Tagarchief: goud; wierook; mirre

VRIJESCHOOL – Driekoningen (24)

.

Dieuwke essels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(december 2021)
.

Caspar, Melchior en Balthasar

De drie koningen heetten Caspar, Melchior en Balthasar. In het Mattheüs-evangelie lezen we dat er drie wijzen uit het Oosten kwamen om het Christuskind te aanbidden.
Ze hadden ook geschenken bij zich. Koning Melchior, met de rode mantel, gaf goud, Balthasar, met de blauwe mantel, gaf wierook en de donkere koning in de groene mantel, Caspar, gaf mirre. (Mirre is gomhars, een lekker ruikende olie).
Deze gaven kunnen ook een symbolische betekenis hebben. Goud staat dan voor
inzicht in de goddelijke, geestelijke wereld, wierook voor offerbereidheid en voor de menselijke deugd en mirre voor verbinding van de ziel met het onsterfelijke.

Driekoningenspel

De drie koningen zijn verbonden met vele, eeuwenoude tradities. Op de vrijeschool kan het Driekoningenfeest gevierd worden met het Driekoningenspel. Een andere traditie die ik nog ken van vroeger toen ik in Duitsland woonde, is dat er drie als koningen verklede jongens langs de deuren gaan. Met krijt schrijven zij dan het jaartal en de initialen van de koningen naast of boven de deur (C+M+B). In ruil krijgen ze dan wat snoep. Deze manier van vieren is gebaseerd op het rooms-katholieke gebruik om op 6 januari de huizen te zuiveren met wierook, en ze dan te zegenen.

Driekoningen thuis

Thuis kunnen we de Driekoningentijd ook vieren op een manier die teruggaat op een oude traditie en die ik vond in het boek “Leven met het jaar”, van Christofoor. Het werkt het beste in het weekend en je kunt het zo doen: bak een brood voor het ontbijt en verstop er een witte, gedroogde boon in (oorspronkelijk was de boon een stenen poppetje dat het Christuskindje verbeeldde). Eet het brood samen op. Wie de boon vindt, moet zich de rest van de dag als een koning gedragen, en wordt ook zo behandeld. Succes verzekerd! [Van: Antroposofisch Leven]

Linker afbeelding is van Trees Zwetsloot †. Meer werk van haar op AntroVista.
.

6 januari, een bijzondere dag
Door: Mirjam Chamuleau

6 januari is de laatste dag van de 12 Heilige Nachten en op die dag wordt de kleine kersttijd die in de nacht van 24 op 25 december begint afgesloten. Op deze dag dat de zon weer begint te draaien vieren wij het driekoningenfeest, een feest met een traditie die bij de meeste mensen wel enigszins bekend is.
Minder bekend is het dat we op deze dag nog drie andere gebeurtenissen herdenken.
De 4 aandachtspunten voor deze dag zijn:
1. Doop in de Jordaan
2. Wonder te Kanaa
3. Driekoningen
4. Vrouw Holle dag

De doop in de Jordaan

Waarom is de doop in de Jordaan zo bijzonder?
Omdat op dat moment alle lijnen van de geschiedenis van de mensheid samenkomen.
Na een lange weg van voorbereiding, verbindt een groot goddelijk wezen, het
Christuswezen, zich met de mensheid en incarneert in een mensenlichaam, het lichaam van Jezus van Nazareth. Talloze kunstwerken die later tot stand kwamen over deze belangrijke gebeurtenis voor de mensheid laten dit zien in het beeld van de neerdalende duif. Drie jaar lang tot en met de kruisdood op Golgotha zal Christus door en in de mens Jezus werkzaam zijn.
Op die manier verbindt Hij zich met de aarde en de mensheid en met de weg die de mensheid gaat en nog moet gaan tot in de toekomst. Hij is het goddelijk wezen dat de brug slaat tussen hemel en aarde, tussen de mens en de goddelijke wereld. Deze verbinding dreigde verloren te gaan, maar door de komst van Christus op “het keerpunt der tijden” is het voor ieder mens zelf weer mogelijk deze verbinding tot stand te brengen (over de doop in de Jordaan lees je in de bijbel in: Math.3 14-15).

Het wonder op de bruiloft te Kanaa [Johannes 2 vers 1-10]

Na de doop in de Jordaan en 40 dagen van afzondering in de woestijn komt Jezus met zijn moeder op de bruiloft in Kanaa aan. Er heeft zich in hem een grote innerlijke metamorfose voltrokken. In zijn ziel heeft het mensen-ik van Jezus plaats gemaakt voor het grote kosmische zonne-Ik van het Christuswezen.
Het veranderen van water in wijn is het eerste “wonder” dat Christus in zijn aardse gestalte verricht. Hij wijst hier op zijn herkomst als zonnewezen en op de toekomst van de mensheid waarin de nieuwe innerlijke zon van de mens zijn glans zal verspreiden en de aarde met die kracht zal kunnen transformeren.

Vrouw Holle

In zekere zin is hier ook sprake van Epifanie. Epifanie is letterlijk: het tot verschijning komen, in dit geval van Vrouw Holle. Vrouw Holle = beeld voor de wijsheidskrachten uit de natuur en ook is Vrouw Holle de behoedster van het menselijk lot.
In veel sprookjes kunnen we de macht van haar wezen zien verschijnen. In de
verhalen zit Vrouw Holle vaak bij de bron, daar is haar “werkterrein”. De bron is beeld voor de poort tussen hemel en aarde of de boven- en onderwereld
(Holle=Hölle=onderwereld) of onbewustzijn en bewustzijn, dat is het gebied waar Vrouw Holle werkzaam is. Ook werkt zij in het gebied van de aardewezens (dwergen), de luchtwezens (elfen), de waterwezens (nimfen) en de vuurwezens (salamanders).
Door het werken met deze wezens maakt zij een verbinding van de hemelwereld (ook wel vaderwereld) en de aardewereld (moederwereld).
Behalve beheerster van dit natuurrijk is zij ook de behoedster van het menselijk lot. In de verhalen zien wij dit in beeld gebracht in het spinnen van de (levens)draden.

Rudolf Steiner maakt deze samenhang duidelijk door te zeggen dat de wetten van de natuur dezelfde wetten zijn, als diegene die in de mensenwereld werken als de wetten van de moraliteit. Ze worden volgens dezelfde consequente onwrikbaarheid voltrokken; de werking van oorzaak en gevolg van ons handelen en onze gedachten.
Vrouw Holle is de behoedster van beiden.

Meer over Vrouw Holle

Driekoningen

Driekoningen is een feest waarvan we een eeuwenlange traditie kennen. Ook nu nog gaan, vooral in Brabant, kinderen zingend langs de deuren al of niet met ster.
In het Matheus-evangelie lezen we over “priesterwijzen” uit het Oosten. Daar staat niet specifiek dat het er drie waren. In de loop der eeuwen zijn er vele visies geweest over de koningen, we kunnen dat ook terugvinden in oude geschriften en afbeeldingen uit de kunst. In het jaar 344 zegt Johannes Chrijsostomos dat er 12 wijzen waren.
Epifanius van Salamis (315-403) spreekt over 15 wijzen. In de catacomben van
Domitilla zien we er 4 afgebeeld en in de catacomben van Pricilla weer 2 en in het lateraans museum in Rome hangt een afbeelding met 3 wijzen.
Friedrich Klopstock (dichter 1724-1803) heeft het over 6 wijzen en Origenes houdt het op 3, want, zegt hij, er waren 3 geschenken dus ook 3 koningen.
Voor zover er sprake is van namen zijn deze ook door de eeuwen heen heel
verschillend geweest, er is sprake van:

Magalath            Galgalath              Tharath
Magala                Galgalath              Sarachim
Apellius              Ameris                   Damasis
Seit                      Mansor                  Theogene
Ator                     Sator                      Perateras
Bithisarea          Melchior               Gathaspa

En Beda Venerabile, een Benedictijner monnik die leefde van 673-735 spreekt voor het eerst over Melchior, Balthasar en Caspar; de namen zoals wij die ook nu nog gebruiken voor de koningen. Deze koningen of wijzen volgden de ster zoals we in het Matheusevangelie kunnen lezen en brachten het kind hun geschenken.
Uit wat Rudolf Steiner ons in zijn voordracht “Het vijfde evangelie” vertelt weten we dat in het kind waar het Matheusevangelie over vertelt (ook wel het Salomoonse Jesuskind genoemd) de grote individualiteit van Zarathustra werd wedergeboren. Als Zarathustra was hij leider van het Perzische volk, hij leerde hun wijsheid en leerde hun zien dat de zon een hoog geestelijk wezen was: Ahura Mazdao, een wezen dat eens op aarde zou afdalen om zich wezenlijk met de mensheid en haar voortgang te verbinden.
In de 6e eeuw v.C., ten tijde van de Babylonische ballingschap, was Zarathustra
geïncarneerd als Zarathos in Chaldea. Leerlingen van hem, van zijn mysterieschool, waren Chaldeeuwse wijzen. Ze vereerden hem en wachtten vol verlangen op zijn volgende incarnatie. Zij leerden de sterren “lezen” en konden zo aan de hemel de ster zien verschijnen die deze gebeurtenis aankondigde. Ze gingen op weg naar de plaats die de ster hun zou wijzen.
Natuurlijk is er iets “bijzonders” te zien aan de hemel bij grote belangrijke
gebeurtenissen voor de mensheid. Talloze astrologen hebben zich over het raadsel van de “ster van Bethlehem” gebogen en een bijzondere constellatie gevonden van Saturnus, Jupiter en Zon die maar één keer in de 10.000 jaar voorkomt. Maar deze wijzen zagen meer. Rudolf Steiner zegt op 30 dec. 1904 over de koningen die de ster volgen: Geleid worden door een ster wil niets anders zeggen dan “de ziel zelf als een ster zien” als een lichtende aura. Wat de magiërs zagen stralen is “de ziel van Christus zelf”.

Zij zagen niet alleen de glans van een bijzonder mensenkind maar ook (door hun
voorbereiding, door hun inwijding) de “sterglans” van de ziel die 30 jaar later bij de doop in de Jordaan in dit mensenkind zijn intrek zou nemen. Volgens de overleveringen brachten de koningen geschenken met zich mee.
In het driekoningenspel wordt gesproken door Melchior (de koning in het rood): ick wil u offren het rode gout, ick bid mij in genae behout” en door de groene koning Caspar “so wilt veeledel heldt ontvaen de vrucht mijns lands, de mirre goet”en ten slotte de blauwe koning Balthasar “neem aan het offer, de wierook goet”
Behalve in het uit de middeleeuwen stammende driekoningenspel is er ook in andere geschriften over de geschenken en hun betekenis geschreven. Binnen de antroposofie gebruikt men de kleuren die men de koningen geeft en ook de geschenken als beelden of symbolen:
• Melchior (rood) schenkt goud symbool voor wijsheid -het denken.
• Balthasar (blauw) schenkt wierook symbool voor gebed-het voelen.
• Caspar (groen) schenkt mirre symbool voor onsterfelijkheid-het willen.

Bemardus van Clairveaux (1090-1153) bracht een oplossing van veel praktischer aard naar voren: het arme gezin waar het Jesuskind geboren werd kon goud heel goed gebruiken en ook wierook vooral tegen de stank in de stal. Mirre kon gebruikt worden als “tijgerbalsem” want hagel en sneeuw gaf reumatische klachten. Er wordt ook in verband met de drie koningen gesproken over hun leeftijdsfasen.
Van Raephorst zegt: Caspar is de jongste, Balthasar de rijpe man en Melchior de oude.
Volgens de traditie komt Caspar uit het oude Egypte, Balthasar uit India en Melchior uit Perzië en representeren ze samen de drie na-atlantische culturen (ook wel Europa-Azië-Afrika). In ieder geval wordt in de drie koningen de hele mensheid gerepresenteerd!
In de folklore vinden we nog een aantal oude driekoningengebruiken b.v. het bakken van een driekoningenbrood met erin verstopt een boon. Wie de boon heeft is die dag “de koning”. De koningen werden aangeroepen als beschermers van reizigers: Caspar leide mij, Balthasar besture mij, Melchior beware mij.
In delen van Duitsland reinigt men met brandende jeneverbestakken huis en stal en schrijft men na afloop de drie initialen C.M.B. met krijt op de muur of deur. C.M.B. (Caspar-Melchior-Balthasar) in dit geval de afkorting van de latijnse woorden: Christus Mansionem Benedicat – Christus zegene deze woning.

Pinterest: advocate art

Driekoningen en de koek……

Er wordt een moment [schoolbreed] afgesproken wanneer driekoningen in de klas gevierd wordt middels het eten van de koek met de 3 bonen: 2 witte [voor Melchior en Balthasar] en 1 bruine voor Caspar. [de bonen worden na het bakken in de koek gedaan..[[anders garen ze mee]]]
Het bakken en aanleveren van de koek staat op de activiteitenjaarplanner voor de ouders.
Maar Hoe en wanneer ga je de koek verdelen??
Hieronder een beschrijving:
Het is ’s morgensvroeg.
Op de tafel in het midden van de kring staat een cake/koek op een bord/ snijplank. In de nabijheid, onder tafel bijvoorbeeld, ligt een mes om de cake te snijden. Bovendien liggen servetjes klaar voor alle kinderen.
Als ze er zijn is het leuk om 3 verjaardagskaarsjes in de kleuren rood, blauw, groen in de koek te zetten.
De kleuters komen binnen en net als altijd is het ritueel tot en met de klassenkabouter “Zonnegroet” naar haar stoeltje brengen en de knuffels naast haar in de vensterbank.
Geen “laten-zien-rondje” deze dag. [“stapperdestap daar kom ik aan”]
Kinderen in de kring terug.
Vertellen wat we gaan doen, of interactief, “wie weet wat we nu gaan doen?”
Licht uit.
Kaarsjes aan op de driekoningenkoek. [eerder maakte ik de koeken zelf, een tulband, bedekt met een laagje chocola en daarop gemalen kokos gestrooid.]
Driekoningenliedjes zingen,
En “Stil nu”
Kaarsjes uitblazen…….. tellen hoeveel kindjes er zijn en zoveel plakjes koek snijden als er kindjes zijn.
Ondertussen rustig doorzingend. Alleen stoppen om te tellen hoeveel plakjes je al hebt.
Kan ook neuriën…[ doordat de kleuters mee kunnen doen, blijven ze betrokken]
Kindje van de dag mag alle kleuters een servetje geven, juf loopt met de schaal rond en geeft ieder kind een plakje koek [geef even aan dat we samen gaan eten, even wachten dus op elkaar, met het opeten. Kleine herinnering, “misschien zie je al wel een boon, maar dat mag je nog even voor jezelf bewaren: dat is heeeeel moeilijk, maar zo gaan we dat doen, als we de koek eten, dán mag je het zeggen”. Waarschuw even dat de boon heel hard is en dat die niet opgegeten hoeft maar op het bord in het midden van de kring gelegd mag worden. Mocht een kindje het niet aandurven koning te zijn, dan mag deze kleuter aangeven wie het wel gaat worden….
De kinderen die de boon vinden mogen rood, blauw of groene koning zijn en hun
knecht kiezen.
Vervolgens speel je het driekoningenspelletje……

Wat recepten voor
Driekoningen en de koek | Kook Rubriek

Driekoningenspelletje…

Hoe te beginnen?
Tafeltje int midden van de kring
Kinderen eromheen
Samen met helpertje kleren klaarleggen [1e keer uitleg van kleding, bespreken kleuren vormen [[capes, jurken, pakjes]], lengtes. Attributen: kronen, kijkers, geschenken, kussentjes.
Rolverdeling [van oudsten naar jongsten de ene dag de andere dag van jongsten naar oudsten]
Elkaar helpen aankleden
Iedereen naar juiste plaats [allen staand in de kring, juf geeft aan waar de koningen enzovoorts gaan zitten.

Welke rollen zijn er:
Jozef
Maria
Lam
Ezel
Os
Melchior
Knecht Melchior
Balthasar
Knecht Balthasar
Caspar
Knecht Caspar
Herodes
Engel met ster
Engelen
Muzikantjes
Verteller

Plaats van de rollen:
Verteller links van leidster, dan koningen en knechten [7 stoeltjes], tijdens het spel lopen de koningen, als het hun beurt is, naar de overkant van de kring.
Engelen op bankjes naast de stal,
Herodes rechts van leidster+ muzikanten,
Jozef, Maria, os en ezel en lammetje in de stal

Melchior en Knecht Melchior, Balthasar en Knecht Balthasar, Caspar en Knecht Caspar
Jozef en Maria
Ezel en Os en Lam
Herodes
Engelen, Verteller
Ziek of Afwezig, Muzikantje
Voordat het spel begint:
Koningen en knechten zijn jullie klaar [zij knikken hun hoofd]
Jozef en Maria zijn jullie klaar: “Ja, begint u maar”
Os en ezel en lammetje klein: laat jullie es eventjes horen!…
Engelen zijn jullie klaar [zij bewegen hun armen als vleugels zacht heen en weer]
Muzikantjes zijn jullie klaar? Laat maar even horen klingelingeling [1
e zin van het liedje
zingen]
“Dank jullie wel, dan gaat het spel nu beginnen.”

Eens op een dag wandelen Maria met haar kindje, Jozef en de os de ezel en het
lammetje buiten.
Zachtjes vallen er sneeuwvlokjes neer. {lopen door de kring]

Ze gingen de stal weer binnen en boven de stal straalde de ster [de engel met de ster steekt de ster goed omhoog en gaat daarbij staan]
De ster had prachtige stralen die straalden zo ver: Over de bergen en over de dalen [met handen gebaren]
Zo kwamen de stralen ook in een land waar een koning woonde: Melchior was zijn naam
Koning Melchior stond op een avond op het balkon van zijn paleis [kind gaat op stoel staan]
En zag een nieuwe ster aan de hemel staan [zet kijker voor een oog]
Koning Melchior is mijn naam Ik zie aan de hemel een sterre staan.
Daarin een teer maagdekijn Met een kindje al zo klein.
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn, Dit moet voorwaar een koningskind zijn.
[Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem
En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld het goud
[Lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor.
[Engel brengt koning en knecht naar overkant van de kring]

De ster straalde nog verder over de bergen en over de dalen en over nieuwe bergen.
[Engel loopt terug naar stal]
De stralen kwamen in een land waar koning Balthasar woonde.
Koning Balthasar stond op een avond op het balkon van zijn paleis [kind gaat op stoel staan]
En zag een nieuwe ster aan de hemel staan
Koning Balthasar is mijn naam
Ik zie aan de hemel een sterre staan. [Zet kijker voor een oog]
Daarin een teer maagdekijn met een kindje al zo klein,
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn,
Dit moet voorwaar een koningskind zijn. [Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld de wierook [lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor. [Engel brengt koning en knecht naar “Berg”,
schommelboot]

De tweede heette Balthasar, Balthasar, Balthasar, de tweede heette Balthasar.
Hij bracht het kindje wierook mee, wierook mee, wierook mee, hij nam voor het kindje wierook mee.

[Engel loopt terug naar stal]
De sterrenstralen gingen nog verder over de bergen, over de dalen, over nieuwe
bergen en rivieren en kwamen in een land waar koning Caspar woonde.
Koning Caspar stond op een avond op het balkon van zijn paleis en zag aan de hemel een nieuwe ster.
Koning Caspar is mijn naam [kind gaat op stoel staan]
Ik zie aan de hemel een sterre staan. [Zet kijker voor een oog]
Daarin een teer maagdekijn met een kindje al zo klein,
Dit is voorspeld, Zo zou het zijn,
Dit moet voorwaar een koningskind zijn. [Stapt van stoel af en spreekt tot zijn knecht]
Zoeken willen wij hem En geschenken brengen
Het mooiste van de wereld de mirre [lopen naar de tafel met geschenken en nemen het passende geschenk]
Wil ik aan zijn voetjes leggen.
Maar wie wijst mij de weg naar dat goddelijk kind?
Ach zie, de engel gaat mij voor. [Engel brengt koning en knecht naar “Berg”,
schommelboot]

De derde heette Caspar goed, Caspar goed, Caspar goed, de derde heette Caspar
goed.
Hij nam voor het kindje mirre mee, mirre mee, mirre mee, hij nam voor het kindje mirre mee.

Daar kwamen de koningen bij elkaar, allen gaan ze staan en zij maken een buiging naar elkaar.

Melchior:
Koning Melchior is mijn naam, ik zag aan de hemel een sterre staan
Geboren is een koningskind, nu ga ik zoeken tot ik het kindje vind

Balthasar:
Koning Balthasar is mijn naam, ook ik zag aan de hemel een sterre staan.
Zullen we samen zoeken gaan?

Caspar:
Koning Caspar is mijn naam, ook ik zag aan de hemel een sterre staan.
Laten we samen met onze knechten reizen naar de plaats die de ster ons zal wijzen.
De koningen gaan lopen [[op volgorde]] achter de engelen aan, de engelen lopen in de kring 1 rondje, de koningen lopen met hun gevolg 2x in de kring]

Drie koningen drie koningen zij kwamen van ver, drie koningen drie koningen en volgden de ster,
De ster ging even onder zo dwaalden zij tesaam
En kwamen zo bij Herodes aan
Drie koningen drie koningen
Zo kloppen zij op Herodes zijn deur Herodes komt zelve naar veur
Dag koningen dag koningen [H buigt voor koningen en knechten]
Zeg ons waar is het kindje de koning van ons al [koningen en knechten zingen samen]
Is hij al geboren, is hij er al?

[Herodes] Zeg koningen zeg koningen Ga dat kind maar zoeken en zeg het mij met
spoed, dat ook ik dat kindje begroet
Dag koningen dag koningen.
Drie koningen drie koningen zijn verdergegaan, drie koningen drie koningen komen bij
het stalletje aan.
Daar kloppen zij aan de deur van de stal,
Jozef komt eraan gelopen

Jozef: Dag koningsvrienden, wat zoekt gij hier?
Koningen: Wij zijn de drie koningen en komen van ver, wij zagen aan de hemel een nieuwe ster.
Een ster van een nieuw koningskind, wellicht dat wij hem hier vinden?
Jozef: Komt binnen, hier zijt gij goed.
De koningen geven hun kronen en kijkers aan hun knechten en nemen de geschenken over van hun knechten.
De koningen buigen voor Maria en het Kindje teer
De koningen knielen dan bij het kribje neer. [op één knie buigen: kroontje en kijker geven zij aan knecht en knechten geven het geschenk aan de koning]

Wiegeliedje:
Klein koningskind, klein koningskind
Een ster die bracht mij hier
Klein koningskind, klein koningskind
Zo fijn dat ik u vind

Melchior is mijn naam en goud is mijn geschenk [een voor een geven zij hun geschenk aan Maria]
Balthasar is mijn naam en wierook is mijn present
Caspar is mijn naam en mirre is mijn present.
Maria: “bedankt goede koningen, dat u hier gekomen bent en dank voor uw
geschenken.
Een goede reis terug naar huis gewenst. We zullen nog vaak aan u denken.”
De koningen gaan staan en buigen naar Jozef, Maria en het kindje en lopen achteruit naar hun knechten en zetten hun kronen weer op.

Neuriën:
Er waren eens drie koningen.

In de kring: Melchior: “nu moeten wij Herodes gaan vertellen dat wij het kindje
gevonden hebben”
Balthasar: “zodat hij het kindje ook geschenken kan brengen”
Caspar: “maar duisternis valt op de aarde neer. Vandaag lukt dat niet meer.
Laten we voor vandaag maar rusten en slapen hierbuiten” [knielen rond de paalkop.]

Als de koningen slapen komen er engelen:

“Gij Melchior en Balthasar en Caspar goed, wordt eens wakker en luistert goed:
Gij moet niet naar Herodes gaan, maar stilletjes naar huis toe gaan. Ga met een boog om het paleis en maak u klaar voor de thuisreis”.

Neuriën: in de hemel is een dans

De koningen worden wakker Melchior zegt: “hebben jullie ook een engelendroom gehad?”
Balthasar en Caspar knikken beiden hun hoofd, ze nemen afscheid van elkaar [geven elkaar een hand en maken kleine buiging] en gaan naar huis terug.
Ze weten dat dit een waarschuwing is geweest en dat ze terug naar huis moeten gaan, om het kindje en zichzelf te beschermen]

In de stal is alles rustig tot een engel bij Jozef komt:
Engel: Jozef, Jozef, ik kom u wekken, dat gij moet vertrekken met Maria zoet. Sta op sta op verlaat nu Bethlehem en vlucht naar Egypte. En zie de engel gaat u voor.”

De Engel gaat voor de stal staan en Jozef maakt Maria wakker:
Jozef: “Maria, Maria, wordt eens wakker, we moeten naar Egypte, het was een engel die het zei…”
Dan halen ze de dieren uit de stal. Zo lopen ze rustig naar de engel.

Liedje:

Als iedereen uit de stal is, lopen de Koningen, knechten, muzikantje en Herodes achter de rij aan, we lopen rond de kring en daarna weer de kring in en zingen.

Gezongen driekoningenspelletje door volwassenen, rond 6 januari gezongen opgevoerd.
Een ontroerend eerbiedsspel…..
In de grote zaal “de Halde” in onze school kwamen er volwassenen om dit lied ten gehore te brengen en daarmee het driekoningenspel op te voeren.
Bij binnenkomst met de kleuters zijn de gordijnen dicht en de verlichting is gedempt, als we allen goed zitten, komen Maria en haar kindje en Jozef de zaal binnen en gaan het toneel op een klaargezette plaats hun ruimte nemen. Kleuters kijken ademloos toe.
Dan horen we van ver een geneuriede melodie die dichterbij komt en in zingen
meandert, de stoet koningen en herauten schrijdt binnen en gaat ook het podium op, al zingend speelt zich het “tableau vivant” af…, de koningen lopen het toneel daarna al zingend weer af en als de melodie weer verzacht, verlaten Jozef en Maria en kindje met de geschenken ook het toneel en wordt het weer muisstil in de zaal. Na even op adem gekomen te zijn, verlaten we allen al neuriënd de zaal en lopen naar onze lokalen toe, we nemen plaats op de stoeltjes in de kring, in de klas ook is het licht gedimd, juffie maakt een beetje meer licht en langzaam stappen we onze speeldag in, met een driekoningenlied en daarna naar activiteit of speelland…. Ook wel eens met eerst een biscuitje omdat wat we mee hebben gekregen, in het driekoningen spelletje, alvast te laten verinnerlijken.

2. (Melchior:)
Born a king on Bethlehem plain,
Gold I bring to crown Him again,
King for ever, ceasing never,
Over us all to reign.

3. (Balthazar:)
Frankincense to offer have I;
Incense owns a Deity migh,
Prayer and praising, all men raising,
Worship Him, God most heigh.

4. (Caspar:)
Myrrh is mine, its bitter perfume
Breathes a life of gathering gloom;
Sorrowing, sighing, bleeding, dying,
Sealed in the stone-cold tomb.

Drie-koningen-uit-kerstpoëzie voor peuters en kleuters

Het versje gaat zo verder:
Zo bracht de ster ze keurig naar het kindje – klein en teer
en knielden de drie koningen voor de kribbe neer.
En toen de koningen allang weer weg waren gegaan
bleef die mooie gouden ster stralend aan de hemel staan.

In de kleuterklas gaat de kersttijd nog even door als de kleuters op school komen in het nieuwe jaar.
De afgestofte seizoentafel is bijna gelijk gebleven:
Jozef, Maria en het Kind zijn in de stal net als os en ezel en één van de lammetjes die de herders hebben gegeven.
De herders zijn weer terug naar het veld en de Drie Koningen zijn onderweg: elke dag komen ze beetje dichterbij
[Tot de opvoering van het Driekoningenspelletje]
Uit het Seizoentafelboekje
Van Dieuwke Hessels
[ een boekje gemaakt betreffende seizoentafels door het jaar heen met foto’s [die
Dieuwke maakte in de laatste jaren voor haar pensionering] liedjes, met tips en tricks en “hoe dan en wat dan ?“]

Bron

Boeken voor Driekoningen
Drie wijzen uit het Oosten van Loek Koopmans, Winterlicht van Diana Monsun

Maria’s kleine ezel van G. Sehlin (over de vlucht naar Egypte) Een ster over de
grens van Ineke Verschuren

Deze bundel bevat verhalen, liedjes en recepten. de verhalen zijn van verschillende auteurs en ook erg verschillend van stijl. Denk aan Annie M.G Schmidt, Paul Biegel, Hans Stolp …
In de bundel zijn drie grote thema’s terug te vinden m.n. de kerstboom, de kersttijd en het kerstkind. Zeker bruikbaar als voorleesboek in de kleuterklas. Jammer dat de illustraties zwart-wit zijn.


Ze gaan weer terug nu zonder aards geschenk, maar met hemelse warmte in hun hart.

.

Met toestemming van de schrijfster, waarvoor dank!

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen – jaartafel

.

2694-2524

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (13)

.

Op deze blog staan en verschijnen artikelen over de jaarfeesten, m.n. die op de vrijescholen worden gevierd. De inhoud van de artikelen kan de motieven waarom gevierd wordt, verduidelijken. Tegelijkertijd is de inhoud de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat ze hier verschijnen wil niet per se zeggen dat ze DE opvatting van DE vrijeschool representeren.

RUDOLF STEINER OVER DRIEKONINGEN

Het Driekoningenfeest

Notities van een toehoorder van een voordracht van Rudolf Steiner gehouden in Berlijn op 30 december 1904.

Toelichting
Hetgeen in deze voordracht werd uitgesproken, vormt het enige wat Rudolf Steiner over de betekenis van het feest van de heilige drie koningen heeft gegeven, hoewel de heilige drie koningen als zodanig in de voordrachten veelvuldig genoemd worden. De onderstaande voordracht werd in aansluiting aan de eigenlijke kerstvoordracht gehouden, die als eerste voordracht is afgedrukt in de uitgave „Zeichen und Symbole des Weihnachtsfestes, Drei Vorträge”, Dornach 1977. Vertaald
De kerstvoordracht van het jaar 1903, die voor zover wij weten de allereerste kerstvoordracht van Rudolf Steiner is, is af gedrukt in nr. 32 (kerstmis 1970) van de „Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”.
De onderstaande beschouwingen over het driekoningenfeest zijn door Marie Steiner gepubliceerd in het mededelingenblad „Was in der Anthroposophischen Gesellschaft vorgeht” in het jaar 1942 (nr. 1). (Door ons overgenomen uit „Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”, Kerstmis 1977. Red.)*

Een feest dat voor onze huidige tijd minder betekenis schijnt te hebben dan het kerstfeest is het feest van de heilige drie koningen – dat op 6 januari wordt gevierd – het feest van de wijze magiërs die uit het Morgenland komen ter begroeting van de pasgeboren Jezus. Dit feest der Epifania zal steeds meer betekenis krijgen, wanneer de ware, feitelijke symboliek van dit feest wordt begrepen. Wij hebben hier te maken met iets zeer belangrijks. Dat kan men reeds daaruit zien, dat een zeer uitgesproken symboliek aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland ten grondslag ligt. Deze symboliek werd, zoals alle mysteriën, tot in de vijftiende eeuw zeer geheim gehouden en er werden tot op dat moment ook geen bijzondere aanduidingen over gemaakt. Vanaf de vijftiende eeuw wordt echter meer aandacht geschonken aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland, doordat exoterische afbeeldingen verschijnen die de heilige drie koningen voorstellen als een Moor, een bewoner van Afrika – dat is Kaspar; dan een blanke, een Europeaan – dat is Melchior; en een uitgesproken Aziatische koning, die de huidskleur van de bewoners van India heeft – dat is Balthazar. Zij brengen goud, wierook en mirre als hun offergaven aan het Jezuskindje in Bethlehem.

Het is de diepere betekenis van deze drie offergaven die met de kenmerkende symboliek van dit feest van de zesde januari samenklinkt. Terwijl het feest – esoterisch beschouwd – zeer belangrijk geacht moet worden, is het alleen al de datum die exoterisch de aandacht trekt. Want de zesde januari is dezelfde datum, waarop in het oude Egypte het zogenaamde Osirisfeest werd gevierd, het feest van de weder gevonden Osiris. Zoals bekend wordt Osiris overwonnen door zijn tegenstander Typhon. Hij wordt gezocht door Isis en teruggevonden. Dit terugvinden van Osiris, de godenzoon, vormt de basis van het feest van de zesde januari. Het Driekoningenfeest is hetzelfde feest, met dit verschil dat het christelijk is geworden. Wij vinden dit feest ook bij de Assyriërs, de Armeniërs en de Feniciërs. Overal is het daar een feest dat verband houdt met een soort van algemene doop, waarbij vanuit het water een wedergeboorte plaatsvindt. Dit wijst reeds op de samenhang met de teruggevonden Osiris.

Wat is nu eigenlijk de verdwenen Osiris? De verdwenen Osiris geeft de overgang weer die plaatsvindt gedurende het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode van de mensheid. Voor het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode waren er geen mensen die begiftigd waren met manas, het huidige geestzelf. Pas in het midden van de lemurische tijd daalde vanuit de goddelijke wereld manas neer en bevruchtte de mensen. In iedere individuele mens wordt een graf geschapen voor het over de mensheid uitgestrooide, aan ieder mens toebedeelde manas. Een graf voor Osiris die voorgesteld wordt als in talloze stukken verdeeld. Het is het goddelijke manas dat opgedeeld en verstrooid is en in de mensen woont. Graven van Osiris worden de menselijke lichamen genoemd in de geheime mysterietaal van Egypte. Manas kan niet bevrijd worden dan wanneer de tijd is aangebroken, dat de wederverschijnende liefde manas kan bevrijden.

Wat is nu de wederverschijnende liefde? Datgene wat bij de bevruchting met manas in het midden van de lemurische tijd geboren werd – iets eerder en iets later – dat was het indalen van het principe van de begeerte. Voor die tijd bestond er geen wezenlijk begeerte-principe. De dieren waren in de voorafgaande tijd nog koudbloedig. En ook de mens zelf was in die tijd niet met warm bloed begiftigd. De mensen uit de maantijd, en aanvankelijk ook de mensen uit de lemurische tijd, kan men in zoverre vergelijken met vissen, dat zij dezelfde warmte bezaten als hun omgeving. De geest Gods zweefde over de wateren, zo spreekt de bijbel over die tijd. Het principe van de liefde was nog niet in het innerlijk der menselijke wezens opgenomen, maar was daarbuiten als het zich openbarende aardse karna (dat is aardse hartstocht). Karna is de egoïstische liefde. De eerste brenger van egoïsme-vrije liefde is dan Christus die in Jezus van Nazareth zou verschijnen.

Wie zijn nu de Wijzen uit het Oosten? Dat zijn de ingewijden die de voorafgaande drie ontwikkelingsperioden representeren. Het zijn de ingewijden van de mensheid tot aan het verschijnen van het Christuswezen, de van egoïsme vrije liefde, de wederopgestane Osiris. Ingewijden waren met manas begiftigde mensen, zo ook de drie Wijzen. Zij bieden goud, wierook en mirre aan als offergave. En waarom verschijnen zij in de drie kleuren zwart, geel en blank? Zwart als Moor, blank als Europeaan en geel als Indiër? Dat hangt samen met de achtereenvolgende ontwikkelingsperioden van de mensheid op aarde. Zwart zijn de oerresten van de lemurische mens, geel zijn de oerresten van de atlantische mens en blank zijn de vertegenwoordigers van de vijfde ontwikkelingsperiode, de huidige na-atlantische mensheid. Wij hebben dus in de drie koningen of magiërs de vertegenwoordigers van de Lemuriërs, de Atlantiërs en de huidige mens. Zij brengen de drie offergaven. De Europeaan brengt goud, het symbool van de wijsheid, de intelligentie die vooral in het huidige na-atlantische tijdperk tot uitdrukking komt.
De ingewijden van de vorige ontwikkelingsperiode, de Atlantiërs hebben als offer iets dat samenhangt met wat voor hun het belangrijkst is. Zij bezaten nog een meer directe verbinding met de goddelijke wereld, wat tot uitdrukking kwam in een soort suggestieve beïnvloeding, een soort van universele hypnose. Deze verbinding met de godheid wordt door de offerhandeling in stand gehouden. Het gevoel van de mens moet omhoogstreven, moet zich verheffen, opdat het door God wederom bevrucht wordt: dat vindt zijn symbolische uitdrukking in de wierook die het algemene symbool is voor het offer.
De mirre is, esoterisch uitgedrukt, het symbool voor het versterven. Wat betekent versterven, wat wederopstanding, zoals wij het bijvoorbeeld hebben in de wederopgestane Osiris? Bedenkt men de woorden van Goethe, waar hij zegt: „En zolang je dat niet hebt, dit sterven en weer worden, ben je maar een droevige gast op de donkere aarde”. Jacob Böhme brengt dezelfde gedachte tot uitdrukking met de woorden: „Wie niet sterft voor hij sterft, die verderft als hij sterft”.
De mirre vormt het symbool voor het in zichzelf doen sterven van het lagere leven en de opstanding van het hogere leven. Daarom ook wordt de mirre aangeboden door de ingewijde van de lemurische ontwikkelingsperiode. Dit heeft een diepe betekenis. Realiseert men zich wie Jezus van Nazareth is. Een hoogontwikkelde Chela (ingewijde) is in hem geboren. Hij heeft in zijn dertigste levensjaar aan de afdalende Christus, de afdalende Logos, zijn leven weggeschonken. Dat alles hebben de wijze magiërs als een toekomstbeeld geschouwd. Het is een groot offer van Jezus van Nazareth, dat hij zijn ik in ruil voor het ik van de tweede Logos geeft. Om een heel bepaalde reden moest dit offer geschieden.

Pas bij het aanbreken van de tijd van de volgende cultuurperiode zal het mogelijk worden, dat de mens (het menselijke lichaam) reeds vanaf de jeugd zover ontwikkeld is, dat zo iets als het Christusprincipe kan worden opgenomen. Pas duizenden jaren later, in de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal de gehele mensheid zo rijp zijn, dat de lichamen niet jarenlang voorbereid moeten worden, maar reeds vanaf het eerste begin in staat zullen zijn het Christusprincipe op te nemen. In de tijd van onze vorige cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, moest het menselijk lichaam nog dertig jaar worden voorbereid. (In noordelijke streken hebben wij iets dergelijks, waar de persoon van Sig zo wordt voorbereid, dat hij zijn lichaam ter beschikking kon stellen aan een hoger wezen). In de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal het mogelijk worden, dat de mens zijn lichaam ter beschikking kan stellen aan zo een hoog wezen, zoals door Christus bij de stichting van het christendom werd volbracht. Toen het christendom werd gesticht, was het nog nodig dat een Chela zijn ik offerde, wegstierf, en het omhoog zond naar de astrale wereldruimte, opdat de Logos in het lichaam kon wonen. Dit is iets dat ook verduidelijkt wordt door de laatste woorden aan het kruis. Hoe zou men anders de woorden kunnen begrijpen: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? Men kan zien hoe hiermee datgene wordt uitgedrukt wat zich als feitelijk gebeuren eens heeft voltrokken: op het moment dat Christus sterft, heeft God het lichaam verlaten en de woorden worden uitgesproken door het lichaam van Jezus van Nazareth – een lichaam dat zo hoog ontwikkeld was, dat het uitdrukking kon geven aan dit gebeuren. In deze woorden is dus een ongelooflijk grote gebeurtenis uitgedrukt. En dit alles is nu gesymboliseerd in de mirre die het symbool vormt van het offeren, het versterven, het offeren van het aardse, opdat het hogere zal kunnen ontstaan.

In het midden van de lemurische tijd moest Osiris zijn graf vinden, moest manas, het geestzelf, indalen in de mensen. Door de ingewijden werd leiding gegeven aan de ontwikkeling van de mensen totdat het buddhi-principe, het principe der liefde, lichtend opbloeide in de Christus Jezus. Buddhi is de hemelse liefde. Het lagere geslachtelijke principe wordt veredeld door de christelijke liefde. Daardoor is het kama-principe, de geslachtelijke liefde in hemelse glorie opgegaan en werd het in het vuur van de goddelijke liefde gereinigd.

Bij Melchior hebben wij te maken met het principe van de wijsheid, de intelligentie, de opgave van de mensheid in de huidige (vijfde) na-atlantische ontwikkelingsperiode van de aarde. Gesymboliseerd wordt dit door zijn offer: het goud.

Wanneer er sprake is van een cultisch offer, dan komt dat tot uitdrukking in de wierook. Dat is het offer der Atlantiërs, de vierde ontwikkelingsperiode van de aarde. In de loop van de verdere mensheidsontwikkeling zal het christendom in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde zijn opgave vervuld hebben. Dan zal het gewone fysieke bestaan weer vervuld zijn van sacramentele cultische handelingen, offerhandelingen. De sacramenten hebben in de huidige tijd hun betekenis voor een groot deel verloren. Zij worden niet meer begrepen. Dat kan pas weer, wanneer in de toekomst geschiedt, wat door de wierook gesymboliseerd wordt: als de hogere mens zal zijn geboren.

De dood van Osiris vindt plaats in de lemurische tijd. Zijn opstanding zal zich afspelen in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde. Wij kunnen dus inzien, dat het feest van de heilige drie koningen door hetgeen zij met hun offerhandeling verkondigen, op de ontwikkelingsgeschiedenis wijst van de mensheid in de derde, vierde, vijfde en zesde ontwikkelingsperiode van de aarde.

Waardoor worden de heilige drie koningen nu geleid en waar worden zij heengevoerd? Zij worden geleid door een ster en zij worden naar een grot gevoerd in Bethlehem. Dat is iets, waarvan de werkelijke betekenis alleen maar kan worden begrepen door iemand die bekend is met de zogenaamde lagere of astrale mysteriën. Door een ster geleid worden betekent niets anders dan de ziel zelf als een ster zien. En wanneer ziet men de ziel als een ster? Men ziet de ziel als een ster, wanneer men haar als een lichtende aura kan waarnemen. Dan verschijnt de ziel als een ster. Maar welke aura is zo lichtend, dat zij kan leiden? – Allereerst hebben wij de aura die alleen maar glimt, die een matte lichtschijn bezit. Die kan niet leiden. Dan hebben wij de hogere aura, de aura der intelligentie. Die bezit weliswaar een stromend licht, een vloeiend licht, maar ook die kan nog niet leiden. Maar de heldere, stralende aura waar buddhi, levensgeest doorheen straalt, is werkelijk een ster, een stralende, leidende ster. Het is de stralende buddhi-ster die opgaat in Christus bij het voortschrijden van de mensheidsontwikkeling. Wat de magiërs lichtend voorgaat, is niets anders dan de ziel van Christus zelf. De tweede Logos( 1) zelf licht hen voor; als een stralend licht boven de grot in Bethlehem.
De grot is niet anders dan datgene waarin de ziel woont: het lichaam. Een helderziende ziet het lichaam van binnen. Voor een helderziend schouwende keert alles om; in het schouwen wordt alles omgekeerd. Men ziet bijvoorbeeld 365 in plaats van 563. Zo wordt door de helderziende het menselijk lichaam gezien als grot, als holte en wat als stralend licht verschijnt in het lichaam van Jezus is de ster van Christus, de ziel van Christus. Dit moet men zich voorstellen als een realiteit die zich afspeelt in de astrale wereld. Het is werkelijk de als een stralende aura lichtende ster van de Christusziel; die leidt de ingewijden van de drie ontwikkelingsperioden van de mensheid tot Jezus, naar Bethlehem.

Het Driekoningenfeest is dus een feest dat elk jaar op de zesde januari gevierd werd. Dit feest zal in de toekomst steeds meer in betekenis toenemen. Op den duur zal steeds beter begrepen worden wat een magiër is en wat de grote magiërs, de meesters zijn. Dan zal men doordat men het christendom leert begrijpen, ook tot een beter begrip van de geesteswetenschap komen.

Vertaling ir. H. de Brey in Mededelingen Antroposofische Vereniging, dec.1988)

1) In de christelijke esoteriek wordt Christus als de tweede Logos (de Zoon of het Woord) aangeduid. De eerste Logos is de Vader, de derde Logos is de Heilige Geest. (H. de B.)

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningen

.

1479-1387

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – herders en koningen

.

Erika Schulz, Erziehungskunst, 23-11-1959

.

herders en koningen in het kerstspel uit oberufer
.

In de 16e tot aan het begin van de 17e eeuw namen de Duitse boeren die van de Bodensee naar Hongarije emigreerden, hun kerstspelen mee naar hun nieuwe woonplaats op het eiland Oberufer, een vooreiland van het eiland Schütt, dat door de Donau beneden Linz en Pressburg werd gevormd.

Deze spelen werden door mondelinge overlevering met precieze speel’regels’, weken voor Kerstmis ingestudeerd; en men was er zich bewust van, dat de diepe Bijbelse geheimen die deze spelen onthulden, een bijzonder moreel bewustzijn van iedere speler afzonderlijk verlangde. Alle rollen werden door de meer of minder wilde knapen uit het dorp gespeeld, wanneer ze bereid waren aan de volgende voorwaarden te voldoen:
in deze tijd niet naar de meisjes gaan; geen schunnige liedjes zingen en een deugdzaam leven leiden.

Er waren drie spelen: het Paradiis- het Geboorte- en het Driekoningenspel, die Karl Julius Schröer tussen 1840 en 1850 in Oberufer ontdekte (op soortgelijke manier waarop Elias Lönnrot, de Finse arts, het grote nationale epos  ‘De Kalewala) van de ondergang redde). Hij kon een tijdlang bij de heideboeren wonen en hen zorgvuldig over de spelen bevragen. Er was geen volledig manuscript. Er waren maar een paar rollen van de spelen aanwezig. Persoonlijk overgedragen gingen ze van generatie op generatie.
Schröer stelde de teksten na gewetensvolle bestudering weer samen, die Rudolf Steiner, zijn leerling, weer toevertrouwde aan de leraren van de vrijeschool Stuttgart.
Sindsdien worden ieder jaar op alle vrijescholen in de wereld ten minste een van deze drie spelen als een geschenk voor de kinderen en de ouders door de leerkrachten van de vrijescholen gespeeld.

Iets belangrijks in de drie spelen is het oerbeeld van iedere rol. De eerste twee spelen: het Paradijsspel en het Geboortespel hangen innerlijk met elkaar samen, zoals Adam- en Evadag op 24 december samenhangt met de daaropvolgende 25e december. De zondeval, die in het eerste spel getoond wordt, wordt door het Geboortespel ongedaan gemaakt, zoals de engel in het Paradijsspel al verkondigd had, toen Adam en Eva bij de verdrijving uit het Paradijs werd beloofd: ‘Tot ik u langzaam wederkeren heet’.

Wanneer we de drie herders van het Geboortespel met de drie koningen van het Driekoningenspel vergelijken, dan valt in de hele entourage en compositie van elk van de spelen de tegenstelling op van de wereld van de herders en die van de koningen.

Bij de herders heerst een verinnerlijkte zielenstemming die helemaal past bij de omgeving van de geboorteplaats van het kind. De stille vrede van het land Galilea kan zeer zeker ook overgebracht worden naar de plek waar de spelen opnieuw gestalte krijgen. Je proeft in het herdersspel iets van de gemoedelijkheid van het Duitse dat de boeren meenamen naar hun nieuwe vaderland Hongarije, zoals weerspiegeld wordt in de talrijke kerstherdersliederen uit Beieren, Tirol en Oostenrijk. Een ervan is representatief voor vele andere, waarin een vergelijkbare zielenstemming heerst zoals in het Geboortespel:

‘Es blühen die Maien;
in klater Winterszeit
ist alles im Freien
auf unsrer Schäfersweid’,
ja, alles ist in schönster Blüe,
die Erd’ bringt süssen G’ruch herfür’.

De aarde zingt van wereldgeheimen en de herders begrijpen het in een droomachtige helderziendheid. Zo’n stemming heerst in het Geboortespel. En wanneer hier de herders Gallus, Stichl en Witok heten, dan zijn dat namen die vanuit het toenmalige landschap zijn ontstaan. In een ander lied heet een herder Lippai of Jost en in het boek van Felix Timmermans ‘Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ hebben ze echt Vlaamse namen.
Ieder is een herder en niet de herder. En toch wordt in hun gedaante zichtbaar iets wat zo’n oerbeeld is, en dat ondanks de verschillende werelden, ook zoiets, bij de drie koningen is te vinden.

Daar hebben we de eerste herder: Gallus, die over een heel wakkere waarnemingsgave beschikt. Hij is de eerste die opkomt; hij neemt waar dat het geijzeld heeft; hij herinnert zich als eerste wat de engel verkondigd heeft; hij neemt de uiterlijke situatie goed waar en zingt: ‘ick docht in enen stal te gaan.’
Wanneer hij de engel waarneemt, denkt hij in eerste instantie met een ‘gespook’ te doen te hebben. Hij staat met zijn wakkere vragen, met zijn zorg voor de uiterlijke dingen het dichtst bij ons: ‘Welke geschenken zullen we aanbieden?’ Hij besluit aan de pasgeborene wol en meel te geven, iets van wat leeft: de wol en wat fijn gemalen is: het meel. Op weg naar Bethlehem ziet hij weer als eerste het ‘strohuis’. En als eerste aanbidt hij het kind en benoemt precies ‘het bedje van stro, het ‘neuzeken fijn’ en de oogjes. Later kan hij dan zijn oude, bijna dove kameraad Crispijn die bij de ‘kudden en schaopen’ de wacht hield toen zij drieën naar Bethlehem togen, precies vertellen waar het kindje, tussen os en eselken, te vinden is.

Qua leeftijd staat Gallus tussen de jonge Stiechel en de oude Witok. Stiechel, de jongste, heeft ook de meeste vragen die enerzijds op een sterk interesse in de wereldse zaken wijzen. Als Witok iets van zijn vrouw meebrengt, vraagt Stiechel: ‘Is er ook spek bij, altemet?’ Maar bij de vraag aan Gallus voel je dat hij over de zichtbare dingen verder denkt: ‘Moet dan meteen ook alles wolf heten?’, betekent toch niets anders dan: er zijn nog andere oorzaken voor het verlies van de lammeren dan een wolf. En wanneer hij vraagt: ‘Wat hebt jij wel gedroomd?’, geeft hij als zijn antwoord, dat hij een engel mocht zien, een bode van de geestelijke wereld. Als hij de verkondiging waarneemt, ziet hij ‘over zijn hoed zo’n fel licht’ en ook hier weer neemt hij van boven het aardeding hoed, het licht van de hemelglans waar. Stiechel heeft de diepe slaap van de jonge mens. Nadat hij de verkondiging meebeleefd heeft, valt hij in een diepe slaap en slechts door het ijverig bemoeien van Gallus en Witok wordt hij wakker en valt door de gladheid languit achterover. Door deze brute val op de harde grond herinnert hij zich de boodschap van de engel. Stiechel bevindt zich ook hier weer duidelijk tussen hemel en aarde.
Ook bij de aanbidding neemt hij enerzijds het kindje waar, hoe het ‘arm, naakt en bloot’ ligt, anderzijds is hij in staat het kind in de ‘hemelzaal’ te schouwen. Als gave brengt hij het kindje melk, die ‘de enige substantie – althans in essentie de enige is – die de slapende geest kan wekken.'[1]
‘Het geesteswezen van de natuur schept iets wat de brug kan slaan naar de spraakgeest van het kind: de melk. Het laat uit de ledematen, uit de ledematenmens een substantie ontstaan die – omdat ze met de ledematenmens verbonden is – iets van die ledematenmens in zich heeft. [1]

Wat betekent het veel voor Stiechel, die de jeugdkracht heeft die naar de toekomst wijst, om een geschenk te geven dat boven de fysieke materie uitgaand een werking heeft die geestelijk wekkend is!
Nog iets wezenlijks is in het hele Geboortespel bij Stiechel te zien: het contact met de andere mens, zijn uitgesproken sociale vaardigheid. Hij begroet – als enige trouwens – Jozef en wel met het vertrouwde ‘oud-vadertje’. Hij ziet als eerste Crispijn en spreekt hem – net als Gallus en Witok – met ‘broeder’ aan.

De derde herder is de oudste, Witok. Hij heeft de rijkste levenservaring die hem een sterk, dikwijls een bezorgd gevoel heeft gegeven: ‘Wee, onze jammer en onze ellende!’ Hij weet van ‘ongeluk op ongeluk’. – Hij vertelt zijn kameraden dat er ‘onlangs nogal breedvoerig’ werd verteld. Zijn vertrouwen in een zonnige toekomst, waarin men ‘verlost zou zijn van kommer en kwel.’ Hij ziet bij de verkondiging noch een ‘gespook’, zoals Gallus, noch een ‘fel licht’ zoals Stiechel, maar hij hoort. Ingekeerd luisterend, neemt hij waar, zonder een bevestiging van buitenaf nodig te hebben. En wat hij daarna in zijn lied over deze beleving weet uit te drukken, is alsof het uit de ziel van een oude mysticus komt:

‘In stille kerstnacht op het land,
door een diepe slaap werd ik overmand,
mijn hart vloeide over
van zoete vreugd en honing goed
en rozen bloeiden.’

Uit deze tere zielenstemming kunnen we ook zijn bijzondere verhouding tot het vrouwelijke begrijpen. Hij is de enige die over zijn vrouw spreekt; hij mocht van haar niet weggaan alvorens de oude schoenen opgeknapt te hebben. Ze gaf hem wel ‘zelfgebakken grutten’ mee.
Bij de aanbidding begroet hij het kindje met ‘lief kindeke, lief Jezuke; gelaafd door ‘zijns moeders borst.’ En zijn ingetogen wezen met de bijna mystiek aandoende trekken doet hem als offergave een  lammetje schenken, leven dat echter geofferd moet worden door de slacht, zoals het kind later als het lam Gods het offer brengt voor de verlossing van de mensheid.
Hij weet dat het kindje:
‘Op de aarde kwam
om medelijden met ons te hebben
In het hemelrijk is hij zelfs aan de engelen gelijk.’

‘Dat deed hij zodat de mens kan leren
zich van hoogmoed af te keren
dat hij niet leeft in rijkdom en pracht,
maar waarlijk deemoedig probeert te leven.’

Hij neemt niet alleen maar de uiterlijke wereld waar, maar hij vormt door zijn gemoed oordelen waaruit iets moreels spreekt.

Wij zien in deze drieheid van de herders in wezen de drie zieleneigenschappen van de mens: denken, voelen en willen uitgedrukt, steeds met de nadruk op een van de eigenschappen in een van de herders.
Gallus leeft meer uit de zenuw-zintuigorganisatie in zijn wakker waarnemen. Stiechel is de actieve willer; Witok de uit zijn hart voelende.

In het Driekoningenspel komen we opnieuw drie koningen tegen.
Maar wat een andere wereld komt ons nu tegemoet. De koningen staan aan de top van de sociale ladder. Zij zijn – elk van hen – heerser over een grondgebied dat slechts van hen is. Het zijn drie zeer bewuste individualiteiten die met hun namen Melchior, Balthasar en Caspar niet te verwarren zijn en ze staan voor ons met een duidelijke opgave.
Melchior komt uit het met het goud der wijsheid doordrongen Perzië, de wereld van hoge wiskunde en astronomische berekeningen. Hij kan het gematerialiseerde zonnegoud als gave van wijsheid meebrengen.
Hij is weliswaar net als Gallus de eerste die de vraag van een geschenk stelt; maar hij ‘bedenkt het met zorg’. Hij leeft ook in de zintuigen, zoals Gallus, maar hij heeft alles helder doorzien. Wat bij de herders meer dromend beleefd wordt, is bij de koningen als een bewust weten aanwezig, omdat ze een wetenschap ontwikkeld hebben aan de wereldverschijnselen die hun het mogelijk maakt waar te nemen wat op aarde belangrijk is. [2]
Melchiors relatie met de Oude Schrift (Jesaja) is duidelijk; steeds weer wijst hij met nadruk op Jeruzalem; hij waarschuwt in zijn laatste woorden nog voor ‘het huis van Herodes’. Hieraan wordt duidelijk hoe het Driekoningenspel opgebouwd is met werelddramatiek. Heel het decadente van het koningshuis van Herodes; de overtrokken, verintellectualiseerde wereld van de Schriftgeleerden; de zwarte wereld van de duivel, het staat in schril contrast met de koninklijke waardigheid van de drie wijzen.
Kun je bij het herdersspel een zweem opvangen van een muzikaal-lyrische zielenstemming, het driekoningenspel ademt de dramatiek van de grote tegenstelling in de wereld: die van goed en kwaad. Hier is de spanning maatgevend: licht en duisternis. Licht en donker, wit en zwart.

Uit Ethiopië komt Caspar, de jongste koning en op dit punt met de herder Stiechel te vergelijken. Ook zijn onstuimig karakter. In zijn taalgebruik zitten krachtige uitdrukkingen: ‘grootste vrolijkheid’, ‘groot misbaar’, ‘groot wonder’, ‘uitzonderlijke ster’ zijn een paar van zijn kranige uitspraken.
Ook heeft hij met Stiechel gemeen: het directe contact met zijn omgeving. Hij begroet als eerste en enige Herodes met de woorden; hij neemt na het geven van de geschenken als enige duidelijk afscheid van Jozef.
Wanneer we naar de gaven kijken: Melchior – de rode koning – Goud; bij Caspar, de groene koning – is het Mirre, de geneeskrachtige plant. Interessant zou het zijn eens een vergelijking te maken van de drie herdersgaven met die van de drie koningen.
Ik laat het aan de lezer zelf over meer met het gevoel van het verschil te leven, dan met een over en weer vergelijken, waarbij steeds het gevaar dreigt van te veel intellectualisme.

Balthasar, de blauwe koning, zou uit het verre Indië zijn gekomen. Hij beroept zich steeds op de ster, maar op de ster ‘waarin een jonkvrouw met een kind’ staat.
Zoals Witok bij de herders met het vrouwelijke is verbonden, is bij Balthasar de toewijding tot de jonkvrouw bijzonder groot. Hij begroet als enige Maria als ‘jonkvrouw teer’. – Wat bij de herder Witok nog zorgen waren voor de last van alledag, is bij Balthasar omgevormd tot koninklijke zekerheid: ‘Nu behoedt u de almachtige god voor kommer, angst en alle nood.’
Hij brengt het kind wierook, de vluchtigste, maar ook de ‘geestelijke’ substantie die in het welriekende uitstroomt en opstijgt tot in de ‘hogere werelden’. Opmerkelijk krachtig zijn de laatste woorden van Balthasar, die zich vol dramatiek op Herodes richten: ‘Herodes, is dat uw boze streven, dan hoeden wij ons ervoor naar u terug te keren.’
Hij die zich richt op de jonkvrouwster, kan zich op dit actuele moment in deze situatie in de wereld volledig tegenover zijn tegenstander opstellen.

Een korte blik op Goethes sprookje zij mij vergund. Al in 1899 wees de jonge Rudolf Steiner op de samenhang van de gouden koning met het denken, de zilveren met het voelen, de koperen met het wollen.
‘In de mens die op weg is een vrije persoonlijkheid te worden, zijn 3 zielenkrachten vermengd werkzaam: de wil (het koper), het voelen (het zilver), de kennis (het goud). Wat de ziel door deze 3 krachten zich eigen maakt, wordt in de loop van het bestaan door de levenservaring geopenbaard: de kracht waarin de deugd werkzaam is, komt tot uiting in de wil; de schoonheid ( de schone schijn) tot uiting in het voelen; de wijsheid in het kennen [3]. De schone jongeling ontvangt 3 gaven: de gouden koning zet hem de eikenkrans op het hoofd met de woorden: ‘Leer het hoogste kennen’. –
Hier is het het gevormde goud waarmee hij gekroond wordt. De zilveren koning geeft hem de scepter en hij spreekt de zin: ‘Weidt de schapen’. (We weten nog hoe de ‘zilveren’ herder Witok in het Geboortespel een lam als gave meebracht). De scepter wordt voor het hart gehouden.
Van de ijzeren koning krijgt hij het zwaard met de opdracht: ‘Het zwaard links: rechts vrij.” Hier worden op een speciale manier de ledematen aangesproken.

Vatten we het geheel nog eens samen in een overzicht, dan zie we een wereld van verschil, maar ook een wereld van overeenstemming tussen koningen en herders.

herders en koningen

.

[1] GA 293/165
vertaald/167
[2] GA 203/15
[3] GA 22/76

*er is ook sprake van ‘koper’. Zie daarvoor de voordracht in GA 22
.

982-909

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (22)

.

DRIEKONINGEN

De winter is de tijd van abstractie. De bomen zijn kaal, onbekleed is de natuur en naakt tonen zich haar patronen. Naar hun silhouet kan men het wezen der bomen nu goed onderscheiden!
Zo gaat nu ook de mens nadenken, zijn ervaringsbeelden afpellen om er de les uit te trekken en dan het beeld op te ruimen, lezend, denkend en tezamen sprekend, bij lampschijnsel in het besloten huis, ontdekt men de achtergronden der feiten, de zin van het gebeuren.
De kinderen doen spelletjes die overblijfselen zijn van heilige handelingen der volwassenen in een ver verleden. Dansen en optochten  die het wezen van een seizoen uitbeelden.
Op elf november vierden zij Sint – Maarten, gingen in optocht door het dorp, elk met een uitgeholde mangelwortel, waarin venstertjes waren uitgesneden, en een lichtje binnenin. Wat stelde dat voor?
Het lichaam waar het licht van de geest door uitschijnt!
Een ander maal spelen zij Jan Huygen. Eén kind staat middenin; de andere, in een kring er om heen dansend en zingend:
.
Jan Huygen in de ton met een hoepeltje erom
Jan Huygen, Jan Huygen,
en de ton die viel in duigen!
.
De kring, die de ton vormde, waar Jan Huygen in zat, wordt op die laatste regel verbroken en de kinderen, als de duigen, tuimelen gierend van de pret over de grond.
De ton is de levensvorm, die in het najaar ontbonden wordt. Maar J.H., het geestelijk wezen, dat zich van de stoffelijke belichaming bediende, dat is gebleven en komt nu des te duidelijker uit!
De kersttijd wordt besloten met het feest van Driekoningen, op 6 jan. Na de 12 heilige nachten van 24 december tot 5 jan. is dit de dertiende dag, waarop men voor’t eerst weer bonen mag eten. Daarom zit in het Driekoningenbrood een heilige boon verstopt.

De kersttijd is immers de tijd waarin de levensgeest neerdaalt in de stof met een nieuwe uitstorting van zonnekracht voor de mensen. Hij grijpt aan in de bonen, de zaden de bollen in alle kiemen die verborgen zijn in de moederschoot der aarde. Het is de heilige tijd der conceptie. Nu hebben de kiemen de heilige zonnekrachten ontvangen en kunnen gaan groeien. Zo verborgen als zij in de aarde, ligt de heilige boon in het driekoningenbrood.

Een Oudhollands kinderspel op driekoningenavond is ‘het kaarsje aan de deur”.
De kinderen dansen in een kring om een brandend kaarsje. Drie van hen zijn verkleed als de drie koningen, waarvan één, de Zwarte Melkert*, een zwarte Jood uit Abessinië was. Daarom heeft het kind dat koning Melchior voorstelt, zijn gezicht roetzwart gemaakt. Dan zingen zij onder het dansen:
.
Vinger in de roet, wie er mee doet!
Vanavond, met een kaarsje,
met ’n lichtje aan de deur,
hoezee!
.
Op de laatste regel laten zij elkaar los en rollen over de grond. Evenals in J.H. wordt de stoffelijke vorm ontbonden en wordt de heilige geestelijke kern zichtbaar.
De zwarte Melchior werd later Zwarte Piet. In het Friese dorp Grouw wordt op 6 jan., dus op driekoningen, het feest gevierd van Zwarte Piet, zonder Sinterklaas. (In dit artikel is sprake van in februari)
Elk van de driekoningen beeldt een deel van de mens uit.
Zwart is de kleur van stof. Het is de rouwkleur in die materialistische landen, waar men staart op het stoffelijk overschot en zijn vergankelijkheid. Terwijl toch juist de geestvonk door het afvallen van het stoffelijk kleed bevrijd is! De zwarte koning Melchior beeldt het stoffelijk lichaam van de mens uit. Hij bracht de bittere mirre mee: een kostbare medicijn, die als tonicum en antisepticum het stoffelijk lichaam versterkt. Koning Caspar bracht het goud mee, dat behoort bij het hart en het gevoel, het astraal lichaam van de mens, dat, als het rein is gevoelens bergt, zuiver als goud. En koning Balthasar voerde de wierook mee, Weih-rauch gewijde rook van het hars van de boom olibanum. De wolken wierookgeur behoren tot het luchtelement, zij stijgen ten hemel zoals de gedachten die zich tot God verheffen. De wierook beeldt het verheven denken uit, het mentaal lichaam van de mens.
Wilsdaad, gevoel en verstand: dat zijn de drie koningen in de mens, die zijn karakter tezamen binden. Als een vat, waarin het wezen, de geestvonk, besloten is en wonen mag.
De drie koningen brachten hun gaven mee voor de godszoon. De drie lichamen of vermogens van de mens zijn er voor het geestlicht van binnen. Opdat het ze heilige en er doorheen schijne naar buiten.
In de heilige wintertijd zien wij het onverhulde licht zelf. Opdat wij het kennen en later zullen herkennen, ook door de bekleedsels heen.
.
Ieder mens draagt het licht.

.

(De Kaarsvlam, 27-01-1973)

.

*In het Oberuferer driekoningenspel heten de koningen Melchior (rood gekleed; goud), Balthasar (blauw gekleed; wierook), de donker kleurige Caspar, groen gekleed: mirre).

.

Driekoningen: alle artikelen

.

981-908

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen – (21)

 

 

goud, wierook en mirre

Zij, die aan het kind in de kribbe de symbolen gebracht hebben, of beter gezegd de symbolische gaven goud, wierook en mirre, zij hebben van de sterren afgelezen op de manier van een duizenden jaren oude wetenschap, het mysterie van de geboorte uit de Maagd – dus het kerstmysterie. En zij, de wijzen met het goud, de wierook en de mirre, waren op die manier zoals de oude wijsheid dit opvatte, astrologen; zij waren op de hoogte met die geestelijke processen die zich in de kosmos afspelen, wanneer bepaalde tekens zich aan de hemel vertonen.

Zo’n teken was voor hen dat in de nacht van 24 op 25 december – in het jaar dat wij tegenwoordig als het geboortejaar van Christus Jezus benoemen – toen de zon, het grote wereldsymbool van de wereldverlosser, vanuit het hemelgewelf neerfonkelde uit het sterrenbeeld van de maagd. Zij zeiden: wanneer de constellatie aan de hemel zichtbaar zal zijn, dat de zon in de nacht van 24 op 25 december in het sterrenbeeld maagd staat – dan zal er met de aarde een belangrijke verandering plaatsvinden. Dan is de tijd aangebroken dat wij het goud, d.w.z. het symbool van onze kennis van het goddelijk wereldbestuur, dat we tot nog toe alleen in de constellatie van de sterren hebben gezocht, zullen brengen aan de weerkende kracht die nu deel wordt van de ontwikkeling der mensheid op aarde;
dat wij de wierook die tegelijkertijd de hoogste menselijke deugd symboliseert, zo kunnen offeren dat wij ons om deze hoogste menselijke deugd ten uitvoer te kunnen brengen, ons verbinden met de kracht die van Christus uitgaat, die geboren zal worden in die menselijke persoon  die wij de wierook als symbolische gave brengen; en ten derde de mirre –als het symbool van wat eeuwig is in de mens. Wat wij als verbonden gevoeld hebben door de millennia heen met de krachten die uit de sterrenconstellaties ons een taal spreken, wij zoeken het verder, wanneer wij het als gave brengen aan hem die de mensheid een nieuwe impuls zal geven. Wij zoeken onze onsterfelijkheid ddor onze ziel te verbinden aan de impuls van Christus Jezus. Wanneer uit de maagd het kosmische symbool van de wereldkracht, de zonnewereldkracht, neerwaarts lichten zal, dan zal er een nieuwe tijd op aarde aanbreken.

Zo werd het geloofd, zo werd het gezien gedurende duizenden jaren. En toen de wijzen zich geroepen voelden de wijsheid van het goddelijke, het menselijke gevoel van de deugd, het tastend voelen van de menselijke onsterfelijkheid – symbolisch uitgedrukt in goud, wierook en mirre – aan de voeten van het goddelijke kind te leggen, herhaalden ze als een historische gebeurtenis wat in talloze mysteriën, in talloze offerhandelingen door de duizenden jaren heen, even symbolisch gedaan werd, toen ze als een profetische verwijzing naar de gebeurtenis die zou beginnen wanneer de zon om middernacht van 24 op 25 december vanuit de maagd vanuit de hemel neerwaarts zou schijnen, aan het symbolische godskind dat in de oude tempels als de representant van de zon behoed werd, in deze kerstnacht schonken: goud, wierook en mirre.

Rudolf Steiner: GA 180/9

Driekoningen: alle artikelen

978-905

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (19)

.

Gerard Reyngoud, vrijeschool Leiden, *dec.1974
.

over de drie geschenken

Een van de vier standaardwerken van Rudolf Steiner ‘Die Geheimwissenschaft im Umriss [1] vermeldt in de inleiding woorden met de volgende strekking:

‘Wij willen hier spreken over zaken die eigenlijk door iedereen benaderd kunnen worden. Wij willen onze omgeving ( mineraal, plant, dier en mens ) zo leren kennen dat het zijn geheim toont. Wie de moeite neemt om op een onbevooroordeelde wijze te leren zien in die omgeving zal het schone, het waarachtige en het goede ontdekken, behoeden en bewonderen. Zo zal hij merken, dat alles in de wereld een openbaar ‘geheim’ heeft , maar dat het verborgen blijft zolang men aan de werkelijkheid voorbij gaat.’

Het Bijbelwoord uit het Johannesevangelie ‘wie oren heeft, die hore’ moet,  dunkt mij, op dezelfde gedachte steunen.

De meesten van ons kennen wel het kerstlied ‘Nu zijt wellekome’ waarin de regels voorkomen:

‘De heilige Drie Koningen uit zoverre land…..’

en verder:

‘Ze offerden ootmoediglijk myrr’, wierook ende goud.

Wij zongen over de wijzen uit het Oosten die mirre, wierook en goud brachten aan het kindje. Hoevelen van ons hebben zich ooit afgevraagd wat dat nu eigenlijk voor geschenken waren. Ik heb me ook wel eens geprobeerd te realiseren wat koningen nu met zulke vreemde geschenken moesten doen. Ik dacht erover na, wist geen antwoord en dan gleed mijn aandacht weer naar iets an­ders toe.

Wie oren heeft, die hore!

Nu wil ik echter een poging wagen om eens met u het een en ander over die geschenken te doordenken.

Is goud niet het edelste metaal, dat wij kennen? Komt het niet vaak, vooral in sprookjes, voor als beeld voor stralende wijsheid? Is de koningskroon niet van goud? De zon en het goud en de wijsheid, zijn dat geen beelden die ons helpen duiden, dat één van de koningen het kindje de edelste wijsheid schonk.
Dan de wierook, het sterkst geurende, een enige jaren terug* door de ‘flower power, make love not war, hippies’, opnieuw ontdekte middel om door de geur in een gezamenlijke gevoelsatmosfeer te komen.
Het geurende wordt in het ademritme opgenomen, verwerkt en weer aan de omgeving teruggeschonken. Zo komt de wierook in ons
ademhalingssysteem van longen en bloedcirculatie, waar gevoelens die ons treffen direct merkbaar worden. Gevoelens van schrik en blijdschap, schaamte en opwinding zijn immers als eerste merkbaar in een versnelde of stokkende ademhaling of een plotse­linge rode of bleke gelaatskleur. Zo werkt de wierook in op onze ademhaling en dus op onze gevoelens.
De koning die de wierook schenkt, schenkt het kind de rijkdom van het edelste gevoelsleven.

Ten slotte de mirre, een plant groeiend en bloeiend in de meest barre omstandigheden. In woestijngebieden, waar een verzengende zon al het leven op aarde verschroeit, waar geen zaad ontkiemen kan, daar weet de mirre zich nog te handhaven. Haar taaie vol­harding om leven mogelijk te maken waar al het andere het opgeeft, getuigt van een wilskracht die ontembaar is. De koning die de mirre aanbiedt, schenkt het kind de wil die het in het leven no­dig zal hebben.

De drie wijzen schenken dus wijsheid, gevoelsleven en wil. Hierin zijn terug te vinden het denken, voelen en willen. Wij trachten immers ook in ons onderwijs de denkende, voelende en willende mens op te voeden.

Ook het fenomeen, dat de wijzen uit het Oosten komen is bijzonder boeiend. Wij leven in onze tijd* in een politiek klimaat waar de belangstelling voor geestelijke stromingen uit het veel spiri­tuelere oosten [niet groot is?] Talrijke Guru’s trekken naar het westen met oosterse meditatiesystemen. Vele westerse jongeren trekken naar landen als India om er een leraar te zoeken in geestelijke aan­gelegenheden. Een vreemd fenomeen. Ook de drie koningen kwamen uit het oosten, maar zij aanbaden “het Kind’. Ik geloof, dat daar een sleutel te vinden is om iets van dat ‘openbaar geheim’ te doorgronden.
.

[1] GA 13
vertaald

.

over goud; over mirre

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen   jaartafels

734-671

.

.

.