Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Biografieën – Geert Groote

.
Maarten Ploeger, Jonas 25, 17 augustus 1984
.

Een ‘ modern ’ zoeker naar het zuiver spirituele

Op de grens van Middeleeuwen en Renaissance, de tijd waarin een heroriëntering ten aanzien van geestelijke verworvenheden opbloeit, leeft Geert Groote.
Geert Groote, geboren in Deventer, werd bekend door ‘De broederschap des gemeenen levens’ waarvan hij de inspirator was.
bron

Maarten Ploeger noemt hem een ‘geestesreus’ die heftige aanvaringen had met de kerk, de conventie en vooral met zichzelf.

In God alleen te rusten én te leven
en toch met beide voeten in het volle leven te staan.
                                                Geert Groote 1340-1384.

Kijken naar deze geestesreus van eigen bodem is geen eenvoudige opgave. Een biografie vraagt om een inleving in de persoonlijkheid én om een verwoording daarvan die ook de lezer tot een ervaring van ontmoeting kan brengen. De literatuur die over Geert Groote beschikbaar is, geeft wel feiten, overigens met nogal wat omstreden jaartallen, maar slechts zelden een opening tot ‘ontmoeting’. Wie zich met Geert Groote bezighoudt, moet diens wezen op eigen kracht tot leven en kleur brengen. Dit wordt zo’n subjectieve invulling, dat ik kies voor een fragmentarische opzet. Eerst volgt er een tamelijk oppervlakkig geschetste levensloop om eenvoudigweg geïnformeerd te raken. Dat biedt de mogelijkheid om vrijer met dit nog wat kale materiaal om te gaan.

Geert Groote staat op de grens van twee cultuurperioden. De Middeleeuwen zijn in hun nadagen en Geert Groote worstelt met de decadentie van zijn tijd. Anderzijds werpen Reformatie, Renaissance en Humanisme reeds hun schaduw vooruit. Geert Grootes streven ‘een rechtvaardige voor God’ te zijn en daarbij zorg te dragen voor de noden van de medemens, is niets nieuws. Maar hij is meer dan een opvallende vertegenwoordiger van de late Middeleeuwen. In menig opzicht is hij zelfs al een mens van ónze tijd.
Zijn levensweg bevat elementen die vandaag de dag nog steeds als scholingsopgaven voor ons van betekenis kunnen zijn.

‘Swarte consten’

Geert Groote wordt in 1340 in Deventer geboren als enig kind van de rijke lakenkoopman Wemer Groote en de als zeer vroom bekend staande Heilwich van der Basselen. Deventer is in deze dagen een welvarende Hanzestad, het centrum van de al even bloeiende IJsselstreek. Het ontbreekt Geert Groote in zijn kinderjaren dan ook aan niets.
Tien jaar later vallen zijn ouders echter ten offer aan de pest, die heel West-Europa teistert. Geert Groote komt onder voogdijschap van zijn oom, een eveneens gefortuneerde, wereldse man. Als Geert Groote vijftien is, stuurt zijn oom de opvallend begaafde jongen naar de universiteit van Parijs. In dit brandpunt van vooruitstrevende wetenschapsbeoefening schiet Geert Grootes ster omhoog. Op zijn achttiende behaalt hij al de meestertitel, drie jaar vroeger dan gebruikelijk. De hoogleraren ijveren om hem als hun leerling te kunnen opnemen. Naast deze glanzende studie laat Geert Groote zich overigens geen enkel genoegen ontgaan. Zijn aantrekkelijke verschijning, altijd volgens de laatste mode gekleed, gepaard aan zijn charme en fortuin, maken hem tot middelpunt van elk feest.

Op de magistergraad volgt de doctorstudie. Er is Geert Groote veel aan gelegen een studie te kiezen die hem het meeste profijt zal opleveren. Wij volgen hem op de voet bij een aantal van zijn overwegingen.

Geneeskunde? Voorwaar een eervol beroep. Zijn gezondheid is echter zwak en in de artsenij is het bij tijden zwaar ploeteren.
Kerkelijk recht? Dan kan men de wereldse zaken van de hoge geestelijken gaan behartigen en er zelf zeer wel bij varen. Maar hij ziet op tegen de onvermijdelijke eetpartijen. Zijn maag is niet meer wat hij was.
Astronomie? In de praktijk wordt dat tot astrologie. Hoewel streng verboden door de kerk, verzetten de vorsten geen stap zonder eerst hun sterrenwichelaars te raadplegen.

Geert Groote’s keuzen zijn niet precies bekend. Vast staat dat hij tenminste kerkelijk recht, fysica en astronomie studeert. Ook wordt aangenomen dat hij zich grondig verdiepte in de kennis van het occulte, door de kerk aangeduid als de ‘swarte consten’. Tien jaar lang wijdt hij zich aan deze studie in verschillende steden. Als Geert Groote achtentwintig is, trekt hij zelf rond als hoogleraar. Met zijn briljante kennis boeit hij vele toehoorders. Overal waar hij komt introduceert hij en passant de nieuwste mode.

In het begin van de jaren zeventig gaat Geert Groote naar Utrecht om te solliciteren naar een lucratieve kerkelijke functie. Om zijn streven kracht bij te zetten dient hij zich aan bij ene meester Johannes in zijn meest oogverblindende kledij. Geert Groote is hier echter aan het verkeerde adres. Meester Johannes is een kortaangebonden man die Geert Groote zijn plaats weet te wijzen: ‘Meester Geert, met wat voor aanstellende pretentie durft ge hier toch weer binnen te komen? Werkelijk gij gedraagt u als een zot en een dwaas en denkt ge er nu weer helemaal niet aan dat het hiernamaals eeuwig zal duren?’ Er zit voor Geert Groote niets anders op dan zich te gaan omkleden; hij krijgt de functie. Op een zeker tijdstip legt Geert Groote voorgoed zijn fraaie kleren af en besluit hij de velen die hij tijdens zijn carrièrejacht heeft benadeeld, allemaal schadeloos te stellen. Dan volgt rond zijn dertigste een zware ziekte. Zo zwaar, dat hij om de toediening van de laatste sacramenten vraagt. De priester in kwestie weigert hem dit, zolang hij nog enige verbinding heeft met de ‘zwarte kunsten’. Geert Groote ziet aan zijn urine dat zijn toestand uitermate kritiek is. Hij laat openlijk zijn omstreden boeken verbranden. Hij verkrijgt absolutie, maar geneest.

Hierna vestigt Geert Groote zich definitief in Deventer. Op een bescheiden lijfrente en de helft van het ouderlijk huis na, schenkt hij al zijn bezittingen weg. Hij kiest voor een strenge, sobere leefwijze. Om door te borduren op het thema van de kledij: ‘Een haren cleet, soe grof dattet bina selven stont, als ment op die eerde satte’; daarover draagt hij een tunica – met één heeft hij negen jaar gedaan – en een grijze mantel. Als iemand vraagt waarom hij er zo opgelapt bijloopt, is het antwoord: ‘Dat doe ik in mijn eigen voordeel, want was het kleed niet geflikt, dan zouden wind en koude binnendringen’.

Collatio fratemis

Toch wordt Geert Groote naar de maatstaven van zijn tijd geen fanatieke asceet. Zijn leidraad is in alles precies de juiste maat te houden. Zijn krachten geeft Geert Groote aan studie, innerlijke verdieping en oneindig veel gesprekken met mensen. Mensen van allerlei slag komen bij hem om raad, zowel voor wereldse als voor geestelijke zaken. Maar bovenal legt Geert Groote met een kleine schare getrouwen de grondslag voor ‘de broederschap des gemeenen (gezamenlijke) levens’. Ze voeren deels een gezamenlijke huishouding en bepalen in overleg met welke werken de plaatselijke samenleving het beste is gediend. Hun handel en wandel is streng geordend naar de drie kloostergeloften van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid. Op zichzelf is dit niets bijzonders in de Middeleeuwen. Maar wél nieuw voor die tijd is de principiële keuze om naar de drie kloosterregels te leven zonder hiertoe de ‘eeuwige gelofte’ af te leggen, dat wil zeggen eenmalig en onverbrekelijk.

Geert Groote weert zich tegen de sleur, hij is van mening dat elke dag een bewuste hernieuwing moet plaats vinden van de besluiten die men neemt. Aan deze – in huidige termen – bewustwording wordt gewerkt door de zogenaamde collatio fraternis, de broederlijke samenspraak. Aan het einde van elke werkdag komen de broeders bijeen om op hun daden en belevenissen terug te blikken. Zij doen dit openlijk voor en met elkaar en houden elkaar hierbij ongezouten de waarheid voor. Hieruit destilleren zij persoonlijke scholingsopdrachten, naar ieders juiste maat.

Dan komt voor Geert Groote rond zijn vijfendertigste jaar het moment dat hij voor een drempel staat. Hij kent de verleidingen en dwalingen die het leven kan brengen. Hij streeft naar bevrijding van de greep die ‘het boze’ op hem heeft. Daartoe trekt Geert Groote zich enkele jaren terug in een kloostercel bij de strenge orde der Kartuizers. Een innerljke strijd ontbrandt. Moeizaam zoekt Geert Groote zijn weg tot het zuiver spirituele. Maar op een moderne wijze. Wat hij wil is namelijk niet de kwade machten de toegang tot zijn wezen ontzeggen. Deze geheel uit te bannen zou immers nog overeenkomen met het middeleeuwse scholingsideaal van de mystici. Geert Groote zoekt de weg van de ‘eudemonie’, dat wil zeggen inzicht ontwikkelen in de positieve betekenis van het kwaad, om zo evenwicht te kunnen scheppen in alle krachten die nu eenmaal op de mens in werken.

Dit wordt goed zichtbaar aan de ontmoeting tussen Geert Groote en Johannes Ruysbroec, de vermaardste mysticus van zijn tijd. Geert Groote spreekt enerzijds uit dat hij de grootste bewondering voelt voor de voor hem zelf onbereikbare reinheid en spirituele hoogte van de oude abt. Anderzijds wijst hij de voorwaarde tot Ruusbroecs wijsheid af, namelijk een zich volledig terugtrekken uit het gewone leven. Geert Groote kiest ervoor in het dagelijkse leven te blijven staan, om zich in de praktijk van alledag de balans te verwerven tussen het menselijk al te menselijke en hoger streven. Aan Ruusbroec omschrijft hij dit streven met de woorden: ‘In God alleen te rusten en te leven en toch met beide voeten in het volle leven te staan’.

‘Ketterhamer’

Na zijn retraite is Geert Groote gerijpt. Er straalt zo’n overtuigingskracht van hem uit, dat kerken en pleinen afgeladen zijn met toehoorders voor zijn vele volkspreken die nu volgen. Zelfs zijn tijdgenoot pater Brugman -praten als’ ‘Brugman’ – zegt dat geen zo kan spreken als Geert Groote. Geert Groote wijst de mensen op ‘de keer tot de Heer’. Het worden door zijn forse aanpak vaak heuse donderpreken, maar toch dringt hij door tot de harten van zijn toehoorders. Ondanks het gewicht dat Geert Groote met zijn vermaningen op de schouders van zijn leerlingen legt, behoedt hij de vrije wil van de ander als het hoogste goed. Wat overtuigt is de echtheid van iemand die hoogte-en dieptepunten van het menszijn aan den lijve heeft ervaren. Bij zijn harde afwijzing van zowel decadentie binnen de kerk als van ketterse stromingen die de mensen uit het praktische leven willen weglokken, maakt Geert Groote zich veel vijanden. Er volgen heftige disputen en rechtszittingen, die Geert Grootes zorg voor de jeugd. Veel van zijn tijd spaarde hij uit om met jongeren te spreken en te werken. Hij zorgde voor het onderhoud van wezen en armen. Hij zag toe op de opvoeding. Ten behoeve van hun onderwijs wist hij zijn grote vriend Johannes Cele over te halen om geen priester te worden maar rector van een nieuw soort school. Op aanwijzing van Geert Groote werd gebroken met de dorre drilmethodieken van die tijd. Hij voerde voor de leerstof een vorm van leeftijds-en ontwikkelingsfasen in. Voorts zaken als zelfwerkzaamheid, zelfstandig leren denken en spreken en onderlinge behulpzaamheid. De vakken moesten vooral ook praktisch nut hebben. Waar muziek toenmaals voornamelijk kennis van de intervallen en dergelijke behelsde, voegde hij er ook de kunstzinnige dimensie aan toe.

De Zwolse school van Johannes Cele groeide uit tot een bloeiend instituut. Een voorbeeld voor de vele scholen van de broeders en zusters des Gemeenen Levens die korte tijd later in heel Noordwest- en Midden-Europa de toonaangevende scholen zouden worden.

Warmbloedig dadenmens

Mijn interesse in Geert Groote werd zo’n vijftien jaar geleden gewekt, simpel door het feit dat ik leraar werd aan de ‘Geert Groote’ School. Ik hoorde dat deze naam was aangereikt door Max Stibbe, een van de Vrije Schoolleraren van het eerste uur, die in zijn Van Zwanenridder tot Vliegende Hollander (De Haan, antiquarisch) zeer bevlogen over Geert Groote heeft geschreven. Helaas is het historische gehalte van deze tekst nogal aanvechtbaar. Maar kleur heeft het des te meer. Hetzelfde geldt voor pater J. v. Ginneken in zijn Het leven van Geert Groote (N.H. uitgeversmij 1942). Naast Stibbe is hij de enige mij bekende auteur die Geert Groote tot mens van vlees en bloed heeft gemaakt. Maar ook zijn werk kan voor historici de toets der kritiek geenszins doorstaan. Beiden portretteren zij echter Geert Groote op dezelfde wijze: als een warmbloedig dadenmens.

E. Epiney-Burgard in haar Gerard Grote (Steiner Verlag, Wiesbaden 1970; mijns inziens de meest complete academische studie) laat van dit beeld weinig heel. Zij verwijt bijvoorbeeld Van Ginneken en anderen dat deze de ‘duistere’ kanten van Geert Groote schromelijk overdrijven om de glorie van diens bekering de gewenste glans te verlenen. Zij schetst een tamelijk ingetogen beeld van Geert Groote, echter nauwelijks inleefbaar, dit in tegenstelling tot Stibbe en Van Ginneken, allebei cholerisch geaard. Epiney-Burgard is een teruggetrokken religieuze. Vandaar misschien ook de verschillen. Cholerisch ben ik bepaald niet, wel voel ik mij zeer thuis bij Stibbe en Van Ginneken. Ik zal mijn versie nu trachten te geven.

Geert Groote is een mens, in wie de eerste roerselen van de moderne bewustzijnscultuur zich aandienen. Door zijn krachtdadige levensenergie brengen de aanvankelijk nog weinig bewuste impulsen hem tot heftige aanvaringen met de kerk, de conventie en vooral met zichzelf. Hij vecht zich een weg tot wezenlijke spiritualiteit, maar een ‘reine wijze’ wordt hij niet. Er blijven donkere eilanden in zijn ziel.
Zo is de aantrekkingskracht van het andere geslacht voor hem een gevoelige bedreiging van zijn geestelijk streven. Hij schrijft Over het huwelijk: het nageslacht moet worden verzorgd, maar verder wordt alles in extenso toegespitst op de gesublimeerde, platonische liefde: een geheiligde oefenweg tot de liefde ‘in Christo’. Wellicht volgt hij hierin slechts zijn tijd. Toch heb ik de indruk dat hij zichzelf als het ware overschreeuwt; een rationalisatie om zijn eigen – door hemzelf zo ervaren – lichaamsgebonden aandriften in een hokje te kunnen duwen.

Een ander voorbeeld: hij kan zo tekeergaan dat hij voortdurend op het scherp van de snede balanceert tussen heilige toorn en de neiging tot regelrechte verplettering van zijn tegenstanders met alle middelen. In zijn volkspreken gebruikt hij zijn charismatische vermogens om de mensen onthutsend door elkaar te schudden. Het is net geen misbruik; hij zoekt géén macht over mensen, maar de goede zaak moet worden gediend, door richels en ruiten.

Bliksemacties

Geert Groote leeft op een vulkaan. Het gloeiende, op zichzelf zo vruchtbare magma zoekt zijn uitweg. Met zijn bewustzijn tracht Geert Groote deze vloed zo integer mogelijk te sturen tot genezing van zijn tijd. Maar waar gehakt wordt, vallen spaanders.

Max Stibbe was heel enthousiast over Geert Grootes schedel, een jaar of vier geleden gestolen en niet meer teruggevonden. De gedrongen vorm en met name de imposant uitstekende kinpartij waren voor Stibbe het beeld van Geert Grootes uitbundige choleriek. Alleen jammer dat de echtheid van deze schedel altijd in twijfel is getrokken. Dezelfde medaille van de andere kant bezien, toont ons een Geert Groote die zijn dynamiek in steeds zuiverder banen weet te leiden. Een warme, levenswijze voorganger en raadgever op het pad van de hogere bewustzijnsontwikkeling. (Hij schreef mystieke geschriften, geïnspireerd door Ruusbroec, later uitmondend in de Navolging van Christus van Thomas a Kempis.) Nooit heeft hij zich echter volledig kunnen ontplooien. Daarvoor was hij toch te zeer verstrikt in de kerkelijke politiek, die zich tegen hem trachtte te immuniseren. Diverse instanties bevochten hem, hij vocht uit alle macht terug. Een soevereine leider van de geest voor brede groepen is hij bij zijn leven niet geworden. Zijn onvoorwaardelijke maatschappelijk engagement had hem daartoe wellicht voorbestemd. Het is gebleven bij opzienbarende bliksemacties, met alleen in een hele kleine kring de intensieve verinnerlijking die hij voor de gehele cultuur had bedoeld. Zijn smart moet immens geweest zijn, toen hem het preekverbod werd opgelegd. Zijn vleugels waren opeens afgesneden. Al die jaren van toewerken naar het grote ideaal, het voortdurende optorenen van zijn energie en dan het zwarte gat. Waarom moest hij toen weldra sterven, nog in de kracht van zijn leven? Was volbracht wat hij als levensbesluiten met zich meedroeg? Was hij misschien zo in de eenzijdigheden gebannen geraakt, dat zijn – onbewuste – levensdoel niet meer op de voorbeschikte wijze verwerkelijkt zou kunnen worden?

Het lot heeft Florens Radewijns aan zijn zijde gebracht. Een zachtaardig mens, in alles zó het tegendeel van Geert Groote, dat het erop kan lijken dat Geert Groote inderdaad te hard van stapel is gelopen. Onder Florens Radewijns komt alles in veel rustiger vaarwater. Intieme bezonnenheid, in stilte werkend op de achtergrond van het maatschappelijk toneel, de pendel beweegt na Geert Grootes dood onmiskenbaar naar de andere kant. Geert Groote, een machtig boeiende persoonlijkheid, maar of we hem kennen?

De meest recente literatuur: Cornelis Los ‘Van Geert Groote tot Erasmus’, Christofoor

Het gedeelte waarin de levensloop staat beschreven is al eerder gepubliceerd in het jubileumnummer van de Geert Groote schoolkrant. (niet op deze blog)

.

Alle biografieën 

.

2109-1980

.

.

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Albrecht Dürer

.
Leo J. Capit, Panorama, nadere gegevens onbekend
.

ALBRECHT DÜRER
DE ONRUST WAS ZIJN MEESTER

ALBRECHT DÜRER werd in Neurenberg geboren op 14 mei 1471. Hij stierf op 6 april 1528. Aanvankelijk zou hij goudsmid worden, evenals zijn uit Hongarije afkomstige vader en grootvader. Hij werd echter schilder, tekenaar. In de vijfde eeuw na zijn dood ziet de wereld hem nog altijd als een geweldig kunstenaar. Zijn tekeningen zijn grauwe stukken papier, die scheppingen dragen in verscheidene technieken: zilverstift, houtskool, krijt, penseelwerk. Voorstellingen, zo gaaf en razend knap, dat ze ook de nuchtere twintigste-eeuwse mens nog stil maken.

Kunsthistorici hebben er vele woorden voor. Ze volgen het spoor terug door de cultuur en tonen haarfijn wie er invloed heeft uitgeoefend op wie. Maar de leek in dit atoomtijdperk, die van mooie dingen houdt, vat al zijn bewondering en eerbied samen in de woorden: „Die lui konden tekenen!.

Drie boeren op de markt en boerenpaar; een pentekening, getuigend van Dürers feilloze observatie.

Achter de tekeningen, die nu in stemmige museumzalen onder een uitgekiende belichting te kijk hangen, rijzen de schimmen op van hun makers. Het zijn vage schimmen. Hun tijd ligt zo onwezenlijk ver achter ons. Hun namen zijn hoogstens nog straatnamen. Hun erfenis is aanvaard en verdeeld. Iedereen kent de tekening ‘Gevouwen handen’ van Albrecht Dürer. Het origineel, dat in het Albertina Kunstkabinet in Wenen berust, is tot miljoenen reproducties verveelvoudigd. Het hangt in miljoenen woningen, alom in de westerse wereld. Maar hoevelen, in die huiskamers, kunnen de naam van de maker noemen ?

Dürers wereldberoemde ‘Handen in gebed gevouwen’, een penseeltekening op blauw gegrond papier, was slechts een voorstudie voor het altaarstuk, dat hij maakte in opdracht van de rijke Jakob Heller uit Frankfort. De tekening is tot in de finesses uitgewerkt, omdat Dürer hem precies zo wilde overbrengen op het schilderij.

En toch: bewust kijken naar kunst is altijd een ontmoeting met degene die het kunstwerk schiep. Zijn schim mag nog zo vervaagd zijn, in zijn werk blijft hij altijd de levende mens. Veel werk van Dürer doet ons vandaag wonderlijk modern aan. Dat hoeft op zichzelf geen verdienste te zijn, maar het prikkelt wel onze nieuwsgierigheid naar de persoon van de kunstenaar, die leefde in een van de meest dramatische perioden van de Europese cultuurgeschiedenis.

Achttien maal kraambed

De middeleeuwen ebden weg, toen Albrecht Dürer aan ving te leven. Hun sombere motto ‘Gedenk te sterven’ maakte plaats voor het levensblije devies van de renaissance: Pluk de dag.
In het gezin van de Neurenberger goudsmid Dürer was een geboorte niets bijzonders. Moeder lag achttien maal in het kraambed, maar van haar kinderen bereikten er slechts drie de volwassenheid. Albrecht, de derde zoon, werd uitverkoren om zijn vader op te volgen.
Kind is hij nooit geweest. In die tijd bestonden geen kinderen in onze betekenis van het woord. Het kind, met zijn eigen speelwereldje, eigen kledij en eigen levensritme, werd pas eeuwen later uitgevonden. Albrecht moet meteen al een burgertje in de nadagen van de middeleeuwen geweest zijn, bevoorrecht omdat zijn vader, als artistiek handwerksman in de bloeiende, kunstzinnige handelsstad Neurenberg, in een zekere welstand kon leven. Hij leerde lezen en schrijven, en in zijn ouderlijk huis was papier en tekenstift voorhanden. Zijn eerste zelfportret maakt hij op dertienjarige leeftijd: een ernstig, jong gelaat met attente ogen, ferm, zonder aarzelen getekend. Het is meteen een ongewild getuigenis van zijn karakter. Hij heeft oog voor de waarheid, de werkelijkheid van het leven zelf, zonder verfraaiingen of mystieke verdichtselen.

Heeft die tekening destijds de aandacht van zijn dierbaren getrokken ? Dat moet wel. Zijn vader heeft hem het goudsmidsvak bijgebracht, maar als leerling in het atelier van de grote Neurenbergse schilder Michaël Wolgemut voelt de jonge Albrecht zich beter op zijn plaats. Tekenen en schilderen wil hij — en ook dient geleerd te worden. Als tiener kiest hij zijn eigen idool: de schilder — goudsmidszoon evenals hij zelf — Martin Schongauer, een Elzasser die in Colmar woont.
Vier jaar blijft Albrecht Dürer in de leer bij Wolgemut. Dan ontvlucht hij Neurenberg, gedreven door de wens andere kunstenaars en andere steden te leren kennen. Het is 1490; een nieuwe levenshouding, meer gericht op de aardse werkelijkheid dan op de beloofde zaligheid van het hiernamaals, breekt zich baan. Dürer trekt de wereld in, avontuurlijk en leergierig tot in al zijn vezelen. Hij weet zich nog niet volleerd. Zijn zwerftocht moet zijn kennis verrijken. Hij is Wandergesell.

Hij komt in Colmar, in 1492, en verneemt daar met grote spijt dat de bewonderde Martin Schongauer, die hij zo graag persoonlijk had willen ontmoeten, enkele maanden eerder overleden is. Dan begeeft hij zich naar Bazel. Hij maakt daar houtgravures en geraakt diep onder de indruk van de kunstvoorwerpen die de welgestelden in deze stad van hun reizen naar Florence, Sienna of Rome hebben meegebracht.

Italië lijkt hem het beloofde land. Maar het is zo ver. Hij is werkend reiziger. Hij moet in zijn onderhoud voorzien. Rusteloos hanteert hij de tekenstift en alles heeft zijn belangstelling: een kind, een landschap, een bloem, een insect. Korte tijd is hij weer thuis, in Neurenberg, maar hij vindt er geen rust. Straatsburg is zijn volgende pleisterplaats. Hij maakt er kennis met een schilder van zijn eigen leeftijd, Hans Baldung, achttien jaar en alreeds beroemd. Er ontbloeit een hechte vriendschap. Als Albrecht voelt dat hij eindelijk weer eens huiswaarts moet keren, toont Baldung hoezeer hij hem op zijn beurt bewondert: ‘Gegroet, meester van de Duitse schilderkunst!’ Dürer weet niet beter dan met precies dezelfde woorden te antwoorden. Schaterlachend slaan de beide gezworen kameraden elkaar op de schouder en Albrecht vertrekt naar Neurenberg.

Zijn thuiskomst brengt een groot misverstand teweeg. Zijn vader, betweterig zoals vaders zijn, vindt het nu welletjes en is van oordeel dat Albrecht nu eindelijk de rust moet opbrengen om zich een eigen huis te scheppen. Hij heeft zelfs een bruid voor zijn reislustige zoon in petto: Agnes Frey, de lieftallige dochter van een collega-goudsmid. Albrecht, daarentegen, is alleen maar naar huis gekomen om zijn ouders te vertellen dat hij nu naar Italië wil. Daar komt een kunstenaar eerst recht aan zijn trek! Vader verzet zich. Maar Wolgemut, de oude leermeester, hecht zijn zegen aan het plan. Dan doet vader Dürer er verder het zwijgen toe. Maar Albrecht is een goede zoon. Hij wil zijn ouders niet voor het hoofd stoten. Hij aanvaardt het voldongen feit van de hem wachtende bruid. Zou haar lang niet te versmaden bruidsschat van tweehonderd florijnen misschien nog gewicht in zijn schaal geworpen hebben ?

Ontembare reislust

In elk geval: het huwelijk wordt gesloten. En Albrecht vervaardigt kort daarna een portret van zijn levensgezellin, dat hij siert met het trotse bijschrift: ‘Meine Agnes’. De vader van meine Agnes heeft er kort daarop echter wel spijt van, dat hij zijn dochter aan zo’n rusteloze flierefluiter heeft uitgehuwelijkt, want de jonge mevrouw Dürer moet er al gauw in berusten, dat haar echtgenoot bezwijkt voor de lokstem van het paradijselijke Italië. Zij had zich het huwelijk stellig anders voorgesteld. . .

Albrecht Dürer, bepaald niet geplaagd door heimwee naar huis, reist over de Alpen de nieuwe tijd tegemoet. Hij ademt de lichte lucht van de bloeiende renaissance in en schrijft geestdriftige brieven aan zijn rijke jeugdvriend Pirckheimer. Onder de zon van Venetië, waar zijn werkstukken grif aftrek vinden, komt zijn kunstenaarschap tot volle wasdom. Hij schrijft: „Hier ben ik een heer. Thuis ben ik een arme parasiet!’’

Toch zal hij altijd weer huiswaarts keren. En altijd zal zijn vrouw hem wachten, als hij er weer is, „terug van weg geweest”. De banden met het ouderlijk huis bleven hem binden, meer nog wellicht dan de band met de hem opgedrongen echtgenote, die hem niet kon volgen in zijn onstuimige levensdrang en zijn vrolijke filosofie, maar die er toch altijd was als hij haar nodig had. Hij had haar heel erg nodig toen in 1502 zijn vader overleed. De oude Dürer liet zijn familie achter in benarde financiële omstandigheden. Zijn weduwe, Albrechts moeder, was bijna blind en hulpbehoevend. In de eerste plaats moest er nu geld zijn om de schulden te delgen, om verder te kunnen leven.

Albrecht toog aan het werk. Hij had al wel naam gemaakt, maar was nog niet zo ver gestegen op de ladder der erkenning dat een of andere grootmogende kunstbeschermer zich over hem ontfermde. Dat zou later pas gebeuren. Nu was het Agnes, die raad moest schaffen. Zij trok erop uit om het werk van haar man te verkopen. Het lukte redelijk. Toen de reislust Albrecht Dürer weer te machtig werd, waren zijn dierbaren gevrijwaard voor armoede. Het jaar 1505 ziet hem opnieuw naar Italië vertrekken, na een reeks kortere reizen. Voortdurend is hij onderweg, maar hij laat een spoor van hoog gewaardeerde kunstwerken na. In Venetië wordt hij nu gevierd als een der grootste schilders. Hij verdient veel geld. Zijn werken zijn levensblije juichkreten, die hem ook in zijn vaderstad roem en eer brengen.

Na 1509 staat hij in dienst van keizer Maximiliaan de Eerste. Het is uitstekend voor zijn naam, maar Zijne Majesteit verwijst voor de betaling naar het gemeentebestuur van Neurenberg, waar de vroede vaderen zich doof houden voor Dürers aanmaningen. Als de keizer sterft, adviseert men de kunstenaar de onbetaalde rekeningen aan diens opvolger, Karel de Vijfde, te presenteren. Het is dan 1520 en de nieuwe keizer vertoeft in Antwerpen. Dürer kent de weg en ditmaal neemt hij zijn vrouw mee op reis. Ze vertrekken nogal overhaast:

. . .in Neurenberg is intussen de pest uitgebroken.

Zijn reis naar Antwerpen wordt een triomftocht. Overal kent men zijn werk en in de sinjorenstad biedt de kunstenaarsbent hem een groots banket aan. Maar de keizer is inmiddels afgereisd. Albrecht probeert dan aan Margaretha van Oostenrijk, die in Mechelen vertoeft, het portret van haar vader, Maximiliaan, te slijten. Zij gaat er niet op in. Zakelijk is de reis van de Dürers geen succes, maar wel wordt Albrechts blik opnieuw verruimd. Hij leert in Brussel de wijsgeer Erasmus kennen, die hij later zo treffend zal portretteren. De schilder wordt zeer geboeid door de nieuwe denkbeelden, die in zijn tijd opgeld doen. Als de reformatie een aanvang neemt, is zijn liefste wens Maarten Luther persoonlijk te ontmoeten. Helaas is die wens nooit in vervulling gegaan.

Op zijn reis door de Nederlanden, 1520-’21, houdt Albrecht Dürer een nauwkeurig dagboek bij. Hij beschrijft het carnaval te Antwerpen, de paardenmarkt en de vrouwen te Bergen op Zoom. Het nieuws dat er voor de kust van Zierikzee een walvis te zien zou zijn, doet hem ijlings naar het havenstadje reizen — maar als hij aankomt, is de walvis weg.

In Aken woont hij de kroning van Karel de Vijfde bij. De schilder zal er voor de gelegenheid piekfijn uit gezien hebben. Hij liet zich in Nederland een nieuw gewaad aanmeten, een zogenaamde rock van wollen stof, met bont gevoerd en met fluweel en zijde afgewerkt, voor de kapitale prijs van zevenendertig gulden en twee stuivers. Hij wist een grand seigneur te zijn naar het uiterlijk. Maar de innerlijke onrust bleef hem beheersen in voor- en tegenspoed. Alleen na de dood van zijn moeder, in 1514, weerspiegelt zijn werk iets van bezinning, van neerslachtigheid. Hij heeft haar zo dikwijls alleen gelaten. . .

De jaren twintig van de zestiende eeuw brengen zijn zwanezang. Sedert zijn reis door de Nederlanden voelt hij zich niet meer de oude. Het heet, dat het verfoeilijke Hollandse klimaat hem met een kwaal opscheepte, die hem langzaam ten grave zou richten. Welke Nederlander zou die mogelijkheid willen betwisten ? Maar het is te laat om een diagnose te kunnen stellen.

In 1528, thuis in Neurenberg, waar hij in zijn laatste levensjaren nog onophoudelijk schilderde en tekende, sterft Albrecht Dürer. Aan zijn doodsbed ontbrandt een onverkwikkelijke ruzie tussen zijn vrouw Agnes, die niet van zijn zijde geweken is, en zijn beste vriend Pirckheimer, die haar verwijt dat zij zijn vrienden van hem vervreemd heeft en hem heeft geforceerd zich dood te werken.

De mens Dürer kon sterven, de kunstenaar Dürer trotseert de eeuwen in zijn werken, die van onschatbare waarde blijven. De tekeningen van Albrecht Dürer en die van zijn tijdgenoten getuigen daarvan.  

De vier apostelen, 1526.
Dürer heeft in zijn meesterwerk, het dubbele paneel van De vier apostelen, vier heiligen als contrast tegenover elkaar geplaatst: (van links naar rechts) de evangelist Johannes, Petrus, Marcus en Paulus. De tekst aan de onderzijde van de panelen, die door Dürer zelf is opgesteld vanuit zijn conservatieve geloofsopvatting, behelst een vermaning aan de radicalen onder Luthers volgelingen en dringt aan op een beëindiging van de godsdiensttwisten, die de Neurenbergers in twee vijandige kampen verdeelden.
.

Dürer

Afbeeldingen

Alle biografieën

8e klas: alle artikelen

.

2097-1969

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas vertelstof (3-15)

.

Deze legende werd uitgegeven als bijlage van “Ds Hovenier”, zesde jaargang, nr. 3 schoolkrant van de Rudolf Steinerschool te Bilthoven.

“Rochus” komt oorspronkelijk uit het boek “Ich will dein Bruder sein” van Jacob Streit. De vertaling is van Leny de Nijs, het voorwoord van Willemien Klinkhamer, leerkracht van de tweede klas.

Tekening: Mieke Betten; Typewerk: Ruud van Halewijn; en Lay-out : Adrie Zwanenberg.

Bilthoven, December 1934

Voorwoord

De vertelstof in de tweede klas bestaat, uit fabels en legenden.
In de fabels treden dieren op die spreken en handelen als mensen. Het eenzijdige, het extreme van de mens komt in de diergestalte tot uitdrukking. Bijvoorbeeld: de slimme vos, de koppige ezel, de ijverige mier, de trage slak, het lijdzame schaap.

De kinderen in de tweede klas leren elkaar kennen en zien de verschillen van elkaar. Ze krijgen streken.

Ieder dier heeft zijn eigen streek,

Fabels zijn kort.

Ieder mens heeft al deze karakteristieken in zich. In de klas zie je dat ieder kind één karakteristiek sterk heeft. Bijvoorbeeld, een kind dat altijd haantje de voorste is. Dat kind laat ik de haan spelen.

De dieren in de fabels moeten niet belachelijk gemaakt worden; de kinderen moeten respect voor de dieren houden.

Fabels moeten verteerd worden. Het moeten beelden blijven. Een fabel is net geen sprookje.

De legenden daarentegen zijn korte heiligenvertellingen. De lagere driften worden overwonnen. Een legende is net geen geschiedenis. Het moment van omvormen van de mens is wezenlijk om te vertellen. Legenden gaan altijd over grote persoonlijkheden. Ze zijn ontstaan in alle tijden. Bij de middeleeuwse mensen bloeiden ze sterk op.

Fabels en legenden laten twee zijden van de mens zien. Ook hoe de eenzijdige zieIe-eigenschappen tot ontwikkeling kunnen komen. Ze vullen elkaar aan.

Willemien Klinkhamer

ROCHUS

In de stad Montpellier, in het zuiden van Frankrijk, leefde eens een adellijke familie.
De laatste telg van deze voorname familie had grote zorgen. Zijn geslacht zou uitsterven, want hij had geen kinderen. Vaak richtte hij zijn gebed tot God en bad om een zoon. En werkelijk, na vele jaren van kinderloosheid schonk zijn vrouw hem een jongen. Hij gaf hem de naam Rochus. De vreugde was groot.

Toen de jongen opgroeide, bleek hij vaak anders te zijn dan zijn leeftijdgenoten. Terwijl zij luidruchtig en vaak wild speelden, ging Rochus naar het stille bos. Hier voederde hij de dieren, speelde met hen en bouwde van halmen en mos nestjes voor de vogels.

Toen hij twaalf jaar oud was, sprak zijn vader: “Rochus, ik voel dat mijn leven hier op aarde spoedig zal eindigen. Blijf altijd behulpzaam voor andere mensen, dan zal jij ook steeds vrienden en hulp vinden.”
Na een tijdje stierf de vader en spoedig ook de moeder. Nu was Rochus een weeskind. Eerst leefde hij drie jaar bij zijn familie; maar steeds werd hij door een vreemde onrust bevangen. Hij verliet huis en haard en trok de wereld in.

Zo jong als hij was, hadden de verhalen over het leven en werken van Christus hem diep in zijn hart geraakt. Hij had vernomen dat apostel Petrus in Rome begraven lag. Hij nam zich voor zijn graf te gaan bezoeken.
Met het besluit eenieder op zijn pelgrimstocht te helpen, verliet hij zijn thuis.

In die tijd heerste er in sommige streken van Italië een ernstige ziekte. Men noemde ze de pest. Wie dat had, kreeg donkere bulten, hoge koorts en stierf. Anderen weer leden aan zweren, konden zich nauwelijks bewegen en hadden lange tijd verpleging nodig. Deze ziekte was zeer besmettelijk en stak in enkele dagen hele steden en landstreken aan. Dikwijls hadden de overlevenden moeite om de vele doden te begraven. Dus leefden de mensen toen in grote angst voor de afschuwelijke ziekte.

Toen Rochus door Italië trok, kwam hij in een gebied waar deze ziekte heerste. Maar er gebeurde wat vreemds met hem. Hij voelde geen angst om de zieken te verplegen en de doden te begraven. Dus onderbrak hij zijn reis. Hij kwam bij de stad Aquapendente aan, aan de berghelling van de Apennijnen.
Rochus hoorde dat het hospitaal vol lag met pestzieken. De straten waren uitgestorven. Niemand durfde de deur uit te gaan, Alleen de dodenwagen ratelde met lijken over de keien, begeleid door vermomde gestalten. Men geloofde toen dat, als je je in doeken hulde, de ziekte minder vat op je lichaam had.

Rochus kwam bij het ziekenhuis en trok aan de bel. De hospitaalmeester Vincent ging naar de deur om het brengen van nieuwe zieken te verhinderen, want er was in het huis geen hoek meer vrij. Toen hij de deur opende, stond buiten een gezonde, mooie jongeman in een pelgrimskleed en deze vroeg, vol goede moed:  “Hospitaalmeester, ik heet Rochus, Mag ik hier komen helpen met het verplegen van de zieken?’ Vincent was sprakeloos, “Jongeman, dat is niets voor jou. Hier haal je je slechts de dood op de hals.”
Vincent wist dat juist jongelui zeer gevoelig voor de pestdood waren. Tot zijn verbazing glimlachte de jongen en zei: “Meester, ik ben geen beginneling meer in het verplegen van pestzieken. Laat me in naam van Christus binnen. Je zult het spoedig merken,”
Vincent liet hem binnen. Hij wou nog vragen, waar hij vandaan kwam, omdat zijn taal een andere klank had dan hier in deze omgeving.
Hij wou ook vragen waarom hij juist het ergste werk vrijwillig op zich nam. Maar terwijl hij weer naar de opgewekte jongen keek, en zijn heldere ogen zag, was het hem alsof er een helpende goede engel aan de deur stond; en hulp kon hij waarlijk wel gebruiken. Op twee oude vrouwen en een huisknecht na, was er in dit ziekenhuis verder geen verpleger. Bijna eerbiedig heette hij Rochus welkom.

Het kreunen en roepen van de zieken, zo bekend voor Rochus, vulde het huis. Hij liet zich de ziekenkamer tonen, de wasruimte, de keuken, en ging toen aan het werk.
Het leek Vincent dat Rochus 12 handen en 24 benen had. Trap op, trap af, hierheen, daarheen rende hij. Bracht voedsel, kruidenthee, waste wonden, zelfs bulten, haalde water, joeg vliegen weg, roosterde op houtskool kruidenwortels. En als het avond geworden was, ging hij stil van de ene zieke naar de andere, legde zijn handen gekruist op het voorhoofd, dan op de borst, en liet de woorden van zijn gebed in de zieken stromen.

Wat Vincent niet voor mogelijk hield gebeurde: na enige dagen konden al enkelen genezen ontslagen worden en was er ruimte voor nieuwe zieken. Natuurlijk sprak iedereen over de wonderbaarlijke jongeman. Steeds weer probeerde Vincent te weten te komen waar hij vandaan kwam, van welke familie hij afstamde, of hij zijn ouders nog had en waar ze woonden. Maar Rochus glimlachte dan, wees zwijgend met zijn hand naar boven, dat zij in de hemel waren.

Hij wilde zijn voorname afkomst niet prijsgeven, hij wilde slechts broeder Rochus zijn.

Toen in Aquapendente na weken de pestziekte ten einde was, riepen de burgers van Cesena, een nabijgelegen stad, Rochus te hulp. In plaats van verder naar Rome te trekken, begaf hij zich naar her ziekenhuis van Cesena. Hoewel hij ook hier dag en nacht aan het verplegen was, werd hij niet vermoeid. In de korte slaaptijd schoten de levenskrachten weer in zijn lichaam en hij kon ze wegschenken. Nu nog is in de domkerk van Cesena een muurschildering te vinden die de helper Rochus toont.

Eindelijk, toen ook in Cesena de pestziekte verdwenen was, begaf hij zich weer op pelgrimstocht naar Rome. Het stralen van zijn ogen was nog sterker geworden en velen, die de jongeman in armzalig pelgrimskleed in de ogen zagen, werden blij omdat ze hem ontmoet hadden.

In Rome bleef hij lang bij het graf van de apostel. Voor zijn ogen verscheen het leven en lijden van Christus. Daar kwam een grote bebaarde man op hem toe en sprak: “Jij bent Rochus. In Aquapendente heb je me verpleegd en van de dood gered.” En hij omarmde hem vol vreugde en dankbaarheid. Dan sprak hij verder: “Kardinaal Hernardo lijdt aan de pest; zou jij, Rochus, hem willen verplegen?”
Zonder aarzelen antwoordde hij.: “Niets zou me liever zijn, het rondreizen ben ik moe.”
Zo gebeurde het dat Rochus de kardinaal verpleegde, hem weer gezond maakte en zijn vriendschap won.
Op een dag zei de kardinaal: “Rochus, zou je geen priester willen worden? Ik zal je helpen met het Latijn.”
Maar Rochus zei: “Mijn taak is het verplegen van zieken, daar heb ik geen Latijn voor nodig.”

Drie jaren bleef Rochus in Rome. Na deze tijd bereikte hem het bericht dat in de stad Piacenza de pest was uitgebroken. Rochus trok terug naar het noorden. Maar deze keer verliep het anders.

Twee weken was hij onvermoeibaar in het ziekenhuis bezig, toen hij plotseling door hevige koortsen bevangen werd. Vreselijke pijnen schoten door zijn lichaam, zodat hij het uit had kunnen schreeuwen.
Maar als in een droom verscheen een engel die sprak:”Rochus, vele zieken heb je verpleegd. Nu moet je zelf deze ziekte dragen en overwinnen. Je zult daaruit nieuwe kracht putten.”

‘s Morgens vroeg dwong Rochus zich op te staan, tot een verpleger zei hij: “Ik ben voor een tijdje weggeroepen, ik hoop spoedig terug te komen”. Bij zichzelf dacht Rochus, ik wil de andere zieken niet in hun slaap storen met mijn pijnlijk gekreun.

Daar het zomer was, trok hij naar een naburig dal van de Apennijnen. Met mos maakte hij een ligplaats in het bos. Ondanks de pijn bouwde hij van tijd tot tijd aan een klein boshuis. De pestbuilen kwamen steeds meer tevoorschijn. Bij zijn enkel ontstond een etterende wond. Dagenlang werd zijn lichaam door verschrikkelijke pijnen geteisterd. Een klein watertje stroomde in de buurt, waar hij zijn koortsdorst kon lessen en zijn wonden kon wassen. Hij had niets te eten, maar hij verlangde daar ook nauwelijks naar. Toen hij op een keer van het beekje naar zijn rustplaats wankelde, kwam er een hond vol vertrouwen op hem af. Rochus aaide hem en de hond ging mee naar zíjn boshuisje. Daar ging het dier naast hem liggen en liet zich liefkozen. Maar plotseling sprong de hond op, alsof iemand hem geroepen had, blafte drie maal en verdween. Rochus kon zijn ogen niet geloven toen hij na een poosje terugkeerde. Hij droeg een stuk brood in zijn bek en legde het naast de zieke neer. Wat was er gebeurd? De hond behoorde aan een grootgrondbezitter in de buurt die Gothart heette. Van de tafel van zijn meester had hij ongemerkt het brood weggehaald en het naar Rochus gebracht.

Dit deed hij meerdere dagen, totdat Gothart het bemerkte en dacht: ‘Wat doet mijn hond toch met dat brood, hij krijgt toch genoeg te eten.”
De volgende dag volgde Gothart zijn hond en vond zo de eenzame zieke Rochus in zijn boshuisje. Rochus riep naar hem: “Kom niet te dichtbij, ik heb de pest.” Geschrokken week Gothart terug en spoedde zich op huis aan. Nauwelijks was hij thuis aangekomen of hij schaamde zich diep en dacht bij zichzelf: “Mijn hond helpt de arme man en ik ben laf weggelopen. Hoe edel klonk de stem van die arme man. God moet hem liefhebben, dat hij zo’n dom dier stuurt om hem brood te bezorgen. Ik ben een vreselijke egoïst en denk alleen maar aan mezelf.”

Dus ging Gothart opnieuw het bos in en verzorgde de zieke Rochus. Maar Rochus wilde niet in zijn huis opgenomen worden. Door de trouwe vepleging van Gothart en het dagelijks bezoek, waarbij de hond hem vergezelde, veranderde Gothart volledig. Vóór die tijd waren zijn zinnen gericht op een aangenaam leven, goed eten en drinken; nu ontdekte hij in het behulpzaam zijn de liefde voor de naasten.

Toen de herfst naderde was Rochus genezen.
Hij. keerde terug naar Piacenza en verpleegde verder tot de ziekte geweken was. Toen ging hij terug naar het stille dal en bouwde een steviger kluizenaarshut, Door de hond, die hem het brood had gebracht, was er in hem een diepe liefde voor de dieren ontwaakt. Spoedig was hij bevriend met alle dieren in het bos. Ze kwamen vol vertrouwen naar hem toe en hij sprak met hen en verzorgde ze als dat nodig was.

Veel mensen, zochten Rochus op, om bij hem troost en versterking te krijgen. Ook gaf hij zieken goede raad en menigeen nam genezende kruiden mee, die Rochus verzameld en gedroogd had. Niemand ging bij hem vandaan, zonder dat hij hem vermaande: “Wees goed voor de mensen maar wees ook goed voor de dieren.”

Toen Rochus gestorven was, dachten duizenden, die hij verpleegd en getroost had:
“Rochus mag niet vergeten worden, hij bracht de ware liefde in praktijk”.

Zo gebeurde het dat zijn geschiedenis in veel landen verteld werd, dat kerken en ziekenhuizen zijn naam bewaarden. Onder de vele Rochus-afbeeldingen is er zelfs een altaar-afbeelding waarbij de trouwe hond aan zijn zijde staat. Dat zou Rochus zeker plezier doen, dat de hond ook niet vergeten is en met hem bij een altaar mag staan.

.

Jakob Streit: Ich will dein Bruder seinniet vertaald.

2e klas vertelstofalle artikelen

.

2005-1888

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-14)

.

ELISABETH VAN THÜRINGEN
.

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Elisabeth van Thüringen.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven. De schrijfster geeft ook haar heel persoonlijke beleving bij de kennismaking met deze vrouw. Ze verbindt Elisabeths leven met aspecten van deze tijd o.a. de vrouw-man relatie in menselijke zin – en toont daarmee dat ‘figuren uit vroegere tijd’ nog altijd van betekenis kunnen zijn voor de tijd waarin je nu leeft.

Lili Chavannes, Jonas 7, 27-11-1981*
.

Ruim tien jaar* geleden werd in Haarlem, bij de nieuwe behuizing van het St.- Elisabeth’s Gasthuis in de buitenwijk Schalkwijk, een beeld onthuld van Mari Andriessen. In de krant stond een afbeelding – om de een of andere reden was ik geboeid en een paar dagen later ben ik gaan kijken. Op een kaal, winderig veld met niet meer begroeiing dan wat onwennige dunne boompjes en het al te groene gras van opgespoten grond staat het: een man die zijn paard inhoudt, hoog verheven boven de voor hem staande vrouw. Zij kijkt naar hem op, maar aan haar houding is te zien dat zij haar aandacht heeft bij wat zij in de handen houdt. ‘Wat verberg je onder je mantel Elisabeth?’ vraagt de ruiter, Lodewijk van Thüringen. Met een schuchter en tegelijk vrij gebaar toont zij het hem. Het waren broden. Het zijn rozen, die hij ziet.

Zoals ik daar stond te kijken in wat de tuin van het St.-Elisabeth’s Gasthuis moest worden, was ik niet zozeer getroffen door het beeldhouwwerk zelf als wel door het beeld dat er doorheen oplicht: het brood dat in Elisabeths handen tot rozen wordt. Vanaf die tijd word ik af en toe aan haar herinnerd. Twee jaar later, we zijn inmiddels verhuisd, brengt iemand een klein, tweedehands boekje voor me mee: Von Elisabeth der Thüringerin, geschreven door Herbert Hahn. Ik las het in het kraambed en werd erdoor ontroerd, aangeraakt. Net als bij het beeld van Andriessen was het niet in de eerste plaats door de vorm, een prachtig geschreven, dichterlijk verhaal met een rijke gedachte-inhoud, maar ook en vooral door de figuur van Elisabeth. Waar komt de aantrekkingskracht vandaan die een historische figuur op je uitoefent? Speelt hier misschien ook mee dat ik haar naam draag? In ieder geval waren we nog niet met elkaar klaar.

Het boekje van Hahn gaf ik een paar jaar later weg aan een vriendin die ik op dat moment de kracht toewenste die het voor mij vertegenwoordigde. Ongeveer een jaar geleden kwam Elisabeth me weer in gedachten toen we in een groep zochten naar iets inhoudelijks waarmee we onze werkavond konden openen. Ik leende het boekje van Hahn uit de bibliotheek en herlas het. Opnieuw die ervaring van aangeraakt te worden, met weer heel andere perspectieven dan indertijd, krachtiger, dwingender. Zou ik iets over haar op papier willen zetten?

Meer documentatie vond ik onder andere in het schitterende boek van Mary Lavater-Sloman ‘Triumph der Demut’. En ook voor me uit schuiven, uitstellen. Tot iemand me twee weken geleden vertelde dat het 17 november de zevenhonderdvijftigste sterfdag van Elisabeth van Thüringen zou zijn. Ik was verbaasd, maar voelde me vooral ook beantwoord.

De tijd waarin Elisabeth geboren wordt, het begin van de dertiende eeuw, is een overgangstijd. De oude ridderlijke idealen beginnen aan kracht in te boeten. Het geld gaat een rol spelen in de maatschappij; de handel is bevorderd door de kruistochten. De kleine nederzetting onderaan de voet van een burcht groeit uit tot een stad, waarin de burgerlijke stand groot wordt ten koste van aan de ene kant de boeren en aan de andere kant de adel, die wel grond bezit maar geen gemunt geld om hun kostbare hofhoudingen mee in stand te houden. De kerk doet voor hen niet onder in de vorstelijke pracht waarmee zij zich omkleedt. Ook de kloosterorden vergeten voor het gemak de gelofte tot armoede. Tegelijkertijd probeert de kerk haar autoriteit te handhaven door heksenprocessen en kettervervolgingen.

In deze tijd ontstaan de bedelorden, waarin het armoede-ideaal opnieuw met nadruk op de voorgrond komt. Franciscus van Assissi en Elisabeth zijn tijdgenoten en ook geestverwanten, al hebben ze elkaar nooit ontmoet. Op het politieke toneel speelt zich de machtsstrijd af tussen kerk en staat, tussen paus en Duitse keizer, met het nog steeds levende kruistochtideaal als machtsmiddel.

Als Elisabeth dertien jaar is wordt Frederik II van Hohenstaufen, pupil van de beroemde paus Innocentius III en opgevoed aan de Saraceense universiteit van Palermo op Sicilië, tot keizer gekroond, vijfentwintig jaar oud. Zij zullen elkaar ontmoeten, de heilige Elisabeth en Frederik de Saraceen.

Koningsdochter

Elisabeth wordt in 1207 geboren als Hongaarse koningsdochter en al snel uitgehuwelijkt – verhandeld – aan Lodewijk van Thüringen, die zeven jaar ouder is dan zij en dus ook nog van niets weet. Als de vierjarige Elisabeth op de Wartburg, het slot van de landgraven van Thüringen, komt om zo vlug mogelijk een passende opvoeding te krijgen, groeien ze samen op. Er ontstaat een diepe vriendschap en later – ze trouwen als Elisabeth veertien is! – een hartstochtelijke liefde, wat kennelijk de moeite van het optekenen waard was, getuige de kroniek van de kapelaan van de Wartburg.

Al vroeg toont Elisabeth zich innig verbonden met het christelijk geloof en ervaart zij schrijnend de bijna onoverbrugbare kloof tussen het feestelijke, weldoorvoede en verkwistende leven aan het hof en de werkelijk onafzienbare ellende van de armen en zieken eromheen. Twee werelden die naast elkaar liggen, maar elkaar nergens raken. Met afgewend gelaat een aalmoes geven, dat mag en hoort, meer niet.

Elisabeth kon dat niet. Zij gaf waar ze kon, brood, hemden die ze zelf naaide met haar dienstmaagden, ook haar eigen mantel en lijfgoed. Steeds meer blijkt ze ‘anders’ te zijn, niet alleen uiterlijk met haar kleine, tengere gestalte, bruine haar, donkere ogen en huid, te midden van de struise, blonde en blanke Duitse edelvrouwen, maar ook innerlijk, zoals ze het beleden geloof tot levenswerkelijkheid wil maken.

Er wordt overwogen haar terug te sturen naar Hongarije; een groter schande is er niet voor een meisje, dan afgewezen bruid te zijn. Maar Elisabeth gaat door alsof haar niets boven het hoofd hangt, en gelukkig komt Lodewijk, die inmiddels zijn vader als landgraaf is opgevolgd, haar te hulp. Het huwelijk vindt plaats. In het jaar daarop wordt Lodewijk ontboden bij keizer Frederik II om hem een tijd in zijn hofhouding gezelschap te houden. Ze zijn neven en ook vrienden.

In het Thüringse land is hongersnood en de vijftienjarige Elisabeth staat er alleen voor. Zij doet wat zij kan, deelt brood uit tot de voorraadschuren leeg zijn, maakt de schatkist te gelde en bouwt een klein ziekenhuis onder aan de Wartburg waar zij zelf de zieken verpleegt. Zij verdeelt land onder de armen en geeft ze een ploeg, zodat ze zichzelf kunnen helpen. Als Lodewijk terugkomt zijn de gemoederen zeer verhit, maar hij blijft haar steunen. Het is echter niet te verbazen dat haar landgrafelijke schoonfamilie ontzet is; het is niet alleen dat zij het familiebezit als sneeuw voor de zon zien verdwijnen, het is ook zo dat Elisabeth door zich zo daadwerkelijk in te laten met armen en zieken, zelfs melaatsen, alle geldende gedragsregels van die tijd met voeten treedt. Als zij later, na Lodewijks dood, min of meer verstoten wordt van de Wartburg wordt zij bespot en veracht, zelfs ook door de mensen die ze vroeger geholpen heeft. Zij doorkruist alle bestaande verhoudingen en dat wordt haar door hoog én laag kwalijk genomen.

In het jaar 1227 gaat Lodewijk met Frederik ter kruistocht. Het is de kruistocht die uitloopt op de zelfkroning van Frederik tot koning van Jeruzalem. Frederik heeft dit bereikt door listige onderhandeling, waarbij zijn Saraceense opvoeding hem te pas kwam, en dit wordt hem door de christelijke wereld niet in dank afgenomen: de belangrijkste ridderlijke gelofte was die tot strijd om het heilige graf. Maar zelfs nog vóór de schepen de oversteek maken over de Middellandse Zee is Lodewijk al bezweken aan een korte, hevige ziekte. Het bericht bereikt Elisabeth ruim een half jaar na de geboorte van haar derde kind.

Met haar kinderen en twee trouwe dienaressen trekt zij, midden in de winter, in grauw boetekleed, weg van de Wartburg waar men haar het leven onmogelijk maakt. Nergens wordt zij opgenomen, onderdak vindt zij ten slotte in een schuur, tot haar oom, bisschop van Bamberg, gekwetst in zijn familie-eer, haar bij zich neemt en min of meer gevangen houdt. Hij heeft inmiddels een huwelijksaanzoek voor haar gekregen van… keizer Frederik II. Elisabeth wijst het af, trouw aan haar liefde voor Lodewijk en ook aan haar gelofte tot navolging van Christus.

De laatste jaren van haar leven worden beheerst door een wonderlijke, onheilspellende figuur, Konrad von Marburg, een berucht kettervervolger in zijn tijd, die het tenslotte zelfs in de ogen van de kerk te bont maakt en door het volk gedood wordt. Zoals Lodewijk de lichtkant in haar leven vertegenwoordigde, zo staat deze man voor de schaduwkant. Hij heeft Elisabeth, als haar zelfgekozen biechtvader, de gruwelijkste boetedoeningen en geselingen doen ondergaan.

Onder zijn ‘hoede’ beleeft Elisabeth als een roos in de herfst haar tweede bloei in het ziekenhuis van Marburg. Haar lichamelijke krachten worden onder de zware geestelijke oefeningen die zij doet steeds brozer, maar dag en nacht is zij voor de zieken bezig. Uit deze tijd stammen vele verhalen over de wondergenezingen die zij verricht.

Op 17 november 1231 sterft Elisabeth van Thüringen, vierentwintig jaar oud. Vijf jaar later wordt zij door de katholieke kerk heilig verklaard. Haar gebeente wordt opgegraven om er een waardiger plaats aan te geven. Duizenden mensen zijn erbij, ook keizer Frederik is aanwezig. Hij neemt de kroon van zijn hoofd en drukt hem op de schedel van Elisabeth: ‘Wat in leven niet kon gebeuren, moge ik nu in de dood voltrekken.’

Biografie

Hoe dat is, de biografie na te gaan van iemand die zo lang geleden leefde en bovendien een heilige werd, met alle legendevorming van dien? Er zijn oude kronieken waarin sober en kort de belangrijkste feiten opgetekend staan uit haar leven. Toch zijn die aantekeningen niet meer dan een dood geraamte. Een levende persoon zal je daaruit niet op eigen kracht tegemoet treden. Er kan verschillend mee omgegaan worden. Er is het gevaar van dweperij met een dood persoon vol toegedichte goede eigenschappen. Dat worden dan geromantiseerde biografieën, wonderverhalen waarin de figuur kunstmatig beademd wordt tot een niet levensvatbaar bestaan van zoetelijkheid. Een bidprentje, dat onbeperkt vermenigvuldigd kan worden en in de hand gedrukt ter illustratie van bijvoorbeeld naastenliefde. Een andere mogelijkheid is alleen naar de historische feiten te kijken en ze te laten voor wat ze zijn: dor takkengekraak van verleden zomers. Dat is de Elisabeth van de geschiedenisboekjes, een heilige uit de lange rij van katholieke heiligen, met haar eigen jaartallen.

Er is een derde mogelijkheid

Eerst kan je proberen een zo duidelijk mogelijk beeld te vormen van iemands leven op grond van historische feiten. Daar hoort bijvoorbeeld ook de omgeving bij, de tijd waarin de figuur leeft. Je kunt de beelden glijdend in elkaar over laten gaan, zoals wel gebeurt bij diaprojectie. De beweging die je dan ziet is niet die van de historische, tot leven gebrachte figuur, maar het is een beweging die je zelf, als lezer, tot stand brengt. Er worden plekken zichtbaar waar je je toe aangetrokken voelt, die je afstoten, plekken die je verbazen; er zijn waarschijnlijk ook plekken die je niet ziet, omdat je er niets bij voelt. Ik denk dat je vervolgens met die plekken aan de gang moet gaan, ze innerlijk heen en weer moet wiegen. Op de een of andere manier spreken ze je aan, want je voelt er iets bij.
Ze sluiten aan bij dingen die voor jou, op dit moment, een levenswerkelijkheid zijn. Je kunt proberen die aansluiting voor jezelf onder woorden te brengen, eerst associatief, dan langzamerhand met meer bewustzijn. ‘Haken en ogen, tikke takke togen’, zing ik voor mijn dochter. Dat is het een beetje: voor die plekken in een biografie waarvan je het gevoel hebt dat het ‘haken’ zijn, moet je de bijpassende ‘ogen’ in je eigen werkelijkheid vinden. Pas als de haakjes ingehaakt zijn kunnen ze weer tot leven komen en bevruchtend gaan werken. De figuur wordt dan levend, kan je letterlijk iets gaan zeggen, niet vanuit zijn historische context en levensgeschiedenis, maar vanuit de impuls waarmee hij daarin stond.
Het vraagt een zekere moed om die innerlijke verbinding te durven aangaan. Wat zijn we in de wetenschap niet opgevoed met de onaantastbaarheid van historische feiten en de verkrachting daarvan die te vrezen is zodra de mens ze in een visie opneemt!

Vervroeging

Terug naar Elisabeth van Thüringen. Wat is eigenlijk het bijzondere aan Elisabeth? In haar tijd was wat zij deed niet zo uitzonderlijk. Duizenden deden de drie grote geloften: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Vasten, kastijdingen en urenlang gebed waren geen uitzonderingen. Wat zagen de mensen voor bijzonders in haar? Want al tijdens haar leven verbreidde zich haar roep ver buiten de eigen kring.
Elisabeth was arm, kuis en gehoorzaam, maar het buitengewone was dat zij midden in de wereld stond en niet binnen de beschermende muren van een klooster. Zij deed de geloften uit eigen vrije wil aan zichzelf – zij vastte voor een vorstelijk voorziene tafel, zij kon kiezen tussen een keizerinnenkroon en de beddensteek en koos het laatste. Elisabeth was vrij op een tijdstip in de mensheidsgeschiedenis waar dit soort zielenvrijheid nog nauwelijks ergens zichtbaar was. Zoals haar hele biografie in het teken staat van een ongelooflijke vervroeging: lot voor een heel leven samengeperst in vierentwintig jaar, zo treedt dit realiseren van innerlijke vrijheid in haar vervroegd op in de mensheidsgeschiedenis. Hierin is Elisabeth haar tijd ver vooruit. In het boek van Mary Lavater-Sloman komen de lichamelijke kastijdingen die Elisabeth zichzelf oplegt of opzoekt in de figuur van Konrad von Marburg vrij uitvoerig aan de orde.
De opvatting dat pijniging van het lichaam met zijn driften en lusten de ziel kan louteren, is in de middeleeuwen algemeen geaccepteerd. De twintigste-eeuwer die het leest kan er – met zijn verontwaardiging over politieke martelingen in zijn tijd – moeilijk in mee gaan. De zelfgekozen kastijdingen doen hem hysterisch aan. Zo ging het mij ook. In Elisabeths biografie leek het een bijzaak waarmee ik niet veel kon beginnen.
In dezelfde tijd las ik ook het boek dat Christiane F. met behulp van twee journalisten schreef over haar ervaringen als junkie ‘Wir Kinder vom Bahnhof Zoo’. Het is een aangrijpend verslag van een jong meisje dat via de woestenij van een Berlijnse Bijlmermeer, een kerkelijk jeugdcentrum en een discotheek- heroïnespuitster wordt. Ze blijft pogingen doen om de weg terug te vinden. De zelfgewilde afkickperioden – met de lichamelijke ontwenningsverschijnselen die daarbij optreden – zijn werkelijke zelfkastijdingen van de vijftienjarige Christiane. En zevenhonderdvijftig jaar geleden was daar een even oude Elisabeth die haar ziel wist vrij te maken. Onvergelijkbaar? Ja, misschien. In ieder geval maakte deze associatie voor mij naar beide kanten iets duidelijk. Elisabeths kastijdingen kunnen voortgekomen zijn uit dezelfde behoefte ‘clean’ te zijn als Christianes afkickpogingen, hoe verschillend zij beiden het onreine ook ervoeren. En naar de andere kant: Christianes afkickpogingen hebben meer te betekenen dan alleen het ontgiften van haar lichaam. Ze hebben naar mijn gevoel ook te maken met het ontwikkelen van een vrije ik-kracht, tegen alle verdrukking van omstandigheden en drugs in.
In onze tijd is dat misschien een herkenbaar menselijk streven aan het worden, in Elisabeths tijd was het in de mensheidsontwikkeling nog niet aan de orde. Zij loopt vooruit op die ontwikkeling, dat is het buitengewone in haar biografie en als zodanig ook door de mensen van haar tijd erkend. Een heiligverklaring, nog geen vijf jaar na de dood, is snel.

Elisabeth, een vervroegde mensenziel in haar tijd. Herbert Hahn stelt in zijn boekje haar leven in een indrukwekkend perspectief. Hij schildert hoe ook Frederik II van Hohenstaufen op zijn manier een te vroeg geborene was. Hoe hij, zo jong al keizer van het christelijk avondland, vanuit zijn Saraceense achtergrond de eigenlijke christelijke impuls gemist heeft; hoe hij, krachtig in de daad en gescherpt in het Arabische denken, in het gevoelsgebied te kort schiet en dat ook weet. Frederik de Andere wordt hij ook wel genoemd. Als hij Elisabeth ontmoet op de Wartburg herkent hij in haar de aanvulling die voor hem levensnoodzaak is. Hij herkent de zielenhouding die de zijne kan aanvullen en werkelijk vruchtbaar maken.

Hahn schildert, meer als visionair kunstenaar dan als historicus, hoe de wereldgeschiedenis haar adem inhoudt bij de ontmoeting van deze twee vroegelingen, beiden groten van hun tijd. Zullen ze elkaar werkelijk aanraken? Elisabeth herkent hem niet en gaat aan hem voorbij, zijn kroon slaat ze af. Maar de belofte die zij in haar leven draagt, het dode denken levend te maken, de kiem voor het natuurwetenschappelijk denken te bevruchten, die belofte vervult zij niet. Na het afslaan van Frederiks huwelijksaanzoek maakt zij, bij alle activiteit in het Marburger ziekenhuis, een terugtrekkende beweging, zij mist de kracht de wereld werkelijk te veranderen. De kloof tussen geloof en wetenschap wordt niet overbrugd, integendeel, wordt steeds wijder.

Steeds weer, ook in later tijd, is Thüringen het toneel van verzoeningspogingen tussen deze twee uitersten: het heldere, natuurwetenschappelijke denken dat via de universiteit in Palermo op Sicilië uit het mohammedaanse cultuurgoed stamt, en het christelijk geloof, gevoelsrijk maar in haar bronnen onkenbaar. Luther werkte op de Wartburg; Goethe en Schiller ontmoetten elkaar in Thüringen en Rudolf Steiner schreef in zijn Thüringse tijd zijn boekje over de kentheorie, waarin hij het gesprek tussen Goethe en Schiller als het ware afrondt. Wat een plek, dat Thüringen. En ook wat een visie. Het boekje van Hahn hoort tot de mooiste die ik ken.

‘Haken en ogen, tikke takke togen’, waar haak ikzelf in? Met een andere invalshoek op hetzelfde gegeven zou je kunnen zeggen dat Elisabeth heel geconcentreerd en zuiver de vrouwelijke zielenhouding in beeld brengt, terwijl Frederik exponent is van de mannelijke zielskrachten. Om misverstanden te voorkomen wordt in dergelijk verband wel gesproken van feminiene en masculiene kwaliteiten: ik vind dat geen mooie woorden en denk dat niemand tegenwoordig zich zo uitsluitend ‘man’ of ‘vrouw’ voelt dat hij of zij niet zou begrijpen wat er bedoeld wordt met vrouwelijke en mannelijke ziele-kwaliteiten. Dat Elisabeth een vrouw is en Frederik een man, is min of meer toevallig. Elisabeth vertegenwoordigt dus de vrouwelijke kwaliteiten, Frederik de mannelijke. Zij lopen elkaar mis, er komt geen verbinding tot stand die zo vruchtbaar is dat er twee ‘hele’ mensen uit te voorschijn komen. Elisabeth gaat haar weg, die haar letterlijk en figuurlijk van de aarde wegvoert, Frederik gaat de zijne die aan schizofrenie grenst. Maar de mogelijkheid tot bevruchting, tot ‘heel’ maken was er wél, ook al werd zij niet verwerkelijkt.

Dat geeft het beeld van Elisabeth zoveel zeggingskracht voor mij in deze tijd. Naast alles wat zij in haar leven wel verwerkelijkte, blijft er iets als een gemiste kans in haar. De kracht van die hoopvolle kans blijft bewaard in het sprookjesachtige beeld van het brood dat in rozen verandert. En dat zegt me wat, want lijkt het er niet op dat het feminisme door zich op haar eigen burcht terug te trekken opnieuw een werkelijke ontmoeting met al de mannelijke elementen in de maatschappij mis gaat lopen? Natuurlijk, er zijn er genoeg die het signaleren, maar het moet nu ook werkelijk gebeuren. De mannelijke kwaliteiten bezitten kracht en helderheid, maar zijn in zichzelf onvruchtbaar. De kwaliteit van het vrouwelijke is warmte en continuïteit en moet zichzelf, ook ongevraagd, durven geven. Nogmaals, het is niet aan man-zijn of vrouw-zijn gebonden. In ieder mens en op iedere plek in de maatschappij kan dat gebeuren.

Zo komt er uit de levensgeschiedenis van een vrouw, die zevenhonderdvijftig jaar geleden stierf, een beeld tevoorschijn dat toekomstkracht voor me heeft en waarmee ik iets beginnen kan. Elisabeth zou een boegbeeld kunnen zijn voor een vruchtbare vorm van feminisme als die wil staan voor het inbrengen van vrouwelijke kwaliteiten in een mannelijke maatschappij.

.
Elisabeth von Thüringen: meer

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein– niet vertaald.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Alle biografieën

.

1987-1870

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (9)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

Gullivers reizen

Wat enigermate gezegd kon worden van een boek als „De Negerhut van oom Tom” en in veel sterker mate van „Don Quichotte”, dat geldt nóg duidelijker voor „Gullivers reizen”. Dit boek van Jonathan Swift is van tendens-„roman” in de loop van de tijd gedenatureerd tot jeugdboek. Tot een niet eens meer zó bekend jeugdboek bovendien. Waarbij de jonge lezer dan wel onmiddellijk zal begrijpen dat deze Lemuel Gulliver, de hoofdpersoon, geen wezen is geweest van vlees en bloed. Een schepping slechts uit papier en drukinkt – dat is duidelijk. De strekking – het oefenen van kritiek op allerlei maatschappelijke en politieke toestanden – zal nu, 250 jaar later, veel minder indringend geworden zijn. Uiteraard.

In 1726 kwam „Gullivers Travels into Several Remote Nations of the Worlds by Lemuel Gulliver, first a Surgeon, and then a Captain of Several Ships” van de pers. Het heeft Swift een voorarbeid van vele jaren gekost. Men neemt aan dat hij al in 1720 met de opzet ervan is begonnen. In de opvolgende delen laat hij de scheepsarts, resp. scheepskapitein, terechtkomen in vreemde landen met telkens andere, ook weer vreemde, maatschappelijke systemen. Eerst in Lilliput. Daarna in Brobdingnag. Later in Luggnagg, in het land der Hounyhnhnms en op het eiland Glubbdubrib. Via die ontdekkingen en ervaringen weet de uitermate kritisch ingestelde auteur dan zijn zegje te doen over toestanden in Engeland. Over de corruptie in het sociale en politieke leven en over de bedrieglijke uiterlijke schijn in het godsdienstig leven daar. En daar niet alleen. Eigenlijk botst hij in zijn felle kritiek op tegen de hele mensheid en de menselijke instellingen in het algemeen.

Alleen de eerste twee boeken, „Lilliput” en „Brobdingnag” – die over het land der lilliputters en dat der reuzen – zijn tot grote bekendheid gekomen. Die zijn dan ook in veel talen overgebracht en tweehonderdvijftig jaar lang in handen gebleven, zij het steeds meer als amusementslectuur voor de aankomende jeugd.

Jonathan Swift (3/11-1667 tot 19/10-1745)

Hij leefde dus in de tijd van de „Glorious Revolution”. Van Willem (III) en Mary. Van koningin Anna en, na haar, van het Huis Hannover met zijn Georges. Van de partijstrijd tussen Whigs en Tories.

Een iets jongere tijdgenoot was hij van Daniël Defoe. En via het hof en de regeringspersonen rondom Willem III moeten die beiden – Swift en Defoe – elkaar haast zeker hebben gekend. Ook als publicisten moeten ze haast connecties hebben gehad. Merkwaardig tenminste, hoeveel parallels er is in hun beider levensloop, hun kritische instelling en hun werkzaamheid.

Terwijl het begin van Defoes leven zich duidelijk aftekent, is dat van Jonathan Swift nogal wazig. Hij moet in Dublin geboren zijn uit een oud predikantengeslacht. Zijn vader, procureur, stierf voor Jonathans geboorte. Zijn moeder trok met haar gezin bij een zwager in, die ook voor de opleiding van zijn neef zorg droeg. Dat intussen zo karig, dat Swift later daarover sprak als over „zorg voor een hond”. Een fleurige jeugd had hij dus allerminst. Zijn allereerste drie kinderjaren bracht hij bovendien, met zijn moeders toestemming, door in de familiekring van een kindermeisje. De vraag komt op, of hij mogelijk mede door dit onvriendelijke begin des levens tot de sarcastische, verbitterde mens is uitgegroeid die hij later was …

Zijn predikantsstudie brak hij af. Dan vinden we hem terug als secretaris van de, ook in onze historie bekendere diplomaat William Temple. En daardoor in de periferie van Willem III, die hij – evenals Defoe – zeer bewonderde.

In 1692 voltooide hij toch nog zijn opleiding tot predikant. In Ierland vond hij als zodanig een nieuwe werkkring. Scherp kon hij lostrekken tegen misstanden in de Kerk. Maar bij alle kritiek op de Kerk als lichaam, als organisatie, liet hij het christendom zelf onaangetast. Ook de politiek liet hem niet los. Zijn felle pen werd in Engeland een gevreesd wapen. Teleurgesteld in de Whigs was hij overgelopen naar de Tories. En aan de val van Marlborough heeft zijn kritiek stellig meegewerkt. Als regeringsadviseur had hij een belangrijk aandeel in de Vrede van Utrecht, die achter de rug van onze Republiek om, met Frankrijk in 1713 werd gesloten („Bij u, over u en zonder u”).

Op de Hollanders was hij trouwens fel gebeten. Dat komt op verschillende plaatsen van zijn werk naar voren. Waarom of waardoor, is mij niet bekend.

Na de val van de Tories (1714) verplaatste hij zijn activiteiten weer naar Ierland. Hij kwam er op voor de rechten der onderdrukte leren, vooral van de protestanten onder hen. De toon van zijn diverse geschriften werd er niet zachtzinniger op. Hij was befaamd en gevreesd …

Swift zelf werd bij het klimmen der jaren evenmin zachtzinniger. Invloed van zijn moeilijke eerste twintig levensjaren? Droeg hij de last van homofilie mee? (Dat wordt namelijk wel verondersteld). – Een hinderlijke oorziekte maakte hem het leven moeilijk en hem tegelijk tot een moeilijk mens. – (En zou een voortdurend onbarmhartig kritisch waarnemen van de omgeving iemand op den duur zelf onaangetast kunnen laten? Loopt hij op den duur niet de kans te verzuren en te verbitteren? Een gevaar voor élke criticus?)

Swift werd een moeilijke knorrepot. Een mens met een sombere ouderdom (Hier treft weer de overeenkomst met Defoe). Wie zal er anders gemakkelijk toe komen een eigen grafdicht van bijna 500 regels te maken? (“The Death of dr. Swift”).

Hij stierf 14 jaar nadien in Dublin. Juist, zoals hij altijd had gevreesd: in een vrijwel volkomen geestelijke onmacht ….

Wel een tragisch einde voor een man die met een zo schitterend intellect begiftigd was. Met al zijn briljante mogelijkheden toch een min of meer mislukt mens … Waarvan de jeugdige lezers gelukkig geen besef hebben. Laten zij hem maar een amusante schrijver vinden.

In 1967 is zijn 300-jarige geboortedag hier en daar herdacht. Zo door de heer J. Simons in „Studium Generale”. Diens artikel droeg voor deze bijdrage verschillende gegevens aan.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1968-1852

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – – Is het echt gebeurd? (7)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

Buffalo Bill

Om daarmee maar te beginnen: Buffalo Bill – „Bison-Willem” – heeft werkelijk geleefd. Van 26 februari 1846 tot 10 januari 1917. Er is zelfs een kleine mogelijkheid, dat onder de lezers van dit artikel een enkele zou kunnen verklaren: „Ik heb hem zelf nog (aan de gang) gezien”. Maar daarover straks meer.

Buffalo Bill heeft dus werkelijk geleefd. Officieel zal hij in de Amerikaanse burgerlijke stand – of wat daarvoor een eeuw geleden moest doorgaan – te boek staan onder de naam: William Frederick Cody. Waaraan dan nogal eens een keer de wijdse titel „kolonel” werd en wordt toegevoegd. (Dergelijke, op niets steunende, versierende toevoegingen kwamen destijds nogal eens voor. Denk maar aan „kolonel” Drake, de gepensioneerde treinconducteur, die naam maakte door de eerste olieboring).

De legendarische held

Zijn, aan avonturen rijke, loopbaan begon bij de z.g. „pony-express”. Dat was een postdienst over het Noordamerikaanse continent van oost naar west v.v. Dwars door Indianengebieden en door van bandieten wemelende en onveilige streken. Als zo’n koerier – die wel niet op een pony zal hebben gereden – heeft William Cody natuurlijk wel zo het een en ander beleefd. Daarna werd hij „scout”, verkenner en gids, in dienst van het naar het westen opdringende Amerikaanse leger.

En toen bizonjager, waaraan hij de naam „Buffalo Bill” te danken heeft. Ten behoeve van de vleesvoorziening van dat leger en van het arbeidersleger, dat de glimmende staven van de Pacific-lijnen gestadig verder naar het westen schoof, maakte Cody jacht op de bizons, die toen nog in groten getale de prairies bevolkten. Er staat van hem opgetekend, dat hij in 17 maanden niet minder dan 4280 bizons neerlegde. (In onze tijd zou hem dat geen heldenrol meer opgeleverd hebben).

Intussen was hij door allerlei staaltjes van rij- en schietvaardigheid, van onverschrokkenheid en slimheid hoofdpersoon geworden in tal van boeken, toneelstukken en vooral van goedkope bontgekleurde driestuivers-afleveringen (als het ware de verre voorgangers van de kleuren-tv). Een zekere Ned Buntline heeft ze bij honderden op de markt geslingerd. (En wij, zo tussen 1910 en 1915, maar turen naar de voor ons onbereikbare floddertjes achter de ramen van de kleine, grauwe boekzaakjes, waar dat schoons te prijken lag. Cowboys in hoge stevels en in gele en rode gefranjede jassen. Een zware revolver in elke hand. Soms ook vastgesnoerd en overgeleverd aan dreigende Indianen of prairie-rovers… De spanning droop ervan af…)

Cody zelf heeft zich ook aan dat soort literatuur gewaagd. Gelukkig, dat hij daarbij een zuster ter beschikking had, die zijn letterkundige producten in elk geval van de benodigde leestekens en hoofdletters kon voorzien.

Op reis

Toen het midden van de Verenigde Staten zo’n beetje gepacificeerd was, stapte B. B. over naar de show-branche. Met een grote en bonte troep Indianen, scherpschutters, scouts, enz. trok hij rond. Eerst in de Ver. Staten. Later in Europa. Een enkele bron zegt: door de halve wereld, maar of dat waar is? Wél waar is, dat zijn voorstellingen overal enorme toeloop kregen. Niet alleen van de jeugdige lezers der driestuivers-afleveringen, maar ook van hooggeplaatsten. Zelfs vorsten en hun hoven kwamen zien naar Buffalo Bill en zijn schilderachtige troep. Naar, bijvoorbeeld, de overval op een postkoets in het Wilde westen, want ook daarvoor waren alle attributen meegebracht…. Bijna echt, den volke voorgetoverd in circustent of arena …En vooral naar de man zelf. Tot zijn zeventigste jaar bleef hij in zijn groep de hoofdpersoon. Gezeten op een door de arena galopperend paard schoot hij op die leeftijd nog feilloos de glazen bollen stuk, die helpers van alle kanten omhoog gooiden. Tot zijn dood in 1917…

Na 1917

Als mijn geheugen me niet bedriegt – ik was toen nog maar een 16-jarige Haarlemse kwekeling – heeft men Buffalo Bill een graf gegeven in de ruime wereld, waarin hij altijd geleefd had. Op een heuvel bij de stad Denver, de hoofdstad van Colorado. Daar, waar het Rotsgebergte naar het oosten overgaat in „golvende prairies, soms doorsneden door droge rivierbeddingen, met als enige begroeiing de pretentieloze grijze struiken van de sage-brush”. (Of daar nu nóg de prairie-wind, gekomen van mijlenver, ongebroken over de heuvels waaien kan? In de stad Buffalo is een museum, gewijd aan de tijd van de Indianen en van W. F. Cody. Er hangen portretten van „Pretty Eagle” en „Big Crow” en andere grote Indianenhoofden uit zijn tijd.

In de plaats Cody – die ik op mijn atlas niet vinden kan – moet een museum zijn, geheel gewijd aan de man, die zijn naam er aan gaf.

Op 4 maart 1976 stierf in Corpus Christi (Texas) op 105-jarige leeftijd het Siouxopperhoofd „Rode Vos”. Hij was een van de grote figuren uit B. B.’s Wild West-show. Daarenboven een zeer gewaardeerde autoriteit op het gebied van de Indiaanse geschiedenis. Zo van de slag bij Little Big Horn (1876) waarin generaal Custer met zijn gehele zevende regiment cavalerie tegen de Indianen het leven verloor.

Ruim twee maanden later, op 7 mei 1976, werd op een veiling bij Christies in Londen William Fredericks befaamde Winchesterbuks uit 1883 te koop aangeboden. Voor ruim ƒ 5000,— werd een Amerikaanse verzamelaar de nieuwe eigenaar ervan.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1964-1848

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (6)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

.

Von Münchhausen

Opnieuw zijn we in Duitsland, en niet eens zo ver van de streken en plaatsen waar in de 14de eeuw ene Tijl Uilenspiegel zijn stekelige zotternijen bedreef. Alleen – we zijn vier eeuwen verder in de tijd. En – we hebben ditmaal met een boekenheld te maken over wie ineens veel meer met zekerheid bekend is. In zijn capriolen mag de fantasie dan overvloedig meespelen, wat de persoon betreft liggen allerlei feiten in jaartallen en plaatsnamen vastgenageld.

Carl Friedrich Hironymus von Münchhausen leefde van 11 mei 1720 tot 22 februari 1797. Leefde en stierf op een landgoed bij Bodenwerder, aan de Weser gelegen tussen Höxter en Hameln (alweer zo’n plaatsnaam waaraan een fantastisch verhaal verbonden is. Het is me alleen niet gelukt vast te stellen of zelfs dat gruwelsprookje van de rattenvanger, ondanks alles wat er allemaal is bijgesleept om het „mooier” te maken, toch misschien nog ergens in de verre diepte op een of ander historisch gegeven berust. Dat zou kunnen).

Maar, we gaan naar baron Carl von Münchhausen terug. Een avontuurlijk persoon is hij stellig geweest. In 1738 trad hij in Russische krijgsdienst. Volgens de een heeft hij daarin tot 1 741 deelgenomen aan de strijd tegen de Turken. Volgens de ander vinden we hem pas in 1750 weer op zijn bezittingen aan de Weser terug.

Uit de bijna halve eeuw daarna zijn van hem twee dingen bekend. Zijn hartstochtelijk bedrijven van de jacht èn zijn bereidheid om in gezelschap zijn bonte avonturen te vertellen, zoals hij die in zijn Russische diensttijd en op zijn jachttochten beleefd zou hebben.

Die verhalen zijn wel langs een wonderlijke weg wereldkundig geworden.

Een van zijn dankbaar luisterende toehoorders was de archeoloog en geoloog Rudolph Erich Raspe. Deze moest evenwel de gezellige kring rondom Von Münchhausen hals over kop verlaten, doordat hij beschuldigd werd van diefstal uit het muntenkabinet te Kassel. Hij vluchtte naar Engeland. In Oxford verscheen in 1876 van zijn hand het boek „Baron Münchhausens reizen en avonturen”. Een Engels werk dus. Maar al heel spoedig werd het door de Duitse dichter Bürger in Münchhausens eigen taal teruggebracht. En daarna in de meeste veel verspreide talen overgezet.

De Franse uitgave van 1862 won nog belangrijk aan aantrekkelijkheid door de beroemde illustraties van Gustave Doré.

Wie zich door het voorafgaande mogelijk nog niet voldoende van de historiteit van Von Münchhausen overtuigd acht, hij kan ter meerdere bevestiging een reis naar Bodenwerder aan de Weser ondernemen. Daar zal hij op een eiland in de rivier het graf van deze adellijke verteller aantreffen. —Begeeft hij zich daarna naar het stadhuis van het oude stadje, dan zal hem medegedeeld kunnen worden dat hij zich daar in het vroegere woonhuis van de fantasierijke baron bevindt.
Sterker nog: men zal hem daar de stoel kunnen tonen waarin de verteller zat als hij voor een aandachtig publiek zijn avonturen schilderde. Bovendien de pijp, waaruit hij dan ondertussen placht te roken. En tenslotte de revolver, die in zijn belevenissen een belangrijke rol speelde.
.

Vertelstofalle artikelen

.

1962-1846

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (5)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

.

Tijl Uilenspiegel 

De hoofdpersonen uit de vier voorgaande artikelen leefden (of werden geacht geleefd te hebben) op Nederlandse bodem. Met Tijl Uilenspiegel verlaten we het vaderlandse erf. Op zijn best heeft deze sinjeur in Vlaanderen van zich laten zien en horen, maar ook dat is allerminst zeker.

Er is een tijd geweest, waarin men hem gemakshalve indeelde bij de Hans Brinker-categorie. Bij die van de fantasiefiguren dus. Maar daarvan zijn de meesten nu toch wel teruggekomen. Algemeen wordt tegenwoordig aangenomen dat er in elk geval wel „een” Tijl Uilenspiegel heeft bestaan en dat van de in omloop zijnde verhalen ook wel een overigens onbekend aantal op diens rekening kan geschreven worden.

Een en ander kan dan zelfs met jaartallen en topografische gegevens min of meer bevestigd worden.

De historie spreekt

Plm. 1335 komt de naam „Tijl Uilenspiegel” voor het eerst voor, en wel in het Brunswijkse. (Natuurlijk hier en nu, elders en later, met afwijkingen in de schrijfwijze: Till Ulenspegel, Ulenspiegel, enz.) Door velen wordt daar de stad Kneitlingen als zijn geboorteplaats aangemerkt.

Ten aanzien van zijn overlijden staat het jaar 1350 te boek. „Aan de pest” wordt er soms bijgevoegd. Om de „eer” van dat overlijden beconcurreren elkaar het Vlaamse Damme en het aardige Noordduitse stadje Mölln, 30 kilometer ten zuiden van Lübeck, aan de Alte Salzstrasse gelegen. Het is grotendeels omsloten door water. Het middelpunt ervan is een heuvel, waarop de oude kerk staat. Op een verhoogd voetstuk tegen de opgang naar de kerk zit daar- ik meen in metaal – Uilenspiegel in een narrenpak en in een losse, leutige houding. Zijn linkervoet rust tegen de uitmonding van een bronnetje, zodat de dorstige Möllner jeugd steeds naar hem moet opkijken. Dat modern aandoende beeld bewijst natuurlijk niets. Dan heeft t.a.v. de historiciteit vlak daarbij de tegen de kerkmuur rechtopstaande smalle grafsteen meer waarde. In tien korte, onder elkaar geplaatste, zinnetjes wordt daar vermeld:

Anno 1350 is düsse Steen up gehaven/
Till Ulenspiegel lenet under begraven/
Market wol und dencket dran was ick gewest si up Eren/
Alle di hir vorüber gan moten mi glick weren.”

Dat deze steen rechtop staat heeft nog een echte Uilenspiegelse verklaring. Bij de begrafenis braken de touwen om de kist, zodat Tijl onbedoeld rechtop in zijn graf kwam te staan. En zo heeft men hem daar maar gelaten.

Voor dat u nu voor stellig houdt dat Uilenspiegel in 1350 in het Möllner gasthuis het veelbesproken leven beëindigd heeft, moet u wel weten dat deze grafsteen daar pas in de 16de eeuw een plaats heeft gekregen, waarmee dus de bijna verkregen zekerheid weer dreigt weg te ebben

En verder? In Kneitlingen en in Schöppenstedt (even te z.o. van Brunswijk) worden veel van zijn snakerijen gesitueerd. De laatste plaats heeft er zelfs een Uilenspiegel-museum aan over gehouden.

Maar…. Rüpelmonde aan de Schelde heeft ook een Uilenspiegel-gedenkteken. En Turnhout viert elk jaar z’n Tijlfeesten, enkele dagen lang, en ook allicht dat is niet voor niets. Terwijl misschien zelfs het Walcherense Veere nog méé kan doen. De bekende Charles de Coster laat Uilenspiegel in zijn boek daar tenminste torenwachter wezen ….

En dan heeft de echte Tijl wellicht eenmaal in zijn leven bovendien een pelgrimstocht naar Rome ondernomen, terwijl hij ook iets te maken gehad lijkt te hebben met het koninklijke hof in Polen.

Maar de meeste van zijn grappen en grollen heeft hij uitgehaald ergens tussen Lübeck en Brugge. Sommigen trekken zelfs een grenslijn, als zij vaststellen: ze spelen allemaaal ten noorden van de vlaams-waalse taalgrens, die dan weer naar het oosten aan zou sluiten bij de scheiding tussen het neder- en het hoogduits, de z.g. Benrather-lijn.

Het spotvogelfenomeen is evenwel niet door die eventuele grenslijn bepaald. Heeft Frankrijk niet zijn Francois Villon gekend – een wat fijner besnaarde Uilenspiegel? Heeft het Franse „espiègle” (guit, schalk) taalkundig nog verwantschap met „uilenspiegel”?

Wat die naam betreft: wil men daarmee zeggen, dat hij de uilen (de dommen) de spiegel hunner domheid voorhoudt, opdat ze zich daarin herkennen zullen? — Het is in onze tijd daarentegen een hele eer de titel „Ere-Uilenspiegel” te ontvangen. De burgemeester van Mölln reikt die sporadisch uit aan zeer prominente, spitse lieden. Zo zijn bijvoorbeeld Konrad Adenauer en Bernhard Shaw eenmaal Ere-Uilenspiegels geweest. Camille Huysmans genoot eens diezelfde eer, maar die werd hem nu weer toegebracht in Damme.

(deel 2)

Er is over deze Tijl – dat blijkt al uit het eerste artikel – weinig met volkomen zekerheid te zeggen. In zijn „historie” breekt als het ware spot en humor door. Hij is niet exact, in feiten en jaartallen, te vangen.

Vrij zeker is wel dat hij als 16-jarige zijn „loopbaan” als koorddanser is begonnen. Maar verder? Verder spéélt hij bij voorkeur het leven door. Hij vermomt zich als student, als arts, als pelgrim. Hij is koster, smid, marskramer, barbier, schaapherder, paardenkoper, schoenmakersknecht …. Terwijl hij tot amusement, en mogelijk tot lering, zijn „spiegel” duchtig hanteerde En daarop hebben, al eeuwen geleden, allerlei auteurs zich gestort.

Over Tijl Uilenspiegel

Waarschijnlijk is al in 1478 een nedersaksisch volksboek over deze volksheld verschenen. Jammer genoeg is dat sindsdien weer volkomen verdwenen.

De oudste wél bekende uitgave is er een in het hoog-duits uit 1515. „Getruckt vö Johanes, Grieninger in der freien stat Straszburg / off sant Adólffo tag lm iar Mccccc …. (on-ontcijferbaar)”. Met op het titelblad een uil op een ronde steen en de woorden: „Dissen stein sol niemans erhaben – Ulenspiegel stat hie begraben”. Dat boek is nog in Straatsburg aanwezig.

In 1519 is er sprake van een Nederduitse uitgave in Keulen. En tussen 1518 en
1520 krijgen ook de Nederlanden hun oudste Nederlandse volksboek over Tijl. „Gheprint Thantwerpen in die Rape by my Michiel van Hoochstraten”. Van die uitgave is nog één exemplaar uit de vernietiging der historie gered. Het bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen!!!).

Juist in die tijd

Al die in die oude boeken geschreven Uilenspiegels waren kinderen van hun tijd. Een tijd van geestelijk en sociaal ontwaken. Van aanschoppen tegen Kerk en gevestigde machten. Van nationaal verzet tegen Frankrijk of Spanje. Van het loskomen uit oude banden, „oude vormen en gedachten” en van zoeken naar nieuwe wegen.

In de volgende eeuwen zakt die kritiek, dat rammelen aan het hogere gezag weer weg. Renaissance, Barok en Rococo hebben geen plaats voor Tijl Uilenspiegels gehad.

Maar dan komt de 19de eeuw. Opnieuw bruist in een aantal volken het verlangen omhoog naar meer vrijheid, betere sociale omstandigheden, maatschappelijke en politieke hervormingen. En zie – dan duikt Tijl Uilenspiegel opnieuw op. Ditmaal door de hand van Charles de Coster. Op 31 december 1867 komt zijn „La légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d’Ylenspiegel et de Lamme Goedzak, au pays de Flandres et ailleurs” van de pers.
En opnieuw slaan dan zijn spotternijen en zijn minachting voor wat zich hoog en wijs voordoet, geweldig in.

De Coster heeft aan dit boek – en aan andere – een standbeeld in Brussel verdiend. Een eeuw daarna in 1968, heeft men zijn werk extra herdacht. In dat „Uilenspiegeljaar” is bij de uitgeverij Heideland te Hasselt en het Zuiderboekcentrum te Heerlen „In het spoor van Uilenspiegel” uitgekomen. Een monumentale bloemlezing uit de Uilenspiegel-literatuur, die dat jaar zelfs, heel modern, de stoot heeft gegeven tot een echte rally „in het spoor van Uilenspiegel” van 13 tot en met 16 september. Langs Brunswijk – Kneitlingen – Schöppenstedt – Mölln – Bremen (de „Bremer Stadtmusikanten”) – Oldenburg – Kampen – Antwerpen.

Revolutionair?

Door het bovenstaande zou het er wat op kunnen lijken: Uilenspiegel, de beeldenstormer. De man op de barricade. De revolutionair…. Dat is inderdaad wel lang in hem gezien. De Uilenspiegel-schrifturen hebben dan ook op de „index” van de R. K. Kerk gestaan. En in de tijd van de reformatie waren ze eveneens verboden lectuur. Maar de deskundigen lezen dat nu in zijn historie niet meer.

Of „zijn” historie? Is hem niet veel op de hals geschoven, waaraan hij volkomen onschuldig is geweest?

Hij paste in de rijen van de z.g. „Aernoutsbroeders”, een tijdsverschijnsel uit de 15e eeuw. Zwervende studenten en handwerksgezellen, mislukte en uitgetreden geestelijken, kermisklanten zwierven in hun opvallende kleding toen door West-Europa rond. Tussen die lieden moet hij zich wonderwel gevoeld hebben. Vermoedelijk heeft men veel van hun streken op zijn naam geschreven. Wat een persoon leek te zijn, werd zodoende een personificatie. Een vrije vogel die zich van niets of niemand wat aantrok, een spotter en vagebond. Die met zijn scherpe tong en rappe geest door alle uiterlijke schijn heenprikte. Maar…. een felle revolutiemaker was hij zeker niet.

Hij is – zeggen wij nu – als het ware weggestapt uit een middeleeuwse „sotternij”, een luimig potsenstuk. Hij heeft iets in zich van een Pallieter, een Flierefluiter en een Reinaard de Vos. Hij spot wel, maar ’t is een goedmoedige soort spot. Op den duur – als het gezegd mag worden – worden veel van zijn snakerijen zelfs wat, of erg, flauw, eentonig, plat…. Maar in dat laatste kon hij niet anders zijn dan hij was: een kind van zijn tijd. Een tijd die zich uitstrekte tot nog eeuwen nadien.
Wat was hij precies? Wie was hij? We weten het niet.
In elk geval ánders en méér dan: hoofdpersoon uit een kinderverhaaltje.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1954-1838

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (4)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

.

Dik Trom

Echt gebeurd – Dik Trom? Ja. Dat wil zeggen: de hoofdpersonen in dat beroemde jongensboek hebben werkelijk geleefd. En veel van het kattenkwaad en van de goede streken – waarover de auteur, Johan Kieviet (1858-1931) rapporteert, zal ook wel in werkelijkheid hebben plaatsgevonden. Door de jongere Johan destijds van dichtbij meebeleefd. En zo ontstond later een boek, naar het leven geschreven.

Johans vader was als timmerman-aannemer een van de pioniers van de in 1853 droogverklaarde Haarlemmermeerpolder. En de in Hoofddorp geboren schrijver – nummer tien in de rij van elf kinderen – heeft van jongsaf daar dus wel de nodige indrukken kunnen opdoen.

Johan, hoewel eerst bestemd voor de bloembollenhandel, werd onderwijzer. Hij werkte in Delft, Hoofddorp(l), Lisse, Den Haag, Etersheim en Zaandam, waar hij hoofd van een school was.

Het boek „Dik Trom” werd in 1892 te Etersheim, ten zuiden van Hoorn, aan de Zuiderzeekust, geboren. Een voorspoedige jeugd had het niet. Tot zesmaal toe stuurde een uitgever het manuscript aan Kieviet terug. Pas de zevende nam het in zijn fonds op, en dan nog alleen na veel aarzeling en op voorspraak van een vriend.

Waarvan deze zevende uitgever, Kluitman, vermoedelijk eerst nog spijt genoeg heeft gehad. Het boek „wilde” namelijk niet. De eerste oplage had acht jaar nodig voordat de planken leeg waren. Geen wonder dat de uitgever zich tegenover Kieviet weinig royaal betoonde: hij beloonde hem met een honorarium van ƒ 75,—!! En voor de tweede druk had hij maar ƒ 37,50! over.

In het uiteindelijk toch doorgebroken succes heeft de illustrator een groot aandeel gehad. Dat was niemand minder dan de grote Johan Braakensiek, die ten tijde van Kluitmans bezoek juist door een gebroken been aan huis gebonden was. De lezing van het manuscript gaf hem zoveel plezier, dat hij met evenveel genoegen de onder ons bekende tekeningen op papier bracht.

Geleidelijk viel het verhaal over de dikke jongen meer in de smaak bij het lezend publiek. Zozeer dat er op het ogenblik meer dan een miljoen „Dik Troms” in kinderhanden zijn overgegaan. En van de 40 boeken die Johan Kieviet in zijn leven op de markt bracht, zijn er niet minder dan zes aan Dik Trom en zijn omgeving gewijd geweest.

Maar nu de vraag over de hoofdpersonen.

Voor de oubollige Dik heeft waarschijnlijk een gezellige krullenjongen uit de werkplaats van Kieviet Sr. model gestaan. Hij heette in werkelijkheid Dirk David Buurman. De families Kieviet en Buurman waren onderling bevriend bovendien.

Ook de vriendenschaar is vermoedelijk uit het leven gegrepen. Er komt in het boek bijv. een Piet van Dril voor, zoontje van de dorpssmid. En Hoofddorp kende later een familie Van Driel, die daar een garage en autowerkplaats bezat. Enz.

In 1973 is op het Marktplein van Hoofddorp een beeldhouwwerk onthuld als eerbewijs aan de auteur Johan Kieviet. Het stelt Dik Trom voor, achterstevoren op een ezel gezeten (een bekende episode uit het boek).

De onthulling werd verricht door een kleinzoon van de schrijver, die óók de naam Johan Kieviet draagt (maar geen kinderboekenschrijver is geworden. Hij is tandarts in Slikkerveer).

Bij die onthulling waren bovendien nog aanwezig vier dochters van de reeds genoemde Dirk David Buurman. En als extra een „Bromsnor” (Lou Geels), om veldwachter Flipsen te vertegenwoordigen – al was dat dan alleen maar als collega, niet als familielid. Toch een pracht van een feestnummer voor de ongeveer duizend schoolkinderen, die de onthulling bijwoonden!

Veel van de hierboven gebruikte gegevens werden me al in 1968 verschaft door de heer P. Maaskant te Amstelveen. Hij vestigde mijn aandacht op het feit, dat zoveel – hij schreef: de meeste – jongensboekenauteurs uit kringen van het onderwijs zijn voortgekomen: Kieviet, De Vletter, Kuijk, Louwerse, Van Abcoude …. En dat daarnaast nog zo ontzaglijk veel anderen bij het onderwijs zijn begonnen die in alle geledingen van de maatschappij een vooraanstaande en eervolle plaats hebben ingenomen. (Men vraagt zich af: hoe is het mogelijk: uit dat verstarde en verouderde onderwijs? – naar nu wat denigrerend wordt gezegd). Ook over al degenen die uit het onderwijsgelid in het grote leven naar voren gestapt en gehaald zijn, zou een boek te schrijven zijn. Maar dan wel anders dan „Dik Trom”. „Van meestershuis naar. . . .”bijvoorbeeld.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1953-1837

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (3)

.
Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, 29-03-1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?” 

Ot en Sien

Of de vele kleine gebeurtenissen uit het kinderleven van Ot en Sien werkelijk allemaal, en werkelijk zó, hebben plaatsgehad als het onder ons beroemd geworden boek van Jan Ligthart en H. Scheepstra ze beschrijft, dat zal wel sterk betwijfeld moeten worden. Die zullen wel grotendeels aan de fantasie van de beide auteurs ontsproten zijn. In werkelijkheid kwamen ze destijds natuurlijk in het leven van alle opgroeiende kleuters zo voor. Wat omrommelen met de poes, huisje-spelen onder het wasgoed, het groot gebeuren van langstrekkende straatmuzikanten, de ontdekking van griezeldieren als een spin of een worm, ziek zijn en weer beter worden dat alles heeft een stukje gevuld van ieder normaal kinderbestaan in het begin van deze eeuw. Onze 70-plussers zullen hun vroegere omgeving er nog grotendeels in herkennen.

De vraag of dé Ot en dé Sien van Jetses’ illustraties echt, en echt zó, hebben bestaan, die vraag kan met een volstrekt „ja” beantwoord worden. We weten wie in verschillende situaties daarvoor model hebben gestaan” (zonder dat ze zich dat toen bewust waren). Want Jetses tekende, als dat kon, altijd naar levende modellen en tegen werkelijk bestaande achtergronden.

„Sien” was de eigen dochter van Cornelis Jetses. Ten tijde van de verschijning van het boek (1908) moet ze ongeveer vier jaar zijn geweest. Mevrouw D. Kalsbeek-Jetses, in de 60’er jaren in Wassenaar woonachtig, wist zich toen tegenover een journalist nog van alles uit die „Sien”-tijd te herinneren. De kam in het haar, die zeventig jaar geleden in de mode was, heeft bijvoorbeeld een onuitwisbare indruk bij haar achtergelaten. Ze wist nog best hoe haar vader, als het er voor zijn schetstekening op aan kwam, aan het vertellen sloeg om de hoofdrolspelers in de gewenste, goede situatie te houden.

Ze zal dus ook van haar jeugdspeelvriendje „Ot” een meer of minder scherp herinneringsbeeld hebben overgehouden.

In dat verband sprak ze over een buurjongetje, een Fidi Dammann (hoewel het ook kan zijn dat verschillende knaapjes voor „Ot” model hebben gestaan). „Dammann” komt als een Duitse naam naar ons over. Datkan ook wel, want omstreeks die tijd was de familie Jetses naar een plaatsje bij Bremen verhuisd.

Jetses heeft met tussenpozen verschillende jaren in Duitsland doorgebracht. Als 21-jarige kwam hij te Bremen in huis bij zijn tante Trientje. Hij heeft er tekenlessen kunnen nemen, kunstvrienden en beschermers gevonden. Later – van 1897 tot 1900 – heeft hij mooie opdrachten gekregen in Hamburg en in Thüringen, waar hij bij de hertog van Saksen-Meiningen waarlijk een „vorstelijke” tijd beleefde. In 1900 is hij weer naar Nederland gekomen, waarna zijn relatie met de firma Wolters ontstond. Maar volgens Mevrouw Kalsbeek-Jetses heeft het gezin Jetses later tóch weer korter of langer in Duitsland gewoond. En zo kan die Fidi Dammann – alias „Ot” – toch werkelijk wel een Duits knaapje zijn geweest.

Dat klopt niet met een ander verhaal, dat van dr. C. Lindenburg, leraar-musicoloog te Voorburg. Een verhaal dat deze trouwens tientallen jaren later, zelf volwassen dus, pas van zijn moeder had vernomen. Dit namelijk, dat hij in zijn jonge jaren door Jetses geschetst zou zijn. Vader Lindenburg, die leraar was aan de Groningse rijkskweekschool, ging wel eens met zijn zoontje bij Scheepstra op bezoek, waar ze dan soms ook Jetses aantroffen. —Zo kan het natuurlijk zijn, dat Jetses in de kleine Lindenburg een goed model heeft gezien voor een van zijn vele illustraties, maar of hij daarom juist „Ot” is geweest? Als ik de gegeven jaartallen vergelijk, moet hij destijds ’n jaar of negen ouder zijn geweest dan „Sien” en dat haal je er op de tekeningen en in de verhalen toch niet uit.

Ot en Sien staan al sinds 1930 in steen vereeuwigd in het Haagse Zuiderpark – als hommage aan Jan Ligthart. In een gedenkraam in de Cornelis Jetsesschool aan de Jacob de Graaflaan, eveneens in Den Haag. En tenslotte nog eens in het Drentse Roden.

Afke en haar tiental

Hier liggen de zaken juist andersom. Of de afbeeldingen van dat stel geloofwaardig zijn is mij onbekend. Maar het verhaal dat Nienke van Hichtum in 1903 onder de titel „Afke’s tiental” deed uitkomen, dat is van het begin tot het einde levensecht.

De schrijfster heette in werkelijkheid Sjoukje Maria Diderika Troelstra-Bokma de Boer. Ze was de echtgenote van mr. Pieter Jelles Troelstra, die toen juist zijn grote opgang en die van zijn in 1894 gestichte SDAP beleefde. Zij had een dienstmeisje, de oudste dochter van Harmke en Sjoerd Feenstra, die in het boek Afke en Marten heten. Dit meiske vertelde haar „mevrouw” over het leven en bestaan in het ploeterende en armoe lijdende landarbeidersgezin Feenstra, in een doodarme buurt in het dorpje Warga bij Leeuwarden. Ze droeg daarmee zo de bouwstoffen aan voor de sociale kinderroman, die „Afke’s tiental” is geworden. Niet voor niets bruiste juist in die tijd in Friesland, en eigenlijk in het hele noorden, de ontevredenheid en het socialisme op. (Pieter Jelles had in 1897 zijn intrede in de Tweede Kamer gedaan).

Toch is het boek geen oproep tot verzet geworden, geen „Negerhut van oom Tom”, geen „J’accuse”. Het tekent alleen sober en gevoelig de schrijnende omstandigheden waaronder in die tijd de mindere man leven en werken moest. En Jetses, die van jongsaf diezelfde schrijnende omstandigheden aan den lijve ondervonden had, wist vanuit die eigen ervaringen aan zijn uitbeelding ervan een treffende en gevoelige diepte te geven.

Nienke van Hichtums pen en Jetses’ tekenschrift hebben iets geschapen, dat tot de onsterfelijke kinderlectuur is gaan behoren. „Afke’s tiental” is later zelfs in verschillende andere talen gedrukt, en beleefde in 1976 in ons land z’n 33ste druk. —De Vara-tv en een tentoonstelling in het Fries Literair Museum hebben het in 1976 nog eens extra onder de aandacht van het Nederlandse volk willen brengen. In Warga staat een monument van ‘Afke’s tiental’.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1952-1836

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – is het echt gebeurd? (2)

.
Inleiding
.

G. Blankesteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„Is dat nu echt gebeurd?” 

Jan Klaassen

In elk geval heeft het poppenspel – in meer veredelde taal: het marionettentheater – al heel lang bestaan. In het oude Griekenland en Rome heeft het zijn humor en vrolijkheid, zijn spot en kritiek gespuid. Spelemannen, die met de Romeinse legers meetrokken, hebben deze vorm van vermaak en volksbeïnvloeding naar onze streken overgebracht.

In het Rijksarchief in Den Haag liggen nog rekeningen uit de Middeleeuwen als stille getuigen van de bedragen, die bijvoorbeeld graaf Jan van Bloys in het midden van de 14de eeuw daarvoor heeft uitbetaald. Prof. dr. G. Kalff gaat in zijn „Bijdragen tot de geschiedenis van ons middeleeuws drama” dieper daarop in. Eén zo’n rekening, uit 1363/’64, zegt: „Item Tordrecht, daer men een dockenspul speelde, dat mijn here was gaen sien, voir minen here ende voir syn ghesinde, 18 s. 6 d.”

Maar nu – Jan Klaassen. Volgens een laat 18de-eeuwse overlevering was deze Jan eenmaal trompetter bij de lijfwacht van stadhouder Willem II. In 1650 werd het stadhouderschap in Holland en Zeeland afgeschaft en zodoende kwam onze Jan zonder middel van bestaan. Om daarin te voorzien is hij toen met zijn vrouw Katrijn en met wat poppen de straat opgegaan om vertoningen te geven. Verder wordt dan ook Amsterdam vermeld als terrein van zijn werkzaamheid.

Daarbij sluit een bericht aan uit een heel andere hoek. In 1706 is een zekere Jan Claasz. met zijn vrouw Trijn voor de Amsterdamse kerkenraad gedaagd wegens openbare dronkenschap en overspel. (Maar dan moeten beiden al wel uitgesproken bejaard geweest zijn, als we deze twee tips combineren).

En dan speelt me nog een derde verhaaltje door het hoofd, dat deze in 1650 ontslagen Jan later moeilijkheden met de overheid heeft gehad, omdat hij zijn poppen dingen liet zeggen en doen, die als pro-Oranje propaganda uitgelegd konden worden.

Tenslotte: in 1969 is bij De Bussy in Amsterdam een boek verschenen van de hand van Wim Meilink, zelf poppenspeler. Het heette „Doopceel van Jan Claes-zen” en kostte ƒ 19,50. De auteur geeft daarin een kroniek van het traditionele poppenspel in Nederland.

Ook hij zoekt de naamgever van dit spel in de 17de eeuw, zij het meer in het begin daarvan. Om dan tenslotte terecht te komen bij Janus Cabalt, die meer dan veertig jaar Jan Claeszen en Katrijn in zijn poppenkast op de Amsterdamse Dam leven heeft ingeblazen. Die zo, wie weet, in hoeveel jonge – en oude? – harten vreugde heeft gebracht. Voor de oorlog, een traditie: Jan Klaassen op de Dam.

In elk geval zijn er wel wat aanwijzingen die doen vermoeden, dat Jan Klaassen in Nederland een historisch persoonlijke verschijning is geweest.

Daarnaast is het spel internationaal gebleven. Frankrijk heeft zijn „Guignol”, Engeland zijn „Punch” en Duitsland zijn „Hanswurst” (ook wel „Kasperl”). En wie weet, hoe ver dit spelen-met-poppen is verbreid? Waar het verschenen is, daar zal het ingeslagen hebben. Omdat elk mensenhart dat voor humor vatbaar is, ook voor zulk spelen een gevoelig plekje heeft. Zolang een ouder wordend mens nog iets van het kind in zich bewaard heeft.

Hans Brinker

Hier hebben we een voorbeeld van een volkomen gefantaseerde figuur. Nog wel – ondanks het toch zeer reële beeldje aan de Harlinger haven bij de afvaartplaats van de veerboten. En ondanks – als mijn inlichtingen juist zijn – een soortgelijk monumentje aan het Spaarne bij Spaarndam.

Deze Hans Brinker nu – speelt een hoofdrol in een kinderboek, dat in Amerika grote opgang heeft gemaakt.
Het werd in 1865 gepubliceerd door een autrice van gedeeltelijk Nederlandse afkomst en heette: „Hans Brinker or the Silver skates”. In 1867 werd het door de toen heel bekende kinderschrijver P. J. Andriesen in het Nederlands vertaald.

In dat boek komt een knaapje voor, onze Hans dus, dat bij een tocht langs de dijk bemerkt dat het water in deze waterkering een gaatje heeft geboord. Er komt eerst nog een miniem klein straaltje door, maar dat wordt al maar groter doordat er telkens opnieuw grond wegspoelt. Hans weet niet beter te doen dan zijn vinger in de gevaarlijke opening te stoppen. Later zijn vuist, zijn hele arm, en wie weet wat nog meer. Al zijn geroep om hulp is vergeefs. Pas uren later wordt Hans door zijn ongerust geworden familie gevonden. Juist nog op tijd ook om het grote gat in de dijk te dichten.

Hans Brinker heeft de polder gered…..

Het Amerikaanse publiek heeft dit boek prachtig gevonden. En toen het Amerikaanse toerisme zich ook op Nederland richtte, toen hebben talrijke Amerikanen de plek willen zien waar hun held Hans, waarover ze met rode konen en rode oren vroeger gelezen hadden, zijn grote daad eenmaal had bedreven.

Om aan die behoefte tegemoet te komen hebben de beelden in Harlingen en in Spaarndam(?) hun plaats gekregen.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1951-1835

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – is het echt gebeurd? (1)

.
Vele jaren geleden bestond het blad ‘Vacature”, uitgegeven door Thieme in Zutphen. Uiteraard gevuld met onderwijsvacatures, maar ook met veel interessante artikelen, waarvan er verschillende op deze blog staan.

Een onderwijzer verhaalt hier over zijn verleden als onderwijzer en over het vak vertellen. Hij vroeg zich van sommige verhalen af:

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„Is dat nu echt gebeurd?”
.

Dat heerlijke voorlezen en vertellen
.

Straks krijg ik drie vijfde-klassertjes op bezoek. Mij verder onbekende kinderen van een mij weinig bekende school. Ze hebben een opdracht in het kader van het tegenwoordige groepswerk. Ze zijn op zoek naar een antwoord op vragen als: Wat is een berg precies? Hoe ontstaat een berg? Uit wat voor materiaal bestaat een berg? Hun onderwijzer is blijkbaar een man van déze tijd. Uit de tijd van doe-het-zelf. Van zoek-het-zelf-op. Niet van de gedekte-tafel eten, maar je geestelijk voedsel zélf opdiepen.

Dat zal natuurlijk wel allerlei goede kanten hebben. Maar toch denk ik, in afwachting van de aangevraagde kindervisite: „Man, dat je je zo’n prachtkans nu laat ontglippen. Om een lekkere les te geven over die bergen en over alles wat daarmee te maken heeft!! – In plaats van naar school te fietsen met de prettige gedachte: Fijn, vanmiddag een les over de bergen!”

Vroeger op de kweekschool – o, al heel lang geleden -werd ons, aankomende broekjes, voorgehouden: „Vertellen, dat is machtig belangrijk. Wie boeiend vertellen kan, die heeft daardoor al een beste kans om een goed onderwijzer te worden”. En op de leerschool werden we aan het vertellen gezet. Tot je van jezelf ging denken dat je er al een aankomende „piet” in was.

Een illusie die vernietigd werd op de dorpsschool, ver in het Achterhoekse land, waar ik als 18-jarige in het diepe bad gegooid werd. —De bovenmeester kwam een paar keer luisteren. Die fijne bovenmeester met het witte haar onder zijn kalotje uit. Een wijs en eerbiedwaardig man, waarvan je als jongste knechtje veel kon leren. Hij zei: „Nee, zo is het toch niet goed. Zal ik het eens een keer of wat doen?”— En toen heb ik wéér een leerschool doorlopen. Zoals die meester vertellen kon! De hele klas van 53 blonde en blauwogige saksertjes leefde daarin mee. Niet een die zat te draaien of het nodig vond z’n neus een goede beurt te geven………

Dat vertellen, dat is sindsdien het ideaal gebleven waarnaar ik heb getracht in de bijna vijftig jaar die ik tussen de opgroeiende jeugd heb doorgebracht. En ik heb ervaren dat vertellen, ook zakelijk vertellen – overdragen van kennis dus – heerlijk is. De ene keer lukt dat natuurlijk beter dan de andere. Maar als het dan lukt een vonk over te laten springen, dan beleven verteller en luisteraars een rijk moment uit het leven van „een gelukkige klas”. Of het nu over de orchideeënjagers langs de Amazone gaat, of over Scotts laatste tocht, of over Robinson of over wezen en ontstaan der bergen er is op zo’n moment een band bezig te groeien tussen de luisteraars in de banken en de verteller voor de lessenaar, of zittend op het schrijfvlak van de voorste bank.

M’n volgende IJmuider volksschool-6e-klassers bijvoorbeeld waren te vangen met stukken uit de Griekse mythologie; even de laatste tien minuten na een dag pittig werken. En later was het fijn in de hoogste mulo-klas een week van ouderwets hard werken te kunnen besluiten met een hele voorleesles: uit „Kampvuren langs de evenaar” van Paul Julien. Uit Schweitzers „Aan de zoom van het oerwoud” of uit „Christuslegenden” van Selma Lagerlöff – om er maar enkele te noemen.

Wellicht zijn de klassen daar nu niet meer gelukkig mee.

Mogelijk zijn de jonge luisteraars al overvoerd met wat radio en televisie en Asterix te bieden vermogen. ’t Zou toch verschrikkelijk jammer zijn als de meester-van-nu zijn toverstaf onwerkzaam geworden zag ….

Maar – als het nog lukt, dan wordt de verteller, als het laatste woord is gezegd en de laatste diepe zucht is opgestegen, zeker meer dan eens geconfronteerd met de kritische vraag: „Is dat nu echt gebeurd?”

Heeft Robinson echt op dat eenzame eiland geleefd? Heeft Tijl Uilenspiegel werkelijk al die streken uitgehaald? Was Buffalo Bill zo’n geweldige jager? Hebben Ot en Sien en Dik Trom en Afke werkelijk bestaan?
Is het allemaal fantasie? Of is er een sprank waarheid in het verhaal over Gulliver, Hans Brinker, Don Quichotte, Jan Klaassen, Oom Tom, Von Münchhausen ?
En dan moet er toch een antwoord komen.

Telkens als ik in de loop van vele jaren van zo’n „onsterfelijk” verhaal, dat op de grens van waarheid en verdichting wankelt, een draadje of een dikke draad te pakken kon krijgen, dan heb ik dat bewaard. Te gelegener tijd gebruikt. Er zijn misschien meer van die draadjes dan men denkt. (Nog pas hoorde ik bijvoorbeeld, dat zelfs een sprookje als dat van „Hans en Grietje” een historische ondergrond zou kunnen hebben in lang vervlogen dagen. Ergens in het verre zuidwest-Duitslandl).

Soms zullen we stuiten op pure schrijversfantasie.

Soms op een „kleine waarheid”, die in enkele regels verteld is. Soms op een zo dik kluwen, dat er de schaar in moet.

Uiteraard is van wat nu volgt veel aan andere publicaties ontleend. In je eentje kan je maar niet zo van alles gloednieuw ontdekken. Maar het kan zijn nut hebben de resultaten van allerlei onderzoekingen nu eens aaneengesloten bij elkaar te hebben. Vandaar hier de aanbieding van de oogst van vele jaren. Eerst wat Nederland betreft. Daarna over enkele buitenlandse boeken.

.

Vertelstof: alle artikelen

.

1950-1834

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Voltaire

.
N.a.v. Voltaires sterfdag – op 30 mei 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 2. 22-09-1978
.

Voltaire en de volkerenpsychologie
.

Dit jaar – 30 mei – was het 200 jaar geleden dat Voltaire is overleden. Voor zover mij bekend, is dit hier te lande nauwelijks een aanleiding geweest voor een herdenking. Zijn reusachtig oeuvre – 70 delen – rust, perfect gecatalogiseerd, in de bibliotheken van Europa, gelijk de as van een genie in het columbarium van een crematorium. Zijn toneelstukken worden niet meer gespeeld. Hoogstens behoort men zijn romans, zijn historische en filosofische verhandelingen, te kennen op een examen zonder deze te hebben gelezen.

In de 19e eeuw was dit wel anders. Als vrijdenker of als goed liberaal, kon men nog gniffelen over de talloze ‘bon mots’ en anekdotes, die over Voltaire in omloop zijn. ‘Toch is voor de mens van de 20e eeuw’ – ik citeer W.F. Veltman in een Vrije Opvoedkunstartikel van januari 1951 – de verhouding tot de figuur van Voltaire niet wezenlijk anders dan voor onze over-over-grootouders. Er is alleen dit verschil: het voorgeslacht las Voltaire, wij leven Voltaire.

Daarmee is tevens het levensconflict aangeduid, dat begon in de tijd der Verlichting. Dat conflict ontstaat, wanneer, vanuit Engeland, het natuurwetenschappelijk denken in Frankrijk zijn intrede doet, daar vele zekerheden van een eeuwenoude Latijnse cultuur en kerkelijk geloof ondermijnt, de sociale verhoudingen chaotiseert, hetgeen, tenslotte, geleid heeft tot de uitbarsting van de revolutie in 1789.
Destijds was dit conflict nog slechts een aangelegenheid van een beperkte kring van verlichte burgers. Als zodanig had het nog een ‘elitair’ karakter. In de 20e eeuw is het een aangelegenheid geworden van de grote volksmassa, althans in Europa.

In het leven van Voltaire zelf vormt dit conflict, om zo te zeggen, een hoofdthema. Anno 1726 zette dit hoofdthema van zijn leven in.

Ik citeer een passage uit de inaugurele rede, die Prof. Tenhaeff in 1939 te Amsterdam heeft gehouden bij de aanvaarding van zijn hoogleraarsambt: ‘Erasmus en Voltaire als exponenten van hun tijd’.

‘Voltaire stapt zó van de Bastille in de logeerkamer van lord Bolinbroke. Dat zijn nu eenmaal de voordelen van een turbulent leven: soms in rust van de gijzeling, soms jaren van ballingschap, inkeer en nieuwe ervaringen. Deze ervaring in een land, waarboven oceaanwind altijd waait, telt dubbel’.

Een onbeduidende ruzie met een edelman, was de aanleiding geweest, dat Voltaire in de Bastille werd opgesloten. Hij was door deze beledigd en daagde hem uit tot een tweegevecht. Wat een onbeschaamdheid! Om als burger, iemand van de geprivilegieerde klasse, tot een duel uit te dagen. Zo iemand kon het beste met een ‘Lettre de cachet’ – men kon die kopen – in het gevang verdwijnen. Daarmee konden lastige burgers onschadelijk worden gemaakt…

Waarschijnlijk heeft de chevalier de Rohan later nooit beseft, wat, een weldaad hij daarmee Voltaire heeft bewezen, en welke verstrekkende gevolgen dit voor de Franse geschiedenis heeft gehad. De verbanning van Voltaire, na zijn verblijf in de gevangenis, naar Engeland, betekent voor hem het begin van een nieuwe levensfase. Een leerschool van filosofisch en staatsrechtelijk denken. Daar in Engeland wordt niemand zonder vorm van proces van zijn vrijheid beroofd. Ook heeft de koning daar al lang niet meer absolute macht. Hij is gebonden aan een constitutie, waarin de spelregels zijn vervat in competentie tussen wetgeving en uitvoerende macht, en waarin een aantal grondrechten zijn vastgelegd. Ook is daar de Heilige Moederkerk reeds lang niet meer een machtsinstrument, zoals in Frankrijk nog het geval was.

Kort nadat Voltaire uit Engeland is teruggekeerd, verschijnen – 1734 -clandestien in Frankrijk de ‘Lettres filosophiques sur les Anglais’. Het boek werkt in Frankrijk als een tijdbom. Het is geladen met geestelijk dynamiet, van de zelfde kracht, als waarmee 55 jaar later de Bastille te Parijs met de grond gelijk zal worden gemaakt.

‘Wanneer er in Engeland’ – zo schrijft Voltaire – ‘slechts één religie zou bestaan, dan was het despotisme gevaarlijk; wanneer er twee religies zouden bestaan, dan zouden ze elkaar de keel afsnijden, maar er zijn er dertig… en zij leven allen in vrede en geluk ’.
Bovendien, niet alleen de predikanten zijn er vrij hun mening te verkondigen, ook de geleerden. Engeland is het land van Newton, Pope, Addison, John Locke: ‘Les plus grands philosophes et les meilleurs plumes de leur temps’.
Dank zij de natuurwetenschap beseffen al deze geleerde heren dat niemand van hen nog langer kan beweren dat hij de enige waarheid in pacht heeft. Want met de natuurwetenschap is ook de betrekkelijkheid van waarheden aan het licht gebracht. Dat is de invloed van de ‘Copernicaanse revolutie’ op het wereldbeeld van de Kerk. De aarde is niet langer meer het middelpunt, waaromheen de wereld draait; hoogstens een stofje in de onmetelijke ruimte van het heelal.
En wat voor de ‘kosmos’ geldt, die nu door de astronomen met hun kijkers wordt onderzocht, geldt ook voor het geloof. Sinds door de ontdekkingstochten zoveel vreemde volkeren in de gezichtskring van de beschaafde mens in Europa zijn gekomen, is ook duidelijk geworden dat ieder volk zich een God naar zijn beeld heeft geschapen.
‘Voor men gaat dogmatiseren over de ‘natuur van God’, moet men – zo schrijft Voltaire – eens nadenken over de volgende gebeurtenis: ‘Op zekere dag hoorde ik een mol redetwisten met een meikever voor een huisje dat ik juist achterin mijn tuin had gebouwd. ‘Kijk eens wat een schoon bouwsel’ verklaarde de mol, het moet wel een zeer machtige mol zijn geweest die dit werk tot stand heeft gebracht’. ‘Gij steekt er de draak mee’ antwoordde de meikever. ‘Het is een uiterst geniale meikever geweest die dit gebouwd heeft’. ‘Sindsdien – aldus Voltaire – heb ik het besluit genomen nooit meer te disputeren’.

Madame du Chatelet

Een tijd lang kan men met zo’n agnostische wereldbeschouwing heel aangenaam leven, vooral wanneer blijkt dat er in Frankrijk adellijke dames zijn, die wat blasé geworden van het wereldse leven aan het hof te Versailles, er de voorkeur aan geven zich terug te trekken op hun landgoed om zich daar in alle rust te kunnen wijden aan de studie van de natuurkunde.
Dat opent voor Voltaire een nieuw levensperspectief. Vanaf 1734 leeft hij samen met Madame du Chatelet op haar kasteel te Cirey-sur-Blaise. In dezelfde tijd heeft ook Rousseau een minnares gevonden in Madame de Warens en beleeft op haar landgoed in de bergen van Savoye drie verrukkelijke zomers van studie van natuur en cultuur.
Gevaarlijke verhoudingen? ‘Liaisons dangereuses’? Emilie de Breteuil was reeds op haar 19e jaar door haar familie gedwongen te trouwen met de markies du Chatelet. Al gauw bleek dat deze officier en landedelman meer aandacht had voor de jacht op hazen en patrijzen, dan, zoals zijn vrouw, voor de nieuwe denkbeelden van Engelse natuurfilosofen. Voltaire komt haar daarin tegemoet. Dagen en nachten worden gezamenlijk doorgebracht met studie en natuurkundige proeven: natuurwetenschap die in Engeland reeds bijna een jaar lang in de belangstelling stond. Al gauw merkt hij een grote lacune in haar ontwikkeling: gebrek aan historische belangstelling. Maar daar is wel een oplossing voor te vinden. Sprak het eigenlijk niet vanzelf dat een jonge vrouw zich niet interesseert voor wat als ‘fable convenue’ in die tijd doorging voor geschiedeniswetenschap: een samenraapsel van vrome slaapverwekkende vertelsels en leugens die in strijd waren met elk oordeel vanuit het gezonde verstand? Wie kon nog belangstelling hebben voor de verhalen over heiligen en wonderbaarlijke bekeringen van Franse koningen – van Chilperik tot Clovis – zoals die werden beschreven in Bossuet’s ‘Discours sur l’Histoire Universelle’? Een werk, dat begint bij de schepping van de wereld en eindigt met Karei de Grote. Een wat bijgewerkte editie van Augustinus’ heilsgeschiedenis, maar nu pasklaar gemaakt ter rechtvaardiging van het absolute gezag van de ‘Allerchristelijkste majesteiten’ van Frankrijk.

Arme Emilie. Wat moest zij beginnen met een geschiedenis van de mensheid, waarin Egyptenaren en Babyloniërs werden voorgesteld als onbeschaafde heidenen, slavenvolkeren, bijgelovig en dom, wier bestaansrecht in het wereldplan Gods, slechts hierop berustte, dat tegen hén, eens het door God uitverkoren volk der Joden zich had kunnen afzetten. Jawel, Histoire Universelle, wereldgeschiedenis, maar dan wel van een heel klein wereldje, dat veilig beschermd werd door het gezag van Staat en Moederkerk, die sinds de bekering van Constantijn de Grote te Rome, voortaan onafscheidelijk aan elkaar verbonden waren. Alsof, sinds Karel de Grote, er geen ontdekkingstochten waren geweest, die deze ‘christelijke’ wereld hadden opengebroken. Alsof sindsdien geen beschavingen zichtbaar waren geworden als die van de Grieken en Romeinen, en zeker als die van de Joden.

In Cirey begint Voltaire aan zijn opvoedkundige taak. Hij zal Madame du Chatelet laten zien, dat ook op een klein landgoed de ‘grote wereld’, die zij in Versailles ontvlucht was, kan voortleven. Daarvoor hoeft men geen sociale verplichtingen aan het hof te vervullen. Door de wereldgeschiedenis kan men zijn horizon steeds meer verwijden. Niet door een ‘fable convenue’ waarin beoordeeld wordt, welke volkeren wél en welke niet zijn opgenomen in het Heilsplan van Onze Lieve Heer. Wél door wereldgeschiedenis, waarin de beschaving, de zeden en de gewoonten van alle volkeren van de wereld worden beschreven en waarin zij worden getypeerd, ieder naar eigen karakter, dat hun door de natuur is gegeven.

Daarin ziet Voltaire zijn pedagogische opgave; allereerst bij zijn aristocratische vriendin; door geschiedschrijving interesse op te wekken voor de wereld. Daarnaast ook bij anderen, voor zover zij niet voorzien zijn van theologische oogkleppen, die hun oordeelsvermogen hebben afgestompt.

Zo is op Cirey de eerste cultuurgeschiedenis van de mensheid geschreven. ‘Essai sur les Moeurs et l’Esprit des Nations’. Voltaire zal er zijn hele leven lang aan blijven werken en wanneer het werk is voltooid, zou men kunnen spreken van een ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving, meer dan 150 jaar vóór Toynbee’s ‘A Study of History’.

De spiegel van het ‘andere volk’

Revolutionair was zeker de aandacht die Voltaire besteedde aan de Chinese beschaving. Sinds de Franse Jezuïten in China als missionaris hadden gewerkt, was men van de ene verbazing in de andere gevallen. Nog lang vóór de slag bij Salamis, vóór de stichting van Rome en de geboorte van Christus, bestond in het Verre Oosten een duizendjarige beschaving: ‘de Chinezen hadden sinds onheuglijke tijden de zelfde godsdienst, de zelfde moraal nu, terwijl de Gothen, de Herulen, de Vandalen, de Franken er slechts een moraal van rovers op nahielden, die er op neerkomt, het recht van verovering te wettigen ’.
‘Andere volken hebben hun geschiedenis afgeleid van allegorische fabels. De Chinezen schreven hun historie met de pen en het astrolabium in de hand, met een eenvoud waarvan men in heel Azië geen enkel voorbeeld vindt’.
Hun godsdienst kenmerkt zich door afwezigheid van fanatisme. De stichter hiervan, Confucius, was geen profeet, ook niet iemand die zich liet beïnvloeden door bovenzinnelijke inspiraties. Hij was een wijs magistraat, die wetten en leefregels uitvaardigde. Hij leerde slechts wat deugdzaam is. Zijn uitspraken bevatten geen enkel mysterie’.
Behalve China komen nu ook het ( oude India en de wereld van de Islam binnen de gezichtskring. Alle bestaande vooroordelen over Arabieren en Turken worden zorgvuldig weggewassen. Verder staan Egypte, Perzië, Babylonië in de aandacht en ook – in het Westen – volkeren in Zuid- Amerika. Met deze nieuwe oriëntatie in de wereld wordt de plaats van Europa daarin anders. Sinds de 16e en 17e eeuw waren deze oosterse en westerse volken niet veel meer geweest dan object van exploitatie. Zij waren alleen, van economisch belang voor de Europese kolonisatoren: Spanje, de Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Nu werden zij binnengehaald in de gezichtskring van de beschavingsgeschiedenis. Europa is daarin niet langer meer een middelpunt. Deze ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving gaat gepaard met relativisme. Het ‘eigen’ volk, als nationaliteit, is niet meer zó
toonaangevend. Het spiegelt zich in het oordeel van andere volken. Ook dat is een gevolg van de natuurwetenschappelijke benadering van de geschiedeniswetenschap: hoe oordeelt men in China, in Perzië, in de Arabische landen over Frankrijk? Hoe zien die verre volkeren ons?

Deze vraag was reeds gesteld in 1721 door de Montesquieu in zijn ‘Lettres Persanes’, waarin hij twee Perzen die Frankrijk bezochten brieven liet schrijven aan hun vrienden in Perzië. Wat een zonderlinge wereld, daar in Frankrijk.
‘De koning is een groot tovenaar. Hij zwaait zijn scepter zélfs over de geest van zijn onderdanen. Hij laat hen denken zoals hij wil. Als hij slechts één miljoen daalders in zijn schatkist heeft en er twee hebben moet, behoeft hij hun slechts wijs te maken dat één daalder de waarde heeft van twee, en zij geloven het… Een vorm van kritiek die dodelijk is. Voltaire past haar toe, wanneer hij, schrijvend over ‘de zeden en de geest der volkeren’ zijn Arabische koffie drinkt uit een Chinees porseleinen kop. Want tot in de genotmiddelen toe wordt in de 18e eeuw de burger er zich van bewust dat hij niet langer alleen maar deel uitmaakt van zijn eigen volk maar ook van de gehele mensheid.

Tegenspraak tussen filosofie en leven

Zoals gezegd, dit nieuwe bewustzijn stond sterk onder invloed van het natuurwetenschappelijke relativisme, waarmee Voltaire in Engeland in aanraking was gekomen.
In zijn eigen leven roept het de ene crisis na andere op. Want men kan als Fransman gemakkelijk schrijven over deelgenootschap aan de beschaving van de gehele mensheid, maar dat betekende niet dat men daarmee ook reeds kon leven. Er ontstaat een tegenspraak tussen filosofie en de wijze van leven. Dat is dan nog slechts bij enkele mensen het geval. Ook Rousseau – wiens 200 jarige sterfdag (3 juli 1778) wij dit jaar eveneens kunnen herdenken – was één van hen. Pas in de 20e eeuw wordt dit een vraagstuk van ons allen.

Voor Voltaire bleef Frankrijk het vaderland – La Patrie – wiens cultuur toonaangevend was voor Europa. Een levenshouding die men in onze tijd nog kon aantreffen bij generaal De Gaulle. Cultuur, als erfenis van Latijnse beschaving en gehuld in het gewaad van christelijke allegorie. Wie Voltaires nationale epos over Koning Hendrik IV leest met zijn barokke pracht van beeldspraak, kan navoelen welk een kloof er lag tussen de nieuwe, uit Engeland afkomstige, exact geschoolde wijze van denken en de Grandeur’ van continentaal-Latijnse retoriek, die de leerlingen van het Collége Louis-Re-Grand te Parijs door de Jezuïetenpaters was bijgebracht. Voltaire was een van hen. Zijn hele leven lang heeft hij onder deze kloof geleden. Zij heeft niet alleen zijn nerveuze onrust beïnvloed, zijn drang om te schitteren en de wereld om hem heen te verbluffen, zij heeft ook zijn scepsis beheerst, die zóver ging, dat hij niet durfde op te komen voor de consequenties van zijn eigen ideeën. Hoe dikwijls heeft hij verloochend, wat hij zelf geschreven heeft. Wanneer men hem vraagt, of hij de auteur is van de ‘Lettres philosophiques sur les Anglais’, zegt hij, dat hij daarvan nooit gehoord heeft. En van een van zijn meest speelse maar ook meest hekelende romans, ‘Candide ou sur l’optimisme’, zegt hij: ‘Ik heb nu eindelijk Candide gelezen, men moet wel krankzinnig zijn om dergelijke vuiligheid mij aan te rekenen’.

Zoals Rousseau een boek schrijft over de ideale opvoeding – ‘Emile’ – en zijn eigen kinderen in het weeshuis laat belanden, zo heeft Voltaire dikwijls zijn geschriften als natuurlijke kinderen beschouwd, voor wiens vaderschap hij niet durft uit te komen.

‘II n’eut pas assez de confiance en la verité’, zegt Gustave Lanson, Voltaires biograaf. En Tenhaeff voegt hieraan toe in de zo-even vermelde inaugurele rede: ‘voor een propagandist moge dat niet erg zijn, voor een bouwer in het rijk des geestes blijft dat een tamelijk ernstige tekortkoming’.

Volkerenpsychologie

Wanneer het na 200 jaar lijkt dat verreweg het grootste deel van Voltaires werk slechts geschreven schijnt voor de bibliotheken van Europa om daarin, als in een mausoleum, te worden begraven ter wille van het voortbestaan van zijn literaire roem, dan is het nu van belang zijn ‘Essai sur les moeurs’ te voorschijn te halen. Enerzijds is het een typische uiting van Voltaire’s agnosticisme. ‘In Voltaires ‘Essai’ heeft God zich teruggetrokken uit de geschiedenis; en indien hij nog heerst, grijpt hij toch niet meer leidinggevend in de historie in’ zegt Karl Löwith in zijn ‘Weltgeschichte und Heilsgeschehen’. Zin en doel van de geschiedenis lagen voor Voltaire hierin: met behulp van de rede de menselijke verhoudingen te verbeteren; de mens minder onwetend, beter en gelukkiger te maken’.

In de 20e eeuw – na twee wereldoorlogen en economische crisis – weten wij wel beter. Niettemin heeft Voltaires ‘Essai’ een belangrijke stoot gegeven aan het zich verplaatsen in het karakter van het ‘andere volk’, als tegenwicht tegen de hoogmoed van nationale superioriteit.

De ideeën uit de ‘Essai’ zijn dan ook niet steriel gebleken. In 1784 – zes jaar na Voltaires dood – verschijnt in Duitsland Herders ‘Ideeën zur Philosophie der Geschichte’ met zijn tableau van alle volkeren der aarde in Oost en West. Kort na de dood van Voltaire in 1778 verschijnt Lessings geschrift, ‘Die Erziehung des Menschengeschlechts’, waarin voor het eerst de idee van de reïncarnatie optreedt als ontwikkelingselement in de mensheidsgeschiedenis. Later, in de 19e eeuw, wordt het thema van de volkerenpsychologie weer opgenomen door Moritz Lazarus, Steinthal en Wilhelm Wundt, nu meer benaderd vanuit de taalkundige hoek.

Maar in de 20e eeuw, na Wereldoorlog I en II, ontwaakt in Europa weer de belangstelling, onder andere door het werk van de Spanjaard Salvador de Madariaga (Anglais, FranÇais, Espagnols) en de Fransman André Siegfried (L’ame des peuples). Daarvóór was in Duitsland echter al door Rudolf Steiner een grondslag gelegd voor een niet agnostische maar sterk spirituele studie van de volkerenpsychologie, aan de hand van de ontwikkelingsfasen van de mensheid. Zijn gezichtspunten werden, meer in concreto, uitgewerkt onder andere door Hans Erhard Lauer (Die Volksseelen Europas) en Herbert Hahn (Vom Genius Europas).

In ons land heeft Dr. Zeylmans van Emmichoven het als een van zijn levenstaken beschouwd, de volkerenpsychologie gestalte te geven in overeenstemming met de geest van onze tijd. Na Wereldoorlog II (1946) werd door hem het Instituut voor Volkerenpsychologie opgericht, dat een tijd lang als forum heeft gefunctioneerd, waar psychologen, historici, ondernemers, juristen en sociologen gedachten op dit gebied met elkaar konden uitwisselen. Ook het werk van Max Stibbe was een belangrijke bijdrage, onder andere zijn boek ‘Zwanenridder en Vliegende Hollander’. Daarmee werd gepoogd het begrip voor ‘het andere volk’ en voor het ‘eigen volk’ te ontwikkelen vanuit het ontdekken van een grote samenhang tussen de levensfasen van de mens en die van de mensheid.

Zo kon, naast de ontwikkeling van het internationaal recht, in een tijd van toenemende nationale tegenstellingen, een grondslag worden gelegd voor een nieuwe visie op de ontwikkeling van de mensheid, de mensheid als ‘eenheid in verscheidenheid’.

.
Voltaire

Geschiedenis klas 9

1947-1831

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 311)

.

Het vak vertellen neemt op de vrijeschool een belangrijke plaats in.
Rudolf Steiner sprak er herhaaldelijk over in zijn pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311

De belangrijkste opmerkingen vind je hier uit:

Rudolf Steiner over vertellen

vertellen met een boek in de hand

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 311/40                op deze blog vertaald/40

Da ist es ja so, daß wir durch die Anthroposophie wieder lernen, an die Legenden, an die Märchen, an die Mythen selber zu glauben, weil sie in der Imagination die höhere Wahrheit ausdrücken. Wir finden uns wieder hinein in die seelische Behandlung des Mythischen, des Legendenhaften, des Märchenhaften. Dadurch strömt unsere Rede, wenn wir zu dem Kinde sprechen, von dem eigenen Glauben an die Sache durchdrungen, an das Kind heran. Das bringt Wahrheit zwischen den Erziehenden und das Kind; während oftmals soviel Unwahrheit waltet zwischen den Erziehenden und den Kindern. Unwahrheit waltet sofort, wenn der Lehrer sagt: Das Kind ist dumm, ich bin gescheit; das Kind glaubt an die Märchen, die muß ich ihm daher erzählen. Das schickt sich so für das Kind. – Da kommt so­gleich der Verstand hinein in das Erzählen.

Nu is het zo dat wij door antroposofie weer leren aan legenden, aan sprookjes, aan mythen te geloven, omdat ze in de imaginatie de hogere waarheid uitdrukken. We raken weer vertrouwd met een bovenzinnelijke uiteenzetting van mythen, legenden en sprookjes. Daardoor stroomt wat wij zeggen wanneer wij tot het kind spreken, doordrongen van ons eigen geloven, naar het kind toe. Dat brengt waarheid met zich mee tussen de opvoeder en het kind; terwijl er dikwijls zoveel onwaarheid tussen opvoeders en kinderen heerst. Onwaarheid heerst er onmiddellijk wanneer de leerkracht zegt: het kind is dom, ik ben knap; het kind gelooft in sprookjes, dus moet ik hem die vertellen. Dat past dus bij een kind. -Dan komt meteen het verstand bij het vertellen.
GA 311/40
Vertaald op deze blog/40

Over het ‘nabespreken’ van ‘het viooltje[1]

GA 311 blz. 70  e.v.             op deze blog vertaald/70 e.v.

Und so bringt man es allmählich dahin, wirklich die Stimmung zu erzeugen, in der solch eine Erzäh­lung nicht bloß gegeben, sondern auch besprochen werden kann. Aber man bespreche eine Erzählung zuerst, ehe man sie wieder­holen läßt. Die schlimmste Methode ist diese, eine solche Erzählung zu geben und dann zu sagen: Du, Edith Müller, mußt mir das jetzt wieder erzählen. Das hat gar keinen Sinn. Ein Sinn kommt nur in die Sache, wenn über dieselbe gescheit oder töricht – man braucht in der Klasse nicht immer gescheit zu reden, es kann auch töricht geredet werden, man wird das zumeist zuerst tun – eine Zeitlang gesprochen wird. Dadurch wird dem Kinde die Sache zu eigen. Und dann kann man sich es eventuell wieder erzählen lassen. Das ist aber das weni­ger Wichtige. Denn zunächst ist nicht das das Wichtige, daß das Kind sich eine solche Sache gedächtnismäßig aneignet. Darauf kommt es sogar in diesem Lebensalter zwischen dem Zahnwechsel und dem 9. oder 10. Jahr, von dem ich jetzt spreche, sehr wenig an; es ist sogar besser, wenn man so rechnet, daß das Kind sich dasjenige gedächtnismäßig aneignen kann, was ihm bleibt, und das, was es ver­gißt, mag es eben vergessen. Auf die Ausbildung des Gedächtnisses kann man bei anderen Unterrichtsstoffen sehen, als bei diesen Er­zählungen, wie ich auch noch ausführen werde.
Nun wollen wir einmal ein klein wenig die Frage behandeln:
Warum habe ich denn gerade eine solche Erzählung mit einem solchen Inhalte gewählt? Das ist aus dem Grunde geschehen, weil die Vorstellungen, die in dieser Erzählung spielen, mit dem Kinde

En dan speel je het langzamerhand klaar, daadwerkelijk die stemming op te roepen  waarin zo’n verhaal niet alleen verteld wordt, maar ook kan worden besproken.
Maar je bespreekt een verhaal eerst, alvorens je het laat herhalen. De slechtste methode is, een verhaal te vertellen en dan te zeggen: ‘Jij, Edith Muller, moet het nu weer aan mij vertellen.’ Dat heeft helemaal geen zin. Zin heeft het alleen, wanneer er een tijdje verstandig over wordt gesproken of gekletst – je hoeft in de klas niet altijd verstandig te praten, er kan ook gekletst worden, dat gebeurt meestal het eerst – wanneer er een tijdlang over gesproken wordt. Daarmee maakt het kind zich de zaak eigen. En dan kun je het eventueel laten  navertellen. Maar dat is minder belangrijk. Want in de eerste plaats is het niet belangrijk dat het kind zoiets in zijn geheugen prent. Daarop komt het juist in de leeftijd tussen de tandenwisseling en het 9e of 10e jaar waarover ik het nu heb, zeer weinig aan; het is zelfs beter wanneer je erop rekent dat het kind dát onthoudt wat het in zijn geheugen opnemen kan en wat het vergeet, dat mag het vergeten. Op de vorming van het geheugen kun je bij andere onderwijsstof letten dan bij verhalen, zoals ik nog zal bespreken.
Nu willen we nog even de vraag behandelen: Waarom heb ik dan zo’n verhaal met zo’n inhoud gekozen? De rede is, omdat de voorstellingen die in dit verhaal spelen, met het kind

blz. 71

wachsen können. Sie haben alles mögliche in der Erzählung, worauf Sie später zurückkommen können: das Veilchen wird ängstlich, weil es das große Veilchen am Himmel sieht. Das braucht man mit dem kleinen Kinde noch nicht zu erörtern. Später, wenn man nötig hat, kompliziertere Lehrstoffe durchzunehmen, kann bei Gelegenheit, wenn irgendwo die Angst auftritt, auf dieses zurückgekommen wer­den. In dieser Erzählung tritt Kleines und Großes auf. Kleines und Großes kommt wiederholt, immer wieder und wieder im Leben vor und wirkt aufeinander; man kann später darauf zurückkommen. Vorkommt in dieser Erzählung aber vor allen Dingen zunächst der bissige Rat des Hundes, nachher der wohlwollende, liebevolle Rat des Lammes. Was kann da später, wenn das hervorgeholt wird, nachdem das Kind so etwas in der Seele liebgewonnen hat und reif ist dazu, an Betrachtungen angeknüpft werden über das Gute und das Böse, über die entgegengesetzten Empfindungen, die in der Seele wurzeln! Noch bei einem sehr reifen Kinde kann man auf diese einfache kindliche Erzählung wieder zurück­kommen, kann ihm klarmachen, daß man ja oftmals nur Angst hat vor einer Sache, weil man sie mißversteht, weil sie schlecht dar­gestellt wird.

mee kunnen groeien. In het verhaal heb je al het mogelijke waarop je later terug kan komen: het viooltje wordt bang, omdat het het grote viooltje aan de hemel ziet. Dat hoef je met het kleine kind nog niet uitvoerig te bespreken. Later, wanneer het nodig is ingewikkelde leerstof door te nemen, kan er bij gelegenheid, wanneer er ergens angst voor optreedt, op worden teruggekomen. In dit verhaal is sprake van groot en klein. Klein en groot komen herhaaldelijk steeds weer in het leven voor, en beïnvloeden elkaar; daar kun je later op terugkomen. In dit verhaal komt allereerst naar voren de bitse raad van de hond, daarna de goedgunstige, liefdevolle raad van het lam. Wat kun je daar later, wanneer je het weer ophaalt, nadat het kind zoiets liefdevol in zich heeft opgenomen en er rijp voor is, aan gezichtspunten aanknopen over goed en kwaad, over die tegenstrijdige gevoelens die in de ziel wortelen!  Nog bij een zeer rijp kind kun je op deze simpele kinderlijke vertelling weer terugkomen, kun je hem duidelijk maken dat je dikwijls alleen maar bang voor iets bent, als je het verkeerd begrijpt, omdat het slecht uitgelegd werd.

Dieses Zwiespältige im Empfindungsleben, das man vielleicht später bei diesem oder jenem Lehrstoffe zu besprechen hat, kann in der wunderbarsten Weise gefunden werden, wenn man im späteren Leben auf diese Erzählung zurückkommt. Und im Religionsunterricht, der ja erst später auftreten muß, wie schön ist diese Erzählung gerade zu benützen, indem man zeigt, wie das Kind die religiösen Gefühle entwickelt an dem Großen, das der Beschützer des Kleinen ist, und wie man das echte religiöse Gefühl entwickeln muß dadurch, daß man in sich dasjenige findet, was an dem Großen beschützend auftritt. Das kleine Veilchen ist ein kleines blaues Wesen. Der Himmel ist ein großes blaues Wesen. Daher ist der Himmel der blaue Gott des Veilchens.
Es wird das auf mehrfacher Stufe im Religionsunterricht zu be­nützen sein. Wie schön kann man später anknüpfen, vergleichen, wie das menschliche Innere

Deze tweestrijd in het gevoelsleven die je misschien later bij de een of andere leerstof moet bespreken, kan op de meest wonderbaarlijke manier gevonden worden, wanneer je in het latere leven op dit verhaal terugkomt.
En in het godsdienstonderwijs dat pas later moet komen, hoe mooi is dit verhaal daarin niet te gebruiken, wanneer je laat zien hoe het kind zijn religieuze gevoelens ontwikkelt aan het grote dat de beschermer is van het kleine en hoe je het goede religieuze gevoel moet ontwikkelen door in jezelf te vinden wat met  grote beschermend optreedt. Het kleine viooltje is een klein blauw wezen. De hemel is een groot blauw wezen. Vandaar dat de hemel de blauwe god van de viooltjes is.
In de godsdienstles kun je dit op verschillend niveau benutten. Hoe mooi kun je later aanknopen, vergelijken hoe het menselijk innerlijk zelf iets goddelijks is! Je kunt later tegen het kind zeggen: ‘Kijk eens, dit grote hemelviooltje, de

blz. 72

Veilchen-Gott, der ist ganz blau, in alle Weiten. Jetzt denkst du dir ein kleines Stück herausgeschnitten, das ist das kleine Veilchen. So ist Gott überhaupt groß wie der Welten-Ozean. Deine Seele ist ein Tropfen von Gott. Aber so, wie das Wasser des Meeres, wenn es einen Tropfen bildet, dasselbe Wasser ist wie das große Meer, so ist deine Seele dasselbe, was der große Gott ist, nur eben ein kleiner Tropfen.
Und so wird man es, wenn man die richtigen Bilder findet, für das ganze kindliche Alter einrichten können, daß man später auf diese Bilder wiederum zurückkommen kann, wenn das Kind reifer ist. Aber es handelt sich darum, daß der Lehrer selber Gefallen und Sympathie für diese Bildhaftigkeit findet. Und Sie werden sehen: wenn Sie ein Dutzend solcher Erzählungen durch Ihre Erfindungsgabe ausgebildet haben, dann können Sie sich gar nicht mehr retten; sie kommen überall, wo Sie gehen und stehen. Denn die menschliche Seele ist ein unversieglicher Quell, die es hervorbringen kann, wenn ihr nur einmal das Hervorzubringende auf der ersten Stufe ent­lockt ist.
Der Mensch ist nur so träge, daß er die ersten Anstrengungen nicht machen will, um dasjenige, was in der Seele drinnen sitzt, aus sich hervorzubringen.

God van de viooltjes, is helemaal blauw. Denk nu eens aan een klein stukje dat eruit gesneden is, dat is het kleine viooltje. Zo is God eigenlijk groot als de wereldoceaan. Jouw ziel is een druppel van God. Dus, net zoals het water van de zee, wanneer het druppels vormt, hetzelfde water is als dat van de grote zee, zo is je ziel hetzelfde als wat de grote God is, maar slechts een kleine druppel.
En zo zul je, wanneer je de juiste beelden vindt, het voor heel de kinderleeftijd zo kunnen organiseren, dat je later op die beelden weer terug kan komen, wanneer het kind rijper is. Maar het gaat erom dat de leraar zelf dit beeldende fijn vindt, er sympathie voor heeft. En dan zul je zien: wanneer je een dozijn van dergelijke verhalen door je creativiteit ontworpen hebt, dan ben je er nergens meer veilig voor; ze zijn overal waar je gaat of staat. Want de mensenziel is een niet verzegelde bron die ze kan bedenken, wanneer ze in de beginfase eenmaal aan haar ontlokt zijn. De mens is alleen zo traag, dat hij de eerste pogingen niet doen wil om wat in de ziel zit naar buiten te brengen.
GA 311/70-72
Vertaald op deze blog/70-72

blz. 104      vert. blz. 104

Sachgemäß pädagogisch-künstlerisch ist, das Kind erst mit dem Zahnwechsel in die Schule hereinzubekommen. Dann hat man es zunächst, wie ich angedeutet habe, mit dem Künstlerischen beginnend, damit zu tunman auch in dieser Weise mit dem selbständig Künstlerischen beginnt, wie ich es auseinandergesetzt habe, daß man alles dasjenige, was sich auf die Natur bezieht, in der märchenhaften, legendenhaften, my­thenhaften Art behandelt, wie ich es auch auseinandergesetzt habe.

Zinvol pedagogisch-didactisch is, het kind pas met de tandenwisseling op school te laten komen. Dan moet je allereerst, zoals ik aangegeven heb, met het kunstzinnige beginnend, bezig gaan met de lettervormen uit het kunstzinnige te ontwikkelen; dat je ook op zo’n manier met het zelfstandig kunstzinnige begint, zoals ik uiteen gezet heb, dat je alles wat betrekking heeft op de natuur behandelt op een manier zoals in sprookjes, legenden, mythen, zoals ik heb laten zien.
GA 311/104
Vertaald op deze blog/104
.
[1] 
GA 311/64
Vertaald in ‘Zonlicht’/85

In GA 311 gaat Steiner in op vragen van de kinderen.
Daarover in dit artikelde zinrijke/zinvolle vertelling

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte (2)

Rudolf Steineralle artikelen

Vertelstofalle artikelen

.

1929-1813

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen (GA 309)

.

Het vak vertellen neemt op de vrijeschool een belangrijke plaats in.
Rudolf Steiner sprak er herhaaldelijk over in zijn pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311

De belangrijkste opmerkingen vind je hier uit:

Rudolf Steiner over vertellen

vertellen met een boek in de hand

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN

GA 309/101                op deze blog vertaald/101.

Frage: Wie verhalten sich die Lehrer der Waldorfschule, wenn das Kind die Frage stellt: Ist das eine wahre Geschichte?

Solche Dinge werden vorkommen; aber in der Mehrzahl der Fälle wird man das Richtige dadurch machen, daß man sich frägt: Habe ich 309/102 denn nun auch so erzählt, daß das Kind gefühlt hat, ich glaube an die Wahrheit der Legende selber? – Da wirken wirklich Imponderabilien.Wenn man das Märchen erzählt mit der Gesinnung: Ich bin furchtbar gescheit; ein gescheiter Mensch glaubt nicht an die Märchen; das Kind ist furchtbar dumm, daher kann ich ihm Märchen erzählen – man braucht sich das nicht immer ausdrücklich vorzusagen, aber indem man das eigentlich im Gefühl hat, wird man gar nicht auf das Kind wirken. Wenn man aber den Bildinhalt des Märchens selber als eine Wahrheit fühlt – und das kann man -, dann wird man schon so erzäh­len, daß man gerade durch dieses Wahrheitsgefühl in der Erzählung auch solche Dinge besiegen kann.

Dat komt wel voor; maar in het merendeel van de gevallen doe je er goed aan je af te vragen: heb ik dan dan ook zo verteld, dat het kind gevoeld heeft dat ik zelf de waarheid van de legende geloof? – Daar hebben we echt te maken met de onweegbare zaken.
Wanneer je een sprookje vertelt met de stemming: ik ben echt knap; een knapperd gelooft niet in sprookjes; een kind is vreselijk dom, dus die kun je wel sprookjes vertellen – je hoeft dat niet steeds nadrukkelijk uit te spreken, maar wanneer je dat eigenlijk voelt, maak je geen indruk op een kind. Wanneer je echter de beeldinhoud van het sprookje zelf als waarheid beleeft – en dat kan – dan zal je ook zo vertellen dat je juist door dit waarheidsgevoel met het vertellen zulke dingen overwint.
GA 309/101
Op deze blog vertaald/101

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1924-1808

.

.

.

.