Maandelijks archief: juni 2016

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde

.

ASTRONOMIE EN ASTROLOGIE

De kloof tussen beeld en teken

Tot voor twee duizend jaar was er eenheid tussen astronomie en astrologie in het denken van de waarnemers van die tijd. Daarna is er een controverse ontstaan die steeds groter is geworden.
Willem Beekman beschrijft de kern van deze splitsing via het astrologische begrip beeld en het astronomische begrip teken.

In de Volkskrant van 7 januari ’84 verscheen een artikel met als titel ‘Waarom krijgt de evolutie elke 26 miljoen jaar de hik?’. Daarin werd beschreven, dat in de aardlagen door fossielen een exact uitsterfritme getoond wordt van 26 miljoen jaar. Geologen en biologen kunnen niet anders dan de verklaring daarvoor in de kosmische ruimte zoeken: uitbarstingen van de zon, asteroïdeninslag, invloeden vanuit het melkwegstelsel of nog onbekende krachten.

Mij troffen hierin twee aspecten, ten eerste de recente vanzelfsprekendheid waarmee aardse fenomenen vanuit de kosmos verklaard worden en ten tweede de naief-mechanistische verklaringswijze. Het is verheugend dat er ook in de moderne natuurwetenschap ruimte wordt gemaakt voor kosmische invloeden. Tot enkele tientallen jaren geleden was dat gevaarlijk taboe-gebied, waarin je als wetenschapper risico’s liep bespot te worden, maar sinds de opkomst van de exobiologie (jaren zestig), wordt daar anders over gedacht. De Helio-biologie met de Russische grondlegger Tsitsjevski voorop, voegt zich daarbij, met uitspraken die er niet om liegen: het grootste deel van hart- en vaatziekten zou verklaard kunnen worden uit de relatie tussen ons lichaam en de zon! Tijdens eens per elf jaar optredende maximum zonnevlekkenactiviteit worden in Rusland speciale ziekenzalen ingericht om de groeiende stroom van onder andere hartinfarcten te kunnen opvangen. Een staaltje van doortastende medische vooruitziendheid. Ook opkomende jonge wetenschappen als de biometeorologie en ritmologie maken ruimte voor het onderzoek naar relatie: aards leven en kosmisch ritme, want één ding is heel duidelijk geworden: het ritme-aspect staat centraal.

Aan de andere kant krijg je te maken met de al genoemde mechanistische verklaringswijzen. Langstrekkende planeten, dubbele zonnen, deeltjesstraling, inslagen van kometen in de aarde, planetoïden, die rakelings de aarde passeren, botsingen, ontploffingen, kortom een compleet oorlogsgeweld wordt met het gemak van een ordinaire sciencefictionfilm ingevlochten in een poging de vaak verrassende verschijnselen te reduceren tot herkenbare mechanica, zodat jongens en meisjes met een ontwakend technisch bewustzijn het gemakkelijk begrijpen, het gretig opnemen en met fantasie verder ontwikkelen. Een aantal computerspelletjes en bioscoopfilms wijst met nadruk in de hier geschetste richting. Deze aardse-technische projectie in de hemelruimte is al veel eerder zichtbaar geworden. Tijdens de industriële revolutie, werd duidelijk, dat steenkool een soort goud was, energiebron nummer één. Interessant is de toen nog onbekende relatie tussen de zon en steenkool: het zonlicht en de zonnewarmte verdichten zich langs eeuwenlange weg tot steeds hardere plantenmassa (hout) en in de aarde tot steenkool, die als metamorfose van de zonnewerking op aarde beschouwd mag worden. Bedoeld is hier het assimilatie-proces van groene planten, waarbij uit zonlicht, warmte, lucht en water eerst suikers dan zetmeel en ten slotte hout gevormd worden.

Toen het denken zich richtte op de aard (!) van de zon, kon het antwoord dan ook niet uitblijven: de zon is een gigantische miljoenen tonnen zware steenkoolbol, waarvan de verbranding de ons geschonken energie oplevert. Berekeningen leerden, dat de zon nog globaal duizend jaar te branden had, een waarlijk korte tijd. Deze steenkooltheorie is, wellicht mede daardoor, toen verlaten. Maar hetzelfde gebeurt nu in onze eeuw.

Nadat Niels Bohr, Deens fysicus aan het begin van deze eeuw, en anderen de grootste energiebron in atoomkernen ontdekten, werd de zon spoedig tot beheerste kernbom gepromoveerd. Nu is dat enigszins gewijzigd in een kernreactor, waarin kernfusie en -splitsing naast elkaar een onuitputtelijke hoeveelheid energie over geruststellend lange tijd blijven geven. Wie weet welke verklaring er voor de zon wordt ver-zon-nen in de volgende eeuw, wanneer nog andere energiebronnen zijn ontdekt.

Deze causaal mechanistische verklaringswijzen hebben twee belangrijke voordelen, althans, dat wordt gesuggereerd. Enerzijds wordt alles vanuit aardse omstandigheden verklaard en hoeft er geen ruimte gemaakt te worden voor het bovennatuurlijke (zo staat het in bovengenoemd artikel), anderzijds kan als geruststelling het toevalselement geïntroduceerd worden, want aan al dat buitenaards gedoe is geen touw aan vast te knopen.

De impasse waarin de astronomie mijns inziens verkeert is ook van toepassing op het andere gebied van sterrenkundig onderzoek, de astrologie. Daar heerst een polair soort denken, waarin het receptmatige opvalt. Wanneer je onder het teken boogschutter geboren bent, dan heb je ‘dus’ bepaalde eigenschappen. Planeetconstellaties voegen daar dan zeer specifieke kwaliteiten aan toe, zodat een horoscoop ontstaat. Met alle waardering voor de echte, serieuze en bekwame astroloog-horoscopist (een waardering die ik ook heb voor de dienovereenkomstige astronoom), merk ik toch een receptuur-denken, waarin ‘het werk’ ver overheerst boven het ‘hoe werkt het?’ en ‘wat is de achtergrond van de werkingen?’ Een soort verklaringsonmacht is het misschien eerder dan onwil. Tegenover elkaar staan nu de technische, causaal-analytische verklaringsdrang, met toeval en aardse projectie aan de ene kant, en de uitblijvende verklaringstendens, met ‘het is zo’-karakter en hemelse projectie in aardse omstandigheden aan de andere kant.

De controverse tussen het astronomisch en astrologisch denken is in de laatste duizenden jaren steeds groter geworden en dat zal nog doorgaan. De kern daarvan kom je op het spoor via het begrippenpaar beeld en teken: beide gebruikt voor het indelen van de dierenriem (de zodiak). Wanneer we de twaalf beelden van de zodiak aan de hemel bekijken, ontdekken we aanzienlijke grootteverschillen. De maagd bijvoorbeeld beslaat een hemelstuk van ongeveer 45°, de weegschaal daarentegen nog geen 20°. Dientengevolge zal de zon in haar tocht dóór de dierenriem langer in de maagd staan (6 weken) dan in de weegschaal (2,5 week). Zo heeft ieder beeld een eigen grootte en bepaalt zodoende de verblijftijd van zon, maan en planeten. De groottebepaling van de beelden geschiedt aan de hand van de ecliptica, een gemiddelde verbindingslijn van de beelden en tevens de gemiddelde zonnebaan door het jaar heen: een hemelcirkel van 360°. Dit is het astronomische begrip beeld.

Daarnaast bestaat het astrologische begrip teken: een indeling van de ecliptica in 12 gelijke stukken van 30°, die samen de cirkel sluiten en die dezelfde namen dragen als de dierenriembeelden. Ieder teken krijgt daardoor evenveel be-teken-is onafhankelijk van zijn grootte: er is in dit opzicht geen verschil tussen de maagd en de weegschaal. Deze tekens staan los van de gang van de zon door de dierenriem, maar zijn bepaald op vaste tijdstippen in het jaar, zodat je op 5 februari geboren wordt onder het teken waterman, terwijl astronomisch het beeld steenbok is, omdat de zon daar dan in staat.

Het verschil tussen beeld en teken was rond het begin van de jaartelling niet zo duidelijk aanwezig. Toen vielen de beelden nagenoeg samen met de 30°-segmantatie van de ecliptica. In de afgelopen 2000 jaar is er een verschuiving opgetreden van het lentepunt over ongeveer één beeld aan de hemel. Het lentepunt is de plaats op de ecliptica waar de zon staat op 21 maart, het
lentebegin. Door een kleine pendelbeweging van de aardas verandert onze positie ten opzichte van de sterrenhemel (dus ook de dierenriem) gestaag, maar in een mensenleven is dit nauwelijks merkbaar: het lentepunt verschuift l° per 72 jaar.
Toch wist de Griekse astronoom Hipporchos (circa 150 v.C.) hier al van, ondanks de beperkte instrumentaria van die tijd. Over enkele honderden jaren zal dit lentepunt in het beeld waterman zijn aangekomen, een paar duizend jaar geleden stond het in de ram. Tegenwoordig is het verschil tussen beeld en teken over de ecliptica gerekend, opgelopen tot één beeldbreedte.

Wanneer we kijken naar de sterrenwijsheid van 2000 jaar geleden (en ook daarvoor) dan valt de eenheid op tussen astronomie en astrologie in het denken van de waarnemers van die tijd. Er was eigenlijk geen verschil. Sterrenkundige fenomenen spraken een directe beeldentaal, voor het toenmalige schouwende bewustzijn, waarin verleden, heden en toekomst gelezen konden worden. De sterren-magiërs (zoals de beroemde drie koningen) waren priester-koning-astronoom-astroloog, dat wil zeggen ze berekenden overstromingen, oogsten, kalenders en allerlei praktische maatregelen aan de hand van al dan niet instrumentale waarnemingen, maar stelden ook horoscopen op en toekomstvoorspellingen op grond van bijzondere innerlijke vermogens, waar we nu nog maar weinig in onszelf van herkennen Interessant is dan de scheiding die beide richtingen treft, parallel aan de verschuiving die de hemel toont. Astronomen bestaan naast astrologen, de kloof groeit met het onbegrip tot op de huidige tijd waarin de scheiding compleet is geworden: het beeld en het teken liggen vanaf nu helemaal naast elkaar. Natuurlijk treden er in de historie mensen op die beide benaderingen nog in zich verenigen zoals Tycho Brahé en Johannes Kepler (rond 1600), maar het wordt moeilijker.

De bewustzijnsverandering van de mens kan worden opgevat als een afspiegeling van de kosmische verandering/verschuiving van het lentepunt. Let wel: afspiegeling, niet oorzaak. Want het causaliteitsbegrip lijkt me ontoereikend om dergelijke fenomenen te benaderen: er is sprake van parallelliteit,
beeldovereenkomst.

Toch moet het zin hebben gehad om 2000 jaar geleden de ecliptica te fixeren. Astrologische uitspraken worden daar nog steeds (mede) op gebaseerd. De hemelsituatie van toen staat namelijk in het licht van het Christusleven. Datgene wat zich toen anspeelde is voor de mensheid als geheel, maar ook voor de individuele mens en zijn levenslot van de meest centrale betekenis. Mensheid en kosmos hielden hun adem in, toen Christus (als hemelgezant) in de aardse omstandigheden verscheen. Alles richtte zich op die ene mens als in een brandpunt. Christus, ook de heer van het lot genoemd, gaf dé vernieuwingsimpuls voor de mens.
Zo begrijp ik de astrologische teken-benadering als een reflectie, een herinnering aan die oergebeurtenis, waardoor het mensenlot zijn signatuur krijgt (horoscoop).
Wat ontvangt dan zijn signatuur uit het astronomisch beeld-begrip? Met andere woorden waar werken zon, maan en planeten in de aardse omstandigheden? Het antwoord hierop vinden we overvloedig geïllustreerd in de moderne literatuur over ritmologie, biometerologie en in de resultaten van de biologisch-dynamische landbouw (onderzoekingen van Maria Thun, neergelegd in de zaaikalender): het werkingsgebied, het schouwtoneel voor kosmische invloeden is in de levende natuur te vinden. Daarin werken de ritmes van de maan, de bewegingsdynamiek van de planeten en de tocht van de zon door de dierenriem. Vergelijken we beide wegen, dan leidt dat tot een opvallend resultaat:

astronomie astrologie

De hierin zichtbare kloof tussen mens en natuur heeft een kosmische achtergrond. De mens vervreemdt steeds meer van de levensprocessen om hem heen, de ingrepen in en de bedreigingen van de natuur nemen explosief toe en we staan voor de vraag: hoe verder? Is de kloof te overbruggen.
Om deze vraag enigszins te benaderen, wenden we onze blik naar de inzichten van de grote fenomenoloog Goethe. (Een uitstekende beschrijving van de betekenis van Goethes denkwijze voor de astronomie en een uiting daarvan is te vinden in: Planetensphären, Planetenkörper, John Meeks, Dornach 1979.)
In ‘Wilhelm Meisters Wanderjahre’ ontmoet Wilhelm twee mensen die hem twee aspecten van de wereld laten zien. De ene is een astronoom, die hem door een telescoop de planeet Jupiter laat zien, met manen die voor het blote oog onzichtbaar zijn. Hij raakt daardoor vreselijk in verwarring omdat zijn beleving van de sterrenwereld op grond van de directe hemelaanschouwing niet strookt met de telescoopwaarneming. Er is een onoverbrugbare kloof.
Ik herken dat gevoel sterk: wanneer je aan de avondhemel van nu, Jupiter ziet staan in het grote verband van de planeten eromheen (Venus, Satumus, Mars) ontstaat een stemming van eerbied en wijsheid; Jupiter als het wijsheidsgesternte, die in zijn bewegingspatroon een eigen kosmische taal spreekt. De kleur, de grootte, de beweging, de relatie met andere sterren en planeten vallen allemaal weg wanneer je je blikveld in een telescoop vernauwt tot de directe omgeving van een planeetschijfje met roodbruine banden op het oppervlak en een paar manen eromheen. Geweldig ontluisterend! Maar toch fascinerend om de hemelruimte in te kunnen duiken en de geheimzinnige wereld ‘achter de lichtpunten’ tot openbaring te brengen. Goethe laat Wilhelm Meister dan uiteenzetten hoe moeilijk het is om je innerlijk oordeelsvermogen in evenwicht te houden met het vertekende telescoopbeeld. Je hebt een hoge innerlijke cultuur nodig, slechts aan weinigen vergund, om je waarheidsgevoel overeind te houden tegenover het opgeblazen zintuiggeweld. Sterrenkijkers en alle moderne apparatuur doen een appèl aan de mens om deze innerlijk hoge cultuur te ontwikkelen en zich niet te laten vangen door de verleidingen die de technische benadering in zich draagt.

De andere ontmoeting heeft Wilhelm met een sprookjesachtige vrouw Makaria, die een intuïtieve verbinding met de sterrenwereld heeft. Zij heeft een relatie met de Venusplaneet en weet dat er achter de fenomenen een diepere waarheid ligt, waarin het bewegingsspel van planeten op kunstzinnige wijze benaderd kan worden.

Deze beide benaderingen nu vragen om een synthese om daarmee de impasse te doorbreken: een soort huwelijk tussen de astronoom en Makaria, waardoor het analytisch-exacte bevrucht wordt door het synthetisch-kunstzinnige, en de mens met zijn volle ‘sinnlich-sittliche’ moraliteit zich verbinden kan met de hemel.

Wat wij in deze tijd weer zouden kunnen leren, is het zien en verstaan van de beeldentaal die de sterren en planetenwereld wil uitspreken. Daarmee bedoel ik niet alleen het herkennen van de sterrenbeelden en de verhalen die daarmee samenhangen, maar ook de taal die Jupiter spreekt bij zijn tocht door de dierenriem in relatie met de zon. Het patroon van lussen en bogen dat door Venus aan de hemel gevormd wordt weer leren lezen en herkennen als kosmische afspiegeling van een zelfde taal in de plantenwereld. Het begrijpen van de zaaikalender uit de kwaliteiten van de dierenriembeelden in relatie met de maan, enzovoort. Een heel nieuw gebied van fenomenologisch onderzoek ligt hier vóór ons, waarover de laatste jaren steeds meer publikaties verschijnen en waaruit blijkt, dat de mens, de dieren- en plantenwereld de microkosmos zijn, waarin zich de macrokosmos om ons heen als in een miniatuur (hiëroglyfe)
afdrukt.

Willem Beekman, Jonas 4 12-01-1984

.

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

1104-1025

.

.

VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen (7)

.

SCHRIJVER MAKSIM GORKI LEERT LEZEN

In zijn autobiografie vertelt de 49-jarige schrijver [1] hoe hij heeft leren lezen. Hij was toen 5 of 6 jaar.

Als je naar de citaten kijkt, kun je belangrijke ontwikkelingsstappen zien in het leven van het kleine kind wanneer het schoolrijp wordt.

‘Ik (de ruim 5-jarige) zat bij het raam en keek hoe de schemering zich over de stad verbreidde, het avondrood zich weerspiegelde in de vensterglazen van de huizen. Om een of andere reden had grootvader mij verboden naar buiten te gaan.
In de tuin vlogen zoemende kevers rond de berken, een kuiper was aan het werk op de binnenplaats naast de onze en wat verderop werden messen geslepen; achter in de tuin, bij het ravijn,  waren kinderen tussen de dichte bosjes rumoerig aan het spelen. Met heel mijn hart verlangde ik ernaar buiten te zijn, wat mij een bij de avondlijke sfeer passend gevoel van weemoed gaf.
Opeens had grootvader een nieuw boekje in zijn hand, dat ik nog nooit eerdeer had gezien, sloeg ermee tegen zijn handpalm en riep mij met opgewekte stem bij zich:
‘Kom op Permjak (inwoner van Perm), druiloor! Kom hier zitten, Kalmukkensnuit! Zie je dat teken? Dat is een ‘az'(dit is het Kerkslavisch alfabet, waarin de kerkelijke boeken nog geschreven waren; later zal Alekséj op school het burgerlijk alfabet leren). Zeg op: az! En ‘boeki’, ‘védi’….Dus dat is een….?’
Ik antwoordde: ‘Boeki.’
‘Goed zo; en dat?’
‘Védi.’
‘Kletskoek, dat is een az! En verder: è, dobro, jestj; dus dit is….?|
‘Dobro.
Precies! En dat?’
‘Az.

(   )
(Grootvader) schreeuwde met zijn piepende ademhaling in mijn oor:
‘Zemlja, ljoedi!’
De woorden waren vertrouwd, maar de lettertekens leken niet op hun betekenis: de letter ‘zemlja’ schrijven bij Gorki 1 leek op een worm,

de ‘glagol’   schrijven bij Gorki 2op Grigóri met zijn gebogen rug,

de ‘ja’  schrijven bij Gorki 3op  grootmoeder en mij samen en elk van de letters had wel iets gemeen met grootvader.

Lang ging hij door mij de letters te overhoren, soms op het rijtje af en dan weer door elkaar, en zijn bezetenheid stak mij aan. Ook mij stond het zweet op het voorhoofd, en ook ik was ongemerkt uit alle macht gaan schreeuwen. [1]

Als Gorki een jaar of 20 is, brengt hij zelf een ongeveer 17-jarige Rus het lezen bij. N.a.v. dit leesonderwijs ontstaat de volgende scene:
‘Meerdere keren vroeg hij (de jongere Rus) voorzichtig, met zachte stem: ‘Leg mij toch eens uit, vereerde, hoe komt dat tot stand? Een mens kijkt naar die streepjes, die voegen zich tot woorden en die ken ik wel – onze levende woorden! Maar hoe ken ik die? Die fluistert niemand me in. Ja, als het beelden waren – goed, dat is te begrijpen. Maar hier staan toch eigenlijk de gedachten uitgedrukt – hoe is dat mogelijk? – Wat kon ik zeggen.  Mijn ‘dat weet ik niet’ ontgoochelde hem.  ‘Hekserij!’ zei hij zuchtend en hield de bladzijden tegen het licht.’

Als we naar het begin van het eerste citaat kijken: de wereld spreekt intensief tot het kind door zijn zintuigen; het kind krijgt van de wereld door zijn waarnemingen veelzijdige, belevingsvolle boodschappen; die iets hebben van wat zich als wezenlijk uitdrukt in iemands gezicht. Hier zie je even kort hoe een kind dat nog niet naar school gaat in de wereld staat.

De 49- jarige autobiograaf hoort in zijn herinnering de pets van het boek – en een nieuwe wereld dringt zich sterk aan hem op: niet meer die van het beeldend waarnemen zoals van een gezicht, maar de wereld van de tekens, de wereld van de mededeling: de waarneming hoeft zich niet meer te houden aan wat ze vertoont: de E  iets van een worm; de L iets van een kromme rug; de R weer aan een ander mens – en wij kunnen eraan toevoegen – de O een ei, de A bijv. een dak. De waarneming moet los van een voorwerp worden gezien en ze moet een betekenis krijgen die onafhankelijk is van het voorwerp, gewoon een E, een A, enz. kortom: ze moet teken worden.
Het teken zelf is niets, het betekent wat.

In het tweede citaat komt de 17-jarige Rus daar ook mee: ‘Ja, als het beelden zouden zijn!’- Deze tekens die gezien worden los van een voorwerp, moeten aan een klank gekoppeld worden. ‘De woorden waren me bekend, maar de tekens hadden er niets mee te maken’, zegt Gorki. De ruim 5-jarige zit nog sterk in de toestand van hoe het kleine kind waarneemt – de trekken van een gezicht. Dus koppelt hij iets wat hij heeft gezien (de E als worm) aan iets wat hij hoort (Eeee…) zonder een innerlijk begrijpen, puur mechanisch. Zo volgt – aan het begin van de leerleeftijd – een gewoonte dat het normaal is, associaties  – een basismanier bij het leren kennen – zonder innerlijk begrip, zonder innerlijke betrokkenheid van de persoon, uit te voeren. Maar je onderwerpen aan iets wat je niet begrijpt, betekent altijd een innerlijke onvrijheid.

Wanneer een 7-jarig kind hier in een O niet meer alleen een ei of hier in de A niet meer alleen een dakje ziet, maar in staat is, onafhankelijk van alle concrete voorwerpen de wetmatigheid van het ronde of van het driehoekige als zodanig te te beschouwen, het ronde of driehoekige als zodanig ook te beleven, dan wordt in het kind een nieuw vermogen wakker dat daarvóór alleen maar latent aanwezig was: de intelligentie, waardoor wij bijv. de innerlijke samenhang tussen twee zulke vormen kunnen kennen:  schrijven bij Gorki 4  (kegel van boven, resp. van opzij). Pas dan kan je het kind, komend uit de wereld van het beeldend waarnemen, langzamerhand met de wereld van de tekens confronteren.

‘Ja, als het nou beelden waren!’ Is nu echt het schiftteken O en de klank O iets wat puur op basis van conventie met elkaar geassocieerd wordt? Is er toch niet een innerlijk identiek-zijn tussen het schriftteken en de klank, tussen wat benoemd wordt en wat benoemt, tenminste voor een deel – of oorspronkelijk helemaal?

Bij Rothacker [2]  vind je een reeks persoonlijkheden uit het geestesleven van de vorige eeuw genoemd, voor wie ‘de vorm van de letters de figuratie (het beeld) van de klanken zelf’  was.
Voor Novalis [3] zijn letters ‘figuren van klankbewegingen’ (figurierte Schallbewegungen). ‘Zijn de letters oorspronkelijk akoestische figuren geweest? Letters vooraf?’

Voor een reeks letters, in het bijzonder  voor de meeste klinkers, is dat niet zo moeilijk te herkennen. [4] Dit wordt door de vrijeschoolpedagogie opgepakt wanneer deze de tekens als beelden voor de klanken aanleert, ook al is dit in het schrift nu nog maar fragmentarisch te zien. Het kind leert in de lettervormen naar een afbeelding van een klank te kijken. Op deze manier verbindt het met een innerlijk begrijpen wat het innerlijk horend registreert met wat het als uiterlijke voorstelling ziet. Dat het kind met dit begripsvolle associëren er innerlijk bij betrokken is, is uiteraard belangrijk voor de ontwikkeling van ziel en geest van het kind, wanneer dit aan het begin staat van de vorming die door de maatschappij georganiseerd is en is dus een kernpunt van de door Rudolf Steiner ingevoerde methode van het leren schrijven en lezen.

Olaf Oltmann, Erziehungskunst 53e jrg. 12-1989
[1] bijv. Maxim Gorki: autobiografische romans, München -3e dr. 1978, blz. 70f., blz. 668.
Maxim Gorki Jeugdherinneringen, Arbeiderspers 2013 (hierin staan niet de afbeeldingen van de letters)
[2] Erich Rothenacker: Das ‘Buch der Natur’ – Materialien und Grundsätzliches zur metapherngeschichte, Bonn 1979, blz. 33
[3] Kunstfragmente nr. 1808, uit: Fragmente Dresden 1929, blz. 580.
[4] vergelijk Erika Dühnfort en Ernst Michael Kranich: Der Anfangsunterricht im Schreiben und Lesen, Stuttgart 1971, blz. 21f., blz. 35ff.
.

Rudolf Steiner over:  schrijven en lezen

Schrijven en lezen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

.

1103-1024

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – mineralogie (5)

.

Een periode mineralogie in de zesde klas

De grond waarop wij staan is stevig. Daar zijn we aan gewend en zonder meer vertrouwen wij daarop. De leraar is van plan aan te tonen hoe griezelig het is wanneer wij de grond onder de voeten verliezen. Zonder van te voren de bedoeling te verklappen, vraagt hij een van de kinderen hem te helpen met een “proef”. Zachtjes fluistert hij haar zijn instructies in. Iemand anders uit de klas krijgt een blinddoek omgeknoopt en wordt naar een plank van een meter lengte geleid om erop te gaan staan. Wanneer de leraar en zijn assistente ieder aan een kant de plank voorzichtig optillen, slaakt de geblinddoekte een gil van schrik en maait wild met de armen om haar evenwicht te bewaren. Voor de zekerheid houdt zij de schouders van haar dragers vast. Deze twee gaan nu langzaam door de knieën en bewegen zich omhoog en omlaag zodat het meisje de schouders óp en neer voelt gaan. Op den duur heeft zij echter geen idee hoe hoog zij staat.

De plank zelf hebben ze echter al die tijd op dezelfde hoogte gehouden, ongeveer vijftig centimeter boven de grond. Wanneer de leraar haar vraagt van de plank af te springen, aarzelt ze: “Ik durf niet”. Dan raapt zij alle moed bijeen en waagt de sprong. “Hè, is dat alles!” roept zij verbaasd en rukt de blinddoek af. Zij kijkt van de lage plank naar de lachende klas. ” Ik dacht dat ik heel hoog stond.” Wanneer de leraar vertelt dat de stevigheid van de aarde ons zekerheid geeft, volgt een gesprek over aardbevingen: over de angst van ieder die zoiets meemaakt, over vertrouwen en het gevoel wanneer je vertrouwen beschaamd wordt. Kleine kinderen bijvoorbeeld hebben nog alle vertrouwen. Iedere peuter die van de traptreden heeft gesprongen kon ervan opaan dat vader of moeder hem opving. Hoe zou zo’n kind zich voelen als vader of moeder hem op een dag expres niet opving? Het voorbeeld spreekt de kinderen aan. Opeens weten ze een heleboel voorbeelden uit hun eigen leven te vertellen.

Op het bord is een berglandschap getekend, waarin de zon, een rivier, planten, bomen, vogels en flonkerende kristallen te zien zijn. Het silhouet van de bergen laat een tekening zien, van Mineralogie. Deze tekening komt nu op de kaften van de periodeschriften te staan. Enkele stukjes kristal gaan de klas rond. Elk kristal heeft zes vlakken, maar niet een is hetzelfde. Wanneer je er doorheen kijkt, zie je de kleuren van de regenboog. Vlak voor de pauze verbrandt de leraar een stukje zwavel. Alle kinderen ruiken er even aan. Het stinkt afschuwlijk. De lucht snijdt je de adem af. Wie gesnuffeld heeft, vlucht vanzelf naar buiten de frisse lucht in. Later krijgen de kinderen de opdracht een steen te bestuderen. Iedere dag moeten er een paar vertellen over de vorm, de kleur, de geur, de smaak, het gewicht, de mate van hardheid en eventuele andere bijzonderheden van hun steen. Wanneer je naar je pink kijkt en je denkt aan je vingerkootje, twijfel je er niet aan dat bot leeft. Je kunt pas zeggen dat het dood is wanneer je dat vingerkootje afhakt en los in je hand houdt. Zo is het eigenlijk precies met het gesteente van de aarde. Je zou het gesteente het skelet van de aarde kunnen noemen. Zolang het gesteente nog aan één stuk op zijn ontstaansplaats ligt en temperatuur,vochtigheid, planten, druk en bacteriën er nog op inwerken, is het gesteente een levend organisme. Een stuk dat ervan afgebrokkeld is, is net als het losse vingerkootje levenloos geworden De leraar vertelt over enkele soorten steen die hij heeft meegebracht: Leisteen: “Waarvoor gebruiken we dat?” “Voor dakpannen en leitjes,” weten de kinderen. Zandsteen: Dit zeer harde gesteente ontstaat door op elkaar geperst zand. Steenkool: Hierin zit duizenden jaren zonnewarmte. Eén ontstaat uit ongeveer dertig bomen. Als steenkool langer blijft liggen, kan grafiet (voor potloden) ontstaan of diamant. Dat ontstaan is afhankelijk van de temperatuur en en de druk. “Dus als je er maar lang genoeg op blijft zitten, krijg je een diamant?” is een geijkt grapje.

Graniet: We gebruiken graniet voor trappenhuizen, stoepranden en aanrechten.

Glimmer: (mica) Dit gesteente bestaat uit vele dunne laagjes. Het is terug te vinden als ruitjes in ouderwetse kachels.

De klas maakt een uitstapje naar het IJsbaanpad. Het is ijzig koud en het sneeuwt een beetje, maar de kinderen stappen stevig door over de spoorbaan die in deze tijd van het jaar niet gebruikt wordt. Tussen en langs de rails liggen vele soorten keien en steentjes. Die zullen de kinderen “kraken”. De meeste stenen vertonen van binnen niet meer dan de buitenkant doet vermoeden, maar soms laten zij kleine holtes zien waarin zich een kleur- en glinsterspel laat bewonderen. Sommigen weten niet van ophouden en komen met uitpuilende jaszakken en van de kou verstijfde vingers weer op school. Daar bekijken ze elkaars schatten. De kinderen horen welke invloed de IJstijd (8000 jaar v. Chr.) op ons land heeft gehad. Het oosten van Nederland werd bedekt door een dikke ijslaag. De Noordzee was toen een en al zandwoestijn omdat het water dat verdampte bevroor en niet terug kwam. Zware stormen verplaatsten het zand naar het oosten. Vandaar dat Oost-Nederland zo zanderig is. Vanuit de bergen in het zuidoosten stroomden de rivieren door Nederland en brachten brokken graniet met zich mee. De kinderen krijgen de opdracht de situatie van Nederland in de ijstijd te laten zien. Ze kunnen dit doen door middel van een tekening of door middel van een geschreven tekst. De leraar wil laten zien dat veel landschappen in verband staan met graniet. Hij beschrijft de zee, het strand en de duinen zodanig, dat de kinderen zich op het strand wanen en bijna de zilte zeelucht ruiken. Dat zand eigenlijk fijngeschuurd graniet is dat door de rivieren is meegevoerd vanuit de bergen, wekt hun verbazing.

Dat rachitispatiënten vroeger op het strand moesten kuren omdat de combinatie van kwarts en zonlicht genezend bleek te werken, vindt de klas zeer interessant. Ook het heidelandschap blijkt met graniet te maken te hebben: de hunebedden zijn door het Trechterbekervolk ca. 3000 jaar v. Chr. gebouwd met keien die tijdens de IJstijd naar ons land zijn gevoerd. [1]

De vraag hoe zo’n volk zulke zware stenen heeft kunnen opstapelen, houdt de kinderen lang bezig. Na al deze verhalen van de leraar moeten de kinderen zelf weer aan het werk. De opdracht luidt: maak een tekening of een informatieve tekst over hetgeen je gehoord hebt en schrijf eenverhaal waarin je zelf een hunebedbouwer bent.

Wanneer sommige kinderen hun werk later voorlezen, geeft de klas commentaar. De kritiek is meestal positief, soms echter krijgen de voorlezers te horen wat er ontbreekt aan hun verhaal. Enkelen krijgen de opdracht hun werk nog wat bij te schaven, bijvoorbeeld door het verhaal over de hunebedbouwer serieuzer te maken of al te eigentijdse uitdrukkingen (“Hallo jongens”) te vervangen door minder populaire. De volgende dag beschrijft de leraar een berglandschap. Hij vertelt over bergbeklimmers, over gletsjers, lawines en diepe kloven. Dit gaat gepaard met kleurige details en waargebeurde belevenissen van bergbeklimmers. Een gedicht dat de kinderen enkele dagen reciteren en dan ook in het schrift schrijven, vertelt over de bergbegroeiingsfasen. Een tekening op het bord laat in een oogopslag zien wat in het gedicht beschreven staat. De klas wordt in vier groepen verdeeld. Elke groep krijgt een andere opdracht: schrijf een stukje alsof je 1) een adelaar, 2) een pluk mos, 3) een boer op de alp, 4) een koe op de alp bent. Vertel wat je voelt, denkt en doet. Drie groepen gaan meteen aan de slag, de mosgroep knippert verbaasd met de ogen. “hoe kun je nu in ’s hemelsnaam schrijven hoe mos voelt en denkt?” Ze moeten het toch proberen van de leraar, ook al lijkt het nog zo moeilijk. De een na de ander buigt zich zuchtend over het papier.

De groepjes bespreken onderling hun teksten en kiezen die tekst uit die het meest geschikt is om door een andere groep gespeeld te worden. De groepjes ruilen hun gekozen verhalen nu kan het oefenen van de spelen beginnen. Weer zit er een groep met de handen in het haar. Juist, alweer de mosgroep.

“Je kunt toch geen mos spelen?” Ja, dat kan de leraar zich toch wel voorstellen. Ze mogen iets anders bedenken en na enig beraadslagen hebben ze iets veel leukers gevonden: bergbeklimmers! Triomfantelijk gaan ze naar de gang om te oefenen en komen even later terug met ijsmutsen, dassen en wanten. In het lokaal zijn inmiddels de tafels en stoelen tot drie hoogtes opgestapeld. Wanneer het spel begint, zit de adelaar al gehurkt en met gevouwen vlerken op de hoogste stoel. Na zijn afdaling beleven de klauterende bergbeklimmers menig gevaarlijk moment. Even later praat de boer gemoedelijk met zijn vrouw over hun zieke koe. Ze spreken weliswaar met zogenaamd “Drents” accent, maar à la, ze oogsten er veel gegniffel mee.

De kinderen leren wat de vier bestanddelen zijn van graniet:
Kwarts is een harde onvruchtbare stof met kristallijne vormen, in kristalgroepen gaat het waarheen het wil, al moeten andere stoffen daarvoor opzij. Kwarts is doorzichtig en heeft een heldere lichtkracht ( -vergelijk bijvoorbeeld een kroonluchter ) .

Veldspaat is een zachte, ondoorzichtige stof, in het algemeen niet kristallijn. Het voegt zich naar zijn omgeving en de letterlijke betekenis van het woord veldspaat is vruchtbare akkeraarde.

Glimmer houdt het midden tussen kwarts en veldspaat, ook in vruchtbaarheid.

Hoornblende is van buiten zwart en van binnen prachtig van kleur. Alle eigenschappen die de natuur bij de schepping heeft meegekregen, zijn ook in de mens vertegenwoordigd. Je zou kunnen zeggen dat de kwaliteiten van kwarts en veldspaat bij de mens zijn terug te vinden. Bij sommigen overheersen de kwartskwaliteiten, bij anderen de veldspaat kwaliteiten. De kinderen schrijven een stukje over hoe ze denken dat een “kwarts-mens” zou doen en hoe een “veldspaat-mens” zou doen. Zij zoeken er beroepen bij die zij bij kwarts en veldspaat vinden passen. Wanneer zij later hun teksten voor elkaar voorlezen, ontstaan er spontaan discussies. Wat de een een kwartsberoep vindt, bijvoorbeeld schoolmeester, heeft de ander bij veldspaat staan. Meestal valt voor beide meningen iets te zeggen.

Nu volgen toneelstukjes waarin een kwarts- en een veldspaatmens een rol spelen: generaal en een soldaat, een directeur en een slaafse kantoorbediende; een arrogante restaurantbezoeker en een ober, een autoritaire arts en een verpleegster. Wanneer de rollen worden omgedraaid (de kantoorbediende kwarts en de directeur veldspaat:

“Zou je alsjeblieft een kopje koffie voor mij willen halen… eh, als je daar tijd voor hebt natuurlijk!”) ontstaan de gekste situaties, die hoewel ze niet ondenkbaar zijn, toch wel op de lachspieren werken. De kinderen trekken na de gesprekken en de rollenspelen de conclusie dat de meeste mensen van beide kwaliteiten iets hebben en dus het best met glimmer vergeleken kunnen worden.
Na deze ochtend hoorde je voortdurend kreten als “Niet zo kwarts doen jij, hè!” en “Vind je mij niet veldspaat?”

Tegenover het granietgebergte wordt nu het kalkgebergte geplaatst. Kalkbergen zijn van boven kaal, daar groeit niets. Onderaan het gebergte daarentegen is de plantengroei zeer weelderig. Kalk laat al het water door, zuigt het als het ware op. Vandaar dat er niets wil groeien. Bij granietbergen gebeurt alles buiten, bij kalkbergen is het juist binnen spannend. Daarbinnen vind je grote zalen met pilaren en pegels, onderaardse gangen, rivieren en meren. De onderzoekers (speleologen) zien er heel anders uit dan de bergbeklimmers.

Zij dragen rubber duikerspakken, zuurstofcylinders en zwemvliezen en hebben sterke lantaarns bij zich. Ook hun beroep is gevaarlijk: zij kunnen blijven steken in een nauwe doorgang of ze kunnen hun pak of cylinders openscheuren aan de scherpe uitsteeksels. Wanneer de leraar vertelt over de zalen en de gangen met hun constante temperatuur, de doodse stilte bij de meren en het eeuwig echoënde watergedrup, kun je een speld in de klas horen vallen. Als verwerking van deze leerstof schrijven de kinderen een verhaal dat heet “Ik, speleoloog”. Hoe ontstaan nu de pegels en de daaronder staande pilaren?

Daar moeten de kinderen maar eens zelf over nadenken. Zij komen een heel eind in de goede richting. Het regenwater dringt door het kalk heen en komt in miljoenen druppels aan het plafond te hangen. Door de tocht verdampt een deel van het prater en het meegevoerde kalk blijft zitten., Daaraan komt weer een nieuwe druppel te hangen die verdampt en zo gaat het proces alsmaar door. Op de plaats waar de druppels op de grond terecht komen, kan in enkele duizenden jaren een pilaar ontstaan. Dat is razendsnel als je het vergelijkt met de beweging in granietgebergten. Dit gedicht schrijven de kinderen over in hun
periodeschriften:

Op het kalk

De kammen tekenen grauw.
Een gekerft gelaat ziet grijnzend neer,
geen beekje, geen dauw, geen bloemetje teer.

Alles kaal en dor,
het water gulzig opgezogen,
onder de grond een duistere zaal,
leven is naar binnen getogen.

Maar aan de voet van de bergen,
weelderig gedijt het groen,
waar duizenden dwergen
bomen en planten groeien doen.

Hier is leven, hier is vreugd.
Het kalk wil zijn zelfzucht tomen,
verschijnen in zijn deugd,
de boeren kunnen komen.

Ter afsluiting van de periode worden graniet en kalk met elkaar vergeleken. Een korte samenvatting komt in het schrift te staan.

Geert Grooteschool, ‘heemkunde’, nadere gegevens ontbreken, ‘ergens’uitL blz 80 e.v.

Dit artikel volgt op ‘Over mineralogie in de 6e klas‘ in dezelfde brochure? waaruit ook bovenstaand artikel komt. 
Het artikel moet m.i. vooral gelezen worden als een verslag van die leerkracht, met die klas. (phaw)

Ik heb een wijziging in de tekst aangebracht:
[1] De Hunnen hebben niets te maken met de hunebedden

mineralogie: alle artikelen

.

1102-1023

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (22)

.
 SCHRIFT (1)

leven O.T. 90

leven O.T. 91

leven O.T. 921, 2. Kleitafeltje gevonden bij de opgraving in Sichem
 Bij de opgraving in Sichem zijn twee spijkerschrifttafeltjes gevonden. „Hoewel klein en onaanzienlijk en bovendien lastig te ontcijferen zijn zulke inscripties voor onze kennis van het leven en denken der oude Kanaänieten in de eeuwen voor de intocht der Israëlieten van het allergrootste belang. Beide tafeltjes zijn op de voor- en achterzijde beschreven. …Het tweede (hier afgebeelde) is een zakenbrief. De toon is enigszins indringerig. De schrijver vraagt om de zending van koren en beste olie, zooals hij die drie jaar geleden ook al eens ontvangen had, en vraagt, of het zijn schuld is, dat hij geen bericht krijgt, terwijl toch ook zijn agenten reeds herhaaldelijk geschreven hebben.” (Prof. Dr F. M. Th. Böhl).

leven O.T. 933. Israëlstèle
gevonden in de ruïnes van de dodentempel van Farao Merenptha bij Thebe. Dit inschrift, in hiëroglyphenschrift, wordt Israëlstèle genoemd, omdat het de naam Israël noemt. Bovenaan ziet men in de tekening twee helften: in het midden de god Amon onder de gevleugelde zonneschijf, die de koning met de rechterhand het
sikkelzwaard reikt en in de linkerhand de schepter houdt. De koning is getooid met de krijgshelm. Achter de koning staat rechts de god Horus met valkenkop, links de godin Mut. Daaronder is het inschrift van Merenptha. Het is een lied „om alle landen tezamen te laten weten (Merenptha’s overwinning in alle landen) en de schoonheid zijner daden te tonen.” Het is gedateerd op de 3e dag van de 11e maand van het 5e jaar van Merenptha’s regering, dus omstreeks 1228 voor Christus. In dit lied beroemt de koning er zich op:

Israëls lieden zijn weinig; zijn zaad bestaat niet meer.

[Het is een fotografische reproductie; met een vergrootglas zijn de hieroglyphen goed te zien.]

leven O.T. 944. Bijl van Ras Sjamra met opschrift in alfabethisch spijkerschrift
Bij de opgravingen van Ras Sjamra in Fenicië zijn vele interessante dingen gevonden, die licht verspreid hebben over de Feniciërs in de tijd van Mozes; zo is gebleken, dat het alfabetisch schrift ouder is, dan men tot nu toe aannam. Men vond hier een alfabet van 29 letters; de ontcijfering is verrassend snel gegaan. Het schrift is eenvoudig vergeleken met het spijkerschrift.

leven O.T. 955. Samaritaansche rol
Aan de beide einden is een houten staaf, „boom des levens” genoemd, bevestigd, die onder uitloopt in een mooi bearbeide punt en bovenaan een versiering heeft (siertoren of kroon a). Om deze beide staven is de rol gewonden, zó, dat het reeds gedurende de loop van het jaar gelezene deel der rol om een staaf gewikkeld is, het nog te lezen deel om de andere. Om de wetsrol hangt een manteltje (b) van zijde of kostbare stof vervaardigd.
De Pentateuch der Samaritanen is in het Hebreeuwsch geschreven. Deze taal geldt voor hen als de heilige taal, als de taal der wet. Het letterschrift is evenwel niet het bekende kwadraatschrift, maar vertoont meer overeenkomst met de oud-Phoenicische lettertekens.
In de oudheid heeft het boek de vorm van een rol. Zo vinden wij het ook in de H. Schrift (Ezra 6:2; Psalm 40 •: 8; Jesaja 8:1; Jeremia 36; Ezech. 2 : 9; Zach. 5 : 1).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1101-1022

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (4)

.

De drie bloeddruppels in de sneeuw

Reeds eeuwen lang hebben de beelden uit het Parcivalepos de mensen geboeid. Eén speciaal beeld, dat van de bloeddruppels in de sneeuw, heeft ook schilders meermalen geïnspireerd. Geïmponeerd door de wijze waarop dit deel van het verhaal uitgewerkt is, heb ik mij afgevraagd wat zich in dit beeld onthult.

Op het ogenblik dat Parcival de Graalsburcht onvoorbereid voor het eerst betreedt, heeft hij al een heel aantal avonturen achter zich. Hij heeft zijn moeder verlaten, bij wie hij zijn jeugd doorgebracht heeft, hij heeft kennis gemaakt met het raadsel van de dood en kennis gemaakt met de ridders van het hof van Koning Arthur. Hij is daarop de wereld ingetrokken met zijn oude paard en zijn ongevaarlijke houten speer, omdat zijn moeder hem immers beschermen wilde voor ernstige avonturen. Hij raakt al spoedig in moeilijkheden verwikkeld, waarvan de eerste is de ontmoeting met Jeschute in de tent. Hij vindt hier een slapende jonkvrouw. Zijn moeder had hem verteld dat men van een jonkvrouw proberen moest een ring te ontvangen en haar daarvoor een kus moest geven. Hij trekt dus voorzichtig een ring van haar vinger, geeft haar een zoen en sluipt ongemerkt weg. Als de jonkvrouw daardoor ontwaakt, is zij zeer onthutst over hetgeen haar gebeurd is. Als haar man Orilus thuiskomt gelooft hij van haar hele verhaal niets en denkt dat zij hem ontrouw geweest is. Dit kleine avontuur is later van groot belang, zoals we zullen zien. We zouden het zo kunnen karakteriseren dat Parcival hier onschuldig schuldig is. Hij bedoelt het goed, maar richt toch onheil aan.

Daarna komt hij aan bij het hof van Koning Arthur, hij vecht met Ither, de rode ridder, die hij met meer geluk dan wijsheid doodt door zijn houten lansje door een oogspleet van het harnas naar binnen te steken en Ither zo de schedel te doorboren. Vervolgens begint zijn leertijd bij Gurnemanz, in welke tijd hij ook voor het eerst Kondwiramur, zijn toekomstige geliefde, zijn ‘minne’ ontmoet. Al deze dingen zijn hier kort weergegeven in de veronderstelling dat ze min of meer bekend zijn.

Tenslotte komt hij op zekere avond in de Graalsburcht, die zeer onverwachts voor hem opdoemt in een hoog gebergte. Hij ziet hoe zijn oom Amfortas binnengedragen wordt op een rustbed, omdat hij verwond is, hij ziet de bloedende lans die eveneens binnengedragen wordt. Daarna wordt de Graal zelf binnengedragen, tal van jonkvrouwen en ridders komen binnen, scharen zich om de Graal, hij maakt het hele ceremonieel mee, ziet hoe allen door de Graal gespijzigd worden, doch begrijpt er niets van. Dat hij niet vraagt wat dit alles betekent, is de bekende vraag die men wel de Parcivalvraag pleegt te noemen, dat wil zeggen, een vraag waar iets van afhangt, dat niet zal gebeuren als zij niet gesteld wordt.

Al deze dingen moet ik, zoals gezegd, als bekend veronderstellen. Als Koning Amfortas en de lans weggedragen worden, als alle jonkvrouwen en ridders de zaal verlaten hebben, als de Graal weggedragen is, wordt hij naar zijn eigen kamer geleid waar hij een onrustige nacht doorbrengt. In de vroege ochtend wordt hij wakker, hij vindt zijn wapenuitrusting naast zijn bed, hij kleedt zich aan, gaat naar de binnenplaats, ziet geen mens, doch wel dat zijn paard gezadeld klaar staat; hij stijgt op zijn paard, rijdt de slotbrug weer over die onmiddellijk daarna omhoog klapt, hij hoort nog een verwijtend woord dat hem nageroepen wordt, hij voelt ook heel duidelijk dat hij iets verzuimd heeft, maar hij weet eenvoudig niet wat.

Bij alle verhalen over Parcival moeten we goed begrijpen dat van zijn kant uit hij geen fout gemaakt heeft. Hij had geleerd dat het onbeleefd is om vragen te stellen; dat is een van de dingen die altijd aangehaald worden om hem te verontschuldigen. Het hele verhaal krijgt echter nog een ander aspect wanneer wij het volgende in ogenschouw gaan nemen.

Als Parcival verder rijdt, ziet hij aan de kant van de weg een jonkvrouw zitten met een dode ridder, Schionatulander, op haar schoot, die zij beweent; het is Sigune. Zij kent Parcival, spreekt hem aan, spreekt over haar eigen verwantschap met hem, zij vertelt hem over zijn moeder, enz. De hoofdzaak is dat wij het beeld, de jonkvrouw met de dode ridder op haar schoot, goed in onze herinnering moeten inprenten. Het betekent namelijk een keerpunt in Parcivals leven. Wanneer hij verder trekt komt hij Orilus en Jeschute weer tegen. Omdat Orilus nog steeds gelooft dat zijn vrouw hem ontrouw geweest is, mag zij niet naast doch slechts achter hem rijden, gehuld in bedelkleren, een beeld van schande.

Wat later komt hij op een grote besneeuwde vlakte, waarbij hij een roofvogel in de lucht ontdekt, die een gans met zich meesleurt die weliswaar weet te ontkomen, doch verwond is, zodat drie bloeddruppels op de sneeuw vallen. Als Parcival deze drie bloeddruppels ziet raakt hij helemaal in trance. Hij zit op zijn paard, staart naar het bloed op de sneeuw en vergeet alles wat om hem heen gebeurt.
Dicht in de buurt is het hof van Koning Arthur gelegen. Er zijn ridders die in de omgeving rondrijden, één van hen ontdekt Parcival, die hij kent. Hij spreekt hem aan en vermaant hem mee te gaan naar Koning Arthur, doch Parcival reageert helemaal niet. Enigszins verbaasd probeert de ridder thans Parcival min of meer uitdagend te benaderen door een soort van gevechtshouding aan te nemen. Daardoor ontwaakt Parcival een ogenblik uit zijn droomachtige toestand, hij neemt zijn lans, rent op de ander in, stoot hem uit het zadel en gaat weer naar zijn oude plaats terug, starend naar de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Om de geschiedenis niet te lang te maken is het voldoende om te zeggen dat het een andere ridder net zo vergaat, die zelfs nog ongelukkiger komt te vallen zodat hij een been en een arm breekt. Men zou kunnen zeggen dat de verontwaardiging onder de ridders van Koning Arthur steeds groter wordt, terwijl Parcival zich van alles niets aantrekt en slechts onafgebroken geheel verzonken blijft in het beeld van het bloed op de sneeuw.

Tenslotte verschijnt zijn vriend Gawan ten tonele. Hij kent Parcival goed, begrijpt wat er aan de hand is, neemt zijn mantel en bedekt daarmee de bloeddruppels. Nu pas kan Parcival ontwaken uit deze quasi hypnotische toestand, waarna hij met Gawan meegaat naar het hof van Koning Arthur.

Wat is de diepere achtergrond van deze scène met de drie bloeddruppels? Wolfram von Eschenbach geeft zelf een antwoord; hij zegt dat Parcival door deze bloeddruppels herinnerd wordt aan de blos op de koon van zijn geliefde. Hij wordt om zo te zeggen herinnerd aan zijn ‘minne’, dat wil zeggen het ideaal waarvoor hij ten strijde trekt. Ook Chréstien de Troyes geeft een soortgelijke verklaring.

Ik heb nooit helemaal begrepen hoe men bij het zien van bloed aan de kleur van de blos op iemands wangen kan denken, doch aan de andere kant komt dit beeld meer voor. Immers, bij het sprookje van Sneeuwwitje horen we ook dat haar moeder, toen zij voor het venster zat te naaien, zich in de vinger prikte en dat drie bloeddruppels op de sneeuw vielen. Bij de aanblik daarvan zegt de moeder dat ze hoopt een kind te krijgen met een huid zo wit als sneeuw en zo rood als bloed. In zoverre dekken deze twee verhalen elkaar. Doch er zijn nog meer voorbeelden van bloeddruppels die een andere taal spreken. Zo bijvoorbeeld de Ganzenhoedster, waar bloeddruppels op een wit zakdoekje gedruppeld worden door een moeder, die dit aan haar dochter meegeeft en erbij zegt: ‘bewaar het goed, je zult het op reis nodig hebben’.

Een derde voorbeeld van hetzelfde beeld is gegeven in het sprookje van ‘De drie oude mannetjes in het bos’. De overige inhoud daarvan is voor ons niet van belang. We hoeven slechts te vermelden hoe een jong meisje, in een papieren jurkje en slechts een korst brood als proviand door haar boze stiefmoeder midden in de winter, als alles besneeuwd is, het bos ingestuurd wordt om aardbeien te zoeken. Als ze bij een klein huisje komt ziet ze drie oude mannetjes uit het raam kijken, die haar vragen wat ze daar komt zoeken. ‘Ik moet van mijn moeder aardbeien zoeken in het bos’, zegt ze. ‘Maar kind’, antwoorden de drie mannetjes, ‘je kunt in de sneeuw toch geen aardbeien vinden!’. ‘Nee, dat weet ik, maar ik durf niet zonder thuis te komen’. Ze wordt daarop binnengelaten, ze mag zich warmen bij het vuur en de mannetjes vragen haar of ze iets van haar brood kunnen krijgen omdat ze honger hebben, waarop het meisje vanzelfsprekend haar brood met hen deelt. Hierop vraagt er een of ze hun nog een dienst zou willen bewijzen, waartoe ze graag bereid is. Ze geven haar een bezem en verzoeker haar de sneeuw voor de achterdeur weg te vegen. Als ze dat doet komen er van onder de sneeuw prachtige aardbeien te voorschijn.

De verdere geschiedenis hoeft, zoals reeds gezegd, niet vermeld te worden. Het gaat erom dat wij duidelijk hetzelfde beeld weer tegenkomen, een beeld dat ons onmiddellijk herinnert aan het bloed op de sneeuw.

Wij kunnen ons nu weer afvragen: wat kan dit beeld ons vertellen? Hiertoe moet men een aantal indrukken samennemen: Parcival komt uit de Graalsburcht met de vraag in zich wat dit alles te betekenen heeft. Hij ziet eerst Sigune met Schionatulander op haar schoot, dan Orilus en Jeschute. Pas daarna wordt hij geconfronteerd met het mysterie van de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Parcival staat gefascineerd naar het bloed te kijken, zo zegt men. Ik meen echter dat er nog een andere opvatting mogelijk is, die geheel nieuwe gedachten in ons kan opwekken. Wij zouden ons kunnen vragen: waar kijkt Parcival naar? Als wij dan vanzelfsprekend zeggen: naar het bloed, meen ik dat hier een eenzijdigheid dreigt. Zeker, hij ziet dat bloed, doch ik zou willen opmerken dat bloed voor Parcival niets bijzonders is. Hij heeft veel gevechten geleverd, veel mensen gedood; bloedige avonturen zijn hem overbekend. Ik ga nu zo ver door te zeggen dat Parcival in werkelijkheid niet naar het bloed kijkt. Hij kijkt naar de sneeuw, hij is verbijsterd door het licht! Om welk licht gaat het hier? – Juist dit ligt uitgedrukt in de opeenvolging der besproken beelden.

Orilus en Jeschute, een beeld van een onschuldige schuld, een beeld van de zondeval tengevolge van een verleiding waar de mens nog niet tegen bestand was.
Rudolf Steiner gebruikte eens de uitdrukking: ‘Von Anderen erschuldete Selbstheit Schuld’ om de zondeval te karakteriseren, wijzende op de bijzondere verhouding tussen mens en Lucifer. – Eerder had Parcival Sigune en Schionatulander ontmoet, waarin wij het beeld der ‘Piëta’, Maria met de Christus op haar schoot, kunnen herkennen. Michelangelo heeft dit in zijn plastiek – in de Sint Pieters Kerk in Rome — wel onnavolgbaar schoon uitgebeeld.

Daarna krijgen wij de scène met de bloeddruppels, waarvan ik zei dat het licht hetgene is wat Parcival zo fascineert. Voor mij betekent dit niets anders dan dat Parcival voor het eerst gewaar wordt dat het bloed veranderd is, dat wil zeggen dat het bloed niet meer het bloed is wat wij kennen uit de begrippen: bloedig, bloedwraak, bloedschande, enzovoort. Het bloed is veranderd sinds het Mysterie van Golgotha en op het ogenblik dat Parcival de bloeddruppels in de sneeuw ziet wordt hij er zich voor het eerst van bewust dat dit gebeuren een totale omwenteling betekent in de menselijke evolutie. Wat er gebeurd is op Golgotha is een ‘tegengebaar’ ten opzichte van de zondeval. Vandaar de opeenvolging van de beelden: Sigune-Schionatulander en Orilus-Jeschute.

Men zou nu zeggen dat het begrijpelijk wordt dat Parcival niet vraagt naar de dingen die hij in de Graalsburcht ziet. De verwonde Amfortas, de bloedende lans, het zijn alle beelden die hem volstrekt geen verwondering inboezemen, zij behoren tot zijn dagelijkse ervaring. – Van de Graal kan gezegd worden dat hij daar inderdaad niets van kent of begrijpt, doch wij hebben reeds gezien dat vragen daarnaar voor hem een ongepastheid geweest zou zijn. Van een werkelijke achtergrond bevroedt hij nog niets.

Is het niet wonderbaarlijk dat zich direct daarna de hele reeks gebeurtenissen afwikkelt die tot het dramatische hoogtepunt van het gebeuren op het sneeuwveld leiden?

Doch het wordt nog onthullender wanneer wij de sprookjesachtige beelden die daarna besproken zijn nog eens duidelijk beschouwen. Bloeddruppels in de sneeuw bij Parcival drukken uit dat iets nieuws, een lichtkracht zich met het bloed verbonden heeft. Dezelfde bloeddruppels in het verhaal van Sneeuwwitje worden in verband gebracht met een toekomstige geboorte in de mens. De bloeddruppels op het witte lapje in het sprookje van de Ganzenhoedster betekenen een hulp in de nood waarin de mens dreigt te gaan verkeren. Het rode op het witte in het sprookje van de Drie Mannetjes wijst op een eigenschap van goedheid en bescheidenheid die in de mens leeft.

Zo ontstaat langzamerhand een geheel, een geheel waarbij meer en meer naar voren komt wat zich in de loop der tijden met de menselijke ontwikkeling met ieder mens verbonden heeft, wat in ieder mens te vinden is als een nieuw begin, als een keerpunt in zijn verhouding tot de geestelijke wereld. Het beeld van Sigune met Schionatulander richt de geest van Parcival op het gebeuren op Golgotha, op het moment in de aarde-ontwikkeling waar het Christuswezen zich met de mensheid, dit wil zeggen ook met ieder mens op aarde, verbond. Sindsdien is het bloed veranderd.

In het bloed hebben we met een wonderbaarlijke substantie te maken. In Goethe’s ‘Faust’ zegt Mephistofeles, op het ogenblik dat Faust het verdrag van hem met zijn bloed zal ondertekenen: ‘Blut ist ein ganz besonderer Saft’. Mephistofeles maakt hiermede om zo te zeggen aanspraak op het bloed. De besproken beelden uit het Parcivalepos onthullen dat voor iemand wiens aandacht daarvoor gewekt is, een nieuw element — zij het voorlopig nog verborgen – in het bloed leeft.

Pas wanneer de mensheid zich bewust gaat worden van wat er in dit bloed veranderd is door het Mysterie van Golgotha, kan zij de weg ‘omhoog’ weer terug vinden.
Rudolf Steiner heeft hierover een aantal voordrachten gehouden die samengevat zijn onder de titel: ‘Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes’.*) Het is hier niet mogelijk daar verder op in te gaan, doch het komt er op neer dat het rode bloed de uitdrukking is van de menselijke begeerten en hartstochten, zoals ook in de meditatie van het Rozenkruis in ‘Geheimwissenschaft im Umriss’ **beschreven wordt. Door de komst van de Christus verschijnt ‘licht in de duisternis’, wordt het bloed doordrongen met een nieuwe impuls, die het begin van een opstanding betekent. De indruk die Parcival heeft van het sneeuwveld en het bloed kan ook op deze manier gezien worden.
.

L. F. C. Mees, in een mededelingenblad van de antroposofische ver. in Nederland, jaartal onbekend (maart 1981?)

.

*GA 134 – Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes. Hannover 1911/12.
**GA 13
vertaald

.

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1100-1021

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – mineralogie (4)

.

Over mineralogie in de zesde klas

De mineralogie behandelen we vanuit het geheel der aarde. Voordat we met de afzonderlijke mineralen beginnen, kijken we eerst naar de gesteenten waarin ze voorkomen. Als uitgangspunt kunnen we twee gebergten nemen,- de Alpen, een granietgebergte en de Dolomieten een kalkgebergte.

De Alpen vormen het grootste gebergte van Europa. De vormen zijn glooiend. Het is een oerwoudgebergte, massief en sterk. Water dringt er niet doorheen. Vanaf grote hoogtes baant het gesmolten ijswater zich een weg naar een lagergelegen dal: beekjes, watervallen en meren ontstaan. Groen zijn de bergen en dalen, uiterst geschikt om koeien te laten grazen. De hoogst gelegen gebieden zijn bedekt met ijs en sneeuw. De bloemen tussen het groen zijn felgekleurd: gentianen, alpenroosjes en alpenviooltjes groeien in overvloed. Zomers is het in de lagergelegen berggebieden, waar we weiden, akkerland en bos vinden, aangenaam warm , terwijl het in het hooggebergte heel koud is. ’s Winters is dat juist andersom, dan is het boven warmer. Het gebergte wordt gevormd door graniet.

Als het kind zich de omgeving van het granietgebergte goed kan voorstellen, kijken we naar de mineralen die daarin verborgen zijn. We beginnen met de eenvoudige: kwarts, glimmer, veldspaat en hoornblende. Welke vorm en kleur hebben ze, hoe kunnen we ze herkennen. Over het gebruik van mineralen is heel veel te vertellen.

Nu beschrijven we de Dolomieten. De bergen rijzen dof en dreigend op, met grillige vormen. De kalk waaruit zij bestaan is zacht en poreus. Weer en wind werken er naar hartelust op in. Het gebergte is waterdoorlatend…. regenwater dringt door tot de diepte. Het gevolg daarvan is, dat de bergen vrijwel kaal zijn en slechts voedsel bieden aan gemsen en dwerggeiten.
Aan de voet zijn de bergen rijk begroeid. Binnen in het gebergte bevinden zich indrukwekkende grotten en ondergrondse gangen. Door de eeuwen heen zijn ze gevormd, een proces dat nog altijd doorgaat. Pilaren op de grond, pegels aan het plafond vallende druppels banen zich een  weg door de kalklaag heen, opgeloste mineralen met zich meedragend. In het binnenste van de berg is alles in beweging. Kalk en graniet vormen tegenstellingen. Dichter bij huis komen we ook kalk en graniet tegen. Grote brokken graniet vinden we in het oosten van Nederland. Van oorsprong horen ze daar niet. Ze voeren ons terug naar langvervlogen tijden.

De leerkracht vertelt de kinderen daarover en ook wat de mensen met de stenen gedaan hebben. Aan onze kust vinden we zand en schelpen. De schelpen, die uit kalksteen bestaan, dienen als skelet voor de weekdieren. Vele vormen komen er voor: langwerpige, kleine, grote, geribbelde, gekartelde, en gladde. Dan het zand…. kleine kwartskristalletjes glinsteren, als een overblijfsel van het graniet. Onder de loupe genomen zijn ze nog beter te zien. In Limburg vinden we witte kalksteen: de mensen hieuwen er grotten in. Als bouwstenen, voor de bereiding van mortel en als bemesting in de akkerbouw maken de mensen veelvuldig gebruik van kalk. Dat in zo’n periode veel geschilderd en getekend wordt en dat gesteenten, ook halfedelstenen zoals amethyst, rozenkwarts en toermelijn in de klas zijn, behoeft wel geen betoog.

Geert Grooteschool, ‘heemkunde’, nadere gegevens ontbreken

.

mineralogie: alle artikelen

Alpen:

berglandschap Alpen

Dolomieten:

berglandschap Dolomiten

1099-1020

.

.