het wordt met name nadrukkelijk besproken op 25 april 1923, en nogmaals, na de examens, op
27 maart 1924.
Die eindexamenmoeilijkheden zijn ook de reden waarom het leerplan voor het
nieuw ingestelde 12e leerjaar niet kan worden ontworpen zoals het zou moeten. De zin “We zouden eigenlijk…” wordt herhaald, vergelijkbaar met 3/34-38, en vervolgens:
“maar vanwege het examen kunnen we alleen…” Er kan in ieder geval wat essentiële informatie worden verstrekt: over scheikunde (3/35, 36, 76, 77), over zoölogie en geologie (3/34, 35, 42-44, 77-79). Interpunctie, de aard ervan en de manier waarop ermee wordt omgegaan, worden in detail besproken (3/56, 67-70).

Wat de algehele structuur betreft, wordt voor het eerst een derde vijfde klas, een 5c, ingericht (3/93, 100), en worden er twee eerste klassen toegevoegd (3/21). Leraren vertrekken, sommigen na moeilijke conflicten (3/21-25), en nieuwe leraren komen erbij (2/302, 3/26).

Maar opnieuw ontstaan ​​er problemen met leerlingen, ditmaal niet uit de drie hoogste klassen (waar een zekere kalmte is opgetreden), maar uit de negende klas. Dit jaar is het niet

Blz. 57 

alles gar so tragisch, es klingt auch Humor hinein. Ausschlüsse kommen nicht vor. Aber bei mehreren Schülern wird die schwierige Psychologie eingehend durchgesprochen (3/60—63, 64—66, 71, 82—86). Es handelt sich in erster Linie darum, daß die in diesem Alter heraufkommende „latente” Intelligenz sich von sich selbst aus nur an „rüpelhaften Sachen übt”. „Die Intelligenz muß auf die richtigen Bahnen gelenkt werden” (3/72—74).
Diesem Negativen stehen auch in diesem Jahre wieder herrlichste
Geistgeschenke gegenüber. Die „künstlerisch-pädagogische Tagung” vom 25.-29 . März 1923 (Liste Nr. 25). Dann die „pädagogischen Michaelsvorträge” vom 15. und 16. Oktober 1923 (Liste Nr. 28). Und schließlich Ostern 1924 die „Erziehungstagung” (Liste Nr. 29).
In ihr wird schon spürbar, was seit drei Monaten, alles überstrahlend, in die Schule hineinwirkte: die Dornacher Weihnachtstagung (Einleitung S. 15; Liste Nr. 118).
Rudolf Steiner, der bei dieser Neubegründung der Anthroposophischen Gesellschaft in ihr jetzt selbst den Vorsitz übernommen hatte, spricht in der nächstfolgenden Konferenz (3/110—123) erstmals über die neuen Aufgaben, aber auch über die neuen Kräfte, die sich aus diesem Ereignis für die Lehrer der Waldorfschule ergeben sollten.
Es lag die Absicht vor, dies alles in der Folgezeit noch viel weiter und
größer auszubauen.

Het is allemaal zo tragisch; maar er klinkt ook humor in door. Uitsluitingen komen niet voor. Maar de moeilijke psychologie van verschillende leerlingen wordt uitvoerig besproken (3/60-63, 64-66, 71, 82-86). Het voornaamste probleem is dat de “latente” intelligentie die op deze leeftijd ontstaat, de neiging heeft om “alleen maar onbeschaafd gedrag” te vertonen. “Intelligentie moet in de juiste richting worden gekanaliseerd” (3/72-74).
Dit negatieve aspect wordt dit jaar opnieuw gecompenseerd door de fijnste spirituele geschenken . De “kunstziinnig-pedagogische conferentie” van 25-29 maart 1923 (lijst nr. 25). Vervolgens de “pedagogische Michaelvoordrachten” van 15 en 16 oktober 1923 (lijst nr. 28).

En ten slotte, met Pasen 1924, de “pedagogische conferentie” (lijst nr. 29).

Het wordt al duidelijk wat de afgelopen drie maanden een grote invloed op de school heeft gehad: de kerstconferentie van Dornach (Inleiding, p. 15; Lijst nr. 118).

Rudolf Steiner, die inmiddels het voorzitterschap van deze pas opgerichte Antroposofische Vereniging had overgenomen, spreekt voor het eerst op de volgende vergadering (3/110-123) over de nieuwe taken, maar ook over de nieuwe mogelijkheden die deze gebeurtenis de leerkrachten van de Waldorfschool zou moeten bieden.

Het was de bedoeling dit alles in de daaropvolgende periode veel verder en op grotere schaal uit te breiden.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3474-3271

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (4)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

4. Schuljahr: 20 juni 1922 bis etwa 24 maart 1923
4e Schooljaar 20 juni 1922 tot ongeveer 24 maart 1923

Blz. 53

Auch hier sind die beiden ersten Zahlen nicht genau festzustellen:

19 Klassen
37 Lehrer
640 Schüler

Gleich zu Beginn des Schuljahres, noch ehe der Unterricht beginnt,
ziehen sich die Wolken zum ersten Male dicht zusammen und entladen sich, wie auch dann im Lauf des Jahres, Schlag auf Schlag.
Rudolf Steiner gebraucht immer wieder empörte, tadelnde Worte,
bis hin zum Februar 1923.
Aber in die dadurch entstandene finster lastende Stimmung der Lehrer hinein stellt er im letzten Vierteljahr, eine nach der anderen,
sieben geschlossene Sonderdarstellungen, die jeweils ein wichtiges

Ook hier zijn de beide eerste cijfers niet nauwkeurig aan te geven:

19 klassen
37 leerkrachten
640 leerlingen

Direct aan het begin van het schooljaar, nog voor het begin van de lessen, pakken de wolken zich voor het eerst dik samen en ontladen zich, zoals in de loop van het jaar, slag op slag volgt.
Rudolf Steiner gebruikt herhaaldelijk verontwaardigde, berispende woorden,
tot en met februari 1923.
Maar in de daardoor ontstane sombere beklemmende stemming van de leraren, geeft hij in het laatste kwartaal van het jaar, zeven afzonderlijke bijzondere uiteenzettingen die op dat ogenblik een belangrijk

Blz. 54

Gebiet der Pädagogik erhellen. Sie umfassen manchmal eine ganze
Konferenz. Es wird so gleichsam das, was abzusinken droht, mit
Riesenkraft wieder in die Höhe gehoben.

van de pedagogie belichten, in de sombere stemming van de leraren die daardoor is ontstaan. Soms omvatten ze een hele vergadering. Op deze manier wordt wat dreigt weg te zinken weer opgetild met enorme kracht.

Das erste Unwetter grollt gleich am Abend nach der Schuleröffnung 1922. Nach kurzer Ansprache wird in einigen der wichtigsten Fächer ein Austausch der Lehrer vorgenommen. Rudolf Steiner war dem, was die Schüler der 10. Klasse ihm im Gespräch vorgebracht hatten, selbst gründlich beobachtend nachgegangen (2/93) und hatte den Eindruck bekommen, daß ,,die Waldorfschule (mit diesen Kindern) nicht eigentlich fertig geworden wäre” (2/93). Ein schwerer Vorwurf folgt dem anderen. (Es werden nur einige angeführt.) Statt des „innigen Verbundenseins” mit der Klasse sei eine „gewisse . . . Entfremdung eingetreten”. Es sei zu einem „Zerflattern” der Klasse gekommen, nicht zum „richtigen Zusammenwirken”. Statt „Begeisterung” habe sich „negative, skeptische Stimmung .. . in den Unterricht hineingeschlichen” (2/95, 96).
Der Unmut Rudolf Steiners ist so tief, daß er am nächsten Abend die Konferenz schroff abbricht und im Zorn hinausgeht, als es sich zeigt, daß bei den Zeugnissen „ein Mangel an Ernst”, „eine unerhörte Schlamperei” vorgekommen sei (2/110). Erst die Konferenz am dritten Tag (22. Juni 1922) verläuft in gewohnter Weise.
Ganz besonders schlimm wird es, als im Herbst 1922 bei einer Gruppe von Schülern der 9. bis 11. Klasse Ausschreitungen vorgekommen waren, in denen sich eine moralische „Verwilderung” offenbarte.

De eerste storm woedde meteen op de avond na de opening van de school
in 1922. Na een korte toespraak was voor een van de belangrijkste vakken een uitwisseling tussen de leraren gedacht. Rudolf Steiner had zelf grondig onderzocht wat de leerlingen van de 10e klas hem in een gesprek hadden verteld (2/93) en had de indruk gekregen dat “de vrijeschool (met deze kinderen)
eigenlijk niet in het reine was gekomen”. (2/93). De ene ernstige beschuldiging volgt op de andere. (Er worden er maar een paar genoemd.) In plaats van de
“intieme band” met de klas, is een “zekere . . . vervreemding opgetreden”. Een vorm van ‘uit elkaar vallen van de klas’, er is geen “goede samenwerking” ontstaan. In plaats van “enthousiasme” is er een “negatieve, sceptische stemming . . in de lessen geslopen” (2/95, 96).
Het ongenoegen van Rudolf Steiner is zo groot dat hij de volgende avond de vergadering abrupt onderbreekt en woedend vertrekt toen bleek dat er sprake was van “een gebrek aan ernst”, “een ongehoorde slordigheid” bij de getuigschriften. (2/110).
Pas de vergadering op de derde dag (22 juni 1922) verloopt zoals gewoonlijk.
Het ging er bijzonder slecht aan toe toen in de herfst van 1922 toen een groep leerlingen van de 9e tot 11e klas betrokken was geraakt bij het verstoren van de orde die een morele “verwildering” aan het licht bracht.

Die gründliche Besprechung darüber nimmt zwei ganze Konferenzen (2/120—137) und darüber in Anspruch.
Mehrere Schüler müssen von der Schule ausgeschlossen werden, und es gibt einigen Wirbel in den Klassen und bei den Menschen um die Schuleherum.
Rudolf Steiner gebraucht auch dieses Mal gegenüber den Lehrern wieder harte Worte, und er wiederholt manche auch in anderen Konferenzen dieses Jahres. (Auch hier wird nicht auf alles hingewiesen.) Er spricht von „gewöhnlichem Schulschlendrian” (2/205), von „innerer Bequemlichkeit” (2/225). „Die Waldorfschul-Methodik ist nicht überall angewendet” (2/205), „die Praxis ist noch nicht da” (2/108). „Das Dozieren ist nicht überwunden worden” (2/174). Es bestehe nicht genug „Interesse und Verständnis für das Echo, das aus der Klasse entgegenkommt” (2/173); „die Kinder arbeiten nicht mehr innerlich seelisch mit” (2/173). So ist „der Kontakt verloren mit den Kindern” (2/204). „Selbstdisziplinierung” ist nötig (2/224).

De grondige bespreking hiervan neemt twee hele vergaderingen in beslag (2/120-137) en meer.
Verschillende leerlingen moeten van school gestuurd worden, en er is wat commotie in de klassen en onder de mensen rondom de school.
Rudolf Steiner gebruikt weer harde woorden tegen de leraren en herhaalt sommige daarvan ook in andere vergaderingen dit jaar. (Ook hier wordt niet alles genoemd.)
Hij spreekt van “gewone sleur op school” (2/205), van “innerlijke gemakzucht” (2/225). “De vrijeschoolmethodiek wordt niet overal toegepast” (2/205), “de praktijk is er nog niet” (2/108). “Het doceren is nog niet overwonnen” (2/174). Er is niet genoeg “interesse en begrip voor de echo die uit de klas komt” (2/173); “de kinderen werken innerlijk niet mee” (2/173). Het gevolg is dat “het contact
met de kinderen verloren gaat” (2/204). “Zelfdiscipline” is noodzakelijk (2/224).

Blz. 55

Frische, . . . Wurf, Schneid gehört in unsere Unterrichtstätigkeit” (2/206). „Wir müssen Feuer hineinbringen” (2/179). Vor allem aber: ,,Es muß Humor hinein!” (2/108). Gerade dies wird mehrfach auch an anderen Stellen wiederholt. „Die Stimmung ist hier eine so gespannte” (2/224). „Ein harmonisches Zusammenarbeiten müßte geboren werden” (2/225).
Es kommen noch Schwierigkeiten anderer Art hinzu. In über drei
Konferenzen wird endlos verhandelt über die richtige Gestaltung des
Stundenplans (28. Oktober, 24. November, 5. und 9. Dezember 1922). Der Eindruck ist, daß Rudolf Steiner zuletzt resignieren muß, weil er kein Verständnis findet.
Und endlich zeigt es sich als nötig, daß Rudolf Steiner die Schulverwaltung auf eine neue Grundlage stellt. Er schlägt vor, daß neben dem, der im Schulhause wohnt und deshalb gewisse laufende Verwaltungsdinge zu führen hat (2/235), nun für alles übrige ein „kleines Kollegium”, ein drei- bis vierköpfiger Verwaltungsrat gebildet wird (2/235). Dies läßt sich aber erst in mühsamen und langwierigen Verhandlungen erreichen, bei denen Rudolf Steiner mit seinen tadelnden Äußerungen nicht hinter dem Berge hält (23. und 31. Januar 1923).

frisheid, … prestaties, daadkracht horen thuis in onze onderwijsactiviteiten”
(2/206). “We moeten er vuur in brengen” (2/179). Maar vooral: “We moeten er humor inbrengen!” (2/108). Dit wordt ook op andere plaatsen meermaals herhaald. “De sfeer is hier zo gespannen” (2/224). “Een harmonieuze samenwerking zou geboren moeten worden” (2/225).
Daar komen nog andere moeilijkheden bij. In meer dan drie vergaderingen wordt eindeloos onderhandeld over de juiste opzet van het rooster (28 oktober, 24 november, 5 en 9 december 1922). De indruk bestaat dat Rudolf Steiner zich uiteindelijk moet terugtrekken, omdat hij geen begrip vindt.
Tenslotte blijkt dat Rudolf Steiner de schoolleiding op een nieuwe leest moet schoeien. Hij stelt voor om naast degene die in het schoolhuis woont en dus bepaalde dagelijkse administratieve zaken moet regelen (2/235), nu ook een “klein college”, een drie- tot vierkoppig bestuur, te vormen voor al het andere
(2/235). Dit kon echter alleen worden bereikt door moeizame en langdurige onderhandelingen, waarbij Rudolf Steiner zich niet inhield met zijn verwijtende opmerkingen (23 en 31 januari 1923).

Während dieser schweren Monate wird aber dennoch der Ausbau der Schule fortgeführt. Für die neue 11. Klasse wird ein ausführlicher Lehrplan gegeben (2/97-99, 102-106, 109), und es sollen neue Lehrer berufen werden (2/151, 184). Durch neue Parallelklassen können nun die Volksschulklassen alle doppelzügig geführt werden.
Vor allem aber tut Rudolf Steiner etwas tief Eingreifendes. Gerade in dieser Zeit (Januar bis März 1923), als auch in der Anthroposophischen Gesellschaft große Schwierigkeiten zu überwinden sind, wirkt Rudolf Steiner durch das Einfließenlassen neuer spiritueller Kräfte der niederdrückenden Stimmung entgegen.
Er spricht erstens über den Bildschmuck in den Räumen der Schule (2/228—231, 240, 241); zweitens darüber, wie sich der Lehrer fruchtbar vorbereiten kann (2/232—235). Es folgt als drittes das über die Schulhygiene Gesagte (2/257—267), und viertens ein ausführliches Gespräch über die Stellung des französischen Unterrichts in der Schule (2/276—284). Als fünftes schließen sich an Ernährungsfragen (2/284—289) und sechstens die Grundlegung desTurnunterrichts (2/218—220, 292—301). Schließlich als siebtes werden
für Lehrer und einige besonders interessierte Musikfreunde im März noch zwei große Vorträge gehalten über Wesen und Entwicklung der Musik (Zeittafel; Liste Nr. 24)

Tijdens deze moeilijke maanden gaat de uitbreiding van de school echter door. Er wordt een gedetailleerd leerplan gegeven voor de nieuwe 11e klas (2/97-99, 102-106, 109) en er worden nieuwe leraren aangesteld (2/151, 184). Dankzij nieuwe parallelle klassen kunnen de klassen van de basisschool nu allemaal als dubbele klassen worden geleid.
Maar bovenal doet Rudolf Steiner iets behoorlijk ingrijpends. Vooral in deze tijd (januari tot maart 1923), waarin ook in de Antroposofische Vereniging grote moeilijkheden overwonnen moesten worden, gaat Rudolf Steiner de beklemmende stemming tegen door nieuwe geestelijke krachten binnen te laten stromen.
Ten eerste spreekt hij over de beelddecoratie in de ruimtes van de school
(2/228-231, 240, 241); ten tweede over hoe de leraar zich vruchtbaar kan voorbereiden (2/232-235). Dit wordt ten derde gevolgd door wat hij heeft gezegd over hygiëne op school (2/257-267), en ten vierde door een gedetailleerde bespreking van de plaats van het Franse in het onderwijs in de school (2/276-284). Ten vijfde zijn er vragen over voeding (2/284-289) en ten zesde, de fundamenten van lichamelijke opvoeding (2/218-220, 292-301). Ten slotte, ten zevende, houdt hij  in maart twee grote lezingen over de aard en de ontwikkeling van muziek voor leraren en enkele bijzonder geïnteresseerde muziekliefhebbers.
GA 283 voordracht 7 en 8 maart 1923  
Niet vertaald

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3463-3260

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 23 juni 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.  

In deze vergadering gaat het over:

De wenselijkheid van een kamertje te hebben waar kinderen na kleine ongelukjes kunnen worden behandeld. <1>
De noodzaak om met psychologisch inzicht met de leerlingen om te gaan.<2>
Hoe kan antroposofie in het onderwijs de levenskrachten van de kinderen sterker maken, o.a. over ritme<3>
Eindejaarsafsluiting <4>
Wat te doen bij heel warm weer.<5>
(Summier) over opvang kleinere kinderen. <6>
Te laat komen, disciplinaire maatregelen, over straf, wel of niet en hoe. <7>
Over een kind waarmee men geen raad weet (concreet voorbeeld) <8>
Aan het eind: losse opmerkingen zonder verdere uitleg:

Slechte tanden, oorzaak in de ziel en geest. Verbinding tussen euritmie en tandvorming.
Handenarbeid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden
vaardig door te breien.

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

 

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

.

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A    blz. 155

Vergadering van woensdag 23 juni 1920, 14.45 – 17  uur

Es wird gefragt, ob man eine öffentliche Unfallstation in der Schule einrichten soll, weil man dann die Verbandstoffe und so weiter billiger bekomme.

<1>De vraag is of er een openbare spoedeisende hulp* op school moet komen, omdat verbandmiddelen en dergelijke dan goedkoper zouden zijn.
*Later werd door dokter Kolisko een schoolartsenkamer ingericht.

Dn Steiner: Ich glaube, daß wir die Sachen selbst en gros kaufen
müssen. Dies wäre zweifellos wünschenswert, daß ein Raum da wäre,
wo man ein Kind hinbringen kann. Dagegen ist es nicht sehr
wünschenswert, daß diese ganze Sache mit Einmischung von außen
besorgt wird. Es sollte darauf ein besonderer Wert gelegt werden.
Deshalb ist es gut, daß Dr. Kolisko da ist; es sollte schon vom Lehrerkollegium besorgt werden. Es kann doch nicht jeden Tag ein paarmal
vorkommen. Gewiß, kleine Sachen werden vorkommen, wenn dreihundert Kinder da sind; Fälle, wo man einen Verbandsraum braucht,
in dem man sterilisieren und desinfizieren kann. Es ist doch so, daß
vielleicht jede Woche etwas vorkommt. Es würde genügen, wenn ein
Raum da wäre. Mir lag viel daran, daß ein Arzt da ist unter dem
Lehrerkollegium. Je mehr wir uns abschließen von der Außenwelt,
desto besser ist es. Angestrebt muß werden, daß man billige Verbandstoffe bekommt.

Ik denk dat we de benodigdheden zelf in het groot moeten inkopen. Het is ongetwijfeld wenselijk om een ​​kamer te hebben waar een kind naartoe gebracht kan worden. Aan de andere kant is het niet erg wenselijk dat deze hele kwestie met inmenging van buitenaf wordt afgehandeld. Hier moet speciale aandacht aan worden besteed.
Daarom is het goed dat Dr. Kolisko hier is; het moet door het onderwijzend personeel worden afgehandeld. Het kan niet een paar keer per dag gebeuren. Natuurlijk zullen er kleine incidenten plaatsvinden met 300 kinderen; gevallen waarin een EHBO-ruimte nodig is om te steriliseren en te desinfecteren. Feit is dat er misschien elke week wel iets gebeurt. Het zou voldoende zijn als er één kamer beschikbaar was. Het was voor mij erg belangrijk om een ​​arts onder het onderwijzend personeel te hebben. Hoe meer we ons voor de buitenwereld afsluiten, hoe beter.* Het doel moet zijn om goedkope verbandmiddelen te verkrijgen.<1>

*Deze zin is wel door critici gebruikt om aan te geven dat de vrijeschool niet openstaat voor de buitenwereld. Dat er toch iets sektarisch plaatsvindt. Als dat ooit zo geweest zou zijn – het tegendeel blijkt uit bv. de leerplanaanwijzingen e.d. dan geldt dat voor de vrijeschool van nu zeker niet.
Het woord ‘abschliessen’ heeft tevens nog de de kleur van ‘het zelf tot een einde brengen’, hier dus ‘het zelf oplossen.’

Nicht wahr, ich habe mir gedacht, daß manche Fragen gestellt werden könnten. Ich habe schon erwähnt, im ganzen sind wirkliche Fortschritte gemacht worden. Im ersten Jahr war offenbar nach meinen Apercus ein Kampf mit dem Lehrstoff vorhanden. Fortschritte sind gemacht worden auf allen Gebieten. Es handelt sich nur immer darum, was fortschreitet, das wird in den nächsten Jahren mehr den Ideen entsprechen, die mit der Waldorfschule verbunden sind. Nun, Fortschritte liegen, glaube ich, sowohl darin, daß immerhin die Schülerschaft etwas aufgenommen hat, als darin, daß die Lehrer sich nach und nach hineingefunden haben in die Behandlung der Schüler. Alles ist fortgeschritten, auch die Lausbübereien. Die Lausbuben sind schon starke Lausbuben, das schadet aber nichts.
Das ist eine Nebenwirkung. Manche sind sogar gesitteter, kultivierter, intellektueller geworden. Das ist ganz gut, das schadet nichts.
Was ich meine, das ist das: wir müssen in der Zukunft immer noch
mehr Wert legen auf Psychologie. In Psychologie wirken! Das ist nicht so abstrakt, theoretisch aufzufassen, wie es scheinen könnte.
Sehen Sie, es schaut so aus, als ob man die Kinder analysieren wollte.
Wenn man sich gewöhnt, sich recht zu bestreben, die Kinder kennenzulernen psychologisch, dann bekommt man allmählich ein anderes

<2>Er zouden nu wat vragen gesteld kunnen worden. Ik heb al gezegd dat er over het algemeen echt vooruitgang is geboekt. In het eerste jaar, naar mijn inzicht, was er duidelijk sprake van een worsteling met de leerstof. Er is op alle vlakken vooruitgang geboekt. Het gaat er nu om dat de vooruitgang die in de komende jaren wordt geboekt, meer aansluit bij de ideeën die bij de vrijeschool horen. Nou, vooruitgang, geloof ik, zit hem zowel in het feit dat de leerlingen in ieder geval iets hebben opgenomen, als in het feit dat de leraren zich geleidelijk meer op hun gemak voelen bij de manier waarop ze met de leerlingen omgaan. Alles is vooruitgegaan, inclusief het kattenkwaad. De kwajongens zijn al behoorlijke kwajongens, maar dat kan geen kwaad. Dat is een bijwerking. Sommigen zijn zelfs welgemanierd, beschaafder, intellectueler geworden. Dat is best goed, dat kan geen kwaad. Wat ik bedoel is dit: we moeten in de toekomst nog meer nadruk leggen op psychologie. Werk aan de psychologie! Dit is niet zo abstract en theoretisch als het misschien lijkt. Zie je, het lijkt wel alsof men de kinderen wil analyseren. Als je eraan went om echt moeite te doen om kinderen psychologisch te leren kennen, krijg je geleidelijk een andere

Blz. 156

Verhältnis zu ihnen, ganz rein durch das Ergebnis der Sache selbst.
Dieses Kennenlernen bleibt nicht bloß ein Erkennen der Kinder; es wird zu einem anderen Verhältnis zu den Kindern, wenn man sich bemüht, sie kennenzulernen. Da ist natürlich noch manches nachzuholen im Herstellen eines richtigen Erkenntnisverhältnisses zu den Kindern. Man müßte sich klar sein darüber, daß, wo so vieles so sehr auf Persönlichem beruht wie hier, daß da in intensivster Weise ein analysierendes Erkennenlernen der Kinder notwendig ist. Dann werden gewisse Dinge, die vorgekommen sind, in der Zukunft nicht vorkommen.
Es ist schwer, den einzelnen Fall zu charakterisieren, das ist auch nicht nötig. In Psychologie wirken! Wenn Sie nachdenken darüber, werden Sie finden, was ich darunter verstehe. Nicht so sehr die Idee haben, die Kinder müssen dies oder jenes erreichen, sondern sich fragen, was können die Kinder nach ihrer psychologischen Beschaffenheit erreichen? Ganz aus den Kindern heraus arbeiten! Das kann man im einzelnen sich nur angewöhnen, wenn man ein richtig reales Bestreben hat, das Kind in seinen verschiedenen Varianten kennenzulernen. Jedes Kind ist interessant.

verhouding met hen, volledig door  het resultaat van de zaak zelf.
Dit leren kennen blijft niet alleen een kennen van de kinderen; het leidt tot
een andere relatie met de kinderen wanneer men zich inspant om hen te leren kennen. Natuurlijk valt er nog veel te winnen in het opbouwen van een goede relatie waarin je de kinderen goed kent. Het moet duidelijk zijn dat waar zoveel op het persoonlijke gebaseerd is zoals hier, een intensief, analytisch leren kennen van de kinderen noodzakelijk is. Dan zullen bepaalde dingen die in het verleden zijn gebeurd, zich in de toekomst niet meer voordoen.
Het is moeilijk om het individuele geval te karakteriseren, en dat is ook niet nodig. Werken met de psychologie! Als je erover nadenkt, begrijp je wat ik daarmee bedoel. Niet zozeer het idee dat de kinderen dit of dat moeten bereiken, maar eerder de vraag: wat kunnen de kinderen bereiken gezien hun psychologische gesteldheid? Werk volledig vanuit de kinderen zelf! Je kunt hier alleen individueel aan wennen als je een oprechte wens hebt om het kind in al zijn of haar verschillende vormen te leren kennen. Elk kind is interessant.

Fräulein Lang hat mir einen weiblichen Lausbuben B. N. vorgeführt. Sie hat furchtbar geflennt. Heute hat sie wieder geschwänzt gehabt. Aber es ist interessant, man muß sie studieren. Ich kann nicht versprechen, daß sie ihr Wort hält: es wird vielleicht Jahre dauern. Das kann ich mir denken, daß sie bei den Seiltänzern war, aber das erhöht das Interesse an dem Kinde, nicht wahr?
Wenn man Forderungen aufstellt, wie ein Kind sein soll, kann man das leicht definieren. Wie die Kinder wirklich sind, das psychologisch zu erkennen, muß man sich mit schwerem Studium erringen. Dies ist eines, wovon ich meine, daß wir es nach dem ersten Jahre als eine Hauptsache betrachten: Verstehenlernen der Kinder. Sich gar nichts vornehmen, sie müssen so oder so sein. Dann ist da etwas, was mir fast in allen Klassen stark vor die Seele
getreten ist. Wir sollten recht sehr uns bestreben — was sehr belebend auf alle Kräfte des Kindes wirkt —, Anthroposophie organisch in den Unterricht hineinzubringen. So auf die Art, wie Sie es gemacht haben, Fräulein Dr. von Heydebrand, in der Anthropologie, und Sie, Dr. Stein, in der Geschichte. Bei manchem ist es von selbst vorhanden. Die Eurythmie kann man nicht ohne Anthroposophie machen. Man muß sich bemühen, möglichst ohne daß man theoretisch Anthroposophie lehrt, sie so hineinzubringen, daß sie eben
darinnensteckt.

Mevrouw Lang stelde me voor aan een vrouwelijke deugniet, B.N*.
Ze huilde vreselijk. Vandaag spijbelde ze weer. Maar ze is interessant; je moet haar bestuderen. Ik kan niet beloven dat ze haar woord houdt: het kan misschien wel jaren duren. Ik kan me voorstellen dat ze bij de koorddansers [het Duits heeft hier Seiltänzer – letterlijk dus koorddanser, maar betekent dit hier dat ze wel of niet kan blijven, op het vinkentouw zit o.i.d.?] zat, maar dat vergroot de interesse in het kind, toch? Als je eisen stelt aan hoe een kind zou moeten zijn, kun je dat gemakkelijk definiëren. Om te weten hoe kinderen psychologisch gezien echt zijn, is grondige studie nodig. Dit is iets wat we volgens mij na het eerste jaar als een belangrijk punt beschouwen: kinderen leren begrijpen. Niet met het voornemen: ze moeten zus of zo zijn.<2>
*In oktober 1920 kon het kind niet langer op school worden toegelaten

<3> Dan is er nog iets dat me in bijna alle klassen sterk is opgevallen. We moeten er heel hard naar streven – wat een zeer stimulerend effect heeft op de levenskracht van alle kinderen – om antroposofie op een organische manier in de lessen te integreren. Net zoals u, mevrouw dr. von Heydebrand, deed in de antropologie, en u, dr. Stein, de geschiedenis. Voor sommigen is het van nature aanwezig. Euritmie kan niet zonder antroposofie worden beoefend. Men moet ernaar streven, indien mogelijk zonder antroposofie theoretisch te onderwijzen, het zo te integreren dat het inherent is aan de lessen.*

*Ook dit wordt door critici gebruikt om aan te tonen dat de vrijeschool een verborgen agenda heeft: de kinderen indoctrineren met antroposofie. Wie echter met open vizier meer bestudeert ziet in velerlei uitspraken wat Steiner bedoelt met antroposofie in het onderwijs. De opmerking hier verwijs al naar ‘niet-theoretisch’ – als leer – maar als middel om de levenskrachten te versterken, dus geheel in dienst van de gezondheid van het kind!]

Blz. 157

Ja, ich denke mir, viel Anthroposophie ist darinnen, wenn Sie versuchen — das ist ein Ideal —, dasjenige, was man Rhythmus nennt, in die Arbeit hineinzubringen; wenn Sie versuchen, den musikalischgesanglich-eurythmischen Unterricht mit dem Handfertigkeitsunterricht in Zusammenhang zu bringen. Es wirkt auf die Kinder außerordentlich gut. Ich empfehle Ihnen dazu ,,Arbeit und Rhythmus” von Karl Bücher. Dies Buch sollte da sein. Alles Arbeiten ging aus vom musikalischen Arbeiten, nicht wahr, beim Dreschen, Schmieden, Pflastern, Heute hören Sie es fast nicht mehr. Gingen Sie aber früher auf das Land hinaus und hörten dreschen, der Dreschflegel wurde im Rhythmus geführt. Ich meine, das können wir wiederum hineinkriegen. Ich meine das, wenn ich sage, daß wiederum Geist in die Sache hineinkomme. Das Prinzip finden Sie, wenn auch recht gelehrt und pedantisch, in ,,Arbeit und Rhythmus”.
Dann natürlich habe ich ein bißchen den Gedanken, wie wird es werden mit dem Schulende, mit der Schulschlußfeier? Nicht wahr, das müßte doch mit einer gewissen Festlichkeit begangen werden. Es ist heute der 23., ich werde nicht kommen können; es wird nicht gehen, obwohl ich gerne anwesend wäre. Die Ferien müssen zur rechten Zeit beginnen.

Ja, ik denk dat er veel antroposofie in zit – dit is een ideaal – om wat ritme heet in het werk te brengen; wanneer je muziek-zang-euritmie-instructie probeert te verbinden met handvaardigheden. Het heeft een buitengewoon goed effect op de kinderen. Ik raad “Werk en Ritme” van Karl Bücher* aan. Dit boek zou er moeten zijn. Al het werk is toch voortgekomen uit muzikaal werk? Bij het dorsen, smeden, bestraten. Tegenwoordig hoor je het bijna niet meer. Maar als je vroeger naar het land ging en dorsen hoorde, werd de dorsvlegel ritmisch bewogen. Ik denk dat we dat weer terug kunnen brengen. Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat de geest weer terugkomt in de zaak. Je vindt het principe, zij het nogal wetenschappelijk en pedant, terug in “Werk en Ritme”.<3>
<4> En dan maak ik me natuurlijk ook een beetje zorgen over wat er met het einde van het schooljaar zal gebeuren, met de eindeschoolviering? Dat zou toch met een feest gevierd moeten worden? Het is vandaag de 23e en ik kan er niet bij zijn; het is onmogelijk, ook al zou ik er graag bij zijn. De vakantie moet op het juiste moment beginnen.

*Karl Bücher, econoom, 1847-1930.

Ich finde, daß die Lehrer jetzt gerade genug haben, sonst brechen sie zusammen. Ich wäre natürlich furchtbar gerne bei diesem Schulschluß da. Sonst müßte es in der Form sein, daß jeder Lehrer eine Ansprache hält. Vielleicht ist Herr Baumann so gut und besorgt etwas Musikalisches. Dichten Sie doch etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt. Nicht eine gewöhnliche Eurythmievorführung, sondern etwas, was den Schulschluß eurythmisch darstellt. Es wäre doch wunderschön, wenn so etwas gemacht würde. Es beginnt eurythmisch; etwas, das musikalisch begleitet ist. Dann geht es über ins bloß Musikalische, und dann schließt es eurythmisch. Das meine ich nur par exemple, daß es mehr eine Art zum Schulschluß komponierte Sache wäre. Es kann ja Fräulein Röhrle mit zwei von den größten Mädchen — es können auch drei sein — etwas machen. Dann müßte irgend etwas — das ist etwas, was mir furchtbar aufliegen würde —, es müßte natürlich eine Art von Rede sein, die wie eine Lebensrede ist, zum Entlassen und Wiederkommen. So irgend etwas, was auf den Tag und das Entlassen und Wiederkommen Bezug hat.

Ik denk dat het voor de leraren nu wel genoeg is, anders storten ze in. Natuurlijk zou ik dolgraag bij deze eindviering aanwezig zijn. Bovendien moet het in de vorm dat elke leraar een toespraakje houdt. Misschien zou meneer Baumann zo vriendelijk willen zijn om iets muzikaals te doen. Waarom dicht u niet iets dat het einde van het schooljaar euritmisch weergeeft? Geen gewone euritmievoorstelling, maar iets dat het einde van de school euritmisch weergeeft. Het zou geweldig zijn als zoiets zou gebeuren. Het begint euritmisch; iets met muzikale begeleiding. Dan gaat het over in alleen muziek en dan eindigt het euritmisch. Ik bedoel dat alleen maar als voorbeeld, dat het meer een stuk zou zijn dat gecomponeerd is voor het einde van het schooljaar. Mevrouw Röhrle zou iets kunnen doen met twee van de oudere meisjes – het zouden er ook drie kunnen zijn. Dan moet er iets gezegd worden – dit zou iets zijn wat ik vreselijk moeilijk zou vinden – het zou natuurlijk een soort toespraak moeten zijn, een levenstoespraak, over weggaan en terugkomen. Iets dat te maken heeft met de dag en het weggaan en terugkomen.<4>

Auf einer Wandtafel hatte gestanden: „Der Himmel ist blau, das Wetter ist
schön, Herr Lehrer, wir wollen spazieren gehn.” — Dr. Steiner war sehr ärgerlich darüber.

<5> Op een schoolbord stond geschreven: “De lucht is blauw, het is mooi weer, mijnheer [de leerkracht] laten we gaan wandelen.” Dr. Steiner was hier erg geïrriteerd over.

Blz. 158

Dr. Steiner: Nun ja, haben Sie es noch nicht gesehen? Nicht wahr, Sie könnten ja im allgemeinen manchmal, wenn es allzu heiß ist, die Kinder weggehen lassen; früher schließen meine ich nicht, daß es richtig wäre. Ich bin nicht dafür, daß man die Kinder aus der Hand gibt, solange man sie in der Hand haben kann. Man gibt die Kinder früher aus der Hand, als man es eigentlich sollte. Man kann es natürlich den Kindern erleichtern. Höchstens, wenn es allzuwarm ist. Fast ist es besser, man behält sie und führt sie irgendwohin und ist dabei.
Nicht wahr, es ist doch besser, wenn Sie die Kinder im Kindergarten haben. Je länger man sie hat, desto besser. Sie können so doch immer die Kinder aufnehmen, die noch nicht in die Schule kommen. Wir nehmen die Kinder bis jetzt im wesentlichen so auf, wie man sie in die Volksschule hineinkriegt. Wenn das Nachahmungszeitalter beendet ist, können wir anfangen. Es wäre sehr schön, wenn man einiges in die ersten sieben Jahre der kindlichen Erziehung hineinbringen könnte. Schließlich müßten wir schon nach unten hin etwas haben; oben ist es weit weniger wichtig.
Sie wollen ja auch sonst Schulbaracken aufführen. Ich möchte sagen, die genauen Besprechungen können am Schulende gemacht werden.

Hebt u het nog niet gezien? Je zou, over het algemeen, soms, als het te warm is, de kinderen weg kunnen laten gaan; ik denk niet dat het juist is om de school eerder te sluiten. Ik ben er geen voorstander van om kinderen weg te laten gaan zolang ze kunnen blijven. Je laat ze eerder weggaan dan nodig is. Natuurlijk kun je het de kinderen wel makkelijker maken. Hooguit als het te warm is. Het is bijna beter om ze te houden en ergens heen te brengen en erbij te zijn.<5>

<6> Is het niet beter als je de kinderen in de kleuterschool hebt? Hoe langer je ze hebt, hoe beter. Zo kun je altijd de kinderen opnemen die nog niet naar school gaan. Tot nu toe hebben we kinderen in principe op dezelfde manier opgevangen als we in  de basisschool doen. Als de tijd van imitatie voorbij is, kunnen we beginnen. Het zou heel mooi zijn als we dit in de eerste zeven jaar van de opvoeding van een kind zouden kunnen doen. We moeten tenslotte iets aan de onderkant hebben; Aan de bovenkant is het veel minder belangrijk.<6>

U wilt toch ook schoolbarakken neerzetten. Ik zou zeggen: de gedetailleerde gesprekken kunnen aan het einde van het schooljaar plaatsvinden.

Im wesentlichen ist es gegeben. Aber es wird eine Besprechung notwendig sein. Es werden Dinge notwendig sein, die nicht geordnet werden können, wenn man sie erst am Schulanfang besprechen würde. Die Gesangsklasse muß eine Erweiterung erfahren, es muß ein Gesangslehrer kommen. Das ist notwendig. In manch anderer Hinsicht wird es notwendig sein, daß zu verhandeln sein wird, falls wir eine nächste Klasse darauf setzen können. Dann ist ja auch das zu überlegen, schwer zu überlegen, wer die 1. Klasse bekommt. Daß Ihre Tätigkeit, Stockmeyer und Stein, aufhört, ist nicht anzunehmen. Das muß zeitig genug besprochen werden. Aus diesen Gründen wäre es notwendig, daß ich am Schulschluß da wäre, äußeres wären dringende Verhinderungen. Ich brauche ja vielleicht nur vier oder sechs Tage da zu sein. Heute ist es verfrüht.
Wie behandeln wir diese Kinder, die zu spät kommen? Ich wurde heute aufgehalten, als ich in die Schule ging. Da gingen drei Schülerinnen. Sie gingen einfach, sie waren nicht betrübt, daß sie zu spät gingen, sie gingen sehr gelassen. Die Persönlichkeit, die-mit mir ging, sagte: „Denen wird es recht sein, wenn sie zu spät kommen. ” Nun, wie verhalten wir uns zu den Kindern, die zu spät kommen?

In principe is er overeenstemming over. Maar er zal overleg nodig zijn. Er zullen dingen nodig zijn die niet geregeld kunnen worden als ze alleen aan het begin van het schooljaar besproken worden. De zangklas moet worden uitgebreid; er moet een zangdocent worden aangenomen. Dat is noodzakelijk. In sommige andere opzichten zal er onderhandeld moeten worden of we een volgende klas kunnen toevoegen. Dan zal ook daarover nagedacht moeten worden, en het is moeilijk te bedenken wie er in de 1e klas komt. Het is niet aannemelijk dat uw werk, Stockmeyer en Stein, stopt. Dat moet vroeg genoeg besproken worden. Om deze redenen zou het nodig zijn dat ik er aan het einde van het schooljaar bij ben; anders zou ik dringend verhinderd zijn. Ik hoef er misschien maar vier of zes dagen te zijn. Vandaag is te vroeg.
<7> Hoe gaan we om met de kinderen die te laat komen? Ik werd vandaag opgehouden toen ik naar school liep. Er liepen drie leerlingen. Ze liepen gewoon; ze zaten er niet over in dat ze te laat kwamen; ze gingen heel bedaagd. Degene die met me meeliep, zei: “Ze vinden het prima om te laat te komen.” Hoe gaan we om met kinderen die te laat komen?

X.: Sie eine Viertelstunde früher kommen lassen!

Een leraar: Laat ze een kwartier eerder komen!

Dr. Steiner: Da setzt man sich der Gefahr aus, daß sie nicht kommen.

Dan loop je het risico dat ze niet komen.

Blz. 159

Es muß unter allen Umständen vermieden werden, irgendeine Strafe
zu geben, wobei man nachgeben muß. Man darf in einer disziplinarischen Maßregel absolut nicht nachzugeben brauchen. Wenn man sagt, ein Kind muß früher kommen, so muß es eingehalten werden, daß man ihm befiehlt, früher zu kommen. Es waren die in der 8. oder 7. Klasse. Da ist man unten durch, sobald man durch die Finger schauen muß. Dann ist das eine schiefe Ebene, auf der man immer weiter hinunterrollt. Man darf bei einer Strafe nicht nachgeben, lieber unterlasse man sie. Das kann unter Umständen auch zum Gegenteil führen. Dann entsteht ein Verein unter den Kindern, sie machen ab, heute bin ich zu spät gekommen, morgen kommst du. Ich weiß nicht, ob das geht. Es würde uns ein bißchen ins Lächerliche ziehen. Es ist natürlich Bummelei. Früher kommen lassen ist nicht so gut, lieber eine Viertelstunde länger da lassen. Das ist etwas, was den Kindern unsympathisch ist.

Het moet koste wat kost vermeden worden om straffen te geven waarbij je zelf moet zwichten. Je mag absoluut niet toegeven in een disciplinaire maatregel. Als je zegt dat een kind vroeg moet komen, dan moet je je ook aan de regel houden om vroeg te komen. Dat was in groep 8 of 7. Je bent de mindere zodra je een oogje dichtknijpt. Dan is het een hellend vlak waar je steeds verder vanaf glijdt. Bij straf moet je niet toegeven; dan is het beter om geen straf te geven. Onder bepaalde omstandigheden kan dit zelfs tot het tegenovergestelde leiden. Dan ontstaat er een clubje onder de kinderen en ze spreken af: “Ik was vandaag te laat, morgen jij.” Ik weet niet of dat kan. Het zou ons een beetje belachelijk maken. Het is duidelijk laksheid. Ze vroeg laten komen is niet zo goed; het is beter om ze een kwartier langer na te laten blijven. Dat vinden de kinderen niet leuk.

Haben Sie ausprobiert, ob dies wirkt? Ein Kind kommt zehn Minuten zu spät; man läßt es dreißig Minuten stehen. Wenn sie dreimal so lange stehen müssen, dann überlegen sie sich doch jede Minute. Sie recht unbequem stehen lassen! Ihr Junge, der reibt sich den Hinterkopf an der Wand, er amüsiert sich mit allerlei Zeug. Ich glaube, man kann mit solchen Dingen, wenn irgend die Strafe mit dem Verbrechen zusammenhängt, gut wirken, wenn man sie stehen läßt an
irgendeiner besonders unbequemen Stelle. Die Großen werden sich dann hüten, daß sie zu spät kommen. Man könnte eine Anzahl von kleinen Stockerln kaufen, dann werden sie auch nicht zu sechst zu spät kommen. Unter Umständen bekommen sie einen kleinen Krampf in den Beinen. Die Stockerln, die kann man auch im Handfertigkeitsunterricht machen.

Uit ‘dat ze wat zouden afspreken’ blijkt dat ze bewust te laat komen. Gewoon te lang onderweg? Langzaam lopen, spelen o.i.d.? 
De meeste kinderen die te laat komen, doen dat eigenlijk buiten hun schuld. De ouders zijn dan meestal te laat. Dan moet je volgens mij helemaal niet straffen, maar met de ouders praten!

Heb je al eens geprobeerd of dit werkt? Een kind komt tien minuten te laat; je laat het dertig minuten staan. Als het drie keer zo lang moet staan, denkt het daar elke minuut aan. Het staan moet ongemakkelijk zijn! De jongen bij u wrijft met zijn achterhoofd tegen de muur; hij vermaakt zich met van alles en nog wat. Ik denk dat je met zulke dingen een goed effect kunt hebben, als de straf op de een of andere manier verband houdt met wat misdaan is, door het op een bijzonder ongemakkelijke plek te laten staan. De ouderen zullen er dan op letten dat ze niet te laat komen. Je zou een paar kleine krukjes kunnen kopen, dan komen er geen zes te laat. Onder bepaalde omstandigheden kunnen ze een lichte kramp in hun benen krijgen. De krukjes kunnen ook gemaakt worden tijdens handvaardigheidslessen.

X.: Was soll geschehen, wenn Lehrer zu spät kommen?

X: Wat moet er gebeuren als leraren te laat komen?

Dr. Steiner: Dann wird man die Schüler veranlassen, daß sie die Lehrer auf die Stockerln stellen. — Wichtig ist es auch, daß man in solchen Dingen differenziert. Ich würde es im Winter weniger streng
ahnden als im Sommer. Im Augenblick, wo die Kinder merken, daß
in den disziplinaren Maßregeln Vernunft ist, sehen sie es ein. Im
Winter könnte man es weniger intensiv bestrafen und sie nur zweimal so lange stehen lassen. Sie stören; es sind solche, die auch selbst
unaufmerksam sind. Die Fleißigen werden kaum zu spät kommen.

Dan laat je de leerlingen de leraren op de kruk zetten. — Het is ook belangrijk om in zulke zaken te differentiëren. Ik zou in de winter minder streng straffen dan in de zomer. Zodra de kinderen beseffen dat er een reden achter de disciplinaire maatregelen zit, zullen ze het begrijpen. In de winter zou je minder streng kunnen straffen en ze slechts twee keer zo lang laten staan. Ze storen; zij zijn het die zelf ook onoplettend zijn. De hardwerkende kinderen komen waarschijnlijk niet te laat.<7>

Es wird eine Frage gestellt wegen der Fenster.

Er wordt een vraag gesteld over de ramen.

Dr. Steiner: Man bekommt selbst Lust, wenn man da vorbeigeht,

Dr. Steiner: Je krijgt zelfs de neiging als je er langs loopt,

Blz. 160

hineinzusteigen. Man müßte etwas wie Gitter anbringen, daß sie
nicht hineinkommen.

om erin te klimmen. Er zouden spijlen aangebracht moeten worden om te voorkomen dat ze naar binnen kunnen.

Über F. R. in der 4. Klasse.

<8> Over F.R. klas 4.

Dr. Steiner: Es ist ein sehr schwieriger Fall: wenn er aus der Schule weg geht, ist es ein Kasus der Schule. Nicht gerade wünschenswert.
Auf der anderen Seite darf das Kind nicht darunter leiden. Die Schule sollte auch nicht das gefundene Fressen werden derjenigen, zu denen er kommen wird. Da werden solche Gymnasiallehrer sein, die werden es mit großer Befriedigung empfinden, wenn jemand kommt, der sagt, er hat es hier nicht ausgehalten. Ich muß morgen noch etwas sehen, was man da tut. Sehr schwer lösbar.
Es ist die Frage diese, man könnte es sonst mit einer Parallelklasse probieren. Hier kommt aber kaum etwas anderes in Betracht, als daß er in die vorhergehende oder nachfolgende Klasse kommt. In die vorhergehende Klasse möchte ich ihn auf keinen Fall tun. Dann würde er in Ihre Klasse kommen, in die höhere Klasse. Ich glaube nicht, daß es eine andere Lösung gibt. Das macht viel Aufsehen unter den Kindern. Man wird es tun müssen, so daß es als eine Ausnahme erscheint. Da wird man erst nachdenken müssen, wie man es tut. Es
ist eine zuwidere Geschichte, wenn man bekanntgeben soll, daß es aus persönlichen Gründen ist.

Het is een heel lastig geval: als hij van school gaat, is dat een schoolgerelateerde aangelegenheid. Niet bepaald wenselijk.
Aan de andere kant mag het kind er niet onder lijden. De school mag geen geschenk uit de hemel worden voor degenen die hem krijgen. Er zullen leraren van het gymnasium zijn die heel blij zullen zijn als er iemand langskomt die zegt dat hij het hier niet uithoudt. Ik moet morgen nog eens kijken wat eraan te doen is. Heel moeilijk op te lossen.
De vraag is deze: anders zou je het met een parallelklas kunnen proberen.
Maar hier komt er nauwelijks iets anders in aanmerking dan dat hij in de vorige of volgende klas wordt geplaatst. Ik wil hem absoluut niet in de vorige klas. Dan zou hij in uw klas worden geplaatst, de hogere klas. Ik denk niet dat er een andere oplossing is. Het zal veel commotie onder de kinderen veroorzaken. Je zult het zo moeten doen dat het een uitzondering lijkt. Je zult moeten nadenken over hoe je het doet. Het is onwelgevallige zaak om aan te kondigen dat het om persoonlijke redenen is.

Natürlich ist die Gefahr diese, daß sie sagen: Na, jetzt hat er es erreicht; das können wir auch anstreben. —
Aber was soll man machen mit solch einem Jungen, wenn man ihn nicht wegschicken will? Vielleicht komme ich morgen zu der Klasse.
Das, was schlimm ist, ist nicht er selbst. Es ist eine vererbte Sache, und das wirkt fortwährend auf ihn. Es liegt in der Familie. Es wäre schon wünschenswert, daß man den Jungen über eine Klippe hinwegführt. Vielleicht wird es gerade ein tüchtiger Mensch. Er ist ganz begeistert für Eurythmie und Gesang, er will den Klassenunterricht nicht haben. Er findet ihn ganz abscheulich. Das sind andere Dinge, die man zu wichtig nimmt; er hat fünf Mark genommen. Das ist ein Spaß. Er ist sehr zugänglich, sehr zugänglich. Der Junge braucht eine gewisse objektive Behandlung, weil er zu Hause recht subjektiv behandelt wird. Das haben wir alle auch getan. Der Vater ist von der Art jenes Lehrers, der, wenn der Schüler sich aufgeregt benimmt, sagt: „Ich werde dich lehren, was Gelassenheit ist; ich werde dir beibringen, was Gelassenheit ist”, so ist der Vater. Ihn in der 4. Klasse zu lassen, das geht nicht. Wir setzen uns der Gefahr aus, daß er ins Wasser springt. Das wäre natürlich nicht angenehm. Ich erinnere mich noch mit rechtem Entsetzen — ich war auf

Het gevaar is natuurlijk dat ze zullen zeggen: Nou, nu heeft hij het bereikt; daar kunnen we ook naar streven. Maar wat moet je met zo’n jongen als je hem niet weg wilt sturen? Misschien kom ik morgen wel naar de les. Wat er mis is, is niet hijzelf. Het is een erfelijke eigenschap en het heeft een constante invloed op hem. Het zit in de familie. Het zou wenselijk zijn om met de jongen de klippen te omzeilen. Misschien wordt hij wel een capabel mens. Hij is nogal enthousiast over euritmie en zingen; hij wil geen les. Hij vindt het ronduit afschuwelijk. Dat zijn andere dingen die mensen te serieus nemen; hij heeft vijf mark weggepakt. Dat is een kwajongensstreek. Hij is heel benaderbaar, heel benaderbaar. De jongen heeft een zekere objectieve behandeling nodig, omdat hij thuis nogal subjectief wordt behandeld. Dat hebben we ook allemaal gedaan. De vader is het type leraar dat, wanneer een leerling zich geagiteerd gedraagt, zegt: “Ik zal je leren wat bedaren is; ik zal je leren wat bedaren is.” Zo is de vader. Hem in klas 4 laten zitten, is geen optie. We stellen onszelf bloot aan het gevaar dat hij in het water springt. Dat zou natuurlijk niet prettig zijn. Ik herinner me nog met grote afschuw – ik was op

Blz. 161

einer Schule mit einer Maschinenbauschule. Dort war der Sohn des
Schuldieners, der war ehrgeizig. Ein Lehrer, Professor, der jähzornig war, der nahm den Laffen und haute ihm eine herunter. Der verließ die Klasse; er hat nämlich gewußt durch seinen Vater, wo Zyankali ist, hat es genommen und sich vergiftet. Seit der Zeit wurden die Lehrer immer rot, wenn jemand herausging während der Stunden,
(Zu Fräulein Dr. von Heydebrand:) Ich wollte es nur jetzt besprechen, weil er zu Ihnen in die 5. Klasse hinkommt. Er gehört nicht in die 4. Das ist ein Fehler, der gemacht worden ist.
In Psychologie wirken! Die Kindergemüter müssen studiert werden!

een school met een opleiding werktuigbouwkunde. De zoon van de conciërge was daar, en hij was ambitieus. Een leraar, een professor, die opvliegend was, pakte de ??  en sloeg hem. [Het Duits heeft Laffen, daar wordt geen vertaling voor gegeven: waarschijnlijk heeft de jongen de professor op de zenuwen gewerkt en die sloeg hem] Hij verliet de klas; hij wist van zijn vader waar cyanide was, nam het en vergiftigde zichzelf. Sindsdien bloosden de leraren altijd als iemand tijdens de les wegliep.
(Aan mevrouw Dr. von Heydebrand:) Ik wilde het er nu even over hebben,
omdat hij naar uw vijfde klas gaat. Hij hoort niet in de vierde.
Dat is een fout die gemaakt is.
Werk met psychologie! De ziel van het kind moet bestudeerd worden!<8>

X. fragt wegen Spitzenklöppeln und Nadelarbeit.

X. vraagt ​​naar kantklossen en handwerken.

Dr. Steiner: Das ist eine furchtbar zeitraubende Arbeit. Immer unter den entsetzlichsten äußeren Verhältnissen wurden diese Dinge gemacht. Es ist so, daß die Leute alle krank geworden sind. Es sind Parias dazu verwendet worden. Brüsseler Spitzenarbeit ist eine schreckliche Sache. Ich würde das nicht einführen.
Die Arbeiten, die Sie jetzt machen, sind sehr schön. Beim Handarbeiten müssen wir ein bißchen recht exakt sein. Ich habe heute ein Mädchen bemerkt, das ohne Fingerhut nähte.

Dr. Steiner: Het is een vreselijk tijdrovend werk Deze dingen werden altijd gedaan onder de meest verschrikkelijke externe omstandigheden. Mensen zijn allemaal ziek geworden. Ze gebruikten hiervoor paria’s. Brussels kantklossen is een verschrikkelijk iets. Ik zou het niet willen invoeren.
Het werk dat u nu doet is heel mooi. We moeten een beetje precies zijn met ons naaiwerk. Ik zag vandaag een meisje dat naaide zonder vingerhoed.

X.: Soll am Peter- und Paulstag schulfrei sein?

X.: Is Petrus en Paulusdag een vrije dag?

Dr. Steiner: Man kann freigeben. „Peter und Paul ist immer sehr
faul.”

Je kan vrijgeven: “Petrus en Paulus is altijd erg lui.”

Zu dieser Konferenz finden sich noch folgende kurze Notizen:
Schlechte Zähne, Ursache im Seelisch-Geistigen. Zusammenhang
zwischen Eurythmie und Zahnbildung.
Handarbeit: Stricken entwickelt gute Zähne. Die Kinder werden
geschickt durch Stricken.

Bij deze vergadering horen nog korte aantekeningen:
Slechte tanden, oorzaak in de ziel en geest. Verbinding tussen euritmie en tandvorming.
Handenarbeid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden
vaardig door te breien.

.

GA 300A  inhoudsopgave

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 3460-3257

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (3)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

3. Schuljahr: 18. Juni 1921 bis 30. Mai 1922
3e Schooljaar 18 juni 1921 tot 30 mei 1922

Blz. 51

Die Zahlen ließen sich für dieses Jahr nicht genau feststellen. Es waren ungefähr:

15 Klassen
30 Lehrer
540 Schüler

 

De cijfers konden voor dit jaar niet precies vastgesteld worden. Er waren ongeveer:
                                                            15 klassen
                                                            30 leraren
                                                          540 leerlingen

Überwiegend klingt die Stimmung des freudigen Schaffens durch dies dritte Schuljahr weiter fort; ebenso beim fortgesetzten Aus- und Aufbau wie bei den ohne Unterbrechung durch die Konferenzen aller Jahre durchlaufenden Themen der Besprechung einzelner schwieriger Kinder und der Beantwortung spezieller sachlicher oder methodischer Fragen.

De sfeer van vreugdevolle creativiteit blijft in dit derde schooljaar voortduren; zowel in de verdere ontwikkeling als in de onderwerpen die aan bod komen bij de bespreking van individuele, lastige kinderen en de beantwoording van concrete feitelijke of methodische vragen, die een vast onderdeel vormen van de bijeenkomsten van elk jaar.

Blz. 52

Auch in der Stellungnahme gegenüber der behördlichen Schulrevision wird noch eine ungebrochene Einheitlichkeit erlebt. Daß die Revision von seiten der Lehrer unrichtig, weil einseitig gesehen wird, offenbart sich erst nach Monaten. Schrittweise aber werden kritische Worte Rudolf Steiners vernehmlicher. Die Wolken senken sich zuweilen drohend tief herunter.
Wieder werden zwei neue 1. Klassen (2/17, 22) und neue Parallelklassen (2/17) eingerichtet. Auch Fachlehrer werden neu berufen (2/19,53).
Vor allem wird aber die zweite Oberklasse, die 10. Klasse begründet und bekommt ihren Lehrplan (2/18, 22—31). Dabei wird der bisherige Brauch verlassen, daß die obersten Klassen wechselweise von nur zwei Klassenlehrern betreut werden. Es sollen deren jetzt drei, womöglich sogar vier werden (2/18, 27, 38). Für diese Klasse werden volle fünf praktische Fächer neu eingerichtet: Spinnen und Weben; Gesundheitslehre und Erste Hilfe; Feldmessen; technische Mechanik (2/18, 29, 30) und Stenographie (2/31). Sehr eingehend kümmert sich Rudolf Steiner darum, daß für den ,,Ästhetikunterricht”, den Unterricht für das Verständnis des Künstlerischen, ein guter Fachmann zugezogen wird (2/23, 38). Von nun an werden für diesen Unterricht wiederholentlich eingehende Direktiven erbeten und gegeben (2/41, 64 und Sachwortverzeichnis).

Zelfs in de reactie op het inspectietoezicht is er nog steeds sprake van een ongebroken uniformiteit. Dat het toezicht voor de leraren onjuist is, omdat er eenzijdig wordt gekeken, wordt pas na maanden duidelijk. Geleidelijk aan worden de kritische woorden van Rudolf Steiner echter hoorbaarder. De wolken zakken soms dreigend neer.
Er worden twee nieuwe 1e klassen (17/2, 22) en nieuwe parallelklassen (17/2) ingericht. Er worden ook nieuwe vakdocenten aangesteld (19/2, 53).
Het belangrijkste is dat de tweede bovenbouwklas, de 10e, wordt ingericht
en een leerplan krijgt (18/2, 22-31). Hiermee wordt de vroegere praktijk van afwisselend lesgeven door slechts twee mentoren in de bovenbouw verlaten. Er komen er nu drie, mogelijk zelfs vier (18/2, 27, 38). Voor deze klas komen er maar liefst vijf nieuwe praktijkvakken: spinnen en weven; gezondheidsleer en eerste hulp; landmeten; technische mechanica (2/18, 29, 30) en steno (2/31).
Rudolf Steiner besteedt er veel aandacht aan dat een gekwalificeerde expert betrokken is bij de “esthetiekles”, onderwijs in het begrijpen van de kunst. (2/23, 38). Vanaf nu worden  voor deze les herhaaldelijk gedetailleerde richtlijnen gevraagd en gegeven (2/41, 64 en de trefwoordenindex).

Eine große Rolle spielt die Revision durch den zuständigen Schulrat im Frühjahr 1922 (2/68-72 ; Einleitung S. 22, 25). Rudolf Steiner läßt sich von den Klassenlehrern sehr genau berichten, was sie dabei erlebt haben. Er muß daraus zu der Ansicht kommen, die Prüfung und Beurteilung sei engstirnig, nicht auf das Wesen der Waldorfschule eingehend, und keineswegs wohlwollend gewesen.
Es werden deswegen eingehende Beschlüsse gefaßt, wie man durch
Artikel in den Zeitschriften ,,Die Drei” und „Anthroposophie” solchen unsachgemäßen Einwendungen entgegentreten könne (2/68, Liste Nrn. 136, 138).
Desto härter ist der Schlag, als Rudolf Steiner im folgenden Schuljahr den Bericht des Schulrates an das Ministerium gelesen hat. Er sagt es dann den Lehrern mit scharfen Worten. „Wohlwollend ist der Bericht!” — „Die Dinge sind wahr, die darin stehen; das ist das Bittere” (2/141).
Aber auch schon in diesem 3. Schuljahr kommt gelegentlich derber Tadel zu Wort, noch schwach, aber unüberhörbar. Rudolf Steiner

Het toezicht door de verantwoordelijke inspecteur in het voorjaar van 1922 speelde een belangrijke rol (2/68-72; Inleiding pp. 22, 25). Rudolf Steiner liet de leerkrachten uitgebreid verslag doen van hun ervaringen. Hij moest concluderen dat het onderzoek en de beoordeling bekrompen waren, niet inging op de essentie van de vrijeschool en zeker niet welwillend.
Er werden daarom gedetailleerde beslissingen genomen over hoe dergelijke onterechte bezwaren konden worden gepareerd via artikelen in de tijdschriften “Die Drei” en “Anthroposophie” (2/68, Lijst nr. 136, 138).
De klap was des te groter toen Rudolf Steiner het rapport van de inspecteur het volgende schooljaar aan het ministerie voorlas. Hij zei vervolgens in scherpe bewoordingen tegen de leerkrachten: “Het rapport is welwillend!” — “Wat erin staat, is waar; dat is het bittere” (2/141).
Maar zelfs in dit derde jaar verschijnen er af en toe harde berispingen, nog steeds zwakjes, maar onmiskenbaar. Rudolf Steiner

Blz. 53

klagt über mangelnde Mitarbeit, über mangelnde Lebendigkeit der Schüler (2/20) und über zu geringen Zusammenhang unter den Lehrern. ,»Willig zusammenarbeiten! Gegenseitig sich verstehen im Kollegium” (2/80).
Es findet auch die erste, dieses Mal nur kurze, aber sehr eingreifende
Besprechung statt über zwei besonders schwierige Schüler der beiden
obersten Klassen. ,,Man muß mit den Jungen fertig werden” (2/71,72).
Rudolf Steiner tadelt aber nicht nur; er hebt auch wie immer gerne das Gute heraus. Er ist erfreut, „weil die Waldorfschule diesen guten Geist ausgebildet hat”, und ,,weil sie im wesentlichen doch alles gehalten hat, was sie versprochen hat” (2/77). Er gibt auch an, was zu tun sei für ein gutes Zusammenarbeiten. Er lobt die Dissertation von Dr. von Baravalle. „Das ist tatsächlich so, daß spirituelle Kräfte, die im Lehrerkollegium sind, das Lehrerkollegium tragen durch die Gegenseitigkeit des inneren wissenschaftlichen Erlebens” (2/44).
Ganz am Ende des Schuljahres geschieht aber etwas, was einen bösen
Schatten vorauswirft. Schüler der obersten (10.) Klasse hatten gebeten um ein Gespräch mit Rudolf Steiner (2/93). Da brachten sie alles vor, was sie an Kümmernissen über einige ihrer Lehrer auf dem Herzen hatten. Rudolf Steiner hörte sie an, ließ sie ruhig alles aussprechen, fragte nicht nach und entließ sie, ohne weiter darauf einzugehen. Dies Gespräch hatte eine starke Nachwirkung, aber erst im folgenden Jahr.

klaagt over een gebrek aan samenwerking, een gebrek aan levensvreugde onder de leerlingen (2/20) en een gebrek aan cohesie onder de leerkrachten. “Bereidheid om samen te werken! Wederzijds begrip onder het onderwijzend personeel” (2/80).
Er vindt voor de eerste keer een korte maar zeer indringende bespreking plaats  over twee bijzonder moeilijke leerlingen in de twee hoogste klassen. “Je moet er met die jongens uit zien te komen” (2/71, 72).
Rudolf Steiner bekritiseert niet alleen; hij benadrukt, zoals altijd, graag het goede. Hij is blij “omdat de vrijeschool deze goede geest heeft ontwikkeld” en “omdat ze in wezen alles is nagekomen wat ze beloofde” (2/77). Hij doet ook suggesties voor wat er moet gebeuren om een ​​goede samenwerking te garanderen. Hij prijst het proefschrift van Dr. von Baravalle. “Het is inderdaad zo dat spirituele krachten binnen het lerarencollege dit ondersteunen door de wederkerigheid van innerlijke wetenschappelijke ervaring” (2/44).
Aan het einde van het schooljaar gebeurt er echter iets dat een donkere schaduw werpt. Leerlingen uit de hoogste klas (10e klas) hadden een gesprek aangevraagd met Rudolf Steiner (2/93). Daar brachten ze al hun zorgen over enkele van hun leraren ter sprake. Rudolf Steiner luisterde naar hen, liet ze rustig alles uiten, stelde geen verdere vragen en liet ze weggaan zonder verder overleg. Dit gesprek had een diepe impact, maar pas het jaar daarop.
GA 300A/51-53

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3457-3254

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 95 – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER:

GA 95

Vor dem Tore der Theosophie

Aan de poort van de theosofie

Steiner noemde later wat hij als ‘theosofie’ had gebracht: antroposofie.
Waar in deze voordracht ‘theosofie’ staat, heb ik dat vertaald als ‘antroposofie’.
De kopjes zijn door mij aangebracht.

Blz. 54    niet vertaald

Voordracht 6, Stuttgart 27 augustus 1922

Bei der Theosophie handelt es sich um eine im eminentesten Sinne
praktische Auffassung des Lebens. Das Licht, das sie auf die Erziehungsfrage wirft, wird der Menschheit tiefen Nutzen bringen, lange bevor es sich um Hellsehen handelt; man kann sich schon überzeugen, daß in der Theosophie Wahrheit ist für das Leben, lange bevor man herantritt an das unmittelbare Schauen.
Nach der Geburt tritt der Mensch hinein in ein neues Leben, und seine verschiedenen Leiber entwickeln sich in ganz verschiedener Art und Zeit. Der Erzieher sollte darauf Rücksicht nehmen. Ganz anders ist es vom ersten bis zum siebenten Jahre, ganz anders in den zweiten sieben Jahren, vom siebenten bis zum fünfzehnten oder sechzehnten Jahre, bei den Knaben später, bei den Mädchen früher.
Wieder anders ist die Entwickelung nach dem fünfzehnten Jahre oder, sagen wir, nach der Geschlechtsreife. Man lernt die Entwickelung des Menschen erst dann richtig verstehen, wenn man die verschiedenartige Entwickelung seiner Wesensglieder betrachtet.

Bij antroposofie gaat het in de allerhoogste mate om een praktisch begrip van het leven. Het licht dat ze op de opvoedingsvraag werpt, zal de mensheid heel goed kunnen gebruiken, lang voordat helderziendheid een rol speelt; je kan jezelf er al van overtuigen dat er in antroposofie waarheid voor het leven schuilt, lang voordat je tot direct helderziend waarnemen komt.

DRIE ‘GEBOORTEN’

het fysieke lichaam

Na de geboorte begint een mens aan een nieuw leven, en zijn verschillende lichamen ontwikkelen zich op zeer verschillende manieren en in zeer verschillende perioden. De opvoeder dient hier rekening mee te houden.
Het is heel verschillend van het eerste tot het zevende jaar, heel verschillend in de tweede zeven jaar, van het zevende tot het vijftiende of zestiende jaar, later voor jongens, eerder voor meisjes. De ontwikkeling is weer anders na het vijftiende jaar, of, laten we zeggen, na de puberteit. Je begrijpt de menselijke ontwikkeling pas echt als je op de verschillende ontwikkelingen van de wezensdelen let.

[wie niet vertrouwd is met de begrippen ‘wezensdelen’ vindt hier artikelen over de vierledige mens]

Von der Geburt bis zum siebenten Jahre kommt für Eltern und Erzieher eigentlich nur der physische Leib des Kindes in Betracht.
Durch die Geburt ist der physische Leib für seine Umgebung frei geworden. Vor der Geburt bildet derselbe einen Bestandteil des Organismus der Mutter. Die ganze Zeit während der Keimung geht das Leben der Mutter und dasjenige des menschlichen Keimes ineinander. Der physische Leib der Mutter umhüllt den physischen Leib des Kindes; das bedeutet, daß er noch unzugänglich ist für die physische Außenwelt. Erst nach der Geburt ändert sich dies. Er kann erst
Eindrücke von anderen Wesen der physischen Welt bekommen, wenn er geboren ist. Damit ist aber noch nicht der Äther- und Astralleib für die Außenwelt zugänglich. Auf den Äther- und Astralleib kann man zwischen dem ersten und siebenten Jahre von der Außenwelt her deshalb noch nicht einwirken, weil beide noch mit der Ausbildung des eigenen physischen Leibes zu tun haben.

Van de geboorte tot het zevende jaar is voor ouders en opvoeders alleen het fysieke lichaam van het kind van belang.
Door de geboorte is het fysieke lichaam vrij gekomen van zijn omgeving. Vóór de geboorte is het een deel van het organisme van de moeder. Gedurende de hele vruchtvorming is het leven van de moeder verstrengeld met dat van het menselijk embryo. Het fysieke lichaam van de moeder omhult het fysieke lichaam van het kind; dit betekent dat het nog ontoegankelijk is voor de fysieke buitenwereld. [1] Dit verandert pas na de geboorte. Het kind kan pas na de geboorte indrukken ontvangen van andere wezens uit de fysieke wereld. Dit maakt het etherische en astrale lichaam echter nog niet toegankelijk voor de buitenwereld. Tussen het eerste en zevende jaar kunnen het etherische en astrale lichaam nog niet vanuit de buitenwereld worden beïnvloed, omdat beide nog betrokken zijn bij de ontwikkeling van het eigen fysieke lichaam van het kind.

Blz. 55

Alle ihre Tätigkeit richtet sich nach dem Innern des physischen Leibes; sie
arbeiten an dessen Ausbau. Ungefähr gegen das siebente Lebensjahr fängt der Ätherleib an, frei zu werden für äußere Eindrücke. Dann erst kann man auf den Ätherleib einwirken. Zwischen dem siebenten und dem vierzehnten Jahre sollte man dagegen noch nicht auf den Astralleib wirken, denn man schädigt ihn dadurch, daß man ihm die Möglichkeit entzieht, nach innen zu wirken. Es ist am besten, wenn man in den ersten sieben Jahren den Äther- und Astralleib ganz unbehelligt läßt, wenn man damit rechnet, daß sich in diesen Jahren alles von selbst ergibt.
Wie wirkt man in den ersten sieben Jahren am besten auf den Menschen ein? Indem man die Sinnesorgane ausbildet. Alles, was von außen auf sie einwirkt, ist bedeutsam. Alles, was der Mensch in den ersten sieben Jahren sieht und hört, wirkt auf ihn ein durch die Sinnesorgane. Aber nicht durch einen Lehrstoff oder mündliche Belehrung wirkt man auf die Sinnesorgane ein, sondern durch das Beispiel, das Vorbild. Man muß dem Kinde etwas für seine Sinne bieten; das ist wichtiger als alles andere in den ersten sieben Jahren.

Al hun activiteit is gericht op het innerlijk van het fysieke lichaam; ze werken aan de ontwikkeling ervan. Rond het zevende levensjaar begint het etherlijf vrij te worden voor indrukken van buitenaf. Pas dan kan je het etherlijf beïnvloeden. Tussen het zevende en veertiende jaar mag je het astraallijf echter niet beïnvloeden, want je beschadigt het door het de mogelijkheid te ontnemen om naar binnen te werken. Het is het beste om het etherlichaam en het astrale lichaam gedurende de eerste zeven jaar volledig ongestoord te laten, ervan uitgaande dat alles zich in deze jaren op natuurlijke wijze zal ontwikkelen.

Hoe kan je een mens het beste beïnvloeden gedurende de eerste zeven jaar? Door de zintuigen te ontwikkelen. Alles wat hen van buitenaf beïnvloedt, is van belang. Alles wat een mens in de eerste zeven jaar ziet en hoort, beïnvloedt hem via de zintuigen. Maar je beïnvloedt de zintuigen niet door leerstof of verbale instructie, maar door voorbeeld en rolmodel. Je moet het kind iets bieden voor zijn zintuigen; dat is in de eerste zeven jaar belangrijker dan wat dan ook. 

Das Kind sieht, wie sich die Menschen benehmen in seiner Umgebung, es sieht es mit seinen Augen. Aristoteles sagt mit Recht: Der Mensch ist das nachahmendste der lebenden Wesen. – Vorzugsweise ist das in den ersten sieben Jahren der Fall. Nie wieder ist der Mensch so sehr der Nachahmung zugänglich wie in diesen ersten sieben Jahren.
Darum eben muß man in dieser Zeit auf die Sinnestätigkeit einwirken, muß sie herauszulocken suchen und zur eigenen Tätigkeit anregen. Daher ist es auch so verfehlt, wenn man in der frühen Jugend dem Kinde eine sogenannte «schöne» Puppe gibt; dabei können die inneren Kräfte nicht zur Arbeit kommen. Ein natürlich entwickeltes Kind weist sie ohnehin zurück und hält sich lieber an ein Stück Holz und dergleichen, das die Phantasie und Imagination zu eigener
innerer Tätigkeit anregt.
Auf den Äther- und Astralkörper braucht man keine besondere Lehrmethode anzuwenden, aber ungeheuer wichtig ist es, daß die höheren Einflüsse, die von der physischen Umgebung ohne bewußte Einwirkung auf sie übergehen, günstig sind. Sehr wichtig ist es,

Het kind ziet hoe mensen om hem heen zich gedragen; het ziet het met eigen ogen. Aristoteles zegt terecht: Mensen zijn de meest imiterende levende wezens. Dit geldt vooral gedurende de eerste zeven jaar. Nooit is een mens zo vatbaar voor imitatie als gedurende deze eerste zeven jaar.
Daarom moet je in deze periode op de zintuigen werken, proberen ze te prikkelen en stimuleren tot hun eigen activiteit. Daarom is het zo verkeerd om een ​​kind in de vroege kindertijd een zogenaamd “mooie” pop te geven; dit verhindert de werking van de innerlijke krachten. Een natuurlijk ontwikkeld kind wijst ze sowieso af en houdt zich liever aan een stuk hout of iets dergelijks, wat de fantasie en verbeelding stimuleert tot in zijn eigen innerlijke activiteit.
Er is geen speciale leermethode nodig voor het etherische en astrale lichaam, maar het is uiterst belangrijk dat de hogere invloeden die zonder bewuste tussenkomst vanuit de fysieke omgeving op hen overgaan, gunstig zijn. Het is zeer belangrijk

Blz. 56

daß der Mensch in diesem Lebensalter gerade von edlen, hochherzigen und gemütvollen Menschen mit guten Gedankenformen umgeben ist. Diese prägen sich den im Innern arbeitenden Wesensgliedern ein. Das Vorbild also, auch in Gefühlen und Gedanken, ist das wichtigste Erziehungsmittel. Nicht was man sagt, sondern wie man ist, wirkt in den ersten sieben Jahren auf das Kind ein. Wegen der ungemeinen Subtilität dieser Wesensglieder muß sich die Umgebung des Kindes aller unreinen, unmoralischen Gedanken und Gefühle enthalten.
In der Zeit vom siebenten bis vierzehnten, fünfzehnten und sechzehnten Jahre, also bis zur Geschlechtsreife, wird der Ätherleib geradeso herausgeboren, wie bei der Geburt der physische Leib für die Umgebung zugänglich wird. Da muß man also auf den Ätherleib wirken. Der Ätherleib ist der Träger des Gedächtnisses, der bleibenden Gewohnheiten, des Temperamentes, der Neigungen und der bleibenden Begierden. Daher muß man, wenn dieser frei wird, vor allem seine Sorgfalt darauf wenden, diese Eigenschaften zu entwickeln; man muß auf Gewohnheiten wirken, auf das Gedächtnis, überhaupt auf alles das, was dem Menschen einen dauernden Grundstock des Charakters geben soll.

dat een mens op deze leeftijd omringd is door nobele, genereuze en meelevende mensen met goede denkpatronen. Deze worden ingeprent in de wezensdelen die innerlijk actief zijn. Daarom is het voorbeeld, ook in gevoelens en gedachten, het belangrijkste opvoedingsmiddel. Niet wat je zégt, maar hoe je bént, beïnvloedt het kind in de eerste zeven jaar  Vanwege de buitengewone subtiliteit van deze wezensdelen, moet de omgeving van het kind zich onthouden van alle onzuivere, immorele gedachten en gevoelens.

het etherlijf

In de periode van het zevende tot en met het veertiende, vijftiende en zestiende jaar, d.w.z. tot aan de puberteit, wordt het etherisch lichaam zo geboren als het fysieke lichaam dat bij de geboorte toegankelijk wordt voor de omgeving. Dan moet je op het etherlijf werken. Dit is de drager van herinneringen, blijvende gewoonten, temperament, neigingen en blijvende verlangens. Daarom moet je, wanneer dit vrij geworden is, allereerst zorgvuldige aandacht besteden aan de ontwikkeling van deze kwaliteiten; je moet werken aan gewoonten, aan het geheugen, in het algemeen aan alles wat een mens een blijvende karakterbasis moet geven.

Er wird wie ein Irrlicht, wenn nicht in dieser Zeit dafür gesorgt wird, daß gewisse Gewohnheiten wie ein roter Faden seinen Charakter durchziehen, damit er feststehen kann gegen die Stürme des Lebens. Und jetzt muß man auf das Gedächtnis wirken; später, nach dieser Zeit, wird das, was als Gedächtnisstoff aufgenommen werden soll, schwer eingehen. Insbesondere wird auch der Sinn für Kunst in dieser Zeit erwachen, namentlich für eine solche Kunst, die sehr viel zu tun hat mit den Schwingungen des Ätherleibes, nämlich für Musik. Sind hierfür Talente vorhanden, so muß man in diesen Jahren dafür Sorge tragen, sie zur Entfaltung zu bringen. In dieser Zeit wirkt das Gleichnis; wenn man versucht, jetzt auch schon das Urteil auszubilden, so tut man unrecht. Unsere Zeit sündigt darin außerordentlich viel. Man soll dafür Sorge tragen, daß das Kind möglichst viel durch Gleichnisse lernt; das Gedächtnis muß Inhalt bekommen, die Vergleichungskraft muß an sinnlichen Vorstellungen geübt werden. Es müssen ihm Beispiele

Hij zal als een dwaallicht worden als bepaalde gewoonten in deze tijd niet als een rode draad door zijn karakter lopen, zodat hij stand kan houden tegen de stormen van het leven. En nu moet je aan het geheugen werken; later, na deze tijd, zal wat als geheugenmateriaal moet worden opgenomen, moeilijk op te nemen zijn. Vooral het gevoel voor kunst zal in deze tijd ontwaken, vooral voor een kunstvorm die veel te maken heeft met de bewegingen van het etherlijf, namelijk muziek. Als hiervoor talent aanwezig is, moet je ervoor zorgen dat dit in deze jaren wordt ontwikkeld. In deze tijd zijn parabels effectief; als je nu al probeert oordeelsvermogen te ontwikkelen, doe je daar geen goed aan. Onze tijd zondigt buitengewoon veel op dit gebied. Je moet ervoor zorgen dat het kind zoveel mogelijk leert door middel van gelijkenissen; het geheugen moet inhoud krijgen, het vergelijkingsvermogen moet worden geoefend met zintuiglijke beelden. Het moet voorbeelden krijgen

Blz. 57

großer Menschen aus der Weltgeschichte vorgeführt werden; aber man darf nicht sagen, das ist gut oder das ist schlecht, denn das würde auf die Urteilskraft wirken. Man kann gar nicht genug solche Bilder, die auf den Ätherleib wirken, oder Vergleiche mit dem Großen auf der Welt dem Kinde vorhalten. Dabei ist es von großem Nutzen, wenn man viel mit Sinnbildern arbeitet. Das ist die Zeit, wo die sinnigen Märchen und Erzählungen, die das Menschenleben in Bildern darstellen, mächtig wirken. Dadurch macht man den Ätherleib beweglich, schmiegsam und gibt ihm dauernde Eindrücke. Wie mußte Goethe seiner Mutter dankbar sein, daß sie ihm in dieser Zeit so viele Märchen erzählte!
Also, je später man dazu kommt, das Urteil im Kinde hervorzurufen, desto besser ist es. Das Kind aber fragt «Warum?». Diese Fragen nach dem Wie und Warum sollen nicht mit abstrakten Erklärungen, sondern mit Beispielen, mit Sinnbildern beantwortet werden. Und wie unendlich wichtig ist es, die richtigen Sinnbilder zu finden! Wenn das Kind fragt nach Leben und Tod, nach den Verwandlungen des Menschen, so kann man ihm das Beispiel von der Raupe und Puppe vorführen; man macht ihm klar, wie gleichsam aus der Puppe heraus der Schmetterling aufersteht zu einem neuen Leben. 

van grote mensen uit de wereldgeschiedenis; maar je moet niet gaan zeggen dat dit of dat goed of slecht is, want dat zou het oordeelsvermogen van het kind aantasten. Je kan niet genoeg beelden presenteren die het etherlijf beïnvloeden, of vergelijkingen maken met de groten der aarde. Het is zeer nuttig om uitgebreid met symbolen te werken. Dit is de tijd waarin betekenisvolle sprookjes en verhalen die het menselijk leven in beelden laten zien, een krachtige uitwerking hebben. Zo maak je het etherlijf beweeglijk, levendig en laat het blijvende indrukken achter. Hoe dankbaar moet Goethe zijn moeder zijn geweest dat ze hem in die tijd zoveel sprookjes vertelde!

Dus hoe later je ertoe komt in het kind het oordeel op te roepen, hoe beter het is. Maar het kind vraagt: “Waarom?” Deze vragen over hoe en waarom moeten niet met abstracte verklaringen worden beantwoord, maar met voorbeelden, met symbolen. En hoe oneindig belangrijk is het om de juiste symbolen te vinden! Wanneer een kind vraagt ​​naar leven en dood, naar menselijke metamorfoses, kan je het voorbeeld van de rups en de pop nemen; je kan uitleggen hoe de vlinder als het ware uit de pop tevoorschijn komt en wakker wordt voor een nieuw leven.

Überall in der Natur findet man solche Gleichnisse für die höchsten Fragen. Ganz besonders aber wichtig ist in dieser Zeit für das Kind die Autorität. Nur darf es keine erzwungene Autorität sein, sondern in ganz natürlicher Weise muß der Lehrer Autorität erlangen, damit das Kind glaubt, bevor sich ein Wissen entwickeln darf. Daher fordert die theosophische Pädagogik nicht bloß intellektuelles Wissen, pädagogische Grundsätze und Einsichten bei dem
Erzieher, sondern sie fordert, daß man solche Menschen dazu wählt, die durch ihre natürlichen Anlagen versprechen, eine Autorität zu werden. Scheint dies eine Härte ? Aber wie sollte man sie nicht hineinbringen, da die Zukunft der Menschheit davon abhängt! Gerade das ist eine Perspektive für eine große Kulturaufgabe der Theosophie.
Wenn dann der Mensch die dritten sieben Jahre antritt, die Zeit
der Geschlechtsreife, wird der Astralleib frei, und an ihm hängt das

Dergelijke zinnebeelden over de meest diepgaande vragen zijn overal in de natuur te vinden. Maar in deze periode is autoriteit bijzonder belangrijk voor het kind. Het mag echter geen afgedwongen autoriteit zijn; de leraar moet op een volledig natuurlijke manier autoriteit verwerven, zodat het kind vertrouwen heeft voordat de kennis zich kan ontwikkelen. Daarom vereist de antroposofische pedagogie niet alleen intellectuele kennis, pedagogische principes en inzicht bij de opvoeder, maar ook dat er mensen worden gekozen die door hun natuurlijke talenten de belofte in zich dragen, autoriteit te worden. Lijkt dit hard? Maar waarom zou je dat niet in kunnen brengen als de toekomst van de mensheid ervan afhangt! Dit is precies het perspectief voor een grote culturele taak van de antroposofie.

van het astraallijf

Wanneer de mens dan de derde zeven jaar ingaat, de tijd van de puberteit, wordt het astraallijf vrij en daarmee is verbonden 

Blz. 58

Urteil, die Kritik, hangen die unmittelbaren Beziehungen zu den übrigen Menschen. So wie die Gefühle von Mensch zu Mensch erwachen, so erwachen auch die Gefühle für die übrige Umwelt; da ist der Mensch reif, anzufangen zu begreifen. Die Persönlichkeit wird mit dem Astralleib freigelegt; da muß man das eigene Urteil aus dem Menschen herauslocken. Heutzutage wird er viel zu früh zur Kritik herausgefordert. Siebzehnjährige Kritiker sind häufig, und wie viele  schreiben und urteilen ganz und gar Unreifes für die Menschheit!
Man muß zweiundzwanzig bis vierundzwanzig Jahre alt sein, ehe man selbst urteilen kann; das andere ist absolut unmöglich. Vom vierzehnten bis zum vierundzwanzigsten Jahre ist die Zeit, wo der Mensch am besten von der Welt lernen wird, wo alles für ihn Lehre wird, was ihn umgibt. So wächst er heran zur völligen Lebensreife.

oordeel en kritiek, daarmee hangen de directe relaties met anderen samen. Net zoals gevoelens van mens tot mens ontstaan, zo ontstaan ook de gevoelens voor de rest van de omgeving; op dit punt is de mens rijp om te beginnen te  begrijpen. De persoonlijkheid komt vrij met het vrij worden van het astraallijf; op dit punt  moet je zijn eigen oordeel bij de persoon oproepen. Tegenwoordig worden mensen veel te vroeg uitgedaagd om kritiek te uiten. Zeventienjarige critici zijn gebruikelijk, en hoeveel schrijven en oordelen er over dingen die volkomen onvolwassen zijn voor de mensheid!
Je moet tussen de tweeëntwintig en vierentwintig jaar oud zijn voordat je zelf kan oordelen; het andere is absoluut onmogelijk. Van het veertiende tot het vierentwintigste jaar is de periode waarin een mens het beste de wereld leert kennen, wanneer alles om hem heen een les voor hem wordt. Zo groei je tot volledige volwassenheid.
GA 95/54
Niet vertaald

[1] Steiner gaat hier niet in op een bepaalde invloed die er wél is. Hij noemt voor de niet waarneembare dingen dat de moeder er goed aan doet, bv. zich te verdiepen, te verbinden met een afbeelding van Maria met het kind. 

Zie ook: opspattend grind

Het is meer dan 120 jaar geleden dat Steiner deze woorden sprak.
In grote lijnen gaat de door hem geschetste ontwikkeling nog zo.
Wat het oordeel van de twintigers betreft, zie je dat we daarover genuanceerder zouden moeten oordelen! dan Steiner hier in grote trekken doet.
Van mezelf weet ik nog dat ik pas rond mijn 22e oordelen had die meer afgewogen waren dan de jaren daarvoor. 
In die jaren – en ook dat zie je nog steeds – werden er allerlei idealen geboren en de oordelen hingen daarmee nauw samen.
Hoe verder je terug gaat in de tijd, zie je de oordelen van de kinderen steeds meer gebonden aan hun belevingen, niet aan een wikken en wegen van allerlei argumenten.
Dan is iets ‘stom’ of ‘leuk’ en vaak volgt op de vraag ‘hoe vond je het’ het antwoord ‘gewoon’ – niet in de zin van alledaags, maar ja, gewoon, zoals het is.

We leven nu in een tijd waarin jongere kinderen veel meer situaties moeten beoordelen dan vroeger. Door de moderne media en m.n. de negatieve kant ervan, moeten kinderen veel eerder dan vanuit bovenstaande visie wenselijk is, voor hun eigen welzijn leren reageren.
Dat is een dilemma waar je als opvoeder voor staat. 
.

Voor de begrippenfysiek lichaametherlijfastraallijf en Ik
Deze begrippen komen ook in ‘Algemene menskunde’ ter sprake vanaf
[1-7-2]

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3451-3248

.

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-6-2)

.

In voordracht 3 spreekt Steiner over het belang voor de aarde wanneer een mens sterft en begraven of gecremeerd wordt.
Zonder dit ‘desem’ zou de aarde niet kunnen bestaan.
Een moeilijk onderwerp.

Toen ik onderstaand artikel las, kreeg ik bij bepaalde stukken een gevoel van ‘Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis’ ofwel: we kunnen in de wereld of de natuur om ons ‘dingen’ zien die ook nog op iets anders duiden.
De passages die me daaraan deden denken i.v.m. de voordracht, heb ik gecursiveerd.
Het artikel laat ik ook wezenlijke aspecten zien van de BD-landbouw en geeft je allerlei te overdenken als leidraad bij je eigen ontwikkeling.
.

Derk Klein Bramel, Motief nr.220 maart 2018
.

De biologisch-dynamische landbouw in relatie tot de mens

.

Een ervaring die veel indruk op mij heeft gemaakt en die mede aanleiding was voor mijn zoektocht naar de diepere betekenis van landbouw voor mensen is de volgende.

Een vrouw van eind 20 werd op een boerderij opgenomen vanwege ernstige anorexia nervosa. Ze had verschillende behandelingen achter de rug, maar zonder succes. Ze kwam voor een zogenaamde 24-uurs opname en woonde er uiteindelijk twee jaar. De behandeling verliep succesvol. Ze ging een relatie aan en begon met haar partner een boerderij in Frankrijk. Bij de evaluatie van de behandeling vroeg ik haar wat de grote verandering bewerkstelligd had. Ze hoefde niet na te denken over het antwoord. Aan het eind van het eerste jaar werkte ze in de groentekas. Ze was daar bezig de tomatenplanten, die al groter waren dan zijzelf, te verzorgen. Opeens realiseerde ze zich daar dat ze al lange tijd opging in haar werk en het bewustzijn voor de tijd verloor. Ze voelde zich zo verbonden met de plantenwereld om haar heen in het werk, met de bodem en de sfeer om haar heen. En dat was heel ongebruikelijk. Normaal was ze zich vrijwel ieder moment bewust van de tijd. Deze ervaring was een doorbraak en sindsdien wist ze de weg naar ‘verbondenheid’ en het gevoel van ‘erbij mogen horen’ te vinden.

We zien hier een voorbeeld van hoe een mens zichzelf hervindt in een omgeving die mede door de impulsen van de BD-landbouw is gecreëerd. Hoe verhouden zich mens en natuur tot elkaar en hoe kunnen we door gezichtspunten uit de BD-landbouw deze verhouding beter gaan begrijpen? Dat is de onderzoeksvraag die aan dit artikel ten grondslag ligt. We beschrijven hier enkele aspecten van de landbouw vanuit dit gezichtspunt.

Het minerale, het gestorvene en het levende

Om ons bewust met de natuur te verbinden, kunnen we ons de vraag stellen: hoe verschijnt het levende aan ons en hoe het gestorvene, het minerale? Aan de gestorven plant zien we de vorm die hij had toen hij nog leefde verdwijnen. Deze vorm (van een blad bijvoorbeeld) valt bij de gestorven plant uit elkaar en gaat over in chaos. Daarentegen zien we bij de opgroeiende plant het tegenovergestelde: er ontstaat vorm, er ontstaat organisatie vanuit de ‘chaos’ van de grondstoffen. Deze tegenstelling tussen verdwijnende vorm bij de gestorven plant en verschijnende vorm bij de levende plant, brengt ons op het spoor van levenskrachten. Het uiteenvallen van de vorm schrijven we de krachten in de materie toe, het ontstaan van de vorm aan krachten die de materiële krachten overwinnen en de vorm scheppen (etherische krachten). Ze zijn van niet-materiële aard en scheppen gehelen. In deze etherische krachten kunnen we nog hogere krachten vermoeden, als we ons realiseren dat in het ene geval in de sfeer van het levende een rode biet verschijnt en in het andere een radijs.

In de BD-landbouw willen we bewustzijn ontwikkelen voor deze verschillende soorten krachten en voor hun samenspel. De aardbodem bevat zowel gestorven planten als minerale stoffen die ‘nooit plant geweest zijn’. Elke bodem op de wereld is anders. In Nederland is het world soil museum en daar kun je wel 2000 bodemprofielen bekijken. De bovenste laag van bodems is gevormd door een intensieve ontmoeting, uitwisseling en verbinding tussen dat minerale deel en het gestorvene – de planten die erop gegroeid zijn, die er afgestorven en verteerd zijn. Een vruchtbare bodem ontstaat als die interactie tussen het minerale en het oorspronkelijk levende goed verloopt. Het levende geeft via het gestorvene zijn kwaliteiten door aan de materiële aarde. De aarde wordt daarmee verrijkt.

De mens op aarde

Bovenstaande is een prachtig beeld voor de mens. Hij komt vanuit een hogere wereld in de aardewereld binnen. Het innerlijk geestelijke verbindt zich vanuit de hogere wereld met het uiterlijk aardse element. Vervolgens doet de mens in deze materiële wereld verschillende levenservaringen op, juist daarom zijn we hier. Deze levenservaringen sterven en worden zo tot herinneringen in de bodem van de ziel. En zoals er van het ‘gestorvene’ uit de natuur niets echt verdwijnt – alles heeft blijvend zijn invloed op de gesteldheid van de bodem, zo kun je je voorstellen dat van wat wij als mensen aan daden doen en aan ervaringen opdoen in ons aardse leven ook niets echt verdwijnt – dat dat alles zijn afdruk achterlaat in de gemeenschappelijke ‘bodem’ die we als mensheid aan het vormen zijn. Dat doe je in de landbouw met mest, compost en humusvorming.

Op de laatste landbouwconferentie in Dornach sprak een boer met veertig jaar ervaring. Hij vertelde dat hij in die veertig jaar had geleerd dat het goed verzorgen van dat wat afgestorven is de belangrijkste bijdrage is die je als boer kunt leveren aan de opbouw van bodemvruchtbaarheid.

Voor het verzorgen van dat wat afgestorven is, gebruikt de BD-boer over het algemeen de composthoop. Op die composthoop verzamelt hij het verleden van zijn bedrijf. Hij zet die netjes op, zorgt ervoor dat de verhouding tussen structuurrijke spullen en structuurarme spullen een beetje klopt (voor kenners: de koolstof-stikstofverhouding). Hij zorgt ervoor dat de temperatuur goed blijft – zo rond de 38-40 graden, dat de vochtigheid goed is, niet te nat, niet te droog en dat er voldoende lucht in de hoop zit. Vaak wordt de hoop na een aantal maanden nog eens omgezet. Zonder dat de boer daar iets voor hoeft te doen, komen eerst schimmels, dan bacteriën en dan allerlei wormen en andere beestjes helpen bij het omzetten van dit afgestorven materiaal naar vruchtbare compost voor de toekomst van het bedrijf. Vertaald naar mensen, heb je het dan over het verzorgen van wat je hebt meegemaakt dat zo belangrijk is voor je verdere leven.

Compost en humus; omgaan met de levenservaring

Stel je voor dat je elke week alles wat je die week hebt meegemaakt of samen hebt meegemaakt, eens bij elkaar zou pakken en aandacht zou geven, je geeft dan aandacht aan ervaringen die al achter je liggen, aan ervaringen die levend waren, maar nu ‘gestorven’ zijn. Je wilt eerst de herinneringen, zoals ze daadwerkelijk zijn, hervinden en tot hun recht laten komen. Hoe werken ze in je? Voelen ze zacht of stengelig aan? Je voelt de temperatuur ervan. Welke emotie voel ik erbij? Word ik warm van woede of koud van angst? En hoe zit het met de lucht? Kan ik luchtig door de ervaringen heen bladeren of stokt het steeds, blijf ik met mijn aandacht in een bepaalde ervaring steken? Moet ik de hoop misschien nog eens omzetten, er morgen nog eens mijn aandacht op richten? Erover schrijven of er met iemand over praten of het nog eens opnieuw ordenen? En hoe zit het met het water? Is het vochtig genoeg, stroomt het nog en is het in verbinding? Als die compost van de boer klaar is, er bijna uitziet als aarde, dan wordt die over het land gebracht. Dit bijna voor 100% organische materiaal wordt dan in verbinding gebracht met het grotendeels minerale materiaal van de bodem. En dan wordt het bodemleven heel actief. Met name de regenwormen gaan ermee aan het werk. Ze nemen hapjes compost en hapjes minerale aarde, mengen dat in hun lijfje, voegen er een eiwitrijk slijm aan toe en poepen het weer uit. Zo ontstaat humus.

Humus is één van de allerbelangrijkste ingrediënten van de landbouw. Het kan vocht vasthouden, het maakt de bodem luchtig, het geeft de bodem veerkracht en het houdt voedingsstoffen vast.

En dat laatste doet humus op een heel bijzondere manier. De voedingstoffen worden zo vastgehouden dat ze niet uitspoelen bij een regenbui en dat ze niet zomaar in water oplosbaar zijn. Maar als de plant met haar haarworteltjes bepaalde stofjes afscheidt, dan komen die voedingsstoffen vrij. Ze komen dus beschikbaar als de plant er om vraagt, maar dringen zich niet op als de plant bijvoorbeeld alleen maar water wil. Daardoor zie je dat planten die op humusrijke grond groeien heel evenwichtig groeien, een goede kwaliteit hebben en lang te bewaren zijn. Zij hebben de voorwaarden gekregen om zich naar hun eigen aard te ontwikkelen.

Uit de opgedane levenservaring ontstaan nieuwe inzichten en nieuwe vaardigheden. Geven we aandacht aan de levenservaring, dan intensiveren we dat proces. Ons hogere ik (ons betere zelf) kan er zich dan beter mee verbinden en nieuwe inzichten en vaardigheden impulseren. Zoals de BD-boer de composthoop in het midden van zijn bedrijf heeft, zo is in ons leven de reflectie (terugblik) een centrale vaardigheid. Als dat goed lukt, dan kunnen we humusachtig worden; veerkrachtig, luchtig, in staat tot geven als er om gevraagd wordt, maar niets op opdringende manier.

Het vormen van een bedrijfsindividualiteit

Een belangrijk element van de BD-landbouw is het begrip ‘bedrijfsindividualiteit’. In de landbouwcursus [GA 327, vertaald] houdt Steiner een pleidooi voor een zo veel mogelijk gesloten bedrijfskringloop. Alles wat er aan voer, mest, zaad enzovoort nodig is, moet zo veel mogelijk van het eigen bedrijf komen. Dit is ook een enorm verschil met andere vormen van landbouw. Bijna alle gangbare bedrijven kopen heel veel meststoffen, voer voor hun dieren en zaden van buiten aan. De bedrijven worden daardoor steeds minder grond- en plaatsgebonden. Het voordeel is dat je met weinig grond toch veel dieren kunt houden en dat je met de aanvoer van meststoffen een bepaalde eenzijdigheid van je bodem kunt corrigeren.

Een BD-bedrijf streeft naar min of meer gesloten bedrijfskringloop, omdat het in het telen van voedsel juist gericht is op het tevoorschijn laten komen van dat eigen karakter van elke plant en elk dier. En met die gesloten bedrijfskringloop vertrouw je op de kwaliteit van je eigen gewassen en je eigen compost, die samenhangen met de eigen minerale uitgangssituatie van de bodem onder je bedrijf, je geeft je dieren voer van de eigen akkers en voedt je akkers met mest van de eigen dieren en zo kom je tot steeds meer authenticiteit van de producten van je bedrijf. In Italië noemen ze dat het ‘terroir’.

Lerend in het leven staan

Betrekken we dit gezichtspunt op ons als mensen, dan begint het ‘verteren’ met het accepteren van je concrete levenssituatie, van jezelf zoals je bent, en van de concrete levenservaring. Vanuit die geaardheid doe je je levenservaringen op. Je verteert die goed en gaat met die ervaringen het leven weer aan. Je leeft niet met een bepaalde voorstelling van zo moet ik worden, maar je vertrekt vanuit acceptatie van wie je bent, integreert je eigen levenservaring en wordt zo steeds meer wie je bent.

De samenleving zoals die nu is nodigt niet echt uit om zo te leven, zoals de gangbare landbouw ook niet uitnodigt om zo te handelen. Daar is juist een grote drive om veel voer en meststoffen vanuit de hele wereld aan te kopen en om te streven naar neutrale smaken die steeds herhaalbaar zijn. Dit heeft
mestoverschotten en voedselverspilling tot gevolg. Bij mensen zie je ook dat er een voortdurend teveel is. Te veel indrukken, te veel ervaringen die worden opgedaan, te veel informatie die dagelijks wordt opgenomen. (Prima, die smartphone en het vertoeven in die digitale wereld, als je aan het eind van de dag, bij de terugblik, al die informatie maar weer terug kunt halen om ’m in je composthoop te integreren.)

Het landbouwbedrijf tussen mens en natuur

Dit zijn enkele voorbeelden van hoe in de BD-landbouw wordt gewerkt aan het creëren van goede voorwaarden om ontvankelijk te worden voor de geaardheid (geest) en vitaliteit van al wat leeft. En om ontvankelijk te worden voor de samenhang tussen mens en natuur. Naarmate we die ontvankelijkheid systematisch oefenen en ons daardoor in de praktijk laten inspireren, ben ik geneigd van geesteswetenschappelijk onderzoek te spreken, van invulling geven aan de spreuk waarmee we ons Hogeschooloverleg steeds openen:

Wil je de wereld leren kennen, kijk in je eigen ziel.
Wil je jezelf leren kennen, kijk in de wereld.

GA 40/295
Vertaald/112

Overal in de wereld zie je dat de BD-landbouwbedrijven er sociale taken bij doen, ze trekken veel vrijwilligers aan, doen aan zorg of hebben een klantengemeenschap, vangen schoolkinderen op enzovoort.

Het aantal zorgboerderijen groeide in Nederland tussen 1998 en 2014 van 75 naar 1100.* Kortom, biologische en biologisch-dynamische landbouwbedrijven trekken mensen aan. Gezien de in dit artikel beschreven samenhang tussen landbouw en mens is dat ook niet zo gek misschien.

* Dhr. J. Hassink: Understanding Care Farming as a Swiftly Devetoping Sector in The Netherlands. Promotie september 2017 UvA

(De auteur:) Met dank aan Auke van der Meij.

.

Algemene menskunde: voordracht 3: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3439-3237

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (3-3)

.
In dit artikelover de eerste jaren van een kindhaalde ik Steiner aan die op zijn beurt een uitspraak citeerde van de dichter Jean Paul (Richter) (1763-1825) die in zijn leven al doordrongen was van het feit dat de eerste jaren van een kind buitengewoon belangrijk zijn: het leert meer dan op de universiteit – vrij vertaald.

Maar hoe belangrijk, is nog steeds geen gemeengoed bij – m.n. ‘beleidsmakers’, grofweg regeringsambtenaren die vanuit politieke motieven bepalen wat nodig is voor de ontwikkeling van een kind.

Maar de werkelijke kenners van het kinderwezen komen met heel andere geluiden.

Zo bv. lector Annerieke Boland. Zij werd uitvoerig geciteerd op de site van
Nivoz ‘Platform het kind

Nu het daar weer wat moeilijker is te vinden en het overduidelijk ‘vrijeschooltaal’ spreekt, is het waardevol het op deze blog ‘paraat’ te houden.

Lector Annerieke Boland:
.

‘Maak van een kleuter niet te vroeg een schoolkind’ 

iPabo-lector Annerieke Boland opende in november 2019 de jaarlijkse Jenaplanconferentie met haar keynote over de wereldverkenningen van het jonge kind. Die vroege stappen in de wereld – van het ontdekken van je schaduw tot het samen bedenken van spelregels – zet een kind al spelend.

Anneriekes boodschap: maak van een kleuter met te vroeg een schoolkind: ‘Er is niks mis met kijken naar taal en rekenen, maar dat zit allemaal al in het spel van jonge kinderen. Als je goed kijkt naar hun spel, zie je dat daar het leren gebeurt.’

Ze vertoonde dit filmpje:

Jade ontdekt haar schaduw.
Peutertje Jade wijst een bloempje aan in een kruidenrijke berm langs een zandpad Als ze zich omdraait ziet ze iets donkers in het zand. Zichzelf, haar contouren, haar schaduw. Ze volgt het donkere ding en het ding volgt haar. Ze vertelt erover in de weinige woorden die ze heeft, tegen haar moeder achter de telefooncamera. Mama grinnikt bemoedigend. Jade tilt haar teen op, maar de schaduw sluit weer aan als haar voet de grond raakt. Nog eens. Ze gaat op haar hurken zitten om het vreemde fenomeen met haar vingers aan te raken Dan loopt ze naar haar moeder, kijkt intussen naar de schaduw die achterlangs meeloopt, en botst zo tegen mama op.

‘Spelend groeit het jonge kind de wereld in’

“Je ziet dat leren niet in je eentje gebeurt: Jade kijkt naar haar moeder achter de camera. Je wilt het delen. Bij jonge kinderen zie je momenten als dit de hele dag door – spelen, ontdekken. Schaduwen, blokken, elkaar. Spelend groeit het jonge kind de wereld in.

Het jonge kind lijkt soms in de verdrukking te zijn gekomen, misschien al sinds de jaren ’80 toen de kleuteropleiding werd afgeschaft, stelt Boland: “Van kleuters wordt steeds meer verwacht dat ze zich gedragen als een schoolkind, en dat is een peuter of kleuter niet.”
Ook leerkrachten hebben er soms moeite mee om een kleuter te volgen en te accepteren als kleuter. Annerieke vertelt hoe ze meeliep in een kleuterklas, met een bedrijvige huishoek, waarin de leerkracht het lastig vond dat de kinderen steeds wegliepen uit de huishoek naar de gang.

“Maar het bleek dat op de gang de supermarkt was en dat de kinderen daar hun boodschappen deden. Dat wisten alle kinderen, ook aan nieuwe kinderen werd dat bekend gemaakt, inclusief de route die om de kast heen en dan pas naar de deur liep. De leerkracht had er geen tijd voor gehad of genomen om dat te observeren, want die was zo druk met taal en rekenen bezig geweest.”

Uitspraken van leerkrachten laten zien dat er in veel kleuterklassen al gelonkt wordt naar het formele leren. Annerieke projecteert een uitspraak van onderbouwjuf Renate: “Tijdens de afgelopen jaren merkte ik dat ik mijn onderwijs steeds meer ging aanpassen aan de eisen van groep 3, terwijl ik diep van binnen wist dat dit juist andersom zou moeten.”

Boland stelt dat er niks mis is met kijken naar taal en rekenen, maar dat die activiteiten al in het spel van jonge kinderen zitten:

“Als we niet kijken naar hun spel, weten we niet dat daar het leren gebeurt.”

Een mens in wording

Het jonge kind en spel zijn aan elkaar verbonden. Eerst maar eens: wat is het jonge kind? Hoe moeten we naar een jong kind kijken? Annerieke Boland gaat te rade bij de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt, die het kind tweeledig beziet: enerzijds is een kind ‘een nieuw mens in de wereld die er al was’ – je stapt dus binnen in een wereld die al bestond. Anderzijds is een kind ‘een mens in wording’, die zich wil gaan manifesteren in die al bestaande wereld. “Die twee kwaliteiten zijn van groot belang”, legt Annerieke uit:

“Want dat drijft een kind verder in het leven: enerzijds wil je erbij horen, maar je hebt ook ontdekkingen te maken over jezelf, over hoe jij in bloei kunt komen, je kunt uiten, je kunt openbaren aan de wereld.”

Daar speelt de volwassen mens een cruciale rol, want die beschermt ‘het kind als mens in wording’:

 “Als volwassene neem je verantwoordelijkheid voor de wereld die er al is; je draagt de mooie dingen uit die wereld over, je wijdt het kind in, neemt het mee naar die wereld. Tegelijkertijd is er pluraliteit als voorwaarde, want ieder kind is uniek, alle mensen zijn verschillend.”

“Elk kind is een begin van nieuw handelen en nieuw spreken dat de sociaal-culturele wereld blijvend vernieuwt, en daarmee van de ondergang redt”, stelt Arendt. “Wat ze zegt is: ‘het unieke niet voeden is de maatschappij ten onder laten gaan. Iedere nieuwe generatie moet in staat gesteld worden zijn unieke bijdrage te leveren.”

Spelen: heb jij speelruimte?

Met verwijzing naar de drie doeldomeinen van Gert Biesta – kwalificatie, socialisatie en subjectwording – stelt Annerieke dat we in een tijd leven “waarin kwalificatie veel aandacht krijgt, vaak ten koste van de andere twee aspecten. We moeten meer terug naar de vraag aan ieder kind: wie ben jij? Dat is je drijvende vraag als leerkracht. En daarna: wie ben jij, in deze wereld, als deel van deze gemeenschap, van een groter geheel?”

Wil je dat van een jong kind weten, volg het dan in zijn spel:

 “Spelen is ontwikkelen.

Spelen gebeurt vanuit intrinsieke motivatie. Spelen is een eigen expressie van de indrukken die kinderen opdoen. In het spel laat het kind zichzelf zien.”

Menig professional vergeet dat: dan is spelen wel een element op het kiesbord, maar zelden wordt het spel met serieuze aandacht bekeken door een leerkracht, stelt Boland.

Na de vraag naar wat een jong kind is, is de vraag naar het wezen van spel minstens zo ingewikkeld. Annerieke haalt meerdere denkers en hun uitspraken aan: de Amerikaanse filosoof-pedagoog John Dewey, bijvoorbeeld, noemde spel ‘de manier van leren van een kind’ en school ‘niet de voorbereiding van het leven, maar het leven zelf. De Nederlandse pedagoog Martinus Langeveld hanteerde de definitie: ‘spelen is de meest wezenlijke bezigheid van het veilige kind in een wereld die nog alles kan blijken te zijn’. “Mooier kun je het niet zeggen”, meent Annerieke.

‘Een mooie manier om naar je werk te kijken: ben ik genoeg aan het spelen?’

Spel is ook te definiëren in de wezenlijke randvoorwaardelijke kenmerken, waaraan een activiteit moet voldoen om een spel genoemd te worden. De spreekster onderscheidt er drie: hoge betrokkenheid (“zonder dat is het geen spel”), regels – die je samen overeenkomt en die Annerieke verder verdeelt in sociale, technische, conceptuele en strategische, en – ten derde: “in spel zitten vrijheidsgraden. Spel is een open activiteit, waarin ruimte voor ieders eigen invulling nodig is. Keuzes, initiatieven, interpretaties, bedoelingen…” Vanuit die vrijheidsgraden bezien, wanneer je voldoende ruimte hebt voor eigen initiatief, eigen ontplooiingsmogelijkheden, kan ook werk de ervaring geven dat je aan het spelen bent, stelt Annerieke:

“Dat is een mooie manier om naar je werk te kijken: ben ik genoeg aan het spelen? Is er nog speelruimte voor me? Misschien is de onderwijsstaking van gisteren vooral daar een uitdrukking van: van het gebrek aan speelruimte voor de leraar.”

Sensitief waarnemen

Het spel van jonge kinderen verschijnt gaandeweg Bolands betoog als een steeds wonderlijker, rijker fenomeen. De begeleiding ervan vergt een sensitief waarnemen en subtiel en doortastend handelen. Ze wijst op een goed doordachte inrichting van het lokaal, goed klassenmanagement, inspiratie en goede uitwisseling.

Dat komt mooi tot uitdrukking in een filmpje van taal-in-spel, waarin kinderen worden uitgedaagd tot spelsituaties waarin ze veel taal nodig hebben. Zeker voor kinderen van risico-achtergronden blijkt het veel te helpen, als ze vroeg bezig gaan in taalrijk leren – spelen in en met en door taal, dus. De zaal ziet een leerkracht die voorafgaand aan het gekozen spel ‘doktertje spelen’ met een paar meiden in gesprek gaat: wat ga je als dokter doen? “Iemand beter maken”, zegt het kleutermeisje dat duidelijk de initiatiefnemer is. En wie is er dan ziek? “Om de beurt zijn we ziek.” Met wie wil je spelen? Heb je dat al aan ze gevraagd? Meteen vraagt het meisje haar twee buurvrouwen. Die knikken ‘ja’.

Daarna gaat het loos! Hier wordt een prikje uitgedeeld. En daar nog een. Meteen daarna is de spuit een thermometer en wordt de koorts via het oor opgemeten. De beurten wisselen. Het medicijnbekertje heeft voor één speelster geen duidelijke rol in het doktersgebeuren – ze neemt, als arts, een teugje water tussen het prikken en meten door. Achteraf heeft de leerkracht een nagesprek met de kinderen: “Wat had ze nou precies?” Buikpijn, zeggen de meiden, en het prikje hielp. Annerieke:

“Veel leerkrachten die hiermee aan de gang gaan, vertellen dat de kinderen binnen de kortste keren niet meer anders willen. Ze komen zelf hun plan tevoren vertellen en willen graag uitleggen wat ze hebben meegemaakt.”

Verkennen, verbinden, verrijken

Ook voor leerkrachten blijkt het een enorme hulp om beter zicht te hebben op wat spel is en hoe je het kunt begeleiden. Vastgelopen relaties met een bepaald kind komen weer in beweging, zo ontdekte Annerieke in een project met de Universiteit van Leuven.

“Je kunt met meespelen van alles bewerkstelligen: van het spel kapot maken door er een andere draai aan te geven, tot het leren kennen van je kinderen zoals ze zijn. Hoe verstoor je het spel niet, maar benut je het?”,

vraagt Annerieke de zaal.

“Betrokkenheid is je belangrijkste kompas: blijven de kinderen betrokken, ook bij jouw eventuele input?”

Ze hanteert voor een gezond meekijken en meespelen de v’s van Verkennen, Verbinden en Verrijken. Met verwijzing naar Elly Singer, beschrijft Annerieke ‘verkennen’ als rust nemen, stil staan, kijken wat er gebeurt, inleven in wat er gaande is. ‘Verbinden’ gaat over het aanhaken bij de aandacht van het kind en als volwassene volgend meespelen. Ben je eenmaal verbonden met de kinderen in hun spel, dan kun je verrijken: het spel verdiepen, uitbreiden, complexer maken.

‘Betrokkenheid is je belangrijkste kompas: blijven de kinderen betrokken’

Een slotfilmpje,van een pedagogisch medewerker op een kinderdagverblijf, laat zien hoe rijk het spelen kan worden wanneer je als volwassene precies de goede aansluiting kiest, bijvoorbeeld als kinderen een probleem inbrengen in hun spelsituatie: wanneer de kinderen bij een ijs-verkoop-rollenspel zeggen dat de juf moet eten voor het ijsje smelt, legt de pedagogisch medewerkster de vraag naar een oplossing voor haar heel vieze plakhanden neer bij de kinderen, die het groots oppakken en uitbouwen, met telefoontjes naar hulplijnen als de tandarts en de bakker. Samen opgaan in het spel. Nieuwe woorden, nieuwe oplossingen proberen. Het biedt mooie doorkijkjes naar de vraag ‘wie ben jij?’ en ‘wie ben jij in deze wereld?’

Rudolf Steiner:

Daarom is het van doorslaggevende betekenis om als pedagoog, opvoeder het spelen van een kind zo te leiden: te kijken wat er uit het kind komt, te sturen wat er niet uit moet komen, omdat het kind daardoor ongeschikt zou worden voor het latere leven.  Want je geeft het kind, wanneer je zijn spel in zijn meest prille leeftijd op de juiste manier leidt, iets mee voor de praktijk van het leven zoals zich dat pas in de twintiger jaren vormt. Het hele leven van de mens hangt samen en wat wij in de jeugd in de kinderziel planten, komt pas veel later in het leven tevoorschijn, op de meest verschillende manieren gemetamorfoseerd.’
GA 297A-52/53
Op deze blog vertaald-52/53

.

Opspattend grind

Peuters en kleuters: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen 0 – 7 jr: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

.

3438-3236

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De spirituele dimensie van de vrijeschoolpedagogie

.
In Duitsland verscheen onderstaand artikel vooral als een antwoord op kritiek van verschillende kanten op de achtergronden van het vrijeschoolonderwijs, m.n. de esoterische kant van de antroposofie.

In Nederland is de kritiek voor een groot deel verstomd, al zal deze bij tijd en wijle ook wel weer de kop opsteken.
Voor het geval dat gebeurt, is dit artikel alvast een antwoord.
Persoonlijk vind ik het een moeilijk artikel – de auteur maakt m.i. dankbaar gebruik van zijn ‘hoogleraarkennis’ om op dit niveau de opponenten te benaderen.
Ook geeft hij het vrijeschoolonderwijs een bepaalde filosofische diepgang die, omdat het over het denken en de Ik-ontwikkeling gaat, nauwelijks gezichtspunten voor de onderbouw oplevert. En tegelijkertijd stelt het hoge eisen aan het onderwijs in de bovenbouw. 
Ik betwijfel of er veel bovenbouwleerkrachten zijn, die zich dit allemaal bewust zijn.

Er worden veel verwijzingen naar literatuur gegeven die wij in Nederland niet zullen lezen. Waar het mij zinvol leek, heb ik die vermeld. De cijfers naar de verwijzing heb ik laten staan. Links in het artikel zijn door mij geplaatst.
Wie alles wil zien, kan het artikel hier vinden.

Jost Schieren, schriftelijk verslag van een voordracht, gehouden voor de leden van de Bond van Waldorfscholen op 16-11-2012 te Stuttgart.

de spirituele dimensie van de vrijeschoolpedagogie
.

Het begrip spiritualiteit is in hoge mate problematisch. Het wordt in verband gebracht met aspecten van “religie” en “vroomheid” [2] en daardoor kan het geen aanspraak maken op wetenschappelijkheid.
En dit in een tijd waarin in toenemende mate spiritualiteit eerder een seculier thema wordt.[3]
Vooral in de context van pedagogie en onderwijskunde wordt het begrip spiritualiteit gezien als ideologisch belast.
Van onderwijsinstellingen, als ze geen uitgesproken confessioneel karakter hebben, zoals bv. katholieke of protestantse scholen, wordt verwacht dat zij – voor zover dit mogelijk is– wereldbeschouwelijk neutraal zijn.
Dat is dan ook het belangrijkste verwijt dat de waldorfschool gemaakt wordt, dat ze gebaseerd is op het antroposofische wereld- en mensbeeld waarmee leerlingen geïndoctrineerd zouden worden [4].
De praktijk van het vrijeschoolonderwijs bevestigt die beoordeling niet.

Het praktische succes van vrijeschoolonderwijs
.
In de loop van de bijna 100-jarige geschiedenis is het vrijeschoolonderwijs uitgegroeid tot een van de meest wijdverspreide vernieuwende- en alternatieve schoolvormen (naast montessori-onderwijs, dat nog wijdverspreider is).
De praktijk van het vrijeschoolonderwijs is intussen een wereldwijd erkend
onderwijs- en opvoedingsmodel dat, zoals de laatste publicatie
van Heiner Barz en Dirk Randoll [5] aantoont- ook buitengewoon positieve resultaten laat zien volgens de meetcriteria van empirisch
onderwijsonderzoek.
In de geest van het onderzoek kan in het kort worden gezegd:  vrijeschoolleerlingen leren vrij van de druk van cijfers en prestaties
zelfstandiger, met meer plezier en wat betreft de examenresultaten beter dan leerlingen van reguliere scholen. Ze ontwikkelen daarbij een hoge mate van sociale verantwoordelijkheid en waarderen hun school als een plaats van levendige gemeenschapsvorming.
Het vrijeschoolonderwijs heeft dus wat betreft de schoolpraktijk, in de maatschappij een plaats gekregen.

Dit is één kant van de vrijeschoolpedagogie, haar praktijk, die steeds meer haar eigen overtuigingskracht ontwikkelt.
Het interne perspectief is echter iets anders: in de bestuderen en vergaderingen van de vereniging van vrijescholen [dit betreft in dit artikel de Duitse Bond van vrijescholen] wordt opgemerkt hoeveel er nog te doen is om het zelfopgelegde ideaal van goede (vrije)scholen ook daadwerkelijk te realiseren.
We kennen maar al te goed onze eigen kwaliteitsproblemen, de moeilijkheden om goede jonge leerkrachten te vinden, en de problemen van sommige
vastgelopen collega’s die in de traditionele praktijk van het zogenaamd zelfbestuur zijn blijven steken.
En wat betreft de toekomst, groeit ook het bewustzijn dat de genoemde problemen eerder zullen toenemen dan afnemen met het oog op een radicale generatiewisseling.
Toch kunnen we ondanks deze zorgen, vasthouden aan het feit dat vrijeschoolonderwijs als alternatief schoolonderwijs gericht op het zich ontwikkelende kind en de jongere mens, in de huidige tijd internationaal succesvol en overtuigend is.

Kritiek op de theorie

Dit betreft echter alleen de praktijk. De aandacht van de critici gaat vooral uit naar de theoretische, ideologische achtergrond van de vrijescholen, de antroposofie.
Deze kon en kan bij lange na niet zo overtuigen zoals de praktische kant van het vrijeschoolonderwijs acceptatie en goedkeuring gekregen heeft. Integendeel, door zogenaamd goedbedoelende critici wordt aangeraden om voor “vrijescholen zonder Steiner” te kiezen [7] . En de realiteit van de vrijescholen vandaag de dag lijkt veel duidelijker aan dit advies te voldoen dan sommige critici zouden verwachten.
Het meest recente onderwijsonderzoek van Dirk Randoll toont aan dat ongeveer 50% van de leraren die op vrijescholen werken geen vrijeschoolopleiding hebben [8] en dat slechts ongeveer 30% van de vrijeschoolleraren zich actief met antroposofie bezighoudt. [9]
Hoe je het ook bekijkt, of je vrijescholen nu ziet als ontdaan van antroposofie of met een teveel daaraan: antroposofie wordt momenteel gezien als het grootste probleem van het vrijeschoolonderwijs.

Kritiek op spiritualiteit

Hoe komt het dat het spiritueel georiënteerde wereldbeeld van de antroposofie op zo’n grote weerstand stuit?
De vraag kan benaderd worden door te beseffen dat de huidige cultuur van de veelgeroemde westerse waardengemeenschap wordt gekenmerkt door een
uitgesproken anti-spiritualisme. Een spirituele kijk op de wereld en de mens is sinds het tijdperk van de Verlichting al achterhaald. Terwijl de voorstanders van de Verlichting nog tegen de overvloed aan macht en de mechanismen van het niet-mondig-zijn in een absolutistische heerschappij streden en dat van de kerken, zo zijn het tegenwoordig vooral de vertegenwoordigers van de wetenschap die, ongeacht hun specialisme, het natuurwetenschappelijk ideaal van empirisch gebaseerd onderzoek tegen elke spiritueel georiënteerde benadering, ventileren.
Interessant genoeg sluiten de kerken kritiekloos in dit koor aan, misschien in de hoop dat ze zo het overgebleven reservoir van spiritualiteit met niemand hoeven te delen.
We moeten echter niet vergeten dat het juist de christelijke kerken zijn geweest die van oudsher de macht hebben gehad over interpretatie, opinie en, helaas, procedurele soevereiniteit over elke vorm van spiritualiteit die ze met machtspolitiek bestreden dan wel toestonden.
Maar hoewel de consensuele houding tegen elke vorm van spiritualiteit rationeel wordt gerechtvaardigd met het argument van wetenschappelijke onverenigbaarheid, is er ook een soort basale culturele houding ten opzichte van spiritualiteit die geenszins wetenschappelijk, maar eerder habitueel of sociaal-historisch gebaseerd is. Vanuit de huidige waardenconsensus zijn de volgende argumenten ten gunste van spiritualiteit veel belangrijker dan het wetenschappelijke ethos van objectiviteit. Ze worden hieronder opgesomd:

=Exclusiviteit:
Spirituele kennis is de kennis van ingewijden en dus van autoriteiten, die slechts voorbehouden is aan enkelen.
In de geschiedenis van de mysteriën zijn er veel voorbeelden van machtsmisbruik en onderdrukking in verband met deze exclusieve soevereiniteit van de spiritualiteit.
In dit opzicht wordt spiritualiteit er altijd van verdacht antidemocratisch te zijn. Het ideaal van iedereen die kan deelnemen aan het gemeenschappelijke kennisproces wordt hier ondermijnd.
Antroposofie als historisch feitelijke ‘eenmanswetenschap’ bewijst, ongeacht de door Rudolf Steiners zelfgewilde en waarschijnlijk ook gerealiseerde aanspraak op openbaarheid, het ondoorzichtige en ondemocratische grondprobleem van de spiritualiteit.

=Verering/devotie:
De in veel spirituele stromingen voorkomende vorm van verering van de leerling voor de leraar en meester, die soms ook de vorm kan aannemen van vormen van onderwerping, is in tegenspraak met de behoefte aan autonomie van de moderne mens. Met name de ervaringen van de blinde en fanatieke aanbidding van leiders tijdens het Derde Rijk, hebben de houding van verering in zijn totaliteit als dubieus bestempeld.

= Dogmatisme:
Spirituele leringen nemen vaak de vorm aan van ultieme wijsheden die – zoals soms wordt beweerd – niet door mensen zijn gemaakt, maar in het beste geval door mensen zijn doorgegeven en die geen twijfel laten bestaan over hun waarheidsgehalte. In dit opzicht kan er geen wetenschappelijk-kritisch onderzoek naar spirituele inhoud bestaan.

=Sektarisch:
De sektarische beschuldiging vat de bovengenoemde punten samen. Hoe moeilijk het ook is om sektarisch gedrag te benoemen en aan te wijzen, het wordt niettemin grotendeels gezien als een soort conglomeraat van de bovengenoemde punten. Eén essentieel kenmerk van sektarisch gedrag is de beperking of beroving van vrijheid van het individu in relatie tot de spiritueel  gerechtvaardigde groepsdoelen. In het bijzonder financiële uitbuiting, die louter en alleen spiritueel verklaard, plaatsvindt, wordt verondersteld de belangrijkste agenda te zijn van de groep die geconfronteerd wordt met de sektebeschuldiging.

De hier genoemde kernargumenten tegen spiritualiteit, die meer gebaseerd zijn op een maatschappelijke houding in plaats van een wetenschappelijk plausibele argumentatie, zijn in wezen gebaseerd op negatieve historische ervaringen en hebben tot nog toe zeker veel twijfelachtige vrijeschool- en antroposofische
gedragspatronen en uitingen tot object van de kritiek gemaakt.
Het moet echter gezegd worden dat antroposofen en vrijeschoolpedagogen inmiddels los willen komen van een pretentieus onmodieuze spiritualiteit [10] door in toenemende mate meer open te staan voor wetenschappelijk georiënteerde en zelfkritische vormen van reflectie en debat.

De vraag blijft echter hoe een moderne spiritualiteit die nog vóór het niveau van ‘verlichting‘ staat, en die ook als basis voor een pedagogie kan dienen, gezien moet worden.

De pedagogiewetenschapper Heiner Ullrich, is naast heel zijn waardering voor de praktische kant van de antroposofie niet opgehouden de problematische aard van de antroposofie te diagnosticeren. Hij stelt: “In tegenstelling tot de bewuste methodologische zelfbeperking, de pluraliteit en onbeslisbaarheid van de moderne wetenschap, willen Steiner en zijn volgelingen het goed geordende geheel van de wereld dogmatisch erkennen als een eeuwig onveranderlijke waarheid […] Hun vorm van denken is gedegenereerde filosofie, is wereldbeschouwing […] Steiner heeft de gevaren van dit denken […] met de ontwikkeling van de antroposofische ‘geheime wetenschap’ volledig onder ogen gezien.
Hier gaat de premoderne dogmatisch-metafysische speculatie van het Neoplatonisme over in de bewust remythiserende interpretatie van de wereld van de theosofie.”[11]

Het kan nauwelijks scherper worden geformuleerd. Men mag niet vergeten dat het dergelijke oordeelshoudingen waren die – niet langer alleen wetenschappelijk-reflectief, maar ook politiek-operatief – leidde tot de afwijzing door de Wetenschapsraad van de waldorf-georiënteerde Mannheim University of Applied Sciences.
In het rapport van de Wetenschapsraad staat dan ook dat een vrijeschoollerarenopleiding wordt gezien als een gevaar voor “een specifieke, ideologisch gekarakteriseerde pedagogie in de zin van een niet-wetenschappelijke pedagogische theorie als de basis van een instelling voor hoger onderwijs.”[12]
Men kan stellen dat de vraag naar spiritualiteit een kernprobleem is van de vrijeschoolpedagogie – als men gedifferentieerd kijkt – zowel met betrekking tot de culturele grondhouding als in relatie tot de wetenschappelijke eisen van de huidige tijd, waarbij deze twee natuurlijk nauw met elkaar zijn verbonden.
Dit roept de vraag op of een spiritueel georiënteerde pedagogie in principe onhoudbaar is?
Of is het mogelijk om een nieuw en modern begrip van spiritualiteit te ontwikkelen dat niet van te voren alles weet, maar dat gebaseerd is op vormen van reflectie en idealen van autonomie en tegelijkertijd het niet onmogelijk maakt de wereld spiritueel te benaderen.
Laten we om hier vooruitgang te boeken, eens kijken naar het specifieke concept van spiritualiteit van Rudolf Steiner.

Steiners concept van spiritualiteit

Veel vertegenwoordigers van de antroposofie en de vrijeschoolpedagogie benadrukken vaak de bijzondere spirituele benadering van Rudolf Steiner niet exact onderscheidend genoeg.

Daardoor kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat de antroposofie de leer van een intrinsiek bestaande geestelijke wereld bevat, met de daarbij behorende engelachtige en tegengestelde wezens die de afhankelijke menselijke zielen beïnvloeden. [13]
Het begrip van de lotsbestemming wordt dan bijna opgevat als voorbeschikking en uiteindelijk kan het alleen maar een kwestie zijn dat de onvolgroeide menselijke zielen zich zo goed mogelijk gedragen volgens het advies van een wijze ingewijde, nl. Rudolf Steiner, en hun beschavingsinspanningen (op het gebied van landbouw, onderwijs, geneeskunde, enz.) af te stemmen op zijn instructies en daardoor een receptmatige realisatie van zijn ingewijde kennis te bereiken.
Zulke en soortgelijke verwijten worden antroposofen vaak gemaakt, en dat gebeurt ook als je relevante publicaties en internetfora raadpleegt; dit is niet geheel onterecht.
Daarbij wordt echter over het hoofd gezien dat in het onwrikbare centrum van de
antroposofie de vrijheid van de mens, zijn vermogen tot vrijheid en zijn ontwikkeling van vrijheid, staat. De magneetnaald van het antroposofische denken is gericht op de pool van de vrijheid van de mens.
Het bijzondere van Steiners antroposofie is niet het feit dat zij een spirituele leer bevat, want zulke leringen zijn er altijd al geweest.
Spiritualiteit is historisch niets nieuws. Integendeel, alle vormen van cultuur tot aan de Verlichting waren min of meer spiritueel georiënteerd.
Als men dit in de antroposofie zou willen benadrukken, zou het, zoals haar verweten wordt, niets anders zijn dan slecht verhuld eclecticisme. [14]
Het bijzondere van de antroposofie is daarentegen dat zij als eerste een spiritueel begrip van de wereld en de mens combineert met de idee van vrijheid. Tot de Verlichting waren er cultuurhistorisch beschouwd, in wezen spiritueel georiënteerde wereldbeelden. De Verlichting benadrukte de autonomie van de mens in zijn onafhankelijke gebruik van de rede (“sapere aude!) Het kocht deze autonomie en vrijheid echter tegen de prijs van het verlies van zijn spirituele oriëntatie. Sindsdien is er alleen nog de keuze tussen vrijheid of spiritualiteit. Steiner combineerde beide gebieden in zijn antroposofie.
Hoe heeft hij dit bereikt?

Steiners concept van kennis

De centrale benadering van Steiners filosofie, op basis waarvan hij later de antroposofie ontwikkelde, bestaat uit zijn kennisleer. Steiner creëerde een creatief, dynamisch concept van kennis. Hij keerde zich tegen een – in zijn ogen naïef realistisch – begrip van de werkelijkheid, dat de werkelijkheid een betekenis toekent buiten het menselijk bewustzijn en onafhankelijk daarvan, in die zin dat het de dingen en verschijnselen van de wereld ziet als op zichzelf bestaand en er vervolgens van uitgaat dat menselijke cognitie slechts deze wereld afbeeldt. Die bewustzijnsbeelden hebben dan natuurlijk een ander karakter dan de op zichzelf bestaande wereldverschijnselen, ze staan daarmee hoogstens in een benaderingsrelatie.
In deze dualistische visie zijn de wereld en het bewustzijn fundamenteel
verschillende entiteiten.
Steiner wijst daarentegen op de betrokkenheid van het bewustzijn bij het ontstaan van de werkelijkheid.
Dit is zeker een benadering van de Verlichting. Want Immanuel Kants filosofie van het bewustzijn kenmerkt zich juist door het feit dat het niet alleen kennisinhoud is, maar ook de voorwaarden waaronder kennis tot stand kan komen.
Dit vormt een gemeenschappelijk uitgangspunt van de epistemologie van Rudolf Steiner en die van de transcendentale filosofie van Immanuel Kant. In de verdere uitwerking van het begrip kennis is er echter een doorslaggevend verschil.

Terwijl Kant een scherp onderscheid maakt tussen ontologie, d.w.z. de leer van het zijn, en epistemologie, de leer van de kennis, en tot de conclusie komt dat de menselijke kennis principieel gescheiden is van het wezen van de wereld – hij noemt het “de dingen op zichzelf”, (Ding an sich) –  beschouwt Steiner de menselijke cognitie als fundamenteel in staat tot ontwikkeling en dus ook in staat tot te zijn. Hij ziet de mogelijkheid dat het menselijk bewustzijn zijn aanvankelijk duale aard ten opzichte van het zijn kan overwinnen en zich creatief verbinden met de wereld en haar fenomenen. De werkelijkheid die in het menselijk bewustzijn ontstaat is dan niet louter een beeld van een onafhankelijk wezen, maar het wezen van de wereld bereikt een nieuwe vorm van bestaan in het menselijk bewustzijn van zichzelf, namelijk die van vrijheid.
Er vindt dus een soort verbinding plaats tussen epistemologie en ontologie, in die zin dat de menselijke kennis betrokken is bij de redenen voor het bestaan van de wereld. Dit is het perspectief van Steiners monistisch concept van kennis, dat vervolgens ook verstrekkende gevolgen heeft voor zijn begrip van spiritualiteit en pedagogie.
Maar hoe komt Steiner tot dit concept van kennis.

Denken

In het voorwoord van de nieuwe uitgave van zijn filosofische basiswerk ‘Filosofie van de vrijheid‘ in 1918, formuleerde Rudolf Steiner twee zogenaamde grondvragen, waarop hij naar eigen zeggen zijn denken richtte.
De eerste vraag richt zich op de cognitieve situatie van de moderne mens
die zich in een wereld van onzekerheid en twijfel bevindt. De
wereldverschijnselen benaderen het menselijk bewustzijn op een onsamenhangende manier en kennis is niet in staat om een zekere basis te vinden. Steiner vraagt zich nu af of er zo’n reden is in de de mens zelf, “of je zo in het menselijk wezen kunt doordringen dat je een vast
punt vindt waarop je al je verdere ervaring en kennis kunt baseren.” [15]
[15] Filosofie v.d. vrijheid GA 4/3  Vertaald/11

Met deze vraag bewijst Steiners benadering post-Verlichting te zijn, omdat hij ervan uitgaat dat in de ervaringen van ons bewustzijn geen ultieme grond van waarheid gevonden kan worden. Dit zou de hoop zijn van een geloof in openbaring of een conventionele spiritualiteit.
Een modern bewustzijn wordt juist gekenmerkt door het feit dat het kennis niet ziet als een quasi-objectief proces, maar als door de mens gemaakt. In dit verband spreekt Karl R. Propper van ‘falsificatie” als criterium voor kennis en verwerpt daarmee de bewering van ultieme kennis door de fundamentele voorlopige aard van alle cognitieve prestaties te benadrukken.

Maar om welke blik op de mens die daarbij een steun kan zijn, gaat het bij Steiner?
Steiner zet in de loop van de “Filosofie van de Vrijheid” de bijzondere kwaliteit van het denken centraal in zijn overwegingen. Het blijkt dat het centrale element van Steiners begrip van spiritualiteit het denken is. Het denken brengt de mens boven zichzelf en stelt hem in staat de dingen, vormen en processen in de wereld te begrijpen. Steiner geeft naast vele andere, de volgende twee centrale kenmerken van het denken:

Individuele implementatie: het denken is volledig individueel, een activiteit die alleen door de individuele mens uitgevoerd kan worden. Het ligt volledig binnen  de beschikkingsmacht van het individu en is geen activiteit van buitenaf (bijvoorbeeld van de hersenen), maar als een pure wilsdaad die alleen door het Ik zelf wordt uitgevoerd.
Universele wet: hoewel het denken door het individu moet worden voltrokken, is het toch niet alleen subjectief, maar ontwikkelt in de individuele voltrekking
een op zichzelf gebaseerde wetmatigheid die t.o.v. de voltrekkende subjecten algemeen is.
Hierop berust de mogelijkheid van menselijk inzicht en begrip.

Dit zijn de twee centrale eigenschappen van het denken: het moet individueel geproduceerd worden en tegelijkertijd bevestigt het zich wetmatig in zichzelf. In dit opzicht is er sprake van een dynamiek in het denken, er vindt transitie en uitwisseling plaats tussen het individuele en het universele. Er is een constante
wederkerige relatie tussen het individuele en het universele. Deze uitwisseling wordt door Rudolf Steiner intuïtie genoemd. In het negende hoofdstuk van de “Filosofie van de Vrijheid” staat: “Intuïtie is de bewuste ervaring van een puur spirituele inhoud die plaatsvindt in het puur spirituele.”17
[17] Filosofie v.d. vrijheid GA 4/3  Vertaald/120

Het hier gebruikte spirituele begrip kan in de context van Steiners uitleg, wezenlijk worden begrepen onder het aspect van zelfrechtvaardiging, wat betekent dat beide, zowel het denken als activiteit als ook de inhoud van het denken berusten op zichzelf. Dit is een essentieel spirituele ervaring van de antroposofische epistemologie: De mens ervaart een universele
geldigheid en rechtmatigheid van het eigen denken. Hij wordt dus buiten zichzelf gebracht. Bij Steiner: onze kennistheorie leidt tot het positieve resultaat dat het denken de essentie van de wereld is en dat het individuele menselijke denken de enige manifestatie van deze essentie is.”18
[18]   GA 2/78 : Grundlinien einer Erkenntnistheorie der goetheschen Weltanschauung. Niet vertaald.

Bezwaar

Nu kan worden tegengeworpen dat deze opvatting en de opvatting over het denken nu juist dat mystieke en van vóór de Verlichting-zijnde in de antroposofie uitmaken. Want om over een grond van waarheid of
dergelijke dingen te spreken, is vanuit wetenschappelijk oogpunt achterhaald. Bij dit bezwaar moet wel in ogenschouw worden genomen, dat met de eigenschap van correctheid, coherentie en het vermogen om de waarheid te spreken, bij Rudolf Steiner niet meteen de individuele gedachte als geldig en waar bestempeld kan worden. Steiners denkopvatting richt zich in zijn  totaliteit op dit principiële onderscheid. Want zelfs de sterkste argumenten tegen de geldigheid en juistheid van het denken is gebaseerd op uitspraken die door het denken tot stand zijn gekomen en kunnen als zodanig niet in twijfel worden getrokken.
Karl R. Popper gaat in principe ook uit van de mogelijkheid van het juiste denken  als hij zegt: “Wij zijn feilbaar en vatbaar voor fouten; maar wij kunnen leren van onze fouten.”19
Voor Steiner gaat het er niet om elke individuele intellectuele prestatie die claimt waar te zijn een bepaalde lading te geven, maar eerder om een gezond en in principe gerechtvaardigd denkvertrouwen, dat uiteraard met een verlicht inzicht, de eigen denkactiviteit kritisch onder de loep neemt en niet nalaat een voorbehoud te blijven maken van eigen fouten.
Zonder dit gezonde vertrouwen in het denken zouden de mensen nauwelijks in staat zijn om met hun dagelijks leven om te gaan. Je zou niet in een auto of  vliegtuig stappen, geen telefoon of mobieltje gebruiken als er niet het vertrouwen was dat het denken tot dergelijke technische producten heeft geleid, weliswaar altijd voor verbetering vatbaar, maar in principe juist.
Aan de andere kant wordt wat betreft de nadruk op een autonome en individueel gerechtvaardigde denkactiviteit, terecht tegengeworpen dat de denkprestaties van het individu geenszins individueel zijn, maar in wezen cultureel gevormd als gevolg van socialisatie-ervaringen. Daar komen vaak vaste psychologische determinanten bij, die ook biografisch bepaald zijn, dus dat de individuele persoon eerder in gevormde denkpatronen en mentale sjablonen verkeert dan in bewust gesitueerde individuele mentale prestaties. Deze opvatting is zeker juist als deze gerelateerd is aan het alledaagse gedrag van het menselijk bewustzijn, vooral in uitdagende cognitieve processen van wetenschappelijke aard, en vooral in wiskundige bewerkingen is het niet voldoende om reeds gevestigde bewustzijnsinhouden te reproduceren, maar dat is wel mogelijk en noodzakelijk, alleen door middel van een individueel verhoogde denkactiviteit die in staat is om gebruikelijke en cultuurgerelateerde denkpatronen af ​​te werpen en nieuwe vormen van inzicht te genereren.

Gevolgen voor de vrijeschoolpedagogiek

Vervolgens zullen we nu kijken naar de invloed van een dergelijk denkconcept op het vrijeschoolonderwijs.
Rudolf Steiner begint in 1919 zijn voordrachtenAlgemene menskunde als basis van de pedagogie”, met te wijzen op de bijzondere uitdagingen die de hedendaagse geschiedenis stelt aan de moderne pedagogie. Hij onderscheidt een zogenaamd “vierde post-Atlantisch tijdperk” van het ‘vijfde post-Atlantische’ dat in zijn visie op de geschiedenis sinds de 15e eeuw bestaat.20
Met de Renaissance, volgens Steiner en ook volgens het huidige geschiedbegrip, is er een nieuwe vorm van bewustzijn in de Europese menselijke cultuur gekomen die het individuele en autonome menselijke denken een veel hogere waarde gaf.
In essentie is dit de kern van het zogenaamde “vijfde na-Atlantische ontwikkelingstijdperk”.
Voor de pedagogie betekent dit bijvoorbeeld dat de inhoud van het onderwijs niet langer in een puur top-down cultuur aan leerlingen moet worden overgebracht.
Rond 1919, toen het vrijeschoolonderwijs werd opgericht, werd de schoolcultuur van die tijd nog sterk gekenmerkt door pure opleidingsscholen.
Naast het vrijeschoolonderwijs keerde de hele reformpedagogische beweging zich hiertegen. Rudolf Steiner bekritiseerde het feit dat de bewustzijnsverandering die in de 15e eeuw in de moderne tijd plaatsvond,
nog niet zijn weg had gevonden in het schoolsysteem in die zin dat het individuele denkvermogen van leerlingen veel te weinig werd aangesproken. Dit zou moeten veranderen door het vrijeschoolonderwijs. De eigen denkactiviteit van de leerlingen, het individuele proces van begrijpen, zouden sterk moeten worden aangemoedigd.
Vandaag de dag lijken dergelijke eisen misschien allang gerealiseerd en daarom achterhaald, omdat in feite met benaderingen zoals ontdekkend leren en activiteiten-georiënteerd onderwijs en vooral op basis van de resultaten van hersenonderzoek, onderwijsmethoden zijn ingezet die uitgesproken gericht zijn op de eigen activiteiten van de leerlingen. Maar deze methodevernieuwingen hebben helaas alleen betrekking op het toegankelijk maken van de min of meer vaststaande kennisvaardigheden, deze makkelijker over te brengen en om die dan vervolgens in de vorm van examens op te kunnen roepen.
Ook de zogenaamde competentiegerichtheid die van de laatste tijd is,

verhult niet dat het uiteindelijk, ook vandaag de dag, uitsluitend
gaat om examenresultaten in cijfers uitgedrukt (leerstatuutonderzoeken en centrale eindexamens) die bedoeld zijn om gedefinieerde kennis effectief op te roepen.
De eigen activiteiten van de leerlingen die in de lesmethoden worden voorgestaan, zijn dus slechts een middel om een doel te bereiken, namelijk het sneller en efficiënter genereren van vooraf bepaalde onderwijsinhouden.

In het Waldorfonderwijs is het andersom: de steeds autonoom beschikbare zelfwerkzaamheid van menselijk denken en begrip bij de ontwikkeling van kinderen en adolescenten vormt de antropologische basisoriëntatie, waar zowel de onderwijsmethodologie als ook de lesinhoud op afgestemd wordt. Concreet leidt deze op denken gerichte antropologische benadering tot de volgende voorbeelden van speciale onderwijsbenaderingen:

Zintuiglijk of ervaringsgericht onderwijs:
een essentieel kenmerk van de benadering van het Waldorfonderwijs voor jonge kinderen en ook voor de eerste schooljaren bestaat uit het ontwikkelen en gebruikmaken van zintuigervaringen in het onderwijs. In de elkaar volgende schooljaren zijn het dan niet alleen de basale zintuiglijke ervaringen, maar gaat het over het algemeen om een ​​ervaringsgericht fenomenologisch georiënteerd onderwijs. Deze aanpak is gebaseerd op de overtuiging die globaal resulteert in een fenomenologisch georiënteerde filosofie, dat bij elke zintuiglijke ervaring, bij elk object in de uiterlijk wereld iets van die eigen kwaliteit en eigenaardigheid ervaren kan worden die niet rechtstreeks in taalkundige vormen of begrippen kan worden overgedragen.
We hebben hier te maken met de onbeschikbaarheid van de dingen. Käte Meyer-Drawe spreekt in haar fenomenologisch georiënteerde pedagogiek van het “bezwaar van de dingen”.21 Een dergelijke benadering is ook uitgesproken te vinden bij Martin Wagenschein.22
In navolging van Goethes oriëntatie op de ervaring 23 gaat het er in de vrijeschoolpedagogie om dat de leerlingen in iedere waarachtige zintuiglijke ervaring iets van het zijn van de dingen gewaarworden. In de zintuiglijke ervaringen raakt en voelt het menselijk bewustzijn de waarheidsgrond van de wereld, die in het cognitieve streven meer en meer ontsloten kan worden, maar dan wel door altijd van deze basisintuïtie uit te gaan en de wetenschappelijke intentie van kennis niet zomaar te negeren in zelfingenomen conceptuele abstractie en theoretische bevlieging.

Vormtekenen:
De voor de vrijeschoolpedagogie authentieke en wezenlijke pedagogische aanpak van het vormtekenen, laat heel duidelijk zien hoe individuele activiteit, die geproduceerd en bereikt moet worden, en de ervaring van een inherent geldige wetmatigheid die daaruit ontstaat, samengaan.

Plant- en dierkunde:
Op de vrijeschool worden de plantkunde– en vooral dierkundelessen zo georganiseerd dat de relatie tussen het individu en de omgeving (in een ecologisch begrip) altijd holistisch wordt bekeken. Het dier kan zelfs niet als individueel wezen los van zijn ecologische niche gezien worden. Vooral met dierkunde kunnen leerlingen voelen hoe een individueel wezen in een holistische context staat.

Beeldend onderwijs:
Rudolf Steiner wijst er op veel plaatsen in zijn pedagogische voordrachten op dat vrijeschoollessen, vooral in de lagere klassen, met beelden en zogenaamde levende begrippen moeten worden gegeven. Hij waarschuwt voor een te hoge mate van abstractie. Zijn punt is dat enerzijds de warmte van persoonlijke betrokkenheid, de emotionele en persoonlijke verbondenheid met de lesinhoud op deze manier beter aangesproken kan worden. Aan de andere kant maken beeldende en beweeglijke begrippen een meer open en onbevangen benadering van kennis mogelijk, die overeenkomt met het moderne begrip van wetenschap, 24 dat niet gefixeerd is op de engheid van vaste definities.

Vaardigheidsontwikkeling:
Een belangrijk aspect van de vrijeschoolpedagogie is de hoge waarde die aan de ontwikkeling van vaardigheden [handvaardigheid is slechts een deel van de vaardigheden] wordt gehecht. Dat heeft ermee te maken dat vaardigheden op handelingsniveau zichtbaar en voelbaar maken hoe individuele uitvoering en intrinsiek geldige wetten samengaan.
Dit komt omdat elke aangeleerde vaardigheid wordt gekenmerkt door het feit dat deze individueel wordt uitgevoerd in volledige overeenstemming met de wetten van de wereld op het gebied van de respectieve vaardigheid. Als iemand bijvoorbeeld viool wil leren spelen, helpt het niet als hij of zij in een jaar tijd verschillende boeken over vioolspelen leest en dan precies kan zeggen hoe het moet.
Een vaardigheid ontwikkel je alleen door oefening. Iedereen die iets oefent, merkt dat zijn eigen activiteit geleidelijk aan steeds soepeler en vertrouwder wordt met de kenmerken van het object (bijvoorbeeld de viool, maar ook een niet-Nederlandse taal enz.) en dat hij in staat is om de wetten die aan het betreffende gebied ten grondslag liggen steeds beter toe te passen. In dit opzicht vallen individuele realisatie en inherente regelmaat samen in elke vaardigheid.

Ik-begrip

Naast het belang van het denken en zijn kenmerken voor een begrip van de spirituele dimensie van de vrijeschoolpedagogie, is er nog een spiritueel element te noemen, dat nu aan de orde komt.
Het gaat om Steiners begrip van het Ik, dat ook voor het
vrijeschoolonderwijs relevant is. In Steiners ‘Filosofie van de vrijheid’ is de zogenaamde tweede basisvraag op dit gebied gericht. Deze luidt: “mag de willende mens zichzelf vrijheid toeschrijven?’ 25
[25] Filosofie v.d. vrijheid GA 4/3  Vertaald/11

Met andere woorden: Is er in de mens iets aanwezig dat volledig autonoom op zichzelf berust en nergens door bepaald wordt? In de opvatting van Steiners (maar bijvoorbeeld ook in die van de Ik-filosoof Johann Gottlieb Fichte) kan dat het Ik genoemd worden.
In huidige academische verhandelingen heeft men een dergelijk concept van het Ik losgelaten.
De menselijke persoonlijkheid wordt over het algemeen gezien als samengesteld.
Ze kan erfelijke trekken dragen en is min of meer volledig samengesteld uit de ervaringen die ze biografisch heeft opgedaan door de opvoeding en de invloeden van de omgeving, in het bijzonder de peer group. In die zin is een persoon meer of minder een conglomeraat van de meest uiteenlopende socialisatie-ervaringen. Of, vanuit het perspectief van het hersenonderzoek, is deze onderhevig aan neurologische invloeden.26
Een bijzonder kenmerk van de vrijeschoolpedagogie is dat ze gebaseerd en georiënteerd is op een uitgesproken Ik-gebaseerd concept.
In die zin kan ze ook gezien worden als Ik-pedagogie, omdat ze een bijzonder belang hecht aan de vrije ontwikkeling van het menselijke Ik.
Rudolf Steiner : “Het grootste dat in de wordende mens, in het kind kan voorbereiden, is dat het op het juiste tijdstip in het leven door het begrijpen van zichzelf tot het beleven van de vrijheid komt. Ware vrijheid is innerlijk beleven.
( ) “27

[27]  GA 308/73  Vertaald/109

Een belangrijk aspect van deze uitspraak is dat ze geen ruimte geeft aan de veronderstelling dat de vrijeschoolpedagogie zelf Ik-vormend is of dat ze tot een zeker examenresultaat leidt. De pedagogie heeft slechts een voorbereidend karakter. Ze bereidt iets voor op wat misschien pas veel later, namelijk op het juiste moment, werkelijkheid wordt. Het enige doel van de vrijeschoolpedagogie is kinderen en jongeren het pedagogische kader te bieden om dichter bij zichzelf te kunnen komen. Dat betekent dat ze in het opvoedingsproces werkelijk als persoon, als Ik-wezen worden aangesproken. Bij dit aspect horen ook deze twee pedagogisch relevante voorbeelden:

Klassengemeenschap:
Op vrijescholen leren leerlingen samen van de eerste tot de twaalfde of dertiende klas. Dit is een centrale systematische component van het vrijeschoolonderwijs. Waar hangt dit mee samen? Als je ervan uitgaat dat vrijeschoolonderwijs een Ik-opvoeding is, dan rijst de vraag hoe een Ik gevormd wordt. Enigszins vereenvoudigd en ingekort, maar desalniettemin niet minder correct, kan men dit zo formuleren: Een Ik wordt gevormd door een Ik. Of in de zin van Martin Buber: Een Ik wordt gevormd door een jij. 28
Een pedagogie die zich richt op de vorming van het menselijke Ik als Ik-pedagogie, zal zich daarom bezighouden met het scheppen van passende
randvoorwaarden voor de leerlingen.

Het drieledige schoolsysteem in Duitsland staat hiermee in contrast omdat
het prestatiegerichte selectieprincipe dat het nastreeft het menselijke zelf niet erkent. Dit is al bekritiseerd door andere landen en er is op gewezen dat het Duitse schoolsysteem in dit opzicht buitengewoon achterloopt is. Het tripartiete schoolsysteem streeft een intellectuele hiërarchie na die werkt met starre selectiemechanismen. Hierbij wordt alleen rekening gehouden met de intellectuele capaciteiten van de leerlingen.
Daarentegen schept het idee van een klassengemeenschap van minstens twaalf jaar in het vrijeschoolonderwijs een kader waarin iedereen – ook een leerling die intellectueel misschien zwakker is – zich gerespecteerd en gewaardeerd kan voelen. Individuele prestaties – niet alleen op intellectueel gebied – worden gelijkelijk erkend en individuele ontwikkelingstempi worden getolereerd.

Het spreekt voor zich dat bepaalde andere problemen en uitdagingen
voortvloeien uit deze beslissing, bijvoorbeeld dat zelfs zeer getalenteerde leerlingen op passende wijze moeten worden ondersteund en dat de normen van de school niet mogen worden genivelleerd tot slechts middelmatigheid. Het is cruciaal dat de leerlingen zichzelf ervaren en begrijpen als een leergemeenschap waarin iedereen zijn plaats heeft, omdat iedereen een individueel, uniek zelf heeft.

Klassenleerkrachtprincipe:
Het principe van het meerjarenklassenleerkrachtsysteem is ook gericht op
dit doel. Leerlingen moeten hun eigen persoonlijke krachten ontwikkelen
in een vertrouwensvolle ontmoeting met een leerkracht die als een autoriteit wordt beschouwd. In zekere zin kan gezegd worden dat elk Ik een autoriteit is voor zichelf.

Twee aspecten van een spirituele dimensie

Twee aspecten van de spirituele dimensie van de vrijeschoolopvoeding zijn hierboven beschreven. De ene dimensie is die van het denken. Het kan
als stabiel en stabiliserend worden beschreven, omdat het naar de wetten van de wereld leidt en de leerlingen zekerheid geeft door een gezond en zelfstandig vertrouwen in het denken. Steiners verbinding met Goethes wereld- en mensbeeld vormt een basis voor het vrijeschoolonderwijs.
De andere dimensie, die van het menselijke Ik, is daarentegen veel opener en
ongedefinieerder en in sommige opzichten ook irritanter. Het leidt naar het innerlijke rijk van de mens, zoals het wordt beschreven door de romantische dichter Novalis wanneer hij zegt: “De mysterieuze weg leidt naar binnen…”29 Omdat het menselijke Ik nu eenmaal niet vooraf bepaald of gedetermineerd is (zoals een verkeerd begrepen antroposofie soms suggereert), maar in plaats daarvan uitsluitend voorbestemd is tot een eigen vrije ontwikkeling, is een van
de uitdagingen van het menselijk bestaan, die pedagogisch begeleid wordt, om
het eigen innerlijk als maatstaf voor de eigen levensweg te ervaren.
Deze twee aspecten van een spirituele dimensie vormen twee basispijlers van
de vrijeschoolpedagogie, die de leerlingen vertrouwen geven in een zinvolle
en wetmatige wereldcontext, die door hun eigen denkactiviteit, en in de vrije zelforganisatie van hun eigen Ik ontwikkeld wordt.
Men kan zich nu afvragen waar een pedagogie die zo’n spirituele dimensie niet erkent op gebaseerd is. Uiteindelijk moeten de sleutelwoorden voor een pedagogie die anti-spiritueel is in deze zin materialistische toevalsevolutie en determinisme zijn. Want als men aanneemt dat het menselijk denken niet in staat is om in te gaan op de wetmatigheid van de omringende wereld en deze wetmatigheid vervolgens ook wordt ontkend, dan lijkt de wereld het product te zijn van een blinde en toevallige evolutie die een bewustzijnswezen heeft voortgebracht dat in de kern materialistisch bepaald is. De vrijeschoolpedagogie schept een alternatief voor dit wereldbeeld en het zou tegen deze achtergrond fataal zijn als zij van haar eigen spirituele zaak niet zeker zou zijn.

Deze laatste uitspraak kan natuurlijk geïnterpreteerd worden als een ideologische voorbeschikking, maar het is in eerste instantie niet minder dan een wereldbeschouwing die de evolutie van het toeval en
materialistisch determinisme tot basis van haar onderwijsinstellingen verheft. En daar moet  relativerend aan worden toegevoegd dat noch de wetmatigheid van de wereld, die in denkende cognitie moet worden onderzocht, noch de vrijheid van de mens in de vrijeschoolpedagogie worden bevooroordeeld, maar slechts als mogelijke ontwikkelingsdimensies in perspectief open blijven.

Procesbewustzijn

Tot slot moet nog een kenmerk worden benadrukt dat van belang is voor het spirituele bewustzijn: Rudolf Steiner en Johann Gottlieb Fichte wijzen er in hun filosofische geschriften op dat het menselijke Ik niet in reflectie, maar alleen als handeling kan worden ervaren. Dit aspect speelt een grote rol in de
kunstvakken die op vrijescholen worden onderwezen, vooral in de euritmie.
Laten we dit eens nader bekijken: Een ontwikkelingsdoel dat in al het onderwijs in de begeleiding van kinderen en jongeren nagestreefd wordt, is dat de jongeren na hun schooldiploma met zelfvertrouwen, daadkracht en vertrouwen in het leven de wereld ingaan. Nu rijst echter de vraag wat voor soort zelfbewustzijn momenteel voornamelijk wordt bevorderd. Het is dat van een reflecterende cultuur van bevestigen. Wat het individu doet, telt maar weinig mee, maar wat die ervaart in termen van evaluatie, wat beschikbaar is via verschillende media als een verslag van wat er gedaan is, dat alleen lijkt te tellen.

Ouders, grootouders, tantes en ooms stoppen nooit met op een slechte manier te praten over het kind in het bijzijn van het kind en benadrukken wat het wel of niet kan, wat het heeft gezegd, enz. Op deze manier ervaart het vroege kinderbewustzijn een soort hypertrofisch reflectiekader. Op school gaat het proces verder: opnieuw is het niet wat het kind zegt en doet dat telt, maar eerder hoe het uiteindelijk door de leerkracht wordt beoordeeld. Pas in de externe beoordeling krijgt wat het kind misschien met plezier en passie heeft gedaan, gewicht en, in het geval van een slecht cijfer, mogelijk zodanig dat het kind geen zin meer heeft om moeite te doen.
Foto- en filmmedia versterken deze ervaring van een soort geëxternaliseerde waarde nog, die alleen toegankelijk is omdat ze gedocumenteerd is.
De huidige populaire mediacultuur overdrijft dit door te suggereren dat
de enscenering in en door het medium alleen maar waardevol is. Zoals bekend leidt dit tot een angstaanjagend verlies van normen.
Vanuit het oogpunt van vrijeschoolonderwijs daarentegen is het in de opvoeding van groot belang dat kinderen en jongeren niet voortdurend een beoordelingsspiegel wordt voorgehouden, waardoor de waarde van wat gezegd of gedaan is alleen van buitenaf achteraf wordt bepaald. Voor een gezond zelfbewustzijn is het belangrijk dat je in het proces van iets doen zelf ervaart en leert of het goed of slecht, juist en gepast is, net zoals je in het proces van muziek maken meteen een verkeerde noot hoort, deze in het proces corrigeert en er later niet op gewezen hoeft te worden.
De veel bekritiseerde euritmielessen op vrijescholen hebben hier een speciale functie. Het werkt niet – zoals bij ballet – met spiegels of, zoals in de sport, met
vooraf bepaalde prestatiefactoren (doelpunten, gewonnen duels, snelheids- of
afstandsmetingen etc.), maar euritmie is erop gericht om een continu bewustzijn van het proces te behouden (in tegenstelling tot een discontinu bewustzijn van reflectie) door middel van een verdiepte waarneming en aandacht.

Dit doet denken aan de bekende mythe van Orpheus en Eurydice. Er wordt gezegd dat Orpheus, na de dood van zijn geliefde Eurydice, zo vervuld was van verdriet dat hij de moed verzamelde om af te dalen naar de onderwereld om zijn geliefde te verlossen van de dood en haar mee terug te nemen naar de wereld van de levenden. De god van de onderwereld, Hades, willigde dit verzoek in op voorwaarde dat Orpheus als eerste ging en dat hij niet achterom keek om er zeker van te zijn dat Eurydice hem echt volgde.
Zoals bekend voldeed Orpheus niet aan deze voorwaarde en daardoor verloor hij Eurydice voor de tweede keer.

Het is hetzelfde met het menselijke Ik. Om het te benaderen moet de mens bereid zijn af te dalen tot in de diepten van zijn innerlijke zelf. Het kan echter alleen in bewustzijn worden gebracht, wanneer het denken vordert in actieve realisatie. Het menselijk Ik kan niet ervaren worden in reflexieve, retrospectieve
visualisatie. Het onttrekt zich aan reflectie. Integendeel, de huidige mediacultuur
laat op beangstigende wijze zien dat er zelfs een gevaar bestaat dat mensen steeds meer van zichzelf vervreemden.
Het menselijke ego verschijnt als het delicate bewustzijn van onszelf in elk van onze handelingen en we leren het al doende steeds zekerder en zelfverzekerder vast te pakken. Het bevorderen hiervan is een kernmotief van de vrijeschoolpedagogie.

Prof. dr. Jost Schieren is hoogleraar schoolonderwijs met focus op vrijeschoolonderwijs en hoofd van de afdeling onderwijskunde aan de Alanus Hogeschool in Alfter bij Bonn.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3420-3218

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-4-2)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Wanneer je je verdiept in Steiners werk, zal je bepaalde onderwerpen steeds weer tegenkomen. Maar – dat vond ik wel verrassend toen ik het ontdekte – telkens wordt zo’n onderwerp weer verschillend bekeken; er wordt iets aan toegevoegd, enz. Kortom, Steiner maakt zijn woorden ‘dat karakteriseren meer oplevert aan kennis dan definiëren’ elke keer waar.

In de 2e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ komt de tegenstelling voorstelling – wil aan de orde vanuit verschillende invalshoeken.
Kernbegrippen zijn vaak: ‘het oude t.o. het nieuwe’.
Hier wordt ook ‘het nieuwe’ verbonden aan de kunst en de moraliteit.
Voor de pedagogie geeft dit weer een ondersteuning voor het inzicht dat we, als we kunstzinnig werken, aan, met de wil werken; met het toekomstige!
Hij legt hier een kort verband naar waar de mens vrij is.
.

GA 93A

Grundelemente der Esoterik
Basiselementen van het bovenzintuiglijk weten

Voordracht 16, Berlijn 11 oktober 1905

Blz. 122

Alles dasjenige, was der Mensch gewöhnlich denkt, denkt er über die Dinge, über das Gewordene. Er kann aber auch über solche Verhältnisse denken, über etwas, das nicht durch die Wirkung von früher herbeigeführt ist, sondern erst in der Gegenwart eintritt. Das geschieht aber sehr selten, denn die Menschen hängen am alten, an dem, was um sie aufgeschichtet ist. Verhältnisse, die als etwas ganz Neues auftreten, werden sehr wenig den Inhalt menschlicher Gedanken bilden. Derjenige, der an der Zukunft mitarbeiten will, muß aber solche Gedanken haben, die neue Verhältnisse zwischen den Dingen ergeben. Nur Gedanken über Verhältnisse zwischen den Dingen können etwas Neues sein. Am besten sieht man das in der Kunst. Was der Künstler macht, ist in Wirklichkeit gar nicht da. Die bloße Form, die der Plastiker ausarbeitet, ist gar nicht wirklich da; sie ist kein Naturprodukt. In der Natur gibt es nur die vom Leben durchpulste Form. Die bloße Form würde den Naturgesetzen widersprechen.

Alles wat de mens gewoonlijk denkt, denkt hij over dingen, over wat geworden is. Maar hij kan ook denken aan een bepaalde samenhang van dingen*, aan iets dat niet voortkomt als werking vanuit het verleden, maar alleen in het heden gebeurt. Dit komt echter maar zelden voor, omdat mensen zich vastklampen aan het oude, aan wat zich om hen heen heeft opgestapeld. Omstandigheden* die zich voordoen als iets volkomen nieuws zullen zeer zelden de inhoud van menselijke gedachten vormen.
Wie echter aan de toekomst wil werken, moet gedachten hebben die resulteren in nieuwe relaties* tussen dingen. Alleen gedachten over relaties* tussen dingen kunnen iets nieuws zijn. Dit is het beste te zien in de kunst. Wat de kunstenaar creëert is er niet echt. De loutere vorm die de beeldhouwer uitwerkt is er niet echt; het is geen natuurlijk product. In de natuur is er alleen de vorm die pulseert met leven. De loutere vorm zou in tegenspraak zijn met de natuurwetten.

Blz. 123

Der Künstler baut aus Verhältnissen etwas Neues auf. Der Maler malt, was durch die Verhältnisse eintritt: Licht und Schatten; er malt gar nicht, was wirklich da ist. Er malt nicht den Baum, sondern eine Impression, die hervorgerufen ist dadurch, daß er alle Beziehungen zum Baum darstellt. Auch im praktischen Handeln merkt man, daß der Mensch gewöhnlich nichts Neues schafft. Die Mehrzahl der Menschen tut nur dasjenige, was schon geschehen ist. Nur einige Menschen schaffen aus moralischer Intuition heraus, indem sie neue Pflichten, neue Taten in die Welt hineinbringen.
Das Neue kommt in die Welt hinein durch Verhältnisse. Daher hat man oftmals gesagt, daß das elementare moralische Handeln überhaupt in Verhältnissen liegt. Solch moralisches Handeln besteht zum Beispiel in Taten, die durch das Verhältnis des Wohlwollens herbeigeführt werden. Bei den meisten Handlungen findet man, daß sie auf Altem fußen; selbst bei Handlungen und Geschehnissen, wo Neues eintritt, fußt man gewöhnlich noch auf Altem. Bei genauer Untersuchung stellt sich das meistens heraus. Nur solche Handlungen sind frei, bei denen der Mensch gar nicht auf Grund der Vergangenheit arbeiten würde, sondern bei denen er nur dem gegenübersteht, was durch die kombinierende und produktive Tätigkeit seiner Vernunft an Handlungen in die Welt hineinkommen kann.

De kunstenaar bouwt iets nieuws op uit de omstandigheden*. De schilder schildert wat zich voordoet door de omstandigheden*: licht en schaduw; hij schildert niet wat er werkelijk is. Hij schildert niet de boom, maar een indruk die ontstaat doordat hij alle relaties* tot de boom weergeeft.
Ook in praktisch handelen realiseer je je dat de mens meestal niets nieuws creëert. De meerderheid van de mensen doet alleen wat al gedaan is. Alleen sommige mensen creëren uit morele intuïtie door nieuwe plichten, nieuwe daden in de wereld te brengen.
Het nieuwe komt de wereld binnen via relaties*. Daarom wordt vaak gezegd dat elementair moreel gedrag in relaties* ligt. Zulk moreel handelen bestaat bijvoorbeeld uit daden die teweeggebracht worden door de relatie* van welwillendheid. In de meeste handelingen zie je dat ze gebaseerd zijn op het oude; zelfs in handelingen en gebeurtenissen waar iets nieuws gebeurt, is men meestal nog steeds gebaseerd op het oude. Een nader onderzoek onthult dit meestal. Alleen die handelingen zijn vrij waarin de mens helemaal niet handelt op basis van het verleden, maar waarin hij alleen geconfronteerd wordt met wat in de wereld kan komen door de combinerende en productieve activiteit van zijn verstand bij het handelen.
GA 93a/122-123
Niet vertaald

Het Duits heeft vrijwel steeds ‘Verhältnisse’ een woord met een uitgebreidere betekenis: pepalende (externe) toestanden, omstandigheden of beïnvloedende factoren, voorwaarden; wederkerig verband tussen verschillende, elkaar wederzijds beïnvloedende aspecten, sferen, gebieden.

.

GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3402-3200

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (2)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

2. Schuljahr September 1920 bis Juni 1921
2e Schooljaar september 1920 tot juni 1921  

Blz. 48/49

11 Klassen
19 Lehrer
420 Schüler

In den Konferenzen des zweiten Schuljahres herrscht überwiegend noch, ungeachtet gelegentlich aufziehender Wolken, die gleiche freudige, kraftvolle Stimmung wie im Vorjahr, vielleicht bei den Lehrern etwas weniger draufgängerisch. Es werden im ganzen auch dieselben Probleme behandelt; sie werden ausgearbeitet und vertieft.
Hauptsächlich an drei Stellen zeigt sich aber charakteristisch die Eigenart dieses zweiten Schuljahres: bei der Besprechung der neuen 9. Klasse; dann als die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage und nach der geistigen Selbständigkeit der Schule gestellt wird; und endlich, als Rudolf Steiner spricht über seine eigene Stellung als Leiter der Waldorfschule.
Die Schule wächst auch dieses Jahr kräftig weiter. Für die neue 1. und für die 6. Stufe müssen Parallelklassen eingerichtet werden (1/169, 178). Besonders ausgestaltet werden die praktischen Fächer: Handwerk und Gartenbau (1/193—196, 270) sowie Handarbeit (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). Bei Anstandsunterricht (1/268) und sozialer Erkenntnis (1/286, 287) wird festgestellt, daß sie jetzt aufhören; beim Kindergarten und der Fortbildungsschule (1/276—277), daß sie wieder zunächst nicht durchgeführt
werden können. Die Art der Zeugnisgebung (1/284, 285) und der
Versetzung (1/285) finden ihre endgültige Gestalt.

11 klassen
19 leerkrachten
420 leerlingen

In de vergaderingen van het tweede jaar heerst er overwegend, ondanks af en toe een wolkje aan de hemel, nog steeds dezelfde vrolijke, krachtige stemming als het jaar daarvoor, misschien onder de leraren iets minder fanatiek. Over het geheel genomen werden dezelfde problemen behandeld; ze werden uitgewerkt en verdiept.
Het karakteristieke kenmerk van dit tweede schooljaar is echter hoofdzakelijk op drie plaatsen te vinden: bij de bespreking van de nieuwe 9e klas; als vraag naar de economische basis en naar de geestelijke zelfstandigheid van de school; en ten slotte, wanneer Rudolf Steiner spreekt over zijn eigen positie als
leider van de Waldorfschool.
De school blijft dit jaar sterk groeien. Voor de nieuwe 1e en voor de 6e klas moeten parallelklassen worden opgezet (1/169, 178). In het bijzonder werden de praktische vakken vormgegeven: handwerken en tuinbouw (1/193—196, 270) en handenarbeid (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). In het geval van ‘omgangsonderwijs’ (1/268) en sociale kennis (1/286, 287) wordt gesteld dat
dit beëindigd wordt; en dat de kleuterschool en de vervolgschool (1/276—277), nu niet verder kunnen gaan. Het getuigschrift (1/284, 285) en welke kinderen waar worden geplaatst, (1/285) vinden hun uiteindelijke vorm.

Für die neuen Klassen und für den praktischen Unterricht, aber auch weil einige Kollegen fortgegangen sind, müssen neue Lehrer eingestellt werden (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bei dieser Gelegenheit wird auch festgelegt, wer zum Lehrerkollegium gehören soll und wer nicht (1/198, 199).
Beim neusprachlichen Unterricht taucht die Frage auf, die dann nie zur Ruhe kommen will: ob und wie in diesen Fächern die Schüler, ungeachtet ihres Klassenzusammenhanges und ihres Alters, rein nach dem Stande von Wissen und Fähigkeit zusammengefaßt werden sollen (1/171, 284; vgl. auch Sachwortverzeichnis).
Das Problem eines eigenen Schularztes (1/263) und das der Heileurythmie (1/284) treten auf.
Das Wichtige aber ist, daß auf die acht Volksschulklassen jetzt eine 9. Klasse, eine Oberklasse, aufgebaut wird (Einleitung S. 28 und 1/119). Freilich klingen die damit berührten Probleme vorerst nur leise an. Zunächst sollen die 8. und 9. Klasse von zwei Klassenlehrern ebenso abwechselnd weitergeführt werden wie bisher die 7. und 8. Klasse (1/200).
Auch bei dem Lehrplan für das 9. Schuljahr, der jetzt aufgestellt wird (1/191, 219—226), verbirgt sich das grundsätzlich Neue zunächst noch unter dem Scheine, als ob in der 9. Klasse nur das in der 8. Klasse Besprochene „noch einmal” durchzunehmen sei. Aber

Voor de nieuwe klassen en voor de praktijklessen, maar ook omdat er enkele collega’s zijn vertrokken, moeten er nieuwe docenten worden aangenomen (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bij deze gelegenheid wordt ook bepaald wie tot het onderwijzend personeel behoort en wie niet (1/198, 199).
Bij het onderwijzen van moderne talen komt de vraag ter sprake die maar nooit afdoende beantwoord lijkt te worden: of en hoe de leerlingen in deze vakken,
ongeacht hun plaats in de klas en hun leeftijd, puur op basis van het kennis- en vaardigheidsniveau, bij elkaar zouden moeten (1/171, 284; zie ook verklarende woordenlijst).
Het probleem van het hebben van een eigen schoolarts (1/263) en dat van de euritmietherapie (1/284) doet zich voor.
Maar het belangrijkste is dat er nu na de acht basisschoolklassen een 9e klas, een bovenbouwklas bijkomt  (inleiding p. 28 en 1/119). Wel dienen zich al voorzichtig bepaalde problemen aan. In eerste instantie moeten 8 en 9 afwisselend door twee klassenleraren worden geleid zoals de 7e en de 8e
klas tot nu toe. (1/200).
Ook met het leerplan voor het 9e schooljaar dat nu wordt opgesteld
(1/191, 219-226), wordt wat fundamenteel nieuw is aanvankelijk nog bedekt
onder de schijn, alsof in de 9e klas alleen dat wat in klas 8 besproken is, “nog een keer” doorgenomen moet worden. Maar

Blz. 50

gerade in dem, wie dies ,,noch einmal” geschehen soll, steckt ja die
entscheidende Änderung der Unterrichtsart, die diesem Lebensalter
entsprechend und notwendig ist. Das wird dann bei den folgenden
Klassen immer deutlicher. Hier schauen diese Fragen nur gleichsam
wie zum Fenster herein.
Aber schon als jetzt die Frage aufkommt, warum denn die Arbeiterkinder, die proletarischen Kinder, lieber sofort ins Berufsleben gesteckt werden, statt in die 9. Klasse weiterzugehen (1/260, 261), klingt schon das Problem des Abituriums an (1/260) und damit die Sorge, daß die heranwachsenden Oberklassen zu sehr in die Nachbarschaft der üblichen ,,höheren Lehranstalt” geraten könnten, so daß dadurch „irgendwelche Dinge” verhindert würden (1/260).,,Irgendwelche Dinge”, das wären nach den „Volkspädagogischen Vorträgen” (Liste Nr. 3) diejenigen Unterrichtsgegenstände, durch die der junge Mensch so, wie es unserer Zeit entspricht, ins wirklich praktisch-tätige Leben hineingestellt werden sollte. Diese Frage steht von nun an, ob ausgesprochen oder unausgesprochen, hinter allem, was über die Oberstufe noch verhandelt wird. Es ist ein schwerer Verzicht, daß diese Ziele der „Volkspädagogischen Vorträge” für die Oberklassen aufgegeben werden müssen.

juist in de manier waarop dit “opnieuw” zou moeten gebeuren, ligt de
beslissende verandering in het type onderwijs dat op deze leeftijd passend en noodzakelijk is. Dat zal bij de volgende klassen  steeds duidelijker het geval worden. Hier lijken deze vragen alleen maar op het raam te kloppen.
Maar nu rijst de vraag waarom de kinderen van de arbeiders, de proletarische kinderen, liever meteen in het werkende leven zouden moeten worden geplaatst in plaats van door te gaan naar de 9e klas (1/260, 261) en daarmee dient het probleem van het examen zich aan (1/260) en daarmee de bezorgdheid dat de hogere klassen die erbij komen te dicht bij de gebruikelijke ‘hogere onderwijsinstellingen’ zouden kunnen komen te liggen, zodat “sommige dingen” verhinderd zouden worden. ‘Sommige dingen’ waren volgens de
voordrachten over volkspedagogie’ [GA 192] die vakken waarmee de jonge mens, behorend bij de huidige tijd, een plaats zou kunnen vinden in het praktische werkzame leven. Deze vraag staat vanaf nu, uitgesproken of onuitgesproken, achter alles wat over de bovenbouw nog wordt besproken wordt. Het is moeilijk om van deze doelstellingen van de ‘voordrachten over volkspedagogie’ voor de bovenbouw af te moeten zien.

Und ein großer Verzicht liegt auch in dem Fazit, das Rudolf Steiner
am 26. Mai 1921 aus der sozialen Entwicklung der letzten Zeit ziehen muß. Die Stuttgarter Schule kann nicht mehr als der Anfang einer weit über Deutschland hinausgreifenden Bewegung der Schulerneuerung gelten. Sie kann nur noch „Modell” sein. „Eine zweite Schule werden wir nicht mehr errichten können” (1/289). Tatsächlich wurden die unvermeidbaren Kompromisse den Behörden gegenüber ständig einschneidender,, nicht nur bei allen später gegründeten
Waldorfschulen, sondern auch bei der Stuttgarter Schule selbst.
Ein zweites Charakteristikum dieses Schuljahres ist die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage der Waldorfschule. Als sie zwischen den Schuljahren, bei den Konferenzen vom 29. und 31. Juli und 21. September 1920 zur Verhandlung kommt, da lodert das Feuer hell auf, das lange schwelte.
Aber in Wahrheit ist gar nicht das Materielle der Grund dafür. Die
Finanzierung bleibt in allen folgenden Jahren eine schwere Sorge. Es ist ja auch im Frühjahr 1920 der Waldorfschulverein begründet (1/183, Einleitung S. 22), dessen damals gegebene Form in den Hauptzügen heute noch besteht. Der Weltschulverein freilich, um den Rudolf Steiner sich so sehr mühte (1/183-186, 189, 201, 202, 228—233, 289), kam weder damals noch je später zustande.

En ook de conclusie van Rudolf Steiner die hij op 26 mei 1921 moest trekken  door recente maatschappelijke ontwikkelingen in de laatste tijd, betekende een groot afzien. De Stuttgarter school kan niet meer gelden als het begin van een schoolvernieuwingsbeweging die zich tot ver buiten Duitsland uitstrekt. Ze kan alleen maar een “model” zijn. “Een tweede school zullen we niet meer kunnen oprichten’  (1/289). In feite werden de onvermijdelijke compromissen met de autoriteiten steeds drastischer, niet alleen voor alle scholen die later werden opgericht, maar ook voor de school in Stuttgart zelf.
Een tweede kenmerk van dit schooljaar is de vraag over de economische basis van de Waldorfschool. Als deze tussen de schooljaren op de vergaderingen van 29 en 31 juli en 21 september 1920 behandeld wordt, laait het vuur op dat al lang lag te smeulen.
Maar in werkelijkheid zijn materiële dingen niet de reden hiervoor. De
financiering blijft de komende jaren een ernstig probleem. In het voorjaar van 1920 werd de Waldorfschoolvereniging opgericht (1/183, inleiding p. 22), waarvan de vorm die destijds werd gegeven in hoofdzaak nu [1975] nog steeds zo bestaat . En dan de Wereldschoolvereniging natuurlijk, waarvoor Rudolf Steiner zich zo inzette (1/183-186, 189, 201, 202, kwam toen niet, maar ook later niet van de grond.

Blz. 51

In Wahrheit ging die Auseinandersetzung um zweierlei: um die geistige Selbständigkeit der Schule, das heißt praktisch um ihre Unabhängigkeit von der Waldorf-Astoria-Fabrik, und dann um das richtige Verhältnis zur Person von Emil Molt.
Jetzt macht Rudolf Steiner klar, daß in Wirklichkeit die Gründung der Schule auch finanziell das Werk von Emil Molt ist. „Die Schule ist Ihr Verdienst” (1/213).
Gerade dadurch aber wird Emil Molts Stellung zur Schule richtig. Er ist gleichsam als Privatmann „Protektor der Schule” und „Schulvater”, so wie Bertha Molt „Schulmutter” ist. Damit sind beide vollgültige Mitglieder des Lehrerkollegiums (1/199). Dies Kollegium wird „jederzeit . . . mit Herrn Molt gehen, will aber nichts mit der Waldorf-Astoria zu tun haben” (1/209). Die Fabrik wird auch weiterhin Beiträge geben und für die Kinder ihrer Werkangehörigen das Schulgeld bezahlen. Aber die Schule wird von ihr völlig frei und unabhängig sein.
Damit ist auch das dritte und wesentlichste Element dieser Konferenzen innerlich auf das engste verbunden. Rudolf Steiner spricht es aus in seiner Ansprache vor den Lehrern beim Beginn des zweiten Schuljahres am 22. September 1920 (1/214-217), daß seine Stellung als Leiter der Schule nie anders aufgefaßt werden dürfe als die des Esoterikers. Sie dürfe niemals auf Suggestion oder äußerer Macht beruhen, stets nur auf dem freien Willen und Vertrauen der Lehrer.
Damit wird — und das ist die innerste Lebensquelle der Schule — deren Zusammenhang mit Rudolf Steiner und also mit der Anthroposophie auf das genaueste umschrieben und dargestellt.

In werkelijkheid ging het geschil over twee dingen: om de geestelijke onafhankelijkheid van de school, dat wil zeggen praktisch over haar onafhankelijkheid van de Waldorf-Astoriafabriek, en vervolgens over de juiste relatie met de persoon van Emil Molt.
Nu maakt Rudolf Steiner duidelijk dat de ​​stichting van de school, ook financieel het werk van Emil Molt is. “De school is uw verdienste” (1/213).
Dit is precies wat Emil Molts positie ten opzichte van school in een juist daglicht stelt. Hij is als particulier als het ware ‘beschermer van de school’ en ‘schoolvader’, net zoals Bertha Molt ‘schoolmoeder’ is. Daarom zijn beiden volwaardige leden van het onderwijzend personeel (1/199). Dit college
zal “op elk moment” samen gaan met meneer Molt, maar wil niets met de
Waldorf-Astoria” van doen hebben (1/209). De fabriek zal bijdragen blijven geven voor de kinderen van haar werknemers en schoolgeld betalen. Maar de school is volledig vrij en onafhankelijk van haar.
Het derde en meest essentiële element van deze vergaderingen is hier ook intern zeer nauw mee verbonden. Rudolf Steiner spreekt in zijn toespraak tot de leraren aan het begin van de tweede schooljaar op 22 september 1920 (1/214-217) uit, dat zijn positie als leider van de school nooit als iets anders mag worden opgevat dan die van een esotericus . Die mag nooit op suggestie of externe macht berusten, altijd uitsluitend gebaseerd op de vrije wil en het vertrouwen van de leraren.

Dit betekent – ​​en dit is de diepste levensbron van de school – dat haar verbintenis met Rudolf Steiner en dus met de antroposofie op de meest precieze manier beschreven en gepresenteerd wordt.
GA 300A/48-51 

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3378-3177

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3 e.v.]*

.

Hoe WAAR is de wereld voor de opgroeiende mens vanaf 12 jaar?
Zie de inleidende gezichtspunten.

Waar kun je als leerkracht enthousiast over worden en als ideaal aan je leerlingen laten zien?

Je kan – dat overkwam mij bij het lezen van zo’n artikel – van binnen warm worden, je dankbaar voelen ‘dat er zulke mensen zijn’.

Iets positiefs ervaren: als we dat onze leerlingen eens konden meegeven.

In Trouw van 6 november 2024 stond een bericht over Jelmer Zandbergen, boer in het Gelderse Doorwerth.
Hij vond tijdens het oogsten op zijn akker met wortelen veel rupsen van de koninginnenpage.
Voor hem was het meteen duidelijk: wij kunnen hier niet verder oogsten. ‘Vlinders, daar moeten we zuinig op zijn. De biodiversiteit kachelt achteruit en om dat te keren moeten we voorzichtig zijn, zeker ook met insecten.”

Hij oogst de wortelen niet verder en kan ze dus niet verkopen in zijn boerderijwinkel.
Maar zijn klanten steunen hem en staan garant voor de gederfde inkomsten.

Met elkaar laten zij de vlinders overwinteren.

Zandbergen is tuinder op het biologisch-dynamische bedrijf Veld en Beek.

Boeren hebben een verantwoordelijkheid als het gaat om biodiversiteit, vindt tuinder Zandbergen. “Je moet je afvragen: wat wil hier zijn? Wij zitten op een hoge zandwal. Een grutto zal je daarom hier niet snel zien. Wij hebben hier wel een kerkuil, de graspieper, de veldleeuwerik en boerenzwaluwen. Als nu de koninginnenpage zich aandient, hebben we daar rekening mee te houden.”

Voor mij is dit een voorbeeld van Steiners zo ware uitspraak dat we als mens met de wereld sterk zijn verbonden.

Tuinder Zandbergen maakt het met zijn klantenkring werkelijk waar.

.
Wat kunnen wij doen? O.a. grond vrijmaken voor een gezonde landbouw,
via Grondbeheer.

.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5]* alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3357-3158

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de kunstzinnige inrichting van een klas (klas 7 t/m 12) [2-2]

.

In het artikel waarin de aanwijzingen staan voor de klassen 1 t/m 6, vind je ook als inleiding meer over het waarom.

Hier gaat het verder met het artikel van Ernst Weissert voor de klassen 7 t/m 12 en met nog een paar aanwijzingen voor andere ruimten.
Zijn mededelingen worden door mij aangevuld met gezichtspunten van Clausen/Riedel.
Tekst in blauw is van mij.

.

Wat Clausen/Riedel betreft:

In hun boek ‘Künstlerisches Gestalten mit Farben’ hebben zij een heel schema opgenomen met wat er in de klassen aan beeldmateriaal kan hangen.
Ze doen dat in de kolom ‘Bildschmuck’ – de decoratie met de grotere afbeeldingen. Die kolom noem ik [1].
Ze hebben een 2e kolom met voorstellen voor grotere reproducties waarvan ze hierin naar kunstkaarten verwijzen. Die noem ik [2].
In een 3e kolom doen ze voorstellen voor ‘Friese’, een soort wissellijst of anderszins waarin kleinere afbeeldingen kunnen worden getoond die samenhangen met het jaarthema of met de lesstof en er is een suggestie om dat naar ‘meesterwerken’ te ‘vertalen’. Die kolom is [3].
Opmerkelijk is zeker ook dat je zou verwachten dat het belangrijkste muurmateriaal de voorstellingen zijn uit de vertelstof, m.a.w. dat die in kolom 1 zouden staan, maar die staan bij 3.

.
Ernst Weissert, Erziehungskunst jrg.  nr 5/6 1952

.

Weissert

WAT HANGT ER AAN DE MUuR
.

7e en 8e klas

De 7e en 8e klas zouden Rafael en Leonardo moeten hebben en wel vanuit het gezichtspunt dat deze dingen niet alleen als kijkmateriaal voor een les kunstgeschiedenis gebruikt worden, maar om ze vóór de feitelijke kunstlessen al een tijd daar te hebben hangen om naar te kijken.
Je kan ook beleven hoe door het vertonen van de allergrootsten, de kinderen bij het volwassener worden niet overweldigd worden, maar eerder hoe het menselijke niveau stijgt en hoe de worstelende ziel in de jonge mens zich in de ontwikkeling bevestigd en erkend voelt; hoe dit de enige manier is om een ​​echte relatie met kunst te ontwikkelen. De jongere die in deze jaren, onder de vrije leiding van zijn leraar, heeft geleerd kunst heilig te houden, die te zien als de veelomvattende oerwaarde van het menselijke – alleen hij zal dan een vrije verhouding tot de kunst als culturele waarde in het algemeen ontwikkelen.

Weissert geeft geen concrete voorbeelden van Rafael en Leonardo.

Clausen in kolom 1:

Van Rafael: Madonnabeelden:

De Sixtijnse Madonna is een van de beroemdste werken van Rafaël.

Er zijn er meer

In vrijeschoolkleuterklassen hangt vaak ook een madonna met kind van Rafael.
Dat is geen aanwijzing van Steiner. Toen hij de aanwijzingen voor de klassen gaf, was er geen kleuterklas. Die was er tijdens Steiners werk aan de Stuttgarter school heel even, maar moest toen weer ophouden. Pas na Steiners dood (1925) is de kleuterklas echt ontstaan.

Van Leonardo stelt zij houtskoolstudies voor, maar ook ‘enz‘ zonder dat in te vullen. Ze noemt wel ‘koppen, paarden en kinderstudies e.a.

What Leonardo da Vinci Learned from Animals | Artsy

Hoofd van een jonge vrouw (ca. 1506 – 1508) van Leonardo da Vinci – Artchive

In kolom 2:

Weer Rafael ‘Madonna met kind’ en Rembrandt: Landschap met drie bomen:

De drie bomen, Rembrandt van Rijn, 1643 - Rijksmuseum

In kolom 3:

Neemt Clausen de vertelstof – verschillende volken en bevolkingsgroepen; de grote ontdekkingen en uitvindingen; voeding en gezondheid.
De tijd van Goethe, Herder en Schiller; geschiedenis tot heden.

Zij geeft geen voorbeelden; dus wat neem je concreet? 
Dit blijft m.i. te vaag.

Weissert:

9e klas

Voor de volgende klassen stelde Rudolf Steiner nu enerzijds de artistieke wandbeelddecoratie voor en anderzijds meer praktische en technische
wanddecoraties. De leerlingen van klas 9 moeten technische situatieplannen krijgen: hoe wordt een weide, een veld, een meent [gemeenschappelijke weide, omdat die er niet meer zijn, zou je m.i. ook wel een bouwterrein kunnen nemennauwkeurig vastgelegd op een kaart? [tegenwoordig vind het landmeten in de 10e klas plaats
Het andere deel van de muur moet reproducties bevatten van een situatie binnen de kunstgeschiedenis die aansluit bij deze leeftijd van het kind: de strijd om los te komen van de tweedimensionale, hiëratische stijl van vóór 1250, hoe dit in de kunst van Giotto en zijn opvolgers als iets nieuws leeft. Dit is waar wij momenteel aan werken
Recentelijk zijn er gekleurde reproducties verschenen, zij het overwegend
in een wat klein formaat voor in de klas. Maar de grote uitgeverijen promoten bijvoorbeeld Giotto’s Madonna’s, en de nieuwe, bewonderenswaardige “Kunstkring”, Zürich, brengt samen met Christian Ar Editie AG – reproducties van dit type in het formaat 50 X 60 cm uit.

Voor de 9e klas werd door Rudolf Steiner ook gedacht aan een praktisch-technische voorstelling, een hemelkaart met een gestileerde samenstelling van figuren aan de hemel. 

Concreet is duseen madonna’ van Giotto.

Ognissanti Madonna van Giotto in Galleria degli Uffizi in FlorenceMeer

Zou zo’n sterrenkaart bedoeld kunnen zijn?

Kunst en de kosmos deel I: Sterren in de schilderkunst - NederlandsMeer

Is dit een technisch situatieplan?

File:Kaart van het bouwterrein bij de Kolk, Plan C en de Oude Haven 1884.jpg - Wikimedia Commons

Meer

Clausen stelt iets heel anders voor: foto’s van verschillende bouwwerken uit India, Perzië, Egypte, Griekenland enz.
(Een foto van Laocoöngroep voor het godsdienstonderwijs)

Ook noemt zij Giotto, naast Van Gogh, Segantini en Rembrandt.
Ze geeft geen voorbeelden in kolom 1.

Kolom 2:

Cézanne: De kastanjelaan:

Barnes Collection Online — Paul Cézanne: The Allée of Chestnut Trees at the Jas de Bouffan (L'allée des marronniers au Jas de Bouffan)

Giotto: De vlucht naar Egypte:

Bestand:Giotto - Scrovegni - -20- - Flight into Egypt.jpg

Giotto: De heilige Franciscus

Van Gogh: Bomentuin in Arles:

Bestand:Vincent van Gogh - Tuin van Arles - Google Art Project.jpg - Wikipedia

Pechstein: Opgaande zon:

Kolom 3:

Ook hier blijft het zeer abstract:

Duits: Goethe en zijn tijd; Hermann Grimm; ontwikkeling van de kunst van oudheid tot Rembrandt; vanaf de 30-jarige oorlog tot heden
Geschiedenis: structuur van de gebiedsverdeling.

10e klas

Weissert:

Rudolf Steiner stelt een illustratie voor van de zee onder de zeespiegel met de dieren die daar leven, dus materiaal uit de biologie dat enerzijds de kennis daarover moet aanspreken, maar ook iets kunstzinnigs moet hebben.

Daar zijn geen concrete voorbeelden van genoemd.

Clausen stelt in kolom 1 voor:

houtsneden, verschillend schrift; zelfgeschreven initialen.
Ze noemt de namen van Holbein, Dürer en Nolde.

In kolom 2:

Alleen Dürer: Zelfportret:

Albrecht Durer zelfportret op achtentwintigjarige leeftijd 50 x 60 cm Dürer zelfportret handgeschilderde olieverfschilderij reproductie DE1 zjc180 - Etsy Nederland

De apostelen Paulus en Markus (r)  en Petrus en Johannes:

Bestand:Sts. Paul, Mark, John en Peter door Albrecht Durer - Alte Pinakothek - München - Duitsland 2017.jpg - Wikimedia Commons

Huis aan visvijver:

Bestand:Albrecht Dürer - Weiherhaus (1497).jpg

Burcht aan het water:

Albrecht Durer

In kolom 3:

Hier zou je iets moeten vinden uit de Nibelungen – Gudrun -; de Edda;
het woord als kunstelement in lyriek, epiek en drama; recitatie.
De oudste geschiedenis van het Morgenland en de Griekse geschiedenis.

11e klas

Weissert:

Voor de 11e klas worden geologische doorsneden en kunstzinnig uitgevoerde hoogtekaarten e.d. voorgesteld. Voor de esthetische kant wordt er verwezen naar Holbein en Dürer. In hun kunstzinnig scheppen wordt de bewustzijnsziel die als iets nieuws verschijnt in de nieuwe tijd, weerspiegeld op een zodanige manier die bij het Midden-Europese geestesleven hoort.
We kunnen ons voorstellen dat Rudolf Steiner die zoals hij bv. de kleuren van de lokalen naar het karakter van de kinderen in Stuttgart, anders aangaf voor de kinderen in Hamburg of Engeland, in een ander land wellicht ook andere aanwijzingen zou hebben gegeven.
Voor onze Duitse kinderen is het karakteristieke het karaktervolle-individuele, het waarachtige, zelfs licht ontvlambare van deze koppen van grote betekenis; bij Dürer meer naar de zielenwarmte neigend, meer naar de objectief heldere zuivere pure waarneming bij Holbein.

Opnieuw geen praktische voorbeelden.

Bij Clausen

Kolom 1:

Tekeningen, etsen van meesters, studies van de meesters door de leerlingen.
Weer worden Holbein, Dürer en Rembrandt genoemd.

Kolom 2:

Dürer: zelfportret:

Zie 11e klas

Holbein: Erasmus:

Erasmus van Rotterdam, gravure | Holbein: karakter vangen | The Morgan Library & Museum Online tentoonstellingen

Rembrandt: De man met de gouden helm:

Rembrandt: Der Mann mit dem Goldhelm | Gemälde Online

Rembrandt: De lachende man:

De Lachende Man - The Laughing Man

Rembrandt: Zelfportret:

Zelfportret met baret, wijd open ogen en open mond, Rembrandt van Rijn, 1630 - Rijksmuseum

Meer

Michelangelo: Hoofd van Godvader:

schilderij van michelangelo van god

Michelangelo: Hoofd van de profeet Elia:

die vond ik niet: wel andere profeten

Kolom 3:

Duits: Parzival, De arme Hendrik, Hartmann von der Aue; tegenstelling apollinische en dionysische levenshouding.
Goethe, Wagner.
Meetkunde: elkaar doordringende lichamen; schaduwconstructies

12e klas:

Weissert:

Voor de 12e klas stelt Rudolf Steiner naast Dürer, Holbein en Rembrandt-reproducties voor.

Dit is ongetwijfeld niet bedoeld als de enige mogelijkheid of als dogmatisch standpunt, zoals het geval is met deze mededelingen uit de vergadering
van de spiritueel grondlegger en leider van de vrijeschool in het algemeen
die in de eerste plaats een schets willen zijn van de geestelijke situatie van het kind en van zijn behoefte aan beelden en die adequate waarnemingen en het proberen willen stimuleren. Sterker nog: je kan ervaren hoe de jonge mens die zijn 18e jaar nadert, op zoek is naar een nog bewuster en dieper begrip van zijn lot, en door de Rembrandtschilderijen aangesproken wordt, of het nu gaat om
het landschap bij Kassel of om de man met de gouden helm of een zelfportret.
Voor deze tijd geeft Rudolf Steiner als technisch-praktisch beeldmateriaal fysiologisch-anatomistische voorstellingen aan als iets dat hoort bij de sterke groei naar het aardse plan die hier plaatsvindt.

De mens met de helm staat hierboven bij klas 11, door Clausen voorgesteld.

Winterlandschap:

Rembrandts "Winterlandschap"

Verder geen voorbeelden.

Clausen:

Kolom 1:

Geeft weer de namen van Holbein, Dürer en Rembrandt, nu met de toevoeging ‘aquarellen, licht-donkertekeningen.
Studiebladen van verschillende bouwwerken.

Kolom 2:

Rembrandt: Een oude man

Bestand:Rembrandt van Rijn (follower) - Head of an old man (19th-century).jpg - Wikipedia

Meer

Rembrandt: Hendrikje Stoffels:

Portrait of Hendrikje Stoffels (1625-63) - Rembrandt Harmensz. van Rijn Als reproductie kunstdruk of als handgeschilderd olieverfschilderij

Meer

Dürer: Jongenskop:

Jongenskopje, en face, het hoofd naar links - PICRYL - Public Domain Media Search Engine Public Domain Image

Meer

Dürer: Gebergte:

Italiaans landschap, aquarel. - Albrecht Dürer Als reproductie kunstdruk of als handgeschilderde olieverfschilderij

Lucas Cranach de oudere: Saksische prins:

een prins van Saksen, Lucas Cranach de Oude

Kolom 3:

Geschriften uit de Oudhoogduitse tijd tot heden.
Elementen van de bouwkunst en vormen door de tijd van cultuur- en stijlgeschiedenis.

Tot zover de opvattingen van Clausen/Riedel.

Weissert vervolgt:

In de volgende vergadering, op 21 januari 1923, zei Rudolf Steiner nog
een paar dingen over de beelddecoratie: in de gang zou rechts en links van de deur van de klas iets soortgelijks moeten hangen als in de betreffende klas.

Muzieklokaal:

Het muzieklokaal moet niet worden versierd met illustratieve of zelfs allegorische afbeeldingen; als er al schilderijen gebruikt worden, dan moeten het geen voorstellingen zijn, maar zuivere kleurharmonieën; de beste manier om het muzieklokaal te versieren is met beeldhouwkunst.
Dit brengt ons terug bij de taken voor onze kunstenaarsvrienden!

Euritmieruimte:

Dit geldt ook voor de inrichting van de euritmiezaal. Deze moet heel anders worden ingericht dan de muziekruimte, met motieven die ontleend zijn aan de dynamiek van de mens, aan de de geestelijke dynamiek die “de expressieve mens artistiek omarmt”.

Gymzaal:

Er wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om de gymzaal met beeldmateriaal in te richten. Hier moet een sterke dynamiek van de mens worden uitgebeeld, 
hoe hij zich presenteert “in zijn evenwicht, in zijn bewegingen, in zijn
relatie tot de wereld, bijv. zich dapper boven een afgrond houdend”.

Handvaardigheidsruimte:

Hier zou het gaan om een ‘gemoedelijke inrichting van een interieur”. Hiervoor zijn de al genoemde Nederlandse kunstenaars geschikt (Vermeer van Delft, Pieter de Hooch, Terborch)

Concreter wordt het niet, Clausen noemt dit niet.

Lijsten

Voor het inlijsten van de reproducties stelde Rudolf Steiner vaak dat het
bij de afbeelding moet passen en om de lijst een kleur te geven die essentieel is in het schilderij.

We hebben goede ervaringen met het bevestigen van de gekleurde platen op houtvezelplaten, waarbij we dan de niet te grote, uitstekende rand een kleur hebben gegeven op de manier die Rudolf Steiner aangeeft. Dit geeft een mooi paneeleffect.
In elke school is het zeker mogelijk om, eventueel met behulp van de ouders niet te dure wissellijsten te maken met natuurlijke kleuren.
Het reflecterende glas is een nadeel, maar je moet waarschijnlijk vermijden om weer naar de gestileerde, “echte”-stijl van schilderen te grijpen die je tegenwoordig in de prestigieuze kunstwinkels in stijlvolle lijsten aantreft, waarbij
het vernis het schilderij op een origineel moet laten lijken.
Dat is een intellectuele leugen. Het zorgt ervoor dat het schilderij, dat voorheen werd herkend als een technisch mooi en goed afgedrukt blad kunst, wordt getransformeerd van onschuldig illustratief materiaal om naar te kijken, naar een ingeblikt beeld.
Het resultaat is tastbaar. In conferentieruimtes in lerarenopleidingen of pedagogische academies die op deze moderne manier gestileerd zijn, doet het ijl aan. Als je een tijdje met zo’n als echt gestileerde reproductie leeft, voel je dat daar een zekere leegte vandaan komt, het voelt als een soort zuigend vacuüm. De waarneming verkommert. Wij geven daarom altijd de voorkeur aan de reproductie met een marge, in een uitneembare lijst.

We keren terug naar de gedachten van ons begin Het huis van het kind, van de rijpende jeugd heeft vandaag de kleur en het beeld in grotere mate nodig als een helend element. Niet uit de subjectieve voorkeur en willekeur van de volwassene, maar uit de behoefte van het kind moet het beelden krijgen. Dat pas in de nieuwere tijd in burgerlijke ruimtes wandmateriaal in lijsten werd opgehangen, is in wezen een onding. 
Een schilderij als gemeenschappelijk element, als inhoud in het leven, zou in de gemeenschapsruimte van de toekomstige mens, het kind – in het schoollokaal – rijk en levendig de muren moeten sieren.
Als het de vertwijfelde hoop van de grote Duitse schilders van de 19e eeuw is geweest (Böddin, Feuerbam, Marees): dat ze muren zouden krijgen van een gemeenschap van mensen waarop ze iets konden afbeelden dat mensen verenigt – zo zou vandaag, in onze scholen, met zo’n benadering van een nieuwe kunst midden in het leven op onze scholen moeten worden begonnen.
Een eerste aanzet tot zo’n nieuwe kunst is op de vrijeschool te vinden in de afbeeldingen die Max Wolffhügel voor de godsdienstles heeft gemaakt. Moge het artistieke werk van Max Wolffhügel op dit gebied een zo groot mogelijke navolging vinden.

Max Wolffhügel
Schets ‘Gang naar Emmaus’, 1946
Kleurkrijt op zwart bord

Ik heb over dit onderwerp maar weinig gevonden.
Weissert neemt min of meer de woorden van Steiner over uit de vergaderingen die worden genoemd.
In de woorden van Weissert zitten bepaalde opvattingen waarvan ik me afvraag of die vandaag de dag nog zo beleefd worden.

De vraag blijft interessant: waarom hangen we ‘wat’ op. 
De woorden van Steiner zijn voor een ruime uitleg vatbaar wat betreft de illustraties, getuige ook wat Clausen/Riedel te berde brengen.

Het zou zeker een aanwinst voor scholen kunnen zijn, wanneer een aantal mensen zich buigt over dit vraagstuk en met mooie, goed gefundeerde vondsten komt, want er blijkt veel mogelijk te zijn. 

.
Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Algemene menskunde: alle artikelen 

Menskunde en pedagogie: alle artikelen 

Vrijeschool in beeldalle beelden

3356-3157

.

.

.