Tagarchief: Roodkapje

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (3)

.

HERDER, LAAT JE SCHAAPJES GAAN

Jaren geleden probeerde Melly Uyldert de kinderspelen als ‘verborgen schat’ voor de lezers van haar blad ‘De kaarsvlam” uit te leggen.

Over dit spelletje zegt ze:

Het mooiste en diepzinnigste van deze groep van kinderspelen, die de overgang der zielen van de ene bestaanstostand in de andere weergeven, is waarschijnlijk wel: „Herder, laat je schaapjes gaan!”

Tussen twee evenwijdige strepen ligt het veld, waar de schaapjes doorheen moeten trekken. Dat is ook zo bij ‘Schipper mag ik overvaren’ en bij ‘overlopertje’ dat ervan is afgeleid. Achter de ene streep staat een herder met zijn kudde, achter de andere een andere herder, die de eerste uitnodigend toeroept:  Er is ook een middenstreep, zodat er twee velden zijn waar de schapen overheen moeten, de ‘dreef’ of ‘drift’.

De ene herder:

Herder, laat je schaapjes gaan!

Waarop de herder antwoordt: Ik durf niet!

Waarom niet?

Om de boze wolf niet!

De boze wolf zit gevangen tussen twee ijzeren tangen,
tussen zon en maan — herder, laat je schaapjes gaan!

De wolf zit inderdaad in een hok aan de zijkant van het veld. Maar als de herder in goed vertrouwen zijn schaapjes naar de overkant jaagt, springt hij te voorschijn en pakt zoveel schaapjes als hij kan, die hij in zijn hol sleept. De anderen bereiken de veiligheid achter de streep en nu begint het spel opnieuw in omgekeerde richting, net zo lang tot alle schaapjes door de wolf gepakt zijn.

Wat betekend dan toch eigenlijk dat: tussen zon en maan?

Om dat te begrijpen, moeten wij ons verplaatsen in de zielstoestand van onze voorouders, voor wie het duister dezelfde beangstigende gedaante had als nu voor onze kinderen, als zij ’s avonds — half slapend, half wakend — alleen in de donkere slaapkamer liggen. Vaak hebben zij dan angst voor een wolf, het zinnebeeld waarin zich ook in de droom allerlei angsten vertonen, in de eerste plaats de driften, die het geweten verontrusten: begerigheid, drift, onwaarachtigheid. De wolf is tegelijk symbool voor de uiterlijke en voor de innerlijke duisternis, en zo vinden wij dit beeld ook in de oude Germaanse mythen terug: de Fenriswolf, de vijand der zielen. In de Germaanse voorstelling worden zon en maan vervolgd door twee wolven uit het geslacht van Finrir: de een jaagt de zon na om deze te verslinden en de ander loopt voor de zon uit en probeert de maan te grijpen. De wolf Fenrir wordt ook wel voorgesteld is de verslinder van zon en maan zelf. De Asen namen hem gevangen en boeiden hem met de toverband Gleipnir en werd daarop tussen twee rotsen (de tangen?) vastgemaakt.
Wanneer de schemering over het land komt aansluipen als een alles verslindend dier, wordt de kinderlijke mens zich van gevaar bewust. Gelukkig als het verdwenen zonlicht spoedig door het maanlicht wordt vervangen, dan zit de duisternis gevangen tussen zon en maan! — (De voorstelling van de duisternis als wolf komt nog voor in de Franse uitdrukking voor de schemering tussen dag en nacht: entre chien et loup.)
De boze wolf loert in de ziel gedurende de overtocht van het bewustzijn van waken naar dromen. Dan zijn de gedachten en gevoelens zonder herder.

De herders zijn Anne en Holda, (de geboorte- en de doodsengel), Oerd en Skoeld, de eerste en de derde norne; de ene roept, de andere laat gaan. Het veld is het aardse leven, waar de zielen bedreigd worden door de boze wolf als het Kwaad. Eenmaal in zijn macht kunnen de zielen na hun dood niet in de hemel komen, maar moeten in het vagevuur blijven. De wolf als personificatie der duistere machten bedreigt de zielen in het niemandsland tussen hemel en aarde op hun weg heen of terug.

Het veld van gevaren is ook hier de stroom van vergetelheid, en men zou kunnen zeggen: de wolf is het vergeten, dat de ziel grijpt wanneer zij zowel bij haar neerdaling in het embryo als bij haar terugkeer uit andere werelden bij het ontwaken elke ochtend, de herinnering aan de hemelse heerlijkheid verliest. Zij zou die willen behouden, maar ze wordt haar afgegrist door de wolf, het dagverstand met zijn grote muil. Dezelfde muil verslindt alles wat de ziel zich op aarde verzameld had, bij haar overgang naar het hiernamaals.

De schapen kunnen de wolken voorstellen. De wolken staan onder Odin, de god van hemel en sterren. Odin is dan de schaapherder. Hij wordt door Fenrir belaagd en is niet veilig voor deze is geboeid. Daarom durft de herder zijn schapen niet te laten gaan vóór de wolf gevangen is. Wanneer de herder daar gerust op is, laat hij zijn schapen gaan. Maar de wolf rukt zich los en werpt zich op zijn vijanden. De dag van de wereldstrijd is aangebroken. De Asen zullen te gronde gaan.

De wolf, als men denkt aan de wolf Fenrir uit de Edda, kan ook gezien worden als de gestalte van Saturnus of Satan, die de mens zwaar op de proef stelt door hem sterk in zijn eigen ik te isoleren, gedrukt door een te zwaar verantwoordelijkheidsbesef. Wanneer het volle maan is en Saturnus midden tussen Zon en Maan staat, lijkt dit op de situatie als van de twee herders tegenover elkaar met de wolf er midden tussenin. Saturnus maakt dan een vierkant (rechte hoek) zowel op de Zon als op de Maan, en wie bij zo’n constellatie geboren wordt, heeft zijn leven lang zwaar door Satumus te lijden, die voelt zich eenzaam en in zijn ik opgesloten, inderdaad in het hol van de wolf, die ook de dood voorstelt, die tussen de levengevers Zon en Maan niet veel kon uitrichten, (Goethe had een dergelijke geboorte-figuur: Zon op de midhemel, Maan op het diepste punt en Saturnus op de ascendant.) Satumus is echter tegelijk dóór zijn streng gezag ’s mensen geweten en tevens zijn i n w ij d e r, die hem door de beproevingen verder brengt. De mens moet door de onderwereld (het onderbewuste) van zijn eigen ziel gaan, zoals dat in de oudheid bij de mysteriën gebeurde en tegenwoordig bij een goede psycho-analyse, om tot de waarheid en ten slotte de geestelijke wereld der eenheid te geraken. Zo gaat men als het ware bij levenden lijve reeds door zijn vagevuur. Dat is het hol van de wolf.

Zo zien wij in dit spel niet alleen de drie gebieden als de voorgeboortelijke sfeer van Anne, de aardse sfeer en de sfeer hiernamaals van Holda, maar ook als de drie fasen van het ontwikkelingsproces der ziel: de eerste als het onbewuste leven van de naïeve ziel, omgaand met voorstellingen (beelden); de tweede als het bewuste ik-leven, te midden van abstracte gedachten (zoals Satumus de mens geeft) en de daaruit gevlochten problemen; en de derde als de fase dergenen, die Satumus wel ontmoeten, maar niet in zijn macht geraken en tijdig de synthese der tegenstellingen ontdekken, dus de eenheid bereiken, de reïntegratie.

Het ontkomen aan de wolf en zelfs het uiteindelijk overmeesteren van deze macht: duisternis, waan, begeerte, beperkt verstand, eigenwaan, onwaarachtigheid, is hèt grote motief, in het zieleleven van ieder mens, in occulte scholing, weergegeven in spel en sproke en mythe: Edda, Roodkapje, De wolf en de zeven geitjes!

Roodkapje was zeven jaar, toen haar grootmoeder ziek werd. De leeftijd waarop het kind naar school gaat en in de macht van de wolf geraakt. Met het rode kapje van begeerte had het ikje zich afgesloten voor de inspraak der natuur en betrad zelfstandig de dwaalwegen in het woud des levens. Edda betekent tegelijkertijd grootmoeder en oude wijsheid. Zij was verzwakt en werd een gemakkelijke prooi van de wolf, die zich, met grootmoeders muts op, aan het ikje voordeed als de oude wijsheid. En ook haar, Roodkapje, verslond! Maar Vidar verslaat Fenris, de jager doodt de wolf, bevrijdt het ik uit de donkere buik van de waan, en zie: daar komt de oude grootmoeder mede te voorschijn! Want het ik, dat zich bevrijdde van de dwingelandij van het lagere verstand, herkreeg het intuïtief begrip van de wijsheid der voorouders! Ook in de grote ontwikkelingsgang der mensheid komt een punt, waar de wolf verslagen wordt en een betere tijd begint.

Nemen wij een voorlopig afscheid van de drie hoedsters der zielen in het kinderrijmpje:

Daar waren eens drie eendjes in een pontje;
het ene heette Bontje,
het tweede heette Gontje,
en het derde heette Klisklasklepelklontje!
Dat vond eens een klontje, en wou het niet geven aan Bontje;
toen nam Bontje een steen,
en gooide die naar Klisklasklepelklontjes been!
Wel foei, Bontje, zei toen Gontje, neem jij een steen,
en gooi jij die naar Klisklasklepelklontjes been!?

In elk geval: Bontje, Gontje en Klisklasklepelklontje, ze zijn er nog! Met dwang en geweld kan men de voorstellingswereld van een volk veranderen, nieuwe namen gevend aan levende zielebeelden. Al werden haar afbeeldingen in steen tot een lieflijke onbekendheid, al vermomde het bakerrijmpje ze als eendjes en verbasterde men haar namen — het volksgeheugen is trouw: het beeld der drie jonkvrouwen is uit de volksziel nimmer uitgewist — het leeft nog vandaag de dag!

Melly Uyldert in diverse artikelen

peuters/kleuters: alle artikelen

1225-1144

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-2)

.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.
.
J.C.Alders, ‘De Vacature’ ca 1976/77
.

4.Assepoester
.

De naam wijst op poesten = blazen, een verouderd Ned. woord. Het Duits kent het nog wel op het platte­land: pusten voor blazen, bijv. er hat ihm Rauch in das Gesicht gepustet.

Een vrouw, ditmaal géén koningin, sterft. De man neemt een andere vrouw met 2 dochters. De stief­dochters verbannen A. naar de keuken, zij moet oude kleren aandoen, klompen dragen, zij krijgt geen bed en zij slaapt in de as. De vader protesteert niet. A. moet nu zwaar keukenwerk doen: water uit de put halen, vuur aanmaken, vuur aanblazen, koken en wassen. Als de vader op reis gaat vraagt hij A. wat hij mee moet brengen. Zij vraagt de vader de eerste tak waartegen hij met de hoed stoot. Hij stiet tegen een hazelaartak. A. plant die tak op haar moeders graf. Het werd een boompje en A. bad en weende daar 3x per dag. Een vogeltje gooit van de hazelaar omlaag wat A. wenst.

De koning des lands nodigt alle jonkvrouwen op een feest, zijn zoon moet een bruid uitzoeken. De stief­zusters gaan naar het feest, de stiefmoeder verzint steeds opdrachten opdat A. niet gaan kan. Nu gaat A. naar haar moeders graf onder de hazelaar en het vogeltje werpt mooie kleren omlaag. Zij gaat naar het feest en wordt voor een prinses aangezien. De prins danst met haar. Hij wil haar thuis brengen. Zij ontsnapt hem en zij klimt in de duiventil. De vader zoekt met de prins naar A. De vader slaat met de bijl de duiventil in elkaar, maar A. is er niet in. Zij lag thuis in de as te slapen.

De volgende avond werpt het vogeltje nog mooier kleding omlaag en de prins danst met haar. Als hij haar thuis wil brengen, ontloopt zij hem en zij klimt in de perenboom. Vader en prins zoeken haar vergeefs en de vader hakt de perenboom om. Niemand erin! De derde dag werpt de vogel met de kleding gouden pantoffels omlaag. De prins danst met A. en weer ontsnapt zij. Maar de prins heeft de trap met pek besmeerd en één pantoffel kleeft er aan vast. De prins gaat met de pantoffel naar de vader. De prins zegt, met de dochter, die de pantoffel past, trouwt hij.

De oudste stiefdochter probeert de pantoffel. Hij past niet, zij snijdt de grote teen af om er in te komen. Als de prins met haar te paard de hazelaar voorbij rijdt, roepen de duiven dat er bloed in de schoen is.

De prins brengt haar terug. De tweede stiefdochter past nu, haar hiel is te dik. Zij snijdt een stuk van de hiel af. De prins neemt haar op zijn paard mee, maar weer roepen de duiven dat er bloed in de schoen zit.

De prins brengt haar terug. Na veel aandringen van de prins wordt A. geroepen, de pantoffel past en de dui­ven roepen: „dat is de ware bruid”.

De duiven gaan op A.’s schouder zitten. De stief­zusters komen op de bruiloft en de duiven pikken haar beide ogen uit.

We zien Germaanse gebruiken: het graf van de moe­der vlak bij huis. De Germanen begroeven ook vlak bij huis. De twee duiven op A.’s schouder zouden kunnen wijzen op de 2 raven op Wodans schouder: Hugin (denker) en Munin (hij die herinnert), maar dat is wel een zwak argument.
A. laat in haar dagdromen haar rivale – de moeder -sterven en als straf verschijnt de als stiefmoeder vermomde moeder en A. moet in de keuken werken.
A. is verliefd op de vader en droomt van incest. Het hazelaarstakje, dat de vader meebrengt, is het „kind” dat zij van de vader krijgt. En ze plant het op moeders graf, want zonder de dood van de moeder kan het trouwen met de vader niet plaats vinden. De stief­moeder is dus de moeder als wreekster. De vader­binding en droom van incest met de vader worden opgeheven als ze op de prins verliefd wordt. De vader wordt dan belachelijk: hij slaat de duiventil in elkaar, hakt de perenboom om.

En duiventil en boom zijn baarmoedersymbolen (holle ruimten). Er is veel overeenkomst met Sneeuwwitje en Assepoester. Beider moeder sterft, beiden krijgen een stiefmoeder, beiden moeten in de keuken werken, beiden zijn enige dochter. Bij S. is de vader een jager, bij A. een soort sloper als de incestwens verdrongen is.

5.Roodkapje

Weer eens een sprookje waarin de vader geen koning is. Roodkapje heet naar de rode muts die zij van de grootmoeder krijgt. Op een dag zond de moeder R. met een koek en een fles wijn naar de zieke groot­moeder, die 1/2 uur van het dorp in een bos met wolven woont.
R. ontmoet de wolf, die haar op het idee brengt bloemen te plukken.
De wolf gaat naar het huisje van de grootmoeder en eet haar op met huid en haar. De wolf trekt groot­moeders kleding aan en kruipt in haar bed. Als R. komt slikt de wolf R. geheel in, met muts en al. De wolf kruipt na zijn diner weer in bed en snorkt zó luid, dat de jager het hoort. Hij gaat kijken en ziet de wolf. Hij snijdt hem de buik open en ziet de rode muts van R. Alsof het een keizersnede is haalt hij R. en de grootmoeder eruit. Zij leven nog. R. haalt grote stenen en vult daarmede de wolf. Als de wolf wakker wordt, blijken de stenen zó zwaar dat de wolf dood neervalt. –

De vader van R. treedt vermomd als de jager op en redt de dochter.

De moeder is jaloers op het mooie R. en stuurt haar een bos in waarin wolven zijn, in de hoop dat zij verslonden wordt (de haat moeder-dochter, voor de moeder is R. haar rivale). Ook is de moeder vermomd als de wolf en eet haar dochter op. Dat past goed bij de uitdrukking „Hab’ ich dich zum Fressen gern”. Dat R. de wolf met stenen vult waardoor hij sterft, is de wraak van de dochter op de moeder. De
rivali­teit en haat is wederzijds!

Evenals de moeder R. als rivale beschouwt, zag de grootmoeder in de moeder haar rivale. Maar tussen grootmoeder en kleindochter is geen rivaliteit meer. De rijpingstijd bij R. duurt maar kort: een paar uur in de buik van de wolf, dus veel korter dan bij Doorn­roosje (100 j.), bij Sneeuwwitje een jaar of 7, bij Assepoester een paar jaar, bij Roodkapje een paar uur.

Dat er een wolf in het sprookje voorkomt, wijst dui­delijk op de Germaanse bossen, waar wolven een plaag waren. De fles wijn moet later ingevoegd zijn, de Germanen kenden oorspronkelijk geen wijn (de Romeinen brachten die mee en plantten ze aan in het Moezeldal) en flessen kenden de Germanen ook niet, de Romeinen leverden de wijn in amforen (stenen kruiken).

6.Bontepels

De naam betekent (een mantel) uit de pels van allerlei dieren. Een koning had een vrouw met blond haar. Als zij sterft moet de koning beloven weer met een blonde vrouw te trouwen. De koning zendt boden uit, zij vinden nergens een blonde vrouw. De koning had een enige dochter met blond haar. Toen zij in de puberteit was, geleek zij zó op de blonde moeder, dat de koning haar wilde trouwen. De dochter verlangt 3 klederen en een pelsmantel van allerlei dierenhuiden gemaakt. Toen alles klaar was, zei de koning tot zijn dochter „morgen trouwen we”. De dochter wil niet trouwen alleen om haar blonde haar. Zij vlucht en neemt de pelsmantel, de mooie kleren, een gouden ring, een gouden spinnewieltje, een gouden spoel om te spinnen mee. In een bos kruipt zij in een holle boom en slaapt daar.
De koning was daar aan het jagen. De jagers melden de vondst van A.
De koning laat haar door zijn jagers oppakken en meenemen.

In het paleis wordt zij keukenhulpje en slaapt in een ruimte onder de trap. Zij moet water putten, vuur aanmaken, de groente uitzoeken. (Voor Duits stude­renden: Grimm noemt dat ,,sie belas Gemüse”, waarin we een oud Duits werkwoord „belesen” zien.) Voorts moest zij gevogelte plukken en de as wegbrengen. Geen koken!

Hier bleef A. lange tijd. Als er een feest is, mag zij aan de deur staan kijken. Zij haalt een mooi kledingstuk te voorschijn en danst met de koning. Na het bal ver­dwijnt zij plotseling en doet de pelsmantel weer aan en is weer A.. Zij moet nu heerlijke broodpap voor de koning koken en zij doet de gouden ring erin. De kok moet erkennen, dat A. die pap gekookt heeft. En A. die geroepen wordt voor uitleg, zegt van de ring niets te weten. Als er weer feest is, herhaalt zich het boven­staande. Nu doet A. het gouden spinnewieltje in de pap en A. ontkent iets daarvan te weten. Ten derden male een feest en nu gaat de gouden spoel in de broodpap.

Tijdens het dansen steekt de koning onbemerkt een gouden ring aan de vinger van A. De koning laat A. roepen als hij de spoel in de pap vindt, hij houdt haar vast als hij de gouden ring aan haar vinger ziet, doet haar mantel uit en de blonde haren worden zichtbaar. De koning trouwt nu met zijn dochter.

-Het sprookje lijkt oppervlakkig niet-Germaans, want de boden vinden nergens een blonde vrouw. Het moet dus een Germaans land met zwartharige vrouwen zijn. En dat is er nóg: Beieren. Vooral de Altbayern zijn allen zwartharig.

Als de moeder sterft – de dochter is haar rivale – laat zij de koning beloven weer met een andere blonde vrouw te trouwen, wél wetende dat die in haar land niet zijn om hem zo te beletten te hertrouwen. A. vlucht in een holle boom = baarmoedersymbool. De vader, vermomd als jager, vindt haar. Evenals Assepoester en Sneeuwwitje moet A. keukenmeisje zijn. A. weet dat de liefde van de man door de maag gaat en kookt daarom heerlijke broodpap voor hem. En zij trouwt dan met haar vader. Een duidelijk incest geval.
De incest vader-dochter herinnert aan de Egyptische farao’s, die waren ver­plicht met een zuster te trouwen. De farao was goddelijk, zijn kinderen ook en bij de incest broeder-zuster werd het een „goddelijk” huwe­lijk.

De incest vader-dochter komen zowel in de Griekse mythologie als in de Bijbel voor. De Griekse Myhrra bezoekt haar vader 12 nachten voor seksuele omgang. Als de vader het merkt, jaagt hij haar met zijn zwaard na. De goden redden haar door haar in een boom te veranderen, (de boom is moedersymbool). Gestraft wordt er niet.

De heer Thyestes leeft met zijn dochter Pellopia in een incestverhouding.

In Genesis 19 : 30 – 38 vinden we het verhaal van de 2 dochters van Lot.

Zij voeren hun vader dronken en hebben des nachts seksuele omgang met hem. Gen. 19 : 36 ,,en de twee dochters van Lot werden bevrucht door haren vader”, en zij kregen een zoon van hun vader. De incest gaat geheel van de dochters uit. Zij voeren hun vader dronken opdat hij niet weet wat hij doet en om te voorkomen dat hij weigert. We lezen niets over een straf van God. Voor God is incest blijkbaar niet straf­baar. Voor een veel geringer seksueel vergrijp straft God Onan met de dood (Gen. 38 : 10). De incest vader-dochter komt ook nog heden veel voor. De meisjes zijn in de puberteit en de schuld ligt niet geheel bij de vader, de dochters prikkelen hem er toe. Bij deze incest vinden we gewoonlijk een zeer frigide echtgenote. De vader is alcoholist, despoot, geestelijk gestoord of een sadist en hij meent als hoofd van de familie een seksueel recht op de dochters te hebben, net als de oermens. De dochters verzetten zich niet, zij zijn passief en soms masochistisch.
Zie het boek „Hyacintha en Pasceline”. Het speelt in Indonesische omgeving, de adat (gewoonterecht) heerst er.
De adat voorschriften verbieden ten strengste dat ’n zoon, zelfs de oudste, met de moeder naar bed gaat. Dan word je bij overtreding uitgestoten of vermoord. Maar ’n vader met de oudste dochter naar bed is heel gewoon, is wet. Het is de plicht van de oudste dochter met de vader seksuele omgang te heb­ben vanaf het moment dat hij dat wil. Gehoorzaamt de dochter niet, dan zal ze niet mogen trouwen, ze toont gebrek aan kennis van en gehoorzaamheid aan de adat en dat is een ernstig iets. De moeder zal het aanmoedigen en als de dochter de vader, goed bevredigt, wordt ze geprezen en dat wordt openlijk besproken. Dat blijft zo bestaan ook als de dochter getrouwd is en kinderen heeft.” Ik ken de Indonesische adat niet, ik kan de kwestie niet beoordelen.

De incest moeder-zoon komt minder voor. Gewoonlijk is de enige zoon of de enige nog thuis zijnde zoon de plaatsvervanger van de overleden vader. De zoon regelt de financiën en de verdere zaken van de
over­leden vader. Tenslotte neemt de moeder de zoon mee naar bed opdat de zoon ook daar de vader vervangt voor seksuele omgang. De incest gaat van de moeder uit. Zoals we hierboven zagen, verbiedt de Indone­sische adat dat de moeder seksuele omgang met de zoon heeft.

We hebben dus gezien dat de besproken sprookjes absoluut Germaans zijn. Ik geef toe dat enkele argumenten zwak zijn, maar het merendeel wijst toch overtuigend op de Germaanse oorsprong.

.

Vanuit een antroposofische achtergrond heeft Friedel Lenz deze sprookjes eveneens verklaard: Assepoester  Roodkapje  Bontepels

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

753-689

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-3/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Licht en duisternis in sprookjes

In de wijsheid van sprookjes liggen veel troostrijke beelden verborgen die op de menselijke levenssituaties van toepassing zijn.
Neem bijvoorbeeld de zo vaak optre­dende situatie dat de hoofdfiguur van het verhaal in een absolute impasse is geraakt, zoals Roodkapje wordt beschreven nadat de wolf haar heeft opgeslokt. Natuurlijk is daar een levensweg, die tot dit punt leidde, aan voorafgegaan. In het sprookje plukt Roodkapje zoveel bloe­men, dat er niets meer bij kan, en zij luistert naar de vogeltjes. En dan, als zij in grootmoeders huis beland is, sluit de don­kerte zich over haar. In deze donkerte, de buik van de wolf, is ook grootmoeder al verdwenen
Als hier het verhaal zou ophouden was het zwart in zwart. Maar de wijsheid van de sprookjes eindigt nooit zonder hoop en ook in deze situatie is hulp in aan­tocht.
Of het nu de koningszoon is, die Sneeuw­witje in de glazen kist ontdekt of, zoals hier, de jager die naar huis komt, er is van buiten af een helpende hand, wanneer de hoofdfiguur van de omgeving is afgeslo­ten, al of niet in duisternis. In welke tijd van ons leven wij in deze wolfsbuik terecht komen – dat kan ver­schillen, maar te zijner tijd zullen wij alle­maal wel door dit stadium heen moeten. Belangrijk is dan dat wij op weg waren naar een doel, zoals Roodkapje naar Grootmoeder. En dat wij, al zijn wij hele­maal van licht verstoken, dit doel willen bereiken en de hoop niet opgeven. Dan komen andere krachten van buiten af te hulp en het kan weer licht worden. Het sprookje laat ons de verandering zien in de mens die uit de duisternis in het licht komt. ‘O, wat was het donker in de wolf zijn buik’, zegt Roodkapje: zij heeft deze toestand ten volle doorleefd. En nu komt er een heel bijzonder moment waarover wij gemakkelijk kunnen heen lezen zonder het te beleven: het rode kapje glansde in de duisternis, toen de jager de buik opende! Het accepteren van het lot en het blijven hopen, hebben het rode kapje zo veranderd dat er licht van af­straalt. Men kan misschien ook zeggen: de ‘diepe duisternis, en het licht dat van Roodkapje uitgaat, houden met elkaar verband. Zonder deze levensfase was het  kapje nooit lichtend geworden. Waar die­pe schaduw is, moet ook een heldere lichtbron zijn. En zo zien wij ten slotte de sprookjesfiguur die hier voor iedere mens staat, verlost te voorschijn komen. Of zoals het in Faust klinkt:

‘Wie worstelend zich inspant steeds,
Die kunnen wij verlossen.’

A.Weissenberg-Seebohm, ‘Jonas’, 18-12-1971

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

213-201

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-3/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

ROODKAPJE
Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het aller­meest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje ge­noemd.
Op een dag zei haar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je groot­moeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft groot­moeder niets. En als je haar kamer binnen­komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeg­gen en snuffel niet eerst overal rond.’
‘Ik zal goed oppassen.’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.
Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje.’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn. Wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Rood­kapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notenhagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: ‘Dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleg­gen zodat je ze allebei vangt.’ Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo ver­rukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestra­len door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: ‘Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom.’ Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verder­op een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in. Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur.
‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht.
Roodkapje echter had rondgelopen en bloe­men geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herin­nerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer in­stapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: ‘Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben.’ Zij riep: ‘Goede­morgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O,  grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kun­nen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje. Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken.
Toen kwam net de jagersman voor­bij die bij zichzelf dacht: ‘Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kij­ken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleg­gen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde ech­ter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.
Toen waren zij alle drie blij. De jager stroop­te het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verbo­den heeft.

Ook wordt er wel verteld dat op een keer, toen Roodkapje haar grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, een andere wolf haar had aangesproken en van de weg af had wil­len leiden. Roodkapje paste echter wel op en liep rechttoe rechtaan door, en zij vertelde aan grootmoeder dat zij de wolf was tegenge­komen die haar goedendag had gewenst maar zó kwaadaardig uit zijn ogen had ge­keken: Als het niet op de grote weg was ge­weest, had hij mij vast opgegeten! ‘Kom,’ zei de grootmoeder, ‘wij zullen de deur op slot doen, zodat hij niet naar binnen kan.’ Kort daarop klopte de wolf aan en riep: ‘Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng koek en gebak voor je mee.’ Zij hielden zich echter stil en deden de deur niet open. Daar­op sloop de Grijskop ettelijke malen om het huis heen, sprong ten slotte op het dak en daar wilde hij wachten tot Roodkapje ’s avonds naar huis ging om haar dan achterna te slui­pen en haar in het donker op te eten. Maar de grootmoeder merkte wat hij in de zin had. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en zij zei tegen het kind: ‘Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, draag jij het water waarin ze zijn gekookt naar de trog.’ Roodkapje droeg net zo lang worstenat aan tot die hele, grote trog vol was. De wolf kreeg de geur van de wors­ten in de neus, hij snuffelde en keek naar beneden en ten slotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zich niet meer kon houden en be­gon te glijden, en zo gleed hij van het dak af regelrecht in de grote trog en verdronk. Roodkapje ging echter opgewekt naar huis en niemand deed haar kwaad.

ROODKAPJE
Heeft het zin om over sprookjes te schrijven en te praten? Spreken de beelden niet direct tot de harten van kinderen en volwassenen? Het spreekt vanzelf, dat een kind niets hoeft te weten van uiteenzet­tingen over sprookjes, ja het is zelfs beter, dat het er niets van weet, want de sprookjeswereld stroomt het liefst een open hart binnen en een onbevangen kind brengt de sprookjeswereld een open hart tegemoet.
Nu is de wijsheid, die de sprookjes in zich bergen niet altijd alleen voor de kinderkamer bedoeld geweest. Integendeel, in vroegere tijden vertelden volwassenen elkaar deze verhalen en de kinderen mochten misschien meeluisteren. Toen de sprookjes van Moeder de Gans opgeschreven werden, werden de sprookjes door vol­wassenen aan volwassenen verteld. Dat valt af te lezen aan de stijl dezer sprookjes. Daarentegen zijn de ca. 100 jaar later door de gebroeders Grimm vastgelegde sprookjes opgeschreven met de speciale bedoeling om als huis- en kindersprookjes te dienen. In die tijd waren deze verhalen al haast uitsluitend in de kinderkamers te vinden.

Toen de sprookjes opgeschreven werden, waren ze al honderden en honderden jaren oud. Wat leefde er toch in deze sprook­jeswereld, die dus oorspronkelijk be­doeld was om van mens tot mens doorge­geven te worden?

Laten wij eens een voorbeeld bekijken, en wel:

ROODKAPJE
Op de een of andere manier vertelt ieder sprookje van de levensweg en de levensproblemen van de mens.
Als wij bijvoorbeeld Roodkapje hier laten volgen om daarin zo:n levensweg aan te tonen, dan zou het raadzaam zijn het sprookje van tevoren eerst te lezen. Als u het doorgelezen hebt zullen de hier volgende toelichtingen veel duidelijker tot u spreken.
Aan het begin van dit sprookje staat de grote liefde van de grootmoeder die het rode kapje aan het kind geeft. Vanaf dit ogenblik draagt het meisje dit kapje altijd. Liefde en warmte om­sluiten het hoofd en maken het mogelijk dat onze gedachten warm kunnen zijn in plaats van dood en koud. Hoe deze mogelijkheid door het leven ontwikkeld kan worden zullen wij aan het eind van dit verhaal zien.
Laten wij eens hand in hand met het kleine meisje op stap gaan en meebeleven, wat er allemaal op haar afkomt.
Eerst wordt zij door haar moeder naar grootmoeder gestuurd met wijn en koek, want grootmoeder is zwak en moet aansterken.
Hier valt ons meteen op, dat 
het doel van deze levensreis “zwak” is en opfrissing verwacht van het mensenkind.
Moeder, die haar op pad stuurt, geeft haar een heleboel levensregels mee:
zeg goedendag, ga niet van de weg af, kijk niet eerst in alle hoeken’.
Welk jeugdig mensenkind heeft niet heel wat van deze levensregels meegekregen en gaat welgemoed zijn levensweg beginnen. Zo belanden wij met Roodkapje in het bos, een situatie in de sprookjeswereld, waar vele helden en heldinnen in terecht komen. Waar zijn wij hier? In een donkere onoverzichtelijke om­geving. Niet alle bossen in de sprook­jeswereld zijn donker en onoverzichte­lijk, maar wel die bossen, waar de be­proevingen voor de held of heldin be­ginnen. Zo ook hier: de wolf verschijnt. Dat is een gebeurtenis, waar moeder niet voor gewaarschuwd heeft. En toch is dit zo’n gevaarlijke ontmoeting. Waarom eigenlijk? Omdat die ontmoeting-  en wij allen, die in zekere zin ook Roodkapje zijn – ontmoeten deze wolf heel persoonlijk dat met goed of slecht gedrag niets te maken heeft. De wolf loopt een stukje met Roodkapje op en vraagt o.a.:  “Waar woont je grootmoeder en wat breng je haar?” Nadat hij door Roodkapje daarover op de hoogte is gebracht zegt hij: “Maar je loopt door het bos alsof je naar school toe gaat!” En hij maakt haar opmerkzaam op de bloemen en de vogels. Ons kind, dat op weg is, ziet nu voor het eerst wat voor heerlijks de wereld om haar heen te bieden heeft; en zij gaat van de weg af om bloemen te plukken. Elke bloem, die zij nog niet heeft, is mooier dan de bloem die zij al geplukt heeft en zij plukt en plukt-zoals zij zichzelf voorspiegelt – een ruikertje voor grootmoeder. Maar feitelijk verliest zij zichzelf geheel en al in deze wereld. Dat is voor de wolf het sein om naar de grootmoeder te gaan en haar op te slokken, haar kleren aan te trekken en haar plaats in te nemen. Dit zich­zelf verliezen in de wereld door bloemen te plukken heeft tot gevolg, dat niet alleen de mens, maar ook het doel waarheen hij streeft, verandert. Nadat Roodkapje zoveel bloemen geplukt heeft, dat zij er niet meer kan vasthouden – het was dus waarachtig geen ruikertje – denkt zij weer aan grootmoeder. En wat beleeft zij nu? In het klassieke vraaggesprek van:” Grootmoeder, wat heb je grote oren, ogen, handen, mond”, spreekt zij de wolf iedere keer met grootmoeder aan. Zozeer is haar onderscheidings­vermogen vertroebeld in het bos met de bloemen en de vogels. Zij heeft zelf zo intens naar de vogels geluisterd, dat haar oren overmatig groot geworden zijn. Wat hebben haar ogen begerig rond gekeken naar bloemen en haar handen die bloemen bij elkaar gegrist. Ook de reukzin en de smaak, die in de grote mond gezeteld zijn, heeft zij zelf ontwikkeld in het bos. Kortom:  zij is het zelf, die daar ligt, en zo verdwijnt zij daar in de donkere buik.
Hier op dit moment houden we onwillekeurig de adem in, want wat moet er nu gebeuren? Wat zal hier redding kunnen brengen?                                                                   Zo’n moment komt in veel sprookjes voor en altijd wordt met grote ernst en ook wel met medelijden verteld, hoe de hulp op komt dagen. Hier is het de jager. Wat is een jager? Dat is een man, die in de dierenwereld van het bos dat hij beheert, orde moet houden. Met zekere hand en scherpe blik schiet hij die dieren weg, die het evenwicht in de dierenwereld zouden verstoren, dus de dieren die teveel zijn of die ziek zijn. Hij kent ook de wolf en heeft hem allang gezocht. Zocht hij hem misschien al vanaf de tijd, dat Rood­kapje bloemen plukte? Maar zijn zelf­beheersing toont hij, doordat hij niet meteen schiet. Neen, hij overlegt eerst en handelt dan. Hij knipt de buik van de wolf open met een schaar. Dat is helemaal geen instrument voor een jager, veeleer voor een kleermaker. Hij bedient zich hier van een instrument dat in de sprookjeswereld door het knappe kleermakertje gehanteerd wordt, waardoor dit ventje laat zien dat het zeer bij de pinken is. Wat ziet de jager nu het eerst in de duisternis van de buik? Het rode kapje glanst hem tegemoet. Dit is zeer verrassend, want een gewoon rood kapje zou in de donkerte niet glanzen, er moet dus licht uitgaan van dit kapje. En dat is wat door het leven in de duister­nis als nieuwe eigenschap is ver­worden. Zo komt Roodkapje uit de duisternis in het licht. Ook grootmoeder komt nu op krachten door de wijn en de koek. Zij hoeft niet meer in bed te liggen en is weer aangesterkt. De jager krijgt de vacht van de wolf. Natuurlijk, die is van hem, hij is immers degeen, die met de dierlijke machten om kan gaan. Verenigd in het huis zijn nu de jager, de grootmoeder en Roodkapje. Zij vormen tezamen een levensresultaat, dat Rood­kapje samenvat in de woorden: ” Ik zal nooit meer van de rechte weg afwijken, als moeder het verboden heeft”.
Wat haar in ’t begin van haar levens­weg meegegeven is door de moeder, dat heeft zij zich nu als eigendom ver­worven. “IK” zal nooit enz. Zo sluit deze levensweg met de dankbare her­innering aan haar oorsprong (de moeder en de volwassenwording van het ik.)
Als de ouders deze sprookjes aan hun kinderen vertellen, dan geven zij met de beeldenwereld wijsheid mee, die dieper doorwerkt dan een gewoon ver­haaltje. Immers ieder kind vereenzel­vigt zichzelf met de hoofdpersoon en daarom vereisen deze beelden een in­nerlijke activiteit van de verteller en de toehoorder, en daardoor ontstaat de innige band tussen beiden. Het is natuurlijk gemakkelijker een kind voor de t.v. te zetten maar de  moeite die de ouders zich getroosten om zelf sprookjes te vertellen of voor te lezen draagt voor beiden goede vruchten. U heeft in het sprookjes­boek een bron van vreugde in uw handen, een vreugde voor het hele gezin. Als de sprookjes met rust en liefde verteld worden zonder de emoties de vrije loop te laten en als wij in staat zijn het goede in het sprookje voor 100% naar voren te halen in ons vertellen, dan is het boze, zoals hier de wolf, alleen een beproeving die overwonnen wordt. Diep in de kinderziel ontstaat dan de zekerheid dat ook hij of zij deze overwinning zal behalen. Probeert u het eens een poosje. Voor onze tegenwoordige tijd werken deze beelden als een gezonde voeding voor het kind.

(Mevr. Weissenberg, nadere gegevens ontbreken)

Sprookje nr. 26 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

Roodkapje
Rotkäppchen
Uit de Mainstreek
Een van de meest bekende sprookjes, die door vele mensen op zeer verschillende wijze zijn uitgelegd. (Zie bv. Fromm: ‘Dromen, sprookjes mythen’.) De merkwaardige aanduiding dat het huisje van de grootmoeder staat onder de drie eiken, duidt volgens sommigen op een mysterieplaats waar een inwijding plaats vond.
Bij Perrault (Chaperon Rouge) eindigt het verhaal met de dood van het meisje. Een Zweedse ballade vertelt hoe een meisje moet gaan waken bij een lijk. Onderweg ontmoet zij de wolf en klimt van angst in een boom. Maar de wolf graaft de wortels op en de boom stort neer.
Sprookjes met slechte afloop (Schreckmärchen, Warnmärchen) werden vroeger verteld om kinderen af te schrikken voor gevaren als: aan het water komen, alleen het bos ingaan, de deur openen als je alleen thuis bent.
.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

210-199

 

 

 

 

 

 

 

 

.