Categorie archief: kerstspelen

VRIJESCHOOL – Paradijsspel – regie-aanwijzingen (3-2)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabe-sfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

De aanwijzingen in [3-1] werden afgesloten met het weer op het toneel komen tijdens de laatste coupletten van lied nr. 2 ‘Hoe koel schijnt ons de morgen’.

Dornach

De spelers stonden opzij en nemen nu hun plaats in. De boompjesdrager is niet op het toneel, maar staat ‘beneden’.

Den Haag:

DH: Godvader loopt naar de troon en gaat zitten, Adam staat op en gaat schuin links voor de troon staan. God blijft zitten en maakt een gebaar van een wijde ademstroom in de richting van Adam:

GT:

God de Heer spreeckt:

Adam, nu neemt den adem des levens,
dien ghy ontfaet mit deuzen dach

Dornach en DHAdam haalt de zak van zijn gezicht en laat die schuin links achter zich vallen; de duivel komt snel tevoorschijn en vangt de zak op waarmee hij weer achter de boom verdwijnt

Bij de volgende tekst maakt god allerlei gebaren die Adam dromerig nadoet, ‘de mens in de nabootsingsfase’. (Hij ziet godvader niet, dus dit stukje moet goed gerepeteerd worden!)

neemt oock verstant waerdoor ghy leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.

Dornach/DH: Op ‘verstant’ wijst Adam met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd en raakt dit aan.

Soo leef dan. En van stonde af aen
gaet steevast op uw voeten staen!

Dornach: leef dan: Adam beweegt krachtig zijn armen; DH: ademt diep in/uit
‘voeten’: loopt met vaste tred heen en weer; DH: eerst de linker, dan de rechter krachtig stampend op grond.

GT:
Spreeckt op, Adam, en segt my nu,
myn schepping, hoe behaegt sy u?
Verwondert u niet de aarde wyt?
der zonne glans en heerlyckheyt?

Dornach: zonneglans: O-gebaar

en myn gewelfden hemelsboogh?

Dornach: A met de armen:

kleine pauze

‘k Mocht weten, Adam, oft u oogh
mit lust op al dit schoone blickt.

De gemoedsstemming vanwaaruit Adam spreekt is ‘A’; hij heeft nog geen ‘Ik’, naïef, geen volwassenheid

Adam spreeckt:

O heer, hoe wys heeft ‘t al beschickt
u goddelycke majesteyt
Oock myn heeft u almogentheyt
geschaepen soo dat ick erken
hoeck nae u beelt geschaepen ben.
U wil mach volghen t’ allen tyt,
soals ghy myn int herten lyt.

Dornach: raakt zijn hart aan.
De vertaling heeft als volgorde ; erken, hart, volgen: daarin kun je een volgorde zien van denken, voelen, willen. Adam zou die drieledigheid kunnen benadrukken. Op ‘lyt’ buigt Adam.

Ook hier maakt God gebaren die Adam nabootst.

God de Heer spreeckt:

Siet, Adam, veulderhand gediert
dwelc u van myn geschonken wierd.
lck gheef het u in heerschappy,

Adam reageert bevestigend, knikt, trotse, fiere houding

en bergh’ en daelen noch daer by

De armen, weg kijkend, verwondering over vissen

oock het gevogelt van den hemel,
der visschen spartelend geweemel.

De armen, naar beneden kijken,

‘k Wil met u deelen het bestuur
over de gansche creatuur.

Adam knikt

U woonstee hebt ghy voor altyt
in myn geplanten hof so weydt.
Proef vryelyck van allen boomen
daer van de vrught u wel becoome.
Al wat daer groeyt int paradys
sy u tot kostelycke spys.

DH: over buik wrijven (bij becoome of spijs)

God gaat staan:

Doch wil ick, almachtich god
u gheven één gestrangh gebodt:
Aensiet den boom van goet en quaat,
die ginder in het midden staet.
(de allerbeste, moet ge weten),
daervan en sult ghy nimmer eten.

Adam maakt afwerend gebaar

Ten daghe dat ghy u vermeet
en de verboden boomvrught eet,
de doot voor eeuwich sult ghy smaeken,
ja int verderven plots geraeken.

God maakt daar een krachtig armgebaar en Adam bootst dit nu, zonder te beseffen wat het betekent.

Dornach: schrik in A verbazing

Merckt uyt hetgeen ick u geboot
dat hy, die ‘t leven en de doot u gaf,
het alsoo nemen can.

Adam buigt.

De kompany neemt de oude volgorde aan en gaat door de zaal.

DH: idem

Kompany singht:

Lied 3

1. Adam erkent die alles schiep|
hem selfs en elck dingh int aensyn riep.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Hy schonk hem alde vrughten soet,
begeerlyck voor ‘t oogh, tot spyze goet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Eén boom des hofs sou hy vermyden
opdat hy niet mogt schaade leyden.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

4. Die boom sou kennen quaat en goet,
God spreeckt: Dit prent in u gemoet.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

5. God nu deet een slaep soo diep
op Adam vallen en hy sliep.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

6. Hy neemt, als Adam de ooghen sluyt,
syn ribbe en schept een vrouw daeruyt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

In Dornach neemt men dan de plaatsen weer in: boompjesdrager blijft beneden, Eva staat achter de boom, evenals de duivel; godvader gaat op de troon zitten en Adam komt en knielt voor hem, het hoofd in de handen steunend alsof hij slaapt

DH: op het 4e couplet komt men weer op het toneel; bij het 5e: God nu deet: ieder staat stil; Adam knielt bij troon, op ‘Ja, alles’: kompany loopt verder en gaat naar de plaats, 6e couplet zingend.

Godt de Heer spreeckt:

Dornach: god trekt bij zijn woorden een rib uit Adams lichaan. Dan schrijdt hij achter de boom en neemt Eva bij de hand naar Adam.
Hij trekt een lange rib uit Adams kleding, d.w.z. hij geeft het aan. [markiert es]
De rib heeft vanaf het begin verborgen op de troon gelegen. God moet die nu ongemerkt in zijn handen zien te krijgen.
Eva kijkt nieuwsgierig naar alles.

Noor Gerretsen merkte op dat dit gegeven al heel oud is, dus al vroeg bij het opvoeren van het spel, werd gebruikt. Zij sprak over een grote koeienrib.
Ik heb alleen gezien dat ‘gedaan werd alsof’ (markieren).
Het aanduiden van de grootte van de rib, ging zeker de werkelijke grootte (ver) te boven.

Een ribbe uyt Adams lichaam bouw
ick, hem ter hulpe, tot een vrouw,

God, de rib ‘vasthoudend’ gaat achter de boom en komt met Eva terug:

God tikt Adam op de schouder bij ‘wordt wakker’, waarop Adam zich meteen opricht.

Adam wordt wacker, wilt opstaen,

Adam dromerig verrast.

Hier neemt u ghesellinne aen.

Adam springt op en drukt een grote verbazing uit als hij naar Eva kijkt. Ze staan tegenover elkaar, links en rechts van god.

Sy is geschaepen uyt u lyf,

Adam betast zich

mit u te deelen dit verblyf;
Adam knikt

Sy is temet uyt u gebeent,
Adam kijkt verbaasd naar zijn eigen lichaam.

God heft zegenend zijn handen

dies – hebt haer lief, weest trou vereend.
Adam knikt heftig bevestigend met het hoofd. 

Myn enghel behoede u allerweeghen.
Engel staat op en komt iets naar voren

U volghe staeg myn milde seeghen.
Weest vrugtbaer, u naecomelinghen
vervullen ‘t aerdtryck. Alle dingen
syn u, soo ghy gehoorsaeim syt.

langere pauze

Adam spreeckt:

met overtuiging

Van herten ben ick hiertoe bereydt
o heer, want ghy hebt my gegheven
al creatuur en oock myn leven.

GT Zij buigen tegen elkaar. God de Heer af

Ze buigen. God gaat langzaam naar de achtergrond en gaat bij de engel op de bank zitten. Adam en Eva staan tegenover elkaar en bekijken elkaar. Dan wenkt Adam Eva om naderbij te komen en slaat een arm om haar schouder.

DH: Eva moet alles a.h.w. in het lucht-waterige element houden. (Lemurië) Zeer dromerig en vloeiend.
Adam en Eva wandelen met arm om elkaar heen (om het ongeslachtelijke uit te drukken)
Adam spreekt de woorden van godvader na, zonder eigenlijk te weten wat er bedoeld wordt. Eva bootst hem na.

GT:

Hoe lieffelyck, Eva, op deuse wys
met u te wonen int paradys,
dwelc god de heer ons wilde gheven
om soo vernoegd daerin te leven
van lasten vry. Slechts één gebodt
gaf ons de goedertieren god.

Dornach: en DH kleine pauze; dan tikt Adam Eva op de schouder:

Ei, hoort de blye vogels quelen,
Houden de hand aan het oor en luisteren

siet alom het gedierte spelen;
ze wijzen elkaar beurtelings op de die dieren

tsyn boomen overal,
veulderhand vrughten sonder tal.
daervan te eten met syn beyden,
ze wijzen op de vruchten en wrijven over hun maag

en hoeven maer één boom te meyden.
de beste, die int midden staet.
Adam wijst hem aan

Daer van god niet en eten laet.
Eva schudt nee

Ten daghe dat wy ons vermeten
van de verboden boom te eten,
Eva weert met de hand af

de doot voor eeuwich sulle’me smaeken,
ja, int verderven plots geraeken.
Adam heft waarschuwend zijn vinger; Eva hoort hem geschrokken aan met wijd open mond

Merckt uyt hetgeen ons god geboot
dat hy, die ’t leven en de doot
ons gaf, het alsoo nemen can.
De laatste regel vol betekenis en met de vinger zoals god ook deed

Dornach en DH lied in 3 coupletten over het toneel

De Kompany singht:

Lied 4

1. Nu leefdense vol heerlyckheit;
elck dingh was tot haar dienst bereydt.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Soo dra de duyvel sulcks vernam
hy heimelyck geslopen quam.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Al nae der slanghe wyze
al in den paradyze.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

.

Deel 1: vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Dit deel (2): na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

vervolg Paradijsspel nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelenalle artikelen

.

2039-1911

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel- regie-aanwijzingen (3-1)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET PARADIJSSPEL UIT OBERUFER

Dit deel (1) vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

De spelersgroep:
Volgorde: boompjesdrager, engel, godvader, Adam, Eva, duivel
Er wordt begonnen zonder zingen.

DH: zelfde volgorde, maar bij binnenkomst wordt lied nr. 1 gezongen:

De kompany singt binnengaande:

Lied 1:
1e couplet:

Singhen wilc uyter herten myn
alst leyt in myn gemoet,
heer, laet ‘t myn mond gegeven syn
dat het u preysen doet!
want ghy syt onsen god
– laet af van alle spot –
die alle dinc geschaepen heit
ent al bestiert nae syn beleyt,
geloofd, geloofd sy god!

DH: onder het zingen van couplet 1 wordt door de zaal naar het toneel gelopen in dezelfde volgorde als hierboven. Rechts het toneel op, zodat de beginvolgorde zo is:

Paradijsspel 1

Of er (veel) bomen kunnen staan, hangt natuurlijk af van de grootte van het toneel; de ‘grote’ boom kan ook meer naar links, de troon blijft er wel rechts voor.

Het boompje dat de boompjesdrager in zijn hand houdt, heeft vanuit de zaal gezien links sinaasappels, rechts citroenen.

DH: kleine appeltjes rondom

De boompjesdrager staat voor het toneel met zijn gezicht naar het publiek, de anderen staan tegenover hem met de rug naar het publiek. De duivel staat ‘gekronkeld als een slang’.

Boompjesdrager:

Goê sanghersluyden myn, coomt naederby en siet
wat grote vreught en eer u deusen dach geschiedt:
veul vollecks sit bijeene alhier in deusen sael,
groot ende kleyn, die syn gecomen al te mael
u spel te hooren. So wilt rontsomme staen

De spelers gaan nu in een boog om de boompjesdrager staan en keren hun gezicht naar het publiek
en neerstellic een wyl voor haerluy singhen gaen.

boompjesdrager
                                                 Adam                            godvader
                                              Eva
                                           engeol                                    duivel

DH: dus zeer afwijkend

Toont een betaamelyc en vroom gesicht,
Allen doen hun best zo vroom mogellijk te kijken, vooral de duivel

soodat ghyse allen oock van herten sticht;
merckt dat u stemme suver word’ gehoordt en hertelyck klinck’ u gesanck ende woord.
Alevel groeten me te voren
de goê gemeynt, so u wel vlytigh aen wilt hooren.
Maer laet ons teersten groeten god vader in synen troon,

Bij het groeten van godvader, de zoon en de Heilige Geest worden door alle spelers 3 buigingen gemaakt: 1x midden -1x  rechts – 1x links

DH: godvader in zijn synen troon: 3x midden
synen eenighen soon: 3x links
den heylighen geest ( ) waarhweyt leert: 3x rechts

Ook gezien: bij godvader, zoon en Heilige Geest bij ieder: 1x midden, 1x links, 1x rechts. In Dornach dus ook zo, maar volgorde m  r   l.

groeten me desgelyc synen eenighen soon, mitgaeder den heylighen geest hooch vereert,
die aen ons menschen den wegh ter waerheyt leert.
Groeten me tesamen heel de heilighe triniteit: vader, soon ende geest gedrieën in eenicheit.
Dornach 1x midden; 1x rechts; 1x links; DH: 1x midden; 1x links; 1x rechts

Adam en Eva gaan het toneel op.

Groeten me Adam en Eva in den hove,
daer me allen wel geern souden binnen moghen.

Adam en Eva groeten hierna niet uitbundig: ‘ze slapen a.h.w. nog’,
God en de engel niet overdreven.

Wat er gegroet wordt: steeds 3 buigingen: 1x midden, 1x rechts; 1x links

Groeten me oock alt geboomt ende gediert,
soo veul als in het paradys gevonden wierd.
Dornach groet weer 3x; DH wat willekeurig, naar alle kanten, soms 1x, soms meer.

En groeten me fyn neffens de andere dieren
idem; idem

Duivel fluit vogeltonen
de veughelkens die soo schone slaen ende tierelieren.
Eva wijst op de vogels (in de bo(o)m(en) 

Het andere groeten blijft idem  idem

Groeten me oock het gantsche firmament,
alsoo god heere heyt gheset aen swaerelts end.
Groeten me seer de edele overheydt;

Groeten me meester, nu als tallentyd.

‘Meester’ is de regisseur

Groeten me de eerwaerde geestlycken soo goet me connen,
Noyt en moghen me iet speulen, als sy ’t niet en gonnen.
Groeten me tsaem de schepenen en den schout,
De vroe raetheeren nae vermoghen, jong ende oud.
Want we sullense al gaeder gevoeghelyck eeren
Naerdien sy over ons ghestelt syn van god ons heere.
En nu, goê sanghersluyden myn, fanght vlytigh aen,

den boom, dwelc in het midden van den hof doet staen,
daer van en mach niemant de vrught niet en aenroeren,
soo hy nae gods ghebieden tleven wilt voeren;
die boom willen me oock groeten op syn best
met al syne vrughten, van de eerste tot de lest.
Ernaar wijzend, nog steeds 3 buigingen
Duivel uitbundig om boom springend en groetend

Die quaie Eva isser eenmael van gaen eten,
Ze keert zich af; idem

toen heyt Adam – die hals –

Adam is nog niet geboren en draagt daarom een zak over zijn hoofd.
Die tilt hij bij ‘hals’ omhoog zodat zijn gezicht zichtbaar wordt en weer omlaag.
(‘Angabe’ – zie boven)
Adam kijkt zeer dom en verbaasd ‘vanuit zijn zak = ‘aardekluit’.

er oock van gegeten.
Daervuur wirdense van god verstooten meteenen;
aen deuse saack willen me allen exempel nemen.
Allenich den duvel, die en willen me niet groeten,
veur dien de lieve heer ons mach behoeden,
Boompjesdrager gaat op duivel af
we willen den booserick in syne steerte knypen en in syne leul’cken haeren grypen.
Hij grijpt hem bij zijn staart en maakt trekkende bewegingen; de duivel kermt
Dornach idem, duivel sist, blaast als een kat

Alsoo, goê sanghersluyden myn, hebt ghe allen wel geheurt
van dat tonser schaede int paradys is gebeurt.
Laet ons tende groeten ons leermeester goet

De opvatting bestaat, dat net zoals in het kerstspel de sterrenzanger de leermeester is, ook de boompjesdrager de leermeester is en dat hij hier dus zichzelf groet.
Dornach 3x

en groeten me oock syne const en synen moet, met dwelck hy onse rauwe stemmen
In Dornach grijpt de boompjesdrager naar zijn keel – is dat niet toch een kleine aanwijzing dat hij niet zelf de ‘leermeester’ is, dat ook zijn stem eraan moest geloven? 

sonder als te veul slaegh heyt tomen kennen.
De spelers wrijven over hun achterste. DH idem.

Nu weet ghy wat van u begheert u oud compaan,
goê sanghersluyden myn. Soo fanghet aen.

Dornach: Adam en Eva komen van het toneel en sluiten zich bij de anderen aan. Ommegang door de zaal, boompjesdrager voorop. Het eerste couplet – zie boven – wordt gezongen, maar in de Duitse tekst is er geen duidelijke cesuur tussen couplet 1 en 2, dus worden die als 1 lied achterelkaar gezongen.

De tekst in het Nederlands begint met de kompany die 2 coupletten zingt van lied nr. 1.
Volgens Noor Gerretsen – zie boven  de opmerking over ‘Angabe’  – was het een aanwijzing van Steiner dat er maar 1 couplet werd gezongen aan het begin en dat nu het 2e couplet wordt gezongen (dus vóór de engel gaat spreken) en niet het 1e opnieuw zoals in de tekst staat.

En in het midden daer stond een boom,
met kostlycke vrugt belaen,
die haer van god verboden wierd: |
die soudense laeten staen.
Sy en mochten die niet smaeken,
sy en mochten daer aen niet raeken. Den boom sou syn het leven:
daer omme wil god niet en gheven
de vrught die hong daer aen.

Een ommegansbeweging is vaak afhankelijk van de ruimte waarin je speelt. In Dornach werd in de Schreinerei gespeeld en kennelijk was zo lopen als hier aangegeven, het meest voor de hand liggend.

In DH waar men dus op het toneel stond, gaat men links van het toneel af – daar is een trapje! en loopt voor de 1e rij publiek langs naar het rechtertrapje waarmee men weer op het toneel komt. Hierbij wordt dus couplet 2 gezongen!

Dornach: de spelersgroep gaat op de banken zitten die opzij staan. De engel betreedt het toneel. De boompjesdrager gaat – niet op het toneel, maar in de zaal – vóór de engel staan en doet mee met de buigingen die de engel maakt.

De opstelling in DH is dan zo:

De boompjesdrager blijft op het toneel bij het trapje staan. De engel blijft staan, de anderen gaan zitten. De duivel is onzichtbaar achter de boom.
De engel loopt nu naar voor midden van het toneel buigt 3x: midden, links, rechts. (Dornach rechts, links)

De engel Gabriël treet op:

k Treet voor uluyden sonder spot!
goên avond saamen gheve u god,
een goên avond ende geseeghende tyt
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
Achtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren,
3z buigen; 3x buigen

oock deugtsaame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere,
3z buigen; 3x buigen

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel gaen toonen voor uluyden,
en wel van Adam en Eva, ent verhael

hoese uytet paradys verdreeven syn eenmael.
Soo ghy bereyt syt om ons aen te hooren,
swycht stil en opent wyt u ooren.

De rechter wijsvinger naar boven bewegen, bij ‘stil’ de vinger nog hoger, het hoofd iets naar de rechter schouder. De hand ver van het lichaam houden bij het groeten.
De engel gaat van het toneel om de andere spelers op te halen.

DH: Omdat hiermee iets wordt afgesloten, ligt het voor de hand dat de engel weer teruggaat richting zitplaats bank. De muziek begint en de boompjesdrager loopt van rechts naar links over het otneel; engel en godvader voegen zich achter boompjesdrager, Adam en Eva en duivel eveneens en de ommegangen beginnen:
boompjesdrager, engel, godvader, Adam, Eva, duivel.

Dornach: overal waar de ommegang door de zaal gaat, loopt de boompjesdrager voorop.

Nu volgen de 8 coupletten van lied nr.2 waarbij de ommegangen zo moeten worden gekozen dat je weer goed ‘uitkomt’, d.w.z. wanneer het laatste couplet uit is, je op je plaats staat die je moet innemen. In DH op toneel, op de banken/krukken o.i.d met een blauwe lap.

Lied nr. 2

De kompany singht ommegaende:

1. Hoe koel schynt ons den morgen,
de sonne leyt verborgen,
en alles wat leeft
god eere gheeft.

2. Wy coomen van alsoo veer gegaen
uytet land van Babilon vandaen.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

3. Eens schiep de heer die boven troont
het wereldryck en wat daar woont.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

4. God schiep de gansche wyde aerdt,
met alle schepselen nae haer aerdt,
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

5. Als oock de hooghe hemelstent
met zon ende maan aent firmament.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

6. En maeckt, als ’t al geschaepen is,
de mensch nae syn gelyckenis.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.

7. Wel heeft god alle werck volbraght:
den lighten dach en oock de nacht.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

8. Adam formeert hy uytet stof
en set hem in syn groenen hof.
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.

In Dornach:

Bij de laatste coupletten is de kompany op het toneel gekomen. De boompjesdrager blijft ‘beneden’. Alle spelers staan op een rij en maken een buiging, waarna ze op hun plaats gaan staan, langzaam schrijdend.

Den Haag, na het zingen van het 8e couplet:

Dit deel (1) vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2
Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’

vervolg nog niet oproepbaar

.

Verdere aanwijzingen voor het paradijsspel bij:

Kerstspelen: alle artikelen

.

2034-1906

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in Dornach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. De schetsen zijn ook ‘Haags’. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met het lied van Maria: ‘Ade, ade, nu…..
DH: page brengt krukje en geschenken rechts in de coulissen en neemt zijn plaats weer in. Dan wordt het donker. 

De duivel schuift de Herodestroon het toneel op, legt er een verhoging achter voor de engel en in de troon een buidel geld. Extra: de duivel springt naar voren en komt terug met de troon die hij met tumult en veel gedoe op het voorste midden neerzet. Achter de troon een verhoging. Dan een geldbuidel, rinkelt met de munten en legt die in een hoekje van de troon. Hij buigt listig naar Herodes en gaat terug naar zijn plaats, linksachter.

Koning Herodes komt met lakei op. Extra: koning Herodes komt naar voren en gaat op de troon zitten, de lakei brengt het grote zwaard en zet het ertegen. 

GT: Duivel brengt de zetel van Herodes. Herodes treedt op met lakei en hoofdman.

Oudere tekst: duivel brengt de zetel van Herodes en wist die af met zijn staart. Herodes treedt op met lakei en hoofdman, die aan weerskanten van zijn troon blijven staan.

DH: duivel brengt troon, bankje, mandaat, zwaard en geldzakje.

Coningh Herodes spreeckt: 

Schoon ic met sorghen deet bedencken
hoe dat ic rycklic sou beschencken
de wysen uytet oostenlant
mit sluwheyt en mit rapper hant
als oock den nieuen coninck goet,
so speur ic doch in mynen moet
dattic van haorlie ben bedroghen
en sy my hebben veur geloghen.
In anghsten leef ic gruwbaorlyck
dat also dra myn coninckryck
gering wort en heyt ofgedaan.
Nu ist van node ras beraen
hoe offic deuse saeken wend
dat ic behouden mgh myn regiment,

mgh=tikfout=magh

ick sin het eene en voort het aer,
’ck wick ende weegh hoe ic dien coninck daer
mogt vatten, en gestaegh bedenck
wat ic hem bieden sal veur een geschenck.
’ck wilt soetjens an ende oock mit loosheyt doen
gelyck de vos besluyt een malsch kapoen,

besluyt=tikfout=besluypt

dan dryft hy listighlic syn spel
en doet het vanghen alte wel;
gelyck de kat de muys verslindt,
soo willic om gaon mittet kint.

Hij steunt met zijn hoofd op zijn handen en denkt na. Staat op.
GT: duivel fluistert hem iets in het oor. DH: duivel komt tevoorschijn, blaast hem iets in’t oor, zichtbaar boven hem. Duivel af.

Seer plotslyc staot my nu veurt oogh
hoe of ict kinde vatten moogh:
met myn krygsvolck willick gezwind
om brenghen so menich cleyne kint,

Oudere tekst: het toneel wordt donker, Herodes blijft sterk belicht.

in gantse Judea brengh ic voorwaer
de knegtkens om ’t leven alle te gaor;
wat deert my of int gantse lant
de moeders kryten moord ende brand,

Maria is gaan staan en loopt langzaam op de achtergrond links over het toneel, komt dan naar voren, zodat ze bij het begin van het lied iets links van Herodes aangekomen 

soo ick myn ryck slechts cost beerven
niet en geraecke int verderven.

Maria is tijdens het spreken van Herodes gaan staan, loopt langzaam achter op het toneel, komt dan naar voren, loopt langs Herodes voorbij en gaat weer zitten. Extra: de hoofdman loopt dicht naar Herodes toe. Maria begint te zingen en loopt dwars over het toneel om Herodes heen en gaat weer zitten.

Maria gaet tot Herodes en singht: (No. 11)
Oudere tekst: zij is van den achtergrond gekomen, zingt links van Herodes staande en gaat voor hem heen in een boog naar haar plaats terug.
DH: Maria staat op na ‘brand’ en loopt om Herodes heen. Frontaal. Herodes kijkt haar niet aan, =visioen=schermt wel gezicht wat af, wegdraaiend voor het volle licht dat op Maria staat. Passeert hem eerst links. Lakei en hoofdman wijken opzij, wanneer akkoord van lied klinkt.

Maghtighe coningh, gedenckt aan barmherticheyt,
dat ghyt eenmaal niet rouigh en syt
so ghy vergiet der onschuldighen bloet,
bedenkt, maghtighe coninck, wat ghy doet.

Hoofdman en lakei zijn gekomen. De lakei houdt het mandaat vast.

Herodes spreeckt:

Herodes leunt alsof hij verstard is, als zag hij een visioen- op de leuning van zijn troon, starend voor zich heen. Wanneer Maria klaar is met zingen, valt de verstarring en spanning weg en knikt hij ineen. Hoofdman en lakei die achter hem staan, hebben steeds gespannen naar hem gekeken en schrikken nu zeer, omdat ze niet weten wat ze van de gebaren van Herodes moeten denken, wanneer hij losbarst: 

Packt u gezwind van hier, dwazin!
wat laot ghe u mit mynen saeken in?
benomen wort my ’t regiment
sooc niet en spoede dit onheyl wend.
Wout ghy my dan verordineren?
een coninck en salmen niet regeren!

Variant: de hoofdman komt op. Kleine pauze. 
Met gewone stem verder.

Ghy knegten hebt vernomen wel
uws heren ghebieden ende beveel:

Herodes gaat staan.

siet hier het conincklyc mandaat
soo’ck opterstont uytveerdighen laet;
tot alle landpaelen condighet af,
elk hem er nae righte op swaerste straf.

Oudere tekst: condightet, elck

Oudere tekst: hij geeft den hoofdman een rol met een groot zegel eraan bengelend. Hoofdman rolt het stuk uit en leest. DH: als dorpsomroeper, objectief.

Hoofdman neemt mandaat over, rolt het uit, kijkt erin, gaat een paar passen opzij en leest krachtig aan het publiek voor. Tijdens het lezen begint hij te stotteren bij de gruwelijkheden en hij komt bijna niet meer uit zijn woorden.

Hooftman spreeckt mandaat:

Haor conincklycke majesteyt
deur een gestrengh mandaat bevelen heyt
dat men om brenghe alle knegtkens cleyn

Oudere tekst. DH: Jonas komt naar voren en luistert angstig, op hielen lopend.

Oudere tekst: knegtjens

so twoujaerigh en daor onder syn.

twou=tikfout=tweu=

Hier en sal niet baeten goet noch geldt,
also heytet onsen heer coninck bestelt.
Een yeder die het ghebot sal weerstreven
salt boeten mit haaf, goet ende leven.

Judas komt naar Herodes; spreekt zeer karikaturaal Joods: Extra: hij schudt het hoofd, alsof hij de inhoud niet begrijpt. Terwijl de hoofdman het mandaat voorleest, is de Jood Judas langzaam achter zijn rug naderbij geslopen en heeft hem met ontzetting op zijn gezicht aangehoord. DH: leest mee. Nu schreeuwt hij:.

Oudere tekst: Jonas. GT: Judas comt tot Herodes en spreeckt:

DH: klsgend

O, wee o, wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaet,
onse kinderkens moetens worren gedoot?

worrden=tikfout=worren

ach, wat salt gheven smert, pyn ende noot I

Herodes spreeckt:

Bevelend de arm uitstrekkend:

Dit woort sy aestonts mitter doot bekocht,

aestonts=tikfout=aenstonts

grypt hem, hy worde int prisoen gebrogt.

Hooftman spreeckt tot Judas:

DH: hoofdman pakt hem beet.

Ghy booswicht, wildy den coningh weerstreven,
tsal u costen haaf goet ende leven,
ist niet beter de kinderkens sturven alleene,
als dat wy algaeder verdurven mit eenen?

De hoofdman legt zijn zwaard met de punt in de nek van Judas en brengt hem zo weg. Het toneel wordt donker. Je hoort de Jood jammerlijk schreeuwen. Het toneel wordt weer licht. Extra: hij houdt zijn zwaard met de punt in de rug van Judas en stoot hem voor zich uit dwars over het toneel naar rechts, waarbij de Jood jammerlijk schreeuwt. Als hij ‘af’ is, wordt het even donker. Wanneer het weer licht wordt, zit Herodes en de lakei staat achter hem. Hoofdman en soldaat zijn vanuit de achtergrond weer op het toneel, op hun zitplaatsen.

GT: Hij legt de punt van het zwaard tegen de hals van de jammerende Judas en brengt hem weg. Oudere tekst: Hij legt de punt van het zwaard tegen den hals van den jammerenden  Jonas en voert hem van het toneel.
DH: idem, naar links achter. Hoofdman gaat zitten.

P a u s e
In boek en oudere tekst staat ‘pauze’ niet; het is niet anders dan het ogenblijk waarop het donker wordt en weer licht.

Herodes spreeckt:

Loopt lackey, bringht my opt termyn
den also getrouen hooftman myn.

De hoofdman komt met de soldaat: Extra: Lakei springt weg en haalt de hoofdman en de soldaat.

GT en oudere tekst: Lakei haalt den hooftman. DH: soldaat komt ook mee.

Herodes tot hoofdman. Extra: Herodes staat op, laat zich door de lakei een groot zwaard geven.

Herod.es spreeckt:

Siet hier, hooftman, neemter dit sweert

DH: Herodes geeft hem zwaard.

ende vier dusend manschap mit haor test gheweer
ende gaot heen overt geberregt mit spoet

Hij gaat vlakbij de hoofdman staan en spreekt hem bezwerend toe.

end’ alle knegtkens cleyn ombringhen doet!
Neemt, segghic u, geenderlei steeckpenninck an,
want op straffe des levens comtet u staen:
doodt ghy de kinderkens alle ghelyck,
meughense erm syn, jonc ofte ryck;
soldye schenck ic u tweevoud,
lonen salc u mittet rode gout.

De laatste twee zinnen moeten zeer indringend worden gesproken!

Hooftman spreeckt:

Zwaait bloederig met het zwaard:

Dat conincklycke majesteyt
te deuser uer bevolen heyt
hebbic mit vreuchden ane geheurt,
oock wel vernomen weurt veur weurt:
Ic doent u sweren by hoochste trou, volgaeren sulcx volbrenghen sou
want myn gantse sin ende moet
rigtig hier nae haeken doet.
Ic wilde ic hadse veur my staen.
‘ck en soude wis niet ledich staen
doch met dit sweert soudic gezwind
ombrenghen so menigh cleyne kint!

wild met het zwaard slaand

het hert int lyf my laghen doet

Oudere tekst: lagchen

als ic sien druypen ’t rode bloet;
dan lykentet een brulochte
daorse veul kalvers en koebeesten slogten.

kleine pauze

Wel an, mit haesten ic my bereyt
te doen dat my conincklycke majesteyt
ernstlyc gheboden heyt. Lackey, comt ras,

DH: loopt naar lakei

slaot ghy mit myn er oock op los:

Lackeye spreeckt:

Ja heer, van stond aen willic houen ende steken
so veul ic can; ‘ck laot my niet besteken.

DH= steekpenningen aannemen, boektekst: ka mensch sull mi derstecha=lijkt mij toch ‘neersteken’ te betekenen.

Hooftman spreeckt:

Ic sien een drom knegten ende trawant,
Ic meen tsy een colfjen nae haorlie hant:
wel nu, heer coninck, hebt goeden moet,
wy sellen vergieten het kinde syn bloet.

Pauze. Duister. De kompany staat op en kijkt gespannen naar de soldaten. Wanneer deze terugkomen, gaat de kompany geschrokken zitten. De soldaat en de lakei hebben een zwarte kinderpop in hun hand. Extra: ze gaan -er staat: vooraan links weg. Als aanduiding van links en rechts staat aan het begin van de aanwijzingen, dat er vanuit de positie van de acteur gesproken wordt. Dat zou hier betekenen, dat ze vanuit de toeschouwer, van wie uit ik steeds de richtingen heb benoemd, nu rechts vooraan afgaan.
Het toneel wordt donker. De hele kompany staat op, kijkt, wat voorover gebogen van hun plaats naar de ingang op de achtergrond links – zie boven – en wanneer het toneel weer verlicht wordt, ziet men ze zo staan. De soldaten stormen van links – zie boven – achter het toneel op, hebben kleine poppenrompjes bij zich, zwaaien met hun zwaarden. En bij de aanblik daarvan laat de kompany zich dodelijk geschrokken op hun plaatsen terugvallen. Hoofdman en soldaat lopen voorop, gaan rechts en links staan van de troon. Koning Herodes zit in peinzende houding.

GT: De kompany staat op en staart hen na. Oudere tekst: zij gaan stampend achter het tooneel. Herodes blijft in gepeins verzonken. De kompany staat op van de banken’allen staren naar denzelfden kant. DH: hoofdman, soldaat en lakei marcherend af. Hun stampen moet versterven. Zodra ze weg zijn, staat kompany op en staart naar links (vanuit toeschouwer). Stappen zwellen weer aan, kompany wendt hoofd af en gaat zitten.

Hooftman gaet binnen ende spreekt:

Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt;
een maol hondert dusend vier en veertigh en acht
heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt,
wel nu, heer coninck hebt goeden moet,
wy deden vergieten het kinde syn bloet.

Herodes maakt afwerend gebaar

GT en oudere tekst: werpt een pop voor ’s Konings voeten. DH: idem

Krygsknecht somt en spreeckt:

somt-tikfout=comt

Tagentig dusend is myn getal
die ic bragt om tleven over al,
den deusen deet ic ’t losten packen  hij zwaait met de poppenromp zonder hoofd

losten=tikfout-lesten

en deet hem wip! synen kop af hacken.

Werpt Herodes de pop voor de voeten. GT en oudere tekst en DH: idem.
In DH. heeft alleen deze pop geen hoofd.

Lackeye spreeckt:

conincklyc majesteyt, merckt an dit wigt
hoe ic desselfs mandaat hebt uyt gerigt:
twee dusend heb ic er gebragt omt leven
en deusen an syns moeders borst gegrepen.

De lakei werpt ook zijn pop voor de voeten van Herodes. GT en oudere tekst DH: idem.

Coningh Herodes spreeckt:

Maakt een afwimpelend gebaar.

Hebt danck ghy knegten al drieën ghelyck,
ic wil u schencken myn halleve ryck!

Alle drie af. GT: Hoofdman, krijgsknecht en lakei af De duivel komt en brengt een zwarte duivelspop met rode tong mee. Extra: alle drie naar hun plaats. Herodes zit in zichzelf verzonken op zijn troon. De duivel springt tevoorschijn, hij heeft in zijn arm een klein, zwart duivelskind met rode tong en lange staart, gaar links van Herodes staan.

Duyvel spreeckt: GT: draagt een kleine duivel. Oudere tekst: draagt een kleine duivel met staart en rode tong. DH: idem.

Ghenadighe coninck, bin oock weerom gecomen
en heb myn kinders oock mit genomen,
die hebben haorselfs dorren vermeten
uut minen sack de braetworst te eten;
eer dat ics gonne een bete brood,
eer slanic ’t neer en ’t leyt morsdood.

slanic=slaenic

Hij legt het duivelskind op de grond, slaat er stevig met zijn vuisten op. Dan pakt hij het bij een oor, zwaait het boven Herodes en springt weer weg.

GT: werpt hem neer en gaat af. Oudere tekst: Hij schudt de zemelen eruit en laat het vallen. DH: iets dergelijks waarbij er een soort stof uit de duivelspop om het hoofd van Herodes dwarrelt. Herodes went zich af.

Hoofdman, soldaat en lakei komen terug. GT: Hoofdman, krijgsknecht en lakei komen op. Oudere tekst: Hoofdman, krijgsknecht en lakei komen op. en gaan weer bij Herodes staan.

Hooftman spreeckt:

Coninclyc majesteit, ic bid om verschoningh:
wy en vonden niet den nieu geboren coningh,

Herodes richt zich met een ruk op en staart de hoofdman aan. Zijn spanning loopt op, gedurende de tekst.

of wy oock sochten naer ende veur,
van den coninck en hebben me niet geheurt;
alevel alle knegtkens cleyn
so tweujaorigh en daor onder syn
bragtenme om nae ’s heren woorden;
ic meene ’t is volbragt geworden.

Springt op, loopt woedend heen en weer voor zijn troon.

Herodes spreeckt:

Daor ghy hem niet en hebt gedood
staet vast dat hy uytet ryck ontvlood.
Nu is myn leven schier verloren        houdt zijn hoofd in beide handen
mids dat een nieuen Got hier is geboren!

DH: op ‘selfs’ staat hij op.

selfs willic sien waorc hem can vinden,
ay, costic hem in Betlem in den stalle vinden!

Hij schudt de gebalde vuisten. Dan valt hij terug in zijn troon en zinkt ineen. Kleine pauze.

GT: oudere tekst en DH: Hoofdman en krijgsknecht af.

P a u s e:

O smart, o bittere smart
hoe is my bangh omt hart.

Hij slaat zijn kroon af. Hoofdman en soldaat hebben met met verbazing aangekeken.

Lackeye spreeckt:

Een appel end een mes bringht haestiglyc
dattic myn here laefenis reick.

De duivel brengt het. Hoofdman en soldaat af. Extra: de duivel springt naar de lakei en reikt hem een mes met op de punt een appel. Die brengt de lakei naar de koning, die het echter meteen weer laat vallen. Hoofdman en soldaat af.

De engel gaat op de verhoging achter de troon staan. De ster gaat naar beneden. In de andere hand heeft hij een vlammenkroon. Extra: intussen is de engel gaan staan, loopt tot achter de troon, gaat op de verhoging staan. Hij laat de ster dalen, zodat die links van Herodes komt.

GT: Duivel brengt een appel, die de Lakei aan Herodes geeft. Oudere tekst: duivel brengt een appel op de punt van een mes en geeft ze aan de lakei, deze aan Herodes. De engel komt tot achter den zetel op een kleine verhoging staande. DH: idem, met hellekroon in de hand. Lakei loopt weg.

Enghel singht, aghter Herodes staande (No. 12)

Herodes zit star, met visionaire blik.

Herodes, Herodes, ghy snoode tyran,
wat deden d’onnoosle kindjens u an,
dat ghy so deet verderven ?

so=tikfout=se

wagt, nu coomt ghy de doot te sterven.  DH: bij ‘wacht’ de ster naar beneden, naast Herodes. De Mariafiguur is onzichtbaar. De hellekroon ia nog ongezien.

Herodes spreeckt:

Met afnemende kracht in zijn stem.

Wat helle glans heeft my omvaen,
ach, ach, myn leven heyt gedaen,

Weer gewonere stem:

loopt, lackey, bringht my opt termyn
den also getrouen hooftman myn.

Hoofdman en soldaat komen.

Herodes spreeckt:

Siet aan hooftman, neemt dit present

Hij neemt de buidel met geld. DH: geeft hem aan de hoofdman.

wilt u vereren al veur myn end
het tydlic goet hebbic te seer geagt
dies heeft den duyvel my ten val gebragt:

DH: hoofdman werpt buidel weg

nu vaer ic henen in abrahams hof.

GT: Hij zinkt ineen, zijn kroon valt af. OT: idem; hij leunt in zijn zetel achterover. DH: lt hoofd naar rechts vallen, kroon valt af.

Enghel spreeckt:

Ghy hellegheesten wagt hem of,
en voert hem ’t uwaert, tot u nest,
die staeg u diener is gheweest
en kleedt hem als een coninck schoon
en set hem op de hellecroon.

Herodes blijft in deze houding. Zet hem de kroon op en gaat terug. Extra: de engel zet Herodes die intussen zijn gouden kroon kwijt is, een vlammenkroon op het hoofd. Herodes zinkt voor dood in zijn troon terug. De engel gaat naar zijn plaats.

GT: de engel zet hem een kroon met vlammen op.

Hooftnan, Lakeye en Krygsknecht spreecken:

Hoofdman, lakei en soldaat hebben van de engel niets gemerkt en alleen maar vol verbazing naar Herodes gekeken. Als ze hem zien instorten, zeggen ze alle drie tegelijk:

Wat baet de hoghe troon
wat schepter ende croon
schepter en regiment
tgaet alles ras ten end.

Ze gaan naar hun plaats. GT: af, Engel eveneens. OT: De engel gaat langzaam naar zijn bank. DH: idem, maar de knechten gaan eerst weg. 

De duivel komt en spreekt. Extra: de duivel heeft intussen grote zwarte vleugels omgehangen; in de pauze die nu ontstaat, hoor je hem roepen: bix-bax, ruach-raps, hi-hi. Ook hoor je vreselijk gerammel met een ketting. Dan springt hij tevoorschijn, gaat links van Herodes staan, raakt hem tweemaal aan met zijn vinger op de schouder op het woord ‘bukt u’. Herodes gaat steeds verder naar links in zijn troon, starend naar de duivel.

DH: geen vleugels en ketting. Komt op verhoging achter hem staan en raakt hem aan op:

Duyvel comt ende spreeckt:

Buckt u Joostjen, buckt u,
Doet u an suere melleck versaeden
en hebtet vet in de kan gelaten.

OT: gelaeten

Beide handen afwerend naar de duivel:

Herodes spreeckt:

O duyvel, laet my langher leven,
een juck swart ossen sallic u gheven!

Duyvel spreeckt:

Neen ic, neen u wilc alleen.  Op ‘u’ tikt de duivel Herodes met de vinger

Herodes spreeckt:

0 duyvel, laet my langher leven,   Smekender
een span swart rossen sallic u gheven!

Duyvel spreeckt:

Neen ic, neen, u wilc alleen.

Herodes spreeckt:

In vertwijfeling vooroverzinkend

0 duyvel, laet my langher leven,
myn halve coninckryck salllc u gheven!

Duyvel spreeckt:

Ei, wat sullenme stryen gins en weer,
onser syt ghe maor alte seer!
daor comen er meerdere nogh by myn in de hellepyn,
ghy en sultet alleenlich niet syn!
Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.

De duivel springt rond de troon, pakt Herodes bij de kraag en sleurt hem bij de laatste woorden van de troon. Extra: hij gaat achter de troon langs naar de andere kant en pakt Herodes bij de kraag. DH: achter de troon op verhoging, bij katten en ratten tilt hij H als een marionet van de een naar de andere kant. Op ‘rits, rats’ sleurt hij hem van de troon en neemt hem mee naar linksachter.

Span ic an een paor katten    DH: ruk naar rechts

krachtige ruk – Herodes klampt zich vast aan de troon

Span ic an een paor ratten      idem, krachtiger DH: ruk naar links

Span ic an een muysenpaar: Hier is herodes bijna opgetild uit zijn troon. DH: rechts en weg.

rits, rats, mit hem ter helle vaor.

Af met de kermende Herodes, terwijl het toneel donker wordt. Extra: Bij de laatste ‘rats’ trekt hij hem met een grote zwaai naar achter, waarbij Herodes een vertwijfelende kreet uitstoot. Het toneel wordt donker. Als het weer licht wordt, komt de hoofdman naar voren, staart even naar de lege troon.

GT: en OT: af met Herodes.

Hooftnan spreeckt:

OT: ziende dat de troon leeg is. DH: heel andere stemming dan eerst.

Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven,
dat hy de kinderkens stond nae ’t leven,
hadde ic het, lacie, eer bedacht,
ic en hadde se wis niet om gebragt,
ach cost icx nogh erlanghen,
an den hoochsten boom mogt ic wel hanghen!

Hij maakt het gebaar van opgehangen

OT: maakt een gebaar van worging

ach cost icx nogh bedencken,
in de diepste see mogt ic wel sincken!

Maakt het gebaar van verdrinken. OT: idem.

Doch wil ict op myn heer coninck wreken
en met dit sweert my selven deursteken.

De hoofdman zinkt neer op de troon. Donker, pauze. Extra: hij staat voor de troon en terwijl hij zich doorsteekt, zinkt hij in de troon. Donker, pauze. De kompany staat op, de hoofdman sluit zich aan, allen door de zaal en zingen. Grote ommegang.

GT: hy doorsteekt zich. OT: hij valt neer op den zetel van Herodes. Het wordt helder licht. De kompany staat op en gaat door de zaal. Hoofdman sluit zich aan. DH: idem

Kompany singht, ommegaende (No. 13)

DH: duivel houdt Herodes vast.

Wilt singhen end jubileren
Jesu den massiae,

massiae=tikfout=messiae

die de wereldt doet regeren,
is een soon Mariae
en leyt in het krebbeken
by ’t osjen end eselken.
Suja, suja, suja, suja, kindekyn,
ick ben u, ghy syt myn.
Jubelt springhend, jubelt singhend
hodie, hodie, hodie
is geboorn Christus sone Mariae, Mariae
en heeft van ons of genomen alle leed, alle leed, alle wee.
Helpt ons spoede tot u comen
Helpt ons spoede tot u comen
O Christe
O Christe.

De kompany staat weer in een kring achter de engel. Wanneer de engel uitgesproken is, komen allen naar voren en buigen. Extra: bij het slot van het gezang zijn allen weer op het toneel achter de engel. Deze komt naar voren in het midden.

OT: de kompany stelt zich op het toneel in een halve kring op. De engel staat vooraan in het midden.

De engel spreekt tot slot:

Aghtbaere, seer vroede, goetgonstighe heeren, 3x buigen l, m, r
oock deugtsaeme vrouen ende jockvrouen in alle ere,  idem
Wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
’ck bid so wy quamen veuls te cort,
’t ons niet en aengerekend wort
maer alles wat wy schuldich bleven,
onse onkunde mach syn toegeschreven:
Hiermet elckeen het allerbest betracht,
so wenschenme van Got almachtig een goede nagt.

Nu lopen allen in een rechte lijn naar voren, naar het voetlicht, staan op een rij en buigen naar het publiek. De engel is naar rechts gegaan en leidt ze dan achter op het toneel af.

DH: ‘een goede nacht’ wordt door de spelers herhaald, tijdens het buigen. Men ging door de zaal en de hoofddeur naar de gang.

.

vorige delen:

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

Deel 4 –  GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m blz. 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1777-1666

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in Dornach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. De schetsen zijn ook ‘Haags’. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met de ommegang (nr.5) van de hele kompany door de zaal. De spelers zijn weer op hun toneelplaats aangekomen. De duivel geeft het teken tot zitten. 

Boek: De duivel schuift de Herodestroon weg en gaat naar zijn plaats. De page zet een bankje voor Maria neer,  iets links van het midden, Jozef en Maria gaan naar hun toneelplaats. Nu gaan de engel en de koningen staan. De engel loopt over het toneel en staat weer links vooraan. Dan gaan de koningen lopen. Extra: Na deze ommegang is de kompany weer op het toneel gekomen bij hun plaatsen, De duivel springt naar voren en draagt de troon van Herodes weg. Nu gaat de page staan, neemt een klein bankje en zet dat op de rechterhelft van het toneel, dan gaat hij weer zitten. Maria gaat staan, gaat naar het bankje en gaat zitten. Jozef staat, leunend op zijn stok, achter haar. De engel gaat langzaam naar voren, blijft iets over het midden van het toneel staan, alsof ze verder wil gaan. De drie koningen gaan staan en stellen zich links op het toneel op.

GT: Duivel verwijdert den zetel van Herodes. Pagie brengt een krukje voor Maria. Engel, Maria, Josef en de drie Koningen op.

Boek en GT: Kaspar spreekt; DH: alle 3 koningen

C. Kaspar spreeckt:

Verlaet o heer
ons nemmermeer !
verlight onse oghen inder noot
dat wy niet en eynden in de doot,
geley ons, heer op regte baen
dat wy alhier niet en dwaligh gaen
en leert ons de gheboden dyn.            kleine pauze

Oudere tekst: de engel heeft zijn plaats, links vooraan, weer ingenomen.

C. Melchior spreeckt:                     om zich heen kijkend

Welc deuser twee paden macht regte syn ?

De engel is tijdens deze woorden van Melchior naar Maria en Jozef gegaan  Extra: de engel loopt verder en gaat achter Jozef en Maria staan.

C. Balthasar spreeckt:

Siet, hier de star doet stille staen,
laet ons inden stal tottet kinde gaen,

Buigingen

Got moet u groeten, lief maegdelyn,
is hier dien wy soecken, het kindekyn?

Maria singht (No. 6)

Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn,
in doecken gewonnen het kindekyn.

De koningen gaan weer naar voren, rechts. Extra: de koningen buigen, richten zich weer op elkaar, gaan iets meer zijwaarts staan.

C. Melchior spreeckt:

Nu welaen!
opgedaan ons geschenck ende offer
wieroock, mirre endet rode gout.

De page komt en pakt de staven aan; daarna brengt hij de koningen hun geschenken. Dan blijft hij opzij, rechts, staan en houdt de staven vast. Extra: de page komt, buigt diep voor de koningen, eerst voor de rode koning (Melchior), pakt van hen plechtig de staven over, gaat terzijde staan, dan geeft hij hen de geschenken, Melchior het eerst, dan de twee anderen, voor ieder maakt hij een buiging en treedt terug. Hij neemt de staven en blijft terzijde staan. De koningen staan met hun geschenken in hun handen.

GT: Pagie op. Hij neemt van elken koning den staf en reikt hem een offerschaal.
Oudere tekst: pagie neemt de staf van de drie koningen, reikt hun elk een tinnen schaal, (die vanaf het begin van het spel vóór op het toneel hebben gestaan) en blijft in de nabijheid, terzijde.

DH: Page komt. Buigt met gekruiste armen voor Melchior. Melchior reikt hem zijn staf aan. Page pakt deze aan en brengt hem weg, tussen de coulissen. Komt terug met het goud. Neigt licht en overhandigt. Koning Melchior neigt, page buigt. Dit zo bij de andere twee ook

C. Melchior singht: (nr.6)  DH: alle drie

Psallite unigenito
Christo, dei fillio
psallite redemptori,
domino puerulo,
jacenti in praesepio.

De coninghen singhen:

Wie onser sal den eersten syn ?

C. Kaspar spreeckt:

Als oudsten sy aan U die ere;
treet toe wy volleghen u gheren.

C. Balthasar spreeckt:

U coomt sy toe, gae ghy te veuren.

C. Melchior spreeckt:

An ere en is my niet geleghen;
ic gae mit Got, niet langh gewagt
en ’t kinde nieue jaer gebragt.

Boek: Koning Melchior knielt voor Maria, offert. Extra: zij richten zicht tot Maria en Jozef. Koning Melchior komt iets naar voren, knielt.

GT: C. Melchior knielt, doet offeren:

Gegroet syt ghy o heiligh kint,
geloeft sy Got dattic u vindt,

geloeft=tikfout=gelooft

van verre reyse comen wy
u ane treffen te regter ty,

Ic wil u offeren ’t rode gout,  zet het geschenk vóór Maria neer; DH: idem

ic bid my in genae behout.         buiging
Brenght troulyck groot het kinde teer
en hebt het oudren hooch in eer.
Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen
en neemt voor lief myn luttel gave.

Buigt nogmaals diep, gaat staan, doet een stap terug.
Oudere tekst en DH: blijft geknield zitten

C. Kaspar’s offeringhe:   knielt 

O edel coningh, o edel heldt,
hoe is u woningh so arrem bestelt,
wie mogt u soecken in den stal,
is dit u conincklycke sael ?

Oudere tekst: coninclycke

een star heeft my tot u geleyt
dien lof on ere moet eyn geseyt.
Veel edel coningh t’aller stond
sallic u prysen mit mijnen mond
en roemen wyt ende breit u name;

oudere tekst: naem

so wilt veel edel heldt ontvaen
de vrugt myns lands, de mirre goet

oudere tekst: lants

Hij zet zijn geschenk voor Maria neer, kruist zijn armen over de borst. DH: zet geschenk neer

nu bidde ic dat ghy my behoet
bewaert int regte Betlem my,
in uwen naeme ic henen ty.

Staat op, een beetje achteruit. 

Oudere tekst: blijft knielend. DH: ook

Coningh Balthasar’s offeringhe:  knielt. DH: idem

O coningh teer aensiet oock my,
daor en is geen hoghe heldt als ghy,
u begere ic uyt ’s herten gront,
een star ginck veur tottic u vont;
neemt aan het offer, de wieroock goet,
daormot men coninghen eren moet,

Zet zijn geschenk neer. DH: idem.

heer, wen ic dickmaels coma na deusen
wilt myns oock immer ghenadich wesen.

Buigt en staat op. DH: staan alle drie op.

Joscf spreeckt:

Myn goede heren, vergelde Got
dat ghy tot ons quaamt in onse noot
en mit u giften hebt bedaght,
Got hebbe u in syne wagt,
ons kindeken van gaven ryc
sallet u lonen mildelyck.

Maria staat op. DH: blijfrt zitten.

Maria singht: (No . 7)

Goe heren, van herten danck geseyt
van gaven end offerveerdicheyt,
spoet ende jonst mocgh’t u verlenen
op uwen verd’ren wegh van henen.

Zij strekt de handen zegenend naar de koningen uit. Dan gaat ze weer zitten.

C. Kaspar spreeckt:

Nu welaan, goe Josef myn
bevolen sy u het kindekyn,
geen vlyt noch sorghen niet en schoont,
van Got de heer worde u gheloont.

C. Balthasar spreeckt : Heft zegenend zijn handen. GT: zegenend, oudere tekst en DH: met de armen zegenend vooruitgestrekt, iets naar voren lopend.

DH: naar kind kijkend

Nu bewaere u den almaghtigen Got
van kommer, anghst end aller noot,
u eeuwighen vader doe u bewaeren

Hij wendt zich tot de andere koningen

mit Got so moetenme henen vaeren.

DH: achteruit lopend, 3 x buigen.

De koningen gaan weer naar voren. De page brengt de staven. Dan neemt hij de geschenken en zet ze onder de bank van Maria en Jozef. Extra: de koningen buigen en lopen zijwaarts naar voren weg. De page komt en reikt aan ieder met een diepe buiging de staf aan. Hij neemt de geschenken en zet ze onder de zitbank van Jozef. Dan gaat hij op zijn eigen plaats zitten. 

GT: Pagie brengt de offerschalen weg en geen elke koning zijn staf weer.

geen=tikfout=geeft

Oudere tekst: Zij gaan ter zijde. Pagie geeft elke koning zijn staf terug en brengt de offerschalen een voor een naar de vroegere plaats.

DH: staven terug: idem. De geschenken blijven staan!

C. Melchior spreeckt:

Nu willenme weerom tot Herodes reysen
ende plaats van het kinde ane wysen,

oudere tekst: âne

doch willenme hier wylen over nagt
want alree heyt den avent het duyster gebragt.

De drie koningen knielen en zingen in hun slaap. Extra: het toneel is vanaf ‘âne wysen’ langzaam donker geworden. De koningen knielen en steunen voorzichtig op hun staf en slapen met gebogen hoofd tegen de staf geleund. Er klinkt muziek. Tijdens deze muziek loopt de engel langzaam een rondje over het toneel, zodat hij aan het slot van de muziek zijwaarts van de koningen is aangekomen. Op de aangeduide plaats in de muziek hebben de koningen zacht gezongen.

GT: De koningen knielen, leunend op hun staf.

Oudere tekst: De koningen knielen rechts op het toneel, leunend op hun staf. Het is donker, alleen de engel verlicht.

DH: wanneer de muziek gaat spelen, komt de engel van links voor naar de koningen. Jozef gaat in een slaaphouding zitten.

De drie coninghen singhen inslaepende (No. 8)

Ic laghe in eene nagt en sliep.

De engel staat achter de koningen en spreekt:

GT: De Enghel treet voor de coninghen ende spreeckt:
Oudere tekst: idem + van links, en profiel, buigt zich over de slapenden.

DH: staat achter de koningen

Ghy heylghe coninghen van orient,

DH: koningen heffen hoofd iets omhoog, ogen neergeslagen, alsof je het hoort, maar niet wakker.

Got den almaghtighen my tot u sent,
dat u door myn wiert openbaer
dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer,
dat ghy niet en wederkeert de baen
tot coningh Herodes den tyran.
Want Herodes toornt heimelick sonder maeten,
Got leyde u huyswaert op anderen straeten.

De engel gaat langzaam voor de koningen voorbij en blijft rechts staan. De koningen ontwaken en spreken. Extra: de koningen beginnen langzaam wakker te worden, wrijven zich de slaap uit de ogen, staan op. Het toneel is inmiddels weer verlicht.

GT:De coninghen ontwaeken.
Oudere tekst: De engel gaat achter de koningen naar zijn plaats linksachter op het toneel. De koningen ontwaken en staan op.

C. Melchior spreeckt:

Een sonderlicken droom ic horen waende,
als of een inghel my vermaende
dat wy souden myden Herodes huys

oudere tekst: Herodis, het is een 2e naamval, zoals we al tegenkwamen bij: ‘ter tyt Herodis regiment’

en deur andere weghen volbrenghen de reys;
want Herodes draegt in synen moet
hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet.

C. Balthasar spreeckt:

Desgelyek heb oock ic vernomen
van den inghel, in onse slaepstee gecomen,
dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet
op dat hy vergiete het kinde syn bloet.

Hij schudt in de richting van Herodes zijn vuist. DH: stap naar voren.

Herodes, is sulcx u beus begeren
so wagten wy ons tot u weder keeren.

De koningen gaan achter elkaar staan, de engel leidt ze, zij zingen:

De coninghen singhen heengaande (No. 9)
Oudere tekst: vóór Maria langs.

Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder
daer hy dat kindeken vinden dede,
ja also vinden dede, ja dede, ja dede.

De koningen gaan naar hun plaats. De engel gaat naar Maria en Jozef. Jozef  steunt slapend op zijn stok. DH: Engel achter Jozef. Jozef blijft geknield.

De enghel treet op ende spreeckt tot Josef :

Josef, Josef, gotvruchtig man
merckt wattic u wil segghen aen
van Gode die my tuwaert sont:
Maria neemt tot u terstont
metgaoder ’t kinde hooch van naem,

oudere tekst: mitgaoder

vliedt naet Egyptelant te saem
en weest aldaor tot op de tyt
dat ic ’t sal hebben aen geseyt.

Pauze. De engel gaat terug naar zijn plaats. Oudere tekst: idem
DH: ik heb nog een aantekening dat de engel blijft staan als Jozef spreekt en als Maria gaat zingen en zij en Jozef naar hun plaats lopen, dat de engel dan meeloopt en doorloopt naar zijn plaats op de bank naast Melchior.

Josef spreeckt:   zeer in twijfel

O waor sullemne henen inder nagt

sullemne=tikfout=sullenme

wie hadde oyt sulck ellend gedagt,
wy en kennen nae dit ofgelegnen

ofgelegnen=tikfout=ofgeleghen

Egyptenland geen straet noch weghen,
daor ons belaghen boven dien
gedierte wildt ende roverslien
’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer.

Maria singht (No. 10)

Ons sal geleyden Got den heer
voert de synen veylighe straeten,
salse nimmermeer verlaeten,
sal syn enghel mit ons senden,
ons regeren sonder ende.      Jozef knikt instemmend
Hier om staet op, syt wel gemeyt
en maektet eselken bereyt.

Jozef staat op en spreekt. Extra: Jozef kijkt om zich heen.

Josef staet op ende spreeckt:

O heemstee goet, dat Got u hoet
nu het eenmaal so wesen moet;
in Godes wil sallic my gheven
om nae syn eerst ghebot te leven.

oudere tekst heeft naer

Maria singht:

Ade, ade, nu leyt ons Godes hant
van hier en tot het veer Egyptenlant.

Maria en Jozef nemen hun gewone zitplaats weer in. De page brengt het krukje weg. Extra: ze gaan langzaam af naar hun plaats. De page brengt het krukje terug naar de coulissen. Er is een kleine pauze

GT: Josef en Maria af. Pagie haalt het krukje weg. Duivel brengt de zetel van Herodes. Herodes treedt op met lakei en hoofdman.
Oudere tekst: Jozef en Maria gaan, het ezeltje drijvend, naar hun bank. Page haalt het krukje weg. DH: page brengt de geschenken (die steeds nog vóór Maria stonden) een voor een weg, Dan het krukje.

vervolg deel 5 – GT blz. 17: Herodes: ‘Schoon ic met sorghen’ t/m einde, blz. 25

Vervolg Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde.

vorige delen:

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1776-1665

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (3)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met de ommegang (nr.2) van de koningen.

Nu sluit de kompany aan

GT: De kompany singht ommegaende : (No. 3)

Deze ommegang gaat door de zaal. Het hangt van de zaal af hoe je moet lopen om weer ‘op tijd’ op de juiste plaats op het toneel te staan. Soms wordt het 2x gezongen.

Ter tyt Herodis regiment                      Herodis=dis=2e-naamvalsuitgang
syn wysen uyten orient
gecomen veur Hierusalem an
toen Christus reets op aerden quam,
en vraegden alder weghen snel
waer geboren sy die in Israël
nae de joetse profety’n
de nieuw coninck soude syn.

GT: nieuw=tikfout=nieuwe

DH: de koningen zijn niet gaan zitten maar doorgelopen tot achter de coulissen rechtsachter.

Wanneer de kompanij zit, springt de duivel op en draagt de koningsstoel het toneel op. Dan schuift hij met veel lawaai de troon op z’n plaats en poetst deze grondig. Herodes, de engel, de driekoningen gaan staan voor hun plaatsen. Extra: bij het slot van het lied, dat ook herhaald kan worden, is ieder weer op het toneel vóór zijn plaats aangekomen. Nu springt de duivel het toneel op, pakt de stoel van de koningen en sleept die weg. Dan komt hij weer tevoorschijn en brengt de koningstroon van Herodes, zet die op het voorste kwart van het toneel, maakt ook hier allerlei capriolen en wenkt met een handbeweging koning Herodes, plaats te nemen. Koning H komt naar voren en gaat zitten. Links van hem staat de lakei.

GT: Duivel brengt zetel ven Herodes

DH: als de troon staat, staat de lakei op en gaat voor Herodes staat, buigt, doet een stapje opzij en loopt achter Herodes aan, deze gaat zitten en de lakei staat links van hem.

GT: Herodes treet op mitgaeder lackeye en spreeckt:

Bin ick eerst regt op een verbolghen
hy wagte hem veur de gevolghen!
aerts ende gheestlyc hoochste hant
heeft myn hier in der joetsen lant
gemaakt tot coninck al temet

gemaakt=tikfout=gemaekt

ende op de hoochste plaets geset.
Wy willen huyden regtspraak houden,
spreecken mit jonghen ende mit ouden,
die sullen treden al te mael
tot myn in myne conincks sael

De blauwe koning klopt    DH: alle drie, ze staan nog in de coulissen
waorc nae se wagt.          ( er wordt geklopt)

Het klopt lackey,
gaot sien wie daor geccmen sy.

De drie koningen staan op. De lakei sprint na een buiging weg, tuurt met de hand boven de ogen in de richting van de koningen, komt terug en zegt:

DH: idem, de koningen staan nog in de coulissen

Lackeye spreeckt:

Gehenadighste coningh, vreemt volc schier sonder tal 

coningh=tikfout=coninck

welcs doeltwit onbekent, comt hende tot u sael,

doeltwit=tikfout=doelwit

veul heren ende coninghen doense bringhen,
sy moghten ons wel gants omringhen.
Mit costlycke kleedingh synse an gedaon,
vol stacie doense daor henen gaon.

Coningh Herodes spreeckt:

Vraegt opterstont van waor sy comen
ende wat sy haor hebben veur genomen    (Lakei gaat)

Lakei met buiging weg, wendt zich tot de koningen. Buiging.

Lackeye spreeckt tot coningh Malchtor :

Ghy heren, conincklyc majesteyt
mogt weten waor veur ghy gecomen syt
in deuse stadt, alsoock het oort,
lant end geslaght daor toe ghy behoort.

oude tekst heeft ‘tot’

C. Melchior spreeckt:

Wy syn al tsaam van conincklycken standt,

oude tekst heeft coninclycken

twee onser uyt Scheba, eenen uyt morenlandt;

Het boek en de oude tekst hebbeb als aanwijzing – in DH zo gespeeld: lakei schrikt bij ’t zien van den zwarten koning.

Dat komt door zijn zwarte huid en in deze tijd is het m.i. beter deze niet tot aanleiding van ‘iets’ te maken.

isset coningh Herodi nae den sin,
so quamen wy gheern tot syn edelheyt in.

Het boek nu tekst van de lakei.

In oude tekst en GT ontbreekt de herhaling van deze woorden door de lakei. In DH:

Lakeye spreeckt:

Sy syn al tsaem van coninclyken standt,
twee hunner uyt Scheba, eenen uyt morenlandt
isset coningh Herodi nae den sin
so quamen sy gheern tot syn’ edelheyt in.

C. Herodes spreeckt:

Laotse in myn lcoament sonder verdrach
dattic haorlie an heuren mach.

Lackeye spreeckt totten drie coninghen:

Myn ghenadigst heer coninck begeert u precencie

precencie=drukfout=presencie

en dat ghy hem bloot leght u saek end intencie.

De drie koningen komen naar Herodes. Extra: de drie koningen komen naar Herodes en gaan rechts zijwaarts van hem staan, naast elkaar. Herodes gaat staan.

GT De drie coninghen comen voor Herodes, dese spreeckt:

DH: blijft zitten, wel meer rechtop.

Weest willecom heren, hoe dientet verstaon
dat ghy van veer tot mywaerts coomt gegaon ?

mywaerts=drukfout=mynwaerts

C. Kaspar spreeckt:

U edelheyt meughe ons verschenen
so wilc de oorsaek cortlyc ane toonen:
In Scheba onsen landen var
verscheen een sonderlycke star,
daor in eene maegt een kind doet draeghen,

Herodes kijk sceptisch

merckt wel waor van wy u gewaghen.
Hier deur wier ’t eerst ons openbaer
hoe dat den messias gecomen waer,
een coninck geboren over al
soot heir der joetsen dienen sal;

Herodes schrikt
oude tekst: Herodes kennelijk getroffen

hem soecken wy vlytigh uyt alle magt,
dit heeft ons op de reyse gebragt.

Koning Herodes heeft zich afgewend, spreekt tot in zichzelf, duister

C. Herodes spreeckt: (tot zichzelf)

DH: staat op, stapje naar voren

Hoe, hier te lande heyt sulx geschiet,
vreemden bekent, myn egter niet?

Hij wendt zich beleefd tot de koningen

GT: tot de koningen

so tyt me Betlem te deuser stonde,
so danich kint en wort hier niet gevonden.
Reyst henen ’t soecken. En daor ghy sult
hebben anbeden end seffens bedeelt,
bootschapt het myn, op dattic het weet,
dattic als eersten mach syn bereet,
dattic oock tottet kint mcgt reysen
hetzelve aanbidden gelycker wysen.

oude tekst: hetselve

Doet sulx ghy heren te mynen gerief,
’t kint met vereren waor’ my lief.

Hij buigt en gaat op de troon zitten met duister gezicht.

C. Kaspar spreeckt:

U edelheyt, soo wyt mogten vinden,
brenghemme u kondschap van het kinde.

De drie koningen buigen. De engel loopt voor hen over het toneel en gaat aan de andere kant, links staan. Extra: zij wenden zich na een diepe buiging voor Herodes iets naar opzij.

De Koningen gaan ter zijde

C. Melchior spreeckt:

Nu wel aan
wy tyen van Hierusalem van daen.

De engel loopt langzaam voor de koningen uit

oude tekst: De engel die tijdens het Herodestooneel op zijn bank heeft gezeten, is intussen opgestaan en leidt de koningen naar hun plaats terug. 

C. Balthasar spreeckt:

Siet an, de sterre gaot veur ons uyt
dwelc ons reets heeft geleyt
int ryc van orient
daor wy ’t kindeken hebben erkent.

De koningen gaan naar de engel; hij brengt hen naar hun plaats. Extra: de engel leidt de koningen weg – Allen op hun plaats

C. Herodes spreeckt: tot de lakei

Die maor en ontroert my niet weinigh den sin
wylc slechts een vreemden coningh bin
en geenen regten. Gaot lakey
roept ras de schriftgeleerden tot my
end overpriesters, op dattic hore
waor den nieuen coninck sal werden geboren,
soot heir der joetsen dienen sal.

Lackeye spreecktdiepe buiging

Ghenadighe coningh, ‘k verstae u wél,
wil sonder dralen end also snel
uytet gantse lant van hende en varre
de overpriesters byeen vergaeren.

Kaifas, Pilatus en Jonas springen naar voren. Hun uitspraak is Joods, hun gebaren buitengewoon levendig; alle drie bewegen ze steeds, kussen zichzelf, naar links en rechts springend, in de schouders krom gebogen, kussen elkaar, slaan de handen ineen en spreken van de koning met karikaturale gebaren die horen bij wat gezegd wordt, in koor zijn laatste woord na. Kaifas spreekt heel dichtbij Herodes onverstaanbaar snel: Extra: de lakei haast zich naar achteren en geeft met de Joden met ijverige gebaren aan dat ze naar koning Herodes moeten gaan. Dan gaat hij op zijn plaats zitten. DH: hij blijft erbij en schermt Herodes af en toe af voor hujn opdringerige gebaren.
Eerst komt Kaifas, kijkt om zich heen. Dan verschijnt Jonas, kijkt om zich heen. Kaifas en Jonas kijken naar elkaar en snellen naar elkaar toe, begroeten elkaar, waarbij ze elkaar omarmen, zich links en rechts op de schouder kussen, om elkaar heen springen, alles met snelle, levendige gebaren. Intussen is de derde Jood verschenen en nu is er weer een begroeting tot ze elkaar alle drie gekust hebben. Al hun gebaren zijn haastitg, veel bewegingen van de handen, vooral bij het spreken. Wanneer de ene spreekt, herhalen de anderen de laatste woorden. Herodes staat op, kruist zijn armen over zijn borst en begroet de Joden met een minzame handbeweging. 

GT: Lakei haalt Kaifas, Pilatus en Jonas met enig talmen en veel luidruchtigheid van hun banken. Hun uitspraak is joodsch, hun gebaren zeer levendig; alle drie zijn gestaag in beweging, kussen, zichzelf op de schouders, springend in gebukte houding (de Tefillim) vallen elkaar, bij Herodes gekomen, in de armen, slaan de handen in elkaar en spreken, met begeleidende gebaren, de laatste woorden van Horodes in koor na).

Kaifas spreeckt:

Wijst bij ieder gebruik van ‘ik’ op zichzelf met zijn vinger.

GT: vlak bij den koning staande, luid en bijna onverstaanbaar snel

Heer, ic Kaifas, myn eygenste lief,
heer, ic en doen u geen ongerief,
ic wilt al segghen op een haor,
wen coninghlycke majesteyt
het geenderley wyse niet euvel en duydt.

Herodes spreeckt:  Herodes minzaam

Spreeckt heer, doet ongestraft gewagh
schoonet my grootlyc mishaegen mach,

Joden buigen     DH: lopen weg

ic en hout u niet ten quade

De Joden komen in hun handen wrijvend en bevestigend knikkend op hem af
mids ic my gheern van u liet raeden,
wesweghen toch ic om u sont. Wenden zich teleurgesteld af DH: komen terug
So seght my aen wat ghy bevont.

Kaifas, Pilatus ende Jonas spreken : (door elkaar)  consonantisch

Alle 3 de Joden lopen druk opdringerig rond Herodes en spreken tegelijk. Het gaat steeds vlugger en luider, zodat op het laatst de woorden bijna wordeen uitgeschreeuwd; ze moeten wel duidelijk blijven.

Ghenadighe coningh, tleyt claor veurder hant,
in de stadt Betlem int joetse lant,
so as de scriften wysenet uyt,
so asset veers vanden psalmmeester luyt:
de soon sal boven syne vianden gaan,
boven allen so teughen hem op sellen staon,
veul vollecke hem volghen sal op aarde!
sy sullen in hem geseghend worden!

Het volgende wordt zo geschreeuwd dat Herodes geschrokken zijn oren dichthoudt

Syn naom sal hieten Immanuel!     nog harder:
doet claorlyc vermelden Ezechiel:
want boter ende honingh sal hy eten
ent goeje verkiesen, het quaaje vergeten.

Coningh Herodes spreeckt: afwerend met de handen

Hoe cost ende mogt dit efter syn:
uyt de maegde geboren een kindekyn ?

Kaifas spreeckt:

Het saat der vroue sal der slanghe den kop vermorselen. De Joden stampen verschillende keren met hun hakken hard op de grond
GT: zij trappen met de voeten 

staat=tikfout=saat

en alt verlorene sal hy weeromme bringhen. De Joden geven met hun handen het gebaar van brengen aan.

Herodes spreeckt:

Een maghtich coningh sprack tot my
en sonder schroom vermonde hy:
in Betlehem wiert van haor vernomen
sy ons tot solaes een verlosser gecomen,
geregten heerscher en herder goet
welc ons algaeder regeren moet.

Hier is herodes harder gaan spreken, zodat de Joden verschrikt achteruit deinzen en met de handen afweren.

Nu mogtic seker syn ende gewis
oft hiermet eene waorheyt is:
Myn ryck staet hier in groot gevaor
wattic u segghe dat is waor.

De Joden verdringen zich met bezwerende gebaren om Herodes

Kaifas spreeckt:

Heer, so en dorfment niet verstaen
als soude u ryck te gronde gaen:
een coninck sal hy worden geagt
maor niet en heerschen mit conincklycke magt,
verwesen sal hy syn ter doot,

De Joden ballen de hand tot vuist, de duimen naar onderen gestrekt.

syn eygenst volleck tot een spot.

Ze steken lang de tong uit naar het publiek

GT: zij steken alle drie hun tong uit.

Herodes spreeckt: indringend

Twaor beter sulx te veure comen
dat jonck hem tleven wier benomen,

De Joden wijken verschrikt uiteen, dan dringen ze zich weer aan Herodes op en proberen hem geruststellend te aaien.

eert volck hem schaerde an syne syde
ent ghaf ten lest een bloedigh stryden
so altemets een coningh quam tot myn.

Deze 3 regels heeft het boek niet.

Pilatus spreeckt:

Conincklyck majesteyt, wilt nog verduldich syn

Herodes laat zich daar de Joden op zijn stoel duwen, gaat zitten.

en blyft in uwen moet getroost
tot dat de coninghen van oost

Oudere tekst:  klopt hem staande, geruststellend op den schouder.

DH: Pilatus staat rechts van Herodes, Jonas links/ wisselen.

weder keeren en brenghen u konde
of syt aldus hebben bevonden.

Herodes spreeckt:

Int joetse lant – so staet te vresen –
mogtet te veuren ruchtbaor wesen.
Nog gisterdaegs wiert ons gemeld
hoe een engel quam totten schaepers opt veldt
en bootschapte haor dat geboren was
een nieucn coningh, Heer Kaifas,         Kaifas wijst trots op zichzelf 
seght waer geboren wort mit al
wient heir der joetsen dienen sal;

Herodes slaat met zijn scepter op de leuning van de troon

wat segghen hier van U profeten ?

GT: de schriftgeleerden kijken in hun papierrollen
Oudere tekst: en wijzen met de vingers.

Het boek en de teksten hebben Jonas die hier gaat spreken; DH: alle drie tegelijk

Jonas spreeckt:

DH: een rol met bijbelteksten wordt horizontaal uitgerold en er wordt van rechts naar links aanwijzend gelezen.

Sy doene allen een parighlyc weten:
Christus den coninck is uytvercoren
in Betlem sal hy worden geboren,
de stadt dwelc in Judea leyt.
Soo ist van profeten ane geseyt.

Bij de laatste regels gaan de andere Joden meespreken en schreeuwen de laatste zin in Herodes’ oren. Extra: bij de laatste regels gaan de beide Joden meespreken. Ze dringen zich heel dicht aan Herodes op en schreeuwen de laatste zin dichtbij zijn oren uit.

Herodes springt op en duwt de Joden van zich af; die vliegen verschrikt weg.

Herodes spreeckt:

Algoet
laet af en swyght alsnu
ick heurde alree genogh van u;
maekt u van hier.

De Joden trekken zich met diep onderdanige buigingen snel terug en gaat zo haastig naar achteren, dat ze met veel lawaai hun bank omgooien, langzaam overeind komen en gaan zitten.

GT: zij gaan snel naar hun bank terug, gooien die om en vallen over elkaar heen.

ic will te deghen
en regts die saeke overweghen
en rigt myn sin en mynen moet
op dattic vergiete het kint syn bloet;

Bij vergieten hoort men achter het toneel de duivel lachen; hi, hi, hi! Tijdens de volgende woorden loopt Herodes opgewonden heen en weer.

(GT: duivel lacht achter het toneel
Oude tekst: de duivel is achter het toneel gegaan en lacht hardop.

des lacht den duyvel inder hel,
past het hem wel, den qua ghesel ?  geschokt
o mostic geraeken in sullicke noot
het waor my liever ic lagh er reets doot.
Wat staet te doen in deusen daghen
te spreken?

GT: vraagteken ontbreekt

laes, ic moet vertsaeghen
ende versincken in sulck ellend
al eer ick eone an myn end.
Hoe loonics als daor van myn hooft  pakt zich naar links bij het hoofd
de coninghscrone wort gerooft?

oude tekst: grijpt naar zijn croon

Is geen die my de hant wil reyken?

luistert   DH: Gaat staanduivel komt op
oft geesten syn of myns ghelycken
ic had my gheerne haor verkocht
ofc se veur immer volghen mogt.

boek en oude tekst achter mogt een dubbele punt

0 wee, is nyemant soot vermogt?
is geen daor so my by wilt staon?

DH: gaat zitten.

De duiverl komt op, gebogen, met kleine sprongen, draait achter de troon en gaat als een slang naar Herodes

Oude tekst: kijkt in de zaal, met armen uitgestrekt. GT: Duivel springt lustig binnen en – oude tekst – klopt Herodes op den schouder.

Duyvel spreekt:

Wie daor, wie hier? wat schort er an?

DH: Duivel staat op verhoging achter de troon van Herodens en tikt Herodes links op de schouder, deze kijkt om, maar de duivel heeft zich al naar rechts bewogen, zoadat H hem niet ziet; ook zo op andere schouder. De duivel wacht steeds vol spanning af en is steeds alert en fel.

ic en laet van u te ghener tyt!
seght aen, wat is u swaericheyt
dat ghe u noot so fel doet claeghen?

Herodes spreeckt:

Van anghsten soudic vast vertsaeghen,

heeft zich diep in zijn troon weg laten zakken

wyl een nieuen coninck geboren is
over ’t lant der joetsen vercoren is: pauze
waor heen ic armen duyvel, ach!  pakt met beide handen zijn hoofd vast

Duyvel spreeckt:

Legt de vinger op de mond. DH: duivel maakt groot stilzwijgend gebaar

Swyght stil, ic bin vant selfden slagh!

Herodes kijkt hem geschrokken aan en buigt ver voorover.

geen duyvel en laet oyt syns gelycken,

nog verder weg; tijdens de volgende woorden gaat Herodes steeds beter luisteren.

ic hellep u oogmerck flucx bereycken,
op stel ende spronck isset gedaon:
den nieuen coninck sal ons niet ontgaon:
’ck bin hem so wel gesint als ghy,
volgeeren schaffic raet hier by!
dies maekt u op, geen uur gewagt.

DH: duivel gaat al weg

Herodes spreeckt:

Ghesel, op iet bin ‘ck noch bedacht;

DH: Duivel spring terug

so ic se alle ylinc doe deursteken,

Het boek heeft hier ‘een, twee, drie’ laten deursteken

oude tekst: soock se ylincs

men mogtet op my selven wreken;

Langzaam, met afgrijzen

sulck quat en wort wis niet verschoont
doch mit gelycker daet beloont.

Maakt het gebaar van onthoofd te worden.

Hoe mogtic my daor teughen keeren?

Duyvel spreeckt:

DH: gaat weer op verhoging staan.

Een oghenslach – en ‘ck salt u leren;
wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts;

Oude tekst: met piepend geluid, wijzend

DH: deze inblazing moet altijd van achter Herodes, afwisselend het ene oor en het andere

in toren ende gramschap onvervaert
de ongeborenen selfs niet en spaert,
noch wyf noch kints u niet ontferm,
sy meughen syn ryck, sy meughen syn erm.

DH: hoog – inspirerend – achter hem, met priemende vinger.

ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn
so tweujaorigh en daor onder syn;

Opzij en naar voren richting publiek, lacht met de vuist voor zijn mond

dan doenic laghen in myne vuyst
kreck of den vos een gansjen muyst.

Tot de koning:

Dies maekt u op, geen uer gewagt;
ic vaor in naeme Bix Bax
tot mynen ghesellen roek ende rat.

Bij de laatste regels verdwijnt de duivel met kleine sprongen en gebukt. Herodes zinkt helemaal in zijn troon weg. Op het toneel wordt het een ogenblik helemaal donker. Dan weer licht. Herodes is dan al op zijn plaats.

DH: op woord ‘rat’ ineens donker. Duivel haalt in donker zeer snel de troon weg, naar coulissen links.

GT: duivel af. Herodes sluit zich aan bij de kompany

Duivel geeft teken aan spelersgroep om te gaan staan.

De kompany singht ommegaande (No. 4)

Op de plaats staand. DH: De regel en face:

Mit God so willenme ons liedeken vrolyck doen klincken:

DH: draaien en lopen:  ommegang door de zaal; boek ook.

deet nu Herodes dit woort vernemen,
gedrieën synse gegaen,
de star blonck veurse henen,
in Betlehem bleve de star stil staen.

DH: op’ stil’ stilstaan en op ‘staen’ voet bijplaatsen.

Nr.5

  1. Geboren is in Betlehem
    al in den stal
    een kind dwelcs ryck niet en eynden sal,
    Dies juyght vant jaar Hierusalem,
    ja, Christus de heer wy singhen hem,
    lof seyner moeder reyn,
    al met haor kindekyn.
    Christus de heer wy prysen hem
    met onsen vreuchdensanck,
    met onsen vreuchdensanck.

2. Het leyt vant jaer in Betlehem
in krebbe cleyn,
syns rycks en sal geen eynde syn.
Dies juyght vant jaer Hierusalem,
ja, Christus de heer wy singhen hem
lof seyner moeder reyn
al met haer kindekyn.
Christus de heer wy prysen hem
met onsen vreuchdensanck,
met onsen vreuchdensanck.

Deze ommegang gaat door de zaal en moet weer zo op het toneel eindigen dat ieder bij zijn plaats komt.

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 4 – GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde

.

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1774-1663

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (2)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Vervolg op deel 1, GT blz. 1 t/m 4
Dit deel: GT blz. 4 t/m 6

Het vorige artikel eindigde op blz. 4 van de GT. met de woorden van koning Kaspar: ‘en hope voor het kind daor met bestaen’.

In het boek staat nu weer: staat op, gaat naar zijn plaats terug en gaat zitten. De engel gaat naar zijn plaats terug bij zijn bank, maar blijft staan. De spelersgroep gaat staan, begint te zingen en de engel leidt ze over het toneel. Aan het eind van het zingen is ieder weer bij zijn plaats aangekomen

GT: AF.

DH: met page af. Engel terug* naar plaats op de bank – zie tegenstelling met Dornach. Evenals: de duivel schuift de troon van de koningen naar rechts in de coulissen, gaat snel terug naar zijn plaats en geeft een teken dat de spelersgroep op moet staan. In Dornach blijft de koningstroon (de stoel) staan!

*De engel stond nog links vooraan. Hij loopt van hier naar achter, tegelijk met een boog naar rechts, zodat hij in een ‘kromme’ bij zijn eigen plaats aankomt. In DH gaat hij zitten. De duivel geeft het teken om op te staan. De muziek geeft de opmaat. De spelers draaien naar rechts en zingen ‘Der’ op ‘wijzen’ begint het lopen met het rechterbeen. Waar het lied versnelt: ‘ylt, nu ylt,’ geen versnelling in het lopen. De timing moet zo zijn dat ieder ongeveer bij zijn plaats is. Duivel geeft weer teken om te zitten.

Boek: over het toneel loopt men zo:

DH. in lemniscaat:

Het hangt van de grootte van het toneel af hoe je de lemniscaat loopt, of misschien wel twee keer. Dat is een kwestie van timing. 
DH: Kaspar gaat links de coulissen in, wanneer hij daar voor het laatst in het lied dichtbij is; dat geldt voor Melchior en Balthasar en de page aan de rechterkant. (Ook Kapar kan hier meelopen en samen met B ‘omlopen”. Het laatste stukje van het lied zijn de koningen daar dus niet bij. DH: Balthasar liep achter het witte doek naar links, zodat vanaf die kant Balthasar en Kaspar verschijnen. Melchior en page komen van rechts.
DH: wie Viligratia speelde, was vaak ook de lakei van Herodes. Dat betekent dat deze lakei aan het begin er niet bij is en dat Viligratia hier af moet, om zich te gaan omkleden.

De kompany singht : (No. 1.)

Der wysen starre blinckt ons claer,
den hoochsten coninck moet voorwaer
op aertryc syn gecomen.
Och wysen, goede, wysen, seght
de waerheyt ons voor oghen leght
vanwaer hebt ghy vernomen ?

ghy=tikfout?: oudere tekst heeft =ghyt=

ylt nu, ylt
van hende en verre
mitter sterre
tottet kinde,
ylt den coninck der ere vinden.

De engel gaat weer op zijn plaats staan, vooraan rechts. De page haalt koning Melchior. Wanneer de koning op zijn stoel zit, loopt de page en kijkt naar de beide andere koningen die zijn gaan staan, komt terug en bericht de koning.          Extra: De spelersgroep gaat zitten. Koning en page blijven staan. De engel gaat links vooraan staan. Page buigt voor koning Melchior die inmiddels is gaan zitten. De page kijkt met zijn hand boven zijn ogen alsof hij in de verte tuurt, richt zich ”lebhaft’, druk, opgewonden, tot de koning:

DH: De engel steekt schuin over naar links vooraan

GT: koning Melchior, afgehaald door de pagie, komt op.
Oudere tekst: Koning Melchior zet zich neer, afgehaald als steeds, door den pagie. Deze kijkt in het rond, met levendige verwondering.

DH: koning Melchior en page komen uit coulissen. Aan de overzijde komen Balthasar en meteen daarna Kaspar – het toneel op. Page tuurt naar hen, loopt iets vóór Melchior en spreekt:

Pagie spreeckt:

Ghenadigste coningh, vreemt volleck sonder tal,
welcs doelwit onbekent, u dra gemoeten sal,
het schynt daor sy een coninck mit haorlieden
als over ons doet heerschen ende gebieden.

C. Melchior spreeckt:

So willic toeven een cort termyn
tot sy alhier sullen gecomen syn.

De beide koningen lopen naar koning Melchior,. Caspar links, Balthasar rechts.
Extra: De page gaat achter de koning staan. Koning B en C gaan staan en komen links en rechts op enige afstand van M te staan. M staat op. Buiging.

GT: De twee koningen komen ieder van een kant op)
Oudere tekst: De twee koningen komen ieder van een kant op. Pagie staat achter den koningszetel.
Dat betekent dat de oudere tekst ook de troon daar nog heeft gestaan, i.t.t. DH.

C. Melchior spreeckt: oudere tekst: opstaande

Myn eedle heren, weest gegroet,
buiging
waor hene staet u sin, hert ende moet ?

buiging C. Balthasar spreeckt:

Weest gegroet myn here, end u hofstoet daor neven, (pagie buigt)

maakt een wijzend gebaar naar de page
waor dogt u caravaen haor henen begheven?

DH: page gaat zitten

C. Melchior spreeckt:

Myn eedle here, heuschelyck danck   buiging
tot Hierusalem gaet onsen ganck

De drie koningen gaan bij elkaar staan. Extra: nu gaan de beide koningen maar Melchior toe, zodat ze een groep vormen.

C. Kaspar spreeckt:

Soot u ghelieve, seght my aen
Wat doet u nae Hierusalem op gaen ?

C. Melchior spreeckt:

In Jesaia men claerlyc gescreven vint
hoe dat een schoon ende arrom kint

arrom=tikfout=arrem

in Bethlehem geboren worden sal,
een coninck seffens vander aert ent gants heelal
Nu wiertet deur de sterre openbaer,
hoe oft geschiet is wonderbaer,
naedien geringhe tyt te voren
bereyts dit kinde is geboren.

boek: gedurende dat Melchior spreekt, maakt de engel een boog om de koningen:

C. Balthasar spreeckt:

Mit waorheyt magh ic segghen ist al gelyck
toe gegaon in myn coninckryck.
Een star is ons aldaor verschenen
daor in een joncvrou stond, een kint mit eenen
hier deur coomt aen den lighten dach
tgeen onder den heydens verborghen lagh.

C. Kaspar spreeckt;

Dit selve heeft my op de baen gebragt,
dat hoochelyc een wonder wort geagt,
hier omme wy van herten seere –

de engel gaat langzaam af; DH: naar achter

mogtet so syn – het vinden begeren.

GT: De Engel gaat langzaam naar de achtergrond
Oudere tekst: de engel gaat van zijn plaats, links vooraan, langzaam naar den achtergrond.

DH: Kasper links, in het midden Balthasar, een paar stappen achteruit, rechts Melchior, parallel aan Kaspar.

C. Melchior spreeckt;

Doch, nu de starre schier verdween
dwelc ons ten teken blonck voorheen
en wy in deusen weghen ende straeten
op geen middelen ons en dorren verlaeten,
oock niet en weten nae wellecken kant
in dit gants onbekende lant,

DH: de engel gaat lopen, bij ‘bericht’ is ze hier*

so en willenme de reyse niet beënden
en nae Hierusalem ons heen wenden,
of wy in gintser stede welligt
niet en vernamen een naeder berigt.

Terwijl Melchior dit spreekt, is de page gaan zitten: Extra: de page gaat naar zijn plaats. De engel is langzaam lopend over het toneel weer vóór de koningen aangekomen, over 3/4 van het toneel. De koningen sluiten zingend aan en de engel loopt – zie tekening. Iedere keer bij ‘stilstaan’, staan ze even stil.
De Nederlandse tekst heeft maar 1x stilstaan. 

GT: De drie Coninghen singhen achter den Enghel gaende (No. 2)
Oudere tekst: De drie koningen zingen, achter den engel gaande, langzaam in een vorm loopend over het tooneel. (Nr.2)

DH: 
Drie coninghen tyen, de starre veur an,
tot Bctlehem isser de starre gegaen
en heytse beduyt
waer ’t kindeken leyt,
daer bleve de starre stil staen.

GT: Pagie leidt de kompany tot achter de koningen

DH: de engel gaat voorop en de koningen volgen M, B, K. Ze lopen aan de linkerkant van het toneel naar rechts achter en Kaspar moet net even voorbij de page zijn, op ‘stilstaan’. Daar staat ze ook stil. De duivel geeft een teken aan de spelersgroep op te staan. Ze draaien tegelijk naar recht. Muziek: ‘Ter tyt’.

DH: Als Viligratia de lakei speelt, moet hij tijdens de ommegang ‘ergens’ logischerwijs invoegen. Na de laatste soldaat. Dornach heeft hem tussen Jozef en Viligratia.
De koningen gaan tussen de rechtercoulissen.

.

Vervolg  Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 4 – GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde.

.

Kerstspelenalle artikelen

1773-1662

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (1)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

In Den Haag droegen in ‘mijn’ tijd de drie koningen, om hun kleur uit te drukken, geen stoffen kleding, maar crêpepapier. Een soort hes zonder mouwen, over een onderkleed, om het middel bijeengehouden door een wat bredere stoffen band in dezelfde kleur. In de aanblik was het voor mij zeker zo, dat ze daardoor iets verhevens kregen, iets meer dan de kleding van stof. Dat zou dan zo’n Angabe geweest zijn, wat heel goed kan, maar nu werd er wel gesproken van ‘dit is imaginatief’, a.h.w. de koningen als imaginaties. In een sprookje is ‘de koning’ wél zo’n imaginatie, maar deze drie koningen zijn toch ook historische figuren. 
Het kan dus zomaar zijn gebeurd dat er in het begin helemaal nog geen kleren voor de koningen waren en dat men zich beholpen heeft met papier. Ik weet niet of het zo is, maar het zou kunnen en dan kan dit ‘behelpen’ een eigen leven zijn gaan leiden in de vorm van een ‘imaginatie’, c.q.: ‘Angabe’.

Het verhaal gaat, dat ‘ooit’ ‘ergens’ Viligratia tijdens het repeteren zijn boek met een klap heeft dichtgeslagen. Dat kan een zeker theatraal effect hebben. Maar een collega schijnt een keer, ‘stiekem voor de grap’, veel talkpoeder – om het haar van de spelers grijzer te maken – tussen de bladzijden te hebben gestrooid, met het effect dat er bij het dichtslaan, een enorme ‘stofwolk’ tevoorschijn kwam. Kinderen vinden dit leuk en reageren. Dan kan er maar weer zo een ‘Angabe’ zijn geboren: het boek is oud en stoffig, dus….

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

De spelersgroep
De engel Gabriël, koning Melchior, koning Balthasar, koning Caspar, page, Maria, Jozef, lakei, Viligratia, koning Herodes, de hoofdman, de krijgsknechten, de drie schriftgeleerden: Kaifas, Pilatus, Jonas (Judas), de duivel.

DH: alle achterdoeken: wit. Daarvoor opgesteld: banken. De bank waar de schriftgeleerden op zitten, moet naar achter toe kunnen omvallen. Dat moet, gezien het achterdoek, goed bekeken worden. 

De banken staan achter op het toneel in een halve cirkel opgesteld. Van achteruit komt de spelersgroep op.

DH: geen halve cirkel, maar recht. In het boek is wel de opmerking gemaakt dat er in de ‘Schreinerei=werkplaats=gespeeld werd en dat men met de ruimtelijke vorming rekening had te houden.

Volgorde van opkomen:
Engel – Melchior – Balthasar – Caspar – page – Maria – Jozef – lakei – Viligratia – Herodes – hoofdman – 1e krijgsknecht – 2e krijgsknecht – 1e schriftgeleerde – 2e schriftgeleerde – 3e schriftgeleerde – duivel.

Ze lopen langs de banken, staan even stil en gaan dan tegelijk zitten. De engel komt naar voren en spreekt.

DH: de spelers komen van links achter, vlak langs de banken, op. Volgorde:
engel, Melchior, Balthasar, Caspar, Viligratia, page, Jozef, Maria, Herodes, hoofdman, soldaat, lakei, schriftgeleerden, duivel.
Ik zag in DH dat de rol van Viligratia en de lakei door 1 persoon werd gespeeld. Aangezien Viligratia eerder aan de beurt is, komt hij dan wél op p uiteraard ontbreekt dan de lakei – en Viligratia komt na de eerste ommegang niet meer het toneel op, blijft achter om zich als lakei om te kleden en deze komt met de eerstvolgende ommegang mee het toneel op.

De volgorde is anders dan in Dornach.

Er is geen muziek.
De duivel treedt als een soort toneelmeester op. Wanneer de spelers voor de banken, voor hun zitplaats staan, draaien ze zich tegelijkertijd met hun gezicht naar het publiek, de duivel geeft een gebaar dat ze kunnen gaan zitten en ze doen dat – als het lukt – precies tegelijk. De duivel gaat niet zitten, maar blijft, naast de laatste schriftgeleerde, terzijde in de coulissen.

De troon van Herodes staat links tussen de coulissen; die van de koningen rechts.

De engel komt naar voren, in het midden, de staf in de rechterhand – zij buigt 3x.
De Duitse uitgave geeft niet aan hoe. In DH: (later in de tekst) : midden, rechts, links en spreekt: 

DH: geen buigingen aan het begin.

De Enghel spreeckt :

‘k Treet voor uluyden sonder spot,
goên avond saamen, gheve u god,
een goên avond ende geseghende tyt,
mooch ons van daarboven syn toegeseyt.

heel kleine onderbreking

Agtbaere, seer vroede, goetgonstighe heren,

de engel buigt drie keer: midden, rechts, links

oock deugtsaame vrouen ende joncvrouen in alle ere,

de engel buigt drie keer: midden, rechts, links

wilt altegaar niet euvel duyden
dat wij ons spel vertoonen voor uluyden.
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
is niet versintsel van onsliên,
noch ook van heidens uytgedocht
maer deur de heylighe scrift gebrogt;
van hoe Christus quam, ons menschen ten troost,
oock van d’albekende wysen van oost –
Sy synder gecomen een varre toght-
so als elck reysersman wel kennen moght –

in bepaalde uitgaven staat reyersman: dit is een typefout: het is een reiziger, een reysersman

Sy synder nae Hierusalem geteghen
en vraegden naet kindeken alder weghen.

heel kleine onderbreking

Herodes heytet mit droefnis vernomen
en hiet de geleerde priesters comen;

hiet=tikfout: liet

die sullen hem segghen sonder verlaet
wat inder heylighen scrifte staet.

heel kleine onderbreking

So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
swyght stil en opent wyt u ooren.

De engel gaat bij de spelersgroep zitten op zijn plaats. De duivel brengt de koningsstoel en poetst deze met zijn staart omstandig op. Dan staat de engel op en gaat links (vanuit de zaal) opzij van de troon staan. 
De page gaat voor de koning staan en buigt. De koning loopt naar de stoel; de page begeleidt hem.

Als extra opmerkingen staat er in het boek:
De engel gaat naar zijn plaats. De duivel springt achter het toneel (denk aan de locatie van toen), komt met een stoel op zijn schouders tevoorschijn en zet deze vooraan in het midden, poetst hem en blaast stof weg en en haalt nog wat streken uit. Dan sluipt hij naar zijn plaats terug. De engel gaat links (vanuit publiek) van de troon staan. De page gaat staan, buigt diep voor koning Melchior. Deze gaat staan, schreidt waardig naar de stoel en gaat zitten. De page staan achter hem.

GT: Engel terug naar de achtergrond. Duivel brengt koningszetel. Pagie geleidt K.Meichior naar de zetel)

DH: de engel gaat terug naar de bank en gaat zitten.

Ook gezien dat de engel na zijn woorden naar rechts gaat en daar vooraan, blijft staan. Dit om onnodig geloop – eerst naar achteren, gaan zitten, weer opstaan en naar voren lopen, te vermeiden. Als de duivel dan weer op zijn oude plaats staat.

DH: De page kruist als deze gaat staan, de armen voor de borst en wendt zich zo tot de koning die aan de beurt is. Dan een kleine stap naar rechts, anders staat hij vóór Balthasar. Melchior schreidt dan naar de troon, staf in rechterhand, onmiddellijk gevolgd door de page die terzijde blijft staan, links.

Coningh Melchior spreeckt :
DH: de denker, hij spreekt stralend, de zaal in:

Myn gattercompas end instrumenten goet
naestelyc, pagie, hende bringhen doet,

naestelic=tikfout: haestelic

de page buigt en loopt naar rechtsachter, maar nog vóór de banken 

der heemlen gloria, reickt boven dien

bij der heemlen houdt de page nog even in en wendt het hoofd om te luisteren, en pakt uit de coulissen de voorwerpen

De oude Duitse tekst heeft tussen gatter en compas een verbindingsstreepje; in de GT staat het woord aan elkaar en wordt, voor zover ik heb gezien, altijd als één ding beschouwd. Volgens dit artikel zijn het echter twee verschillende instrumenten. Er waren nog geen verrekijkers met lenzen, maar een rol om door te kijken, kan heel goed gebruikt worden, zie artikel. DH had zo’n rol.

gins blinckt een star so noyt en wiert gesien:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
staet iet veurt oogh als nimmer te veuren:
een overschone helle schyn !
van waer mach dit gestarnt wel syn?

De page draagt met twee handen de kijker, terug aan de linkerkant van de troon, gaat voor Melchior staan, die geeft hem in de linkerhand zijn staf en pakt met een of twee handen de kijker aan. Page draait terug met staf in linkerhand en gaat weer naast de troon staan. Melchior gebruikt het instrument:

Als er twee instrumenten gebruikt worden, moet de page, bijna voor Melchior staand, met zijn linkerhand eerst een daarvan in Melchiors linkerhand geven. Met zijn linkerhand pakt de page nu de staf van Melchior over en geeft hem in zijn rechterhand het andere instrument, de page gaat weer op zijn plaats staan door a.h.w. naar links terug te draaien, achterwaarts te stappen. Melchior moet nu een van de instrumenten gebruiken en het andere in zijn schoot leggen. Eventueel later verwisselen. Eenvoudiger is dus: 1 instrument. 

’t en is niet byster veer geleghen,
dit is certeyn een heyligh teken,
te middenst sienick eene maagt,
die claorelyc een kindeken draegt,
de helle glans van heur gelaet,
het ligt der starre te boven gaet;

De engel loopt met de ster over het toneel; 
extra aantekening: de engel gaat heen, en weer terug. De page wijst met de vinger mee, terwijl Melchior spreekt:

DH: de engel loopt van rechts naar links midden, vlak voor ‘sneller’ is hij ook sneller gaan lopen, a.h.w. naar de overkant van het toneel.

oock doet sy nieuwers stille staon
doch sneller ende sneller rontsomme gaon.
Het kind dwelc de joncvrou draegt
ick schou’t beweeght hem telken staeg.

Legt de kijker rechts van hem, denkt even na en zegt tegen de page:

Te duyden wat wonder verschynt aldus,
roept, pagie den mathematicus
of hy mogt verclaeren wattet bediet
dat men de maegt met een kindeken siet.

Page buigt en spreekt:

DH: Melchior legt de kijker rechts van hem in de troon, page gaat voor hem staan, geeft hem de staf terug en spreekt:

Pagie spreeckt:

Ghenadighe coninck, u woort ic wel verstae;
ic bringh u schielken Viligratia.

Na een tweede diepe buiging gaat de page naar de achtergrond, sommeert Viligratia – wenkt 3x met zijn vinger hem te volgen en brengt hem naar de koning. Ze gaan rechts en links van de troon staan. Viligratia buigt eerbiedig.

DH: page buigt met gekruiste armen en loopt vanaf links van Melchior recht naar achteren, kijkt links en rechts, zoekt. 
In een eerder uitgegeven tekst, staat: pagie gaat naar de kompanij, vindt met enig zoeken Viligratia, wenkt hem met de vinger en voert hem tot de koning.

GT: Pagie haalt Viligratia

Coningh Melchior spreeckt:

Myn Viligratia., duydt ghy my ginse sterre ?

Viligratia spreeckt:

Schermt met zijn hand zijn ogen af en tuurt lang naar de hemel, schudt zijn hoofd en spreekt:

Ghenadighe coninck, dit sy van my verre,
doch willec de profeten consamaneren

willec is tikfout=willic

oftic uyt haor welligt iet deducere.

oudere tekst heeft offic

Bladert haastig in een groot boek dat hij onder zijn arm draagt.
Extra toevoeging: hij heeft een groot, lijvig boek onder zijn arm, opent het en bladert er haastig in, kijkt, zoekt, volgt zijn vinger tot hij iets gevonden schijnt te hebben.

GT: V. bladert in zijn boek

DH: groots de vinger op de passage:

Jesaia den profeet spreeckt inderdaat
van dat in Betlem te geschieden staet:
Een coninck daer alras geboren worden sal,
Messias van der aert ent gants heelal.

DH: boek met een zekere ‘klap’ dicht en weer onder de arm. 

Coningh Melchior spreeckt:

’t Coomt my te veur oft woort van den profeet
alree in Betlem sich vervullen deet, kleine pauze.

Viligratia knikt ‘ja’.

dies willic naestelyc bedeneken

naestelyc=tikfout=naerstelyc

wattic het kindeken sal schencken ?
een somme gouts houdic bereyt,
gout voegt eens coninghs majesteyt,
den coningh oock der aert ent gants heelal,

hij wijst met zijn hand naar boven en beneden

ic hope hy my des ghenadich wesen sal.

DH: Melchior gaat staan.

Gaet hene ende sorght mit vlyt, myn pagie,
dat al bereyt wort veur de pelgrimagie;

DH: page buigt

en voert ghy, Viligratia ’t regiment
tottic die reyse heb gebrogt ten end.

Hij gaat staan

Viligratia spreeckt:

Ghenadighe coninck, nae u content
willic hier voeren het regiment.

Viligratia en page buigen diep. Allen dan naar hun plaats. Nu springt de duivel weer naar de stoel, tilt hem omhoog en zet hem met een bons weer neer, poetst, stoft af en zet alles goed neer voor de tweede ko0ning. Dan sluipt hij terug. Koning Baltasar gaat staan, loopt naar de stoel, gaat zitten en spreekt.

GT: K. Melchior, Viligratia en Pagie zetel voor K.Balthasar gereed),
oudere tekst: K.Melchior, Viligratia en Pagie achter elkaar naar hun banken. De duivel stof de koningszetel af en zet hem opnieuw neer.

DH: duivel kijkt door de kijker, omgekeerd en schrikt. Na gepoets en gewrijf, geschoven met de troon enz. gaat hij weer naar zijn plaats en neemt de kijker mee.
Bij het teruggaan naar de banken: Melchior voorop, gevolgd door Viligratia en page, in de volgorde gaan ze ook zitten. Inmiddels loopt de engel met enige vaart terug naar de overkant van het toneel (rechts)

Koning Baltahsar gaat staan, loopt naar de stoel, gaat zitten en spreekt.

DH: page staat op, gaat met gekruiste armen voor Balthasar staan, buigt. Balthasar staat op, page stapje naar rechts, Balthasar richting troon, page volgt.
Blijft vóór troon staan en spreekt, met gevoel, warm, tikkeltje overdreven.

Coningh Balthasar spreeckt :

Huy morghen bragt myn hofstoet my de konde
hoe dat sich deuse nagt een wonder toonde.
Een vreemt gestarnt van selsaem claeren schyn
daor in een joncvrou deet verschenen syn,
mit haor een coninck vander aert ent gants heelal;

kleine pauze

het voeght dat men hem wieroock offren sal;

GT heeft datmen aan elkaar, oudere tekst los

DH: Balthasar gaat zitten

een kindelingh so lieflyc teer,
voorwaar sulck dingh en sachmen nemmermeer.

staat op en loopt naar het voetlicht 

GT tot het publiek sprekend:

Doet op de weghen ende straeten gaen
en deuse star ent wonder gaode slaen
so speurt ghy alte wel dattet waorlyc leyt
gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt.

Gaat zitten. Extra aanwijzing: hij gaat terug naar zijn stoel en gaat weer zitten.

O nimmer en hoordic, veur ofte nae
dat bewaerheyt wier sulcke historia:

wier=tikfout=wier

DH: eerst peinzen, in tegenstelling tot Herodes, vol verwondering:

een joncvrou reyn, moeder te selfder tyt,

DH: engel komt in beweging en gaat langzaam naar andere kant toneel

heur kindelingh coninck arm ende ryc !

Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen
als souden wy algaoder daor henen reysen.
Niet en deurgront ic sulck geheimenis
dwelc bij den scriftgeleerden claer te vinden is:

zeer bedachtzaam

sonder man geboren een kindekyn,
een coninck der joetsen sal hy syn.

hij gaat staan

Dies willic op staon DH: staat op morghen mitten dach
ende sien offic het kindeken vinden mach,

De duivel komt weer, maakt de stoel klaar voor koning Caspar en haalt zijn streken uit. Extra: gaat weer naar zijn plaats terug en gaat zitten. De duivel tilt de stoel weer hoog boven zijn hoofd – het lijkt erop of hij deze met een grote smak weer neer wil zetten – zet hem dan heel zachtjes neer, poetst, stoft, blaast en verdwijnt dan weer naar zijn plaats.

GT: AF

DH: Balthasar voorop, gevolgd door page, gaan zitten. Engel terug naar rechts.

GT: Duivel maakt de zetel voor K,Kasper gereed.
oudere tekst: Duivel maakt de zetel gereed als voren

Koning Caspar gaat staan, gaat naar de stoel, gaat zitten.

DH: page herhaalt de ceremonie van bij de andere koningen.

DH: Kaspar: cholericus. Hij is de jongste. Krachtig in woorden, in de ademstroom. Stem mag niet uitschieten. 
Blijft staan.

Coningh Kaspar spreeckt:

0 wonder groot, hoochste verheuchenis,
diewyl eenmael de tyt gecomen is

oudere tekst eenmaol

en den messias, langh begeert, nu is geboren
van eener maegde uytvercoren.

wijst op de ster

Aldus doet een gestarnt ons leren,
welc teken men sal respecteren
mids de historie hier deur wiert vervult
die by den joetsen als verdightsel geldt
Sy soeken alder weghen mit groot misbaer
offet oock ieuwerinc te vinden waer.

kleine pauze

DH: gaat zitten

Wat efter salt geschenck end offer syn
daor met het kinde wel te vre mogt syn?

kleine pauze – overleggend

wyl hy een coninck is der aert ent gants heelal
is mir de gave so men brenghen sal.

pauze. staat op:

DH: staat op:

Mit alsulck offer willic tot hem gaen
en hope voor het kind daor met bestaen.

In het boek staat nu weer: staat op, gaat naar zijn plaats terug en gaat zitten. De engel gaat naar zijn plaats terug bij zijn bank, maar blijft staan. De spelersgroep gaat staan, begint te zingen en de engel leidt ze over het toneel. Aan het eind van het zingen is ieder weer bij zijn plaats aangekomen

GT: AF.

DH: met page af. Engel terug naar plaats op de bank – zie tegenstelling met Dornach. Evenals: de duivel schuift de troon van de koningen naar rechts in de coulissen, gaat snel terug naar zijn plaats en geeft een teken dat de spelersgroep op moet staan. In Dornach blijft de koningstroon (de stoel) staan!

.

Vervolgdeel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

Deel 4 – GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde

.

Kerstspelen: alle artikelen

.

1772-1661

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (8)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 63

Wir werden uns erlauben, Ihnen in diesen Tagen einige deutsche Weihnachtspiele, die aus älterem Volkstume erhalten sind, vorzuführen. Wir werden heute damit beginnen, ein sogenanntes Paradeis-Spiel vorzuführen. Diese Weihnachtspiele wurzeln tief im mitteleuropäisch-deutschen Volkstum und sind, wenn man sie heute betrachtet, eigentlich eine lebendige Geschichtsdarstellung. Viel lebendiger bekommt man das Bild der Volksentwickelung aus der Wiederbelebung dieser Spiele, als durch eine sonstige historische Schilderung. Es ist ja in Europa das Drama aus kirchlichen Veranstaltungen hervorgegangen. Solche kirchlichen Veranstaltungen können wir geschichtlich ziemlich weit, bis in das 12. Jahrhundert zurückverfolgen; sie gehen aber eigentlich viel weiter zurück. Aus dem 12. Jahrhundert wird namentlich über ein oftmals gespieltes kirchliches Drama «Der Antichrist» berichtet; in den verschiedensten Formen war dieser «Antichrist» vorhanden. Und es ist außerordentlich bemerkenswert zu sehen, wie in diesem «Antichrist» großartige Kämpfe dargestellt wurden, die zwischen den europäischen und asiatischen Völkern stattfanden.

We nemen de vrijheid u deze dagen een paar Duitse kerstspelen te laten zien die uit oudere volksculturen bewaard zijn gebleven. We beginnen vandaag met een zgn. paradijsspel op te voeren.
Deze kerstspelen zijn diep geworteld in de Duitse volkscultuur in Midden-Europa en zijn wanneer je ze nu bekijkt, eigenlijk een levendig historisch beeld. Het beeld hoe het volk zich ontwikkelde, krijg je veel levendiger te zien wanneer je deze spelen weer tot leven brengt, dan door een of andere historische schets. In Europa is het drama ontstaan uit opvoeringen in de kerken. Deze kerkelijke opvoeringen kunnen we tamelijk ver in de geschiedenis terug volgen, tot in de 12e eeuw; maar eigenlijk gaan ze nog veel verder terug. Er wordt namelijk over een stuk uit de 12e eeuw gesproken, een vaak gespeeld kerkelijk drama, ‘de Antichrist’; deze ‘Antichrist’ bestond in de meest verschillende vormen. En het is buitengewoon interessant om te zien hoe in deze ‘Antichrist’ een grote strijd werd getoond tussen de Europese en Aziatische volkeren. 

Nun, später wurden dann das Leiden und die Geburt Christi und sonstige kirchliche Erinnerungen zuerst von Geistlichen in den Kirchen selbst dargestellt. Es wurden dann weltliche Veranstaltungen daraus, indem zuerst die Geistlichen außerhalb der Kirche diese geistlichen Spiele aufführten, und dann die Aufführungen auch auf weltliche Personen übergingen.
Ein besonders bemerkenswertes Spiel war zum Beispiel das von den «Zehn Jungfrauen». Bei einer Aufführung der «Zehn Jungfrauen», die 1322 in Eisenach stattfand, am Fuße der Wartburg, ging es so ergreifend zu, daß der anwesende Landgraf Friedrich «mit der gebissenen Wange» trostlos darüber war, daß es, wie dieses Spiel besagte, selbst der Heiligen Jungfrau nicht möglich war, durch ihre Fürbitte die Verbannten zu erlösen. Durch den mächtigen Eindruck, den dieses Spiel auf ihn mit dieser Tendenz machte, traf ihn der Schlag. Er siechte 

Welnu, later werden dan het Lijden en de Geboorte van Christus en andere kerkelijke gedenkwaardigheden in de kerken door de geestelijken zelf, op het toneel gebracht. Daaruit ontstonden de opvoeringen buiten de kerk, eerst nog opgevoerd door de geestelijken en daarna ging het over op wereldse personen. Een bijzonder opvallend spel was bijv. dat van de ‘Tien Maagden’. Bij een opvoering daarvan in 1332 in Eisenach, aan de voet van de Wartburg, ging het er zo aangrijpend aan toe dat landgraaf Friedrich ‘met de gebeten wang’ [1] niet te troosten was toen het, zoals het spel verhaalt, zelfs voor de Heilige Maagd niet mogelijk bleek door haar voorspraak de bannelingen te verlossen. Door de overweldigende indruk die het spel met dit verloop op hem maakte, kreeg hij een beroerte. Hij zakte

blz. 64

dahin und starb infolge des Eindruckes dieses Spiels der «Zehn Jungfrauen». Diese Geschichte wird durch das folgende Mittelalter hindurch viel erzählt. Kurz, wir finden überall Spuren durch ganz Mitteleuropa solcher geistlichen Spiele.
Diese geistlichen Spiele, welche dann ins Volksmäßige übergingen, treten uns noch in der mannigfaltigsten Gestalt als Festspiele, Weihnacht-, Oster- oder Fastnacht-Spiele durch die folgenden Jahrhunderte hindurch entgegen. Es ist insbesondere interessant, wie man verfolgen kann, daß wandernde deutsche Stämme diese Spiele auf ihren
Wanderungen mitnahmen.
Wir müssen uns darüber klar sein, daß mehr im Westen Mitteleuropas lebende deutsche Stämme, die dann nach Osten herüberzogen, nach Österreich zogen, die böhmischen Gegenden, aber namentlich Ungarn bevölkerten, ihre Spiele als ein teures, heiliges Gut mitnahmen und die Aufführung dieser Spiele in einer ganz außerordentlich bemerkenswerten Weise trieben. Diese Spiele lebten im Volke, ohne daß sich die gebildeten Stände viel darum kümmerten. Erst als die deutsche Altertumskunde im 19. Jahrhundert eine gewisse Vertiefung erfuhr, waren es einzelne solcher Altertumsforscher, welche aus dem Volkstum heraus diese Spiele aufführten. 

in elkaar en stierf als gevolg van deze indrukken van het spel van de ‘Tien Maagden’. Dit verhaal werd gedurende de middeleeuwse tijd die volgde, veel verteld. Kortom, we vinden overal sporen van dergelijke geestelijke spelen door heel de middeleeuwen heen.
Deze geestelijke spelen die dan door het volk werden overgenomen, zien we door de volgende eeuwen heen terug als kerst-, paas- of vastenavondspelen. Het is bijzonder interessant hoe men volgen kan dat wegtrekkende Duitse stammen deze spelen toen ze wegtrokken, meenemen.
We moeten weten dat de meer in het westen van Midden-Europa wonende Duitse stammen, die toen naar het oosten wegtrokken, naar Oostenrijk trokken, de Boheemse streken, met name Hongarije bevolkten en dat ze hun spelen als een kostbaar, heilig goed meenamen en de opvoering van deze spelen op een heel buitengewoon opvallende manier organiseerden. Deze spelen leefden onder het volk, zonder dat de ontwikkelde stand daar veel aandacht aan schonk. Pas toen in de 19e eeuw de studie naar de Duitse historie meer aandacht kreeg, waren er bepaalde geschiedenisonderzoekers die van deze spelen melding maakten.

Einer derjenigen, die sich viel Mühe gaben, insbesondere solche Volkstümer in den verschiedensten deutschen Gegenden Ungarns aufzutreiben, war mein alter Freund und ehemaliger Lehrer Karl Julius Schröer. Seinem Verdienste ist es zuzuschreiben, daß namentlich aus der Preßburger Gegend die deutschen Weihnachtspiele erhalten blieben, wenigstens zunächst in der Literatur. Karl Julius Schröer fand solche Weihnachtspiele im Nordwesten Ungarns, in der Preßburger Gegend, in der sogenannten Oberuferer Gegend vor. Weihnachtspiele, die durchaus durch ihren Inhalt, durch ihre Sprache zeigten, wie sie aus westlicheren Gegenden mit den nach Osten wandernden deutschen Stämmen gebracht worden waren. Schröer konnte feststellen, daß solche Weihnachtspiele wie ein heiliges Gut von Generation zu Generation vererbt wurden, wie sie jedesmal, wenn die Weihnachtszeit herannahte, einstudiert und dann zur Weihnachtszeit aufgeführt wurden. Eine besonders bevorzugte Familie hatte diese Weihnachtspiele im Besitz. War nun die Zeit der Weinlese im 

Een van de mensen die zich veel moeite getroostte, met name om dergelijke volkscultuur in al die verschillende Duitse streken in Hongarije op te sporen, was mijn goede vriend en vroegere leraar Karl Julius Schröer. Het is zijn verdienste dat m.n. uit de omgeving van Pressburg de Duitse kerstspelen bewaard zijn gebleven, tenminste wel in de literatuur. Karl Julius Schröer vond zulke kerstspelen in het noord-westen van Hongarije, in de omgeving van Pressburg, de zgn. omgeving van Oberufer. Kerstpelen die vooral door de inhoud, door hun taal toonden hoe ze door de emigrerende Duitse stammen vanuit westelijker gelegen streken meegebracht zijn naar het oosten. Schröer kon vaststellen dat dergelijke spelen als een heilig goed van generatie op generatie overgeërfd werden, hoe ze iedere keer, wanneer Kerstmis naderde, ingestudeerd en met Kerstmis opgevoerd werden. Een bijzonder bevoorrechte familie had deze spelen in haar bezit. Wanneer nu de tijd van de wijnoogst in de

blz. 65

Herbste vorüber, und hatten die Landleute einige freie Zeit gewonnen, dann versammelte derjenige, der im Besitze des Manuskriptes solcher Weihnachtspiele war, die Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, und bereitete sie durch Einstudieren vor für die Aufführung zur Weihnachtszeit.
Es war mit solchen Aufführungen etwas ganz besonderes; sie wurden wie etwas behandelt, das eine tief religiöse Seite hat. Das geht daraus hervor, daß strenge Vorschriften für diejenigen bestanden, welche viele Wochen hindurch diese Spiele unter der Direktion des Meisters einstudiert hatten. Solche Vorschriften waren zum Beispiel diese, daß jene Burschen, die ausersehen waren, dieses Weihnachtspiel zu studieren und aufzuführen, während der Zeit des Einstudierens ihrem Meister in einer außerordentlichen Weise unbedingten Gehorsam leisten mußten; daß sie in dieser Zeit einen moralischen Lebenswandel führen mußten. Die besondere Vorschrift war diese, daß sie in dieser Zeit, wie der Volksmund sich ausdrückte, nicht zu dem Dirndl gehen durften. Wenn dann die Weihnachtspiele einstudiert waren, wurden
sie in der Regel in einem Gasthof aufgeführt, und zwar in echt volkstümlicher Weise. So gut es heute geht, wollen wir in unserer Aufführung diese Volkstümlichkeit eben festhalten, damit gewissermaßen historisch vor unsere Seele treten kann die Art und Weise, wie Weihnachten innerhalb dieses Volkstums gefeiert worden ist.

herfst voorbij was en de boeren wat meer vrije tijd kregen, riep degene die in het bezit was van de manuscripten van deze spelen, de jongens van het dorp, die hij geschikt achtte om mee te doen, bij elkaar en bereidde ze door het instuderen voor op de opvoering rond de kersttijd. Er was iets heel speciaals met deze opvoeringen; men ging ermee om als iets dat een diep religieuze kant heeft. Dat blijkt omdat er strenge voorschriften waren voor degenen die vier weken lang deze spelen onder leiding van de meester instudeerden. O.a. deze: de jongens die gekozen waren moesten gedurende de tijd van instuderen buitengewoon en onvoorwaardelijk naar hun leermeester luisteren; ze moesten een moreel leven leiden. Er was een speciaal voorschrift dat ze gedurende deze tijd niet, zoals de volksmond dat uitdrukte, naar de meisjes mochten gaan. Wanneer de spelen dan opgevoerd werden, gebeurde dat meestal in een herberg en echt op een volkse manier. Voor zover dat lukt, willen wij in onze spelen dat volkse vasthouden, zodat we in zekere zin historisch de manier voor ons kunnen zien hoe Kerstmis binnen deze volkscultuur gevierd is.

Eine besondere Eigentümlichkeit dieser Spiele war ihre Durchsetzung mit einem volkstümlichen Humor. Und es ist ganz falsch, wenn man diese Volksspiele etwa sentimental aufführt. Jede Sentimentalität muß ferneliegen. Führt man sie sentimental auf, so zeigt man einfach, daß man kein Verständnis hat für ein Element, welches im religiösen Leben des Mittelalters und der beginnenden Neuzeit ganz besonders vorhanden war. Die Leute konnten tief religiös sein, waren es aber in humorvoller Weise, waren es ohne falsche Mystik, ohne Sentimentalität. Und sie konnten zwischen den Schilderungen der erhabensten Szenen zu gleicher Zeit echt volkstümliche Witze machen, echt volkstümlichen Humor entfalten. Man wollte das Lachen nicht verlernen, indem man betend zu den erhabensten Dingen aufblickte. Das ist ein Charakteristisches für die besondere Religiosiät 

Een bijzondere eigenschap van deze spelen was dat ze doorspekt waren met volkse humor. En het is totaal verkeerd wanneer je dezse spelen sentimenteel opvoert. We moeten verre blijven van elk sentiment. Als je ze sentimenteel opvoert, laat je simpelweg zien, dat je geen besef hebt van een element dat in het religieuze leven van de middeleeuwen en de beginnende nieuwe tijd op een bijzondere manier aanwezig was. De mensen konden diep religieus zijn, maar dat waren ze met humor, waren dat zonder onware mystiek, zonder sentimentaliteit. En ze konden tussen de vertolking van de meest verheven scenes, tegelijkertijd echte volkse grappen maken, echte volkse humor laten zien. Men wilde het lachen niet verleren door biddend op te zien naar de verhevendste dingen. Dat is een eigenschap van het bijzondere religieuze gevoel

blz. 66

früherer Zeiten, die in dieser Richtung gesund war. Ungesund wurde die Religiosität erst in späteren Zeiten.
Heute werden wir uns erlauben, dasjenige Spiel aufzuführen, das in der Regel den anderen voranging: das Paradeis-Spiel, darstellend wie Gott Adam und Eva ins Paradies führt, und wie sie von dem Teufel verführt werden. «Adam und Eva» ist ja der Festtag, welcher dem 25. Dezember im Kalender vorangeht, der eigentlichen Weihenacht. Und für die Weihnachtszeit, die spätere Weihnachtszeit war dann so etwas gewöhnlich in Aussicht genommen, wie das Christ-Geburt- Spiel, das wir uns dann erlauben werden, morgen diesem ParadeisSpiel nachfolgen zu lassen.

in deze vroegere tijden, dat wat dat betreft gezond was. Het religieuze gevoel werd pas later ongezond.
Vandaag nemen we de vrijheid het spel op te voeren dat als regel door de andere vooraf ging: het paradijsspel, dat vertoont hoe God Adam en Eva in het paradijs brengt en hoe ze door de duivel verleid worden. ‘Adam-en-Evadag’ is op de kalender de feestdag vóór Kerstmis op 25 december, het eigenlijke kerstfeest. En wat de kersttijd betreft, daarin stond dan gewoonlijk het geboortespel op het programma, dat wij dan morgen op dit pararadijsspel willen laten volgen.

In dieser Aufführung wurde zum ersten Male der von Rudolf Steiner rekonstruierte Text zur Einleitung des «Paradeis-Spieles» gesprochen. – Von den Auf- führungen am 25. und 26. Dezember liegen keine Nachschriften vor.
Bij deze opvoering werd als inleiding van het paradijsspel voor (bij?) de eerste keer de door Rudolf Steiner gereconstrueerde tekst gesproken. – Van de opvoeringen van 25 en 26 decfember zijn geen notities. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1769-1658

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (4)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 33

Dornach, 30. Dezember 1917 anläßlich der Aufführung von alten deutschen Weihnachtspielen vor in der Schweiz internierten deutschen Kriegsgefangenen

Im Namen aller Freunde unserer anthroposophischen Bewegung und namentlich derjenigen, die hier an diesem Bau vereinigt sind, habe ich Sie mit tiefster Befriedigung heute auf das allerherzlichste zu begrüßen. Sie werden an die aufrichtige Herzlichkeit dieses unseres Grußes glauben. Sind ja doch die Empfindungen, die wir Ihnen entgegenbringen,

Dornach, 30 december 1917 naar aanleiding van de opvoering van oude Duitse kerstspelen voor in Zwitserland geïnterneerde Duitse krijgsgevangenen

Uit naam van alle vrienden van onze antroposofische beweging en met name van degenen die hier samen aan de bouw[het Goetheanum] werken, wil ik u vandaag met een diep tevreden gevoel allerhartelijkst begroeten. U moet de oprechte hartelijkheid van deze groet ter harte nemen. De gevoelens die wij u tegemoet dragen,

blz.34

durchtränkt von all dem, was wir miterleben als Folgen jener schmerzlichen Ereignisse der Gegenwart, die so tief eingreifen nicht nur in das allgemeine Weltenschicksal, sondern auch in das Schicksal jedes einzelnen Menschen, insbesondere derjenigen, deren Besuch uns heute hier zugedacht ist.
Das, was wir Ihnen bieten möchten, sind Weihnachtspiele. Anspruchslos sollen diese Darbietungen genommen werden; das bitten wir Sie zu bedenken. Denn sie sollen der Versuch sein, alte Erinnerungen der europäischen Kultur aufzufrischen. Und vielleicht kann ich am leichtesten sagen, wie es sich mit diesen Spielen verhält, wenn ich mir erlaube, darauf aufmerksam zu machen, wie ich selbst zunächst mit diesen Spielen bekanntgeworden bin.
Das, was diese Spiele darbieten sollen, steht zunächst in einem loseren Zusammenhang mit unserer anthroposophischen Bewegung, aber dies ist nur scheinbar. 

zijn vol van alles wat wij beleven als gevolg van die zo smartelijke gebeurtenissen in deze tijd die zo ingrijpend zijn, niet alleen in het algemene wereldlot, maar ook in het lot van ieder mens, in het bijzonder van degenen die ons vandaag hier met een bezoek vereren. Wat wij u hier zouden willen schenken, zijn kerstspelen. U moet onze opvoeringen als bescheiden zien; wij vragen u dat te bedenken. Want ze willen een poging zijn oude herinneringen van de Europese cultuur op te frissen. En misschien kan ik het gemakkelijkst zeggen wat er met deze spelen is, wanneer ik de vrijheid neem om te vertellen hoe ik zelf deze spelen heb leren kennen.
Wat deze spelen willen tonen, staat in eerste instantie wat losser van onze antroposofische beweging, maar dat lijkt maar zo.

Nur derjenige, welcher diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft verkennt, kann des Glaubens sein, daß solche Aufgaben, wie die mit diesen Weihnachtspielen verbundenen, nicht in ihrer Richtung liegen. Muß doch in ihrer Richtung das Interesse für alles dasjenige liegen, was das geistige Leben und die Entwickelung der Menschheit betrifft.
Ich selbst wurde bekannt vor Jahrzehnten mit diesen Spielen, und zwar gerade mit den Spielen, von denen heute hier eine Probe entwickelt werden soll, durch meinen alten Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer. Karl Julius Schröer entdeckte gerade diese Spiele, die alt sind, die irgendwo, da oder dort, in früheren Zeiten aufgeführt worden sind und die jetzt wiederum erneuert werden. Man kann viele solche Spiele allenthalben sehen. Allein gerade die beiden Spiele, um die es sich heute hier handeln wird, und einige andere unterscheiden sich doch von anderen Weihnachtspielen in ganz beträchtlicher Art. Karl Julius Schröer fand sie in den vierziger und fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts auf der Insel Oberufer. Das ist eine Vorinsel der Insel Schütt, welche durch die Donau unterhalb Preßburg, da wo Ungarn an Österreich angrenzt, gebildet wird. Da haben sich seit dem 16. oder mindestens seit dem Beginne des 17. Jahrhunderts unter den deutschen Bauern, den sogenannten Haidbauern, diese Weihnachtspiele erhalten, 

Alleen degene die deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap ontkent, kan van mening zijn dat opgaven zoals die met deze kerstspelen verbonden zijn, voor hem of haar niets zijn. Want je moet wel geïnteresseerd zijn in alles wat het geestelijke leven en de ontwikkeling van de mensheid betreft.
Ik zelf leerde deze spelen tientallen jaren geleden kennen en wel deze spelen die we hier willen proberen te ontwikkelen, door mijn oude vriend en leraar, Karl Julius Schröer.
Hij ontdekte juist deze spelen die oud zijn, die ergens daar en daar, vroeger, opgevoerd zijn en die nu weer vernieuwd worden. Je kan dergelijke spelen overal zien. Maar met name de twee spelen waarom het hier gaat en nog een paar, zijn toch in een heel belangrijke mate anders dan andere kerstspelen. Karl Julius Schröer vond ze in de  jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw op het eilandje Oberufer. Dat is een vooreilandje van het eiland Schütt dat door de Donau onder Pressburg, daar waar Hongarije aan Oostenrijk grenst, werd gevormd. Daar zijn sinds de 16e eeuw of tenminste sinds het begin van de 17e deze kerstspelen onder de Duitse boeren, de zgn. haidboeren, bewaard gebleven,

blz. 35

alle in persönlicher Überlieferung. Von Generation zu Generation sind sie gegangen. Der Haidbauer, von dem sie Karl Julius Schröer übernommen hat, hatte eigentlich nur noch die einzelnen Rollen abgeschrieben. Ein ganzes Manuskript von diesen Dingen fand sich kaum. Sie sind jedes Jahr, wenn man das konnte, wenn unter den Bauern Oberungarns die Leute dazu da waren, bei diesen Oberuferer Bauern aufgeführt worden.
Werfen wir zunächst einen flüchtigen Blick auf die Art, wie das zuging. Ich möchte das in der folgenden Weise schildern. Wenn die herbstlichen Arbeiten, die Erntearbeiten verrichtet waren, dann sammelte einer der angesehensten Bauern des Ortes, der von seinen Vorfahren diese Spiele ererbt hatte und das Recht ererbt hatte, sie aufzuführen, sich eine Reihe von Burschen zusammen und übte mit denen durch die Monate Oktober, November bis Dezember, bis in den Advent hinein die Aufführungen ein. Die Gesinnung, welche mit der Aufführung dieser Spiele verbunden war, ist eigentlich dasjenige, was das Ergreifendste an der Sache ist. Es war wirklich, indem man an die Aufführung dieser die biblischen Geheimnisse enthüllenden Schauspiele ging, das ganze mit einem tiefen moralischen Bewußtsein verbunden.

doordat ze persoonlijk werden overgedragen. Ze zijn meegegaan van generatie op generatie. De haidboer van wie Karl Julius Schröer ze meekreeg, had alleen nog wat losse rollen overgeschreven. Er was nauwelijks meer een volledig manuscript te vinden. Ze zijn elk jaar wanneer het kon, wanneer onder de boeren van ‘Opper-Hongarije’ (Oberungarns) mensen dat wilden, bij deze boeren uit Oberufer opgevoerd. Laten we eens in grote lijnen kijken naar de manier waarop dat toeging. Dat zou ik zo willen schetsen. Wanneer het werk in de herfst, het oogstwerk, achter de rug was, dan riep een van de boeren van het dorp die heel veel aanzien had en die van zijn voorouders deze spelen geërfd had en ook het recht ze op te voeren, een groep jongens bij elkaar en oefende gedurende de maanden oktober, november tot december, tot in de advent de toneelstukken in. De stemming die met het opvoeren van deze spelen was verbonden, is eigenlijk heel aangrijpend. Als men aan de opvoering van deze toneelstukken, die bijbelse geheimen onthullen, begon, was alles met een diep moreel bewustzijn verbonden.

Das geht schon aus den Bedingungen hervor, die man denen auferlegt, welche mitspielen wollten. Der Bauer, der damals, in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts, diese Spiele in Verwaltung hatte, teilte diese Bedingungen in folgender Art Karl Julius Schröer mit. Er sagte: Diejenigen Burschen, die aufführen durften, die also irgend etwas in diesen Spielen darstellen sollten, mußten für die ganze Zeit der Übungen bis zum Fest folgende Bedingungen erfüllen: erstens durften sie in dieser Zeit zu keinem Dirndl gehen; zweitens durften sie keine Schelmenlieder singen und drittens mußten sie ein ehrsames Leben führen die ganzen Wochen hindurch, was für manchen eine sehr schwierige Tatsache offenbar war; viertens mußten sie in allen Dingen, die sich auf die Vorbereitungen der Spiele bezogen, rückhaltlos dem Meister folgen, der sie mit ihnen einstudierte. Das war eben irgendeiner der angesehensten Bauern.
Diese Spiele wurden aufgeführt vor Katholiken und vor Protestanten durcheinander, und auch die Aufführenden selber waren das. Die 

Dat zie je al aan de voorwaarden die golden voor degenen die wilden meespelen. De boer die toen, in de jaren vijftig van de 19e eeuw, deze spelen onder zijn beheer had, deelde deze voorwaarden op de volgende manier aan Karl Julius Schröer mee. Hij zei: de jongens die aan de opvoering mochten meedoen, die dus een rol in deze spelen hadden, moesten de hele oefentijd tot aan het feest aan de volgende voorwaarden voldoen: ten eerste mochten ze in deze tijd naar geen enkel meisje gaan; ten tweede mochten ze geen schunnige liedjes [2] zingen en ten derde moesten ze al die weken een eerzaam leven leiden wat voor velen best een moeilijke opdracht was; ten vierde moesten ze bij alles wat met de voorbereidingen van de spelen te maken had, zonder meer doen wat de meester zei die het met hen instudeerde. Dat was dus een van de meest vooraanstaande boeren.
Deze spelen werden opgevoerd voor katholieken en protestanten door elkaar en ook de spelers waren dat. De spelen

blz. 36

Spiele hatten zwar einen religiösen, doch nicht den geringsten Konfessionscharakter. Und feindliche Gesinnung von irgendeiner Seite gegenüber dem, was in diesen Spielen dargeboten werden sollte, war eigentlich nur von seiten der «Intelligenz» in Oberufer. Dazumal schon war die Intelligenz abgeneigt solchen volkstümlichen Weihnachtspielen, solchen von jener Gesinnung getragenen Aufführungen. Nur, zum guten Glück, bestand die Intelligenz dazumal aus einem einzigen Schulmeister, der zugleich Bürgermeister und Notar war. Eine einzige Persönlichkeit, aber sie war spinnefeind den Spielen. Und die Bauern mußten sie gegen diese Obrigkeit des Ortes durchführen. Teilnehmen durften an den Aufführungen als Mitspielende nur Burschen. Von dieser Gepflogenheit müssen wir aus leicht begreiflichen Gründen absehen; wie überhaupt manche Finessen, die mit jenen Aufführungen verbunden waren, wir natürlich nicht nachmachen können, obwohl wir uns bemühen, durch unsere eigenen Aufführungen eine Vorstellung von dem hervorzurufen, was dazumal durch die Bauern geboten werden konnte.
Die Burschen hatten auch die Frauenrollen darzustellen. Eva, Maria und so weiter wurden durchaus von Burschen dargestellt. 

hadden weliswaar een religieus karakter, maar in het geheel geen godsdienstige inslag. En een vijandige stemming uit een of andere hoek naar wat in deze spelen getoond werd, kwam eigenlijk alleen van de kant van de ‘intellentsia’in Oberufer. Toen al moest de intelligentsia niet veel van deze volkse kerstspelen hebben, van deze opvoeringen die door deze stemming werden gedragen. Maar, gelukkig bestond de intelligentsia toen maar uit een enkel persoon, de schoolmeester, die tegelijkertijd burgemeester en notaris was. Slechts één persoon, maar die had dan ook een bloedhekel aan de spelen. En de boeren moesten tegen deze plaatselijke overheid in, volhouden. Aan de opvoeringen mochten alleen jongens meedoen.[3] Van deze gewoonte moeten wij om begrijpelijke redenen afzien; zoals van meer bijzonderheden die met de opvoeringen samenhingen; die kunnen we natuurlijk niet overnemen, hoewel we ons best doen door onze eigen opvoeringen, een voorstelling op te roepen van wat toentertijd door de boeren gegeven kon worden.
De jongens moesten ook de vrouwenrollen spelen. Eva, Maria enz. werden uiteraard door jongens gespeeld.

Nachdem sie wochenlang geübt hatten, setzte sich der ganze Zug der Spieler in Bewegung. Vorne ging einer, der einen sogenannten Kranawittbaum als Paradiesesbaum oder Weihnachtsbaum trug. Das ist ein Wacholderbaum. Dahinter kam dann der Sternträger, der auf einer Stange oder auch auf einer sogenannten «Scher» den Stern trug. Sie werden es nachher sehen: die Schere ist so eingerichtet, daß der Stern durch Aufrollen der Sternschere nah oder fern gemacht werden kann. So bewegte sich der Zug dem Wirtshaus zu, in dem die Aufführung stattfinden sollte. Die Bekleidung derjenigen Personen, die mitspielten, außer dem Teufel und außer dem Engel, wurde erst im Wirtshaus selbst bewerkstelligt. Während sich die Personen ankleideten, lief im ganzen Ort der Teufel, den Sie auch kennenlernen werden, herum, machte überall Unfug mit einem Kuhhorn, machte aufmerksam, sprach auf die Leute ein, kurz, er bewirkte, daß möglichst viele Leute im Wirtshaus erschienen, wo dann die Aufführung stattfinden sollte. Die Aufführung selbst war dann so, daß die Zuschauer in einer Art von Hufeisenform saßen, und 

Nadat ze wekenlang geoefend hadden, kwam de hele troep spelers in beweging. Voorop liep iemand die een zgn. jeneverbesboompje als paradijsboom of kerstboom droeg. Daarachter liep dan de sterrendrager die op een stang of ook wel op een zgn. ‘schaar’ de ster droeg. U zal het straks zien: de schaar is zo gemaakt dat de ster door openknijpen van de schaar de ster dichtbij of verderaf gehouden kan worden. Zo zette de troep zich in beweging naar de herberg waarin de opvoering zou plaatsvinden. Het verkleden van de spelers, behalve de duivel en de engel, gebeurde in de herberg. Terwijl de personen zich verkleedden, liep de duivel, die u ook zal leren kennen, door het dorp, maakte overal herrie met een koehoorn, maakte de mensen er attent op, sprak op ze in, kortom, hij probeerde voor elkaar te krijgen dat zoveel mogelijk mensen naar de herberg zouden gaan, waar de opvoering dan zou plaatsvinden. Die ging dan zo, dat de toeschouwers in een soort hoefijzervorm zaten en

blz. 37

daß die Bühne in der Mitte dieses Hufeisens war, was wir natürlich wiederum auch nicht nachmachen können.
Sie werden sehen, daß es im wesentlichen biblische Erinnerungen sind, die aufgeführt wurden. Als erstes – die Aufführungen wurden bewerkstelligt zwischen drei und fünf Uhr – wurde in der Regel aufgeführt das Hirten-Weihnachtspiel, das wir hier als zweites darstellen. Es stellte dar die Verkündung des Christus Jesus durch den Engel, die Geburt des Christus Jesus, also alles dasjenige, was unser zweites Spiel, das Hirtenspiel, darbieten wird. Dann folgte das Paradeis-Spiel, welches darstellt den Sündenfall im Paradies – unser heute aufzuführendes erstes Stück -, dann folgte in der Regel noch ein Fastnacht-Spiel. So wie in der alten griechischen Tragödie dem Schauspiel immer ein Satyrspiel folgte, so hier ein Fastnacht-Spiel, ein komisches Nachspiel. Bemerkenswert ist, daß die Personen, welche heilige Individualitäten darstellten – Maria, Joseph und so weiter, die in den ersten Spielen auftraten – nicht im Fastnacht-Spiel mitspielen durften; so sehr verband man einen gewissen religiösen Gefühlsinhalt mit diesen Spielen.

dat het toneel in het midden van het hoefijzer lag, wat wij natuurlijk ook niet zo kunnen doen.
U zal zien dat het hoofdzakelijk bijbelse herinneringen zijn die worden opgevoerd. Als eerste – de opvoeringen werden uitgevoerd tussen drie en vijf uur – werd als regel het herderspel opgevoerd, dat wij als tweede zullen laten zien. Het stelde de verkondiging voor van Christus Jezus door de engel, Zijn geboorte, dus alles wat ons tweede spel, het herderspel, zal laten zien. Dan volgde het paradijsspel dat de zondenval in het paradijs laat zien – dat wij nu als eerste vertonen -, dan volgde in de regel nog een vastenavondspel. Net zoals in de oude Griekse tragedie op het toneelstuk altijd een saterspel volgde, dus hier een vastenavondspel, een komisch naspel. Opvallend is dat de mensen die heilige persoonlijkheden speelden – Maria, Jozef enz. die in het eerste spel zaten – niet met het vastenavondspel mochten meespelen; zo zeer verbond men met de spelen een zekere religieuze gevoelsinhoud.

Einzelne Dinge sind darinnen sehr interessant zu verfolgen. Wenn Sie heute das Hirtenspiel – das zweite aufzuführende – sehen werden, werden Sie drei Wirte erblicken, bei denen der wandernde Joseph, der als alter Mann in allen diesen Spielen dargestellt wird, als alter, gebrechlicher, schwacher Mann Herberge sucht für sich und Maria. Sie werden von den zwei ersten Wirten abgewiesen, von dem dritten in den Stall geführt. Das war ursprünglich anders, aber in Oberufer durchaus noch so dargestellt: ursprünglich war da ein Wirt, eine Wirtin und deren Magd. Und damit wurde noch die Idee verknüpft: der Wirz weist Joseph und Maria ab, wie auch die Wirtin, nur die Magd bietet eine Unterkunft im Stall. Weil es wahrscheinlich schwierig geworden ist, bei den Aufführungen die nötigen jungen Leute zu finden, um eine Wirtin und deren Magd darzustellen, wurden dann die Rollen übertragen auf zwei andere Wirte, so daß wir jetzt drei Wirte haben. Aber wie gesagt, das ist beim alten Oberuferer Spiel durchaus schon nicht so zu nehmen wie bei den anderen Weihnachtspielen. Die Weihnachtspiele, Osterspiele, Passionspiele und so weiter führen zurück auf uralte Aufführungen, die alle eigentlich hervorgegangen sind aus den 

Het is interessant om een paar dingen na te lopen. Wanneer u vandaag het herderspel zal zien – het tweede dat wij opvoeren, zal u drie waarden zien, bij wie de rondreizende Jozef die in al deze spelen als oude man verschijnt, een oude, gebrekkige, zwakke man, onderdak zoekt voor zichzelf en Maria. Ze worden door de eerste twee weggestuurd, door de derde in de stal gebracht. Dat was oorspronkelijk anders, maar in Oberufer nog zo gedaan: oorpronkelijk was er een waard, een waardin en een dienstmaagd. En daarmee was het idee verbonden: de waard wijst Jozef en Maria af, ook de waardin, alleen de dienstmaagd biedt onderdak in de stal. Omdat het waarschijnlijk moeilijk geworden is om jonge mensen te vinden om een waardin en een dienstmaagd te spelen, werden toen de rollen aan twee andere waarden gegeven, zodat we nu drie waarden hebben. Maar zoals gezegd, dat moet je bij het spel uit Oberufer niet zo nemen als bij de andere kerstspelen. De kerstspelen, de paasspelen, passiespelen enz. gaan terug op oeroude uitvoeringen die eigenlijk allemaal ontstaan zijn uit

blz. 38

Kirchenfeiern. In den Kirchen hat man ursprünglich anschließend an die Weihnachtsfeier, Osterfeier und so weiter, durch die Geistlichen dargestellt, allerlei Dinge aufgeführt, die sich bezogen auf die Heilige Geschichte. Dann – namentlich dadurch, daß die Zuhörerschar immer vermehrt wurde und daß die Dinge aus der lateinischen Sprache in die Landessprache übertragen worden sind – ist es gekommen, daß die Spiele allmählich von dem Kirchlichen mehr ins Weltliche übersetzt wurden und daß sie außerhalb der Kirche durch Bauern eben dargestellt worden sind. Und so haben wir Ihnen diese Spiele hier vorzuführen. So haben sie sich erhalten in der ursprünglichen Gestalt, die sie wahrscheinlich schon im 16. Jahrhundert, hatten. Und zwar haben sie sich aus dem Grunde erhalten, weil sie höchstwahrscheinlich aus alten Zeiten der deutschen Entwickelung in Süddeutschland stammen, namentlich aus der Bodenseegegend. Als die verschiedenen Stämme, die ursprünglich in der Bodenseegegend von Süddeutschland waren, in früheren Jahrhunderten nach Usterreich und nach Ungarn eingewandert sind, haben sie diese Spiele mitgenommen. Diese Spiele waren auch in der Heimat da, aber in der Heimat veränderten sie sich fortwährend. 

kerkelijke feesten. In de kerken hebben oorspronkelijk aansluitend aan de kerstviering, paasviering e.d. de geestelijken allerlei opgevoerd dat betrekking had op de heilige geschiedenis. Daarna – namelijk door het feit dat het aantal kerkgangers steeds groter werd en dat de teksten van het Latijn in de volkstaal vertaald werden – is het zo gegaan dat de spelen geleidelijk door de kerk meer naar het wereldse vertaald werden en dat ze buiten de kerk door boeren opgevoerd werden. En zo moeten we de spelen hier voor u opvoeren. En zo zijn ze in de oorspronkelijke vorm bewaard gebleven, die ze waarschijnlijk in de 16e eeuw al hadden. En wel daarom, omdat ze hoogstwaarschijnlijk uit een ver verleden van de Duitse ontwikkeling in Zuid-Duitsland stammen, met name uit het gebied rond het Bodenmeer. Toen de verschillende volken die oorspronkelijk rond het Bodenmeer in Zuid-Duitsland woonden, in vroegere eeuwen naar Oostenrijk en naar Hongarije zijn ge-emigreerd, hebben ze deze spelen meegenomen. Deze spelen waren er ook in het thuisland, maar daar veranderden ze voortdurend.

Da hatten zahlreiche Leute, Geistliche, Gelehrte, Einfluß auf diese Dinge, und die Dinge wurden verdorben. Unverdorben wurden sie erhalten unter der Pflege derjenigen, die inmitten der slawischen, magyarischen Bevölkerung auf sich angewiesen waren, und die durch die Jahrhunderte die Dinge in der ursprünglichen Gestalt erhalten haben. Deshalb war es für Schröer ein wirklicher Fund, als er in den vierziger, fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts unter den Deutschen Oberungarns diese Spiele entdeckte. Sie sind für eine feinere Empfindung durchaus nicht das, was die heute so vielfach aufgeführten Weihnachtspiele sind, die sich in den späteren Jahrhunderten verändert haben, sondern es ist wirklich etwas, was uns in einen Teil der europäischen Vergangenheit früherer Jahrhunderte zurückversetzt. Karl Julius Schröer war besonders geeignet, so etwas zu erhalten. Er war wirklich ein mustergültiger Mann, ein merkwürdiger Mann, und sein Andenken muß mit solchen Dingen mit erhalten bleiben; er war tief durchdrungen von dem Gedanken, wie durch solche und ähnliche Dinge eigentlich der Kitt geschaffen

Daar hadden talloze mensen, geestelijken, geleerden, invloed op de dingen en ze werden negatief beïnvloed. Maar ze bleven onaangetast onder de zorg van degenen die midden in de Slavische, Hongaarse bevolking op zichzelf aangewezen waren en die ze door de eeuwen heen in de oorspronkelijke vorm gelaten hebben. Daarom was het voor Karl Julius Schröer een echte vondst, toen hij in de jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw onder de Duitse bevolking van Opper-Hongarije [4] deze spelen ontdekte. Voor wie er een specifieker gevoel voor heeft, zijn ze beslist niet zo als de tegenwoordig dikwijls opgevoerde kerstspelen die in de latere eeuwen veranderden, maar ze zijn werkelijk iets dat ons terugbrengt naar een deel van het Europese verleden in vorige eeuwen. Karl Julius Schröer was er bijzonder de man naar zoiets te bewaren. Hij was echt een voorbeeldig mens, een merkwaardig iemand en de herinnering aan hem moet hiermee bewaard* blijven; hij was diep doordrongen van de gedachte hoe deze en soortgelijke dingen eigenlijk het bindmiddel

*zij herinnering moet bewaard blijven: In de ‘Bijdragen aan Rudolf Steiners GesdamtAusgabe’ nr.47/48, Michaël 1947, werd een artikel over toneelkunst van Karl Julius Schröer opnieuw gepubliceerd om op het veelzijdige werk van de belangrijke goetheanist te wijzen.

blz. 39

worden ist, der dieses Staatengebilde Österreich kulturell zusammengehalten hat auf dem Grund und Boden, der geschaffen worden ist von jenen Kolonisten, die vom Rhein, von Süddeutschland, von Mitteldeutschland her hinüber gewandert sind nach Oberungarn, gewandert sind vom Westen nach Osten; auch nach der Steiermark, nach den südlicheren Gegenden Ungarns gewandert sind als Zipser Sachsen nach Siebenbürgen, gewandert sind als Schwaben nach dem Banat, was, ich möchte sagen, wie in einer tragischen Weise den Grund und Boden abgab, auf dem sich gerade diese Kultur entwickelt hat. Nun, von diesem Kulturgedanken war Schröer ganz durchdrungen, als er die alten Erinnerungen, die in den Weihnachtspielen enthalten sind, aufgefrischt hat. Er hat manches andere auch getan. Und wenn man sich mit ihm in sein Kulturstudium versenkte, das so ohne alle Färbung des Chauvinismus war, das aber tief von der Kulturmission durchdrungen war, die damit verbunden ist,  so erkannte man erst den vollen Wert der Lebensarbeit dieses Mannes, der alles das gesammelt hat, was gerade von der Mitte des 19. Jahrhunderts ab in diesen Gegenden bereits mehr oder weniger durch die sich ausbreitenden Kulturströmungen, die heute diesen Boden beherrschen, zum Verschwinden gebracht worden ist.

is geworden dat de staatsvorm Oostenrijk bij elkaar heeft gehouden op het land dat gecultiveerd werd door kolonisten die over de Rijn, vanuit Zuid-Duitsland, van Midden-Duitsland weggetrokken zijn naar Opper-Hongarije, weggetrokken van het westen naar het oosten; ook naar Stiermarken, naar de zuidelijker gelegen gebieden van Hongarije als Zipser Saksen naar Siebenburgen. weggetrokken als Schwaben naar Banaat [5], wat ik zou willen noemen, een tragische manier van het verlaten van huis en haard, waar nu juist die cultuur zich ontwikkeld had. Schröer was geheel doordrongen van deze cultuurgedachte, toen hij de oude herinneringen die in de kerstpelen bewaard gebleven zijn, opgefrist had. Hij heeft ook veel andere dingen gedaan en wanneer je je met hem verdiepte in zijn studie van deze cultuur die helemaal niet gekleurd werd door chauvinisme, maar die diep overtuigd was van de culturele missie die ermee verbonden is, dan erken je pas de volle waarde van het levenswerk van deze man die alles verzameld heeft wat m.n. vanaf het midden van de 19e eeuw in deze streken al meer of minder door de zich uitbreidende cultuurstromen die tegenwoordig dit land beheersen, begonnen is te verdwijnen.

Die Grammatik, die Wörterbücher der deutschen Dialekte in Ungarn, in den Zipser Gegenden, hat er uns in sorgfältigster Bearbeitung hinterlassen, die Heanzen-, die Gottscheer Mundart, nach der Grammatik behandelt. Es hat eigentlich so sein Lebenswerk, das er der Literaturgeschichte und Goethe gewidmet hat, eine wunderbare Schilderung hinterlassen über alles dasjenige, was zusammenführt mit dem gesamten deutschen Elemente, das in allen Kulturgebieten dieses mitteleuropäischen Staates Österreich als der eigentliche Kulturkitt zugrunde liegt. Und das ist es, was als eine besondere Idee die Forschungen Karl Julius Schröers durchlebt. So daß wir nicht bloß das Produkt philologischer oder linguistischer Gelehrsamkeit vor uns haben, sondern etwas, was gesammelt worden ist mit Herz und Sinn für dasjenige, was als Geist in diesen Sachen lebt. Und deshalb ist es so befriedigend, diese Dinge ein wenig auffrischen zu können.
Unser Freund, Leopold van der Pals, hat versucht, das musikalische

In hoogst zorgvuldige bewerkingen heeft hij ons de grammatica, de woordenboeken van de Duitse dialecten in Hongarije nagelaten, van de streken rond Zips [6], het dialect van Gottscheer, grammaticaal behandeld. Zijn levenswerk dat hij aan de literatuurgeschiedenis en aan Goethe wijdde, is een prachtig beschreven nalatenschap van alles wat samenkomt in het gezamenlijke Duitse element dat aan alle cultuurgebieden van deze Midden-Europese staat Oostenrijk als het eigenlijke culturle bindmiddel ten grondslag ligt. En dat leeft als een bijzonder idee in het onderzoekswerk van Schröer voort. Zodat we niet alleen het product van filologische of linguïstische geleerdheid voor ons hebben, maar iets wat met hart en ziel verzameld is voor de geest die erin leeft. En daarom is het zo bevredigend deze dingen wat te kunnen opfrissen.
Onze vriend Leopold van der Pals [7] heeft geprobeerd het muzikale

blz. 40

Element dieser Dinge etwas aufzufrischen, und mit seiner Musik werden Sie die Darbietungen hier sehen. So daß man sagen kann, dasjenige, was wir Ihnen hier bieten, ist das Produkt von den wirklichen Mysterienspielen, den verschiedenen Weihnachtspielen, wie sie überhaupt über Europa hin verbreitet waren in früheren Jahrhunderten. Aber man sollte sie nicht in der Gestalt haben, wie zum Beispiel in jener Karikierung, in der dann die Welt die sogenannten Oberammergauer Passionsspiele bewundert hat. Da hat man nichts mehr von dem, was eigentlich in jenen alten Zeiten gewollt war.
Allerdings, manches ist nicht wieder aufzufrischen. So zum Beispiel ist nicht aufzufrischen eine besondere Art des Vortrages, die noch ganz nach alter Sitte, auch in den fünfziger Jahren noch, unter den Bauern gepflogen war. Mit Ausnahme der besonders feierlichen Momente, wo Gottvater spricht und dergleichen, wurde alles, was vorgebracht wurde, von den Mitspielenden so vorgebracht, daß der Spielende im Geiste seines Verses sprach. Der Vers hatte vier Hebungen, er trat auf, der Ton bewegte sich bei der vierten Hebung um eine Tonstufe, Tonfolge. 

element ervan te vernieuwen en met zijn muziek zal u de opvoeringen zien. Zodat je kan zeggen: wat we u hier aanbieden is het resultaat van echte mysteriespelen, van verschillende kerstspelen zoals die dan in vroegere eeuwen over Europa verspreid waren. Maar we moeten ze niet in de vorm hebben, zoals bijv. in de karikatuur die de wereld bewonderd heeft in het zgn. Oberammergauer passiespel. Daar zit niets meer in van wat men ermee in oude tijden wilde. Natuurlijk, veel kan niet meer vernieuwd worden. Zo laat zich bijv. niet vernieuwen een bijzondere manier van voordragen die nog helemaal volgens de oude gewoonte, ook in de jaren vijftig nog, onder de boeren bewaard werd. Met uitzondering van het bijzonder plechtige ogenblik waarop godvader spreekt enzo, werd alles wat voorgedragen werd, door de spelers zo gedaan dat hij in de geest van de verzen sprak. Het vers had vier heffingen, hij speelde, de toon ging bij de vierde heffing één toon omhoog.

Eine bestimmte Person, sagen wir: Joseph, den Sie nachher finden werden, der Mann der Maria, hat zum Beispiel die erste Hebung in der Tonhöhe c vorgebracht, dann e, dann f, dann wurde also wiederum zurückgegangen bei der vierten Hebung. Die anderen Personen sprachen so, daß sie mit einem c begannen, und dann dreimal die Tonhöhe e e e hatten, dann wiederum zum c zurückgingen. Mit großer Kunst, aber mit einer einfachen, zurückhaltenden Kunst wurden diese Dinge vorgebracht und man merkte daran wirklich die Weihnachts-, die österliche Stimmung mit Übergängen ins Weltliche, ohne Sentimentalität, ohne alles Gefühlselement. So ist in diesen Dingen dasjenige enthalten, was die Leute als ihr geistiges Leben, wenn sie aus der Kirche in die Welt heraustraten, fühlten und empfanden.
Es sollen noch einige Stellen erläutert werden, welche vielleicht schwerer verständlich sein könnten. Das Ganze ist selbstverständlich in der Mundart vorgebracht worden, und da kommt manches darinnen vor, was nicht gleich verständlich sein könnte. Da ist zum Beispiel im Paradeis-Spiel der Gottvater.
Wenn gesagt wird: Eva ist gemacht aus einer Rieben, Sie müssen

Een bepaald persoon, laten we zeggen: Jozef die u straks zal zien, de man van Maria, heeft bijv. de eerste heffing op de toonhoogte c gezegd, dan op e, dan op f, dan bij de vierde heffing weer terug. De andere personen spraken zo dat zij met een c begonnen en dan drie keer de toonhoogte e, e, e hadden, dan weer terug naar c. Met grote kunst, maar met een eenvoudige, teruggehouden kunst werden deze dingen naar voren gebracht en men merkte daaraan daadwerkekijk die kerst- die paasstemming, met overgangen naar het wereldse, zonder sentimentaliteit, zonder dat alles gevoel was. Zo is er in deze dingen bewaard gebleven wat de mensen als hun geestelijk leven, wanneer ze uit de kerk in de wereld kwamen, voelden en beleefden.
Er moeten nog een paar stukjes uitgelegd worden die wellicht wat moeilijker te begrijpen zijn. Alles is vanzelfsprekend in het dialect gesproken en daar zit natuurlijk veel in wat je niet meteen begrijpt. Neem bijv. in het paradijsspel godvader. Wanneer er gezegd wordt: Eva is uit een rip [in het stuk staat ‘Riebe’] gemaakt, moet u

nicht denken, daß es eine falsche Aussprache hier ist, wenn es heißt, daß Eva erschaffen wird von Gottvater aus einer Rieben des Adam. Der Bauer sagt wirklich nicht Rippe, sondern Riebe. Der Teufel meldet dann im Laufe des Herodes-Spieles einmal, er habe a paar ratzen. Ratzen ist eine Entstellung von Ratten. Dann ist vielleicht auch nicht allgemein bekannt das Wort «Kletzen».
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n, ’s wär ihna tausendmal nützer gwes`n. Nun, Kletzen ist etwas, was in jener Gegend, wo die Spiele aufgeführt wurden, zu Weihnachten immer gegessen worden ist: das sind nämlich gedörrte Pflaumen und Birnen. Das wird gesagt, damit die Leute an etwas anzuknüpfen haben, was sie schon kennen. Dann das Wort frozzeln, welches der Teufel gebraucht. Frozzelei, necken, sich lustig machen. Es gibt in beiden Spielen so einige Ausdrücke, die vielleicht nicht sogleich verständlich sein werden.
So werden Sie sehen, daß von den Wirten namentlich eine Redensart gebraucht wird:
I als a wirt von meiner gsta0lt
Hab in mein haus und logament gwalt.

niet denken dat dit een verkeerde uitspraak is hier, wanneer klinkt dat Eva geschapen wordt door godvader uit een [Rieben] van Adam. De boer zegt inderdaad niet rip [Rippe], maar Riebe. De duivel meldt in de loop van het Herodesspel een keer, dat hij een paar ‘ratzen’ heeft. Ratzen is een verbastering van ratten. Dan is misschien ook het woord ‘Kletzen’ niet algemeen bekend. ‘Hadden Adem en Eva ‘Kletzen’ genomen, het was hen duizendmaal beter bekomen. Wel, Kletzen is iets wat in de streek waar de spelen werden opgevoerd, altijd met kerst wordt gegeten: het zijn namelijhk gedroogde pruimen en peren. [in de Nederlandse vertaling staat er ‘pruimedanten’. En het woord ‘frozzeln’ dat de duivel gebruikt. ‘Frozzelei, pesten, zich vrolijk maken’. Zo zitten er in beide spelen een paar uitdrukkiingen die misschien niet meteen duidelijk zullen zijn.
U zal nog zien dat door de waarden vooral een bepaalde manier van uitdrukken gebruikt wordt: vertaald met: ‘een waard van mijn postuur, komt immer plaats tekort.’

Da könnte man meinen, daß der Wirt denkt, er sei ein Wirt von einer besonderen Statur, Gestalt und hätte in seinem Haus Gewalt. Es bedeutet dies aber Rang. Ich als ein Wirt von meinem Rang, von meinem Gestelltsein. Der so gut gestellt ist, solches Ansehen hat, der hat in seinem Haus Gewalt, nämlich Anziehungskraft für sein Wirtshaus. Also: ein Wirt, der weiß, seinem Haus solchen Ruf zu geben wie ich, der hat die Macht, sein Haus in solches Ansehen zu bringen, daß es viele Leute zu Gästen hat. Das ist mit diesem Ausdruck gemeint. Geschrei bedeutet: Gerücht; das Wort braucht der Bauer für ein Gerücht, das sich verbreitet. Der Engel sagt: Elisabeth stehe in dem Geschrei, daß sie unfruchtbar sei. – Also ist damit gemeint: es gehe das Gerücht, daß sie unfruchtbar sei. Aber der Bauer sagt: Geschrei, er sagt nicht: das Gerücht. Dann werden Sie von einem der Hirten das Wort hören: um und um. Das kommt öfter vor, es ist so üblich.
I hob`s ihm glichen um-und-um.

Je zou kunnen denken dat de waard denkt, dat hij als waard  een bijzondere gestalte heeft, en dat hij in zijn huis de baas is. Maar het betekent status. Ik als waard met mijn status, welgesteld. Die zo welgesteld is, zo’n aanzien heeft, die heeft in huis autoriteit, zodang dat men naar zijn herberg toekomt. Dus een waard die zijn herberg zo’n naam weet te geven als ik, die heeft het vermogen zijn huis zo’n aanzien te geven dat er veel mensen als gast verblijven. Dat is met deze uitdrukking bedoeld. ‘Geschrei’ betekent: gerucht; dat woord gebruikt de boer voor een gerucht dat zich verspreidt. De engel zegt: Elizabeth staat in het ‘Geschrei’, dat ze onvruchtbaar is. Maar de boer zegt: ‘Geschrei’, niet gerucht. Van een herder zal u nog het woord horen: ‘um und um’. Dat komt vaker voor, het is heel gewoon.

blz. 42

Also: ich habe ihm meine Handschuhe geliehen, wie schon öfter. Dann finden Sie unter den Hirtenreden öfters das Wort bekern. Das ist in der Gegend, wo die Spiele gespielt wurden, gebräuchlich für etwas, was sich zugetragen hat; also eine Geschichte, die sich erzeugt, die sich zugetragen hat. Als sie sich sehen, sagen sie: es hat sie gefrört, gefroren; oder der Ausdruck: spiegelkartenhal is. Der Boden ist so glatt wie ein Spiegel. Ein besonders hübsches Wort ist die Art, wie der eine Hirte aufmerksam gemacht wird, daß es schon spät ist, daß die Vögel schon zwitschern – das ist in der Bauernsprache piewen.
Stichl, steh auf, die waldvegala piewa scho! In der zweiten Zeile sagt der Gallus:
Stichl, steh auf, dö fuhrleut kleschn scho auf der stroßn.

Dus: ik heb hem mijn wanten geleend, zoals al eerder. Dan tref je onder de woorden van de herders vaker het woord ‘bekern’ aan. Dat is in de streek waar de spelen gespeeld werden gebruikelijk voor iets wat zich voorgedaan heeft; dus een gebeurtenis, wat heeft plaatsgevonden. Wanneer ze elkaar ontmoeten zeggen ze:
‘gegrört’, gevroren; of de uitdrukking ‘spiegelkartenhal’. De grond is zo glad als een spiegel. Een bijzonder aardig woord is de manier waarop de ene herder gezegd wordt, dat het al laat is, dat de vogeltjes al kwetteren – dat is in de boerentaal ‘pieuwen’.
‘Stiechel, sta op, de veugelkens tuteren al.’ In de tweede strofe zegt Gallus:
‘Stiechel, sta op, de voerlui zwiepen al langs de wegen.’

Kleschen, das ist mit der Peitsche knallen. Die Fuhrleute knallen schon mit der Peitsche auf der Straße.
Das sind so einige Ausführungen, die ich unserer Aufführung noch voranstellen wollte. Im ganzen können die Spiele durchaus für sich selber sprechen. Sie sind der schönste Abglanz von allem, was in früheren Jahrhunderten durch ganz Mitteleuropa ging, in solchen festlichen Spielen ablief. Es gibt zum Beispiel noch die St. Galler IIandschrift, die aus 340 Versen besteht. Es gibt Spiele, die bis ins 11. Jahrhundert zurückgehen. Aber alles dasjenige, was sonst in dieser

‘Kleschen’, dat is met de zweep knallen. De voerlui knallen al met de zweep op straat.
Dat is nog een beetje uitleg dat ik aan de opvoering nog vooraf wilde laten gaan. Over het algemeen kunnen de spelen zeker voor zichzelf spreken. Zij zijn het mooiste beeld van alles wat in vorige eeuwen door heel Midden-Europa ging, wat in zulke feestelijke spelen verliep. Je hebt bijv. nog het St.Galler Handschrift dat uit 340 verzen bestaat. Er zijn spelen die tot op de 11e eeuw teruggaan. Maar alles wat in deze richting bestaat,

Beziehung existiert, glaube ich, kann nicht ganz heranreichen an die Innigkeit, die gerade in den Oberuferer Spielen liegt, die bis in die fünfziger Jahre des 19. Jahrhunderts sich in der Preßburger Gegend erhalten haben.
Man darf schon sagen: Diese Spiele gehören zu jenen Dingen, die sich leider verloren haben, die verschwunden sind und die man so gern, so gern wiederum auffrischen möchte. Denn sie sind wirklich so, als ob man durch sie sich erinnerte an das, was mit dem Werden unseres geistigen Lebens so innig zusammenhängt.
Das ist es, was vor der Aufführung Ihnen zu sagen ich mir gestatten wollte.

komt geloof ik, niet in de buurt van de innigheid die vooral in de spelen uit Oberufer zit, die tot in de jaren vijftig van de 19e eeuw in de omgeving van Pressburg bewaard zijn gebleven. Je mag wel zeggen: deze spelen behoren tot de dingen die helaas verloren zijn gegaan, de verdwenen zijn en die men zo graag, zo graag zou willen vernieuwen. Want ze zijn echt zo alsof men door hen zich weer herinnert van wat met de ontwikkeling van ons geestelijk leven zo innig samenhangt.
Ik wilde graag de vrijheid nemen om dit vóór de opvoeringtegen tegen u te zeggen.

.
[1] GA 274
[2] Hier wordt het woord ‘Schelmenlieder’ gebruikt; ondeugende liedjes, je hebt ook schelmenstreken, schelmenroman; er is ook een schilderij ‘Schelmenlieder
[3] hier (blz. 15 onder) heeft Steiner het over jongens en meisjes
[4] de vertaling van Oberungarn is nu; Opper-Hongarije
[5] Banaat
[6] Zips
[7] Leopold van der Pals

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1766-1655

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (3)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 27

Dornach, 7. Januar 1917
anläßlich der Aufführung der Weihnachtspiele: Paradeis-Spiel
und Hirten-Spiel, wozu Gäste eingeladen waren

Darf ich zuerst mir erlauben, mit ein paar Worten unsere verehrten Gäste heute willkommen zu heißen und unsere Befriedigung hier auszudrücken, daß wir Sie in unserer Mitte haben, und dann mit einigen Sätzen zu kennzeichnen, was wir eigentlich mit den Vorführungen, die wir in bescheidener Weise jetzt versuchen werden, beabsichtigen. Ich bitte Sie, die Vorführungen durchaus so zu betrachten, daß sie als ein bescheidener Versuch aufgefaßt werden. Wir können nach keiner Richtung hin selbstverständlich irgend etwas Abgerundetes oder Vollkommenes bieten. Es handelt sich um sogenannte Weihnachtspiele, aber Weihnachtspiele, die doch in einer gewissen Beziehung sich unterscheiden von sonstigen, die jetzt mit jedem Jahre mehr aufgeführt werden. Ich darf 

Dornach, 7 januari 1917
n.a.v. de opvoering van de kerstspelen: paradijsspel en herderspel waarvoor gasten waren uitgenodigd

Mag ik zo vrij zijn om eerst met een paar woorden onze vereerde gasten welkom te heten en onze vreugde uit te drukken dat we ze hier in ons midden hebben en dan met een paar zinnen te schetsen waarom wij hier eigenlijk deze opvoeringen op een bescheiden manier, proberen uit te voeren. Ik verzoek u de opvoeringen vooral zo te zien dat ze als een bescheiden proberen opgevat worden. We kunnen in geen enkel opzicht natuurlijk iets bieden wat afgerond en volmaakt is. Het gaat om zgn. kerstspelen, maar kerstspelen die in een bepaald opzicht toch verschillen van andere die nu, elk jaar meer, opgevoerd worden.
Ik mag

blz. 28

kurz erwähnen, wie ich selbst dazugekommen bin, gerade die Aufmerksamkeit unserer Freunde auf diese hier vorzuführenden Weihnachtspiele zu lenken. Als ich im Jahre 1879 an die Hochschule in Wien kam, lernte ich den Professor Schröer kennen, bei dem ich zuerst hörte, und der mir dann sehr befreundet wurde. Er ist in weiteren Kreisen wenig bekannt geworden; aber er hat namentlich um die deutsche Mundartenforschung in Österreich und später um die Goethe-Forschung, wie ich glaube, noch nicht anerkannte, später anzuerkennende Verdienste. In den fünfziger Jahren widmete er sich nicht nur der Erforschung der deutschen Mundarten, wie sie bei den einzelnen deutschen Völkerstämmen in der österreichischen Monarchie vorhanden sind, sondern auch der Erforschung der Volksgebräuche und der verschiedenen, ich möchte sagen, Volkskulturschätze. Er war längere Zeit Professor am deutschen Lyzeum in Preßburg, das auf der Linie zwischen Wien und Budapest liegt, und dann Professor in Budapest; später an der Evangelischen Schule in Wien und Professor an der Technischen Hochschule in Wien. Da lernte ich ihn eben kennen.

wel kort noemen hoe ik er zelf toe ben gekomen, om juist de aandacht van onze vrienden te vestigen op deze kerstspelen die wij opvoeren. Toen ik in het jaar 1879 op de Hogeschool in Wenen kwam, leerde ik professor Schröer* kennen, bij wie ik eerst college liep en met wie ik zeer bevriend raakte. In grotere kring is hij minder bekend geworden; hij heeft zich namelijk bij het onderzoek naar dialecten in Oostenrijk en later bij het Goethe-onderzoek, volgens mij verdienstelijk gemaakt wat nog niet erkend wordt, maar later wel erkend zou moeten. In de jaren vijftig (19e eeuw) richtte hij zijn aandacht niet alleen op het onderzoeken van de Duitse dialecten zoals die bij de verschillende Duits sprekende groepen die in het Oostenrijkse koninkrijk voorkomen, maar ook op de volkse gebruiken en op de verschillende, zo zou ik willen zeggen, volkse cultuurschatten. Hij was langere tijd professor aan het lyceum in Pressburg dat op de weg ligt tussen Wenen en Boedapest, daarna professor in Boedapest; later aan de Evangelische School in Wenen en professor aan de Technische Hogeschool in Wenen. Daar leerde ik hem dus kennen.

*Karl Julius Schröer, 1825-1890, germanist. Professor aan de Technische Hogeschool in Wenen en uitgever van de ‘Chronik des Wiener Goethe-Vereins’. Van zijn werk over Goethe moet de uitgave van ‘Faust 1 en 2’ ijn Kürshners Deutscher National-Literatur met inleidingen en verklaringen worden genoemd.

Nun, in den fünfziger Jahren, nachdem Weinhold begonnen hatte, verschiedene Weihnachtspiele, namentlich aus Schlesien, zu sammeln, hat Schröer die Entdeckung gemacht, daß in der Nähe von Preßburg, in der sogenannten Oberuferer Gegend, in einem Zipfel, der eine deutsche Enklave ist, alte Weihnachtspiele leben. Diese Weihnachtspiele wurden von den Bauern direkt zur sogenannten Heiligen Zeit in jedem Winter aufgeführt. Wir wissen, daß solche Weihnachtspiele historisch zurückverfolgt werden können; sie gehen wahrscheinlich aber viel weiter zurück bis ins 10., 11. Jahrhundert. Sie nahmen, wie wir wissen, ihren Ausgangspunkt von der Kirche; sie lehnten sich zuerst an die Krippenspiele, an die Passionsspiele an, die in den Kirchen aufgeführt wurden. Dann wurden sie aber von den Kirchen abgesondert und kamen hinein ins Volk. Nun sind seither, später von Hartmann und anderen Germanisten, viele solche Weihnachtspiele gesammelt worden, die jetzt auch, seit die Anregung gegeben worden ist, an den verschiedensten Orten aufgeführt werden, Pfälzische, Oberbayrische Weihnachtspiele und so weiter. Alle diese Weihnachtspiele aber, die Sie sonst sehen können, unterscheiden sich doch in einer gewissen 

Welnu, in de jaren vijftig, nadat Weinhold* was begonnen om verschillende kerstspelen, m.n. die uit Silezië te verzamelen, had Schröer ontdekt dat er in de buurt van Pressburg, in de zogenaamde streek van Oberufer, in het puntige deel dat een Duitse enclave is, oude kerstspelen bestaan. Deze kerstspelen werden door de boeren, vlak voor de zgn. heilige tijd, iedere winter opgevoerd. We weten dat dergelijke spelen in de geschiedenis terug te volgen zijn; ze gaan waarschijnlijk wel veel verder terug, tot in de 10e, 11e eeuw. Ze zijn, zoals we weten, in de kerk begonnen; ze leunden eerst op de kribbespelen, op de passiespelen die in de kerken werden opgevoerd. Maar ze werden door de kerken daarvan toch weggehouden en ze kwamen onder het volk. Nu zijn er sindsdien, later door Hartmann** en andere germanisten, veel van dergelijke kerstspelen verzameld die ook nu, sinds dat gestimuleerd werd, op de meest verschillende plaatsen opgevoerd worden, kerstpelen uit de Palz, Oberbayern, enz. Al die kerstspelen die u elders kan zien, zijn toch op een bepaalde manier anders,

*Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Kerstpelen en – liederen uit Zuid-Duitsland en Silezië’, met inleidngen en verklaringen.
**Een herderspel uit de Pfalz: dit spel komt uit de verzameling ‘Volkstoneelstukken’, verzameld in Beiern en Oostenrijk-Hongarije door August Hartmann. De samensteller, Dr.phil. was archivares aan de Koninklijke Hof- en Staatsbibliotheek in München; hij leefde van 1846 tot 1917. De verzameling verscheen in 1880 in Leipzig bij uitgeverij Breitkopf en Härtel. Er mag worden aangenomen dat de opgevoerde dialectuitvoering van Rudolf Steiner is, omdat het stuk bij Hartmann geschreven Duits is. Het werd opgevoerd als ‘kerstspel ujit de Oberpfalz’. 

blz. 29

Weise von denjenigen, die Karl Julius Schröer dazumal in der Preßburger Gegend bei den sogenannten Haidbauern – so hießen diese Bauern dort in der Oberuferer Gegend – sammeln konnte. Er hat ein feines Gefühl entwickelt gerade für diese Dinge dadurch, daß er sich der Erforschung der Gebräuche der Einrichtungen bei diesen versprengten deutschen Volksstämmen in der Oberuferer Gegend gewidmet hatte, auch bei den sogenannten Heanzen, einer deutschen Enklave, dann bei den Zipser Deutschen, bei den Siebenbürgern, bei solchen im Gottscheer Ländchen, überall bei den einzelnen Volksstämmen, die aus dem Zusammenhang deutscher Sprachgebiete herausgebracht sind und kolonisiert haben in diesen Gegenden, wo man merkwürdige Dinge erhalten findet. So daß man sagen kann: Die Weihnachtspiele, die in den anderen Gegenden, im geschlossenen deutschen Sprachgebiete, leben, haben sich fortentwickelt, während wir hier in diesen Spielen etwas erhalten haben, das aus dem 16. Jahrhundert, spätestens aus den ersten Anfängen des 17. Jahrhunderts stammt und so erhalten worden ist. 

dan die Karl Julius Schröer destijds in de omgeving van Pressburg bij de zogenaamde Haidboeren – zo heetten deze boeren daar in de omgeving van Oberufer – kon verzamelen. Hij had voor deze dingen een fijnzinnig gevoel ontwikkeled doordat hij zich toelegde op het onderzoek naar de gebruiken van hoe het georganiseerd was bij de verspreide Duitse volksgroepn in de streek van Oberufer, ook bij de zgn. Heanzen, een Duitse enclave, ook bij de Zipser Duitsers, bij de Siebenbürgern, bij die in Gottscheer Ländchen, overal bij de verschillende volksgroepen die van het samenhangende Duitse spraakgebied losraakten en deze streken zijn gaan kolonialiseren, waarbij je dan opmerkelijke zaken vindt die daar bewaard zijn gebleven. Zodat je kan zeggen: de kerstspelen die in andere streken, in geïsoleerd Duits spraakgebied, leven, hebben zich verder ontwikkeld, terwijl er voor ons in deze spelen iets bewaard gebleven is dat uit de 16e, hooguit 17e eeuw stamt en zo bewaard gebleven.

Die Leute sind herübergewandert nach dem Osten, haben die Dinge mitgenommen und haben sie so erhalten, wie sie sie ursprünglich in ihrer früheren deutschen Heimat gehabt haben. Die Dinge, die immer so aufbewahrt worden sind, daß sie von Jahr zu Jahr in bestimmten Familien fortlebten, gingen mit den Generationen durch die Jahrhunderte. Jedes Jahr mußten diejenigen, die von einem älteren, in der Sache erfahrenen Mann dazu ausgesucht wurden, die er unter den Bauernburschen und Bauernmädchen geeignet fand, sie abschreiben. In der Zeit, wenn die Weinlese vorüber war, wurden die Leute ausgesucht, die er für würdig hielt, daß sie die Dinge aufführten; sie wurden dann abgeschrieben, und dadurch sind, weil sie jeder für sich abschreiben mußte, gerade die älteren Handschriften verlorengegangen. Die Handschrift, die dem einen Hirtenspiel, das wir heute sehen werden, zugrunde liegt, ist vielleicht doch aus dem Anfange des 18. Jahrhunderts stammend; das kann man dadurch konstatieren, daß sie die Tinte verwischt enthielt, weil sie eine Überschwemmung im Jahre 1809, welche die dortige Gegend bedroht hat, mitgemacht hat, so daß wir der Abschrift nach eine ziemlich alte Gestalt vor uns haben.

De mensen zijn naar het oosten vertrokken en hebben de dingen meegenomen en hebben ze bewaard zoals ze oorspronkelijk in hun vroegere Duitse vaderland waren. Die zaken die steeds zo bewaard zijn gebleven dat ze van jaar tot jaar in bepaalde families voortleefden, gingen met de generaties door de eeuwen heen. Ieder jaar moesten degenen die door een oudere man, die met die dingen ervaring had, gezocht worden onder de jongens en meisjes uit de boerenfamilies die hij voor geschikt hield om de dingen over te schrijven. In de tijd na de wijnoogst werden de mensen gezocht die hij waardig genoeg vond, om de dingen op te voeren; die werden dan overgeschreven en daardoor zijn, omdat ieder ze voor zich over moest schrijven, juist die oudere handschriften verlorengegaan. Het handschrift dat als basis dient voor het herderspel dat we vandaag gaan zien, stamt wellicht toch wel uit het begin van de 18e eeuw; dat kan je concluderen uit het feit dat de inkt verbleekt is omdat het in het jaar 1809 een overstroming meemaakte die toen daar de streek bedreigde, zodat we wat het afschrift betreft een tamelijk oude vorm voor ons hebben.

blz. 30

Aber diese Dinge leben selbst im Bewußtsein des Volkes in einer ganz wunderbaren Weise fort. Es waren, da die Manuskripte zum Teil korrumpiert waren, zuweilen Dinge ausgelassen; man sah das den Dingen an, die nicht zusammenstimmten in den Enden und Anfängen. Und Schröer hat dann einen alten Bauern, der eine Zeitlang Leiter der Dinge war, vorgenommen und gesagt: Sie, erinnern Sie sich, da muß etwas fehlen! – Und dann hat der Mann wirklich aus seinem Gedächtnis heraus selber ganze Strophen noch frei hergesagt, die eingefügt werden konnten. Also die Dinge lebten im Volke gut weiter: aus dem 16., Beginn des 17. Jahrhunderts unter diesen heutigen Bauern der Oberuferer Gegend. Heute ist zum großen Teil alles materialisiert; die Dinge sind eigentlich ausgestorben. Es ist möglich, daß es sich in einzelnen Gegenden noch in schwachen Nachzüglern findet.
Nun ist es besonders interessant, daß die Bauern, die das aufführten – ja nur Bauern waren und keine Künstler. Wir versuchen durchaus die Darstellung so einzurichten, daß sie ein Bild davon gibt, wie das unter den Bauern war. Ich habe selbst oftmals mit Schröer darüber gesprochen.

Maar deze dingen leven zelf in het bewustzijn van het volk verder op een heel wonderbaarlijke manier. Er ontbraken, omdat de manuscripten beschadigd waren, hier en daar stukken; dat kon je zien omdat tekst aan het begin en op het einde niet in overeenstemming was. En Schröer is toen met een oude boer gaan praten die er een tijdlang over ging en hij zei: ‘Weet u dat nou nog, er moet iets ontbreken!’  En toen heeft die man daadwerkelijk vanuit zijn geheugen hele strofen zonder manuscript opgezegd en die konden toen ingelast worden. Dus die zaken uit de 16e, begin 17e eeuw leefden in het volk onder de huidige boeren uit de streek van Oberufer goed verder. Nu is het grootste deel wel star vast komen te liggen; die dingen zijn eigenlijk uitgestorven. Het is mogelijk dat er in een paar streken bij verre nazaten nog wat gevonden wordt.
Nu is het bijzonder interessant dat de boeren die het opvoerden slechts boeren waren en geen kunstenaars. Wij proberen het met de voorstelling beslist zo te doen dat ze een beeld geven van hoe dat onder de boeren ging. Ik heb daar vaak met Schöer zelf over gesproken.

Wir haben uns beide außerordentlich dafür interessiert, und ich konnte mir ein Bild davon machen, wie die Dinge unter den Bauern im 15. Jahrhundert gelebt haben. Interessant ist es aber, daß man eine gewisse Stimmung mit den Dingen verband, die dadurch charakterisiert ist, daß sich die Leute, die mitspielen durften, nicht nur durch Auswendiglernen, Proben und so weiter vorbereiteten, sondern sich gewissermaßen moralisch darauf vorbereitet hatten. Es bekam jeder einen Zettel, auf dem die Vorschriften standen, die er zu erfüllen hatte. War er für würdig gehalten, mitzuspielen, so mußte er vier Bedingungen erfüllen. Die Aufführung begann dann mit dem ersten Adventsonntag, ging über Weihnachten hin bis in die Dreikönigszeit, und einzelne fanden sogar noch bis in die Faschingszeit hinein statt. Aber wie gesagt, es bekamen die Mitspielenden einen Zettel, auf dem sie ihre moralischen Bedingungen aufgeschrieben hatten. Erstens durften diejenigen, die mitzuspielen hatten, während der ganzen Zeit, was sehr wichtig ist – wenn man unter Bauern gelebt hat, so weiß man, daß diese vier Bedingungen außerordentlich wichtig sind -, sie durften nicht, wie es dastand wörtlich, zu einem Dirndl gehen in der ganzen 

We waren er beiden buitengewoon in geïnteresseerd en ik kon mij er een voorstelling van maken hoe de dingen in de 15e eeuw onder de boeren leefden. Interessant is dat men met deze dingen een bepaalde stemming verbond waarvan je kan zeggen dat de mensen die mochten meespelen, niet alleen door het uit het hoofd leren, repeteren enz. zich voorbereidden, maar ook in zekere zin zich daarop moreel voorbereidden. Ieder kreeg een papier waarop de voorschriften stonden waaraan hij zich moest houden. Wanneer hij waardig genoeg was bevonden om mee te spelen, moest hij aan vier voorwaarden voldoen. De opvoering begon met de 1e adventzondag, liep via Kerstmis tot aan Driekoningen en sommige vonden nog plaats tot in de vastentijd.
Maar zoals gezegd, de spelers kregen een brief waarop ze de morele voorwaarden opschreven. Als eerste mochten ze gedurende de hele tijd, wat zeer belangrijk is – wanneer je onder de boeren geleefd hebt, weet je dat deze voorwaarden heel belangrijk zijn -, mochten ze niet, dat stond daar letterlijk, naar de meisjes gaan, de hele tijd niet;

blz. 31

Zeit; zweitens durften sie nicht Schelmenlieder singen oder ähnliches; drittens durften sie während der ganzen Zeit nicht einen irgendwie anfechtbaren Lebenswandel führen, also sie mußten ganz ‘sittsam eingezogen leben, das heißt, sie mußten sich moralisch vorbereiten, und viertens mußten sie unbedingten Gehorsam leisten demjenigen, der als Ältester ihr Lehrmeister war, der mit ihnen diese Dinge einstudierte.
Daraufhin wurden diese Dinge einstudiert, und sie mußten sie dann aufführen in einem Wirtshaus. Die Einrichtung war so, daß einfach in Hufeisenform die Bänke für die Zuschauer gestellt wurden, und in der Mitte des Saales wurde gespielt, so daß also in demselben Raume diejenigen waren, die zuhörten, und diejenigen, die spielten. Die Leute betrachteten das durchaus als eine festliche Angelegenheit und durchaus nicht als etwas Komödienhaftes. So zum Beispiel wurde beim H&umziehen der Leute im Dorf einmal eine solche Kumpanei, wie man sie nannte – Kumpanei = das ganze Ensemble der Mitspielenden, das nannte man die Kumpanei -, mit einer profanen Musik empfangen. Da erklärten sie, das wollten sie nicht, sie seien keine Komödianten, man möge ihnen so etwas nicht antun.

ten tweede mochten ze geen schunnige liedjes zingen o.i.d.; ten derde mochten ze de hele tijd niet zo leven dat je daar aanmerkingen op zou kunnen hebben, ze moesten ethisch ingetogen leven, dat betekent dat ze zich moreel moesten voorbereiden en ten vierde moesten ze onvoorwaardelijk luisteren naar degene die als oudste hun leermeester was, die met hen deze dingen instudeerde. Vervolgens werden ze ingestudeerd en ze moesten ze in een herberg opvoeren. Het was zo geregeld dat eenvoudig de banken in hoefijzervorm voor de toeschouwers werden neergezet en in het midden van de zaal werd er gespeeld, zodat dus de spelers en de toeschouwers in dezelfde ruimte zowel waren. De spelers beschouwden dit echt als een feestelijke gebeurtenis en zeer zeker niet zoiets als een komedie. Zo werd bijv. eens een ‘kompanij’, zoals men hen noemde – kompanij= de hele spelersgroep – door een groep mensen die door het dorp liepen, ontvangen met wereldse muzaiek. Maar toen legden ze uit dat ze dat niet wilden, ze waren toch zeker geen komedianten, zoiets mocht men hun niet aandoen.

Nun, ich möchte bemerken, daß Derbheiten in den Dingen vorkommen, über die man vielleicht sogar, trotzdem es sich um die höchsten Angelegenheiten der Menschheit in dem Spiel handelt, zuweilen lachen und lächeln kann; das muß man durchaus zuschreiben der ganzen Stimmung, aus der so etwas herausgewachsen ist im Bauerntum.Man muß sich klar sein darüber, daß im Bauerntum die höchsten Angelegenheiten nicht eigentlich sentimental behandelt werden, sondern daß durchaus in die heiligsten Dinge Lustiges, Derbes sich hineinmischen kann. Das entheiligt für den Bauernverstand und für das Bauerngemüt durchaus nicht – in den dortigen Gegenden meine ich – die höchsten Angelegenheiten. Die Leute, die das sich anhörten, wollten nicht etwa bloß mit langen Gesichtern und in sentimentaler Stimmung sich die Dinge anhören, sondern sie wollten zu gleicher Zeit etwas haben, was sie über die Sentimentalität hinausschob. Wenn Sie das Hirtenspiel sehen werden, so werden Sie bemerken, nicht wahr: das Kind ist ins Krippelein gelegt; aber die Hirten wurden angehalten von ihrem Lehrmeister, nicht bloß das Kind anzubeten, sondern das Krippchenso

Nu zou ik nog willen opmerken dat er lompe taal in voorkomt, waardoor je, ondanks dat het in het spel toch om de hoogste gebeurtenissen in de mensheid  gaat, soms lachen of glimlachen moet; dat moet je toch helemaal toeschrijven aan de hele stemming in het boerse leven waaruit zoiets gegroeid is. Je moet wel weten dat men in het boerenleven met de belangrijkste gebeurtenissen in het leven eigenlijk niet sentimenteel omging, maar dat zeker wel in de meest heilige dingen ook iets vrolijks, iets lomps kan komen te zitten. Dat is voor het boerenverstand en het boerengevoel geen heiligschennis van de hoogste gebeurtenissen, zeker niet – in die streken daar, bedoel ik. De mensen die ernaar luisterden, wilden die dingen niet alleen met lange gezichten en in een sentimentele stemming aanhoren, maar ze wilden tegelijkertijd iets hebben wat boven die sentimentaliteit uitging. Wanneer u het herderspel ziet, zal u merken niet waar: het Kind is in het kribje gelegd; maar de herders werd door de leermeester voorgehouden om niet alleen het Kind te aanbidden, maar ook het kribje, als een wiegje gemaakt 

blz. 32

wie eine Wiege eingerichtet – wirklich mit den Füßen etwas zu wiegen. So daß also tatsächlich die heitere Stimmung sich hineinmischte in die ganz ernste und getragene Stimmung.
Ich bemerke, daß wir in diesen Spielen etwas haben, was zu gleicher Zeit ausgleichend, harmonisierend gewirkt hat auf die Bevölkerung. Die Bevölkerung war dazumal in den fünfziger, sechziger, siebziger Jahren, als diese Spiele noch aufgeführt wurden, man kann sagen zur Hälfte protestantisch, zur Hälfte katholisch. Während sie sonst selbstverständlich streng getrennt waren die Leute in ihren Gottesdiensten, in ihrem religiösen Kultus, fanden sie sich in diesen Spielen durchaus zusammen. Es ist sehr merkwürdig, wie man, wenn man auf dasjenige näher eingeht, das sich aus der Kultur der Mundart herausentwickelt, Zusammenhänge findet, die auf Uraltes in der Menschheit Veranlagtes hinweisen. So wie ein Dichter in niederösterreichisch-deutscher Mundart ein Gedicht verfaßt hat, das wie von selbst gleich den Homerischen Gesängen in niederösterreichischer Mundart in Hexametern ist, so sehen wir auftauchen etwas, was man hier nennt: das Singen der Kumpanei, etwas, was trotz der Verschiedenheit an die alten Chöre der griechischen Tragödie erinnert.

daadwerkelijk met de voeten wat te wiegen. Zodat dus inderdaad de vrolijke stemming zich mengde met de heel ernstige en gedragen stemming.
Ik merkte op dat we in deze spelen iets hebben wat op de bevolking evenwichtig en harmonieus werkte. De bevolking was, toen deze in de jaren vijftig, zestig, zeventig, toen de spelen nog opgevoerd werden, laten we zeggen voor de helft protestant en voor de helft katholiek. Terwijl ze anders streng van elkaar gescheiden waren in hun godsdienst, in hun religieuze cultus, voelden ze zich bij zulke spelen toch één. Heel merkwaardig is, hoe men, als je nader ingaat op wat zich vanuit de dialectcultuur ontwikkelde, samenhangen vindt die wijzen op iets oerouds dat in de mensheid als aanleg aanwezig is. Zoals een dichter in het Nederoostenrijks-Duitse dialect een gedicht geschreven heeft, dat als vanzelf net als bij de Homerus-gezangen in het Nederoostenrijks dialect in hexameters staat, zien we iets opduiken, wat men hier noemt: ‘het zingen van de kompanij’, iets wat ondanks het verschil aan de oude koren van de Griekse tragedie doet denken.

Nun, selbstverständlich, Einzelheiten, die sich ergaben im Zusammenhange mit der Bauernkultur, können wir hier nicht vorführen. Sie werden nachher sehen, daß in dem einen Spiele der Teufel eine gewisse Rolle spielt. Der Teufel wurde nicht bloß als Mitspieler verwendet. Die Leute zogen ja von Dorf zu Dorf, das waren das eigentliche Oberuferer Dorf S. Martin, Salendorf, Nikolas und so weiter, da zogen die Leute herum und führten in den Wirtshäusern, die dazu bestimmt waren, diese Dinge auf. Der Teufel aber zog sich schon früher an und lief durch das Dorf mit einem Kuhhorn und tutete zu allen Fenstern hinein
und rief so die Leute zusammen. Das können wir natürlich hier nicht nachmachen, nicht wahr. Wenn er einen Wagen kommen sah, so sprang er hinauf und erklärte den Leuten, sie müßten mit ihm kommen, sie würden etwas Schönes sehen. Es waren Aufführungen, die, ich möchte sagen, zu dieser Zeit die ganze Kultur zusammenhielten.
Nun, wir werden zwei von diesen Spielen aufführen. Bei den Bauernaufführungen war immer noch ein drittes Spiel, dazu haben wir 

Nu, vanzelfsprekend kunnen we hier niet in detail opvoeren wat met de boerencultuur samenhangt. U zal achteraf zien dat in het ene spel de duivel een bepaalde rol speelt. De duivel deed niet alleen mee als medespeler. De spelers trokken van dorp tot dorp, te weten naar Oberufer Dorf S.Martin, Salendorf, Nikolas enz. daar trokken ze naar toe en voerden in de geschikte herbergen hun spel op. De duivel daarentegen kleedde zich al eerder om en liep door het dorp met een koeienhoorn en toeterde door alle ramen naarbinnen en riep zo het volk bij elkaar. Dat kunnen wij hier niet doen, niet waar. Zag hij een boerenwagen komen, dan sprong hij erop en zei dat de mensen met hem mee moesten komen, dan zouden ze iets moois zien. Het waren opvoeringen die, laat ik zeggen, rond deze tijd het hele culturele leven verbond.
We zullen dus twee van deze spelen opvoeren. Bij de opvoeringen van de boeren was er altijd nog een derde spel, een vastenavondspel,

blz. 33

keine Ausgabe, ein Fastnacht-Spiel. Gewöhnlich wurde die Reihenfolge dann gemacht, daß zuerst das Hirten-Spiel, dann das Paradeis-Spiel – wir werden es hier umgekehrt aufführen – gespielt wurcte und zuletzt wie eine Art von satyrischem Spiel, was wiederum erinnert an uralte Einrichtungen, ein Fastnacht-Spiel aufgeführt wurde. Also es war eine wirkliche Trilogie. Wir werden hier nur das Fastnacht-Spiel nicht haben.
Also jetzt bitte ich Sie, die Sachen sich in der Mundart, die der bayrisch-österreichischen Mundart sehr ähnlich, aber doch wieder in einigem verschieden ist, anzuhören. Es soll durchaus nur ein bescheidener Versuch sein, der mit unserer anthroposophischen Sache nur indirekt zusammenhängt, ein Versuch,` geistiges Leben eines bestimmten Zeitalters herauszuholen und es historisch fortzuführen. Ich möchte sagen: es soll ein historischer Versuch sein, ein Stückchen Kultur, das man sonst nicht sehen kann, in bescheidener Weise vorzuführen.
Die Musik ist von unserem Freunde Herrn van der Pals, mit Ausnahme der Choräle, die alt sind, ganz für diese Weihnachtspiele gemacht. 

waar we geen uitgave van hebben. Meestal was de volgorde dan zo, dat eerst het herderspel, dan het paradijsspel – wij zullen het hier net andersom doen – gespeeld werd en als laatste dan een soort saterspel, dat weer doet denken aan oeroude opvoeringen, een vastenavondspel. Het was dus echt een drieluik. We zullen hier het vastenavondspel niet opvoeren.
Dus vraag ik u de dingen aan te horen in het dialect dat zeer lijkt op het Beierse-Oostenrijkse dialect, maar hier en daar toch afwijkend. Het is zeker een bescheiden poging die met onze antroposofische zaak slechts indirect samenhangt, een poging het geestelijk leven van een bepaalde tijd eruit te lichten en het historisch voort te zetten. Ik zou willen zeggen: het is een historische poging een stukje cultuur dat je anders niet kan zien, op een bescheiden manier ten tonele te brengen.
De muziek is van onze vriend de heer van der Pals,* met uitzondering van de choralen, die oud zijn, en geheel voor deze kerstspelen gecomponeerd.

*Leopold van der Pals: 1884-1966, componist aan het Goetheanum in dornach. Talrijke muziek voor de euritmie.
.

[1] GA 274

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1762-1651

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (1)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 14

Dornach, 26. Dezember 1915
nach einer Aufführung zweier Weihnachtspiele, eines pfälzischen
Hirtenspieles und eines Dreikönigspieles aus Oberufer bei Preßburg

Wir haben in dieser Woche zwei Weihnachtspiele an unserer Seele vorüberziehen lassen. Wir dürfen vielleicht den Gedanken aufwerfen: Ist das eine Weihnachtspiel und das andere Weihnachtspiel in demselben Sinne der großen Menschheitsangelegenheit gewidmet, die uns in diesen Tagen so lebendig vor der Seele steht? – Grundverschieden, ganz verschieden sind die beiden Spiele voneinander. Man kann sich kaum etwas Verschiedeneres denken, das dem gleichen Gegenstande gewidmet ist, als die beiden Spiele.
Wenn wir das erste Spiel betrachten: es atmet in allen seinen Teilen wunderbarste Einfachheit, kindliche Einfachheit. Seelentiefe ist darinnen, aber überall durchatmet, durchlebt von kindlichster Einfachheit. 

Dornach, 26 december 1915
na een opvoering van twee kerstspelen, een herderspel uit de Pfalz* en een driekoningenspel uit Oberufer bij Pressburg

We hebben deze week twee kerstspelen aan ons gevoel voorbij laten komen. We mogen misschien de gedachte opwerpen: is het ene kerstspel en het andere op dezelfde manier gewijd aan de grote gebeurtenis in de mensheid die ons deze dagen zo levend voor de geest staat?  Deze beide spelen zijn totaal verschillend. Je kan nauwelijks iets bedenken wat meer van elkaar verschilt en aan hetzelfde gewijd is dan deze twee spelen.

Wanneer we naar het eerste spel kijken: het ademt in alle delen de sfeer van de wonderbaarlijkste eenvoud, kinderlijke eenvoud. Er zit gevoelsdiepte in, maar overal doorademd, doorleefd van kinderlijke eenvoud.

Das zweite Spiel bewegt sich auf den Höhen des äußeren physischen Daseins. Gleich wird daran gedacht, daß der Christus Jesus als ein König in die Welt eintritt. Gegenübergestellt wird er dem anderen König, dem Herodes. Dann wird gezeigt, daß zwei Welten sich vor uns auftun: diejenige, die im guten Sinne die Menschheit weiterentwickelt, die Welt, welcher der Christus Jesus dient, und die andere Welt, welcher Ahriman und Luzifer dienen, und die repräsentiert ist durch das teuflische Element. Ein kosmisches, ein kosmisch-geistiges Bild im höchsten Sinne des Wortes. Der Zusammenhang der Menschheitsentwickelung mit der Sternenschrift tritt uns gleich vor die Augen. Nicht das einfache, primitive Hirtenhellsehen, das einen Himmelsschein findet, das man in den einfachsten Verhältnissen finden kann, sondern jene Entzifferung der Sternenschrift, zu der alle Weisheit der vergangenen Jahrhunderte notwendig ist, und aus der man enträtselt, was da kommen soll. Hereinleuchtet in unsere Welt dasjenige, was aus anderen Welten kommt. In den Traum- und Schlafzuständen wird dasjenige, was geschehen soll, gelenkt und geleitet.

Het tweede spel beweegt zich op het niveau van het uiterlijke fysieke bestaan. Van begin af aan wordt gememoreerd dat Christus Jezus de wereld als koning  zijn intrede in de wereld doet. Hij wordt tegenover de andere koning, Herodes, gesteld. Dan wordt getoond dat er voor ons twee werelden zijn: een die in goede gezindheid de mensheid verder tot ontwikkeling brengt, de wereld aan wie Christus Jezus dienstbaar is en de andere wereld aan wie Ahriman en Lucifer dienstbaar zijn en die vertegenwoordigd is door het duivelse element. Een kosmischc, een kosmisch-geestelijk beeld in de diepste zin van het woord. De samenhang van de mensheidsontwikkeling met het sterrenschrift wordt ons meteen getoond. Niet de eenvoudige, primitieve helderziendheid van de herders die het hemelschijnsel vinden, dat je in de meest eenvoudige toestanden kan vinden, maar het ontsluieren van het sterrenschrift waarvoor alle wijsheid uit de vorige eeuwen nodig is en vanwaaruit men de raadsels oplost van wat komen moet. In onze wereld valt het licht dat uit andere werelden komt. In droom- en slaaptoestanden wordt wat moet gebeuren gestuurd en geleid.

*Een herderspel uit de Pfalz: dit spel komt uit de verzameling ‘Volkstoneelstukken’, verzameld in Beiern en Oostenrijk-Hongarije door August Hartmann. De samensteller, Dr.phil. was archivares aan de Koninklijke Hof- en Staatsbibliotheek in München; hij leefde van 1846 tot 1917. De verzameling verscheen in 1880 in Leipzig bij uitgeverij Breitkopf en Härtel. Er mag worden aangenomen dat de opgevoerde dialectuitvoering van Rudolf Steiner is, omdat het stuk bij Hartmann geschreven Duits is. Het werd opgevoerd als ‘kerstspel ujit de Oberpfalz’. 

blz. 15

Kurz, überall Okkultisrnus und Magie das ganze Spiel durch- dringend.
Grundverschieden sind die beiden Spiele. Das erste tritt uns entgegen, man darf wirklich sagen in kindlicher Einfachheit und Einfalt. Doch wie unendlich mahnend ist es, wie unendlich fühlsam. Aber fassen wir zunächst einmal bloß den Hauptgedanken ins Auge. Diejenige menschliche Wesenheit, die das Gefäß vorbereiten soll für den Christus, tritt in die Welt herein. Ihr Eintritt in die Welt soll vorgeführt werden, vorgeführt werden dasjenige, was der Jesus ist für die Menschen, in deren Daseinskreis er eintritt. Ja, so ohne weiteres hat diese Idee, diese Vorstellung keineswegs diejenigen Kreise erobert, innerhalb welcher dann mit Inbrunst, mit Hingebung solche Spiele angehört worden sind wie dieses. Derjenige, von dem ich öfter gesprochen habe, Karl Julius Schröer> gehörte im 19. Jahrhundert zu den ersten Sammlern von Weihnachtspielen. Er hat die Weihnachtspiele in Westungarn gesammelt, die Oberuferer Spiele, von Preßburg nach ostwärts gelegen, und er hat die Art und Weise studieren können, wie diese Spiele im Volke dort lebten und webten.

Kortom, overal verborgen wijsheid en magie, het hele spel doordringend.

De spelen zijn totaal verschillend. Het eerste vertoont zich, je mag echt zeggen, in kinderlijke eenvoud en reinheid. Maar wat neemt het je mee, hoe oneindig invoelbaar. Maar laten we eens naar het hoofdmotief kijken. Het menselijk wezen dat het omhulsel voorbereiden moet voor het christuswezen, komt ter wereld. Getoond moet worden, opgevoerd moet worden het verschijnen in de wereld, wat Jezus is voor de mensen in wier bestaan hij intreedt. Ja, zo zonder meer zou deze gedachte, deze voorstelling niet opgenomen zijn in die groepen die dan met innig gevoel, met overgave dergelijke spelen aangehoord hebben zoals deze.
Degene over wie ik vaker heb gesproken, Karl Julius Schröer, behoorde in de 19e eeuw tot de verzamelaars van kerstspelen. Hij verzamelde de kerstspelen uit het westen van Hongarije, de spelen uit Oberufer, oostelijk bij Pressburg gelegen en hij kon de gewoonten bestuderen van hoe deze spelen daar in het volk leefden.

Es ist sehr, sehr bezeichnend, wenn man so sieht, wie von Generation zu Generation diese Spiele sich handschriftlich vererbten, und wie sich nicht etwa, wenn Weihnachten nahe war, sondern wenn Weihnachten von fern in der Zeit heranrückte, diejenigen, die im Dorf hierfür geeignet gefunden wurden, vorbereiteten, um diese Spiele darzustellen. Wenn man das sieht, so sieht man, wie innig verbunden mit dem Inhalt dieser Spiele das ganze Jahreskreislaufleben derjenigen Leute war, in deren Dorfkreisen solche Spiele aufgeführt wurden. Die Zeit, in der zum Beispiel Schröer in der Mitte des 19. Jahrhunderts diese Spiele dort gesammelt hat, war schon die Zeit, in der sie anfingen in der Art auszusterben, wie sie bis dahin gepflogen worden sind. Ja, schon viele Wochen, bevor Weihnachten heranrückte, mußten im Dorfe diejenigen Buben und Mädchen zusammengesucht werden, welche geeignet waren, solche Spiele darzustellen. Und sie mußten sich vorbereiten. Die Vorbereitung bestand aber nicht etwa bloß im Auswendiglernen und im Einüben desjenigen, was das Spiel enthält, um es darzustellen, sondern die Vorbereitung bestand zum Beispiel darinnen, 

Het is heel veelbetekenend , wanneer je zo ziet hoe deze handgeschreven spelen van generatie op generatie overgingen en hoe ze niet alleen tegen Kerst, maar al ver vóór Kerstmis door de degenen in het dorp die daarvoor in aanmerking kwamen, werden voorbereid om ze te kunnen opvoeren. Wanneer je dat ziet, zie je hoe diep verbonden de mensen die in hun dorp die spelen mochten opvoeren het hele jaar met de inhoud ervan waren verbonden. De tijd waarin bijv. Schröer in het midden van de 19e eeuw de spelen daar verzamelde, was al de tijd waarin ze begonnen te verdwijnen, zoals ze waren, zoals ze tot dan toe bewaard werden.

Ja, al weken voor het Kerst werd, moest er gezocht worden naar jongens en meisjes die ervoor in aanmerking kwamen dergelijke spelen op te voeren. En zij moesten zich voorbereiden. Dat bestond er niet alleen maar uit dat je ze uit het hoofd moest leren en instuderen wat bij het spel hoort om het te kunnen opvoeren, maar het voorbereiden betekende ook bijv. 

blz. 16

daß diese Buben und Mädel die ganze Lebensweise, die äußere Lebensweise änderten.
Von der Zeit an, wo sie sich vorbereiteten, durften sie nicht mehr Wein trinken, nicht mehr Alkohol zu sich nehmen; sie durften nicht mehr, wie es ja sonst auf dem Dorfe üblich ist, am Sonntag raufen. Sie mußten sich ganz sittsam betragen; sie mußten sanft und mild werden, durften sich nicht mehr blutig schlagen, und durften mancherlei anderes nicht, was sonst in Dörfern besonders in jenen Zeiten ganz gang und gäbe war. Da bereiteten sie sich auch moralisch durch die innere Stimmung der Seele vor. Und dann war es wirklich, wie wenn sie etwas Heiliges herumtrügen im Dorfe, wenn sie ihre Spiele aufführten.
Aber nur langsam und allmählich kam das so. Gewiß, in vielen Dörfern Mitteleuropas im 19. Jahrhundert war solche Stimmung, war die Stimmung, daß man etwas Heiliges zu Weihnachten mit diesen Spielen entgegennahm. Aber man kann nur noch vielleicht ins 18. Jahrhundert zurückgehen und noch ein bißchen weiter, und diese Stimmung wird immer unheiliger und unheiliger. Diese Stimmung war nicht etwa von Anfang an da, als diese Spiele in das Dorf kamen, durchaus nicht von Anfang an, sondern sie stellte sich erst im Laufe der Zeit heraus und ein. 

dat deze jongens en meisjes hun leven van alle dag gingen veranderen.
Vanaf die voorbereidingstijd mochten ze geen wijn meer drinken, geen alcohol gebruiken; ze mochten niet meer, wat anders in het dorp gewoonte was, ’s zondags uitgaan. Ze moesten zich heel netjes gedragen; rustig en aardig zijn; geen knokpartijen en ze mochten nog veel meer niet wat anders in de dorpen in de tijd volkomen normaal was. Ze bereidden zich ook in moreel opzicht voor door een innerlijke zielenstemming. En dan was het echt zo dat ze in het dorp met iets heiligs rondliepen als ze de spelen opvoerden.
Maar dat kwam pas langzamerhand. Zeker, in vele dorpen van Midden-Europa in de 19e eeuw heerste er zo’n stemming, de stemming dat je met iets heiligs kwam tegen de Kerst. Maar je kan maar, misschien tot in de 18e eeuw teruggaan, nog een beetje eerder en deze stemming wordt steeds minder gewijd. Die stemming was er niet meteen aan het begin toen de spelen in het dorp kwamen, zeker niet vanaf het begin, maar die ontstond in de loop van de tijd.

Es gab schon Zeiten, und man braucht nicht einmal gar so weit zurückzugehen, da konnte man noch anderes finden. Da konnte man finden, wie sich da oder dort in Mitteleuropa das ganze Dorf versammelte, und wie eine Wiege hereingebracht wurde, in der das Kind lag, und dazu allerdings das schönste Mädchen des Dorfes – schön mußte Maria sein! -, aber ein häßlicher Joseph, ein urhäßlich aussehen- der Joseph. Dann wurde eine ähnliche Szene aufgeführt, wie Sie sie heute auch haben sehen können. Aber vor allen Dingen: da verkündet wurde, daß der Christus kommt, kam die ganze Gemeinde vor, und ein jeder trat auf die Wiege. Vor allen Dingen wollte ein jeder auf die Wiege etwas getreten und das Christkind auch geschaukelt haben. Darum handelte es sich allen. Und sie machten einen ungeheuren Krakeel, der ausdrücken sollte, daß der Christ in die Welt gekommen ist. In manche ältere von solchen Spielen ist eine fürchterliche Verspottung des Joseph eingestreut, der immer als ein tättelicher Greis in diesen Zeiten dargestellt worden ist, den man auslachte.

Er waren tijden en daarvoor hoef je niet eens zo lang terug te gaan, waarin je nog andere dingen kan vinden. In Midden- Europa verzamelde zich hier en daar een heel dorp en dan werd er een wieg meegebracht waarin het kind lag en dat was natuurlijk het mooiste meisje van het dorp – Maria moest ook mooi zijn – maar een lelijke Jozef, een Jozef die er oerlelijk uitzag. Dan werd er net zoiets opgevoerd zoals u vandaag ook heb kunnen zien. Maar vooral: omdat er aangekondigd werd dat Christus komt, kwam de hele gemeente, iedereen ging naar de wieg. Iedereen wilde naar de wieg en het christuskindje gewiegd hebben. Daar ging het iedereen om. En ze maakten een verschrikkelijke herrie om te laten weten dat Christus ter wereld was gekomen. In sommige oudere spelen vind je ook vreselijk gespot met Jozef die steeds in deze tijd als een [tättelich] seniele? grijsaard neergezet werd die men uitlachte.

blz. 17

Wie sind denn Spiele solcher Art eigentlich in das Volk gekommen? Nun, wir müssen natürlich uns erinnern, daß die erste Form der größten, gewaltigen Erdenidee, des Erscheinens des Christus Jesus auf der Erde, die war des durch den Tod gegangenen Heilands, desjenigen, der durch den Tod das für die Erde gewonnen hat, was wir den Sinn der Erde nennen. Das Leiden des Christus war es zunächst, das im ersten Christentum in die Welt gekommen ist. Und dem leidenden Christus wurden in verschiedenen Handlungen die Opfer dargebracht, die im Kreislauf des Jahres sich vollzogen. Aber nur ganz langsam und all- mählich eroberte sich das Kind die Welt. Der sterbende Heiland eroberte sich zuerst die Welt; langsam und allmählich erst das Kind. Wir dürfen nicht vergessen, daß die Liturgie lateinisch war, daß die Leute nichts verstanden. Vom Messeopfer, das Weihnachten festgesetzt war, fing man allmählich an, den Leuten außer dem Meßopfer, das zu Weihnachten dreimal gehalten wird, noch etwas anderes zu zeigen. Vielleicht doch nicht so ganz mit Unrecht – wenn auch nicht auf ihn selbst, so auf Anhänger von ihm – wird die Idee, in der Weihnachtsnacht das Jesus-Geheimnis den Gläubigen zu zeigen, auf Franz von Assisi zurückgeführt, der aus einer gewissen Opposition heraus gegen die alten Kirchenformen und den alten Kirchengeist überhaupt seine ganze Lehre und sein ganzes Wesen gehalten hat.

Hoe zijn dergelijke spelen nu in het volk gekomen? Nu, we moeten er natuurlijk wel aan denken dat de eerste vorm van de grootste, geweldige gedachte op aarde, die van het verschijnen van Christus Jezus op aarde, van de Heiland die door de dood was gegaan, degene die door de dood voor de aarde bracht, wat wij de zin van de aarde noemen. Het lijden van Christus kwam aanvankelijk in het eerste christendom in de wereld. En aan de lijdende Christus werden in verschillende diensten offers gebracht die plaatsvonden in de kringloop van het jaar. Maar slechts langzaam en geleidelijk veroverde het Kind de wereld. De stervende Heiland veroverde de wereld eerst; geleidelijk pas het Kind. We mogen niet vergeten dat de liturgie in het Latijn gegeven werd, dat de mensen er niets van verstonden. De heilige mis die met Kerstmis vastgelegd was, begon langzamerhand aan de mensen naast de heilige mis die met Kerst driemaal gehouden werd, nog iets anders te vertonen. En helemaal onterecht was niet – al was het dan ook niet op hem, maar toch wel op zijn aanhangers – het idee, in de kerstnacht het geheim van Jezus aan de gelovigen te tonen, dat tot op Franciscus van Assisi* terugging die  vanuit een bepaalde weerstand tegen de oude kerkinstellingen en de oude geest van de kerk zich met zijn hele leer en heel zijn wezen verzette.

*Franciscus van Assisi, 1182-1226. Zie o.a. Rudolf Steiner ‘GA 109/111; GA 130; GA 155

Da sehen wir allmählich, langsam, wie der gläubigen Gemeinde zu Weihnachten etwas geboten werden sollte, was mit dem großen Mysterium der Menschheit, mit dem Herabkommen de`s Christus Jesus auf die Erde zusammen- hing.
Zuerst stellte man eine Krippe auf und machte bloß Figuren. Nicht durch Menschen stellte man es dar, sondern man machte Figuren: das Kindlein und Joseph und Maria, aber plastisch. Allmählich ersetzte man das durch Priester, die sich verkleideten, und die in der einfachsten Weise das darstellten. Und erst vom 13., 14. Jahrhundert ab be
gann innerhalb der Gemeinden äußerlich diejenige Stimmung, die man etwa dadurch bezeichnen könnte, daß die Leute sich sagten: Wir wollen auch etwas verstehen von dem, was wir da sehen, wir wollen eindringen in die Sache. – Und da fingen die Leute an, zunächst einzelne Teile mitspielen zu dürfen in dem, was zuerst nur von der Geistlichkeit

Nu zien wij geleidelijk, langzaam hoe de gelovige gemeente met Kerstmis iets geschonken moest worden, wat met het grote mysterie van de mensheid, met de komst van Christus op aarde, samenhing.
Eerst zette men een kribbe neer en maakte alleen figuren. Niet door mensen beeldde men het uit, maar men maakte figuren: het kindje en Jozef en Maria, maar als beelden. Langzamerhand kwamen er priesters voor in de plaats, die zich verkleedden en die het op de meest eenvoudige manier uitbeeldden. En pas vanaf de 13e, 14e  eeuw ontstond er binnen de gemeente die stemming die je ongeveer zo kan benoemen dat de mensen tegen elkaar zeiden: we willen ook iets begrijpen van wat we daar zien, we willen hier ook meer van weten. En toen mochten de mensen dan beginnen met een paar stukken mee te spelen die eerst door de geestelijkheid gespeeld waren.

blz. 18

gespielt war. Nun muß man natürlich das Leben in der Mitte des Mittelalters kennen, um zu begreifen, wie dasjenige, was mit dem Heiligsten zusammenhing, zugleich in einer solchen Weise genommen wird, wie ich es angedeutet habe. Das war damals durchaus möglich aus einem Entgegenkommen der Stimmung, daß die Gemeinde des Dorfes, die ganze Gemeinde sagen konnte: Ich habe auch mit dem Fuß an der Wiege, wo der Christus geboren worden ist, ein wenig geschaukelt. – Es ließe sich in diesem und in vielem anderen ausdrücken, zum Beispiel in dem Singen dabei, das sich zum Teil bis zum Jodeln steigerte, in alldem, das sich begeben hatte. Aber dasjenige, was in der Seele lebte, das hatte in sich selber die Stärke, man möchte fast sagen, aus einem Profanen, aus einem Profanieren des Weihnachtsged~ankens zum Heiligsten selber sich umzubilden. Und die Idee des in der Welt erscheinenden Kindes eroberte sich das Allerheiligste in den Herzen der einfachsten Menschen.
Das ist das Wunderbare gerade` bei diesen Spielen, von deren Art das erste eines war, daß sie nicht einfach so da waren, wie sie jetzt uns erscheinen, sondern so geworden sind: Frommheit in der Stimmung erst entfaltend aus Unfrommheit heraus, durch die Gewalt desjenigen, was sie darstellen! – 

Je moet natuurlijk wel wat van het leven in de middeleeuwen weten om te begrijpen hoe hetgeen wat met het allerheiligste samenhing, tegelijkertijd zo opgevat werd, zoals ik het aangeduid heb. Dat was toen wel degelijk mogelijk vanuit de stemmige houding waaruit de dorpsgemeenschap, heel de gemeenschap, kon zeggen: ik heb ook een beetje met mijn voet de wieg laten schommelen waarin Christus is geboren. Het kwam hierin – en in nog veel meer  – tot uiting, bijv. in het zingen dat voor een deel zelfs in jodelen overging, in alles wat er gebeurd is. Maar alles wat in het gemoed leefde was van zichzelf sterk, je zou bijna willen zeggen, om vanuit iets werelds, uit een wereldser worden van de kerstgedachte, die zelf in het meest heilige te veranderen. En de idee van het Kind dat op aarde geboren wordt, werd als het allerheiligste in de harten van de eenvoudigste mensen opgenomen.
Het wonderbaarlijke bij juist deze spelen is, dat ze niet waren 
zoals we ze nu zien, maar zo zijn ze geworden: de ernst van de stemming is ontstaan van een niet-ernstige, door de kracht van degenen die ze opvoeren! – Eerst moest het Kind de harten veroveren, het moest in de harten worden toegelaten. En door wat in het Kind zelf heilig was, heiligde Het de harten die hem aanvankelijk ontmoetten in een sfeer van grofheid en wildheid. Dat is het wonderbaarlijke in de ontwikkelingsgeschiedenis van deze spelen, dat in ieder spel het christusgeheim de harten en de zielen nog moest veroveren. En iets van dat ieder spel dat nog moest veroveren, zullen we dan morgen gaan beleven. Vandaag wil ik nog zeggen: niet voor niets merkte ik hoe nadrukkelijk ook het meest simpele in het eerste spel aanwezig is.

Zoals gezegd: langzaamaan kwam wat met het christusgeheim op de wereld verscheen, in de harten en de zielen van de mens. En het is eigenlijk zo dat hoe verder je teruggaat in de overlevering van de verschillende christusgeheimen, je des te meer ziet dat de uitdrukkingsvorm verheven is, geestelijk verheven: je komt in een kosmisch uitspreken,

blz. 19

kommt man hinein, je weiter man zurückkommt. – Wir haben davon schon einiges in unsere Betrachtungen einfließen lassen, und auch im vorigen Weihnachtsvortrage habe ich gezeigt, wie die gnostischen Ideen verwendet worden sind, um das tiefe Christus-Geheimnis zu verstehen. Aber selbst wenn wir noch in den späteren Zeiten des Mittelalters dieses oder jenes verfolgen, finden wir, wie da noch – in der Mitte des Mittelalters -, ich möchte sagen, gerade in den damaligen Weihnachtsdichtungen etwas von dem vorhanden war, was später weg- geblieben ist: eine Betonung des urchristlichen Gedankens, daß der Christus aus Weltenweiten hinuntersteigt, aus Geisteshöhen. Wir finden es im 11., 12. Jahrhunderte, wenn wir zum Beispiel ein solches Weihnachtslied vor unsere Seele führen:

hoe verder je teruggaat. We hebben hiervan al een paar dingen in onze beschouwingen opgenomen en ook in de vorige kerstvoordracht heb ik laten zien hoe de gnostische ideeën gebruikt zijn het diepe Christusgeheim te doorgronden. Zelfs als we een en ander in de latere middeleeuwen volgen, vinden we , hoe daarin – in het midden van de Middeleeuwen – in de kerstgedichten* nog iets aanwezig was van wat later verdwenen is: een accent op de oerchristelijke gedachte dat de Christus uit hemelverten uit geesteshoogten afdaalt.
We vinden het in de 11e, 12e eeuw, wanneer we bijv. dit kerstlied met ons gevoel benaderen:

*in de kerstgedichten: ‘Jezus in het oordeel van de eeuwen. De belangrijkste opvattingen over Jezus in theologie, filosofie, literatuur en kunst tot heden’, door Gustav Pfannmüller, Leipzig en Berlijn, B.G.Teubner-Verlag

Des menschgewordnen Gottessohnes Ehre
Verkünden fröhlich jauchzend Himmelsheere,
Und laut erschallet aus des Hirten Munde
Die frohe Kunde.

«Preis in der Höhe! und den Menschen Friede!»
So tönet es in feierlichem Liede;
Mit Staunen wird von Menschen heut` gesehen,
Was nie geschehen.

Der Himmel hell erglänzt im neuen Sterne;
Von ihm geleitet, kommen aus der Ferne
Die Weisen, und begrüßen mit Entzücken,
Den sie erblicken.

Mit ihm ist neu die Wahrheit nun geboren;
Ersetzt ist, was durch Sünde war verloren;
Es blühen herrlicher im Gnadenlichte
Des Segens Früchte.

Der Vorzeit Ahndung hat sich nun erschlossen,
Seitdem der Erde diese Frucht entsprossen,
Die Leben und Erquickung uns gewähret,
Und ewig iiähret.

blz. 20

Gekommen ist, in unser Fleisch gekleidet,
Der gute Hirt, der alle Völker weidet;
Gewohnt hat er, wie wir, in Pilgerhütten,
Für uns gelitten.

Heil nun der Erde, die sein Licht erblicket!
Durch ihn für Zeit und Ewigkeit beglücket,
Weih` jeder ihm, dem Retter, Dank und Liebe
Mit reinem Triebe.

Hilf, Christus, selbst uns dein Gesetz vollbringen,
Laß gute Taten uns durch dich gelingen,
Daß einst bei dir des ewg’en Lebens Krone
Auch uns belohne!

So war der Ton, der herunterklang von denjenigen, die noch etwas verstanden hatten von der ganzen kosmischen Bedeutung des ChristGeheimnisses.
Oder ein anderes Weihnachtsgedicht auf das Weihnachtsfest gab
es aus der Mitte des Mittelalters, etwas später als die Karolingerzeit:

Zo was de toon die tot ons klonk door hen die nog iets begrepen hadden van de grote kosmische betekenis van het christusgeheim.
Of een ander kerstgedicht op Kerstmis uit het midden van de Middeleeuwen, iets later dan de Karolingische tijd:

Der Gottessohn, von Ewigkeit erzeugt, der unsichtbar und ohne Ende;
Durch den des Himmels und der Erde Bau, und alles, was da wohnt, erschaffen,
Durch den der Tage und der Stunden Lauf vorübergeht und wiederkehrt;
Den stets die Engel in der Himmelsburg in vollharmonischem Gesange preisen,
Hat sich, von aller Erbschuld frei, mit schwachem Leib bekleidet,
Den aus Maria Er, der Jungfrau, nahm, die Schuld des ersten Vaters Adam,
Sowie die Lüsternheit der Mutter Eva zu vernichten.
Der heutige glorreiche Tag erhab`nen Glanzes zeugt, daß nun der Sohn,

blz. 21

Die wahre Sonne, durch des Lichtes Strahl die alte Finsternis der Welt zerstreute.
Nun wird die Nacht erhellt vom Lichte jenes neuen Sternes,
Der einst den himmelskund`gen Blick der Magier in Staunen setzte,
Und sieh` den Hirten leuchtet jener Schein, die da geblendet wurden
Vom hehren Glanz der himmlischen Bewohner.
O Gottesmutter, freue dich, die du bei der Geburt von einer Engelschar,
Die Gottes Lob besingt, bedienet wirst.
O Christus, du des Vaters einz`ger Sohn, der unsertwegen die Natur
Der Menschen angenommen, so erquicke du die Deinen, die hier flehen.
O    Jesus, höre mild die Bitten jener, deren du Dich anzunehmen dich gewürdigt hast, Um sie, o Gottessohn, teilhaft zu machen deiner Gottheit.]

Das ist der Ton, der, ich möchte sagen, von den Höhen der mehr theologisch gefärbten Gelehrsamkeit hinuntertönte ins Volk.
Nun hören wir auch ein wenig den Ton, der zur Weihnacht aus dem Volk selbst erklang, wenn eine Seele sich fand, die des Volkes Empfinden wiedergab:

Dat is de toon die vanaf het niveau van de meer theologisch getinte geleerdheid tot het volk klinkt.
Nu horen we ook de toon die met Kerstmis vanuit het volk zelf kwam, wanneer er een ziel was die de stemming van het volk weer kon geven:

Er ist gewaltic unde starc,
der ze winnaht geborn wart:
Daz ist der heilige Krist. jä lobt in allez daz dir ist
Niewan der tiefel eine:
dur sinen grözen ubermuot
s6 wart ime diu helle ze teile.
In der helle ist michel unrät: s
wer dä heimuote hät, 

blz. 22

DiuA sUnne schAinet nie so
lieht, der mane hilfet in niht,
Noh der liechte sterne,
jaA müet in allez daz er siht,
jaA waer er daA ze himel als6 gerne.

In himelflAch ein hüs sta»t,
ein gUl~Ain wec dar iAn gät,
Die siule die sint mermel?n, d
ie zieret unser trehtiAn
Mit edelem gesteine:
daA enkumt nieman ?n,
er ensAi vor allen sünden als6 reine.

Swer gerne zuo der kilchen gaAt
und aAne nAit daA staAt,
Der mac wol vr6liAchen leben,
den wirt ze jungest gegeben
Der Engel gemeine.
wol im daz er ie wart:
ze himel ist daz Leben alsö reine.

Ich haAn gedienet lange
leider einem manne,
Der in der helle umbe gät,
der brüevet m?ne missetat,
S?n l6n der ist boese.
Hilf mich heiliger geist,
daz ich mich von sAiner vancnisse loese.

Das ist das Gebet, das der einfache Mensch sagte und verstand. Wir haben den Herabklang gelesen, haben jetzt den Hinaufklang.
Ich will versuchen, dieses Weihnachtslied aus dem 12. Jahrhundert etwas wiederzugeben, damit wir sehen, wie auch der einfache Mensch die ganze Größe des Christus faßte und in Zusammenhang brachte mit dem ganzen kosmischen Leben.
Er ist gewaltig und stark, der zu Weihnacht geboren ward. Das ist der Heilige Christ. Es lobt ihn alles, was da ist, nur nicht ganz allei

Dat is het gebed dat de eenvoudige mens zei en begreep. We weten nu hoe het klinkt.
Ik wil proberen dit kerstlied uit de 12e eeuw zo weer te geven dat we kunnen zien hoe ook de eenvoudige mens de grootheid van Christus begreep en in samenhang bracht met het hele kosmische leven.
Hij die met Kerstmis geboren is, is machtig en sterk. Dat is de heilige Christus. Alles wat is, looft hem, maar de

blz. 23

der Teufel, der durch seinen großen Übermut so war, daß ihm die Hölle zuteil ward. In der Höhe ist mikel Unrat (mikel – das ist das alte Wort für groß, mächtig). In der Hölle ist großer Unrat. Wer da seine Heimat hat, wer also in der Hölle zu Hause ist, muß wahrnehmen: die Sonne scheint da niemals nicht, der Mond hilft, hellet niemanden, noch die lichten Sterne. Da muß jeder, der etwas sieht, sich sagen, wie schön es wäre, wenn er in den Himmel gehen könne. Er wäre ganz gern in dem Himmel. Im Himmelreich steht ein Haus. Ein goldner Weg dazu geht. Die Säulen sind Mermel, (also von Marmor), geziert mit Edelgestein. Da aber kommt niemand hinein, als der von Sünden ganz rein ist. Wer zu der Kirche geht und da ohne Neid steht, der mag wohl höheres Leben haben, denn es wird immer junges gegeben, das heißt, wenn er zuletzt sein Leben geendet hat – erinnern Sie sich, ich habe hier einmal das Wort «jüngern» vom Ätherleib eingeführt; hier haben Sie das in der Volkssprache sogar! – also wenn er «jung» ist gegeben der Engelsgemeinde, wohl ihm, daß er darauf warten kann, denn im Himmel ist das Leben rein. – Und nun sagt der, der also dieses Weihnachtslied betet: Ich habe gefangen gedient leider einem Mann, der in der Hölle umgeht, der entwickelt hat meine Missetat. Hilf mir, heiliger Christ, daß ich von seinem Gefangse, (Gefängnisse), gelöst werde, das heißt: aus dem Gefängnis des Bösen gelöst werde.

de duivel niet helemaal, die door zijn grote overmoedigheid zo was dat de hel zijn deel werd. In de hel is ‘mikel’ – dat is het oude woord voor groot, machtig – uitschot.  Er zit veel uitschot in de hel. Wie daar zijn thuis heeft, wie daar thuis is, moet merken: daar schijnt de zon echt nooit, de maan helpt, verlicht niemand, ook niet de heldere sterren. Daar moet iedereen die iets ziet, zeggen hoe mooi het zou zijn als hij naar de hemel zou kunnen gaan. Hij zou graag in de hemel willen zijn. In het hemelrijk staat een huis. Er leidt een gouden weg heen. De zuilen zijn ‘Mermel’, (dus van marmer), gesierd met edelsteen. Maar daar komt niemand binnen, wanneer hij niet gereinigd is van de zonde. Wie naar de kerk gaat en daar zonder afgunst staat, die mag wel een hoger leven hebben, want altijd zal er iets zijn wat jong is, d.w.z. wanneer uiteindelijk zijn leven is geëindigd – weet u het nog, ik heb hier eens het woord ‘jüngern’ – jonger worden – van het etherlijf gebruikt; hier komt het zowaar in de volkstaal voor! dus wanneer hij ‘jong’ aan de gemeenschap van de engelen is overgegeven, gelukkig hij die daarop kan wachten, want in de hemel is het leven rein.
En nu zegt degene die dit lied bidt: ik heb als gevangene helaas een man gediend die in de hel rondwaart, die heeft mijn zonden groot gemaakt. Help mij, heilige Christus, dat ik verlost wordt uit zijn gevangenis (Gefangse), verlost wordt, dat betekent: vrij kom uit de gevangenis van het kwaad.

Also das ist in der Sprache des Volkes:

Dat klinkt dus in de taal van volk zo:

Er ist gewaltig und stark,
Der zur Winacht geboren ward.

[1] GA 274

Aan de voorstellingen in Dornach ging een voordracht in Berlijn vooraf op 19 december 1915 met de titel: ‘Der Weihnachtsgedanke und das Geheimnis des Ich. Der Baum des Kreuzes und die Goldene Legende. Entstehung der Krippen- und Hirtenspiele’. De voordracht werd gepubliceerd in GA 165 ‘Die geistige Vereinigung der Menschheit durch den Christus-Impuls’.
In dezelfde uitgave is  ook de hier bovenstaande inleiding opgenomen, waarbij nog 2 voordrachten aansluiten die op 27 en 28 december 1915 in Dornach werden gehouden. Op 28 december 1915 houdt Rudolf Steiner ook nog een toespraak in Basel en knoopt daarbij aan de drie voordrachten in Dornach aan. Ook deze zijn in de genoemde band opgenomen.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1760-1649

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (2)

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 24

Ansprachen zu den Weihnachtsspielen aus altem Volkstum Dornach, 3. Januar 1917 anläßlich einer Aufführung des Paradeis-Spiels und des Christ-Geburt-Spielsvor deutschen Internierten aus Basel und Bern

Gestatten Sie, daß ich Sie vor allen Dingen aufs herzlichste begrüße und unsere Befriedigung zum Ausdruck bringe, daß wir Sie heute in unserer Mitte sehen können! Ich bitte Sie, dasjenige, was wir Ihnen werden bieten können, als etwas recht Bescheidenes hinzunehmen. Es soll nicht eine Probe einer vorzüglichen Aufführung oder einer besonderen künstlerischen Leistung sein, sondern, ich möchte sagen, mehr eine historische Darstellung. Und damit die Erwartungen nicht zu hoch gespannt werden, möchte ich nur mit ein paar Worten andeuten, wie es dazu gekommen ist, daß wir gerade diese zwei und einige andere solche Weihnachtspiele, Paradeis-Spiele und dergleichen, in einer etwas indirekten Beziehung mit unserer Sache seit Jahren in einfacher, primitiver Weise zur Aufführung bringen.
Es handelt sich dabei nicht eigentlich um solche Weihnachtspiele und Neujahrspiele, wie man sie sonst auch sehen kann, obwohl selbstverständlich eine Ähnlichkeit vorhanden ist.

TOESPRAAK VAN RUDOLF STEINER N.A.V. EEN OPVOERING VAN HET PARADIJSSPEL EN HET GEBOORTESPEL VOOR DUITSE GEVANGENEN UIT BASEL EN BERN, 3 JANUARI 1917

Sta mij toe dat ik u in de allereerste plaats van harte welkom heet en tot uitdrukking breng hoe fijn we het vinden om u vandaag te midden van ons te kunnen ontmoeten!
Ik vraag u om wat u zullen kunnen aanbieden als iets heel bescheidens op te vatten. Het is geen proeve van een voortreffelijke uitvoering of een bijzonder kunstzinnige prestatie, maar, laat ik zeggen, meer een historische voorstelling. En om de verwachtingen niet al te hoog te spannen, zou ik graag met een paar woorden aangeven hoe het gekomen is dat we nu juist deze twee en een paar andere van deze kerstspelen, paradijsspelen en zo, die op een bepaalde indirecte manier met onze zaak samenhangen, sinds een paar jaar op een eenvoudige, primitieve manier opvoeren.
Het gaat hierbij eigenlijk niet om die kerst- en nieuwjaarsspelen zoals je die ook wel kan zien, hoewel er natuurlijk overeenkomsten zijn.

Ich selbst bin gerade auf diese Weihnachtspiele dadurch verfallen, daß, als ich im Jahre 1879 an die Wiener Technische Hochschule kam, ich dort einen Professor traf, der dann mir sehr intim befreundet wurde: Karl Julius Schröer. Karl Julius Schröer halte ich selbst – er ist längst tot – für einen der bedeutendsten germanistischen Forscher der neueren Zeit, obwohl er, wie es so manchen bedeutenden Menschen geht, gar wenig Anerkennung gefunden hat. Er war zuerst Professor an der Universität in Budapest, dann war er lange an dem deutschen Lyzeum in Preßburg, also einer Stadt auf dem Weg von Wien nach Budapest. Und nachdem zuerst der germanistische Forscher Weinhold begonnen hatte, die vorhandenen Reste alter Weihnacht- und Neujahrspiele aufzuzeichnen, wurde Karl Julius Schröer in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts von 

Ik zelf werd juist door deze kerstspelen geraakt, toen ik in 1879 op de Technische Hogeschool in Wenen kwam en daar een professor ontmoette met wie ik heel goed bevriend raakte: Karl Julius Schröer.*
Ik vind Karl Julius Schröer – hij is al lang dood – een van de belangrijkste onderzoekers van de Germaanse talen van de laatste tijd, hoewel hij, zoals het zo vaak met belangrijke personen gaat, weinig erkenning heeft gekregen. Hij was eerst professor aan de universiteit van Boedapest, daarna was hij lang verbonden aan het Duitse Lyceum in Pressburg, dus een stad aan de weg van Wenen naar Boedapest. En nadat eerst de Germaanste talenonderzoeker Weinhold** was begonnen om de nog overgebleven resten van de oude kerst- en nieuwjaarsspelen op te schrijven, ontdekte Karl Julius Schröer in de jaren vijftig van de 19e eeuw

*Karl Julius Schröer, 1825-1890, germanist. Professor aan de Technische Hogeschool in Wenen en uitgever van de ‘Chronik des Wiener Goethe-Vereins’. Van zijn werk over Goethe moet de uitgave van ‘Faust 1 en 2’ ijn Kürshners Deutscher National-Literatur met inleidingen en verklaringen worden genoemd.
**Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Kerstpelen en – liederen uit Zuid-Duitsland en Silezië’, met inleidngen en verklaringen. 

blz. 25

Preßburg aus aufmerksam auf besondere Darstellungen von Weihnacht- und Neujahrspielen, Paradeis-Spielen, welche in der Nähe von Preßburg unter den dortigen Bauern stattfanden.
Diese Weihnachtspiele hängen natürlich zusammen mit den sonst gesammelten Weihnachtspielen und Neujahrspielen in deutschen Gegenden. Sie sind aber, ich möchte sagen, um einen Grad echter, gerade die von Schröer gesammelten aus der Oberuferer Gegend – von Preßburg zu Fuß in einer halben Stunde zu erreichen, wo eine deutsche Enklave ist -, so daß man ein historisches Dokument an ihnen hat. Sie sind echter als diejenigen in den anderen Gegenden. Erhalten haben sie sich in der Weise, daß einfach die Bauern, die man für geeignet befunden hat, von einem ihrer Ältesten im Herbst, wenn nicht mehr Feldarbeiten zu verrichten waren, zusammenberufen wurden. Und nun wurden diese Weihnachtspiele, die traditionell aufbewahrt worden sind, einstudiert. Sie wurden, ich möchte sagen, in einer wirklich schönen, feierlichen Weise einstudiert, nicht so als irgend etwas bloß Künstlerisches, das man leisten wollte, sondern das hing zusammen mit der ganzen herzlichen Entfaltung der Leute. Man sieht dies schon daraus, daß diejenigen Bauern, die an dem Spiel teilnehmen durften, also die mitspielen sollten, in den Wochen, in denen die Proben statt- fanden und in denen sie auswendig lernen sollten, sich wirklich auch moralisch dazu vorbereiteten. Sie sollten moralisch würdig sein, aufzutreten in diesen Stücken.

vanuit Pressburg bijzondere opvoeringen van kerst- en nieuwjaarsspelen, paradijsspelen in de buurt van Pressburg bij de daar wonende boeren.
Deze kerstspelen hebben natuurlijk te maken met den al eerder verzamelde kerst- en nieuwjaarsspelen in de Duitse streken. Maar ze zijn, laat ik zeggen, net een graadje echter, met name die Schröer verzameld heeft uit de streek van Oberufer – vanuit Pressburg in een half uurtje lopen te bereiken, waar een Duitse enclave ligt – zodat je daarmee een historisch document hebt.
Ze zijn origineler dan die uit andere streken. Ze zijn bewaard gebleven alleen maar doordat boeren die daarvoor geschikt werden geacht, door een van de oudsten onder hen in de herfst, als er geen landwerk meer verricht hoefde te worden, bij elkaar werden geroepen. En dan werden deze kerstspelen, in hun traditionele vorm bewaard, ingestudeerd. Ze werden, zeg ik, op een echte zuivere, waardige manier ingestudeerd, niet dat men er een of ander kunstzinnig iets van wilde maken, maar dat hing samen met hun zo hartelijke gemoedsgesteldheid. Je ziet dat al aan die boeren die aan het spel mochten meedoen, dat ze in de weken waarin de repetities plaatsvonden en waarin ze uit het hoofd moesten leren, zich er ook moreel op voorbereidden. Ze moesten in moreel opzicht het ook waard zijn om in deze spelen op te treden.

Es sind vier Bedingungen gewesen, die der Älteste, welcher jene Manuskripte hatte, die von Generation zu Generation fortgepflanzt wurden, mitteilte. Diejenigen also, die diese Dinge lernen durften, mußten vier Bedingungen erfüllen. Die erste war: sie durften in der Zeit, in der sie lernen und sich auf die Aufführungen vorbereiten sollten, nicht zu einem Dirndl gehen; zweitens durften sie keine Schelmenlieder singen, das ist ausdrücklich als eine Art Katechismus ihnen dargelegt worden; drittens durften sie sich nicht berauschen, überhaupt keine Ausgelassenheiten begehen, wie sie selbstverständlich sonst in diesen Gegenden gang und gäbe waren an den Sonntagen; und viertens mußten sie brav gehorchen dem, der der Älteste war und der sie diese Sachen lehrte, der sie mit ihnen einstudierte und so weiter. Wenn sie 

Er waren vier voorwaarden die de oudste, die de rollen had, die van generatie op generatie doorgegeven werden, afkondigde. Degenen dus die deze dingen mochten leren, moesten aan vier voorwaarden voldoen.
De eerste was: ze mochten in de tijd waarin ze aan het leren waren en zich voorbereidden op de opvoeringen niet naar de meisjes gaan;
ten tweede: ze mochten geen ondeugende liedjes zingen, dat werd hun als een soort catechismus opgelegd;
ten derde: ze mochten zich niet bedrinken, en zeker geen dwaze dingen doen zoals vanzelfsprekend anders in deze streken op zondagen wel schering en inslag was  en
ten vierde: ze moesten echt luisteren naar de oudste die hun deze dingen leerde, enz.
Als ze dan

blz. 26

nun als würdig befunden waren, wurde ihnen eine Abschrift gereicht, und diese durften sie dann behalten. Im nächsten Jahre mußten diejenigen, welche weiter dazu bestimmt waren, diese Sachen abschreiben lassen. So ist es gar nicht so leicht für Schröer gewesen, als er erfahren hatte, daß da draußen auf dem Lande solche Sachen aufgeführt werden, sie richtig zu erhalten. Denn die Dinge waren von Jahr zu Jahr abgeschrieben worden. Ein Weihnachtspiel war im Jahre 1809 bei einer Überschwemmung sogar sehr korrumpiert worden; und es war außerdem sehr schwer, sie zu lesen, es fehlten in verschiedenen Manuskripten verschiedene Stelle. Aber sie lebten so in diesem Volke darinnen, daß zum Beispiel Schröer, als er diese Aufstellungen machte, aus gewissen Zusammenhängen merkte: Da muß etwas fehlen. – Da ließ er solch einen Mann kommen, der den Unterricht gegeben hatte und sagte: Denken Sie einmal nach, ob da etwas fehlt. – Ja, ja, sagte der, und konnte dann manchmal seitenlang ganze Strophen wiederum rezitieren, die ausgefallen waren, seit Jahren vergessen worden waren.

waardig genoeg bevonden werden, kregen ze een geschreven kopie van het spel en die mochten ze dan houden. Het volgende jaar moesten degenen die dan weer mochten meedoen, deze rollen laten overschrijven.
En voor Schröer is het lang niet zo makkelijk geweest, toen hij vernomen had dat daar op het platteland dergelijke opvoeringen waren, ze ook echt in handen te krijgen. Want er werd ieder jaar overgeschreven. Een kerstspel raakte in 1809 bij een overstroming zelfs erg beschadigd; en het was bovendien erg moeilijk om ze te lezen, want in verschillende manuscripten ontbraken verschillende stukken.
Maar onder de bevolking leefde het zo, dat bijv. Schröer, toen hij deze dingen opschreef, vanuit de samenhang merkte: hier ontbreekt iets. Dan vroeg hij een man te laten komen die de regie had gehad en zei: ‘Denk u er eens over na of er nog iets aan ontbreekt.’ ‘Ja, ja,’ zei die dan en kon dan vaak bladzij voor bladzij weer lange stukken  opzeggen die weggevallen waren, ook sinds jaar en dag waren vergeten.

So, nicht wahr, wurden diese Dinge einstudiert. Und wie gesagt, in den vier Wochen vor Weihnachten bis zum Dreikönigstag wurden sie unter den Bauern aufgeführt. Und wir möchten Ihnen eine Art historische Erinnerung`damit geben. Während die Weihnachtspiel-Aufführungen etwa bis ins 11. Jahrhundert zurück nachweisbar sind, sind sie doch eben in der Gestalt vorhanden geblieben, in der sie gelebt hatten im 16., 17. Jahrhundert. Und konservativ ist man geblieben. Von Jahr zu Jahr wurde in der selben Gestalt aufgeführt. Es wurde dann so aufgeführt, daß die Bauern in den verschiedenen Ortschaften herumgingen; keine andere Musik durfte gehört werden. Einmal hat es Schröer selber gesehen, daß die Bauern in einem Dorfe, wo sie hingingen und die Spiele vorführen wollten, mit Musik empfangen wurden. Da waren sie sehr beleidigt, denn sie sagten, sie seien doch keine Komödianten. Sie führten das wirklich auf, ich möchte sagen, wie eine Art Gottesdienst.
In dieser einfachen, primitiven Weise, wie es bei den Bauern gemacht wurde, wollten wir es eigentlich aufführen. Aber Verschiedenes können wir nicht machen. Die Bauern gingen im Dorfe herum; es wurden die Sachen einfach in einem gewöhnlichen Wirtshaus aufgeführt.

Zo werd dat dus ingestudeerd.
En zoals gezegd, in de vier weken voor Kerstmis tot op driekoningendag werden ze onder de boerenbevolking opgevoerd.
En wij zouden u hiermee graag een soort historische herinnering meegeven.
Terwijl je voor de kerstspelopvoeringen al tot in de 11e eeuw terug kan gaan, zijn ze toch in de vorm bewaard gebleven waarin ze in de 16e, 17e eeuw voor handen waren. En men is behoudend gebleven. Ze werden ieder jaar precies zo opgevoerd. De boeren gingen ze in verschillende plaatsen in de buurt opvoeren; er mocht geen andere muziek klinken. Op een keer heeft Schröer zelf gezien dat de boeren in een dorp waar ze naartoe gingen en de spelen wilden opvoeren, met muziek werden ontvangen. Toen waren ze diep beledigd en zeiden dat ze toch zeker geen komedianten waren. Hun opvoeringen waren echt, laat ik zeggen, een soort godsdienstbijeenkomst.
Op deze eenvoudige, primitieve manier zoals dat bij de boeren ging, zo zouden we ze eigenlijk ook willen opvoeren. Maar verschillende dingen kunnen we niet. De boeren liepen door het dorp; de opvoeringen vonden plaats in een gewone kroeg.

blz. 27

Und noch manches was so drum und dran hängt, können wir nicht in der gleichen Weise tun. Der Teufel zum Beispiel zog sich immer viel früher an, zog mit einem Kuhhorn durchs Dorf, pustete in die Fenster hinein und erklärte den Leuten, sie müßten nun kommen. Wenn er irgendeinen Wagen fand, sprang er hinauf, zog die Leute herunter und nahm sie mit zur Aufführung. Und so zogen die Leute von Dorf zu Dorf und führten im Dialekte diese Dinge auf, in einem österreichischen Dialekt, ziemlich ähnlich dem bayrischen, also einem süddeutschen Dialekt, der in jenen Gegenden bei Preßburg heimisch ist.
Von diesem Gesichtspunkte aus bitte ich Sie, diese aus früheren Jahrhunderten bewahrten Dinge aufzunehmen, so anspruchslos, wie sie eben gemeint sind.

En nog veel meer wat er zo omheen speelt, kunnen we niet op dezelfde manier doen. De duivel bijv., kleedde zich altijd veel eerder aan, trok met een koeienhoorn door het dorp, blies door de ramen naar binnen en gag de mensen te kennen dat ze nu moesten komen.
Wanneer hij ergens een kar zag rijden, sprong hij erbovenop, trol de mensen eraf en nam ze mee naar de opvoering.
En op deze manier trokken de mensen van dorp naar dorp en voerden deze dingen in hun dialect op, dat nogal wat op het Beiers lijkt, dus een Zuidduits dialect dat in die streken bij Pressburg gesproken wordt>
Vanuit deze gezichtspunten zou ik u willen vragen naar deze dingen die uit vroegere eeuwen bewaard gebleven zijn, te kijken, net zo in alle eenvoud als ze bedoeld zijn.

.

Rudolf Steiner: toespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1746-1635

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – alle toespraken bij de kerstspelen

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
uitgave 1974

ANSPRACHEN ZU DEN
WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

INHOUD:

blz. 7. Vorbemerkung
Voorwoord

blz. 9Von den volkstümlichen Weihnachtspielen. Eine Christfest-Erinnerung. Weihnachten 1922
Over de volkse kerstspelen. Een herinnering aan een christusfeest

Ansprachen vor den Aufführungen der Weihnachtspiele:
Toespraken bij de opvoeringen van de kerstspelen

[I] blz. 14    26 december 1915

[II] blz. 24    3 januari 1917

[III] blz . 27  7 januri 1917

[IV] blz. 33   30 december 1917

[V] blz. 43    6 januari 1918

[VI] blz. 51  19. december 1920

[VII] blz. 57  22. december 1920

[VIII] blz. 63  23. december 1921

[IX] blz. 66   8 januari 1922

[Xblz. 70  24 december 1922

[XI] blz. 75  1 januari 1923 

[XII] blz. 77  14 december 1923

[XIII] blz. 81  24 december 1923

[XIV] blz. 85  25 december 1923

[XV] blz. 89  27 december 1923

[XVI] blz. 93  29 december 1923

[XVII] blz. 97  31 december 1923

XVIII] blz 101   6 januari 1924 

Aanhangsel

blz.107. Karl Schubert: Herinneringen aan de kerstspelen (nog niet oproepbaar)

blz. 110. Leopold van der Pals: Herinneringen van een musicus bij het begin van de kerstspelen

Voetnoten: deze zijn op de betreffende bladzij vermeld

.

[1] GA 274

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1745-1634

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

VON DEN VOLKSTÜMLICHEN WEIHNACHTSPIELEN
EINE CHRISTFEST-ERINNERUNG

blz. 9

Vor fast vierzig Jahren*, etwa zwei oder drei Tage vor Weihnachten, erzählte mir mein lieber Lehrer und väterlicher Freund Karl Julius Schröer in seinem kleinen Bibliothekszimmer in der Wiener Salesianergasse von den Weihnachtspielen, deren Aufführung in Oberufer in Westungarn er in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts beige- wohnt und die er 1862 in Wien herausgegeben hatte.
Die deutschen Kolonisten dieser Gegend haben diese Spiele aus mehr westlich gelegenen Gegenden mitgebracht und ganz ‘in alter Weise jedes Jahr um die Weihnachtszeit weitergespielt. Es sind in ihnen wahre Perlen des deutschen Volkschauspieles aus einer Zeit erhalten, die der allerersten Entstehung der modernen Bühne vorangegangen ist.
In Schröers Erzählung war etwas, das eine unmittelbare Empfindung davon erregte, wie vor seiner Seele im Anblick der Spiele ein Stück ‘Volkstum aus dem 16. Jahrhundert stand. Und er schilderte ja aus dem vollen heraus. 

over de volkse kerstspelen
een herinnering aan een christusfeest

Ongeveer veertig jaar geleden, zo’n twee of drie dagen voor Kerstmis, vertelde mijn goede leraar en vaderlijke vriend Karl Julius Schröer me in zijn kleine bibliotheekkamer in de Weense Salesianersteeg over de kerstspelen waarvan hij in Oberufer in West-Hongarije in de jaren vijftig van de 19e eeuw een opvoering had bijgewoond en die hij in 1862 in Wenen had uitgegeven.
De Duitse kolonisten van deze streek hebben deze spelen uit meer naar het westen gelegen streken meegebracht en elk jaar tegen Kerst in die heel oude stijl weer opgevoerd. Er zitten nog echte pareltjes van Duits volkstoneel in uit een tijd die voorafging aan het allereerste ontstaan van het moderne toneel.
In wat Schröer vertelde zat iets wat onmiddellijk een gevoel opriep van wat hij beleefde als een stukje echt volksleven bij het zien van die spelen uit de 16e eeuw. Hij schetste het met verve.

Ihm war das deutsche Volkstum in den verschiedenen österreichisch-ungarischen Gegenden ans Herz gewachsen. Zwei Gebiete waren der Gegenstand seines besonderen Studiums. Dieses Volkstum und Goethe. Und wenn er über irgend etwas aus diesen beiden Gebieten sprach, dann teilte sich nicht ein Gelehrter mit, sondern ein ganzer Mensch, der sich der Gelehrsamkeit nur bediente, um auszusprechen, was ihn mit ganzem Herzen und intensivem Lebensinhalt persönlich damit verband.
Und so sprach er damals über die bäuerlichen Weihnachtspiele. Lebendig wurden aus seinen Worten die armen Leute von Oberufer, die jedes Jahr um die Weihnachtszeit für ihre Mitbewohner zu Schauspielern sich ausbildeten. Schröer kannte dieser Leute Art. Er hat ja auch alles getan, um sie kennenzulernen. Er bereiste das ungarische Bergland, um die Sprache der Deutschen in dieser Gegend Nordungarns zu studieren. Von ihm gibt es ein «Wörterbuch der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1858); eine «Darstellung der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1864). Man 

Hem lag die Duitse volksgemeenschap in de verschillende Oostenrijks-Hongaarse streken na aan het hart. Wat zijn bijzondere studies betrreft, waren er twee onderwerpen. Deze volksgemeenschap en Goethe. En wanneer hij over iets van deze beide sprak, was er geen geleerde aan het woord, maar helemaal een mens die zijn geleerdheid alleen maar gebruikte om uit te spreken wat hem van ganser harte en met een intense volheid des levens daarmee verbond.
En zo sprak hij toen over die kerstspelen van de boeren. Door zijn woorden kwamen de arme mensen uit Oberufer die ieder jaar tegen Kerst voor hun dorpsgenoten toneelspelers werden, tot leven. Schroër kende de aard van deze mensen. Hij had er alles aan gedaan om ze te leren kennen. Hij reisde door het Hongaarse bergland om de taal van de Duitsers in deze streek van Noord-Hongarije te bestuderen. Er bestaat een woordenboek van hem: ‘Woordenboek van Duitse dialecten in het Hongaarse bergland’ (1858); een ‘Proeve van de Duitse dialecten van het Hongaarse bergland’ (1864). Je

blz. 10

braucht nicht gerade eine Vorliebe für die Lektüre von Wörterbüchern zu haben, um von diesen Büchern gefesselt zu werden. Das äußere Gewand der Darstellung hat zunächst allerdings ‘nichts Anziehendes. Denn Schröer sucht der wissenschaftlichen Art der Germanistik seiner Zeit gerecht zu werden. Und diese Art erscheint zunächst auch bei ihm recht trocken. Überwindet man aber diese Trockenheit und geht man auf den Geist ein, der da waltet, wenn Schröer Worte, Redensarten, Wortspiele und so weiter aus den Volksdialekten mitteilt: dann vernimmt man in wahrhaft anmutigen Miniaturbildchen Offenbarungen reinster Menschlichkeit. Aber man ist nicht einmal darauf angewiesen. Denn Schröer schickt seinen Wörterbüchern und grammatikalischen Aufzählungen Vorreden voraus, die weiteste kulturgeschichtliche Ausblicke geben. In Volkstümliches, das eingestreut in anderes Volkstum und innerhalb desselben im Untergange begriffen ist, verliebt sich eine selten sinnige Persönlichkeit und schildert es, wie man eine Abenddämmerung schildert.

hoeft niet meteen een voorliefde voor woordenboeken te hebben om door die boeken geboeid te raken. De uiterlijke kant van zijn betoog heeft echt niets aantrekkelijks. Want Schröer probeert recht te doen aan de wetenschappelijke manier van Germanistiek bedrijven. En dat is ook bij hem aanvankelijk nogal droog. Overwin je echter dit droge en pak je de geest die eruit spreekt, wanneer
Schröer woorden, manieren van zeggen, het spelen met woorden enz. uit het volksdialect meedeelt: dan merk je in werkelijk prachtige miniatuurbeeldjes uitingen van een pure menselijkheid. Maar daarop ben je niet eens aangewezen. Want Schröer schrijft in zijn woordenboeken en grammaticale opsommingen een voorwoord dat een wijde blik op een verreikende cultuurgeschiedenis werpt. Aan wat het eigene van een volk is, verstrooid tussen andere volksgroepen en gedoemd om ten onder te gaan, verliest een zeldzaam gevoelige persoonlijkheid zijn hart en toont het ons, zoals een avondschemering.

Und aus dieser Liebe heraus hat Schröer auch ein Wörterbuch der Heanzen-Mundart des westlichen Ungarns geschrieben [1859] und eines der ganz kleinen deutschen Sprachinsel Gottschee in Krain [1870].
.Es war immer etwas von einem tragischen Grundton da, wenn Schröer aussprach, was er empfand, wenn er hinblickte auf dieses untergehende Volksleben, das er in Form der Wissenschaft bewahren wollte.
Zur innigen Wärme steigerte sich aber diese Empfindung, als er von den Oberuferer Weihnachtspielen sprach. Eine angesehene Familie bewahrte sie und ließ sie als heiliges Gut von Generation auf Generation übergehen. Das älteste Mitglied der Familie war der Lehrmeister, der die Spielart von seinen Vorfahren vererbt erhielt. Der suchte sich aus den Burschen des Ortes jedes Jahr, wenn die Weinlese vorüber war, diejenigen aus, die er als Spieler für geeignet hielt. Ihnen brachte er das Spiel bei. Sie mußten sich während der Lehrzeit eines Lebenswandels befleißigen, der dem Ernste der Sache angemessen war. Und sie mußten sich treulich allem fügen, was der Lehrmeister verordnete. Denn in diesem lebte eine altehrwürdige Tradition.
In einem Wirtshaus waren die Aufführungen, die Schröer gesehen

En vanuit deze betrokkenheid schreef Schröer ook een woordenboek van het Heanzendialect uit West-Hongarije (1859) en een van de heel kleine Duitse taalenclave Gottschee in Krain (1870).
Er was altijd iets van een tragische ondertoon wanneer Schröer uitsprak wat hij beleefde wanneer hij naar dit verdwijnende volksleven keek, wat hij in een wetenschappelijke vorm wilde vastleggen.
Maar dit gevoel groeide aan tot een innerlijke warmte als hij over de kerstspelen uit Oberufer sprak. Een in aanzien staande familie bewaarde die en als iets heiligs ging het van generatie op generatie over. Het oudste familielid was de leermeester die de manier van spelen van zijn voorouders erfde. Hij zocht onder de jongens uit de streek, ieder jaar wanneer de wijnoogst voorbij was, enkele uit die hij geschikt achtte als speler. Aan hen leerde hij het spel. Ze moesten tijdens de instudeertijd hun best doen zo te leven dat het paste bij de ernst van de zaak. En ze moesten zich trouw schikken in wat de leermeester wilde. Want hij was de vertegenwoordiger van de oude, eerbiedwaardige traditie.
De opvoeringen die Schröer heeft gezien,

blz. 11

hat. Aber sowohl Spieler wie Zuschauer trugen in das Haus die herzlichste Weihnachtsstimmung hinein. – Und diese Stimmung wurzei,t in einer echt frommen Hingebung an die Weihnachtswahrheit. Szenen, die zur edelsten Erbauung hinreißen, wechseln mit derben, spaßhaften. Diese tun dem Ernst des Ganzen keinen Abbruch. Sie sind nur ein Beweis dafür, daß die Spiele aus derjenigen Zeit stammen, in welcher die Frömmigkeit des Volkes so festgewurzelt im Gemüte war, daß sie durchaus neben naiver volkstümlicher Heiterkeit einhergehen konnte. Es tat zum Beispiel der frommen Liebe, in der das Herz an das Jesuskind hingegeben war, keinen Eintrag, wenn neben der wunderbar zart gezeichneten Jungfrau ein etwas tölpischer Joseph hingestellt wurde oder wenn der innig charakterisierten Opferung der Hirten eine derbe Unterhaltung derselben mit drolligen Späßen voranging. Diejenigen, von denen die Spiele herrührten, wußten, daß der Kontrast mit der Derbheit die innige Erbauung bei dem Volke nicht herabstimmt, sondern erhöht. Man kann die Kunst bewundern, welche aus dem Lachen heraus die schönste Stimmung frömmster Rührung holt und gerade da- durch die unehrliche Sentimentalität fernhält.

vonden plaats in een herberg. De spelers, maar ook de toeschouwers brachten daar de warmste kerststemming mee naartoe. – En deze stemming is geworteld in een echt diepgelovige devotie voor de waarheid van Kerstmis. Scènes die het gemoed tot de puurste aandacht voeren, worden afgewisseld met wat minder fijngevoelige grappen. Die doen geen afbreuk aan de ernst van het geheel. Ze zijn er slechts een bewijs van dat de spelen uit een tijd stammen waarin de vroomheid van een volk zo vast in het gemoed wortelt dat die heel goed samen kon gaan met een naïve volkse vrolijkheid.
Het deed bijv. de gelovige liefde waarmee het hart toegewijd was aan het Jezuskind geen afbreuk, wanneer naast de wonderlijk teer aangeduide jonkvrouw, een wat sukkelige Jozef stond of wanneer aan de innige opvoering van de gaven aan het kind door de herders, hun wat lompere conversatie met potsierlijke grappen voorafging. Degenen van wie de spelen kwamen, wisten dat de tegenstelling van wat minder fijngevoelig is, de puurste aandacht niet in der eg staat, maar intenser maakt. Je kan de kunst bewonderen die vanuit de lach de stemming van het puurste aangedaan zijn laat ontstaan en juist daardoor blijft vals sentiment achterwege.

Ich schildere, indem ich dies schreibe, den Eindruck, den ich empfing, nachdem Schröer, um seine Erzählung zu illustrieren, das Büchelchen aus seiner Bibliothek hervorgeholt, in dem er die Weihnachtspiele mitgeteilt hatte und aus denen er mir nun Proben vorlas. Er konnte darauf hinweisen, wie der eine oder der andere Spieler in Gesichtsausdruck und Gebärde sich verhielt, wenn er dieses oder jenes sprach. Schröer gab mir nun das Büchelchen mit (Deutsche Weihnachtspiele aus Ungarn, geschildert und mitgeteilt von Karl Julius Schröer Wien 1 858I62); und ich durfte, nachdem ich es durchgelesen hatte, ihn noch oft über vieles fragen, was mit der Spielart des Volkes und dessen ganzer Auffassung von dieser besonderen Weise, Weihnachten und das Dreikönigsfest zu feiern, zusammenhing.
Schröer erzählt in seiner Einleitung zu den Spielen: «In der Nähe von Preßburg, eine halbe Stunde Weg zu fahren, liegt auf einer VorInsel zur Insel Schütt das Dörfchen Oberufer, dessen Grundherrschaft die Familie Palfy ist. Die katholische sowohl wie die protestantische Gemeinde daselbst gehören als Filialen zu Preßburg und haben ihren 

Ik schets, wanneer ik dit zo beschrijf, de indruk die het op mij maakte, nadat Schröer, om zijn verhaal te illustreren, het boekje uit zijn bibliotheek tevoorschijn haalde, waarin hij de kerstspelen opgeschreven had en waaruit hij mij nu stukjes voorlas. Hij kon aangeven hoe de ene of de andere speler met een gezichtsuitdrukking of een gebaar acteerde wanneer hij dit of dat sprak. Schröer gaf mij dat boekje toen mee (Duitse kerstspelen uit Hongarije, gekarakteriseerd en meegedeeld door Karl Julius Schröer Wenen 1858/62) en ik mocht, nadat ik het gelezen had hem over veel nog vragen stellen m.b.t. de manier van dit volkse spelen en de hele opvatting van deze bijzondere manier om zo Kerstmis en Driekoningen te vieren.
Schröer vertelt in zijn inleiding tot de spelen: ‘In de buurt van Pressburg, een half uurtje rijden, ligt op een vooreilandje bij het eiland Schütt het dorpje Oberufer, waarvan de familie Palfry eigenaar is. De katholieke als ook de protestantse gemeente horen als afdelingen bij Pressburg en houden hun

blz. 12

Gottesdienst in der Stadt. Ein Dorfschulmeister für beide Gemeinden ist zugleich Notär, und so sind denn in einer Person alle Honoratioren des Ortes vereinigt. Er ist den Spielen feind und verachtet sie, so daß dieselben bis auf unsere Tage unbeachtet und völlig isoliert von aller von Bauern ausgingen und für Bauern aufgeführt wurden. Die Religion macht dabei keinen Unterschied, Katholiken und Protestanten nehmen gleichen Anteil bei der Darstellung sowohl als auch auf den Zuschauerplätzen. Es gehören die Spieler jedoch demselben Stamme an, der unter dem Namen der Haidbauern bekannt ist, im 16. oder zu Anfang des 17. Jahrhunderts aus der Gegend am Bodensee (Schröer stellt in einer Anmerkung das nicht als ganz gewiß hin) eingewandert und noch 1659 ganz protestantisch gewesen sein soll … In Oberufer ist nun der Besitzer der Spiele seit 1827 ein Bauer; er hatte schon als Knabe den Engel Gabriel gespielt, dann von seinem Vater, der damals der Spiele war, die Kunst geerbt. Von ihm hatte er die Schriften, die auf Kosten der Spieler angeschafften und instand gehaltenen Kleidungen und anderen Apparat geerbt, und so ging denn auch auf ihn die Lehrmeisterwürde über.»

diensten in de stad. Een dorpsschoolmeester voor de beide gemeenten is tegelijkertijd notaris en op deze manier zijn alle notabelen van de plaats in één persoon verenigd. Hij moet die spelen niet en verafschuwt ze, zodat ze tot nu toe door de gehele ‘intelligentsia’ niet worden opgemerkt en volledig los daarvan, van boeren uitgaan en voor boeren worden opgevoerd. De godsdienst doet er niet toe, katholieken en protestanten hebben een gelijk aandeel bij de uitvoeringen en ook bij het aantal zitplaatsen. Immers, de spelers behoren tot dezelfde volksgroep die onder de naam Haidboeren bekend staat, in de 16e of in het begin van de 17e eeuw uit de omgeving van het Bodenmeer (Schröer zegt in een voetnoot dat dat niet helemaal zeker is) geïmmigreerd en die zou in 1629 nog protestants geweest zijn….In Oberufer is degene die nu sinds 1827 de spelen in zijn bezit heeft een boer; hij had als jongen al de engel Gabriël gespeeld, toen van zijn vader, die toen ‘leermeester’ van de spelen was, de kunst geërfd. Van hem had hij de rollen, op kosten van de spelers aangeschaft en de bewaarde kleding en andere voorwerpen geërfd en zo ging dan op hem de waardigheid van de leermeester over.’

Wenn die Zeit zum Einüben gekommen ist, «wird abgeschrieben, gelernt, gesungen, Tag und Nacht. In dem Dorfe wird keine Musik gelitten. Wenn die Spieler über Land gehen, um in einem benachbarten Ort zu spielen, und es ist Musik da, so ziehen sie weiter. Als man ihnen zu Ehren in einem Orte einmal die Dorfmusikanten aufspielen ließ, fragten sie entrüstet: ob man sie für Komödianten halte? … Die Spiele dauern vom ersten Advent bis heiligen Dreikönig. Alle Sonntag und Feiertag wird gespielt; jeden Mittwoch ist eine Aufführung zur Übung. An den übrigen Werktagen ziehen die Spieler über Land auf benachbarte Dörfer, wo gespielt wird… Ich halte die Erwähnung dieser Umstände deshalb für wichtig, weil aus ihnen ersichtlich wird, wie auch gegenwärtig noch eine gewisse Weihe mit der Sache verbunden ist.»
Und wenn Schröer über die Spiele sprach, so hatten seine Worte noch einen Nachklang von dieser Weihe.
Ich mußte, was ich damals durch Schröer aufnahm, im Herzen behalten. Und nun spielen Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft seit einer Reihe von Jahren zur Weihnachtszeit diese Spiele. 

Wanneer de tijd van de repetities aanbrak, ‘wordt er overgeschreven, geleerd, gezongen, dag en nacht. In het dorp verdraagt men geen muziek. Wanneer de spelers door het land trekken om in een buurdorp te spelen en er wordt daar muziek gemaakt, trekken ze verder. Toen men te hunner ere eens in een dorp de dorpsmuzikanten liet spelen, vroegen ze gepikeerd: of ze misschien voor komedianten aangezien werden?….De spelen duren van de eerste advent tot aan Driekoningen. Elke zondag en feestdagen wordt er gespeeld; iedere woensdag is er een ‘try-out’. Op de andere werkdagen trekken de spelers door het land naar buurdorpen, waar wordt gespeeld…..Ik vind het noemen van deze feiten belangrijk, omdat daaruit blijkt hoe ook tegenwoordig nog een zekere gewijde ernst met de zaak is verbonden.”
En wanneer Schröer over de spelen sprak, klonk er in zijn woorden nog iets van deze wijding door.
Ik moest, wat ik toen van Schröer hoorde, in mijn hart bewaren. En nu spelen leden van de Antroposofische Vereniging al sinds jaren met de Kerst deze spelen.

blz. 13

Während der Kriegszeit durften sie sie auch den Kranken in den Lazaretten vorspielen. Wir spielen sie auch seit Jahren um jede Weihnachtszeit im Goetheanum in Dornach. Auch dieses Jahr wird es wieder so sein. Es wird, soweit das bei den veränderten Verhältnissen möglich ist, streng darauf gesehen, daß Spielart und Einrichtung dem Zuschauer ein Bild geben, wie es diejenigen vor sich hatten, die im Volksgemüt diese Spiele festgehalten und als eine würdige Art, Weihnachten zu feiern, angesehen haben.
Weihnachten 1922    Rudolf Steiner

Tijdens de oorlog mochten ze deze ook spelen voor de zieken in de veldhospitalen. We spelen ze sinds een paar jaar rond iedere Kerst ook in het Goetheanum in Dornach. Dat zal ook dit jaar weer zo zijn. Er zal, voor zover dat door de veranderde omstandigheden mogelijk is, streng op worden toegezien dat de manier van spelen en de enscenering de toeschouwer een beeld geven, zoals diegenen dat voor zich hadden, die in hun volkse ziel deze spelen hebben bewaard en als een waardige manier om Kerstmis te vieren, hebben opgevat.

Kerstmis 1992  Rudolf Steiner

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1461-1369

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (5)

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

Toespraak 6 januari 1918 

blz. 43

Im Namen aller derjenigen, die an dem Bau beschäftigt sind und an den Arbeiten am Bau> und im Namen all derjenigen, die in unserer Anthroposophischen Gesellschaft mitarbeiten, habe ich Ihnen als unseren lieben Gästen herzlichen Willkommgruß zu sagen und Ihnen unsere große Freude darüber auszudrücken, daß Sie diese unsere anspruchslosen Spiele – Weihnachtspiele – einmal ansehen wollen. Ich werde mir nur erlauben, ein paar Worte über diese Spiele vorauszuschicken und darf dabei an die Art und Weise anknüpfen, wie wir eigentlich zu diesen Spielen gekommen sind, deren Aufführung in einem gewissen loseren Zusammenhang steht mit unseren Bestrebungen, die aber, wie Sie dann bemerken werden, doch wiederum sich in richtiger Weise in unsere Bestrebungen eingliedern.
Diese Spiele, die wir Ihnen vorführen werden, stammen aus der ehemaligen deutschen Gegend Oberungarns, des westlichen Oberungarns, von Oberufer. 

Namens allen die bij de bouw van het Goetheanum zijn betrokken en namens allen die meewerken in onze Anthroposofische Vereniging heet ik u als onze beste gasten van vanavond hartelijk welkom en spreek ik onze grote vreugde uit dat u naar onze pretentieloze spelen, de Kerstspelen, wil komen kijken.

Ik ben zo vrij om van tevoren een paar woorden over deze spelen te zeggen en zou wel willen aanknopen bij de manier, waarop wij eigenlijk tot het opvoeren van deze spelen zijn gekomen. Een opvoering, die min of meer los staat van onze doelstellingen, maar die toch, zoals u wel zal merken, weer op de juiste manier daarin past.

De spelen die wij voor u gaan opvoeren, zijn afkomstig uit Boven-Hongarije, uit het westelijk gelegen dorpje Oberufer dat vroeger door Duitsers werd bewoond.

Sie sind durch Einwanderer nach Oberufer gekommen, die von mehr westlichen Gegenden nach diesem östlichen Teil von Mitteleuropa, wahrscheinlich schon im 16. Jahrhund,ert, mindestens im Beginne des 17. Jahrhunderts hingewandert sind. Gerade durch diesen Umstand, daß sie in dieser deutschen Kolonie gefunden worden sind, sind sie ganz besonders interessant; interessanter als ähnliche andere Weihnacht- und Osterspiele, die man ja zahlreich, besonders jetzt, da und dort aufgeführt kennenlernen kann. Dasjenige, was wir Ihnen vorführen, hat mein verehrter alter Freund, der jetzt schon längst verstorbene Karl Julius Schröer in den fünfziger und sechziger Jahren des 19. Jahrhunderts in Oberufer in der Nähe von Preßburg unter den Bauern dort gesammelt. Das heißt, er hat von seinem Wohnsitz, von Preßburg aus erfahren, daß die vor Jahrhunderten eingewanderten sogenannten deutschen Haidbauern, wenn die Weihnachtszeit herannahte, gewisse Spiele auf die Art aufführen, wie ich es dann sogleich schildern werde. Er hat dann öfter teilgenommen an solchen Spielen. Sie haben ihm sehr gefallen, und er hat dann das aufschreiben

Deze immigranten hebben ze meegebracht toen zij, waarschijnlijk in de 16e eeuw al, maar zeker wel in het begin van de 17e uit westelijke streken naar dit oostelijke deel van Midden-Europa trokken.
Juist het feit dat ze in deze Duitse kolonie bewaard gebleven zijn, maakt ze bijzonder interessant. Interessanter dan de vele andere oude kerst- en paasspelen waarmee we kennis kunnen maken omdat ze in deze tijd her en der worden opgevoerd. Wat wij hier voor u ten tonele brengen, heeft mijn vereerde oude vriend, Karl Julius Schröer, die al lang geleden gestorven is, in de vijftiger en zestiger jaren van de 19e eeuw verzameld onder de boerenbevolking in de buurt van Presburg. Hij woonde namelijk in Presburg en ontdekte dat de zogenaamde Duitse ‘Haidboeren’, die eeuwen geleden naar deze streek waren getrokken en zich daar hadden gevestigd, in de kersttijd bepaalde oude spelen opvoerden, en wel op een manier, die ik u hierna zal beschrijven. Hij was vaak bij die opvoeringen. Hij was enthousiast en heeft toen de rollen overgeschreven

blz. 44

können, was die einzelnen Bauern, die Mitspieler waren, als Rollen solcher Spiele sich abgeschrieben haben. Und dann hat er die Stücke zusammenstellen können.
Die Absicht war bei Karl Julius Schröer, das, was als Geistesgut in solchen Gegenden aus uralten Zeiten – denn es sind ja für solche Dinge uralte Zeiten – sich erhalten hat, zu bewahren. Denn die Zeiten, in denen Karl Julius Schröer diese Spiele dort gefunden hat, waren auch diejenigen, in denen schon diese alte Kultur am Zugrundegehen war, durch die neuere Form ersetzt worden ist. Und alle diejenigen ähnlichen Spiele, die mehr im Westen von Europa aufgeführt werden und die einen, wenn man nur ein gröberes Nachempfinden hat, ja erinnern können an die älteren Weihnachtspiele, wie wir sie heute hören und sehen werden, sind deshalb weniger interessant, weil sie in den Gegenden, in denen sie aufgeführt worden sind, später von Jahrzehnt zu Jahrzehnt immer mehr verändert, man möchte sagen, immer mehr modernisiert worden sind, so daß man in ihnen nicht mehr die echte, vorbildliche Gestalt hat.

van de boeren die meespeelden. Zo heeft hij de verschillende delen kunnen samenvoegen tot één geheel. Het was Schröers bedoeling dit geestesgoed uit oeroude tijden – want voor dit soort spelen kunnen we inderdaad wel spreken van oeroude tijden – te behoeden. Immers, in die tijd dat Karl Julius Schröer deze spelen ontdekte, was deze oude cultuur al bezig te verdwijnen en kwamen er nieuwe vormen voor in de plaats.

Alle soortgelijke spelen, die nog meer in het westen van Europa worden opgevoerd en die ons, oppervlakkig beschouwd, doen denken aan de oude Kerstspelen die wij vandaag zullen horen en zien, zijn daarom minder interessant, omdat ze ieder jaar ’n klein beetje werden veranderd, ik zou zelfs willen zeggen: gemoderniseerd. Ze zijn niet meer authentiek.

Dagegen haben wir die echte Gestalt, die diese Spiele noch im 16. Jahrhundert hatten, in den Spielen der Bauern in den Zipser und in den sonstigen Gegenden Ungarns erhalten, wo sich deutsche Bauern angesiedelt haben und deutsche Kultur wie eine Art Kulturferment erhalten hat. Es war so, daß diese Menschen von Jahrzehnt zu Jahrzehnt diese Spiele in der wörtlich gleichen Weise fortgespielt haben und daß man sie daher im 19. Jahrhundert noch so finden konnte, wie sie im 16. Jahrhundert dort eingeführt worden sind. Deshalb sind gerade diese Spiele, die wir hier in diesem schwachen Versuch Ihnen vorzuführen trachten, besonders interessant.
Die Einrichtungen, die Karl Julius Schröer dazumal vorgefunden hat, waren diese, daß irgendeine Familie im Dorfe Oberufer – Oberufer ist auf einer Vorinsel der Insel Schütt, die gebildet wird von der Donau gleich unterhalb Preßburgs und ist von Preßburg soweit entfernt, daß man es mit einer Droschke bereits in einer halben Stunde erreichen kann -, in diesem Orte Oberufer, der dazumal ein reiches Bauerndorf war, da hatte in der Regel eine angesehene Bauernfamilie diese Spiele im Besitz. Und wenn die Erntearbeiten im Herbste vorüber waren, da versammelte der Bauer diejenigen Menschen, ältere und jüngere 

Daarentegen is de oorspronkelijke vorm die deze spelen in de 16e eeuw nog hadden, bewaard gebleven bij de Duitse boeren die zich in Hongarije hadden gevestigd en die daar een stukje Duitse cultuur vertegenwoordigden. Deze mensen hebben namelijk gedurende tientallen jaren deze spelen woordelijk op dezelfde manier gespeeld. Daarom trof men ze in de 19e eeuw nog precies zo aan als ze in de 16e eeuw waren geïntroduceerd. En daarom ook zijn deze spelen, die wij nu als een bescheiden poging van ons kunnen, voor u ten tonele zullen brengen, bijzonder interessant.

Het dorpje Oberufer is gelegen op een eilandje vóór het eiland Schütt, dat gevormd wordt door de Donau, direct onder Presburg. Het is niet zo ver van Presburg, met een rijtuig kan je het in een half uur bereiken.

Karl Julius Schröer trof in Oberufer, dat toentertijd een rijk boerendorp was, een van de voorname boerenfamilies aan, die van oudsher in het bezit waren van de spelen. Wanneer in de herfst de oogst binnen was, verzamelde de boer de mensen, jongens en

blz. 45

Burschen des Ortes, die mitspielen sollten. Frauen durften nicht mitspielen, das muß ich ausdrücklich bemerken, was hier natürlich aus leicht begreiflichen Gründen in unserer heutigen Aufführung anders sein muß. Die älteren und jüngeren Burschen, die mitspielen sollten, mußten im Oktober, November bis Advent hin ihre Rollen lernen. Daß diese Spiele mit einem großen Ernste, aber ohne jede Sentimentalität aufgeführt wurden, sieht man insbesondere aus folgendem. Es handelte sich keineswegs darum, eine bloße Komödie zu spielen, sondern diejenigen Burschen, die mitspielen sollten, mußten Bedingungen erfüllen, die vielleicht für manche Burschen gar nicht so leicht waren. Sie mußten sich verpflichten, ein ganz ehrsames Leben zu führen durch all die Wochen hindurch, in denen sie sich auf die Spiele vorzubereiten hatten; in der ganzen Zeit, wie man sagte, keine Schelmenlieder zu singen und so weiter. Außerdem während all dieser Zeit aufs Wort streng den Anordnungen zu folgen, die ihnen der Meister des Spieles gab. Unter diesen Bedingungen wurden dann die Rollen ausgeteilt und eingelernt. Auch die Rollen der Maria und der Eva hatte immer ein jüngerer Bursche.

mannen uit het dorp, die moesten meespelen. De vrouwen mochten niet meedoen, dat moet ik uitdrukkelijk vermelden, maar hier bij onze opvoering ligt dat natuurlijk om begrijpelijke redenen anders.

De jongelui die meespeelden, moesten in oktober, november, tot aan de adventstijd hun rollen leren. Dat deze spelen met grote ernst en waardigheid, maar zonder enige sentimentaliteit werden opgevoerd, blijkt wel heel duidelijk uit het volgende.

Het ging er helemaal niet om ‘zomaar een toneelstuk’ op te voeren. De spelers moesten aan bepaalde voorwaarden voldoen, die wellicht voor veel jongens helemaal niet zo gemakkelijk waren. Zij waren verplicht ‘een eerzaam leven te leiden’ gedurende alle weken, waarin ze zich voorbereidden op de spelen. In die tijd mochten ze geen schelmenliederen zingen, enzovoorts. Bovendien moesten ze woordelijk de voorschriften van de meester opvolgen. Onder deze voorwaarden werden dan de rollen verdeeld en ingestudeerd. Ook de rollen van Maria en Eva, die altijd door jongere knapen werden gespeeld.

Wenn dann die Weihnachtszeit herankam, wenn alle alles gelernt hatten, dann ist das so eingeleitet gewesen, daß sich der Engel, den Sie hier auch sehen werden, welcher die ganze Kumpanei mit einem Stern anführte, ankleidete, daß von dem Lehrmeisterhaus aus sich der Zug der Mitspielenden in Bewegung setzte. Der Engel war schon angezogen, die anderen Mitspielenden waren vom Lehrmeisterhaus aus noch nicht angezogen; die Mitspielenden trugen dann voran einen großen, wie man sagte, Kranawittbaum, das ist ein Wacholderbaum, der als Weihnachtsbaum diente. So zogen sie, allerlei Weihnachtslieder absingend, vom Meisterhaus nach dem Wirtshaus, wo die Sachen gespielt werden sollten.
Während sie mit ihrem großen Baum dahinzogen, war mittlerweile der Teufel, der auch schon angezogen war und den Sie auch in den Spielen kennenlernen werden, damit beschäftigt, allerlei dummes Zeug zu treiben. Er lief durch das ganze Dorf mit einem Kuhhorn, durch das er fürchterlich tutete, und schrie zu allen Fenstern hinein, die Leute müßten zum Spiele kommen. Wenn ein Wagen vorbeikam, sprang der 

Als dan de kersttijd naderde en alles was ingestudeerd, konden de opvoeringen beginnen. Eerst ging de engel — die u hier ook zal zien —, die met de ster de hele ‘kompany’ leidde, zich verkleden en vanaf het huis van de meester zette de stoet van spelers zich in beweging. De engel was dus al verkleed, de andere spelers nog niet. Voorop droeg men een grote zogenaamde ‘Kranawitt-boom’, dat is een jeneverbes, die als kerstboom fungeerde. Zo trokken ze onder ’t zingen van allerlei kerstliederen, van het huis van de meester naar de herberg, waar de spelen zouden worden opgevoerd. Terwijl ze met hun grote boom voorop onderweg waren, was de duivel, die u ook in de spelen zal leren kennen, inmiddels ook al verkleed en druk bezig allerlei geintjes uit te halen. Met een koehoorn, waar hij verschrikkelijk hard op blies, liep hij door het dorp en schreeuwde door alle ramen, dat de mensen naar de
spelen moesten komen kijken. Als er een wagen voorbijkwam, sprong

blz. 46

Teufel auf den Wagen hinauf und rief und tutete von oben herunter und dergleichen mehr. Dann bewegte sich dieser ,Zug nach und nach zum Gasthause hin. Da war es so angeordnet, daß auf einer Anzahl in Hufeisenreihen aufgestellten Stühlen die Gäste untergebracht wurden. In der Mitte war der Spielplatz, die Bühne. Und dann wurden diese Spiele aufgeführt, die wir hier sehen und hören werden. Es ist in der Regel zuerst das Hirten-Spiel aufgeführt worden, das Sie hier als zweites sehen werden. Also in Wirklichkeit wurde es in Oberufer als erstes aufgeführt; wir hier führen es als zweites auf. Dann folgte das Paradeis-Spiel, das wir als erstes aufführen. Und dann folgte das, was wir bis jetzt nicht aufführen konnten, weil wir es bis jetzt nicht gelernt haben, vielleicht auch noch einmal aufführen werden: dann folgte ein Fastnacht-Spiel. So wie schon im alten Griechenland auf die ernsten Aufführungen ein sogenanntes Satyr-Spiel, ein komisches Spiel folgte, folgte da auch ein Fastnacht-Spiel. Es ist interessant, daß diejenigen Personen, welche die heiligen Personen spielten, ein gewisses Ansehen dadurch hatten, daß sie die heilige Maria und den Joseph und die anderen spielten, und daß diese nicht im Fastnacht-Spiel mitspielen durften. 

hij erop en schreeuwde en toeterde van boven af, en meer van zulke streken. Vervolgens trok de stoet langzaam op naar de herberg. Daar stonden de stoelen in een hoefijzervorm opgesteld en zaten de toeschouwers al te wachten. In het midden was het toneel en daar werden de spelen opgevoerd, zoals wij ze ook hier zullen zien en horen. Als regel begon men met het Herdersspel dat u hier als tweede spel zal zien.
Daarna volgde het Paradijsspel, dat wij als eerste opvoeren. En dan kwam er een spel, dat wij tot nu toe niet konden opvoeren, omdat we het nog niet hebben ingestudeerd, maar dat we misschien ook nog wel eens zullen doen: een Vastenavondspel. Zoals in het oude Griekenland al op de eerste twee spelen een zogenaamd saterspel volgde, een komisch stuk, zo volgde hier een vastenavondspel. Het is interessant dat degenen die de heilige personen uitbeeldden, in zeker opzicht in hoog aanzien stonden. Omdat ze de heilige Maria en Jozef of een van de anderen speelden, mochten zij niet aan het vastenavondspel meedoen.

Also die Sache wurde schon heilig gehalten. Die Spiele fanden dazumal unter den Bauern von Oberufer einen großen Beifall. Nur: die ganze Intelligenz – wie das ja bei solchen Dingen schon manchmal so ist – war der Aufführung dieser Spiele feindlich gesinnt. Diese Intelligenz glaubte, daß es nichts Gebildetes ist, was richtig der Aufführung entspricht. Also, die ganze Intelligenz war dagegen. Es war nur gut für das Dorf, daß diese ganze «Intelligenz» bloß aus dem Schulmeister, dem Notar und dem Gemeindevorstandsbeamten bestand. Aber die waren alle in einer einzigen Person versammelt. So daß diese Intelligenz zwar einstimmig versammelt war, aber sie bestand eben nur aus einer Person.
Diese Spiele wurden aufgeführt. Sie sind im Grunde die echte Fortsetzung der Spielweise von solchen Dingen, wie sie seit Jahrhunderten durch ganz Europa gingen, damals in diesen Tagen sich aber verloren hatten. Wir können nachweisen, daß schon im 12. Jahrhundert ein Adam und Eva-Spiel durch ganz Europa gespielt wurde. Beim Konstanzer Konzil 1417 wurde vor dem Kaiser ein solches Weihnacht

Het ging hier werkelijk om een heilige zaak!
De boeren van Oberufer waren destijds altijd enthousiast over de spelen. Alleen de ‘intelligentsia’ – zoals dat bij zulke dingen wel meer ’t geval is — stond er vijandig tegenover. Die geloofde, dat dergelijke vertoningen weinig of niets kunnen bijdragen tot de beschaving. Daarom was men er fel op tegen. Gelukkig voor de dorpsbewoners bestond deze hele ‘intelligentsia’ slechts uit de schoolmeester, de notaris en de gemeenteambtenaar. Bovendien waren die in één persoon verenigd, zodat ze, letterlijk en figuurlijk éénstemmig, zich kantten tegen de spelen.
Deze kerstspelen zijn dus in feite een regelrechte voortzetting van de manier waarop dergelijke spelen al sinds eeuwen in heel Europa werden gespeeld, maar die in onze dagen helaas verloren is gegaan.
We kunnen aantonen dat al in de 12e eeuw in heel Europa een Adam en Evaspel werd gespeeld. Bij het Concilie van Konstanz in 1417 werd voor de Keizer ook

blz. 47

spiel in Konstanz vorgespielt. Sie werden an einer Stelle des Spieles sehen, wo vom Rhein die Rede ist, daß sich das darauf bezieht, daß die Spiele wirklich aus einer westlicheren Gegend stammen und in Ungarn eingeführt worden sind. In Ungarn wurden sie von den Bauern rein erhalten, wie sie waren. Dadurch tragen die Spiele wirklich ihren Ursprung an der Stirne, möchte ich sagen, der Jahrhunderte bis heute.
Manches hat sich auch im Laufe der Zeit seit dem 16. Jahrhundert etwas geändert, zum Beispiel die drei Hirten, die Sie sehen werden, gibt es in dem ältesten Spiel auch schon, aber die drei Wirte sind in dem Spiel, wie es nicht mehr in Oberufer gespielt worden ist, nicht drei Wirte gewesen, sondern ein Wirt, seine Frau, die Wirtin, und eine Magd.
Nun werden Sie zwei von unseren Wirten hier sehen, die recht grausam sind, die Maria und Joseph zurückweisen; der dritte wird dann milde sein. Im allerursprünglichsten Spiel war es der Wirt, der Joseph und Maria nicht annahm, sondern hinauswarf; die Wirtin nahm sie ebenfalls nicht auf; nur die Magd wies Joseph und Maria den Stall an. 

zo’n kerstspel opgevoerd. Op een bepaald ogenblik in het spel zal u horen dat er sprake is van de Rijn. Dat is een bewijs dat de spelen werkelijk uit westelijker streken stammen en in Hongarije zijn geïntroduceerd. Daar werden ze door de boeren in hun oorspronkelijke vorm gehandhaafd. Ze verloochenen hun afkomst niet en hebben die tot op heden door de eeuwen heen bewaard.

Anderzijds is er toch ook wel in de loop van de tijd, sinds de 16e eeuw, een en ander veranderd. De drie herders die u ziet, waren er in het alleroudste spel ook al, maar er waren bij voorbeeld vroeger geen drie verschillende waarden. Toen was er slechts één waard, en de waardin en een dienstmaagd.
Hier ziet u twee waarden, die echt onmenselijk zijn. Ze wijzen Jozef en Maria de deur. De derde is dan de ‘goede waard’. In het oorspronkelijke spel was het de waard, die voor Jozef en Maria geen plaats had en ze zelfs weer op straat zette; ook de waardin nam hen niet op. Alleen de dienstmaagd wees Jozef en Maria de stal.

Zum Beispiel, als die Dinge in Oberufer anfingen, hatte man nicht das nötige Material; man mußte natürlich immer ganz junge Burschen haben, um sie für die Rolle der Maria oder die der Wirtin zu verwenden. Die hatte man oft nicht genug, und die Rollen mußten von älteren Burschen übernommen werden. Davon rührte es offenbar her, daß Wirt, Wirtin und Magd in einen Wirt und noch zwei weitere Wirte verwandelt wurden. Diese Spiele hatten und haben durch die Jahrhunderte viele Umwandlungen erfahren. Die Zuschauer, die zu den Spielen dann kommen sollten – sie waren immer am Mittwoch und an den Sonntagen zwischen drei und fünf Uhr nachmittags gespielt -, mußten zwei Kreuzer bezahlen, also vier RapPen; Kinder die Hälfte. Und die Aufführungen wurden, wie gesagt, ohne Sentimentalität, aber mit einem gewissen wirklichen moralischen Ernst aufgefaßt. Das geht schon daraus hervor – das hat zum Beispiel Schröer selbst einmal er- lebt -, daß sich die Mitspielenden einmal geweigert haben in einem Dorfe zu spielen – sie zogen dann auch in der Nachbarschaft herum, um dort die Spiele aufzuführen -, wo sie von einer Musikbande empfangen wurden. Da haben sie gesagt: Glaubt Ihr vielleicht, daß wir 

Toen ze in Oberufer begonnen met het opvoeren van de Kerstspelen, waren er bij voorbeeld niet altijd genoeg geschikte spelers. Iemand die Maria of de waardin speelde, moest een jonge jongen zijn. Die waren er vaak niet en deze rollen moesten dan door oudere knapen worden bezet. Naar alle waarschijnlijkheid heeft men daarom de waard, de waardin en de dienstmaagd maar veranderd in één waard en nog twee andere.

Het publiek dat elke woensdag en zondag tussen drie en vijf uur kon komen kijken, moest twee ‘kruisers’ per persoon betalen, vier rappen dus, kinderen half geld.

Zoals gezegd getuigden de opvoeringen van een zekere morele ernst, zonder sentimentaliteit. Zo heeft Schröer het bij voorbeeld zelf eens meegemaakt, dat de spelers een keer geweigerd hebben om op te treden in een dorp — ze trokken ook naar de omliggende dorpen, om daar te spelen – waar ze door een troep muzikanten welkom geheten werden. Ze zeiden: ‘Denken jullie soms,

blz. 48

Komödianten sind? Das lassen wir uns nicht gefallen! – Und haben die Sachen nicht aufgeführt. Sie wollten die Sache als eine ganz ernste Sache behandelt wissen.
Und wenn dann die Spiele ihren Eindruck gemacht hatten auf die Leute, dann kann man sagen, daß in diesen Gegenden wirklich die Erinnerung an dasjenige, was diese Spiele zu sagen hatten als ein
fache, schlichte Wiedergabe der biblischen Erzählungen, sehr, sehr lange und schön nachhielt. Es war wirklich eine Feier des Weihnachts- festes für diese Dörfer, welche einen ganz ungeheuer bedeutsamen moralischen und sozialen Einfluß hatte, in die Gemüter der Menschen tief, tief hineinwirkte.
Karl Julius Schröer hat diese Spiele gesammelt; sie sind nun gedruckt. Aber es ist sehr bedeutsam, daß Schröer schon die Manuskripte, die nachgeschrieben wurden, nicht mehr bei den deutschen Leuten gefunden hat, sondern bei einem Bauern, der Malatitsch hieß, also bei einem slawischen Bauern. Es war schon die neuere Zeit über dasjenige hingeflutet, was eigentlich die ganze Konfiguration des österreichischen Staates durch Jahrhunderte hindurch bewirkt hat. 

dat we komedianten zijn? Dat nemen we niet!’ — En ze hebben het spel niet opgevoerd, want ze wilden dat de spelen heel ernstig werden genomen.

De spelen maakten een diepe indruk op de bewoners van deze streken en het was werkelijk zo, dat deze eenvoudige, onopgesmukte weergave van de bijbelse verhalen heel lang een mooie herinnering achterliet. Voor deze dorpen gaven de Kerstspelen, waarvan een bijzonder belangrijke morele en sociale invloed uitging die diep, zeer diep op het gevoel inwerkte, een extra dimensie aan de feestelijke kersttijd.

Karl Julius Schröer heeft deze spelen verzameld en ze zijn nu ook in druk verschenen. Het is echter een teken aan de wand dat Schröer destijds de handschriften, die werden gekopieerd, al niet meer bij de Duitsers heeft gevonden, maar bij een Slavische boer, een zekere Malatitsch. De moderne tijd deed reeds zijn invloed gelden op datgene wat de Oostenrijkse staat in de loop der eeuwen had bewerkstelligd.

Die Staatshäupter Ungarns und Österreichs haben selbst immer Aufrufe erlassen, weil sie den Einfluß der westdeutschen Kultur brauchten. Daraufhin sind dann Bauern hingezogen, und es entstanden diese Kolonien, diese deutschen Kolonien in der Zipser Gegend, in der Banater Gegend. Auch nach anderen Gegenden, nach den böhmischen Gegenden, nach Siebenbürgen> zogen diese Menschen. Sie bildeten überall einen Kultureinschlag, der steckt in dem anderen drinnen, ist aber in der neueren Zeit von dem überflutet, was darübergegangen ist. Schröer ist einer derjenigen Menschen, die das deutsche Volkstum in den österreichischungarischen Gegenden studierten. Ich habe in seiner Gesellschaft vor Jahrzehnten kennengelernt, wie er den Spuren dieser alten Kultur inmitten Österreichs nachgegangen ist, und es ist mir in einer sehr bedeutsamen Erinnerung, was ich an seiner Seite gerade über diese Kultur und ihre Entwickelung dazumal habe kennenlernen können. Schröer hat nicht nur diese Weihnachtspiele gesammelt, sondern er hat Grammatiken, Wörterbücher zusammengestellt aus den Mundarten und Dialekten in den verschiedenen Gegenden Oösterreichs, in Westungarn, im 

De staatshoofden van Hongarije en Oostenrijk zelf hebben altijd de mensen opgeroepen om te immigreren, omdat ze de invloed van de Westduitse cultuur nodig hadden. Daarop zijn de boeren daarheen getrokken en er ontstonden Duitse nederzettingen, Duitse gemeenschappen in de omgeving van Zips en Banat. Ze trokken ook naar andere streken, naar Bohemen en Siebenburgen. Ze brachten hun eigen cultuur mee die van invloed was op de aldaar reeds gevestigde. Maar op den duur kon deze nieuwe impuls zich toch niet handhaven en werd door de laatste overspoeld.

Schröer nu was een van die mensen die een studie maakten van de Duitse folklore in de Oostenrijks-Hongaarse streken. Tientallen jaren geleden ben ik er getuige van geweest, hoe hij de sporen van deze oude cultuur in Midden-Oostenrijk is nagegaan en alles wat ik toen te weten ben gekomen over deze cultuur en zijn ontwikkeling is diep in mijn herinnering gegrift. Schröer heeft niet alleen de Kerstspelen verzameld, hij heeft ook grammatica- en woordenboeken samengesteld van de streektaal en het dialect in de verschillende streken van Oostenrijk, van West-Hongarije,

blz. 49

Gottscheer Land, in Siebenbürgen, in der sogenannten Heanzener Gegend. Das alles hat dieser Mann als einer der Letzten aus der lebendigen Geschichte zusammengestellt. Die Art und Weise, wie er das getan hat, ist mit Liebe geschehen, und Liebe hat auch aufbewahrt diese Stücke, die wir hier versuchen wiederzugeben.
So, sehr verehrte Anwesende, sind wir zu diesen Stücken gekommen, haben sie unseren Arbeiten hier am Goetheanum einverleibt, weil wir bestrebt sind, alles dasjenige, was im geistigen Leben der Menschheit hervortritt, wirklich zu pflegen. Was gewöhnlich draußen von uns erzählt wird, ist ja Unsinn zumeist. Dasjenige, was hier wirklich getrieben wird, ist aus einem Interesse an allem, was geistig in der Menschheit lebt, hervorgehend. Diese Spiele sind wirklich aus allgemein menschlichstem Interesse hervorgegangen. Wenn sie aufgeführt wurden, so saßen Katholiken und Protestanten in dem Zuschauerraum zusammen, denn die waren dazumal in jener Gegend. Und unter den Mitspielenden waren auch sowohl Katholiken als auch Protestanten. Daraus ersehen Sie, daß alles, was in diesen Spielen lebte, einen moralisch-religiösen Grundzug hatte, aber nichts irgendwie Konfessionelles. Daraus ersehen Sie, daß alles, was in diesen Spielen lebte, einen moralisch-religiösen Grundzug hatte, aber nichts irgendwie Konfessionelles. Das ist dasjenige, was besonders hervorgehoben werden soll.

van het Gottscheër land, van Siebenburgen en van de zogenaamde Heanzener streek.
Dat alles heeft deze man als een van de laatsten samengesteld uit de levende geschiedenis. De manier waarop hij dat heeft gedaan getuigt van een grote liefde voor dit werk. Dezelfde liefde heeft deze Kerstspelen, die wij hier proberen te vertolken, aan de vergetelheid ontrukt.
Zo zijn wij, geachte aanwezigen, tot het opvoeren van deze spelen gekomen. Wij hebben ze ingelijfd bij ons werk hier aan het Goetheanum, omdat het ons streven is om dergelijke spirituele inhouden zo goed mogelijk te behoeden. Wat men gewoonlijk, buiten Dornach, over ons vertelt, is meestal onzin. Wat hier werkelijk beoefend wordt, komt voort uit belangstelling voor alles wat als geestelijke impuls in de mensheid leeft. Deze spelen zijn echt voortgekomen uit een zeer grote algemeen menselijke belangstelling. Bij de uitvoeringen zaten katholieken en protestanten naast elkaar in de zaal, want in die streken waren beide geloofsovertuigingen te vinden. En onder de spelers zelf waren ook katholieken en protestanten. Daarop wilde ik graag nog even de nadruk leggen.

Nun werde ich noch einige Ausdrücke erklären zum Paradeis-Spiel, also die Austreibung von Adam und Eva aus dem Paradiese, und zum Hirten-Spiel, damit sie nicht unverständlich sind. Sternscher ist jener Apparat, durch den man den Stern weit weg von sich schieben kann und, dann ihn wiederum nahebringen kann. Und diese Sternschere trägt der Anführer des Ganzen, mit dem Stern. Hier haben wir die Sache so eingerichtet, daß außer dem Träger des Sternes noch der Engel einen Stern trägt, aber Sternscher ist also das, was da verwendet werden kann, um den Stern hin und her zu schieben.
Gschrei in der Bedeutung, wie Sie es hier im Stück hören werden, ist gleich einem Gerücht. Dasjenige, was man von jemandem erzählt. Man erzählt allerlei Dinge. Ein Geschrei, ein Klatsch hat sich erhoben.
Dann hören Sie den Ausdruck gespirret = zugeschlossen, zugesperrt.
Dann im Hirten-Spiel, wenn der Wirt sich rühmen will:
I a0ls a wirt von meiner gsta0lt,
Ha0b in mein haus und logament gwa0ltheißt

Nu zal ik nog een paar uitdrukkingen uit het Paradijsspel uitleggen, m.n. de verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs en uit het Herdersspel, zodat u dat niet onbegrijpelijk vindt. De ‘schaarster’ is het voorwerp waarmee je de ster ver van je vandaan kan laten gaan en die je ook weer terug kan halen. En deze schaarster draagt de leider van het geheel, met de ster. Hier hebben we het zo georganiseerd dat naast de drager van de ster, ook de engel een ster draagt, maar de schaarster is dus het ding dat je kan gebruiken om de ster op en neer te laten gaan.
‘Geschrei’, (modern: geschreeuw) in de betekenis zoals het hier wordt gebruikt Crijspijn zegt het:
‘Was bringt ir denn für zeitung nei,
Is woar, was das volk mächt für a geschrei’

‘Hebt ghyj bygeval oock heuren verluyden
wat of die geruchten int volc beduyden’?

‘staat het gelijk aan gerucht. Wat door iemand verteld wordt. Er worden allerlei dingen verteld. Een ‘Geschrei’, er gaan praatjes.

Dan hoort u nog de uitdrukking ‘gespirret – gesloten, versperd.

In het Herdersspel, wanneer de waard zichzelf wil prijzen:
I als a wirt von meiner gstalt
Hab in mein haus und logemant gwalt –

blz. 50

das nicht so, wie man leicht glauben könnte, daß er meint, der Wirt, er hätte eine besonders schöne Statur und deshalb hätte er besondere Gewalt in seinem Hause. Sondern es heiß`t: Ein Wirt von meinem Ruf, von meinem Gestelltsein, ein Wirt, der so gestellt ist wie ich, der hat in seinem Hause Gewalt, das heißt, Personen zu gestatten, in sein Haus einzuziehen.
Dann sagt einmal einer der Hirten zum anderen, er habe ihm seine Handschuhe glichen um-und-um, das heißt: immer wieder, öfters geliehen. Dann werden Sie das Wort hören: Es hat sich etwas bekert. Das heißt in jenen Gegenden, es ist etwas geschehen, es hat sich etwas zugetragen, etwas begegeben. Dann spiegelkartenhal. Das heißt, es hat Glatteis gegeben, so daß man leicht hinfällt, niederfällt. Die Waldvegala piewa scho. Das heißt, die Vögel zwitschern schon. Dö Fuhrleut kleschn. Das heißt, mit der Peitsche knallen, kleschen.
Dann mache ich Sie noch aufmerksam gleich zu Anfang des Paradeis-Spiels, wo der Herrgott zu Adam spricht, den er machte aus Ton, aus Erde, was sich scheinbar nicht reimt, aber im Dialekt heißt es:

De waarden Rufinus en Titus zeggen het allebei:
‘Een waert van myn postuur,
coomt immer plaets te cort.’

betekent dat niet wat je makkelijk zou kunnen geloven dat de waard bedoelt dat hij er heel goed uitziet en dat hij daarom in zijn huis een bijzondere autoriteit is. Maar het betekent: een waard van mijn naam, van hoe en wie ik ben, die heeft aanzien in zijn huis, d.w.z. dat hij mensen toestaat in zijn huis binnen te komen.

Dan zegt een van de herders op een keer tegen de ander, dat hij hem zijn wanten ‘glichen um-und-um’, wat betekent: steeds weer; vaker gedaan.

Gallus:
I hob dem Stichl meine handschuh glichn,
I hob’s ihm glichn um-und-um

‘Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregt!
Hy borregtse alsmaôr, keer op keer.’

Dan zal u horen: ‘Es hat sich etwas bekert.’
Dat betekent in die streken, dat er iets is gebeurd, er is iets voorgevallen.
Witok:
‘I hob gedacht, es sull sich bekern’

Dan ‘spiegelkartenhal’. Dat betekent dat er ijzel ligt, zodat je makkelijk valt.
Witok: ‘Ei dumper! spiegelkartenhal is,

‘Als ’t is! en deuvenkatersgladt;

Die Waldvegala piewa sch. Dat betekent, de vogels kwetteren al. Dö Fuhrleut kleschn. Dat betekent dat ze met de zweep knallen.

Gallus: ‘de veughelkens tuytren al!’, ‘de voerluy zwiepen al langs den weghen.

Dan wil ik u nog attenderen meteen op het begin van het Paradijsspel, waar Godvader tot Adam spreekt, die hij uit klei, uit aarde, formeert, wat schijnbaar niet klopt, maar in het dialect staat er:
“Adam, nim an de lebendigen atem=Ton

Adam, nim an den lebendigen atem = Ton.
Rieben müssen Sie sich nicht vorstellen, als ob es schlecht ausgesprochen wäre, sondern so sagt der Bauer statt Rippen. Rieben. Also die Eva ist nicht aus einer Rübe gemacht, sondern aus einer Rippe = Rieben, und es reimt sich richtig auf lieben.
Sie ist zugleich aus deinem rieben, Drum sullst du sie a büllich liaben.
Ra0tzen ist etwas, worüber man sich unterhält. Der Teufel hat einen rŁtzen, das heißt er hat Freude an irgend etwas. Frozzelei, das ist: zum Narren halten, an der Nase herumführen. Das ist auch solch ein Ausdruck, den der Teufel gebrauchen wird. – Logament. Der Bauer sagt es in der Regel, wenn er von seinem Wirtshaus oder von seinem Hause spricht; er spricht es ganz gebildet aus, meint er wenigstens, daß er es tue: in meinem Logament -,50 daß man nicht merkt, daß er einen fremden Ausdruck gebraucht. Dann:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n.

God de heer spreeckt:
‘Adam, nu neemt den adem des levens’

‘Rieben’ moet u zich niet voorstellen, als was het slecht uitgesproken, maar zo zegt de boer dat, i.p.v. van Rippen. Rieben. Dus Eva is niet geschapen uit een knol (Rübe), maar uit een rip (Rippe=Rieben) en dat rijmt precies op ‘lieben:
‘Sie ist zugleich aus deinem rieben
Drum sullst du sie a büllich liaben

Godt de Heer spreeckt:
Sy is temet uyt u gebeent,
dies – hebt haer lief, wees trou vereend.

‘Ratzen’ is iets waarover je plezier hebt. De duivel heeft ‘einen ratzen’, d.w.z. hij verlustigt zich in iets.
Duivel:
‘O recht, o recht, eim solchen ratzen
An solchen apfel gib i nit um an batzen.’

’t Is regt, ’t is regt, sulcke fruyt
en gheef ick niet om een duyt.’

Frozzelei, dat betekent: voor de gek houden, bij de neus nemen. Dat is ook een uitdrukking, die de duivel zal gebruiken.
Duivel:
‘Durch meine list und frotzerei
Hob i sollichs zu wega bracht frei.

‘Adam en Eva heb ick oock bedrooghen
hebse listichlyck iet voorgelooghen

Logament. De boer zegt dat in de regel, wanneer hij over zijn kroeg of over zijn huis spreekt; hij spreekt het heel gevormd uit, tenminste, hij denkt dat hij dat doet; in mijn logament- zodat de mensen niet in de gaten hebben dat hij een vreemde uitdrukking gebruikt.
Zie hierboven bij wat de waarden zeggen.

Dan:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress’n’

blz. 51

Kletzen sind gedörrte Birnen und Pflaumen, die insbesondere zu Weihnachten von den Leuten bereitet werden.
Das sind so einige Dinge, die ich noch vorausschicken wollte, damit die Ausdrücke nicht unverständlich bleiben. Im übrigen möchte ich nur sagen, daß natürlich die Spiele für sich selbst sprechen müssen, indem sie wirklich in einer einfachen, schlichten Weise dasjenige zum Ausdruck bringen, was die Leute aufnehmen konnten von den Erzählungen des Alten und des Neuen Testamentes, was in ihre Gemüter, in ihre Herzen davon übergehen sollte.
Ich bitte sie so aufzunehmen, wie sie gemeint sind. Die Spiele sollen anspruchslos hingenommen werden. Wir können sie natürlich nicht ganz genau in derselben Form, wie sie die Bauern aufgeführt haben, hervorbringen; aber soweit man es kann, soll es versucht werden. Die Musik hat unser Freund, Herr Leopold van der Pals, wiederum zu erneuern versucht. Sie werden sie als Begleitspiel finden. – Zwischen den Spielen wird eine kurze Pause stattfinden. Zwischenhinein werden wir eine Weihnachtsmusik von Corelli bringen und ein Adagio aus der ersten Bach-Sonate. Damit habe ich mir erlaubt, das Wichtigste vorauszuschicken, was zu den Weihnachtspielen zu sagen ist.

‘Kletzen’zijn gedroogde peren en pruimen die met name tegen Kerstmis door de mensen bereid werden.
Dat waren nog een paar dingen die ik van te voren wilde zeggen, zodat de uitdrukkingen niet onbegrijpelijk blijven. Voor het overige zou ik willen zeggen dat de spelen natuurlijk voor zichzelf moeten spreken, wanneer ze  daadwerkelijk op een eenvoudige, onopgesmukte manier tot uitdrukking brengen wat de mensen konden opnemen uit het Oude en Nieuwe Testament, wat in hun ziel, in hun hart moest komen.
Ik vraag u er zo naar te kijken, zoals ze bedoeld zijn. De spelen moeten in hun eenvoud aanvaard worden. We kunnen ze natuurlijk niet precies zo in dezelfde vorm brengen, als de boeren ze opgevoerd hebben; maar in zoverre het gaat, wordt het geprobeerd. De muziek heeft onze vriend, de heer Leopold van der Pals, weer geprobeerd te vernieuwen. Het is de begeleiding. – Tussen de spelen zal er een korte pauze zijn. Daarin zullen we kerstmuziek van Corelli laten horen en een adagio uit de eerste Bach-sonate. Hiermee heb ik de vrijheid genomen het belangrijkste van te voren te zeggen, wat er over de Kerstspelen te zeggen is.

[1] GA 274
Voor een groot deel vertaald door Wyts ten Siethoff en gepubliceerd in ‘Kerstspelen‘, wiens vertaling ik voor een deel als leidraad gebruikte.
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

.
1452-1361

.

.

.