Categorie archief: heemkunde

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – kleuterklas (2-2)

.
Maike Ruther, nadere gegevens onbekend
.

OP WEG NAAR HET OOGSTFEEST

Het begin van het nieuwe schooljaar voor de kleuters valt in de zomer die ten einde loopt, in de oogsttijd. De ‘dankdag voor het gewas’ wordt nog altijd gevierd op de eerste zondag in oktober. Het hoort bij de jaarcyclus; in de kleuterklas is het zelfs een van de hoogtepunten in de rij van feesten.

In onze tuin hebben we de mogelijkheid wat te planten. Al zijn het maar een paar bonen of wat peterselie, de kinderen beleven er toch aan hoe het groeit, rijp wordt en geoogst wordt, hoe we het in een mandje doen en op de oogsttafel leggen.

Heel belangrijk en indrukwekkend voor de kinderen is in deze tijd de beleving die de kinderen hebben bij de voorbereiding van ons brood dat we bij het oogstfeest bakken. Van de boer hebben we een schoof graan gekregen met de vier graansoorten: tarwe, rogge, gerst en haver. Die staat in het midden bij ons oogstspel dat ons gedurende de twee, drie weken voorbereidingstijd op het feest vergezelt. Dit spel vertelt in liedjes en ritmische versjes over het zaaien, groeien en oogsten, over dorsen, malen en bakken. Wat er in de natuur gebeurt en de gebaren van het mensenwerk worden in beweging omgezet: ze worden in zekere zin kunstzinnig nagedaan in het spel, waarbij de juf het voorbeeld is en de kinderen nabootsend bezig zijn.

Rust maar graantje, ben je moe,
De zachte aarde dekt je toe.
Tot het zonnelicht je wekt,
Dat je blij je halmpje strekt.
Zon en maan en sterren
Groeten je van verre.
Groene halmen wiegt de wind,
die je vol met korrels vindt.

We slaan met de vlegels,
Het dorsen begint.
Het graan voor de boeren,
Het kaf voor de wind.*

Ruh, Körnlein ruh,
Erde deckt dich zu.
Bis der Sonne Licht es weckt,
Fröhlich es sein Halmlein streckt.
Sonne Mond und Sterne
Grüssen es von ferne.
Grüne Halme wiegt der Wind,
Bis sie schwer von Körnern sind.
Wir schwingen den Flegel,
Das Dreschen beginnt.
Die Körner dem Bauern,
Die Spelzen dem Wind.
.

Met een klein verhaal kun je ook wel de inhoud van het spel aan de kinderen vertellen, maar omdat kinderen in het bewegen leven, is het veel indrukwekkender voor hen, wat er gebeurt zelf te doen; daarbij bereik je ze veel meer.

Uiteindelijk breekt de dag aan waarop alle kinderen meehelpen de aren van de schoof af te knippen en ze in een mand te leggen. IJverig werken ze en wat beleven de kleine handen en ogen? Ze tasten en zien (niet altijd bewust) de aard van iedere graansoort: het stevige, rechtomhoog van de tarwe, het weerbarstige, het langwerpig slanke van de rogge met zijn zijdeachtige kafnaalden, het weerbarstige van de gerst met zijn lange kafnaalden die overal aan vast blijven zitten en het puntige van de haver die zijn korrels zo apart verdeelt.

Wanneer de aren afgeknipt zijn, kunnen we ons ‘dorsfeest’ vieren. Daarvoor spreiden we samen een groot wit kleed op de vloer uit. Voor ieder kind wordt daarop een houtblok gelegd en een kommetje van hout, klei of zelfs een schelp ernaast. Op iedere plaats wordt een aar neergelegd en dan lopen we met een lied uit het oogstspel om het kleed heen. Ieder kind vindt een plaatsje en samen beginnen we, ons oogstlied zingend, de korrels met de houtblokken uit de aren te kloppen. Daarbij is weer veel te ervaren: klop ik te zacht, dan komen de korrels echt niet uit hun kafhuisje; klop ik te hard, dan breken de korrels al meteen. Met onze vingertoppen voelen we of de aar leeg is, want vaak verstoppen de korrels zich zo in hun kafhuisje dat je ze bijna niet kan zien en we hebben toch echt alle korreltjes voor ons brood nodig. Uiteindelijk doen alle kinderen de uitgeklopte korrels in hun kommetje bij elkaar: de rondachtig, roodgele tarwekorrels, de langwerpige, blauwgele roggekorrels, de heldere gerstekorrels en de puntige haver dat zijn kafhemdje bijna niet goed uit wil trekken. Er komt natuurlijk ook kaf in de kommetjes, maar dat geeft niets: we kunnen zelf wind maken en het zacht met onze adem wegblazen. Tot slot verzamelen we alle korrels uit de kleine kommetjes in een grote: het zijn er echt heel veel, maar nog niet genoeg voor een brood. Dus gaat het dorsen nog een paar dagen door, dan op tafel tijdens het vrije spel. Nu halen we ook onze molen tevoorschijn en de kinderen beleven hoe de korrels daarin kleiner worden. Dorsen en malen gaan nu hand in hand: de kinderen slaan de korrels uit de aren, verzamelen ze in hun kommetjes en malen ze in de molen of in een oude koffiemolen, waarin ze tot fijn meel worden.

De kinderen voelen aan de korrels, het maalsel, het meel, ze proeven ervan en brengen ook volle kommetjes naar hun poppenhuis als maaltijd.

De meelkom wordt steeds voller, tot we kunnen zeggen: nu is het genoeg voor een brood. De kinderen kijken met grote spanning uit naar de bakdag. Alle ingrediënten worden klaargelegd: meel, water, zout, kruiden (anijs, koriander, karwij, honing) en rijsmiddel. Meteen ’s morgens, wanneer de eerste kinderen er zijn, wordt het gistdeeg klaargemaakt. Is het zo ver dan worden alle bestanddelen gemengd en ijverig voorgekneed, ook de kinderhandjes helpen. Er zijn altijd wel kinderen die niet zomaar meedoen; ondanks dat beleven ze alles mee door de werksfeer die om hen heen hangt.

Nu wordt het deeg op een schaal gelegd waar het een mooie ronde broodvorm krijgt. We dekken het toe en kunnen na een poosje zien hoe het deeg onder de doek begint te groeien, hoe het steeds groter wordt.

eindelijk is het dan zo ver, het bakblik wordt met meel bestrooid, het brood gaat erop, met een mes maken we er een mooi kruis in en schuiven het in de oven. Al gauw begint het erg lekker te ruiken – de geur trekt door de hele ruimte. Enthousiast en met bewondering wordt er naar het brood gekeken, wanneer het uit de oven komt. Twee dagen later ligt het op onze oogsttafel, omringd door kaarsjes en vele liefdevol versierde mandjes met fruit, groente en bloemen die de kinderen van thuis hebben meegebracht.

Wanneer we zo het ene mandje na het andere op onze feestelijke oogsttafel zetten, beleven we een rijkdom: de tafel is zelfs te klein voor alles wat er meegebracht is en we voelen ons dankbaar voor wat moeder aarde ons geschonken heeft. Wanneer we dan allemaal om onze tafel zitten, luisteren we naar een verhaaltje over het brood. De liedjes en versjes van ons oogstspel klinken nog een keer en wanneer uiteindelijk van ons zelfgebakken brood wordt gegeten, wordt dat met aandacht gedaan. Ook de ouders mogen van ns brood proeven. Tussen de liedjes en het dansen nemen we ook iets uit de fruit- en groentemandjes om vrolijk van te smullen. De volgende dag koken we van de vele groenten een groentesoep.

Uit dit alles moge blijken dat de zintuigen van de kinderen sterk worden aangesproken: met het bewegen, de ogen, de oren, de neus, de mond, met de handen wordt alles waargenomen wat er toe leidt dat ons brood er kan komen, zonder dat we dat met woorden hoeven uit te leggen. Wat we in volgorde doen is logisch en voor de kinderen doorzichtig: ze beleven hoe het ene na het andere moet worden gedaan, tot uiteindelijk het brood klaar is en gegeten kan worden.

Als we zo het kind dergelijke overzichtelijke arbeidsprocessen ( ook andere voorbeelden zouden gegeven kunnen worden) laten beleven, leggen we een basis voor het vermogen logisch te kunnen denken na het 14e jaar.
.

Peuters en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters
.

VRIJESCHOOL in beeld: Jaartafels

1163-1084

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament ( 34)

.

GRAVEN

leven O.T. 153

1. 2. 3. Graven. De Israëlieten achtten het een eer in een familiegraf te worden bijgezet (Gen. 49 : 31, 1 Kon. 13 : 22). De graven werden uitgehouwen in grafkamers. Er waren drieërlei graven. 1. Boog-bankgraf, waarbij onder een boogvormige nis (a) zich een bank (b) in de rotswand bevindt; aan het ene einde is een schuin oplopende verhoging (c) welke als hoofdkussen voor de dode bedoeld is. Een lijk ligt op de bank dan open en bloot, en wordt minder goed bewaard dan in het troggraf.

leven O.T. 154

2. Troggraf.
Dan maakte men een nis in de rotswand en daaronder een horizontale schacht (a), ongeveer ter grootte van het lijk; zo’n troggraf had dan de vorm van een steenkist. Wanneer men dan bovendien nog boven dit graf een ronde nis maakt (als bij het boogbankgraf) heeft men het trogbooggraf of arcosolium (wat vaak voorkomt in catacomben).

leven O.T. 155

3. Schuifgraf.
Er worden in de wand dan gangen gemaakt, waarvan de lengteas loodrecht staat op de rotsmuur. Men schoof er de lijken in, zodat de voeten naar voren lagen. De geringe breedte maakt het mogelijk het graf door een platte steen af te sluiten. Alle deze drie soorten graven komen voor in grafkamers. In zo’n grafkamer kwam men door eerst te treden in

leven O.T. 156

4. een voorhal
van het grafvertrek; een kleine deur (a), geeft de toegang. Deze voorhal is even breed als de grafkamer (wat ook in nummer 5 goed te zien is). De ingang is zeer klein, men zal zich moeten bukken om in de grafkamer te komen (Lukas 24 : 12; Joh. 20 : 11). Vaak is voor de ingang een gleuf of goot; daarin past een steen; deze steen wordt voor het graf gewenteld (Markus 16 : 3); soms is deze steen rond (tekening 5c).

leven O.T. 157

5. Het model van een grafkamer met voorhal toont duidelijk de voorhal (a) de „deur” van de grafkamer (b) en de steen (c). Leerrijk is het hierbij na te gaan, wat de Evangeliën zeggen over het graf van Jezus. Men kwam van de voorhal in de grafkamer (Joh. 20 : 1, 3, 5, 6, 8). Het graf had vermoedelijk een open voorhal. Dan moest men zich bukken om door de ingang van het graf iets te zien (Luk. 24 : 12; Joh. 20 : 11), de ingang was dus laag. Men zag dan direct in de grafkamer; er was dus geen voorhof tussen voorhal en grafkamer. Aan de rechterzijde was een zitplaats (Mark. 16 : 5, en de Engelen zitten aan het hoofd en het voeteneinde van de plaats, waar het lichaam van Jezus gelegen had (Joh. 20 : 12); het kan dus geen schuifgraf geweest zijn. Als de discipelen naar binnen kijken, wordt niet gezegd dat zij het graf leeg zien (wat bij een bankgraf direct in het oog zou vallen) maar dat zij de doeken ontdekken (Lukas 24 : 12, Joh. 20 : 7); dus zal het een troggraf zijn geweest. Nu zijn er in de nabijheid van Jeruzalem de z.g. graven der koningen van de koninklijke familie van Adiabene uit de eerste eeuw; daaruit kan men zien hoe de graven der rijken (vgl. Jes. 53 : 9) waren; men mag eruit afleiden, dat het bankbooggraf en het trogbooggraf in die tijd in Jeruzalem gebruikelijk zijn. Het is aan te nemen, dat de rijke Jozef van Arimathea (Matth. 27 : 57) die een raadsheer was (Markus 15 : 43) het graf zo goed mogelijk gemaakt heeft naar de beste van die tijd; dan zou hij een trogbooggraf of arcosolium hebben laten maken.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1160-1081

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament ( 33)

.

ROMEINS SOLDAAT; GEVANGENIS

leven O.T. 149

1. Romeins soldaat.
De kledij van een soldaat bestaat uit: 1. tunica militaris, een wollen hemd met korte mouwen, 2. een sagum, sagulum, een wollen mantel, die tot de knie reikt en op de rechterschouder met een gesp (fibula) werd vastgemaakt, 3. een cingulum militare, een gordel (a). Van zijn wapenen: 4. de helm van de infanterie (6), 5. een scutum, een langwerpig schild (c), uit hout vervaardigd, met leer overtrokken en metaalbeslag. Het werd aan de linkerarm gedragen; bovendien droeg de legioensoldaat een harnas met metalen platen voor borst en rug, of ook wel een soort maliënkolder. — Tot de wapens van de aanval behoorden: de gladius, het korte, rechte tweesnijdende zwaard (d) dat meer tot steken dan tot houwen diende en was bevestigd of aan een bandelier, die over de linkerschouder liep, of aan de gordel; de werpspies (e) (pilum) 2 m. lang met een houten schacht en een buigzaam, ijzeren, spits-toelopend gedeelte.

leven O.T. 150

2. Centurio (naar een grafteekening).
De centuriones (in de Statenvertaling „hoofdman over honderd”) hadden een helm en een harnas van een beter soort en met meer versieringen. De centuriones zijn van gemeen soldaat door moed en trouw in het leger opgeklommen en door de veldheer tot officier bevorderd.

leven O.T. 151

3. Carcer Mamertinus.
Een oude Romeinse gevangenis „een kerker, die uitgehouwen in de Tarpeïsche rots ter zijde van het Kapitool, een oeroude historische vermaardheid bezit niet enkel om de staatsgevangenen Jugurtha, Catilina en Vercingetorix, die er doodhongerden, maar ook om zijn gruwzame ondoordringbaarheid. De Romeinse schrijver Sallustius rilde van de duisternis en de stank, die daar heersten, als hij er maar aan dacht. Nog kunnen we heden naar dat lugubere oord van meterdikke basaltmuren (a) afdalen. ’t Zijn twee verdiepingen. Met hun zwarte lage welving dreigen de zwetende muren angstig boven ons hoofd; geen spleet liet eertijds het licht door. Een ronde opening (b) in de vloer van de bovenste kerker was de enige toegang tot de half-verdronken kelder beneden, en hierdoor werden de ongelukkigen tussen ’t ongedierte en de schenkels hunner voorgangers neergelaten” (B. H, Molkenboer). Deze gevangenis wordt door de traditie aangewezen als de kerker van Petrus en Paulus in Rome. Het relief vertoont de apostelen; links om de zuil zijn martelwerktuigen (c); daarbeneden een putje (d) door bronwater gevoed; de inscriptie (e) verhaalt hoe de gevangenbewaarders bekeerd werden.
Reeds in het oude Jeruzalem deed een onderaards gewelf (Jer. 37 : 16) of een slijkerige cisterne (Jer. 38 : 6) als gevangenis dienst [daarnaast ook wel een lokaal aan de noordelijke poort van het binnenste voorhof van de tempel, Jer. 20 : 2; of het voorhof van het paleis van de koning, waar de wacht verblijf hield, Jer. 32 : 2].

leven O.T. 152

4. Gesel.
De Romeinse geesel bestond uit enkele lederen riemen, die aan een stok verbonden en aan het einde van kleine stukjes zink of ijzer voorzien waren. De straf werd verzwaard door de gebogen houding van de gestrafte, die tot op de gordel ontbloot was. Het aantal slagen was in het Joodse recht 40 min 1; (2 Cor. 11 : 24) hetzij om het getal 40 niet te overschrijden; hetzij dat men met de 3 riemen 13 slagen gaf (dus 13 X 3).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1156-1077

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (32)

.

GEVANGENEN

leven O.T. 142

1. Een Assyrische koning, die een gevangene de ogen uitsteekt.

leven O.T. 143

2. Assyrische doodstraf (palen).

leven O.T. 144

3. Assyrische hand- en voetboeien.

leven O.T. 145

4. Israëlitische gevangenen die dwangarbeid verrichten.
De behandeling van de gevangenen door de Assyriërs was zeer hard en wreed. Gevangen vorsten werden naar de hoofdstad gebracht, waar zij de koninklijke zegewagen moesten trekken. Dan werd hun een ring door neus of lippen gestoken, of zij werden bij de poort in een hondenhok gezet tot smaad en schimp van de voorbijgangers. Rebellen werden zeer zwaar gestraft; handen en voeten, neus en oren werden afgesneden, men stak ze de ogen uit en rukte de tong uit de mond. De gewone doodstraf was het onthoofden of het „palen”, waarbij dan de ongelukkigen op hun buik of hun hals op de punt van een paal werden geplaatst, en zij door hun eigen gewicht naar beneden zakten. Knapen en meisjes liet Salmanassar III in een in brand gestoken stad mede verbranden. Soms werden gevangenen gevild en hun huid op de stadsmuur uitgespannen. De inwoners van vijandelijke steden, die aan het bloedbad ontkomen waren, werden als gevangenen in slavernij gevoerd „over haar geëerden hebben zij het lot geworpen, en al hare groten zijn in boeien gebonden geworden” (Nahum 3 : 10). De mannen werden daarbij gebonden met hand- en voetboeien. De vrouwen werden niet gebonden, maar de ruwe soldaten die hen vervoerden hadden een veil vermaak om bij de vrouwen „de zomen te ontdekken” en de schande der naaktheid te zien (Nahum 3 : 5). De gevangenen werden verplicht tot dwangarbeid, gelijk de afbeelding laat zien (van een marmerreliëf uit het paleis van Sanherib;) zij dragen zware lasten (steenklompen) ; zij zijn gekleed in korte hemdrok met een gordel.

leven O.T. 147

5. Tellen der handen van gedode vijanden bij de Egyptenaren
Om het getal doden te weten, sneden de Egyptenaren bij de gevallenen de handen of de geslachtsdelen af, die zij meenamen en voor de koning opstapelden. Zo werden na een slag van Ramses III met de Libyers 12535 van zulke lugubere zegetekenen geteld. Het herinnert aan Davids geschiedenis, die de opdracht kreeg honderd voorhuiden der Filistijnen te brengen (1 Sam. 18 : 25).

leven O.T. 146

6. Gevangenen onder de voetbank des vorsten
De tekening is een deel van een grotere, waarbij Amenophis II (Farao van 1448—1420) zijn voeten zet op de onderworpen Negers (a) en Semieten (b) die gevangen zijn met een strik (c). De onderworpen vijanden, bij wie de armen op de rug gebonden zijn, waren vijanden, die nu gezet zijn tot een voetbank zijner voeten (Psalm 110 : 1).

leven O.T. 148

7. De „voetbank der voeten”
wordt in de Bijbel alleen genoemd bij vorsten, die op de troon zitten en symbolisch is daarvan sprake bij Gods troon (Ps. 99 : 5) en in profetische taal wordt de aarde zelfs zo genoemd (Jesaja 66 : 1).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1150-1071

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (31)

.

WAPENS

.

leven O.T. 136

1. Hethiet
Deze krijgsman heeft een volle baard, maar geen knevel. Kenmerkend is de zeer lange neus. Het lange hoofdhaar is in een haarvlecht in de hals (a). De hoge spitse muts (b) heeft een versierde rand: het voor- en achterstuk eindigt in een hoorn (c). Het bovenlichaam is bedekt met een hemdrok (d), daarover met brede gordel een schort tot over de heupen. Aan de voeten heeft hij schoenen (e), die naar voren snavelvormig uitloopen. Als wapen heeft hij een zwaard (ƒ), een lange speer (g) en het Pontische schild (h).]\

leven O.T. 137

2. Hethietische strijdwagen
Aangenomen wordt, dat de strijdwagen in Israël via de Hethieten is gekomen (vgl. 1 Kon. 10 : 29). Er stonden drie personen op de strijdwagen: de paardenmenner (a) de schilddrager (b) en de eigenlijke kampvechter (c). (Daarentegen hadden de Egyptenaren maar twee personen op de wagen). De derde man was dus de voornaamste; merkwaardig is het, dat het Hebreeuwse woord voor ,hoofdman” (bijv. in 2 Kon. 7 : 2; 9 : 25) wel als „derde man” verklaard wordt.

leven O.T. 138

3. Egyptische wagen (prinsen uit het huis des konings in hun wagens).
De wagen bood plaats voor twee personen; soms echter (gelijk in de tweede wagen) zijn er drie mannen: degene, die de paarden ment en twee personen; maar dit was zelden het geval, behalve in triomfstoeten, wanneer twee prinsen de koning volgen in hun wagen.

leven O.T. 139

4. Dolk en schild uit Sichem 
Fellahs (boeren) uit Balata hebben aan de voet van de berg Ebal ongeschonden graven gevonden. De vondsten hieruit zijn bronzen voorwerpen, wapens en sieraden. Het belangrijkste van deze voorwerpen is een groot sikkelvormig zwaard: koper ingelegd met goud; een prachtstuk, dat, wat techniek betreft, de invloed van Egyptische kunst vertoont. De technische term voor dit wapen is het Grieksche woord harpè. Nu heeft men zulke pronkwapens als het afgebeelde ook wel gevonden in het graf van de vorst van Byblos (het Bijbelse Gebal; Ezech. 27 : 9). Het zijn pronkwapens uit de graven van koningen of vorsten en het is wel opmerkelijk, dat reeds de eerste vondst uit de heuvel van Sichem een dergelijk pronkstuk heeft opgeleverd (Prof. Böhl). Van de harpè ontbreekt het handvat. — De dolk is gemaakt van brons.

leven O.T. 140

5. Zwaar bewapende Israëliet
(naar een schilderij van Tj. Bottema in de platenserie van Prof. J. de Groot) met a. schild, b. speer en helm.

leven O.T. 141

6. Lichtbewapende Israëliet
(naar een schilderij van Tj. Bottema in de platenserie van Prof. J. de Groot) met a. slinger, b. pijlkoker.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1148-1069

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (30)

.

STRIJDMIDDELEN

leven O.T. 1251. Zeeslag der Egyptenaren tegen de Filistijnen
Rechts staat de Farao Ramses III (1198—1167) als boogschutter. Over het korte schort draagt hij een lang bovenkleed, waarvan de onderzijde maar door een enkele lijn is aangegeven. In de onderste rij worden Filistijnen als gevangenen weggevoerd. Daarboven zijn drie rijen van schepen. De Egyptische schepen hebben roeiriemen. De Filistijnsche schepen missen roeiriemen; het zijn zeilschepen; de zeilen zijn (evenals op de Egyptische schepen) gereefd. De Filistijnen hebben als wapen dolken en lansen: zij kunnen dus alleen vechten op korte afstand. De kunstenaar heeft door de vele pijlen rechts willen aantoonen, dat de overwinning voor de Egyptenaren verzekerd is.

leven O.T. 126

2. Thoetmosis IV in de slag
De koning staat vol majesteit op zijn strijdwagen, die getrokken wordt door twee steigerende hengsten. Boven het hoofd van de koning is de giergodin Nechbet (a); de koning is in „de schaduw der vleugelen”. De Farao heeft in de ene hand een strijdbijl (b); in de andere een boog (c); hij draagt twee pijlkokers; aan de bovenarm draagt hij armringen. Hij drijft de vluchtende Aziaten met hun typische volle baarden voor zich uit; zij hebben als wapens pijlen en bogen, dolken; zij trachten zich te beschermen door rechthoekige schilden, maar hun „schilden, bogen, dolken” kunnen hen niet bevrijden.

leven O.T. 1273. Egyptische soldaten uit de tijd van Ramses III (1198—1167)
Zij dragen lans, schild en zwaard. Het Egyptische schild (a) is lang, onder recht, boven afgerond. De soldaten zijn afwisselend bewapend met dolken of sikkelzwaarden; de 1e en 6e man (misschien „korporaals”) dragen een stokje. Er is in de Bijbel sprake van verbranden der schilden („het schild van Saul, niet meer „gezalfd” met olie 2 Sam. 1 : 21) vgl. Jesaja 21 : 5. Daaruit kan men afleiden dat de schilden der Israëlieten, evenals van andere volken, bestonden uit hout met leer overtrokken, of uit enkele lagen leer op elkander. Het zwaard en de lans behoren tot de uitrusting van zwaarbewapenden.

leven O.T. 1284. Egyptisch schubbenpantsier
Het pantsier behoorde oorspronkelijk niet tot de uitrusting van de doorsnee man, maar werd gedragen door vooraanstaanden (Goliath 1 Sam. 17 : 5; Saul 1 Sam. 31 : 4; Achab 1 Kon. 22 : 34). Pas Uzzia bereidde voor het hele leger pantsieren (2 Kron. 26 : 14). De pantsieren van de soldaten waren een soort leren jukken door metalen plaatjes bedekt.

leven O.T. 1295. Ramses II verovert Askelon
De stad is omgeven door een dubbele muur (a, b). De Egyptenaren rukken op: zij dragen ovale schilden, (c). In het middenvak ziet men de poort (d) een soldaat slaat met een bijl (e) de houten deur. Rechts en links zijn stormladders (ƒ) een soldaat gaat naar boven met de dolk (g) in de hand en het schild op de rug. De mannen op de bovenste muur houden de handen omhoog; zij smeeken om genade; de man links houdt al een brandend rookvat (h) in de hand als teken van onderwerping. De man rechts laat zijn kind, de man links laat zijn vrouw van de muur af vallen.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1142-1063

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (29)

.

ASSYRIERS IN DE STRIJD

leven O.T. 130

1. Gevecht van Assyriërs in een moerassig gebied.
De Assyriërs bezaten geen marine. Als Salmanassar III in een inscriptie spreekt van een zeeslag waarbij „de zee rood gekleurd was door bloed”, was dit barre overdrijving, want de bewuste slag was op een klein meer. Evenmin kan men spreken van een zeeslag als Sanherib oorlog voert in de moerassige gebieden van Zuid-Babylonië, waarbij de Assyriërs de vijanden vervolgden in boten, uit wilgentakken vervaardigd. Aan de oevers ziet men Assyrische ruiters tussen het geboomte.

leven O.T. 131

2. Tiglath-Pileser IV verovert Gezer.
De geduchte Assyrische vorst Tiglath-Pileser IV, (745—727) maakte vele veroveringen in het „Westland” (2 Kon. 15 : 29v.v.) en in het jaar 734 toen Tiglath-Pileser naar de wens van Achaz (2 Kon. 16 : 9) Juda’s vijanden bestreed. In dat jaar werd ook Gezer veroverd, gelijk dit relief te zien geeft. Op de dubbele muur (b) van de vestingtorens. Vóór de muur is een Assyrische belegeringsmachine (stormbok) (c); daaraan zijn twee stormbalken (d) met een metalen punt, die de stenen uit de muur (e) losbreken. Een soldaat springt van de stormbok op de stadsmuur. Daarnaast staat een grote rondas (ƒ) die vastgehouden wordt door een soldaat met een dolk (h) gewapend; onder beschutting van de rondas trekt een andere soldaat naast hem voort, gewapend met pijl en boog (ï). De soldaat die uit de belegeringsmachine op de muur stapt, draagt het ronde Assyrische schild (j) en de speer (k).

leven O.T. 132

.3.Assyrische boogschutter.
Op een rijk versierde schacht is de zonneschijf; beneden zijn twee lopendestieren, van elkander gaande. Boven de stieren is een driehoek gevormd door stralenbundels en daarboven staat een godheid (a) (Assur); hij schiet een pijl af; zijn hoofd met helm (b) komt boven de schijf uit en vormt zoo de spits van de standaard.

leven O.T. 133

4. Assyrische boogschutters.
De hoofdmacht van het Assyrische leger werd gevormd door de infanterie en daarvan vormden de boogschutters het belangrijkste deel. Er waren bogen van hout, maar ook van hoorn. De pijlen bestonden uit een houten schacht met een bronzen of ijzeren spits; dit einde was driehoekig van vorm; soms nog voorzien van weerhaken. De soldaten werden zeer geoefend in het boogschieten; op de wagen, te paard, staande, knielende in allerlei houdingen. Op mars droegen zij de boog in de linkerhand; de pijlkoker in de rechter, aan de zijde een kort zwaard. Zij dragen een lederkap op het hoofd.

leven O.T. 134

5. Assyrische slingeraar.
De slingeraars vormden in het Assyrische leger een bijzondere troep, die bij het offensief en defensief meewerkten.

leven O.T. 135

6. Zwaarbewapende Assyriër. Deze draagt een helm van leer met metaalbeslag (a). Hij is een „wagenkamper”, een strijder in de strijdwagen; hij draagt het pantsier (b) tot aan de knie; de hals is bedekt met een halsbescherming (c); zijn wapens zijn speer (d) en zwaard (e). Het zwaard was als bij Israël recht (1 Sam. 31 : 4 v.) tweesnijdend (Richt. 3 : 16; Spr. 5 : 4) en kort (Richt. 3 : 21 v.v.) ; het werd eveneens gedragen in een lederen schede (1 Sam. 17 : 51; 2 Sam. 20 : 8) aan een gordel over de uitrusting gedragen (1 Sam. 17 : 39).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1136-1057

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – (28)

.

KARAVANSERAI OF HERBERG

leven O.T. 124Karavanserai of herberg 
In het Oude Testament is op enkele plaatsen sprake van een herberg of karavanserai, waar men overnacht (Gen. 43 : 21; Ex. 4 : 24; Jeremia 9 : 2). In het Evangelie van Lukas lezen wij in het kerstverhaal dat „voor hen lieden geen plaats was in de herberg” (Luk. 2:7). Een karavanserai is een groot, vierkant gebouw, rondom een binnenplaats waar hier gezadelde kamelen zijn; op de binnenplaats is meest een overdekte put, waar de lederen zakken gevuld kunnen worden. Deze karavanserai heeft om de binnenplaats een zuilengalerij: onder de bogen ziet men de dieren. Een stenen trap (d) leidt naar boven: op een vloer van houten balken is daar een verdieping (a) waar kleine kamertjes zijn als logeervertrekken in de herberg voor de reizigers. Over de balustrade hangen matrassen, die als „bedden” gebruikt kunnen worden.

Wat nu de herberg betreft, bedoeld in Lukas 2 : 7, daarover zijn de meningen verdeeld. Wij lezen in het boek van I. Snoek, In Bethlehem en Nazareth (bl. 149, 150): „Sommigen denken bij dit „herberg” aan de gewone oosterse herberg. Volgens hen konden Jozef en Maria geen plaats vinden in het overdekte gedeelte, en moesten zij een plek zoeken op het open stuk, in de binnenhof. De meeste uitleggers verwerpen deze opvatting. Wat is dan wel de betekenis van herberg in Lukas 2 : 7. Daarbij zijn er 3 opvattingen:

a. De herberg zou zijn het huis, waar Jozef als Bethlehemiet eigenaar van was, en dat tijdens zijn afwezigheid tijdelijk aan anderen verhuurd was. Bij Jozefs terugkeer in Bethlehem nam hij daar toch tijdelijk zijn intrek; het was zijn herberg. Toen voor Maria de ure kwam, kon zij in het overvolle huis niet blijven; zij trok zich terug in dat deel van het gebouw, dat als stal gebruikt werd.

b. Elk huis, waar een vreemde tijdelijk zijn intrek nam, was voor hem een herberg. In Lukas 2 : 7 moeten wij denken aan een gewone fellahwoning. In zulk een boerenwoning is een verhoogd deel, waar de mensen, en een lager deel, waar de dieren verblijf houden. Daar, in dat lagere gedeelte, zou voor Jozef en Maria een plaatsje zijn geweest. Aan weerszijden van het trapje, dat naar boven leidt, zijn voederbakken (plaats 5; 2c); één daarvan zou de kribbe geweest kunnen zijn. — Beide groepen van uitleggers leggen er de nadruk op, dat vers 6 zegt: „als zij daar waren”; niet „als zij daar kwamen”. Maria en Jozef kunnen vóór de geboorte al geruime tijd in Bethlehem vertoefd hebben, en dan is het verblijf in een huis voor de hand liggend.

c. De voorstelling der traditie: de geboorte had plaats in een grot, als schaapskooi gebruikt. Het is in Palestina niets ongewoons, dat mensen de nacht in een stal doorbrengen; zulk een warme stal was een betere verblijfplaats voor Maria in de toestand, waarin zij zich bevond, dan de herberg. Wanneer wij ons houden aan de traditie, kunnen wij ons de gang der dingen als volgt voorstellen: Jozef en Maria komen in Bethlehem. Alle huizen zijn vol. Ook in de herberg is geen plaats. Men wijst hen de grot, als schaapskooi benut. Voor deze opvatting pleit, dat de engel straks tegen de herders zegt, dat zij het kindeke zullen vinden in de kribbe, de hun bekende kribbe, in de stal, waarheen zij gewoon waren hun schapen te drijven. Zo zegt ook Dalman:. „De oeroude traditie kan zeer wel het juiste getroffen hebben.”

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1129-1050

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (27)

.

ANDERE MIDDELEN VAN VERVOER

leven O.T. 1191. Vrouwen op reis
Assyrisch relief uit het paleis van Sanherib. De bekende geleerde Alfred Jeremias geeft dit plaatje om aanschouwelijk te maken, hoe men zich voorstellen kan de reis genoemd in Gen. 12 : 6. En Abraham is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem. Oorspronkelijk waren de wielen één rond hout; van later tijd zijn pas de spaken in de wielen. Uit die latere tijd zijn ook deze tweewielige wagens; de bouw ervan geschiedde door wagenmakers, welke vooral onder de Elamieten gevonden werden. De twee vrouwen voor dragen beide een sluierkap, maar het gelaat is onbedekt; een ervan heeft een kruik.

leven O.T. 1202. Filistijnsche ossenkarren
De Filistijnen zijn herkenbaar aan hun vederhelm (a) die met een snoer of band bevestigd is; aan de helm is verbonden een halsbedekking. De Filistijnen zijn gewapend met lansen (b) en dolken (c). Zij worden hier voorgesteld in strijd met Egyptenaren. Het schild (d) der Filistijnen is rond. De ossenkarren (e) waarop vrouwen en kinderen zich bevinden, worden door vier ossen getrokken. De wagen of kar is vierhoekig, gemaakt van hout, of gevlochten takken. Als wielen dienen ronde houtschijven (ƒ). De vrouwen in de wagen houden de kinderen omhoog, smeekend om erbarmen. Dat een Filistijnsche wagen van hout is (1 Sam. 6 : 14) en door runderen wordt getrokken, vindt men ook in het bekende verhaal over de terugkeer van de ark (1 Sam. 6:7).

leven O.T. 1213. Wagens van Takkari
(een Aziatisch volk in de berichten der Egyptenaren). Zij rijden in karren met zware schijfwielen (a) getrokken door een vierspan ossen (b). De ene drijver met de stok in de hand drijft de ossen aan; de ander, die achterom ziet heeft een rond schild (c). De wagen is met een vierkante houten wand omgeven. In de wagen staat een vrouw, die een kind aan de bovenarm vasthoudt.

leven O.T. 122

4. Zadels van de kameel
Reeds in de dagen der aartsvaders is sprake van gezadelde kamelen (Gen. 37 : 25). De koningin van Scheba kwam te Jeruzalem met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen (1 Kon. 10 : 2). Behalve van lastkemelen spreekt de Bijbel ook van snelle kemelen (Jesaja 66 : 20; 60 : 6). Gewoonlijk legt een rijkameel 5—6 km. per uur af en loopt dan 8 tot 10 uur per dag en dat weken lang. Dat houdt geen paard vol. Om de last goed op te laden, wordt gebruik gemaakt van eigenaardige zadels; twee lange stokken aan weerszijden van het dier dienen om het draagvlak te vergroten. De kameelzadels worden dikwijls bewaard in de vrouwenafdeeling van de tent (Gen. 31 : 34).

leven O.T. 1235. Weg tussen steenmren
De handelslieden trokken langs grote internationale karavaanwegen (Genesis 37 : 25) en de eenzame reiziger langs een holle weg (Numeri 22 : 24) die door de wijngaarden loopt met een muur aan deze en een muur aan gene zijde. Tuinen, boomgaarden, wijngaarden en soms de groepen olijfbomen en vijgebomen zijn omsloten door een muur (a) (jedar). De jedar wordt opgebouwd van onbehouwen stukken steen. Deze los-ongestapelde muren zijn vaak vol stoffige gaten, die welkome schuilplaats voor slangen bieden (Prediker 10 : 8). De jedar wordt in de Bijbel gebruikt als beeld van Gods bescherming (Ezra 9 : 9; Micha 7 : 11); het deel van de goddelozen vergelijkt David met een muur die door de winterstormen is vernield (Ps. 62 : 4).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1125-1046

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (26)

.

KLEDING

leven O.T. 1111. Arabische sjeik
Deze Arabier draagt de wijde mantel met lange mouwen, de z.g. kumber (a). Hij heeft de hoofdbedekking der Bedoeïenen, een grote grijswitte, vierkante doek, die tot een driehoek is gevouwen, de z.g. keffiyeh (b). Een dik snoer of agaal (c) van wol of in elkaar gedraaide bokkenharen houdt de doek op het hoofd vast.

leven O.T. 1122. Herder uit het gebied bij Bethlehem
De herder draagt een onderkleed (a) en daarover de mantel of kumber (b); het onderkleed wordt vastgehouden met een gordel (c); op het hoofd heeft hij de keffiyeh (d) omsnoerd door een agaal (e). Op de scherpe verweerde steenbrokken loopt hij de voeten geschoeid met een soort sandalen (ƒ). Boven de gordel houdt hij in de armen een jonge geit met lange afhangende oren (vgl. Amos 3 : 12); de geit heeft lang zwart haar (verg. Hoogl. 6:5).

leven O.T. 1133. Aartsvaderlijke verschijning met mantel en stok
De man draagt een onderkleed (a) samengehouden met een gordel (b). Het onderkleed heet in de Statenvertaling wel rok (Gen. 37 : 3). Over dit kledingstuk is een bovenkleed (c) (opperkleed Deut. 22 : 12). ’s Nachts wikkelden de armen en de herders er zich in (Jer. 43 : 12) daarom mocht het niet langer dan tot de avond verpand zijn (Deut. 24 : 13). Bij de arbeid werd het veelal afgelegd (Matth. 24 : 18; Hand. 7 : 58). De hoofddoek (d) is een om het hoofd gewikkelde lap. Hij draagt eenvoudige sandalen met riemen (e). De staf (ƒ) van een manslengte voltooit de uitrusting van de man (Gen. 38 : 18).

leven O.T. 1144. Joodse gevangenen in lange hemdrok
De twee vrouwen (a, a) dragen een sluierdoek (b) die van het hoofd tot de enkels reikt. In de regel was de sluier open en bedekte het gelaat niet (Gen. 12 : 14; 24 : 15, 16); wilde men dat dit geschiedde, dan hield de vrouw die sluier voor het gezicht met de handen samen (Gen. 24 : 65). — Deze vrouwen dragen deze over de hemdrok (c; dat ook de mannen dragen, d). De hemdrok heeft korte mouwen (e). Wanneer men snel moest gaan, werd het aan de voorzijde opgebonden („gord uw lendenen” 2 Kon. 4 : 29) of „de lendenen opgeschort” (Exodus 12 : 11).

leven O.T. 1155. Boerenvrouw uit Samaria
in een wit lang kleed met lange mouwen, tob, (a), witte hoofddoek (b) en daarbovenop een draagring (c) om de waterkruik op het hoofd te dragen.

leven O.T. 1166. Egyptenaar met lendenschort 
Bij de Egyptenaar en in Babylonië was zeer algemeen het lendenschort (a). De vorm van het lendenschort had ook de zak, een uit geiten- of kameelhaar geweven grove doek, dat als teken van rouw werd gedragen, op de blote huid (Job 16 : 15) soms als enig kledingstuk (2 Kon. 20 : 31) soms onder het opperkleed (2 Kon. 6 : 30).

leven O.T. 117

7. 8. Sandalen

leven O.T. 118

Het schoeisel bestond uit sandalen met riemen (Gen. 14 : 23; Jes. 5 : 27; Mark. 1:7). Gewoonlijk waren deze gemaakt van leer, maar zeer eenvoudig en van weinig waarde (Amos 2 : 6). Wanneer men in huis kwam, werden de sandalen uitgetrokken, eveneens als men een heilige plaats betrad (Exod. 3 : 5; Joz. 5 : 15). Overigens was het barrevoets gaan een teken van rouw (2 Sam. 15 : 30; Ezech. 24 : 17, 23). De oude Assyrische sandalen, die hier afgebeeld zijn waren eigenlijk hielkappen (a), met op de wreef de riemen (b) (de z.g. schoenriemen).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1119-1040

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (25)

.

SCHEPEN

leven O.T. 1061. Filistijnse schepen
De Filistijnse schepen eindigden in een steil opstijgende voor- en achtersteven (a), versierd in de vorm van een zwanenhals (b). Het waren zeilschepen, die niet geroeid werden. De mast (c) heeft een mars of mastkorf (d). Op het onderste schip zijn twee Filistijnse krijgslieden (e); beiden hebben het voor de Filistijnen typische ronde schild (ƒ); de een draagt de eveneens voor dit volk kenmerkende dolk (g) in de rechterhand.

leven O.T. 1072. Fenicisch schip
De schepen hebben een gebogen vorm met nagenoeg gelijke steven. Aan de masten (a) ziet men de raas (b). Veel touwen, waarin de raas hangen zijn eveneens kenmerkend. Het schip heeft een hoog zetboord (plankenhek om het dak) dat bij hoge zee de deklast voor af glijden moet tegenhouden. De scheepsbouw van zulke schepen wordt beschreven in Ezechiël 27 : 5 v.v. Met cypressen van de Senir bouwden zij u al het houtwerk. Cederen van de Libanon namen zij om een mast te maken. Uit de hoogste van Basans eiken maakten zij uw roeiriemen. Bontgewerkt lijnwaad uit Egypte was uw doek om u als zeil te dienen.

leven O.T. 1083. Korenschip uit de dagen van Paulus
„Een korenschip, als waar Paulus mee reisde, stelle men zich niet te klein voor. Er zijn ons opgaven bewaard gebleven van zulke schepen met een inhoud van 2600 ton. Paulus’ schip bood plaats voor 276 man. De romp van het schip vertoonde voor de vorm van een kop, achter die van de staart van een vogel. Midden op het schip stond een grote mast, in de regel van cederhout (vgl. ook Ezechiël 27 : 5), op de voorsteven vond men nog een kleinere mast, tot bevestiging van een kleiner zeil. Het sturen geschiedde met behulp van twee grote roeiriemen, rechts en links aan de achtersteven bevestigd. Op het dek stond een houten huisje voor de stuurman, en een tempeltje met een godenbeeld. Het verblijf van de schipper lag in het achtergedeelte. De passagiers bivakkeerden op het dek.” (I. Snoek).

leven O.T. 1094. Zeelieden aan het werk bij opkomende wind
Een wandschilderij uit Pompeji toont hoe de zeilen werden opgehaald. In het midden is de hoofdmast; deze bestond uit één stuk; tot steun dienden sterke touwen, die van de scheepszijde naar de mars voeren. Aan de hoofdmast is een grote ra; daaraan hangt het zeil; om dat te versterken zijn er over heen genaaid banden van leer, die een hand breed zijn.

leven O.T. 1105. Het verankerde schip,
waarmee Paulus voer, op de morgen van de 14de stormdag. „De Engelse deskundige Smith heeft berekend, dat een schip, varende onder de omstandigheden, waarvan in Hand. 27 gesproken wordt, juist 14 dagen nodig heeft om van Kreta naar Malta te komen (vgl. Hand. 27 : 33 v.v.). Als zij het dieplood uitwerpen geeft het een diepte aan van twintig vademen (37 m.). Even later staan er nog slechts 15 vademen water, 27.75 m. Dat is ondieper. De vrees komt dan op dat het schip ergens op harde plaatsen terecht zal komen. Daartegen nemen de schepelingen hun maatregelen: vier ankers van het achterschip worden uitgeworpen. Vier zijn er noodig, omdat de ankers maar klein zijn, ongeveer 25 kg. En dan moeten de opvarenden wachten tot het dag wordt” (Snoek). De tekening geeft nu het schip in het morgenlicht.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1115-1036

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (24)

.

VAARTUIGEN

leven O.T. 1021. Assyrische goeffa
De Griekse geschiedschrijver Herodotus beschrijft als iets bewonderenswaardigs deze vaartuigen. „De vaartuigen, die zij hebben om langs de rivier naar Babylon te trekken zijn rond van vorm en geheel van leder (a). Want nadat zij bij de Armeniërs, ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen, doch zij maken het vaartuig als een schild, rond van vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan met waren beladen de stroom afgaan. Het vaartuig wordt gestuurd met riemen (b) door twee roeiers (c) die rechtop staan” (Herodotus I 194; vert. C. M.-van Deventer). Hier zijn echter vier mannen, die zitten. Gewoonlijk was de vracht vaten palmwijn; hier zijn (volgens Unger) schroeven (d) voor het vervoer van stierkolossen. — Deze goeffa’s dienden ook als veerbooten (een stad aan de Eufraat heet veer of overgang nl. Tifsah, 1 Kon. 4 : 24).

leven O.T. 103

leven O.T. 1042, 3. Assyrische kelek; 2. kelek uit de oudheid; 3. tegenwoordige kelek
„Wij weten, dat reeds in de grijze oudheid vlotten, keleks genaamd, gebruikt werden; wij zien ze afgebeeld op Assyrische reliëfs, die bij opgravingen voor de dag komen, en wel precies in dezelfde vorm, als ze nog heden gebruikt worden. Men vervaardigt vlotten van populierenstammen (a), die in de vorm van roosters op elkander gelegd worden. Daar echter de Tigris bij de vele stroomversnellingen dikwijls slechts een zeer geringe diepte heeft, kwam men al in de vroegste tijd op een geniaal middel om deze vlotten zo hoog mogelijk op het water te houden: men bevestigde onder deze populierenroosters een groot aantal met lucht gevulde ramsvellen (b), die maakten, dat het vaartuig bijna op de waterspiegel dreef. Met deze vlotvaart houdt zich een apart gilde bezig, de kelekdji’s (c) die met riemen (d) het vlot bewegen en sturen. Op de kelek is een „arke”, een huisje voor nachtverblijf op reis en voor de goederen.” (I. Guyer, Meine Tigrisfahrt).

leven O.T. 1054. Egyptische schepen
De tekening is een voorstelling uit de geschiedenis van Cheops. Deze wilde dat aan zijn hof een bekwaam tovenaar zou komen. Toen werden barken uitgerust opdat de zoon des konings deze tovenaar halen kon. Bij de ontmoeting worden veel hoffelijke woorden gesproken. De tovenaar wil meegaan en zegt: „Men geve mij een boot om mee te voeren mijn leerlingen en mijn boeken.” Toen gaf men hem twee schepen met hun equipage. Dit tafereel geeft de tekening weer. — De Nijl vermeldde in de oudheid van barken en allerlei andere vaartuigen. In de zangen van Ichnaton wordt het uitgeroepen in „De dag en de wateren”.

De barken zeilen de stroom op en eveneens de stroom af,
Iedere weg is open, omdat gij zijt opgekomen,
De vissen in de rivier springen voor u op,
En uw stralen zijn in het midden der grote zee.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1112-1033

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (22)

.
 SCHRIFT (1)

leven O.T. 90

leven O.T. 91

leven O.T. 921, 2. Kleitafeltje gevonden bij de opgraving in Sichem
 Bij de opgraving in Sichem zijn twee spijkerschrifttafeltjes gevonden. „Hoewel klein en onaanzienlijk en bovendien lastig te ontcijferen zijn zulke inscripties voor onze kennis van het leven en denken der oude Kanaänieten in de eeuwen voor de intocht der Israëlieten van het allergrootste belang. Beide tafeltjes zijn op de voor- en achterzijde beschreven. …Het tweede (hier afgebeelde) is een zakenbrief. De toon is enigszins indringerig. De schrijver vraagt om de zending van koren en beste olie, zooals hij die drie jaar geleden ook al eens ontvangen had, en vraagt, of het zijn schuld is, dat hij geen bericht krijgt, terwijl toch ook zijn agenten reeds herhaaldelijk geschreven hebben.” (Prof. Dr F. M. Th. Böhl).

leven O.T. 933. Israëlstèle
gevonden in de ruïnes van de dodentempel van Farao Merenptha bij Thebe. Dit inschrift, in hiëroglyphenschrift, wordt Israëlstèle genoemd, omdat het de naam Israël noemt. Bovenaan ziet men in de tekening twee helften: in het midden de god Amon onder de gevleugelde zonneschijf, die de koning met de rechterhand het
sikkelzwaard reikt en in de linkerhand de schepter houdt. De koning is getooid met de krijgshelm. Achter de koning staat rechts de god Horus met valkenkop, links de godin Mut. Daaronder is het inschrift van Merenptha. Het is een lied „om alle landen tezamen te laten weten (Merenptha’s overwinning in alle landen) en de schoonheid zijner daden te tonen.” Het is gedateerd op de 3e dag van de 11e maand van het 5e jaar van Merenptha’s regering, dus omstreeks 1228 voor Christus. In dit lied beroemt de koning er zich op:

Israëls lieden zijn weinig; zijn zaad bestaat niet meer.

[Het is een fotografische reproductie; met een vergrootglas zijn de hieroglyphen goed te zien.]

leven O.T. 944. Bijl van Ras Sjamra met opschrift in alfabethisch spijkerschrift
Bij de opgravingen van Ras Sjamra in Fenicië zijn vele interessante dingen gevonden, die licht verspreid hebben over de Feniciërs in de tijd van Mozes; zo is gebleken, dat het alfabetisch schrift ouder is, dan men tot nu toe aannam. Men vond hier een alfabet van 29 letters; de ontcijfering is verrassend snel gegaan. Het schrift is eenvoudig vergeleken met het spijkerschrift.

leven O.T. 955. Samaritaansche rol
Aan de beide einden is een houten staaf, „boom des levens” genoemd, bevestigd, die onder uitloopt in een mooi bearbeide punt en bovenaan een versiering heeft (siertoren of kroon a). Om deze beide staven is de rol gewonden, zó, dat het reeds gedurende de loop van het jaar gelezene deel der rol om een staaf gewikkeld is, het nog te lezen deel om de andere. Om de wetsrol hangt een manteltje (b) van zijde of kostbare stof vervaardigd.
De Pentateuch der Samaritanen is in het Hebreeuwsch geschreven. Deze taal geldt voor hen als de heilige taal, als de taal der wet. Het letterschrift is evenwel niet het bekende kwadraatschrift, maar vertoont meer overeenkomst met de oud-Phoenicische lettertekens.
In de oudheid heeft het boek de vorm van een rol. Zo vinden wij het ook in de H. Schrift (Ezra 6:2; Psalm 40 •: 8; Jesaja 8:1; Jeremia 36; Ezech. 2 : 9; Zach. 5 : 1).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1101-1022

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (20)

.

WIJNGAARDEN; OLIJVENPERS

leven O.T. 77 - 00041. Wachthut in de wijngaard
In de vruchttuinen (bijv. in de komkommerhof Jes. 1 : 8) en de wijngaarden heeft men in de tijd van het rijp zijn en de oogst priëelachtige gebouwtjes: een takkendak op palen. Het is de wachthut (b) op de wachttoren (a) die in de wijngaard voorkomt (Jesaja 6 : 2) waar vaak de gehele familie ten tijde van de oogst in de hut woont: het hutje in de wijngaard (Jesaja 1:8). De hut komt in de Bijbel ook voor als zinnebeeld van bescherming (Ps. 27 : 5). Een hut kan instorten en vervallen; daarop doelt de belofte in Amos 9 : 11.

leven O.T. 802. Druivenoogst; druiventreden (Egyptische voorstelling).
Rechts is een priëel van wijngaardranken (a); daaronder staan de plukkers (b) die de druiventrossen (c) afsnijden. Links is de wijnpersbak (d) waarin de mannen staande de druiven treden (e). Beneden loopt de wijn uit de wijnpersbak in een kuip (ƒ); de wijn werd dan later in de kruiken (g) gebotteld.

leven O.T. 813. Treden in de druivenpers.
In de oudheid was bekend „persen treden” (Neh. 13 : 15) en beroemd is de uitdrukking in het sehone visioen van Jesaja: Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad? en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden (Jes. 63 : 2, 3).
Behalve de wijnpersbak (a) is er ook een wijnbak (b) (Jes. 5 : 2) de trog, waarin de getreden most of wijn vloeit; in de Statenvert. ook wel genoemd kuipen (Jer. 48 : 33). Het druivenpersen kan gebeuren doordat men een zwaar voorwerp door middel van een hefboom op de druiven drukt; of doordat mensen met blote voeten in de wijnpersbak treden (a). Uit de wijnpersbak vloeit de getreden wijn in een lagere trog of kuip, (b) die als een goot hier voor de wijnpersbak loopt.

leven O.T. 824. 5. Olijvenpers
De olijfolie in de dienst Gods werd gebruikt
1. als „olie tot de luchter”;
2. als „olie der heilige zalving”;
3. als onderdeel van het spijsoffer.

De olie tot de luchter en de zalfolie wordt omschreven als „zuivere gestoten olijfolie”;
voor het spijsoffer als „gestoten olie” (Ex. 27 : 20; 29 : 40; Lev. 24 : 2; Num. 28 : 5).
Om deze olie te verkrijgen werden de allerfijnste olijven uitgezocht. Deze werden dan in een stenen mortier gekneusd tot een brijachtige massa en daarna in een korf gedaan. De olie, die dan uit de korf druppelt, en dank zij de voorzichtige bewerking, in het geheel niet vermengd is met bestanddelen van het vruchtvlees of van de pit is de „zuivere gestoten olie”. Deze is blank en walmt bij de verbranding niet. Door nu de inhoud van de korf met stenen te bezwaren of onder de balk te plaatsen, verkrijgt men een tweede, ook nog uitnemende kwaliteit, de „gestoten olie”.
Om olie voor dagelijks gebruik te verkrijgen werd de olijvenbrij verder uitgeperst, waarbij ook de pitten verbrijzeld werden. Zo leverde de olijf al de olie af, die echter nu vermengd was met bestanddelen van vruchtvlees en pitten, dus veel minder zuiver was.
Dit geschiedde in een olijvenpers (a). Een rond zwaar stenen onderstuk was uitgehold, zodat er een cirkelvormige goot in was, waarin een zware ronde steen (b) door middel van een hefboom (c) gewenteld kon worden.
In de Bijbel is over dit olijvenpersen niets te vinden dan een verwiizing in Job 24 : 11 „tusschen hun muren persen zij olie uit”. [Bruijel],

leven O.T. 83

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1091-1012

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – alle artikelen

.

Leven in het Oude Testament

[13] aardewerk
[45] afgoderij
[29] Assyrische strijders
[35] bomen
[46] borstlap/borstschild van hogepriester Aäron
[5] broodbakken
[10] burchten, torens en huizen
[37] dieren
[43] gebedsriem
[32] gevangenen
[33] gevangenis, Romeins soldaat
[34] graf – graven
[39] grote verzoendag
[15] handwerk
[40] heilige (der heiligen)
[43] heilige personen
[28] herberg
[21] herders, schapen, paardenstal
[42] Herodes’ tempel
[39] hogepriester
[46] hogepriester – borstschild Aäron
[1] houwelen, zagen, spaden
[8] huizen
[9] huis in Ur uit de dagen van Abraham
[6] jacht en visserij
[44] Kapernaüm synagoge
[28] karavanserai
[26] kleding
[2] landbouw
[17] maaltijden
[14] melk en water
[4] meten en malen
[3]  meten, wannen, zeven,
[19] muziekinstrumenten
[20] olijf- en wijnpers
[21] paardenstal, herders, schapen
[36] planten
[43] priesters
[33] Romeins soldaat, gevangenis
[25] schepen
[22] schrift (1)
[23] schrift (2)
[18] sieraden
[33] Romeins soldaat, gevangenis
[1] spaden, houwelen, zagen
[12] de stad en de muren
[11] gezicht op de stad Megiddo
[30] strijdmiddelen
[44] synagoge van Kapernaüm
[38] tabernakel
[42] tempel van Herodes
[41] tempel -voorhof
[16] tent; gebruiksvoorwerpen
[10] torens, burchten en huizen
[24] vaartuigen
[27] vervoermiddelen
[6] visserij en jacht
[41] voorhof van de tempel
[3] wannen, zeven, meten
[31] wapens
[14] water en melk
[7] werktuigen
[20] wijn- en olijfpers
[1] zagen, spaden, houwelen
[3] zeven, meten, wannen,

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1090-1011

.

.