Tagarchief: bewegende klas

VRIJESCHOOL – Beweging en leren

.
Marin Carle, Waldorf-Ideen Pool
.

beweging en leren
.

Onze moderne intellectuele cultuur is uiterlijk een ‘zitcultuur’ geworden. De afgelopen eeuwen werd van kinderen steeds meer verwacht dat ze stil zaten om te leren. 

Vroegere culturen wisten het beter, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de kloostergangen waar de monniken wandelden, mediteerden en leerden.
Ook e Griekse cultuur toonde een ander begrip van leren in beweging (gymnasiast).

Sinds het begin van het vrijeschoolonderwijs en steeds meer in het algemene onderwijsonderzoek en discussie is het verband tussen leren en bewegen weer duidelijk geworden. Aandacht en concentratie, en dit wordt men zich steeds meer bewust, kunnen niet zonder meer gelijkgesteld worden met rust en onbeweeglijkheid. Als je naar het kind kijkt, zie je gemakkelijk dat beweging een zo niet dé, basisvereiste is om te leren. Het is de ‘motor’ en ‘bemiddelaar’ van het leren. Het leren van kinderen is primair gebaseerd op hun eigen activiteit en is gebaseerd op zintuiglijke ervaringen, waarnemen en beleven op basis van concrete zintuiglijke indrukken. 

De psychologische en spirituele verbanden tussen beweging en leren, die zijn afgeleid uit de menskunde van Rudolf Steiner, worden grotendeels bevestigd door de bevindingen van de hedendaagse hersenfysiologie. De verschillende zintuiglijke indrukken kunnen worden gezien als ‘voedsel’ voor de hersenen van het zich ontwikkelende kind (vooral voor de zich ontwikkelende synapsverbindingen). Grove of fijne motorische oefeningen ontwikkelen specifieke fysieke fundamenten van de hersenen, die een voorwaarde zijn voor psychische en mentale processen, zoals leren.
In de eerste jaren leert het kind overwegend door proefondervindelijk handelen in de omgeving met concreet materiaal de natuurkundige wetten (van zijn eigen lichaam en van zijn omgeving, bijvoorbeeld door kruipen, glijden, schommelen, klimmen, rollen, springen, enz. Op zijn beurt verfijnt en vergroot het de zintuiglijke activiteit en creëert zo een steeds scherper ‘gevoel’ voor zijn omgeving, een essentiële voorwaarde voor later levenslang leren.

De motivatie om te bewegen, al bewegend te leren, komt volledig van het kind zelf, hij imiteert zijn omgeving (opstaan, staan, lopen, spreken etc.) en ervaart er succes bij dat weer stimuleert en niet een beloning die van buiten komt.
Wij als opvoeders kunnen deze zelfmotivatie bevorderen door spontane bewegingen en ideeën toe te staan ​​en zo divers leren mogelijk te maken. We kunnen de kinderen behoedzaam aanmoedigen (door nabootsing, maar ook door maar te proberen) om hun beweging gerichter, gecontroleerder en bewuster te gebruiken. Het is belangrijk om beweging niet puur als een doel op zichzelf te ervaren (dat heeft zeker zijn tijdelijke rechtvaardiging), maar er eerder naar te streven dat de externe beweging voortkomt uit een innerlijk emotioneel gebaar of houding, en de uitdrukking is van een psychisch vervuld beeld of idee.

Het uiterlijk van veel van onze scholen lijkt vandaag de dag nog steeds op dat van de scholen van vroeger. In overeenstemming met het idee dat leren voornamelijk plaatsvindt door stil te zitten en te concentreren, zijn de meeste klaslokalen voorzien van tafel- en stoelmeubilair dat centraal op het bord is gericht. Werken en leren gebeurt vrijwel uitsluitend zittend; de zintuigen worden vooral auditief en visueel aangesproken.

In sommige vrijescholen wordt al tientallen op een bewegende manier les te geven en andere zintuigen aan te spreken. Met name de zogenaamde basale zintuigen (tastzin, evenwichtszin, levenszin, bewegingszin) moeten door het ritmische deel worden aangesproken. Maar de externe mogelijkheden zijn relatief beperkt in klaslokalen met tafels en banken en in grote klassen met wel 40 kinderen of zelfs meer, die vaak nog wel aanwezig zijn.

Vanwege het feit dat onze zeer technische en goed georganiseerde wereld vandaag de dag veel kinderen noch de tijd noch de ruimte biedt om de zintuiglijke ervaringen die zo noodzakelijk zijn voor hun ontwikkeling adequaat te ervaren, zijn steeds meer kleuterleidsters en basisschoolleerkrachten op zoek gegaan naar manieren om een ​​deel van deze ervaringsruimtes en -tijden met de kinderen te integreren in hun dagelijks leven. Experimenten met ander zitmeubilair (bijvoorbeeld zitballen enz.) begonnen al in de jaren zeventig. De term ‘bewegende school’ of ‘bewegend klaslokaal’ was al sinds eind jaren negentig in opkomst, maar betekende nog geen uniform concept. Het concept van het ‘bewegende klaslokaal’ ontstond ook in vrijescholen.

In mijn ervaring heeft het gebruik van de term ‘bewegend klaslokaal’ vaak geleid tot uitingen van ontevredenheid onder collega’s die met gewoon schoolmeubilair werken, omdat de term impliceert dat leren plaatsvindt ‘zonder beweging’ in een ‘gewoon’ klaslokaal. In feite is het niet het meubilair dat bepaalt of er al dan niet ‘bewegend’ leren plaatsvindt, maar eerder het bewustzijn en de vaardigheden van de leraar.
Goede of slechte pedagogie is zeker niet alleen een kwestie van meubilair; een “bewegende” leraar kan uitstekend werk leveren in een “stationair” klaslokaal en omgekeerd. Hieronder wil ik de bijzondere mogelijkheden en aspecten van het “mobiele klaslokaal” introduceren, die mij de afgelopen anderhalf jaar essentiële ondersteuning hebben geboden bij mijn pedagogische zorgen.

Meubilair in de klas

In wezen wordt het klaslokaal uiterlijk gekenmerkt door kleine bankjes waarop maximaal drie kinderen kunnen zitten en maximaal twee kinderen kunnen schrijven of schilderen. Om aan de banken te werken, zitten de kinderen op kussens van 45 x 45 cm gevuld met speltkaf, die zeer compact zijn (2,5-3 kg) en maximale stabiliteit garanderen. In de regel zitten kinderen zo dat hun knieën de grond raken en dat hun onderbenen en de achterkant van hun voeten worden ondersteund. Het werkelijke gewicht rust op de kussens, de wervelkolom is uitgerekt of licht gebogen, vergelijkbaar met een stoel. Een grote plank aan de achterkant van het klaslokaal, elk met drie compartimenten, is nuttig gebleken en geeft elk kind ruimte om zijn schooltas, buiten- en binnenschoenen, enz. op te bergen., ook ander lesmateriaal (fluit, notitieboekje, etui, enz.). Een tapijt in het midden verfraait niet alleen de sfeer in de ruimte en dempt de echo, maar biedt ook allerlei bewegingsmogelijkheden. Twee turnmatten op de rand en diverse oefenspeeltoestellen maken de uitrusting compleet.

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

Bewegen in de klas

Vrijeschool in beeld: de bewegende klas

.

3109-2922

.

.

.

VRIJESCHOOL Opspattend grind (86)

.

‘Met kniebuigingen komt de rekenles tot leven’

Dat is de kop van een berichtje in Trouw van 21 november 1921.

De jeugd is motorisch minder vaardig. Daar spelen basisscholen op in. ‘Geen kind zou langer dan 45 minuten moeten stilzitten. luidt de subtitel.

Waarom word ik enerzijds blij van deze berichten, maar anderzijds zo droevig. Blij, omdat er eindelijk weer iemand inziet dat beweging zo ongelooflijk belangrijk is voor het opgroeiende kind. En dat kinderen de kans krijgen om te bewegen.

Maar droevig, omdat zoiets als ‘nieuw inzicht’ wordt gebracht, terwijl er een pedagogie bestaat die tot in detail het belang van beweging tot in concrete lessituaties beschrijft. 

De kinderen van groep 6 springen op en neer in het klaslokaal, terwijl hun armen fanatiek door de lucht zwaaien. Even later doen ze kniebuigingen. Dit is een rekenles op basisschool De Waterhof in Delft. Op het digibord verschijnt het getal 8732. Wat is de acht waard? Wie aan een tiental denkt, moet knieheffen. De leerlingen kiezen massaal voor de zijwaartse stap die bij een duizendtal hoort.

Zelf zie ik dan de kinderen voor me die op de vrijescholen in vrijwel iedere rekenles bewegen – niet als ‘beweegtussendoortjes‘, maar vanuit een menskundig pedagogisch-didactisch principe.

Het is eigenlijk ten hemel schreiend dat er een Week van de Motoriek moet  bestaan om het belang van beweging te onderstrepen. En dat dit georganiseerd wordt – nee, niet door het onderwijs – maar door een instelling die buiten het onderwijs actief is: Kenniscentrum Sport & Bewegen. Help de jeugd meer en beter te bewegen, luidt de boodschap. De motorische vaardigheden hollen achteruit en van de kinderen tussen vier en elf jaar komt nog maar 61 procent aan voldoende beweging volgens de richtlijnen van de Gezondheidsraad.

En de ‘beweegambassadeur'(sic) zegt:
Een bal vangen? Dat vinden kinderen steeds moeilijker; hun oog-handcoördinatie is de afgelopen tien jaar sterk verminderd. Geen kind zou langer dan drie kwartier achter elkaar stil moeten zitten.”

Er is hoop:

Op steeds meer basisscholen wordt het bewegingsonderwijs gegeven door een vakleerkracht. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Mulier Instituut dat vandaag gepresenteerd wordt. “De motorische vaardigheden van kinderen gaan al jaren achteruit. De urgentie lijkt nu doorgedrongen”, verklaart onderzoekster Jorien Slot-Heijs. “Er is de afgelopen tijd veel ingezet op de kwaliteit van bewegingsonderwijs.”

In het schooljaar 2020-2021 liet 44 procent van de basisscholen de gymlessen voor groep 1-2 niet meer alleen over aan de groepsleerkrachten. In groep 3 tot en met 8 was dat 77 procent. Dat betekent een toename van respectievelijk 23 en 59 procent ten opzichte van vier jaar geleden. Ruim twee op de vijf scholen (44 procent) bieden extra ondersteuning aan kinderen met een motorische achterstand, vooral door een geschoolde gymleraar. Dit is een ruime verdubbeling ten opzichte van 2016-2017 (20 procent).

Dat is mooi! Maar mooier is, wanneer ‘bewegen’ niet los wordt gezien van de ontwikkeling van de mens. Niet los wordt gezien van wat de opvoeding van de wil is.
Van de wil? Ja, van de wil. Maar om dat te kunnen meedenken, moet je een mensbeeld hebben, dat concreet over de wil kan spreken.
Dat mensbeeld is de basis van de vrijeschoolpedagogie.

Binnen het vrijeschoolonderwijs zijn er scholen die hun klassen allemaal ‘de bewegende klas‘ noemen.

Geen ‘bewegingstussendoortjes’, maar structureel:

De bewegende klas

Rudolf Steiner over de wil 

Meer

Al met al: hoe zou het toch komen dat een ‘honderdjarige’ zoveel levendiger en beweeglijker blijkt te zijn dan wat elders nog tot ontwikkeling moet komen.

.

Zie Opspattend grind:  [19]  [60]  [102]

Bewegen in de vrijeschool

Opspattend grind: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldde bewegende klas

2684-2514

.

.

.

.