Tagarchief: kunstonderwijs klas 9

VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Günther Oling, Dornach

.

Kunstonderwijs in de negende klas
.

Elk vak past op organische wijze in het totale leerplan. Er komen specifieke thema’s aan bod – passend bij de leeftijd van de leerlingen – die niet willekeurig, maar op weloverwogen momenten in de klas worden geïntroduceerd. De leerlingen worden aangemoedigd zich met deze stof bezig te houden, zodat de aangeboden inhoud werkelijk kan doorwerken. Al in de jongste klassen hebben kinderen zich beziggehouden met boetseren en zich op speelse wijze ondergedompeld in het beeldhouwkundige element. Ook bij het schilderen hebben ze zich kunnen overgeven aan het levendige scheppen van kleurharmonieën. Het is verbazingwekkend hoe onbevangen jonge kinderen vaak werk maken dat een vitaliteit bezit die een kunstenaar soms pas na jarenlange scholing bereikt. Dit is vaak het duidelijkst zichtbaar bij kinderen jonger dan zeven jaar. Het gaat hierbij niet om figuratieve weergave, maar om de handeling van het puur beeldhouwkundig vormgeven en de ervaring van het leven in de kleur. Naarmate de jaren verstrijken, vervagen deze aangeboren vermogens. Jongeren moeten zich steeds meer inspannen om bewust terug te winnen wat ooit onbewust in hen leefde. Dit is vaak een lang en moeizaam proces, dat alleen door voortdurende oefening kan slagen. Zo kan een leerkracht bij geschiedenisles in de vijfde klas oude culturen nog op een zeer elementaire wijze benaderen. Voortbouwend op artistieke ervaringen roept de leerkracht beelden op die de kinderen vervolgens omzetten in kleurrijke composities of opnieuw tot leven brengen in schriftelijke opstellen. Ook hier leidt het potentieel van deze leeftijdsgroep tot werk van een aard die later niet meer te evenaren is. Dit vermogen om te putten uit de krachten van de kindertijd neemt geleidelijk af naarmate men ouder wordt. We moeten het element dat in het jonge kind aanwezig is, meenemen naar de oudere leeftijdsgroepen, zodat jongeren kunnen leren die levende stroom bewust te vatten.

Wanneer in de negende klas met beeldhouwen wordt begonnen, moeten we de puur beeldhouwkundige kwaliteit gaan cultiveren en naar voren halen. De vorm moet voortkomen uit een vlak dat in beweging is gebracht. Er kunnen oefeningen worden gedaan die voortkomen uit het element van pure, plastische beweging – waarbij nooit het stadium van de naturalistische vorm wordt bereikt, maar het bij eenvoudige bewegingsstudies blijft. Later kan het werk zich uitbreiden naar het vormgeven van dier- en mensfiguren. Op deze manier werken de leerlingen vanuit een totaal ander uitgangspunt dan wanneer ze direct met naturalistische vormen zouden beginnen. Wanneer we ons in de negende klas met dergelijke wordingsprocessen bezighouden, is ook het moment aangebroken om kunstgeschiedenis in het curriculum voor deze leeftijdsgroep op te nemen. De term “kunstgeschiedenis” zou hier niet van toepassing zijn, aangezien dit gehele vakgebied zo moet worden opgezet dat de bovengenoemde elementen de boventoon voeren; wat doorgaans als ‘geschiedenis’ wordt aangeduid, speelt slechts een ondergeschikte rol. De te behandelen stof is omvangrijk. Het vrijeschoolleerplan van Rudolf Steiner stelt voor om een ​​overzicht te bieden. Als een school niet over een twaalfde klas beschikt, is men genoodzaakt een compromis te sluiten door de studie van beeldende kunst en architectuur in de negende klas te combineren. Het leerplan voorziet erin de nadruk in de twaalfde klas op architectuur te leggen en in de negende op beeldende kunst. Hierdoor kunnen de verschillende aspecten die de menselijke ontwikkeling bevorderen, diepgaander en gedetailleerder worden behandeld. Bovendien kan de studie van architectuur zo worden gekoppeld aan een leeftijd die bij de leerstof past.

We kunnen de lessen zo vormgeven dat de beelden die in de vijfde klas—toen oude culturen werden besproken—indruk maakten, opnieuw tot leven komen, zonder dat de kinderen er expliciet aan herinnerd hoeven te worden. In deze nieuwe fase ontstaan ​​beelden die thema’s die eerder al aan de orde kwamen, vanuit een fris perspectief belichten.

Uiteraard is het onmogelijk om in dit kader een volledig beeld te schetsen van het verloop van een dergelijke periode—die bovendien doordrenkt moet zijn van artistieke activiteit. Enkele beschrijvingen kunnen echter de essentiële punten verduidelijken. Op deze leeftijd worden bepaalde zaken misschien nog niet intellectueel doorgrond, maar oefenen ze wel invloed uit op de zich ontwikkelende mens.

Bij het bekijken van Egyptische kunst zien we menselijke figuren naast godheden die weliswaar een menselijk lichaam hebben, maar een dierenkop. De oude Egyptenaar leefde in een toestand waarin de goden zich openbaarden in een vorm die bij zijn aard paste. Net als het dierenrijk stond hij enigszins los van de alledaagse wereld en ontving hij leiding vanuit het goddelijke rijk. Toch verschijnt er ook een figuur die bestaat uit een dierenlichaam met een menselijk gezicht: de sfinx. Deze sfinxfiguren zijn bijzonder indrukwekkend wanneer ze de weg naar de tempelingang flankeren. De Egyptenaren liepen in processie over deze sfinxenlaan naar de tempel toe. Ze zagen de torenhoge obelisken die naar de hemel reikten en de massale pylonen, met daartussen de ingang—een smalle doorgang waar ze doorheen stapten. Binnen wachtten de imposante zuilen. Wanneer we ons zo’n processie voor de geest halen—waarbij de priester het volk naar de tempel leidt—begrijpen we de strikt afgemeten tred van de Egyptenaren, zoals die in hun kunst wordt weergegeven. Men zou dit een statisch, architectonisch element kunnen noemen. De omgeving werkt in op het individu en vormt het.

In Griekenland treffen we een totaal ander karakter aan – een opvallend contrast. Ook hier zijn er processies, maar die hebben een veel ontspannener karakter. Wanneer de Egyptenaar over de Sfinxenallee liep, keek hij uit op een ondoordringbare gevel van torenhoge architectuur. Binnen in de tempel stonden de zuilen, en helemaal achterin bevond zich het allerheiligste – een ruimte die alleen door de priester mocht worden betreden. —

In Griekenland is de opzet omgekeerd. De zuilen die het dak dragen, staan ​​aan de buitenzijde en omsluiten de ‘cella’, waarin het cultusbeeld staat opgesteld. Het altaar bevindt zich in de openlucht en is voor iedereen zichtbaar. Laten we in dit verband kijken naar het westelijke fronton van de Tempel van Zeus in Olympia. Het toont de strijd tussen de Lapithen en de Centauren – een scène vol intense dramatiek. De Centauren – wezens met het lichaam van een paard en een menselijk bovenlichaam – vechten met brute kracht. Toch weten de Grieken, met hun nobele houding, hen te overwinnen. Boven het strijdgewoel uit torent de god Apollo.

Een ander aspect vinden we bij het Parthenon op de Akropolis van Athene: een fries van ruiters in reliëf. De paarden maken lichte sprongen; de ruiter vormt één geheel met zijn rijdier, maar blijft er toch van onderscheiden en heeft het dier volledig onder controle. De Wagenmenner van Delphi staat zo recht als een zuil; zijn blik is op het doel gericht terwijl hij de paarden met de teugels bestuurt; zijn houding straalt rust en beheersing uit. — Terug op de Akropolis: de kariatiden van het Erechtheion, die fier overeind staan ​​en gezamenlijk het dak van de Zuilengang van de Maagden dragen. — In tegenstelling tot de soberheid van de Egyptische kunst, stralen deze werken beweging en vitaliteit uit.

Om het motief dat centraal staat in onze bespreking te verduidelijken, richten we onze aandacht op een verschijnsel in de christelijke kunst. Hier verschijnen de wezens – adelaar, leeuw, stier en engel, die we ook bij de sfinx zagen – in verband met de evangelisten. Johannes wordt afgebeeld als adelaar, Lucas als stier, Marcus wordt vertegenwoordigd door een leeuw en Mattheüs door een engel; ze worden alle afgebeeld met grote vleugels in een kosmische omgeving, zoals te zien is in de basiliek Sant’Apollinare in Classe. Op andere afbeeldingen zien we de evangelisten met de wezens op de achtergrond – Mattheüs met de engel. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden bij het Gallusportaal van de Munster van Bazel. In de loop van de artistieke evolutie laten de afbeeldingen zien hoe de menselijke figuur zich steeds meer losmaakt van de verbinding met het dier. In de christelijke kunst vertegenwoordigen de apocalyptische wezens iets dat lijkt op een omkering van wat in eerdere tijden te zien was.

Een ander perspectief komt naar voren door de aan elkaar tegengestelde  zuidelijke en noordelijke artistieke traditie. Want pas door de wisselwerking tussen deze tegengestelde krachten ontstaat een geheel. Het is daarom de moeite waard om kunstwerken van diverse kunstenaars uit deze contrasterende sferen te bestuderen. In het werk van de schilder Cimabue – of ook dat van zijn leerling Duccio – bezitten de figuren een zekere onpersoonlijke kwaliteit. Alles is verheven boven het louter menselijke; dit staat in contrast met noordelijke kunstwerken, die een krachtig spiritueel element en een persoonlijke, individuele uitdrukkingskracht vertonen.

Een voorbeeld van zuidelijke artistieke scheppingskracht is het reliëf ‘De aanbidding der wijzen’ van Pisano, dat zich op de kansel van het Baptisterium in Pisa bevindt:

De figuren hebben een algemeen karakter; ze missen de uitgesproken individualiteit die bijvoorbeeld te zien is in de beeldhouwwerken van de Dom van Bamberg – werken die in dezelfde periode ontstonden en een treffend voorbeeld vormen van de noordelijke artistieke traditie. Daar draagt ​​elke figuur een uniek spiritueel stempel; dit onderscheid is ook zichtbaar in de weergave van de gewaden.

Als we de evolutie van de kunst volgen – van Cimabue in de schilderkunst en Pisano in de beeldhouwkunst tot aan Leonardo da Vinci, Michelangelo en Rafaël enerzijds, en van Bernward van Hildesheim en Konrad von Soest tot Dürer, Grünewald en Holbein in het noorden anderzijds – beginnen we te begrijpen hoe deze tegengestelde krachten werken en hoe ze in elkaar grijpen.

Dit komt bijzonder duidelijk naar voren in het werk van Rafaël. Hij schilderde zelden scènes uit het lijden van Christus; zijn ‘Graflegging’ bezit een harmonieuze schoonheid die scherp contrasteert met de ‘Kruisiging’ van Grünewald in het Isenheimer altaarstuk in Colmar. In dat laatste werk wordt de gebeurtenis met schokkend realisme weergegeven. Gezien de artistieke perfectie kun je het werk niet lelijk noemen, en toch belichaamt het de noordelijke kunst in tegenstelling tot de zuidelijke schoonheid.

Rafael: Graflegging:

Grünewald: Isenheimer Altar:

 

Op dit kruisigingspaneel manifesteren de tegengestelde krachten zich binnen één beeld: aan weerszijden van de gekruisigde figuur staan ​​de heiligen Sebastiaan en Antonius. Een in extase verkerende Sebastiaan staat voor een ronde zuil, zijn blik naar de hemel gericht; hij lijkt zich van niets bewust en voelt ogenschijnlijk niet hoe de pijlen zijn lichaam doorboren. Achter hem is een venster zichtbaar dat twee engelen toont die een krans dragen. — Aan de linkerzijde staat Antonius voor een vierkante zuil. Hij lijkt diep in gedachten verzonken. Achter hem bevindt zich een raam van kleine glasruitjes met een centrale verdikking (zogenaamde ‘oogjes’), dat de duivel aan het verbrijzelen is. Deze contrasterende figuren flankeren Christus, die met gespreide armen staat en zijn evenwicht bewaart als een weegschaal.

De tegenstellingen waaraan de mens blootstaat – en die in evenwicht moeten worden gebracht – worden hier als centraal motief geschetst. Kunstenaars door de eeuwen heen hebben zich met dit thema beziggehouden. Het komt bijzonder tot uiting in de behandeling van licht en donker in de schilderkunst – elementen die we in een grote verscheidenheid aan nuances en gradaties tegenkomen. Ook leerlingen moeten zich telkens weer met deze tegenstellingen verhouden: bij het schilderen met warme en koele kleuren; bij het vormgeven – zoals in vlakvormgeving, waar het samenspel van positieve en negatieve ruimte een gevoel van lichtheid creëert; of in de euritmie, door bewegingen van samentrekken en uitspreiden, dan wel het contrast tussen majeur en mineur. Leerlingen die zich met deze elementen verbinden, zullen een weg vinden om aansluiting te vinden bij de bovengenoemde begrippen.

Dit bereidt ons voor om onze verkenning af te ronden met een blik op de grote meester van licht en donker: Rembrandt. Aan de hand van zijn schilderijen kunnen we zien hoe een levende vorm ontstaat uit de wisselwerking tussen licht en donker. Niets kan voortkomen uit louter licht of louter donker. Juist door hun verweving – in de verdeling van licht en donker – ontstaat een derde element: het kunstwerk zelf. Rembrandt heeft dit op volmaakte wijze bereikt.

Vanuit dit perspectief kunnen we onze blik op het heden richten en kijken naar het houten beeldhouwwerk van Rudolf Steiner, dat zich in het Goetheanum in Dornach bevindt. Hier worden de tegengestelde krachten van licht en donker in hun wezenlijke aard weergegeven; ze werken op elkaar in als levende entiteiten. De ‘Representant van de Mensheid’ – rechtop schrijdend en evenwicht scheppend – treedt in hun midden als degene die hen overwint. Lucifer stort zich in de diepte, terwijl Ahriman gebonden in een grot ligt. Dit motief komt ook in kleur tot uitdrukking in het schilderij ‘Licht en Donker’: het blauw-violet contrasteert met het geel-rood, terwijl het groen in het midden het evenwicht vormt. De mens wordt voortdurend opgeroepen zich tot deze tegenstellingen te verhouden. Zijn taak is het vinden van het evenwicht tussen tegengestelde krachten.

Steiner Mensheidsrepresentant:

Het kan ons doel zijn om jongeren – door hen te confronteren met grote kunstwerken – binnen te leiden in de stroom van artistieke schepping; een stroom waarin kunstenaars datgene hebben gelegd wat altijd een vormende invloed op de mensheid heeft gehad en wat ook harmoniserend werkt op opgroeiende leerlingen, door hen richtinggevende krachten aan te reiken.

(Illustraties door mij toegevoegd)

.
9e klas: alle artikelen

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3565-3349

.

.

.

.