Tagarchief: aandacht

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 55

.

HET FYSIEKE LICHAAM

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis. ‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is. Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen. Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept. In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.   

In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven. Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten. n zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens. Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren.  Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd. Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan dat wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft.  Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt.  Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

.

GA 55

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu

Blz. 46

Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906

Blut ist ein ganz besonderer Saft

Bloed is een heel bijzondere vloeistof

Blz. 46

In der geisteswissenschaftlichen Weltanschauung sehen wir, daß der Mensch, insofern er uns in der Außenwelt für unsere Sinne entgegentritt, insofern er Form und Gestalt ist, nur einen Teil der menschlichen Wesenheit ausmacht, und daß sogar hinter dem physischen Leibe viele andere Wesenheiten sind. Diesen physischen Leib hat der Mensch mit allen um ihn herumliegenden mineralischen, sogenannten leblosen Dingen gemeinschaftlich.

In de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing zien we dat de mens, voor zover hij ons in de buitenwereld tegemoet treedt, in zoverre hij vorm en gestalte is, slechts een deel van het menselijk wezen uitmaakt en dat er zelfs achter het fysieke lichaam vele andere wezens staan. Dit fysieke lichaam heeft de mens samen met alle minerale, zogenaamde levenloze dingen die zich om hem heen bevinden. 
GA 55/46
Vertaald 

Blz. 50 

Nehmen Sie zunächst dasjenige, was sich im Menschen zu seinem physischen Leib kristallisiert. Er hat es gemeinschaftlich mit der sogenannten leblosen Natur. Wenn wir geisteswissenschaftlich sprechen von diesem physischen Leib, dann sprechen wir gar nicht einmal von dem, was das Auge sieht, sondern von dem Zusammenhang von Kräften, die den physischen Leib konstruiert haben, von dem, was als Kraftnatur hinter dem physischen Leibe steht.

Neem nu eerst eens wat in de mens kristalliseert tot zijn fysieke lichaam. Dat heeft hij gemeenschappelijk met de zogenaamde levenloze natuur. Wanneer we geesteswetenschappelijk spreken van dit fysieke lichaam, dan spreken we nog helemaal niet over wat het oog ziet, maar over de samenhang van krachten die het fysieke lichaam hebben gebouwd, over wat als krachtnatuur achter dit fysieke lichaam staat.
GA 55/50
Niet vertaald

Voordracht 3 Berlijn, 8 oktober 1906

Der Ursprung des Leides

Blz. 73

Das, was wir mit Augen sehen, mit den Sinnen äußerlich wahrnehmen können, das, was der Materialismus als das einzige Wesen der Natur betrachtet, ist der Geistesforschung nichts anderes als das erste Glied der menschlichen Wesenheit: der physische Leib. Wir wissen, daß dieser in bezug auf seine Stoffe und Gesetze dem Menschen mit der ganzen übrigen leblosen Welt gemeinsam ist.

De oorsprong van het lijden

Wat we met onze ogen zien, met onze zintuigen uiterlijk kunnen waarnemen, wat het materialisme als het enige in de natuur bekijkt, is voor het onderzoek van de geest niets anders dan het eerste deel van het wezen mens: het fysieke lichaam. We weten dat de mens wat betreft zijn stoffen en wetten dit gemeenschappelijk heeft met de hele overige levenloze wereld. 
GA 55/73 
Niet vertaald

Voordracht 5, Berlijn 13 december 1906

Wie begreift man Krankheit und Tod?

Hoe kan je ziekte en dood begrijpen?

Blz. 104-105

Erstens haben wir den äußerlich sichtbaren physischen Körper () wir müssen uns klar sein, daß im physischen Leibe dieselben Kräfte und Stoffe vorhanden sind wie in der physischen Welt draußen.

Ten eerste hebben we het fysieke lichaam dat uiterlijk waarneembaar is ( ) we moeten goed in de gaten hebben dat in het fysieke lichaam dezelfde krachten en stoffen aanwezig zijn als in de fysieke wereld buiten ons.

Blz. 105/106

Der Mensch besteht für die Geisteswissenschaft physisch erst einmal aus Knochen, Muskeln, denjenigen Organen, die den Menschen stützen, ihn zu einem festen, auf der Erde gehenden Gebilde machen; diese allein rechnet man im strengsten Sinn der Geisteswissenschaft zu dem durch das physische Prinzip zustande gekommenen Teil der Organe. Dazu kommen noch die eigentlichen Sinnesorgane; dabei haben wir es mit physikalischen Apparaten zu tun; beim Auge mit einer Art camera obscura, beim Ohr mit einem sehr komplizierten Musikinstrument. Es kommt nun darauf an, woraus diese Organe gebaut sind. Sie sind von dem ersten Prinzip gebaut.

De mens bestaat voor de geesteswetenschap allereerst uit botten, spieren, de organen die de mens steun geven, hem tot een stevig bouwwerk maken dat over de aarde gaan kan; dit alleen rekent de geesteswetenschap in de meest stringente zin tot dat deel van de organen die door het fysieke principe tot stand zijn gekomen. Daarbij komen dan nog de eigenlijke zintuigorganen; daarbij hebben we te maken met fysieke apparaten; bij het oog hebben we te maken met een soort camera obscura, bij het oor met een zeer gecompliceerd muziekinstrument. Het gaat er bij ons nu om waaruit deze organen zijn opgebouwd. Ze zijn door het eerste principe gebouwd.

Uit de context blijkt het ‘eerste principe’ het fysieke lichaam te zijn.

Nur der gesetzmäßige Aufbau wird vom physischen Prinzip besorgt ( )

Alleen de wetmatige opbouw wordt door het fysieke principe geleverd.

)  die Arbeit des physischen Prinzips im menschlichen Organismus wird geleistet in der
Epoche von der Geburt bis zum Zahnwechsel. Da arbeitet das physische Prinzip am physischen Leibe so, wie die Kräfte und Stoffe des mütterlichen Organismus am Kindeskeim arbeiten, bevor das Kind geboren ist.

De activiteit van het fysieke principe in het menselijk organisme wordt uitgevoerd in de periode vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling. Nu werkt het fysieke principe aan het fysieke lichaam zo, als de krachten en stoffen van het organisme van de moeder aan de kiem van het kind werken voor het geboren is.

Haben wir einen Menschen bis zum siebenten Jahr vor uns, so arbeitet das physische Prinzip frei im physischen Leib ( )

Wanneer we een mens voor ons hebben tot het zevende jaar, dan werkt het fysieke principe vrij in het fysieke lichaam ( )
GA55/104-106
Niet vertaald
Meer daarover in Rudolf Steiner over tandenwisseling
.

In GA 55 is als 6e voordracht afgedrukt:

Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie

In GA 55 staat dat de voordracht gehouden is in Keulen op 1 december 1906, i.p.v. in Berlijn op 10 januari 1907. 

In GA 34 ‘Verzamelde essays’ schreef Rudolf Steiner in 1907 een artikel met dezelfde titel. Maar met andere woorden. Daarbij wordt in de voetnoten aangetekend:

Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft: Der Aufsatz ist hier in der Form wiedergegeben, wie er 1918 auf Weisung Rudolf Steiners herausgegeben worden ist (4. Auflage der Einzelausgabe, Berlin 1918). Statt der Worte «Anthroposophie oder Geisteswissenschafter», «anthroposophisch», «Anthroposophie oder Geisteswissenschaft» stand in«Lucifer – Gnosis»: «Theosoph», «theosophisch», «Theosophie».

‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’ – dit is de titel van de eerste vertaling van dit artikel: het artikel is hier (GA 34) in de vorm weergegeven zoals deze in 1918 op aangeven van Rudolf Steiner uitgegeven is (4e druk van de losse uitgave, Berlijn 1918. I.p.v. de woorden ‘antroposofie of geesteswetenschapper, antroposofisch, geesteswetenschap’ stond er in ‘Lucifer-Gnosis (het tijdschrift) theosoof, theosofisch, theosofie’.

Deze voordracht 6 uit GA 55 is op deze blog vertaald

De opmerkingen in GA 34 over het fysieke lichaam.

GA 55

voordracht 7 Berlin, 24. januari 1907

              Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft 

Blz. 133

Mit der physischen Geburt wird nur der physische Leib frei;

Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

Met de fysieke geboorte komt alleen het fysieke lichaam vrij; 
GA 55/133
Op deze blog vertaald /133

Voordracht 8. Berlijn, 31 januari 1907

                   Der Irrsinn vom Standpunkt der Geisteswissenschaft

 *Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.

Blz. 142/143

Wir unterscheiden folgende physische Teile am Menschen, ( ) erstens rein Physisches, was nach rein physischen Gesetzen gebaut ist, vor allem die Sinnesorgane ( )

Waanzin* vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

We onderscheiden de volgende fysieke delen aan de mens, als eerste puur fysiek wat volgens puur fysieke wetten gebouwd is, met name de zintuigorganen ( ) 

Alles Physische ist den Gesetzen der physischen Vererbung unterworfen, aber ebenso die Fortpflanzungsorgane, Nervensystem und Blutzirkulation. Mit diesem physischen Leib muß sich die Individualität vereinigen.

Al het fysieke is onderworpen aan de fysieke erfelijkheid, maar dat geldt ook voor de voortplantingsorganen, het zenuwsysteem en de bloedsomloop. Met dit fysieke lichaam moet de individualiteit een eenheid gaan vormen.
GA 55/142
Niet vertaald  

Blz. 145

Wir wollen uns nun daran erinnern, daß der Mensch mehr als einmal geboren wird. Zuerst physisch.

We willen er nog even aan herinneren dat de mens meer dan één keer* geboren wordt. Allereerst fysiek.
GA 55/145  
Niet vertaald
*bedoeld wordt binnen het aardse leven.

Voordracht 10, Berlijn 28 februari 1907

Der Lebenslauf des Menschen vom geisteswissenschaftlichen Standpunkt

Blz. 163

Beginnen wir bei des Menschen Geburt. Wir haben schon davon gesprochen, daß bei der physischen Geburt eigentlich erst sein physischer Leib völlig geboren wird, der bis dahin von der physischen Mutterhülle umgeben wurde. Da haben sich alle Organe nur dadurch entwickelt, daß der Mensch bis zur physischen Geburt gegen alle Seiten hin geschützt
ist. Und nun ist es, wie wenn der Mensch die physische Mutterhülle zurückstößt und sein physischer Leib jetzt allein erst den Wirkungen der physischen Elemente ausgesetzt ist.

De levensloop van de mens vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

We beginnen met de geboorte van de mens. We hebben er al over gesproken dat met de fysieke geboorte zijn fysieke lichaam eigenlijk pas volledig wordt geboren; tot die tijd werd het door de fysieke omhulling van de moeder omgeven. De organen hebben zich alleen kunnen ontwikkelen, doordat de mens tot aan zijn fysieke geboorte van alle kanten beschermd is. En nu ziet het er zo uit alsof de mens het fysieke moederomhulsel van zich afstoot en zijn fysieke lichaam nu voor het eerst alleen onder invloed komt te staan van de werkingen van de fysieke elementen. 

Blz. 164

Wir müssen uns klarmachen, daß in den ersten sieben Jahren des Lebens nur jene Essenz, die wir die Essenz des physischen Leibes nannten, vollständig frei wirkt, daß sie die physische Form gibt; sie leitet die physische Struktur ein. Die Organe wachsen in der Außenwelt heran, so daß sie ihre Form, ihre Anlage haben und nur noch weiterwachsen brauchen. Wir müssen daher alles in seine Umgebung bringen, was die Struktur des physischen Leibes in der allerbesten Weise entfalten kann. Dafür konnten wir zwei Zauberworte anführen: Nachahmung und Beispiel oder Vorbild. Alles, was um das Kind herum ist, wird von ihm nachgeahmt, und diese Nachahmung lockt die inneren Organe zu ihrer Form. Wenn auch das Gehirn mit dem siebenten Jahre noch sehr unvollkommen ist, die Richtung hat es doch erhalten, und was ihm bis dahin vorenthalten ist, kann es später nicht mehr nachholen.

We moeten duidelijk weten dat in de eerste even jaar van het leven alleen die essentie die wij de essentie van het fysieke lichaam noemden, volledig vrij werkzaam is, dat deze de fysieke vorm geeft; die leidt de fysieke structuur in. De organen groeien door de buitenwereld, zodat deze hun vorm, hun aanleg krijgen en alleen nog verder hoeven te groeien. Daarom moeten we alles in zijn omgeving brengen wat de structuur van het fysieke lichaam op de allerbeste manier kan doen ontplooien.
Hiervoor hebben we twee magische woorden gebruikt: nabootsing en voorbeeld. Alles wat in de omgeving van het kind is, wordt door hem nagebootst en deze nabootsing ontlokt de vorm aan de inwendige organen. Ook al zijn de hersenen rond het zevende jaar nog zeer onontwikkeld, de richting waarin het gaat is al wel bepaald en wat hem tot dan toe onthouden is, kan later niet meer worden ingehaald. 
GA 55/163 
Niet vertaald

Door het hersenonderzoek kunnen steeds meer interessante gezichtspunten worden gegeven over wat er eigenlijk in ons brein gebeurt.
Soms is dat schokkend:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier:

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.

Vanuit een ander gezichtspunt kwam dit al eens aan de orde: Aandacht

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het fysieke lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2923-2742

.

.

.

VRIJESCHOOL – Aandacht

.
Als je in de klas van de kinderen geen aandacht krijgt, zullen ze weinig leren.
Iedere dag worden duizenden leerlingen gesommeerd op te letten. 
Als leerkracht vind je het misschien vanzelfsprekend dat je die aandacht krijgt, maar het is m.i. veel meer een zaak van ‘aandacht verdienen’. ‘Boeien’ is toch het toverwoord. Hoe? – het is een open deur: door interessante stof, door het boeiend te brengen.
De vrijeschoolleerstof is in wezen een aaneenschakeling van stof die dicht bij het kind staat. Waarmee veel wordt gedaan wat geoefend moet worden: waarbij het zonder aandacht niet gaat: vormtekenen, euritmie, schilderen, de juiste ritmen lopen bij het leren rekenen en zoveel meer.

In onze taal spreken we ook over ‘aandacht schenken’. Aandacht als geschenk?

Door het hersenonderzoek kunnen steeds meer interessante gezichtspunten worden gegeven over wat er eigenlijk in ons brein gebeurt.
Soms is dat schokkend:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier:

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.

(S.Gerhardt: Why love matters. How affection shapes a baby’s brain)  [1]

Zichtbaar geworden aandacht…….

x

AANDACHT
In de reguliere psychiatrie bestaan grofweg twee soorten van benadering. Ten eerste de biologische psychiatrie, die uitgaat van het idee dat wij geheel bepaald worden door onze hersenen. De enige manier waarop je invloed op de hersenen kunt hebben, zo denken de biologische psychiaters, is met medicatie. En, als tweede, de psychotherapie, die juist uitgaat van de gedachte dat je niet overgeleverd bent aan wat de hersenen voor je in petto hebben. Maar dat je, met behulp van gesprekken en oefeningen, daar zelf een verandering in kunt brengen. Veel psychiaters combineren beide vormen van aanpak.

Kun je dan invloed uitoefenen op je eigen hersenen? Er is een overweldigende hoeveelheid onderzoek die dat bevestigt. Bij Londense taxichauffeurs, die een examen moeten doen waardoor ze alle straten moeten kennen en in gedachten een traject door de stad moeten afleggen, werd een sterke verdikking gevonden van de hippocampus, een structuur in de hersenen die een grote rol speelt in het geheugen. Dieren die een beloning kregen wanneer ze op geluiden letten, bleken een grotere auditieve schors en bij beloningen voor aandacht voor visuele prikkels een grotere visuele schors te ontwikkelen. Violisten hebben een veel groter gebied dat de vingers van de linker hand representeert in hun motorische schors dan die van de echter hand. En ervaren mediteerders hebben een dikkere prefrontale schors, het gebied dat gebruikt wordt om aandacht vast te houden en om de impulsen van de rest van de hersenen in toom te houden. Wat je oefent wordt versterkt in de hersenen. Of het nu lichamelijke of cognitieve vaardigheden zijn. Zodat de hersenen je kunnen bijstaan om de vruchten van die oefening te kunnen plukken. Hersenen zijn een instrument. Alle vormen van psychiatrische problematiek, zwaar en licht, kun je zien als een disbalans tussen de gestoorde invloeden van de hersenen op je gedrag en innerlijke ervaringen en anderzijds de mate waarin je die invloeden in toom kunt houden. Om ze in toom te kunnen houden heb je een goed ontwikkelde prefrontale schors nodig. Die wordt pas ontwikkeld na de geboorte en het duurt ongeveer dertig jaar tot deze ontwikkeling voltooid is. In die tijd kan er dus van alles misgaan, maar, zoals aangetoond is bij mensen die mindfulness ofwel aandachtstraining praktiseren, kan dit gebied met oefening alsnog versterkt worden. De Amerikaanse psychiater Daniël Siegel beschrijft in zijn boek ‘Mindsight’ hoe hij een jongen met een bipolaire (manisch-depressieve) stoornis het heft weer in handen geeft met mindfulnessoefeningen, zodat hij zonder medicatie kan. Dat laatste is nogal bijzonder. Henk Schutte heeft een boek geschreven met de titel ‘Ik herstelde van een bipolaire stoornis’. Hij gebruikt de aandachts-trainingsoefeningen van Steiner: de terugblik op de dag en de Nebenübungen, die sinds het boek van Joop van Dam als ‘het zesvoudige pad’ bekend staan. Of zijn prefrontale schors dikker is geworden kan niet meer onderzocht worden. Wanneer je leest wat het hem heeft opgeleverd, kan dat haast niet anders.

Arie Bos, Stroom nr.4 herfst 2014
.

[1]  Arie Bos: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Arie Bos: ‘Hoe de stof de geest kreeg

Arie Bos over mazelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen  waaronder over aandacht [nr 8]

.

1263-1178

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (7)

.
E.Klein, Weledaberichten nr.80, dec.1968

.

Hartelijkheid, levenselixer voor het kind
.

Het heil der mensheid hangt niet af van koningen, maar van de kracht van het mensenhart” (Pestalozzi).

Hoe kan dat, in een tijd, die het beste gekarakteriseerd wordt wanneer men zegt: ze is harteloos. Leven en handelen, ook vanuit het hart, wat voor de mensheid vroeger iets vanzelfsprekends was en nu geheel verloren gegaan is, kan niet meer beschouwd worden als iets wat geschonken is, maar als iets dat weer verworven moet worden. Voor de volwassenen is dat een nieuw, rijk leven, voor het kind echter een voedsel: het kan niet gedijen zonder. Want ieder kind heeft diep in zijn ziel „hartelijkheid” nodig.

Het kind voelt nog alles wat hem omgeeft aan. Het ziet misschien de werkster, die de vloer in de was zet en zegt vol begrip „grond krijgt lekker zalfje”. Maar ook de jongen en het meisje hebben tot aan de geslachtsrijpheid het middelpunt van het gevoelsleven nog in het hart. Ze zijn wel niet meer zo intens vergroeid met de omgeving als het kleine kind, maar ze nemen er toch „van harte” aan deel.

Moed en daadkracht spreken uit hun optreden wanneer ze op de juiste wijze geleid worden. „Als niemand de draak doodt, dan doet mijn pappie het!” zegt de kleine. „Nee”, roept de tienjarige, „dan doe ik het” en hij is al buiten en snijdt weer aan zijn houten zwaard.

Maar dan voltrekt zich in elk kind iets, wat met de mensheid in het begin van de nieuwe tijd gebeurde, nl. dat het verstand steeds machtiger werd en de menselijke wil de aardekrachten leerde beheersen. Zo verandert ook het kind bij de puberteit. Het gemoed drijft een kiem naar boven als verstandskracht en een wortel naar onder in de ledematen als aardse wilskracht. En vaak, wanneer de omgeving het leven van het hart niet beschermd en gevoed zou hebben, blijft er voor de jonge mens niets meer aan hartenkracht over.

Het kleinste geitje in de klok

Op die leeftijd worden de kinderen helemaal anders: ruw naar buiten, over­gevoelig in hun binnenste. Want met het verstand is de mens in werkelijkheid in de wereld, maar eenzaam in zichzelf. Dan houdt het zo van harte geleide leven in de omgeving in het kind op. Het sprookje vertelt het aldus: de wolf heeft de lichte witte jonge geitjes, die overal aan snuffelen en aan alles willen deelnemen, verslonden. In de buik van de wolf is het donker en daar is men alleen. En nu ligt de beslissing voor het verdere leven daarin, of het zo is, zoals het in het sprookje in een beeld wordt uitgedrukt, dat het ene jongste geitje in leven kan blijven. Het heeft zich verscholen in het tikkende uurwerk – een wonderbaarlijk beeld voor het hart – en in dat uurwerk van de klok kan de wolf niet binnen en het geitje kan antwoord geven als de moeder roept.

En dat is de vraag, die de tijdgeest tegenwoordig aan elke vader en moeder of leraar stelt: Heb je aan het kind iets gedaan dat zijn hart zo sterk maakt dat wanneer de wolf komt, het in leven kan blijven? Dat is het knellende punt voor de tegenwoordige opvoeding en het lukt alleen dan, wanneer de oudere het kind in hun hart koesteren.

Vele ouders menen dat het makkelijk is om hartelijk te zijn. Maar dat is niet wat het kind nodig heeft. Een vergelijking kan dit verduidelijken. Het zich eigen maken van kennis gaat tegenwoordig vanzelf: de kleine kinderen beginnen al te lezen en zijn veel wakkerder dan vroeger.
Ook de wasmachine en de stofzuiger gaan vanzelf, zonder dat we ons bij het werk — zoals vroeger – hoeven in te spannen. En dan komt daar dat onhandige kind, dat over het snoer van de stofzuiger struikelt en het bord dat het in de hand heeft, breekt. ,,Nu heb je alweer een bord gebroken,” roept moeder ongeduldig, ,,schaam je toch”! Ook zoiets is makkelijk en gaat vanzelf.

Op het kind ingaan

Wat het kind echter nodig heeft ontstaat alleen maar als men zich moeite geeft. Wie het kind gadeslaat en merkt: het hoort echt bij zijn leven, dat het zijn ledematen niet goed kan beheersen en wie niet ongeduldig wordt, maar zich afvraagt hoe hij kan helpen, geeft hem misschien een spelletje, dat de vingers wat handiger maakt, of zegt op het juiste ogenblik: „Wat heb je vandaag netjes de tafel gedekt. Je hebt een hele stapel borden over de drempel gedragen zonder te struikelen.” Zoiets gaat niet vanzelf. Daarvoor moet men zich eerst diep met het kind verbinden en dan weer teruggaan in het eigen hart. En dat is hartelijkheid. Dan komt, in plaats van ongeduld en ergernis over de storing die het kind veroorzaakt, de inval hoe men kan helpen.

meisje met borden

Wie met ouders te maken heeft, doet veel ervaringen op. Er zijn ouders die geen moeite willen hebben met het kind. Ze willen er trots op zijn, ervan genieten; ze knuffelen het kind misschien.
Maar dat is geen hartelijkheid. Zij willen ge­lukkig zijn en het is ook waar, dat met elk kind een groot geluk in het leven komt.
Maar elk kind brengt ook zijn lot en zijn moeilijkheden mee. En die willen die ouders niet dragen. En omdat vaak al bij het kleine kind uit louter traagheid van het hart, de invallen voor het echte spelen ontbreken en de vormkrachten braakliggen, kan het kind dan onverdraaglijk worden omdat het lijdt en niet weet waaraan. En dan ontstaan door zulke moeilijkheden bepaalde gewoonten van de ouders: het standjes geven, verbieden, klappen uitdelen, een beloning in het vooruitzicht stellen als….

Hartelijkheid is een kunst; ze maakt het kind en het gezin gelukkig. Men moet er tijd voor maken en helemaal in het moment leven. Niet van te voren jachten en veel plannen maken en ook niet achteraf mopperen en klagen. Zo’n warmte is zon voor de kinderen. Waar komt die hartewarmte vandaan? Want alleen maar geven kan niemand. Ze ontwaakt in de ouders, door wat ze beleven aan het kind en zijn liefde tot de wereld en stroomt van hen weer naar het kind terug. Zo sluit zich de cirkel. En toch heeft hartelijkheid – al kost ze dan ook altijd wat tijd en al staat en valt veel met de goede of minder goede inval — niets te maken met ascese. Men leeft in zichzelf en in het kind. Het kind leeft van de warmte die van het hart van de ouders uitgaat en de ouders kunnen alle vreugden aan het kind beleven.

Als hierboven gezegd werd, dat met de geslachtsrijpheid vanuit het kinderlijk beleven van de wereld met het hart een kiem naar boven groeit als denken en een wortel naar beneden in de willende mens, dan betekent dit, dat het beoefenen van hartelijkheid voor de ouders eigenlijk een omgekeerd proces is. Iedere mens is tegenwoordig a.h.w. gespleten in de beide overmachtige polen van denken en handelen. Alleen de middelste sfeer van de mens is aan een groot gevaar blootgesteld en lijkt onder grote druk te staan.
Wanneer het lukt, in plaats van koel, verstandelijk denken „met het hart” te gaan denken, dan kan dit denken in de natuur en in het mensenwezen binnendringen. En op dezelfde manier gaan, wanneer de wil vanuit het hart verwarmd is, de stromen heen en weer en zal de hartenkracht, ook onder het drukke bezigzijn, in de daden binnenstromen. Dan ontstaat door het werken van het hart wijsheid en goedheid in de mens.

Maar het leven brengt niet alleen de kleine spelletjes en het dagelijkse werk; het brengt ook nood, ziekte en dood, slagen van het lot in elke vorm. En dan worden de krachten van het hart pas echt opgeroepen.

Ik maakte eens mee, hoe een klein meisje wegkwijnde, omdat de ouders de dood van een broertje niet konden verwerken. Het is het belangrijkste wat we kinderen kunnen meegeven, hoe we ons in het ongeluk gedragen! Want geluk is door iedereen gemakkelijk te dragen. De mens bewijst pas wat hij waard is in het ongeluk.
Vele ouders hebben angst voor ongeluk in het gezin en voor de vele narigheden die dit meebrengt. Angst is iets natuurlijks. Hij komt ook vanzelf. Maar een denken, dat van de krachten van het hart
door­drongen is, laat voor de mens de zin van het lot zichtbaar worden en het hart leert beter de schriftuur van het lot te lezen.

„Het gedrag van de ouders bij iets wat ze beleven…. is de zedelijke of verderfelijk adem, die we de ziel van het kind inblazen. Hierdoor kunnen bij grote of kleine slagen van het lot voor het kind momenten van het grootste belang optreden.” (Thérèse Schroër).
En wat dan aan zegen voor het gezin optreedt, dat een bepaald leed met zielenkracht doorleeft, zien we aan de ouders van Jacques Lusseyran, wier zoon op achtjarige leeftijd door een ongeluk volledig blind werd. Wat een heerlijke jeugd kan hij in zijn boek beschrijven en hoeveel is er door dit voorbeeldige gedrag van de ouders door de beschrijving van J. Lusseyran nog in de cultuur binnengestroomd.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

828-762

.