Categorie archief: kerstspelen

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (15)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 27-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung

blz. 89

Heute werden wir uns erlauben, Ihnen das dritte der volkstümlichen Spiele vorzuführen, die um die Weihnachtszeit im älteren Volkstum in den Gegenden, von denen ich schon gesprochen habe> überall aufgeführt wurden.
Das erste Spiel war das Paradeis-Spiel, das immer begonnen wurde zu spielen am ersten Adventssonntag, dann durch die Adventszeit hin- durch gespielt worden ist. Das zweite war dann das eigentliche Weihnacht-Spiel, das ungefähr vom letzten Adventssonntag bis Ende Januar gespielt wurde. Dann um die Zeit des Heiligen Dreikönigs-Festes wurde dieses dritte Spiel aufgeführt. Über die Geschichte dieser Spiele habe ich ja schon gesprochen. Ebenso habe ich mir erlaubt, einiges anzuführen über die Art und Weise, wie gespielt wurde. Aus welchem

Toespraak Dornach 27-12-1923 [2]
tijdens de kerstconferentie

Vandaag zijn we zo vrij om voor u het derde van de volkse spelen op te voeren die rond de kersttijd in oudere volkse streken waarover ik u heb verteld, overal werden opgevoerd. 
Het eerste spel was het Paradijsspel waarmee altijd werd begonnen op de eerste adventszondag, en dat werd gedurende de adventstijd gespeeld. Het tweede was dan het eigenlijke Kerstspel dat ongeveer vanaf de laatste adventszondag tot eind januari werd gespeeld. Dan werd rond de tijd van het feest van de heilige Drie Koningen dit derde spel opgevoerd. Over de historie van deze spelen heb ik het al gehad. En evenzo heb ik de vrijheid genomen iets op te merken over hoe er werd gespeeld. Ik wil nu

blz. 90

Geiste heraus dies geschehen möchte, will ich nur in wenigen Worten noch darstellen, gerade mit Bezug auf dieses Dreikönig- oder HerodesSpiel.
Auch bei ihm wird man sehen, wie beschauliche Frömmigkeit, in diesem Falle sogar außerordentlich feierliche Frömmigkeit, vereinbar ist mit einer gewissen Derbheit. Das ist überhaupt der Grundcharakter dieser Spiele und das ist um so interessanter, als eigentlich ein radikaler Unterschied ist zwischen dem Weihnacht-Spiel, das wir vorgestern auch vorgeführt haben, und diesem Dreikönig-Spiel Es ist auf eine unbegreifliche Weise geschehen, daß mein lieber alter Freund und Lehrer,
Karl Julius Schröer> diese zwei Spiele – das Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durcheinander gedruckt hat. Ich gebe zu, daß vielleicht schon durch eine ungenaue Überlieferung manches Ineinander- schieben der beiden Stücke irgendwie sich vollzogen hat. Aber ursprünglich sind die beiden Spiele – das eigentliche Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durchaus auch ihrem Ursprunge nach ganz voneinander verschieden.

met een paar woorden schetsen uit welke stemming dit moest gebeuren, juist wat betreft dit Driekoningen- of Herodesspel.
Ook hierin zie je, hoe contemplatieve vroomheid, in dit geval zelfs buitengewoon stemmige vroomheid, samenging met een bepaalde grofheid. Dat is eigenlijk wel de grondhouding in deze spelen en dat is nog interessanter dan dat er een uitgesproken verschil is tussen het Kerstspel dat we eergisteren ook opgevoerd hebben en dit Driekoningenspel. Onbegrijpelijkerwijs heeft mijn beste vriend en leraar Karl Julius Schröer deze twee spelen – het Kerstspel en het Driekoningenspel door elkaar gedrukt. Ik voeg eraan toe dat misschien wel door een niet precieze overlevering bepaalde dingen van de twee stukken op de een of andere manier in elkaar geschoven zijn. Maar van oorsprong zijn de beide spelen – het eigenlijke Kerstspel en Driekoningenspel – heel verschillend van elkaar.

Von diesem Dreikönig-Spiel habe ich selbst noch einiges, was auf die Art und Weise hinweist, wie es aufgenommen wurde da, wo es sich zeigte, gesehen. Die anderen Spiele, sie habe ich viel besprochen mit dem Auffinder derselben, mit Karl Julius Schröer, im Anfange der achtziger Jahre, und sie sind mir dadurch ganz gegenwärtig geworden. Immer mehr und mehr hat sich das dann ergeben, wie es mit diesen Spielen war. Aber von diesem Herodes-Spiel konnte man eigentlich in allen Gegenden Deutsch-Usterreichs um die Neujahrszeit bis zur Dreikönig-Zeit und darüber hinaus einfach die Leute sehen, wie sie als Drei Könige – auf die war die Sache reduziert -, Kaspar, Melchior und Balthasar, wie sie als diese Drei Könige mit dem Stern herumzogen und ganz ähnliche Lieder sangen, wie sie hier vorkommen.
Nun mache ich Sie darauf aufmerksam, daß die Struktur dieser Spiele eigentlich an allerälteste Dramatik erinnert. Wir haben überall darinnen die gemeinsamen Chöre, wie man sie im Volkstümlichen nannte: die Kumpaneigesänge, die eigentlich dasselbe darstellen – nur eben in spätvolkstümlicher Weise -, was der griechische Chor darstellt. Und dann haben wir herausgewachsen aus diesen Gesängen, die auch

Van dit Driekoningenspel heb ik zelf nog iets gezien wat teruggaat op hoe het opgevat werd toen het vertoond werd. Over de andere spelen heb ik begin van de jaren 1880 veel met Karl Julius Schröer, die ze ontdekte, gesproken en zo zijn ze voor mij heel erg gaan leven. Steeds duidelijker werd dan hoe het met deze spelen zat. Maar van dit Herodesspel kon je eigenlijk in alle Duits-Oostenrijkse streken rond de jaarwisseling tot aan de driekoningentijd en later de mensen zien die eenvoudig als de Drie Koningen – tot hen was de zaak teruggebracht – Kaspar, Melchior en Balthasar, hoe zij als deze drie koningen met de ster rondtrokken en net zulke liederen zongen die we hier hebben.
Nu wijs ik u erop dat de structuur van deze spelen eigenlijk doet denken aan de alleroudste drama’s. Overal zitten er gezamenlijke koren in, die in het volk het zingen van de kompanij genoemd werden, die eigenlijk hetzelfde betekenen – alleen op een manier die laat-volks is – als de Griekse koren. 
En uit deze gezangen die op zichzelf staand

blz. 91

für sich durchaus aufgeführt würden, das eigentlich Dramatisch-Dialogische und so weiter.
Nun, wenn ich von einem radikalen Unterschied der beiden Stücke sprach, so ist dieser nicht nur im Grundcharakter zu erkennen, sondern auch im Ursprung. Alles dasjenige, was Stil des Weihnacht-Spieles, des Christ-Geburt-Spieles ist, weist überall darauf hin, daß die eigentliche Pflege dieser Christ-Geburt-Spiele und wohl auch des Paradeis-Spieles von den Brüdergemeinden ausging und vor dem 16. Jahrhundert viel zahlreicher in Europa lebte, als man heute denkt. Überall waren solch christliche Brüdergemeinschaften, die insbesondere dasjenige auch in diesen dramatischen Darstellungen gepflegt hatten, was sich an den Grundstil des Lukas-Evangeliums anlehnt. Sie werden sozusagen den Grundton des Lukas-Evangeliums im Weihnacht-Spiel finden. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel, welche Sie heute sehen, ist von den Kirchen ausgegangen, von den Kirchenleuten, allerdings von solchen Kirchenleuten, die mit ihrer Seele ganz im Volkstum darinnensteckten. Und gerade dieses Dreikönig-Spiel ist urkatholisch, währenddem das Christ-Geburt-Spiel herrührt von, ich möchte sagen, den Vorläufern des Protestantismus.

uitgevoerd werden, ontstond dan weer de eigenlijke dramatische dialoog enz.
Nu, toen ik van een uitgesproken verschil tussen deze stukken sprak, is dit niet alleen te zien aan het grondkarakter, maar ook aan de oorsprong. Alles van de stijl van het Kerstspel, het Christusgeboortespel, wijst erop dat het eigenlijke verzorgen van deze Christusgeboortespelen en ook wel van het Paradijsspel uitging van de broedergemeenschappen en vóór de 16e eeuw veel meer voorkwam in Europa dan men tegenwoordig aanneemt.
Overal waren er van die christelijke broedergemeenschappen die met name ook deze toneelvoorstellingen verzorgden die teruggaan op het Lukasevangelie als basis. U zal, om het zo te zeggen, het grondkarakter van het Lukasevangelie in het Kerstspel terugvinden. Dit Driekoningenspel wat u vandaag gaat zien, is daarentegen uitgegaan van de kerken, van de kerkmensen, in ieder geval van hen die met hun ziel helemaal in dit volkse leefden. En met name dit Driekoningenspel is oer-katholiek, terwijl het Christusgeboortespel afkomstig is uit wat ik zou willen noemen, de voorlopers van het protestantisme.

Da, wo diese Spiele in Deutsch-Ungarn aufgeführt worden sind, waren Katholiken, Protestanten und alles durcheinander; da nahm man sie ganz interkonfessionell. Aber dem Ursprunge nach sind die eigentlichen Weihnachtspiele aus den Brüdergemeinschaften hervorgegangen, in denen es auch wunderschöne Bibelübersetzungen in einem ganz prachtvollen Deutsch gegeben hat. Es würde mir einmal Freude machen, sogar einige Stücke dieser älteren deutschen, wirklich wunderschönen Bibelübersetzungen vorzuführen, denn sie zeigen ganz deutlich, was es für eine Geschichtslegende ist, für eine unglaubliche Geschichtslegende, wenn überall tradiert ist, Luther habe zum ersten Mal die Bibel ins Deutsche übersetzt und die Sprache dazu erfunden, was gar nicht wahr ist, weil die älteren Übersetzungen, die man nur nicht kennt, viel schöner und viel eindringlicher sind, sogar den ursprünglichen Text viel besser treffen als die lutherische Übersetzung. Aus diesen Brüdergemeinden sind also ursprünglich auch diese Spiele hervorgegangen. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel trägt deutlich den katholischen

Waar deze spelen werden opgevoerd in Duits-Hongarije, leefden katholieken en protestanten door elkaar; heel interconfessioneel. Maar wat de oorsprong betreft zijn de eigenlijke kerstspelen uit de broedergemeenschappen voortgekomen waarin ook prachtige Bijbelvertalingen in een heel mooi Duits ontstonden. Ik zou het wel heel fijn vinden om eens een paar van deze oudere Duitse, werkelijk prachtig vertaalde Bijbelstukken op te voeren, want die laten heel duidelijk zien wat voor een geschiedenisverdichtsel het is, wat voor een ongelofelijk geschiedenisverdichtsel, wanneer overal doorverteld wordt dat Luther de eerste was die de Bijbel in het Duits heeft vertaald en de taal ervoor gevonden, wat helemaal niet klopt, omdat de oudere vertalingen die men alleen niet kent, veel mooier en veel sprekender zijn, zelfs de oorspronkelijke taal veel dichter naderen dan de vertaling van Luther. Uit deze broedergemeenschappen dus, zijn oorspronkelijk deze spelen gekomen. Dit Driekoningenspel echter heeft duidelijk een katholiek 

blz. 92

Charakter an sich, ist von Klerikern des Mittelalters herstammend, welche sich im Volkstum eingelebt hatten, und die durchaus auch das Interesse der Kirche mit fördern wollten.
Es trägt dagegen das Weihnacht-Spiel vor allem den Charakter des Anmutigen, während dieses Herodes-Spiel zum Teil den Charakter des Suggestiven trägt. Ich möchte sagen, es würde beim WeihnachtSpiel ganz entschieden stören, wenn man Weihrauch dabei hätte; das würde nicht volkstümlich sein. Dagegen würde es bei diesem Dreikönig-Spiel, das durch die Kleriker dargestellt wurde – Sie werden es verspüren -, gar nichts machen, wenn irgendwie auch Weihrauchgeruch bemerkbar würde, denn es ist außerordentlich viel Suggestives darin, das bei der Darstellung herausgeholt werden soll. Aber natürlich wußte die Kirche der früheren Zeit auch sehr, wi`e sie volkstümlich wirken kann. Daher ist auch da durchaus echtes Volkstum, schöne, wahre, volle Feierlichkeit verbunden mit volkstümlich Derbem, und vor allen Dingen etwas außerordentlich Tiefes, dem Volke zum Herzen Sprechendes.

karakter, is van de clerus van de Middeleeuwen die zich in het volksleven verdiepte en die zeer zeker ook de interesse van de kerk mede wilde doen toenemen.
Het Kerstspel daarentegen heeft veel meer het karakter van het liefelijke, terwijl dit Herodesspel voor een deel een suggestief karakter heeft. Ik zou zeggen dat het bij het Kerstspel zeer beslist storend zou zijn, wanneer men daar wierook bij zou gebruiken; dat zou niet volks zijn. Maar bij het Driekoningenspel daarentegen, dat door de geestelijken opgevoerd werd – dat zal u merken – zou het helemaal niet uitmaken wanneer je op de een of andere manier ook wierook zou ruiken, want er zit buitengewoon veel suggestie in, dat er bij een opvoering uit moet komen. Maar natuurlijk wist de kerk vroeger ook heel goed hoe ze volks zou kunnen werken. Vandaar dat beslist ook echte volksheid, mooie, echte, volle stemmigheid samengaat met volkse lompheid en bovenal met iets buitengewoon dieps wat tot het hart van het volk sprak.

Man darf daher auch dieses Dreikönig-Spiel, Herodes-Spiel schon als ein schönes Stück mittelalterlicher Geschichte ansehen, welches heraufgekommen ist bis ins 19. Jahrhundert herein am reinsten und unverfälschtesten in jenen Gegenden, wo die deutschen Kolonisten unter fremden Völkerschaften waren, wo sich nichts von der sogenannten Intelligenz und neueren Verbesserung von seiten des Klerus hineingemischt hat, so daß man also im Weihnacht-Spiel wie im Herodes-Spiel etwas hat, was im volkstümlich-künstlerischen dramatischen Stil, wie auch in dem Stil der volkstümlichen Frömmigkeit durchaus aus der vorreformatorischen Zeit stammt und die Geschichte des Christentums in Mitteleuropa, die Geschichte aus der vorreformatorischen Zeit, sehr schön vor uns wiedererstehen läßt.
Und damit das geschehen könne, was im Grunde ein Interesse vieler Menschenherzen sein muß, möchten wir diese Weihnachtspiele vor Ihnen aufführen.

Vandaar dat je ook dit Driekoningenspel, Herdesspel wel als een mooi stuk middeleeuwse geschiedenis kan beschouwen dat opbloeide tot in de 19e eeuw, op de meest pure en onvervalste manier in die streken waar de Duitse kolonisten onder vreemde volken leefden waar niets van zgn. intelligentie en modernere verbeteringen van de kant van de clerus zich mee vermengde, zodat je dus zowel in het Kerstpel als in het Herodesspel iets hebt wat in een volks-kunstzinnig dramatische stijl, als ook in de stijl van de volkse vroomheid zeker afkomstig is uit de voor-reformatorische tijd en de geschiedenis van het christendom in Midden-Europa, de geschiedenis van de voor-reformatorische tijd, heel mooi voor ons weer laat ontstaan.
En opdat het mogelijk wordt wat eigenlijk de interesse van de harten van de mensen zou moeten hebben, willen wij deze Kerstspelen graag voor u opvoeren. 

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2086-1958

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (9)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 08-01-1922  [2]

blz. 66

Toespraak Dornach 08-01-1922 [2]

Dieses Dreikönig-Spiel* gehört in die Reihe derjenigen christlichen Festspiele, welche vor jetzt etwa siebzig Jahren mein alter Lehrer und Freund Karl Julius Schröer in der Oberuferer Gegend gefunden hat, im westlichen Ungarn, in der Nähe von Preßburg. In dieser Oberuferer Gegend befinden sich in Ungarn eingestreut deutsche Dörfer, namentlich in slawischen Gebieten; Dörfer, welche in einem ausgiebigen Maße
die deutsche Sprache noch um die Mitte des 19. Jahrhunderts hatten. Die deutschen Stämme, welche dort saßen, gehörten den sächsischen Stämmen an, den gleichen Stämmen, denen auch diejenigen Deutschen angehören, die am Südrande der Karpaten, in der Zipser Gegend wohnen, die dann auch in Siebenbürgen wohnen. Andere deutsche
*    Die einleitenden Worte zu der Aufführung des Paradeis-Spieles und des Christ-Geburt-Spieles am 4. Januar 1922 liegen nicht in einer Nachschrift vor.

Dit driekoningenspel* hoort bij de serie van die christelijke feestspelen die mijn oude leraar en vriend Karl Julius Schröer zo ongeveer zeventig jaar geleden [vanaf 1922!] in de omgeving van Oberufer heeft gevonden, in het westelijke deel van Hongarije, in de buurt van Pressburg. In deze streek van Oberufer liggen in Hongarije vertrooid Duitse dorpen, met name in Slavisch gebied; dorpen waarin rond het midden van de 19e eeuw voornamelijk nog Duits werd gesproken.
Die Duitse stammen die daar zaten, behoorden tot de Saksische stammen, dezelfde stammen waartoe ook die Duitse stammen hoorden die aan de zuidrand van de Karpaten, in de omgeving van Zipsen wonen, ook in Siebenbürgen. Andere Duitse 

*Van de inleidende woorden bij de opvoeringen van het Paradijsspel en het Herdersspel op 4 januari 1922, bestaat geen dictaat.

blz. 67

Stämme sind die schwäbischen Stämme, die mehr im Banat wohnen. Es sind das diejenigen deutschen Stämme, welche im Verlauf des 15., 16. Jahrhunderts wahrscheinlich von westlichen Gegeiiden Mitteleuropas, sogar von Gegenden am Rhein, vom Siebengebirge noch Osten gezogen sind und sich als Kolonisten in den ungarischen Gebieten nie- dergelassen haben. Allerdings gerade in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts wurden ja diese Gebiete sehr gewaltsam magyarisiert, und das deutsche Eletnent ging zum größten Teil verloren und damit auch solche Volkstümer, wie diese Weihnachtspiele, das DreikönigSpiel und so weiter es sind.
Diese Spiele weisen uns in diejenigen Zeiten zurück, in denen sich über das ganze West- und Süddeutschland, auch über einen großen Teil der Schweiz, christliche Festspiele ausgebreitet haben. Wir können diese Festspiele bis in das 11., sogar bis in das 10. Jahrhundert zurück verfolgen. Als älteste Formen finden wir sie in den Kirchen aufgeführt, zum Weihnachtsfeste, wo die Krippe aufgestellt worden ist, und wo die Geistlichen selbst – zuerst in lateinischer Sprache – diese Festspiele aufgeführt haben. 

stammen zijn de Zwabische die meer in de Banaat wonen. 
Het zijn de Duitse stammen die in de loop van de 15e, 16e eeuw waarschijnlijk uit westelijke streken van Midden-Europa, zelfs uit de Rijnstreken, vanuit het Zevengebergte naar het oosten zijn getrokken en zich als kolonisten in de Hongaarse streken vestigden. Met name in de tweede helft van de 19e eeuw kwamen deze gebieden met geweld onder Hongaars gezag en ging het Duitse element voor het grootste deel verloren en daarmee ook het volksbezit zoals deze kerstspelen, het driekoningenspel enz.
Deze spelen wijzen ons terug naar tijden waarin zich over heel West- en Zuid-Duitsland, ook over een groot deel van Zwitserland, christelijke feestspelen verspreidden. We kunnen deze feestspelen tot in de 11e, zelfs in de 10e eeuw terug vervolgen. Als oudste vorm vinden we ze opgevoerd in de kerken, met Kerstmis, wanneer er een kribbe neergezet werd en waarbij de geestelijken zelf – eerst in het Latijn – deze feestspelen opvoerden. 

Für die damaligen Begriffe war dieses Aufführen in lateinischer Sprache ebensowenig störend, wie ja heute noch im Katholizismus das lateinische Messelesen nicht störend ist. Später trifft man solche Festspiele an, welche die Heilige Geschichte, die Geburt Christi, das Erscheinen der Hirten, der Heiligen Drei Könige und so weiter zum Gegenstande haben, allerdings dann in der Landessprache und zwar im Dialekt, nur noch mit lateinischen Ausdrücken durchsetzt. Sie werden dann später auch von Laien aufgeführt, nicht mehr von Geistlichen, wandern aus der Kirche an andere, öffentliche Orte, namentlich in Gasthöfe, wo sie dann von Laien dargestellt werden. Solche Festspiele hatten die von Westen nach dem Osten wandernden Stämme, diese Kolonisten, mitgenommen, und sie hatten sie wirklich wie ein Heiligtum verehrt.
Wenn im Herbste die Weinlese zu Ende war, sammelte derjenige, der die Manuskripte dieser Spiele hatte – das war in der Regel der An- gehörige einer wohlangesehenen Dorffamilie -, die jungen Burschen des Ortes. Frauen durften nicht mitspielen, nicht Mitdarsteller sein. Er sammelte die Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, und 

Voor het toenmalige begrip was het opvoeren in het Latijn net zo min storend als nu het lezen van de mis in het Latijn in het katholicisme dat is. Later tref je die spelen aan die het heilige verhaal, de geboorte van Christus, de komst van de herders, de heilige drie koningen enz. tot onderwerp hebben, uiteraard in de landstaal en dat dan in het dialect, alleen met wat Latijnse uitdrukkingen. Later werden ze dan ook door leken opgevoerd, niet meer door geestelijken, en niet meer in de kerk, maar op publieke plaatsen zoals herbergen, daar werden ze door leken opgevoerd. 
Dergelijke spelen waren door de stammen die van het westen naar het oosten trokken, deze kolonisten, meegenomen en zij hebben ze werkelijk als een heilig iets vereerd.
Wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, riep degene die de mansucripten van deze spelen in zijn bezit had – dat was als regel een lid van een aanzienlijke dorpsfamilie – de jonge knapen van de streek bij elkaar. Vrouwen mochten niet meespelen, er geen deel vanuit maken.
Hij riep de jongens van de streek bijeen die hij geschikt vond en studeerde

blz. 68

studierte durch Monate hindurch bis zur Weihnachtszeit hin diese Fest- spiele mit ihnen ein. Die ganze Inszenierung dieser Sache war eine außerordentlich feierliche. Es gab von dem Lehriheister verfaßte und den Burschen in die Hand gegebene strenge Vorschriftsmaßregeln, denen sich jeder zu fügen hatte. Sie mußten zum Beispiel – so wird betont in diesen Vorschriften – während der ganzen Zeit sich des Trunkes enthalten; sie mußten ein moralisches Leben führen; und ähnliche Vorschriften hatten sie zu erfüllen, die wirklich etwas Außer- ordentliches bedeuteten gerade innerhalb der Dorfgemeinde. Man sah also dem Herannahen dieser Festspiele wirklich in feierlicher Stimmung entgegen. Und wenn die Aufführungen kamen zu Weihnachten, am Dreikönigstag, da versammelte sich dann die Bewohnerschaft des Ortes in den entsprechenden Gasthöfen. Es wurden die Bänke an die Wand gestellt und in der Mitte des Saales wurde dann die Sache aufgeführt.
Wir haben versucht, soweit es bei unseren Verhältnissen geht, die Art und Weise nachzuahmen, wie die Aufführung gerade innerhalb des Volkstums stattgefunden hat. 

maanden lang tot aan Kerstmis deze spelen met hen in. Alles rondom de organisatie was iets buitengewoon feestelijks. De leermeester had strenge voorschriften opgesteld en die werden aan de jongens gegeven en zij moesten zich aan alles houden. Ze mochten bv. – dat werd in die voorschriften benadrukt – geen alcohol drinken; ze moesten een moreel leven leiden; aan dergelijke voorschriften moesten zij zich dus houden en die betekenden werkelijk iets buitengewoons binnen deze dorpsgemeenschappen. Men leefde daadwerkelijk in een feestelijke stemming naar deze feestspelen toe. En wanneer de opvoeringen met Kerstmis, op driekoningendag plaatsvonden, dan kwamen de bewoners van die streken in de herberg bij elkaar. Er werden banken tegen de muren gezet
en in het midden van de zaal werd er opgevoerd. 
Wij hebben geprobeerd, in zoverre dat onder onze omstandigheden gaat, de manier waarop de opvoeringen binnen de volksgemeenschap plaatsvonden, na te doen.

Alles läßt sich natürlich nicht nachahmen, vor allen Dingen nicht die Anordnung, wie sie im Gasthof war; wir wählen die bühnenmäßige Anordnung. Aber in allem übrigen sind wir, soweit es möglich ist auf die Überlieferung einzugehen, der Forderung nachgekommen, die Spiele so vor das Publikum der Gegenwart hinzustellen, daß man schon einmal eine Vorstellung von der Art und Weise bekommen kann, wie solche Festspiele aufgeführt worden sind.
Ein anderes, das ich besonders betonen möchte, ist dieses, daß sich in diesen Spielen beobachten läßt, wie eine wirklich fromme Stimmung, eine an die Heilige Geschichte hingegebene, feierliche Stimmung, sich überall mit Humor vereinigt, der hineinspielt. Der Teufel zum Beispiel ist überall der böse Feind der Menschen, aber zugleich eine lustige Person. Und in ähnlicher Weise spielt der gesunde Humor, ein gesunder Volkshumor in die feierliche, religiöse Stimmung hinein. Das ist dasjenige, was besonders betont werden muß aus dem Grunde, weil gerade diese Seite in der Volksfrömmigkeit in diesen Gegenden vorhanden war, und -sie sich bei den deutschen Kolonisten Ungarns bis ins 19. Jahrhundert hinein so erhalten hat, daß in dieser religiösen

Alles kan natuurlijk niet, vooral niet zoals het in de herberg toeging; wij kiezen voor een toneel. Maar bij al het andere zijn wij, voor zover dat mogelijk is, met de overlevering meegegaan, om aan de eis te voldoen de spelen voor het publiek van nu, dat dit een voorstelling kan krijgen van hoe dergelijke feestspelen opgevoerd werden.
Iets anders waar ik in het bijzonder de nadruk op wil leggen, is dat je in deze spelen kan waarnemen, hoe een echte vrome stemming, een die toegewijd was aan het heilige verhaal, een feestelijke stemming, overal samengaat met humor die er ook inzit. De duivel bv. is overal de boze vijand van de mensen, tegelijkertijd een vrolijk personage. En op eenzelfde manier speelt de gezonde humor, een gezonde volkshumor een rol in de feestelijke, religieuze stemming.
Dat moet in het bijzonder benadrukt worden omdat deze kant van de volkse vroomheid in deze streken leefde en bij de Duitse kolonisten in Hongarije tot in de 19e eeuw zo aanwezig bleef, dat in deze religieuze

blz. 69

Volksstimmung keine Sentimentalität vorhanden war, sondern eine naive Ursprünglichkeit, die selbst das Erhabenste mit dem Humor durcheinanderspielen läßt.
Wir haben in diesen Festspielen etwas, was in einer viel anschaulicheren Weise, in einer viel lebendigeren Weise als sonst irgendwie, Zeiten, die nun schon seit Jahrhunderten vergangen sind, wieder auferstehen läßt vor uns. Das 15., 16. Jahrhundert steht wieder vor uns auf. So daß wir versuchen müssen, auch den Dialekt in entsprechender Weise festzuhalten, und, so gut es geht, versuchen müssen, diese Stücke auch in demjenigen Dialekt wiederzugeben, in dem sie dann im 19. Jahrhundert in den deutschen Gegenden Ungarns gespielt worden sind. Gerade aus dem Grunde, weil da ein Stück Geistesleben aus früherer Zeit vor die gegenwärtig Lebenden wieder hintreten kann, machen wir es uns innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft zur besonderen Aufgabe, diese Spiele vor die Oöffentlichkeit zu bringen.
Es sind dann später viele solche Weihnachtspiele auch aus anderen Gegenden gesammelt worden. Man sammelte sie dann zum Beispiel in Schlesien, wo Weinhold außerordentlich viel dafür getan hat; dann aber wurden sie auch bis in die Pfälzischen Gegenden hin gesammelt. 

volksbeleving geen sentiment zat, maar een naïeve oorspronkelijkheid die zelfs het meest verhevene met humor samen liet gaan.
In deze feestspelen hebben we iets wat op een veel aanschouwelijkere manier, op een veel levendigere manier dan iets anders, wat dan ook, weer tijden voor ons doet herleven van eeuwen geleden. De 15e, 16e eeuw herleeft weer voor ons. Zodat we moeten proberen ook het dialect op de manier die erbij hoort, vast te houden en zo goed als gaat, moeten proberen deze stukken ook in dat dialect op te voeren waarin ze dan in de 19e eeuw in de Duitse streken in Hongarije werden gespeeld. Juist omdat hier een stukje geestesleven uit vroegere tijden dichterbij kan komen voor wie nu leeft, stellen wij ons binnen de Antroposofische Vereniging het bijzondere doel deze spelen in de openbaarheid te brengen.
Later zijn er nog veel van dergelijke spelen, ook uit andere streken, verzameld. In Silezië bv., waar Weinhold* buitengewoon veel in deze richting heeft gedaan; ze werden dan ook verzameld tot in de streken van de Palts.

*Weinhold: Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Weihachts-Spiele und Lieder aus Süd-deutschland und Schlesien’, mit Einleitungen und Erläuterungen. 1875, Wenen, uitgeverij Wilhelm Braumüller.

Und es war so merkwürdig, daß der Grundcharakter und Grundinhalt im wesentlichen bei allen diesen Spielen derselbe ist; sie sind nur durch den Dialekt verschieden, so daß man also sieht: das ist gemeinsames Geistesgut von der zweiten Hälfte des Mittelalters, welches in unsere heutige Zeit heraufragt. Und es darf vielleicht gerechtfertigt sein, gerade in einer solchen Weise, wie wir es tun, vor die gegenwärtige Menschheit hinzutreten, weil dieses Volksgut verschwindet. Innerhalb der Dorfgemeinde ist natürlich nicht mehr die Stimmung vorhanden, in der gleichen Weise wie früher dieses Volksgut zu pflegen. Aber der von mir genannte Karl Julius Schröer, der in den vierziger, fünfziger Jahren diese Sachen gesammelt hat, hat mir oftmals erzählt, welchen tiefgehenden Eindruck diese Auferstehung alten Volkstums, dargestellt von den Bauern, die im Besitze dieser Stücke waren, auf ihn machte. Das ist dasjenige, was mich bewog, schon vor Jahren die An- regung zu geben, diese Spiele gerade innerhalb unserer Gesellschaft für ein weiteres Publikum aufzuführen. Und aus dieser Anregung

En het was zo opvallend dat het basale karakter en de basale inhoud in wezen bij al deze spelen dezelfde is; ze verschillen alleen door het dialect, zodat je dus ziet: het is een gemeenschappelijk geestesgoed uit de tweede helft van de Middeleeuwen, dat in onze tijd zichtbaar wordt. En het kan misschien gerechtvaardigd zijn, juist op de manier waarop wij het doen, voor de mens van nu op te treden, omdat dit volksgoed verdwijnt. Binnen de dorpsgemeenschap bestaat die stemming natuurlijk niet meer om dit volksgoed net zo te behandelen als vroeger.
Maar Karl Julius Schröer, die ik net noemde, die ze in de jaren veertig en vijftig [19e eeuw] verzamelde, vertelde mij vaak, wat een diepe indruk dit herleven van het oude volkse, vertoond door de boeren die in het bezit waren van deze stukken, op hem maakte. 
Dat bewoog mij ertoe, al jaren geleden, de stimulans te geven om deze spelen juist binnen onze vereniging voor een groter publiek op te voeren. En uit deze stimulans

blz,.70

heraus haben wir in den verflossenen Tagen das Weihnacht-Spiel und das Paradeis-Spiel aufgeführt, und werden uns erlauben, heute das Dreikönig-Spiel oder Herodes-Spiel so, wie es in den fünfziger Jahren in den Gegenden von Preßburg bei den deutschen Kolonisten aufgeführt worden ist, vor Sie hinzustellen.

hebben wij de afgelopen dagen het Kerstspel en het Paradijsspel opgevoerd en nu nemen we de vrijheid om het Driekoningenspel of Herodesspel voor u op te voeren, zoals het in de jaren vijftig in de streken rond Pressburg bij de Duitse kolonisten opgevoerd werd. 

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2083-1955

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspel

.

Pieter HA Witvliet
.

KERSTSPEL IN JIP-EN-JANNEKETAAL
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Kerstspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect.
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Kerstspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Driekoningenspel – is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.

Daarmee zouden de klachten over de verstaanbaarheid tot het verleden moeten gaan behoren.

En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!

KERSTSPEL

Lied bij binnenkomst:

Seegnen wilt ons binnengaen,
Wil ons zegenen als we naar binnen gaan,
onsen uytganck, heer, daerneven.
maar ook, Heer, als we weer naar buiten gaan.
Seegnen wilt ons gaen ende staen,
wil ons doen en laten zegenen,
’t daeglycx broot end’ allet leven.
het dagelijks brood en heel het leven.
Seeghent ons mit salig sterven,
Zegen ons met een zalig sterven,
laet uw hemel ons beërven.
laat ons in de hemel komen.

Sterrenzanger:

Goe sangersluyden mijn versaemelt man aen man
Mijn goede zangers verzamel man aan man
kreck als de spieringh in de pan.
net zoals spiering in de pan.
Goe sangersluyden mijn posteert u in den kringhe,
Mijn goede zangers ga eens in een kring staan,
Wy willen ons de wyle corten mit singhen.
Wij willen de tijd bekorten met zingen.
Goe sangersluyden mijn, laet u oock dapper horen,
Mijn goede zangers, laat u ook dapper horen,
bringhenm’ efter ons comp(e)lement van te voren.
Laten we eerst onze groet brengen.
Groetenme God vader in sijnen troon
Laten we Godvader groeten op zijn troon
en groetenme synen eenighsten soon.
en laten we zijn enige zoon groeten.
Groetenme den eenighen geest mit naôme
En laten we vooral de enige geest groeten
en groetenmens al gedrie te saômen.
En laten we ze alle drie samen groeten.
Groetenme Josef en Maria reyn
Laten we Jozef en de reine Maria groeten
en groetenme dat klene kindekyn.
en laten we dat kleine kindje groeten.
Groetenme oock os end’ eselken
laten we ook de os en het ezeltje groeten
die daor staene by het krebbeken.
die daar bij het kribje staan.
Groetenmens deur son- ende maneschyn
Laten we ze d.m.v. de zonne- en de maneschijn groeten
dwelc lighten al over see en over den Rijn.
waarvan het licht helemaal over de zee en de Rijn schijnt.
Groetenmens deur kruydeken ende bladt,
Laten we ze d.m.v de kruiden en het blad groeten,
d’heylighe regen maakt so u als myn algaôre nat.
de heilige regen maakt zowel u als mij heel graag nat.
Groetenme de keyser die gebiedt over veulen,
Laten we de keizer groeten die over velen regeert,
groetenme de meester diet klaôr can speulen.
laten we de meester groeten die het zuiver kan spelen.
Groetenme onse geestelicke heeren
Laten we onze geestelijken groeten
wyl datme ’tspul mit haor permissie dorften leeren.
omdat we het met hun toestemming mochten instuderen.
Groetenme de schepenen mitten schout,
Laten we de schepenen groeten met de schout,
want yederse in eere houdt.
want die moet ieder wel in ere houden.
En groetenme de gantsche agtbaôr gemeent
En laten we alle mensen groeten
so mit mekanderen hier syn vereent.
die hier zo bij elkaar zijn gekomen.
Groetenme de vroetschap, agtbaôre en geëert,
Laten we de gemeenteraad groeten, achtbaar en geëerd
daor toe God se heyt verordineert.
dat heeft God hun bevolen.
Groetenmens deur d’wortelkens so in der eerde staon
Laten we ze d.m.v. de worteltjes groeten die daar in de grond staan
sonder één wortelken over te slaôn.
zonder één worteltje over te slaan.
Goe sanghersluyden myn, laewet anders beginnen:
Mijn beste zangers, laten we wat anders gaan doen:
de star willenme toe gaôn singen.
we gaan de ster bezingen.
Groetenme de star heur stange
Laten we de staf van de ster groeten
daor onse starre an doet hanghen.
waar onze ster aanhangt.
Groetenme de star heur scheer
Laten we de schaar van de ster groeten
daor de starre an reysen doet op ende neer.
daarmee gaat de ster op en neer.
Groetenm’ oock de houtjens één voor één
Laten we ook een voor een de houtjes groeten
die houwen onse starre byeen.
die houden onze ster bij elkaar.
Goe sangersluyden mijn hebt heuren connen
Mijn goede zangers, jullie hebben kunnen horen
datme de star hebben ânegesonghen.
dat we we de ster hebben toegezongen.
Groetenme onsen meester sangher goet
Laten we onze goede meesterzanger groeten
en groetenme den meestersangher syn hoet.
en laten we de meesterzanger zijn hoed groeten.
Groetenme eveleens onsen meester weert
Laten we eveneens onze waardevolle meester groeten
naedien hy mit Gods hulpe ons‘t heyt geleert.
want hij heeft het ons met Gods hulp geleerd.
Goe sangersluyden myn hebt heuren connen
Mijn goede zangers je hebt kunnen horen
hoe datme dit als hebben ânegesongen.
hoe we dit allemaal hebben bezongen.

Lied:

Toen het woort wierdt vervult
Toen het woord in vervulling ging
so God verkondight hadt,
dat God had verkondigd,
quam daer een enghel snel,
kwam er meteen een engel
van naôme Gabriël,
die Gabriël heette,
tot Nazareth, die Stadt
tot de stad Nazareth
Int land Galileea;
in het land Galilea;
teener maecht, Maria,
tot een maagd, Maria,
God hem henen sendt.
zond God hem.
Was met Josef ondertroud,
ze was met Jozef in ondertrouw
geen man en heeft bekend.
ze had nog nooit een man gehad.

Engel:

Weest gegroet ghy begenadigde!
Wees gegroet, begenadigde!
God den heer is met u!
God de heer is met je!
Ghy syt geseghend onder de vrouwen!
Je bent gezegend onder de vrouwen!
want ghy sult bevrugt worden
want je zal bevrucht worden
en eenen soon baeren
en een zoon baren
en sult synen naem heeten Jesus!
en je moet hem Jezus noemen!
En hy sal over syn volck conick syn in der eeuwicheyt.
en hij zal tot in de eeuwigheid koning over zijn volk zijn.

Maria:

Hoe sal dat wesen,
Hoe kan dat,
dewijl ick geenen man en bekenne?
als ik geen man heb gehad?

Engel:

Siet, ick ben den enghel Gabriël
Kijk, ik ben de engel Gabriël
Soot u verkondigt:
die je dit aankondigt:
de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen.
de kracht van de allerhoogste zal over je komen.
Daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wordt
daarom ook is het heilig wat uit jou geboren wordt
sal Gods sone genaemt worden.
en zal Gods zoon worden genoemd.
En siet, Elisabeth uwe nighte
En kijk, Elisabeth, je nicht
is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom
is zelf ook bevrucht en krijgt in haar ouderdom een zoon
en dese maend is haer,
en zij is deze maand al zes maanden zwanger,
die onvrugtbaer genaemt was, de zesde.
terwijl men zei dat ze onvruchtbaar was.
Want geen dingh en sal bij God onmoogelyck sijn.
Want bij God is niets onmogelijk.

Maria:

Siet de dienstmaecht des heeren,
Zie de dienstmaagd van de heer,
my geschiede nae uw woort.
laat gebeuren wat u zegt.

Lied:

Als Maria joncfrou reyn,
Toen Maria, de reine maagd,
swanger wierdt bevonden
zwanger bleek te zijn
nae het woort der profecy’n
volgens het woord van de voorspelling
dwelc God deet vermonden,
dat door God gesproken was,
liet Augustus naerstelyc
hield Augustus met grote voortvarendheid
tvolk bescryven in syn ryck.
een volkstelling in zijn rijk,
Geen en dorft bestryen.
Daar mocht geen mens zich tegen verzetten.
Daer gongck yeder nae de stadt
Toen ging iedereen naar de stad
alwaer hij oorspronck hadt,
waar hij vandaan kwam,
moestet willigh lyen. 
moest het maar gewillig ondergaan.

Engel:

‘k Treet voor uluyden sonder spot;
Zonder te spotten treed ik voor u op!
goên avond saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond,
een goên avend ende geseeghende tyt
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
mag ons van daarboven toegezegd zijn.
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoeren,
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
Wat u hier gaat bekijken
is niet versintsel van onsliên,
hebben wij niet bedacht,
noch oock van heidens uytgedocht
en het is ook niet door ongelovigen bedacht
maer deur de heylige scrift gebrocht:
maar door de Bijbel gebracht:
van hoe Jesus Christus ter waerelt quam,
over hoe Jezus Christus ter wereld kwam,
twelk grote quaden van ons nam.
wat veel kwaad van ons wegnam.
So gy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren,
swiyght stil en opent wijdt u ooren.
wees dan stil en luister
goed.

Lied:

Keyser Augustus teersten liet
Keizer Augustus liet als eerste
bescryven elck in syn gebied.
ieder zich in zijn eigen streek inschrijven.
dies Josef, synd uyt Davids stam,
vandaar dat Jozef uit de stam van David,
is opgegaen nae Judeam.
naar Judea is gegaan.

Maria jonckfrou toogh mit hem
De maagd Maria ging met hem mee
tot syne stadt, hiet Bethlehem.
naar zijn stad Bethlehem.
en als sy quamen tsaem daerbij,
en toen ze daar samen aankwamen,
Maria’s soon dien baerde sij.
Baarde Maria haar zoon.

 Jozef:

Keyser Augustus heeft een gebod gegheven
Keizer Augustus heeft bevolen
dat allet volck tesaem sal syn bescreven
dat heel het volk geteld moet worden
end elck van stonden aen sonder respyt
en iedereen van nu af zonder uitstel
tot brenghen van tribuut hemself bereyt.
zelf belasting moet gaan betalen.
Wyl nu voor onse nootdruft wierd besteet
Omdat nu het geld dat ik opzij gelegd had,
het geldt so ick terzyde legghen deed,
opgemaakt wordt aan wat we nu nodig hebben,
rest ons temet geen duyt noch penninc meer;
hebben we bijna geen rooie cent meer,
alsulck ellend geclaegt sy God de heer.
God nog an toe, wat een ellende.
k En weet oock geen middel hoe geldt te bekomen,
En ik weet ook niet hoe ik aan geld moet komen,
myn kragten hebben of genomen,
ik heb ook niet zoveel kracht meer,
het hantwerck wierd me alree te swaer:
het handwerk werd me ook al te zwaar:
dat wil my bedroeven voor ende naer.
daar heb ik echt steeds veel verdriet van.
Alevel willic sonder draelen
En toch wil ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus deze belasting betalen
na skeysers wille en gebod
zoals de keizer dat wil.

Maria:

O Josef en laetet u niet verdrieten,
Ach Jozef, wees er nou niet verdrietig onder,
die som salmen wel veur willen schieten;
dat bedrag zullen ze wel voor willen schieten;
ik spreecker een vrund aan te morghen,
ik zal morgens eens een vriend vragen,
syt hierom sonder sorghen.
zit er nou maar niet overin.

Jozef:

Maria, wie isser so wel gestelt
Maria, wie is er zo welgesteld
om ons verstrecken so veul geldt?
om ons zoveel geld te kunnen geven?
de schaerschte heerscht aan alle kant.
er is overal tekort.
Wy willent legghen in Gods hant.
We laten het maar aan God over.

Maria:

Als geenderlei midd’len te vinden syn,
Als er helemaal geen oplossing komt,
dan bindenme ‘tosjen an de lyn
dan moeten we het osje maar aanlijnen
en leydent nae Bethlehem met spoet
en dan brengen we het maar vlug naar Bethlehem
alwaer Augustus ons heentyen doet,
waar we van Augustus naartoe moeten,
laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen
dan verkopen we daar voor niet al teveel
so macht noch goet afloopen.
dan komt het misschien toch goed.

Jozef:

Soome veur de beschryvinck het osjen geven,
Als voor het inschrijven het osje eraan geven,
hoe onderhouwenme verder ons leven?
hoe blijven we dan verder in leven?
Daer op ick al hope ende heul had gebout
waar ik nou zoveel van verwachtte
om een kleynicheyt het vercoopen soud’?
om dat nou voor een kleinigheid te verkopen?
Edoch, waert geldt van noode is
Maar ja, als er geld nodig is
het minste quat geboden is.
moeten we maar het minst slechte kiezen.
Maria het ezslken bringt ereis aen,
Maria, haal het ezeltje maar,
ick sal mettet osjen nevens u gaen. 
dan loop ik naast je met het osje.

Maria:

Comen wy nu ter stadt so meteenen,
Als we nu straks in de stad aankomen,
waer bringhenme os ende ezelken henen?
waar brengen we dan de os en het ezeltje naartoe?

Jozef:

Een man is my aldaer bekent,
Ik ken daar iemand,
Rufinus, houdt een losament;
Rufines die heeft daar een herberg;
daer sullenme ondercoomen vinden,
daar vinden we wel onderdak,
os end’ eselken in den stalle binden. 
de os en de ezel binden we vast in de stal.

Maria:

So efter vreemden waren gecomen
Maar als er nou eens vreemdelingen aangekomen zijn
en al de plaetse waer’ in genomen?
en alle plaatsen bezet zijn?
Wyl dat veul volcs van alderhant wys,
omdat er allerlei mensen
slagh ende soort alsnu nae Bethlem reyst.
nu op reis zijn naar Bethlehem.

Jozef:

Maria, ick sien de stadt op daegen,
Maria, ik zie de stad opdoemen,
wy willen‘t vee een weinigh jaegen,
we zullen het vee wat opdrijven,
dat niet de poorte quam te sluyten
dat de stadspoort niet gaat sluiten
enm’ overnachten mosten daar buyten. 
en we erbuiten moeten overnachten.

Maria:

O Josef en haest so ras niet voort,
Ach Jozef, loop niet zo hard,
het gaen my swaerder en swaerder wort,
het lopen gaat steeds moeilijker worden,
de baen is ach so gladt van ys:
de weg is zo glad door het ijs;
ik vreze te vallen telken reis.
ik ben iedere keer bang dat ik val.
Van coude syn my de leden bevaên,
Mijn armen en benen zijn heel koud geworden,
ick vreze het mogt my qualyk vergaen.
ik ben bang dat het slecht met me afloopt.

Jozef:

Tavond wenme ons wit bereycken
Wanneer we er vanavond zijn
Sullenme soetjens de leden bestrycken
zullen we met warme doeken je armen en benen wrijven.
met doecken so heet. Maria, siet aen,
Maria, kijk eens,
alreets wy voor die herberghe staen.
we staan al voor de herberg.
God gheef u genavend myn goe Rufyn,
God geef’ u een goede avond, beste Rufijn,
meugenme te naght in u herberghe syn?
mogen we vannacht in je herberg zijn?
Wy coomen moey van langhe toght,
We hebben een vermoeiende tocht achter de rug,
so als elck reysersman wel kennen moght.
dat weet iedere reiziger wel.
De nypende cou heyt ons bitter gequelt,
We hebben veel last gehad van de bittere kou,
de snerpende windt het gesicht schier ontvelt.
door de snijdende wind hebben we bijna geen vel meer op ons gezicht.

Rufinus:

Vriendt, wilt uw gaodingh elder soeken,
Vriend, zoek je heil maar ergens anders,
hier is t beset in allen hoecken
hier is elk hoekje bezet
van kelder tot solder, vroegh ende spâ:
van kelder tot zolder, vroeg en laat
het is so waôr als ick hier stae.
zo waar als ik hier sta.
Myn losament omt seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek,
een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort. 
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Nu en ken ik lacie geen ander man
Nu ken ik helaas niemand anders
so ons behulpigh wesen can.
die ons kan helpen.
Doch laet ons hierom niet versaghen
maar laten we hierdoor niet de moed verliezen
en voort op nieus een poginck wagen,
en het nog een keer proberen,
den gebuere bidden met heuschen groet
de buurman eens beleefd groetend vragen
of hy bygeval ons beherbergen doet. 
of hij ons misschien onder kan brengen.
Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen
Mijn vriend wil ons onderdak geven
datm’ een wyltyds gerusten connen.
dat we een poosje kunnen uitrusten.

Servilus:

Wat moetghe hier, ghy mit u wyf?
Wat moet jij hier met die vrouw?
Blyft bedelvolleck my vant lyf!
Ik moet geen bedelvolk aan mijn lijf!
Van andren hebbic meer gewin,
Aan anderen verdien ik meer,
landloopers laetmen hier niet in.
landlopers worden hier niet binnengelaten.
Wech van myn deur en packt u voort
Weg! Opgehoepeld
dat ghy my langer niet en stoort.
dat jullie me hier niet langer storen.

Maria:

Erbarmen mooch hem den rycken God
Dat de machtige God medelijden met hem heeft
datme henen gaene met sulcken spot,
dat we met zo’n spot moeten vertrekken,
van coude end’ angst ‘et besterven,
het besterven van kou en angst
geen toevlugt en meugen verwerven.
en geen onderkomen kunnen vinden.

Titus:

Myn goede vrou waer toe dit claegen,
Beste vrouw, waarom klaag je zo?
wat sytghe al sozeer verslaegen?
waarom ben je zo terneergeslagen?
Ghy siet daer is geen plaets hierbinnen,
Je ziet dat daarbinnen geen plaats is,
‘t huys tot de nok vol vreemdelingen.
het huis zit tjokvol vreemdelingen.
Doch coomic u gheerene temoet:
Maar ik kom je graag tegemoet:
gaet in den stal, daôr sit gy goet.
ga maar in de stal, daar zit je goed.

Maria:

Ach baeslief, ons ist eenerley
Ach beste man, het is ons om het even
oft beddeken hart ofte sagte sy
of het bed nu hard is of zacht
solanckme voor sneeujagten blyven bewaert,
zolang ons de sneeuwjacht maar bespaard blijft,
ons geen moordende windt deur de leden en vaert.
en niet de moordende wind door onze ledematen gaat.

Titus:

Treet dan getroost in elck geval
Kom dan een beetje opgefleurd in ieder geval
tot myn huys leegh is, in den stal.
tot mijn huis leeg is, in de stal,

Lied Jozef:

O jonckvrou reyn, 
O reine jonkvrouw,
in ginsche krebbe also kleyn
in die kleine kribbe daar
mit God wy moeten slaopen,
we moeten slapen met God,
want hy heeft ons geschaepen.
want hij heeft ons geschapen.
O jonckvrou reyn, o jonckvrou reyn.
O reine jonkvrouw.

Maria zingt:

Ach Josef myn,
Ach mijn Jozef,
ghy moet veur myn den trooster syn:
jij moet me troosten:
myn smerten syn toe genomen,
de pijn is erger geworden,
de uure is dra gecoomen,
het uur is weldra aangebroken
het kindekyn, o Jesulyn.
het kindje, o kleine Jezus.

Jozef:

Mettet kriecken van de uchtend gae
Morgen als het dag wordt
ick totten slagter in Kana:
ga ik naar de slager;
ons osjen sallick hem offreeren,
ik zal hem ons osje aanbieden,
sien wat hy hier voor uyt wilt keeren
kijken wat hij ervoor geven wil
daermet ick meughe sonder draelen
zodat ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus die belasting kan betalen
na ‘s keysers wille en gebod.
volgens wil en wet van de keizer.

Maria:
Bringht wel het dierken so veul op
Brengt het diertje wel zoveel op
dattet geld tons langht?
dat het geld genoeg is?

Jozef:

Hierop betrouwt:
Daar moeten we maar op vertrouwen:
‘tcan syn alsdat ick iet overhoudt.
’t kan zijn dat ik wat overhoud.

Maria:

Ach Jozef, ’t uur is reets op handen
Ach Jozef, nu is her uur aangebroken
dattick verlost worde van myn banden,
dat de bevalling gaat beginnen,
naby is de gheboorte tyt
de tijd van de geboorte is dichtbij
daer van Gabriël my heeft aangeseyd.
die Gabriël aan mij heeft gezegd.

Hieromme bid den kasteleyn
Vraag de kastelein hierom
oft wyi n syn losament mogten syn.
of we in zijn herberg mogen.

Jozef:

Maria hoe sou hy die gonst verleenen
Maria, hoe zou hij ons dat gunnen
naedienme te veul begeeren mit eenen?
als we meteen teveel vragen?
Doch willick totten waed gaen opterstond
Maar ik ga meteen naar de herbergier
en sien in syne woninck rond
en eens in zijn huis kijken
oft niet een hoecksken over en waere. 
of er niet een plekje over is.

Baes Titus daer wierd ons een kind geboren;
Baas Titus, er is een kind bij ons geboren
‘tister van nagt bykans bevroren,
’t is vannacht bijna bevroren,
dies biddic u wilt ons toestaen
daarom vraag ik u of het goed is
in u losament binnen te gaen.
dat we in de herberg komen.

Titus:

Waerlyk vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren
Ect vriend, dat gunde ik je graag
als niet kreck tweu dousyn gecoomen en waren.
als er niet net twee dozijn bij waren gekomen.
Houden alle hoecken en gaeten beset,
Die zitten in elk hoekje en gaatje,
siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt.
kijk zelf maar hoe je je met dat kind redt.
Myn losament om t seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek
een waert van myn postuur comt immer plaets te dort.
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Maria ons bidden is al verloren,
Maria het vragen heeft geen zin,
we blyven in den stal gelyk tevoren.
we blijven gewoon in de stal.
maer dattet kind niet koud en hebbe
maar omdat het kind het niet koud moet krijgen
legh’t tussechn os en eselke in de krebbe.
leggen we het tussen de os en ezel in de kribbe.

Maria zingt:

Ach Josef myn, 
Ach Jozef, 
hoe ontrou can de waerelt syn!
hoe ontrouw kan de wereld zijn!
met schande boven maten
het is een grote schande

ons inden stalle te laeten.
om ons in de stal te laten.
O Josef myn;
Ach Jozef;
o Josef myn!
ach Jozef!
Een handeken hooys reick, Josef, my,
Geef mij eens een handje hooi, Jozef,
dattick het kind een beddeken sprey.
dat ik voor het kind een bedje kan maken.

Jozef zingt:

Myn hert en wil, myn gantsch gemoet
Mijn hart en wil, mijn hele ziel,
staen al nae u myn sone goet.
richt ik op jou, mijn goede zoon.

Maria zingt;

O Josef myn,
Ach Jozef,
wiegter met myn het kindelyn:
wieg met mij het kindje:
God sal temet vergelder syn.
God zal je er weldra voor belonen.
O Josef myn, o Josef myn.
Ach Jozef, Jozef

Jozef zingt:

So geern, so geern, goe Mario,
Heel graag, heel graag, Maria
staen ick u by, het sij also,
help ik je, zo is het,
ick wil wel wiegen dat kinde dyn,
ik wil dat kindje wel wiegen,
God sal temet vergelder syn,
God zal het weldra belonen
Mario, Mario!
Maria, Maria!

Maria zingt:

O Josef, Maria’s enghelyn
Ach Jozef, Maria’s engel
nu is aldra, singt gloria,
inu is weldra, zingt het gloria,
de minne daer binnen getoghen
de liefde hier binnengekomen
wyl wy gewinnen moghen
omdat wij het kindje krijgen
het kindekyn,
het kindje,
o Jesulyn.
ach kleine Jezus.

Lied:
1.
Geboren is in Bethlehem
Geboren is in Bethlehem
al in den stal
in de stal
een kind dwelks ryk niet en eynden sal.
een kind aan wiens rijk geen einde zal komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

2
Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem
Dit jaar ligt het in Bethlehem
in krebbe kleyn,
in een klein kribje,
syns rycks en sal geen eynde syn.
aan zijn rijk zal geen einde komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang

Gallus:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ick sou de leste syn
Ik dacht dat ik de laatste zou zijn
en waôrlyk synder haôrluy noch naer myn.
en nou komen zij dus nog na mij.
Ooy, ooy wat isset bitter coud!
Tjonge, jonge, wat is het bitter koud!
De vorst nypt vinnigh in ‘t gelaet
De vorst grijpt je fel in je gezicht
dattic niet weet waôr myn neus staet.
dat ik niet weer waar mijn neus staat.
Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregd!
Mijn wollen wanten heeft Stiechel geleend!
Hy borregtse als maôr, keer op keer.
Hij leent ze almaar, iedere keer.
Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer?
Waar blijft nou mijn broeder Stiechel weer?
Ick kyk ‘reis efkens rond en te omme:
Ik kijk eens even om me heen:
daor sienc  sowaor myn broeder Stiechel kommen.
daar zie ik zo waar mijn broeder Stiechel aankomen.

Stiechel:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ik coom te eersten aen
Ik had gedacht dat ik er het eerst zou zijn
en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.
en daar zie ik zowaar broeder Gallus al staan.

Gallus:

Stiechel, hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?
Stiechel, hoe staat het met de kudden schapen?

Stiechel:

Ei Gallus, ‘k bender bij-naest styf bevroren.
Oei, Gallus, ik ben bijna stijf bevroren.

Gallus:

Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren?
Oei, Stiechel ben jij bijna stijf bevroren?
Sietereis myn beye handen!
Kijk eens naar mijn twee handen!

Stiechel:

Ei, hebtgh‘ er maor tweu kwansys?
Oei, heb jij er echt maar twee?
alle hondert en dusent, wat maeckt ge me wys!
wel verdorie, wat maak je nou wijs!
Ei, waor blyft broeder Witok so lanck?
Oei, waar blijft broeder Witok zo lang?
Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme
Ik kijk eens even om me heen
daor sienck dowaor myn broeder Witok kommen!
daar zie ik zowaar mijn broeder Witok aankomen!

Witok:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht teerst by de schaepkens syn
Ik dacht als eerste bij de schapen te zijn
en waorlyk synder haorluy noch voor myn!
en nou zijn jullie er warempel nog vóór mij!

Stiechel:

Ghy komter oovk alle hondert en dusendmael te spa.
Jij komt ook verdorie altijd te laat.

Witok:

Myn wyf en lietme niet gaen voor dat
Mijn vrouw liet me niet gaan voordat
‘k de oû schoenen hadde benayd en gelapt.
ik de oude schoenen genaaid en verzoold had.
Trouwen! Wen de vorst niet en luwen doet
Trouwens, wanneer de vorst niet minder wordt
gaen wylie een coude waeke temoet.
gaan wij een koude wacht tegemoet.

Gallus:

Stiechel, ‘k mogt weten oft u ter oqre quam
Stiechel ik zou wel weten of jij gehoord hebt
dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem,
dat de stadhouder van de keizer, die Cyrenius heet, 
in t lant een groote beschryvick laet houden,
in ’t land een grote volkstelling laat houden,
daor van alle man hemselfs loscoopen soude,
en dat moet iedereen zelf betalen
op straffe vant verlies al synder have en goets!
op straffe dat je alles kwijt bent!
Wie can daor wesen vrooën moets?
Hoe kan je dan blij zijn?

Stiechel:

Ei vrund Gallus, wat seghtghe daor?
Oei, vriend Gallus, wat zeg je daar?
Is dat gebaesel of ist waor?
Is het geklets of is het waar?
tvolck verwagt dat de qua tyen verkeeren,
’t volk verwacht dat de slechte tijden over zijn,
en moeten de sorghen noch vermeeren?
en moeten de zorgen nog groter worden?

Witok:

Och gaet de verwaghtinck noyt niet ten endt?
Och, komt er nu nooit eens een eind aan dat verwachten?
O wee onse jammer en onse ellend!
Och, och, ons geklaag en onze ellende!
Datter de sorgh noch vermeeren most!
Dat de zorgen nu nog groter moeten worden!
We comen al swaor genog an de kost.
We komen al moeilijk genoeg aan de kost,
tis ongeluck op ongeluck
t is de ene tegenslag na de andere
daor onder yeder gaet gebuckt.

waar iedereen onder gebukt gaat.

Gallus:

Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen?
Ga weg Witok, jij hebt toch niets te klagen?
Wilt liever nae myn armoe vraeghen.
Vraag liever naar mijn armoede.
Ick erme slocker geen ruste noyt sagh!
Ik arme sloeber, ik heb nooit rust!
Ick worde geplaegt by nagt en by dagh.
Ik word dag en nacht geplaagd.
Voor en naor bennick mit de schaepen,
Altijd ben ik bij de schapen,
noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.
nooit van mijn leven tijd om te slapen.
Gister noch, toen ick was oppet veldt,
Gisteren nog toen ik op het veld was,
neerstlyk myn schaepkens hadde geteldt,
zo goed mogelijk mijn schapen had geteld,
ten synder temael niet bystern veul,
het zijn er nu eenmaal niet veel,
daorck u cort de oorsaek van segghen wil.
waar ik je kort de oorzaak van wil zeggen.

Stiechel:

Seght dan op, ghy ode wouwelaer!
Zeg het dan, oude kletskous!

Gallus:

Een goê deel heyt de wollef levend verscheurdt.
Een goed deel heeft de wolf levend verscheurd.

Stiechel:

Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd:
’t Kan net zo goed door de slagershond zijn gebeurd:
dan synser by ongeval dootgebeten;
dan zijn ze per ongeluk doodgebeten;
moet als subiet oock wollef heeten?
moet het meteen ook maar een wolf zijn?

Gallus:

Myn trou Stiechel, houdt uwen mond,
Beste Stiechel, hou je mond,
byt niet de wolf kreck zo hart als de hond?
bijt de wolf niet net zo hard als de hond?

Stiechel:

Ja noch veul harder.
Ja, nog veel harder.

Gallus:

Segt myn maor hoet is toegegaen
Zeg mij dan maar hoe het gegaan is
als hadtgh’er sellef by gestaen.
alsof je er zelf bij had gestaan.

Witok:

Myn wyf die heyt ons grutten gebacken!
Mijn vrouw heeft grutten voor ons gebakken!
Die laetenm’ ons te nagt wel smaeken.
Die laten we ons vannacht wel smaken.

Stiechel:

Is ter oock speck by altemet?
Zit er misschien ook spek bij?

Witok:

Drie sulcke hompen louter vet!
Drie van zulke hompen puur vet!
Lestent wierdtme inder bree vertelt
Laatst werd me uitvoerig verteld
‘twaor van God in eeuwicheyd bestelt
dat was God al eeuwen van plan
dat tonsent den begeerden messias sou comen
dat de zo gewenste messias naar ons zou komen
tot solaes en verlossingh van allen vromen.
tot verlichting en verlossing van alle vrome mensen.
Alsdan sullen wylie hier beneden
Dan zullen wij hier beneden
bevryt syn van druck en benauentheden.
bevrijd zijn van druk en zorgen.

Gallus:

Och. Waor den messias digt byder hant
Och. Was de messias maar dichtbij
dan soudenme setten al sorghen aan kant,
dan zouden we alle zorgen opzij zetten.
van louter jolyt soudenme springhen,
van puur plezier zouden we springen,
met vrolicheid gode het Gracie singhen.
vrolijk voor God een danklied zingen.

Stiechel:

Twelcker tyd ende plaetse moetet geschien?
Op welke tijd en welke plaats moet het gebeuren?
datme der armen solaes mocgten sien?
dat we de helper van de armen mogen zien ?

Witok:

De tyt is niet en aen gegheven,
De tijd is niet aangegeven,
doch van de plaetse staet geschreven:
maar over de plaats staat geschreven:
in Bethlehem wort hy geboren
dat hij in Bethlehem wordt geboren
van eener maegde uiyvercoren.
bij een uitverkoren maagd.

Gallus:

Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn:
Luister eens beste broeders:
daorme mit syn drieën by malkanderen syn
nu we met z’n drieën bij elkaar zijn
meughenme wel efkens d’ ooghen sluyten
kunnen we wel eventjes de ogen sluiten
end’ een cortewyl slaepen hierbuyten.
en eventjes hierbuiten slapen.

Engel zingt:

Gloria, gloria, in excelcis.
ick bringh uliên een maere blydt
ik breng jullie een blijde boodschap
en allen volken op aerde wijdt.
en aan alle volken op de wijde wereld.
O christen maekt
O christen maakt 
u op en waekt;
maak u gereed en wordt wakker;
gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind,
met spoed naar de kribbe, met spoed naar het kind,
gezwind, gezwind!
met spoed, met spoed!
Wackere herdersluyd, flucx op de been,
Wakkere herders, ga vlug staan,
spoeter nae Bethlehem alle met een;
haast je meteen naar Bethlehem;
groeter met fluytekens ende schalmei’n
groet er met fluiten en herdersfluiten
gins in den stalle het kindeken kleyn,
ginds in de stal het kleine kind,
het kindekyn, het Jesulyn!
het kind, de kleine Jezus!
Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaên:
Herders, herders, wees niet bang:
siet, groote blydschap segh ick u aen.
zie, ik verkondig u grote blijdschap.

Gallus:

Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende seldsaem gedruis?
Stiechel, wat moet dat gejubel en zeldzaam lawaai?
Me dunckt, het is niet heelend’al pluys,
ik denk dat het niet helemaal pluis is
of isset een gespoock quansuys?
of is het echt een spook?

Stiechel:

Sowaor, tis wonder boven wonder,
Zowaar, ’t is wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
zo gauw ik onder mijn hoed
myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt.
vandaan kijk, zie ik zo’n fel licht,
Wat schynt gins voor een droomgesigt?
Wat schijnt daar voor droomgezicht?

Witok:

Een stemme hoor ick hel en klaor,
Ik hoor zo’n heldere stem,
het lykent wel een enghlenschaor.
het lijkt wel een engelenschaar.

Engel zingt:

Van hemelsrycken coom ick neer,
Ik kom neergedaald uit hemelrijken,
een hemelsbode van also veer;
een hemelbode van zo ver;
veul goede maeren bringh ick u,
ik breng u een heel blijde boodschap,
die seg ick en die singh ick u.
die zeg ik en die zing ik jullie.

Gallus:

Past erop, so gladt als een spieghel.
Kijk uit, het is spiegelglad.

Witok:

Als ’t is! En deuvenkatersgladt;
Dat is het zeker! Duivels glad;
theyt mot gereghent:
het heeft gemotregend:
gants vol ysel is myn baardt!
m’n hele baard zit vol ijs!

Gallus:

Stiechel, staet op, den hemel kraeckt alree!
Stiechel, sta op, het wordt al dag!
[dit ‘kraken’ heeft ook iets van ‘krakkemikkig’, vandaar de opmerking over ‘oud’]

Stiechel:

Ei laotmaor kraecken, hy’s waorlyk oudt genog daor veur.
Ei, laat maar [kraken] aanbreken, hij is er oud genoeg voor.

Gallus:

Stiechel, staet op, de veugelkens tuytren al!
Stiechel, sta op, de vogeltjes zingen al!

Stiechel:

Ei laotmaor tuytren!
Ei, laat maar zingen!
In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaek.
In hun kleine kopjes zit niet zoveel slaap.

Gallus:

Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs den weghen.
Stiechel, sta op, de voerlui rijden al hard over de weg.

Stiechel:

Ei laot maor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.
Joh, laat maar hard rijden, ze hebben nog een gezegend stuk te te gaan.

Gallus:

Ei ghe mot doch opstaen!
Joh, je moet toch opstaan!
Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.
Past erop Stiechel, zo glad als een spiegel.

Stiechel:

Ei alle hondert en dusend!
Oei, verdorie nog aan toe!
Costgh’ oock niet waorschouwen
Kon je dan niet waarschuwen
voor dat ‘k myn pens hebben bont ende blau gestooten?
voordat ik mijn buik bont en blauw gestoten heb?
Ha myn Gallus! Wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Gallus, wat je wel gedroomd,
datgh’ u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb je dan gedroomd?

Gallus:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
Dat kan ik vrijuit zeggen.

Gallus zingt:

Ick docht in eenen stal te gaen,
Ik dacht in een stal te gaan,
sach daer een os end’ esel staen
zag daar een os en ezel staan
die uyt een krebken vraten;
die uit een kribbe vraten;
beneven haer een jonckfrou teer,
naast hen zat een tere jonkvrouw,
een edel grysbaert saten.
en een edele man met een grijze baard.
Nu is de slaepenstyt voorby!
Nu is de tijd van slapen voorbij!
quam elke naght dien droom tot my,
als ik iedere nacht zo droomde
‘ksou gheern tot zeuvenen slaepen.
zou ik wel graag tot zeven uur slapen.

Stiechel:

Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Witok, wat heb jij wel gedroomd,
dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb jij dan gedroomd?

Witok:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
kan ik jullie vrijuit zeggen.

Witok zingt:

In stille kerstnagt opten lant
In de stille kerstnacht op het land
deur diepe slaep wierck overmant.
werd ik door een diepe slaap overmand,
Myn hert deet overvloeyen
Mijn hart liep over 
van soete vreucht en honigh goet
van heerlijke vreugde en goede honing
en rosen deden bloeyen.
en er bloeiden rozen.

Gallus:

Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt,
Ha Stiechel, wat heb jij wel gedroomd
dat g’u neffens mijn zo ommerollen en ommetollen deed?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt? 
Wat heb jij dan gedroomd?

Stiechel zingt:

Ick droomd’ als dat een inghel quam 
Ik droomde dat er een engel kwam
en ons nae Bethlem met hem nam
die ons meenam naar Bethlehem
in varre joodsche oorden:
in verre joodse streken:
Een wonderdick was daer geschiet,
Daar was een wonder gebeurd,
twas wonder watme hoorden.
het was een wonder wat we hoorden.

Lied:

1.
Vrolycke herders, olycke knapen
Vrolijke herders, olijke knapen
die singhen alsse niet en slaepen:
die zingen als ze niet slapen:
heisa ho ee! laet lustig ons singen,
heisa ho he! laat ons maar lustig zingen,
welgemeyt in ‘t ronde springhen.
vrolijk in ’t rond springen.
David een kloecken herder was,
David was een dappere herder,
droegh oock een staf ende herderstasch.
droeg ook een staf en een herderstas.

2.
Pypend een liedeken, sat van te slaepen,
Een lied fluitend en genoeg van het slapen,
so hoeden wy ons kuddeken schaepen,
zo hoeden wij onze kudde schapen,
bly singhen wy God heere ter eere,
blij zingen wij God ter ere,
wie sal ‘t weren, d’ruggh’ ertoe keeren?
wie zal dat afwijzen, het de rug toekeren?
daer isser geen soot euvel diedt,
niemand neemt ons dit kwalijk,
deet te mael David het selver niet?
deed David immers niet hetzelfde?

3.
Toen hy de viant hadde verslaghen
Toen hij de vijand had verslagen
wierdt hy coninck al syne daghen,
werd hij voor de rest van zijn leven koning,
cieraet der joden, schepter in handen,
sieraad van de joden, scepter in zijn hand,
potentaet vans heeren landen.
heerser van de landen van de Heer.
Alleman mach op David sien:
Iedereen mag wel opkijken tegen David:
synder die herders geen wack’re liên?
zijn de herders geen wakkere lui?

Gallus:

Wel an, laet ons tot Bethlem gaen
Kom op, laten we naar Betlehem gaan
twonder sien dwelck ons is kondt gedaen.
het wonder zien waarvan ons is verteld.
Wat veur gaven willenme offreeren?
Wat gaan we geven?
Wat voor present aen dat kinde vereeren?
Met wat voor geschenk het kind vereren?

Stiechel:

Tkryght van myn een kruycksken mellek soet
’t Krijgt van mij een kruikje zoete melk
dat syne moeder hem rycklyck gevoedt.
dat zijn moeder hem rijkelijk kan voeden.

Witok:

Daor is by myn kudde een schoon jonck lam,
Daar is bij mijn kudde een mooi jong lam,
het kind is wel weert dattick’t tot hem nam;
het is het wel waard om het voor het kind mee te nemen;
salt schielycken mit myn staf omvaên
ik zal het snel met mijn staf vangen
en over myn bey schouders laên.
en over mijn schouders leggen.

Gallus:

Ick neem een plucksken wol voort kinde, me dogt
Ik neem een plukje wol voor het kind, ik dacht
dat syne moeder het warrem dao inlegghen mogt.
dat zijn moeder hem daar warm in kan leggen.

Stiechel:

tis hardstickedonker, ik tast nae den wegh,
’t Is hartstikke donker, ik tast naar de weg,
ick en weet sowaor geen hegh ofte stegh.
ik weet zowaar geen heg of steg.
Gaewe qualyk of regt nae stadt by abuys?
Gaan bij vergissing verkeerd of goed naar de stad?

Gallus:

Stiechel, ick sien alree een strooy huys;
Stiechel, ik zie al een huis met strodak,
we willen naet godskind vragen een reize
we zullen eens naar het godskind vragen
en ofse daorgunter ons mogten wysen
en of ze ons daarginder zouden kunnen wijzen
hoe datme moeten gaen
hoe dat we moeten gaan
om dra comen by dat kinde an.
om gauw bij dat kind te komen.
Heida! Heida! En isser agter geen
He, hallo! En is er achter niet iemand
die cost ons seggen alwaor heen?
die ons kan zeggen waar we heen moeten?

Jozef:

Wien soeckt ghy vrient te deser stee?
Vriend, wie zoek je op deze plek?
yemant so u den wegh wysen dee?
heeft iemand u de weg gewezen?
Wilt my seggen waor na u de sinnen staen,
Zeg eens wat u wil,
waer g’u beneerstigt henen gaan?
waar u zo graag naar toe wil?

Stiechel:

Oudevaer, wy soeckent godskindekyn
Beste man, wij zooeken het godskindje
soude ons alhier geboren syn,
dat zou hier voor ons geboren zijn,
wy mogtent weten ende des syns gewis
wij zouden het zeker willen weten
nadient ons dus verkondight is.
nadat het ons dus verteld is.

Jozef:

Soo ghe dit wensch syt ghy te regt.
Als je dit wil ben je aan het goede adres.
Hier leytet kind daer van ghy segt.
Hier ligt het kindje waarover je spreekt.

Lied:

Neemt agt myn hert en siet opt wigt
Wees aandachtig, mijn hart en kijk naar het kindje
so gunder in de krebbe light;
dat daar in de kribbe ligt;
dat isset kindjen wel gemint,
dat is het kindje waar men veel van houdt
het overschone Jesuskind.
het wonderschone Jezuskind.

Gallus:

Syt gegroet ghy kindeken teer!
Wees gegroet kindeke teer!
Hoe leyt ge daor so ermelijk neer.
Wat lig je daar nu armzalig.
Een bedde van strooy, geen vederken sacht,
Een strobed, geen zachte veertjes,
alleenlich wat stoppelen hooys zo hardt.
alleen wat harde stoppels hooi.
Niet op somersdach geboren en syt,
Niet op een zomerdag geboren,
maor inder bitt’ren winterstyd.
maar in de bittere wintertijd.
Voort lelyenblanc ende rosenroodt
In plaats van witte lelies en rode rozen
kiestghe snippende vorst en coude groot.
kies je bijtende vorst en erge kou.
U bleke koontjens, u neuzeken fyn
Uw bleke wangetjes en fijn neusje
hoe datse schier vervrosen syn,
hoe die bijna bevroren zijn.
en u schone guld’ oochjens synder vol
en uw mooie gouden oogjes staan vol
van bittere traenen. Siet hier een plucksken wol,
met bittere tranen. Kijk eens hier, een plukje wol,
die hebbic u Jesuken metgebrocht
dat heb ik, kleine Jezus, voor u meegebracht
dat uw moeder u warrem daor inlegghen mogt.
dat uw moeder u daar warm in kan leggen.
Oock hebbic noch een hantvol meel,
Ook heb ik nog een hand vol meel,
dat uw moeder een papjen kookt. Tisser er niet veul,
dat uw moeder een papje kan koken. Het is niet zoveel,
maor soot u ghelieft, ick coom ereis weer,
maar als u het wil, kom ik nog een keer,
bringh ick u Jesuken veul en veul meer.
dan breng ik voor u Jezus, veel meer mee.

Stiechel:

Syt gegroet ghy kindeken teer,
Wees gegroet, kindje teer,
hoe leyt ghe daor gantsch vercleumt ter neer!
wat lig je daar nu helemaal verkleumd van de kou!
Gins hebtghe u hemelsaele groot
Ginder hebt u uw grote hemelzaal
en coomt opter aert nakend, arm ende bloot;
en komt op aarde naakt, arm en bloot;
een kruyksken mellek mogtick u schenken,
ik wil u een kruikje melk geven,
nu biddic u, wilt myns gedencken.
nu vraag ik u, wil mij gedenken.

Witok:

God gheef u goên dach lief kindeken,
God geve u een goede dag lief kindje,
syt er gegroet lief Jesuken!
wees gegroet lieve Jezus!
Ghy die syt coninck boven al,
U die boven allen koning is,
geboren, gelaeft in een schaemelen stal;
geboren, gevoed in een armzalige stal;
ick bringh u, coninck, een wolligh lam,
ik breng u, koning, een wollig lam,
verschoont dattic niet met meerders en quam.
vergeef me dat ik niet meer bij me heb.

Jozef:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.

Maria:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.
God wil u neerinck doen gedy’n
God geve uw werk voorspoed
en laete u schaepkens tierigh syn.
en dat het goed gaat met de schapen.

Lied:

Buyght by het krebbeken neder,
Kniel bij het kribje neer,
wieght twichtjen heen ende weder,
wieg het kindje heen en weer,
dat wilder ons al genesen,
dat ons allemaal wil genezen,
dat kindeken sy gepresen.
dat kindje zij geprezen.
O Jesuken soet, o Jesuken soet!
O lieve Jezus, o lieve Jezus!

Gallus:

Tis wonder hoe ment keert of wendt
’t Is een wonder hoe je het wendt of keert
dat hy geboren is so onbekend,
dat hij zo onbekend is geboren,
gebrek en coude deerlyk lydt
danig gebrek lijdt en kou
en toch regeert de waerelt wydt.
en toch de wijde wereld regeert.

Witok:

Hy quam hier opter aerden erm
Hij kwam hier arm op aarde
op dat hy onser hem ontferm
opdat hij zich over ons kan ontfermen
en maek’ ons in synen hemel ryk
en in zijn hemelrijk
even selfs d’engelen gelyk.
ons zelfs gelijk maakt aan de engelen.
Sulcx doet hy dat den mensch mogt leeren
Dat doet hij opdat de mens zal leren
van hoverdy hem of te keeren,
zich af te keren van hoogmoedigheid,
dat hy niet leve in stacie ende pragt,
dat hij niet leeft in pracht en praal,
maor regt deemoedicheyt betracht.
maar echt deemoedig probeert te zijn.

Stiechel:

Tcan ons getroosten in onsen moet
Het kan een troost zijn voor onze moed
deur dien wy syn van coninclyc bloet.
dat wij van koninklijk bloed zijn.
Coningh David was oock een herdersman
Koning David was ook een herder
ent is mirackel wat hy heeft gedaen:
en ’t is een wonder wat hij heeft gedaan:
het staet te lesen inder scrift als dat
het staat in de Bijbel te lezen dat
hy versmoorde de maghtige Goliat.
hij de machtige Goliath doodde.

Gallus:

Als we efter totten ghesellen gewagen
Als we straks aan de andere herders zeggen
van ‘tgeenme alhier mit ooghen zagen,
wat we hier met eigen ogen hebben gezien,
veur den sot sullens’ ons houwen, ’t noyt niet gelooven,
zullen ze ons voor gek verklaren, het nooit geloven,
want deuse saek gaetet verstant te boven.
want dit gaat je verstand te boven.

Witok:

Myn moetet vant hert offic wil of niet,
Het moet mij van het hart of ik het wil of niet,
voort segh ik den lantheer wat hier is geschied
ik ga het aan de landheer zeggen wat hier is gebeurd
en sal morgen den dach nae Hierusalem gaen
en morgen ga ik naar Jeruzalem
en segghen het oock den stadthouwer an.
en het ook tegen de stadhouder zeggen.

Stiechel:

Siet Crispyn coomt tonswaert, had niet gedocht
Kijk, daar komt Crispijn naar ons toe, die heeft niet gedacht
ons aentreffen, heyt wis opter heyden gesocht.
ons hier aan te treffen, heeft vast en zeker op de hei gezocht.
God moet u groeten, myn goê Crispijn!
God moet u groeten, mijn beste Crispijn!

Crispijn:

God moets u lonen, oû Stiechel myn.
God moet u belonen, mijn oude Stiechel.

Gallus:

Hoe macht wel mit onsen kudden syn?
Hoe staat het met onze kudden?

Crispijn:

Werentig de schaepkens weyden alle te gaor,
Zeker, de schapen zijn met z’n allen aan ’t grazen,
groot’ ende clene, so d’ eene als d’ aor.
de grote en de kleine, zowel het ene als het andere.
Hebt ghy bygeval oock heuren verluyden
Hebben jullie toevallig ook gehoord
wat of die geruchten int volc beduyden?
wat die geruchten onder de mensen betekenen?

Gallus:

Werentig! In Bethlem leytet kindeken
Zeker! In Bethlehem ligt het kindje
al in een krebbeken, tusschen os end’ eselken.
in een kribje tussen een os en een ezeltje.
Schout ghe selver geerne twonder aen,
Als je zelf graag het wonder wil zien,
moetghe morghen inder vroegt opstaen
moet je morgen vroeg opstaan
en mit onslie nae Bethlem gaen.
en met ons mee naar Bethlehem gaan.

Crispijn:

Hoe veer ist wel?
Hoe ver is dat wel niet?

Gallus:

Tot gh’ er bent!
Tot je er bent!

Crispijn:

Jao, jao, ick salereis bedenken
Ja, ja, ik zal eens bedenken
ent kind een slip van myn pelsvagt schencken.
en het kind een slip van mijn pelsvacht schenken.

Lied:

Herdersluyden vro en bly
Herderslieden vrolijk en blij
waren by den schaepen,
waren bij de schapen,
opten velde waekten sy
op het veld hielden zij de wacht
en leyden haar slapen.
en legden zich te slapen.
Toen voer een enghel tot haer neer
Toen kwam er een engel naar hen afgedaald
vol heerlykheyt, sodatse seer
in volle heerlijkheid, zodat ze zeer
in schrik en vreesen waren.
schrokken en bang waren.
De enghel sprack: vreest niet met al,
De engel sprak: je hoeft helemaal niet bang te zijn,
veel vreuchd den volke wesen zal,
voor het volk zal er veel vreugde zijn,
‘kbring u blye maeren.
ik breng een blijde boodschap.

Lied:

1.
Juyght nu, juyght soo arm als ryck!
Juigt nu, juigt of je arm bent of rijk!
Ons is op deusen dach
Voor ons is op deze dag
een kind geboren heuchelyk
verheugend, een kind geboren
dwelc alle dinc vermagh,
dat alles kan,
oock heylig is daerby,
daarbij is het ook heilig,
tis Jesus Christus, hy
het is Jezus Christus hij
die quam om ‘smensen sond voorwaar
die werkelijk kwam voor de zonde van mens
uit synen hemel klaer.
uit zijn reine hemel.

2.
Bedenckt hoe hy is ofgedaelt
Denk er eens aan hoe hij afgedaald is
in noot en nederheyd,
in nood en nederigheid,
in Bethlem so de scrift verhaelt,
in Bethlehem zoals in de Bijbel staat,
al in een schuere leyt.
in een schuur ligt.
Een krib syn woninck is
Een krib is zijn woning
die toch een coninck is,
terwijl hij toch koning is,
den hoochsten koninck wyd ende zyd
wijd en zijd de hoogste koning
op d’ aert in eeuwicheyt.
op aarde tot in eeuwigheid.

Engel:

Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren,
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoerden,
‘k Bid so wy quaamen veuls te cort
Ik vraag als we veel tekortschoten
tons niet en aengerekend wort,
het ons niet kwalijk te nemen,
maer alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we niet hebben kunnen doen
onse onkunde mach syn toegescreven.
door onze onkunde komt.
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
Dat iedereen hiermee het allerbeste doet,
so wenschenme van God almagtig een goede nagt.
wensen wij u van de almachtige God een goede nacht.
.

Kerstspelalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kerstspelen alle beelden

Kerstmis: alle artikelen

.

2082-1954

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (voorwoord)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

gehalten in Dornach 1915 bis 1924
und ein Aufsatz Weihnachten 1922

Vorbemerkung [2]

blz. 7

Zum ersten Male werden die Ansprachen Rudolf Steiners zu den Weihnachtspielen, soweit sie sich erhalten haben, in Buchform veröffentlicht. In dem das Buch einleitenden Aufsatz aus dem Jahre 1922 erzählt Rudolf Steiner – er nennt ihn eine Christfest-Erinnerung – «von den volkstümlichen Weihnachtspielen». Dort schon wird von ihm im wesentlichen mitgeteilt, was er oftmals in verschiedenartiger Form den jeweils neuen Zuhörern über die Entstehung und Wesensart dieser Spiele nahezubringen suchte. Man kann daher vergleichen, wie einmal Rudolf Steiner über diese Spiele schreibt und dann über sie auch spricht. Bereits bei der Herausgabe der Einführungen zu den Eurythmie-Aufführungen, Bibl.Nr. 277, wurde auf dieses Moment hingewiesen und betont, daß die Wiederholungen bei diesen Ausgaben aus der Sache heraus nicht vermeidbar sind. Daß aber im Grunde genommen es ein Widerspruch ist, gesprochenes Wort zu drucken, betonte Rudolf Steiner bei der Drucklegung von Vorträgen oder Vortragszyklen immer wieder. So sei auch hier darauf aufmerksam gemacht. Doch treten gerade oftmals bei den Wiederholungen in kaum bemerkbaren Zügen neue Aspekte auf, so daß sich gesamthaft ein reiches Bild dieses «Lebens der Vergangenheit» ergibt, zugleich ein nicht unwesentliches, kaum bekanntes Kapitel deutscher Theatergeschichte, wie wir es sonst nicht finden.

Voorwoord

Voor de eerste keer worden de toespraken van Rudolf Steiner bij de Kerstspelen, voor zover ze bewaard gebleven zijn, in boekvorm gepubliceerd. In een inleidend artikel uit 1922 waarmee het boek opent, vertelt Rudolf Steiner – hij noemt het een ‘herinnering aan een christusfeest – ‘over de volkse kerstspelen’. Daarin wordt door hem het meest wezenlijke meegedeeld, wat hij dikwijls in verschillende vormen aan de telkens nieuwe toeschouwers over het ontstaan en het karakter van deze spelen probeerde duidelijk te maken.
Daarom kan je vergelijken hoe Rudolf Steiner de ene keer over de spelen schrijft en dan ook over ze spreekt. Al bij de uitgave van de inleidingen bij de euritmie-opvoeringen, GA 277, wordt hieraan gerefereerd en benadrukt, dat herhalingen bij deze uitgaven door de aard van de zaak niet zijn te vermijden. Rudolf Steiner benadrukte steeds weer bij het in druk verschijnen van voordrachten of voordrachtenreeksen dat het in wezen elkaar tegenspreekt om gesproken woord te drukken. Maar juist bij de vele herhalingen zitten vaak nieuwe aspecten die je nauwelijks opmerkt, zodat dit alles bij elkaar een rijk beeld van dit ‘leven in het verleden’ oplevert, tegelijkertijd een niet onbelangrijk, nauwelijks bekend hoofdstuk uit de Duitse theatergeschiedenis, zoals we nergens anders aantreffen.

Auf eine chronologische Übersicht wurde verzichtet. Es ist aber an entsprechender Stelle jeweils bemerkt worden, wenn eine Ansprache durch einen fast gleichlautenden Wortlaut nicht wieder abgedruckt wurde, oder aber eine solche stattfand, von welcher sich keine Nachschrift erhalten hat. – 1909 ist das Oberpfälzische Weihnachtspiel in Berlin aufgeführt worden, wie Leopold van der Pals in seinen «Erinnerungen», die wir im Anhang wiedergeben, mitteilt. Ein Jahr später spricht Rudolf Steiner dann in Berlin am 22. Dezember 1910 über die Oberuferer Spiele. Der Vortrag ist veröffentlicht in Band Nr. 125 der Gesamtausgabe: «Wege und Ziele des geistigen Menschen. Lebensfragen im Lichte der Geisteswissenschaft» – unter dem Titel «Das Weihnachtsfest im Wandel der Zeiten». Auch als Einzelheft ist der Vortrag erhältlich. Es darf angenommen werden, daß Rudolf Steiner auch bei den Berliner Aufführungen, von denen Dr. Karl Schubert – Seite 107 – im Anhang berichtet, Einführungen gab. Doch liegen von diesen keine Nachschriften vor. Was grundsätzlich über solche Einleitungen zu sagen ist, findet sich in der Selbstbiographie «Mein Lebensgang» von Rudolf Steiner im Kapitel XXV ausgeführt (Bibl.-Nr. 28).
Hinweise auf Personen oder Sachverhalte erfolgen nur einmal, nicht bei Wiederholungen.

Van een chrnonologische volgorde werd afgezien. Op de plaats in kwestie is echter iedere keer aangegeven wanneer een toespraak niet opnieuw afgedrukt is, omdat er al een bestond die bijna dezelfde is of er een gehouden werd waarvan geen afschrift bewaard gebleven is. 
In 1909 is in Berlijn het ‘Oberpfälzische kerstspel’ opgevoerd, zoals Leopold van der Pals in zijn ‘herinneringen‘ meedeelt, de wij hier in het aanhangsel weergeven. Een jaar later spreekt Rudolf Steiner dan in Berlijn op 22 december 1910 over de kerspelen uit Oberufer. De voordracht staat in GA 125: onder de titel ‘Het kerstfeest in de loop van de tijden’. De voordracht is ook los te verkrijgen.
Aangenomen mag worden dat Rudolf Steiner ook bij de opvoeringen in Berlijn waarover Dr. Karl Schubert – blz. 107 in het aanhangsel vertelt, inleidingen hield. Maar daar zijn geen afschriften van. 
Wat er basaal over deze inleidingen gezegd moet worden, staat in hoofdstuk 25 van de autobiografie van Rudolf Steiner ‘Mijn levensweg‘ 

Verwijzingen naar personen en zaken worden maar eenmaal gegeven, niet bij herhaling.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2078-1950

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (14)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 25-12-1923  [2]
während der Gründungsversammlungen
der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft

blz. 85

Ich habe mir gestern erlaubt, einiges über die historische Herkunft der Spiele zu sagen, die wir Ihnen hier während dieser Weihnachtstagung aufführen. Heute möchte ich nur noch etwas hinzufügen über die Art und Weise, wie diese Spiele in den ungarischen deutschen Kolonien aufgeführt worden sind in der Zeit, als sie Ende der vierziger Jahre, Anfang der fünfziger Jahre des vorigen Jahrhunderts Karl Julius Schröer dort gefunden hat. Die Spiele waren handschriftlich das Besitztum der gewissermaßen angesehensten Familien im Dorfe. Und sie wurden gespielt von dem Dorfe aus, in dem sie vorhanden waren, in den Nachbardörfern im Umkreise von zwei bis drei Stunden. Wenn im Herbste die Weinlese vorüber war, also etwa Mitte oder Ende Oktober, dann kamen – nicht jedes Jahr, aber wenn es, ich möchte sagen, gerade das Schicksal ergab – die Bauernhonoratioren des Dorfes zusammen und besprachen sich. Der Schullehrer, der zu gleicher Zeit Notar war, war nicht dabei; er hielt sich zur Intelligenz, und die Intelligenz verachtete diese Spiele. Aber die Bauern, nachdem ein paar

Toespraak Dornach 25 december 1923
tijdens de stichtingsvergaderingen van de Algemene Antroposofische Vereniging

Ik heb gisteren de vrijheid genomen iets over de historische herkomst van de spelen te zeggen die wij hier tijdens deze kerstconferentie opvoeren.
Vandaag zou ik nog iets willen aanvullen over de manier waarop deze spelen in de Hongaars-Duitse nederzettingen opgevoerd werden in de tijd toen zij op het eind van de jaren veertig, begin vijftig van de negentiende eeuw daar door Karl Julius Schröer werden gevonden.
De spelen waren als handschrift het bezit van de in zekere zin meest aanzienlijke families in het dorp. 
En vanuit het dorp waar ze aanwezig waren, werden ze gespeeld in de nabij gelegen dorpen, in een omtrek van twee tot drie uur.
Wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, dus midden of eind oktober, dan kwamen – niet ieder jaar, maar wanneer, ik zou willen zeggen, het lot het bepaalde – aanzienlijke boeren van het dorp bijeen en overlegden. De schoolmeester, die tegelijkertijd notaris was, was er niet bij; hij rekende zich tot de intellectuele elite en die verachtte deze spelen. 
Maar de boeren, nadat de spelen een paar

.blz. 86

Jahre aus irgendwelchen Gründen die Spiele wiederum nicht gespielt wurden, sagten dann: Na, unseren jungen Burschen könnte es auch nichts schaden, wenn sie wiederum was besseres zu tun hätten zur heiligen Weihnachtszeit! – Und dann wurde beratschlagt, ob richtige Burschen dazu da sind, die man brauchen kann zum Spielen. Eine Liste wurde zusammengestellt. Dann aber, wenn man die Burschen gefragt hat, ob sie spielen wollen, und wenn sie nun ausersehen waren zu spielen, stellte man einzelne strenge Bedingungen.
Es will viel heißen für diese Gegenden, daß die Burschen – denken Sie, die ganze Zeit von Oktober bis zu Weihnachten hin und Heilige Dreikönige – sich nicht betrinken durften, nicht zu dem Dirndl gehen durften und was wir hier schon gar nicht durchführen können, absoluten Gehorsam leisten mußten dem, der die Sache mit ihnen ein- studierte. Nun, wenn wir so etwas verlangen würden wie das letzte, dann würden uns die Mitspielenden schön auf den Kopf kommen!
So wurden denn durch Wochen hindurch mit außerordentlichem Fleiß diese Übungen gemacht, in denen die Spiele einstudiert wurden. 

jaar om een of andere reden weer niet gespeeld werden, zeiden dan: wel, het zal voor onze jonge knapen ook niet verkeerd zijn, dat ze tegen de heilige kersttijd weer eens iets beters te doen hebben!
En dan werd er overlegd of de juiste jongens er waren die voor de spelen gebruikt konden worden. Er werd een lijst opgesteld. 
Dan echter, wanneer men de jongens gevraagd had of die wilden spelen en als ze uitverkoren waren om te spelen, stelde men een paar strenge voorwaarden.
Het betekende veel voor deze streken dat de jongens – denk er eens aan, van oktober tot aan de kerst en Driekoningen – zich niet mochten bedrinken, niet naar de meisjes mochten gaan en wat we hier al helemaal niet kunnen doorvoeren, absoluut gehoorzaam moesten zijn aan de man die ze met hen instudeerde. Wel, als wij zoiets zouden eisen als dat laatste, dan zouden de medespelers daar ons wel even op aanspreken!
Zo werden dan wekenlang met buitengewone ijver de repetities gehouden waarin de spelen werden ingestudeerd.

Aber noch etwas gab es, was wir nicht durchführen können. Derjenige, welcher etwas vergessen hatte oder etwas schlecht machte, mußte; einen halben Kreuzer Strafe zahlen. Nun, das können wir auch nicht durchführen, Strafen können wir nicht verhängen fürs Vergessen! Und so wurden dann in strengster Weise diese Übungen gemacht bis zum ersten Adventsonntag. Denn am Adventsonntag fing man schon an, das Paradeis-Spiel, das Sie gestern gesehen haben, zu spielen. Zu Weihnachten gab es das Christ-Geburt-Spiel und gegen den 6. Januar dann das Spiel, das in den nächsten Tagen noch hier zu sehen sein wird.
Die Anordnung des Spieles – ich habe ja schon gestern einiges davon erwähnt – war so, daß die Burschen sich versammelten und sich anzogen im Hause des Lehrmeisters, und von da aus dann in das Wirtshaus gingen, in dem die Aufführung stattfand. Aber der Teufel, der wurde schon früher weggeschickt. Sie haben ihn ja gestern auch gesehen. Er war mit einem Kuhhorn ausgestattet und tat etwas, was wir wiederum nicht nachmachen können, denn er tutete zu jedem Fenster hinein. Vielleicht würde das gerade unserem Dorf unten auch Spaß machen, aber wir wollen es zunächst nicht probieren. Dann aber sprang

Maar er was nog iets wat we hier niet kunnen doen. Wie wat vergeten was of iets slecht uitvoerde, moest geld* betalen. Dat kunnen we ook niet invoeren, we kunnen geen straf opleggen voor vergeten!
En zo werden deze oefeningen op de meest strenge manier gehouden tot aan de eerste adventszondag. Want op deze zondag begon men al het Paradijsspel dat u gisteren hebt gezien, te spelen. Tegen de kerst was er het spel over de geboorte van Christus en tegen de 6e januari dan het spel dat hier de komende dagen nog te zien zal zijn.
De organisatie van het spel – ik heb er gisteren al iets over gezegd – was zo, dat de jongens zich verzamelden en zich in het huis van de leermeester omkleedden en vandaar naar de herberg gingen waar de opvoering plaatsvond.
Maar de duivel werd er al eerder opuit gestuurd. U hebt hem gisteren ook gezien. Hij was uitgerust met een koeienhoorn en deed iets wat wij ook weer niet kunnen doen, want hij toeterde door elk raam heen. Misschien zouden ze dat in ons dorp hier beneden nog wel leuk vinden, maar we gaan het maar niet proberen. 
Maar dan sprong hij 

blz. 87

er auch auf jedes Fuhrwerk hinauf und trieb so sein Unwesen. Dann gesellte er sich zu der ganzen Kumpanei, wie man es nannte. Dort wurde es so aufgeführt: in der Mitte des Wirtshaussaales war die Bühne, und an den Wänden standen die Bänke für die Zuschauer. Die Einstudierung schilderte mir Karl Julius Schröer, mein alter Freund und Lehrer, sehr genau; er hat ja diese Spiele niedergeschrieben nach der Art, wie er sie gehört hat von den Bauern selber, sie dann korrigiert nach dem Manuskript. Es sind immerhin Fehler unterlaufen. Und ich muß schon sagen, erst im Laufe der Jahre komme ich auf so manches, was eigentlich ursprünglicher Text dieser Spiele war. So zum Beispiel konnten wir wirklich die verflossenen Jahre niemals zurechtkommen mit den ersten zwei Zeilen, welche der Herrgott spricht im ParadeisSpiel. Da steht bei Schröer: Adam, nimm an den lebendigen Atem, den du empfangest mit dem Tahen (Tag). Es reimt sich weder, noch hat es einen Sinn. Erst in diesem Jahre wurde mir ganz klar, es stimmt ab- solut:
Adam, nimm an den lebendigen Atem,
Den du empfangest mit dem datem…

op iedere wagen en haalde zo zijn grappen en grollen uit. Daarna sloot hij zich aan bij de hele spelersgroep, de ‘kompanij’ zoals die genoemd werd. Het werd daar zo opgevoerd:
In het midden van de gelagkamer was een toneel gebouwd en tegen de muren stonden de banken voor het publiek. 
Karl Julius Schröer, mijn oude vriend en leraar, schetste voor mij precies hoe er ingestudeerd werd; hij heeft immers deze spelen opgeschreven naar wat hij van de boeren zelf hoorde, en dan volgens het manuscript verbeterde. Er zijn nu eenmaal fouten ingeslopen. En ik moet zeggen dat ik pas in de loop van de jaren op veel stuit wat eigenlijk de oorspronkelijke tekst van deze spelen was. 
Zo kon ik de voorbije jaren nooit uit de voeten met de eerste twee regels die Godvader in het Paradijsspel spreekt. Bij Schröer staat: Adam, nu neem de adem des levens die je deze dag ontvangt. (Adam, nimm an den lebendigen Atem, den du empfangest mit dem Tahen (Tag). Het rijmt niet en is ook niet zinvol. Pas dit jaar werd het mij heel duidelijk: het is absoluut goed:
Adam, nimm an den lebendigen Atem,
Den du empfangest mit dem datem….

mit dem Datum. Das ist absolut volkstümlich, also an diesem Tage. Das ist durchaus dasjenige, was da gestanden hat. Ich habe es daher wirklich schmerzlich empfunden, als schon vor einigen Jahren mit einer ungeheuren Schlampigkeit und Nachlässigkeit diese Spiele nachgedruckt wurden. Mir ist oftmals diese Zumutung gestellt worden, daß ich diese Spiele wieder erscheinen lassen soll; ich wollte es nicht tun, ohne eben erst diese Spiele redigiert zu haben. Aber es wurden solche Drucke mit großer Nachlässigkeit gemacht, und daher ist in den Drucken, die jetzt verbreitet sind, überall zeilenweise solcher Unsinn zu sehen.
Natürlich haben wir hier andere Mittel zur Verfügung. Wir spielen nicht in einem Wirtshause, können auch nicht die Anspruchslosigkeit entfalten, wie sie dort war, aber trotzdem: im Grundcharakter möchten wir diese Spiele so geben, wie sie eigentlich unter den Bauern bis in die Mitte des 19. Jahrhunderts herein ursprünglich aufgeführt worden sind. Sie lernen da Spiele kennen, in denen Sie erstens wirklich

met de datum’. Dat is absoluut volks, dus op deze dag.
En dat heeft er ook beslist gestaan. Ik vond het echt heel erg, toen een aantal jaren geleden deze spelen zijn gedrukt met een vreselijke slordigheid en nalatigheid. Men heeft mij dikwijls gestimuleerd deze spelen weer te laten verschijnen; ik wilde het niet zonder eerst deze spelen te hebben geredigeerd. Maar er werden er gedrukt met grote nalatigheid en vandaar dat er in de drukuitgaven die nu in omloop zijn, overal zinnen staan met dergelijke onzin.
Natuurlijk staan ons ook andere middelen ten dienste. Wij spelen niet in een herberg, we kunnen ook niet de eenvoudig, bescheiden houding aannemen, zoals daar, toen, maar ondanks dat: wij willen deze spelen zo geven als ze eigenlijk onder de boeren tot in het midden van de 19e eeuw oorspronkelijk werden opgevoerd. 
U leert hier spelen kennen waarin U allereerst

blz. 88

die Grundgebräuche der Leute von dazumal ersehen können. In diesen Begrüßungen, wie sie vorhanden sind vor diesem Christ-Geburt-Spiel zum Beispiel, liegt etwas, was in schöner Weise den Kontakt herstellte zwischen den Spielern und dem damaligen Publikum. Es fühlte sich jeder eigentlich mit zur Sache gehörig, der dazumal erschien gerade durch diese Begrüßungen, die eigentlich etwas wunderbares sind. Daher habe ich nachgeforscht, ob es nicht auch vor dem Paradeis-Spiel eine solche Begrüßung gegeben hat, und Sie konnten wirklich, ohne daß das historische Dokument vorliegt, rein aus dem Geiste der Überlieferung eine solche Begrüßung vorgespielt bekommen im vorigen Jahr auch für das Paradeis-Spiel.
Sie werden ferner sehen, daß in diesen Spielen wirklich innerste Frömmigkeit waltet, aufrichtige, ehrliche Frömmigkeit, immer mit einer gewissen Derbheit zusammen waltet. Und damit ist gerade etwas im Grundcharakter der damaligen christlichen Frömmigkeit gegeben. Die war ohne Sentimentalität durch und durch absolut ehrlich. Der Bauer konnte nicht sentimental werden, er konnte nicht ein langes Gesicht machen; er mußte auch lachen, selbst bei dem Frömmsten. Und das tritt uns bei diesen Spielen in einer so schönen Weise entgegen.

kan opmaken wat de basale gewoonten van de mensen van toen waren. In die begroetingen die erin zitten voor het geboortespel bv. zit iets wat op een mooie manier het contact bewerkstelligt tussen de spelers en de toenmalige toeschouwers.
Iedereen voelde zich eigenlijk bij de zaak betrokken dat toen ontstond door deze begroetingen die eigenlijk iets wonderlijks zijn. Daarom ben ik nagegaan of er ook bij het Paradijsspel niet zo’n soort begroeting heeft gezeten en u kon werkelijk, zonder het historische document te hebben, puur uit de geest van de overlevering een dergelijke begroeting vorig jaar ook in het Paradijsspel voorgespeeld krijgen.
U zal verder zien dat in deze spelen werkelijk de meest innige vroomheid heerst, oprechte, eerlijke vroomheid, altijd met een zekere boersheid samengaand. En daarmee is juist iets aangegeven van het grondkarakter van de christelijke vroomheid van die tijd.
Die was zonder sentiment, absoluut door en door eerlijk. De boer kon niet sentimenteel worden, hij kon geen uitgestreken gezicht vertonen; hij moest ook lachen, zelfs bij het meest vrome. En dat komen we bij deze spelen zo prachtig tegen.

Manche Ausdrücke werden dadrinnen als in der Sprache unbekannt auffallen, zum Beispiel wird mancher bei «Kletzen gefressen» nichtwissen, was das bedeutet. Das sind nämlich getrocknete Birnen und Pflaumen, die insbesondere in diesen Gegenden zur Weihnachtszeit als solche Kletzen gegessen werden. Es wurden die Birnen getrocknet, dann in Spalten geschnitten, Pflaumen wurden getrocknet, und das bildete dann die Kletzen. Aber insbesondere wurden diese getrockneten Früchte in das Brot hinein verbacken, und im Brote drinnen wurden diese kleinen Stückchen von den Kletzen mit besonderem Appetit genossen. Das war zu Weihnachten in diesen Gegenden etwas ganz besonders Gutes, das Kletzenbrot. Daher haben Sie gehört im Paradeis-Spiel:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n,
’s wär ihna tausendmal nützer gwes>n –
als wenn sie den Apfel im Paradies gegessen hätten! Gerade in solchen Dingen, die so ganz aus dem Volkstum heraus sind, kann man sehen,

Veel uitdrukkingen vallen op doordat ze in de taal onbekend zijn, bv. zal menigeen bij ‘Kletzen fressen’ – ‘pruimedanten genomen’ niet weten wat dat betekent. Dat zijn nl. gedroogde peren en pruimen, die met name in deze streken tegen de kersttijd werden gegeten. De peren werden gedroogd en versneden, pruimen werden gedroogd en dat vormde dan de ‘Kletzne’ (pruimedanten). Die werden vooral in het brood meegebakken en in het brood werd van deze kleine stukjes van de pruimedanten met smaak genoten. In deze streken was dat tegen kersttijd iets heel bijzonders, het pruimedantenbrood. Vandaar dat u in het Paradijsspel hebt gehoord:

Hadden Adam en Eva pruimedanten genomen,
het was hun duizendmaal beter bekomen 

dan toen zij in het Paradijs van de appel aten!
Juist aan zulke dingen die zo helemaal uit het volk komen, kan je zien,

Manche Ausdrücke werden dadrinnen als in der Sprache unbekannt auffallen, zum Beispiel wird mancher bei «Kletzen gefressen» nichtwissen, was das bedeutet. Das sind nämlich getrocknete Birnen und Pflaumen, die insbesondere in diesen Gegenden zur Weihnachtszeit als solche Kletzen gegessen werden. Es wurden die Birnen getrocknet, dann in Spalten geschnitten, Pflaumen wurden getrocknet, und das bildete dann die Kletzen. Aber insbesondere wurden diese getrockneten Früchte in das Brot hinein verbacken, und im Brote drinnen wurden diese kleinen Stückchen von den Kletzen mit besonderem Appetit genossen. Das war zu Weihnachten in diesen Gegenden etwas ganz besonders Gutes, das Kletzenbrot. Daher haben Sie gehört im Paradeis-Spiel:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n,
’s wär ihna tausendmal nützer gwes>n –
als wenn sie den Apfel im Paradies gegessen hätten! Gerade in solchen Dingen, die so ganz aus dem Volkstum heraus sind, kann man sehen,

hoe authentiek deze spelen gebleven zijn. 
Nu zouden we u daadwerkelijk willen laten zien wat uit dit oude volksleven bewaard gebleven is als een stukje Middeleeuwse geschiedenis dat doorloopt tot in deze tijd, 

Ik mag u misschien nog attent maken op onze affiche die zeker meer nog op het Driekoningenspel slaat dan op het Herdersspel, maar die is ook vandaag al door ons gebruikt. 
We willen vanuit de kleurige stemming vormgeven aan wat m.n. deze Kerstspelen in deze tijd nog kunnen betekenen.

Anlässlich der Weihnachtstagung 1923/24 wurden am 24. und am 25. Dezember infolge des grossen Andranges sowohl das Paradeis-Spiel als auch das Christ-Geburt-Spiel um 4.30 Uhr und um 6 Uhr aufgeführt. Beide Ansprachen entsprechen sich fast wörtlich, so dass nur die erste Einführung hier zum Abdruck gelangt.

Bij de kerstconferentie 1923/24 werden op 24 en 25 december door de grote vraag én het Paradijsspel ‘en het Herdersspel om 4.30u en om 6.u opgevoerd. De beide toespraken komen bijna letterlijk overeen, zodat alleen die bij de eerste opvoering hier is afgedrukt.

*Een halve ‘Kreuzer’: van de 13e tot de 19e eeuw in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland in omloop, oorspronkelijk een zilveren munt met twee opgelegde kruizen, later een munt van onedel metaal met relatief weinig waarde.

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2075-1947

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (13)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 24-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung der Allgemeinen Anthropoasphischen Gesellschaft

blz. 81

Wir werden uns gestatten, Ihnen einige Weihnachtspiele vorzufüh
ren aus altem Volkstum. Heute werden wir damit beginnen, Ihnen das Paradeis-Spiel vorzuführen, dann morgen und in den nächsten Tagen das Christ-Geburt-Spiel und das Dreikönig-Spiel. Diese Weihnachtspiele stammen aus jenen Zeiten, in denen man durch Europa hindurch vorzüglich, aber nicht nur zur Weihnachtszeit, sondern auch zur Osterzeit und sogar zur Pfingstzeit ähnliche Spiele aufgeführt hat. Es sind solche Spiele von den germanistischen Gelehrten gesammelt, und man kann sie in allerlei Veröffentlichungen in den Bibliotheken finden. Solche Spiele wurden aufgeführt bis ins 19. Jahrhundert herein in den

Toespraak Dornach 24 december 1923
tijdens de kerstvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging

Wij zijn zo vrij om voor u een paar kerstspelen op te voeren uit het oude volkse leven. Vandaag beginnen we om u het Paradijsspel te laten zien, dan morgen en in de komende dagen het Herdersspel en het Driekoningenspel. 
Deze kerstspelen stammen uit die tijden waarin men door heel Europa vooral, maar niet alleen met Kerstmis, ook met Pasen en zelfs met Pinksteren dergelijke spelen opvoerde.
Dit soort spelen zijn door geleerden in de germanistiek verzameld en je kan ze in allerlei publicaties in de bibliotheken vinden. Zulke spelen werden opgevoerd tot in de 19e eeuw in de 

blz. 83

Marktflecken und Dörfern, weniger in den Städten. Nun muß man aber doch sagen: Diejenigen Weihnachtspiele, die wir Ihnen hier vorführen, haben einen gewissen außerordentlichen, bedeutsamen Vorzug vor anderen solchen Weihnachtspielen. Die anderen Weihnachtspiele, die in Mitteleuropa aufgeführt worden sind, wurden eigentlich von Jahrzehnt zu Jahrzehnt verbessert. Dasjenige, was aus altem Volkstum in einer wunderbaren Weise vorhanden war, ist von allerlei intelligenten Leuten verbessert worden, und man hat sie dann also von Jahrzehnt zu Jahrzehnt wieder aufgeführt. Was aus dem dann werden kann, das wirklich altem Volkstum künstlerisch und religiös und musikalisch entstammt, sieht man an der Karikierung des Volkstümlichen in den Oberammergauer Passionspielen. Aber in diesen Weihnachtspielen, die wir hier aufführen, ist etwas, was tatsächlich, so wie es gespielt worden ist, noch bis ins 16., 15. Jahrhundert zurück unverfälscht erhalten geblieben ist, und zwar aus folgendem Grunde. Diese Spiele, um die es sich hier handelt, sind wohl gespielt worden im Elsaß,  durch den Süden von Baden und Württemberg hindurch, wo`hl auch bis nach Bayern hinein. Sie werden es aus einer Anspielung in einem der Spiele in den nächsten Tagen ersehen, wie hingewiesen wird auf äen Rhein.

marken en dorpen, minder in de steden. Maar nu moeten we toch zeggen: de kerstspelen die we hier voor u opvoeren, hebben een zekere buitengewone, belangerijke pre op die andere kerstspelen. De andere kerstspelen die in Midden-Europa opgevoerd werden, werden door de tientallen jaren heen verbeterd. Dat wat vanuit het volksleven op merkwaardige wijze nog bestond, is door allerlei intellectuele lieden verbeterd en men heeft ze dan dus ook door tientallen jaren heen opgevoerd. Wat er dan worden kan van wat uit het oude volksleven echt kunstzinnig en religieus en muzikaal stamt, zie je aan het karikaturaal worden van dit volkseigene in de passiespelen van Oberammergau. Maar in de kerstspelen die we hier opvoeren, zit iets wat werkelijk nog onvervalst aanwezig is zoals het gespeeld werd, nog tot in de 16e, 15e eeuw terug en wel hierdoor:
De spelen waarom het hier gaat zijn wellicht gespeeld in de Elzas, in het zuiden van Baden en Württemberg, misschien ook in de richting van Beieren. U zal in een toespeling in een van de spelen van de komende dagen zien, hoe er naar de Rijn gewezen wordt.

Sie wurden in den Gegenden nördlich vom Rhein – von der Schweiz aus gesehen – gespielt. Dann wanderten Stämme, unter denen diese Weihnachtspiele gespielt wurden, nach dem Osten hin aus, nach Ungarn. Man kann zunächst fragen: Warum wanderten im 15., 16. Jahrhundert deutsche Stämme nach Osten hinüber, nach Ungarn? Es wanderten ja solche Stämme aus in die Gegend von Preßburg, das heute in der Tschechoslowakei liegt, von der Donau abwärts über Preßburg nach den Zipser Gegenden, südwärts von den Karpaten, nach Siebenbürgen, nach dem Banat, der Gegend zwischen der südlichen Donau und der Theiß. Dahin wanderten diese schwäbischen Stämme aus. Und unter diesen Stämmen, die auswanderten, waren am charakteristischsten die Haidbauern. Und eben diese Leute sind in jener Gegend in Oberufer, etwas stromabwärts an der Donau, ansässig geworden und brachten sich aus ihrer ursprünglichen Heimat diese Weihnachtspiele mit, erhielten sie nun unverfälscht und spielten sie in der dortigen deutschen Kolonie von Jahr zu Jahr. Sie wurden

Ze werden in de streken ten noorden van de Rijn – vanuit Zwitserland gezien – gespeeld. Toen trokken stammen die deze kerstspelen speelden, naar het oosten, naar Hongarije. En je kan meteen vragen: waarom gingen er in de 15e, 16e eeuw stammen naar het oosten, naar Hongarije? Ja, er trokken van die stammen naar de streken van Pressburg, dat tegenwoordig in Tsjecho-Slowakije ligt (nu Slowakië), vanaf de Donau verder over Pressburg naar de streken van Spiš  ten zuiden van de Karpaten, naar Siebenbürgen, naar de Banaat, de streek tussen de zuidelijke Donau en de Theiss. Naar deze streken waaierden de Zwabenstammen uit. En onder deze stammen die zich verspreidden waren de ‘heide’-Haidboeren de meest karakteristieke. En deze mensen kozen hun vaste woonplaats in de streken van Oberufer, iets stroomafwaarts aan de Donau en zij namen de kerstspelen uit hun oorspronkelijke thuisland mee, bewaarden ze in hun ‘oer’staat en speelden ze daar elk jaar in die Duitse nederzettingen. Ze werden

blz. 83

als ein teures Gut in gewissen Familien aufbewahrt und so behandelt, wie sie vor Jahrhunderten waren. Da hat sie mein guter Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer, kennengelernt, dort in Oberufer; es hatte sich noch keine Intelligenz, kein Verbesserer hineingemischt. Diese Spiele wurden in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts so aufgeschrieben, wie die Bauern, welche sie gespielt haben, sie Karl Julius Schröer diktieren konnten aus ihrem Gedächtnisse heraus, als er dahin kam. Er war ja in Preßburg Lyzeumsprofessor. Als er dahin kam, wo die Spiele gespielt wurden von den Haidbauern draußen in den Dörfern, da ging er zunächst – nicht wahr, man ist ja auch höflich – zu der Intelligenz des Dorfes, zum Beispiel zu dem Schulmeister, der zugleich Dorfnotär war. Der sagte: Das ist dummes Zeug, es ist gar nicht einmal der Mühe wert, daß man sich damit beschäftigt! – Dort hatte sich natürlich die Intelligenz nicht darum gekümmert, glücklicherweise hat sich die Intelligenz nicht darum gekümmert gehabt. So konnten sie noch die Spiele aufführen, wie sie von den Bauern hinterlassen worden waren. Das war ein besonderes Glück, denn dadurch sind sie in diesen Gegenden so erhalten geblieben, wie sie waren. Man kann höchstens noch die Frage aufwerfen: Wie kamen denn die Leute dazu, dort in dieser Gegend dieses teure Erbgut aufzubewahren? 

bij bepaalde families als een kostbaar goed bewaard en zo gelaten zoals ze al eeuwen waren. Toen leerde mijn goede vriend en leraar, Karl Julius Schröer, ze daar in Oberufer, kennen; er had zich nog geen enkele intelligente verbeteraar mee bemoeid. Deze spelen werden in de jaren vijftig van de vorige [=19e] eeuw zo opgeschreven, zoals de boeren die erin meegespeeld hadden, deze aan Karl Julius Schröer toen hij daar was, hadden kunnen dicteren vanuit hun geheugen. Hij was professor in Pressburg. Toen hij daar kwam, waar de spelen door de Haidboeren in de verspreid liggende dorpen gespeeld werden, ging hij meteen – je wil ook beleefd zijn, niet waar – naar de intelligentsia van het dorp, bv. naar de schoolmeester die tegelijkertijd de dorpsnotaris was. Die zei: ‘Dat is waardeloos, niet de moeite waard om je daarmee bezig te houden!’ De intellectuele elite gaf daar natuurlijk helemaal niets om, gelukkig maar. Zo konden de spelen dus nog worden opgevoerd, zoals ze door de boeren nagelaten waren.
Dat was een heel gelukkig iets, want daardoor bleven ze in die streken zo bewaard als ze waren. Je zou hoogstens nog de vraag kunnen opwerpen: hoe kwam het dat de mensen daar in deze streek dit kostbare erfgoed bewaarden?

Dann muß man sagen: Vorangegangen sind den heutigen Ausgewanderten die aus der Tschechoslowakei nach den ungarischen Gebieten ausgewanderten Mährischen Brüder. Und diese Mährischen Brüder mit ihrem intimen, christlichen tiefen Leben, das in so schöner Weise das Bruderschaftsprinzip zum Ausdrucke gebracht hat, waren schon dort, als dann die anderen Stämme, die ich jetzt meine, die Haidbauern und so weiter den Drang verspürten, auch hinüberzuwandern nach dem Osten. Es ist nicht irgendein besonderer wirtschaftlicher Beweggrund oder dergleichen gewesen, sondern es war tatsächlich ein idealer Grund für jene Menschen, als sie nachzogen dem schönen, intimen christlichen Bruderschaftsleben der Mährischen Brüder, die schon da hinübergewandert waren. Noch vor dem Auftreten des Luthertums haben diese aus dem eigentlich noch menschlichen Gemüte Mitteleuropas eine ideale christliche Atmosphäre hinübergetragen, die nicht die Schäden des in den westlichen Ländern vorhandenen Katholizismus mit sich nahm,

Dan moet je zeggen: vóór de huidige kolonisten zijn uit Tsecho-Slowakije de wegtrekkende Mährischen Brüder naar Hongaarse streken gegaan. En deze broederschap met zijn diep intiem christelijk leven dat zo mooi het broederschapprincipe tot uitdrukking heeft gebracht, bevond zich daar al, toen die andere stammen die ik nu bedoel, de Haidboeren enzo, de drang in zich voelden om ook te emigreren naar het oosten. Het is niet een of andere economische reden o.i.d. geweest, maar het had werkelijk een ideële grondslag voor de mensen: dat fijne, intieme christelijke broederschapsleven als dat van de Mährische Brüder, die daar al heen getrokken waren, toen ze er ook heen gingen. 
Nog vóór het verschijnen van het lutheranisme namen deze vanuit een eigenlijk nog menselijke Midden-Europese gemoedsstemming een ideële christelijke sfeer mee die niet alle tekortkomingen van het katholicisme van de westelijk gelegen landen met zich meenam,

blz. 84

aber auch nicht die Schäden des Protestantismus enthielt, sondern die wirklich echtes, wahres Christentum war, aus brüderlicher Menschheitsgesinnung heraus geboren. Das wanderte hinüber. Und angezogen von der idealen Gesinnung wanderten dann andere deutsche Stämme in die Gegenden hin, die von den Mährischen Brüdern besiedelt und mit dem Christentum durchtränkt worden waren und nahmen dahin das Teuerste mit, was sie hatten: diese christlichen Weihnachtspiele. Diese Weihnachtspiele blieben in der ursprünglichen Gestalt dadurch, daß sie getrennt waren von dem Mutterlande, daß nicht über sie kommen konnte die spätere Intelligenz. Und in dieser ursprünglichen Gestalt hat sie mein alter Lehrer und Freund, Karl Julius Schröer, in Oberufer, das eine halbe Eisenbahnstunde von Preßburg entfernt ist, wo er dazumal Professor am Lyzeum war, gefunden und aufgeschrieben, so wie sie die Bauern ihm vorgesprochen haben. – Sie haben sie immer eingelernt gegen die Weihnachtszeit hin. So ließ er sie sich vorprechen und so sind sie uns ganz unverfälscht erhalten geblieben; so sind sie noch aufgeführt worden bis um die Mitte des 19. Jahrhunderts hinein. Heute wären sie ohne ihn verschwunden.

maar ook niet de tekortkomingen van het protestantisme, maar alleen wat het werkelijk echte, ware christendom was, ontstaan vanuit een broederlijk mensengevoel. Dat verplaatste zich. En aangetrokken door deze ideële stemming trokken toen andere Duitse stammen naar die streken waarin de Mährische broeders zich hadden gevestigd en die door en door christeliljk waren geworden en daar naartoe namen ze het kostbaarste mee dat ze hadden: deze christelijke kerstspelen.
Deze kerstspelen bleven zo origineel, omdat ze van het moederland waren gescheiden, zodat de latere intelligentsia er geen vat op kreeg. En in deze oorspronkelijke vorm heeft mijn oude leraar en vriend, Karl Julius Schröer, ze in Oberufer, dat maar een half uur met de trein van Pressburg vandaan ligt, waar hij destijds professor was, gevonden en opgeschreven, zoals de boeren dat hem voorgesproken hebben. Altijd studeerden ze die weer tegen de kersttijd in. Zo liet hij ze aan hem voorspreken en zo zijn ze onvervalst voor ons bewaard gebleven; zo zijn ze nog opgevoerd tot in het midden van de 19e eeuw. Zonder hem zouden ze nu verdwenen zijn.

Karl Julius Schröer hat die Dinge, so wie sie gerade da unten üblich waren, erhalten. Ich habe viel im Beginne der achtziger Jahre über diese Dinge mit ihm sprechen können. Er war voll von Erinnerungen an die Aufführungen, die er dort gesehen hat, und so sind mir diese Spiele auch ans Herz gewachsen. Daher möchten wir sie unter unseren Gemeinschaften so aufführen – mit einigen Variationen, denn genau so, wie es in den Wirtshäusern aufgeführt wurde, können wir es hier nicht tun, auch manches andere, was dort ausgeführt worden ist, können wir hier nicht ausführen -, aber so echt diese Dinge nur dargestellt werden können, möchten wir Ihnen diese schönen Stücke echten Volkstums vorführen. Zum Beispiel hatte dort der Teufel vor der Aufführung ein Kuhhorn, und da rannte er im ganzen Dorfe herum und blies mit diesem Kuhhorn hinein in jedes Fenster und forderte die Leute auf, zum Spiel zu kommen: das sei Christenpflicht eines jeden zum Advent. – Nun, Sie können sich schon denken: das können wir hier nicht ausführen. Wir würden schön ankommen, wenn wir den Leuten sagen würden: das sei Christenpflicht zum Advent! – Außerdem mußte der

Karl Julius Schröer heeft de dingen zoals ze daar gebruikelijk waren, vastgelegd. In het begin van de jaren achttienhonderdtachtig heb ik veel met hem over deze dingen kunnen spreken. Hij zat vol herinneringen aan de dingen die hij daar gezien had en zo zijn deze spelen me na aan het hart komen te liggen. Daarom zouden wij ze in onze instellingen zo willen opvoeren – met een paar veranderingen, want net zoals ze in de herbergen werden opgevoerd, kunnen wij dat hier niet doen, ook veel andere dingen die daar gedaan worden, kunnen we hier niet doen – maar zo authentiek als deze dingen maar getoond kunnen worden, zouden wij graag deze stukken van origineel volksleven voor u willen opvoeren. De duivel bv. had vóór de opvoering een koeienhoorn en daarmee rende hij door het hele dorp en blies daarmee door ieder raam en riep de mensen op naar het spel te komen: dat was in de adventstijd voor ieder een christelijke plicht.
U begrijpt wel: dat kunnen we hier niet doen. Ze zien ons aankomen, wanneer we zouden zeggen: dat is een christenplicht in de adventstijd! Bovendien moest de duivel

blz. 85

Teufel auf jeden Wagen, der vorbeifuhr, hinaufsteigen, machte Unruhe, polterte herum und so weiter. Auch das und manches andere müssen wir hier bleiben lassen. Aber all dasjenige, was möglich sein kann, soll eben in voller, echter Wahrheit vorgeführt werden. Ich will jetzt die Aufführung nicht länger aufhalten, doch wollte ich dasjenige, was zu sagen ist über die Art und Weise, wie die Aufführungen üblich waren und wie die Weihnachtspiele unter den Bauern einstudiert wurden, in einigen einleitenden Worten kurz mitteilen.

op iedere kar klimmen die voorbijreed, onrust veroorzaken, luid schreeuwend rondgaan enz. Ook dat en nog veel meer moeten wij achterwege laten. Maar alles wat mogelijk is, moet diep en echt waar werden opgevoerd.
Nu wil ik de opvoering niet langer ophouden, maar ik wilde wel wat er gezegd kan worden over de gebruikelijke manier waarop de spelen werden gespeeld en hoe de kerstspelen door de boeren werden ingestudeerd, kort in een paar woorden zeggen.

.

[1] GA 274
[2] GA 274

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2071`-1943

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (12)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 14-12-1923  [2]

blz. 77

Wir erlauben uns heute, Ihnen zwei Spiele aus altem Volkstum vorzuführen, welche jener Reihe von Spielen angehören, die zu den Festeszeiten im alten christlichen Volkstum des Mittelalters oftmals und für weite Gegenden gespielt worden sind.
Wir müssen uns nämlich klar darüber sein, daß die Festesgelegenheiten zur Zeit etwa vom 12., 13. Jahrhundert bis eigentlich zum vorigen Jahrhundert, noch bis in die Mitte des vorigen Jahrhunderts, daß die großen Feste des Jahres – das Weihnachtsfest, Osterfest, Pfingstfest, auch einige andere Feste – in christlichen Gegenden ganz außerordentlich bedeutsame Einschnitte des Jahres waren. Und wie das christliche Jahr überhaupt zugeteilt ist an alles das, was das Bewußtsein durchdringt, so wird das menschliche Herz zu besonderen Zeiten geradezu aufgerufen, diese Erinnerungen zu durchdringen mit demjenigen, was wiederum die größten Tatsachen im religiösen Leben und im religiösen Bewußtsein sind.Es gibt Osterspiele, es gibt Pfingstspiele, Fronleichnamspiele, auch Spiele zu anderen heiligen Festen. Die liebenswürdigsten, die besonders tief ins Gemüt gehenden solcher Festspiele waren die Weihnachtspiele. Diese Weihnachtspiele sind uns insbesondere aus denjenigen Zeiten erhalten, in denen das Mittelalter zu Ende gegangen ist. Und

Toespraak Dornach 14 december 1923

We nemen vandaag de vrijheid om voor u twee spelen uit het oude volksleven op te voeren die bij een reeks spelen behoort die ter gelegenheid van de feesttijd in het oude christelijke volksleven van de middeleeuwen dikwijls en in ver weg gelegen gebieden werden gespeeld.
We moeten namelijk duidelijk weten dat de feestelijke gebeurtenissen in de tijd van ongeveer de 12e, 13e eeuw tot eigenlijk in de vorige eeuw, nog tot in het midden van de vorige eeuw, dat die grote feesten van het jaar – Kerstmis, Pasen, Pinksteren, ook nog een paar andere feesten – in christelijke gebieden heel bijzondere gebeurtenissen in het jaar waren die veel betekenden. En zoals het christelijke jaar helemaal al gericht is op alles wat het bewustzijn doordringt, werd in deze bijzondere tijden het menselijke hart aangesproken zich te verrijken met wat toch de grootste feiten in het religieuze leven en voor het religieuze bewustzijn zijn.
Er zijn paasspelen, pinksterspelen, spelen op Sacramentsdag, ook spelen op andere heilige feesten. De populairste, die bijzonder diep op de ziel werkten, waren de kerstspelen. Met name deze spelen zijn bewaard gebleven uit de tijd dat de middeleeuwen afliepen. En 

blz. 78

auch diejenigen zwei Spiele, die wir Ihnen heute vorführen, stammen aus dem zu Ende gehenden Mittelalter. Sie sind wohl noch im 16. Jahrhundert überall gespielt worden, in den Gegenden sogar hier ringsherum. Sie werden es bei dem einen der Spiele finden, wie darauf hin- gewiesen wird, wie die Sonne über dem Rhein scheint. Daraus können Sie entnehmen, daß diese Spiele in einer Rheingegend ursprünglich heimisch sind. Aber gerade diejenigen Spiele, die wir Ihnen heute vorführen, sind nicht hier in diesen Gegenden gefunden; sie sind aufgefunden von meinem alten Lehrer und Freund Karl Julius Schröer, in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, in jenen Gegenden Oberungarns, die dazumal eigentlich noch urdeutsch waren, deren Deutschtum heute längst verklungen ist, dem slawischen und magyarischen Element Platz gemacht hat. In diesen Gegenden waren deutsche Kolonien, wie sie ja überall in Ungarn zerstreut sind. In der Preßburger Gegend, nördlich von der Donau, auch weiter hinüber, südlich von den Karpaten, das sogenannte ungarische Bergland entlang hinein bis nach Siebenbürgen; wiederum unten an der unteren Donau, im sogenannten Banat. In der letzteren Gegend sind die Schwaben seßhaft geworden, die ausgewandert sind aus Deutschland; in den Gegenden des nördlichen Ungarn, in den Gegenden, aus denen diese Spiele stammen, haben wir sächsische Kolonisten

ook de twee spelen die wij vandaag voor u opvoeren, komen uit de middeleeuwen die ten einde liepen. Wellicht zijn ze in de 16e eeuw nog overal gespeeld, zelfs in de streken die hier in de omtrek liggen. U zal bij een van de spelen horen dat daar gewezen wordt op hoe de zon boven de Rijn schijnt. Daaruit kun je concluderen dat deze spelen oorpronkelijk in een omgeving van de Rijn thuishoorden. Maar de spelen die we vandaag voor u opvoeren, zijn echter niet hier in deze streken gevonden; ze zijn door mijn oude leraar en vriend Karl Julius Schröer gevonden, in het midden van de vorige eeuw, in streken in Bovenhongarije die toen eigenlijk nog door en door Duits waren – dat Duitse behoort allang tot het verleden, het heeft plaats gemaakt voor Slavische en Hongaarse elementen.
In deze streken lagen Duitse kolonies zoals die overal in Hongarije verstrooid liggen. In de streek rond Pressburg, ten noorden van de Donau, ook nog verder, ten zuiden van de Karpaten, het zgn. Hongaarse bergland tot aan Siebenbürgen, ook nog naar beneden, aan de benedenloop van deDonau, in het zgn. Banaat. In laatste genoemde omgeving vestigden zich Zwaben die uit Duitsland weggetrokken zijn naar de streken van Noord-Hongarije; in de streken waaruit deze spelen komen, hebben we Saksische kolonisten.

Diejenigen aber, welche diese Spiele gepflegt haben, sind wahrscheinlich sogar alemannischen Ursprungs und sind ursprünglich seßhaft gewesen wohl in den Gegenden, die das Elsaß umfassen und die nördlich von dem die Nordgrenze der Schweiz bildenden Rhein gelegen sind. Diese Deutschen sind ausgewandert, haben sich niedergelassen in der Preßburger Gegend, nördlich von der Donau, der sogenannten Oberuferer Gegend, und haben als ein teures Andenken an ihre alte, mehr westlich gelegene Heimat diese Weihnachtspiele sich mitgebracht.
Jedes Jahr, wenn das Weihnachtsfest herannahte, fing man an, diese Weihnachtspiele im Dorfe einzustudieren. Eigentlich fing man schon damit an, wenn die Weinlese vorüber war. Da tat sich derjenige um, welcher diese Weihnachtspiele in seiner Familie bewahrte; eine wohl
angesehene Familie war es in den einzelnen Dörfern, welche diese Spiele aufgeschrieben hatte, und wiederum der angesehenste und älteste

Degenen echter die voor deze spelen zorgden, zijn wellicht zelfs van Alemaanse komaf en woonden waarschijnlijk wel in de streken die de Elzas omvatten en die noordelijk liggen van de Rijn die de noordgrens van Zwitserland vormt. Deze Duitsers zijn weggetrokken, ze vestigden zich in de buurt van Pressburg, ten noorden van de Donau, het zgn. gebied van de bovenoever ‘Oberufer’, en hebben als een geliefde herinnering aan hun oude, meer naar het westen gelegen thuisland deze kerstspelen meegenomen. 
Ieder jaar als de kersttijd naderde, begon men in het dorp met het instuderen van de kerstspelen. Eigenlijk werd daar al mee begonnen, als de druivenpluk voorbij was. Dat deed degene die deze kerstspelen binnen zijn familie bewaarde – het was een familie die in deze dorpen wel aanzien had, zij had deze spelen opgeschreven en de meest geziene en oudste van de familie was de zgn. leermeester. In oktober al, wanneer de druivenpluk voorbij was, riep hij uit de omgeving de jongens bij elkaar. Toen mochten alleen jongens spelen. Hij riep die jongens samen die hij geschikt vond, niet alleen met het oog op de kunst van het spelen, wat betreft het volks kunnen spelen, maar ook geschikt in moreel-religieus opzicht.

blz. 79

der Familie war der sogenannte Lehrmeister. Er sammelte um sich, wenn die Weinlese vorüber war, im Oktober schon die Burschen. Nur Burschen durften dazumal spielen. Er sammelte die Burschen, welche er tauglich fand, nicht nur in künstlerischer Beziehung, in volkstümlich künstlerischer Beziehung, sondern auch tauglich fand in moralisch- religiöser Beziehung. Es wurde ja sogar den Burschen während des Studierens, der Vorbereitung, auferlegt, ein besonders frommes Leben zu führen, damit sie durch ihre ganze Gesinnung, wenn sie zu Weihnachten auftreten sollten, in der richtigen Weise für dasjenige, was in diesen Spielen enthalten war, eintreten konnten. Dann wurde von Woche zu Woche studiert und in strenger Weise darauf gesehen, daß alles dasjenige, was ringsherum war, wirklich auch beobachtet wurde in diesen alten Spielen. Es war eigentlich alles bestimmt, wie jede einzelne Person sich zu verhalten hat.Nachdem lange Zeit diese Spiele vorbereitet waren, die Weihnachtszeit herannahte, rüsteten sich dann diejenigen, die vom Lehrmeister durch viele Wochen hindurch unterrichtet worden waren, und zur Weihnachtszeit zogen sie zunächst im Dorfe herum, zogen dann nach jenem Wirtshause hin, dass man zur Aufführung ausersehen hatte. In einem einfachen Wirtshause wurde nun mit den denkbar einfachsten Mitteln dasjenige aufgeführt, was Sie in den zwei heutigen Spielen sehen werden.

Tijdens het instuderen en de voorbereiding kregen deze jongens opgelegd om een bijzonder vroom leven te leiden, zodat ze door hun hele gemoedsgesteldheid als ze met Kerstmis moesten optreden, op de juiste manier konden staan voor wat in deze oude spelen bewaard was gebleven. Week na week werd er geoefend en er werd streng op gelet dat alles wat met deze oude spelen te maken had, overal in acht werd genomen. Het lag eigenlijk helemaal vast wat ieder pesroon op zich, moest doen. Nadat deze spelen lang waren voorbereid en het kersttijd werd, maakten degenen die door de leermeeester het wekenlang geleerd hadden, zich klaar en tegen de kersttijd trokken ze dan door het dorp, dan naar de herberg die men gekozen had om het daar op te voeren. In een eenvoudige herberg werd nu met de simpelste middelen opgevoerd wat u nu in de twee spelen gaat zien.

Es sind zwei Proben davon, wie man die Heilige Geschichte dargestellt hat.
Das erste Spiel stellt dar die Paradeis-Geschichte, die Versuchung von Adam und Eva. Das zweite Spiel stellt dar, daß Christus erscheinen wird den Hirten zu Bethlehem, und alles dasjenige, was sich daran angeschlossen hat.
Zweierlei, meine sehr verehrten Anwesenden, ist aus diesen Spielen ersichtlich.Erstens, wie tief in das Gemüt mit einer echten, ehrlichen Frömmigkeit das Christentum eingeströmt war. Und auf der anderen Seite auch, wie jede Sentimentalität dazumal noch diesen einfachen Leuten fremd war. Ein sentimentales Wesen, das immer etwas unwahr ist, irgend etwas falsch Mystisches, war durchaus nicht mit dieser echten, ehrlichen volkstümlichen Frömmigkeit irgendwie verknüpft.
Ich selber war im tiefsten Sinne hingerissen, als ich, als ganz junger Kerl, von meinem verehrten Lehrer, Karl Julius Schröer, dazumal

Het zijn twee voorbeelden van hoe men het heilige verhaal uitbeeldde.
Het eerste spel stelt het paradijsverhaal voor, de verleiding van Adam en Eva. Het tweede spel stelt voor dat Christus verschijnt aan de herders in Bethlehem en alles wat er zo bijgekomen is. 
Twee dingen, geachte aanwezigen, zijn bij deze spelen wel duidelijk.

Ten eerste, hoe diep het christendom in het gemoed met een echte, eerlijke vroomheid innerlijk was aangekomen. En aan de andere kant ook, hoe iedere vorm van sentiment dat altijd iets onwaarachtigs heeft, iets mystieks op een verkeerde manier, absoluut niet met deze echte, eerlijke volkse vroomheid hoe dan ook maar verbonden was. 
Ikzelf was zeer diep geraakt, toen ik, als heel jong ventje, door mijn vereerde leraar, Karl Julius Schröer, destijds

blz. 80

Ende der siebziger Jahre, Anfang der achtziger Jahre des vorigen Jahrhunderts, dieseWeihnachtspiele kennenlernte, und ich beschäftigte mich dann selber viel damit. Und so darf versucht werden, dasjenige vorzuführen, was meiner Ansicht nach durch, man kann sagen, Jahrhunderte in deutschen Gegenden Mitteleuropas jedesmal um die Weihnachtszeit mit einer ehrlichen, elementarischen Frömmigkeit gefeiert worden ist, was dann als treues Erbstück hinübergebracht worden ist in die damaligen deutschen Kolonien in Ungarn, so wie es in diesen alten Zeiten vorgeführt worden ist. Allerdings ganz so primitiv kann man es nicht machen. Aber so gut als möglich muß man es machen. Und wir machen es hier so, daß man durchaus eine Vorstellung davon bekommt, wie es zu Weihnachten in diesen deutschen Kolonistendörfern aussah. So – heraufholend ein Stück christlichen deutschen Volkstums – sollen diese Weihnachtspiele jetzt in einer unverfälschten Gestalt vor Sie hintreten.
Sie werden sehen, wie alles aber darauf abgestellt ist, die Darstellung zu etwas Intimem zu machen, welches das ganze Publikum – es war ja das einfache Dorfpublikum – miterlebte. Daher werden Sie sehen den Sternsinger, der auftritt, um die ganze Sache einzuleiten. Sie werden sehen, wie er in der Tat die Brücke von den Spielenden zu dem Publikum hin bildet, so daß alles einen außerordentlich gemütvollen, innigen, herzlichen Ausdruck haben kann. 

aan het eind van de jaren achttienzeventig, begin jaren tachtig, deze spelen leerde kennen en ik hield me er veel mee bezig. En zo mogen we dan proberen  op te voeren wat naar mijn mening, je kan wel zeggen, eeuwenlang in Duitse streken in Midden-Europa iedere keer rond de kersttijd met een eerlijke, basale vroomheid gevierd werd, wat als een trouw erfstuk meegebracht werd naar de Duitse koloniën in Hongarije, zoals het in die oude tijd opgevoerd werd. Maar zo primitief als men het toen deed, gaat het nu niet. Maar we moeten het zo goed mogelijk proberen. En we doen het hier zo dat je zeker een beeld krijgt van hoe het er tegen de kerst in deze Duitse kolonistendorpen uitzag.
Op deze manier – een stukje christelijk Duits volkseigen ophalend – zouden deze kerstspelen nu op een onvervalste manier voor u moeten staan.
U zal zien hoe alles er echter op gericht is, de voorstelling tot iets intiems te maken, wat het hele publiek – het waren de eenvoudige dorpstoeschouwers, beleefde. Vandaar dat u de sterrenzanger ziet die optreedt om het geheel in te leiden. U zal zien hoe hij inderdaad de brug van de spelers naar het publiek is, zodat alles een buitengewoon gemoedvolle, innige, hartelijke uitdrukking kan hebben. 

Das, was ich Ihnen sagte, was einen nur veranlassen kann, diese Überlieferungen aus altem Volkstum lieb zu haben, hat dazu geführt, daß wir gerade innerhalb unserer anthroposophischen Bewegung jedes Jahr auch das Spielen dieser alten Volksstücke zu unserer Aufgabe gemacht haben, und es nun auch dieses Jahr wiederum tun. Und dazu haben wir Sie eingeladen.
Gerade in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts ist so vieles von diesen alten Dingen verschwunden, und man muß eigentlich dankbar dafür sein, daß ein Mann, der als Gelehrter im Volkstum gelebt hat, wie Karl Julius Schröer, sich selber zu den Lehrmeistern hinbegeben hat, sich hat vorsagen lassen dasjenige, was der Lehrmeister oder diejenigen, welche Mitspieler waren, im Gedächtnis gehabt haben. Denn sie haben ihm etwas gesagt, was wirklich jahrhundertealtes, heiliges Gut ist. Und so ist es erhalten worden. Im Volkstum ist es leider heute höch

Wat ik u heb gezegd, wat voor iemand alleen maar aanleiding kan zijn om te houden van wat uit het oude volkse is overgeleverd, heeft ertoe geleid dat wij binnen de antroposofische beweging ieder jaar ook het spelen van deze oude volksstukken tot onze opdracht hebben gemaakt en het ook ieder jaar weer doen. En daarvoor hebben we u uitgenodigd.
Vooral in de tweede helft van de 19e eeuw is zoveel van deze oude dingen verdwenen en je moet er eigenlijk dankbaar voor zijn dat een man die als geleerde in dit volkse leefde, zoals Karl Julius Schröer, zelf naar de leermeesters is gegaan, zich heeft laten voorspreken wat de leermeester of wie medespeler was, zich nog wist te herinneren. Want zij hebben hem iets gezegd wat werkelijk eeuwen oud geheiligd goed was. En zo is het bewaard gebleven. Onder het volk is het tegenwoordig helaas 

blz. 81

stens in ganz vereinzelten Gegenden vorhanden, wo es auch übrigens wieder versucht wird unverfälscht zu geben. Es lebt eben ein Stück alten Volkstumes auf, wenn wir uns so in die Dinge vertiefen, wie es durch eine möglichst unverfälsche Darstellung, wie wir sie nun versuchen, geschehen kann. In diesem Sinne die Sachen anzusehen, hatten wir Sie freundlich eingeladen, dieses alte Volksgut mit uns anzusehen.

hoogstens nog bestaand in heel eenzame streken waar overigens wordt geprobeerd het onvervalst weer te geven. Zo leeft wel weer een stukje oud volkseigen op als wij ons op deze manier in de dingen verdiepen zoals dat door een zo veel mogelijk onvervalste voorstelling, zoals wij nu proberen, kan gebeuren. Wij hebben u vriendelijk uitgenodigd om er op deze manier naar te kijken, met ons te kijken naar dit oude volksgoed.

                                                             0-0-0

Im Anschluß an die beiden Aufführungen von dem «Paradeis-Spiel» und von dem «Christ-Geburt-Spiel» in Dornach am Freitag, den 14. Dezember 1923, reiste die Spielergruppe am Samstag zur Probe nach Schaffhausen, wo am Sonntag, den 16. Dezember 1923, die beiden Spiele aufgeführt wurden. Rudolf Steiner kam am Sonntag nachgefahren und hielt eine Ansprache, von der sich aber keine Nachschrift erhalten hat. Dann reiste er weiter nach Stuttgart. Marie Steiner war damals in Berlin. – In dem 1967 erschienenen Buch: Rudolf Steiner/Marie Steiner-von Sivers «Briefwechsel und Dokumente 1901-1925» schreibt Rudolf Steiner mehrmals über dieses in Vorbereitung befindliche Gastspiel.

Aansluitend op de beide opvoeringen van het Paradijsspel’ en het ‘Herdersspel’ in Dornacde twee spelen opgevoerd werden.h op vrijdag 14 december 1923, reisde de spelersgroep op zaterdag om te oefenen in Schaffhausen waar op zondag 16 december 1923. Rudolf Steiner ging er op zondag naartoe en hield een toespraak, waar geen stenoverslag van is. Daarna ging hij naar Stuttgart. Marie Steiner was toen in Berlijn. 
In het in 1967 verschenen boek ‘Rudolf Steiner/Marie Steiner-von Sivers ‘Brieven en documenten 1905-1925’, [GA 262/208] schrijft Rudolf Steiner verschillende keren over de voorbereidingen voor dit gastspel.

,

[1] GA 274
[2] GA 274

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.
2068-1940

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel – regie-aanwijzingen (3-6)

.

AANWIJZINGEN VOOR DE TONEELBELICHTING

In het boek            ‘Weihnachtspiele aus alten Volkstum’
                                               ‘Die Oberuferer Spiele’

staan ook aanwijzingen voor de belichting.
Deze werden door Rudolf Feuerstack die vele jaren belichter was aan het Goetheanum, voor dit boek samengesteld. 

Hij zegt:

‘De volgende belichtingsaanwijzingen berusten op wat Rudolf Steiner opmerkte bij zijn enscenering (Jan Stuten)* op het toneel in de ‘Schreinerei’ van het Goetheanum in Dornach. De belichting toen werd gedaan door Ehrenfried Pfeifer die ze ook optekende. Deze aanwijzingen moeten alleen als aanzet beschouwd worden, voor het praktisch gebruik op andere tonelen zal men een eigen belichting moeten vinden. Ons lijkt het wezenlijk dat het hierbij gaat om een zeer bescheiden, geen ingewikkelde verbeeldende belichting

Voor het Paradijsspel zijn dat er maar een paar:

Voetlicht en bovenlicht: wit, rood

Alles wit rood

Adam bijt in de appel en gooit deze weg:
wit en rood sterk terug tot op een kwart
Regie-aanwijzingen

De komanij zingt: ‘O heilige drievuldigheid’
wit en rood weer vol
Regie-aanwijzingen

.
*Jan Stuten leidde na Rudolf Steiners dood de opvoeringen in Dornach.
.

Kerstspelen: alle artikelen

.

2066-1938

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (7)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 22-12-1920

blz. 57

Die beiden Weihnachtspiele, die heute vorgeführt werden, sind in derselben Weise, wie sie durch die Jahrhunderte gespielt worden sind, noch gespielt worden in der Mitte des 19. Jahrhunderts in den deutschen Sprachkolonien, die sich in Ungarn finden, etwas ostwärts von Preßburg, nördlich von der Donau, in der sogenannten Oberuferer Gegend. Ungarn war damals durchaus in diesen Gegenden, sowohl nördlich von der Donau, an den Karpaten vorüber und südwärts davon bis hinein nach Siebenbürgen, also über die Zipser Gegend  hinweg, dann wiederum nach dem Banat hin, der Gegend seines Westens, überall von deutschen Kolonisten durchsetzt, welche seit einigen Jahrhunderten von Westen her nach Ungarn einwanderten, ihre Kulturschätze mitnehmend. Und wertvollste dieser Kulturschätze sind wohl gerade diese Spiele. Wir werden zurückgeführt durch diese Spiele – gerade diese hier, die mein verehrter Lehrer, Karl Julius Schröer, in den fünfziger Jahren so gesammelt hat, wie ich es gleich mitteilen möchte, auf die Entwickelung der mitteleuropäischen Weihnacht- und christlichen Spiele überhaupt. Diese Spiele führen uns zurück bis ins 11. Jahrhundert. Sie sind ausgegangen von dem Impuls desjenigen, was sich in den Kirchen abspielt, in das Volkstum hineinwirkt, den Inhalt der heiligen Legende, den Inhalt der Bibel in einer dramatischen Weise ausgestaltet.

De twee kerstspelen die nu opgevoerd gaan worden, zijn op dezelfde manier waarop ze door de eeuwen heen gespeeld werden, nog gespeeld in het midden van de 19e eeuw in de Duitse taalenclaves die zich in Hongarije bevinden, iets ten oosten van Pressburg, ten noorden van de Donau, in de zgn. omgeving van Oberufer. Hongarije lag toen vooral in deze streken, zowel ten noorden van de Donau, voorbij de Karpaten en ten zuiden ervan naar Siebenbürgen, dus verder dan de streek van de Zipsen, dan nog tot aan de Banat, de westelijke omgeving; overal bewoond door Duitse kolonisten die sinds enige eeuwen vanuit het westen naar Hongarije trokken, hun cultuurrijkdom meenemend.
En het meest waardevol van deze cultuurrijkdom zijn wellicht deze spelen. We worden door deze spelen teruggevoerd – met name deze hier, die mijn geachte leraar, Karl Julius Schröer, in de jaren vijftig zo verzameld heeft als ik dadelijk ga zeggen – op de ontwikkeling van de Middeneuropese kerst- en christelijke spelen met name. Deze spelen brengen ons terug tot in de 11e eeuw. Ze gingen uit van de impuls van wat zich in de kerken afspeelt, wat doorwerkt in de bevolking, de inhoud van de heilige legende, de inhoud van de Bijbel als drama vormgegeven.

Ursprünglich war das wirklich so, wie es auch noch war in Griechenland, wo die ganze Dramatik aus den Dionysos-Spielen hervorgegangen ist. So ähnlich war es auch im Mittelalter vom 10., 11. Jahrhundert an vor sich gegangen. Man dekorierte den Altar, man dekorierte die übrige Kirche. Geistliche waren es zunächst, welche diese Spiele aufführten. Wir werden bis zurück ins 11.Jahrhundert finden, wie drei Geistliche in Frauenkleidern in der Kirche selbst die Szene an Christi Grab aufführen, nachdem der Tod eingetreten war. Zwei der Priester stellten die Frauen dar, die ans Grab gekommen waren, der dritte den Engel. Das ist im Grunde genommen eines der ältesten

Oorspronkelijk was het daadwerkelijk zoals het nog in Griekenland was, waar heel de dramatiek voortgekomen is uit de dionysische spelen. Net zo ging het ook in de Middeleeuwen vanaf de 10e, 11e eeuw. Het altaar werd opgesierd, de rest van de kerk. Aanvankelijk voerden de geestelijken die deze spelen op. Tot wel in de 11e eeuw vinden we terug hoe drie geestelijken in vrouwenkleren in de kerk zelf de scène aan het graf van Christus opvoeren nadat de dood was ingetreden. Twee priesters speelden de vrouwen die naar het graf gekomen waren, de derde de engel. Eigenlijk is dat een van de oudste 

blz. 58

Motive, und von solchen biblischen Motiven sind diese Dinge ausgegangen. Wir finden dann, daß zum Beispiel ein sehr häufig gespieltes Spiel das war, welches drei aufeinanderfolgende Szenen vorstellte: den Gang der Frauen zum Grabe Christi, das Gespräch des Heilandes mit Magdalena, und dann einen Chor der Frauen und der Jünger als dritten Teil.
Diese Dinge wurden immer mehr und mehr ausgebildet. Wir finden zum Beispiel im Beginn des 14. Jahrhunderts, daß über die meisten Gegenden Mitteleuropas zu den christlichen Festen manchmal ganz große, bedeutende Spiele schon aufgeführt wurden. So wird uns berichtet, wie am 24. April 1322 in Thüringen, am Fuße der Wartburg, im Hause «die Rolle», aufgeführt wurde ein Stück von den zehn Jungfrauen, den klugen und den törichten Jungfrauen, und die ganze Folgezeit haben wir Berichte zu verzeichnen, die übriggeblieben sind, welche das außerordentlich Eindrucksvolle gerade dieser Aufführung vom Sonntag Misericordiae, am 24. April des Jahres 1322 schildern. Allerdings, das Eindrucksvolle wird in einer sehr realen Weise geschildert. Einer der Teilnehmer an diesem Stücke war der Landgraf Friedrich, der den sonderbaren Beinamen trug: «mit der gebissenen Wange»; dieser Friedrich, der schon etwas schwach offenbar war, als er an diesem Spiel von den klugen und törichten Jungfrauen teilnahm, wurde so gerührt, daß ihn der Schlag traf und er kaum noch zwei Jahre lebte, im Jahre 1323 gestorben ist.

motieven en van dergelijke Bijbelse motieven zijn deze dingen uitgegaan. We vinden dan, dat bv. zeer vaak het spel werd gespeeld met drie elkaar opvolgende scènes: de gang van de vrouwen naar het graf van Christus, het gesprek van de Heiland met Magdalena en dan een koor van vrouwen en discipelen.
Deze dingen ontwikkelden zich steeds verder. In het begin van de 14e eeuw vinden we bv. dat verspreid over de meeste gebieden van Midden-Europa naast de christelijke feesten vaak al heel grote, belangrijke spelen opgevoerd werden. Zo wordt ons verteld dat op 24 april 1322 in Thüringen, aan de voet van de Wartburg, in het huis ‘die Rolle’, een stuk opgevoerd werd van de tien maagden, de wijze en de dwaze maagden en een hele tijd daarna kun je berichten optekenen die nagelaten zijn, die melding maken van wat met name een buitengewone indruk maakte: deze opvoering op de tweede zondag na Pasen, op 24 april 1322. En juist dit imponerende werd op een zeer realistische manier ten tonele gevoerd. Een van de deelnemers aan het stuk was landgraaf Friedrich, die de zonderlinge bijnaam ‘die in zijn wang gebeten is'[2] had; deze Friedrich die kennelijk niet zo sterk was toen hij meedeed in het stuk van de wijze en dwaze maagden, werd er zo door geraakt dat hij een beroerte kreeg en daarna nog maar een paar jaar leefde, hij stierf in 1323.

Dieses Spiel ist dann in Mülhausen aufgefunden worden, ist jetzt auch gedruckt und gehört zu den interessantesten Denkmälern dramatischer Kunst, welche aus der Kirche, also aus der heiligen Handlung, die sich allmählich in Wahrnehmung gestaltet hat, heraus entstanden sind.
Wir haben dann ein sehr interessantes Spiel aus einer etwas späteren Zeit, das sogar etwa 1340 Verse hat, und welches erhalten ist in einer St. Galler Handschrift. Sie enthält die ganze Heilige Geschichte von der Hochzeit zu Kana in Galiläa bis zur Auferstehung, und zwar in einer außerordentlichen eindrucksvollen Weise, indem gerade überall die Szenen herausgestellt sind, wo Christus als Lehrer wirkt. Und die Art und Weise, wie die Sachen inszeniert wurden, scheint tatsächlich eine außerordentliche geschickte dramatische Handlung zu

Dit spel is in Mülhausen opgedoken, is nu in druk verschenen en behoort tot de meest interessante mijlpalen van de dramatische kunst die vanuit de kerk, dus uit de heilige cultus, door die steeds maar te zien, ontstaan zijn.
Dan hebben we een zeer interessant spel uit een iets latere tijd, dat zelfs zo’n 1340 verzen heeft en dat bewaard gebleven is in een handschrift uit St.Gallen.
Het omvat heel de heilige geschiedenis van de bruiloft in Kana in Galilea tot aan de Opstanding en dat op een buitengewoon indrukwekkende manier, omdat m.n. overal de scènes benadrukt worden waarin Christus als leraar werkzaam is. En de manier waarop deze zaken in scène zijn gezet, lijkt inderdaad een buitengewoon knappe dramatische handeling

blz. 59

verraten. Der Vorgang war in der Darstellung so getroffen, daß zuerst nur einiges Wenige ganz dramatisch dargestellt wurde, dazwischen wurde immer etwas erzählt und auch noch etwas pantomimisch dargestellt. Wenn wir also ins 12., 13 Jahrhundert zurückgehen, ist die Darstellung so, daß etwas besonders Packendes dargestellt wird, dann folgt Pantomimisches und dann wiederum wurde erzählt. Aber allmählich ging diese Handlungsweise ganz ins Dramatische über. Man sieht auch, wie die Sachen aus der Kirche allmählich ins Profane herausgewachsen sind. Die ältesten Stücke, die erhalten sind, sind
in lateinischer Sprache erschienen, dann waren nur noch die Überschriften und einzelne Sätze lateinisch, der Text in der Volkssprache, und dann werden allmählich, indem es ins 15., 16. Jahrhundert geht, die Stücke ganz in der Volkssprache abgefaßt, und sie dringen auch von der Kirche nach auswärts.
Die Stücke, die Ihnen heute vorgeführt werden, wurden in der Nähe von Preßburg, namentlich in der Nähe der Oberuferer Gegend, in den Gasthäusern aufgeführt, also von der Kirche ist die Sache durchaus allmählich in das Volk hineingedrungen. Wir sehen, wie mit einem ungeheuren Ernst dasjenige, was aus dem Christus-Impuls heraus gerade im Volke gefühlt und empfunden werden konnte, in diesen Stücken lebt.

te onthullen. Met de gang van de voorstelling was het zo geregeld dat eerst alleen iets kleins heel dramatisch werd neergezet, er tussenin werd steeds iets verteld en een pantomime vertoond. Wanneer we dus naar de 12e, 13e eeuw teruggaan, is de opvoering zo dat er eerst iets heel pakkends vertoond wordt, dan pantomime en dan werd er weer  verteld. Maar geleidelijk ging deze manier van doen over in iets dramatisch. Je kan ook zien hoe de dingen vanuit de kerk geleidelijk aan naar iets werelds toegegroeid zijn. De oudste stukken die bewaard zijn gebleven, zijn in het Latijn verschenen, daarna waren alleen de titel en een paar zinnen nog in het Latijn, de tekst in de volkstaal en daarna worden de stukken geleidelijk aan alleen maar in de volkstaal geschreven en vanuit de kerk gaan ze ook de wereld in. 
De stukken die vandaag voor u opgevoerd worden, werden in de buurt van Pressburg, m.n. in de buurt van Oberufer in de herbergen opgevoerd, dus vanuit de kerk is het langzamerhand tot het volk doorgedrongen. We zien dat met een buitengewone ernst dat wat vanuit de christusimpuls in het volk gevoeld en beleefd kon worden, in deze stukken leeft.

Später sieht man, wie immer mehr und mehr in der weltlichen Legende Traditionen, die nicht in der Bibel stehen, die aber doch in der Überlieferung vorhanden sind, in diese Stücke einlaufen. Die Stücke wurden nicht bloß zu Weihnachten, sondern auch zu Ostern, zu Pfingsten, zu Fronleichnam, in manchen Gegenden zum Feste der heiligen Rosalie und so weiter aufgeführt, schlossen sich aber immer an dasjenige an, was der Kirchenkalender bot. Man sieht überall, wie geradezu die Empfindungen aus der Heiligen Geschichte heraus, die dem Jahreslauf gemäß verlaufen, auch in diesen Stücken enthalten sind, so daß wir ein wunderschönes Stück echten Volkstums erhalten haben, durch das wir in die Jahrhunderte des Geisteslebens zurücksehen, wie es in Mitteleuropa war, dann nach dem Osten herübergenommen wurde. Ein solches wunderbares Stück von Volkstum haben wir noch darin.
Bei den späteren Stücken müssen wir besonders bewundern, daß

Later zie je, hoe er steeds meer tradities in de wereldse legende komen te zitten die niet in de Bijbel staan, maar wel in hoe het werd doorgegeven. De stukken werden niet alleen met Kerstmis, maar ook met Pasen, Pinksteren, Sacramentsdag, in sommige streken op het feest van de heilige Rosalie enz. opgevoerd, maar altijd was er iets wat bij de kerkkalender aansloot. 
Je aiet overal hoe juist het beleven van de heilige geschiedenis die parallel loopt met het jaarverloop, vooral in deze stukken aanwezig is, zodat voor ons een wonderschoon element van echte volkskunst bewaard gebleven is, waardoor we naar de eeuwen van het geestesleven terug kunnen kijken hoe het in Midden-Europa was en wat naar het oosten meegenomen werd. Daar vinden we nog een wonderbaarlijk stuk echt volksleven in. 
In de latere stukken moeten we in het bijzonder bewonderen dat 

blz. 60

einerseits ein wirklicher Ernst, ein großer Ernst und eine wahrhaft christliche Gesinnung in den Stücken leben, daß sie aber gar nicht sentimental sind. Solche Stücke sentimental aufzufassen in der Darstellung, wäre eine vollständig irrtümliche Note, denn es spielte im Volk auch in das Heiligste immer ein gesunder Humor hinein. Und man kann sagen: Gerade darinnen drückt sich eigentlich erst der rechte Ernst aus, daß das Volk durchaus nicht in unwahrer Weise sentimental wurde, sondern seinen Humor hineintrug, und dennoch das ganze Ernste der Heiligen Geschichte auch zum Ausdruck brachte.
Aus dieser ganzen Tradition heraus sind auch diese beiden Stücke. Sie müssen aus ganz anderen Gegenden stammen als aus der, in welcher sie zuletzt gefunden worden sind, denn wir werden im zweiten Stück in der Einführung hören, wie hingewiesen wird auf das Meer und den Rhein; das Meer, das also etwa der Bodensee sein kann, der Rhein, der jedenfalls nicht in der Preßburger Gegend fließt. Also es haben von westwärts her diese Stücke ursprünglich gelebt und sind mit den nach Osten hin wandernden deutschen Kolonisten nach Ungarn gebracht worden, wo sie dann weitergelebt haben. Und wie sie gelebt haben, das hat noch Karl Julius Schröer, der die Stücke hat selber aufführen sehen und sie niedergeschrieben hat in seinem Buche «Deutsche Weihnachtspiele aus Ungarn»,

aan de ene kant een diepe ernst, een grote ernst en een waarachtige, christelijke stemming in de stukken heerst, dat ze daarbij echter niet sentimenteel zijn. Dergelijke stukken bij het uitvoeren sentimenteel op te vatten, zou volledig misplaatst zijn, want bij het volk was er ook bij het meest heilige altijd een gezonde humor bij. En je kan zeggen: juist daarin komt pas echt de grote ernst tot uitdrukking wanneer het volk juist niet op een onechte manier sentimenteel zou worden, maar er humor in stopte en toch de heel grote ernst van de heilige geschiedenis ook nog tot uitdrukking bracht. Vanuit deze hele traditie stammen ook deze beide stukken. Ze moeten uit heel andere oorden vandaan komen dan uit die waar ze dan gevonden zijn, want we zullen in het tweede stuk bij de inleiding horen dat er gewezen wordt op de zee en de Rijn; de zee kan dus het Bodenmeer (Bodensee) zijn, de Rijn die in ieder geval niet in de omgeving van Pressbrug stroomt.
Dus oorspronkelijk leefde men met deze stukken vanuit het westen vandaan, meegebracht door de naar het oosten naar Hongarije wegtrekkende Duitse kolonisten, waar ze dan verder levend gehouden werden. En hoe levend ze nog waren, heeft Karl Julius Schröer, die de stukken zelf nog opgevoerd heeft zien worden, beluisterd en opgeschreven in zijn boek ‘Duitse kerstspelen uit ‘Hongarije’,

nach dem Anhören derjenigen, die sie selber aufgeführt haben, die sie gedächtnismäßig innehatten für die Aufführung, abgehört und niedergeschrieben, nicht irgendwo abgeschrieben, sondern niedergeschrieben nach dem Wortlaute, denn die Leute haben diese Stücke außerordentlich stark in Ehren und in Verwahrung gehalten. Es hat immer einzelne wenige angesehene Familien innerhalb des Dorfes gegeben, in den meisten Dörffern sogar nur eine einzige, welche die Handschrift verwahrten. Es ging stets vom Vater auf den Sohn über. Und wenn nun die Weihnachtszeit heranrückte, wenn die Weinlese vorüber war im Herbste, dann sammelte derjenige, der das-Stück hatte, im Verein mit der Geistlichkeit, dem Pfarrer des Ortes, diejenigen Burschen, welche er für geeignet hielt, in diesem Jahre die Vorstellung zu machen. Die weiblichen Rollen wurden durchaus auch von Burschen dargestellt, etwas, was wir hier – obwohl wir uns sehr bemühen, im Stile der Darstellung

door naar de mensen te luisteren die ze zelf nog opgevoerd hadden, die ze uit hun hoofd kenden bij de opvoering; door te luisteren en op te schrijven, niet zomaar overgeschreven, maar opgeschreven in de woordklanken, want de mensen hebben deze stukken buitengeoon sterk in ere gehouden en veilig bewaard. Er waren altijd een paar families van aanzien binnen het dorp, in de meeste dorpen zelfs maar één die het handschrift bewaarde. Het ging steeds van vader op zoon. En wanneer dan de kersttijd naderde, wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, riep degene die het stuk had, samen met de geestelijkheid, de priester van het dorp, die jongens bij elkaar die ze voor geschiklt hielden, dat jaar de voorstelling te geven. De vrouwenrollen werden ook allemaal door jongens gespeeld, iets wat wij hier – hoewel we er erg ons best voor doen de stijl van de voorstelling

blz. 61

zu bleiben – nicht nachahmen können, weil unsere Frauen gar zu sehr remonstrieren würden, wenn wir die Stücke nur von Männern darstellen würden. Es würde nicht gehen, so etwas bei uns durchzuführen. Aber im übrigen bleiben wir tatsächlich in dem Stile, wie er sich erhalten hat ins 19. Jahrhundert herein.
Ich habe in meiner Jugend mit meinem verehrten Lehrer, Karl Julius Schröer, der in diesen Sachen ganz darinnen lebte, viel über diese Dinge gesprochen. Wir haben viel geredet über die Art und Weise, wie diese Spiele gespielt wurden, und es ist durchaus möglich, trotzdem wir unter ganz anderen Verhältnissen arbeiten, nicht wie dort in einem ländlichen Wirtshause und dergleichen und nicht unter der unmittelbaren Teilnahme der ganzen Bevölkerung, so wie es dort war, es ist doch möglich, annähernd in dem Stil zu bleiben. Der Ernst, mit dem die Sache angegriffen worden ist von diesen Leuten, konnte einem daraus hervorgehen, daß strenge Vorschriften da waren, wie die Leute, die an der Aufführung als Schauspieler teilnehmeil sollten, leben mußten. In dem Augenblicke, wo sie nach der Weinlese anfingen, die Proben zu machen, wurde die ganze Woche geübt.

ook zo aan te houden, niet kunnen doen, omdat onze dames met alle macht zouden protesteren wanneer wij de stukken alleen door mannen zouden laten spelen. En om dat bij ons door te voeren, gaat niet. Maar voor het overige houden wij de manier aan zoals die bewaard is gebleven tot in de 19e eeuw.
Ik heb er in mijn jeugd met mijn geachte leraar Karl Julius Schröer die hier helemaal voor leefde, veel over gesproken. We hebben veel gepraat over de manier waarop deze spelen gespeeld werden en het is heel goed mogelijk, hoewel wij onder heel andere omstandigheden bezig zijn, niet zoals daar in een plaatelandsherberg enzo en niet met de directe betrokkenheid van de hele bevolking zoals dat daar was, bij benadering die stijl aan te houden. De ernst waarmee de zaak opgepakt werd door deze mensen, kun je aflezen aan het feit dat er strenge voorschriften waren hoe de mensen die als toneelspeler aan de opvoeringen zouden deelnemen, moesten leven. Op het ogenblik waarop ze na de druivenpluk aan de repetities begonnen, oefenden ze de hele week.

Von der Weinlese bis zum Weihnachtsfest, wo die Aufführung war, wurden strenge Vorschriften von ihrem Lehrmeister, Pfarrer, Lehrer und von dem Meister, der das Stück hatte, gegeben. Solche Vorschriften, die sich auf das ganze Leben dieser Burschen erstreckten, zeigen, mit welchem Ernst die Sache unternommen worden ist. Wir hören da, daß zum Beispiel die Menschen, welche teilnehmen sollten, eine Bedingung erfüllen mußten – das brauchen wir nicht vorzuschreiben, weil das natürlich ganz selbstverständlich ist, daß Anthroposophen ein ehrsames Leben führen, aber das scheint bei den Burschen des Ortes nicht immer der Fall gewesen zu sein. So wurde die strenge Vorschrift gegeben: die Burschen müssen die ganze Zeit, während die Proben stattfinden, ein ehrsames Leben führen.
Die zweite Bedingung, die einzuhalten war, war diese: sie dürfen die ganze Zeit über keine Schelmenlieder singen. Nun, ich habe nie gehört, daß Anthroposophen Schelmenlieder singen, also kommt diese Bedingung für unsere Mitspielenden nicht in Betracht! Die dritte Bedingung können wir allerdings nicht erfüllen, die von den Lehrmeistern

Vanaf de druivenpluk tot aan de kerst, wanneer er opgevoerd werd, werden er door de leermeester, de priester, leraar en door de meester die het stuk in zijn bezit had, strenge voorwaarden gesteld. Dergelijke voorschriften die betrekking hadden op het hele leven van die jongens, laten zien met wat voor ernst de zaak ondernomen werd. We horen dat bv. de mensen die zouden meedoen, een afspraak moesten maken – dat hoeven wij hier niet voor te stellen, omdat het natuurlijk heel vanzelfsprekend is dat antroposofen een fatsoenlijk leven leiden, maar dat schijnt bij de jongens van het dorp niet altijd het geval te zijn geweest. Zo werd de strenge regel gegeven: de jongens moeten de hele tijd waarin de repetities plaatsvinden, een zeer fatnsoenlijk leven leiden.
De tweede voorwaarde waaraan voldaan moest worden was deze – ze mogen de hele tijd geen ondeugende liedjes zingen. Wel, ik heb nog nooit gehoord dat antroposofen ondeugende liedjes zingen, dus voor onze leden geldt deze voorwaarde niet! De derde voorwaarde die door de leermeesters van de dorpsjongens werd gesteld, kunnen wij zeker niet stellen.

blz. 62

den Burschen des Ortes gestellt worden ist. Das ist diese, daß sie in der strengsten Weise, während die Proben stattfinden, Gehorsam leisten müssen den Lehrmeistern. Nun, meine sehr verehrten Anwesenden, das ist bei uns nicht durchzuführen! Also das würde uns gar nichts helfen, solch eine Vorschrift etwa zu geben. Ebensowenig ließe sich durchführen diejenige Vorschrift, die da bestimmt, daß Strafen zugelegt werden müßten für jeden Gedächtnisfehler, denn erstens behaupten unsere Leute, sie machen gar keine Gedächtnisfehler, und zweitens würden sie nie eine Strafe bezahlen! Aber Sie sehen aus diesen strengen Bedingungen, die da gestellt worden sind, daß man die Sache mit außerordentlichem Ernst auffaßte. Es ist wirklich ein Stück wunderbaren christlichen Lebens, das sich da erhalten hat. Unter den modernen Verhältnissen gehen auch diese Dinge ganz verloren. Wir betrachten es seit Jahren mit als eine unserer Aufgaben, solche Dinge, die mehr als irgendeine theoretische Geschichtsbetrachtung in das Leben der Vergangenheit hineinführen, auch wiederum lebendig vor die Gemüter der Gegenwart hinzustellen, und wir glauben, daß es wirklich auf diese Art möglich ist, zu zeigen, wie das Christentum vom 11. bis ins 19. Jahrhundert in zahlreichen Gemütern Mitteleuropas, bis weit nach dem Süden vor, gelebt hat. Wir glauben, daß man zeigen kann, wie cliristliche Gesinnung in den Herzen vorhanden war aus dem heraus, was diese Leute als Ausfluß ihrer christlichen Gesinnung in solchen Spielen zu allen Festeszeiten des Jahres geleistet und gezeigt haben.

Ze moesten, tijdens de repetities, strict naar de leermeesters luisteren. 
Nu, zeer geachte aanwezigen, dat kunnen we hier bij ons niet doorvoeren! Dat zou ons dus helemaal niets helpen, zo’n voorschrift geven. En evenmin zouden we de regel kunnen invoeren die voorschrijft dat er een straf opgelegd moet worden bij iedere geheugenfout, want ten eerste beweren onze mensen dat ze die helemaal niet maken en ten tweede zouden ze die straf nooit betalen! Maar aan deze strenge eisen die toen werden gesteld, kun je toch zien dat men alles buitengewoon serieus nam. Het is werkelijk een stukje wonderbaarlijk christelijk leven dat daar bewaard is gebleven. Onder de moderne verhoudingen gaan ook deze dingen totaal verloren. Wij beschouwen het al jaren als een van onze opdrachten deze dingen die meer dan wat voor theoretische geschiedsopvatting ook, tot op het leven van het verleden teruggaan, ook weer levendig voor de harten van deze tijd te vertonen en we geloven dat het werkelijk op deze manier mogelijk is te laten zien hoe het christendom van de 11e tot in de 19e eeuw in talrijke harten in Midden-Europa, tot ver naar het zuiden, leefde.
Wij geloven dat je kan laten zien hoe een christelijke stemming in de harten aanwezig was uit wat deze mensen als uitvloeisel van hun christelijke stemming in dergelijke spelen bij ieder feest van het jaar gepresteerd en getoond hebben..

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2059-1931

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel

.
Pieter HA Witvliet
.

paradijsspel in jip-en-janneketaal
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Paradijsspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect. 
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Paradijsspel – maar dat geldt ook voor het Kerstspel en het Driekoningenspel – is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud. 

Daarmee zouden de klachten over de verstaanbaarheid tot het verleden moeten gaan behoren en hoeft de heilloze weg van het ‘hertalen’ niet ingeslagen te worden.

PARADIJSSPEL

Lied bij binnenkomst

1. Singhen wilc uyter herten myn
Ik wil met heel mijn hart zingen
alst leyt in myn gemoet,
zoals ik het voel
heer, laet ‘t myn mond gegeven syn
heer, geef dat mijn mond 

dat het u preysen doet!
u kan prijzen
want ghy syt onsen god
want u bent onze God
– laet af van alle spot –
spot niet
die alle dinc geschaepen heit
die alles geschapen heeft
ent al bestiert nae syn beleyt,
en alles met beleid bestuurt
geloofd, geloofd sy god!
geloofd, geloofd zij God

2. En in het midden daer stond een boom,
En in het midden stond een boom 
met kostlycke vrugt belaen,
met daaraan de kostelijkste vruchten
die haer van god verboden wierd:
die werden door God verboden
die soudense laeten staen.
die moesten ze laten staan
Sy en mochten die niet smaeken,
daarvan mochten ze niet proeven
sy en mochten daer aen niet raeken.
die mochten ze niet aanraken
Den boom sou syn het leven:
de boom zou het leven betekenen
daer omme wil god niet en gheven
daarom wil God niet de vruchten geven
de vrught die hong daer aen.
de vruchten die eraan hingen

De boompjesdrager

Goê sanghersluyden myn, coomt naederby
Mijn beste zangers, kom eens dichterbij
en siet wat grote vreught en eer u deusen dach geschiedt:
en kijk eens wat u aan vreugde en eer op deze dag overkomt
veul vollecks sit bijeene alhier in deusen sael, groot ende kleyn,
er zitten heel wat mensen in deze zaal, groot en klein
die syn gecomen al te mael u spel te hooren.
die zijn allemaal gekomen om u spel te horen
So wilt rontsomme staen
dus kom eens rondom me staan
en neerstellic een wyl voor haerluy singhen gaen.
dan gaan we aanstonds even voor hen zingen
Toont een betaamelyc en vroom gesicht,
toon een fatsoenlijk en ernstig gezicht
soodat ghyse allen oock van herten sticht;
zodat ze er ook van harte beter van worden
merckt dat u stemme suver word’ gehoordt
let erop dat uw stem zuiver wordt gehoord
en hertelyck klinck’ u gesanck ende woord.
en dat uw woord en gezang hartelijk klinkt
Alevel groeten me te voren
Maar van te voren groeten we
de goê gemeynt, so u wel vlytigh aen wilt hooren.
de mensen hier die aandachtig naar u gaan luisteren
Maer laet ons teersten groeten god vader in synen troon,
Maar laten we allereerst Godvader op zijn troon groeten
en groeten me desgelyc synen eenighen soon,
en groeten we net zo zijn enige zoon
mitgaeder den heylighen geest hooch vereert,
en daarbij ook de heilige geest, hoog vereerd
die aen ons menschen den wegh ter waerheyt leert.
die aan ons mensen de weg van de waarheid leert
Groeten me tesamen heel de heilighe triniteit:
Laten we samen heel de heilige drievuldigheid groeten,
vader, soon ende geest gedrieën in eenicheit.
vader, zoon en de heilige geest, met z’n drieën een eenheid
Groeten me Adam en Eva in den hove,
Groeten we Adam en Eva in de hof
daer me allen wel geern souden binnen moghen.
daar zouden we allemaal wel graag naar binnen mogen
Groeten me oock alt geboomt ende gediert,
Groeten we ook alle bomen en de dieren,
soo veul als in het paradys gevonden wierd.
zoveel als er in het paradijs worden gevonden
En groeten me fyn neffens de andere dieren
En daarnaast groeten we ook de andere dieren
de veughelkens die soo schone slaen ende tierelieren.
de vogeltjes die zo mooi slaan en tierelieren
Groeten me oock het gantsche firmament,
Groeten we ook het hele uitspansel
alsoo god heere heyt gheset aen swaerelts end.
dat God zo aan het einde van de wereld heeft gezet
Groeten me seer de edele overheydt;
Groeten we de edele overheid
Groeten me meester, nu als tallentyd.
Groeten we zoals altijd de meester
Groeten me de eerwaerde geestlycken soo goet me connen,
Groeten we de eerwaardige geestelijken zo goed als we kunnen
Noyt en moghen me iet speulen, als sy ’t niet en gonnen.
nooit mogen we iets spelen als zij het ons niet gunnen

Groeten me tsaem de schepenen en den schout,
Groeten we allemaal de schepenen en de schout
De vroe raetheeren nae vermoghen, jong ende oud.
en jong en oud naar vermogen de wijze raadsheren
Want we sullense al gaeder gevoeghelyck eeren
want die moeten we fatsoenlijk eren
Naerdien sy over ons ghestelt syn van god ons heere.
want God heeft die toch boven ons gesteld
En nu, goê sanghersluyden myn, fanght vlytigh aen,
En nu, mijn beste zangers, begin eens ijverig
den boom, dwelc in het midden van den hof doet staen,
de boom, die daar in het midden van de hof staat
daer van en mach niemant de vrught niet en aenroeren,
daarvan mag niemand de vruchten aanraken
soo hy nae gods ghebieden tleven wilt voeren;
als hij naar Gods gebod wil leven
die boom willen me oock groeten op syn best
die boom willen we ook groeten op ons best 

met al syne vrughten, van de eerste tot de lest.
met al zijn vruchten, van de eerste tot de laatste
Die quaie Eva isser eenmael van gaen eten,
die slechte Eva is er een keer van gaan eten
toen heyt Adam – die hals – er oock van gegeten.
toen heeft Adam, de sukkel, er ook van gegeten
Daervuur wirdense van god verstooten meteenen;
daardoor werden ze door God meteen uit het paradijs verdreven
aen deuse saack willen me allen exempel nemen.
aan deze zaak willen we allemaal een voorbeeld nemen.
Allenich den duvel, die en willen me niet groeten,
Alleen de duivel, die willen we niet groeten
veur dien de lieve heer ons mach behoeden,
voor hem mag de lieve God ons behoeden
we willen den booserick in syne steerte knypen
we willen de booswicht in zijn staart knijpen
en in syne leul’ eken haeren grypen.
en bij zijn lelijke haren grijpen
Alsoo, goê sanghersluyden myn, hebt ghe allen wel geheurt
Dus, mijn beste zangers, nu hebben jullie allemaal wel gehoord
van dat tonser schaede int paradys is gebeurt.
over wat er tot ons nadeel, in het paradijs is gebeurd
Laet ons tende groeten ons leermeester goet
Laten we op het einde onze goede leermeester groeten
en groeten me oock syne const en synen moet,
en groeten we zijn kunde en zijn moed
met dwelck hy onse rauwe stemmen 
sonder als te veul slaegh 
waarmee hij onze ruwe stemmen zonder al te veel slaag
heyt tomen kennen.
in het gareel heeft gekregen
Nu weet ghy wat van u begheert u oud compaan,
Nu weten jullie wel wat je oude vriend van je wil
goê sanghersluyden myn. Soo fanghet aen.
dus, mijn beste zangers, laten we beginnen.

De engel

k Treet voor uluyden sonder spot!
Zonder te spotten treed ik voor u op!
goên avend saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond
een goên avend ende geseeghende tyt
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
mag ons van daarboven toegezegd zijn
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel gaen toonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie gaan opvoeren
en wel van Adam en Eva, ent verhael
en wel over Adam en Eva en het verhaal
hoese uytet paradys verdreeven syn eenmael.
hoe ze eens uit het paradijs zijn verdreven
Soo ghy bereyt syt om ons aen te hooren,
Als u bereid bent om naar ons te luisteren
swycht stil en opent wyt u ooren.
wees dan stil en zet uw oren wijd open

Lied

1. Hoe koel schynt ons den morgen,
Wat lijkt de morgen nog fris
de sonne leyt verborgen,
de zon is nog niet opgekomen
en alles wat leeft god eere gheeft.
en alles wat leeft, geeft god de eer

2. Wy coomen van alsoo veer gegaen
Wij komen nog al van ver
uytet land van Babilon vandaen.
uit het land van Babylon.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

3. Eens schiep de heer die boven troont
Eens schiep de heer die boven zijn troon heeft
het wereldryck en wat daar woont.
het wereldrijk en wat erop woont
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

4. God schiep de gansche wyde aerdt,
God schiep heel de wijde wereld
met alle schepselen nae haer aerdt,
met alle schepselen zoals ze zijn
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

5. Als oock de hooghe hemelstent
Als ook de hoge hemel
met zon ende maan aent firmament.
met zon en maan aan ’t firmament
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

6. En maeckt, als ’t al geschaepen is,
En maakt, als alles geschapen is
de mensch nae syn gelyckenisd
de mens naar zijn evenbeeld.
.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

7. Wel heeft god alle werck volbraght:
God heeft al het werk mooi gemaakt
den lighten dach en oock de nacht.
de lichte dag en ook de nacht
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

8. Adam formeert hy uytet stof
Adam formeert hij uit stof
en set hem in syn groenen hof.
en plaatst hem in de groene hof
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

God spreekt

Adam, nu neemt den adem des levens,
Adam, neem de levensadem
dien ghy ontfaet mit deuzen dach
die je vandaag krijgt
neemt oock verstant waerdoor ghy leert
neem ook verstand waardoor je leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.
dat ik je uit stof heb gemaakt
Soo leef dan. En van stonde af aen
Zo leef dan. Van begin af aan
gaet steevast op uw voeten staen!
ga stevig op je voeten staan
Spreeckt op, Adam, en segt my nu,
Spreek Adam en zeg me nu

myn schepping, hoe behaegt sy u?
mijn schepping, hoe bevalt je die?

Verwondert u niet de aarde wyt?
Verwonder je je niet over de wijde aarde?
der zonne glans en heerlyckheyt?
de glans van de zon, de pracht
en myn gewelfden hemelsboogh?
en mijn gewelfde hemelboog
‘k Mocht weten, Adam, oft u oogh
‘k zou willen weten Adam of je 
mit lust op al dit schoone blickt.
met plezier naar al dit moois kijkt.

Adam

O heer, hoe wys heeft ‘t al besc:hickt
O heer, hoe wijs is dit allemaal gedaan

u goddelycke majesteyt
door uw goddelijke majesteit
Oock myn heeft u almogentheyt geschaepen
ook ik ben door u, almachtige, geschapen
soo dat ick erken hoeck nae u beelt geschaepen ben.
zodat ik erken hoe ik hoe ik naar uw beeld geschapen ben
U wil mach volghen t’ allen tyt,
Dat ik te allen tijde uw wil mag volgen
soals ghy myn int herten lyt.
zoals u dat in mijn hart hebt gelegd

God:

Siet, Adam, veulderhand gediert
Kijk eens Adam, allerlei dieren
dwelc u van myn geschonken wierd.
die ik u heb geschonken
lck gheef het u in heerschappy,
ik geef u er de zeggenschap over
en bergh’ en daelen noch daer by oock
en berg en dal hoort daar ook bij
het gevogelt van den hemel,
de vogels in de lucht
der visschen spartelend geweemel.
en het spartelend gewemel van de vissen
‘k Wil met u deelen het bestuur
met jou wil ik het bestuur
over de gansche creatuur.
over de hele schepping delen
U woonstee hebt ghy voor altyt
Je zal altijd in mijn groene hof die zo groot is,
in myn geplanten hof so weydt.
kunnen wonen
Proef vryelyck van allen boomen
Proef vrij van alle bomen,
daer van de vrught u wel becoome.
de vruchten ervan zullen goed voor je zijn
Al wat daer groeyt int paradys
Alles wat er in het paradijs groeit
sy u tot kostelycke spys.
is kostelijk voedsel voor je
Doch wil ick, almachtich god
Maar ik, rechtvaardige God,
u gheven één gestrangh gebodt:
 geef je een ernstig gebod
Aensiet den boom van goet en quaat,
Kijk eens naar de boom van goed en kwaad
die ginder in het midden staet.
die daar in het midden staat
(de allerbeste, moet ge weten),
je moet wel weten dat dat de allerbeste is
daervan en sult ghy nimmer eten.
daarvan mag je nooit eten
Ten daghe dat ghy u vermeet
Op de dag dat je dat toch doet
en de verboden boomvrught eet,
en de verboden boomvrucht eet
de doot voor eeuwich sult ghy smaeken,
dan zal je voor eeuwig de dood ondergaan
ja int verderven plots geraeken.
en meteen in verderfelijke omstandigheden raken
Merckt uyt hetgeen ick u geboot
Let wel dat aan het gebod dat ik je gaf
dat hy, die ‘t leven en de doot u gaf,
dat hij die je het leven en de dood gaf,
het alsoo nemen can.
dat ook weer af kan nemen

Lied

1. Adam erkent die alles schiep
Adam erkent, hij die alles schiep
hem selfs en elck dingh int aensyn riep.
hem en elk ding te voorschijn riep
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

2. Hy schonk hem alde vrughten soet,
Hij schonk hem alle zoete vruchten
begeerlyck voor ‘t oogh,
begeerlijk om naar te kijken
tot spyze goet.
tot goed voedsel
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

3. Eén boom des hofs sou hy vermyden
Eén boom in de hof moest hij vermijden
opdat hy niet mogt schaade leyden.
zodat hij er geen nadeel van zou ondervinden
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

4. Die boom sou kennen quaat en goet,
de boom van de kennis van kwaad en goed
God spreeckt: Dit prent in u gemoet.
God spreekt: denk daar goed aan
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles...

5. God nu deet een slaep soo diep
God liet Adam nu
op Adam vallen en hy sliep.
diep in slaap vallen
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja,alles…

6. Hy neemt, als Adam de ooghen sluyt,
Hij neemr als Adam de ogen sluit
syn ribbe en schept een vrouw daeruyt.
een rib en maakt daar een vrouw uit
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.
Ja, alles…

God:

Een ribbe uyt Adams lichaam bouw ick,
Een rib uit Adams lichaam vorm ik
hem ter hulpe, tot een vrouw,
voor hem als hulp, tot een vrouw
Adam wordt wacker, wilt opstaen,
Adam wordt wakker, sta op
Hier neemt u ghesellinne aen.
Hier neem je levenspartner tot je
Sy is geschaepen uyt u lyf,
Ze is uit je lichaam gemaakt
mit u te deelen dit verblyf;
om het leven hier met je te delen
Sy is temet uyt u gebeent,
Ze is zojuist uit je gebeente ontstaan
dies – hebt haer lief,
dus heb haar lief
weest trou vereend
blijf trouw bij elkaar
Myn enghel behoede u allerweeghen.
Overal waar je gaat behoedt mijn engel jullie
U volghe staeg myn milde seeghen.
Mijn milde zegen volgt jullie
Weest vrugtbaer, u naecomelinghen
Wees vruchtbaar, jullie nakomelingen
vervullen ‘t aerdtryck.
bevolken de hele aarde
Alle dingen syn u,
Alles is van jullie
soo ghy gehoorsaem syt.
als je gehoorzaam bent

Adam 

Van herten ben ick hiertoe bereydt o heer,
Daar ben ik van ganser harte toe bereid, o heer
want ghy hebt my gegheven
want van u heb ik al het geschapene gekregen
al creatuur en oock myn leven.
en ook mijn leven

Hoe lieffelyck, Eva, op deuse wys
Wat fijn, Eva om op deze manier
met u te wonen int paradys,
met je in het paradijs te wonen
dwelc god de heer ons wilde gheven
dat God de heer ons wilde geven
om soo vernoegd daerin te leven van lasten vry.
om daar zo fijn in te kunnen leven zonder problemen
Slechts één gebodttgaf ons de goedertieren god.
De goede God gaf ons maar één gebod
Ei, hoort de blye vogels quelen,
Ah, hoor de vogels eens zingen
siet alom het gedierte spelen;
kijk de dieren eens spelen
tsyn boomen overal, veulderhand vrughten sonder tal.
en wat veel bomen en heel veel vruchten
daervan te eten met syn beyden,
daar kunnen we met z’n tweeën van eten
en hoeven maer één boom te meyden.
en we hoeven maar van één boom af te blijven
de beste, die int midden staet.
de beste, die in het midden staat
Daer van god niet en eten laet.
Daar mogen we van God niet van eten
Ten daghe dat wy ons vermeten
De dag waarop we ons daaraan schuldig maken
van de verboden boom te eten,
en van de verboden boom eten
de doot voor eeuwich sulle’me smaeken,
dan zullen we voor eeuwig de dood ondergaan
ja, int verderven plots geraeken.
ja meteen in verderfelijke omstandigheden raken
Merckt uyt hetgeen ons god geboot
Weet dus wel dat God
dat hy, die ’t leven en de doot ons gaf,
die ons het leven en de dood gaf
het alsoo nemen can.
het ook weer af kan nemen

Lied

1. Nu leefdense vol heerlyckheit;
Nu leidden ze een heerlijk leven
elck dingh was tot haar dienst bereydt.
alles stond hun ten dienste
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles...

2. Soo dra de duyvel sulcks vernam
zodra de duivel dit hoorde
hy heimelyck geslopen quam.
kwam hij heimelijk aangeslopen
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

3. Al nae der slanghe wyze al in den paradyze.
Als een slang sloop hij het paradijs in
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

Duivel:

lek come in het paradys geslopen
Ik kom als een slang
al nae der slanghe wys.
het paradijs binnen geslopen
God schiep temet een menschenpaer,
God schiep zojuist een mensenpaar
hy cierde het soo wonderbaer
hij maakte dat zo wonderbaarlijk mooi
en settet in syn schoon plantsoen:
en gaf het een plaats in zijn mooie tuin
maar ick sal sien
maar ik zal eens kijken
of ‘k se daer uyt can doen
of ik ze eruit kan krijgen
Dies coom ick in het paradys
Dus kom ik in het paradijs
en maek datse eten van de spys.
en zal er voor zorgen dat ze eten van dat voedsel
Hoe, sullense alle vrughten smaeken,
Wat! van alle vruchten mogen eten
en aen die ééne boom niet raeken?
en die ene boom niet mogen aanraken?
Adam, proeft van het sap soo ryck,
Adam, proef eens van het heerlijke sap
soo wort ghy aen u god gelyck.
dan word je net als God
Ghy, rozige Eva, neemt gerust dees appel
Jij, prachtige Eva, neem gerust deze appel
eet nae hartelust en
eet er maar lekker van
gheeft ervan aen Adam oock.
en geef Adam er ook wat van

Lied

Toen pluckte sy den appel af
Toen plukte de duivel de appel af
en Eva dien te eten gaf.
en gaf die aan Eva te eten
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles

Eva

Siet hier Adam, ick ben u vrouw en ghy myn man.
Luister eens, Adam, ik ben je vrouw en jij mijn man
lek bid, beschouw die schoonste daer van alle boomen
ik vraag je, kijk eens naar de mooiste van alle bomen
daervan ick gheen vrught noyt heb genoomen
ik heb er nooit een vrucht van genomen.
Het lust my, voort er van te eten.
Nu heb ik wel zin om er van te eten
Adam, wilt ghy de waarheidt weten,
Adam, wil je de waarheid weten
dit is de allerbeste spys.
dit is het allerbeste eten
Hier, neemt hem aen
Hier, pak aan
en proeft ereis als ghy my mint.
en proef er eens van, als je van me houdt
Het is een lust dit sap te smaeken.
Het is heerlijk dit sap te proeven
Eet gerust!
Eet gerust!

Adam:

Soo het aen my lag, syde ick neen,
Als het aan mij lag, zei ik nee
soo ick eet, isset om u alleen.
als ik het doe, is het alleen voor jou

Ach, hoe dat ‘t myn gemoet verwandelt….
Ach, nu voel ik me totaal anders

Lied:

1. Sy gaf oock haeren man met haer,
nu gaf ze er ook haar man van
geopend wird hem ‘t ooghenpaer.
nu zagen ze alles heel anders
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles...

2. Sy aten en in de eigen stond
Zij aten en op hetzelfde tijdstip
wierd heel de waerelt met verwond.
leed de hele wereld daar ook onder
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles

Duivel

lek ben de duyvel van de echtelie’n
Ik ben de duivel van de echtparen
aldaer wort ick soo menichmael gesien.
daar word ik nogal eens gezien
‘k Blaas haerluy int oor: waerom al’daghen
dan fluister ik in hun oor: waarom elke dag
sichselven en malkander plaaghen?
jezelf en elkaar pesten
De man can sich opknoopen,
De man kan zich ophangen
de vrouw int water loopen
de vrouw in’t water lopen
dan synse van al haer plaaghen af,
dan zijn ze van al hun kwellingen af
by myn hebbense in de hell’haer graf.
bij mij in de hel hebben ze dan hun graf
Adam en Eva heb ick oock bedroghen,
Adam en Eva heb ik ook bedrogen
hebse listichlyck iet voorgelooghen,
die heb ik listig wat voorgelogen
datse overtraden gods gebodt
zodat ze Gods verbod overtraden
en aten dat god verboden hat.
en aten wat God verboden had
‘t Is regt, ‘t is regt, sulcke fruyt
’t Is goed, ’t is goed, 
en gheef ick niet om een duyt;
ik geef geen cent voor dat soort fruit
hadden Adam en Eva pruymedanten genoomen,
als Adam en Eva pruimedanten hadden genomen
‘t waerse duysent mael beter becomen!
dan was dat ze duizend keer beter bekomen

Adam:

Ach, myn gemoet is gansch verwandelt!
Ach, mijn ziel is helemaal veranderd
O vrouw, seer qualyck heb ik gehandeld
O, vrouw, ik heb er zeer slecht aan gedaan
deur dien ick volleghde u raet.
je raad op te volgen
Het bloote swaert nu voor my staet;

alleen het zwaard staat nu voor me
ick sien my naekend en oock bloot,
ik zie dat ik naakt en bloot ben
o Eva, onse sonde is also groot.
o Eva, onze zonde is heel groot

God:

Waer syt ghy Adam, coomt tot my.
Waar ben je, Adam, kom bij me

Adam:

Hier ben ick heer,
Hier ben ik, heer

lek schaem my voor u ooghen seer.
in uw ogen schaam ik me zeer

God:

Wat schaemt ghy u?
Waarom schaam je je

Adam:

Omdat ik at
Omdat ik at

Wat ghy, o heer, verboden hadt.
van wat u, heer, verboden had

God:

En waent ghy Adam, durft ghy hopen
En leef je nu in de waan, Adam, durf je te hopen
dat ghy u straffe sult ontloopen.
dat je je straf zal ontlopen
of dat ghy u vergryp niet boet?
of dat je voor dit vergrijp niet moet boeten
wie gaf u, Adam, d’euvelen moet?
wie gaf jou, Adam, de brutale moed

Adam:

Och heer, ick sweer u by myn trou,
Och, heer, ik zweer het bij mijn trouw
Eva, die ghy my gaeft tot vrouw,
Eva, die u mij tot vrouw gaf
die gaf my van den boom te eten:
die gaf mij van de boom te eten
ick en hadde my waerlyck niet vermeten.
ik zou het echt nooit gedurfd hebben
Een schoonen appel pluckte sy
zij plukte een mooie appel
en beet er in, – ick stond er by –
en beet erin – ik stond erbij
soo overtradt sy u gebodt
zo overtrad zij uw gebod
en met coomt ghy daer aen, heer god.

en nu komt u er net aan, heer God

God:

Waer is de vrouw die sulckx misdeed?
Waar is de vrouw die zich misdragen heeft

Adam:

Ginds by dien boom, heer, dattic weet.
Ik weet het, daar bij die boom, heer.

God:
Wat is dit dat ghy hebt gedaen?
Wat is dit, wat heb je gedaan

Eva:

De boose slangh, heer, dreef my aen
de boze slang, heer, zette mij ertoe aan

met haer bedrogh, soolang
met haar bedrog, net zolang
tot dat ‘k van de verboden vrughten at.
tot ik van de verboden vruchten at
Heer, voortaan doenme wat ghy seght.
Heer, voortaan doen we wat u zegt

God:

Waer syt ghy Gabriël myn knegt?
Waar ben, Gabriël, mijn knecht
Coomt haestelyck hier
kom snel hier
opdat ghy hoort myn goddelycken wil en woordt:
om mijn goddelijke wil en woord te horen
Adam en Eva sult ghy heden
Adam en Eva moet je heden
verjaghen uyt den hof van Eden.
verjagen uit de hof van Eden
Dryft met myn blinkend swaert hen uyt, de poort,
Verdrijf hen met mijn blinkend zwaard uit de poort
die ick voor eeuwich sluyt.
die ik voor altijd sluit

Lied:

Toen joegh de engel Gabriël
Toen joeg de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
hen op Gods bevel uit de hof
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

Engel:

lek heb ontfangen een gebodt
Ik heb een gebod ontvangen
al van den allerhoochsten god
van de allerhoogste God
dat ick Adam en Eva heden
dat ik Adam en Eva nu 
verjaghe uyten hof van Eden.
verjaag uit de hof van Eden

Soo gaet dan henen voor altyt,
Ga weg voor altijd
bebouwt het veldt met noeste vlyt!
bebouw het veld met noeste vlijt
int zweet uws aanschyns eet u broot Adam
in het zweet uws aanschijns, eet je brood, Adam,
– en Eva ghy met noot draegt uwe kinders ondert harte,
en jij Eva, draag met zorgen je kinderen onder je hart
vermenichvuldigt sy u smarte.
veelvuldig is je smart

Eva:

Wee ons, die arme vrouwen
Ach, wij arme vrouwen
moetent om my berouwen!
krijgen nu door mij de schuld
alsnu tmoet syn,
maar als het niet anders is,
soo sullenme ‘t waaghen
dan moeten we het er maar op wagen
ons immer nae gods leer gedraaghen
we zullen ons steeds naar Gods leer gedragen
en bidden dat hy ons behoed.
en vragen of hij ons wil behoeden

Adam:

Coomt maer by my, myn Eva soet!
Kom maar bij me, lieve Eva
Myn god, wanneer roept ghy ons wéér?
Mijn God, wanneer roept u ons weer?
och, laet ons niet lang wachten, heer!
och, laat ons niet lang wachten, heer

Engelt:

Soo gaet en uyt den hove treet;
Ga nu weg uit de hof
tot ick u langsaem wederkeeren heet.
tot ik je geleidelijk weer terug laat komen

Eva::

lek bid, heer god, verlaet my niet nae desen.
Ik vraag, heer God, om me hierna niet te verlaten

Engel:

Eva, wilt sonder twyfel wesen! u man volght nae,
Eva, twijfel niet, je man gaat mee
sorght voor u kind daerneven,
zorg daarnaast voor je kind
Soo sal god u de sonden al vergheven.
Dan zal God je de zonde allemaal vergeven

Lied:

Soo joegh de engel Gabriël
Zo joeg de engel Gabrfiël
hen uyten hof nae gods bevel.
hen uit de hof op Gods bevel
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

Duivel:

lck heb die beyden sluw bedroghen.
Ik heb die twee sluw bedrogen
se uyt het paradys geloghen:
ze uit het paradijs gelogen
maer nu wilc sien waer ickse oan vinden
maar nu zal ik eens zien waar ik ze kan vinden
omse met myn kettingh tsaem te binden.
om ze met mijn ketting samen vast te binden
Heer rechter, heer rechter,
Mijnheer de rechter, mijnheer de rechter
eeuwiche schand over Adam en Eva
eeuwige schande over Adam en Eva
in kettingh en band.
met de ketiing vastgebonden
Ick weet ghy en scheltse de schuld niet kwyt.
Ik weet wel dat jij ze de schuld niet kwijtscheldt
sy sullen syn vermaeledyt.
ze zullen verdoemd zijn
In sondighe wereldt gestooten voor goet,
voor goed verstoten in een zondige wereld
so my treffelyck gevallen doet.
dat bevalt mij natuurlijk voortreffelijk
Te daghe en te nacht sallic mit haer syn,
ik zal dag en nacht bij ze zijn
daer jammer is ende groote pyn.
waar gejammer is en grote pijn
Daer blaes ick van agter en veuren int vuur;
nu blaas ik eens van achteren en van voren in het vuur
In myn helle hebbense rust noch duur.
in mijn hel hebben ze rust noch duur
Ick poock er de vlammen vlytigh aen
Ik pook de vlammen eens lekker op
datse mit my sweeten tsaem 
dat ze samen met mij zullen zweten
en sullen eeuwelyc daer branden.
en ze zullen daar voor eeuwig branden
Niemand en rukte z’ uyt mynen handen!
niemand rukt ze uit mijn handen

God:

Pack u wegh satan, ghy helle hond!
Pak je weg, satan, hellehond
welck schandelyck woordt quam uyt u mondt.
wat voor schandalig woord kwam daar uit je mond
Stof ende aerde sy voortaen u spys,
stof en aarde is voortaan je voedsel
en tegen der creaturen wys,
en tegen de manier hoe het in de schepping gaat
wyl ghy dit quaade hebt gedaen,
omdat je dit kwaad heb gedaan
sult ghe op u buyck al’ daghen gaen.
moet je elke dag op je buik verder
Siet hoe is Adam thans soo ryck,
Kijk eens hoe rijk Adam nu is
geworden eenen god geiyck,
geworden als een god
daer hy het goed en quaadt beseft,
omdat hij goed en kwaad kent
wanneer hy syne handen heft
wanneer hij zijn handen heft
en leeve in alle eeuwicheidt.
en leeft tot in eeuwigheid

Lied:

O heilighe drievuldicheydt,
O heilige drievuldigheid
o goddelyck regiment,
o, goddelijk bestuur
aen doot, duyvel en oock de hel
aan dood, duivel en ook de hel
quam nu voor goet een end.
kwam nu voorgoed een eind
Ghy hebt het eeuwich leven
u hebt het eeuwig leven
ons allen weergegheven.
ons allemaal gegeven
Nu syt gepresen alsoo seer!
Nu zij dus zeer geprezen!
die ons’ gedachten kent,de heer,
die onze gedachten kent, de heer
syn rijck wil hy ons gheven.
hij wil ons zijn rijk geven

Engel:

Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor u opvoerden
van hoe god al dingen heyt gemaeckt
over hoe God alle dingen heeft gemaakt
mitgaeder de menschen bloot ende naekt;
ook de mensen, bloot en naakt
die schiep hy deur ’t goddelyck raetsbesluyt
die schiep hij door het goddelijke besluit
nae syn gelyckenis, uyt eene aerdenkluyt
naar zijn beeld, uit een aardekluit
en gafse ‘t paradys tot woon,
en gaf ze het paradijs om in te wonen,
den hof van Eeden alsoo schoon.
in de mooie hof van Eden
Maor de slangh mit haore listigheyt
Maar de slang met haar list en bedrog
heeft Adam ende Eva verleyd
heeft Adam en Eva verleid
datse overtraden gods gebod
zodat ze Gods verbod overtraden
en aten dat god verboden hadt.
en aten van wat God had verboden
So synse gecomen in angst ende noot,
En zo zijn ze in angst en nood terecht gekomen
ten leste geslaeghen mit eeuwiche doot,
uiteindelijk getroffen door de eeuwige dood
tot den barmhert’ gen god
tot de barmhartige God
syn Soon liet nederdaelen
zijn Zoon uit de hemel liet komen
die veur ons menschen deed losgeld betaelen.
die voor ons mensen het losgeld betaalde
‘k Bid soo wy quamen veuls te cort
Ik vraag, als we veel tekort schoten
’t ons niet en aengerekend wordt.
dat ons niet aan te rekenen
Maar alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we schuldig bleven
onze onkunde mach syn toegeschreven:
aan ons onvermogen toe te schrijven
hiermee elckeen het alder best betracht’
dat hiermee iedereen het beste doet
soo wenschen me van god almachtich ‘n goede nacht.
dan wensen we u uit de naam van de almachtige God een goede nacht
.
.

Paradijsspel: alle artikelen

Kerstspel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2056-1928

.

.

.

.


.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (6)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 19-12-1920

blz. 51

Wir werden uns erlauben, Ihnen heute Weihnachtspiele aus altem
Volkstum vorzuführen. Die beiden Spiele, die wir hier zur Darstellung bringen, sind aufgefunden von Karl Julius Schröer in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts innerhalb der deutschen Sprachinseln in Ungarn, in der Gegend, die nordwärts von der Donau liegt, von Preßburg westwärts liegt. In diesen Gegenden sind zu Ende des Mittelalters und noch etwas später Deutsche eingewandert. Sie haben sich unter anderen Kulturgütern, welche sie in ihrer Einfachheit besessen

TOESPRAAK DORNACH 19-12-1920

We zijn zo vrij om voor u vandaag oude volkse kerstspelen op te voeren. De beide spelen die we hier ten tonele zullen brengen, zijn ontdekt door Karl Julius Schröer in de jaren vijftig van de 19e eeuw in Duitse taalkolonies in Hongarije, in de streek die ten noorden van de Donau ligt, ten westen van Pressburg. In deze streken zijn tegen het einde van de Middeleeuwen en nog later ook Duitsers geïmmigreerd. Ze hebben naast andere dingen uit hun cultuur die ze in hun eenvoud bezaten, 

blz.52

haben, nach ihrem neuen Aufenthaltsorte auch diese Weihnachtspiele mitgebracht.
Karl Julius Schröer, mit dem ich viel in meiner Jugend über diese Dinge gesprochen habe, der mir aus seinen persönlichen Erfahrungen erzählen konnte, wie wiederum in seiner Jugend – in den vierziger und fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts – unter diesen, ich möchte sagen slawischen und magyarischen Bevölkerungen von den dort lebenden verschlagenen Deutschen diese Weihnachtspiele immer aufgeführt worden sind, und wirklich in außerordentlichem Ernst und mit einem regen Eifer um die Weihnachtszeit auf die Gemüter dieser Menschen gewirkt haben.
Wir haben in diesen Weihnachtspielen deshalb Keime, die sich nach und nach aus einer längeren Kulturstraße herausentwickelt haben, die wir bis ins 13. Jahrhundert zurückverfolgen können. So daß bis in die letzten Jahrzehnte des 12. Jahrhunderts damals das Bedürfnis entstand, über die weitesten Gegenden Mitteleuropas hin – durch Thüringen bis an den Rhein hin und über den Rhein hinüber bis ins Elsaß, dann durch ganz Süddeutschland, durch die Nordschweiz -, was sich bezieht auf die biblische Geschichte, was sich bezieht auf die christlichen Traditionen, namentlich auch auf die christliche Legende, vor dem Volke dramatisch darzustellen.

ook deze kerstspelen naar hun nieuwe leefgebied meegenomen.
Karl Julius Schröer met wie ik in mijn jeugd veel over deze dingen heb gesproken, die mij zijn persoonlijke ervaringen kon vertellen hoe ook in zijn jeugd – in de jaren veertig en vijftig van de 19e eeuw – onder deze, ik zou willen zeggen, Slavische en Hongaarse bevolking van de daar wonende verslagen Duitsers, deze kerstspelen steeds zijn opgevoerd en dat werkelijk met een grote ernst en met een levendige ijver rond de kerststijd deze kerstspelen op het gemoed van deze mensen inwerkte. Vandaar dat in deze kerstspelen kiemen zitten die langzamerhand vanuit een lange weg die de cultuur gegaan is, tot ontwikkeling zijn gekomen die wij tot in de 13e eeuw terug kunnen volgen. We zien dat tot in de laatste tientallen jaren van de 12e eeuw er toen behoefte bestond verspreid over de meest verre gebieden van Midden-Europa, van Thüringen tot aan de Rijn en over de Rijn tot in de Elzas, dan in heel Zuid-Duitsland, Noord-Zwitserland – m.b.t. tot de Bijbelse gschiedenis, m.b.t. tot de christlelijke tradities, vooral ook tot de christelijke legende, dat voor het volk op te voeren.

Man kann geradezu sagen, daß vieles in der neueren Dramatik auf diesen Mysterienspielen – so nennt man sie ja wohl auch – beruht. Zunächst schlossen sich diese Spiele an die kirchlichen Handlungen an. Wenn die Weihnachtszeit, die Osterzeit, die Pfingstzeit, das Fronleichnamfest, manche anderen heiligen Feste herannahten, dann versammelten sich die Leute in der Kirche. Die Kirche selbst wurde dekoriert in der mannigfaltigsten Weise. Und zunächst im 12., 13. Jahrhundert wurde von den Geistlichen selbst, sogar zuerst in lateinischer Sprache dasjenige aufgeführt, was innerhalb der christlichen Tradition, innerhalb der Evangeliengeschichte enthalten ist.
So können wir gut zurückverfolgen, wie zum Beispiel dramatisch dargestellt wurde die Szene an dem Grabe Christi. Es kleideten sich ein drei Priester in Frauenkleider: die drei Frauen, die zu dem Grabe kamen; ein Engel, der auf dem eben verlassenen Grabe saß. Dasjenige,

Je kan wel zeggen dat veel van de nieuwe dramakunst op deze mysteriespelen – zo worden ze ook wel genoemd – gebaseerd is. Aanvankelijk sloten deze spelen aan bij de kerkelijke rituelen. Wanneer Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Sacramentsdag dichterbij kwamen, dan kwamen de kerkmensen bij elkaar. De kerk zelf werd uitbundig versierd. En al in de 12e, 13e eeuw werd door de geestelijkheid zelf, maar eerst nog wel in het Latijn, ten tonele gevoerd wat binnen de christelijke traditie, binnen de geschiedenis van de Evangeliën bewaard is. We kunnen dus goed teruggaan naar hoe bv. dramatisch uitgebeeld werd de scène aan het graf van Christus. Drie priesters droegen vrouwenkleren: de drie vrouwen die naar het graf kwamen; een engel, die op het zojuist verlaten graf zat. 

was die Evangelien erzählen, was die Tradition erhalten hat, wurde dramatisch dargestellt.
Man ging aber auch allmählich dazu über, die Dinge, welche man lateinisch zunächst dargestellt hat> dann in der Volkssprache darzustellen. Und im 14. Jahrhundert treffen wir bereits sehr weit ausgebildete dramatische Darstellungen, zum Beispiel der Geschichte von den weisen und törichten Jungfrauen.
Wir wissen, daß im Jahre 1322 in Thüringen, am Fuße der Wartburg, in Eisenach, in dem Hause «die Rolle», ein Spiel von den weisen und von den törichten Jungfrauen aufgeführt wurde, das so bedeutsam in ein Menschenschicksal eingreifen konnte, daß der Landgraf Friedrich, welcher dabei war, der den merkwürdigen Beinamen hat, «mit der gebissenen Wange», daß der Landgraf Friedrich mit der gebissenen Wange davon einen Schlaganfall bekam und im Jahre 1323 an den Folgen dieses Eindruckes sogar gestorben ist.
Aber es ging ja nicht jedem so, sondern es war schon durchaus gerade das, was durch solche Darstellungen dargeboten war, etwas in diesen Zeiten außerordentlich feierliches. Es war lange Zeit gerade die dramatische Darstellung verloren, welche dazumal in Eisenach gegeben worden ist und einen so großen Eindruck gemacht hat.

Als een toneelstuk werd opgevoerd wat in de Evangeliën overgeleverd was, of wat de traditie had bewaard.
Maar er werd ook geleidelijk toe overgegaan om de dingen die men eerst in het Latijn opgevoerd had, nu ook in de volkstaal te brengen. En in de 14e eeuw treffen we al zeer uitgebreide dramatische stukken aan, bv. het verhaal van de wijze en de dwaze maagden.
We weten dat in het jaar 1322 in Thüringen, aan de voet van de Wartburg in Eisenach, in het huis [Duits heeft nu]’die Rolle’, een spel van de wijze en dwaze maagden opgevoerd werd, – wat zo sterk in een mensenlot kon ingrijpen, dat landgraaf Friedrich [2] die erbij was, hij had de merkwaardige bijnaam ‘die in zijn wang gebeten is’, er een beroerte van kreeg en in 1323 aan de gevolgden van deze indruk zelfs gestorven is.
Dat overkwam natuurlijk niet iedereen, juist dergelijke opvoeringen waren in die tijd iets buitengewoon feestelijks. Het toneelstuk dat destijds in Eisenach werd opgevoerd en zo’n diepe indruk had gemaakt, was lange tijd kwijt.

Das Spiel wurde dann später wieder aufgefunden, merkwürdigerweise in Mülhausen im Elsaß, am Tegernsee und in einem Kloster Benediktbeuern, so daß man sehen kann, gerade aus diesem Auftreten am Tegernsee, daß diese Dinge eigentlich aus dem Süden in den Norden gezogen sind.
Wir finden dann sehr bald, wie nicht mehr etwa bloß Geistliche diese Dinge darstellten, sondern wie diese Dinge durchaus vom Volke übernommen wurden, dem Volke sehr ans Herz gewachsen waren.
Das Volk hatte sie außerordentlich lieb. Wir sehen, was ausgeführt wurde. Wir können das noch von einem Stück ablesen, dessen Handschrift erhalten ist. Wir entnehmen dieser Schrift, daß im 15. Jahrhundert die ganze Geschichte des Christus Jesus auf Erden aufgeführt worden ist: von der Hochzeit zu Kana in Galiläa bis zur Auferstehung. Und überall sehen wir, daß man außerordentlich dramatisch, geistig, gerade die wirksamsten Momente, die äußerlich für die Anschauung

Het spel werd later wel gevonden, merkwaardigerwijs in Mülhausen in de Elzas, aan de Tegernsee en in een klooster in Bediktbeuern, zodat je kan zien dat juist door het optrreden aan de Tegernsee deze dingen eigenlijk vanuit het zuiden naar het noorden gegaan zijn.
We vinden dan al zeer snel dat deze dingen niet maar alleen door geestelijken werden opgevoerd, maar dat ze met name door het volk overgenomen werden, ze betekenden voor het volk zeer veel. Het volk had ze in het hart gesloten. We kunnen zien wat er opgevoerd werd. We kunnen dat nog uit een stuk opmaken waarvan het handschrift bewaard gebleven is. We halen uit dit geschrift waarin in de 15e eeuw het hele verhaal van Jezus Christus op aarde opgetekend is:  van de bruiloft in Kana in Galilea tot de Opstanding.
En overal zien we dat men de meest werkzame ogenblikken er buitengewoon dramatisch, 

blz. 54

wirksamsten Momente herausgehoben hat, immer die Dinge, welche das Volk selber in diesen Darstellungen erlebte. Und wir dürfen annehmen, daß im 15. Jahrhundert, Ende des 16. Jahrhunderts und weiter über einen großen Teil der deutsch sprechenden Gegenden diese Volksspiele zur Weihnachtszeit, zur Osterzeit, zur Pfingstzeit, zum Fronleichnamstag, zu anderen Festen aufgeführt wurden.
Das eine der Weihnachtspiele ist ein Paradeis-Spiel, welches sich mehr an die Adventszeit hielt, das andere ist ein direktes christliches Hirten-Spiel, welches wir vor Ihnen hier aufführen. Sie werden aus dem zweiten Spiel, aus der Einleitung sehen, daß vom Rhein gesprochen worden ist, daß diese Stücke gewandert sind. Trotzdem kamen sie, wie Schröer sie aufgefunden hat, wie gesagt in den Oberuferer, in den Preßburger Gegenden – wie man sie ja auch nennt Oberuferer Weihnachtspiele – ostwärts von Preßburg zur Aufführung. Dort sind sie also in der Weihnachtszeit gespielt worden, trotzdem sie ganz anderswo entstanden sind. Ursprünglich sind sie gespielt worden da, wo der Rhein durchfließt. Sie sind also von einer Volksgemeinschaft mitgenommen worden, welche ostwärts gezogen ist, und die sich östlich von der Donau im Banat und so weiter angesiedelt hat. 

geestelijk uit liet springen, steeds die dingen die het volk in deze opvoeringen zelf beleefde. En we mogen wel aannemen dat in de 15e, eind 16e eeuw en later over een groot deel van de Duits sprekende streken deze volksspelen met de kerst, met Pasen, met Pinksteren, met Sacramentsdag, met andere feesten opgevoerd werden.
Een van de kerstspelen is een paradijsspel, dat meer bij de adventstijd hoorde, het andere is een uitgesproken christelijk herdersspel dat wij voor u opvoeren. U zal in dit tweede spel, bij de inleiding zien, dat er over de Rijn wordt gesproken, dat deze stukken zich verplaatst hebben. Afgezien daarvan werden ze, zoals Schröer ontdekte, zoals gezegd in de streken van Oberufer, van Pressburg – en zoals ze worden genoemd Oberuferer kerstspelen – ten oosten van Pressburg, opgevoerd.

Da wurden dann diese Spiele weitergespielt bis eben ins 19. Jahrhundert hinein. In der letzten Zeit gingen viele solche Schätze des Volkes unter den Zeitereignissen, die ganz andere geworden sind, verloren Aber diejenigen, die sich die Spiele noch angesehen haben, waren tief ergriffen, nicht nur von dem Spiel selbst, sondern namentlich von der Art und Weise, wie diese Spiele eingeleitet wurden.
Wenn die Weinlese vorüber war, im Herbste, dann versammelte der Geistliche und einige andere, der Lehrer des Ortes, diejenigen Burschen, die sie für fähig hielten, ein solches Weihnachtspiel aufzuführen. Durch viele Wochen hindurch wurden die Übungen, die Vorübungen gepflogen. Und aus der Art und Weise, wie die Leute sich vorbereiten mußten für das Feierliche dieser Stücke, ersieht man, aus welchem Geiste heraus solche Dinge unternommen worden sind. Es lebte, ich möchte sagen, ein innerlich gemütvolles Christentum, eine innerlichste gemütvolle Christlichkeit noch. Man sieht es in der ganzen Art und Weise der Einleitung solcher Spiele. Es gab bestimmte Vorschrif-

Daar zijn ze in de kersttijd gespeeld hoewel ze heel ergens anders zijn ontstaan. Oorspronkelijk werden ze gespeeld waar de Rijn stroomt. Ze zijn dus door een bevolkingsgroep meegenomen die naar het oosten trok en die zich ten oosten van de Donau in het Banaat en verder vestigden. Daar werden deze spelen dan verder gespeeld, tot wel in de 19e eeuw.
De laatste tijd zijn veel van dergelijke volksschatten door de gebeurtenissen in de tijd, verloren gegaan. Maar wie het spel nog hebben gezien, waren er diep van onder de indruk, niet alleen van het spel zelf, maar vooral door de manier waarop met deze spelen werd begonnen.
Wanneer de druivenpluk voorbij was, in de herfst, zochten de geestelijke en nog wat anderen, de dorpsleraar jongens bij elkaar die ze geschikt achtten zo’n kerstspel op te voeren. Vele weken lang werden de oefeningen, de vooroefeningen gehouden. En op de manier hoe de mensen zich moesten voorbereiden voor het feestelijke van deze stukken, kun je zien vanuit welke geestesstemming dergelijke dingen gedaan werden. Er was, zou ik willen zeggen, nog een innerlijk gemoedvol christendom, iets heel innerlijk zeer christelijks in het gevoelsleven. Dat zie je aan de hele manier van voorbereiding bij deze spelen. Er bestonden bepaalde voorschriften, 

blz. 55

ten, nach denen wochenlang, viele Wochen lang diese Spiele vorbereitet wurden. Der Geistliche, der Lehrer hat die Burschen gesammelt. Es wurden auch die weiblichen Rollen in der Regel von Burschen gegeben; das können wir hier nicht nachahmen. Da würden gar zu sehr unsere weiblichen Mitglieder dagegen protestieren, aber in der Oberuferer Gegend, da wo Karl Julius Schröer diese Dinge entdeckte, waren es durchaus Burschen, welche auch die weiblichen Rollen gaben. Diesen Burschen wurden strenge Vorschriften gegeben. Vorschriften wurden gemacht, die in derselben Weise jetzt, wo wir hier schon seit Jahren den Versuch machen, diese Spiele innerhalb unserer Kreise wiederum zu beleben, für diejenigen der verehrten Zuhörer, die dabei erscheinen wollen, -Vorschriften also wurden denSpielenden gemacht, die für unsere Spielenden nicht mehr jene Bedeutung haben, aber die uns zeigen, mit welchem Ernst die Dinge da aufgefaßt worden sind. So zum Beispiel war einer der Paragraphen, daß diejenigen, die da mitspielen sollten, an den vielen Wochen, vor allem Abend für Abend all die Wochen durch, wo sie diese Proben durchmachten, ein ehrsames Leben zu führen haben. Nun, das ist selbstverständlich ganz natürlich, daß unsere Leute immer ein ehrsames Leben führen! Also dieser Paragraph hat für uns weiter keine Bedeutung. Ferner durften keine Schelmereien verübt werden. 

volgens welke men weken lang, vele weken lang deze spelen voorbereidde. De jongens waren bij elkaar gezocht door de geestelijke, de leraar. Ook de vrouwenrollen werden in de regel door jongens gespeeld; dat kunnen we hier niet navolgen. Dan zouden onze vrouwelijke leden daar al te zeer tegen protesteren, maar in de streken van Oberufer waar Karl Julious Schröer deze dingen ontdekte, waren er alleen maar jongesn die ook de vrouwelijke rollen speelden.
Deze jongens kregen strenge voorschriften. Er werden voorschriften gegeven die op dezelfde manier nu, nu wij hier al sinds jaren proberen deze spelen bij ons weer nieuw leven in te blazen, voor diegenen van de geachte toeschouwers die willen komen kijken – voor onze spelers niet meer die betekenis hebben, maar voor die spelers waren er voorschriften en die laten ons zien met wat voor ernst de dingen beschouwd werden.
Een van de regels was dat degene die wilde meespelen gedurende de vele weken, alle avonden, al die weken, waarin gerepeteerd werd, een eerzaam leven zou leiden. Welnu, voor onze mensen is het vanzelfsprekend heel natuurlijk dat zij steeds een eerzaam leven leiden. Die regel heeft voor ons verder geen betekenis. Verder mochten er geen onzinnige dingen uitgehaald worden.

Das dürfte ja unter Anthroposophen nicht die Regel sein. – Allerdings gab es ‘auch noch eine Vorschrift, eine Art Strafe, die wir hier einfach aus dem Grunde nicht einführen, weil auch dagegen zu stark protestiert würde, und wenn es doch nötig wäre, sie zu verlangen, würde das nicht eingehalten werden. Es war nämlich eine strenge Vorschrift, daß für jeden Gedächtnisfehler, der begangen wurde noch bei der Generalprobe und insbesondere bei den Aufführungen selbst, strenge Strafen bezahlt werden mußten durch den Mitspielenden! Wie gesagt, das können wir nicht einführen. Denn es würden nie diese Strafen bei uns bezahlt.
Nun war aber eine ganz strenge Vorschrift, meine sehr verehrten Anwesenden, die wir gar nicht einführen können, vorhanden. Diese strenge Vorschrift war diese, daß in der Zeit, während welcher die Proben stattfanden, die Probenden also dem Geistlichen oder Lehrer, also allen, die Lehrmeister sein müssen, streng gehorsam sein mußten.

Dat zou onder antroposofen niet de regel mogen zijn –
Bovendien was er nog een voorschrift, een soort straf, die we hier niet invoeren simpelweg omdat ook daartegen te sterke protesten zouden komen en als het toch nodig zou zijn het te eisen, zou het niet ingewilligd wordenj. Het was namelijk het strenge voorschrift dat er bij elke vergeetfout die nog gemaakt werd bij de eindrepetitie en vooral tijdens de opvoeringen, door de spelers een flinke boete betaald moest worden. Zoals gezegd: dat kunnen we hier niet invoeren. Deze boetes zouden bij ons nooit betaald worden
En nu was er, zeer geachte aanwezigen, nog een streng voorschrift, dat we al helemaal niet kunnen invoeren. Dit strenge voorschrift was dat in de tijd waarin de repetities plaatsvonden de uitvoerenden alsook de geestelijke of leraar, dus allen die leermeester moesten zijn, streng gehoorzaam moesten zijn.

blz. 56

Nun, Sie werden begreifen, das können wir unter uns natürlich niemals einführen. Sie sehen aber aus diesen strengen Paragraphen, mit welch außerordentlichem Ernst man an diese Sache ging. Und dieser Ernst ist es, der einem auffällt, wenn man sich in die ganze Art und Weise wiederum vertieft, wie diese Spiele gespielt wurden. Nicht sentimental, oftmals mit einem köstlichen Humor durchsetzt, durchaus aus dem Volksgefühl heraus waren ursprünglich von der Geistlichkeit diese Dinge gegeben, aber das Volk hat sich ihrer bemächtigt, ganz in seinem Geiste aufgenommen. So daß, wie sie hier vorliegen, sie durch und durch volkstümlich sind und uns zurückweisen in das Fühlen, in das Empfinden, in das Denken eines Teiles des christlichen Volkes im 16. Jahrhundert, vielleicht im 15. Jahrhundert noch. Das alles steht vor unserer Seele, wenn wir diese Spiele ansehen.
Wir dürfen uns vorstellen, daß über einem großen Teil von Mitteleuropa, über die Gegenden, die ich früher schon erwähnt habe, vom 14. Jahrhundert bis in die folgenden Jahrhunderte hinein – in einzelnen Gegenden, wie Sie sehen, ist das erst nach und nach verschwunden im 19. Jahrhundert -, zu allen sogenannten heiligen Zeiten diese Spiele, also das Weihnachtspiel, das Osterspiel, das Pfingstspiel vorgeführt wurden.

Nu, u zal begrijpen dat we dat onder elkaar natuurlijk nooit uitvoeren. Maar aan die strenge regels ziet u met wat voor buitengewone ernst men hiermee bezig was. En het is die ernst die opvalt wanneer je je in alles verdiept hoe deze spelen gespeeld werden. Niet sentimenteel, dikwijls met kostelijke humor doorspekt, zeer zeker was dat oorspronkelijk vanuit het volksgevoel door de geestelijkheid aangegeven, maar het volk maakte het zich eigen, nam het helemaal in de geestesgesteldheid op. En wel zo dat zoals we ze nu hier hebben, ze door en door volks zijn en ons verwijzen naar dat gevoel, dat beleven, dat denken van een deel van het christelijke volk in de 16e eeuw, misschine nog in de 15e. Dat staat voor ons, wanneer we naar deze spelen kijken.
We mogen ons wel voorstellen dat verspreid over een groot deel van Midden-Europa, over de streken die ik al eerder noemde, vanaf de 14e eeuw tot in de volgende eeuwen – in een paar gebieden is dat, zoals u ziet, pas in de 19e eeuw, ze langzaam verdwenen, op alle zogenaamde heilige dagen deze spelen, dus het kerstspel, het paasspel, het pinksterspel opgevoerd werden.

Und an der Art und Weise, wie diese Leute das Christentum in sich belebt haben, wie sie in einer außerordentlich volkstümlichen Art und Weise, ich möchte sagen, anschaulich die Evangelien vor uns hinstellen, sieht man, daß sie tief eingegriffen haben in das Volk. Und wir betrachten es als unsere Aufgabe auch, darauf aufmerksam zu machen, wie das geistige Leben durch die Jahrhunderte durch, wie ein Stück des geistigen Lebens Mitteleuropas dadurch erhalten blieb. Derjenige, der noch gesehen hat, wie auch sonst dieses geistige Leben Mitteleuropas, insoferne es Volksleben war, in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts allmählich unter den neueren Zeiten dahingestorben ist, wird viel empfinden können durch diese Auferweckung alter volkstümlicher Zeiten. Aus diesem Geiste heraus, meine sehr verehrten Anwesenden, möchten wir Ihnen zunächst das Paradeis-Spiel und dann auch das Christ-Geburt-Spiel heute vorführen.

En aan de manier waarop deze mensen het christendom beleefden, hoe ze op een buitengewone volkse manier, ik zou willen zeggen, de Evangeliën voor ons aanschouwelijk neerzetten, zie je dat zij op het volk een diepe indruk maakten. En wij vatten het ook als onze taak op erop te wijzen, hoe het geestelijk leven door de eeuwen heen, daardoor als een stuk geestesleven van Midden-Europa bewaard bleef. Degene die nog heeft gezien hoe toch ook dit geestelijke leven van Midden-Europa in zoverre het volksleven was, in de tweede helft van de 19e eeuw langzamerhand in de nieuwere tijd ten onder gegaan is, zal veel kunnen ervaren door het nieuw ingeblazen leven van oude volkse tijden. Vanuit deze stemming, geachte aanwezigen, zouden wij u nu het paradijsspel en dan ook het herdersspel willen laten zien. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steiner: toespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2051-1923

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Het Kerstspel

.
De kop boven dit artikel had ook ‘Het Kerstspel en de puber‘ kunnen heten. Marcel Seelen, leraar te midden van pubers, kijkt naar het ‘trage’ Kerstspel en de snel levende puber. Past dit bij elkaar?

Marcel Seelen BC Broekhin, Roermond in . Lerarenbrieven 26-1
.

HET KERSTSPEL

Het is nog vroeg in de ochtend als we voor het lesbegin samen zingen in het klaslokaal. Het is nog november, het moet nog eerste Advent worden. Er zijn vier leraren en vier leerlingen, waarvan Elisa uit de zevende klas achter de piano zit om ons opvallend professioneel te begeleiden. We maken deel uit van de spelersgroep die het Kerstspel gaan opvoeren, op de dag voor dat de Kerstvakantie begint. Samen klinken onze stemmen, die vertellen over het de geboorte van het kind. Krachtig klinkt het:

Juicht nu juicht, zo arm als rijk!
ons is op deze dag
een kind geboren heugelijk…

Mijn hart stroomt vol van warmte. Wat een heerlijk begin van de dag, zo samen te zingen met de stralende kinderen erbij. In het voorgaande schooljaar was er hier in Roermond niets dan een zevende klas met kinderen in een uithoek van het gebouw, en hoe eenzaam was dat bij momenten. Nu zijn er dierbare collega’s en vormen we een heus vrijeschoolteam! Na een kwartier gaan we uit elkaar; gesterkt gaan we de lesdag tegemoet.

Rudolf Steiner

In Wenen studeerde Rudolf Steiner, 19 jaar oud, aan de Technische Hogeschool, waar hij in de winter van 1878 colleges volgde over de Duitse literatuur. De germanist Karl Julius Schröer vertelde er meeslepend over Goethe en Schiller. Steiner bracht vaak een bezoek bij hem aan huis, waar hij lange gesprekken voerde en boeken meekreeg die hij beslist lezen moest.

Op een van die avonden vertelde Schröer over een ontdekking die hij had gedaan. Hij was als man van zijn tijd – de 19e eeuw met haar interesse voor de Middeleeuwen – op het spoor gekomen van een oude traditie. Ooit waren er Duitse boeren geëmigreerd naar Pressburg in Hongarije, waar ze sinds eeuwen de Middeleeuwse spelen opvoerden, in een oud Duits dialect. Schröer vertaalde ze en ze gaf ze uit onder de titel: ‘Duitse Kerstspelen uit Hongarije’. Deze zogenaamde Oberuferse spelen gaf Schröer aan Steiner te lezen.

Tientallen jaren later, toen Steiner in Dornach (Zwitserland) een gebouw neerzette, het Goetheanum, om de antroposofie een dak boven het hoofd te bieden, werden deze spelen daar regelmatig opgevoerd. Vanaf het moment dat er overal ter wereld antroposofische instituten opbloeiden, zijn deze Kerstspelen een vast ritueel geworden en vinden er jaarlijks opvoeringen plaats. Ook op alle vrijescholen en nu voor het eerst bij ons, onder de bezielende regie van Julian.

Advent

De weken voor het Kerstfeest staan in het teken van Advent. We kennen het symbool, de groene krans met de vier rode kaarsen en de geur van dennenhout. De donkere winter, de brandende kaarsen, waarvan het aantal met elke zondag groeit, en zo naar vervulling verwijst. Voor wie er gevoelig voor is, verwijst het naar iets waar verwachtingsvol naar wordt uitgekeken. Het wordt omgeven met een zweem van mysterie.

Het woord Advent komt van adventus Domini, hetgeen betekent: ‘de komst van de Heer’ en het is een aansporing ons daarop voor te bereiden. Zodat Kerstmis meer is dan het vooruitzicht op het klassieke kerstdiner (‘Wat doen we met oma dit jaar?’) en de jaarlijkse skivakantie.

Deze groene krans met de vier rode kaarsen staat in elk vrijeschoollokaal. Elke maandag van de Adventstijd vieren we in de ochtend samen met de drie klassen Advent, door een half uur met alle leerlingen samen te luisteren naar musicerende kinderen uit de zevende klas. Op de laatste dag voor de kerstvakantie vindt dan de opvoering plaats van het Kerstspel, waarvoor we elke donderdagmiddag – vanaf de herfstvakantie – hebben gerepeteerd. Het oude Duits is ooit rond 1920 door Sanne Bruinier vertaald in een taal die nog het meest doet denken aan het Middelnederlands. Advent vindt dan zijn vervulling.

Een beeld

Wie het Kerstspel voor de eerste keer ziet, zal zich verbazen. De spelers op het toneel zijn wel vertrouwd: Jozef en Maria om de kribbe met een os, een ezel en een engel. Ook de vertrouwde herders verschijnen in al hun boersheid. Maar die rare taal, die mengelmoes van allerlei dialecten die je meent te herkennen, maar niet plaatsen kunt. Die eindeloze traagheid ook. Er zit geen enkele vaart in het spel. Alles goed en wel: hoezo voer je dit op voor pubers?

We willen als startende vrijeschool in Roermond de opgroeiende kinderen met de jaarlijkse opvoering van het Kerstspel vooral ook een beeld meegeven van de wortels van 2000 jaar beschaving: het Christendom. Daarbij gaat het dus niet om het voortzetten van een traditie in de geest van de Kerk als instituut.

Het gaat erom de kinderen te doordringen van het geboorteverhaal dat onze beschaving voorgoed heeft veranderd.

Voor een zappend kind op de bank dat van het ene programma naar het andere flitst, is het zien van een tergend traag Kerstspel beslist een beproeving. Klopt. Je’kunt zelfs de vraag opwerpen, zoals in menig vrijeschoolcollege ook gebeurt, of het nog wel van deze tijd is.

Op de vrijeschool in Amsterdam, het Geert Groote College, maakte ik vaak mee hoe tegenstribbelende leerlingen na jaren uiteindelijk in de eindexamenklas vrijwillig naar het Kerstspel kwamen kijken, zo dierbaar was het ze geworden.

Het roept dus weerstand op, maar opvoeding vindt niet plaats door kinderen met pleziertjes te paaien. Maar vanwaar toch die drive om ondanks alles die Kerstspelen jaarlijks op te voeren?

Een antwoord schuilt in het begrippenpaar Icefwereld/belevingswereld.

Leefwereld versus belevingswereld

De leefwereld van een puber steekt nogal af bij de grijze Jozef die voortsjokt en een maagdelijke Maria die hemels zingt. Met de uiterlijke wereld van dit Kerstpel heeft de puber inderdaad niets gemeen.

Maar de leefwereld heeft betrekking op de buitenkant, op de omringende wereld van de puber. Het lederen jack, de peuk, het glas bier, de i’pad, het vloeken en tieren – hoe valt dat alles te rijmen met wat je aan heiligheid op de planken zet in dat buitenissige taaltje?

De belevingswereld van een puber gaat over diens binnenkant. Dat is de wereld van zijn ziel, die hongert naar zingeving. Dat zijn hooggestemde woorden die iedere volwassene direct zal onderschrijven, die naar zijn puber kijkt, die zich diep van binnen afvraagt: waartoe dit alles, dit leven, deze pijn en eenzaamheid van het volwassen worden?

Het Kerstspel wil in statische beelden die binnenwereld voeden. Het is voedsel voor de ziel. Inderdaad, het is absoluut niet snel verteerbaar als een BigMac, maar het vraagt juist om gestaag herkauwen. Maar dan voedt het ook echt.

.

De Kerstspelen: alle artikelen

Rudolf Steiner over de Kerstspelen

.

2047-1919

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabe-sfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindiging van het spel.

Na de verdrijving uit het Paradijs is de toneelsituatie zo:

Adam en Eva wandelen langzaam links op het toneel; Godvader zit op zijn troon; duivel achter de boom. Engel zit. Boompjesdrager staat rechts vooraan.

Duivel komt op:
In DH rammelend met een ketting. Volgens wijlen Willem Bruning, destijds muziekleraar in Den Haag, komt de duivel springend, a.h.w. ‘golvend op.
In Dornach was hij al een keer met de ketting opgekomen (3-4) en die lag voor op het toneel. Er staat nergens dat hij die weer meeneemt en er opnieuw mee opkomt; ook is er geen melding van dat hij de ketting opraapt. Er staat alleen: de duivel (Schwarzengel! = zwarte engel) komt op en spreekt, dicht aan de rand van het toneel, fixeert het publiek:

Duyvel spreeckt:

GT:  lck heb die beyden sluw bedroghen.
se uyt het paradys geloghen:
maer nu wilc sien waer ickse oan vinden
omse met myn kettingh tsaem te binden.

Hij gaat op Adam en Eva af en legt de ketting op hun schouders, trekt hem samen en trekt ze beiden, terwijl ze zich hevig verzetten, voor de troon van God

DH: Hij gaat op Adam en Eva af en draait de ketting rond hun middel, waarbij Adam ongezien het begin van de ketting vasthoudt. Duivel komt met beide uiteinden van de ketting schuin rechts achter Adam en Eva te staan en begint te trekken, richting troon. 

Bij ‘Heer rechter’ steekt duivel zijn arm rechts omhoog (dus zijn eigen linker arm) en schreeuwt, terwijl hij aan de ketting rukt, maar ook Adem en Eva soms wat naar voren duwt. Adam en Eva reageren op deze bewegingen.
Dornach: hij trekt aan de ketting. Adam en Eva laten zich als zakken schudden, zakken door de knieën en beven als espenblad.

Heer rechter, heer rechter, eeuwiche schand
over Adam en Eva in kettingh en band.
lek weet ghy en scheltse de schuld niet kwyt.
sy sullen syn vermaeledyt.
In sondighe wereldt gestooten voor goet,
so my treffelyck gevallen doet.
Te daghe en te nacht sallic mit haer syn,
daer jammer is ende groote pyn.

Hij blaast heftig, voor en achter/idem

Daer blaes ick van agter en veuren int vuur;
In myn helle hebbense rust noch duur.
Ick poock er de vlammen vlytigh aen
datse mit my sweeten tsaem
en sullen eeuwelyc daer branden.

Zijn stem is gaandeweg schreeuweriger geworden met als hoogtepunt:

Niemand en rukte z’ uyt mynen handen!
D: trekt de kettingeinden weer bij elkaar en wil Adam en Eva meenemen

Godvader gaat energiek staan en wijst gebiedend naar de duivel/idem, met strenge (lage) stem:

God de Heer spreeckt:

GT: Pack u wegh satan, ghy helle hond!
D: duivel laat de ketting vallen, Adam en Eva luisteren nieuwsgierig met grote belangstelling. De duivel sluipt naar de boom en naast de troon van Godvader bij de woorden

welck schandelyck woordt quam uyt u mondt.
Stof ende aerde sy voortaen u spys,

In Den Haag heeft de duivel de ketting nog steeds vast, al trekt hij daar niet meer aan. Bij ‘op uw buyck’ laat de duivel de ketting los en valt plat voorover.

en tegen der creaturen wys,
wyl ghy dit quaade hebt gedaen,
sult ghe op u buyck al’ daghen gaen.

Siet hoe is Adam thans soo ryck,
geworden eenen god geiyck,
D: Adam en Eva kijken elkaar aan, ook bij de volgende woorden

daer hy het goed en quaadt beseft,
wanneer hy syne handen heft
D: hij houdt de ketting omhoog
DH: hij houdt zijn armen en handen omhoog. Dit zou een soort Grieks gebaar zijn, i.t.t. het christelijke gebaar waarbij de handen gevouwen zouden worden. Geen verdere info.

en leeve in alle eeuwicheidt.

Een kleine pauze. De duivel gaat weer staan. De kompany formeert zich met de boompjesdrager voorop, als ze het toneel verlaten; op het toneel is de volgorde: engel, Godvader, de duivel, Adam met de ketting en Eva achteraan.

DH: op het toneel: engel, Godvader, Eva, Adam, met ketting, en de duivel.
De plaats van Eva verschilt aanzienlijk. De uitleg is dat Eva na de zondeval als vrouwelijk element dichter bij God blijft. De man wordt dieper in de zondeval gestoten. Ook bij de appel gebeurt er pas wat als Adam erin bijt.

Kompany singht afgaende:

Lied 10:

O heilighe drievuldicheydt,
o goddelyck regiment,
aen doot, duyvel en oock de hel
quam nu voor goet een end.
Ghy hebt het eeuwich leven
ons allen weergegheven.
Nu syt gepresen alsoo seer!
die ons’ gedachten kent, de heer,
syn rijck wil hy ons gheven.

Dornach: de kompany is weer voor het toneel aangekomen en gaat zitten. De engel geeft het zwaard aan Godvader *, daarna gaat hij het toneel op. De boompjesdrager staat weer midden voor het toneel.
DH: kompany komt weer op toneel (links) en vormt een boog van links naar rechts, de engel komt naar voren:

Engel spreeckt:

Achtbaere, seer vroede goetgunstige heeren,
Hier is weer het groeten 3x: midden, rechts, links/DH groet 1x

oock deugtsame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere, idem/idem

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,

vriendelijk
van hoe god al dingen heyt gemaeckt
mitgaeder de menschen bloot ende naekt;
die schiep hy deur ’t goddelyck raetsbesluyt
nae syn gelyckenis, uyt eene aerdenkluyt
en gafse ‘t paradys tot woon,
den hof van Eeden alsoo schoon.
Maor de slangh mit haore listigheyt
heeft Adam ende Eva verleyd
datse overtraden gods gebod
en aten dat god verboden hadt.
So synse gecomen in angst ende noot,
ten leste geslaeghen mit eeuwiche doot,

dit zeer benadrukken
tot den barmhert’ gen god syn Soon liet nederdaelen
die veur ons menschen deed losgeld betaelen.
‘k Bid soo wy quamen veuls te cort
’t ons niet en aengerekend wordt.
Maar alles dat wy schuldich bleven
onze onkunde mach syn toegeschreven:
hiermee elckeen het alder best betracht’
soo wenschen me van god almachtich ‘n goede nacht.

Engel maakt nog 3x een diepe buiging. De boompjesdrager, met het boompje voor zich, doet deze mee. Ze gaan nu allen op het toneel, volgorde: engel (is daar al) Godvader, boompjesdrager, Adam, Eva, duivel; staand in rij maken zij nog een diepee buiging en gaan achter op het toneel weg.
Na ’n goede nacht’ zeggend ‘ buigt de kompany en loopt op het laatste lied, dit herhalend, door de zaaldeur van de hoofdingang de zaal uit.

*dit suggereert dat de engel tot nu toe het zwaard steeds heeft gedragen. Iik heb geen concrete aanwijzing waar het zwaard in DH bleef; ik dacht dat de engel het na gebruik aan Godvader teruggeeft die het op zijn beurt aan de duivel geeft die het weer achter de boom plaatst. 

einde

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
Dit deel (5) duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel en beëindging van het spel.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

2045-1917

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

De situatie na lied 6, 2e couplet ‘Sy gaf oock’:

DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 2e keer, dus hier – opkomt in een soort hoekige vorm (zigzag)

Dornach: hier werd een ommegang gemaakt over het toneel, Adam en Eva blijven bij de boom. De duivel komt op met een ketting. Dat gebeurde in DH niet, daar kwam de duivel pas in zijn laatste optreden met de ketting.

Duyvel spreeckt:

Dornach: hij komt door het midden naar voren, werpt de ketting terzijde en op de rand van het toneel kijkt hij strak naar het publiek, wijzend op zichzelf

lck ben de duyvel van de echtelie’n
aldaer wort ick soo menichmael gesien.
Zet zijn handen in zijn zij en kijkt overtuigd

k Blaas haerluy int oor: waerom al’daghen
sichselven en malkander plaaghen?

De man can sich opknoopen,
maakt gebaar van een touw om de nek

de vrouw int water loopen
hij geeft een verstikking aan; e.e.a. komt overeen met DH. hier loopt de duivel al kleiner wordend vooruit alsof hij steeds dieper in het water loopt en rilt e.d.

dan synse van al haer plaaghen af,
by myn hebbense in de hell’ haer graf.
Adam en Eva heb ick oock bedroghen,
hebse listichlyck iet voorgelooghen,
datse overtraden gods gebodt
en aten dat god verboden hat.
‘t Is regt, ‘t is regt, sulcke fruyt
en gheef ick niet om een duyt;

D en DH: vals listig, en al naar achter lopend en omkijkend naar het publiek

hadden Adam en Eva pruymedanten genoomen,
‘t waerse duysent mael beter becomen!

Duivel weer achter boom/idem.
Alleen Dornach: hij pakt het zwaard en geeft dit aan God. Die staat opzij van de troon.
DH: God neemt plaats op de troon.

Adam komt met Eva hand in hand in gedrukte stemming van achter de boom naar voren. Adam en Eva komen langzaam wandelend links van de boom wat naar voren.

Adam spreeckt:

Ach, myn gemoet is gansch verwandelt!
O vrouw, seer qualyck heb ik gehandeld
Eva schrikt

deur dien ick volleghde u raet.
Het bloote swaert nu voor my staet;
DH: duivel staat met zwaard omhoog achter Adam, ook al staat er in de tekst ‘voor’ – het zou om een visioen gaan.

D: heft de handen en kijkt naar zichzelf; Eva kijkt verbaasd naar hem
ick sien my naekend en oock bloot,
o Eva, onse sonde is also groot.

Hij pakt Eva bij de schouder en wil met haar naar de boom – (die in Dornach veel meer naar links op het toneel staat.) DH: weer naar links van de boom terug. Ze moeten de indruk wekken te willen vluchten; dan roept God 

God de Heer spreeckt:

God staat opzij van de troon/DH: hij zit

Waer syt ghy Adam, coomt tot my.

Adam spreeckt:

D: Adam heeft zich angstig achter de boom verstopt en antwoordt aarzelend, bedeesd. Hij komt schoorvoetend aangelopen

Hier ben ick heer,
lek schaem my voor u ooghen seer.

God de Heer spreeckt:

Wat schaemt ghy u?

Adam spreeckt:

Omdat ik at
Wat ghy, o heer, verboden hadt.

God de Heer spreeckt:

En waent ghy Adam, durft ghy hopen
dat ghy u straffe sult ontloopen.
of dat ghy u vergryp niet boet?
wie gaf u, Adam, d’euvelen moet?

D: Adam komt tevoorschijn, bevend.

Adam spreeckt:

Adam wel schuldbewust, maar ook wel enigszins opgelucht:

Och heer, ick sweer u by myn trou,
Eva, die ghy my gaeft tot vrouw,
die gaf my van den boom te eten:
ick en hadde my waerlyck niet vermeten.
Een schoonen appel pluckte sy
en beet er in, – ick stond er by –
soo overtradt sy u gebodt
en met coomt ghy daer aen, heer god.

God de Heer spreeckt:

Waer is de vrouw die sulckx misdeed?

Adam wijst naar Eva die bij de boom staat/idem

Adam spreeckt:

Ginds by dien boom, heer, dattic weet.

Eva die zich nog meer verstoppen wil, wordt nu door Adam gehaald, haar naar voren ‘duwend’, terwijl zij hevig tegenstribbelt en begint te huilen.

God de Heer spreeckt:

GT (tot Eva) Wat is dit dat ghy hebt gedaen?

Eva spreeckt:

Snikkend

De boose slangh, heer, dreef my aen
met haer bedrogh, soolang tot dat
‘k van de verboden vrughten at.
Heer, voortaan doenme wat ghy seght.
Dornach heedt hier een ontkennende zin, waarbij Eva ‘nee’ schudt.

Ze loopt links naar voren, vóór Adam langs en komt links van hem te staan

Godt de Heer spreeckt:

Waer syt ghy Gabriël myn knegt?
Dornach: Eva huilt en Adam kijkt dom, verbaasd. De engel staat op. Engel loopt naar troon

Coomt haestelyck hier opdat ghy hoort
myn goddelycken wil en woordt:
Engel loopt naar troon en gaat links staan 

Adam en Eva sult ghy heden
verjaghen uyt den hof van Eden.
Op ‘Eden’ geeft de duivel het zwaard aan God

Dryft met myn blinkend swaert hen uyt,
de poort, die ick voor eeuwich sluyt.
Hij geeft het zwaard aan Gabriël.

Dornach: lied nr. 7 wordt 2x achter elkaar gezongen. Engel, God en duivel maken een ommegang over het toneel, Adam en Eva blijven staan en zingen niet mee. De engel houdt het zwaard schuin omhoog.

DH: de spelers blijven tijdens het zingen van lied 7 (1x) op hun plaats; de engel heeft het zwaard niet omhoog, maar voor zich staand, punt even boven de vloer.

Kompany singht:

Toen joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

Engel spreeckt:

Dornach: de engel spreekt tot het publiek met opgeheven zwaard:

DH: zwaard nog naar beneden

lck heb ontfangen een gebodt
al van den allerhoochsten god
dat ick Adam en Eva heden
verjaghe uyten hof van Eden.

GT De engel buigt met het swaert tot Adam en Eva

DH: het zwaard is nog iets schuin omhoog

Soo gaet dan henen voor altyt,
Adem en Eva buigen hoofd

bebouwt het veldt met noeste vlyt!
int zweet uws aanschyns eet u broot kleine pauze

De engel draait het zwaard van links schuin omhoog een kwartslag naar voren en loopt krachtig op Adam en Eva af, het zwaard vanuit het polsgewricht bewegend:
A.h.w. vanuiit de draai een prikkende beweging.

Adam
Hij kijkt op/hij hoort het geschrokken aan en wist het zweet van ziojn voorhoofd

– en kleine paueze Eva  idem, zwaard met zwaai boven het hoofd [ik denk A/B] zij kijkt op

ghy met noot

draegt uwe kinders ondert harte,
slag in de richting van Eva

vermenichvuldigt sy u smarte.
Engel neemt het zwaard terug:

Eva spreeckt:

Snikkend/stap naar voren, met armen omhoog in wanhoop, maar niet pathetisch

Wee ons, die arme vrouwen
moetent om my berouwen!

Wendt zich tot Adam

alsnu tmoet syn, soo sullenme ‘t waaghen
ons immer nae gods leer gedraaghen
en bidden dat hy ons behoed.

Adam spreeckt:

Coomt maer by my, myn Eva soet!
Adam legt een arm om Eva’s schouder/idem en leidt haar wat opzij/idem

Heel innig:
Myn god, wanneer roept ghy ons wéér?
och, laet ons niet lang wachten, heer!

Engel spreeckt:

Soo gaet en uyt den hove treet;
De  engel zet weer een ferme pas naar voren en brengt het zwaard horizontaal (E)

in de aanwijzing staat dat het zwaard tot die tijd zo schuin naar de grond wees en nu omhoog komt,

DH: met het naar voren gerichte zwaard loopt de engel rimisch schrijdend op de woorden naar links en drijft Adam en Eva weg die eveneens ritmisch schuin naar voren lopen, maar niet te ver, want de duivel moet er nog omheen kunnen.

tot ick u langsaem wederkeeren heet.

De engel neemt het zwaard terug en zet dit voor zich met de punt naar beneden:

Eva spreeckt:

lek bid, heer god, verlaet my niet nae desen.

Engel spreeckt:

Eva, wilt sonder twyfel wesen!
u man volght nae, sorght voor u kind daerneven,
Soo sal god u de sonden àl vergheven.

Nu schreidt de engel met afwerend gestrekt zwaard langzaam naar voren, God en de duivel sluiten aan en lopen over het toneel, zingen het couplet  van lied 82x , Adam en Eva blijven staan, zingend. DH: allen blijven op dezelfde plaats, Godvader is gaan staan, engel: zwaard naar beneden. Couplet 1x.

Kompany singht:

lied 8

Soo joegh de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

DH:Daarna engel terug naar bank; Adam en Eva wandelen wat naar links.Godvader gaat weer zitten; Na de ommegang gaat Godvader weer op de troon zitten. De duivel komt naar voren.

Duyvel spreeckt:

zie 3-5 nog niet oproepbaar.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’
Dit deel (4): de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

2043-1915

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-3)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2:: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Dit deel (3)Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vanaf na lied 4 de verleidingsscène met de duivel tot aan Adam ‘Ach myn gemoet’

Na het laatste couplet van lied 4 – de 3 coupletten werden op het toneel gelopen, is de opstelling zo:

Dornach: na het 3e couplet gaan god en de engel naar hun plaats, de duivel helemaal naar voren. Adam en Eva wandelen hand in hand door het paradijs en laten elkaar de mooie vruchten en bomen zien.

DH. de duivel staat na het 3e couplet weer achter de boom, maar komt naar voren; Adam en Eva: zie Dornach

Duivel:
Kijkt voortdurend fel naar het publiek.
DH: De Haagse muziekleraar Willem Bruning was van mening dat de duivel – die 3x verschijnt, de 1e keer, dus hier – opkomt in een soort S-vorm.

Duyvel spreeckt:

lek come in het paradys
geslopen al nae der slanghe wys.
God schiep temet een menschenpaer,
hy cierde het soo wonderbaer
en settet in syn schoon plantsoen:

sluw:
maar ick sal sien of ‘k se daer uyt can doen
Dies coom ick in het paradys
en maek datse eten van de spys.
Hoe, sullense alle vrughten smaeken,
en aen die ééne boom niet raeken?

Duivel benadert Adam en Eva links en iets achter hen

In Dornach plukt de duivel hier geen appel, in DH wél

Adam, proeft van het sap soo ryck,
soo wort ghy aen u god gelyck.

Dornach en DH: Adam weert het verschrikt af

Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartelust
en gheeft ervan aen Adam oock.

Idem Eva weer het af

God en de engel gaan staan; duivel weer achter boom
De kompany zingt. Dornach: Adam en Eva niet

Kompany singht:

Lied 5:

Toen pluckte sy den appel af
en Eva dien te eten gaf.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

Idem: Eva staat in gedachten verzonken naar de boom te kijken; dan richt ze zich tot Adam:

Eva spreeckt:

Eva spreekt zo vloeiend als maar kan, wat sanguinisch; ze constateert voor haar vreemde feiten.

Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. lek bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrught noyt heb genoomen.
Het lust my, voort er van te eten.

Zij gaat naar de boom. Adam probeert haar met alle kracht tegen te houden. Ondertussen heeft de duivel aan de andere kant een appel geplukt en geeft deze op een listige manier aan Eva. Adam laat zijn afkeer blijken, Zij kijkt een ogenblik naar de appel, dan bijt ze er met graagte in, DH idem

Adam, wilt ghy de waarheidt weten,
dit is de allerbeste spys.

klopt op haar buik, heeft de appel in de linkerhand en biedt deze aan Adam aan; idem: die kijkt verschrikt

Hier, neemt hem aen en proeft ereis
idem: Adam weert af

als ghy my mint.
Adam strijkt over haar wang idem en knikt

Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!

idem Adam kijkt lang twijfelend naar de appel die Eva aanbiedt

Adam spreeckt:

Soo het aen my lag, syde ick neen,
soo ick eet, isset om u alleen.

Adam bijt in de appel. Op hetzelfde ogenblik wordt de tot nog toe vriendelijk-heldere belichting donker. Adam laat de appel vallen – ook – smijt hem weg en zijn gezichtsuitdrukking toont dat er een heel bijzondere werking vanuit gaat. Hij houdt zijn maag vast. Eva kijkt verbaasd toe:
DH:zelfde, geen aanwijzing voor maagaanraking: op het ogenblik dast Adeam bijt, springt de duivel op.

Adam byt in den appel en smyt hem wegh

Ach, hoe dat ‘t myn gemoet verwandelt….

De kompany gaat in Dornach over het toneel; in DH blijft deze staan.

Kompany singht:

1. Sy gaf oock haeren man met haer,
geopend wird hem ‘t ooghenpaer.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

DH: tijdens 2e couplet gaan Adam en Eva achter de boom (tussen de bomen)

2. Sy aten en in de eigen stond
wierd heel de waerelt met verwond.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.
Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 (Adam erkent); schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘(Nu leefden se’.)
Dit deel (3)Na lied nr 4: ‘Al nae der slanghe wijze’: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

Vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

2042-1914

.

.

.

.

.