Tagarchief: nieuwjaar

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – rond de jaarwisseling

.

Dieuwke Hessels

.

Een artikeltje gemaakt over de jaarwisseling.

Dit is wat je erin kunt vinden:

1.Veel Heil en Zegen..
2.Janusdag= Nieuwjaarsdag
3.Weerspreuken
4.12 heilige nachten
5.Nieuwjaar en Epifanie op 6 januari
6.Inspiratie voor Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag
7. liedjes

Eerst beknopt en als je meer wilt weten over een onderwerp, dan is er meer info te vinden verderop in het artikel als er een * bij vermeld is en is vermeld waar de originele tekst te vinden is.

1.Veel Heil en Zegen

De oude uitdrukking ‘veel heil en zegen’ heeft een heel mooie
strekking. Je wenst de ander bij de ingang van een nieuw jaar namelijk
het beste toe. Heil en zegen. Heil, dat betekent heling of herstel voor
zowel fysieke aspecten als spirituele aspecten van de mens.
Zegen is dat het komend jaar een zegen mag rusten bij wat je gaat of
wilt gaan doen.

2.Janusdag = nieuwjaarsdag

*Oorspronkelijk kende de Romeinse kalender maar tien maanden en begon het jaar in maart. De laatste maand van het jaar, december, werd gevolgd door een naamloze winterperiode. Deze twee maanden kregen in de zevende eeuw voor Christus de namen januari en februari. Later werd januari de eerste maand
van het jaar.
De maand januari is genoemd naar Janus, de god van doorgangen, poorten en in- en uitgangen, ook in de tijd. Algemener werd Janus wel gezien als god van alle begin, en van de overgang van oud naar nieuw.
Janus wordt meestal afgebeeld met twee gezichten: een dat naar voren kijkt (naar de toekomst) en een dat naar achteren kijkt (naar het verleden).
De elfde maand van het jaar werd naar hem vernoemd omdat hij als het begin van een nieuwe periode werd beschouwd – het was namelijk de eerste maand na de winterse zonnewende. Dat deze maand uiteindelijk de eerste maand van het jaar werd, heeft ook met die associatie te maken.

3.*Weerspreuken over januari:

Als de louwmaand mistig is, wordt de lentemaand heel fris.
De louwmaand mist, de lentemaand frist.
Op een milde januari volgt vaak een gure lente en hete zomer.
Als nevels in januaar ontstaan, brengt een natte lente aan.

4.*De 12 Heilige Nachten

zijn een eeuwenoude traditie die plaatsvindt tussen Kerstmis en
Driekoningen. Gedurende deze periode wordt geloofd dat de sluier
tussen de fysieke en spirituele wereld dunner is, waardoor er een
speciale gelegenheid ontstaat voor reflectie en spirituele groei. Maar
waar komt deze traditie vandaan, en wat maakt deze nachten zo
bijzonder?
De oorsprong van de 12 Heilige Nachten is gehuld in de nevelen van de
geschiedenis. Deze traditie vindt zijn wortels in oude Europese culturen,
waar de overgang van het oude jaar naar het nieuwe jaar een bijzondere
betekenis had. Het idee dat de periode tussen Kerstmis en Driekoningen gezegend was, kan worden teruggevoerd naar zowel pre-christelijke heidense rituelen als vroege christelijke vieringen. Het is een tijd van overgang, waarbij de grenzen tussen de fysieke en spirituele wereld vervagen.
De 12 Heilige Nachten hebben zich door de eeuwen heen verspreid en
aangepast aan verschillende culturele contexten. Van Scandinavië tot het Middellandse Zeegebied, vinden we variaties op dit thema in diverse tradities. In sommige culturen zijn de nachten verbonden met mythologische gebeurtenissen, terwijl ze in andere juist gekoppeld zijn aan astronomische fenomenen. De manier waarop mensen deze periode markeren, weerspiegelt vaak de unieke waarden en overtuigingen van hun gemeenschap.

5.Nieuwjaar en Epifanie op 6 januari

*De oudejaarsnacht is niet alleen maar een kwestie van een
datum op een uiterlijk vastgestelde kalender. Het is de middelste van de heilige nachten en daarmee eigenlijk het punt van evenwicht in de kersttijd, die duurt van de nacht van de herders tot aan de dag van de koningen. En deze kersttijd is deleerzaamste tijd van het jaar.
Het eigenlijke kerstfeest behoort nog tot het oude jaar. Aan het eind van de kerst komt dan het feest van Epifanie, dat tot het nieuwe jaar behoort. Op zich is het Kerstfeest een terugblik, dat van Epifanie kijkt vooruit.

6.Inspiratie voor Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag

Het is bijna zover; de laatste dag is in zicht van weer een jaar vol ervaringen. Het is tijd om even om te kijken en daarna de grote sprong te durven wagen naar het nieuwe jaar. Op naar
 een nieuw begin!
De laatste dagen van het oude jaar zijn vaak onlosmakelijk
verbonden met het terugkijken en het reflecteren. De een
verbindt zich aan de 12 heilige nachten, anderen kijken de
oudejaarsconference, nieuwsoverzichten of

kijken terug door te luisteren naar de top 2000. Ieder op zijn eigen manier.

Heidens nieuwjaar
Wist je dat oude volkeren die nog dicht verbonden met de
natuur leefden, het nieuwe jaar vierden na het einde van het
oogstjaar, na de winterzonnewende of pas bij het begin van
de lente? De kerk wilde af van al die heidense gebruiken en legde 1 januari vast als nieuwjaarsbegin. Die dag werd bid-en boetedag genoemd als viering vanwege de besnijdenis van Jezus.
Oudejaarsavond werd vernoemd naar Paus Silvester. In Nederland is die naam niet zo bekend meer, maar in Duitsland is dat nog steeds de meest gebruikte naam voor oudejaarsavond.
Maar ondanks de sterke invloed van de kerk zijn er nog steeds vele mooie heidense en oeroude rituelen zichtbaar in de vieringen van tegenwoordig.

2. Weerspreuken

Is Januari te warm, wordt de boer in het voorjaar arm.
Als in januari de vorst niet wil komen, komt hij vast in april.
Januari zonder regen, is de boer zijn zegen.
Geeft januari een sneeuwtapijt, zijn we gauw de winter kwijt.
Knopt januari niet van kou, men zit in de oogstmaand nog in de rouw.
Geeft januari muggenzwermen, dan hoort men in de oogstmaand de boeren kermen.
In de louwmaand mag het vriezen de stenen uit de grond, de boer mag dan niet kniezen maar vindt het heel gezond.
Als januari ons brengt bij strenge vorst, lijden wij des zomers geen honger en dorst.
Sneeuw met donder in januaar, voelt men het ganse jaar.
Januari rouw en hard, is voor het jaar een goede start.
Als januari is te warm, wordt de oogst waarschijnlijk arm.
Geeft januari veel water in het vat, de ganzen eten zich hier vet en zat.
Als het gras groeit in januaar, is het slecht voor het ganse jaar.
Als het in januari dondert over de bouw, komt later grote kou.
Stoot de mol in januaar, kijk van kou niet raar.
Draagt januari een sneeuwwit kleed, de zomer zal zijn heet.
In januari veel verdronken land, is goed voor de ganzen maar slecht voor de boerenstand.
Op een droge koude januaar, volgt veel sneeuw in februari
Januari nat, leeg blijft dan het vat.
Als in januari de muggen zwermen, moogt ge in maart de oren wermen.
Zoals in januari is, zo zal juli zijn.
Heeft januari kou en droge dagen, zo zal in februari de winter u plagen.
De zeven eerste dagen van het jaar, hangt veel af van het ganse jaar.
In januari veel regen, brengt de vruchten weinig zegen.
Wast het gras goed in januaar, voelt men het ganse jaar.
Is januari zacht, dan krijgen lente en zomer veel groeiende kracht.
In januari onweer in buien, komt er kou en sneeuw aan kruien.
Geeft januari sneeuw en vorst, vaak de boer veel granen dorst.
Staat groen en fris in januari het gras, staat dat in de zomer door hitte stil, dat gewas.
Spelen de muggen in januaar, dan raakt de boer in groot gevaar.
Overwinteren ganzen in ons land, dan blijft de strenge winter aan de kant.

3. Wikipedia
Nieuwjaarsdag, januari, Janus

De jaarwisseling, midden tussen Kerstmis en Driekoningen, heeft – zoals ook wordt uitgedrukt in de naam van de maand januari – altijd een Januskop met twee gezichten, waarvan het ene achter- en het andere vooruit kijkt. Wat heeft het jaar dat voorbij is gebracht en wat zal het nieuwe jaar brengen?
Janus (Latijn: Ianus) behoort tot de oudste van de Romeinse goden.
Afbeelding van een munt in het Nordisk familjebok, een encyclopedie.
In de Romeinse mythologie was Janus de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten. De deur (ianua) droeg daarom zijn naam. Daarom draagt ook de maand januari zijn naam en werd hij aangeroepen aan het begin van het zaai- en oogstseizoen, alsmede bij huwelijken en geboortes. Op de eerste dag van januari vermeed men alles wat een kwade betekenis kon hebben voor de toekomst. Bovendien gaf men, om de vriendschappelijke verhouding te bevestigen, elkaar kleine geschenken. In de latere tijden van de republiek aanvaardden ook de consuls hun ambt op de eerste dag van januari.
Als god van poorten werd Janus ook gezien als de god die de hemelpoort opende of sloot. Bij alle offers en gebeden werd hij het eerst, zelfs vóór Jupiter, genoemd, omdat zonder hem de hemelpoort gesloten zou blijven voor gebeden.
Janus werd voornamelijk afgebeeld als een man met twee gezichten (Janus Bifrons) of als een tweeling (Janus Gemini).
Zijn twee gezichten representeerden oorspronkelijk de zon en de maan.
Als god van vruchtbaarheid en leven noemde men hem Janus Consivius; als god die de dag begon, heette hij Janus Matutinus.
De naam van Pater Janus (“vader Janus”) was al in de alleroudste eredienst van Janus een zeer gebruikelijke naam. Men vereerde hem zelfs als Divus Deûm, “de god der goden”.

Tempel van Janus in Autun.

Boog van Janus op het Forum Boarium in Rome

De legende van Janus

Volgens de mythologie kwam Janus uit Thessaloniki in Griekenland, en vestigde hij zich in Latium.
Zijn
kinderen zijn onder andere Tiberinus en Fontus. Hij werd geacht zowel het Romeinse rechtssysteem als geld en agricultuur te hebben ingevoerd.
De legende noemt Janus als stichter van het maatschappelijke leven en van de maatschappij. Hij was het die de mensen verloste uit hun barbaarse toestand en hen bracht tot een ordelijk leven. Het verhaal gaat dat hij geregeerd heeft in de gouden eeuw, en zijn regeerperiode wordt voorgesteld als een tijdperk van geluk
en van volmaakte vrede. De heuvel waarop hij zijn woning had, werd ook in latere tijd naar hem genoemd (Janiculus). Daar had hij Saturnus, toen deze op de vlucht voor Jupiter naar Italië kwam, gastvrij opgenomen. Om Janus hiervoor te straffen maakte Jupiter hem tot een god met twee gezichten.
De naam van zijn vrouw wordt verschillend opgegeven. Soms heet zij Iana, een andere naam voor Diana: de godin van de jacht. De vorm Iana is niets anders dan het vrouwelijk van Janus. Deze moet daarom ook beschouwd worden als een godheid van het licht. Andere bronnen noemen als zijn vrouw de nimf Carna of
de zegen aanbrengende godin Juturna.
Het verhaal gaat dat de dienst van Janus al door de eerste koning, Romulus, was ingevoerd, toen de stad door de hulp van Janus uit groot gevaar was gered. In de oorlog met de Sabijnen drongen dezen de stad binnen door een poort die men ondanks verwoede pogingen niet had kunnen sluiten. Zij werden echter
teruggedrongen door een zwavelbron, die plotseling ontstond. Romulus wijdde die bron en die poort aan Janus, wiens gunst men in deze plotselinge gebeurtenis meende te ontwaren. Zijn eredienst werd geheel geregeld door Numa, die voor hem een tempel bouwde met twee deuren en de maand Januarius naar hem
noemde. De twee deuren van de tempel bleven alleen in vredestijd gesloten, maar zodra er een oorlog uitbrak werden ze geopend. –
De legende gaat dat in koning Numa’s tijd de tempel van Janus 43 jaar lang

gesloten bleef. Na die tijd stond hij bijna altijd open. Alleen tussen de eerste en tweede Punische oorlog kon men hem sluiten en toen pas weer na de Slag bij Actium (31 v.Chr.). Gaius Julius Caesar Octavianus (Augustus) had nog tweemaal het voorrecht de tempel van Janus te sluiten, de laatste keer in het
geboortejaar van Christus[1]. Ook onder Nero werden de deuren van de Janustempel gesloten. Deze tempel werd dus na de regering van koning Numa 5 keren gesloten. Het openen en sluiten van de deuren van de Janustempel geschiedde op plechtige wijze door de consul.

4.https://eindeloosgeluk.nl/
De viering van de 12 Heilige Nachten heeft door de geschiedenis heen verschillende gedaanten aangenomen. Van uitbundige midwinterfeesten tot meer ingetogen spirituele observaties, de manier waarop mensen deze nachten vieren, is geëvolueerd met veranderingen in maatschappijen en religieuze praktijken.
Moderne interpretaties kunnen elementen bevatten van zowel oude rituelen als hedendaagse spirituele praktijken.
In deze sectie gaan we dieper in op hoe de vieringen van de 12 Heilige Nachten zich hebben ontwikkeld en aangepast aan de loop der tijd.

Data en Duur van de 12 Heilige Nachten
De 12 Heilige Nachten vormen een betekenisvolle periode die begint op Kerstmis (25 december) en eindigt op Driekoningen (6 januari). Gedurende deze twaalf nachten worden verschillende spirituele en culturele rituelen uitgevoerd. Het is een tijd waarin mensen zich richten op reflectie, bezinning en het vieren van
overgangen.
De keuze voor de duur van de 12 Heilige Nachten is niet willekeurig, maar is diep geworteld in historische en symbolische betekenissen.
De periode van Kerstmis tot Driekoningen is niet alleen verbonden met
christelijke feestdagen, maar ook met oudere tradities die de zonnewende markeren.
De duur van twaalf nachten heeft vaak astrologische en mythologische betekenis, waarbij elke nacht wordt geassocieerd met specifieke spirituele aspecten.
De symboliek van het getal twaalf komt ook voor in verschillende oude culturen en heeft betrekking op cycli, evenwicht en volledigheid. De keuze voor deze duur geeft de 12 Heilige Nachten een diepere betekenis, waarbij elke nacht een unieke gelegenheid biedt voor contemplatie en spirituele groei.
In de volgende secties duiken we dieper in op de symboliek en activiteiten die aan elke nacht zijn verbonden.

Spirituele Betekenis van Elk van de 12 heilige Nachten
• Kerstnacht (25 december): De start van de 12 Heilige Nachten, waarin de geboorte van Jezus wordt gevierd. Een tijd van hoop en nieuwe beginnen.
• Stefanusnacht (26 december): Gewijd aan de eerste christelijke martelaar, een tijd voor moed en standvastigheid.
• Johannesnacht (27 december): Gericht op de apostel Johannes, symboliseert dit de zoektocht naar innerlijke wijsheid en spiritueel inzicht.
• Onnozele Kinderen (28 december): Herdenking van de kindermoord in Bethlehem, roept op tot compassie en bescherming van onschuld.
• Feest van de Heilige Familie (29 december): Benadrukt het belang van familiebanden en onderlinge steun.
• Oudejaarsnacht (31 december): Een moment van reflectie op het afgelopen jaar en voorbereiding op het nieuwe.
• Besnijdenis van Jezus (1 januari): Symbool van reiniging en toewijding aan een nieuw begin.
• Openbaring van de Heer (6 januari): Afsluiting van de 12 Heilige Nachten, waar de Driekoningen Jezus ontmoeten. Vertegenwoordigt de manifestatie van goddelijk licht.

De 12 Heilige Nachten belichamen de cyclus van het leven, de dood en wedergeboorte, geïnspireerd door zowel christelijke als pre-christelijke tradities. De symboliek weerspiegelt de overgang van duisternis naar licht, zowel fysiek (de winterzonnewende) als spiritueel. De twaalf nachten staan voor de twaalf maanden van het jaar en bieden een kans voor vernieuwing op alle niveaus.
De 12 Heilige Nachten kunnen worden vergeleken met andere jaarlijkse vieringen zoals Diwali, Chanoeka en Ramadan. Hoewel de specifieke gebruiken verschillen, delen deze vieringen een gemeenschappelijke kern van spirituele groei, gemeenschapszin en reflectie. De vergelijking met deze festiviteiten benadrukt de universele menselijke behoefte aan verbinding met het goddelijke en het vieren van het leven in al zijn facetten.

5.https://spiritueleteksten.nl
Wat het nieuwe jaar uiterlijk zal brengen, zouden wij zonder angst en met innerlijke bereidheid tegemoet moeten zien.
Wat het innerlijk te brengen heeft hangt af van onszelf. Zullen wij innerlijke vooruitgang boeken, waardoor de eventuele uiterlijke vooruitgang in evenwicht gehouden wordt en waardoor het doorstane leed tenslotte toch tot een zegen wordt gemaakt?
Je kunt eraan twijfelen of het eigenlijk wel mogelijk is iets te weten van wat het nieuwe jaar zal brengen.
Maar we kunnen heel goed weten wat het brengt als de mensheid zich verder ingraaft in het materialisme  en de laatste verbindingen met de hogere werelden verbreekt.
Voor alles kunnen wij weten wat er over onze hoofden heen gebeurt, want het is al bezig te gebeuren en het wacht op de mogelijkheid zich sterker te ontplooien. Zwarte wolken schuiven zich voor het licht – weerspiegeling van streven van de mensheid, dat geheel en al op de aarde is gericht.
Maar ook de redding brengende gebeurtenissen die zich boven die wolken afspelen zijn te onderkennen.
Het is zeer wel mogelijk omhoog te blikken naar deze sfeer en een profetisch,
apocalyptisch bewustzijn weten te ontwikkelen en daaraan zekerheid te ontlenen aangaande de steeds groter wordende problemen van het leven.
In de dagen van het vroege christendom wilde de apostel Paulus dat van alle vermogens van ziel en geest die de mensen toen hadden, juist de gave van de profetie zo goed mogelijk ontwikkeld zou worden.
Belangrijker dan het spreken in tongen, zelfs belangrijker dan de genezingen vond hij dat in de gemeenten de gave van de voorschouw, de gave van het apocalyptische weten van hetgeen boven onze hoofden gebeurt, ontwikkeld zou worden.
Dit bewustzijn moest ontstoken worden door op te zien naar het licht dat zich voor Damascus aan hem geopenbaard had. Deze vermaning van de apostel geldt nu voor ons misschien in nog sterker mate dan voor de vroegchristelijke gemeenten.

Wij hoeven niet blindelings, met toegesloten ogen de toekomst in te gaan. Wanneer een voornemen voor het nieuwe jaar gerechtvaardigd is, dan is dat toch zeker het geval met het voornemen ons gezamenlijk te sterken in het bewustzijn dat in Christus aanwezig is, dat Hij in zijn komst op de wolken de mensheid op een nieuwe manier is nabijgekomen. Christus die tegenwoordig is, die immer komende is – dat moet juist in het jaar dat nu aanvangt de grondtoon van ons geloven zijn.
Die ommekeer van de achterwaartse naar de toekomstgerichte blik moeten wij innerlijk meemaken. Dan kan de gedachte van Epifanie de beste hulp zijn om een apocalyptische geestesgesteldheid aan te nemen tegenover het jaar dat pas begonnen is.
Kerstmis denkt terug aan de geboorte van de mens Jezus. In de mens Jezus was de kwintessens van de gehele geschiedenis van de mensheid aanwezig – de reden waarom de evangeliën zoveel waarde hechten aan de geslachtsregisters.
Het edelste wat de geschiedenis van de mensheid tot stand kon brengen was mens geworden in Jezus van Nazareth, een mens die de meest innerlijke essentie van alle culturen in zich had vergaard.
En wanneer wij niet alleen naar het kerstverhaal in het evangelie volgens Mattheüs, maar ook naar het derde evangelie kijken, dan komen wij tot de volgende conclusie. Door het kind dat Lucas beschrijft doet ook de kwintessens van de gehele geschiedenis van de hemelen, van al datgene wat in het verleden boven de hoofden van de mensen plaatsgevonden heeft, zijn intrede in de aardse gang van zaken.
Want Lucas beschrijft een wezen dat rechtstreeks uit het paradijs komt, dat het erfgoed uit het paradijs bewaard heeft terwijl de mensheid almaar dieper en dieper moest afdalen naar de aarde toe.
Kerstmis doet ons omzien naar het verleden; het stelt ons heilige menselijke gestalten voor ogen, waarin heel het verleden vermenselijkt en belichaamd werd. Maar zoals Kerstmis betrekking heeft op de geboorte van Jezus, zo heeft Epifanie betrekking op de geboorte van Christus.
Wie de Christus is kunnen wij alleen begrijpen, wanneer wij weten dat in Hem alles toekomst is. Hij is de immer durende toekomst zelf. Hij is het goddelijke wezen in het heelal, wiens wezen het worden als zodanig is, nooit het gewordene, ook al zien wij in de evangeliën Christus in situaties die voor ons tot het verleden
schijnen te behoren.
In ieder tafereel in de evangeliën moeten wij van het Jezus-aspect verder gaan naar het Christus-aspect om daarin de immer-durende toekomst te ontdekken.
Het driekoningenfeest wordt ook Epifanie genoemd, wat ‘lichtverschijning uit de hoge’ betekent. Daarom wordt het feest van Epifanie in veel landen ‘het feest van de verschijning’ genoemd. Alleen al daardoor wordt het duidelijk dat de zesde januari niet alleen maar de dag van de heilige Driekoningen is. Er staan
altijd sterren aan de hemel. Met de ster die de koningen of wijzen volgden, moet daarom wel iets bijzonders aan de hand geweest zijn. Er moet een Epifanie achter schuilgegaan zijn.
De voortdurende Epifanie, dat wil zeggen de steeds toenemende openbaring van het licht dat uit de hoge komt, werd toen in zekere zin voor het eerst zichtbaar. Ook in de christelijke traditie is het immers zo, dat men op de zesde januari zowel de aanbidding door de drie koningen herdacht, als de gebeurtenis die dertig jaar later zou hebben plaatsgevonden: de doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper.
Deze tweevoudige inhoud van de zesde januari toont aan dat met ‘Epifanie’ niet alleen een historisch ogenblik wordt bedoeld. Doordat er nog een gebeurtenis in het spel is, die zich dertig jaar later afspeelde, kunnen wij hierin een krachtige voorwaartse beweging ervaren. De spanning tussen beide feestelijke inhouden trekt ons mee in de stroom van de wordende tijd.

6.*Everydaymommyday
Nieuwjaarspot
Wij vinden het met onze familie een fijne traditie om een grote pot in huis te hebben staan waarin we gedurende het jaar kleine briefjes verzamelen
van mooie dingen die we willen onthouden. In de pot komen leuke
gebeurtenissen, kaartjes van museumbezoekjes, visitekaartjes van
restaurants, leuke uitjes, werkjes of uitspraken van de kinderen en mooie
teksten van anderen die ons inspireerden.
Op oudejaarsdag is het een groot feest om onder het genot van lekkere
drankjes en hapjes terug te kijken op de mooie herinneringen van het
afgelopen jaar.
Dit jaar schrijf ik een brief aan mezelf met mijn plannen en mijn wensen
voor het komende jaar. De brief gaat bij de kerstversiering in de doos en
mag pas volgend jaar worden geopend.

Traditionele avond
Onze dag verloopt verder traditioneel. We wandelen in de middag in het bos, genieten van gezellig gezelschap, gourmetten of eten fondue, spelen spelletjes, kijken misschien de oudejaarsconference en kletsen wat af.
Het is leuk om met kinderen de ‘af te tellen tijd’ inzichtelijk te maken.
Een niet milieuvriendelijke keus was tot voor kort bij ons om elk uur een ballon lek te prikken of een sterretje aan te steken. Kinderen zijn vaak gespannen dit soort dagen en om het gezellig te houden helpt het om de tijd inzichtelijk te maken.
Om middernacht proosten we, eten we onze buikjes overvol aan
Berliners, oliebollen, appelflappen en vele andere lekkere hapjes én
steken we een beetje kindervuurwerk af.

Boze geesten verjagen
Dat vuurwerk en de nieuwjaarsvuren het nieuwe jaar inluiden berust

op het geloof dat we daarmee slechte geesten verjagen en het nieuwe
vuur innerlijk ontsteken. Goede geesten stem je goed door voedsel en
alcoholische dranken te offeren en dat daarna zelf op te eten en te
drinken. Wij zijn tegenwoordig vooral goed in dat laatste onderdeel.
Een fijne traditie is om alles wat niet mee het nieuwe jaar in mag op een papiertje te schrijven en in het vuur te gooien.
Een andere mooie traditie die ik in Duitsland heb geleerd is lood gieten. Smelt het lood, giet het goedje in een laag water en uit de ontstane vorm kan je een voorspelling van het komende jaar lezen. Je kan het lood beter nog vervangen door heerlijk ruikende (bijen) kaarsenwas.

Happy New Year
Op nieuwjaarsdag reinigen we ons door een frisse duik in zee te nemen. Met nieuwe moed en helemaal fris en fruitig kunnen we dan met al onze goede voornemens het nieuwe jaar in. Bij gebrek aan een strand om de hoek, laten wij tegenwoordig de badkuip vol lopen met lekker koud water. We staan dan allemaal samen lachend in de badkamer en gaan dan om de beurt in het koude water (de een met de voetjes, de ander helemaal) en vertellen elkaar welke oude lasten we van ons af willen wassen en welk mooi persoonlijk voornemen we meenemen in het nieuwe jaar.
Wij beginnen het nieuwe jaar met een wensenontbijt. Iedereen aan tafel mag vertellen wat zijn of haar wensen zijn voor het nieuwe jaar.

Beste wensen
Vroeger kon je op straat van de schoorsteenveger en de lantaarnaansteker beste wensen voor het nieuwe jaar kopen. Tegenwoordig zien we die gewoonte terug in de nieuwjaarsgeschenken van o.a. werkgevers en geven we de nieuwjaarsgroeten gratis aan ieder die het wil horen. Slechts de postbode krijgt een nieuwjaarsfooi voor de goed bezorgde beste wensen.

En wat betreft die goede voornemens? Heb jij grootse of kleine plannen voor het komende jaar? Mijn voornemens zien er zo uit:

1. Mijn dierbare projecten vleugels geven.
2. Mijn geduldsspier oefenen voor mijn kinderen.
3. Groener leven: minder afval, meer bio, minder dierlijke
producten.
4. Mijn huis gedisciplineerder op orde houden.
5. Extra lief zijn voor anderen.
6. En ja, ook dit jaar neem ik me weer voor echt meer te gaan
sporten .

Wat zijn bij jullie thuis de leukste tradities voor oud en nieuw?
Ik wens je een ‘guten Rutsch’ (in Duitsland glijden ze namelijk het nieuwe jaar in) en een normaal, geweldig,
spetterend, gezond, gelukkig, rustig, avontuurlijk, tevreden en ontspannen ALTIJD!
Op naar 2025!

7. 2 liedjes van vrijeschoolliederen

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

.

3372-3171

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-25)

.
Siegward Knijpenga, Jonas jrg.11, nr 10.
.

Begint het jaar 1 januari?

.

Het is niet moeilijk het jaar te beleven als een ritmische eenheid. Voortdurend wisselen de vier seizoenen elkaar af. Na vier stadia begint het weer op nieuw. Het is echter moeilijker vast te stellen wanneer het jaarverloop begint en wanneer het eindigt. Zoals het ook moeilijk is te zeggen waar een golf water begint en waar die eindigt. Een ritmisch proces golft en stroomt door de tijd. De mensen bewegen zich op deze stroom. In verschillende culturen en tijdperken heeft men verschillende gedachten gehad over het moment van het begin en het einde van het jaar.

Rond vijfduizend jaar geleden vierde men in Sumerië de inzet van het nieuwe jaar met de winterzonnewende. Men voelde dat in deze dagen het licht weer opnieuw geboren werd. De Atheners daarentegen begonnen hun jaar met de zomerzonnewende. De Germanen deden het nog anders: zij boden hardnekkig weerstand aan Romeinse tijdrekeningen zolang zij dit vol konden houden en vierden het begin van het jaar in het voorjaar. De Joden tenslotte hadden zowel in het voorjaar (Passahfeest) als in het najaar een nieuwe inzet. In het najaar was het het Loofhuttenfeest; hierbij werd bijvoorbeeld in de wekelijkse lezingen op de sabbath de lezing van de Bijbel beëindigd en weer opnieuw aan het begin begonnen. Zo werd in deze culturen telkens een van de bijzondere zonnestanden gekozen voor de inzet van het nieuwe jaar. Julius Caesar tenslotte (100-44 v. Chr.) stelde Nieuwjaar vast op de eerste januari. (Tevoren werd het in Rome op 1 maart gevierd). Dit werd gaandeweg in de wereld geaccepteerd als de gemeenschappelijke datum. Overigens kwam deze eerste januari niet uit de lucht vallen. Het was de dag waarop in Rome de nieuwe consuls werden ingezet. Men ging dan naar de tempel van Janus, waar een witte stier werd geofferd en men elkaar geschenken gaf. Tot zover de historie.*)

Wijzelf nu vieren Nieuwjaar jaarlijks. Daarbij kan men het volgende bedenken: Een begin is nooit alleen een ogenblik, het is ook altijd een proces. Er is een weg naar een aanwijsbaar begin toe en er is de vormgeving van een nieuwe impuls. In het menselijke ziet het er vaak zo uit dat een nieuw begin voorbereid wordt, doordat er een innerlijke onrust ontstaat, doordat men niet meer gelukkig is met de geijkte gang van zaken. Er komen gevoelens los die niet verenigbaar zijn met de vorm waarin men leeft. Er rijzen dan vragen in de ziel; vragen waarom de dingen gaan zoals ze gaan en waarom men er niet in mee kan. Dit brengt een fundamentele innerlijke onrust. Misschien mag men zeggen dat de dingen op aarde tot verharding neigen. Daarom ook kan vernieuwing niet van buiten af verwacht worden. Ze moet van binnen uit ontstaan. Echte vernieuwende impulsen worden door mensen innerlijk meegebracht en ze stijgen in hen omhoog wanneer het hun tijd is. We kunnen deze tijden van innerlijke spanning en bewogenheid zien als voorbereiding voor de intrede van iets echt nieuws.

Een tweede element is dan, dat de dingen die innerlijk voorbereid werden, lijken te passen in de omgeving. Men kan ze dan al duidelijker voor zich hebben. De tijd is er rijp voor.

Het eigenlijke ogenblik is gekomen.

Een derde element is, dat datgene wat ons bijvoorbeeld als ideaal voor ogen staat, zoveel werkelijkheid uit de omgeving aantrekt dat het zijn aardse vorm vindt.

Dit drieledige proces in het maken van een echt begin vinden we in de dagen rond onze jaarwisseling terug. Om er een duidelijk beeld van te krijgen, moeten we eerst terug naar wat aan de jaarwisseling voorafging. De adventstijd is een bewogen tijd. Mensen hebben het vaak moeilijk met elkaar. Het innerlijk leven wordt intensiever en dan ben je in de regel wat minder meegaand ingesteld. Dat schept wrijvingen en problemen. De religieuze traditie heeft voor deze tijd bepaalde teksten uit de evangeliën. Daar liggen dezelfde motieven, alleen in omgekeerde volgorde dan ze werden beschreven in het voorgaande. Er wordt gesproken over een wereld die in beweging komt; daardoor komt ook de mens tot zichzelf. In deze religieuze traditie begint het jaar dan ook met advent als de innerlijke opmaat. Voor de menselijke creativiteit is dit een belangrijk gegeven. Advent kan de innerlijke onrust teweeg brengen die nodig is voor een nieuw begin.

Met Kerstmis denken we aan het begin zelf. Enerzijds is er het gegeven dat de zon weer gaat rijzen, anderzijds de herinnering aan het lichtkind dat geboren werd in de stal te Bethlehem. De wereld en de mensheid vernieuwt zich.

Nu is het interessant dat Oud en Nieuw nog een week later vallen. Nieuwjaarsdag is acht dagen na de eerste kerstdag. De een is de octaaf van de ander. Je moet toch een beetje denken aan die Romeinse consuls die op die dag aan het werk moesten. Ze zullen zeker hun voorbereidingstijd hebben gehad. Op die dag moesten ze echter aan de slag. Is dat met Nieuwjaar niet ook een beetje zo?

Toen het christendom de Nieuwjaarsdag in haar christelijk jaar opnam, verbond zij het met de herinnering aan de besnijdenis en de naamgeving van Jezus. Dit gebeurde volgens de overlevering immers acht dagen na de geboorte. Ook dit is tenslotte nog een bijzonder gegeven om in de gedachten op te nemen wanneer we deze dagen op hun innerlijke waarde willen toetsen en ze een innerlijke waarde willen geven.

Maria had zware, bewogen maanden voor de geboorte van het kind. Men kan denken aan de reis van Nazareth naar Bethlehem en wat daarmee gepaard ging. Voor Maria was dit een zeer persoonlijke advent. Dan de geboorte zelf. Het was het verschijnen van het hemelse lichtkind in aardse gestalte; een echte openbaring. Dan volgden de zeven stille dagen in de stal of grot. Vervolgens de bevestiging van Zijn aardemenszijn door de besnijdenis en de naamgeving, waardoor het tot nu toe onzichtbare, verborgene, aanspreekbaar werd.

Deze evangelische ‘beelden’ kunnen in de eerste plaats aan advent en Kerstmis, maar tenslotte toch ook aan de Nieuwjaarsdag een eigen innerlijkheid geven.

*Wilhelm Hoerner: Zeit und Rhythmus
.

Ritme: alle artikelen

.

2693-2523

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (14)

.

Op deze blog staan en verschijnen artikelen over de jaarfeesten, m.n. die op de vrijescholen worden gevierd. De inhoud van de artikelen kan de motieven waarom gevierd wordt, verduidelijken. Tegelijkertijd is de inhoud de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat ze hier verschijnen wil niet per se zeggen dat ze DE opvatting van DE vrijeschool representeren.

DRIEKONINGEN 

Op 6 januari viert men Driekoningen of Epifanie en dan bakt en eet men het driekoningenbrood, Waarin een boon verborgen is. Die boon is een heilige boon (waar de uitdrukking: heilig boontje! van afkomstig is) en het is de eerste boon die men volgens oud gebruik mag eten na Kerstmis, want „van Moedernacht tot Dertiendag mag men geen bonen eten!”

Moedernacht is de kerstnacht van 24 op 25 december, en dat is de eerste der twaalf heilige nachten, tot aan Driekoningen.
Waarom?
In de stille decembermaand, de Nacht van het Jaar, trekt de goddelijke geest zich, in onze streken, waar het wintert, terug uit zijn stoffelijke belichaming, die hij in de voorzomer opbouwde. Daardoor volgt alles hem naar de onderwereld: de bomen lossen hun waardevolle stoffen op in hun sap en trekken het uit de bladeren weg om het door de stam omlaag te voeren, wat overblijft kleurt het stervende blad goud en geel en rood. De eenjarige verschijningsvorm van de levensgeest: de jaargod, wordt afgebroken en zijn wezen trekt zich terug in allerkleinst bestek: in zaad, boon, bol en wortel onder de aarde. De dieren kruipen in hun holen en gaan de winterslaap in. En ook de mens, meelevend met de geest, volgt hem de diepte in, terug in de grote moederschoot, als elke nacht, de schittering van zijn ziel en karakter afleggend als kleding, om het naakte kind te zijn, dat opnieuw, mét de levensgeest, geboren moet worden, in een nieuwe gestalte in het nieuwe jaar.

De kortste dag met de langste nacht zijn het keerpunt, de zonnewende. Dat is op 21 december, dan wordt die wende als feest in de hemel gevierd. Want al onze menselijke en aardse feesten zijn de flauwe afspiegelingen van hemelse feesten — net als de ware huwelijken, die eerst in de hemel gesloten zijn, en de ware genezingen en bekeringen en uitvindingen. Van de geestelijke sfeer door de psychische sfeer sijpelen zfj door tot in het stoffelijke, concrete: tot in onze kerstbomen en kerstkransen en nieuwjaarswensen. Die drie sferen of elementen: lucht, water en aarde, moet ook de levensgeest doorreizen bij zijn terugkeer naar de stof, waar hij in zijn nieuwe jaargestalte geboren zal worden. Daarom beeldt men hem af als Capricornus: de steenbok met de visstaart, half nog in het water, half op het vasteland. Of als het waterpaard, dat nog in de oude boerenwagens is uitgesneden. Of als Tijl Uilenspiegel, op het koord dansend in de lucht — maar de norne die hem doet in-carn-eren snijdt het koord door, hij valt in het water en klautert op de wal.
Met Nieuwjaar vieren wij de wedergeboorte van de geest in tijd en ruimte en als het goed is, worden ook wij zelf wedergeboren in deze moedernacht en komen met een nieuwe ziel het praktische leven weer in. Zoals in de boon de levensgeest woont met al zijn gecomprimeerde kracht, zo zijn ook wij vervuld van het goede voornemen, geladen met het Heil. Nu moet dat openbaar worden, nu moeten wij het tonen! Epifanie is: openbaring. Levenspraktijk. In de daad moet de geest blijken en werken: in elk woord dat wij spreken en dat met heil geladen zij, in ons eten dat heilig zij, geen dode rommel, in ons werk, waarmee wij gerust geld mogen verdienen dat wij immers voor ons stoffelijk bestaan nodig hebben, maar dat niet enkel óm het geld verdienen gedaan mag worden, maar om, op welke wijze ook, met de geest mee te werken. De levensgeest werkt in ons — werken wij mét hem!

IK ben de muziek van uw lichaam:
Ik ben de stijgkracht uwer sappen, de vibratie uwer zenuwen, de bouwlust uwer cellen —
Ik ben het goud uit uw diepte,
het geheim uwer klieren,
het wonder der opperste samenwerking
aller heilige elementen —
Ik ben het lied van uw zingend lichaam,
dat Mij verwerkelijkt!

Ik ben uw moed en uw werklust,
de bezieling uwer daden,
de vaste kern van uw besluit,
de volharding in de beproevingen der tijden.
Ik ben de kracht van uw hand,
uw pantser in strijd en verschrikking —
Ik ben het lied van uw arbeid —
verricht alleen Mijn heilige arbeid,
wijk niet af!

.

Melly Uyldert, de Kaarsvlam 10-01-1956

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningen

.

1478-1386

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaar

.

Feestdagen krijgen hoofdletters. De feestdag 1 januari wordt dus geschreven als Nieuwjaar. In samenstellingen vervalt die hoofdletter weer. Zo is het ‘Met Nieuwjaar kijken we altijd naar het nieuwjaarsconcert – een nieuwjaarsduik is ons te koud.’

.

Shell Journaal van Nederlands folklore 1972
.

Veel heil en zegen

.

nieuwjaar 1.

‘Wat soort van Vis men brengt en welke Schepen varen,
Het rijtuyg dat bevragt de Passagiers en Waaren,
Soo meede ’t geen voor nieuws ook aangecomen is,
’t Verloorne en de Vond, wy roepen uyt gewis;
En met dees Nieuwen-Jaar u allen zeegen wenschen,
Leefd altoos vergenoegd, in vree met d’Eeven menschen:
Opdat het u welgaa in dees vernieuwde tyd,
En gy dan reeden hebt, met recht te zyn verblyd.’
.
Dat was het lied dat ’U Ed. Dienaers De Roepers der Stad Nijmegen‘ op 1 januari 1774 voor hun medeburgers van de Keizer Karelstad in petto hadden. Een heel oud gebruik; de gezongen, geschreven, gedrukte nieuwjaarswens waarmee het nieuwe jaar werd ingeluid.
Daar is niet veel van overgebleven. Naast de traditionele nieuwjaarskaarten, steeds meer in combinatie met ‘gelukkig kerstfeest’, genieten alleen de simpele kaartjes van de krantenbezorgers nog enige bekendheid. Als het kaartje persoonlijk wordt afgegeven, verwacht de brenger zijn obligate beloning.
.
Eens is het anders geweest
.
Folklore-kenner J. ter Gouw laat zijn licht fraai schijnen over de Germanen. ‘Elk was nieuwsgierig te weten, of ’t nieuwe jaar hem goed of kwaad zou brengen. De een zat op het dak van zijn huis met zijn zwaard in de hand, waarop tooverrunen gekrabbeld waren, en meende dan in de toekomst te kunnen zien. Vooral lette hij op het ruischen van den wind; – kwam die uit het westen, dan zouden er in dat jaar veel vorsten en helden sneuvelen; woei ’t uit het zuiden dan zou er veel volks omkomen; of uit het oosten, dan zou ’t vee sterven; maar kwam de wind in den nieuwjaarsnacht uit het heilig noorden, dan zou ’t zeker een gelukkig en voordeelig jaar zijn. Anderen zaten aan een kruisweg op een stierenhuid, om zich van de Elfen, die in dien nacht bij menigte rondtrokken, omdat het hun verhuisnacht was, goed geluk te laten voorspellen. Men begrijpt, dat ze, na veel heil gedronken te hebben, op hun stierenhuid spoedig in slaap vielen, en wat ze dan droomden, gold voor profecie der Elfen.’

Alles ging toen en later met veel herrie en lawaai gepaard met daarbij de befaamde baldadigheid. Zelfs de huizen van de deftige poorters binnendringen om de nieuwjaarskost, die daar netjes klaar stond, aan te spreken. Stedelijke overheden hebben alle mogelijke moeite gedaan om de nieuwjaarsviering in ordelijke banen te leiden en om het plechtige karakter van de eerste dag van het jaar niet te verstoren. Met veel vreugde hoorden de gegoede burgers dat het minder bedeelde volk ook nette en passende liedjes kon zingen, waarin de vroomheid niet ontbrak.

Nu singhet en clinghet mit groot gheluut
Al in den Nyeuwen jaeren,
Den Ickers jaeghet al uut ende uut,
Her Jhesus moet ons bewaren.
.
Wie met zo iets op de proppen kwam, kon zeker op een beloning of een versnapering rekenen. Geleidelijk aan nam het zingen bij de huizen af. Het maakte plaats voor geschreven en gedrukte nieuwjaarswensen, waarmee verschillende lagere beroepsgroepen zich tot hun cliënten richtten. Allerlei rijmers vonden werk om voor de beoefenaren van nu al veelal helemaal vergeten beroepen zoals porders, straatvegers, puinhaalders, klokkeluiders, gasopstekers, nachtwakers, boden, jagers, maar dan van veerschuiten, de meest passende nieuwjaarswensen te schrijven; verzen, die vaak voorzien van illustraties, werden aangeboden, nadat zij gezongen of gedeclameerd waren.
.
Op de nieuwjaarsprent van de Amsterdamse nachtwachten van 1 januari 1839 deed de maker zijn best: met fielten, stadgenoten en reine maagden.
.
Eerwaarde tempelheeren en acht’bre burgerstand
Wanneer de klok heeft tien geslagen,
Dan vangen wij het ronden aan,
Totdat de morgen op komt dagen
En elk van ons naar huis kan gaan.
Wanneer er onraad wordt bevonden,
Aan ’t eigendom der stadgenoot,
Of reine maagden zijn geschonden
Geheel van tegenweer ontbloot
De fielten worden zeer onzacht
Gegrepen door de ratelwacht
In ’t holst der nacht, in ’t holst der nacht!
.
De ’asch- en vuilnislieden’ van Den Haag kwamen in 1812 met een ‘zegen- en heilgroet’ èn in het Nederlands èn in het Frans. Vanwege de Napoleontische bezetting.
.
Aldus wat er wenschlyk is,
tot uw heil en tot uw zegen,
Voor elk burger in ’t gemeen en tot elk Heilryks-Zon
Wordt u door ons gewenscht, volzalig zyn uw wegen,
En tot uw waar geluk diene Vorst Napoleon.
Napoleon verdween van het toneel en maakte plaats voor een andere vorst, die evenals zijn opvolgers er zeker van kon zijn in de wensen te worden betrokken. In 1857 richtte de ’vuilnis-karreman’ zich aldus tot ‘Amstels ingezetenen’.
.
Moog, zeer geachte Burgerschaar!
Voor U dit ingetreden jaar,
Een rijke bron van welvaart wezen!
Ja, Landbouw, Scheepvaart, Handelstand,
Zijn, tot het verst verwijderd strand,
Oud-Hollands glorie als voor dezen!
Door eendragt en tevredenheid
Zij Neêrland steeds der rust gewijd!
En heersche ook voorspoed in elks woning!
Zoo rijze uit aller hart en mond:
‘Wij leven op deez’ dierbren grond,
Vereend voor Vaderland en Koning!’
.
Was getekend: UEd. Dienaar J. Domhoff, Vuilnis-Karreman, Wijk 15.
.
Engagement was de schrijvers van deze verzen niet vreemd. Porster Jansje Rijke kwam in 1850 – voor het goede verstaan een jaar na de dood van koning Willem II – met de volgende regels op straat.
Heeft ook alom weêr de bloedvlag gezwierd,
Hier bleef het rustig bij ’t woên der orkanen,
Balie vlocht lauw’ren om Nederlands vanen,
’t Feest onzer zege werd juichend gevierd,
’t Jaar wond een rouwfloers om schepter en kroon,
’t Doodde den vader en kroonde den zoon.
.
Het was niet alleen goedhartigheid die al deze verzen deed ontstaan. Er werd ook een tegenprestatie verwacht.
.
Veel van deze nieuwjaarsliederen zijn regelrechte bedelverzen, zoals de Nieuwjaarswensch aan mijne geachte begunstigers, en dat waren dan de Haarlemmers, van A. Krook.
Neen, ’t is geen schand’ om arm te zijn,
Te zitten in den nood,
Vol ongemak, vol angst en pijn
En zonder daag’lijks brood!
.
Het wintert wel, de nacht is lang,
En ’t ongeluk is mijn deel,
En geen verdiensten hoegenaamd,
O God, wat lijd ik veel!
.
En ’k ben voor het werken onbekwaam,
’k Lijd daarom bitter veel;
Maar ach! hoe treurig dat het zij,
De rampspoed is mijn deel.
‘k Ga ginder, naar die schoone buurt,
Daar alles weelde biedt;
’k Bel aan dat groote, rijke huis
Misschien wel niet voor niet.
.
Mijn hart is goed, ja – kon ik maar,
Ik werkte zeker trouw,
Weest dus mijn hulp, want ’k weet geen raad,
Als men niet koopen zou! , ,,
.
Maar neen – het muschje valt niet neêr
Van armoê en ellend’,
Want als het beestje niet meer vindt,
Is ’t God die eten zendt.
.
Ziet dus op ons, uw evenmensch
In diepen ootmoed neêr,
Dan leent gij – weest daar zeker van,
Aan onzen lieven Heer. –
.
Dan zij voor U dit nieuwe jaar
Een schoone, nieuwe tijd,
Want dan hebt gij een traan gedroogd,
Die God, den Heer verblijdt.
.
Ook in de huiselijke kring bleef het vaak niet bij de handdruk, de omhelzing, de korte gelukwens. Van de kinderen werd meer verwacht. Tegen het einde van het jaar werd gezwoegd om op grote vellen papier in fraaie letters wensen uit te schrijven voor vader en moeder, grootmoeder en grootvader, ooms en tantes. In 1827 schreef een ‘lief hebbende Kleinzoon’ – de grootvader van een der schrijvers – aan ‘Mijne Waarde Grootmoeder’ enkele gevoelige regels. Moge het een aansporing zijn om zelf in oude paperassen op zoek te gaan naar zulke versjes. Ze vormen een heerlijke wandversiering. In een lijstje.
.
De nooit begonne eeuwigheid,
Bevat een God wiens wys beleid,
En aanzijn nooit zal enden;
Hiervan getuigt dit nieuwe Jaar,
En eischt dat wij nu met elkaar
Een loflied tot hem wenden.
Een rijke oogst van voorspoed daal,
Op uw en d’uwen neder,
Opdat Gods gunst u steeds bestraal
Dit wenscht mijn hart U teder.
.
nieuwjaar 2
nieuwjaar 3
.
Het spreekt vanzelf dat de rederijkers zich bij het vervaardigen van nieuwjaarswensen ook niet onbetuigd hebben gelaten. Een mooie gelegenheid om weer eens iets op papier te zetten met als gevolg een grote stroom jaardichten, liedekens en refereinen. In de schouwburgen werden liederen voorgedragen en samenspraken op de planken gebracht, waarvan die van Thomasvaer en Pieternel voor een langdurig en eindeloos gevarieerde en nog niet geheel verdwenen traditie hebben gezorgd.
.
De Amsterdammers die zich op 1 januari 1814, vers bevrijd van het Franse juk, naar de schouwburg spoedden, konden de volgende wens – geschreven door Marten Westerman – horen.
.
’k Wensch vrede aan alle huisgezinnen:
’k Wensch ieder kans om veel te winnen.
En daar toch ieder burgerman,
Nu weer zijn pijpje rooken kan
Wensch ik dat van zijn leven dagen,
Ook geen régie ons meer zal plagen.
De Hemel schenke ons nu ook ’t zoet
Na ’t zure weêr in overvloed.
Kaneel en Koffij, Thee en Suiker
En Rijst met Krenten . . .
.
Toen er in 1919 weer een oorlog voorbij was, brachten Louis Gimberg en Betty Holtrop-Van Gelder in de karakters van Thomasvaer en Pieternel met tekst van Jean Louis Pisuisse in de schouwburg brandende kwesties uit die dagen: de eerste vrouw in het parlement.
.
Pieternel:
Och Thomasvaer, bedaert,
‘k Heb Suze Groeneweg
Gesproken in de stad . . .
.
Thomasvaer:
Suus Groeneweg, wat hamer,
Die naam is mij bekend:
Zit die niet in de Kamer?
.
Pieternel:
Ja zeker, d’eerste vrouw
Die in ons parlement
De eer, wat zeg ik d’eer?
Nee, ’t recht is toegekend,
Bij ’t stellen van de wet
’n Woordje mee te spreken,
En nu ons kiesrecht nog .. .
.
Niet alle tradities houden stand. Jarenlang heeft Amsterdam als nieuwjaarspremière voor een uitgelezen gezelschap een steeds maar weer nieuw geënsceneerde opvoering van Vondels Gijsbrecht van Aemstel gehad met het ovationeel klappen bij de zin ’Vaerwel, mijn Aemsterlant; verwacht een’andren heer.’ Het is sinds kort voorbij en een remplagant stuk dat zo klassiek zou kunnen worden, is nog niet gevonden
.
De nieuwjaarsdagfolklore verdwijnt meer en meer. Het wordt uitslapen, de laatste koud geworden oliebollen nog verorberen, telefonisch wensen aan vrienden en bekenden overbrengen, een extra bezoekje aan opa en oma of aan pa en ma.
.
Alleen hier en daar nog een speciaal gebruik zoals in Roermond waar het ’nuujaorswinse’ een hele ceremonie is gebleven, waaraan de burgerij zo mogelijk getooid met hoge hoed in groten getale deelneemt. De visites gelden bisschop, deken, burgemeester. Er vormen zich op nieuwjaarsdag hele groepen mensen die van de ene ontmoeting naar de andere trekken.
.

In Ootmarsum, waar men hart voor folklore heeft, wordt de nachtwacht uit de ijskast gehaald die dan aan het hoofd van een stoet een nieuwjaarsomgang maakt, waarbij veel gezongen wordt. Als de torenklok de befaamde twaalf slagen heeft afgeleverd, trekken de mensen naar het marktplein en vandaar gaat de hele groep zingend verder door de straten.
.

In Drenthe koesterde men jarenlang een mooi bijgeloof rond nieuwjaarsdag. Er werd gezegd dat men aan de binnenlopende nieuwjaarwensers zou kunnen aflezen hoe het kalverjaar zou zijn. Als de eerste die de boer veel heil en zegen kwam wensen een vrouw was, dan zou het merendeel van de te verwachten kalveren ’vêrskalver’ zijn; was het echter een man dan werden het ’bólkalver’ oftewel stiertjes die heel wat minder waard zijn. Boze tongen beweren dat menige boer er een flinke fooi voor over had om vrouwen om te kopen toch vooral als eerste bij hem aan te komen.
Voor een staartje van de nieuwjaarsviering zorgde koppermaandag, maandag na Driekoningen. Zetters en boekdrukkers boden op deze dag vanouds een proeve van hun werk als nieuwjaarsgeschenk aan. Na de tweede wereldoorlog is deze traditie weer nieuw leven ingeblazen. De opzet is geslaagd. Koppermaandag is weer in.
Een ’Eerekroon voor Laurens Koster en alle voorstanders der boekdrukkunst’ werd, zoals de aanhef dat aangaf, ‘gegeeven op Kopper-maandag MDCCCIII’.
.
Mooi stuk met zes coupletten. Hier is er één van.
.
Waar vind men op aarde,
Een kunst zoo bemind,
Zoo duurbaar voor ’t leven
Van Grijsaard tot Kind?
Wat kunst men mag roemen,
In fraaiheid en schoon,
De drukkunst wint immer,
Van allen de Kroon.
.
Verdwenen sinds kort is de nieuwejaersdunderdag op Walcheren; de eerste donderdag na nieuwjaar, een heel bijzondere dag voor de neringdoenden. De moeite waard om nog in herinnering te brengen. Vroeger kende men -toen over renteverlies en investering nog niet zoveel problemen bestonden – het systeem van de jaarrekeningen. Eens per jaar werden de rekeningen uitgeschreven en betaald. Op nieuwejaersdunderdag stuurde men zijn kinderen of personeel rond bij de leveranciers om de rekening op te halen die vader of de baas dan zelf zou komen betalen. Dat was een mooi dagje uit en er viel nog wel wat af om de genoten klandizie over een heel jaar te honoreren. Menig vader vermaande dan ook aan het begin van de dag ‘en dienkt er om: nie jen eige onbekwaem drienke oor. Dae nie vö spot en smaed van ’n ander loopt. Dat ei je g’oore é?’
Het jonge volk maakte van de vrije dag en de vele glaasjes meteen gebruik om wat beter kennis met elkaar te maken en dan vooral met leden van het andere geslacht om het nieuwe jaar vol goede hoop en verwachting te kunnen beginnen. Er moeten op Walcheren heel wat echtparen rondlopen waarvoor het op nieuwejaersdunderdag begonnen is.
.
nieuwjaar 4
.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

,

991-918
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (14)

.

ADVENT, 1 JANUARI, PASEN

Wanneer is het jaar jarig:

Is advent, de eerste januari of Pasen het begin van het jaar?
‘Het jaar is een kringloop, zodat van een begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn.’

Maarten Udo de Haes doet in zijn artikel een poging tot het vinden van een beginpunt.

Wanneer een ring of de schakel van een ket­ting geen zichtbare naad vertoont of kenne­lijk niet gesoldeerd of gelast is, zal het onmo­gelijk, zelfs zinloos zijn een begin en einde aan te wijzen.

Ook bij de kringloop in de levende natuur, kunnen we moeilijk begin en einde bepalen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de kringloop in de plantenwereld kijken, dan kunnen we terecht zeggen dat deze begint wanneer het zaad in de aarde valt. Maar is het bestaan van die zaadkorrel niet ondenkbaar zonder de vrucht, die daarvóór is ontstaan, terwijl die vrucht op zijn beurt ook weer het resultaat is van het ontkiemen van een vorige zaadkorrel en de groei en bloei die daar het gevolg van is? Kortom, het proberen te vinden van het begin staat gelijk met het bekende probleem van de kip en het ei. Wanneer ik bij een kringloop toch een begin moet bepalen – bij het natrekken van een cirkel bijvoorbeeld – dan zal ik ‘ergens moeten beginnen’, maar ik zal het zogenaamde beginpunt als absoluut willekeurig beschouwen. Het is namelijk geen objectief begin, maar subjectief door mij als zodanig aangewezen.

Ook het verloop van het jaar is een kring­loop, zodat van begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn. Ieder door ons be­paald ‘begin’ lijkt willekeurig te zijn. Zoals, bijvoorbeeld nu het burgerlijke jaar 1 januari begint, zo viel het begin vroeger kennelijk in maart, hetgeen wij nog uit de maandnamen september tot en met december (zevende tot en met de tiende maand!) kunnen afleiden. De gevolgtrekking ligt dan ook voor de hand dat of het jaar niet op een bepaald tijdstip een vanzelfsprekend begin of einde heeft, met andere woorden dat de jaren letterlijk eindeloos voortcirkelen, of dat het begin dat wij bepalen willekeurig is en dus toch geen echt beginkarakter heeft. Of – en dat is ook wel een mogelijke gevolgtrekking – is een begin wel degelijk als zodanig aanwijsbaar of ervaarbaar, terwijl tevens de mogelijkheid van andere momenten met beginkarakter niet uitgesloten wordt. Dat betekent dat een proces, een ontwikkeling, meerdere ‘begin­nen’ kan hebben. Een voorbeeld hiervan vin­den we in het Nieuwe Testament, wanneer we kijken naar de verschillende beschrijvin­gen van het evangelie.

De eerste woorden van het evangelie volgens Marcus luiden: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus de Zoon van God,’ waarna de doop in de Jordaan wordt beschreven. Deze gebeurtenis ziet Marcus dus als het begin, en terecht, want daarmee begint inderdaad de werkzaamheid van Christus onder de mensen op aarde.

Lucas daarentegen plaatst aan het begin van het evangelie de geboorten van Johannes de Doper en Jezus. Ook dit is niet willekeurig, maar eveneens als het begin van het evangelie te beschouwen.

Het Johannesevangelie beschrijft nog weer een ander begin, namelijk de wereld van het scheppende woord van waaruit Christus stamt en wat Hij tegelijkertijd zelf ook is: ‘In den beginne was het Woord…’ Afgezien van het feit dat er zo drie ‘begin­nen’ van het evangelie aan te wijzen zijn, kan er zelfs nog een ander begin worden ervaren. Een begin dat weliswaar subjectief, maar daarom niet minder wezenlijk en beslist willekeurig te noemen is, namelijk het ‘begin van het evangelie’ valt op het moment dat ik ermee begin, het moment waarop het tot le­ven wordt gewekt in mijzelf. In dit verband moet ik denken aan het ge­dicht ‘Mein Jahr’ van Conrad Ferdinand Meyer, waarin hij tot uitdrukking brengt dat het tijdstip van zijn verjaardag niet zo zeer van buiten, door de kalender wordt bepaald, maar door het moment van een innerlijk be­gin, een initium. Het zijn die momenten in het leven waarop iets nieuws wordt geboren in de zin van een inspiratie of een besluit, een ontmoeting of een belevenis.

Mein Jahr

Nicht vom letzten Schlittengleise
Bis zum neuen Flockentraum
Zähl’ ich auf der Lebensreise
Den erfüllten Jahresraum.

Nicht vom ersten frischen Singen
Das im Wald geboren ist,
Bis die Zweige wieder klingen,
Dauert mir die Jahresfrist.

Von der Keiter nicht zur Keiter
Dreht sich mir des Jahres Schwung,
Nein, in Flammen werd’ich alter
Und in Flammen wieder jung.

Von dem ersten Blitze heuer,
Der aus dunkler Wolke sprang,
Bis zu neuem Himmelsfeuer
Rechn’ ich meinen Jahresgang.

Conrad Ferdinand Meyer

Drieslag
Misschien heeft de cyclus van het jaar of van de dag ook wel meerdere beginmomenten, ieder met een eigen karakter, met een be­paalde kwaliteit.
Wanneer we bijvoorbeeld naar het dagbegin kijken, zullen we in de eerste plaats aan de morgen denken, wanneer het licht wordt, de zon opgaat en over het algemeen de werk­dag begint. Vooral in het oude Babylonië werd het moment van de zonsopgang als dagbegin beleefd. Maar het begin van de burgerlijke dag valt op een heel ander tijdstip, namelijk te midder­nacht. Volgens de klok 24.00 uur of 0.00 uur, respectievelijk op het moment dat de zon onder de horizon het diepste punt heeft bereikt. Aangezien dit inhoudt dat het ‘grote licht van de dag’ op dat moment weer begint te stijgen, heeft dit tijdstip ook echt beginkarakter en is meer dan slechts een formele, min of meer willekeurige afspraak. (Hier is afgezien van het verschil tussen middernacht in astronomische zin en het tijdstip 24.00, dat voor een gehele tijdzone op aarde geldt.) Zelfs een derde dagbegin kan als zodanig worden beleefd, namelijk wanneer de dag ‘eindigt’ (’s avonds, respectievelijk bij zons­ondergang). Dit moment – dat onder andere in de joodse cultuur als begin van de dag wordt gezien – wordt gekenmerkt door het terugblikken op de dag die achter ons ligt en het vooruitzien, plannen maken of voorbe­reidingen treffen voor de volgende dag, die daarmee in kiem dus inderdaad begint. Ge­bruiken zoals sinterklaasavond op de avond vóór de eigenlijke verjaardag op 6 december of ook kerstavond of bijvoorbeeld het Duitse woord Sonnabend voor zaterdag wijzen nog op de realiteit dat de avond als einde van een dag eveneens de kiem van de nieuwe dag in zich draagt.

De innerlijke of religieuze dag begint ’s avonds en is te beschouwen als de kiemlegging, de astronomische of burgerlijke dag be­gint te middernacht, waar de dag als het ware geboren wordt, terwijl het begin van de werkdag in principe bij zonsopgang begint, waar deze kiemlegging en geboorte ten slotte tot verwerkelijking leidt. Deze drieslag, die in christelijke zin trinitarisch karakter heeft, vinden we eveneens te­rug in de opbouw van het jaar. Met advent, begin van het christelijk-religieuze jaar, wordt een kiem gelegd die ver­zorgd en beschermd wil worden. Met ver­wachting kijken wij uit naar het komende of zelfs naar De Komende. En niet slechts wij alleen leven ‘in verwachting’, maar er wordt ongetwijfeld ook iets van ons verwacht: dat wij innerlijk naar het komende toeleven, het mee-voorbereiden.

Het ‘tweede begin’ van het jaar is het meest exact aanwijsbaar, namelijk 1 januari 0.00 uur, het tijdstip waarop het burgerlijke jaar begint. Zoals advent de avond van het jaar genoemd kan worden, zo valt oudejaarsnacht in de middernachtstijd van het jaar. Daarbij is het opvallend dat dit moment tevens in het midden van de kersttijd valt, zodat in de feesttijd van de Geboorte kennelijk ook het jaar geboren wordt. Het aanvankelijk wille­keurig schijnende moment, blijkt bij nader in­zien diepere zin te hebben. Dit tijdstip geldt dan ook als het ‘officiële’ uitgangspunt voor onze jaartelling: Ab Incarnatione Domini.

Zoals bij de dag, kunnen we ook bij het jaar nog een derde begin aanwijzen of ervaren, namelijk Pasen. De opstanding uit het rijk van de dood is de verwerkelijking van datge­ne wat met kiemlegging en geboorte is voor­bereid. Met Pasen gaat al het voorgaande in vervulling. In die zin staat dit gebeuren on­der het motto: ‘Het is volbracht’. Maar dit draagt tevens een totaal nieuw begin in zich, vergelijkbaar met de schepping. De evangelist Marcus geeft een overduidelijke tijdsbepaling van dit gebeuren:

‘Toen de sabbat was voor­bijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te gaan zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’.

Aan het begin van de week – dus zondag – bij het aanbreken van de dag, bij zonsopgang, valt dit herscheppingsgebeuren. Hierbij worden we aan de woorden aan het begin van de Genesis herinnerd: ‘Er zij licht’. Naast het ‘Ab Incarnatione Domini’ als begin voor onze jaartelling, vinden we hier een heel ander uitgangspunt, dat we ‘Ab Ressurectione Christi’ kunnen noemen.
Pasen 1983* is dan te beschouwen als het begin van het jaar 1950, namelijk het 1950ste wederkerende jaar na het gebeuren van dood en opstanding van Christus. Op deze wijze is bovengenoem­de tijdsaanduiding ook weergegeven in de jaarlijks uitkomende Sternekalender van de mathematisch-astronomische Sektion aan het Goetheanum te Dornach. (‘Mit Ostern 1983 sind verflossen 1950 Jahre nach des Ich Geburt durch das Mysterium von Golgatha’).We kunnen bij het jaar dus ook drie begin­momenten onderscheiden, die alle als zoda­nig geldigheid hebben en qua karakter weer overeenkomen met de drie beginmomenten van de dag, die we kort kunnen weergeven met: kiemlegging, geboorte en verwerkelij­king.

Paradox
Ten slotte kunnen we ons met C.F. Meyer afvragen of het begin van mijn jaar nóg weer op een ander tijdstip valt, hoewel het onge­twijfeld in relatie staat met de overeenkom­stige momenten van het jaar. Want hoewel ik Pasen kan zien als de voleinding, namelijk de verwerkelijking van het opstandingslichaam van Jezus door Christus, ligt deze verwerke­lijking voor mij nog ver in het verschiet. Wat in Jezus is voltooid, ligt voor mij nog in een verre toekomst, is pas in eerste aanleg op mij van toepassing. Of, om met Christian Mor­genstern te spreken: ‘We staan niet aan het einde, maar aan het begin van het chris­tendom’.
Deze paradoxs dat de opstanding tegelijkertijd zowel een feit als ook nog toe­komst is, komt onder andere tot uitdrukking in de woorden van Jezus: ‘Het uur komt en is er reeds…’De verschillende momenten in het jaar waarop een duidelijk begin valt, kunnen we ook beleven in de innerlijke christelijke ontwikkeling. Pasen kan het adventskarakter van een eerste kiem in de menselijke ziel aannemen of als een volgend begin geboren worden, als het ware Kerstmis doorlopend. In navolging van Christus krijgt het na onzegbaar lijden uiteindelijk zijn eigenlijke paaskarakter. Dit feest, dit gebeuren, deze realiteit van dood en opstanding leeft in Vol’eind’ing in Jezus, is in ‘begin’sel voor ons en uit’einde’-lijk door ons voor de aarde bestemd.

(Maarten Udo de Haes, Jonas *16, 01-04-1983)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

 .

369-348

 

 

 

 

 

 

 

 

.